Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201119637 nr. 1386

19 637 Vreemdelingenbeleid

Nr. 1386 BRIEF VAN DE MINISTER VOOR IMMIGRATIE EN ASIEL

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 15 december 2010

Inleiding

Tijdens het begrotingsoverleg Immigratie en Asiel op 1 december jl., alsmede tijdens het algemeen overleg met uw Kamer dat plaatsvond op 8 december jl, is van gedachten gewisseld over de vraag hoe moet worden gehandeld indien beëindiging van voorzieningen uit opvanglocaties van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) staan gepland, die geëffectueerd zouden moeten worden tijdens situaties van vrieskou.

In de motie die tijdens het begrotingsoverleg werd ingediend door het lid Spekman c.s., werd de regering verzocht om geen vreemdelingen op straat te zetten als in de betreffende regio een «koudweerregeling» van kracht is.

Deze motie heb ik ontraden, waarbij ik heb aangegeven dat ik er alle vertrouwen in heb dat de medewerkers in de uitvoering hiermee verstandig zullen omgaan en dat zij in situaties van vrieskou, zoals die zich de afgelopen weken hebben voorgedaan, niet feitelijk de opvang van uitgeprocedeerde vreemdelingen beëindigen, indien niet op andere wijze in onderdak is voorzien. Voorts heb ik tijdens het algemeen overleg van 8 december jl. toegezegd uw Kamer nog nader te informeren over de wijze waarop aan de uitgeprocedeerde vreemdeling wordt gecommuniceerd dat de op handen zijnde ontruiming tijdelijk geen doorgang zal vinden.

Met deze brief voldoe ik aan deze toezegging.

Communicatie aan de vreemdeling

Met COA, IND en DT&V heb ik nadere afspraken gemaakt over de communicatie aan de uitgeprocedeerde vreemdeling. Uitgangspunt blijft dat in situaties waarin een asielzoeker niet meewerkt aan terugkeer en gedwongen terugkeer niet mogelijk is, beëindiging van de opvangvoorzieningen plaatsvindt op basis van artikel 45 van de Vreemdelingenwet. Wanneer er sprake is van een situatie van vrieskou en vreemdelingenbewaring of plaatsing in de locatie voor vrijheidsbeperking niet aan de orde is en evenmin is gebleken dat de vreemdeling zelf voor een alternatief kan zorgen, zal geen beëindiging van de COA-opvang plaatsvinden. Een schriftelijk bericht over de geplande beëindiging van de opvangvoorzieningen ontvangt de betreffende asielzoeker in de regel geruime tijd van tevoren, zodat hij zich daarop kan voorbereiden. Er kan in die brief derhalve geen rekening worden gehouden met een mogelijke situatie van vrieskou op het in de brief genoemde moment van beëindiging.

Kort voor de beëindiging van de opvangvoorziening is dit echter redelijkerwijs voorzienbaar. Met het COA heb ik dan ook afgesproken dat aan de asielzoeker in ieder geval, en zo mogelijk enkele dagen voor de beëindiging van de opvangvoorzieningen, wordt medegedeeld dat, indien zich een situatie van vrieskou daadwerkelijk voordoet, de beëindiging geen doorgang zal vinden. Het COA zal deze mededeling zoveel mogelijk mondeling aan de asielzoeker overbrengen.

De DT&V kondigt de beëindiging van het geboden onderdak op de locatie voor vrijheidsbeperking (VBL) in de regel een tot twee dagen tevoren aan.

Als zich een situatie van vrieskou voordoet, wordt gewacht met deze aankondiging.

Opheffingen van vreemdelingenbewaring

Voor de categorie vreemdelingen waarvan de bewaring, anders dan vanwege uitzetting naar het land van herkomst, wordt opgeheven heb ik niet de wettelijke bevoegdheid om de opheffing van de bewaring uit te stellen tijdens vorstperiodes. Het betreft hier immers een vrijheidsontnemende maatregel die slechts kan worden toegepast voor zover noodzakelijk voor de uitzetting.

Tweede of volgende aanvragen die in het aanmeldcentrum worden afgewezen

Asielzoekers die een tweede of volgende asielaanvraag indienen die reeds in het aanmeldcentrum wordt afgewezen hebben ingevolge het geldende beleid na de afwijzing van de aanvraag geen recht op opvang. Vanzelfsprekend wordt ook bij deze vervolgaanvragen door de uitvoerende diensten in redelijkheid gehandeld en wordt, indien dat in bijzondere gevallen noodzakelijk is, gezocht naar een passende oplossing.

Tot slot

Ik ben van mening dat de bovenomschreven werkwijze tijdens een situatie van vrieskou de uitvoering in staat stelt om verstandig met een situatie van vrieskou om te gaan. Uiteraard blijft het aan de medewerkers in de uitvoering om in redelijkheid en met gezond verstand om te gaan met besluitvorming omtrent beëindiging van opvangvoorzieningen.

De beschreven werkwijze betekent niet dat zich geen ex-asielzoekers «op straat» kunnen bevinden. Het kan gaan om vreemdelingen die eerder (nog voor de ontstane vrieskou) op straat terecht zijn gekomen of om vreemdelingen die ? bijvoorbeeld naar aanleiding van een overplaatsing naar de locatie voor vrijheidsbeperking dan wel een vermoeden van een aanstaande inbewaringstelling ? met onbekende bestemming zijn vertrokken. Het is essentieel om voor ogen te houden dat uitgeprocedeerde asielzoekers zelf verantwoordelijk zijn om te voldoen aan de vertrekplicht. Als zij actief meewerken aan terugkeer kan dit doorgaans vanuit een opvangsituatie plaatsvinden.

De minister voor Immigratie en Asiel,

G. B. M. Leers