nr. 76
BRIEF VAN DE MINISTER VAN VERKEER EN WATERSTAAT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 13 november 2001
Bij deze wil ik U gaarne informeren over de stand van zaken inzake de
oplossing van mijn geschil met de N.V. Nederlandse Spoorwegen over de subsidie
ten behoeve van de bouw van de Schipholtunnel.
Bij brief van 30 oktober 2000 (kenmerk CDJZ/BVW/2000/1298a) heb ik U in
afschrift doen toekomen mijn beschikking van dezelfde datum aan de N.V. Nederlandse
Spoorwegen. In die beschikking heb ik de eerder verleende voorlopige subsidie
ten behoeve van de uitbreiding railinfrastructuur Schipholtunnel verlaagd
met een bedrag van f 65 miljoen. Naar mijn mening had de N.V. Nederlandse
Spoorwegen haar rol als opdrachtgever beter dienen uit te oefenen, gelet op
de bovenmatige winsten van de betrokken aannemers en mede gelet op de gepleegde
onregelmatigheden.
Tegen deze beschikking heeft de N.V. Nederlandse Spoorwegen een bezwaarschrift
en een aanvullend bezwaarschrift ingediend. Daarin brengt de NS naar voren
dat, zoals ook KPMG Forensic Accountants in haar rapport heeft geconcludeerd,
de geconstateerde onregelmatigheden niet tot benadeling van haar als opdrachtgever
hebben geleid. Gelet op de hoogte van de door de aannemers behaalde winst,
heeft de NS – hoewel daarvoor volgens de NS geen rechtsgronden zijn –
zich bereid verklaard tot een gedeeltelijke terugbetaling van de voorlopige
subsidie.
Alles afwegende blijf ik van mening dat een verlaging van de subsidie
juist is, maar dat het bedrag gewijzigd dient te worden in f 50 miljoen.
Gelet op de Algemene wet bestuursrecht heb ik in mijn beslissing op het
bezwaarschrift aan de N.V. Nederlandse Spoorwegen dan ook de eerdere verleende
subsidie verlaagd met een bedrag van f 50 miljoen.
De N.V. Nederlandse Spoorwegen heeft toegezegd dat zij geen beroep bij
de bestuursrechter zal instellen tegen deze beslissing en dat het bedoelde
bedrag binnen drie weken na heden aan mij wordt terugbetaald.
Voor wat betreft de strafrechtelijke kant van deze zaak kan ik U berichten
dat het Openbaar Ministerie (OM) geen verdere strafrechtelijke vervolging
tegen betrokken aannemers instelt. Terzake is een schikking getroffen bestaande
uit het betalen door de aannemers van een bedrag aan het OM. Daarbij neemt
het OM in overweging dat de aannemers tevens een bedrag terug betalen aan
de N.V. Nederlandse Spoorwegen.
In deze zaak is er sprake van drie nauw samenhangende sporen, te weten
de publiekrechtelijke verhouding tussen Verkeer en Waterstaat en de Nederlandse
Spoorwegen, de civielrechtelijke verhouding tussen de Nederlandse Spoorwegen
en de aannemers en het strafrechtelijke traject ten opzichte van de aannemers
onder verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie.
Deze complexiteit is de reden van de lange duur alvorens tot een definitieve
afronding gekomen kon worden. De samenhang maakt dat over de verschillende
sporen niet los van elkaar besloten kon worden. Aangezien eerst op 12 november
jl. de overeenstemming over de schikking tussen openbaar ministerie en de
aannemers definitief geworden is, kon de al eerdere overeenstemming in de
twee andere sporen nog niet geëffectueerd worden. Nu het pakket compleet
is, kan tot een definitieve afronding gekomen worden.
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
T. Netelenbos