Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum indiening
Tweede Kamer der Staten-Generaal2007-200819637 nr. 1210

19 637
Vreemdelingenbeleid

nr. 1210
MOTIE VAN HET LID ANKER C.S.

Voorgesteld 3 juli 2008

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende, dat het huidige ambtsbericht inzake Iran meldt dat met name tot het christendom bekeerde voormalige moslims een zeker risico lopen en dat de problemen verband kunnen houden met afvalligheid van de islam, dan wel bekeringsactiviteiten;

overwegende, dat asielverzoeken van Iraanse christenasielzoekers op grond daarvan individueel worden beoordeeld waarbij ervan uit wordt gegaan dat Iraaanse christenasielzoekers behoren tot een groep die bijzondere aandacht vraagt en ten aanzien waarvan om die reden minder eisen worden gesteld voor de aannemelijkheid van het individuele asielrelaas;

constaterende, dat ten aanzien van Iraanse vreemdelingen die in Nederland zijn bekeerd tot het christendom echter geldt dat de nieuwe geloofsovertuiging geen zelfstandige grond oplevert voor een asielvergunning;

overwegende, dat het klimaat in Iran voor bekeerde moslims intussen verder is verslechterd blijkens een wetsvoorstel dat is ingediend bij het Iraanse parlement waarin de doodstraf wordt voorgesteld als sanctie op afvalligheid;

overwegende, dat valt te voorzien dat terugkerende in Nederland tot het christendom bekeerde moslims in een zelfde mate problemen zullen ondervinden als in Iran bekeerde moslims;

van mening, dat op basis van voorgaande overwegingen het op dit moment gehanteerde onderscheid tussen Iraanse christenasielzoekers die in Iran dan wel in Nederland zijn bekeerd nauwelijks valt te rechtvaardigen;

verzoekt de regering in Nederland tot het christendom bekeerde Iraanse moslims onder dezelfde voorwaarden als Iraanse christenasielzoekers in aanmerking te laten komen voor een asielvergunning,

en gaat over tot de orde van de dag.

Anker

Van der Staaij

De Wit