19 637 Vreemdelingenbeleid

33 836 Personen- en familierecht

Nr. 3616 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ASIEL EN MIGRATIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 3 juli 2026

Op 22 april 2026 heb ik uw Kamer geïnformeerd over de noodzaak om schijnerkenningen tegen te gaan en de eerste pakketmaatregelen uiteengezet (Kamerstuk 19 637, nr. 3551). Met deze brief informeer ik u, mede namens de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, over de voortgang van de aanpak van schijnerkenningen en, zoals eerder toegezegd, over de aanpak van schijnerkenningen in Duitsland.

Stand van zaken aanpak schijnerkenningen

Voor de aanpak van schijnerkenningen wordt ingezet op verschillende sporen. Het eerste spoor ziet op het voorkomen van schijnerkenningen door middel van een familierechterlijke en nationaliteitsrechtelijke aanpak en het tweede ziet op het optreden bij misbruik door middel van een strafrechtelijke aanpak. Hieronder zijn de twee sporen toegelicht.

Korte termijn maatregelen

Sinds de vorige Kamerbrief is de gefaseerde aanpak in uitvoering. De ambtenaar van de burgerlijke stand (ABS) en de BRP-specialist toetsen schijnerkenningen actiever aan de voorkant. Dat geldt voor zowel erkenningen die in Nederland worden verricht als inschrijvingen van erkenningen die reeds in het buitenland zijn verricht. De ABS en de BRP-specialist hebben een sterkere beoordelingspositie gekregen, ondersteund met de aangescherpte handreikingen (processtappen en indicatoren) die door een werkgroep van NVVB, gemeenten en IND, zijn vastgesteld. De handreikingen zullen bij verschillende gemeenten worden geïntroduceerd en getoetst en waar nodig aangepast.

Het multidisciplinaire expertiseteam is gestart. In dit team is expertise gebundeld vanuit NVVB en IND, aangevuld met kennis uit gemeenten. Het uitgangspunt van het multidisciplinair expertiseteam is dat gemeenten het team kunnen consulteren bij complexe casuïstiek. Inmiddels zijn onderlinge werkafspraken gemaakt en hebben zowel de IND als de NVVB de facilitaire voorzieningen ingericht zodat gemeenten zich met vragen en casuïstiek bij het expertiseteam kunnen melden. De NVVB organiseert in het najaar een webinar waarin leden van het expertiseteam (IND, NVVB en gemeenten) een presentatie zullen geven en de gemeentemedewerkers handvatten zullen bieden om schijnerkenningen beter te herkennen en vervolgens op te acteren. Daarnaast wordt door de NVVB onderzocht hoe erkenningspogingen centraal geregistreerd kunnen worden.

Verder loopt de pilot tussen OM en IND om te komen tot een standaardwerkwijze voor verzoeken tot vernietiging van erkenningen bij de civiele rechter. Om de aanpak te toetsen en te standaardiseren zijn inmiddels drie zaken aanhangig gemaakt door het OM bij de rechter. De geleerde lessen uit deze zaken worden gebruikt om sneller en consistenter te kunnen optreden wanneer misbruik wordt vermoed of vastgesteld. De uitkomsten van deze pilot worden tevens betrokken bij het onderzoek naar mogelijke wetgevende maatregelen, die ik later in deze brief zal toelichten.

Tegelijkertijd is, in samenwerking met NVVB en IND, een pilot opgezet om reeds gedane buitenlandse erkenningen van veelerkenners aan te vechten, onder andere op basis van meldingen van de IND. De IND merkt in het kader van het verblijfsrecht een erkenning soms aan als schijnerkenning. De IND meldt dit vervolgens aan de betreffende gemeente (met een zogenoemde terugmelding). Gemeenten maken voor het verzoek tot vernietiging gebruik van een standaardweigeringsbrief die is opgesteld door de NVVB en de IND.

Ik streeft ernaar in de volgende update over de aanpak van schijnerkenningen in oktober, uw Kamer de eerste ervaringen in deze pilots te kunnen melden.

Maatregelen waarvoor wetswijzigingen nodig zijn

Voor een structurele en duurzame aanpak zijn, naast de bovengenoemde lopende acties, structurele maatregelen nodig die wetswijzigingen vereisen. In vervolg op het coalitieakkoord is samen met verschillende departementen en ketenpartners (IND, VNG, NVVB en OM) gestart met een verkenning naar de wijze waarop die maatregelen nader kunnen worden uitgewerkt. Binnen dat traject wordt onderzocht of, en zo ja op welke wijze, de voorwaarden voor erkenning moeten worden aangescherpt wanneer erkenning nationaliteits- of verblijfsrechtelijke gevolgen heeft. Er wordt een samenhangend familierechtelijk pakket uitgewerkt waarin wordt gekeken naar:

  • • of het automatisch verkrijgen van het Nederlanderschap op grond van artikel 4, tweede lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) kan worden aangescherpt. Nu verkrijgt een kind dat jonger is dan 7 jaar dat wordt erkend door een Nederlander automatisch het Nederlanderschap. Hierbij is van belang dat de wens om schijnerkenningen effectief tegen te gaan wordt afgewogen tegen de belangen van de mensen die legitiem een kind erkennen en het recht van kinderen van Nederlandse ouders op een Nederlandse nationaliteit.

  • • aanscherping van erkenningsvoorwaarden in situaties met nationaliteits- of verblijfsgevolgen. Deze optie kan strategisch gebruik ontmoedigen en de beoordeling van de familierechtelijke relatie versterken;

  • • beperking van het aantal mogelijke gemeenten waar een individu een erkenning kan doen. Dit kan leiden tot meer expertise, minder «shoppen» tussen gemeenten en betere samenwerking binnen de keten;

  • • afschaffing van de notariële erkenning kan leiden tot meer overzicht en betere signalering binnen het gemeentelijke kader;

  • • verruiming van civielrechtelijke bevoegdheden tot het verzoeken van vernietiging van de erkenning voor de IND. Hierdoor kan de aansluiting tussen civielrechtelijke en verblijfsrechtelijke beoordeling verbeteren en ervoor zorgen dat binnen beide kaders op dezelfde manier hiermee wordt omgegaan;

  • • terughoudende afgifte van paspoorten of visa en betere signalering en doorzetting bij vermoedens van oneigenlijke erkenning in het buitenland. Dit kan voorkomen dat het kind en de ouder naar Nederland reizen en zij pas in Nederland worden geconfronteerd met het feit dat zij geen rechten kunnen ontlenen aan de Nederlandse erkenning.

Over de gekozen richting en planning, inclusief de verdere uitwerking van mogelijke wetsvoorstellen, zal ik uw Kamer in oktober nader informeren.

Strafrechtelijke aanpak

In het strafrechtelijke spoor wordt de nadruk gelegd op de fase vóór de erkenning, waarin zich gedragingen voordoen die kunnen duiden op oneigenlijk gebruik.

Uit de verkenning is gebleken dat bestaande civielrechtelijke en strafrechtelijke instrumenten nog beter benut kunnen worden. Het OM zet daarom in op het benutten van de bestaande strafbaarstellingen, zoals mensensmokkel, medeplichtigheid of uitlokking. Ook lopende pilots laten zien dat er substantiële ruimte is om de uitvoering aan te scherpen. Door het concreet maken van deze strafbare gedragingen, actief te signaleren en consequent te vervolgen, wordt de norm versterkt en de afschrikkende werking vergroot. Daarnaast wordt het handelingsperspectief vergroot, waardoor eerder ingrijpen bij vermoedens van oneigenlijk gebruik mogelijk wordt.

Voor het benutten van de huidige kaders zet het OM in op verbeteringen op de korte termijn, zoals het verhelderen van kwalificaties en handvatten voor opsporing en vervolging, en het versterken van signalering via werkprocesafspraken met ketenpartners.

Ik zal uw Kamer in oktober weer informeren over de voortgang van de genomen kortetermijnmaatregelen en de verder uitwerking van het pakket van lange termijn maatregelen.

Aanpak schijnerkenningen in Duitsland

In Duitsland is recent het wetsvoorstel Gesetz zur besseren Verhinderung missbräuchlicher Anerkennungen der Vaterschaft aangenomen. Deze wet beoogt zogenoemde schijnvaderschappen aan te pakken die uitsluitend worden aangegaan om verblijfsrechten of het Duitse staatsburgerschap te verkrijgen. De kern van de wijziging is dat de beslissingsbevoegdheid bij verdachte situaties niet langer bij notarissen of de burgerlijke stand ligt, maar bij de vreemdelingenautoriteit (Ausländerbehörden) op deelstaatniveau. Het is hierbij van belang op te merken dat het Duitse decentraal georganiseerde systeem sterk verschilt van hoe de bevoegdheden in Nederland zijn belegd. Door middel van de pilot van de NVVB en de IND om reeds gedane buitenlandse erkenningen van veelerkenners aan te vechten, onder andere op basis van meldingen van de IND, gaat de IND wel een actievere rol spelen bij het signaleren van mogelijke schijnerkenningen.

In Duitsland wordt in gevallen waarin sprake is van een duidelijk verschil in verblijfsrechtelijke positie tussen de ouders (aufenthaltsrechtliches Gefälle), de erkenning pas rechtsgeldig nadat de vreemdelingenautoriteit heeft ingestemd. Als de erkenner de biologische vader van het kind is, is toestemming van de vreemdelingenautoriteit niet nodig. Ook wanneer er tussen vader en kind een sociaal-familiaire relatie bestaat, of wanneer de erkenner daadwerkelijk verantwoordelijkheid voor het kind draagt, is er geen sprake van misbruik. De vreemdelingenautoriteit moet dit echter onderzoeken wanneer hiervoor geen door de burgerlijke stand controleerbare documenten of registerinschrijvingen beschikbaar zijn.

De Duitse ontwikkelingen worden nauw gevolgd en betrokken bij de verdere uitwerking van de Nederlandse aanpak, voor zover passend binnen het Nederlandse rechtsstelsel.

De Minister van Asiel en Migratie, G. van den Brink

Naar boven