19 637
Vreemdelingenbeleid

nr. 1162
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 28 juni 2007

Met deze brief informeer ik uw Kamer over een aantal wijzigingen in het beleid inzake de toetsing van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Als gevolg van jurisprudentie van het Europees Hof van de Rechten van de Mens (EHRM) wordt het volgende op korte termijn in de Vreemdelingencirculaire opgenomen dan wel aangepast:

1. een toetsingskader voor zaken waarin een beroep wordt gedaan op bescherming van het privéleven («private life») in de zin van artikel 8 EVRM;

2. aanpassing van het beleid inzake beoordeling of sprake is van inmenging in het recht op privéleven dan wel familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM bij verblijfsbeëindiging; en

3. de toepassing van artikel 14, eerste lid, onder c, van de Vreemdelingenwet 2000.

Ad 1. Naast een beroep op bescherming van het recht op respect voor het familie- en gezinsleven, wordt in toenemende mate een beroep gedaan op het eveneens door artikel 8 EVRM gegarandeerde recht op respect voor het privéleven. Het begrip privéleven is door het EHRM1 ruim gedefinieerd:«Privéleven is een ruim begrip en leent zich niet voor een uitputtende definitie. Het Hof heeft inmiddels bepaald dat elementen als vereenzelviging met een bepaald geslacht (gender identification), naam, seksuele oriëntatie en seksueel leven belangrijke elementen zijn van de persoonlijke sfeer die door artikel 8 EVRM beschermd worden. Geestelijke gezondheid moet ook gezien worden als een essentieel deel van privéleven in het kader van het aspect morele integriteit. Artikel 8 EVRM beschermt het recht op een identiteit, persoonlijke ontwikkeling en het recht om relaties aan te gaan en te ontwikkelen met andere mensen en de buitenwereld. Het behoud van een geestelijke stabiliteit is in deze context een onontbeerlijke voorwaarde om het recht op respect voor het privéleven effectief te genieten». Wel moet sprake zijn van een substantieel gewicht van de aangegane sociale banden om onder de reikwijdte van artikel 8 EVRM te vallen en voorts moet de vreemdeling een «settled migrant» zijn. Verder is in de (schaarse) zaken waarin het EHRM tot nu toe een schending van het recht op respect van het privéleven heeft aangenomen, altijd sprake van een zeer langdurige legale verblijfsduur1. Gelet op het huidige toetsingskader van het EHRM is de verwachting dat in de Nederlandse praktijk slechts in zeer uitzonderlijke gevallen een geslaagd beroep op bescherming van het hierbedoelde recht op het respect voor privéleven mogelijk is.

Ad 2. In het huidige beleid geldt als uitgangspunt dat geen sprake is van inmenging in het familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM als het verblijf van de vreemdeling wordt beëindigd en de oorspronkelijk verleende verblijfsvergunning niet mede strekt tot het uitoefenen van gezinsleven. De jurisprudentie van het EHRM biedt niet langer voldoende grondslag voor dit uitgangspunt. Inmiddels heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) dit ook in een recente uitspraak van 23 maart 20072 bevestigd. Met het aannemen van inmenging staat evenwel nog geenszins vast dat ook sprake is van een ongerechtvaardigde inmenging en derhalve van een schending van artikel 8 EVRM. Uit jurisprudentie van het EHRM van de laatste jaren blijkt dat doorslaggevend is of, op basis van de vaststaande feiten, een deugdelijke belangenafweging is gemaakt tussen de belangen van de Staat en die van de vreemdeling3. Hierbij hanteert het EHRM nog steeds het uitgangspunt dat artikel 8 EVRM geen algemene verplichting inhoudt om de keuze van migranten te respecteren om in een bepaald land hun gezinsleven uit te oefenen en heeft de Staat een interpretatiemarge bij de te maken belangenafweging.

Ad 3. Artikel 14, eerste lid, onder c, Vw 2000 geeft de bevoegdheid om op aanvraag van de houder of ambtshalve een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd te wijzigen (bijvoorbeeld van arbeid in loondienst in verblijf op grond van artikel 8 EVRM). Op dit moment wordt zeer beperkt gebruik gemaakt van deze bevoegdheid. De maatregel zoals uiteengezet onder punt 2 geeft aanleiding om deze bevoegdheid aan te wenden in de gevallen waarin de verblijfsbeëindiging van vreemdelingen met een reguliere verblijfsstatus in strijd blijkt met artikel 8 EVRM. De vreemdeling hoeft in dat geval dus niet eerst zoals op dit moment een nieuwe aanvraag in te dienen en leges te betalen.

In asielzaken zal, gelet op de strikte waterscheiding in het wettelijke systeem tussen asiel en regulier, overigens wel vereist blijven dat eerst een reguliere aanvraag wordt ingediend, indien een beroep op artikel 8 EVRM wordt gedaan.

De staatssecretaris van Justitie,

N. Albayrak


XNoot
1

Zie EHRM Bensaïd, 6 mei 2001, 44599/98.

XNoot
1

Zie bijv. EHRM Shevanova, 16 juni 2006, 58822/00.

XNoot
2

ABRvS, 23 maart 2007, 200607511/1.

XNoot
3

Zie bijv. EHRM Rodrigues da Silva en Hoogkamer, 31-1-2006, 50435/99.

Naar boven