Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201517050 nr. 495

17 050 Misbruik en oneigenlijk gebruik op het gebied van belastingen, sociale zekerheid en subsidies

Nr. 495 BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 16 december 2014

De regering staat voor een sociaal stelsel dat mensen stimuleert en waar nodig een vangnet biedt. Hierbij past een slagvaardige overheid die corrigeert wanneer mensen misbruik maken van de solidariteit van de samenleving. De aanpak van fraude en misbruik van de sociale regelingen is onlosmakelijk verbonden met de solidariteit in de sociale zekerheid. De Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving (Fraudewet) beoogt fraude te voorkomen en de pakkans te vergroten, een versnelling van de uitstroom uit uitkeringen te realiseren en daarmee het draagvlak en de solidariteit voor het sociale stelsel te behouden. Hoge boetes vinden hun rechtvaardiging in het frauduleuze gedrag van calculerende burgers. De straffen zijn geen doel op zich en zullen in verhouding moeten staan tot de ernst van de overtreding. Met de Fraudewet is niet beoogd mensen te straffen die kleine fouten maken of zich vergissen.

Ik zet mij in voor een stevige en zichtbare aanpak die bestaat uit het intensiveren van de handhaving, het verhogen van de pakkans en het voorkomen van fraude. Dit past ook binnen het rijksbrede beleid gericht op het voorkómen en bestrijden van fraude.

Uitspraak CRvB, Onderzoek Nationale ombudsman en rapport ISZW

In mijn brief van 1 oktober jl.1 heb ik u een aantal door mij getroffen maatregelen genoemd om tegemoet te komen aan de ervaren knelpunten in de uitvoeringspraktijk bij de toepassing van de Fraudewet. In die brief heb ik aangegeven aanpassing van wet- en regelgeving te overwegen en daarbij het vervolgonderzoek van de Nationale Ombudman naar de Fraudewet te betrekken. Op 3 december jl. heeft de wnd. Nationale ombudsman mij zijn bevindingen van het vervolgonderzoek Geen fraudeur, toch boete aangeboden. In deze brief geef ik u mijn reactie op dit onderzoek en doe ik een aantal voorstellen om de wet- en regelgeving aan te passen. Ik heb de motie van de Kamerleden Heerma/Van Weyenberg2 hierbij betrokken.

Op 24 november 2014 heeft Centrale Raad van Beroep (CRvB) voor het eerst beslist over de Fraudewet in de sociale zekerheid en het hierop gebaseerde Boetebesluit sociale zekerheidswetten (Boetebesluit). Zoals ik u op 27 november jl. tijdens het begrotingsdebat heb aangegeven, raakt de uitspraak de kern van de wet en heeft deze vergaande gevolgen voor de wet en de uitvoeringspraktijk. In deze brief ga ik ook in op de directe gevolgen van deze uitspraak.

Ook heeft op 24 november de Inspectie SZW haar rapportage «De Boete belicht» aan de Staatssecretaris en mij aangeboden. In dit onderzoek heeft de inspectie onderzocht op welke wijze gemeenten, het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) en de Sociale Verzekeringsbank (SVB) invulling geven aan de boeteoplegging zoals is vastgelegd in de Fraudewet. Bijgaand bied ik u, mede namens de Staatssecretaris, het rapport aan3.

Uitspraak Centrale Raad van Beroep

In zijn uitspraak van 24 november jl. heeft de CRvB over twee punten een uitspraak gedaan.

Overgangsrecht

De CRvB oordeelt dat het overgangsrecht in strijd is met het legaliteitsbeginsel zoals opgenomen in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Bij boeteoplegging voor overtredingen die zijn aangevangen voor 1 januari 2013 en voortduren na 1 januari 2013 moet voor het deel van de overtreding dat heeft plaatsgevonden voor 1 januari 2013, het op dat moment geldende lichtere sanctieregime worden toegepast.

Boetestelsel in de Fraudewet

De CRvB stelt dat in de Fraudewet en het Boetebesluit geen sprake is van een gefixeerd boetestelsel. Dit heeft tot gevolg dat de hoogte van de boete bij overtredingen in ieder individueel geval moet worden afgestemd op de ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van het geval. In de huidige situatie wordt de boete op standaard 100% gesteld (waarbij vervolgens verminderde verwijtbaarheid aan de orde kan zijn).

De CRvB stelt dat de boetes zo hoog zijn dat dit vraagt om een indringender toets aan het evenredigheidsbeginsel. Het ligt naar het oordeel van de CRvB in de rede om alleen een boete van 100% van het benadelingsbedrag op te leggen als opzet is bewezen en van 75% als grove schuld is bewezen. In de overige gevallen is 50% het uitgangspunt. Als er sprake is van verminderde verwijtbaarheid wordt de boete verlaagd tot 25%. Tot slot oordeelt de CRvB dat boetes niet hoger mogen zijn dan de boetes die de rechter kan opleggen bij strafrechtelijke vervolging.

Directe gevolgen uitspraak

Per direct heeft de uitspraak van de CRvB een nieuwe juridische realiteit doen ontstaan waarnaar UWV, SVB en gemeenten moeten handelen. Er is geen hoger beroep mogelijk. De uitspraak betekent voor de huidige praktijkuitvoering van het boeteregime in de sociale zekerheidswetten dat:

  • het niet tijdig voldoen aan de inlichtingenplicht een overtreding blijft die met een boete kan worden gesanctioneerd. Hierin verandert de uitspraak niets;

  • bij boeteoplegging voor overtredingen die zijn aangevangen voor 1 januari 2013 maar voortduren na 1 januari 2013 een knip wordt gemaakt. Op handelen of nalaten in strijd met de inlichtingenplicht voor 1 januari 2013 wordt het dan geldende lichtere sanctieregime toegepast;

  • er een indringende toets moet plaatsvinden aan het evenredigheidsbeginsel. UWV, SVB en gemeenten moeten de overtredingen van de inlichtingenplicht individueel beoordelen op de ernst van de overtreding, de omstandigheden van het geval en verminderde verwijtbaarheid. Het automatisch opleggen van een 100% boete, ook de minimumboete, is niet langer aan de orde;

  • de hoogte van de boete moet worden afgestemd op deze individuele situatie. Er wordt alleen een boete van 100% opgelegd als opzet is bewezen en van 75% als grove schuld is bewezen. In de overige gevallen is 50% het uitgangspunt. Als er sprake is van verminderde verwijtbaarheid wordt de boete verlaagd tot 25%;

  • boetes mogen ook niet hoger zijn dan de maximumboetes zoals die van toepassing kunnen zijn conform art. 23, vierde lid van het Wetboek van Strafrecht. Dit betekent dat in het geval er sprake is van opzet de boete maximaal € 81.000 kan bedragen. In alle overige gevallen (waaronder in geval van grove schuld) bedraagt de maximale boete € 8.100;

  • bij recidive geldt dat voor de berekening van de boete 150% van het benadelingsbedrag als uitgangspunt wordt genomen. Op dit bedrag wordt het boetepercentage toegepast dat voortkomt uit beoordeling van de mate van verwijtbaarheid (100% bij opzet tot 25% bij verminderde verwijtbaarheid).

UWV, SVB en gemeenten zullen uitvoering moeten geven aan de uitspraak van de CRvB. Ik heb UWV, SVB en gemeenten daarom verzocht, zolang de wet- en regelgeving niet in overeenstemming is gebracht met de uitspraak van de CRvB, naar dit nieuwe boeteregime te handelen. UWV en SVB hebben, ter voorkoming van onnodige bezwaar- en beroepprocedures, het proces waarin boetes worden opgelegd tijdelijk stilgelegd. Zodra de werkprocessen aan het nieuwe boeteregime zijn aangepast, zullen de overtredingen in lijn met de CRvB-uitspraak worden beboet. UWV en SVB zullen op korte termijn maar uiterlijk per 1 januari 2015 aanvangen met het toepassen van het nieuwe regime. Met gemeenten ben ik hierover nog in overleg. In de Verzamelbrief aan gemeenten wordt het nieuwe beleidskader naar gemeenten gecommuniceerd. De uitspraak heeft geen betrekking op de arbeidswetten. Wel wordt geconstateerd dat inmiddels in lagere rechtspraak de boetenormbedragen bij overtredingen van de arbeidswetten, zoals deze zijn vastgelegd in boetebeleidsregels, te hoog worden geacht en daarmee niet proportioneel worden geacht.

Rapport van de Nationale ombudsman

Op 4 december jl. heeft de Nationale ombudsman zijn vervolgonderzoek naar de Fraudewet gepubliceerd. In zijn onderzoek heeft de ombudsman onderzocht of de Fraudewet zodanig wordt uitgevoerd dat de opgelegde boetes in verhouding staan tot de overtreding van de inlichtingenplicht en of de boeteoplegging de fraudebestrijding dient.

Uit dit onderzoek komt naar voren dat er naast misbruik maken van de sociale zekerheid, andere redenen kunnen zijn waarom mensen niet aan de inlichtingenplicht (kunnen) voldoen. De ombudsman oordeelt, net als CRvB, dat boetes in deze situaties disproportioneel hoog zijn. De ombudsman stelt daarbij dat de waarborgen in het strafrecht groter zijn dan in het bestuursrecht. In het strafrecht dient opzet aangetoond te worden. In de huidige bestuursrechtelijke uitvoeringspraktijk moet de uitkeringsgerechtigde aantonen dat hij verminderd verwijtbaar is. Verder stelt de ombudsman dat hoge boetes een averechts effect kunnen hebben op de motivatie van mensen om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer. Dit effect wordt versterkt bij uitsluiting van schuldhulpverlening wegens een fraudeschuld en het bij recidive niet meer respecteren van de beslagvrije voet.

Op basis van zijn bevindingen doet de Nationale ombudsman de volgende aanbevelingen:

  • zorg ervoor dat de boete in ieder individueel geval proportioneel is, waarbij wordt gekeken naar de ernst van de overtreding, de verwijtbaarheid en de omstandigheden van het geval;

  • ga coulant om met overtredingen van de inlichtingenplicht als plausibel is dat een andere oorzaak dan het willen frauderen ten grondslag ligt aan het overtreden van de inlichtingenplicht;

  • bij deze coulante houding hoort ook dat mensen een lagere boete opgelegd krijgen van ten hoogste 10% van het benadelingsbedrag;

  • geef bij vergissingen en geringe termijnoverschrijdingen een waarschuwing. Zolang deze mogelijkheid er wettelijk niet is, zou volstaan moeten worden met een boete van ten hoogste 10% van het benadelingsbedrag;

  • voorkom dat iemand wordt uitgesloten van schuldhulpverlening;

  • draai de maatregel om bij herhaalde overtreding (recidive) van de inlichtingenplicht de beslagvrije voet niet te respecteren terug;

  • verlaag de strafrechtelijke aangiftegrens van € 50.000. Voor het opleggen van de huidige hoge boetes zijn de waarborgen zoals aanwezig in het strafrecht vereist.

Reactie rapport Nationale ombudsman

Het rapport van de Nationale ombudsman laat zien dat de toepassing van de Fraudewet in de praktijk tot situaties kan leiden die door de wetgever niet zijn beoogd. Situaties waarin mensen zonder dat er sprake is van opzet of grove schuld, hoge boetes krijgen opgelegd. De ombudsman noemt een aantal redenen waarom mensen zonder fraude-intentie niet of niet tijdig kunnen voldoen aan hun plicht om wijzingen door te geven. Het rapport bevat een aantal schrijnende gevallen waarin dit duidelijk wordt. Ik vind dit onwenselijk, de toepassing van de Fraudewet schiet in dit soort situaties zijn doel voorbij.

Met het aanpassen van de uitvoeringspraktijk aan de uitspraak van de CRvB wordt per direct tegemoet gekomen aan een aantal aanbevelingen van de ombudsman. De hoogte van de boetes worden individueel afgestemd op de ernst van de overtreding, de omstandigheden van het geval en de mate van verwijtbaarheid. Hierbij wordt ook beoordeeld of sprake is van opzet. De ombudsman beveelt een boete van ten hoogste 10% van het benadelingsbedrag aan in situaties waarin er redenen zijn waarom mensen wel willen, maar niet kunnen voldoen aan de inlichtingenplicht. Het nieuwe boeteregime bepaalt dat in alle gevallen de hoogte van de boete af wordt gestemd op de individuele omstandigheden. Hierdoor is het niet noodzakelijk om een maximum van 10% van het benadelingsbedrag vast te stellen. In alle gevallen zal de boete immers passend moeten zijn voor de individuele situatie. De aanbeveling over de toegang tot de schuldhulpverlening heeft betrekking op de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening en wordt betrokken bij de evaluatie van de wet. Deze evaluatie wordt thans voorbereid en wordt vóór 1 juli 2016 aan beide Kamers gezonden.

Aanpassing van wet- en regelgeving

De discussie over de vraag of aanpassing van de wet- en regelgeving wenselijk is, is achterhaald met de uitspraak van de CRvB. Aanpassing van wet- en regelgeving is als gevolg van deze uitspraak noodzakelijk. Om recht te blijven doen aan de uitgangspunten van het fraudebeleid en om de uitvoeringspraktijk te verbeteren, worden onderstaande aanpassingen van wet- en regelgeving voorbereid. Deze aanpassingen wil ik de komende tijd in nauw overleg met de uitvoering vormgeven. Ik zal medio 2015 komen met concrete voorstellen voor aanpassing van wet- en regelgeving. Ik streef ernaar de aangepaste wet- en regelgeving medio 2016, of zoveel eerder als mogelijk is, in werking te laten treden. Dit laat onverlet dat de werking van de uitspraak van de CRvB vanaf 24 november 2014 tot het moment dat nieuwe wet- en regelgeving ingaat, onverkort geldt.

• Overgangsrecht

In de wet wordt het overgangsrecht aangepast conform de uitspraak van de CRvB. Bij boeteoplegging voor overtredingen die zijn aangevangen voor 1 januari 2013 en voortduren na 1 januari 2013 zal, voor 1 januari 2013, het op dat moment geldende lichtere sanctieregime worden toegepast.

• Boeteregime

In het Boetebesluit socialezekerheidswetten wordt, conform de uitspraak van de CRvB, opgenomen dat een overtreding van de inlichtingenplicht wordt beboet met een boete van 50% van het benadelingbedrag. Indien sprake is van grove schuld wordt dit 75%, indien sprake is van opzet 100%. Bij verminderde verwijtbaarheid is een boete van 25% aan de orde. Bij recidive is de boete 150% van het benadelingsbedrag. Op dit bedrag wordt het boetepercentage toegepast dat voortkomt uit beoordeling van de mate van verwijtbaarheid. De minimumboete is met de uitspraak de facto vervallen en zal daarom uit het Boetebesluit worden geschrapt.

Als gevolg van het feit dat de CRvB oordeelt dat in de Fraudewet geen sprake is van gefixeerde boetes, is artikel 5:46, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing. Uit deze bepaling vloeit voort dat het bestuursorgaan de boete afstemt op de ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van het geval. Het is niet nodig op dit punt additionele wet- en regelgeving te ontwerpen.

• Uitbreiden van het aantal categorieën mate van verwijtbaarheid in het Boetebesluit socialezekerheidswetten

In het Boetebesluit socialezekerheidswetten zijn criteria opgenomen die in ieder geval leiden tot verminderde verwijtbaarheid. De lijst in het boetebesluit is niet limitatief en biedt ruimte aan de uitvoering om deze in verordeningen of beleidsregels nader te preciseren of aan te vullen met andere categorieën. Om de uitvoering te ondersteunen en de uniformiteit in de uitvoering te bevorderen, wil ik een tweetal veel gebruikte categorieën aan het boetebesluit toevoegen. Het betreft de volgende categorieën:

  • er is sprake van een samenstel van omstandigheden die elk op zich niet, maar in hun onderlinge samenhang beschouwd wel leiden tot het oordeel dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid;

  • er is sprake van «gedeelde verwijtbaarheid», bijvoorbeeld bij (gedeeltelijke) omissies van de uitvoering.

Naar verwachting zullen deze twee categorieën, die door een deel van de uitvoering al worden gehanteerd, leiden tot meer gewogen oordeel over de verwijtbaarheid van cliënten. Bij de «gedeelde verwijtbaarheid» kunnen ook eventuele fouten in de uitvoering zelf meegewogen worden (bijvoorbeeld het laten voortduren van een incorrecte situatie, terwijl de uitvoering van het bestaan hiervan wist).

• Uitbreiden van de mogelijkheid om een waarschuwing te geven

Het geven van een waarschuwing is bedoeld voor situaties waarin het opleggen van een boete disproportioneel wordt gevonden. In de huidige wetgeving is het geven van een waarschuwing beperkt tot de categorie van overtredingen waarbij de inlichtingenplicht is overtreden, maar de overtreding niet heeft geleid tot een benadelingsbedrag (bij recidive binnen een periode van 2 jaar zal in deze gevallen wel een boete opgelegd moeten worden).

Ook met het nieuwe boeteregime zijn er situaties denkbaar waarin een waarschuwing gepast is. Ik zal daarom de waarschuwingsmogelijkheden uitbreiden naar enerzijds situaties waarin sprake is van een gering benadelingsbedrag en anderzijds naar een deel van de zogenaamde zelfmelders. Dit zijn mensen die weliswaar iets te laat, maar wel zelf wijzigingen in hun omstandigheden melden. In veel gevallen gaat het om mensen die zelf melden dat zij loon hebben ontvangen, maar dit pas doen nadat zij hun eerste loonstrook hebben ontvangen en de uitkering al is betaald; in deze gevallen is er sprake van een benadelingsbedrag (bij UWV gaat het om circa 40% van alle boetes). In alle gevallen zal de te veel betaalde uitkering, ook bij (zeer) kleine bedragen, terugbetaald moeten worden. Deze wijziging vergt een aanpassing van de boetebepalingen in alle uitkeringswetten alsmede een wijziging van het Boetebesluit socialezekerheidswetten. Hiermee kom ik voor wat betreft de sociale zekerheidwetten tegemoet aan de Motie Heerma/Van Weyenberg. Voor wat betreft de arbeidswetgeving, in het bijzonder de Wet arbeid vreemdelingen (het andere deel van de motie) volgt zoals eerder toegezegd, op korte termijn een nadere uitwerking.

Overig

Wat de gevolgen van de uitspraak van de CRvB over de maximale bovengrens van de boetes betekenen voor de aanpassing van wet- en regelgeving, wil ik nader bestuderen. Dit wil ik bezien in samenhang met de aanbeveling van de ombudsman om de strafrechtelijke aangiftegrens te verlagen. Dit geldt ook voor de aanbeveling van de ombudsman over de beslagvrije voet.

Budgettaire consequenties en concrete voorstellen

Met de Fraudewet is een taakstelling van € 140 mln. ingeboekt. Welke consequenties de uitspraak van de CRvB en de voorgenomen aanpassing van wet- en regelgeving hebben en hoe een eventueel besparingverlies te dekken, breng ik op dit moment in beeld. De uitspraak heeft ook (budgettaire) gevolgen voor de businesscases intensivering toezicht. Ook deze breng ik op dit moment in beeld.

Inspectierapport «De boete belicht»

De Inspectie SZW onderzoekt in een meerjarig programma de uitvoeringspraktijk onder de Fraudewet. In 2012 heeft de inspectie daartoe de situatie voor de invoering van deze wet onderzocht. Het onderzoeksrapport «Over signaal, sanctie en incasso» met deze nulsituatie heb ik op 8 juli 2013 aan uw Kamer aangeboden.

De Inspectie SZW heeft in 2014 onderzocht op welke wijze gemeenten, UWV en SVB invulling geven aan de boeteoplegging zoals is vastgelegd in de Fraudewet. Het onderzoek richt zich op de WWB, AOW en WW. Het beeld dat uit het rapport van de inspectie naar voren komt, is dat er verschillend wordt opgetreden in de sanctionering van vergelijkbare overtredingen tussen de uitvoeringsorganisaties. Maar ook tussen gemeenten onderling en tussen regiokantoren van UWV is sprake van verschillen in toepassing van het boetebeleid. Gemeenten en SVB handelen daarbij niet (altijd) volgens de werkwijze die de huidige Fraudewet voorschrijft.

De uitspraak van de CRvB van 24 november en ook het rapport van de Nationale ombudsman maken het onvermijdelijk de bevindingen van de inspectie vanuit dit nieuwe perspectief te bekijken. Met de uitspraak van de CRvB blijkt dat een aantal zaken die de inspectie constateert niet meer gegrond zijn. In de bijlage ga ik in op de specifieke bevindingen van de inspectie.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L.F. Asscher

Bijlage: Reactie op het Inspectie SZW rapport «De boete belicht»

De inspectie SZW heeft in 2014 onderzocht op welke wijze gemeenten, UWV en SVB invulling geven aan de boeteoplegging zoals is vastgelegd in de Fraudewet. Het onderzoek richt zich op de WWB, AOW en WW. De belangrijkste bevindingen van de inspectie betreffen gemeenten en SVB:

  • het aantal door gemeenten opgelegde boetes is laag, gemiddeld slechts in 35 procent van de daarvoor in aanmerking komende gevallen. Een van de redenen die de inspectie hiervoor geeft is dat bij sommige gemeenten weerstand bestaat tegen het boetebeleid omdat dit disproportioneel wordt gevonden. Andere mogelijke oorzaken zijn: onvoldoende accuraatheid van de registratie in vernieuwde Fraudestatistiek, onvoldoende capaciteit voor de boeteafhandeling, en onduidelijkheid over het overgangsrecht;

  • veel gemeenten onderzoeken bij signalen over gezamenlijke huishouding en zwart werken niet de hele fraudeperiode. Zij starten het onderzoek vanaf de ontvangst van het signaal. Sommige gemeenten leggen prioriteit bij het direct beëindigen van de uitkering en doen verder geen onderzoek met terugwerkende kracht;

  • bij de berekening van de hoogte van de boete past SVB een werkwijze toe, die leidt tot lagere boetes. Het gaat bijvoorbeeld om het niet meetellen van de ten onrechte ontvangen uitkering over de eerste vier weken van de fraudeperiode. Ook laat SVB de hoogte van de boete afhangen van de financiële situatie waarin de uitkeringsontvanger verkeert;

  • De SVB heeft tot slot bepaald dat ontvangers van een uitkering bij wijzigingen bepaalde gegevens niet hoeven te melden. De reden is dat de SVB reeds over deze gegevens beschikt.

Reactie

Het rapport laat zien dat het weinig opleggen van boetes door gemeenten deels wordt veroorzaakt door implementatieproblemen in de opstartfase. Het gaat om softwareproblemen, capaciteitsproblemen en interpretatie van het overgangsrecht. Met VNG en Divosa, zoals verwoord in hun bestuurlijke reactie, ga ik er vanuit dat de software- en capaciteitsproblemen van tijdelijke aard zijn en inmiddels zijn opgelost.

Voor wat betreft de juiste toepassing van het overgangsrecht heeft de uitspraak van de CRvB tot een nieuwe juridische realiteit geleid. Dit is een herziening van hetgeen de Staatssecretaris in de brief van 16 juli 2014 heeft verduidelijkt met betrekking tot de juiste toepassing van het overgangsrecht. In de eerstvolgende Verzamelbrief wordt o.a. het overgangsrecht conform de uitspraak van de CRvB opgenomen.

Uit het onderzoek blijkt ook dat er grote verschillen zijn tussen gemeenten. De inspectie heeft vastgesteld dat er naast de gemeenten die weinig boetes hebben opgelegd, ook gemeenten zijn die conform de huidige Fraudewet handelden en in bijna alle daarvoor in aanmerking komende situaties een boete hebben opgelegd. Het rapport van de inspectie maakt duidelijk dat het voor een eenduidige en uniforme toepassing van wet- en regelgeving, ook nu er een nieuwe juridische realiteit is ontstaan, belangrijk is om van elkaar, gemeenten, UWV en SVB, te leren. Het stellen en delen van goede voorbeelden en praktische handvatten kunnen hierbij helpen.

Het is o.a. daarom dat VNG samen met Divosa in 2015 gemeenten nog extra wil informeren en kennis en ervaringen wil delen, om gemeentelijk maatwerk in handhaving een impuls te geven. Hierbij zullen de nieuwe juridische realiteit en de uitdagingen die dat oplevert, een prominente plek innemen. Ze richten zich zowel op bestuurders als op managers en de functionarissen in de uitvoeringspraktijk. Daarbij wordt aansluiting gezocht bij de Regionale Kenniscentra Fraude en het Landelijk Kenniscentrum Fraude en het programma Vakmanschap van Divosa. De Staatssecretaris en ik ondersteunen dit initiatief.

De inspectie constateert verder verschillen tussen UWV en SVB bij het opleggen van boetes. De inspectie oordeelt dat SVB op een drietal punten de wet anders uitlegt dan de wetgever heeft bedoeld. Voor wat betreft de wijze waarop de SVB de duur van de fraudeperiode en het benadelingsbedrag vaststelt zal de SVB haar praktijk aanpassen.

Voor wat betreft het matigingsbeleid waarbij rekening wordt gehouden met de draagkracht van de uitkeringsgerechtigde, past dit binnen de uitspaak van de CRvB.

Met betrekking tot de ontheffing van de inlichtingenplicht voor gegevens waarover SVB via bestandskoppelingen reeds beschikt, beroept SVB zich op de Wet Eenmalige Gegevensuitvraag Werk en Inkomen (WEU). Bij de invoering van de WEU is ervan uitgegaan dat een (overheidsbreed) systeem voor meervoudig gebruik van gegevens ook gevolgen heeft voor de inlichtingenplicht van de burger. Bedoeling is immers dat een burger bij wijziging van een bepaald gegeven of een omstandigheid dit niet bij talrijke overheidsinstanties hoeft te melden. Deze wet voorziet in de mogelijkheid dat bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties (of gegevens daaruit) worden uitgezonderd van de inlichtingenplicht van de burger. Op dit moment is het enige voorbeeld waar het beperken van de inlichtingenplicht al wel is geregeld de situatie in de Algemene Kinderbijslagwet waarbij het kind studiefinanciering krijgt.

SVB motiveert haar werkwijze vanuit de dienstverlening aan de klant. Klanten hoeven bepaalde gegevens niet meer aan te leveren. Dit vermindert de administratieve lasten voor de klant en onterechte betalingen kunnen hiermee worden voorkomen. Klanten kunnen daarmee ook de inlichtingenplicht niet overtreden, fraude wordt zo voorkomen. SVB geeft hiermee reeds invulling aan hetgeen de WEU voor ogen heeft. Ik onderschrijf de wens om waar het kan de dienstverlening aan de klant te optimaliseren. Ik ben voornemens om in afstemming met SVB te onderzoeken hoe deze ministeriële regeling nader uitgewerkt kan worden.

Om meer inzicht te krijgen in de mogelijkheden om dit principe ook in andere concrete situaties toe te passen, wordt in de evaluatie van de Wet SUWI (waarin de bepalingen van de WEU zijn opgenomen) onderzocht onder welke condities dit mogelijk is. Eind 2015 zijn de resultaten hiervan voorzien.


X Noot
1

Kamerstuk 17 050, nr. 488.

X Noot
2

Kamerstuk 17 050, nr. 477.

X Noot
3

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl.