33 118 Omgevingsrecht

HF BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN LANDBOUW, VISSERIJ, VOEDSELZEKERHEID EN NATUUR

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 8 juni 2026

Op 20 mei jl. heeft de Afdeling advisering van de Raad van State (hierna: Afdeling) haar advies vastgesteld over het ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit activiteiten leefomgeving en van het Besluit kwaliteit leefomgeving in verband met de bescherming van de wolf en de goudjakhals (de amvb wolf en goudjakhals). In mijn brief van 26 mei jl. heb ik aangekondigd het advies te bestuderen en op korte termijn mijn appreciatie met uw Kamer te delen. Met deze brief informeer ik u over mijn voornemen.

Ik ben verheugd dat de Afdeling constateert dat de wijzigingen van de beoordelingsregels gekoppeld aan «probleemwolf» en «probleemsituatie met een wolf» het risico verkleinen dat in gerechtelijke procedures over de toepassing van de beoordelingsregels zal worden geoordeeld dat er sprake is van strijdigheid met de Habitatrichtlijn. En dat zij constateert dat tegelijkertijd bij ernstige incidenten wel effectief kan worden opgetreden. Tevens merkt de Afdeling op dat zij geen opmerkingen heeft over de implementatie van de gewijzigde beschermingsstatus, en zij noemt deze implementatie urgent. In deze onderdelen wil ik dan ook geen wijzigingen doorvoeren.

De Afdeling heeft een aandachtspunt bij de door het bevoegd gezag bij de beoordeling van vergunningaanvragen in de praktijk te betrekken wolvendeskundige. Conform het advies wil ik de verwachte rol van deze wolvendeskundige en de manier waarop wordt voorzien in diens onafhankelijkheid en expertise in de nota van toelichting verduidelijken. Ik wil hierbij ook de mogelijke rol van het landelijk deskundigenteam als onafhankelijke deskundigen bij de beoordeling van incidenten met wolven benadrukken.

De Afdeling heeft daarnaast, zoals door mij verzocht bij de spoedadviesaanvraag, in het bijzonder gereflecteerd op de «vergunning op voorhand» voor afschot van wolven voor toekomstige incidenten waarbij een wolf een mens aanvalt en daarbij letsel toebrengt. De Afdeling vindt de toelichting van de meerwaarde van deze vergunning op voorhand nog niet overtuigend en adviseert nader te motiveren waarom dit een passend instrument is voor de aanpak van ernstige incidenten, hoe dit instrument kan dienen om snelheidswinst te behalen ten opzichte van de individuele vergunningen, en hoe het rechtskarakter van de feitelijke vaststelling moet worden geduid. Ik wil de nota van toelichting daarom aanvullen, waarbij ik de meerwaarde van de vergunning op voorhand meer zal benadrukken. Ook wil ik de toets aan de staat van instandhouding aanvullen, door nader toe te lichten dat het in situaties waar de vergunning op voorhand op ziet altijd zal gaan om incidentele gevallen die gezien moeten worden in de context van een nog steeds groeiende populatie. Bij deze incidentele gevallen gaat het daarnaast om de meest ernstige situaties van agressie van een wolf naar een mens, waarbij het belang van leven en gezondheid van mensen zwaar weegt. Overigens heeft het bevoegd gezag altijd de ruimte om bij gewijzigde omstandigheden een vergunning te herzien.

Naar aanleiding van de vragen van de Afdeling over het rechtskarakter van de feitelijke vaststelling door bevoegd gezag dat het gaat om de wolf die in een specifiek geval een mens heeft aangevallen en letsel heeft toegebracht, ben ik voornemens de bepaling over deze vaststelling in het ontwerpbesluit te wijzigen. Deze feitelijke vaststelling was opgenomen om te borgen dat de op voorhand afgegeven vergunning in het specifieke geval op de juiste wijze wordt gebruikt. De Afdeling wees in haar advies over het eerdere ontwerpbesluit ook op het belang dat het bevoegd gezag die vaststelling in het specifieke geval zélf doet. Deze borging wil ik in stand houden, maar ik wil ook onduidelijkheden over het rechtskarakter voorkomen en daarnaast de snelheid van het proces behouden. Daarom wil ik de feitelijke vaststelling vervangen door een adviesverplichting in combinatie met een informatieplicht, waardoor de vergunninghouder verplicht is voorafgaand aan het gebruik van de vergunning in een specifiek geval zowel het bevoegd gezag als de wolvendeskundige advies te vragen én vervolgens het bevoegd gezag te informeren over de wijze waarop hij bij het gebruik van de vergunning gevolg geeft aan het advies van het bevoegd gezag en de wolvendeskundige. Hierdoor blijft het verzekerd dat het bevoegd gezag is betrokken bij het daadwerkelijk gebruik van de vergunning in een specifiek geval en indien nodig handhavend kan optreden. Omdat een door het bevoegd gezag uit te brengen advies geen besluit is en daarom op zichzelf niet vatbaar voor bezwaar en beroep, blijft ook de meerwaarde van de vergunning op voorhand – het snel kunnen ingrijpen bij ernstige incidenten – behouden.

Ik ben voornemens het ontwerpbesluit na afronding van het plenaire debat over de wolf in de Tweede Kamer te doen vaststellen.

Gelijktijdig met deze brief heb ik een brief van gelijke strekking toegezonden aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, S.P.A. Erkens

Naar boven