Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 19 augustus 2026
Conform het op 10 juni 2011 per brief gemelde aangescherpte wapenexportbeleid (Kamerstuk
2010–2011, 22 054, nr. 165) en de motie van het lid El Fassed c.s. van 22 december 2011 over verlaging van de
drempelwaarde voor de versnelde parlementaire controle bij specifieke wapenexportaanvragen
naar € 2.000.000,– (Kamerstuk 2011–2012, 22 054, nr. 181), ontvangt uw Kamer onderstaande informatie over een door Nederland afgegeven vergunning
ter waarde van € 9.865.000,– voor uitvoer van militair materieel naar Vietnam.
Een Nederlands bedrijf heeft onlangs een exportvergunning verkregen voor de uitvoer
naar Vietnam van een radarsysteem met bijbehorende technologie. Het systeem komt in
dienst van de Vietnamese marine en zal worden ingebouwd in een korvet bedoeld om de
soevereiniteit van Vietnam te beschermen.
De aanvraag is getoetst aan de acht criteria van het EU Gemeenschappelijk Standpunt
inzake wapenexport.1 Deze toetsing, waarvan de essentie ten aanzien van de meest relevante criteria hieronder
wordt weergegeven, leidde tot het afgeven van de vergunning op basis van de volgende
argumenten:
Handhaving regionale stabiliteit (CR4)
De veiligheidssituatie in de Zuid-Chinese Zee wordt gekenmerkt door overlappende territoriale
claims en periodieke spanningen. Tegen deze achtergrond heeft Vietnam zijn defensieve
capaciteiten gericht versterkt, met een duidelijke focus op de maritieme sfeer en
het beschermen van bestaande aanspraken.
Van belang is dat Vietnam een consistent niet-gebonden buitenlands en veiligheidsbeleid
voert, waarin het afziet van militaire allianties, het kiezen van partijen en het
gebruik of dreigen met geweld in zijn internationale betrekkingen. Hierdoor worden
de militaire ontwikkelingen internationaal overwegend als defensief en stabiliserend
beoordeeld. Er zijn geen aanwijzingen dat Vietnam deze capaciteiten inzet of wil inzetten
voor escalatie van regionale spanningen. Gelet op deze context draagt de voorgenomen
inzet niet bij aan het aanwakkeren van conflicten of instabiliteit in de regio. Toetsing
aan criterium 4 is positief.
Omleidingsrisico (CR7)
Toetsing aan criterium 7 richt zich op het risico van ongewenste omleiding of wederuitvoer.
In algemene zin bestaat er in de regio aandacht voor naleving van sanctieregimes en
eindgebruik, mede door signalen van omzeiling van sancties in delen van Azië.
Tegelijkertijd heeft het ontvangende land herhaaldelijk aangegeven internationale
zorgen hierover serieus te nemen en mee te werken aan maatregelen ter borging van
correct eindgebruik. Hoewel de bredere geopolitieke context en internationale contacten
aanleiding geven tot verhoogde waakzaamheid, leidt dit op zichzelf niet tot de conclusie
dat sprake is van een concreet en onaanvaardbaar omleidingsrisico in dit specifieke
geval.
In de voorliggende casus zijn aanvullende, strikt vastgelegde contractuele waarborgen
opgenomen om ongewenste betrokkenheid van derden en wederuitvoer te voorkomen. Deze
waarborgen zien onder meer op het exclusieve eindgebruik, beperkingen op overdracht
van technologie en informatie, bescherming tegen reverse engineering en bindende procedures voor inspectie, acceptatie en levering op locatie. De naleving
hiervan wordt gecontroleerd via meerdere formele toetsmomenten die integraal onderdeel
uitmaken van het contractuele proces. Gelet op deze specifieke en afdwingbare risicobeperkende
maatregelen is het risico op ongewenste omleiding substantieel gemitigeerd. Toetsing
aan criterium 7 is daarmee positief.
Ten aanzien van de overige vijf criteria gelden geen bijzonderheden, deze zijn positief
getoetst.
De Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, S.W. Sjoerdsma
De Minister van Buitenlandse Zaken,
T.B.W. Berendsen