Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201119637 nr. 1368

19 637 Vreemdelingenbeleid

Nr. 1368 BRIEF VAN DE MINISTER VOOR IMMIGRATIE EN ASIEL

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 4 november 2010

Met deze brief geef ik gevolg aan het verzoek van uw Kamer van 3 november 2010 om u te informeren over de gevolgen van de beslissing van 2 november jl. van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna EHRM) inzake de gedwongen terugkeer naar Irak. Ik zal in deze brief voorts specifiek ingaan op de punten waarover uw Kamer toelichting heeft gevraagd.

Op 2 november 2010 heeft de President van de Derde Sectie van het EHRM besloten dat in ieder geval tot 24 november 2010 geen Irakese vreemdelingen naar Bagdad zouden moeten worden uitgezet. Hij heeft deze beslissing, waaraan in afwijking van de algemene praktijk, blijkens de bewoordingen ervan een generieke werking moet worden toegekend, genomen op grond van Regel 39 van de Procedureregels van het Hof. Aangezien dergelijke beslissingen juridisch bindend zijn, heb ik daarop besloten dat de gedwongen terugkeer naar Irak tot die datum moet worden opgeschort. Dat de gedwongen terugkeer voorlopig wordt opgeschort, wijzigt niet het staande beleid ten aanzien van asielzoekers afkomstig uit Irak. Zoals ik uw Kamer op 2 november jl. heb gemeld bij de beantwoording van kamervragen van de leden Voordewind (ChristenUnie), Spekman (PvdA) en Dibi (GroenLinks), geeft het ambtsbericht over Irak van 29 oktober 2010 van de Minister van Buitenlandse Zaken geen aanleiding tot wijziging van het landgebonden asielbeleid ten aanzien van vreemdelingen afkomstig uit Irak. Onder dit sinds oktober 2008 geldende beleid hebben reeds eerder groepsgewijze uitzettingen naar Irak plaatsgevonden (30 maart 2010 en 8 september 2010). Ik doe uw Kamer een afschrift van de mail toekomen1 waarbij het EHRM zijn beslissing op dinsdagavond 2 november kenbaar heeft gemaakt. Zoals verzocht, doe ik uw Kamer ook de brief van het EHRM toekomen1 die de Regering op 3 november jl. heeft ontvangen.

Op 27 oktober 2010 heeft de minister van Buitenlandse Zaken mij geïnformeerd over het actuele beleid in enkele andere landen ten aanzien van vreemdelingen afkomstig uit Irak. Zoals gebruikelijk is deze brief diezelfde dag op de website van het ministerie van Buitenlandse Zaken geplaatst. Uit de informatie in deze brief blijkt dat Duitsland, België, het Verenigd Koninkrijk, Zweden en Denemarken nog steeds overgaan tot gedwongen terugkeer. De Britse en Zweedse autoriteiten hebben nog op respectievelijk 25 oktober en 27 oktober een overheidsvlucht naar Irak laten vertrekken waarbij door het Verenigd Koninkrijk 31 vreemdelingen en door Zweden 29 vreemdelingen gedwongen zijn uitgezet naar Bagdad. Bij 17 individuen is het vertrek vanuit het Verenigd Koninkrijk gestuit door een door het EHRM in het individuele geval getroffen interim measure, voor Zweden was dit in één individuele zaak het geval. Over de implicaties van de beslissing van 2 november van het EHRM voor het beleid in andere lidstaten, is het niet aan mij om te oordelen.

Op 2 november jl. heb ik uw Kamer bij de beantwoording van de eerder genoemde kamervragen geïnformeerd over de brief van het EHRM die Nederland op 22 oktober 2010 heeft ontvangen alsmede over de Nederlandse reactie hierop. Hierbij is tevens gemeld dat Zweden en het Verenigd Koninkrijk eenzelfde brief hebben ontvangen. Zoals hiervoor vermeld heeft dit niet in de weg gestaan aan de groepsgewijze uitzettingen naar Irak op respectievelijk 25 en 27 oktober jl. door deze landen. In het onderstaande licht ik de status toe van de brief van het EHRM van 22 oktober 2010.

In de brief van 22 oktober jl. heeft het EHRM de regering bericht dat de vraag of gedwongen terugkeer naar Bagdad verantwoord is opnieuw ter beantwoording voorligt. De Nederlandse Regering is verzocht het Hof in deze bij te staan door nadere informatie te verstrekken over de veiligheidssituatie in Irak en de terugkeer naar dat land. Daarnaast stelt het Hof in deze brief dat, het in afwachting van deze herbeoordeling, thans aangewezen wordt geacht om verzoeken van Irakese vreemdelingen om een interim measure te treffen in te willigen. Het voorgaande is volgens de brief ingegeven door enerzijds een toename van het aantal verzoeken tot het treffen van een interim measure van Irakese vreemdelingen en anderzijds door berichten van onder meer de United Nations High Commissioner for Refugees dat de veiligheidssituatie in Centraal-Irak verslechterd zou zijn.

Met betrekking tot uw vraag of deze brief verstrekt had moeten worden, meld ik u het volgende. Het EHRM geeft in deze ongebruikelijke brief geen inhoudelijk oordeel over de vraag of gedwongen terugkeer naar Irak, bezien in het licht van artikel 3 van het Europees verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, niet langer verantwoord is. Deze brief behelst voorts geen rechterlijke uitspraak en is op zichzelf niet aan te merken als een maatregel op grond van artikel 39 van de Procedureregels van het Hof. Aan deze brief komt dan ook geen bindende werking toe. Gelet hierop en op het feit dat deze brief geen betrekking had op een specifieke individuele zaak, bestond voor mij geen aanleiding om deze brief te verspreiden. Dat in de brief werd aangekondigd dat het EHRM vooralsnog alle individueel te verzoeken interim measures zou toewijzen, maakte dit niet anders aangezien, blijkens de brief, daaraan geen inhoudelijk oordeel van het Hof ten grondslag lag. Een dergelijke aankondiging is immers niet aan te merken als een juridisch bindende interim measure waaraan generieke werking toekomt. Het feit dat de vluchten vanuit Zweden en het VK doorgang konden vinden, bevestigt dit. Het EHRM bevestigt in de brief van 3 november jl. dat het vaste praktijk van het Hof blijft dat interim measures enkel in individuele zaken worden getroffen wanneer daarom wordt verzocht. Het zou naar mijn inschatting op de weg van het EHRM kunnen liggen om het standpunt van het Hof openbaar te maken. Door het Ministerie van Buitenlandse Zaken is een afschrift van de brief aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) gezonden. Volgens de staande praktijk worden brieven van het EHRM in individuele zaken waarbij de Afdeling op nationaal niveau betrokken is geweest, in afschrift doorgeleid aan de Afdeling. Ook deze brief, hoewel deze geen betrekking had op een individuele zaak, heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken in afschrift aan de Afdeling doorgezonden op 25 oktober jl. Aan het verzoek om informatie van het EHRM heeft Nederland op 29 oktober 2010 tijdig gevolg gegeven. U treft de Nederlandse beantwoording van het informatieverzoek van het EHRM in de bijlage1.

Met betrekking tot uw vraag over procedures bij de rechtbank sinds 22 oktober 2010 meld ik u het volgende. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op dinsdag 2 november jl. alle verzoeken tot voorlopige voorziening toegewezen onder verwijzing naar de brief van 22 oktober 2010. Daarnaast hebben sinds 22 oktober jl. ongeveer tien zaken gediend bij rechtbanken van Iraakse asielzoekers die met de overheidsvlucht van 3 november 2010 naar Irak zouden terugkeren. In het merendeel van deze zaken is de voorlopige voorziening toegewezen op basis van de voornoemde uitspraken van de Afdeling van 2 november jl. waarin is ingegaan op de brief van het EHRM van 22 oktober. Hierbij wil ik opmerken dat, behoudens de overheidsvlucht van 3 november 2010, na 22 oktober 2010 geen gedwongen terugkeer naar Irak stond gepland noch heeft plaatsgevonden.

Tot slot wil ik nog ingaan op de opmerking van het EHRM in de brief die de regering op 3 november 2010 heeft ontvangen betreffende de toegang van gedetineerde vreemdelingen tot de rechtsbijstand. Iedere gedetineerde vreemdeling heeft toegang tot rechtsbijstand en tot zijn rechtsbijstandverlener. Omgekeerd is het ook zo dat elke rechtsbijstandverlener toegang heeft tot de gedetineerde vreemdeling die tot zijn cliënt(en) behoort. Het is echter niet zo dat een rechtsbijstandverlener toegang heeft tot elke gedetineerde vreemdeling. Het moet gaan om cliënten van de rechtsbijstandverlener. Mij is niet is gebleken in deze concrete zaak dat van deze uitgangspunten en waarborgen is afgeweken. Ik zal over deze bevindingen in contact treden met het Hof.

De minister voor Immigratie en Asiel,

G. B. M. Leers


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.