19 637
Vreemdelingenbeleid

nr. 1238
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 17 november 2008

De vaste commissie voor Justitie1 heeft op 30 september 2008 overleg gevoerd met staatssecretaris Albayrak van Justitie en minister Verhagen van Buitenlandse Zaken over:

– de brief van de minister van Buitenlandse Zaken d.d. 19 december 2007 met de reactie van de regering op het rapport van de Nationale ombudsman over de totstandkoming en het gebruik van individuele ambtsberichten (19 637, nr. 1179);

– de brief van de minister van Buitenlandse Zaken d.d. 21 mei 2008 met een verslag van de expertbijeenkomst over individuele en algemene ambtsberichten (19 637, nr. 1198);

– de brief van de minister van Buitenlandse Zaken en de staatssecretaris van Justitie met de reactie van de regering op de dupliek van de Nationale ombudsman over individuele ambtsberichten d.d. 29 september 2008 (19 637, nr. 1224).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

Voorzitter: De Pater-van der Meer Griffier: Van Doorn

Vragen en opmerkingen uit de commissie

De voorzitter: Dames en heren, welkom bij de vaste commissie van Justitie. Wij voeren vanmiddag overleg met de minister van Buitenlandse Zaken en de staatssecretaris van Justitie over individuele ambtsberichten. Aan degenen die hier achter de tafels zitten, stel ik de tijdelijk waarnemend griffier van de commissie van Justitie en van Binnenlandse Zaken voor, de heer Van Doorn.

Ik heet de minister van Buitenlandse Zaken welkom. Hij verschijnt niet met enige regelmaat in onze commissie, maar zijn aanwezigheid is bij dit onderwerp zeer gewenst.

In de eerste termijn geldt er een spreektijd van zeven minuten per fractie. De heer Kamp gaat ons eerder verlaten.

De heer Kamp (VVD): Het is niet mijn gewoonte om eerder weg te gaan, voorzitter, maar ik heb om 17.00 uur een vergadering waarbij ik niet mag ontbreken. Ik moet dus helaas eerder weg.

De voorzitter: U bent bij dezen verontschuldigd.

Het woord is aan de heer De Wit.

De heer De Wit (SP): Voorzitter. De individuele ambtsberichten zijn een voortdurende bron van discussie, zeker in het parlement. Waar gewerkt wordt, zijn fouten onvermijdelijk, maar ontdekking van fouten dient te leiden tot verbetering. Daaraan ontbreekt het op een aantal punten bij de individuele ambtsberichten.

Als eerste stel ik de mogelijkheid om kennis te nemen van de vertrouwelijke informatie aan de orde. Ik onderschrijf de kritiek die de Nationale ombudsman op dit punt heeft. De minister van Buitenlandse Zaken brengt een scheiding aan tussen de ambtenaren van zijn ministerie en de ambtenaren van de IND, en beroept zich daarbij op het beginsel van de equality of arms. Terecht merkt de Nationale ombudsman op dat equality of arms in een behoorlijke besluitvormingsprocedure met zich meebrengt dat de Nederlandse overheid alle beschikbare informatie in de procedure moet brengen. De beslisambtenaar van de IND moet tot een zorgvuldige afweging kunnen komen en de asielzoeker moet zich kunnen verdedigen tegen feiten en argumenten die worden gebruikt in zijn procedure. De huidige manier van werken betekent echter dat de beslisambtenaar moet beslissen op basis van een gekwalificeerd oordeel van het ministerie van Buitenlandse Zaken, terwijl het de asielzoeker en zijn advocaat ontbreekt aan inzicht in de onderliggende informatie.

De argumentatie die door de bewindslieden wordt genoemd, snijdt naar mijn idee geen hout. De controle die de ambtenaren bij de IND uitoefenen, heet in het jargon de REK-check. Deze REK-check is geen afdoende middel nu de Nationale ombudsman in zijn onderzoek heeft geconstateerd dat er soms «kardinale fouten in ambtsberichten voorkomen die met de marginale REK-toets niet werden opgemerkt». Toetsing door de rechter is ook slechts marginaal en biedt ook onvoldoende waarborg voor het ontdekken van inhoudelijke onjuistheden. De SP-fractie is van mening dat een rechter de inhoud van het ambtsbericht op juistheid moet kunnen toetsen. Aanbevelingen van de Nationale ombudsman op dit punt worden desondanks niet opgevolgd. De vraag aan de bewindslieden is waarom zij voorbijgaan aan deze zwaarwegende aanbevelingen van de Nationale ombudsman.

Een punt dat hieraan raakt, is de betrouwbaarheid van de gebruikte onderzoekers. In 2007 stelde ik Kamervragen over een zaak waarin de Nationale ombudsman constateerde dat de betrouwbaarheid van de betreffende persoon niet kon worden vastgesteld. De reactie van de minister was dat een aanvullend onderzoek de twijfel over de betrouwbaarheid had weggenomen. Wat het onderzoek inhield, werd niet duidelijk waardoor iedere mogelijkheid van controle ontbreekt. Dit geldt in het algemeen voor de controle op de betrouwbaarheid van alle onderzoekers. Het zou buitengewoon bijzonder zijn als het ministerie van BuZa in landen waar corruptie hoogtij viert juist altijd die enkele persoon weet te vinden die 100% betrouwbaar en immuun voor corruptie is.

Ik wijs in dit verband op het vorige week verschenen boek van de advocaat Bogaers getiteld «Hoogverraad» – ik heb het bij mij – waarin hij de gang van zaken in een aantal individuele ambtsberichten blootlegt en aantoont dat daar in ieder geval iets mis was met de onderzoeker. Voor alle duidelijkheid, ook tegen de minister van BuZa wil ik opmerken dat het meer dan één geval betrof. Tijdens de expertbijeenkomst over de ambtsberichten van 3 april gaf het ministerie van BuZa als reactie op vragen over de betrouwbaarheid van onderzoekers aan dat besloten is om in de toekomst diplomatieke posten periodiek door te lichten op de juiste naleving van de werkprocessen en op de inzet en werkwijze van de vertrouwenspersonen. Graag verneem ik hierover een nadere uitleg van de bewindspersonen, met name hoe dit besluit wordt uitgevoerd en op welke wijze de Kamer iets daaromtrent kan vernemen.

Als laatste vestig ik de aandacht op het belangrijke punt van de kritiek van de Permanente commissie van deskundigen in internationaal vreemdelingen-, vluchtelingen- en strafrecht, ook wel de commissie-Meijers geheten. Terecht merkt deze commissie op dat de vreemdeling in een moeilijke bewijspositie wordt gebracht. Wanneer slechts conclusies openbaar worden, is het welhaast onmogelijk om fouten in het onderzoek aan te tonen. Het inzicht in de onderliggende brondocumenten ontbreekt immers. Omdat het ambtsbericht gezien wordt als een deskundigenbericht, met name ook door de Raad van State, over dat individuele geval, volstaat het niet om algemene informatie van bijvoorbeeld VluchtelingenWerk, Amnesty International en soortgelijke organisaties als tegenwerping te gebruiken. Daarnaast is er ook nog eens sprake van een marginale toetsing door de bestuursrechter, waardoor er in feite tweemaal slechts marginaal wordt getoetst. Zowel het ambtsbericht als het besluit op basis van het ambtsbericht wordt slechts marginaal getoetst. De permanente commissie oordeelt daarom dat er sprake is van onvoldoende tegemoetkomen aan procedurele wensen zoals voorgeschreven door het EG-recht en het Europees Verdrag inzake de Rechten van de Mens. Ik hoor graag een reactie van de bewindslieden op dit kritiekpunt van de permanente commissie.

Diezelfde permanente commissie is van mening dat er niet voldaan wordt aan de eisen van artikel 13 van het EVRM. In de notitie van maart 2007 van die commissie wordt dit met jurisprudentie onderbouwd. De permanente commissie komt met een tweetal concrete voorstellen om aan deze situatie een einde te maken. In april 2007 heb ik tijdens een algemeen overleg reeds de staatssecretaris van Justitie om een reactie op deze voorstellen gevraagd. Die reactie is tot op heden echter niet gekomen, vandaar mijn vraag vandaag.

De permanente commissie pleit in de eerste plaats voor zogenaamde «special advocates», advocaten die in een besloten zitting zonder de aanwezigheid van de asielzoeker en de advocaat tegenwerpingen kunnen opwerpen tegen de inhoud van de ambtsberichten. De permanente commissie doet die aanbeveling, maar realiseert zich ook dat dit wetgeving vergt. Ik ben dit ook van mening. Het zal dus niet van de ene op de andere dag geregeld kunnen worden. Graag zou ik in ieder geval het oordeel van beide bewindslieden over de functie van special advocates willen vernemen.

Omdat bovenstaande wetgeving vergt en lang duurt, doet de permanente commissie een tweede voorstel, gebaseerd op artikel 8.12 van de Algemene wet bestuursrecht, om gebruik te maken van de figuur van de rechter-commissaris. Deze kan in een afgeschermde procedure het individuele ambtsbericht integraal toetsen en een beslissing nemen of dat ambtsbericht als bewijs kan dienen in een vreemdelingrechtelijke procedure. De SP-fractie is voorstander van beide voorstellen. Over dit laatste voorstel, eveneens als over het eerste, verneem ik graag het oordeel van beide bewindslieden.

De heer Van de Camp (CDA): Voorzitter. Als je de persberichten leest over het boek van de heer Bogaers, lijkt het alsof wij in een bananenrepubliek wonen. Hij komt met wel heel stevige verhalen. Ook de titel van het boek, «Hoogverraad», is een term die ik binnen het asiel- en vreemdelingendossier niet veel tegenkom. Ik maak de minister en staatssecretaris daarentegen een compliment voor de werkwijze van het afgelopen jaar. In de verslagen van de bijeenkomsten op 4 april 2007 en 3 april 2008 lees je dat er op een moderne, transparante manier, en in mijn ogen erg horizontaal, is overlegd met de diverse spelers in het asiel- en vreemdelingenrecht. Ik zou bijna zeggen: in welk ander Europees land kom je dit op deze manier tegen, om nog maar te zwijgen over de situatie buiten de Europese Unie? Nogmaals, de manier waarop de bijeenkomst plaatsvond, is een compliment waard.

Rondom de eerste reactie van beide bewindslieden op het rapport van de Nationale ombudsman hangt echter een sfeer van irritatie. Er wordt gezegd dat de Nationale ombudsman zich voor een gedeelte baseert op oude kennis, oude werkwijzen en oude werkmethodes. Ik wilde aanvankelijk de vraag stellen of de bewindslieden al iets teruggehoord hadden, maar nu hebben wij ondertussen gisteren nog de meest recente correspondentie met de beide bewindslieden gekregen, waaruit ik afleid dat de functionele vrede tussen de Nationale ombudsman en het kabinet is getekend. Het doet mij moeite dit te zeggen, maar dat is een compliment voor de Nationale ombudsman, want de eerste brief was wel heel pittig.

De CDA-fractie is van mening dat er gestopt moet worden met het nog verder horizontaliseren van het proces. Ik wil nadrukkelijk gezegd hebben dat het vaststellen van ambtsberichten een overheidsverantwoordelijkheid is. Het gaat hier niet om een civiel proces waarin beide partijen gelijkwaardig zijn. Het is uiteindelijk een ambtsbericht van de overheid in een asielaanvraag. Het is dan ook eerlijk voor het proces om te zeggen dat het een ambtsbericht van de overheid betreft. Ik heb moeite met het nevengeschikt maken van het proces. In dit verband heb ik een vraag over andere objectieve bronnen. In een goed ambtsbericht heb je ook de geluiden van bijvoorbeeld Amnesty International en de UNHCR te weerleggen of te omarmen. Ik praat dus niet over nevengeschiktheid van die bronnen, maar zeker gezien de werkwijze die ik net geprezen heb, vind ik wel dat andere objectieve bronnen moeten worden toegelaten tot het vaststellen van het ambtsbericht. Het kabinet is mans en vrouws genoeg om te zeggen wat waar en wat niet waar is.

In dit opzicht wil ik de taakafbakening tussen beide ministeries continueren. In tegenstelling tot collega De Wit, zie ik wel degelijk een functiescheiding tussen het departement van BuZa dat de informatie inwint en verzamelt en op basis daarvan een ambtsbericht opstelt, en het ministerie van Justitie dat de informatie in het ambtsbericht interpreteert, hetzij in algemene hetzij in individuele asielaanvragen. In dit verband heeft mijn fractie geen behoefte aan een afzonderlijke commissie tot evaluatie van de ambtsberichten. Een werkwijze die zo breed bekend en besproken is, kan de toets van kritiek doorstaan.

Ik heb nog een vraag die ook al tijdens een van de expertmeetings aan de orde is geweest, namelijk of de advocaat op voorhand vragen kan meegeven aan de IND. Dit voorstel kwam later terug in een brief van Amnesty International. Ik vind dit een redelijke eis. Wellicht heeft het kabinet moverende redenen om die vragen niet mee te nemen, maar als de advocaat op voorhand reeds vragen heeft, waarmee rekening moet worden gehouden gezien de specifieke situatie van een bepaalde persoon of een bepaald land, staat de CDA-fractie positief tegenover de gedachte dat mogelijk te maken.

De indruk kan ontstaat dat er niet veel aanbevelingen zijn overgenomen. Als je echter leest wat er in de expertmeetings allemaal aan aanbevelingen is overgenomen, had ik daarover een warm woord van collega De Wit verwacht. Ik ken hem, hij gaat voor de laatste vier aanbevelingen. De andere twaalf zijn al binnen. Dat is een beetje zijn werkwijze en daar respecteer ik hem in. Ik wilde het toch even zeggen.

De voorzitter: Aan het einde van de spreektijd zijn interrupties toegestaan, zoals u weet.

De heer Van de Camp (CDA): In de diverse brieven is sprake van een nieuw format voor algemene ambtsberichten, met name als de situatie plotseling sterk wijzigt. Er is in zo’n geval dus al een algemeen ambtsbericht opgesteld en dan gebeurt er plotseling iets hevigs in het betrokken land, waarna blijkt dat het huidige format niet is toegesneden op de nieuwe situatie. Als ik goed ben geïnformeerd, zou er een project zijn geweest rond Iran, Irak, Somalië en Sudan. Wat zijn daarvan de eventuele uitkomsten?

Ik wil nog een cri de coeur uiten over het gezamenlijke Europese ambtsbericht. In deze zaal bevinden zich mensen die op dat vlak ambities hebben. Je wordt niet vrolijk van de berichten. Ik vind het een redelijk onthutsend bericht dat vier landen die een gezamenlijke missie beginnen het al tijdens het eerste ontbijt oneens zijn over de vaktermen en benaderingswijze. Ja, minister Verhagen, u kunt wel zeggen dat er in dit opzicht veel te doen is in Europa, maar alles wat u op dit moment al kunt doen, zou op prijs worden gesteld. Kortom, mijn vraag is of er op dit punt meer te melden valt.

De laatste brief van de minister wordt afgesloten met de opmerking dat op een aantal punten de aanbevelingen nog in ontwikkeling zijn. Wij hebben recent de brief van 18 juni ontvangen inzake het toch aan de IND ter beschikking stellen van een memorandum met weggelakte stukken. Zijn er nog andere aanbevelingen die destijds in ontwikkeling waren en ondertussen alsnog zijn overgenomen?

De heer De Wit (SP): De heer Van der Camp zegt dat het opstellen van ambtsberichten een overheidstaak is. De ambtenaren van BuZa kennen alles wat onder het uiteindelijke ambtsbericht zit. De ambtenaren van de IND, zelfs meerdere ambtenaren, krijgen de gelegenheid om in een of andere vorm kennis te nemen van de stukken, ook de vertrouwelijke. Het weglakken van informatie is wat minder geworden, maar daar staat tegenover dat de asielzoeker en de advocaat geen bevoegdheden hebben om de onderliggende stukken te bezien, te lezen, etc. Vindt de heer Van de Camp met het oog daarop dat, als het tot een procedure komt, het rapport voor heilig moet worden aangenomen en dat er dus geen mogelijkheid moet zijn voor de verdediging en de betrokkene zelf om te controleren wat er in het ambtsbericht staat en of dat klopt? Met andere woorden, heeft degene over wie het gaat – wij hebben het vandaag namelijk over individuele ambtsberichten – het recht om zelf ook te weten wat er nu precies onder zit, wat de bronnen zijn en welke informatie is gebruikt?

De voorzitter: Uw vraag kon dus in één zin gesteld worden, mijnheer De Wit.

De heer Van de Camp (CDA): Het antwoord is «nee». In een fatsoenlijke procedure tussen de overheid en de asielzoeker is niets heilig. Ik denk dat de advocatuur in voldoende mate in staat is om de contra-argumenten naar voren te brengen. De heer De Wit heeft zelf kunnen lezen dat in het gehele proces van het tot stand komen van de ambtsberichten wordt gewerkt met vertrouwelijke stukken en met vertrouwenspersonen. Mijn collega Spekman zal daar nog iets over zeggen. De informatie moet worden ingewonnen in wat vaak rommelige landen zijn, anders zouden er geen asielzoekers vandaan komen; wij kennen gelukkig geen asielzoekers uit Zweden. Het betreft dus landen met een zekere instabiliteit. Daarom heb ik juist gezegd dat het een taak is van de overheid en geen nevengeschikt proces. De advocatuur moet ervan uit kunnen gaan dat er een fatsoenlijk ambtsbericht ligt dat gebaseerd is op betrouwbare bronnen. Bovendien is er de REK-procedure. Als wij dat niet langer van de overheid willen aannemen, hebben wij een heel slechte situatie.

De voorzitter: Ik stel verdere discussie op dit punt uit tot de tweede termijn.

Het woord is aan de heer Kamp.

De heer Kamp (VVD): Voorzitter. Ik begrijp dat er een voorbespreking heeft plaatsgevonden. Ik ben daarbij niet aanwezig geweest.

Wij hebben hier een rapport van de Nationale ombudsman naar aanleiding van een onderzoek dat hij uit eigen beweging heeft gedaan. Er zit een aanbiedingsbrief bij, waarin hij een aantal opmerkingen over ongedocumenteerden maakt. Ik ga hier allereerst op in, omdat het van het grootste belang is. Asielzoekers die ongedocumenteerd hierheen komen, doen dat om een van de volgende drie redenen.

De eerste reden is dat er niet kan worden nagegaan uit welk land zij afkomstig zijn, voordat zij naar Nederland zijn gekomen. Dat is voor de beoordeling van de vraag of zij bescherming nodig hebben echter wel van het grootste belang. De tweede reden die zij kunnen hebben, is dat hun identiteit op deze manier moeilijk gecontroleerd kan worden. Ook daarbij kunnen zij voordeel hebben. De derde reden is dat als zij geen documenten hebben, het voor de Nederlandse overheid moeilijker is hen uit te zetten na een afwijzing van de asielaanvraag. Dit zijn de redenen dat mensen ongedocumenteerd zijn.

Ik denk dat wij dit absoluut niet kunnen hebben. Ik heb al vaak gezegd dat wij daarop op twee manieren moeten reageren. Als zij met het vliegtuig Nederland binnenkomen en dan beweren geen documenten te hebben – terwijl wij toch allemaal weten dat je een paspoort en ticket nodig hebt om een vliegtuig in te komen – moet je ze geen verblijfsvergunning geven. Komen zij over land zonder documenten, dan moet de bewijslast volledig bij de asielzoeker worden gelegd. Als wij op deze wijze reageren, zul je zien dat het snel afgelopen is met het ongedocumenteerd zijn.

Momenteel gebeurt er niets. Uit de brief van de Nationale ombudsman blijkt wat de praktijk is: als iemand ongedocumenteerd is, wordt er gekeken of het asielrelaas hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen of tegenstrijdigheden bevat. Als dat het geval is, komt er geen verblijfsvergunning. Als iemand echter ongedocumenteerd binnenkomt en zorgt dat hij geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen of tegenstrijdigheden in zijn betoog heeft – en de rechtsbijstand en VluchtelingenWerk staan als het aan de staatssecretaris ligt binnenkort gedurende zes dagen klaar om dit allemaal te voorkomen – komt hij dus gewoon in aanmerking voor een verblijfsvergunning. Dat is heel erg verkeerd en niet de manier waarop wij het moeten aanpakken. Het werkt misbruik in de hand, zoals dat al zo lang gaande is en houdt dat misbruik in stand. Ik dring er dus opnieuw bij de bewindslieden op aan om heel kritisch naar het eigen beleid met betrekking tot ongedocumenteerden te kijken. De huidige gang van zaken is niet in het belang van de Nederlandse samenleving en dient ook niet de bescherming van vluchtelingen die deze echt nodig hebben.

Mijn volgende punt is dat dit rapport de suggestie wekt, en soms meer dan dat, dat het niet goed zou gaan met de individuele en de algemene ambtsberichten. Ik heb in verschillende functies jarenlang te maken gehad met ambtsberichten en ben van mening dat het ministerie van BuZa consciëntieus en zeer zorgvuldig bezig is met zowel de individuele als de algemene ambtsberichten. Dit geldt zowel voor het ministerie van BuZa als organisatie als voor de medewerkers van het ministerie van BuZa in de diverse landen waarin onderzoek wordt gedaan. Zij doen hun best om op een correcte manier met de ambtsberichten te komen. Wij kunnen dit in Nederland aan onze overheid toevertrouwen. Zo zit onze overheid in elkaar, zo zijn onze regels, onze bestuurders en onze ambtenaren. Op grond van mijn ervaringen heb ik veel vertrouwen in de kwaliteit van de ambtsberichten. Ik denk ook dat er nogal wat checks ingebakken zitten. Als de ambtenaren op het ministerie van BuZa merken dat er ergens iets misgaat, controleren en corrigeren zij zelf. De IND voert een check op de individuele ambtsberichten door. Voor mij gaat het al ver dat ambtenaren elkaar controleren. Maar goed, het gebeurt toch maar en komt de kwaliteit nog eens extra ten goede. Ik merk ook dat als er signalen zijn over verbetermogelijkheden, er adequaat op wordt gereageerd. Uiteraard zijn die signalen er: als mensen werken is er altijd de mogelijkheid dat er dingen verbeterd moeten worden.

Tegen deze achtergrond vind ik de formuleringen die de Nationale ombudsman kiest en de voorbeelden die hij noemt niet correct. Als eerste voorbeeld noem ik dat de Nationale ombudsman zegt dat hij van mening is dat de wijze waarop de IND gebruik maakt van individuele ambtsberichten, getuigt van vooringenomenheid en partijdigheid. Ik vind het nogal wat om van de IND te zeggen dat deze vooringenomen en partijdig zou zijn. Mijn overtuiging is dat de IND ontzettend zijn best doet, en ook moet doen, om te zorgen dat er een zorgvuldige beoordeling van asielverzoeken komt. Van vooringenomenheid en partijdigheid is geen sprake. Als de Nationale ombudsman dat toch beweert terwijl hij het helemaal niet hardmaakt in het rapport, is dat een ernstige zaak. Ik zou er eigenlijk de kwalificatie «ongepast» aan willen koppelen.

De Nationale ombudsman zegt ook dat het Nederlandse asielbeleid op grond van politieke keuzes zonder meer streng is. Dat is zijn politieke opvatting. Ik heb die opvatting helemaal niet. Ik vind het Nederlandse asielbeleid op dit moment niet streng. Integendeel, ik denk dat het zodanig soepel is dat er een sterk aanzuigende werking van uitgaat. Als je het vergelijkt met andere landen, zelfs een land als Zweden, blijkt dat wij hier in Nederland veel soepeler zijn. De politieke kwalificatie van de Nationale ombudsman deel ik dus niet.

De Nationale ombudsman doet een aantal aanbevelingen. De eerste is dat erkend moet worden door de bewindslieden dat individuele ambtsberichten soms onjuistheden of onduidelijkheden bevatten. In die gevallen moet er een rectificatie komen. Door te stellen dat het erkend moet worden, wordt er gesuggereerd dat het ministerie van BuZa dat eigenlijk niet wil en doet alsof een ambtsbericht altijd perfect is waaraan niets toe of af kan worden gedaan. De werkelijkheid is echter dat op de onderzochte ambtsberichten – dat zijn er niet eens zo heel veel – in zes gevallen een correctie is gekomen van het ministerie van BuZa. In één geval is er een aanvulling gekomen. Hieruit blijkt dat het ministerie van BuZa, dat ook de ambtsberichten nog eens een keer door de IND laat controleren, bereid is te rectificeren als het tot de conclusie komt dat er iets onjuist is. Een aanbeveling in de trant van erkennen dat ambtsberichten onjuistheden kunnen bevatten en zo nodig rectificaties aanbrengen, vind ik daarom hovaardig, suggestief en alweer ongepast.

Op pagina 5 van de brief die wij van de bewindspersonen hebben ontvangen, wordt een andere zaak naar voren gehaald. De Nationale ombudsman komt in zijn rapport met een voorbeeld waarvoor hij een gehele bladzijde uittrekt. Hij laat een stuk zien dat is opgestuurd door het ministerie van BuZa en dat van onder tot boven wit is gelakt. Het ministerie van BuZa zou van alles en nog wat wit lakken en er eigenlijk een potje van maken. Als je vervolgens in deze zaak duikt, blijkt dat het stuk helemaal niet is overlegd in het kader van een WOB-verzoek of een verzoek tot inzage. Het gaat om een zogenaamde herbevestigingszaak, wat iets geheel anders is en waarbij bovendien alleen datgene is weggelakt wat op een andere zaak betrekking had. Het ministerie van BuZa heeft dus de informatie overgebracht naar de instantie die deze nodig had en heeft informatie die over een andere persoon ging volledig verwijderd. Het is volkomen vanzelfsprekend dat zoiets gebeurt. Als de Nationale ombudsman dit als voorbeeld in zijn rapport opneemt, vind ik dat wederom suggestief. Het bevalt mij in het geheel niet.

Voorzitter, ik zie dat u mij duidelijk maakt dat ik moet afronden. Mijn laatste opmerking betreft het advies van de Nationale ombudsman dat niet langer de Wet openbaarheid bestuur moet worden toegepast als de onderliggende stukken worden opgevraagd. Als je weet dat er in de wet door de Kamer is gezet dat bewindslieden verplicht zijn om ieder verzoek om informatie over een bestuurlijke aangelegenheid als een verzoek op grond van de Wet openbaarheid bestuur aan te merken, vraag ik mij af hoe de Nationale ombudsman hiermee kan komen. Al met al vind ik het rapport van de Nationale ombudsman beneden peil. Er staan suggestieve, ongepaste opmerkingen in. Het is op eigen initiatief gedaan, maar ik mag hopen dat hij als er een volgende keer iets op eigen initiatief doet, hij een betere keuze maakt.

Mevrouw Azough (GroenLinks): Na het betoog van de heer Kamp, wil ik wel eens weten wat hij vindt van de kabinetsreactie. Op veel punten is het kabinet het niet eens met de Nationale ombudsman, maar op sommige punten is het dat wel degelijk. Daar gaat het kabinet in op de kritiek van de Nationale ombudsman en stelt het vast dat verbeteringen noodzakelijk zijn. Die reactie moet de heer Kamp dan toch volstrekt belachelijk en onzinnig vinden?

De heer Kamp (VVD): Ik heb de indruk dat de bewindslieden dit rapport helemaal niet nodig hebben gehad om met dit onderwerp bezig te zijn. Mijn door de praktijk bekrachtigde indruk is dat zij voortdurend elkaar controleren, dat de IND via de REK-check kijkt wat het ministerie van BuZa doet en dat dit ministerie bereid is te corrigeren als dat nodig is. Men is voortdurend bezig een wisselwerking te creëren met het veld om te kijken wat er kan worden gedaan. De instelling van de bewindspersonen is zodanig dat zij doen wat nodig is om tot een goede kwaliteit van de ambtsberichten te kunnen blijven komen.

De heer Van der Staaij (SGP): Voorzitter. De evaluatie en de aanscherping van de kwaliteit van ambtsberichten kent inmiddels een behoorlijke geschiedenis. Naar aanleiding van de bevindingen van de commissie-Wijnholt zijn al de nodige verbeteringen gerealiseerd. De discussie is daarna doorgegaan en betreft nu ook de individuele ambtsberichten. Mijn fractie is blij dat de discussie is doorgegaan en wij zijn positief over wat ermee wordt gedaan. Wij realiseren ons dat de individuele ambtsberichten een heel belangrijke rol spelen, ook in juridische procedures, en dat zij daarom moeten voldoen aan een hoge standaard. Wij zijn daarom positief dat er naar aanleiding van adviezen van de ACVZ en de Nationale ombudsman bekeken wordt hoe de ambtsberichten nog verder verbeterd kunnen worden. Zojuist kwam al naar voren dat Nederland in vergelijking met andere Europese landen een ietwat bijzondere positie inneemt, door de scheiding tussen de rol van het ministerie van BuZa en die van het ministerie van Justitie. Het inwinnen van informatie gebeurt door het ministerie van BuZa en de beleidsconsequenties, zowel van algemene als van individuele zaken, liggen bij het ministerie van Justitie. Mijn fractie vindt het een goede zaak dat de verantwoordelijkheid op deze manier is gespreid.

De basis van het vertrouwen in het ambtsbericht ligt onder andere bij de totstandkoming van deze berichten. Mijn fractie heeft er behoefte aan de kabinetsreactie te horen op de concrete suggestie om bij individuele ambtsberichten betrokken partijen de mogelijkheid te verlenen hun inbreng te doen. Dat betekent dus dat concrete advocaten en cliënten suggesties kunnen doen over wat er wordt meegenomen in het onderzoek. De IND heeft hier naar ik meen positief op gereageerd en ziet er mogelijkheden voor. Het is mij echter nog niet helemaal duidelijk wat de concrete staat van het beleid op dit punt is. Wordt die mogelijkheid geboden?

Ik noemde zo-even al de hoge status van ambtsberichten. Als er eenmaal een ambtsbericht ligt waarop de staatssecretaris zich baseert, moet je inderdaad van goeden huize komen om voor elkaar te krijgen dat de redenering in dat ambtsbericht niet wordt gevolgd bij de rechtbank. Je moet dan echt kunnen aantonen dat zo’n ambtsbericht naar inhoud of naar wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat daar in redelijkheid niet van kan worden uitgegaan. Je moet dus van goeden huize komen om andere feiten als waar aangenomen te krijgen door de rechter. Dat is ook logisch; iets anders zou niet werkbaar zijn. Als je hoge eisen stelt aan een individueel ambtsbericht, moet dat ook een belangrijke rol in de procedure vervullen. Het is wel van belang dat daarbij op een evenwichtige manier ook relevante informatie buiten het ambtsbericht adequaat wordt gewogen. Het begint er al mee dat op het moment dat informatie in de procedure wordt ingebracht, deze niet met een verwijzing naar het ambtsbericht op voorhand terzijde wordt geschoven. De bescherming van het vertrouwen van personen die van cruciaal belang zijn voor de informatievoorziening, geniet onze steun. Het lijkt er wel op dat Nederland hier een strikter standpunt kiest dan de andere lidstaten. Doet het specifiek aangeven van passages die gebaseerd zijn op vertrouwelijke informatie per definitie afbreuk aan de toegezegde bescherming?

Om de toegankelijkheid en transparantie van ambtsberichten te vergroten, zal de onderbouwing van de aangevoerde informatie helder moeten zijn. Ik zag ergens een discussie over de vraag wat te doen met tegenstrijdige informatie. Ik kan mij voorstellen dat het waardevol is dat juist als er tegenstrijdige informatie is, dit transparant kenbaar wordt gemaakt in een ambtsbericht. Het heeft meerwaarde voor het ambtsbericht als duidelijk wordt gemaakt over welke punten simpelweg geen helderheid kon worden verkregen.

Tot slot heb ik nog een opmerking over de Europese ambtsberichten. Wij delen de benadering dat er pas kan worden overgegaan tot een soort Europese ambtsberichten als minimaal het huidige hoge niveau kan worden gehandhaafd. Zo’n overgang mag nooit afbreuk doen aan de kwaliteit van de ambtsberichten in Nederland. Eerlijk gezegd ligt verdergaande samenwerking op het punt van de Europese ambtsberichten minder in de rede dan nagaan in hoeverre er resultaat kan worden geboekt op het gebied van gezamenlijke informatievergaring, zoals intensivering van gemeenschappelijke «fact finding missions».

De heer Anker (ChristenUnie): Voorzitter. Wij bespreken vandaag met elkaar een lijvig pakketje briefwisselingen. De eerste brief die ik las, was de reactie van het kabinet op het rapport van de Nationale ombudsman. Na twee pagina’s vroeg ik mij af waarom deze brief afgelopen nacht al de deur uit moest. Het is het soort brief dat je stuurt als je een beetje in je wiek geschoten bent en waarvan je je de volgende ochtend realiseert dat het misschien wel wat minder had gekund. Eigenlijk staat de toon van de brief in tegenstelling tot de manier waarop het kabinet zich opstelt. Ik vind het een heel zure, verdedigende toon, maar als je kijkt naar de brief die wij vanochtend ontvingen, wordt er eigenlijk heel welwillend gekeken naar de kritiek die de Nationale ombudsman levert en wordt daarop gereageerd. Met dat laatste ben ik heel blij. Ik zal dan ook niet verder meer over de toon zeuren. Zo’n emotie krijg je wel, dat is tegenwoordig belangrijk ...

Gelukkig zijn er de afgelopen tijd wat dingen verbeterd, ook naar aanleiding van het ACVZ-advies. Dat is een goede zaak. Een belangrijk knelpunt is de mogelijkheid om te checken hoe een ambtsbericht tot stand is gekomen. Het is moeilijk om de vertrouwelijkheid en betrouwbaarheid van de bron te verifiëren. Die afscherming leidt er ook toe dat de overheid op achterstand staat bij de verdediging van het tot stand komen van het ambtsbericht. Er blijft namelijk een zweem van partijdigheid omheen hangen. Meer openheid is dus niet alleen in het belang van de cliënt, de asielzoeker, maar ook in dat van de overheid. De overheid moet heel goed duidelijk kunnen maken en kunnen aantonen dat zij zich gebaseerd heeft op goede bronnen. Wat mijn fractie betreft, moet er ontspannener mee worden omgegaan. Wij hebben in de stukken gelezen dat er in sommige landen anders mee wordt omgegaan, dat daar de vertrouwelijkheid er alleen op wordt gelegd op verzoek van de bronnen. Zou dat ook voor de Nederlandse situatie een mogelijkheid kunnen zijn, zodat wij er wat gemakkelijker mee kunnen omgaan? Zo hou je geen losse eindjes bij een ambtsbericht en kan er geen twijfel blijven bestaan.

Een andere kwestie is hoe er is omgegaan met de contra-informatie. De Nationale ombudsman zegt dat nu alleen wordt gemeld dat er ook informatie is waarin andere dingen worden beweerd, maar dat er niets gebeurt met deze informatie. Kunnen wij daar nu niet een kwalitatief oordeel over geven? Het ambtsbericht geeft namelijk informatie waarmee wij vervolgens kwalitatief aan de gang gaan. Hoe wordt er omgegaan met contra-informatie? Er mag niet alleen geconstateerd worden dat die er is. Wat gebeurt er vervolgens mee?

Ik sluit mij van harte aan bij het pleidooi van de heer Van de Camp over de Europese afstemming. Ik vind het heel bijzonder dat iemand het Europees Parlement in wil gaan om met name het Europees asielbeleid naar een hoger plan te tillen. Ik wens hem daar alle succes bij. Ik zeg dit zonder enige vorm van cynisme, mocht dat in mijn woorden worden gelezen. Ik ken de heer Van de Camp inmiddels lang genoeg. Er moet veel gebeuren op dit gebied. Het is heel erg teleurstellend dat het proces tot nu toe zo moeizaam is verlopen.

Het is heel goed dat er expertmeetings zijn geweest om de maatschappelijke organisaties bij het proces te betrekken. Ik vind het heel bijzonder dat wij de verslagen van die meetings bij de stukken konden lezen. Ik miste soms wel informatie over wat er gedaan wordt met de informatie. Er wordt geen beleidsmatige reactie gegeven, wij hebben alleen het verslag van zo’n expertmeeting ontvangen. De suggestie van de advocaten om bij het opstellen van een individueel ambtsbericht ook de vragen van een advocaat mee te nemen, lijkt mijn fractie heel nuttig. Zijn hier nu echt bezwaren tegen? Is het mogelijk om zo’n vraag mee te nemen zodat je een evenwichtig ambtsbericht krijgt dat veel meer draagvlak heeft bij degenen die het betreft: de asielzoekers zelf?

De heer Spekman (PvdA): Voorzitter. Ik vind dit een belangrijk onderwerp. Het gaat over iets echts: mogen mensen hier blijven of moeten zij weg? Het gaat er om of dit terecht is en of het consequenties heeft voor iemands leven. De uiterste consequentie zou fataal kunnen zijn voor mensen. Het gaat dus echt ergens om en dat dwingt ons ook tot zorgvuldigheid. Aan de andere kant zie ik ook donders goed het dilemma dat bestaat voor de mensen die ter plekke in die landen het werk doen. De situatie daar is bepaald niet rooskleurig. Dit kan soms leiden tot onveiligheid. Daarom zijn vluchtelingenorganisaties soms ook zeer terughoudend om iets in het openbaar te vertellen over sommige landen. Zij vrezen daar vervolgens hun positie te verliezen. Dit geldt bijvoorbeeld voor Artsen zonder Grenzen of Stichting Vluchteling die ik erover heb gesproken. Hetzelfde geldt voor de bronnen die wijzelf in die landen gebruiken.

Dit alles ontslaat ons nog steeds niet van de dure plicht om het zo objectief mogelijk te doen. Daarop zit logischerwijze spanning. Wij bevinden ons in een politieke omgeving, wij zijn immers politici. De politiek stuurt aan en ambtenaren zijn loyaal. Dat betekent dus dat een instrument dat bedoeld is om objectief te zijn, soms politiek ingezet zou kunnen worden. Vandaar dat er controle nodig is van onszelf, een democratische controle zoals wij nu tegenover elkaar zitten, maar ook van de rechterlijke macht, de advocatuur en dat soort werk.

Wij hebben vanochtend een brief ontvangen. Het is jammer dat je een halve huiskamergeleerde moet zijn om je post bij te houden en op het laatste moment je briefjes te lezen. Dit neemt niet weg dat het een goede brief is, waarin een aantal verbeteringen staan. Ik heb er nog wel wat opmerkingen over. In welke gevallen wordt er verzocht om een individueel ambtsbericht? Bestaat daar een werkinstructie voor en zijn er criteria? In eerste instantie zou het tegemoet moeten komen aan de bewijsnood van een asielzoeker, maar het wordt ook vaak andersom ingezet en gebruikt. Daarom snap ik de kritiek van de Nationale ombudsman, die zich afvraagt of het wel objectief is. Mijn tweede punt betreft de weggelakte passages. Op dat punt vind ik de brief heel goed. Het sluit aan bij de behoefte die er bestaat bij de rechterlijke macht en de andere partijen. Over mijn derde punt hebben wij waarschijnlijk gewoon een verschil van mening. Mijn fractie heeft begrepen dat in de expertmeeting – het is overigens goed dat deze was belegd – de volle toets aan de orde is gekomen. Ik heb verder begrepen dat een van de aanbevelingen was dat die volle toets van de rechter noodzakelijk is. Dit is niet opgenomen in het verslag. Mijn fractie vindt dat die volle toets er moet komen. Ik weet dat er een initiatiefvoorstel ligt van de heren Pechtold en Van der Ham dat al gedurende de vorige kabinetsperiode in gang is gezet. Daar wachten wij dus op. Wij zijn dus zeker een voorstander van de volle toets.

Mijn volgende punt betreft de onderzoeksmemoranda. In een onderzoeksmemorandum worden de uitkomsten van een onderzoek in het land van herkomst opgenomen door een medewerker van de Nederlandse vertegenwoordiging aldaar. Voor de rechtbank is het onderzoeksmemorandum van groot belang, aangezien de rechtbank zelf over het algemeen geen onderzoek kan doen naar de feiten in een land van herkomst. De rechtbank is dus afhankelijk van de informatie in het memorandum. Hebben de bewindslieden de rechterlijke macht geconsulteerd over de vraag of de informatie in de onderzoeksmemoranda voldoende is? Bestaat daar een standaard format voor?

Dan kom ik op het punt van de vertrouwenspersoon. Wat mij heel erg opvalt in de situatie van Congo, nog los van het feit of dat de maat aller dingen is, is dat wij te vaak vertrouwen hebben in één persoon. Eén bron is geen bron, wat mij betreft, en één vertrouwenspersoon is geen vertrouwenspersoon. Als je iemand heel veel macht geeft, liggen corruptie en misbruik op de loer. Dat kan financieel misbruik zijn, omdat iemand een aardig zakcentje wil hebben, of corruptie, omdat iemand een tegenprestatie vraagt, al dan niet van seksuele aard. Je geeft iemand macht en als één iemand zo veel macht heeft, kunnen er heel ongelukkige dingen gebeuren. De informatie van een vertrouwenspersoon is zo wezenlijk voor de afweging of iemand in Nederland mag blijven, dat ik het huidige systeem uitermate kwetsbaar vind. Ik vind eerlijk gezegd dat er niet gewerkt moet worden met slechts één vertrouwenspersoon, maar met minimaal twee, die onafhankelijk van elkaar meldingen doen. Anders is het echt te kwetsbaar en bestaat het risico op corruptie. Dat kan overigens twee kanten opgaan: of mensen blijven onterecht in Nederland omdat zij geld hebben betaald, of mensen worden onterecht uitgezet omdat zij niet willen of kunnen betalen.

Een consequentie van de individuele ambtsberichten kan zijn dat iemand terug moet keren. Ik kan het niet laten te vragen of de minister van BuZa een iets actievere rol kan nemen bij het overtuigen van landen dat zij uiteindelijk mee moeten werken aan zo’n uitzetting door mensen op te nemen die uit Nederland terug moeten naar het land van herkomst. Hoe vriendelijk blijft de minister het vragen aan Afghanistan als dat land blijft weigeren mee te werken en het terugsturen van Afghanen blijft tegenhouden?

De heer De Wit (SP): Wat vindt de heer Spekman van de voorstellen van Permanente commissie van deskundigen in internationaal vreemdelingen-, vluchtelingen- en strafrecht, getoetst aan artikel 13 van het EVRM? De commissie stelt voor om een speciale advocaat in te stellen die de bronnen kan toetsen in een besloten setting en om in afwachting daarvan de rechter-commissaris het recht te geven hetzelfde te doen via een andere procedure.

De heer Spekman (PvdA): Ik heb zojuist gezegd dat ik er erg voor een volle toets ben. Zo kan in laatste instantie het evenwicht gehandhaafd worden zoals het bedoeld is, via een objectief verhaal. Ik ben daarom ook positief over het initiatiefvoorstel wat hierover in de maak is. Het is bewezen dat advocaten nu al eigen onderzoek kunnen doen. Dat heeft in sommige gevallen ertoe geleid dat een asielzoeker gelijk kreeg bij de rechtbank. Ik vind het vooral belangrijk dat de rechter uiteindelijk zijn eigen onderzoek kan doen. Vandaar mijn steun voor de volle toets.

Mevrouw Azough (GroenLinks): Voorzitter. Dit dossier kent een lange geschiedenis. Al in 1998 constateerde de toenmalig Nationale ombudsman tekortkomingen in de totstandkoming van individuele ambtsberichten. In 2005 zijn er opnieuw veel berichten naar buiten gekomen over de problemen die er zijn bij de totstandkoming van individuele ambtsberichten. Daarover zijn toen door mijn fractie mondelinge vragen gesteld. Het gaat om ernstige zorgen die bijna alle hier aanwezige fracties zullen delen, over ontlastende verklaringen die achter zouden worden gehouden, over de vertrouwenspersonen en het vertrouwen dat je in deze mensen zou moeten kunnen stellen. Deze zorgen moeten serieus genomen worden. Ik hoop dat ik van het kabinet een serieuze reactie krijg.

De eerste reactie van het kabinet op het rapport van de Nationale ombudsman klonk duidelijk getergd, zoals meerdere collega’s al naar voren hebben gebracht. Dat is toch vreemd gezien het feit dat dit kabinet en voorgaande kabinetten voortdurend stellen dat de zorgen van de Nationale ombudsman ook hun zorgen zijn. Een reactie op zijn rapport zou dan niet zo emotioneel getergd en defensief moeten klinken. Het kabinet erkent tenslotte zelf dat er verbeteringen noodzakelijk zijn en dat daarin de afgelopen jaren een aantal stappen gezet zijn. Dit geeft aan dat de situatie niet uit de lucht is gegrepen en dat het niet is verzonnen. Het gaat hier uiteindelijk over levens van individuen. De ambtsberichten zijn voor deze mensen van groot belang en kunnen grote invloed hebben.

De kritiek die door de Nationale ombudsman wordt geleverd, is al door meerdere collega’s naar voren gebracht, dus die zal ik niet herhalen. Ik wil het nog wel hebben over de aanbevelingen die niet zijn overgenomen.

De heer Kamp (VVD): De opmerking dat het om een zure reactie van het kabinet zou gaan, is ook al door de ChristenUnie gemaakt. Ikzelf heb de kabinetsreactie als feitelijk ervaren. Begrijpt mevrouw Azough niet dat als het kabinet een stuk ontvangt waarin staat dat de IND vooringenomen en partijdig is, er een adequate reactie moet komen? De bewindslieden zouden toch geen knip voor de neus waard zijn als zij zulke opmerkingen over hun kant lieten gaan?

Mevrouw Azough (GroenLinks): Volgens mij wordt er wel degelijk, in ieder geval deels, een onderbouwing gegeven in het rapport van de Nationale ombudsman. De heer Kamp kan het oneens zijn met de gebruikte kwalificaties, maar dat neemt niet weg dat er wel degelijk aanwijzingen zijn dat deze kwalificaties wellicht van toepassing zijn. Het is van groot belang dat het kabinet daar serieus op ingaat, en niet per definitie en op voorhand al een bepaalde toon aanslaat.

De heer Kamp (VVD): Wat het kabinet gedaan heeft, is naar aanleiding van deze scherpe aanval een feitelijke reactie geven. Je kunt toch niet verwachten van kabinetsleden dat zij dit over hun kant laten gaan en met een slap verhaal terugkomen? Dat kan toch niet?

Mevrouw Azough (GroenLinks): Mijnheer Kamp, u bent volgens mij tot nu toe de enige die hier stelt dat de toon heel feitelijk en niet getergd of defensief is. Ik hou er het daarom maar op dat dit mijn mening is en dat u recht hebt op de uwe. Dat lijkt mij heel belangrijk.

Het is een probleem dat een aantal aanbevelingen niet worden overgenomen. Wat mijn fractie betreft, gaat het daarbij vooral om het feit dat de WOB-procedure gewoon wordt gehandhaafd, om het feit dat de termijnen voor de zienswijzen ook gehandhaafd worden, met als gevolg dat informatie uit de «opgeWOBte» achterliggende stukken niet altijd door de asielzoeker kunnen worden gebruikt, om het feit dat tekstsuggesties uit de REK-check niet in ambtsberichten worden opgenomen, om het feit dat onderzoeksmemoranda niet beschikbaar worden gesteld en om het feit dat er geen inzage wordt gegeven aan asielzoekers en hun gemachtigden in de onderliggende stukken. Dit leidt ertoe dat het nu feitelijk zo is dat asielzoekers die met een individueel ambtsbericht worden geconfronteerd, een kennisachterstand houden ten opzichte van het ministerie van BuZa, omdat zij geen inzagerecht krijgen, dat ellenlange WOB-procedures gevolgd moeten blijven worden die feitelijk zinloos zouden kunnen zijn omdat de «opgeWOBte» informatie te laat beschikbaar komt, en dat de IND zelf als opdrachtgever dus ook niet alles te weten krijgt. Dit leidt tot een ongelijkheid in rechtspositie. Het fundamentele probleem van de ongelijkheid in rechtspositie, de«disequality of arms», dat de afgelopen decennia voortdurend naar voren is gebracht door meerdere partijen waaronder het maatschappelijk middenveld, wordt niet verbeterd. De controle op de asielberichten door de IND, de asielzoeker en de rechter blijft onvoldoende en de formalistische benadering van het ministerie BuZa frustreert asielzoekers in het halen van hun recht. Mijn fractie vindt dit zorgelijk. Ik heb daarom een aantal vragen.

Het kabinet stelt verplicht te zijn tot de WOB-procedure. De Nationale ombudsman argumenteert echter dat dit nog maar de vraag is. Kan het kabinet nogmaals ingaan op de vraag of die verplichting van toepassing is, aangezien de WOB-procedure in principe het algemeen belang van openbaarheid zou moeten dienen? Als de WOB-procedure wel van toepassing blijft, is er een wetswijziging nodig om ervoor te zorgen dat asielzoekers toch de tijd krijgen die zij nodig hebben om ervoor te zorgen dat zij de informatie kunnen gebruiken. Ik hoor graag van de staatssecretaris in hoeverre zij bereid zou zijn tot een wetswijziging op dit specifieke punt.

Mijn volgende vraag betreft de volle toets door de rechter. Het valt ook mij op dat zowel het betreffende deel van de expertmeetings als de brieven van het maatschappelijk middenveld en de Nationale ombudsman nauwelijks aangekaart worden door de bewindslieden. Graag een specifieke reactie op dit punt.

Dan kom ik op de vertrouwenspersonen. Mijn collega aan mijn rechterkant zei het al: een van de adviezen die herhaaldelijk terugkomen, is dat er meerdere vertrouwenspersonen nodig zijn. Zo kan ervoor gezorgd worden dat zij controle op elkaar kunnen houden. De gevaren die de heer Spekman noemde, zijn reëel en zijn de afgelopen jaren soms zichtbaar gebleken. Het kabinet stelt dat dit kan leiden tot lastig werken en tot gevaar voor de bron en de vertrouwenspersoon in kwestie. Dat begrijp ik wel, maar de vraag is in hoeverre deze benadering toch wel degelijk in sommige gevallen zou kunnen en waarom het kabinet niet bereid is om deze benadering in veel meer gevallen toe te passen.

Ik sluit af met de adviezen van de commissie-Meijers. Ik zou hierover graag nu al een aanzet tot reactie horen.

Antwoord van de bewindslieden

Minister Verhagen: Voorzitter. Ik dank de Kamerleden voor hun vragen en voor het feit dat ik voor het eerst sinds 1998 hier weer eens met hen van gedachten mag wisselen over asielbeleid en ambtsberichten. In 1998 zat ik aan de andere kant van de tafel om de toenmalig staatssecretaris van BuZa het vuur na aan de schenen te leggen over de ambtsberichten. Dat was terecht, want ambtsberichten vormen natuurlijk een belangrijke bouwsteen voor het asielbeleid. Het besluit of iemand in Nederland mag blijven moet zeer zorgvuldig en op basis van goede informatie genomen worden, want het betekent nogal wat. Ik ben mij er dus terdege van bewust dat ambtsberichten van een goede kwaliteit en objectief moeten zijn. Dat geldt zowel voor de algemene als voor de individuele ambtsberichten. Ik ben het met een aantal leden uwer Kamer eens dat juist op dit terrein in de afgelopen jaren een grote kwaliteitsslag is geslagen. Ik ben het op dit punt dus niet eens met mevrouw Azough, die stelt dat wij hier al zolang over praten en het toch nog steeds hetzelfde is. Ik kom hier verderop in mijn beantwoording nog op terug.

Het ministerie van BuZa staat open voor kritiek, juist omdat wij hechten aan die zorgvuldigheid, kwaliteit en kwaliteitsverbetering. Wij zijn wel degelijk welwillend ten opzichte van kritiek. Wij luisteren naar kritiek, maar wij luisteren niet welwillend naar ongefundeerde beschuldigingen. Het was de heer Anker en mevrouw Azough opgevallen dat de eerste reactie van het kabinet nogal hard was jegens de Nationale ombudsman. Het ging daarbij voornamelijk over zijn kwalificaties «onzorgvuldigheid», «vooringenomenheid» en «partijdigheid». Dat noem ik ongefundeerde beschuldigingen. Met name in het persbericht bij het verschijnen van het rapport werden deze kwalificaties gebruikt. Overigens heeft nader contact met de Nationale ombudsman, zeg ik tegen de heer Van de Camp, ertoe geleid dat ook de Nationale ombudsman heeft laten weten dat hij bij nader inzien die woordkeuze minder gelukkig vindt. Omdat dat dus geparkeerd is en het daarna over de inhoud gegaan is, over de vragen welke aanbevelingen er zijn en of deze een verbetering kunnen opleveren, hebben wij elkaar op tal van punten weer gevonden. Dan gaat het dus over het welwillend luisteren naar kritiek om een kwaliteitsslag te maken.

Eerdere aanbevelingen van bijvoorbeeld ACVZ maar ook van de Nationale ombudsman in 2007 hebben wel degelijk geleid tot aanpassingen en een verdere aanscherping van de kwaliteit van de ambtsberichten. Dat helpt ons ook om die kwaliteit gelijke tred te laten houden met de eisen van de beslispraktijk en de rechtspraak. Naar aanleiding van de aanbevelingen in het ACVZ-rapport is er een dialoog op gang gekomen met de gebruikers van de ambtsberichten. Ik doel naast het ministerie van Justitie, op de advocatuur, de rechterlijke macht en op maatschappelijke organisaties zoals Amnesty International en VluchtelingenWerk. Inmiddels hebben er twee expertmeetings plaatsgevonden. Een aantal uwer heeft hieraan reeds gerefereerd. Die bijeenkomsten zijn op zich positief ontvangen door de deelnemers. Zij hebben ook constructieve suggesties opgeleverd. Ik denk wel dat het goed zou zijn, gelet ook op uw belangstelling, om als wij wederom zo’n bijeenkomst beleggen, ook de Kamerleden uit te nodigen om daarbij aanwezig te zijn. Dan kunt u zelf ervaren hoe de uitwisseling verloopt en hoeft u zich niet alleen te baseren op het rapport.

De expertbijeenkomsten hebben op een aantal punten absoluut tot een andere werkwijze geleid. Zo kunnen nu maatschappelijke organisaties als Amnesty International en VluchtelingenWerk door het indienen van vragen een bijdrage leveren aan de terms of reference van een algemeen ambtsbericht. Tezamen met het verschijnen van een algemeen ambtsbericht worden ook die terms of reference gepubliceerd. Die uitwisseling van ideeën vind ik op zich bijzonder nuttig. Die dialoog zal dan ook zeker worden voortgezet. Het is echter niet altijd mogelijk om alle vragen te beantwoorden, bijvoorbeeld omdat de onderzoeksmogelijkheden ontbreken. Dat zal soms het geval zijn, laten wij elkaar op dit punt niet voor de gek houden. De ministeries van BuZa en van Justitie zullen op korte termijn in overleg treden met de vertegenwoordiger van de advocatuur om te verkennen of er een rol is weggelegd voor de advocatuur in een vooroverleg ten behoeve van het opstarten van een individueel onderzoek in een land van herkomst. De staatssecretaris zal hier nader op ingaan. Wij kijken dus ook op dit punt welwillend naar de mogelijkheden.

Terecht vraagt de Kamer naar de kwaliteit van het onderzoek dat in het kader van die individuele ambtsberichten opgestart wordt ten aanzien van een intensief toezicht op het werkproces. Ik heb besloten om de begeleiding van het onderzoek naar de individuele ambtsberichten door ambassades te versterken. Betrokken posten zullen periodiek bezocht worden door een asieladviesteam. Volgende week gaat in principe de eerste missie daarvan van start. Volgens planning zullen uiterlijk in 2009 alle posten bezocht zijn waar onderzoek wordt verricht naar individuele ambtsberichten. Zo wordt ook van buitenaf toegezien op de werkwijze en kan die versterkt worden.

Een vertegenwoordiger van de rechterlijke macht werd geconsulteerd over de wensen met betrekking tot de onderzoeksverslagen. De heer Spekman ging in zijn betoog nader in op de verslaglegging daarvan. Deze verslaglegging leverde juist die aanknopingspunten voor verbetering op. Zowel voor het opstellen van de individuele ambtsberichten als voor de REK-check bestaan instructies ten aanzien van de elementen die in de onderliggende stukken moeten worden opgenomen. Om de terugkoppeling tussen het ministerie van BuZa en de IND te verbeteren indien een individueel ambtsbericht de rechterlijke toets niet heeft doorstaan, is er overleg geweest tussen de betrokken organisatieonderdelen van de IND. De uitkomst hiervan is dat die procesvertegenwoordiger het Bureau Land en Taal van de IND hiervan op de hoogte brengt en dat brengt dan weer het ministerie van BuZa op de hoogte, zodat er ook op dat punt een kwaliteitsverbetering geborgd is.

Er waren uiteraard ook kritische geluiden tijdens die expertbijeenkomsten. Die waren met name gericht op de lange productietijd van een algemeen ambtsbericht, het daarmee samenhangende gebrek aan actualiteit, en de wens om te komen tot Europese ambtsberichten. Met name de heer Van de Camp sprak daarover. Het is terecht dat op dit punt gekeken wordt naar mogelijke versnelling en actualisering. Tijdige en actuele berichtgeving over die mensenrechten- en veiligheidssituatie in landen van herkomst is van groot belang. Daartoe zijn wij begonnen met een pilot om een versnelling te realiseren. Die pilot hield in dat wij slechts delen van het ambtsbericht actualiseerden. Een dergelijke flexibiliteit zou een snellere doorlooptijd tot stand brengen. In goed overleg met Justitie is de pilot beëindigd. Het eindproduct was weliswaar bruikbaar in de asielpraktijk, maar de verwachte tijdwinst was per saldo buitengewoon gering. In een later stadium moest alsnog gekomen worden tot een volledige actualisering van het ambtsbericht. Dat leverde uiteindelijk extra werk en weinig tijdwinst op. Om toch meer te kunnen inspelen op specifiekere informatie gaan wij nu inzetten op kortere, thematische ambtsberichten over specifieke onderwerpen. Dit jaar zullen thematische berichten verschijnen over minderjarigen in India, ahmadi’s en christenen in Pakistan en vrouwen in Nigeria. Door middel van deze berichten gaan wij proberen een positieve bijdrage aan een slagvaardiger proces rond ambtsberichten te realiseren.

De heer Van de Camp is ingegaan op de Europese ontwikkelingen. Nederland speelt een actieve rol in het bereiken van een Europees migratie- en asielbeleid. Ik noem het Haags programma tijdens ons voorzitterschap, dat nu wordt voortgezet. Nederland heeft bij het EU-migratie- en asielpact een vooraanstaande rol gespeeld. Juist omdat wij Europese ambtsberichten een goed idee vinden, hebben wij bekeken of wij gezamenlijke landenrapporten kunnen maken. Over Nigeria hebben wij een pilot gedaan, samen met België, Denemarken en het Verenigd Koninkrijk. Deze pilot toonde direct de weerbarstigheid van het Europese asieldossier. Het heeft geen gezamenlijke landeninformatierapportage opgeleverd. De belangrijkste reden is een verschil van inzicht in de methodologische aanpak. Daarmee kom ik op iets wat de heer Van de Camp als een van de voordelen ziet van de huidige praktijk. Bij de landenrapporten staan wij een synthesetekst voor. Na selectie en weging van de bronnen wordt een zo veel mogelijk gekwalificeerd oordeel gegeven. Het Verenigd Koninkrijk en Denemarken willen louter een soort verslag van een fact-finding missie: alle bevindingen gooi je op een bordje en je ziet maar wat je ermee doet. Wij kijken daar anders tegen aan, juist vanwege die kwaliteit en zorgvuldigheid.

Wij stellen ons op het standpunt dat het vertrouwelijk houden van de bronnen wel degelijk de beste garantie biedt voor waarheidsvinding. De heer Spekman sprak er al over. Als een ngo die in een land moet werken en die daar ook afhankelijk is van de overheid, bepaalde informatie geeft die haar functioneren onmogelijk maakt, kan zij vertrekken. Op vertrouwelijke basis kan zo’n ngo wel degelijk bereid zijn om die nadere informatie te geven. Ik wijs de suggestie van de hand dat vertrouwelijke informatie hoe dan ook zou leiden tot een positie die ten nadele van de asielzoeker is. Integendeel, wij hebben landen meegemaakt waar in het openbaar te goeder naam en faam bekendstaande organisaties rustig zeggen dat er geen probleem is bij bijvoorbeeld de toegang van vrouwen tot de politie. Op het moment dat men zeker weet dat men niet met naam en toenaam in het rapport staat, zegt men: als een vrouw hier bij de politie om bescherming vraagt, is zij nog eerder de pineut dan wanneer zij dat niet doet. In zo’n individueel ambtsbericht op basis van een vertrouwelijke bron is dat juist ten voordele van de asielzoeker.

Maar goed, wij blijven ons inspannen om een bijdrage te leveren. Wij zijn met een aantal andere lidstaten in gesprek om te bekijken of afspraken kunnen worden gemaakt over gemeenschappelijke landenrapporten. Voorts is het duidelijk dat juist in het EU-migratie- en asielpact de afspraak is opgenomen dat met het oog op een gemeenschappelijk asiel- en migratiebeleid meer zal worden samengewerkt. Daarvoor zijn in Europees verband met immigratiediensten richtlijnen overeengekomen.

Het openbaar maken van alle bronnen en de keuze voor een gekwalificeerd oordeel bemoeilijkt dus de samenwerking op Europees niveau. De heer Anker staat het systeem voor waarin bronnen zelf om vertrouwelijkheid moeten verzoeken. Dat is niet evident beter. Gesprekspartners kun je de keuze laten of zij geciteerd willen worden. Als zij zelf zeggen dat zij er geen probleem mee hebben, dan kan dat.

Hoe gaan wij om met tegenstrijdige bronnen? Algemene ambtsberichten beschrijven de feitelijke situatie. Sommige bronnen kun je daarbij ter zijde leggen. Soms doe je dat omdat aanvullende bronnen andere informatie geven die uiteindelijk de doorslag geeft. Indien niet duidelijk is welke van de tegenstrijdige bronnen het bij het rechte eind heeft, wordt dat expliciet in de tekst aangegeven. Er wordt dan aangegeven dat sprake is van tegenstrijdige bronnen. De werkinstructie voor algemene ambtsberichten is daarover zeer duidelijk. Sinds de vorige expertbijeenkomst staat die instructie op internet.

Ik kom op de positie van de vertrouwenspersoon. Laat ik helder zijn: zonder vertrouwenspersoon is er geen individueel asielonderzoek. Dat is er echt één op één aan gekoppeld. Er mag geen koppeling worden gelegd tussen de asielzoeker en Nederland, juist ter bescherming van die asielzoeker, zijn familie in het land van herkomst, en anderen. Als bekend is dat Nederland daar onderzoek naar doet, kun je die mensen in gevaar brengen. Het mag niet terugleidbaar zijn op de Nederlandse ambassade of de Nederlandse overheid. Hoe weten wij of de vertrouwenspersoon te vertrouwen is? Wij stellen bijzondere eisen aan zo iemand. Hij moet over een goed netwerk beschikken, hij moet toegang hebben tot de informatiebronnen, hij moet discreet en secuur zijn, kortom, hij moet integer zijn. Bij die selectie van vertrouwenspersonen wordt informatie ingewonnen bij andere instanties die over zijn betrouwbaarheid en expertise een belangeloos en geïnformeerd oordeel kunnen geven. Er moet zuiver te werk worden gegaan. Op basis van informatie van ngo’s, internationale organisaties, de IOM en ambassades van derde landen kunnen wij zeggen of iemand betrouwbaar is. Die integriteit wordt wel degelijk getoetst.

Voor de uitvoering van het onderzoek wordt de vertrouwenspersoon geïnstrueerd. Als hij terugrapporteert aan de ambassade worden zijn bevindingen minutieus besproken. Daarbij komen juist vragen aan de orde die een nader licht kunnen werpen op zijn betrouwbaarheid en kundigheid. Tijdens de komende bezoeken van de asieladviesteams, die vanaf volgende week naar de ambassades gaan, worden de vertrouwenspersonen aan deze eisen getoetst. In de praktijk blijkt het moeilijk om vertrouwenspersonen te vinden die aan al deze eisen voldoen. Dat is ook de reden waarom niet overal in alle asielherkomstlanden individuele ambtsberichten worden opgesteld.

De heer Spekman vroeg specifiek of er niet gekozen kan worden voor minimaal twee vertrouwenspersonen. Indien mogelijk ben ik daar zeker toe bereid. Het is echter vaak moeilijk om überhaupt iemand te vinden die aan die eisen voldoet. Als je twee vertrouwenspersonen inschakelt, zullen vaak niet beide personen dezelfde checks kunnen uitvoeren. Herhaald onderzoek bij dezelfde bronnen kan bij de autoriteiten argwaan wekken en dus die personen in gevaar brengen. Dat geeft ook weer aan dat het een complexe materie is, die niet een, twee, drie eenduidig te beantwoorden is. Het vraagt om maatwerk. Dat zegt genoeg in relatie tot het individuele ambtsbericht dat vraagt om maatwerk ten opzichte van de algemene ambtsberichten.

Tegen mevrouw Azough zeg ik zeer nadrukkelijk dat één bron geen bron is, tenzij de bron als hard gekwalificeerd wordt. Wat is «hard»? Een bevolkingsregister kan een harde bron zijn, tenzij er aanleiding is om te vermoeden dat ermee gesjoemeld is. Je moet kunnen aantonen dat het bevolkingsregister op orde is voordat je het als een harde bron kunt aanwenden. De REK-check hanteert dit criterium eveneens. Indien sprake is van één bron die niet als hard is te kwalificeren, dan wordt dat in de IAB gemeld. Het is aan de IND hoe het antwoord bij de besluitvorming wordt betrokken.

Mevrouw Azough (GroenLinks): Ik kom terug op het vertrouwen dat wij in de vertrouwenspersoon kunnen stellen. Dat is een cruciale vraag in het hele dossier. De selectie is van enorm belang. Ik kan het mij voorstellen dat iemand die in eerste instantie integer, autonoom en onafhankelijk lijkt te zijn, dat gaandeweg niet langer is. Er kan sprake zijn van verleidingen, van chantage, van omkoping en dergelijke. Hoe wordt herhaaldelijk gecontroleerd dat de persoon vertrouwenspersoon kan blijven?

Ik ken het dilemma van twee vertrouwenspersonen. Je moet voorkomen dat je bij de overheid argwaan creëert. Is het instrument tot nu toe wel eens gebruikt? In alle rapporten, ook dat van de ACVZ, komt de vraag naar voren of het middel niet vaker ingezet kan worden om de controle op de vertrouwenspersoon serieus te nemen.

Minister Verhagen: In enkele landen wordt het instrument gebruikt. Voor de uitvoering van ieder onderzoek wordt de vertrouwenspersoon geïnstrueerd. Hij moet terugrapporteren aan de ambassade. Daarbij kun je je vragen stellen die een licht kunnen werpen op zijn betrouwbaarheid. Bij die terugkoppeling vindt de check plaats op de stand van zaken van de integriteit. Het is mogelijk dat tussentijds wordt gesteld dat de man of vrouw niet voldoet aan de gestelde eisen. Dan is er dus geen vertrouwenspersoon. Dat kan gebeuren. Nogmaals, er is een check om zeker te stellen dat wij met recht en reden kunnen stellen dat de vertrouwenspersoon voor ons informatie kan blijven inwinnen. Wij moeten zeker weten dat de verkregen informatie klopt.

De heer De Wit (SP): Het is nog iets gecompliceerder dan de minister zegt. Eerder is de minister ingegaan op het geval in Congo. De vertrouwenspersoon is één. Natuurlijk moeten wij de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid ervan toetsen. Daarnaast doet het zich voor dat de vertrouwenspersoon onderzoekers of andere mensen inschakelt. De persoon waar het in Congo om ging, was zo’n medewerker. Ook daarop moet controle worden uitgeoefend. De vraag is hoe de minister dat doet.

Minister Verhagen: Via terugrapportage proberen wij de betrouwbaarheid van de informatie te toetsen. Als je twijfels hebt over de bronnen, dan wordt dat gemeld.

De heer Spekman (PvdA): Wij leven in de grotemensenwereld. In die wereld is soms sprake van corruptie. Het gaat namelijk ergens om. Zijn er in de afgelopen jaren mensen gepakt voor corruptie en, zo ja, hoe vaak is de relatie met een vertrouwenspersoon of een van de medewerkers beëindigd?

Minister Verhagen: Er zijn gevallen geweest waarin de relatie met de vertrouwenspersoon beëindigd is.

De voorzitter: Ik denk dat het vandaag niet specifieker hoeft.

Minister Verhagen: Mevrouw Azough zei dat niets gedaan is met het onderzoek dat de Ombudsman in 1998 heeft gedaan naar individuele ambtsberichten. In 1999 heeft de Ombudsman geconstateerd dat op passende wijze invulling was gegeven aan alle aanbevelingen. De meerderheid van de aanbevelingen voortvloeiende uit het nieuwe onderzoek uit 2007 is ook overgenomen. Wij hebben grote moeite met één aanbeveling, namelijk die over het verstrekken van de volledige onderlinge stukken van individuele onderzoeken. Die aanbeveling heeft de Nationale ombudsman herhaald in een brief van 19 september jongstleden aan de voorzitter van de Kamer, maar deze brief bevatte voor mij geen nieuwe gezichtspunten die een ander standpunt zouden rechtvaardigen. Omwille van de bescherming van de identiteit van bronnen en de bescherming van de gebruikte methoden en technieken, kan ik de volledige onderliggende stukken niet beschikbaar stellen aan de asielzoeker en zijn gemachtigde. Evenmin kan dat gebeuren aan de IND-beslismedewerkers. Binnen de IND krijgt een groep gespecialiseerde en bevoegde medewerkers inzage in de volledige, ongelakte onderliggende dossiers. Aan de hand daarvan wordt beoordeeld of het individuele ambtsbericht qua inhoud en qua procedure zorgvuldig tot stand is gekomen en de inhoud inzichtelijk is. Op die manier wordt aan het zorgvuldigheidsvereiste voldaan. Een bestuursorgaan moet zich ervan vergewissen dat alle relevante informatie is verzameld voordat een besluit wordt genomen op een aanvraag. Dat is die REK-check, die nadrukkelijk niet door de beslismedewerkers van de IND wordt uitgevoerd. Het hele stuk, ongelakt, gaat naar de IND.

Het procesbelang van de asielzoeker wordt gewaarborgd door de onafhankelijke rechter. De asielzoeker kan het individuele ambtsbericht en de onderliggende stukken in ongelakte versie laten toetsen door de vreemdelingenrechter via artikel 8:29 Awb. Dit gebeurt door een andere rechter dan de vreemdelingenrechter, die de beslissing op de asielaanvraag toetst. De rechter die de beslissing op de asielaanvraag toetst, kan eveneens verzoeken om inzage in de volledige onderliggende stukken. Zowel de rechter als de IND krijgt deze stukken. Desalniettemin heb ik besloten om per 1 oktober alle onderliggende stukken, ontdaan van vertrouwelijke passages, aan beide partijen ter hand te stellen, dus ook aan de asielzoeker. Wij doen dus al het mogelijke om ook de asielzoeker en zijn partij de informatie te geven. Nogmaals, wij lakken dan wel weg datgene wat echt vertrouwelijk moet blijven.

Als ik sommige verhalen hoor, krijg ik het idee dat men denkt dat er de meest vreselijke dingen in staan. Ik ben best bereid om de commissie een keer vertrouwelijk inzage te geven in een IAB. Eerder heeft de commissie een keer een algemeen ambtsbericht kunnen inzien. Wij moeten spookverhalen de wereld uit krijgen.

De heer De Wit (SP): In een brief van september stelt de Ombudsman vast dat ondanks de REK-check en ondanks de inzage voor de rechter, toch kardinale fouten kunnen worden gemaakt. Ik benader het probleem nu alleen vanuit het gezichtspunt van de asielzoeker. Welke garantie heeft de asielzoeker met het voorstel van 1 oktober? Wat is er tegen het overnemen van het voorstel van de permanente commissie? Het probleem van de vertrouwelijkheid wordt daarmee opgelost, zonder dat wij het risico lopen dat de zaak op straat komt te liggen. Het gaat om een gesloten setting waarin een speciale persoon voor de verdediging optreedt die kan toetsen wat er aan het ambtsbericht ten grondslag ligt.

Staatssecretaris Albayrak: Voorzitter. Het is begrijpelijk dat een debat als dit vooral gaat over de elementen van de brief waar de Kamer wat minder tevreden over is. Zo kan zomaar de indruk ontstaan dat individuele ambtsberichten vooral worden gebruikt om mensen af te wijzen. Ik hecht eraan te zeggen dat ambtsberichten ons soms ook helpen om verzoeken tot verblijf in te willigen, omdat ze het verhaal van een asielzoeker onderbouwen. Ik kan dat met cijfers onderbouwen. Van de 50 meest recente zaken hebben wij er iets meer dan 10 ingewilligd, 20 hebben wij nog in beraad, en 20 zijn er afgewezen. Soms helpt een ambtsbericht een vluchteling bij zijn verhaal.

Wat de toon van de brief betreft, is een vrij directe beschuldiging aan het adres van IND-ambtenaren geuit. Er is gesproken van onzorgvuldigheid, vooringenomenheid, partijdigheid en oneerlijkheid. Dat kwam hard aan. Als je dat als bewindspersoon in een persbericht leest, dan schrik je je rot. Dan ga je meteen zo’n rapport lezen. Toen bleek de vlag de lading niet helemaal te dekken. Wij zijn daarop met de Ombudsman in gesprek getreden, die de woorden vervolgens wat heeft gerelativeerd. Hij heeft gezegd dat de woordkeuze misschien niet altijd even gelukkig was. Wij waren niet zozeer zuur van toon, maar wij vonden dit «niet helemaal eerlijk», om de woorden van de Ombudsman zelf te gebruiken.

De heer De Wit heeft gevraagd waarom niet alle aanbevelingen van de Ombudsman over de REK-check zijn overgenomen. De aanbevelingen van de Ombudsman zijn voor een belangrijk deel overgenomen, ook op het punt van de verbeteringen die te maken hebben met de manier waarop wij gebruikmaken van ambtsberichten van Buitenlandse Zaken. De grootste tegemoetkoming zit hem in de laatste woorden van de minister. Vanaf 1 oktober zullen de gelakte onderliggende stukken met het individuele ambtsbericht worden meegezonden, zodat de asielzoeker en de IND-medewerker over dezelfde informatie beschikken. Omwille van de bescherming van de identiteit van bronnen en van de gebruikte methode wil ik niet de volledige onderliggende stukken beschikbaar stellen.

Het is belangrijk dat wij bij de IND de mogelijkheid hebben om onderliggende stukken volledig door een klein aantal gespecialiseerde mensen te laten toetsen. Dat betreft de medewerkers van het Bureau Land en Taal. Wij kijken daarbij naar een aantal zaken. Wordt het ambtsbericht voldoende inhoudelijk onderbouwd door de onderliggende stukken? Is de inhoud van het ambtsbericht terug te vinden in de onderliggende stukken? Hoe stelliger de verwoording in het ambtsbericht, hoe beter gemotiveerd de informatie in de onderliggende stukken moet zijn. Wij kijken dus echt naar de verhouding. Wat heeft de minister van Buitenlandse Zaken opgeschreven en wat staat er in de onderliggende stukken? Daarnaast kijken wij naar de inzichtelijkheid en de consistentie. Is het niet intern tegenstrijdig? Is het niet tegenstrijdig met een eerder ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken? Wordt een eventuele tegenstrijdigheid uitgelegd? Is een bericht niet voor meerderlei uitleg vatbaar? Dat is de manier waarop de REK-toets wordt verricht. Het zijn dus niet de beslismedewerkers die dit doen.

Dit geldt ook voor de rechterlijke toets op die onderliggende stukken. Het zijn niet de rechters die in de zaak beslissen, het zijn de rechters die met toepassing van het artikel van de Awb alleen maar bekijken of de volledige informatie die zij tot hun beschikking hebben, kan en mag leiden tot het ambtsbericht.

De heer De Wit heeft herhaaldelijk gevraagd om de volle rechterlijke toets. De heer Spekman heeft daar ook uitgebreid bij stilgestaan. Kortheidshalve verwijs ik naar het debat dat wij op 9 oktober zullen hebben over de asielbrief. De heer Spekman verwees naar een initiatiefwetsvoorstel van de heer Pechtold, maar ik wijs hem ook op de wijzigingsvoorstellen in de asielbrief. Daarmee komen wij voor een belangrijk deel tegemoet aan de manier waarop de rechters toetsen. Dit raakt niet aan de toets op de bronnen van de ambtsberichten. Het gaat om het beroep en het hoger beroep in asielzaken in het algemeen. Daar komen wij dus nog over te spreken.

De heer Spekman vraagt hoe bij de REK-check wordt omgegaan met het aantal bronnen. Is het nog enigszins relevant dat er maar één bron is? Het is geen absolute voorwaarde dat er meer dan één bron moet zijn. Met de REK-check wordt er wel op toegezien dat de hoedanigheid van de bron is aangegeven. Zelfs als sprake is van één bron, kan een weging plaatsvinden in de vraag of op basis van die ene bron het ambtsbericht mocht zijn zoals het uiteindelijk is opgeschreven. De relevantie van de bron en daarmee de waarde van de informatie wordt getoetst. Er vindt wel een weging plaats, maar er is geen absolute voorwaarde dat er meer dan één bron moet zijn.

De heer Anker heeft gevraagd wat wij doen met contra-expertise. De IND kijkt daar serieus naar. Het is mogelijk dat contra-expertise leidt tot aanvullende vragen aan de minister van Buitenlandse Zaken. In de IND-werkinstructie hebben wij opgenomen dat de IND-medewerker verduidelijkende informatie kan vragen. Zo nodig wordt er door de IND gevraagd om aanvullend onderzoek. Dat komt regelmatig voor.

Wat hebben wij gedaan met de kritiek van de commissie-Meijers? Waarom is er niet op gereageerd? De heer De Wit gaat er blijkbaar vanuit dat er een toezegging was om schriftelijk te reageren op de brief van de commissie-Meijers. Een dergelijke toezegging is bij ons niet bekend. Door het antwoord op het rapport van de Nationale ombudsman dachten wij impliciet de kritiek van de commissie-Meijers te hebben meegenomen. De heer De Wit haalt specifiek twee punten uit de brief van de commissie: de rechter-commissaris en de special advocat. Als hij behoefte heeft om afzonderlijk op de inhoud van de brief te reageren, met name op de punten die niet in de kabinetsreactie zijn meegenomen, dan zullen wij dat graag doen. Dat kan met enige snelheid, want wij hebben al wat voorwerk gedaan.

De heren Van der Staaij en Van de Camp hebben gevraagd hoe wij omgaan met andere bronnen dan die van Buitenlandse Zaken. De ontwikkelingen van het laatste jaar zijn bekend. Relevant is de uitspraak-Salah Seekh van het EVRM, die dateert van januari vorig jaar en die onherroepelijk is geworden op 23 mei. Wij hebben meteen bekeken wat deze uitspraak betekent voor het gebruik van bronnen en deskundigenrapporten. Het was al praktijk dat wij naast het ambtsbericht van Buitenlandse Zaken andere bronnen bekijken. Dit arrest heeft ons nog eens aanleiding gegeven om er extra aandacht aan te besteden. In de uitvoeringspraktijk hebben de gevolgen ervan een plek gekregen. De gevolgen van het arrest hebben wij over de volle breedte verwerkt en geïmplementeerd in de Vreemdelingencirculaire. Een van de gevolgen is dat op een steviger manier de aandacht wordt gevestigd op alle informatie die ten grondslag ligt aan de asielbeslissing en op de manier waarop wij moeten omgaan met informatie die anders luidt dan die in het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken. In het beleid hebben wij vastgelegd dat ten behoeve van de toets van de geloofwaardigheid van het asielrelaas, alle informatie die afkomstig is uit objectieve bronnen, bij de beoordeling betrokken dient te worden. Zo hebben wij dat ook opgeschreven. Hoe gaan wij dan tewerk? Aanvullende informatie wordt per definitie betrokken bij de besluitvorming. Soms wijkt de informatie af van datgene wat in het ambtsbericht staat. Als de informatie van een dusdanige strekking en gewicht is dat er twijfel rijst over de juistheid en volledigheid van het ambtsbericht, dan ga ik terug naar de minister van Buitenlandse Zaken en vraag ik hem om een reactie op het verschil. Als er geen sprake is van een dusdanige strekking en gewicht dat er getwijfeld moet worden, dan moet dat zorgvuldig in het besluit worden gemotiveerd. Dan moet ik uitdrukkelijk zeggen waarom die informatie mij niet tot twijfel over het ambtsbericht brengt. Als er sprake is van twijfel, zal ik een standpunt innemen over de ingebrachte informatie en de strekking en het gewicht ervan.

Europa is niet onbelangrijk. Hoe meer wij proberen met de Europese lidstaten op één lijn te komen, hoe meer wij beseffen dat het belangrijk is om eenzelfde oordeel te vellen over de feitelijke situatie in landen van herkomst. Het is echt niet te verkopen dat 27 lidstaten van de EU bijna 27 verschillende interpretaties, definities en waarderingen hebben van bijvoorbeeld de situatie in Irak. Op basis van de landeninformatie wordt beleid gevoerd. Zo kan het gebeuren dat op de vraag of er sprake is van een «internal armed conflict» het antwoord in de verschillende EU-lidstaten anders luidt. Dat kan natuurlijk niet, want het gaat vaak om feitelijke informatie. Vanwege de gevolgen voor de praktijk in Nederland is het belangrijk om te blijven inzetten op voortgang in Europa richting gezamenlijke ambtsberichten en landeninformatie. De minister heeft al wat gezegd over het mislukken van het project-Nigeria, waartoe wij nota bene zelf het initiatief hadden genomen. Graag hadden wij dat als een eerste succes gepresenteerd van een kopgroep binnen de EU van landen die met elkaar tot een gezamenlijk ambtsbericht konden komen. Het heeft niet zo mogen zijn. Wij leggen ons er niet bij neer en blijven stappen zetten. Met een aantal andere lidstaten, zoals Italië, Slovenië en Bulgarije, proberen wij wél afspraken te maken over een gemeenschappelijk landenrapport.

Over het migratie- en asielpact hebben wij vorige week nog in de Kamer gesproken in het kader van de voorbereiding van een Europese Raad. Wij hebben ons wederom ingespannen om een afspraak te maken over verdere samenwerking op het terrein van landeninformatie. Een eerste stap in dit proces is onlangs in Europees verband door de immigratiediensten overeengekomen: de zogeheten «common EU guidelines for processing country of origin information». Het zijn richtlijnen hoe de informatie gebruikt en geëvalueerd moet worden om tot berichten te komen. Het is een meer procedurele benadering. Daarin heeft de IND wederom een voortrekkersrol gespeeld. Die voortrekkersrol zet ik graag door. Het hoofd IND is op dit moment voorzitter van GDISC, het overleg tussen de IND’s van de Europese lidstaten. Ik heb hem gevraagd om, ter voorbereiding van hetgeen uiteindelijk in de tweede helft van 2009 het European support office moet worden, een ondersteuningsbureau voor asiel in Europa, te kijken of wij in het kader van een integraal terugkeerplan voor Irak een gezamenlijk landenbericht kunnen maken. Dat is heel concreet. Ik heb gezegd: als er zo’n ondersteuningsbureau komt, laat hen dan meteen met Irak beginnen, een concreet lifetime voorbeeld. Dat wordt nu opgepakt en nader ingevuld.

Voorzitter. Ik denk dat ik alle vragen aan mij heb beantwoord.

De voorzitter: Voordat wij naar de tweede termijn gaan: de minister van Buitenlandse Zaken denkt dat hij nog een antwoord moet geven aan de heer Spekman.

Minister Verhagen: De heer Spekman vroeg mij nog expliciet of ik ook andere landen aansprak op de terugkeer van afgewezen asielzoekers in casu Afghanistan. Wij komen er uiteraard nog over te spreken, maar ik kan u nu reeds meedelen dat ik hier zeer duchtig over heb gesproken met president Karzai, vorige week in New York. Het voordeel van zo’n AVVN is dat je zo’n beetje alle landen bij elkaar hebt. Ik heb verschillende gesprekken gevoerd met onder anderen president Karzai, waarbij ik, wellicht in iets diplomatiekere termen dan ik in sommige kranten zag van verschillende Kamerleden, de noodzaak om mee te werken aan de terugkeer van Afghanen absoluut onder zijn aandacht heb gebracht. Ik heb ook gesteld dat het niet zo kan zijn dat wij enerzijds op alle wijzen juist Afghanistan bijstaan op het punt van de opbouw van de rechtsstaat, maar dat zij anderzijds niet bereid zijn mee te werken aan de terugkeer van afgewezen asielzoekers. Daar was geen woord Frans bij.

Nadere gedachtewisseling

De heer De Wit (SP): Voorzitter. Belangrijk is wat de minister nu heeft gezegd en wat ook in de expertmeeting al naar voren is gekomen, namelijk dat de vertrouwenspersoon en de medewerkers die de vertrouwenspersoon inschakelt regelmatig worden bekeken op hun betrouwbaarheid. Een heleboel dingen die wij in het verleden daarover hebben gevraagd, hebben er juist mee te maken dat er berichten kwamen dat er de nodige twijfel was op dat punt.

Als de minister voorbeelden vertrouwelijk ter inzage wil leggen voor de Kamer of de vaste commissie, lijkt het mij heel goed om er een keer naar te kijken.

Omdat ik wil weten of ik het nu goed heb of niet, wil ik een passage voorlezen uit het advies van de permanente commissie van maart 2007: zoals in de Wet afgeschermde getuigen, waarin de rechter-commissaris in strafrechtelijke procedures de mogelijkheid wordt geboden in een afgeschermde procedure de inhoud van het ambtsbericht te toetsen, zo zou ook in de vreemdelingenrechtelijke procedure waarin met toepassing van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht een beroep wordt gedaan op beperkte kennisneming, de rechter het vooronderzoek kunnen opdragen aan de rechter-commissaris. Is dit nu het antwoord dat de minister gaf? Hij zei dat ook nu al de rechter – maar dan wordt het een andere rechter – op basis van artikel 8:29 enzovoort. Als dat zo is, dan is een van de twee punten van de permanente commissie daarmee opgelost; althans, dan is die procedure mogelijk en kan die worden toegepast. Dan is dat duidelijk.

Over de special advocates zou ik graag een reactie van de regering krijgen. Hoe wordt daartegen aangekeken? Hoewel wij per 1 oktober een verruimde inzage krijgen in de stukken, is het toch nog van belang dat in een wat afgeschermde setting tegenwicht kan worden geboden tegen bepaalde berichten of onderdelen daarvan. Juist met het oog op artikel 13 EVRM, het fair trial-beginsel, zou ik het oordeel van de regering daarover willen vernemen.

De heer Van de Camp (CDA): Voorzitter. Ik wil beide bewindslieden danken voor de heldere beantwoording. Wij maken wel ander overleg met het kabinet mee waarbij het toch allemaal een slagje voorzichtiger moet, maar dit is helder.

Prompt wordt nog een aantal verbeteringen toegezegd en aangereikt, zoals de asieladviesteams die de diverse posten zullen bezoeken. Verder noem ik de thematische ambtsberichten. Ik vind dat een buitengewoon goede benadering, omdat ik graag situaties ken in landen waarvan wij nog niet direct asielzoekers hebben. Je ziet nu ook bij andere landen dat, als wij ambtsberichten moeten maken of actualiseren op het moment dat er reeds grote asielstromen zijn, het allemaal in een ander daglicht komt te staan. Stel dat je bijvoorbeeld over bepaalde minderheden of over jongeren in een land praat en dat je er een thematisch ambtsbericht over hebt. Mocht er onverhoopt een asielstroom op gang komen, dan hebben wij min of meer een stabiele kennisbasis, als ik het tenminste goed begrijp. Als ik het verkeerd zie, dan hoor ik dat graag. Maar het maken van algemene ambtsberichten terwijl er al incidenten zijn, is toch risicovol.

Ik heb goede nota genomen van de opmerking van de minister over meerdere vertrouwenspersonen: indien mogelijk. Ik vind het ook logisch. Je probeert toch een algemeen ambtsbericht te maken of een individueel ambtsbericht op basis van checkbare bronnen. Als je er twee hebt, waarom zou je er niet twee gebruiken?

De kwestie van de nevengeschiktheid houd ik er toch nog even in. Het klinkt misschien een beetje vreemd uit mijn mond, maar ik ben ouderwets. Wij maken de ambtsberichten wel erg horizontaal, maar misschien kan dat de heer De Wit tevredenstellen.

De kwestie van de andere bronnen is mij duidelijk. Ik vind dat een goede ontwikkeling.

Ik mis een antwoord op mijn vraag of de advocaat in een vroegtijdig stadium reeds vragen mag voorleggen aan de IND. Dat idee circuleerde zowel in de expertmeeting als in de brief van Amnesty. Ik vind het een verantwoorde procedure.

Ook ik ben erg benieuwd naar het antwoord dat de minister of de staatssecretaris zal geven op de vraag van de heer De Wit over artikel 8:29 Awb en de plaats en functie van de rechter-commissaris.

De heer Van der Staaij (SGP): Voorzitter. Ik dank de bewindslieden voor de beantwoording. Ik vind het positief dat, in aanvulling op hetgeen in de vroegere stukken al stond, wel degelijk wordt gekeken naar verdere verbeteringen, bijvoorbeeld de mogelijkheid die per 1 oktober wordt geboden om de achterliggende stukken ter beschikking te stellen. Eerder werd dat nog afgewezen, maar nu wordt gezegd: wij vinden die argumentatie niet doorslaggevend en wij kunnen er toch ruimhartiger mee omgaan. Dat vind ik positief.

Over de thematische ambtsberichten heb ik nog een vraag, ook naar aanleiding van de opmerking van de heer Van de Camp. Ik zou het juist wenselijk vinden dat er een zekere koppeling is aan bijvoorbeeld actuele ontwikkelingen. Als er sprake is van een toenemend aantal minderjarige Nigerianen die asiel hebben aangevraagd in het afgelopen jaar en een toename van het aantal Afghaanse vrouwen, zou ik het een beetje jammer vinden om een ambtsbericht te krijgen over minderjarige Afghanen en Nigeriaanse vrouwen, dus precies andersom. Ik had het idee dat het in de praktijk al zo liep. Toen wij debatten hadden over de positie van christenen en homoseksuelen in Iran, was er ook al een gerichter bericht over gekomen. Het valt mij op dat er naar aanleiding van actuele ontwikkelingen soms behoefte is om in te zoomen op iets wat in het algemeen ambtsbericht beknopter aan de orde is geweest.

Tot slot sluit ik mij aan de vraag van de heer Van de Camp, die ik in eerste termijn ook stelde, over de mogelijkheden voor de raadsman van een asielzoeker om een inbreng te hebben in de onderzoeksvraag voor het individueel ambtsbericht. Ik zag de staatssecretaris wel daarop knikken, maar ik weet niet of dat betekent dat de vraag is begrepen of dat het antwoord positief is.

De heer Anker (ChristenUnie): Voorzitter. Ik dank de bewindspersonen voor de duidelijke beantwoording. Ik ben blij dat er direct een gesprek is geweest met de Nationale ombudsman en dat alle kou uit de lucht is. Het is heel goed dat men op die manier communiceert. Dan moeten wij het er niet meer over hebben.

Ik heb nog twee vragen. De eerste vraag is al door de heer Van de Camp gesteld en net ook aangehaald door de heer Van der Staaij: in hoeverre kan de advocaat zijn ideeën aandragen bij het maken van het individuele ambtsbericht?

Mijn tweede vraag gaat over de contra-indicaties. Als ik het goed heb begrepen, kan Buitenlandse Zaken bij tegengestelde berichten zeggen: er zijn berichten die het tegendeel beweren, maar wij weten op dit moment ook niet wat de doorslag moet geven. Dan komt dat bij de IND terecht en die moet daar vervolgens wat mee. Ik heb een samengesteld antwoord gekregen. De minister zegt: soms weten wij ook niet zo goed wat wij ermee aan moeten, dan melden wij beide feiten. De staatssecretaris van Justitie zegt vervolgens: wij moeten wel een beslissing nemen.

Minister Verhagen: U doelt op de algemene ambtsberichten?

De heer Anker (ChristenUnie): Ja.

Staatssecretaris Albayrak: Ik had het over de individuele ambtsberichten.

De heer Anker (ChristenUnie): Wij hebben het laatst in een debat gehad over een kwartje dat een kant op moest vallen. Mijn vraag is welke kant dat dan opvalt. Dat moet wel gemotiveerd worden. Er moet uit die tegengestelde berichten een oordeel komen, hoe dan ook. Mijn indruk was dat dat vaak in de lucht bleef hangen. Kan de staatssecretaris aangeven hoe dat in de praktijk gaat?

De heer Spekman (PvdA): Voorzitter. Ik dank beide bewindspersonen. Het is goed om te horen dat er een stevig gesprek is geweest met president Karzai. Ik denk dat het nodig is, want het succes van ons beleid hangt er ook van af of mensen daadwerkelijk terugkeren.

Het is ook goed om te horen dat er is gesproken met de rechter over de onderzoeksmemoranda en dat die wel werkbaar moeten zijn. Het was voor mij nog niet helemaal duidelijk of dat een standaard format betekent voor die onderzoeksmemoranda.

Eén vertrouwenspersoon is geen vertrouwenspersoon. Dat vind ik toch lastig. Ik begrijp dat ook Buitenlandse Zaken geen ijzer met handen kan breken wat die vertrouwenspersoon betreft. Ik begrijp ook dat je hen niet voor het oprapen hebt in zo’n land. De intentie is goed: indien mogelijk twee. Wij hebben een aantal checks of die vertrouwenspersoon en de medewerkers daarachter wel deugen, maar ik heb zelf nog niet het gevoel dat het een redelijk dicht systeem is waarmee wij corruptie kunnen voorkomen. Ik ben er toch nog wat ongelukkig mee. Ik hoor graag van de minister wat die asieladviesteams gaan doen. Hoe kunnen zij beoordelen of een vertrouwenspersoon en de medewerkers daarachter wel te vertrouwen zijn en of zij eventueel misbruik maken van hun positie en die familie geld aftroggelen om een bepaald advies te geven? De minister zegt dat er mensen gepakt zijn. Ik vind het prettig om dat te horen. Ik zeg het in mijn woorden; ik zie de minister nee schudden: het zijn niet de goede woorden.

Minister Verhagen: Ik zei niet «gepakt». Ik zei: in een aantal gevallen is de samenwerking beëindigd.

De heer Spekman (PvdA): Ik dacht: dat is typisch Buitenlandse Zakentaal voor «gepakt zijn».

Minister Verhagen: Nee, daar hoeft u bij mij niet zo bang voor te zijn.

De heer Spekman (PvdA): Als er niemand gepakt is, ben ik benieuwd of het onderzoek wel adequaat is. Ik kan mij echt niet voorstellen dat mensen niet soms misbruik maken van hun positie. Hoe gedegen het onderzoek ook is, er zijn toch veel mensen die hier een belang bij hebben. In het boek dat gepresenteerd werd, was het toch heel duidelijk dat er in sommige gevallen misbruik werd gemaakt van die positie. Ik kan mij helemaal niet vinden in de titel van het boek, maar ik kijk gewoon naar feiten die erin staan. Ik maak mij daar zorgen over. Wat doet het asieladviesteam daar daadwerkelijk? In hoeveel gevallen zijn er nu al twee of meer bronnen? Kan in die landen die kwetsbaar zijn voor corruptie in gang worden gezet dat er zo snel mogelijk wel meerdere bronnen worden geraadpleegd? Of komt er alvast een interne werkinstructie dat die gezocht worden? Ik snap best dat zij niet vandaag of morgen uit de grond gestampt worden, maar wij moeten er wel naartoe werken dat die informatie goed en adequaat is. Dan kom ik terug bij het begin, want het gaat wel ergens over. Het gaat erover of mensen hier terecht of onterecht blijven. Dat is van levensbelang. Daarom wil ik er meer grip op hebben.

Mevrouw Azough (GroenLinks): Voorzitter. Ik dank de bewindspersonen voor hun antwoorden. Ik begreep niet helemaal wat de heer Spekman bedoelde met zijn opmerking over het pakken van die vertrouwenspersonen. Volgens mij hebt u die bevoegdheid helemaal niet, omdat zij helemaal los moeten staan van onze overheid, in dit geval van onze posten.

De heer Spekman (PvdA): Ik bedoel dat iemand corrupt is en blijkbaar zijn positie gebruikt om de ander geld af te troggelen. Dan moet de band met die persoon verbroken worden en moet dat consequenties hebben voor alle adviezen die hij blijkbaar heeft geschreven.

Mevrouw Azough (GroenLinks): Dat is helder.

Ook ik vraag wat de asieladviesteams precies gaan doen. Op welke punten gaan zij de verbetering die u ook wilt realiseren?

Ik sluit mij aan bij de collega’s die het een goed idee vinden om individuele ambtsberichten te bekijken. Ik ben benieuwd welke selectie u daarop gaat toepassen, zodat wij een rijke schakering aan individuele ambtsberichten kunnen bekijken. In ieder geval is het goed om dat te kunnen doen.

Wat houdt de toezegging om de gelakte onderliggende stukken direct aan de asielzoeker respectievelijk zijn advocaat te sturen precies in? Het is een belangrijke toezegging. Wordt hiermee het probleem dat ik in eerste termijn heb aangekaart, namelijk dat de termijnen soms worden overschreden waardoor de asielzoeker geen faire kans heeft om zijn zienswijze naar voren te brengen, volledig weggenomen? Zal de asielzoeker altijd voldoende tijd hebben, binnen die vier weken, om de informatie uit de gelakte onderliggende stukken in de procedure te gebruiken?

Ik sluit mij aan bij de vragen van de heer Spekman over de vertrouwenspersonen. Ik begrijp zijn vraag nu goed. Het beëindigen van de samenwerking dient inderdaad consequenties te hebben voor de ambtsberichten waarvoor deze vertrouwenspersoon verantwoordelijk is geweest. Wat is daarmee gebeurd?

Ik begrijp best dat dit kabinet niet blij was met het rapport van de Nationale ombudsman. Maar de kritiek die de Nationale ombudsman gaf, waarop de woorden waarop u aansloeg gebaseerd waren, was wel inhoudelijke kritiek. Het gaat erom dat de IND in de regel in hoger beroep gaat als de rechtbank een asielzoeker in het gelijk heeft gesteld, zelfs als de rechtbank oordeelt dat een ambtsbericht niet ten grondslag had mogen liggen aan de beslissing op asiel en dat de IND soms een beslissing neemt zonder de eventuele uitkomsten van een contra-expertise af te wachten. Het is misschien goed om daar nader op te reageren. Die kritiek had ook betrekking op de termijnen waaraan een asielzoeker zich moet houden, maar waardoor hij in de WOB-procedure in de wielen wordt gereden. Dat zijn toch reële kritiekpunten. Ik kan mij voorstellen dat, zoals de Nationale ombudsman stelt, daarmee feitelijk een bestuursorgaan een moeilijke situatie creëert voor de betrokkene. Ik neem aan dat u dat toch ook zo kunt zien, want u geeft in uw reactie aan: het is niet voldoende onderbouwd. Maar dat betekent niet dat het volstrekt niet wordt onderbouwd.

Minister Verhagen: Voorzitter. Er is een aantal keren teruggekomen op de corruptie van de vertrouwenspersoon dan wel van de medewerker. De beschuldigingen die geuit zijn in NOVA en in een of ander boek raken op dit punt kant noch wal. De geuite beschuldiging van corruptie van de medewerker van die vertrouwenspersoon is onderzocht, maar dat heeft geen enkele aanwijzing van corruptie opgeleverd. Overigens is de samenwerking met de vertrouwenspersoon wel opgezegd, maar dat was omdat zijn naam bekend was geworden. Daardoor kon hij niet meer als vertrouwenspersoon optreden, omdat men wist dat hij verbonden was met asielaanvragen in Nederland. Hij kon geen onderzoek meer doen zonder een verband te leggen met Nederland. Dat is de reden, niet corruptie. Ik wil hier klip en klaar stellen dat ons onderzoek geen grond voor die beschuldiging heeft opgeleverd.

In datzelfde boek wordt in zijn algemeenheid gesteld dat er iets niet klopte. Die stelling wordt gehanteerd naar aanleiding van een onderzoekop basis van een bron die je alles kunt noemen behalve neutraal. Die bron was aangeleverd door dezelfde asielzoeker. Het lijkt mij voor de hand te liggen dat die asielzoeker niet iemand aanwijst die een verhaal zal houden dat tegen zijn eigen verhaal ingaat. Wat dat betreft, hoeven wij elkaar niets wijs te maken. Als wij de eisen die wij stellen aan vertrouwenspersonen zouden toepassen op de bron die hier gebruikt was, dan zou deze persoon niet door de check komen. Onze eisen ten aanzien van de bronnen zijn hoger.

Wat doen de asieladviesteams? Laat ik een voorbeeld geven. Als ik toegang moet hebben tot het bevolkingsregister, kan ik twee dingen doen om te bekijken of iemand inderdaad ingeschreven stond. De ambassade kan een verzoek indienen om daartoe toegang te krijgen, maar dat doen wij niet vanwege de link die dan wordt gelegd. Je moet wel iemand hebben die in principe toegang heeft en van wie je zeker kunt weten dat hij niet alleen die informatie kan checken, maar ook jou die informatie wil geven. Dat type vertrouwenspersonen zoek je dus. Dat gebeurt op basis van een jarenlange relatie en ook op basis van de eisen die ik heb genoemd. De asieladviesteams zullen in zijn algemeenheid de werkwijze van de ambassades doorlichten. Zij zullen bij ngo’s, ambassadeurs van derde landen en internationale organisaties checken hoe hun bevindingen zijn ten aanzien van die vertrouwenspersoon om daarmee nader zicht te krijgen. Zij kijken of alle afspraken over het onderzoek goed worden gevolgd. Het is een extra kwaliteitscheck, een doorlichting van zowel de vertrouwenspersoon als de gevolgde werkwijze. Wanneer die kwaliteit niet goed is, zal er geen verder gebruik worden gemaakt van die vertrouwenspersoon. Maar nogmaals, dan komt er ook geen individueel ambtsbericht.

Overigens hecht ik eraan om te vermelden dat, zoals ook de staatssecretaris helder heeft aangegeven, slechts in een beperkt aantal asielzaken sprake is van een individueel ambtsbericht. Het is een dalende trend. Het zijn er uit mijn hoofd nu nog 87. Wij hebben het over een vrij gering aantal. Dat laat echter onverlet dat wij er alles aan moeten doen om de kwaliteit te borgen.

De heer Spekman (PvdA): Ik stel die vragen over de vertrouwenspersoon, omdat ik mij realiseer dat het in potentie een machtige positie is en dat die altijd kwetsbaar is voor dingen die niet goed zijn. Ik spreek mij niet uit over het boek; ik kan niet oordelen wat waar en wat niet waar is. Ik snap alleen de kwetsbaarheid van die positie. U zegt over het asieladviesteam dat de vertrouwenspersoon een extra check krijgt door gebruik te maken van ngo’s, mensen in de omgeving en dergelijke. Hoe vaak gaat dat plaatsvinden? Hoe vaak vindt er opnieuw een check plaats of die vertrouwenspersoon nog functioneert?

Minister Verhagen: Zoals ik in eerste termijn heb gezegd, worden er bij iedere terugrapportage vragen gesteld om de betrouwbaarheid te bezien. Door middel van je vragen bij die rapportage kun je wel degelijk in de gaten hebben: wordt mij hier iets op de mouw gespeld of is deze man inderdaad nog steeds betrouwbaar? Ik pluk niet iemand van de straat. Er komen relatief weinig individuele ambtsberichten tot stand, onder andere omdat dat alleen maar kan als je een vertrouwenspersoon hebt. Juist omdat je hoge kwaliteitseisen stelt aan die vertrouwenspersoon, kan een individueel ambtsbericht niet in alle gevallen tot stand komen. Als Justitie aan Buitenlandse Zaken vraagt om een individueel ambtsbericht, dan kan dat niet in alle gevallen gebeuren. Dan zal dat niet gebruikt kunnen worden in de procesgang of bij de asielaanvraag als zodanig. Alleen als er voldoende waarborgen zijn, zijn wij bereid een individueel ambtsbericht te leveren. Zo eenvoudig is het. Ik ga u hier niet met naam en toenaam zeggen welke vragen wij stellen aan meneer Jansen en hoe wij dat doen, omdat er anders mogelijk twintig meneren Jansen staan.

De heer Spekman (PvdA): Ik vraag ook niet naar meneer Jansen; ik vroeg alleen naar het asieladviesteam. Dat komt langs, in aanvulling ten opzichte van het verleden. Ik probeer nu te proeven bij de minister hoe vaak dat plaatsvindt, dus hoe stevig die check is en wat er extra is ten opzichte van het verleden. Daarop heeft de minister nog geen antwoord gegeven.

Minister Verhagen: Wij doen nu in principe alle landen waar die individuele ambtsberichten tot stand komen. Voor eind 2009 worden zij allemaal een keer bezocht.

Er is gevraagd naar de thematische ambtsberichten. In zijn algemeenheid komen alle ambtsberichten tot stand op verzoek van Justitie. Wij vinden het op zichzelf aardig om behalve naar de toestroom uit een geheel land ook te kijken naar thema’s, analoog aan hetgeen wij eerder hebben besproken over homoseksuelen en christenen in Iran. Het gaat dan niet om een algemeen ambtsbericht over het land, maar je licht een kwetsbare groep er specifiek uit; vandaar de drie categorieën die ik noemde. Dat kan ook een bepaalde tijdwinst met zich brengen wat de rapportage betreft.

Wat de inzage betreft: als je een vinger krijgt, moet je niet de hele hand grijpen. Wacht u dat maar af.

Staatssecretaris Albayrak: Voorzitter. Een individueel ambtsbericht wordt echt alleen opgevraagd als wij op basis van de ons beschikbare gegevens of wegens substantiële twijfel aan de verklaringen niet kunnen beslissen. Wij hebben heel veel gehoord, wij hebben documenten en wij hebben berichten, maar wij weten nog steeds niet of het allemaal klopt; wij denken dat het verifieerbaar moet kunnen zijn via de minister van Buitenlandse Zaken. Dan vragen wij een individueel ambtsbericht aan. Het is zeker niet onnodig en het gebeurt zeker niet in alle gevallen.

De heer De Wit vraagt naar de rechterlijke toets en naar de rol van de rechter-commissaris zoals gesuggereerd door de commissie-Meijers. Ik heb net gezegd dat de brief die u hebt gekregen op die onderdelen geen antwoord geeft. Wij dachten dat wij in de reactie op de ombudsman ook die brief hadden meegenomen. Ik zal er schriftelijk op terugkomen. Ik wil even kijken wat de commissie-Meijers precies over de rol van de rechter-commissaris zegt. Voor dit debat is het wel relevant om iets meer informatie te geven dan de minister en ik al hebben gedaan. Als een asielzoeker de uitkomst van een individueel ambtsbericht in twijfel trekt of vindt dat hij niet alle informatie heeft verkregen waar hij recht op heeft, dan kan hij naar de vreemdelingenrechter met de Algemene wet bestuursrecht in de hand, artikel 8:29. Vervolgens is de rechter bevoegd om alle onderliggende stukken op te vragen bij de minister van Buitenlandse Zaken. De minister is dan verplicht om al die gegevens te overleggen met een uitdrukkelijke motivering waarom de passages die vertrouwelijk en dus weggelakt zijn ook vertrouwelijk moeten blijven. De rechtbank neemt voorafgaand aan de beslissing op de asielaanvraag een aparte beslissing over het beroep door de minister van Buitenlandse Zaken op die vertrouwelijkheid. Er wordt een afweging gemaakt van de door BZ ingeroepen weigeringsgronden en het procesbelang van de asielzoeker. Het kan gebeuren dat de rechter na die belangenafweging de minister van Buitenlandse Zaken alsnog verplicht om delen van die informatie openbaar te maken. Zo is de toets nu. Ik zal u er in reactie op de commissie-Meijers nog schriftelijk op antwoorden, ook op het punt van de special advocates en de strijdigheid met artikel 13 van het EVRM.

Ik ben de heer Van de Camp nog een antwoord schuldig over de rol van de advocaten. Wij zijn aan de slag gegaan om te kijken welke rol wij de advocaten precies kunnen geven in het voorproces. Het betreft het vooroverleg ten behoeve van het opstarten van een individueel onderzoek in het land van herkomst. Wij hebben alle mensen die nota bene op onze uitnodiging hebben deelgenomen aan de expertmeetings goed gehoord; wij hebben die wens ook goed gehoord. Wellicht is het mogelijk, maar wij willen er vooral met de advocaten zelf over in gesprek. Wij zullen dat op korte termijn doen om te kijken of er in dat vooroverleg een rol is weggelegd voor de advocaten en welke rol dat dan precies zou moeten zijn vanuit ieders verantwoordelijkheid in het proces.

Ik kom bij de contra-expertise. Wij hebben aanbeveling zes overgenomen: het wijzen op de mogelijkheid om contra-expertise in te winnen. Het staat de vreemdeling ook uitdrukkelijk vrij om naar aanleiding van ieder onderzoek een contra-expertise te laten uitvoeren. Als informatie later in het proces door de vreemdeling wordt ingebracht, wordt die meegenomen in de beoordeling door de rechter. Er zijn meerdere mogelijkheden om die contra-expertise niet alleen te vragen, maar ook bij het proces te betrekken.

De heer Anker vraagt wat er gebeurt als Buitenlandse Zaken niet tot een oordeel kan komen. De minister zei het al: in het geval van een individueel ambtsbericht komt er helemaal geen ambtsbericht. Dan zullen wij de beslissing op de aanvraag moeten baseren op de ons op dat moment ter beschikking staande gegevens. Als wij in het geval van algemene ambtsberichten niet tot een oordeel kunnen komen, bijvoorbeeld omdat het niet veilig is voor de ambtenaren van Buitenlandse Zaken om heel gericht onderzoek te doen in een bepaald gebied, dan baseren wij ons wederom op de ons op dat moment wel beschikbaar staande gegevens. Bij twijfel krijgt de vreemdeling altijd het voordeel van de twijfel, als het een kwestie van veiligheid is.

Mevrouw Azough vraagt naar de termijnen en naar de kritiek die daarop is gerezen. Het gaat specifiek over aanbeveling drie. De minister heeft al aangegeven dat de werkelijkheid vanaf morgen in die zin verandert dat de stukken voorzien van weggelakte onderdelen met het ambtsbericht worden meegestuurd, dat erop wordt toegezien dat er niet te veel wordt weggelakt en dat het echt vertrouwelijke informatie moet zijn. Dat komt ten goede aan de termijnen. U wees op de interferentie tussen het WOB-verzoek en de tijd die daarmee gemoeid is enerzijds en de termijn voor de zienswijze anderzijds. Die termijn is vastgelegd in de Vreemdelingenwet en die blijft ook. Maar met de praktische verbeteringen die wij nu doorvoeren, komen wij voor een belangrijk deel tegemoet aan de kritiek. Bovendien is de instructie nu dat, zodra het individuele ambtsbericht beschikbaar is, het zo snel mogelijk aan de asielzoeker en de gemachtigde zal worden toegezonden. Via die praktische verbetering zal er meer tijd beschikbaar zijn voor de vreemdeling om zich te beraden op het individuele ambtsbericht.

De minister heeft al geantwoord op de vragen over de thematische berichten. Nogmaals, het gaat echt om de beslispraktijk en de ruimte die ik nodig heb om een goed en zorgvuldig oordeel te kunnen vellen of mensen wel of niet moeten worden toegelaten. Wij gaan daarbij heel gericht te werk, bijvoorbeeld omdat wij groepen hebben aangemerkt als kwetsbaar. De minister noemde homoseksuelen en christenen uit bepaalde landen. Wij hebben ook specifiek beleid voor vrouwen uit Afghanistan en minderjarigen uit sommige landen. Het is denkbaar dat wij weten hoe de situatie in een land is en dat die voor veel mensen veilig is, maar dat een specifieke groep in een specifiek land wel kwetsbaar is. Dat moet je steeds weer actualiseren. Je moet in de diepte verkennen en bekijken of die situatie nog steeds zo is voor die doelgroep om vervolgens een juiste beslissing te kunnen nemen over verblijfsaanvaarding.

Voorzitter. Ik denk dat ik dit keer wel alle vragen heb beantwoord.

De voorzitter: Ik dank de staatssecretaris en de minister hartelijk voor de gegeven antwoorden en de collega’s voor hun inbreng. Wij zien de reactie op de commissie-Meijers met belangstelling tegemoet.

De voorzitter van de vaste commissie voor Justitie,

De Pater-van der Meer

De griffier van de vaste commissie voor Justitie,

Beuker


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van de Camp (CDA), De Wit (SP), Van der Staaij (SGP), Kamp (VVD), Arib (PvdA), ondervoorzitter, De Pater-van der Meer (CDA), voorzitter, Çörüz (CDA), Joldersma (CDA), Gerkens (SP), Van Velzen (SP), Van Vroonhoven-Kok (CDA), Azough (GroenLinks), Timmer (PvdA), Griffith (VVD), Teeven (VVD), Verdonk (Verdonk), De Roon (PVV), Pechtold (D66), Heerts (PvdA), Thieme (PvdD), Kuiken (PvdA), Leijten (SP), Bouwmeester (PvdA), Van Toorenburg (CDA) en Anker (ChristenUnie).

Plv. leden: Sterk (CDA), Langkamp (SP), Van der Vlies (SGP), Weekers (VVD), Smeets (PvdA), Aasted-Madsen-van Stiphout (CDA), Jager (CDA), Jonker (CDA), Roemer (SP), Jan de Vries (CDA), Halsema (GroenLinks), Dijsselbloem (PvdA), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Van Miltenburg (VVD), Zijlstra (VVD), Fritsma (PVV), Koşer Kaya (D66), Gill’ard (PvdA), Ouwehand (PvdD), Spekman (PvdA), Bouchibti (PvdA), Van Haersma Buma (CDA) en Slob (ChristenUnie).

Naar boven