nr. 1162
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 28 juni 2007
Met deze brief informeer ik uw Kamer over een aantal wijzigingen in het
beleid inzake de toetsing van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van
de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Als gevolg van
jurisprudentie van het Europees Hof van de Rechten van de Mens (EHRM) wordt
het volgende op korte termijn in de Vreemdelingencirculaire opgenomen dan
wel aangepast:
1. een toetsingskader voor zaken waarin een beroep wordt gedaan op bescherming
van het privéleven («private life») in de zin van artikel
8 EVRM;
2. aanpassing van het beleid inzake beoordeling of sprake is van inmenging
in het recht op privéleven dan wel familie- of gezinsleven in de zin
van artikel 8 EVRM bij verblijfsbeëindiging; en
3. de toepassing van artikel 14, eerste lid, onder c, van de Vreemdelingenwet
2000.
Ad 1. Naast een beroep op bescherming van het recht op respect voor het
familie- en gezinsleven, wordt in toenemende mate een beroep gedaan op het
eveneens door artikel 8 EVRM gegarandeerde recht op respect voor het privéleven.
Het begrip privéleven is door het EHRM1
ruim gedefinieerd:«Privéleven is een ruim
begrip en leent zich niet voor een uitputtende definitie. Het Hof heeft inmiddels
bepaald dat elementen als vereenzelviging met een bepaald geslacht (gender
identification), naam, seksuele oriëntatie en seksueel leven belangrijke
elementen zijn van de persoonlijke sfeer die door artikel 8 EVRM beschermd
worden. Geestelijke gezondheid moet ook gezien worden als een essentieel deel
van privéleven in het kader van het aspect morele integriteit. Artikel
8 EVRM beschermt het recht op een identiteit, persoonlijke ontwikkeling en
het recht om relaties aan te gaan en te ontwikkelen met andere mensen en de
buitenwereld. Het behoud van een geestelijke stabiliteit is in deze context
een onontbeerlijke voorwaarde om het recht op respect voor het privéleven
effectief te genieten». Wel moet sprake zijn van een substantieel
gewicht van de aangegane sociale banden om onder de reikwijdte van artikel
8 EVRM te vallen en voorts moet de vreemdeling een «settled migrant»
zijn. Verder is in de (schaarse) zaken waarin het EHRM tot nu
toe een schending van het recht op respect van het privéleven heeft
aangenomen, altijd sprake van een zeer langdurige legale verblijfsduur1. Gelet op het huidige toetsingskader van het EHRM is
de verwachting dat in de Nederlandse praktijk slechts in zeer uitzonderlijke
gevallen een geslaagd beroep op bescherming van het hierbedoelde recht op
het respect voor privéleven mogelijk is.
Ad 2. In het huidige beleid geldt als uitgangspunt dat geen sprake is
van inmenging in het familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM
als het verblijf van de vreemdeling wordt beëindigd en de oorspronkelijk
verleende verblijfsvergunning niet mede strekt tot het uitoefenen van gezinsleven.
De jurisprudentie van het EHRM biedt niet langer voldoende grondslag voor
dit uitgangspunt. Inmiddels heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad
van State (ABRvS) dit ook in een recente uitspraak van 23 maart 20072 bevestigd. Met het aannemen van inmenging staat evenwel
nog geenszins vast dat ook sprake is van een ongerechtvaardigde inmenging
en derhalve van een schending van artikel 8 EVRM. Uit jurisprudentie van het
EHRM van de laatste jaren blijkt dat doorslaggevend is of, op basis van de
vaststaande feiten, een deugdelijke belangenafweging is gemaakt tussen de
belangen van de Staat en die van de vreemdeling3.
Hierbij hanteert het EHRM nog steeds het uitgangspunt dat artikel 8 EVRM geen
algemene verplichting inhoudt om de keuze van migranten te respecteren om
in een bepaald land hun gezinsleven uit te oefenen en heeft de Staat een interpretatiemarge
bij de te maken belangenafweging.
Ad 3. Artikel 14, eerste lid, onder c, Vw 2000 geeft de bevoegdheid om
op aanvraag van de houder of ambtshalve een verblijfsvergunning voor bepaalde
tijd te wijzigen (bijvoorbeeld van arbeid in loondienst in verblijf op grond
van artikel 8 EVRM). Op dit moment wordt zeer beperkt gebruik gemaakt van
deze bevoegdheid. De maatregel zoals uiteengezet onder punt 2 geeft aanleiding
om deze bevoegdheid aan te wenden in de gevallen waarin de verblijfsbeëindiging
van vreemdelingen met een reguliere verblijfsstatus in strijd blijkt met artikel
8 EVRM. De vreemdeling hoeft in dat geval dus niet eerst zoals op dit moment
een nieuwe aanvraag in te dienen en leges te betalen.
In asielzaken zal, gelet op de strikte waterscheiding in het wettelijke
systeem tussen asiel en regulier, overigens wel vereist blijven dat eerst
een reguliere aanvraag wordt ingediend, indien een beroep op artikel 8 EVRM
wordt gedaan.
De staatssecretaris van Justitie,
N. Albayrak
XNoot
1Zie EHRM Bensaïd, 6 mei 2001, 44599/98.
XNoot
1Zie bijv. EHRM Shevanova, 16 juni 2006, 58822/00.
XNoot
2ABRvS, 23 maart 2007, 200607511/1.
XNoot
3Zie bijv. EHRM Rodrigues da Silva en Hoogkamer, 31-1-2006, 50435/99.