19 637 Vreemdelingenbeleid

Nr. 3609 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ASIEL EN MIGRATIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 1 juli 2026

Op 9 april jl. heeft uw Kamer mij verzocht te reageren op een petitie over de positie van Iraanse asielzoekers in Nederland die uw Kamer in ontvangst heeft genomen. Met deze brief doe ik uw Kamer mijn reactie op de petitie toekomen.

Allereerst wil ik u laten weten dat ik er begrip voor heb dat de recente ontwikkelingen in Iran zorgen voor spanning en onzekerheid in de Iraanse gemeenschap in Nederland. Daarbij begrijp ik dat veel Iraniërs – evenals vreemdelingen met andere nationaliteiten – al een lange tijd wachten op een besluit op hun asielaanvraag en hier veel stress door ervaren.

In maart 2026 heb ik een besluit- en vertrekmoratorium voor mensen uit Iran ingesteld voor de duur van zes maanden. Een besluit- en vertrekmoratorium wordt ingesteld wanneer de veiligheidssituatie in een land naar verwachting voor een korte periode onzeker zal zijn waardoor redelijkerwijs niet zorgvuldig op asielaanvragen van vreemdelingen uit dat land kan worden beslist en niet kan worden overgegaan tot gedwongen uitzettingen. De veiligheidssituatie in Iran is op dit moment dusdanig onzeker dat niet zorgvuldig kan worden beslist op asielaanvragen. De situatie in Iran wordt op dit moment als onzeker beschouwd, vanwege de snel veranderende omstandigheden en onduidelijkheid over het vervolg van het gewapende conflict op korte termijn. Aanvullend is er ook weinig accurate en objectieve informatie beschikbaar op grond waarvan een inschatting van de (veiligheids)situatie kan worden gemaakt. Onder meer vanwege beperkte toegang tot het land, beperkte journalistieke vrijheid en een gebrek aan internettoegang. Met het instellen van het besluit- en vertrekmoratorium kunnen asielaanvragen tijdelijk worden aangehouden en kan de beslistermijn in asielzaken worden verlengd totdat er meer duidelijkheid ontstaat over de situatie in Iran.

Hierbij is het goed te benoemen dat de beslistermijn maximaal verlengd kan worden tot 21 maanden. Als in zaken de beslistermijn van 21 maanden is overschreden, kan er dus, ondanks het besluit- en vertrekmoratorium, een situatie ontstaan waarin moet worden beslist. Er wordt dan kijkend naar de feitelijke veiligheidssituatie op dat moment beslist op deze zaken. In de petitie die is aangeboden door vertegenwoordigers van de Iraanse gemeenschap wordt gesteld dat deze wettelijke verplichting momenteel niet structureel wordt nageleefd. In dat verband wijs ik uw Kamer op mijn brief van 5 juni jl. inzake «Plan van aanpak wegwerken openstaande asielaanvragen IND». Daaruit komt naar voren dat ook de termijn van 21 maanden niet steeds haalbaar is. Dit geldt echter niet enkel voor Iraanse asielzaken, maar asielzaken in het algemeen. Er is geen sprake van bewust aanhouden van asielaanvragen van Iraanse vreemdelingen waarin de beslistermijn van 21 maanden is overschreden.

De ondertekenaars van de petitie vragen om een eerlijke en gelijke behandeling. Kijkend naar hoe de huidige behandeling van Iraanse asielaanvragen zich verhoudt tot de behandeling van asielaanvragen uit andere landen waar sprake is (geweest) van een oorlogssituatie kan ik het volgende zeggen. Ook ten aanzien van andere landen zijn in het verleden besluit- en vertrekmoratoria ingesteld. De keuze voor een moratorium is dan ook een gebruikelijke stap op het moment dat een situatie in een land van herkomst dermate onduidelijk is dat er geen zorgvuldige besluitvorming kan plaatsvinden. In de petitie wordt tevens verwezen naar het besluit en vertrekmoratorium Irak in 2014. Er werd volgens de ondertekenaars van de petitie toen wel beslist in Iraakse zaken ondanks de situatie in Irak op dat moment. In 2014 werd echter niet voor heel Irak maar voor delen van Irak een besluit- en vertrekmoratorium afgekondigd. Voor personen uit de provincies waar geen besluit- en vertrekmoratorium gold bleef de IND inderdaad zaken in behandeling nemen en daarop beslissen. Informatie die het ambtsbericht verstrekte was over deze provincies immers voldoende duidelijk om zorgvuldige beslissingen in individuele zaken te kunnen nemen. In zaken van personen uit delen van Irak voor welke wel een besluit- en vertrekmoratorium gold werd niet beslist. Dit is een wezenlijk andere situatie dan nu in Iran waarin er voor heel Iran een besluit- en vertrekmoratorium is afgekondigd en onvoldoende accurate en objectieve informatie is aan de hand waarvan een zorgvuldig besluit genomen zou kunnen worden.

Het kabinet blijft aandacht houden voor Iraanse asielzoekers. Hierbij heb ik veel begrip voor de positie van personen die al lange tijd wachten op een besluit op hun asielaanvraag. Helaas kan ik op dit moment nog niet aangeven wanneer het besluit- en vertrekmoratorium voor mensen uit Iran wordt opgeheven. Mocht er aanleiding toe bestaan, dan kan het besluit- en vertrekmoratorium wel eerder dan na zes maanden worden beëindigd. Bijvoorbeeld omdat er meer duidelijkheid is over de veiligheids- en mensenrechtensituatie in Iran. Daartoe heb ik een nieuw ambtsbericht opgevraagd bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Dit wordt verwacht in het derde kwartaal van dit jaar. Aan de hand daarvan zal bezien worden of de situatie inmiddels duidelijk genoeg is om beslissingen weer ter hand te nemen.

De Minister van Asiel en Migratie, G. van den Brink

Naar boven