Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 8 juni 2026
Op 20 mei jl. heeft de Afdeling advisering van de Raad van State (hierna: Afdeling)
haar advies vastgesteld over het ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit
activiteiten leefomgeving en van het Besluit kwaliteit leefomgeving in verband met
de bescherming van de wolf en de goudjakhals (de amvb wolf en goudjakhals). In mijn
brief van 26 mei jl. heb ik aangekondigd het advies te bestuderen en op korte termijn
mijn appreciatie met uw Kamer te delen. Met deze brief informeer ik u over mijn voornemen.
Ik ben verheugd dat de Afdeling constateert dat de wijzigingen van de beoordelingsregels
gekoppeld aan «probleemwolf» en «probleemsituatie met een wolf» het risico verkleinen
dat in gerechtelijke procedures over de toepassing van de beoordelingsregels zal worden
geoordeeld dat er sprake is van strijdigheid met de Habitatrichtlijn. En dat zij constateert
dat tegelijkertijd bij ernstige incidenten wel effectief kan worden opgetreden. Tevens
merkt de Afdeling op dat zij geen opmerkingen heeft over de implementatie van de gewijzigde
beschermingsstatus, en zij noemt deze implementatie urgent. In deze onderdelen wil
ik dan ook geen wijzigingen doorvoeren.
De Afdeling heeft een aandachtspunt bij de door het bevoegd gezag bij de beoordeling
van vergunningaanvragen in de praktijk te betrekken wolvendeskundige. Conform het
advies wil ik de verwachte rol van deze wolvendeskundige en de manier waarop wordt
voorzien in diens onafhankelijkheid en expertise in de nota van toelichting verduidelijken.
Ik wil hierbij ook de mogelijke rol van het landelijk deskundigenteam als onafhankelijke
deskundigen bij de beoordeling van incidenten met wolven benadrukken.
De Afdeling heeft daarnaast, zoals door mij verzocht bij de spoedadviesaanvraag, in
het bijzonder gereflecteerd op de «vergunning op voorhand» voor afschot van wolven
voor toekomstige incidenten waarbij een wolf een mens aanvalt en daarbij letsel toebrengt.
De Afdeling vindt de toelichting van de meerwaarde van deze vergunning op voorhand
nog niet overtuigend en adviseert nader te motiveren waarom dit een passend instrument
is voor de aanpak van ernstige incidenten, hoe dit instrument kan dienen om snelheidswinst
te behalen ten opzichte van de individuele vergunningen, en hoe het rechtskarakter
van de feitelijke vaststelling moet worden geduid. Ik wil de nota van toelichting
daarom aanvullen, waarbij ik de meerwaarde van de vergunning op voorhand meer zal
benadrukken. Ook wil ik de toets aan de staat van instandhouding aanvullen, door nader
toe te lichten dat het in situaties waar de vergunning op voorhand op ziet altijd
zal gaan om incidentele gevallen die gezien moeten worden in de context van een nog
steeds groeiende populatie. Bij deze incidentele gevallen gaat het daarnaast om de
meest ernstige situaties van agressie van een wolf naar een mens, waarbij het belang
van leven en gezondheid van mensen zwaar weegt. Overigens heeft het bevoegd gezag
altijd de ruimte om bij gewijzigde omstandigheden een vergunning te herzien.
Naar aanleiding van de vragen van de Afdeling over het rechtskarakter van de feitelijke
vaststelling door bevoegd gezag dat het gaat om de wolf die in een specifiek geval
een mens heeft aangevallen en letsel heeft toegebracht, ben ik voornemens de bepaling
over deze vaststelling in het ontwerpbesluit te wijzigen. Deze feitelijke vaststelling
was opgenomen om te borgen dat de op voorhand afgegeven vergunning in het specifieke
geval op de juiste wijze wordt gebruikt. De Afdeling wees in haar advies over het
eerdere ontwerpbesluit ook op het belang dat het bevoegd gezag die vaststelling in
het specifieke geval zélf doet. Deze borging wil ik in stand houden, maar ik wil ook
onduidelijkheden over het rechtskarakter voorkomen en daarnaast de snelheid van het
proces behouden. Daarom wil ik de feitelijke vaststelling vervangen door een adviesverplichting
in combinatie met een informatieplicht, waardoor de vergunninghouder verplicht is
voorafgaand aan het gebruik van de vergunning in een specifiek geval zowel het bevoegd
gezag als de wolvendeskundige advies te vragen én vervolgens het bevoegd gezag te
informeren over de wijze waarop hij bij het gebruik van de vergunning gevolg geeft
aan het advies van het bevoegd gezag en de wolvendeskundige. Hierdoor blijft het verzekerd
dat het bevoegd gezag is betrokken bij het daadwerkelijk gebruik van de vergunning
in een specifiek geval en indien nodig handhavend kan optreden. Omdat een door het
bevoegd gezag uit te brengen advies geen besluit is en daarom op zichzelf niet vatbaar
voor bezwaar en beroep, blijft ook de meerwaarde van de vergunning op voorhand – het
snel kunnen ingrijpen bij ernstige incidenten – behouden.
Ik ben voornemens het ontwerpbesluit na afronding van het plenaire debat over de wolf
in de Tweede Kamer te doen vaststellen.
Gelijktijdig met deze brief heb ik een brief van gelijke strekking toegezonden aan
de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.
De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, S.P.A. Erkens