33 118 Omgevingsrecht

HH VERSLAG VAN EEN NADER SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld9 juli 2026

De vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit1 heeft nader schriftelijk overleg gevoerd met de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over de wijziging Besluit activiteiten leefomgeving en Besluit kwaliteit leefomgeving (bescherming wolf en goudjakhals). Bijgaand brengt de commissie hiervan verslag uit. Dit verslag bestaat uit:

  • • De uitgaande brief van 3 juni 2026.

  • • De antwoordbrief van 6 juli 2026.

De griffier van de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Wolf

BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR LANDBOUW, NATUUR EN VOEDSELKWALITEIT

Aan de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

Den Haag, 3 juni 2026

De leden van de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit hebben met belangstelling kennisgenomen van uw brieven van 10 april 20262 en 24 april 20263 inzake de voorgenomen aanpassingen van zowel het aangepaste ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit activiteiten leefomgeving en van het Besluit kwaliteit leefomgeving (bescherming wolf en goudjakhals) als van de aangepaste nota van toelichting, waarin zijn verwerkt alle voorgenomen wijzigingen en aanvullingen zoals beschreven in de appreciatie van het advies van de Raad van State van 10 oktober 2025.4

Naar aanleiding hiervan hebben de leden van de fracties van de PvdD en de Fractie-Visseren-Hamakers een aantal vragen en opmerkingen. De fractieleden van PvdD sluiten zich aan bij de gestelde vragen door de Fractie-Visseren-Hamakers.

Vragen en opmerkingen door de fractieleden van de PvdD.

De leden van de fractie verzoeken u de (sub)vragen afzonderlijk te beantwoorden

Vraag 1

In uw brief van 24 april 2026 heeft u de Kamer geïnformeerd over uw voorgenomen aanpassingen, maar niet het ontwerp zoals u dat aan de Raad van State zou voorleggen bijgevoegd. De tekst daarvan moet op 24 april 2026 al bekend zijn geweest want enkele dagen later werd formeel om (spoed)advies gevraagd aan de Raad van State.

Welke bezwaren waren er die verhinderden dat aan de leden van de Kamer de tekst die op 29 april 2026 aan de Raad van State werd voorgelegd, als bijlage van uw brief van 24 april 2026 kon worden toegezonden?

Vraag 2

U heeft toegegeven dat voor het verlenen van een vergunning om een wolf te doden of te vangen, artikel II in het ontwerpbesluit niet nodig is, aangezien naar huidig recht zo’n vergunning kan worden verleend.

De leden van de fractie van de PvdD hadden gevraagd of u hun oordeel deelt dat – mede in het licht van het voorzorgsbeginsel – in afwachting van het oordeel van het Hof van Justitie van de Europese Unie over het beroep tegen de wijziging van de bijlage van de Habitatrichtlijn pas op de plaats dient te worden gemaakt als naar huidig recht artikel II niet nodig is om vergunning te kunnen verlenen voor het doden of vangen van een wolf die mensen aanvalt. U heeft op die vraag geen antwoord gegeven. Kunt u dat alsnog doen.

Vraag 3

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren hebben begrepen dat op grond van de Habitatrichtlijn de voorschriften van het ontwerp niet opzij kunnen zetten dat steeds zal moeten worden beoordeeld of het doden, vangen of verstoren van de wolf voldoet aan het vereiste dat ernaar moet worden gestreefd dat de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding blijven voortbestaan.

Vraag 3a

Erkent u dat?

Vraag 3b

Uit welke voorschriften van het ontwerp blijkt dat bij vergunningverlening in het individuele geval steeds aan dat vereiste dient te worden voldaan?

Vraag 3c

Waaruit blijkt dat het bewijsvermoeden zoals geregeld in artikel 8.74la, eerste lid van het Bkl dat vereiste nimmer opzij kan zetten?

Vraag 4

Deze leden hebben uit de Tweede Kamerbrief van 10 oktober 20255 begrepen dat is toegezegd om het verlenen van de zogeheten koepelvergunning uit het ontwerp te schrappen. Hoe verdraagt het opnemen van de zogeheten «vergunning op voorhand» zich met die toezegging?

Vraag 5

In artikel 8.74la, tweede lid worden de situaties geregeld die rechtvaardigen dat een wolf als «probleemwolf» wordt aangemerkt. Onder «onderdeel a ten vierde» wordt een wolf als probleemwolf aangemerkt als deze ten minste twee keer binnen een periode van twee weken schapen van een kudde letsel heeft toegebracht.

Vraag 5a

Als het aanvallen van schapen een natuurlijk gedrag is en de wolf geen agressie tegen mensen heeft vertoond, op grond waarvan oordeelt u het dan gerechtvaardigd om zo’n wolf als «probleemwolf» aan te merken zodat vergunning kan worden verleend om de wolf te doden?

Vraag 5b

Als de herder zonder wolfwerende honden de kudde in een gebied laat lopen waar de wolf zich kan bevinden, komt dan de mogelijkheid van een aanval op schapen door de wolf niet voor risico van de herder?

Vraag 5c

Vloeit uit de wetgeving en de Habitatrichtlijn niet voort dat het doden van een wolf die een niet door wolfwerende honden beschermde kudde aanvalt wettelijk niet zal zijn toegestaan omdat verzuimd is maatregelen te nemen (te weten te zorgen voor wolfwerende honden) die zo’n aanval hadden kunnen voorkomen?

Vraag 6

In artikel 8.74la, tweede lid, sub d wordt gesproken over het aanvallen door een wolf van dieren die «worden beschermd door een goed functionerend raster»

Vraag 6a

Kunt u bevestigen dat deze bepaling meebrengt dat als wolfwerende rasters niet op de voorgeschreven wijze zijn aangelegd en onderhouden, een aanval door een wolf niet kan leiden tot het aanmerken van de wolf als «probleemwolf»?

Vraag 6b

Hoe verdraagt zich de regeling dat een wolf geen «probleemwolf» is als die (als natuurlijk gedrag) landbouwhuisdieren aanvalt die niet door een goed functionerend raster zijn beschermd, met de schadevergoedingsregeling in artikel III?

Vraag 7

Het begrip «wolvendeskundige» is niet wettelijk gedefinieerd. Kunt u voorbeelden geven van personen die daartoe kunnen worden gerekend en aangeven welke criteria u daarbij hanteert.

Vraag 8

In artikel 8.74lb, tweede lid is sprake van een vergunning voor het doden «van wolven die (...) letsel toebrengen in toekomstige situaties».

Vraag 8a

Zien deze leden het goed dat bij die verlening nog niet is vastgesteld welke individuele wolven eventueel gedood kunnen worden? Hoe verdraagt zich dat met de eis dat in het individuele geval moet worden afgewogen of het doden van de betreffende wolf gerechtvaardigd is?

Vraag 8b

Kunt u precies aangeven welke afwegingen bij het verlenen van zo’n «vergunning op voorhand» moeten worden voltrokken en wat dient te zijn onderzocht?

Vraag 8c

Als de verlening betrekking heeft op het mogen doden van een «probleemwolf», zonder dat daarbij is aangegeven welke wolf men op het oog heeft, dan dient op een ander moment worden vastgesteld of een individuele wolf tot de in de vergunning bedoelde probleemwolf kan worden gerekend. Kunt u precies aangeven welke afwegingen daarbij moeten worden voltrokken en wat dient te zijn onderzocht?

Vraag 9

In het in vraag 8c bedoelde geval is het aanmerken van een bepaalde wolf als «probleemwolf» een besluit in de zin van de Awb, althans daarmee op één lijn te stellen.

Vraag 9a

Kunt u bevestigen dat dan zowel tegen de «vergunning op voorhand» als tegen het aanmerken van een bepaalde wolf als probleemwolf Awb-beroep openstaat.

Vraag 9b

Als de gedachte is dat er vast een vergunning «op de plank ligt» die slechts geïndividualiseerd behoeft te worden zodat er meer snelheid kan worden betracht, hoe verhoudt zich dat dan tot het feit dat niet één maar twee voor beroep vatbare besluiten aan de orde zullen zijn?

Vragen en opmerkingen van het fractielid van de Fractie-Visseren-Hamakers.

Het lid van de Fractie-Visseren-Hamakers wil van deze gelegenheid gebruik maken om u eraan te herinneren dat de toenmalige Staatssecretaris in zijn brief van 7 juli 20256 gehoor heeft gegeven aan het verzoek van de commissie LNV om geen onomkeerbare stappen te zetten voordat de Kamerbehandeling van het ontwerpbesluit is afgerond.

Het lid waardeert uw besluit om de Raad van State om advies te vragen over het nieuwe, aangepaste ontwerpbesluit, en kijkt uit naar het advies van de Raad van State en uw reactie hierop.

Vragen naar aanleiding van uw brief d.d. 24 april 20267

In de brief zegt u dat het huidige ontwerpbesluit, bij een gunstige staat van instandhouding, beheer van wolven mogelijk wordt gemaakt.

  • 1. Welke doelen zou dit beheer dienen?

De Raad van State heeft geadviseerd dat op dit moment een ongunstige staat van instandhouding het uitgangspunt is.

  • 2. Welke maatregelen neemt u om de gunstige staat van instandhouding van wolven te bewerkstelligen?

U stelt in de brief dat wolven «een gevaar kunnen vormen voor de mens».

  • 3. Waarop is deze uitspraak gebaseerd?

  • 4. Wat is de definitie van een «wolvendeskundige»?

  • 5. Aan welke voorwaarden moet iemand voldoen om als wolvendeskundige te worden aangemerkt?

  • 6. Moet een «wolvendeskundige» lid zijn van het Landelijk Deskundigenteam Wolf?

Vragen naar aanleiding van uw brief d.d. 10 april 20268

  • 7. Welk doel dienen de voorstellen als het onder de huidige regels al mogelijk is om een vergunning te verlenen voor het doden of vangen van een wolf?

  • 8. Bent u op de hoogte van de te verwachten termijn waarin het Hof van Justitie van de Europese Unie uitspraak doet over het beroep van verschillende organisaties tegen het besluit tot wijziging van de bijlagen bij de Habitatrichtlijn?

  • 9. Kunt u de Eerste Kamer informeren over de laatste stand van zaken van deze beroepszaak, voor zover deze bekend is bij het kabinet?

Vragen naar aanleiding van het ontwerpbesluit kwaliteit leefomgeving (bescherming wolf en goudjakhals)

  • 10. Wordt in een probleemsituatie, bij een besluit om een wolf over te brengen naar een ander gebied, rekening gehouden met het welzijn van de wolf en zijn/haar roedel, en met de impact van de verplaatsing op de staat van instandhouding van wolven? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?

  • 11. Wie is er verantwoordelijk voor de verplaatsing en op welke manier wordt een wolf verplaatst?

  • 12. Wordt in dat «andere gebied» gemonitord hoe het gaat met de verplaatste wolf?

  • 13. Kan zo’n «ander gebied» ook een gebied buiten Nederland betreffen?

  • 14. Aan welke voorwaarden moet zo’n «ander gebied» voldoen?

  • 15. Wie besluit over de geschiktheid van dit andere gebied?

  • 16. Wie besluit over de bestemming van de te verplaatsen wolf?

Het lid van de Fractie-Visseren-Hamakers maakt zich grote zorgen over de definitie van een probleemwolf. De meeste aspecten van de definitie betreffen niet-agressief gedrag (2.a. 1, 2, 3, 4, 5). De Raad van State was in haar advies ook kritisch over verschillende aspecten van de definities van probleemwolf en probleemsituatie.9

  • 17. Waarom heeft u ervoor gekozen niet-agressieve wolven als «probleemwolf» te definiëren?

  • 18. Welke definities van probleemwolf en probleemsituaties gelden in andere EU-landen en andere landen die lid zijn van het verdrag van Bern?

  • 19. Waarom heeft u de kritiek van de Raad van State over de verschillende aspecten van de definitie van probleemwolf en probleemsituatie niet (volledig) geadresseerd?

Met dit voorstel gaat Nederland vergunningen verlenen om gezonde, niet agressieve wolven af te schieten. Dit druist in tegen het advies van de Raad van State.

  • 20. Hoe verhoudt deze ruime definitie van probleemwolf – die ook wolven omvat die (nog) geen problemen hebben veroorzaakt – zich met de verplichting in de Habitatrichtlijn om zorg te dragen voor een gunstige staat van instandhouding?

  • 21. En hoe verhoudt deze definitie zich tot de huidige situatie van een – volgens het advies van de Raad van State – ongunstige staat van instandhouding?

  • 22. Hoe verhoudt deze definitie zich tot de eis dat een activiteit nodig is bv. in het kader van de openbare veiligheid? Als een wolf (nog) niet agressief is, kan er van een gevaar van de openbare veiligheid geen sprake zijn.

Sommige aspecten van deze definities kunnen, door mensen die kwaad willen, worden misbruikt, bijvoorbeeld artikel 8.74la, derde onder 2°: de wolf heeft ten minste twee keer getolereerd dat mensen naderen tot minder dan 30 meter.

  • 23. Bent u het met het lid van Fractie-Visseren-Hamakers eens dat de wolf er niets aan kan doen dat mensen te dichtbij komen?

  • 24. Hoe gaat u misbruik van de definitie van probleemwolf van tegenstanders van wolven tegen?

Ook sub b onder het tweede lid van de definitie van probleemwolf is problematisch. Een wolf wordt veroordeeld tot «probleemwolf» als hij/zij agressief reageert bij verstoring.

  • 25. Hoe wordt «verstoring» hier gedefinieerd?

  • 26. Waarom is ervoor gekozen om dit onderdeel te laten uitmaken van de definitie van een probleemwolf? De wolf kan er niets aan doen dat hij/zij wordt verstoord.

  • 27. Wordt bij deze definitie rekening gehouden met het natuurlijke gedrag van wolven, bijvoorbeeld de bescherming van welpjes door hun moeder?

Artikel 8.74la, tweede lid, sub d is wat het lid van de Fractie-Visseren-Hamakers betreft veel te breed. Als een wolf «in dezelfde gemeente of in een aangrenzende gemeente» vee heeft aangevallen. Het grondgebied van twee aanpalende gemeentes kan echt een behoorlijk groot gebied omvatten.

  • 28. Waarom heeft u voor deze definitie «in dezelfde gemeente of in een aangrenzende gemeente gekozen?

  • 29. Wat is de definitie van aversieve conditionering? Welke handelingen vallen onder deze definitie?

  • 30. Wat is de definitie van «pogingen» in de term «pogingen tot aversieve conditionering»?

  • 31. Waarom is er niet voor gekozen om voorlichting van inwoners over hoe zich te gedragen in de aanwezigheid van wolven op te nemen als andere bevredigende oplossing voor probleemsituaties?

  • 32. Wanneer is aversieve conditionering «niet praktisch uitvoerbaar»?

  • 33. Wie besluit of aversieve conditionering al dan niet praktisch uitvoerbaar is?

  • 34. Wat is bij artikel 8.74la, derde lid, onder 1° de definitie van «hetzelfde gebied»?

  • 35. Wat is bij artikel 8.74la, derde lid, onder 3° de definitie van «geïnteresseerd lijkt»? Wat voor gedrag vertoont een wolf die geïnteresseerd lijkt?

  • 36. Hoe dicht moet een wolf in artikel 8.74la, derde lid, honden hebben benaderd om als probleemwolf te worden aangemerkt?

  • 37. Wanneer is een wolf bij artikel 8.74la, derde lid, een probleemwolf? Dit kunnen volgens de definitie verschillende huizen zijn, de honden kunnen binnen zijn. Waarom is dit een probleemsituatie?

De definitie van probleemwolf en probleemsituatie zijn dus minder nauwkeurig dan u stelt in de nota van toelichting. Ze zijn voor meerdere interpretaties vatbaar, omdat in de definitie gebruikte termen niet zijn gedefinieerd.

  • 38. Graag een reactie van u op deze constatering.

  • 39. Bent u het met het lid van de Fractie-Visseren-Hamakers eens dat incidenten met wolven voorkomen kunnen worden door bijvoorbeeld (1) betere voorlichting te geven aan recreanten in desbetreffende natuurgebieden en (2) het in het leven roepen van tijdelijke rustgebieden voor wolven, met name tijdens de zoogtijd van de welpen? Zo ja, wat doet de overheid om deze maatregelen te realiseren? Zo nee, waarom niet?

Vragen naar aanleiding van de Nota van toelichting

Een omgevingsvergunning voor het doden van «probleemwolven» of het vangen van wolven kan in het voorstel voor langere periode worden verleend.

  • 40. Hoe verhoudt deze algemene vergunning voor langere tijd zich tot de verplichting om zeker te zijn dat de te doden wolf de «juiste» «probleemwolf» is?

  • 41. Hoe verhoudt deze algemene vergunning zich tot de kritiek van de Raad van State over «koepelvergunningen»?

  • 42. Hoeveel incidenten tussen mensen en wolven hebben zich de afgelopen jaren voorgedaan? Graag een overzicht per jaar (of per rapporteringsperiode van BIJ1210).

  • 43. Welk percentage van aanvallen door wolven van buiten gehouden dieren betrof dieren die niet volgens de wettelijke vereisten waren beschermd tegen roofdieren?

In maart 2024 heeft de toenmalige Minister voor Natuur en Stikstof de toezegging gedaan om voor de zomer van 2024 de invulling van de norm van artikel 1.6 met de Eerste Kamer te delen11. Er zijn inmiddels ruim twee jaar verstreken na deze toezegging. Dit lid vindt deze norm overigens helemaal niet open – houders van dieren moeten hun dieren beschermen tegen roofdieren – dat is volgens dit lid een heldere eis die prima kan worden gehandhaafd. Maar de vertraging van de invulling van de zogenaamde open norm heeft grote consequenties. Veel dieren die hadden kunnen worden beschermd zijn gedood door wolven. Bovendien heeft de wolf een slechte reputatie gekregen mede door de nalatigheid van diereneigenaren bij de bescherming van dieren die van hen voor hun veiligheid en welzijn afhankelijk zijn.

  • 44. Wat is de stand van zaken met betrekking tot de invulling van de open norm van artikel 1.6 van het Besluit houders van dieren? Wanneer kan de invulling van de uitwerking met deze Kamer worden gedeeld?

  • 45. Waarom heeft het – tot nu toe – meer dan twee jaar geduurd om de norm nader uit te werken?

  • 46. Wanneer gaat u de norm handhaven?

  • 47. Hoe zal er gehandhaafd worden?

  • 48. Is er voldoende handhavingscapaciteit beschikbaar? Effectieve handhaving kan schapen- én wolvenlevens redden.

De leden van de commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit zien uit naar de beantwoording van bovenstaande vragen en verzoeken u deze uiterlijk binnen vier weken na dagtekening van deze brief aan de Eerste Kamer aan te bieden.

De voorzitter van de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, G.J. Oplaat

BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN LANDBOUW, VISSERIJ, VOEDSELZEKERHEID EN NATUUR

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 6 juli 2026

Hierbij stuur ik u de antwoorden op de vragen van de leden van de fracties van de PvdD en de Fractie Visseren Hamakers over de voorgenomen aanpassingen van zowel het aangepaste ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit activiteiten leefomgeving en van het Besluit kwaliteit leefomgeving (bescherming wolf en goudjakhals) als van de aangepaste nota van toelichting.

De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, S.P.A. Erkens

Vragen en opmerkingen door de fractieleden van de PvdD.

1.

In uw brief van 24 april 2026 heeft u de Kamer geïnformeerd over uw voorgenomen aanpassingen, maar niet het ontwerp zoals u dat aan de Raad van State zou voorleggen bijgevoegd. De tekst daarvan moet op 24 april 2026 al bekend zijn geweest want enkele dagen later werd formeel om (spoed)advies gevraagd aan de Raad van State. Welke bezwaren waren er die verhinderden dat aan de leden van de Kamer de tekst die op 29 april 2026 aan de Raad van State werd voorgelegd, als bijlage van uw brief van 24 april 2026 kon worden toegezonden?

Antwoord

Op 24 april 2026 moest nog bespreking in de ministerraad plaatsvinden over een tweede adviesaanvraag aan de Afdeling advisering van de Raad van State (hierna: Raad van State) over de aangepaste tekst van het ontwerpbesluit.

De bijzonderheid doet zich hier voor dat het parlement in 2025 aan het einde van de voorhangperiode heeft verzocht geen onomkeerbare stappen te zetten, waarop mijn ambtsvoorganger heeft aangegeven wel parallel aan de behandeling in het parlement over het ontwerpbesluit spoedadvies aan de Raad van State te vragen, maar dat daarmee geen onomkeerbare stappen worden gezet. Tegen die specifieke achtergrond is het parlement vervolgens, in afwijking van de normale gang van zaken bij een voorhangprocedure, bij brief geïnformeerd over de voorgenomen aanpassingen van het ontwerpbesluit naar aanleiding van het advies van de Raad van State. Het na het advies opnieuw aan het parlement voorleggen van de integrale aangepaste teksten van een ontwerpbesluit is echter een wezenlijke stap verder, waarmee alles opnieuw in volle omvang voorligt bij het parlement. De voorhangprocedure voorziet hier niet in.

Overigens is het gewijzigde ontwerpbesluit in het kader van de tweede adviesaanvraag aan de Raad van State, conform de vaste procedure bij het aanhangig maken van ontwerpwetgeving bij de Raad van State, openbaar gemaakt via de wetgevingskalender.12

2.

U heeft toegegeven dat voor het verlenen van een vergunning om een wolf te doden of te vangen, artikel II in het ontwerpbesluit niet nodig is, aangezien naar huidig recht zo’n vergunning kan worden verleend. De leden van de fractie van de PvdD hadden gevraagd of u hun oordeel deelt dat – mede in het licht van het voorzorgsbeginsel – in afwachting van het oordeel van het Hof van Justitie van de Europese Unie over het beroep tegen de wijziging van de bijlage van de Habitatrichtlijn pas op de plaats dient te worden gemaakt als naar huidig recht artikel II niet nodig is om vergunning te kunnen verlenen voor het doden of vangen van een wolf die mensen aanvalt. U heeft op die vraag geen antwoord gegeven. Kunt u dat alsnog doen.

Antwoord

In mijn beantwoording heb ik gewezen op het belang om met deze amvb extra handvatten te bieden aan de bevoegde gezagen voor een adequate aanpak van ernstige incidenten met wolven. In eerdere beantwoording is al door mijn ambtsvoorganger ingegaan op de juistheid van de gevolgde procedure met betrekking tot het EU-besluit tot wijziging van de beschermingsstatus van de wolf in het licht van de vereisten van het Verdrag van Lissabon. Er is voor het kabinet geen aanleiding om aan de geldigheid van dat besluit te twijfelen. Het voorzorgsbeginsel in het milieurecht gaat ook niet zover dat bij een hofprocedure tegen een EU-besluit, door lidstaten geen gevolg aan dat besluit zou moeten worden gegeven.

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren hebben begrepen dat op grond van de Habitatrichtlijn de voorschriften van het ontwerp niet opzij kunnen zetten dat steeds zal moeten worden beoordeeld of het doden, vangen of verstoren van de wolf voldoet aan het vereiste dat ernaar moet worden gestreefd dat de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding blijven voortbestaan.

3a.

Erkent u dat?

Antwoord

Het ontwerpbesluit laat de toetsing van de te verlenen vergunningen aan de staat van instandhouding onverlet. Daar wordt ook voor de wolf geen uitzondering op gemaakt en daarvoor geldt ook geen bewijsvermoeden ingeval sprake is van een probleemwolf of een probleemsituatie met een wolf in de zin van het ontwerpbesluit.

3b.

Uit welke voorschriften van het ontwerp blijkt dat bij vergunningverlening in het individuele geval steeds aan dat vereiste dient te worden voldaan?

Antwoord

Dit blijkt uit het feit dat het nieuwe artikel 8.74la, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) een bewijsvermoeden introduceert ten opzichte van vereisten van artikel van artikel 8.74l van het Bkl, namelijk de afwezigheid van minder schadelijke alternatieven (a) en de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond daarvoor (b). Het vereiste van de toets aan de gunstige staat van instandhouding is opgenomen in artikel 8.74l, eerste lid, aanhef en onder c. Daarop heeft het bewijsvermoeden van artikel 8.74la, eerste lid, geen betrekking.

3c.

Waaruit blijkt dat het bewijsvermoeden zoals geregeld in artikel 8.74la, eerste lid van het Bkl dat vereiste nimmer opzij kan zetten?

Antwoord

Verwezen wordt naar het antwoord op vraag 3b.

4.

Deze leden hebben uit de Tweede Kamerbrief van 10 oktober 202513 begrepen dat is toegezegd om het verlenen van de zogeheten koepelvergunning uit het ontwerp te schrappen. Hoe verdraagt het opnemen van de zogeheten «vergunning op voorhand» zich met die toezegging?

Antwoord

In de genoemde brief heeft mijn ambtsvoorganger inderdaad zijn voornemen geuit om, gelet op het advies van de Raad van State, de koepelvergunning te schrappen. Ik heb daarna nog een keer goed naar de amvb gekeken en daarbij gezocht naar mogelijkheden om in de meest ernstige situaties van agressie sneller in te kunnen grijpen, terwijl ook recht wordt gedaan aan de kritiekpunten van de Raad van State over de koepelvergunning. Deze heb ik gevonden in de vormgeving van de vergunning op voorhand. Ook op een ander punt heb ik een andere afweging gemaakt: ik heb een beperking aangebracht bij de situaties die in het nieuwe artikel 8.74la van het Bkl worden aangemerkt als probleemwolf, om tegemoet te komen aan het advies van de Raad van State om voor de toepassing van het bewijsvermoeden in dat artikel de kwalificatie «probleemwolf» nadrukkelijk te beperken tot de meest ernstige situaties van agressie. Ik verwijs graag naar mijn brief van 8 juni jl. (Kamerstukken I 2025/26, 33 118, HF).

In artikel 8.74la, tweede lid worden de situaties geregeld die rechtvaardigen dat een wolf als «probleemwolf» wordt aangemerkt. Onder «onderdeel a ten vierde» wordt een wolf als probleemwolf aangemerkt als deze ten minste twee keer binnen een periode van twee weken schapen van een kudde letsel heeft toegebracht.

5a.

Als het aanvallen van schapen een natuurlijk gedrag is en de wolf geen agressie tegen mensen heeft vertoond, op grond waarvan oordeelt u het dan gerechtvaardigd om zo’n wolf als «probleemwolf» aan te merken zodat vergunning kan worden verleend om de wolf te doden?

Antwoord

In dit artikelonderdeel wordt een wolf die twee keer binnen twee weken schapen uit eenzelfde kudde die onder bescherming van een herder staan letsel heeft toegebracht, aangemerkt als probleemwolf, mits aversieve afschrikking niet heeft gewerkt of niet uitvoerbaar is gebleken. Zonder die voorwaarde gerelateerd aan aversieve afschrikking, zou het te ver gaan om daaraan zondermeer het bewijsvermoeden te verbinden dat er geen minder ingrijpende oplossingen dan het doden of vangen van de wolf beschikbaar zijn, en dat aan de rechtvaardigingsgronden voor het doden of vangen opgenomen in artikel 8.74l Bkl is voldaan. Maar dat is anders als de wolf zich ook niet laat afschrikken. Als aversieve afschrikking is toegepast, maar niet of onvoldoende effect heeft, kan een wolf in deze situatie als «probleemwolf» worden aangemerkt. Het risico voor schaapskudden blijft dan immers bestaan.

Het gaat bij de aanvullende voorziening van het nieuwe artikel 8.74la van het Bkl niet alleen om situaties waarbij mensen worden aangevallen. Ook de bescherming van schaapskuddes en andere landbouwhuisdieren valt daaronder. Het voorkomen van ernstige schade aan veehouderijen en andere vormen van eigendom is een zelfstandige rechtvaardigingsgrond voor het vangen of doden van in het wild leven dieren die is voorzien in artikel 16 van de Habitatrichtlijn en in artikel 8.74l van het Bkl. Het bewijsvermoeden van artikel 8.74la, eerste lid, van het Bkl is daarop van toepassing in de hiervoor besproken situatie van aanvallen op schaapskudden. Bij het vaststellen of er in een bepaalde situatie daadwerkelijk sprake is van een probleemwolf of probleemsituatie, wordt ook altijd een wolvendeskundige geraadpleegd. Hiermee wordt verzekerd dat er sprake is van een probleemwolf.

5b

Als de herder zonder wolfwerende honden de kudde in een gebied laat lopen waar de wolf zich kan bevinden, komt dan de mogelijkheid van een aanval op schapen door de wolf niet voor risico van de herder?

Antwoord

Een herder kan zijn kudde op verschillende manieren beschermen tegen aanvallen van wolven. Het gebruik van kuddebeschermingshonden is daarvoor een mogelijkheid maar geen verplichting.

5c

Vloeit uit de wetgeving en de Habitatrichtlijn niet voort dat het doden van een wolf die een niet door wolfwerende honden beschermde kudde aanvalt wettelijk niet zal zijn toegestaan omdat verzuimd is maatregelen te nemen (te weten te zorgen voor wolfwerende honden) die zo’n aanval hadden kunnen voorkomen?

Antwoord

Het is juist dat volgens het reguliere regime van artikel 8.74l van het Bkl reële alternatieven, zoals een adequate bescherming van de kudde, moeten ontbreken wil het afschot of vangen kunnen plaatsvinden. Als een wolf niet in een gunstige staat van instandhouding verkeert, vloeit dit ook voort uit de overeenkomstig artikel 14 van de Habitatrichtlijn te bieden bescherming en de op grond van artikel 16 van die richtlijn daarop toe te laten afwijkingen. Daarom wordt in dit verband in het nieuwe artikel 8.74la, tweede lid, onderdeel a, onder 4°, van het Bkl als voorwaarde voor de toepasselijkheid van het bewijsvermoeden in het eerste lid van dat artikel gesteld, dat de schaapskudde onder bescherming van een herder moet staan. Hoe deze de bescherming precies vormgeeft is primair aan de herder, maar de maatregelen moeten zo doeltreffend mogelijk worden ingevuld als redelijkerwijs gevraagd kan worden. Verwezen wordt verder naar mijn antwoord op vraag 5b.

In artikel 8.74la, tweede lid, sub d wordt gesproken over het aanvallen door een wolf van dieren die «worden beschermd door een goed functionerend raster»

6a.

Kunt u bevestigen dat deze bepaling meebrengt dat als wolfwerende rasters niet op de voorgeschreven wijze zijn aangelegd en onderhouden, een aanval door een wolf niet kan leiden tot het aanmerken van de wolf als «probleemwolf»?

Antwoord

Het gebruik van een goed functionerend raster is inderdaad een voorwaarde om een wolf als probleemwolf in de zin van het nieuwe artikel 8.74la, tweede lid, onder d, van het Bkl te kunnen aanmerken.

6b.

Hoe verdraagt zich de regeling dat een wolf geen «probleemwolf» is als die (als natuurlijk gedrag) landbouwhuisdieren aanvalt die niet door een goed functionerend raster zijn beschermd, met de schadevergoedingsregeling in artikel III?

Antwoord

De schadevergoeding is een provinciale bevoegdheid, vastgelegd in het interprovinciale Wolvenplan 2025 en is vooralsnog niet gekoppeld aan het gebruik van wolfwerende rasters. In dat provinciale plan is opgenomen dat op termijn ook in de provinciale beleidskaders de koppeling wordt gemaakt tussen tegemoetkomingen en de mate waarin vee wordt beschermd.14

7.

Het begrip «wolvendeskundige» is niet wettelijk gedefinieerd. Kunt u voorbeelden geven van personen die daartoe kunnen worden gerekend en aangeven welke criteria u daarbij hanteert.

Antwoord

Provincies hebben de wens geuit om wolvendeskundigen te kunnen inzetten. De deskundigheid van de wolvendeskundige kan in ieder geval blijken uit kennis en ervaring op een specifiek onderwerp over de wolf door wetenschappelijke publicaties of breed erkende meerjarige professionele ervaring. Een deskundige kan vanuit zijn expertise bijvoorbeeld het gedrag van de wolf in de specifieke situatie interpreteren, ook in het licht van de beoordelingsregels, en een objectieve en onpartijdige analyse geven aan het bevoegd gezag over de situatie en mogelijk aanpak. Provincies kunnen zelf bepalen welke deskundigheid er in specifieke gevallen nodig is en eventueel nadere eisen stellen aan de in te schakelen deskundige.

Om provincies hierbij te helpen, ondersteun ik bij de oprichting van het Landelijk Deskundigenteam Wolven, dat zal bestaan uit deskundigen met brede expertise, waaronder deskundigheid over wolvengedrag, juridische kennis en diergeneeskundige deskundigheid. De provincies hebben het voortouw bij de inrichting van dit team. Het doel van dit Landelijk Deskundigenteam is de bevoegde overheden van duiding en onafhankelijk advies te voorzien bij incidenten. Bij het inschakelen van een deskundige kunnen de provincies ervoor kiezen een deskundige te raadplegen uit dit op te richten Landelijk Deskundigenteam.

In artikel 8.74lb, tweede lid is sprake van een vergunning voor het doden «van wolven die (…) letsel toebrengen in toekomstige situaties».

8a.

Zien deze leden het goed dat bij die verlening nog niet is vastgesteld welke individuele wolven eventueel gedood kunnen worden? Hoe verdraagt zich dat met de eis dat in het individuele geval moet worden afgewogen of het doden van de betreffende wolf gerechtvaardigd is?

Antwoord

Het gaat inderdaad om een vergunning voor toekomstige situaties, waarbij op het moment van vergunningverlening nog onduidelijk is welke wolf het betreft. Bij de verlening van deze vergunning is het bewijsvermoeden van overeenkomstige toepassing, waardoor het bevoegd gezag bij de beoordeling in beginsel kan uitsluiten dat er minder ingrijpende alternatieve maatregelen beschikbaar zijn en ervan uit kan gaan dat er een rechtvaardigingsgrond is. Ook kan op het moment van verlening worden getoetst of geen afbreuk wordt gedaan aan het streven naar een gunstige staat van instandhouding. Gelet op het feit dat het hier om zeer incidentele gevallen gaat, want gekoppeld aan de meest ernstige situatie van agressie en bovendien in een context van een nog steeds groeiende populatie, zal een negatief effect naar verwachting kunnen worden uitgesloten. Daarnaast moet ook het van hogere orde zijnde universele recht op leven en verbod van foltering (artikelen 2 en 3 van het EVRM en artikel 2 van het Handvest grondrechten van de Europese Unie) in de afweging bij de verlening van deze vergunning worden betrokken. Deze grondrechten vragen de overheid immers om actief invulling te geven aan het voorkomen van inbreuken op deze rechten en in te grijpen en zich in te spannen om het leven en welzijn van ingezetenen te beschermen als er een acuut risico dreigt voor dat leven of het oplopen van verwondingen. De nota van toelichting is op dit punt aangevuld.

Omdat op het moment van vergunningverlening nog niet is vastgesteld om welke wolf het gaat, is het van belang dat extra wordt geborgd dat deze vergunning alleen wordt gebruikt in die situatie waarvoor de vergunning is bedoeld. Daartoe wordt in de amvb geregeld dat aan zo’n vergunning een voorschrift wordt verbonden. In mijn brief van 8 juni jl. (Kamerstukken I 2025/26, 33 118, HF) heb ik toegelicht dat ik naar aanleiding van het tweede advies van de Raad van State de bepaling over die vaststelling wijzig in een advies- en informatieplicht waaraan de vergunninghouder moet voldoen vóórdat hij daadwerkelijk gebruik kan maken van de vergunning in een concrete situatie. Dat voorschrift houdt in dat de vergunninghouder het bevoegd gezag om advies moet vragen over het gebruik van de vergunning in het specifieke geval – waarbij het bevoegd gezag een deskundige raadpleegt – en vervolgens het bevoegd gezag moet informeren over de wijze waarop hij bij het gebruik van de vergunning gevolg geeft aan het advies van het bevoegd gezag en de wolvendeskundige.

8b.

Kunt u precies aangeven welke afwegingen bij het verlenen van zo’n «vergunning op voorhand» moeten worden voltrokken en wat dient te zijn onderzocht?

Antwoord

Zie mijn antwoord op vraag 8a.

8c.

Als de verlening betrekking heeft op het mogen doden van een «probleemwolf», zonder dat daarbij is aangegeven welke wolf men op het oog heeft, dan dient op een ander moment worden vastgesteld of een individuele wolf tot de in de vergunning bedoelde probleemwolf kan worden gerekend. Kunt u precies aangeven welke afwegingen daarbij moeten worden voltrokken en wat dient te zijn onderzocht?

Antwoord

Zie mijn antwoord op vraag 8a.

In het in vraag 8c bedoelde geval is het aanmerken van een bepaalde wolf als «probleemwolf» een besluit in de zin van de Awb, althans daarmee op één lijn te stellen.

9a.

Kunt u bevestigen dat dan zowel tegen de «vergunning op voorhand» als tegen het aanmerken van een bepaalde wolf als probleemwolf Awb-beroep openstaat.

Antwoord

Nee. Naar aanleiding van vragen van de Raad van State over het rechtskarakter van de in feitelijke vaststelling, heb ik – zoals toegelicht in mijn brief van 8 juni jl. (Kamerstukken I 2025/26 33 118 HF) – de bepaling over de vaststelling zoals deze in de opnieuw aan de Raad van State voorgelegde versie is opgenomen gewijzigd zodat onduidelijkheden over het rechtskarakter worden voorkomen en daarnaast de snelheid van het proces blijft behouden. In het antwoord op vraag 8a heb ik toegelicht dat dit gewijzigde voorschrift wordt vormgegeven in een advies- en informatieplicht. Een door het bevoegd gezag uit te brengen advies is geen besluit waartegen bezwaar en beroep openstaat.

9b.

Als de gedachte is dat er vast een vergunning «op de plank ligt» die slechts geïndividualiseerd behoeft te worden zodat er meer snelheid kan worden betracht, hoe verhoudt zich dat dan tot het feit dat niet één maar twee voor beroep vatbare besluiten aan de orde zullen zijn?

Antwoord

Zie hierover mijn antwoord op vraag 9a. Er is hierbij geen sprake van twee voor beroep vatbare besluiten.

Vragen en opmerkingen van het lid van de Fractie-Visseren-Hamakers.

Het lid van de Fractie-Visseren-Hamakers wil van deze gelegenheid gebruik maken om u eraan te herinneren dat de toenmalige Staatssecretaris in zijn brief van 7 juli 202515 gehoor heeft gegeven aan het verzoek van de commissie LNV om geen onomkeerbare stappen te zetten voordat de Kamerbehandeling van het ontwerpbesluit is afgerond.

Het lid waardeert uw besluit om de Raad van State om advies te vragen over het nieuwe, aangepaste ontwerpbesluit, en kijkt uit naar het advies van de Raad van State en uw reactie hierop.

Vragen naar aanleiding van uw brief d.d. 24 april 202616

In de brief zegt u dat het huidige ontwerpbesluit, bij een gunstige staat van instandhouding, beheer van wolven mogelijk wordt gemaakt.

1.

Welke doelen zou dit beheer dienen?

Antwoord

Beheer kan worden ingezet om de omvang van de wolvenpopulatie te beperken, zodat incidenten met wolven tot een minimum beperkt kunnen worden. Momenteel is de staat van instandhouding van de wolf nog onbekend, waardoor in beleid en wetgeving vanuit voorzorg moet worden uitgegaan van een ongunstige staat van instandhouding. Populatiebeheer is in deze situatie niet aan de orde.

2.

Welke maatregelen neemt u om de gunstige staat van instandhouding van wolven te bewerkstelligen?

Antwoord

Voor behouden of herstellen van een staat van instandhouding op populatieniveau is samenwerking noodzakelijk met buurlanden waarmee Nederland de wolvenpopulatie deelt. Ik zet daarom in op een versterking en verbreding van deze internationale samenwerking om te komen tot populatiebenadering waarin de Centraal-Europese wolvenpopulatie (waar de Nederlandse populatie toe behoort) als één geheel kan worden beschouwd. Dit is nodig om op termijn beheer mogelijk te maken. Het realiseren van deze samenwerking is een uitdagend proces, waarin ik voortdurend zoek naar kansen en mogelijkheden. Op 8 en 9 juli aanstaande zal ik op werkbezoek gaan naar Duitsland om over nadere samenwerking te spreken. Daarnaast werk ik met Vlaanderen, Wallonië en Luxemburg aan het verdiepen van de samenwerking in Benelux-verband.

U stelt in de brief dat wolven «een gevaar kunnen vormen voor de mens».

3.

Waarop is deze uitspraak gebaseerd?

Antwoord

In de afgelopen jaren zijn er incidenten geweest waarbij mensen door wolven zijn gebeten. Deze laten zien dat wolven een gevaar kunnen vormen voor de mens.

4.

Wat is de definitie van een «wolvendeskundige»?

Antwoord

Zie in dit verband mijn antwoord op vraag 7 van de fractieleden van de PvdD.

5.

Aan welke voorwaarden moet iemand voldoen om als wolvendeskundige te worden aangemerkt?

Antwoord

Het is aan het bevoegd gezag om een deskundige te kiezen en eventueel nadere eisen te stellen aan deze deskundige. Het hiervoor genoemde Landelijk Deskundigenteam Wolven kan hier een goede invulling aan geven. Zie hierover ook mijn antwoord op vraag 7 van de fractieleden van de PvdD.

6.

Moet een «wolvendeskundige» lid zijn van het Landelijk Deskundigenteam Wolf?

Antwoord

Nee. Zie hierover mijn antwoord op vraag 7 van de fractieleden van de PvdD.

Vragen naar aanleiding van uw brief d.d. 10 april 202617

7.

Welk doel dienen de voorstellen als het onder de huidige regels al mogelijk is om een vergunning te verlenen voor het doden of vangen van een wolf?

Antwoord

Het besluit heeft onder meer tot doel om het bevoegd gezag meer handvatten te geven voor een adequaat optreden bij incidenten met wolven. De specifieke beoordelingsregels introduceren een wettelijk bewijsvermoeden, waardoor de bewijslast bij die vergunningverlening wordt verlicht ingeval sprake is van een «probleemwolf» of een «probleemsituatie met een wolf». Hierdoor kan in die situaties sneller en adequater worden opgetreden. Daarnaast maakt de vergunning op voorhand het mogelijk voor het bevoegd gezag om voor de meest ernstige situaties van agressie – waarbij sprake is van wolven die mensen aanvallen en hen letsel toebrengen – een extra versnelling te realiseren. Als zo’n vergunning op voorhand is verleend, ligt de vergunning «op de plank» en hoeft als zich zo’n ernstig incident voordoet niet meer eerst een volledig vergunningverleningstraject te worden doorlopen.

8.

Bent u op de hoogte van de te verwachten termijn waarin het Hof van Justitie van de Europese Unie uitspraak doet over het beroep van verschillende organisaties tegen het besluit tot wijziging van de bijlagen bij de Habitatrichtlijn?

Antwoord

Nederland is geen partij in deze rechtszaak. Ik ben daarom niet op de hoogte van het verloop van de procedure. Het Hof geeft overigens in procedures over het algemeen niet aan binnen welke termijn uitspraak kan worden verwacht.

9.

Kunt u de Eerste Kamer informeren over de laatste stand van zaken van deze beroepszaak, voor zover deze bekend is bij het kabinet?

Antwoord

Zie mijn antwoord op vraag 8.

Vragen naar aanleiding van het ontwerpbesluit kwaliteit leefomgeving (bescherming wolf en goudjakhals)

10.

Wordt in een probleemsituatie, bij een besluit om een wolf over te brengen naar een ander gebied, rekening gehouden met het welzijn van de wolf en zijn/haar roedel, en met de impact van de verplaatsing op de staat van instandhouding van wolven? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?

Antwoord

Gedeputeerde staten zullen, als bevoegd gezag, in de regel bij het verlenen van een vergunning rekening houden met het welzijn van de wolf en diens roedel, en met de impact van de verplaatsing op de staat van instandhouding van wolven in Nederland. Deze onderwerpen zijn onderdeel van de omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit op grond van de Omgevingswet. Hier gelden ook de algemene verplichting van artikel 11.28 van het Besluit activiteiten leefomgeving om onnodig lijden te voorkomen en de kaders van de Wet dieren.

11.

Wie is er verantwoordelijk voor de verplaatsing en op welke manier wordt een wolf verplaatst?

Antwoord

Gedeputeerde staten zijn als bevoegd gezag verantwoordelijk voor de vergunning voor het vangen en verplaatsen van een wolf. Zij kunnen aan deze vergunning voorwaarden verbinden. De manier van verplaatsen kan onderdeel uitmaken van deze voorwaarden.

12.

Wordt in dat «andere gebied» gemonitord hoe het gaat met de verplaatste wolf?

Antwoord

Er is geen verplichte monitoring van een verplaatste wolf. Uiteraard staat het het bevoegd gezag vrij om afspraken te maken om een verplaatste wolf te monitoren.

13.

Kan zo’n «ander gebied» ook een gebied buiten Nederland betreffen?

Antwoord

Dit is mogelijk.

14.

Aan welke voorwaarden moet zo’n «ander gebied» voldoen?

Antwoord

Het Bevoegd gezag kan als onderdeel van de vergunning voorwaarden stellen aan het gebied waar de wolf naartoe wordt verplaatst. Hiervoor bestaan geen richtlijnen, omdat het leefgebied van wolven een grote diversiteit kent.

15.

Wie besluit over de geschiktheid van dit andere gebied?

Antwoord

Zie mijn antwoord op vraag 14.

16.

Wie besluit over de bestemming van de te verplaatsen wolf?

Antwoord

Zie mijn antwoord op vraag 14.

Het lid van de Fractie-Visseren-Hamakers maakt zich grote zorgen over de definitie van een probleemwolf. De meeste aspecten van de definitie betreffen niet-agressief gedrag (2.a. 1, 2, 3, 4, 5). De Raad van State was in haar advies ook kritisch over verschillende aspecten van de definities van probleemwolf en probleemsituatie.18

17.

Waarom heeft u ervoor gekozen niet-agressieve wolven als «probleemwolf» te definiëren?

Antwoord

Zoals ik in mijn brief van 24 april jl. heb toegelicht, heb ik de definities van «probleemwolf» en «probleemsituatie met een wolf» in het nieuwe artikel 8.74la, tweede en derde lid, van het Bkl naar aanleiding van het advies van de Raad van State opnieuw tegen het licht gehouden. Dit heeft ertoe geleid dat de definitie van «probleemwolf» is beperkt tot de meest ernstige situaties van gebleken agressie. De overige situaties worden gezien als een »probleemsituatie met een wolf».

Bij het doden of vangen van «probleemwolven» gaat het dus om uitzonderlijke gevallen. Het gaat dan om situaties waarin de wolf agressief op mensen reageert of mensen aanvalt, zonder te zijn verstoord, om situaties waarin de wolf mensen letsel toebrengt en om situaties waarin de wolf binnen een korte periode herhaaldelijk goed beschermd vee of paarden en pony’s aanvalt en daarbij letsel aan de dieren toebrengt. Daarnaast gaat het om een aantal ernstige probleemsituaties (tweede lid, onder a) waarbij om te kunnen spreken van «probleemwolf» aversieve afschrikking moet zijn toegepast nadat zo’n situatie zich heeft voorgedaan. Pas als die afschrikking niet heeft gewerkt of niet mogelijk is geweest, is sprake van een probleemwolf. Bij deze probleemsituaties gaat het om situaties waarbij de wolf na te zijn verstoord agressief op mensen reageert en deze aanvalt, om situaties waarbij een wolf zich herhaaldelijk in de buurt van speelplekken van kinderen bevindt, en om situaties waarin een onder bescherming van een schaapsherder staande schaapskudde binnen een korte periode herhaaldelijk is aangevallen met letsel voor deze schapen tot gevolg.

De Raad van State heeft in haar advies over het gewijzigde ontwerpbesluit van 20 mei jl. aangegeven dat de beoordelingsregels voor een «probleemwolf» zijn verhelderd. Zij constateert ook dat de aangepaste reikwijdte van de gewijzigde beoordelingsregels het risico verkleint dat in een rechterlijke procedure over de toepassing van deze beoordelingsregels op een vergunningaanvraag zal worden geoordeeld dat sprake is van strijdigheid met de habitatrichtlijn.

18.

Welke definities van probleemwolf en probleemsituaties gelden in andere EU-landen en andere landen die lid zijn van het verdrag van Bern?

Antwoord

De meeste lidstaten hanteren geen definities voor probleemwolf en probleemsituaties. Er is geen overzicht van definities die in andere landen worden gehanteerd.

19.

Waarom heeft u de kritiek van de Raad van State over de verschillende aspecten van de definitie van probleemwolf en probleemsituatie niet (volledig) geadresseerd? Met dit voorstel gaat Nederland vergunningen verlenen om gezonde, niet agressieve wolven af te schieten. Dit druist in tegen het advies van de Raad van State.

Antwoord

Ik deel uw constateringen niet, zie hierover ook mijn antwoord op vraag 17.

20.

Hoe verhoudt deze ruime definitie van probleemwolf – die ook wolven omvat die (nog) geen problemen hebben veroorzaakt – zich met de verplichting in de Habitatrichtlijn om zorg te dragen voor een gunstige staat van instandhouding?

Antwoord

De definitie van «probleemwolf» is beperkt tot de meest ernstige situaties van gebleken agressie. Wolven die (nog) geen problemen hebben veroorzaakt, vallen niet onder de definitie. Bij de beoordeling van een vergunningsaanvraag zal altijd moeten worden beoordeeld of geen afbreuk wordt gedaan aan het streven naar een gunstige staat van instandhouding.

Zie ook mijn antwoord op vraag 17.

21.

En hoe verhoudt deze definitie zich tot de huidige situatie van een – volgens het advies van de Raad van State – ongunstige staat van instandhouding?

Antwoord

Met de gewijzigde definities van «probleemwolf» is verzekerd dat het verlenen van een vergunning voor het doden of vangen van een wolf op grond van artikel 8.74la, eerste lid, onderdeel a, van het Bkl, wordt beperkt tot de meest ernstige situaties van agressie. Bij de vergunningverlening zal de vraag of afbreuk wordt gedaan aan het streven naar een gunstige staat van instandhouding moeten worden beantwoord. Daarbij is van belang dat op grond van het ontwerpbesluit het doden of vangen van een wolf uitsluitend plaatsvindt in dergelijke uitzonderlijke situaties en het de verwachting is dat de effecten neutraal zullen zijn, ook omdat sprake zal blijven van een groeiende populatie die de wegvallende wolf compenseert.

Zie ook mijn antwoord op vraag 17.

22.

Hoe verhoudt deze definitie zich tot de eis dat een activiteit nodig is bv. in het kader van de openbare veiligheid? Als een wolf (nog) niet agressief is, kan er van een gevaar van de openbare veiligheid geen sprake zijn.

Antwoord

Naar aanleiding van het advies van de Raad van State van 10 september 2025 is verduidelijkt dat als aan een omschreven situatie in het nieuwe artikel 8.74la, tweede of derde lid, van het Bkl is voldaan, wordt vermoed dat er een rechtvaardigingsgrond is vanuit het belang van de volksgezondheid en openbare veiligheid. Deze specifieke regels vinden hun rechtvaardiging in het bijzondere karakter van wolven, waardoor deze, als zij gewend zijn geraakt aan mensen en mensen niet langer ontwijken, daadwerkelijk een gevaar kunnen vormen voor de mens. Tevens zijn zij als grote roofdieren een bedreiging voor door de mens gehouden dieren. Bij incidenten met een wolf die daadwerkelijk een gevaar vormt voor mensen en gehouden dieren, een «probleemwolf», moet snel en adequaat kunnen worden opgetreden. De wolf moet dan uit de natuur kunnen worden verwijderd door het doden of wegvangen voordat er (verdere) slachtoffers vallen. Ook moeten wolven die een probleem kunnen gaan vormen kunnen worden gevangen, al gelden zij nog niet als «probleemwolf» en is alleen nog sprake van een «probleemsituatie met een wolf». Dat tijdelijk vangen gebeurt dan om een zender te plaatsen zodat de wolf kan worden gevolgd, diens gedrag kan worden gemonitord en maatregelen – zoals aversieve afschrikking – kunnen worden ingezet om te voorkomen dat de wolf in kwestie daadwerkelijk een gevaar wordt. Dat tijdelijk vangen kan ook gebeuren om deze wolf te verplaatsen naar een ander gebied waar het risico op incidenten minder groot is.

Zie ook mijn antwoord op vraag 17.

Sommige aspecten van deze definities kunnen, door mensen die kwaad willen, worden misbruikt, bijvoorbeeld artikel 8.74la, derde onder 2°: de wolf heeft ten minste twee keer getolereerd dat mensen naderen tot minder dan 30 meter.

23.

Bent u het met het lid van Fractie-Visseren-Hamakers eens dat de wolf er niets aan kan doen dat mensen te dichtbij komen?

Antwoord

Ik vind het van groot belang dat mensen zo veel mogelijk afstand houden tot wolven. Mijn inzet in het wolvendossier omvat ook voorlichting. Het Landelijk Informatiepunt Wolven (LIW) is in november 2025 van start gegaan. Het LIW is een centrale plek met feitelijke actuele publieksinformatie over wolven in Nederland, waar iedereen bij een helpdesk terecht kan met vragen over wolven. Het gaat dan bijvoorbeeld om wat je kunt doen als je een wolf tegenkomt. In 2026 wordt de beschikbare informatie via het LIW en de functionaliteiten op de website verder uitgebreid, om zo te voorzien in de behoeftes die er leven bij het publiek. In het bijzonder wordt er ook gewerkt aan een centrale registratie van incidenten met wolven die mensen benaderen.

Desondanks kan het voorkomen dat wolven mensen benaderen waardoor probleemsituaties kunnen ontstaan.

24.

Hoe gaat u misbruik van de definitie van probleemwolf van tegenstanders van wolven tegen?

Antwoord

Bij het beoordelen of er sprake is van een «probleemwolf» of een «probleemsituatie met een wolf» waaraan het bewijsvermoeden van het nieuwe artikel 8.74la, eerste lid, van het Bkl is verbonden betrekt het bevoegd gezag altijd het oordeel van een wolvendeskundige. Een deskundige kan vanuit zijn expertise bijvoorbeeld het gedrag van de wolf in de specifieke situatie interpreteren, ook in het licht van de beoordelingsregels, en een objectieve en onpartijdige analyse geven aan het bevoegd gezag over de situatie en mogelijk aanpak. Hiermee is geborgd dat er in de betreffende situatie daadwerkelijk sprake is van een probleemwolf en dat er geen misbruik gemaakt wordt van de definities. De vergunning is bovendien toetsbaar door de rechter, in het kader van een beroepsprocedure.

Ook sub b onder het tweede lid van de definitie van probleemwolf is problematisch. Een wolf wordt veroordeeld tot «probleemwolf» als hij/zij agressief reageert bij verstoring.

25.

Hoe wordt «verstoring» hier gedefinieerd?

Antwoord

Deze term is niet gedefinieerd. Er wordt in de praktijk van uitgegaan dat er sprake is van het onderbreken of hinderen van het gedrag van een wolf. Het bevoegd gezag kan met behulp van een wolvendeskundige bepalen of er sprake is van verstoring en of wordt voldaan aan de in artikel 8.74la opgenomen definities. Overigens merk ik hierbij op dat een wolf bij het vertonen van agressief gedrag na verstoring niet wordt aangemerkt als «probleemwolf» in de zin van artikel 8.74la, tweede lid, Bkl. Er is dan namelijk sprake van een «probleemsituatie met een wolf». Pas als na het zich voordoen van het incident aversieve afschrikking is toegepast én dat niet heeft gewerkt of niet uitvoerbaar is gebleken, kan de wolf worden aangemerkt als «probleemwolf».

26.

Waarom is ervoor gekozen om dit onderdeel te laten uitmaken van de definitie van een probleemwolf? De wolf kan er niets aan doen dat hij/zij wordt verstoord.

Antwoord

Het agressief reageren na verstoring kan leiden tot maatschappelijke onrust, maar is niet zodanig ernstig van aard om zondermeer tot de conclusie te komen dat er geen minder ingrijpende oplossingen dan het doden of vangen van de wolf beschikbaar zijn. Dat is anders als de wolf zich niet laat afschrikken door mensen en gewend is geraakt aan mensen, dan ontstaat een maatschappelijke onwenselijk situatie omdat de wolf een risico voor mensen is. Daarom kan een wolf als aversieve afschrikking niet of onvoldoende effect heeft als «probleemwolf» worden aangemerkt.

Zie ook mijn antwoord op vraag 25.

27.

Wordt bij deze definitie rekening gehouden met het natuurlijke gedrag van wolven, bijvoorbeeld de bescherming van welpjes door hun moeder?

Antwoord

Zoals ik heb aangegeven bij de beantwoording van vraag 24 moet het bevoegd gezag bij het beoordelen of er sprake is van een probleemwolf, altijd het oordeel van een wolvendeskundige betrekken. Hiermee is geborgd dat er in de betreffende situatie rekening wordt gehouden met het natuurlijk gedrag van de wolf. Indien nodig kan het bevoegd gezag in een concreet geval door de omstandigheden van dat geval een andere afweging maken.

Artikel 8.74la, tweede lid, sub d is wat het lid van de Fractie-Visseren-Hamakers betreft veel te breed. Als een wolf «in dezelfde gemeente of in een aangrenzende gemeente» vee heeft aangevallen. Het grondgebied van twee aanpalende gemeentes kan echt een behoorlijk groot gebied omvatten.

28.

Waarom heeft u voor deze definitie «in dezelfde gemeente of in een aangrenzende gemeente gekozen?

Antwoord

De definitie is gebaseerd op de interventierichtlijnen van de provincies die door hen worden toegepast in de praktijk.19

29.

Wat is de definitie van aversieve conditionering? Welke handelingen vallen onder deze definitie?

Antwoord

Deze term is niet gedefinieerd. Er wordt in de praktijk vanuit gegaan er sprake is van actief tegengaan van probleemgedrag door het toedienen van een positieve of een negatieve prikkel aan de wolf. Hieronder kunnen verschillend licht- geluids- of pijnprikkels vallen, zoals het gebruik van rubberen kogels of wolvenfluitjes. Het bevoegd gezag kan met behulp van een wolvendeskundige bepalen of en in welke vorm aversieve conditionering kan worden toegepast.

30.

Wat is de definitie van «pogingen» in de term «pogingen tot aversieve conditionering»?

Antwoord

Deze term is niet gedefinieerd. Er wordt in de praktijk vanuit gegaan dat het bevoegd gezag inspanning zal plegen om via aversieve conditionering verdere incidenten te voorkomen en te voorkomen dat een wolf zich tot een probleemwolf ontwikkelt. Aangezien op voorhand geen zekerheid kan worden gegeven dat deze inspanning ook daadwerkelijk bij de betrokken wolf leidt tot aversieve conditionering, wordt gesproken over «pogingen».

31.

Waarom is er niet voor gekozen om voorlichting van inwoners over hoe zich te gedragen in de aanwezigheid van wolven op te nemen als andere bevredigende oplossing voor probleemsituaties?

Antwoord

Zie mijn antwoord op vraag 23.

32.

Wanneer is aversieve conditionering «niet praktisch uitvoerbaar»?

Antwoord

Dit zal zich in de praktijk moeten uitwijzen. Zoals ik ook in de beantwoording op eerdere vragen heb aangegeven moet het bevoegd gezag bij het beoordelen of er sprake is van een «probleemwolf» in de zin van het nieuwe artikel 8.74la van het Bkl – dus een wolf waaraan het bewijsvermoeden van het eerste lid van dat artikel is verbonden – altijd het oordeel van een wolvendeskundige betrekken. Deze vraag zal daarbij betrokken worden.

33.

Wie besluit of aversieve conditionering al dan niet praktisch uitvoerbaar is?

Antwoord

Het bevoegd gezag zal bij de beoordeling van een vergunningaanvraag altijd een wolvendeskundige raadplegen. Een deskundige kan vanuit zijn expertise bijvoorbeeld het gedrag van de wolf in de specifieke situatie interpreteren, ook in het licht van de beoordelingsregels en het toepassen van aversieve conditionering, en een analyse geven aan het bevoegd gezag over de situatie en mogelijk aanpak. De vraag of aversieve conditionering al dan niet praktisch uitvoerbaar was zal daar indien nodig onderdeel van zijn. Het bevoegd gezag kan dat oordeel vervolgens betrekken bij de beoordeling van de vergunningaanvraag.

34.

Wat is bij artikel 8.74la, derde lid, onder 1° de definitie van «hetzelfde gebied»?

Antwoord

Deze term is niet gedefinieerd. Er wordt in de praktijk van uitgegaan dat het gaat om dezelfde buurt of wijk. Het is aan het bevoegd gezag om dit in het specifieke geval nader in te vullen.

35.

Wat is bij artikel 8.74la, derde lid, onder 3° de definitie van «geïnteresseerd lijkt»? Wat voor gedrag vertoont een wolf die geïnteresseerd lijkt?

Antwoord

Zoals ik heb aangegeven bij de beantwoording van onder meer vraag 24, betrekt het bevoegd gezag bij het beoordelen of er sprake is van een «probleemwolf» waaraan het bewijsvermoeden van het eerste lid van het nieuwe artikel 8.74la van het Bkl is verbonden, altijd het oordeel van een wolvendeskundige. Een deskundige kan vanuit zijn expertise het gedrag van de wolf in de specifieke situatie interpreteren, ook in het licht van de beoordelingsregels, en een analyse geven aan het bevoegd gezag over de situatie en mogelijk aanpak.

36.

Hoe dicht moet een wolf in artikel 8.74la, derde lid, honden hebben benaderd om als probleemwolf te worden aangemerkt?

Antwoord

Het naderen van een hond door een wolf leidt niet tot de constatering dat sprake is van een «probleemwolf» waarbij sprake kan zijn van het doden of vangen van de wolf. Als een hond herhaaldelijk mensen binnen 30 meter heeft benaderd en daarbij geïnteresseerd lijkt in de aangelijnde hond, kan wel sprake zijn van een «probleemsituatie met een wolf».

37.

Wanneer is een wolf bij artikel 8.74la, derde lid, een probleemwolf? Dit kunnen volgens de definitie verschillende huizen zijn, de honden kunnen binnen zijn. Waarom is dit een probleemsituatie?

Antwoord

Het derde lid van het nieuwe artikel 8.74la Bkl geeft aan wanneer er sprake is van een «probleemsituatie met wolf». In deze situaties kan het aangewezen zijn om de wolf te vangen met het oog op zenderen om de wolf te kunnen volgen, of te verplaatsen van de wolf naar een ander gebied. Waar de in dit lid omschreven situaties betrekking hebben op het naderen van huizen, dus plekken waar mensen wonen, gaat het er niet om dat er sprake is geweest van daadwerkelijke agressie naar mensen of honden, maar dat de wolf aan mensen gewend lijkt te raken, of dat al is. Dit geldt ook voor het naderen van aangelijnde honden. Dit is onwenselijk en levert potentieel gevaarlijke toekomstige situaties op. Om die reden kan sprake zijn van een «probleemsituatie met een wolf» en een daarbij passende aanpak raadzaam zijn. Datzelfde geldt voor situaties waarin de wolf honden aanvalt die niet waren aangelijnd en die zich niet in de directe nabijheid van mensen of huizen bevonden. Hier is ook sprake van een onwenselijke situatie, waarbij het ook aangewezen kan zijn om de wolf te vangen met het oog op het zenderen of verplaatsen naar een ander gebied.

Daarnaast zijn er de in het tweede lid van het nieuwe artikel 8.74la opgenomen probleemsituaties waarbij sprake is van het aanvallen van door mensen aangelijnde honden of honden in tuinen, waarbij het gaat om daadwerkelijke agressie door de wolf in de buurt van mensen of mensen met hun honden. Dit kunnen zeer ernstige en bijzonder dreigende situaties zijn waarbij het ook aangewezen kan zijn om de wolf tijdelijk te vangen met het oog op volgen of verplaatsen. Hoewel deze situatie ook tot maatschappelijke onrust leiden, gaat het te ver om aan zo’n situatie zondermeer het bewijsvermoeden te verbinden dat er geen minder ingrijpende oplossingen dan het doden of vangen van de wolf beschikbaar zijn, en dat er een rechtvaardigingsgrond voor het doden of vangen is. Daarvan is wel sprake als het toepassen van aversieve afschrikking na het zich voordoen van zo’n situatie ook niet mogelijk is of niet effectief blijkt te zijn. In dat geval kan de wolf worden aangemerkt als «probleemwolf».

De definitie van probleemwolf en probleemsituatie zijn dus minder nauwkeurig dan u stelt in de nota van toelichting. Ze zijn voor meerdere interpretaties vatbaar, omdat in de definitie gebruikte termen niet zijn gedefinieerd.

38.

Graag een reactie van u op deze constatering.

Antwoord

Ik deel uw constatering niet. De in het nieuwe artikel 8.74la, tweede en derde lid, Bkl omschreven situaties waarin sprake is van een «probleemwolf» of «probleemsituatie met een wolf» geven meer duidelijkheid aan het bevoegd gezag. Ook de Raad van State concludeert in haar advies van 20 mei jl. over het gewijzigde ontwerpbesluit dat de beoordelingsregels zijn verhelderd. Beoordelingsregels kunnen echter nooit een volledige beschrijving omvatten van alle gevallen die zich kunnen voordoen. Daar zijn zij ook niet voor bedoeld. Daarbij moet het bevoegd gezag bij het beoordelen of er sprake is van een probleemwolf of een «probleemsituatie met een wolf» altijd het oordeel van een wolvendeskundige betrekken.

39.

Bent u het met het lid van de Fractie-Visseren-Hamakers eens dat incidenten met wolven voorkomen kunnen worden door bijvoorbeeld (1) betere voorlichting te geven aan recreanten in desbetreffende natuurgebieden en (2) het in het leven roepen van tijdelijke rustgebieden voor wolven, met name tijdens de zoogtijd van de welpen? Zo ja, wat doet de overheid om deze maatregelen te realiseren? Zo nee, waarom niet?

Antwoord

Zoals ik bij de beantwoording van vraag 31 heb aangegeven, zet ik in op goede voorlichting. Het in het leven roepen van rustgebieden is iets dat primair bij provincies en gemeenten als bevoegd gezag. Naast deze instrumenten vind ik het van belang om incidenten met wolven tegen te gaan en, wanneer deze zich toch voordoen, snel en adequaat te kunnen optreden.

Vragen naar aanleiding van de Nota van toelichting

Een omgevingsvergunning voor het doden van «probleemwolven» of het vangen van wolven kan in het voorstel voor langere periode worden verleend.

40.

Hoe verhoudt deze algemene vergunning voor langere tijd zich tot de verplichting om zeker te zijn dat de te doden wolf de «juiste» «probleemwolf» is?

Antwoord

Het nieuwe artikel 8.74lb, tweede lid, van het Bkl regelt de mogelijkheid om op voorhand een vergunning voor toekomstige situaties te verlenen. Juist omdat sprake is van toekomstige situaties, moet extra worden geborgd dat het gebruik zélf in het individuele geval op de juiste wijze plaatsvindt, namelijk alleen in die situatie waarvoor de vergunning is bedoeld: voor de wolf die een mens heeft aangevallen en daarbij letsel heeft toegebracht. Daarom is een extra mechanisme ingebouwd. Het nieuwe artikel 8.74sa van het Bkl regelt dat aan zo’n vergunning die op voorhand voor toekomstige situaties wordt verleend, een voorschrift wordt verbonden waaraan de vergunninghouder moet voldoen vóórdat hij daadwerkelijk gebruik kan maken van de vergunning in een concrete situatie: een adviesverplichting in combinatie met een informatieplicht. De adviesverplichting houdt in dat de vergunninghouder het bevoegd gezag om advies moet vragen over het gebruik van de vergunning voor het doden van de wolf in kwestie. Het bevoegd advies geeft dit advies na raadpleging van een wolvendeskundige. In het advies gaat het bevoegd gezag bijvoorbeeld in op de vraag of het hier daadwerkelijk de wolf betreft die een mens letsel heeft toegebracht. Vervolgens moet de vergunninghouder het bevoegd gezag informeren over de wijze waarop hij bij het gebruik van de vergunning in dat individuele geval gevolg geeft aan het advies van het bevoegd gezag. Hiermee is zorgvuldigheid bij het gebruik van de vergunning op voorhand in een concreet geval maximaal verzekerd.

41.

Hoe verhoudt deze algemene vergunning zich tot de kritiek van de Raad van State over «koepelvergunningen»?

Antwoord

Zie hierover mijn antwoord op vraag 4 van de fractieleden van de PvdD.

42.

Hoeveel incidenten tussen mensen en wolven hebben zich de afgelopen jaren voorgedaan? Graag een overzicht per jaar (of per rapporteringsperiode van BIJ1220).

Antwoord

Er vindt nog geen registratie plaats van incidenten tussen mensen en wolven. In het najaar van 2026 worden de informatie en functionaliteiten van het LIW uitgebreid met de registratie van dergelijke incidenten met wolven.

43.

Welk percentage van aanvallen door wolven van buiten gehouden dieren betrof dieren die niet volgens de wettelijke vereisten waren beschermd tegen roofdieren?

Antwoord

Momenteel bestaan er naast de open norm van artikel 1.6, derde lid, van het Besluit houders van dieren geen specifieke wettelijke vereisten voor het beschermen van dieren tegen aanvallen van wolven. Ik werk aan een beleidsregel die verduidelijkt wat er van dierhouders wordt verwacht in het kader van het beschermen van hun vee tegen wolven, zodat we wolvenaanvallen op vee zo veel mogelijk kunnen voorkomen. Uit de jaarrapportage van BIJ12 blijkt dat van de 1114 bevestigde wolvenschademeldingen uit 2025 bij 81 meldingen sprake was van preventieve maatregelen die voldeden aan de adviesnorm, zoals beschreven in de Faunaschade PreventieKit Wolven (FPK).21 Bij 45 van de meldingen was wel inspanning geleverd preventieve maatregelen volgens de adviezen te nemen, maar zijn er één of meerdere gebreken geconstateerd. Bij 988 van deze meldingen was geen sprake van dergelijke preventieve maatregelen.

44.

Wat is de stand van zaken met betrekking tot de invulling van de open norm van artikel 1.6 van het Besluit houders van dieren? Wanneer kan de invulling van de uitwerking met deze Kamer worden gedeeld?

Antwoord

Ik heb Wageningen Environmental Research (WEnR) een ruimtelijke analyse laten uitvoeren van de schade aan vee door wolvenaanvallen in Nederland.16 Het onderzoek geeft inzicht in welke gebieden in Nederland het meeste risico lopen op wolvenaanvallen en hoe eventuele «preventiezones» kunnen worden aangewezen. Momenteel bezie ik wat deze resultaten betekenen voor de invulling van de open norm met een beleidsregel en voor andere beleidsdossiers.

45.

Waarom heeft het – tot nu toe – meer dan twee jaar geduurd om de norm nader uit te werken?

Antwoord

Met de terugkomst van wolven in Nederland is een nieuwe situatie ontstaan waarbij vee in bepaalde gebieden risico loopt om aangevallen te worden door wolven. Daarmee gepaard gaat ook een nieuwe verantwoordelijkheid om dieren de nodige bescherming hiertegen te bieden. Dit is wettelijk vastgelegd in de open norm in artikel 1.6, derde lid, van het Besluit houders van dieren. Het is belangrijk dat we deze norm zorgvuldig invullen, zodat deze past bij de Nederlandse praktijk en handhaafbaar is voor de toezichthouders. De afgelopen jaren hebben we daarom praktijkervaring opgedaan en onderzoek uitgevoerd. De oplevering van het hiervoor aangehaalde WEnR-rapport is een belangrijke stap in dit proces.

46.

Wanneer gaat u de norm handhaven?

Antwoord

De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) is samen met de Landelijke Inspectiedienst Dierenwelzijn, de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland en de Politie verantwoordelijk voor het toezicht en de handhaving op deze open norm. Zij voeren op dit moment al het toezicht en de handhaving hiervoor uit.

47.

Hoe zal er gehandhaafd worden?

Antwoord

De NVWA richt haar toezicht nu op situaties waarbij regelmatige aanvallen door wolven hebben plaatsgevonden waartegen de houder onvoldoende beschermingsmaatregelen heeft genomen. Dit in afwachting van de nadere invulling van de norm voor bescherming tegen wolven. De interventie wordt bepaald per situatie.

48.

Is er voldoende handhavingscapaciteit beschikbaar? Effectieve handhaving kan schapen- én wolvenlevens redden.

Antwoord

De NVWA maakt elk jaar een plan dat beschrijft waar zij haar capaciteit op inzet. Er is momenteel geen aanleiding om de handhavingscapaciteit voor deze specifieke open norm uit te breiden. Bij deze open norm speelt momenteel met name de vraag wat er van dierhouders verwacht mag worden. Om het toezicht verder te verbeteren, werk ik daarom aan een beleidsregel die dit verduidelijkt. Daarnaast zet ik samen met provincies in op het ondersteunen van dierhouders die hun dieren willen beschermen tegen wolvenaanvallen en op de (door)ontwikkeling van preventieve maatregelen.


X Noot
1

Samenstelling:

Van Aelst-Den Uijl (SP), Baumgarten (JA21), Beukering (Fractie-Beukering), Fiers (GroenLinks-PvdA), Van Gasteren (Fractie-Van Gasteren), Van der Goot (OPNL), Van Gurp (GroenLinks-PvdA) (ondervoorzitter), Holterhues (ChristenUnie), Janssen-van Helvoort (GroenLinks-PvdA), Jaspers (BBB), Kanis (D66), Kemperman (FVD), Van Kesteren (PVV), Kluit (GroenLinks-PvdA), Van Knapen (BBB), Van der Linden (VVD), Van Meenen (D66), Nicolaï (PvdD), Oplaat (BBB) (voorzitter), Perin-Gopie (Volt), Rietkerk (CDA), Van Rooijen (50PLUS), Straus (VVD), Steenkamp (CDA), Thijssen (GroenLinks-PvdA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), De Vries (SGP), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)

X Noot
2

Kamerstukken I 2025/26 33 188, HC.

X Noot
3

Kamerstukken I 2025/26 33 118 HD.

X Noot
4

Kamerstukken I 2025/26 33 118 GT.

X Noot
5

Kamerstukken II 2025/26, 33 118, nr. 306.

X Noot
6

Brief van de Staatssecretaris van LVVN dd. 7 juli 2025: «Reactie op uw verzoek om al het nodige te doen om de beschermingsstatus m.b.t. de wolf zoals bedoeld in bijlage IX bij het Besluit activiteiten leefomgeving te garanderen» (177664).

X Noot
7

Kamerstukken I 2025/26 33 118 HD.

X Noot
8

Kamerstukken I 2025/26 33 188, HC.

X Noot
9

Raad van State «Advies over ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit activiteiten leefomgeving en van het Besluit kwaliteit leefomgeving in verband met de bescherming van de wolf en de goudjakhals», pagina 1 e.v., vastgesteld 20 mei 2026, kenmerk: W11.26.00110/IV.

X Noot
10

Bij12, «Verspreiding van wolven in Nederland, voortgangsrapportages», te raadplegen via: https://www.bij12.nl/onderwerp/wolf/verspreiding-wolf-in-nederland/#voortgangsrapportages

X Noot
13

Kamerstukken II 2025/26, 33 118, nr. 306

X Noot
15

Brief van de Staatssecretaris van LVVN dd. 7 juli 2025: «Reactie op uw verzoek om al het nodige te doen om de beschermingsstatus m.b.t. de wolf zoals bedoeld in bijlage IX bij het Besluit activiteiten leefomgeving te garanderen» (177664).

X Noot
16

Kamerstukken I 2025/26, 33 118, HD.

X Noot
17

Kamerstukken I 2025/26 33 118, HC.

X Noot
18

Raad van State «Advies over ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit activiteiten leefomgeving en van het Besluit kwaliteit leefomgeving in verband met de bescherming van de wolf en de goudjakhals», pagina 1 e.v., vastgesteld 20 mei 2026, kenmerk: W11.26.00110/IV.

X Noot
20

Bij12, «Verspreiding van wolven in Nederland, voortgangsrapportages», te raadplegen via: https://www.bij12.nl/onderwerp/wolf/verspreiding-wolf-in-nederland/#voortgangsrapportages

Naar boven