Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2018-201917050 nr. 568

17 050 Misbruik en oneigenlijk gebruik op het gebied van belastingen, sociale zekerheid en subsidies

Nr. 568 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 6 februari 2019

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de brief van 22 oktober 2018 over toezeggingen gedaan tijdens het debat over uitkeringsfraude met de WW door arbeidsmigranten op 11 oktober 2018 (Kamerstuk 17 050, nr. 565).

De vragen en opmerkingen zijn op 20 december 2018 aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voorgelegd. Bij brief van 1 februari 2019 zijn de vragen beantwoord.

De voorzitter van de commissie, Rog

Adjunct-griffier van de commissie, Sjerp

Inhoudsopgave

I.

Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

2

II.

Reactie van de Minister

5

I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie

De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de schriftelijke beantwoording van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, alsmede zijn gedane toezeggingen tijdens het debat van 11 oktober 2018, en maken de wens kenbaar hier enkele kritische vragen over te stellen.

Uitkeringsfraude is een klap in het gezicht van hardwerkende Nederlanders en moet streng maar rechtvaardig worden aangepakt. De regering pakt naar de mening van deze leden helaas niet door bij de aanpak van uitkeringsfraude door arbeidsmigranten. Hierdoor loopt het vertrouwen in de sociale zekerheid bij veel mensen een deuk op. Dit is funest voor de houdbaarheid van onze verzorgingsstaat en moet worden hersteld.

Is de Minister bereid ervoor te zorgen dat buitenlandse uitkeringsfraudeurs worden opgepakt, zij het fraudebedrag tot de laatste cent terugbetalen plus bestuurlijke boete? Dat er eventueel beslag wordt gelegd op bezittingen in binnen- en buitenland, de fraudeurs na betaling het land worden uitgezet en voor het leven worden uitgesloten van de Nederlandse sociale zekerheid?

Is de Minister bereid het aantal arbeidsmigranten en daarmee de kans op fraude met onze sociale zekerheid te beperken door tewerkstellingsvergunningen in te voeren?

Is de Minister daarnaast bereid ervoor te zorgen dat op geen enkele manier Nederlandse wetgeving zal worden aangepast of Europese regelgeving zal worden geïmplementeerd waardoor een arbeidsmigrant na 1 dag werken in Nederland direct recht krijgt op Nederlandse WW?

Is de Minister voorts bereid betrokken bestuurders van het UWV-debacle waarbij arbeidsmigranten massaal uitkeringsfraude konden plegen alsnog ter verantwoording te roepen en indien nog betrokken bij het UWV direct te ontslaan?

Is de Minister tenslotte bereid ervoor te zorgen dat het ministerssalaris van de heer Bruins (die bij UWV verantwoordelijk was voor het jarenlang wegkijken waardoor arbeidsmigranten massaal fraude konden plegen met de WW) minimaal te halveren?

Tot slot stellen vragen de leden van de PVV-fractie hoe het staat met de uitvoering van de aangenomen motie van het lid De Jong (Kamerstuk 17 050, nr. 557) welke de regering verzoekt ervoor te zorgen dat bij de aanvraag van een WW-uitkering standaard gecontroleerd wordt of de aanvrager recht heeft op een WW-uitkering.

Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie

De leden van de D66-fractie hebben nog enkele vragen over de toezeggingen die zijn gedaan tijdens het debat over uitkeringsfraude met de WW door arbeidsmigranten. Zij vragen of bij het breed extern onderzoek naar misbruikrisico’s ook de mogelijke rol van werkgevers in specifieke sectoren wordt meegenomen, zoals in de uitzendsector. Daarnaast vragen genoemde leden of bij het onderzoek naar capaciteit voor handhaving bij het UWV ook zal worden gekeken naar de mogelijkheid van een businesscase voor extra handhaving en wanneer deze resultaten kunnen worden verwacht.

Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie

De leden van de SP-fractie hebben de volgende vragen en opmerkingen naar aanleiding van de brief van de Minister van 22 oktober 2018.

Naar aanleiding van de motie Jasper van Dijk. De leden van de SP-fractie vragen in welke mate het «plaatsen in historisch perspectief» van het leidend maken van de BRP invloed heeft op de uitvoering van de aangenomen motie van het lid Jasper van Dijk (SP), waarbij gevraagd wordt om volledig over te gaan op de BRP (Kamerstuk 17 050, nr. 550).

Naar aanleiding van de registratie van tussenpersonen. Genoemde leden vragen of in het kader van de registratie van tussenpersonen er ook gekeken kan worden naar de mogelijkheid en effecten van het in het geheel niet toestaan van tussenpersonen en alleen het (blijven) toestaan van ondersteuning van de aanvrager.

Naar aanleiding van verwijtbaarheid werkloosheid. Deze leden vragen of niet alleen de informatie uit het systeem van het UWV betrokken wordt om verwijtbaarheid te controleren, maar ook het verifiëren daarvan bij de werkgever.

Naar aanleiding van de cultuur bij het UWV. De leden van de SP-fractie vragen of bij het cultuuronderzoek niet alleen gekeken wordt naar een relatie tussen de cultuur en de WW fraude, maar direct ook breder naar de cultuur en welke effecten de interne cultuur heeft op de dienstverlening va het UWV in algemene zin.

Naar aanleiding van de verkeerde prikkels uitzendbranche. Is de Minister bereid om zowel een feitenonderzoek te doen naar de relatie van contractduur en -soort en WW fraude, als ook een kwalitatief onderzoek op basis van interviews naar beweegredenen onder zowel intercedenten als werknemers?

Vragen en opmerkingen van de leden van de 50PLUS-fractie

De leden van de 50PLUS-fractie hebben naar aanleiding van de brief van de Minister van 22 oktober 2018 de volgende vragen en opmerkingen

  • 1. Tot en met 2008 waren er slechts 485 Polen ingestroomd in de WW. Dat aantal is in de jaren daarna fors toegenomen. Is dat ook het geval bij arbeidsmigranten van andere Europese nationaliteiten? Kan een overzicht worden gegeven van de ontwikkeling van het aantal WW-uitkeringen aan arbeidsmigranten, naar nationaliteit, per jaar, in de jaren 2008–2018?

  • 2. Over de periode 2011–2018 is € 2,4 miljoen teruggevorderd aan WW-fraude door arbeidsmigranten. Het gaat om 692 terugvorderingen. Er was in dezelfde periode sprake van 1015 boetes. Hoeveel WW-fraude gevallen door arbeidsmigranten (2008- 2018) zijn er in totaal bekend over deze periode, welk bedrag was hiermee gemoeid (uitkering en boete) en hoe hoog ligt het invorderingspercentage bij deze specifieke WW-fraude door arbeidsmigranten?

  • 3. De directie handhaving binnen UWV, belast met het opsporen van fraude en het onderzoeken van fraudesignalen heeft in 2017 een capaciteit van 400 fte. Hoeveel terugvordering en boete ter zake van WW-fraude heeft deze inzet in dat jaar opgeleverd? Kan een overzicht worden gegeven worden, per jaar – over terugvorderingen en boetes (bedrag per jaar) over de jaren 2008–2018, alsmede – per jaar – het hiervoor beschikbare aantal fte’s, specifiek belast met onderzoeken van fraudesignalen en het opsporen van fraude met WW-uitkeringen?

  • 4. Jaarlijks worden keuzes gemaakt over het zo efficiënt en effectief mogelijk inzetten van beschikbare handhavingscapaciteit. Het totaal teruggevorderde bedrag (uitkering en boete) aan WW-fraude door arbeidsmigranten in de periode 2011–2018 bedraagt € 2,4 miljoen. Is bekend hoeveel fte’s zijn ingezet voor het bereiken van dit resultaat? Kan er een uitspraak worden gedaan over de effectiviteit van de handhaving voor wat betreft deze specifieke vorm van WW-fraude?

  • 5. Kan er een uitspraak worden gedaan over de effectiviteit van de handhavingsinspanning (relatie fte-inzet en resultaat van opsporing en boete-oplegging en invordering) ten aanzien van WW-fraude in totaal?

  • 6. Wordt WW- en bijstandsfraude door mensen die in Nederland zijn / Nederlander zijn beter en effectiever opgespoord en met meer succes vervolgd dan fraude door arbeidsmigranten?

  • 7. Vragen over het melden van fraude door het UWV aan het Openbaar Ministerie:

    • Welke soort fraudezaken meldt het UWV aan het Openbaar Ministerie?

    • Gebeurt het melden van fraude op systematische wijze door het UWV, bijvoorbeeld aan de hand van werkafspraken of een protocol?

    • Hoeveel fraudezaken meldt het UWV jaarlijks bij het Openbaar Ministerie, in de periode van de afgelopen vijf jaar? Graag een uitsplitsing naar meldingen van fraude van meer dan 50.000 euro, meldingen van georganiseerde fraude en eventueel overige te onderscheiden categorieën.

    • Betreft het ook meldingen vanuit het UWV over tussenpersonen die verdacht worden van georganiseerde fraude? Zo ja, hoe vaak gebeurde dat de afgelopen vijf jaar? Zo nee, waarom niet?

  • 8. De Minister meldde bij het debat van 11 oktober jl. dat met het Openbaar Ministerie besloten is dat buitengewoon opsporingsambtenaren van het UWV zelf bij het vermoeden van het aannemen van een valse identiteit een strafrechtelijk onderzoek kunnen gaan doen.

    • Welke afspraken zijn precies gemaakt tussen het Openbaar Ministerie en het UWV? Welke soort activiteiten gaan de buitengewoon opsporingsambtenaren van het UWV uitvoeren? Is er sprake van een overheveling van taken van het Openbaar Ministerie naar het UWV?

    • Op grond van welke overwegingen zijn deze afspraken gemaakt?

    • Op grond van welke regelgeving gaat het UWV naast bestuursrechtelijke aanpak, nu strafrechtelijk onderzoek doen?

  • 9. Is er sprake van internationale opsporing bij internationale uitkeringsfraude? Met welke internationale (opsporings)organisaties wordt er samengewerkt door het UWV en Openbaar Ministerie?

  • 10. Kan er een vergelijkende beschrijving worden gegeven van de internationale opsporing bij toeslagenfraude en de internationale opsporing van uitkeringsfraude?

  • 11. Wordt verwacht dat het aangenomen voorstel van het Europees Parlement om voor EU-werknemers een recht op uitkering te geven na één dag werken, zal leiden tot toenemend «uitkeringstoerisme», en WW-fraude door arbeidsmigranten juist weer in de hand kan gaan werken? Zal de regering blijven inzetten op een «wachttijd» van bij voorkeur zes maanden? Welke mogelijkheden ziet de regering nog om dit doel te bereiken of in ieder geval dit streven kracht bij te blijven zetten?

  • 12. Tijdens het plenaire debat van 11 oktober jl. sprak de Minister over de aansturingsrelatie tussen het UWV en het Ministerie van SZW. In de brief van 22 oktober jl. van de Minister van SZW komen de verbeteringen in de sturingsrelatie, niet meer aan de orde, met uitzondering van de opmerking over een betere informatievoorziening in een jaarlijkse signalenbrief.

    • Kan de Minister de huidige sturingsrelatie beschrijven?

    • Kan de Minister aangeven op welke punten de sturingsrelatie is en wordt aangepast?

    • Kan de Minister aangeven welke verbeteringen dat op zal leveren in de aansturing van het UWV, naast de genoemde betere informatievoorziening aan de Kamer?

    • Uit de evaluatie van de Kaderwet ZBO van mei 2018 bleek dat er enige huiver is om «in termen van «sturing», «eigenaarschap» en «opdrachtgeverschap» over de aansturing van zbo’s te spreken omdat dit afbreuk zou kunnen doen aan de zelfstandigheid die aan zbo’s eigen is.» Geldt dit ook voor de aansturing van het UWV? Kan de Minister aangeven hoe volgens hem de ideale aansturingsrelatie met het UWV eruit ziet?

  • 13. Kan een overzicht worden geven hoe vaak het Openbaar Ministerie wel en hoe vaak niet tot strafrechtelijke vervolging is overgegaan bij het vermoeden van fraude op grond van de Aanwijzing sociale zekerheidsfraude? Kunnen deze gegevens per jaar over periode van de afgelopen vijf jaar, worden uitgesplitst naar soort fraude.

  • 14. Klopt het dat het Openbaar Ministerie op grond van de Aanwijzing sociale zekerheidsfraude geen tussenpersonen vervolgt voor fraude? Zo ja, hoe vaak gebeurde dat de afgelopen vijf jaar? Zo nee, waarom niet?

  • 15. Klopt het dat het Openbaar Ministerie tussenpersonen kan vervolgen op verdenking van bijvoorbeeld valsheid in geschrifte en/of oplichting? Zo ja, hoe vaak worden tussenpersonen vervolgd door het Openbaar Ministerie, buiten de Aanwijzing sociale zekerheidsfraude?

II. Reactie van de Minister

Vragen van de Leden van de PVV-fractie

Vraag 1

Is de Minister bereid ervoor te zorgen dat buitenlandse uitkeringsfraudeurs worden opgepakt, zij het fraudebedrag tot de laatste cent terugbetalen plus bestuurlijke boete? Dat er eventueel beslag wordt gelegd op bezittingen in binnen- en buitenland, de fraudeurs na betaling het land worden uitgezet en voor het leven worden uitgesloten van de Nederlandse sociale zekerheid?

Antwoord:

UWV zet verschillende instrumenten in om teveel ontvangen uitkeringen terug te vorderen. Hoe dat in zijn werk gaat, specifiek in het geval van arbeidsmigranten, beschrijf ik in mijn brief aan Uw Kamer over de stand van zaken van de aangekondigde maatregelen naar aanleiding van de WW-fraude. Fraudeurs die hun boete en vordering hebben terugbetaald, worden niet uitgezet. Het is niet mogelijk om het verblijfsrecht van EU-burgers om de reden van uitkeringsfraude in te trekken. Ook bestaat er geen mogelijkheid om hen uit te sluiten van de Nederlandse sociale zekerheid. Wel is het zo dat eventueel openstaande vorderingen verrekend worden met een nieuwe uitkering. Betrokkene krijgt dan dus effectief geen uitkering.

Vraag 2

Is de Minister bereid het aantal arbeidsmigranten en daarmee de kans op fraude met onze sociale zekerheid te beperken door tewerkstellingsvergunningen in te voeren?

Antwoord

Tewerkstellingsvergunningen zijn verplicht voor werknemers uit derde landen. Arbeidsmigranten uit EU-lidstaten en uit de Europese Economische Ruimte maken gebruik van het recht om zonder werkvergunning in een ander EU-land te werken. Het instellen van tewerkstellingsvergunningen bij EU-burgers dan ook niet mogelijk. Het is daarmee ook geen instrument om mogelijke fraude tegen te gaan.

Vraag 3

Is de Minister daarnaast bereid ervoor te zorgen dat op geen enkele manier Nederlandse wetgeving zal worden aangepast of Europese regelgeving zal worden geïmplementeerd waardoor een arbeidsmigrant na 1 dag werken in Nederland direct recht krijgt op Nederlandse WW?

Antwoord

Verordening (EG) nr. 883/2004 (hierna: de Verordening) coördineert de sociale zekerheidsstelsels van de lidstaten. Een van de uitgangspunten in deze Verordening is dat lidstaten bij de vaststelling van het recht op uitkering rekening houden met verzekeringstijdvakken die de betrokkene in andere lidstaten heeft vervuld. Op dit moment geldt er geen wachttijd voordat buitenlandse tijdvakken van verzekering kunnen worden samengeteld. Er is nu dus al Europese wetgeving in werking die ervoor zorgt dat tijdvakken moeten worden samengeteld na één dag werken.

Ik vind het belangrijk dat de werkloze een band heeft met de lidstaat waar hij of zij de uitkering aanvraagt. Overeenkomstig de afspraak in het regeerakkoord heb ik tijdens de onderhandelingen over de herziening van de Verordening daarom ingezet op de invoering van een «wachttijd» van zes maanden voordat buitenlandse tijdvakken worden samengeteld bij de aanvraag van een werkloosheidsuitkering. Nederland had hierin echter een geïsoleerde positie. Uiteindelijk heeft de Raad van Ministers een akkoord bereikt over de invoering van de wachttijd van één maand. Het Europees Parlement (EP) heeft op 11 december 2018 een standpunt uitgebracht over de herziening van de Verordening. Het EP wil vasthouden aan de huidige regeling zonder wachttijd. In de trilogen blijf ik mij inzetten voor de invoering van een wachttijd. Tot nu toe was het krachtenveld echter niet gunstig voor Nederland.

Vraag 4

Is de Minister voorts bereid betrokken bestuurders van UWV-debacle waarbij arbeidsmigranten massaal uitkeringsfraude konden plegen alsnog ter verantwoording te roepen en indien nog betrokken bij UWV direct te ontslaan?

Vraag 5

Is de Minister tenslotte bereid ervoor te zorgen dat het ministerssalaris van de heer Bruins (die bij UWV verantwoordelijk was voor het jarenlang wegkijken waardoor arbeidsmigranten massaal fraude konden plegen met de WW) minimaal te halveren?

Antwoord 4 en 5

Zoals aangegeven in mijn brief van 1 oktober 20181 heb ik uitgebreid gesproken met de huidige bestuursvoorzitter over fraude rond de WW. Deze gesprekken waren gericht op nadere verheldering van de problematiek en het maken van concrete afspraken over intensivering van de fraudeaanpak. De fraude met WW-uitkeringen heeft terugkijkend niet de benodigde urgentie gehad, maar dit maakt niet dat ontslag van het bestuur aan de orde is.

Vraag 6

Tot slot stellen vragen de leden van de PVV-fractie hoe het staat met de uitvoering van de aangenomen motie van het lid De Jong (Kamerstuk 17 050, nr. 557) welke de regering verzoekt ervoor te zorgen dat bij de aanvraag van een WW-uitkering standaard gecontroleerd wordt of de aanvrager recht heeft op een WW-uitkering.

Antwoord

In mijn brief van 10 oktober 20182 ben ik ingegaan op de wijze waarop UWV controleert of er recht bestaat op een WW-uitkering. Daarin, alsmede in het debat met uw Kamer van 11 oktober 2018 (Handelingen II 2018/19, nr. 12, item 9), heb ik aangegeven dat er scherper moet worden gecontroleerd op verwijtbare werkloosheid. Daartoe heeft UWV een pilot met uitzendbureaus opgezet, waarin bij werkgevers informatie wordt opgevraagd over de verwijtbaarheid van de werkloosheid, en ontwikkelt UWV risicoprofielen waarin ook verwijtbare werkloosheid wordt meegenomen. Naar aanleiding van de uitkomsten van de pilot zal ik samen met UWV bekijken hoe de werkwijze van de pilot breder toegepast kan worden in de gehele uitvoeringspraktijk van UWV, mede in samenhang met de risicoprofielen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie

Vraag 1

De leden van D66 vragen of bij het breed extern onderzoek naar misbruikrisico’s ook de mogelijke rol van werkgevers in specifieke sectoren wordt meegenomen, zoals in de uitzendsector.

Antwoord

In het externe onderzoek naar misbruikrisico’s worden de misbruikrisico’s bij de uitvoering van de WW door UWV onderzocht. De werkwijze van werkgevers in specifieke sectoren valt als zodanig niet onder de scope van dat onderzoek. In 2020 wordt artikel 1 (arbeidsmarkt) van de SZW-begroting geëvalueerd. Ik ben voornemens om hierbij ook het uitzendregime (BW en Waadi) te evalueren. Er wordt nog gewerkt aan een precieze uitwerking van dit onderzoek. Hierbij zullen de vragen van uw Kamer over eventuele draaideurconstructies, waarover de leden Jasper van Dijk (SP), Van Weyenberg (D66) en Pieter Heerma (CDA) schriftelijke vragen hebben gesteld en waarop ik de antwoorden tegelijk met deze beantwoording aan uw Kamer zendt, worden meegenomen. Over de uitwerking van het onderzoek zal ik uw Kamer deze zomer nader informeren.

Vraag 2

Daarnaast vragen genoemde leden of bij het onderzoek naar capaciteit voor handhaving bij UWV ook zal worden gekeken naar de mogelijkheid van een businesscase voor extra handhaving en wanneer deze resultaten kunnen worden verwacht.

Antwoord

Adequaat blijven reageren is van belang om de risico’s op fraude te onderkennen en maatregelen te nemen om dit tegen te gaan. Ik heb daarom in oktober aangegeven een breed extern onderzoek te laten verrichten naar de misbruikrisico’s bij UWV. De risico’s kennen is echter niet voldoende om de juiste risico’s op een effectieve manier aan te pakken.

In mijn brief over de voortgang van de maatregelen WW-fraude die ik gelijktijdig met deze antwoorden aan uw Kamer zend, heb ik aangegeven een afwegingskader te ontwikkelen. Dit kader verschaft inzicht op grond waarvan afwegingen zichtbaar kunnen worden gemaakt voor de inzet van middelen en of deze middelen toereikend (zullen) zijn. De ontwikkeling van dit afwegingskader en de implementatie zullen naar verwachting eind dit jaar zijn afgerond.

Het onderzoek naar misbruikrisico’s en het afwegingskader vormen de basis voor verder inzicht in en vormgeven aan de benodigde middelen en capaciteit voor handhaving.

Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie

Vraag 1

Naar aanleiding van de motie Jasper van Dijk. De leden van de SP-fractie vragen in welke mate het «plaatsen in historisch perspectief» van het leidend maken van de BRP invloed heeft op de uitvoering van de aangenomen motie van het lid Jasper van Dijk (SP), waarbij gevraagd wordt om volledig over te gaan op de BRP (Kamerstuk 17 050, nr. 550).

Antwoord

In mijn brief over uitkeringsfraude WW die ik gelijktijdig met deze antwoorden aan uw Kamer zal sturen, licht ik toe hoe de motie van het lid van Dijk (SP) ten aanzien van het leidend maken van de BRP, wordt vormgegeven. Op verzoek van uw Kamer (lid Heerma – CDA) plaats ik het gebruik van de BRP door UWV in een historische context. Zie hiervoor ook de brief van 22 oktober 20183 met het overzicht van toezeggingen naar aanleiding van het debat uitkeringsfraude door arbeidsmigranten. Beide onderwerpen, zowel de invulling van de motie als het historisch perspectief op gebruik van de BRP door UWV, komen dus aan bod.

Vraag 2

Naar aanleiding van de registratie van tussenpersonen. Genoemde leden vragen of in het kader van de registratie van tussenpersonen er ook gekeken kan worden naar de mogelijkheid en effecten van het in het geheel niet toestaan van tussenpersonen en alleen het (blijven) toestaan van ondersteuning van de aanvrager.

Antwoord

Een uitkeringsgerechtigde mag zich op grond van de Algemene Wet Bestuursrecht laten bijstaan of door een gemachtigde laten vertegenwoordigen. Tussenpersonen vervullen voor een deel van de uitkeringsgerechtigden een belangrijke rol. Tussenpersonen worden bijvoorbeeld ingeschakeld omdat mensen niet in staat zijn om zelf dit soort zaken te regelen, omdat ze niet digi-vaardig zijn of de Nederlandse taal niet voldoende beheersen. Een tussenpersoon kan een familielid zijn, een vriend, administratiekantoor of de vakbond, die al dan niet tegen een vergoeding bijstand verlenen. Hierbij is een onderscheid te maken naar een tussenpersoon die rechtshandelingen (bijvoorbeeld het opsturen van het inkomensformulier) verricht namens de betrokkene en de tussenpersoon die de betrokkene enkel bijstaat en niet dergelijke handelingen verricht (bijvoorbeeld een familielid dat als tolk fungeert). Voor het doen van een rechtshandeling namens een ander is een machtiging vereist.

Het is daarom ook niet wenselijk om tussenpersonen niet toe te staan of te beperken tot het ondersteunen van de aanvrager.

UWV werkt aan registratie van tussenpersonen, zodat UWV meer grip krijgt op die tussenpersonen. Deze registratie kan helpen om bonafide tussenpersonen van malafide te onderscheiden. Iemand die een uitkering wil aanvragen door middel van een papieren formulier moet zich melden bij een UWV-kantoor. Indien deze persoon zich laat vergezellen door een tussenpersoon zal UWV, naast de gegevens van de aanvrager, ook de gegevens van deze tussenpersonen registeren. Periodiek zal UWV de registratie van deze gegevens van tussenpersonen vergelijken en indien daartoe aanleiding bestaat, onderzoek doen.

Vraag 3

Naar aanleiding van verwijtbaarheid werkloosheid. Deze leden vragen of niet alleen de informatie uit het systeem van UWV betrokken wordt om verwijtbaarheid te controleren, maar ook het verifiëren daarvan bij de werkgever.

Antwoord

In het kader van de pilot met uitzendbureaus wordt actief informatie uitgevraagd bij werkgevers over de reden van beëindiging van een uitzenddienstverband, naast de informatie die standaard al bij ex-uitzendkrachten wordt uitgevraagd. Als de antwoorden van het uitzendbureau en de ex-uitzendkracht elkaar tegenspreken, doet UWV verder onderzoek. Bij de evaluatie van de pilot wordt beoordeeld in hoeverre dit een effectief instrument biedt om te achterhalen of iemand verwijtbaar werkloos is. Ook wordt gekeken naar de gevolgen voor en ervaringen met de werkwijze bij zowel de uitvoering als werkgevers. Dit biedt de basis voor verdere besluitvorming in hoeverre dit breder toegepast kan worden in de gehele uitvoeringspraktijk van UWV.

Vraag 4

Naar aanleiding van de cultuur bij UWV. De leden van de SP-fractie vragen of bij het cultuuronderzoek niet alleen gekeken wordt naar een relatie tussen de cultuur en de WW fraude, maar direct ook breder naar de cultuur en welke effecten de interne cultuur heeft op de dienstverlening van UWV in algemene zin.

Antwoord

Voor het lopende cultuuronderzoek is gekozen voor een primaire focus op WW-fraude. Deze afbakening wordt door onderzoekers en de begeleidingscommissie gezien als noodzakelijk ten behoeve van de zeggingskracht en bruikbaarheid van de resultaten van het onderzoek, maar is tevens gebaseerd op het feit dat hier zorgen over zijn gerezen. Cultuur binnen UWV in bredere zin heeft de aandacht van de accountantsdienst van UWV die dit als thema voor intern audit onderzoek voor 2019 heeft opgenomen in haar jaarplan.

Vraag 5

Naar aanleiding van de verkeerde prikkels uitzendbranche. Is de Minister bereid om zowel een feitenonderzoek te doen naar de relatie van contractduur en -soort en WW-fraude, als ook een kwalitatief onderzoek op basis van interviews naar beweegredenen onder zowel intercedenten als werknemers?

Antwoord

In de aanpak van de WW-fraude wordt via een pilot ingezet op de aanpak van WW-uitkeringen bij verwijtbare werkloosheid in de uitzendbranche. Daarnaast zullen eventuele draaideurconstructies in de uitzendbranche worden meegenomen in de beleidsevaluatie van artikel 1 (arbeidsmarkt) van de SZW-begroting en zet de uitzendbranche zelf in op het beperken van prikkels tot draaideurconstructies. In de brief over de voortgang van de aanpak van de WW-fraude en de antwoorden op schriftelijke vragen van de leden Jasper van Dijk (SP), Van Weyenberg (D66) en Pieter Heerma (CDA) ga ik daar verder op in. Naar mijn oordeel wordt daarmee de rol van uitzendbureaus in relatie tot WW-fraude voldoende belicht.

Vragen en opmerkingen van de leden van de 50PLUS-fractie

Vraag 1

Tot en met 2008 waren er slechts 485 Polen ingestroomd in de WW. Dat aantal is in de jaren daarna fors toegenomen. Is dat ook het geval bij arbeidsmigranten van andere Europese nationaliteiten? Kan een overzicht worden gegeven van de ontwikkeling van het aantal WW-uitkeringen aan arbeidsmigranten, naar nationaliteit, per jaar, in de jaren 2008–2018?

Antwoord

In opdracht van SZW publiceert het CBS sinds 2017 het Dashboard Migrantenmonitor. Hier is o.a. per EU-land een overzicht te vinden van het aantal uitgekeerde uitkeringen (waaronder WW) naar herkomstland4. Op basis daarvan valt voor 2012–2016 het volgende overzicht te geven:

Tabel: Aantal WW-uitkeringen naar herkomstland

Land

2012

2013

2014

2015

2016

Albanië

n.b.

n.b.

n.b.

30

30

België

860

1.100

1.080

970

880

Bulgarije

160

170

320

410

460

Cyprus

10

10

10

10

10

Denemarken

50

70

80

70

50

Duitsland

2.340

2.840

2.700

2.360

2.120

Estland

20

30

30

30

30

Finland

70

60

60

40

50

Frankrijk

450

490

480

440

450

Griekenland

440

640

610

500

510

Hongarije

590

790

850

760

710

Ierland

130

160

150

130

130

Ijsland

10

10

n.b.

n.b.

n.b.

Italië

530

620

580

620

570

Kroatië

n.b.

n.b.

n.b.

0

0

Letland

120

190

220

220

180

Litouwen

140

240

240

210

220

Luxemburg

20

20

10

0

10

Malta

10

10

n.b.

10

10

Oostenrijk

110

150

140

100

100

Polen

5.670

12.520

14.010

14.110

14.050

Portugal

820

940

940

780

690

Roemenië

260

310

350

390

480

Slovenië

n.b.

n.b.

n.b.

0

0

Slowakije

n.b.

40

40

50

50

Spanje

460

600

570

510

530

Tsjechië

10

10

20

20

20

Turkije

8.130

9.430

8.720

7.080

6.030

Verenigd Koninkrijk

1.180

1.400

1.340

1.170

1.120

Zweden

90

90

90

80

70

Voormalig Tsjechoslowakije

290

380

420

330

350

Totaal

22.970

33.320

34.060

31.430

29.910

Uit dit overzicht blijkt dat het aantal WW-uitkeringen onder arbeidsmigranten is gestegen in de genoemde periode. Dit geldt echter niet alleen voor arbeidsmigranten. Het totale aantal WW-uitkeringen in Nederland is in deze periode ook gestegen door de economische crisis.

Vraag 2

Over de periode 2011–2018 is € 2,4 miljoen teruggevorderd aan WW-fraude door arbeidsmigranten. Het gaat om 692 terugvorderingen. Er was in dezelfde periode sprake van 1015 boetes. Hoeveel WW-fraude gevallen door arbeidsmigranten (2008–2018) zijn er in totaal bekend over deze periode, welk bedrag was hiermee gemoeid (uitkering en boete) en hoe hoog ligt het invorderingspercentage bij deze specifieke WW-fraude door arbeidsmigranten?

Antwoord

In de brief aan de Tweede Kamer van 1 oktober 2018 is gemeld dat er over de periode 2011–2018 € 2,4 miljoen wordt teruggevorderd aan WW-fraude door arbeidsmigranten. Voor de periode 2008–2010 is niet afzonderlijk inzichtelijk welke boetes, terugvorderingen en invorderingspercentages betrekking hebben op arbeidsmigranten.

Vraag 3

De directie handhaving binnen UWV, belast met het opsporen van fraude en het onderzoeken van fraudesignalen heeft in 2017 een capaciteit van 400 fte. Hoeveel terugvordering en boete ter zake van WW-fraude heeft deze inzet in dat jaar opgeleverd? Kan een overzicht worden gegeven worden, per jaar – over terugvorderingen en boetes (bedrag per jaar) over de jaren 2008–2018, alsmede – per jaar – het hiervoor beschikbare aantal fte’s, specifiek belast met onderzoeken van fraudesignalen en het opsporen van fraude met WW-uitkeringen?

Antwoord

De directie Handhaving van UWV zet zich in voor het voorkomen en bestrijden van bewuste en onbewuste regelovertreding. Het werkveld bestaat niet alleen uit het onderzoeken van fraudesignalen, ook het ontwikkelen en implementeren van preventieve maatregelen alsmede het uitvoeren van thema-onderzoek en data-analyses behoren tot het dagelijks werk. In 2017 bedroeg de totale capaciteit van de directie Handhaving circa 400 fte.

 

Aantal Terugvorderingen

Bedrag Terugvorderingen

Aantal boetes

Bedrag Boetes

FTE

2008

13.916

€ 18.411.000,00

12.236

€ 1.634.000

479

2009

17.531

€ 26.148.000,00

14.488

€ 2.191.000

487

2010

21.969

€ 29.675.000,00

19.266

€ 2.718.000,00

547

2011

34.012

€ 44.532.000,00

30.072

€ 4.369.000,00

556

2012

31.757

€ 34.868.000,00

28.566

€ 3.640.000,00

575

2013

35.021

€ 41.510.000,00

30.961

€ 16.559.000,00

571

2014

45.902

€ 63.088.000,00

43.385

€ 44.612.000,00

547

2015

28.430

€ 39.923.000,00

26.873

€ 12.102.000,00

570

2016

13.863

€ 22.055.000,00

13.059

€ 6.802.000,00

462

2017

10.259

€ 21.387.000,00

7.810

€ 4.150.000,00

401

Doordat de door de klant opgegeven inkomsten voor de Wwz nu altijd met de gegevens in de polisadministratie kunnen worden vergeleken, houdt UWV bij de uitkeringsverstrekking al rekening met die inkomsten. Hierdoor neemt het aantal terugvorderingen en boetes sinds 2015 af.

De aantallen genoemd onder «fte» betreffen de totale capaciteit van de directie Handhaving en deze is breder ingezet dan alleen het handhaven van de WW-wetgeving.

Voor het jaar 2018 zijn nog geen cijfers bekend. Er dient opgemerkt te worden dat de terugvorderingen en boetes niet alleen betrekking hebben op arbeidsmigranten die onterecht in het buitenland verblijven, zij betreffen ook andere overtredingen van de verplichtingen.

Vraag 4

Jaarlijks worden keuzes gemaakt over het zo efficiënt en effectief mogelijk inzetten van beschikbare handhavingscapaciteit. Het totaal teruggevorderde bedrag (uitkering en boete) aan WW-fraude door arbeidsmigranten in de periode 2011–2018 bedraagt € 2,4 miljoen. Is bekend hoeveel fte’s zijn ingezet voor het bereiken van dit resultaat?

Kan er een uitspraak worden gedaan over de effectiviteit van de handhaving voor wat betreft deze specifieke vorm van WW-fraude?

Antwoord

Het aantal fte’s dat specifiek is ingezet voor het bereiken van het resultaat van € 2,4 miljoen (terugvordering uitkering en boete) aan WW-fraude door arbeidsmigranten is niet bekend. In mijn antwoord op vraag 3 van de 50PLUS-fractie heb ik geschetst dat het werkveld van de directie Handhaving breder is dan het opsporen van WW-fraude door arbeidsmigranten. Er is geen registratie van de inzet naar de verschillende fraude-onderwerpen.

Er kan op grond hiervan dan ook geen uitspraak worden gedaan over de effectiviteit van de handhaving voor wat betreft deze specifieke vorm van WW-fraude.

Vraag 5

Kan er een uitspraak worden gedaan over de effectiviteit van de handhavingsinspanning (relatie fte-inzet en resultaat van opsporing en boete-oplegging en invordering) ten aanzien van WW-fraude in totaal?

Antwoord

Bij handhaving gaat het om zowel preventieve als repressieve activiteiten. De opbrengst daarvan is niet aan te geven, aangezien preventieve maatregelen niet in waarde zijn uit te drukken. Daarnaast is Handhaving is integraal onderdeel van de dienstverlening van UWV. De directie Handhaving is binnen UWV belast met het opsporen van fraude en het onderzoeken van fraudesignalen. De capaciteit over 2017 bedroeg gemiddeld ongeveer 400 fte (ca € 28,8 mln).

Daarnaast zijn signalering en preventie van fraude onderdeel van het dagelijkse werk van de overige medewerkers van UWV bij de uitvoering van de verschillende wetten, waaronder de WW. Het gaat daarbij niet alleen om de persoonlijke gesprekken in het kader van de dienstverlening, maar ook het proces van de aanvraag, de beoordeling, het controleren van de diverse verplichtingen en de beëindiging.

Vraag 6

Wordt WW- en bijstandsfraude door mensen die in Nederland zijn / Nederlander zijn beter en effectiever opgespoord en met meer succes vervolgd dan fraude door arbeidsmigranten?

Antwoord

Voor de WW en de Participatiewet geldt dat er in de handhaving gekeken wordt naar personen die mogelijk frauderen, niet naar de nationaliteit van deze personen. Verder vindt er in de handhaving geen data-analyse plaats op basis van nationaliteit. Dit maakt dat er geen gegevens zijn over het verschil in het opsporen van fraude tussen mensen die in Nederland zijn, Nederlander zijn of arbeidsmigrant zijn.

Vraag 7

Vragen over het melden van fraude door UWV aan het Openbaar Ministerie:

  • Welke soort fraudezaken meldt UWV aan het Openbaar Ministerie?

  • Gebeurt het melden van fraude op systematische wijze door UWV, bijvoorbeeld aan de hand van werkafspraken of een protocol?

  • Hoeveel fraudezaken meldt UWV jaarlijks bij het Openbaar Ministerie, in de periode van de afgelopen vijf jaar? Graag een uitsplitsing naar meldingen van fraude van meer dan 50.000 euro, meldingen van georganiseerde fraude en eventueel overige te onderscheiden categorieën.

  • Betreft het ook meldingen vanuit UWV over tussenpersonen die verdacht worden van georganiseerde fraude? Zo ja, hoe vaak gebeurde dat de afgelopen vijf jaar? Zo nee, waarom niet?

Antwoord

UWV kan conform de Aanwijzing sociale zekerheidsfraude aangifte doen bij het Openbaar Ministerie (OM) wanneer het benadelingsbedrag hoger is dan € 50.000, of bij een lager benadelingsbedrag indien sprake is van een in die aanwijzing genoemde uitzondering, bijvoorbeeld in het geval dat fraude in georganiseerd verband plaatsvindt. Het OM kan dan opdracht geven tot het instellen van strafrechtelijk onderzoek en overgaan tot strafrechtelijke vervolging waarmee de zaak voor de rechter komt of een boete opleggen via een strafbeschikking.

Met het Functioneel Parket van het OM zijn werkafspraken gemaakt die zijn vastgelegd in het Arrangement betreffende de omzetting van de pilot «concentratie zaken UWV & SVB bij het Functioneel Parket» in vaste werkafspraken. Hierbij wordt gewerkt met een stuur- en weegploeg. In deze stuur- en weegploeg wordt beslist over een bestuurlijke of strafrechtelijke interventie met betrekking tot de ingebrachte preweegdocumenten die UWV in dit overleg inbrengt.

In de kwantitatieve bijlage bij het jaarverslag van UWV wordt gerapporteerd over het aantal zaken dat door het Openbaar Ministerie in behandeling is genomen. De cijfers met betrekking tot aangiftes staan hieronder. Er wordt ook onderzoek gedaan naar georganiseerde fraude, maar die cijfers worden niet apart geregistreerd.

Jaar

> € 50.000

2014

276

2015

91

2016

104

2017

76

Voor 2018 is nog geen jaarverslag beschikbaar.

UWV geeft vermoedens van malafide tussenpersonen niet door aan het Openbaar Ministerie, maar aan de Inspectie SZW. Het Openbaar Ministerie kan de betreffende tussenpersoon strafrechtelijk vervolgen. In bovenstaande tabel over de meldingen van UWV aan het Openbaar Ministerie zijn om deze reden dus niet de meldingen over tussenpersonen terug te vinden. In de afgelopen 5 jaar zijn twee tussenpersonen gemeld aan de Inspectie SZW.

Vraag 8

De Minister meldde bij het debat van 11 oktober jl. dat met het Openbaar Ministerie besloten is dat buitengewoon opsporingsambtenaren van UWV zelf bij het vermoeden van het aannemen van een valse identiteit een strafrechtelijk onderzoek kunnen gaan doen.

  • Welke afspraken zijn precies gemaakt tussen het Openbaar Ministerie en UWV? Welke soort activiteiten gaan de buitengewoon opsporingsambtenaren van UWV uitvoeren? Is er sprake van een overheveling van taken van het Openbaar Ministerie naar UWV?

  • Op grond van welke overwegingen zijn deze afspraken gemaakt?

  • Op grond van welke regelgeving gaat UWV naast bestuursrechtelijke aanpak, nu strafrechtelijk onderzoek doen?

Antwoord

UWV heeft in overleg met het Functioneel Parket en Inspectie SZW besloten dat buitengewoon opsporingsambtenaren van UWV zelf bij het vermoeden van «aannemen valse identiteit» (waarbij de tussenpersoon zich voordoet alsof hij de uitkeringsgerechtigde is) een strafrechtelijk onderzoek kunnen uitvoeren.

Op basis van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar (BOA), domein V Werk, inkomen en zorg, artikel 10.3, lid 6 zijn medewerkers van UWV met een BOA bevoegdheid hiertoe bevoegd.

UWV maakt proces-verbaal op en dient dit proces-verbaal via de bij het antwoord op vraag 7 van de 50PLUS-fractie genoemde stuur- en weegploeg in bij het OM.

Het doel van deze werkwijze is ook kleine tussenpersonen aan te kunnen pakken met een minder omvangrijk klantenbestand zodat de Inspectie SZW zich op grotere zaken kan richten.

Er is geen sprake van overheveling van taken van het Openbaar Ministerie naar UWV. Wel is de werkwijze bedoeld om Inspectie SZW te ontlasten in die zin dat UWV proces-verbaal opmaakt en indient bij het Functioneel Parket.

Vraag 9

Is er sprake van internationale opsporing bij internationale uitkeringsfraude? Met welke internationale (opsporings)organisaties wordt er samengewerkt door UWV en Openbaar Ministerie?

Antwoord

Het is niet altijd nodig om bij internationale uitkeringsfraude ook internationale opsporing in te zetten. In voorkomende gevallen waarin dat wenselijk lijkt dient het OM een rechtshulpverzoek in bij het OM van het betreffende buitenland.

Vraag 10

Kan er een vergelijkende beschrijving worden gegeven van de internationale opsporing bij toeslagenfraude en de internationale opsporing van uitkeringsfraude?

Antwoord

Opsporingsonderzoeken naar toeslagenfraude kunnen – net als alle andere vormen van fraude – één of meerdere internationale vertakkingen hebben. In dat geval heeft de opsporingsdienst de mogelijkheid om via de daartoe geëigende kanalen een rechtshulpverzoek te doen aan een betrokken ander land. De kaders voor dergelijke verzoeken zijn neergelegd in het Wetboek van strafvordering alsmede in EU-regelgeving en speciale verdragen ter zake van rechtshulp. De organisatie die uiteindelijk de gevraagde informatie verstrekt, is per land verschillend.

Vraag 11

Wordt verwacht dat het aangenomen voorstel van het Europees Parlement om voor EU-werknemers een recht op uitkering te geven na één dag werken, zal leiden tot toenemend «uitkeringstoerisme», en WW-fraude door arbeidsmigranten juist weer in de hand kan gaan werken? Zal de regering blijven inzetten op een «wachttijd» van bij voorkeur zes maanden? Welke mogelijkheden ziet de regering nog om dit doel te bereiken of in ieder geval dit streven kracht bij te blijven zetten?

Antwoord

Zoals vermeld in het antwoord op vraag 3 van de PVV-fractie moeten uitvoeringsorganen van de lidstaten bij de vaststelling van het recht op uitkering rekening houden met verzekeringstijdvakken die in andere lidstaten zijn vervuld. Op dit moment geldt er geen wachttijd. Het is nu dus al zo dat tijdvakken moeten worden samengeteld, ook na één dag werken. Er bestaat uiteraard pas recht op uitkering als ook aan de overige voorwaarden voor het recht op uitkering is voldaan. Het Europees Parlement wil deze regeling behouden. Het voorstel van het EP waaraan de 50-plus fractie refereert, betekent dus handhaving van de bestaande situatie.

Uit cijfers van UWV blijkt dat op dit moment geen grootschalig beroep wordt gedaan op de samentellingsregel voor het voldoen aan de wekeneis in de WW.5 Of dit aantal in de toekomst zal toenemen en/of de regeling ertoe zal leiden dat mensen korte tijd in Nederland gaan werken met het oogmerk om hier uitkering te ontvangen valt niet te voorspellen. De mogelijkheden daartoe moeten in elk geval zoveel mogelijk worden ingeperkt. Van belang is het mijns inziens principiële punt dat een werkloze een band moet hebben met de lidstaat waar hij of zij de uitkering aanvraagt. De invoering van een wachttijd borgt dit principe. In de trilogen blijf ik mij daarom inzetten voor de invoering van een wachttijd. Zoals ook vermeld in het antwoord op vraag 3 van de PVV-fractie, is het krachtenveld voor een wachttijd van zes maanden echter niet gunstig voor Nederland. De Raad van Ministers heeft immers ingestemd met een wachttijd van één maand.

Vraag 12

Tijdens het plenaire debat van 11 oktober jl. sprak de Minister over de aansturingsrelatie tussen UWV en het Ministerie van SZW. In de brief van 22 oktober jl. van de Minister van SZW komen de verbeteringen in de sturingsrelatie, niet meer aan de orde, met uitzondering van de opmerking over een betere informatievoorziening in een jaarlijkse signalenbrief.

  • Kan de Minister de huidige sturingsrelatie beschrijven?

  • Kan de Minister aangeven op welke punten de sturingsrelatie is en wordt aangepast?

  • Kan de Minister aangeven welke verbeteringen dat op zal leveren in de aansturing van UWV, naast de genoemde betere informatievoorziening aan de Kamer?

  • Uit de evaluatie van de Kaderwet ZBO van mei 2018 bleek dat er enige huiver is om «in termen van «sturing», «eigenaarschap» en «opdrachtgeverschap» over de aansturing van zbo’s te spreken omdat dit afbreuk zou kunnen doen aan de zelfstandigheid die aan zbo’s eigen is.» Geldt dit ook voor de aansturing van UWV? Kan de Minister aangeven hoe volgens hem de ideale aansturingsrelatie met UWV eruitziet?

Antwoord

De huidige sturingsrelatie tussen SZW en UWV vindt zijn basis in de kaderwet ZBO’s en de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet SUWI). Voor de reguliere sturing wordt een planning en controlcyclus gehanteerd, die verankerd is in genoemde wetten. Middels de producten en stappen in deze cyclus worden jaarlijks afspraken met UWV gemaakt over de prestaties, de belangrijkste prioriteiten en activiteiten en het financieel kader. Deze afspraken worden vastgelegd in het jaarplan met begroting, dat ik uw Kamer jaarlijks in december doe toekomen. Via twee tussentijdse verslagen en het jaarverslag legt UWV verantwoording af over de dienstverlening en de bedrijfsvoering. Mede op basis van deze verslagen monitor en beoordeel ik de prestaties van UWV en kan bijsturing van de uitvoering plaatsvinden. Het jaarverslag van UWV doe ik uw Kamer jaarlijks in mei toekomen. Vanuit SZW is zowel vanuit de opdrachtgevende directies als de eigenaar doorlopend en zeer regelmatig contact met UWV, onder meer in structureel overleg op expert, bestuurlijk en (hoog) ambtelijk niveau.

Naast de dagelijkse samenwerking over lopende zaken, vindt er voortdurend overleg plaats over nieuwe beleidsvoorstellen. Als SZW nieuw beleid voorbereidt dat UWV moet gaan uitvoeren, wordt UWV voorafgaand al intensief betrokken. UWV heeft immers relevante uitvoeringsexpertise. Uiteindelijk leidt dat overleg tot een formele uitvoeringstoets (U-toets) van het voorgenomen beleid, die ook altijd wordt verstuurd aan de Tweede Kamer. Ook als UWV het nieuwe beleid gaat invoeren, blijft er intensief contact bestaan. Zij moeten immers de nieuwe wetgeving vertalen naar een praktisch uitvoerbaar systeem, en daar komen soms beleidskeuzes bij kijken. SZW wordt daar ook bij betrokken. Ook wordt wetgeving waar UWV bij betrokken was, geëvalueerd door SZW en UWV samen.

Sinds het bestaan van UWV zijn er nauwe contacten tussen SZW en UWV geweest. De samenwerking, met name op het terrein van voorbereiding van nieuwe beleidsvoorstellen, is over de jaren heen intensiever geworden, onder andere naar aanleiding van de adviezen van de Commissie Interne Sturing UWV uit 2010 en de adviezen die voortvloeiden uit de evaluatie van de wet SUWI uit 2015. Ik zie geen aanleiding tot aanpassing van de formele wettelijke kaders. Belangrijker is om voortdurend te blijven investeren in de onderlinge samenwerking, vanuit een duidelijke verantwoordelijkheidsverdeling en heldere afspraken. Naar aanleiding van de WW-fraude is de samenwerking specifiek rond handhaving geïntensiveerd. Op basis van de uitkomsten van de verschillende studies die in het kader van de aanpak van de WW-fraude worden verricht, zal ook worden gekeken naar welke verbeteringen er in de sturing en samenwerking wenselijk zijn.

In de relatie tussen SZW en UWV wordt open gesproken in de overleggen tussen de eigenaar, de opdrachtgever en opdrachtnemer, ook over sturingsvraagstukken. In het uitoefenen van de rollen vindt ook expliciet reflectie plaats op de effectiviteit van het overleg.

Vraag 13

Kan een overzicht worden geven hoe vaak het Openbaar Ministerie wel en hoe vaak niet tot strafrechtelijke vervolging is overgegaan bij het vermoeden van fraude op grond van de Aanwijzing sociale zekerheidsfraude? Kunnen deze gegevens per jaar over periode van de afgelopen vijf jaar, worden uitgesplitst naar soort fraude.

Antwoord

Deze cijfers zijn niet als zodanig uit de bedrijfsregistratiesystemen van het OM te genereren. Hierbij is van belang dat sociale zekerheidsfraude zich in formeel-juridische zin kan uiten in diverse strafbare feiten, zoals valsheid in geschrift of oplichting. Sinds 2016 worden vermoedens van sociale zekerheidsfraude met betrekking tot gelden die door UWV en SVB worden verstrekt bij het Functioneel Parket van het OM aangebracht. Dit heeft er toe geleid dat vanaf dat moment naar aanleiding van meldingen van sociale zekerheidsfraude afkomstig van SVB en UWV in totaal 205 parketnummers bij het OM zijn aangemaakt. In niet alle zaken is op dit moment een vervolgingsbeslissing genomen. In 138 gevallen heeft vervolging plaatsgevonden. In 10 gevallen is de zaak met een transactie afgedaan. De overige gevallen zijn op andere wijze afgedaan, bijvoorbeeld met een sepot omdat er onvoldoende bewijs van strafbare feiten bleek te bestaan.

Vraag 14

Klopt het dat het Openbaar Ministerie op grond van de Aanwijzing sociale zekerheidsfraude geen tussenpersonen vervolgt voor fraude? Zo ja, hoe vaak gebeurde dat de afgelopen vijf jaar? Zo nee, waarom niet?

Antwoord

Er van uitgaande dat met «tussenpersonen» bedoeld wordt hen die anderen behulpzaam zijn bij het op onrechtmatige wijze verkrijgen van sociale zekerheidsgelden, geldt dat de Aanwijzing sociale zekerheidsfraude niet van toepassing is op de opsporing en vervolging van personen die zelf geen uitkeringsgerechtigde zijn, en die verdacht worden van het plegen van of deelneming aan een bepaalde vorm van sociale zekerheidsfraude of van het plegen van strafbare feiten, die met sociale zekerheidsfraude samenhangen.

Indien het Openbaar Ministerie signalen ontvangt die leiden tot een redelijk vermoeden dat personen strafbare feiten plegen, kan het OM op grond van die feiten en omstandigheden, dus los van de Aanwijzing sociale zekerheidsfraude, een strafrechtelijk onderzoek laten instellen en overgaan tot strafvervolging.

Vraag 15

Klopt het dat het Openbaar Ministerie tussenpersonen kan vervolgen op verdenking van bijvoorbeeld valsheid in geschrifte en/of oplichting? Zo ja, hoe vaak worden tussenpersonen vervolgd door het Openbaar Ministerie, buiten de Aanwijzing sociale zekerheidsfraude?

Antwoord

Indien er feiten en of omstandigheden bij het OM bekend zijn op grond waarvan een strafrechtelijk onderzoek ingesteld kan worden, zal het OM beoordelen of vervolging mogelijk en opportuun is. Uit de bedrijfsregistratiesystemen van het OM kan niet achterhaald worden hoe vaak er strafvervolging tegen tussenpersonen is ingesteld.


X Noot
1

Kamerstuk 17 050, nr. 545

X Noot
2

Kamerstuk 17 050, nr. 547.

X Noot
3

Kamerstuk 17 050, nr. 565

X Noot
4

Het gaat om het land waarin iemand geboren is of aan verbonden is omdat (één van) de ouders daar geboren (is) zijn.

X Noot
5

In 2017 ging het in totaal om 63 mensen, hoofdzakelijk uit de buurlanden. In tien gevallen ging het om personen die minder dan 30 dagen in Nederland hadden gewerkt.