Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201517050 nr. 497

17 050 Misbruik en oneigenlijk gebruik op het gebied van belastingen, sociale zekerheid en subsidies

Nr. 497 BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 9 februari 2015

In het Algemeen Overleg Handhaving van 17 december jl. en in mijn brief van 16 december jl.1 heb ik een aantal aanpassingen van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving (Fraudewet) en het Boetebesluit socialezekerheidswetten aangekondigd. Daarnaast heb ik aangegeven een aantal aanbevelingen van de Nationale ombudsman over de Fraudewet nader te willen bestuderen en heb ik u een aantal toezeggingen gedaan. In deze brief doe ik u een overzicht toekomen van de voorstellen en toezeggingen en de data waarop ik deze aan uw Kamer beoog toe te zenden.

Daarnaast heb ik u in het genoemde Algemeen Overleg, op verzoek van mevrouw Schut-Welkzijn, toegezegd schriftelijk een toelichting te geven op de taken die de Inspectie SZW verricht in het kader van de aanpak van zorgfraude. In deze brief geef ik u deze toelichting.

Planning

Naar aanleiding van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep en het rapport van de Nationale ombudsman over de Fraudewet worden de Fraudewet, alle sociale verzekeringswetten en sociale voorzieningen, waarin een regeling is gegeven over de bestuurlijke boete en het Boetebesluit socialezekerheidswetten, aangepast. De aanpassingen betreffen primair het overgangsrecht en het boeteregime. Daarnaast worden de waarschuwingsmogelijkheid en de criteria van verminderde verwijtbaarheid uitgebreid.

Zoals ik in mijn brief van 16 december heb aangeven, bestudeer ik op dit moment een aantal aanbevelingen van de Nationale ombudsman. Het gaat om de aanbevelingen over de schuldhulpverlening in relatie tot door fraude ontstane schulden, het in specifieke situaties buitenwerking kunnen stellen van de beslagvrije voet en de strafrechtelijke aangiftegrens. Bij deze laatste aanbeveling betrek ik ook de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep over de maximale boetes zoals de strafrechter deze kan opleggen. Ik zal in het voorjaar de uitkomsten hiervan per brief aan uw Kamer doen toekomen. Op dat moment zal ik u eveneens inzicht geven in de geraamde kosten van aanpassing van de wet- en regelgeving. In deze brief zal ik ook ingaan op de wenselijkheid en (on)mogelijkheden van het eventueel herzien van onherroepelijke boetebesluiten.

Zoals ik in het algemeen overleg van 17 december heb aangegeven, wil ik zo snel als mogelijk het wetvoorstel bij uw Kamer indienen. Naar verwachting zal ik het wetvoorstel voor het zomerreces voor een adviesaanvraag bij de Raad van State indienen. Daarna zal ik het wetsvoorstel zo snel mogelijk bij uw Kamer indienen. Totdat de aanpassingen van de wet- en regelgeving inwerking treden, blijven de uitvoeringsorganisaties gehouden het boeteregime zoals neergelegd door de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep toe te passen. Bij het wetsvoorstel zal ik ook ingaan op de toegezegde mogelijkheid voor de uitvoeringspraktijk om te anticiperen op de voorgestelde wetswijziging inzake de uitbreiding van de waarschuwingsmogelijkheid zodat de uitvoeringspartijen dit instrument snel kunnen inzetten.

Taken Inspectie SZW bij opsporing zorgfraude.

De Inspectie SZW ontvangt sinds januari 2013 middelen van het Ministerie van Volksgezondheid Welzijn en Sport (VWS) voor de strafrechtelijke opsporing van fraude met het persoongebonden budget (pgb) in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Daarnaast voert de Inspectie SZW jaarlijks gemiddeld drie gecombineerde opsporingsonderzoeken uit naar fraude met bijstandsuitkeringen en pgb’s.

Om deze taken uit te voeren ontvangt de Inspectie SZW met ingang van 2013 jaarlijks € 2,5 mln. Vanuit deze middelen is extra capaciteit gecreëerd in de vorm van een apart rechercheteam voor pgb-fraude. Met ingang van 2014 zijn de taken van de Inspectie SZW verder uitgebreid en wordt naast pgb-fraude in de AWBZ (vanaf 1 januari 2015: Wet langdurige zorg) ook onderzoek gedaan naar declaratiefraude in de Zorgverzekeringswet. Voor deze taakuitbreiding heeft het Ministerie van VWS aanvullende middelen beschikbaar gesteld: in 2014 € 1,7 mln. en vanaf 2015 structureel € 3 mln. per jaar. Dit betekent dat de Inspectie SZW vanaf 1 januari 2015 structureel € 5,5 mln. per jaar ontvangt van het Ministerie van VWS voor de opsporing van fraude in de zorg. De capaciteit van de Inspectie SZW is daartoe uitgebreid tot ca. 50 fte.

Met de beschikbare middelen is binnen de Inspectie SZW een aparte afdeling (opsporing zorgfraude) gecreëerd die zich richt op de strafrechtelijke opsporing van fraude met het pgb in de huidige Wet langdurige zorg (Wlz) en declaratiefraude. De keuze voor een aparte afdeling volgt uit de wens een stevige opsporingsfunctie in de zorg in te richten die zich zichtbaar op dit terrein kan profileren. Dit maakt het ook mogelijk om de capaciteit die vanuit het Ministerie van VWS beschikbaar is gesteld, te oormerken en om voldoende (sector)specifieke kennis en expertise op te kunnen bouwen die kan worden benut voor verdere beleidsontwikkeling. De Inspectie SZW brengt jaarlijks een signaleringsbrief uit aan het Ministerie van VWS waar opgedane inzichten worden gedeeld.

Met het Ministerie van VWS is afgesproken welke inhoudelijke prioriteiten de Inspectie SZW aanhoudt bij de opsporing van zorgfraude. Deze prioriteiten sluiten aan bij de prioritaire aandachtsgebieden waar de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) zich op richt in het toezicht op de zorg. De opsporingsonderzoeken die de Inspectie SZW uitvoert op het terrein van het Ministerie van VWS vinden plaats onder gezag van het Functioneel Parket van het Openbaar Ministerie, evenals dat het geval is met de reguliere opsporingsactiviteiten van Inspectie SZW op het terrein van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Doordat de opsporing van zorgfraude door het Ministerie van VWS wordt betaald en de daarvoor vrijgemaakte capaciteit in een afzonderlijke afdeling is ondergebracht, gaat deze nieuwe activiteit niet ten koste van de opsporing van fraude op het terrein van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L.F. Asscher


X Noot
1

Kamerstuk 17 050, nr. 495