31 293 Primair Onderwijs

31 497 Passend onderwijs

Nr. 881 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 2 juli 2026

De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over de brief van 18 februari 2026 inzake de rapporten over het stichten van nieuwe scholen in het funderend onderwijs en over dislocaties in het basisonderwijs (Kamerstuk 31 293, nr. 869).

De vragen en opmerkingen zijn op 11 maart 2026 aan de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voorgelegd. Bij brief van 3 juli 2026 zijn de vragen beantwoord.

De voorzitter van de commissie, Koorevaar

Adjunct-griffier van de commissie, Van Thiel

Inhoud

I

Vragen en opmerkingen uit de fracties

2

•

Inbreng van de leden van de D66-fractie

2

•

Inbreng van de leden van de VVD-fractie

3

•

Inbreng van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie

4

•

Inbreng van de leden van de PVV-fractie

5

•

Inbreng van de leden van de CDA-fractie

7

•

Inbreng van de leden van de JA21-fractie

9

•

Inbreng van de leden van de BBB-fractie

10

II

Reactie van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

12

I Vragen en opmerkingen uit de fracties

Inbreng van de leden van de D66-fractie

De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de Evaluatie wet Meer ruimte voor nieuwe scholen (hierna: wet MRvNS). Deze leden hechten aan een onderwijsstelsel dat ruimte biedt voor innovatie en nieuwe initiatieven. Tegelijkertijd is het van belang dat nieuwe initiatieven daadwerkelijk bijdragen aan goed onderwijs en niet leiden tot ongewenste effecten op de kwaliteit of tot verdere segregatie. De leden van de D66-fractie achten het van belang dat de bevindingen uit de evaluatie van de wet zorgvuldig worden betrokken bij de verdere ontwikkeling van het beleid rondom nieuwe scholen. Deze leden hebben daarom de volgende vragen.

De leden van de D66-fractie merken op dat door de wet MRvNS gemeenten minder invloed en zodoende ook minder tijd hebben om huisvesting te organiseren. Het vinden van huisvesting moet plaatsvinden binnen veertien maanden vanaf het moment dat de Minister een positief besluit heeft genomen over de aanvraag tot de start van het eerste schooljaar, met mogelijkheid van uitstel van maximaal één jaar. Deze termijn is korter dan vóór de wet MRvNS. In de evaluatie geven zowel gemeenten als initiatiefnemers aan dat het organiseren van huisvesting een uitdaging is. De leden van de D66-fractie vragen het kabinet hoe zij deze signalen beoordeelt en of zij mogelijkheden ziet om de huisvestingsproblematiek te verminderen. Tevens vragen deze leden of het kabinet het wenselijk acht om gemeenten meer ruimte te geven bij het organiseren van huisvesting, bijvoorbeeld door de termijn voor het realiseren van huisvesting te verlengen.

De leden van de D66-fractie merken daarnaast op dat aanvragen voor nieuwe scholen vaak worden ingediend gedurende de periode van de uitvoering van het integraal huisvestingsplan (IHP). Dit huisvestingsplan wordt eens per vier jaar opgesteld door de gemeente en schoolbesturen en bevat afspraken over onderwijshuisvesting, zoals verbouw en nieuwbouw. De komst van nieuwe scholen kan gevolgen hebben voor de uitvoering van deze plannen, bijvoorbeeld voor de mate waarin gemeenten initiatiefnemers kunnen faciliteren of voor de huisvestingsplannen van bestaande scholen. De druk wordt groter naarmate in een gemeente meer aanvragen worden toegekend. Gemeenten kunnen hierin geen regiefunctie uitoefenen en bijvoorbeeld het aantal aanvragen limiteren of wanneer aanvragen erg op elkaar lijken een keuze maken. Ziet de Staatssecretaris mogelijkheden voor de gemeente om in bepaalde gevallen meer regie uit te oefenen over de aanvragen van de nieuwe scholen? En hoe beoordeelt de Staatssecretaris de potentiële positieve en negatieve effecten van een dergelijke maatregel?

De leden van de D66-fractie vinden het belangrijk dat het onderwijsstelsel bijdraagt aan ontmoeting tussen leerlingen met verschillende achtergronden. Deze leden willen voorkomen dat nieuwe scholen onbedoeld bijdragen aan verdere segregatie in het onderwijs. Uit de evaluatie van Oberon blijkt dat er voorzichtig kan worden aangenomen dat de segregatie na invoering van de wet MRvNS toeneemt, met name in het voortgezet onderwijs. Zo stijgt de dissimilariteit naar inkomen en neemt de kans op interactie voor inkomen en voor herkomst af. Deze ontwikkelingen achten de leden van de D66-fractie zorgelijk. Deze leden vragen het kabinet hoe zij deze bevindingen beoordeelt en of zij aanleiding ziet om aanvullende maatregelen te overwegen om ongewenste effecten op segregatie te voorkomen.

De leden van de D66-fractie merken tevens op dat in de evaluatie van Oberon een aantal conclusies nog niet met zekerheid getrokken kunnen worden om dat vooral in het middelbaar onderwijs het aantal nieuwe scholen te beperkt is. Naarmate meer nieuwe scholen opgericht worden en er een stabielere leerlingenpopulatie ontstaat, kan beter worden beoordeeld wat de effecten zijn van de wet op het onderwijsstelsel en in welke mate de oprichting van nieuwe scholen samenhangt met bijvoorbeeld veranderingen in onder andere segregatie. De leden van de D66-fractie vragen zich derhalve af of de regering van plan is om de wet te blijven evalueren en de Tweede Kamer op de hoogte te blijven stellen van de uitkomsten.

Inbreng van de leden van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de brief van het kabinet en de bijbehorende rapporten over het stichten van nieuwe scholen in het funderend onderwijs. Deze leden hebben daarbij nog enkele opmerkingen en vragen.

De leden van de VVD-fractie staan pal voor de vrijheid van onderwijs en een divers onderwijsaanbod. Zij zijn blij dat het in Nederland mogelijk is om een school op te richten die het beste past bij de eigen levensovertuiging. Deze leden weten dat de wet MRvNS is ingevoerd om het eenvoudiger te maken nieuwe scholen te stichten en bovenal om het onderwijsaanbod beter te laten aansluiten bij de wensen van ouders (en leerlingen). Daarbij is onder meer de systematiek van de belangstellingsmeting aangepast en is het relatief eenvoudiger geworden een nieuwe school op te richten. De waarborgen van een kwaliteitstoets door de Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) bieden daar enige demping, zo weten deze leden, maar toch is het aantal nieuwe scholen fors toegenomen.

De leden van de VVD-fractie maken zich daarbij zorgen over de onvoorziene neveneffecten van de wet MRvNS. Er is onder andere druk ontstaan op onderwijshuisvesting en het aantal beschikbare leerkrachten, maar de wet brengt ook risico’s op segregatie mee. Deze leden vragen de Staatssecretaris of zij die zorgen deelt. Hoe beoordeelt zij de uitvoering van de wet en in hoeverre worden de oorspronkelijke doelstellingen van de wet gerealiseerd, zo vragen deze leden. Leidt de wet concreet tot een onderwijsaanbod dat beter aansluit bij de wensen van ouders? En is dat volgens de Staatssecretaris in balans met de neveneffecten, zo vragen de leden van de VVD-fractie.

De leden van de VVD-fractie zijn tevreden over de ambitie in het regeerakkoord om de bestaande wetgeving te herzien teneinde de negatieve effecten daarvan weg te nemen. Deze leden vragen de Staatssecretaris op welke termijn zij de daarvoor benodigde wetswijziging naar de Kamer zal sturen. Voorts vragen deze leden of de Staatssecretaris al enige contouren kan schetsen over de voorgenomen herziening van de wet. Zij zijn benieuwd of het kabinet daarbij de stichtingsprocedure in zijn totaliteit gaat wijzigen of slechts scherpere randvoorwaarden gaat stellen, bijvoorbeeld rondom de medezeggenschap van de gemeenteraad. Is, en zo ja, hoe, de Staatssecretaris voornemens om de bevindingen uit de voorliggende evaluaties mee te nemen in de herziening, vragen de leden van de VVD-fractie zich tot slot af.

De leden van de VVD-fractie hebben ook kennisgenomen van het onderzoek naar zogenaamde dislocaties in het primair onderwijs. Uit dit onderzoek blijkt dat er honderden niet-erkende onderwijslocaties bestaan waar onderwijs wordt gegeven waarbij deze locaties geen formele erkenning hebben. Deze leden snappen dat dislocaties voordelen kunnen hebben bij ruimtegebrek of bij een snelle groei van het aantal leerlingen. Tegelijkertijd constateren zij dat dislocaties soms een meer zelfstandig karakter hebben gekregen dan oorspronkelijk was bedoeld. De leden van de VVD-fractie vragen hoe de Staatssecretaris deze ontwikkeling beoordeelt. Acht zij het wenselijk dat dislocaties soms langdurig functioneren zonder formele status, zo willen deze leden weten.

Daarnaast vragen de leden van de VVD-fractie in hoeverre dislocaties kunnen worden gebruikt dan wel misbruikt om de stichtingsprocedure voor nieuwe scholen te omzeilen. Ziet de Staatssecretaris naar aanleiding van het onderhavige rapport een reden om nader te kijken naar het (juridisch) kader rond dislocaties?

Inbreng van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van de rapporten over het stichten van nieuwe scholen in het funderend onderwijs en over dislocaties in het basisonderwijs. Deze leden vragen zich af wanneer de Staatssecretaris gaat starten met de herziening van de wet MRvNS, gezien in het coalitieakkoord «Aan de Slag!» is opgenomen dat de wet zorgt voor «onvoorziene problemen» en daarom «zo snel mogelijk» moet worden herzien.1 De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben nog enkele vragen over knelpunten die zij constateren in de wet.

Evaluatie Wet Meer ruimte voor nieuwe scholen

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben al vaker hun zorgen geuit over de beperkte inspraak van gemeenten en het ontbreken van de lokale context bij het bekostigingsbesluit, wat wordt onderbouwd door bevindingen in de evaluatie van de wet. Hoe gaat de Staatssecretaris ervoor zorgen dat gemeenten, en daarmee de lokale context, voldoende worden meegenomen bij een bekostigingsbesluit? Daarnaast maken deze leden zich zorgen over de segregatie in het onderwijs als gevolg van de stichting van nieuwe scholen. Een van de grootste problemen in ons onderwijs zijn de enorme verschillen in kwaliteit tussen scholen. Deze leden vinden dat de Staatssecretaris zich moet inzetten om deze verschillen juist te verkleinen. Kan de Staatssecretaris reflecteren op hoe zij verschillen in onderwijskwaliteit probeert te verminderen en hoe zich dat verhoudt tot de wet MRvNS?

Startbekostiging nieuwe scholen

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de kosten voor het starten van een nieuwe school veel hoger zijn dan de startbekostiging die zij daarvoor krijgen, in het bijzonder voor scholen in het primair onderwijs (po). Deze leden lezen dat po-scholen een startbekostiging van € 19.000 ontvangen, terwijl de werkelijke kosten naar schatting rond de € 42.000 liggen. Hoe rechtvaardigt de Staatssecretaris dit verschil tussen de verstrekte bekostiging en de reële opstartkosten? Klopt het beeld van deze leden dat de huidige systematiek een barrière opwerpt voor minder kapitaalkrachtige initiatiefnemers, waardoor het feitelijk enkel voor vermogende initiatiefnemers of grote besturen mogelijk is om een nieuwe school te stichten? Neemt de Staatssecretaris dit gegeven mee in de aanpassing van de wet MRvNS? Hoe gaat de Staatssecretaris ervoor zorgen dat het stichten van scholen niet per se makkelijker wordt, maar in ieder geval wel toegankelijk voor iedereen in plaats van alleen voor kapitaalkrachtigen?

Daarnaast lezen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie dat een derde van de scholen die startbekostiging ontvingen, feitelijk geen nieuwe school startten, maar dat het een verzelfstandiging van een bestaande nevenvestiging betrof. Deze scholen hebben formeel recht op startbekostiging, maar maken in de praktijk nauwelijks extra kosten. Deze leden vinden dit een allesbehalve doelmatige besteding van publiek onderwijsgeld en vragen de Staatssecretaris hierop de wet aan te passen. Deze leden willen graag weten hoeveel financiële middelen er naar scholen zijn gegaan die dit eigenlijk niet nodig hadden.

Dislocaties gelokaliseerd

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met zorg kennisgenomen van het onderzoek naar zogenoemde dislocaties. Hoe reflecteert de Staatssecretaris op de «aanzienlijke knelpunten» van het systeem van dislocaties, zoals het ondermijnen van de stichtings- en opheffingssystematiek op landelijk niveau, het niet ontvangen van een vaste voet, het niet goed terechtkomen van achterstandsmiddelen en subsidies, de beperkte informatievoorziening vanuit DUO en het Nationaal Kennisinstituut Onderwijs (NKO) en de inefficiënte verdeling van leerlingen en onderwijspersoneel? Hoe en op welke termijn gaat de Staatssecretaris deze knelpunten aanpakken?

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zien wel dat dislocaties een oplossing kunnen zijn voor het bieden van onderwijs aan nieuwkomers, waarbij het leerlingenaantal vaak fluctueert. Anderzijds hebben deze leden ook signalen ontvangen dat locaties die nieuwkomersonderwijs geven graag een eigen BRIN-nummer zouden willen ontvangen. Op dit moment vallen scholen die nieuwkomersonderwijs geven vaak onder het BRIN-nummer van een reguliere school met een hele andere populatie, wat er ook voor kan zorgen dat zij bepaalde financiële middelen (zoals achterstandsgelden) mislopen. Kan de Staatssecretaris reflecteren op deze suggestie van het verstrekken van een BRIN-nummer aan scholen die voorzien in nieuwkomersonderwijs?

Inbreng van de leden van de PVV-fractie

De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de rapporten over het stichten van nieuwe scholen in het funderend onderwijs en over dislocaties in het basisonderwijs. Deze leden hebben hierover enkele vragen.

Allereerst vragen de leden van de PVV-fractie aan de Staatssecretaris welke conclusies zij uit deze rapporten haalt en in hoeverre zij voornemens is de daarin opgenomen bevindingen en aanbevelingen te betrekken bij eventuele aanpassingen van het huidige beleid.

Rapport Evaluatie Wet Meer ruimte voor nieuwe scholen (Oberon)

De leden van de PVV-fractie lezen dat het aantal nieuw gestichte basisscholen sinds de invoering van de wet MRvNS aanzienlijk is toegenomen. Kan de Staatssecretaris aangeven hoeveel nieuwe scholen er jaarlijks zijn gestart vóór en na invoering van deze wet? Deze leden lezen dat sommige schoolbesturen in de omgeving waar nieuwe scholen vestigen zich zorgen maken over het voortbestaan van hun scholen. Deelt de Staatssecretaris deze zorg?

De leden van de PVV-fractie constateren dat binnen de nieuw gestichte basisscholen het aandeel islamitische scholen relatief groot is. Deze leden vragen de Staatssecretaris om een totaaloverzicht van het aantal islamitische scholen in Nederland, uitgesplitst per jaar. Daarnaast verzoeken deze leden aan te geven hoeveel aanvragen voor islamitische scholen momenteel nog in behandeling zijn. Tevens vragen zij om inzicht te geven in het aantal leerlingen dat onderwijs volgt op islamitische scholen.

Daarnaast vragen de leden van de PVV-fractie de Staatssecretaris te onderzoeken in hoeverre islamitische scholen bijdragen aan segregatie in het onderwijs. Ook willen deze leden weten of de Staatssecretaris de zorg deelt dat het oprichten van religieuze scholen, en met name islamitische scholen, kan leiden tot verdere scheiding van kinderen op basis van afkomst en religie, en hoe dit zich verhoudt tot het streven naar integratie en gedeelde Nederlandse waarden. Bovendien vragen zij of strengere eisen nodig zijn voor de oprichting van islamitische scholen.

Verder vragen de leden van de PVV-fractie de Staatssecretaris toe te lichten hoe wordt gecontroleerd dat op deze scholen onderwijs wordt gegeven dat in lijn is met de Nederlandse rechtsstaat en democratische waarden en hoe de uitvoering van burgerschapsonderwijs wordt gewaarborgd.

Rapport Startbekostiging Nieuwe Scholen (SEO)

De leden van de PVV-fractie concluderen dat uit de evaluatie blijkt dat gemeenten vaak slechts ongeveer veertien maanden hebben om de huisvesting voor nieuwe scholen te regelen. Deze leden vragen de Staatssecretaris hoe realistisch deze termijn in de praktijk is. Daarnaast vragen zij of het klopt dat bij een groot deel van de nieuwe scholen de huisvesting bij de start afwijkt van de afspraken met de gemeente. Zo ja, wat betekent dit volgens de Staatssecretaris voor de uitvoerbaarheid van het gemeentelijk huisvestingsbeleid voor scholen?

Rapport Dislocaties Gelokaliseerd (Oberon)

De leden van de PVV-fractie lezen dat er honderden dislocaties bestaan waar onderwijs wordt gegeven zonder dat deze locaties wettelijk zijn vastgelegd. Deze leden vragen de Staatssecretaris hoe het komt dat het ministerie jarenlang geen volledig overzicht heeft gehad van deze locaties. Ook vragen zij de Staatssecretaris om aan te geven hoeveel van deze dislocaties feitelijk functioneren als zelfstandige school.

De leden van de PVV-fractie vragen de Staatssecretaris om te bevestigen dat dislocaties soms worden gebruikt om de stichtingsprocedure voor nieuwe scholen te omzeilen. Zo ja, deelt de Staatssecretaris de mening dat hierdoor een ongelijk speelveld ontstaat tussen nieuwe en bestaande schoolbesturen en is de Staatssecretaris bereid om de regelgeving rond dislocaties aan te scherpen zodat duidelijk is waar onderwijs wordt gegeven en onder welke voorwaarden?

Inbreng van de leden van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie maken graag gebruik van de mogelijkheid enkele aanvullende en verduidelijkende vragen te stellen over de evaluatierapporten naar aanleiding van de wet MRvNS.

De wet MRvNS is in 2020 ingegaan voor het voortgezet onderwijs en in 2021 voor het basisonderwijs. De belangrijkste aanpassingen zijn de manier waarop gekeken wordt of er voldoende belangstelling is voor een nieuwe school en het feit dat vooraf wordt bezien of de nieuwe school voldoende kwaliteit kan bieden. Een wijziging in de wet was mede gewenst omdat de pluriformiteit van het scholenaanbod onder druk stond. Vindt het kabinet dat je nu kunt concluderen dat er een meer pluriform aanbod van scholen is? Waarom wel of waarom niet?

Het doel van de wet is om de randvoorwaarden te creëren voor een toekomstbestendig, kwalitatief goed en gevarieerd onderwijsaanbod dat aansluit bij de wensen van ouders en leerlingen. Kan het kabinet aangeven of zij vindt dat de doelstelling gehaald is?

Evaluatie Wet Meer ruimte voor nieuwe scholen. Eindrapportage 2026

De leden van de CDA-fractie begrijpen – onder andere uit de eindrapportage 2026 – dat gemeenten vinden dat hun zienswijze en lokale context niet voldoende wordt meegenomen in bekostigingsbesluit. Kan het kabinet toelichten of er hierbij sprake is van een verschil tussen grotere en kleinere gemeenten? Zijn er verschillen tussen gemeenten in de randstad en in de regio? Wordt hier met «de lokale context» vooral het tijdig organiseren van huisvesting bedoeld of speelt er meer? Zo ja, kan de regering dit toelichten? Wat zijn de belangrijkste knelpunten voor gemeenten bij de uitvoering van het integraal huisvestingsplan als gevolg van deze nieuwe procedure om een school te stichten?

De leden van de CDA-fractie lezen dat ruim een op de tien initiatiefnemers voor nieuwe scholen een afwijzing op basis van een negatief advies van de inspectie naar aanleiding van de kwaliteitstoets ontvangt. De meeste afwijzingen op grond van onderwijskwaliteit komen door tekortkomingen in de uitwerking van het burgerschapsonderwijs. Kan het kabinet toelichten waarom dit juist op dit specifieke punt het geval is?

Verzelfstandigingen en splitsingen ervaren het aanvraagproces doorgaans negatiever dan initiatiefnemers voor nieuwe scholen. Het aanleveren van de benodigde documenten wordt als onnodige administratieve last ervaren omdat de scholen vanuit een bestaande situatie werken. Wat is een veelvoorkomende reden dat scholen willen verzelfstandigen of afsplitsen? Kan het kabinet wat meer achtergrond schetsen.

De kwaliteitsonderzoeken in het eerste schooljaar laten een overwegend positief beeld zien, waarbij zes van de zeven nieuwe vo-scholen in 2023 en 2024 een voldoende kregen en het merendeel van de basisscholen haalde ook een voldoende. Is bekend hoe gemeenten en basis-en vo-scholen elkaar na het startjaar waarderen? Of blijven huisvestingsproblemen doorlopend een probleem tussen schoolbesturen en de gemeente?

In de memorie van toelichting bij deze wet wordt benadrukt dat het onder de oude procedure vrijwel onmogelijk was om een nieuwe school op te richten. Met de invoering van de nieuwe wet zijn er aanzienlijk meer nieuwe basisscholen gesticht dan voorheen. Kan het kabinet schetsen of er achterliggende motieven zijn om een eigen basisschool op te richten naast een religieuze of levensbeschouwelijke motivatie? En, zo vragen deze leden zich af, of de oprichting van nieuwe basisscholen een landelijke trend is of dat dit zich slechts in bepaalde delen van Nederland voordoet.

Sommige schoolbesturen in de omgeving van nieuwe scholen maken zich zorgen over de continuïteit. Is er een risico dat bestaande scholen moeten sluiten door veranderende leerlingenstromen als gevolg van de komst van nieuwe scholen? Of is dit niet bekend? Is er sprake van een toename van de concurrentie tussen scholen door de wet MRvNS?

De positie van het openbaar basisonderwijs lijkt sinds de wet MRvNS niet direct verzwakt, maar een oordeel is prematuur zolang bijvoorbeeld onduidelijk is of er ook bestaande (openbare) scholen gaan sluiten als gevolg van de nieuwe stichtingen. Wanneer komt hier meer duidelijkheid over en zijn er signalen bekend?

Een stijging van onderwijssegregatie in het basisonderwijs die samenhangt met de komst van nieuwe scholen is zeer beperkt en op een lokaal schaalniveau zichtbaar. Kan het kabinet uitleggen van wordt bedoeld met «beperkt zichtbaar»? Wat levert dit in praktijk voor problemen op? Kan het kabinet dit toelichten?

In het voorgezet onderwijs zien we dat de segregatie toeneemt na opening van de nieuwe scholen onder de wet MRvNS. De dissimilariteit naar inkomen stijgt en de kans op interactie neemt af voor inkomen en voor herkomst. De leden van de CDA-fractie lezen dat dit slechts om twee nieuwe scholen gaat in het voortgezet onderwijs in twee middelgrootte steden. Welke andere ontwikkelingen in deze steden kunnen deze resultaten hebben beïnvloed? Zijn er bij de betreffende gemeenten «afgeleide» problemen bekend?

Startbekostiging Nieuwe Scholen. Eindrapport SEO

Kan het kabinet toelichten waarom de startbekostiging twee maanden voor de opening wordt uitgekeerd? Wat is de achterliggende redenatie hiervoor te kiezen? Uit het onderzoek bleek dat een aanzienlijk deel van de scholen die startbekostiging ontvingen, feitelijk geen volledig nieuwe school startte maar dat het een verzelfstandiging van een bestaande nevenvestiging/dislocatie betrof. Het ging het om ongeveer een derde van de scholen. Waarom is ervoor gekozen nieuw te starten scholen en verzelfstandigingen qua startsubsidie gelijk te trekken?

Dislocaties gelokaliseerd. Onderzoek naar de spreiding, kenmerken en redenen van dislocaties in het primair onderwijs

In totaal heeft bovenstaand onderzoek 711 dislocaties in beeld gebracht. De leden van de CDA-fractie vragen zich af of dit bepaalde regio’s (delen) in Nederland betreft waar dit vaker voorkomt dan in andere regio’s? En is bekend hoeveel dislocaties er vijf jaar geleden waren? Kortom is het aantal dislocaties in Nederland gestegen of gedaald?

Inbreng van de leden van de JA21-fractie

De leden van de JA21-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de drie rapporten over de effecten van de wet MRvNS en hebben nog enkele vragen en opmerkingen.

De evaluatie wet MRvNS van o.a. het Oberon instituut stelt dat van de ingediende aanvragen ongeveer de helft doorzet naar fase twee en de andere helft niet, omdat onvoldoende belangstelling kan worden aangetoond. Hoe beoordeelt de Staatssecretaris dat? Hoe beoordeelt de Staatssecretaris de resultaten vanuit het perspectief van de doelstellingen van de wet dat alleen levensvatbare scholen van start zouden kunnen gaan?

Hoe beoordeelt de Staatssecretaris de huidige regels omtrent het vaststellen van een voedingsgebied? Is zij het met de leden van de JA21-fractie eens dat sommige scholen een relatief groot voedingsgebied zouden moeten mogen aanhouden, als de doelgroep daar om vraagt?

In het eerste cohort van 2021 werden de aanvragen van een aantal initiatieven afgewezen na een negatief advies van de inspectie op de kwaliteit van het burgerschapsonderwijs. Op welke manier en volgens welke criteria werd vastgesteld dat die kwaliteit van het burgerschapsonderwijs tekortschoot? Hoe verklaart de Staatssecretaris dat specifiek dit aspect daarbij als negatief naar voren kwam? Betekent dit dat de andere kwaliteitscriteria waarop werd getoetst wel voldoende werden geacht?

Het rapport stelt dat van de 53 basisscholen die na de inwerkingtreding van de wet per 1 februari 2021 daadwerkelijk van start zijn gegaan in augustus 2023 er 22 van islamitische signatuur zijn. Hoe beoordeelt de Staatssecretaris dit in het licht van de zorgen die ook worden geuit over een toename van segregatie? Dit mede gezien het feit dat bij islamitische scholen daar vaak sprake van is, ook omdat de meeste islamitische leerlingen ook een migratieachtergrond hebben.

Het rapport stelt dat voor basisonderwijs in gemeenten met nieuwe scholen onder de wet MRvNS geen duidelijke trendbreuken in segregatie naar herkomst of inkomen is vast te stellen. Is daarbij ook gekeken naar segregatie, niet alleen op opleidingsniveau of inkomen, maar op basis van migratieachtergrond? Denkt de Staatssecretaris dat segregatie op etnische gronden en/of gronden waarbij zowel sprake is van een andere religie als migratieachtergrond, een hoger risico van onwenselijke segregatie met zich meebrengt? Graag een toelichting.

Ruim de helft van de initiatiefnemers voor nieuwe scholen geeft aan het initiatief te zijn gestart om een nieuw pedagogisch of didactisch concept aan te bieden, volgens het rapport, waarbij juist veel initiatieven werden gestart specifiek om gebruik te maken van een traditioneel onderwijsmodel waarbij de leraar klassieke instructie geeft en gebruik wordt gemaakt van fysieke boeken. Waarom denkt de Staatssecretaris dat die behoefte aan dit traditionele onderwijs bestaat, en hoe beoordeelt zij die? In hoeverre wordt aan de initiatiefnemers gevraagd waarom zij de bestaande scholen te kort vinden schieten?

In de evaluatie van de wet MRvNS wordt gesteld dat het nog te vroeg om vragen over de onderwijskwaliteit van de nieuwe scholen goed te kunnen beantwoorden. Deelt de Staatssecretaris die conclusie? Wat wijzen eerste onderzoeken uit? Wanneer kan daar wel meer over worden gezegd?

Heeft de oprichting van nieuwe scholen bijgedragen aan meer ouderbetrokkenheid? Hoe weegt de Staatssecretaris de voordelen van het bieden van vrijheid aan ouders om een school naar hun eigen inzichten en overtuigingen te kunnen starten tegen de mogelijke nadelen van extra opdracht voor huisvesting?

Hoe beoordeelt de Staatssecretaris de effecten op het lerarentekort? Denkt de Staatssecretaris dat nieuwe scholen ook nieuwe leerkrachten aantrekken die anders een andere baan zouden hebben, of geen? Zijn daar onderbouwingen of analyses van?

In de evaluatie van de wet MRvNS wordt geconcludeerd dat gemeenten vaak aangeven dat zij buitenspel staan bij een bekostigingsbesluit. Vervolgens worden zij bijvoorbeeld geconfronteerd met nieuwe scholen op plekken waar al veel scholen zijn. Wat gaat de Staatssecretaris doen om gemeenten beter te betrekken en/of ondersteunen bij het stichtingsproces?

De auteurs van evaluatie kregen signalen van gemeenten die niet altijd op de hoogte zijn van nieuwe initiatieven voor scholen. Hoe gaat de Staatssecretaris dit in de toekomst voorkomen?

De startbekostiging voor nieuwe scholen van € 19.000 blijkt volgens het onderzoek Startbekostiging Nieuwe Scholen van SEO niet toereikend. De initiële kosten bedragen voor nieuwe basisscholen gemiddeld ruim € 42.000. Bovendien blijken scholen het bedrag kort voor de opening te krijgen, terwijl zij de kosten maanden eerder maken. Is de Staatssecretaris van plan het bedrag te verhogen en rekening te houden met het moment van uitkeren?

In het onderzoek Dislocaties gelokaliseerd wordt gewezen op het fenomeen van dislocaties (nevenvestigingen). Hoe meent de Staatssecretaris dat deze dislocaties nu worden ingezet? Is zij tevreden over hoe dit werkt?

Inbreng van de leden van de BBB-fractie

De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de rapporten over het stichten van nieuwe scholen in het funderend onderwijs en over dislocaties in het basisonderwijs. Deze leden hebben de volgende vragen aan de Staatssecretaris.

De leden van de BBB-fractie constateren dat uit de onderzoeken blijkt dat thuisnabij onderwijs onder druk staat, terwijl dislocaties, verzelfstandigingen en nieuwe schoolinitiatieven vaak juist ontstaan om lokaal onderwijs bereikbaar te houden. Deze leden wijzen hierbij op de casus Driessenschool in Grootschermer, waar dankzij de inzet van ouders en dorpsgemeenschap sluiting kon worden voorkomen. Dit toont het belang aan van onderwijsvoorzieningen voor de leefbaarheid van kleine kernen.

De leden van de BBB-fractie hebben een aantal fracties. Waarom wordt in de beleidsreactie nog onvoldoende expliciet erkend dat het verdwijnen van scholen in kleine dorpen (zoals Grootschermer) direct bijdraagt aan demografische krimp, vertrek van gezinnen en afname van leefbaarheid? Is de Staatssecretaris bereid om bij alle toekomstige beslissingen over stichtingen, fusies en opheffingen een verplicht criterium «regionale leefbaarheid & dorpsfunctie» toe te voegen? Hoe gaat de Staatssecretaris waarborgen dat gemeenten en schoolbesturen niet uitsluitend sturen op doelmatigheid, maar ook op «nabijheid» als maatschappelijk belang?

Daarnaast blijkt volgens de leden van de BBB-fractie uit het SEO-rapport dat de huidige startbekostiging (vooral in het primair onderwijs) structureel ontoereikend is: waar scholen gemiddeld ruim € 42.000 aan kosten maken, bedraagt de bekostiging slechts ca. € 19.000. Daarnaast wordt de bekostiging pas twee maanden voor opening uitgekeerd, terwijl circa 45 procent van de totale kosten veel eerder ontstaat. Waarom is de startbekostiging nooit geïndexeerd naar de werkelijke kosten, terwijl de onderzoeken laten zien dat nieuwe scholen, en zeker nieuwe besturen, deze middelen niet rond kunnen krijgen zonder leningen, privégeld of vrijwilligerswerk? Is de Staatssecretaris bereid de startbekostiging te verhogen én eerder in het proces uit te keren, zodat scholen hun personeel tijdig kunnen werven? Erkent de Staatssecretaris dat ontoereikende startbekostiging vooral nadelig uitpakt voor kleine kernen waar nieuwe initiatieven meestal niet vanuit een groot bestuur starten?

Ook toont volgens de leden van de BBB-fractie het rapport Dislocaties gelokaliseerd dat er 711 dislocaties bestaan, waarvan een substantieel deel als zelfstandig functionerende school opereert, zonder wettelijke erkenning en zonder vaste voet in bekostiging. Tegelijk zijn dislocaties juist van groot belang om kleine kernen onderwijs te bieden, óók wanneer zij onder de opheffingsnorm dreigen te komen. Hoe beoordeelt de Staatssecretaris het risico dat dislocaties, hoewel nuttig voor kleine dorpen, het gelijke speelveld voor nieuwe initiatieven ondermijnen? Is de Staatssecretaris bereid dislocaties die feitelijk als zelfstandige school functioneren alsnog een wettelijke status te geven, inclusief vaste voet en subsidierechten? Kan worden onderzocht hoe dislocaties gerichter kunnen worden ingezet voor het behoud van onderwijs in kleine kernen?

Verder zien de leden van de BBB-fractie dat de evaluatie laat zien dat de nieuwe stichtingsprocedure leidt tot meer nieuwe scholen per jaar en dat de kwaliteitstoets werkt. Tegelijk ontstaan risico’s van versnippering, hogere druk op huisvesting en mogelijke toename van segregatie in specifieke stedelijke gebieden. Voor dorpen en kleine kernen biedt de wet kansen, mits de procedures niet te bureaucratisch worden. Waarom wordt in de evaluatie weinig aandacht besteed aan het belang van regionale spreiding terwijl juist plattelandsgemeenten vaak de meeste moeite hebben met het behouden van een basisvoorziening als een basisschool? Kan de Staatssecretaris toelichten hoe zij gaat voorkomen dat nieuwe initiatieven in stedelijke gebieden de woningbouwdruk activeren zonder dat dit aansluit bij bredere regionale opgaven? Is het mogelijk de wet MRvNS aan te vullen met een regionale behoefteanalyse, zodat dorpen waar een school dreigt te verdwijnen automatisch in aanmerking komen voor versoepeling of versnelling van de procedure?

Daarnaast benadrukken de leden van de BBB-fractie dat het streven naar doelmatigheid niet mag leiden tot het verdwijnen van kleine scholen, omdat die essentieel zijn voor gemeenschapszin, sociale cohesie en leefbaarheid. De casus Grootschermer toont dat een dorpsschool bestaansrecht heeft, zelfs bij beperkte leerlingenaantallen, wanneer gemeenschap en bestuur samenwerken. Kan de Staatssecretaris bevestigen dat de Rijksoverheid voortaan expliciet meeneemt wat sluiting betekent voor de gemeenschap, in plaats van louter te kijken naar opheffingsnormen? Is de Staatssecretaris bereid om, samen met gemeenten, een handreiking op te stellen voor lokale initiatieven die een school willen behouden of verzelfstandigen? Waarom wordt in de rapportages onvoldoende benadrukt dat «bestaansrecht» van een school meer is dan een rekensom, namelijk vooral een sociale en maatschappelijke functie in de kern?

De leden van de BBB-fractie lezen dat uit de onderzoeken blijkt dat gemeenten vaak moeite hebben om tijdig huisvesting te regelen voor nieuwe scholen. Bijna driekwart van de nieuwe scholen start in tijdelijke huisvesting, vaak buiten het beoogde postcodegebied, wat de groei belemmert. Welke verplichtingen kunnen gemeenten worden opgelegd om huisvesting tijdig en binnen de regio te realiseren, zodat scholen niet gedwongen elders beginnen? Hoe voorkomt de Staatssecretaris dat gemeenten vooral stedelijke uitbreidingslocaties faciliteren, terwijl kleine kernen moeite hebben om huisvesting voor hun school op orde te krijgen?

Tot slot zien de leden van de BBB-fractie in alle rapporten één duidelijke lijn: kleinschalig, regionaal verankerd onderwijs staat onder druk door financieringstekorten, huisvestingsproblematiek en een stelsel dat vooral is ingericht op doelmatigheid en schaalvergroting. Terwijl juist kleine scholen, zoals de Driessenschool in Grootschermer, laten zien hoe belangrijk zij zijn voor leefbaarheid, gemeenschapszin en toekomst van dorpen.

II Reactie van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

Het kabinet dankt de leden van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voor hun inbreng en de gestelde vragen. De beantwoording van de vragen volgt de volgorde van het verslag.

Inbreng van de leden van de D66-fractie

De leden van de D66-fractie vragen naar mogelijkheden om de huisvestingsproblematiek voor gemeenten te verminderen. Het kabinet kent de uitdagingen waar gemeenten voor staan als het gaat om onderwijshuisvesting. Niet in elke gemeente is er zomaar een leeg onderwijsgebouw beschikbaar en om die reden maken veel gemeenten de begrijpelijke keuze om nieuwe scholen laten starten in medegebruik bij een andere school. Gemeenten en schoolbesturen vragen regelmatig een jaar uitstel aan voor de start van de school, vaak omdat er nog geen passende huisvesting gevonden is. In overleg met de gemeenten bevat het wetsvoorstel Praktische verbetering stichtingsprocedure scholen (hierna: wetsvoorstel PVS) de mogelijkheid voor een extra (tweede) jaar uitstel voor de start van de school. Ook bevat dit wetsvoorstel het voorstel om de stichtingsprocedure vier maanden eerder te laten starten. De stichtingsprocedure sluit dan beter aan op de gemeentelijke plannings- en begrotingscyclus en geeft gemeenten vier maanden extra tijd om in huisvesting te voorzien. Uw Kamer is in de afgelopen jaren tweejaarlijks geïnformeerd over het wetsvoorstel PVS. Het kabinet bekijkt de komende maanden of het wetsvoorstel nog moet worden uitgebreid naar aanleiding van de evaluatie. Als dit wetsvoorstel wordt aangenomen hebben gemeenten maximaal drie jaar en zes maanden te tijd om een school te huisvesten (ten opzichte van de huidige twee jaar en twee maanden).

Vervolgens vragen de leden van deze fractie of de Staatssecretaris mogelijkheden ziet om de gemeente meer regie te geven bij aanvragen voor nieuwe scholen, waarmee gemeenten het aantal aanvragen kunnen limiteren of keuzes kunnen maken tussen aanvragen.

Een regierol voor gemeenten is niet verenigbaar met de in artikel 23 Grondwet verankerde vrijheid van stichting. Deze grondwettelijke vrijheid kan alleen door de rijksoverheid, bij wet, worden begrensd met uniforme bekostigingscriteria. Een voorbeeld van een objectief en uniform criterium is voldoende belangstelling om zo aannemelijk te maken dat de nieuwe school de stichtingsnorm kan halen. De vraag of een overheid de nieuwe school wenselijk vindt, is geen uniform criterium. Het geven van een regierol aan gemeenten, inhoudende dat gemeentelijke besluitvorming mede bepaalt of een school bekostiging krijgt en gesticht kan worden, is dus niet mogelijk en vraagt om een wijziging van de Grondwet. Ter aanvulling: ook vóór de inwerkingtreding van de wet Meer ruimte voor nieuwe scholen (hierna: MRvNS) hadden gemeenten geen ruimte om een inhoudelijke afweging te maken over de komst van een school. Bovenstaande neemt echter niet weg dat het kabinet, als gezegd, met het wetsvoorstel PVS beoogt meer flexibiliteit en tijd te creëren voor gemeenten ten aanzien van onderwijshuisvesting.

De D66-fractie vraagt het kabinet vervolgens hoe zij de bevindingen van de onderzoekers over segregatie van nieuwe scholen beoordeelt en of zij aanvullende maatregelen wil nemen om segregatie te voorkomen. De eerste nieuwe scholen, die zijn gestart onder de stichtingsprocedure MRvNS, waren pas een ruim jaar open ten tijde van analyses op segregatie-effecten. Om deze reden stellen de onderzoekers dat hun bevindingen slechts eerste indicaties zijn en dat de effecten in het basisonderwijs over het geheel genomen beperkt zijn.2 In het vo zijn de gevonden segregatie-effecten gebaseerd op slechts twee nieuwe scholen, en de onderzoekers stellen daarom dat de resultaten met voorzichtigheid moeten worden geïnterpreteerd. Het is van belang dat we de segregatie door nieuwe scholen blijven volgen. Dat gebeurt ook tijdens de tweede evaluatieperiode van de stichtingsprocedure (2026 tot en met 2030). Tegelijkertijd leidt de vrijheid die ouders in Nederland hebben, om een school te kiezen (en te stichten) die aansluit bij hun levensovertuiging, tot een zekere mate van onderwijssegregatie. De andere grote oorzaak van onderwijssegregatie is woonsegregatie. Het substantieel verminderen van onderwijssegregatie is mogelijk door het inperken of afschaffen van de keuzevrijheid van ouders en leerlingen, wat om een wijziging van artikel 23 van de Grondwet vraagt. Segregatie kan worden verminderd door brede scholengemeenschappen in het vo of centraal aanmeldbeleid in gemeenten met populaire scholen. Ook kennen we voorbeelden van initiatieven van ouders uit een nieuwbouwwijk die gezamenlijk besluiten naar de buurtschool te gaan in plaats van die voorbij te fietsen. Een laatste voorbeeld zijn vo-scholen die vakken, zoals lichamelijke opvoeding of beeldende vorming, aanbieden aan gemengde groepen met leerlingen van verschillende niveaus. Niettemin geldt dat een school met een leerlingenpopulatie die bestaat uit een zeer homogene groep, bijvoorbeeld door de richting van de school, een bijzondere verantwoordelijkheid heeft om leerlingen om de school toch in aanraking te laten komen met mensen van buiten deze groep. Dat volgt uit de wettelijke burgerschapsopdracht. De school bepaalt zelf hoe zij dit doet.

Tot slot vragen de leden van de D66-fractie naar het vervolg van de evaluatie van de stichtingsprocedure. Zoals gezegd, waren de eerste nieuwe scholen (gestart onder de MRvNS-procedure) ten tijde van het opleveren van de evaluatie pas één jaar open. Het kabinet zal de wet ook de komende tien jaar evalueren, en de Tweede Kamer op de hoogte blijven stellen van de uitkomsten. De tweede evaluatie beslaat opnieuw een periode van vijf jaar (2026–2030), waarna een derde evaluatie zal starten. De uitkomsten zullen zorgvuldig worden betrokken bij de verdere ontwikkelingen van het beleid rondom nieuwe scholen.

Inbreng van de leden van de VVD-fractie

Allereerst willen de leden van de VVD-fractie weten hoe de Staatssecretaris kijkt naar de gevolgen van nieuwe scholen op onderwijshuisvesting, op het lerarentekort en op segregatie. In de beantwoording van de vragen van de D66-fractie is het kabinet ingegaan op de zorgen omtrent onderwijshuisvesting en de segregatie. Ten aanzien van het lerarentekort herkent het kabinet de grote uitdagingen rondom het aantrekken en behouden van voldoende en gekwalificeerd onderwijspersoneel. De komst van een nieuwe school kan zorgen voor toenemende druk op deze tekorten. De prognoses van deze tekorten laten, ondanks een lichte afname in 2025, vanaf 2029 (weer) een flinke stijging zien. Overigens blijkt uit de eerste evaluatie van de wet MRvNS dat nieuwe scholen een mix aantrekken van ervaren en nieuwe leraren. Een deel van de leraren die gaat werken op nieuw gestichte scholen is dus niet afkomstig van bestaande scholen uit de omgeving. In de tweede evaluatieperiode zullen de personeelsstromen nauwgezet gemonitord blijven worden, maar ondertussen wil het kabinet het stelsel van opheffen en instandhouden in het basisonderwijs herzien. In het huidige stelsel wordt een groot aantal te kleine scholen in stand gehouden. «Te klein» wil zeggen dat deze school zich onder de gemeentelijke opheffingsnorm bevindt. Het is dus een relatief begrip: in Den Haag is een school te klein als het minder dan 200 leerlingen heeft, en in de gemeente Opsterland moet een school minimaal 38 leerlingen hebben. Deze te kleine scholen hebben elk een eigen gebouw en personeel nodig en daarmee leggen ze extra druk op de oplopende personeels- en huisvestingstekorten. Tegelijkertijd staan er in sommige regio’s te kleine scholen die cruciaal zijn voor de bereikbaarheid van het onderwijs en de leefbaarheid van een gebied. Daarom werkt het kabinet aan een herziening van de regels omtrent de instandhouding van basisscholen, om het scholenaanbod toekomstbestendig te maken. Om de druk op de kwaliteit van onderwijs te kunnen verminderen, ook in tijden van forse leraren- en onderwijshuisvestingstekorten, wil het kabinet het aantal kleine scholen terugbrengen zonder de (te kleine) scholen te verliezen die essentieel zijn voor bereikbaar en toegankelijk onderwijs. Dit wil het kabinet onder andere doen door het vervangen van de uitzonderingsgrond gemiddelde schoolgrootte, die momenteel veel kleine scholen in stand houdt die niet nodig zijn voor bereikbaar onderwijs en die onnodig drukken op het lerarentekort. Hiervoor in de plaats wil het kabinet een afstandscriterium invoeren op basis waarvan kleine scholen in dunbevolkte gebieden in stand kunnen worden gehouden.

De leden van de VVD-fractie vragen vervolgens hoe de Staatssecretaris kijkt naar de balans tussen de doelstellingen van de wet en de neveneffecten in de praktijk.

Het kabinet beziet deze balans in het licht van de huidige evaluatieperiode. Doelstelling van de wet is onder meer bij te dragen aan een toekomstbestendig, kwalitatief goed en gevarieerd onderwijsaanbod dat aansluit bij de wensen van ouders en leerlingen. Dat laatste gebeurt in de huidige procedure: waar voorheen werd uitgegaan van indirecte en veronderstelde belangstelling voor een nieuwe school, is nu sprake van een directe meting van de belangstelling onder de ouders in het voedingsgebied. Ook de eerste resultaten van de kwaliteit van de nieuwe scholen laten een positief beeld zien. Het kabinet volgt de effecten van de stichtingsprocedure nog minstens tien jaar.

Hierna vragen de leden van de VVD-fractie naar de inhoud en het proces van de beoogde wetswijziging.

Het kabinet kent de zorgen van verschillende fracties over de stichtingsprocedure. Het kabinet acht het niet wenselijk om de gehele stichtingsprocedure te herzien, maar kijkt wel naar mogelijkheden tot verbetering van het gehele stelsel van scholenplanning (het stichten, fuseren, verplaatsen en opheffen van scholen).

Verbeteringen aan de stichtingsprocedure (de voorkant van het stelsel) zijn onder te verdelen in twee lijnen:

  • 1. In de eerste plaats bereid het kabinet het wetsvoorstel Praktische verbetering stichtingsprocedure (wetsvoorstel PVS) voor. Dit wetsvoorstel bevat praktische en (uitvoerings-) technische wijzigingen gericht op het verbeteren van de uitvoerbaarheid van de procedure (wetsvoorstel PVS). Hiermee krijgen gemeenten bijvoorbeeld meer tijd om een nieuwe school te huisvesten. En ander voorbeeld is het schrappen van onnodige dubbelingen in de aanlevering van documentatie aan de inspectie.

  • 2. Ten tweede wil het kabinet het gesprek tussen nieuwe initiatiefnemers (nieuwe of bestaande schoolbesturen) en de lokale onderwijspartijen tegen het licht houden. Het gaat dan om zowel de positionering van dit gesprek in de stichtingsprocedure als de inhoudelijke invulling ervan. Hiervoor is geen wetswijziging nodig. Elk bevoegd gezag dat nu een school wil stichten, is verplicht om de andere schoolbesturen in de regio, de gemeente en het samenwerkingsverband passend onderwijs uit te nodigen voor een gesprek. Dit gesprek is gericht op het faciliteren van vroegtijdige afstemming en het bevorderen van de samenwerking, en kan er bijvoorbeeld toe leiden dat het stichten van een nieuwe school niet nodig blijkt. In de praktijk en uit de evaluatie blijkt echter dat initiatiefnemers, gemeenten en schoolbesturen wisselende ervaringen hebben met dit gesprek en dat de samenwerking niet altijd wordt gevonden.

Het kabinet verwacht nog meer winst te halen uit de hierboven genoemde herziening van het stelsel van opheffen en instandhouden (de achterkant van het stelsel).

De leden van de VVD-fractie constateren dat dislocaties soms een meer zelfstandig karakter hebben dan oorspronkelijk bedoeld, en vragen hoe de Staatssecretaris deze ontwikkeling beoordeelt. Ze vragen daarnaast in hoeverre dislocaties kunnen worden gebruikt om de stichtingsprocedure te omzeilen en of de Staatssecretaris reden ziet om nader te kijken naar het (juridische) kader rond dislocaties.

De constatering van de leden van de VVD-fractie klopt. Oorspronkelijk waren dislocaties bedoeld als tijdelijke oplossing om ruimtegebrek op een hoofdlocatie op te vangen. Inmiddels worden dislocaties voor meer doeleinden ingezet, en functioneren ze regelmatig als schijnbaar zelfstandige school. Dat vindt het kabinet niet wenselijk, omdat dislocaties niet-erkende onderwijslocaties zijn die niet systematisch worden geregistreerd door DUO. Ook hebben dislocaties geen wettelijke grondslag en kunnen ze dus niet zelfstandig aan de wet- en regelgeving worden gehouden zoals erkende onderwijslocaties. Het kabinet vindt het ook niet wenselijk dat dislocaties soms worden gestart om de stichtingsprocedure niet te hoeven doorlopen, zoals blijkt uit het onderzoek van Oberon3.

Ik verken samen met gemeenten en het onderwijsveld hoe we dislocaties van een wettelijke verankering en afbakening kunnen voorzien. Hiermee worden de regels transparanter en duidelijker, ook voor onderwijsveld. Uw Kamer zal voor de zomer per brief worden geïnformeerd over het gehele traject waarin zowel de instandhoudingsregels als de wettelijke afbakening en registratie van onderwijsvestigingen worden uitgewerkt.

Inbreng van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen naar de start van de herziening van de procedure.

In de beantwoording van de vragen van de VVD-fractie is het kabinet ingegaan op zowel het proces als de inhoud van de herziening van de wet.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen vervolgens hoe gemeenten en de lokale context voldoende kunnen worden meegenomen bij het bekostigingsbesluit.

In de beantwoording van de vragen van de D66-fractie heeft het kabinet uiteengezet dat een gemeentelijke toets of afweging bij nieuwe scholen stuit op grondwettelijke bezwaren. In die beantwoording heeft het kabinet ook aangegeven dat het kabinet het lokale gesprek over nieuwe schoolinitiatieven opnieuw tegen het licht wil houden. Gemeenten worden met het Integraal Huisvestingsplan (IHP) straks verplicht om onderwijshuisvesting op de middellange termijn te plannen. Gemeenten doen er verstandig aan om, met de bestaande schoolbesturen, te anticiperen op de mogelijkheid dat een bestaand of nieuw bestuur een nieuwe school start. Gemeenten bepalen waar zo’n nieuwe school komt. Hiermee kan een gemeente een bepaalde school plaatsen in een bepaalde wijk, maar ook wijken ontzien van de komst van een nieuwe school.

Vervolgens vragen de leden naar het verminderen van kwaliteitsverschillen en de verhouding met MRvNS.

Het kabinet wil de kwaliteit van alle scholen verbeteren omdat alle leerlingen goed onderwijs verdienen. Op verschillende manieren wordt ervoor gezorgd dat scholen waar de onderwijskwaliteit achterblijft zich verbeteren. In het kader van het Masterplan basisvaardigheden is een afzonderlijke subsidieregeling ingericht voor prioriteitsscholen, scholen met het oordeel onvoldoende en scholen met het oordeel zeer zwak. Vanuit de programma’s Goed Worden, Goed Blijven en Leren Verbeteren kan deze groep scholen ondersteuning vinden om de basiskwaliteit zo snel mogelijk weer op peil te brengen. Ook het stimulerende toezicht van de inspectie is bedoeld om hieraan bij te dragen.

Sinds de komst van de nieuwe stichtingsprocedure wordt scherper dan onder de vorige procedure toegezien op de onderwijskwaliteit van nieuwe scholen: het gaat dan zowel om de kwaliteitstoets die de Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) uitvoert in de aanvraagfase als om de kwaliteitsonderzoeken die plaatsvinden direct in het eerste jaar na de start van de nieuwe school. Uit de eerste data van de kwaliteitsonderzoeken op de scholen die in augustus 2023 en 2024 hun deuren openden, komt een voorzichtig positief beeld naar voren: de scholen die in 2023 startten hebben allen het oordeel voldoende (vijf van de 29 scholen kregen hun voldoende pas na een hersteltermijn). Acht van 30 scholen die in 2024 startten werken momenteel aan hun herstel richting voldoende onderwijskwaliteit.4 Zoals aangegeven in de antwoorden aan de D66-fractie blijft het kabinet de stichtingsprocedure de komende 10 jaar monitoren.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben ook enkele vragen over de startbekostiging voor nieuwe scholen en de relatie met minder kapitaalkrachtige initiatiefnemers en verzelfstandigingen.

Uit recent onderzoek is gebleken dat de startbekostiging in het basisonderwijs niet toereikend is, vooral voor basisscholen van nieuwe schoolbesturen. Nieuwe besturen beschikken namelijk niet over de reserves en de middelen waar een bestaand bestuur doorgaans wel over beschikt. Het kabinet wil dat schoolbesturen de start van een nieuwe school goed voor kunnen bereiden om vanaf de eerste dag te kunnen starten met kwalitatief goed onderwijs. Overigens is de startbekostiging voor nieuwe scholen niet gewijzigd met de introductie van MRvNS. Het kabinet neemt de aanbeveling om de startbekostiging in het basisonderwijs te verhogen mee in de integrale afweging van beleidswensen tijdens de voorjaarsnota. Het kabinet is verder van plan om de startbekostiging in geval van verzelfstandiging te schrappen. Bij een verzelfstandiging wordt een vestiging van een school (een dislocatie of nevenvestiging) omgezet in een zelfstandige school. Uit het onderzoek blijkt dat in dergelijke gevallen nauwelijks extra kosten worden gemaakt door het schoolbestuur.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen hoe de Staatssecretaris reflecteert op de knelpunten die kleven aan dislocaties en hoe de Staatssecretaris deze knelpunten gaat aanpakken.

In de beantwoording van de VVD-vragen geeft het kabinet aan dat het met gemeenten en het onderwijsveld verkent hoe dislocaties wettelijk kunnen worden verankerd, wat zal bijdragen aan het oplossen van de genoemde knelpunten. Voor de zomer ontvangt uw Kamer een beleidsreactie waarin nader op deze genoemde verankering wordt ingegaan.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren verder dat dislocaties ook worden ingezet om nieuwkomersonderwijs te kunnen geven en vragen de Staatssecretaris te reflecteren op de wens van deze dislocaties om een eigen BRIN-nummer te ontvangen.

We zien inderdaad dat dislocaties ook worden gebruikt om nieuwkomersonderwijs te huisvesten. In onze verkenning naar een nieuwe afbakening van dislocaties heeft het kabinet ook aandacht voor de positie van het nieuwkomersonderwijs. Op dit moment werkt het kabinet aan een wetsvoorstel om het onderwijs aan nieuwkomers wettelijk te borgen. In dat wetsvoorstel bekijkt het kabinet of onderwijs aan nieuwkomers een duidelijke grondslag kan krijgen. Het geven van een eigen BRIN-nummer aan voorzieningen voor nieuwkomersonderwijs is complex. Het kabinet zoekt daarbij naar een balans tussen de voordelen van zelfstandige voorzieningen en die van het zijn van een onderdeel van een bestaande school. Een zelfstandige voorziening maakt het bijvoorbeeld mogelijk een specifieke expertise opbouwen, terwijl een voorziening binnen een bestaande school kansen biedt voor een doorlopende leerlijn.

Inbreng van de leden van de PVV-fractie

De leden van de PVV-fractie vragen welke conclusies de Staatssecretaris uit de rapporten haalt en in hoeverre deze worden betrokken bij eventuele aanpassingen van het huidige beleid.

Het kabinet bekijkt de drie rapporten in samenhang en neemt de bevindingen mee bij de verdere beleidsontwikkeling. Zoals aangegeven in de beantwoording van de vragen van de VVD-fractie, richt wetsvoorstel PVS zich zowel op praktische en uitvoeringstechnische verbeteringen en wil het kabinet ook inzetten op meer gewicht en een betere positionering van het gesprek in de regio. Uit het onderzoek naar de hoogte van de startbekostiging, zoals genoemd in de beantwoording van de vragen van de GroenLinks/PvdA-fractie, blijkt dat deze in het basisonderwijs ontoereikend is. Het kabinet neemt de aanbeveling om de startbekostiging in het basisonderwijs te verhogen mee in de integrale afweging van beleidswensen tijdens de voorjaarsnota. En tot slot: om de in het onderzoek genoemde knelpunten bij dislocaties te mitigeren, wil het kabinet de wetgeving rondom onderwijslocaties duidelijker en consistenter maken. Voor de zomer ontvangt uw Kamer een beleidsreactie op alle drie de rapporten.

Vervolgens vragen de leden van de PVV-fractie naar een overzicht van het aantal nieuwe basisscholen dat jaarlijks wordt gesticht, zowel vóór als na de invoering van de nieuwe procedure.

Hieronder is een overzicht opgenomen van de aantallen goedgekeurde stichtingsaanvragen vanaf schooljaar 2017/2018 t/m 2024–2025.5 Het schooljaar 2021/2022 is het eerste jaar na invoering van de wet MRvNS:

Nieuwe po-scholen

2017/2018

7

2018/2019

15

2019/2020

22

2020/2021

9

2021/2022

32

2022/2023

25

2023/2024

26

2024/2025

18

In het primair onderwijs is, zoals de leden van de fractie ook signaleren, een stijging te zien van het aantal nieuw gestichte basisscholen, van gemiddeld 14 naar 26 per jaar, beide inclusief verzelfstandigingen van bestaande vestigingen.6 Zonder deze verzelfstandigingen gaat het momenteel om gemiddeld 18 nieuwe basisscholen per jaar. Nog onbekend is of deze stijging in het po een verschijnsel is van tijdelijke aard als gevolg van de nieuwe procedure, of zich langer zal voortzetten. In dit licht is de eerder genoemde monitoring van belang.

De leden van de PVV-fractie bevragen de Staatssecretaris over de zorgen van bestaande scholen over hun voortbestaan.

Het kabinet kan zich dergelijke zorgen voorstellen. De komst van een nieuwe school kan ervoor zorgen dat bestaande scholen minder instroom van leerlingen krijgen. Het kabinet wijst erop dat een nieuwe school alleen kan starten als zij, als onderdeel van de stichtingsprocedure, een aanzienlijke belangstelling heeft aangetoond. Met andere woorden: een nieuwe school heeft alleen kans van slagen als zij daadwerkelijk iets toevoegt aan het bestaande scholenaanbod. Dit zou uiteindelijk kunnen leiden tot de sluiting van een school in de omgeving waaraan minder behoefte blijkt te zijn.

Daarnaast vragen de leden van de PVV-fractie naar een totaaloverzicht van het aantal islamitische basisscholen in Nederland en het aantal leerlingen dat onderwijs volgt op deze scholen, uitgesplitst per jaar.

In onderstaande tabel is het aantal islamitische scholen, vestigingen en leerlingen weergegeven. Het gaat hier om leerlingen en scholen in het reguliere basis- en voortgezet onderwijs. In het speciaal (basis)onderwijs zijn er geen scholen met een islamitische grondslag. In 2025 is 1,4% van de scholenaanbod en 1,5% van de schoolvestigingen islamitisch. 1,6% van de leerlingen in ons land volgt onderwijs op een islamitische school.

2021

2022

2023

2024

2025

Scholen

55

60

67

74

83

Vestigingen

61

66

73

80

89

Leerlingen

16.898

17.568

19.198

20.794

22.190

Daarna vragen de leden van de PVV-fractie hoeveel aanvragen voor islamitische scholen er in de huidige ronde stichtingsaanvragen in behandeling zijn. In totaal zijn er in de huidige ronde 52 aanvragen die momenteel worden beoordeeld door DUO en de inspectie. In deze fase van het aanvraagproces kan DUO voor po-scholen niet met zekerheid de denominatie vaststellen, voor voortgezet onderwijs registreert DUO geen denominatie. OCW stelt op basis van de beschrijvingen van de initiatieven vast dat er acht aanvragen zijn gedaan voor een nieuwe islamitische basisschool, vier aanvragen voor een nieuwe school of scholengemeenschap voor voortgezet onderwijs, drie aanvragen voor de uitbreiding van het bestaande vo-school (met een ander onderwijsniveau) en één aanvraag voor de splitsing van een vo-school.

De leden van de PVV-fractie hebben ook vragen over de invloed van islamitische scholen op segregatie- en integratievraagstukken en zij vragen de Staatssecretaris of er strengere eisen nodig zijn voor de oprichting van islamitische scholen.

De onderzoekers hebben gekeken naar de invloed van verschillende typen scholen (zoals algemeen bijzonder, protestants-christelijk, islamitisch, enz.) op de onderwijssegregatie in een gemeente. Mede vanwege gezien de lage aantallen en het feit dat de eerste scholen nog maar kort geleden hun deuren hebben geopend, zijn momenteel nauwelijks effecten te zien. Zoals in de beantwoording van de vragen van de D66-fractie al aangegeven leidt het Nederlandse onderwijssysteem tot een zekere mate van segregatie. In Nederland hebben ouders en leerlingen namelijk vrijheid in de keuze voor een school. Heeft een school een leerlingenpopulatie die bestaat uit een zeer homogene groep, bijvoorbeeld door de richting van de school, dan heeft de school een bijzondere verantwoordelijkheid om leerlingen op de school toch in aanraking te laten komen met mensen van buiten deze groep. Dat volgt uit de wettelijke burgerschapsopdracht. De school bepaalt zelf hoe zij dit doet. Het kabinet ziet geen aanleiding om strengere eisen te verbinden aan de stichting van islamitische scholen omdat uit artikel 23 Grondwet volgt dat voor alle scholen dezelfde objectieve bekostigingsvoorwaarden gelden.

De leden van de PVV-fractie vragen vervolgens naar het toezicht op islamitische scholen en de uitvoering van de burgerschapsopdracht.

Elk nieuw initiatief wordt vooraf door de inspectie getoetst op verschillende deugdelijkheidseisen, waaronder de invulling van de wettelijke burgerschapsopdracht. Scholen moeten duidelijk maken dat het onderwijsaanbod zich herkenbaar zal richten op de bevordering van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en de ontwikkeling van de sociale en maatschappelijke competenties die daarbij van belang zijn. Er zijn geen aanwijzingen dat islamitische scholen dit minder goed doen dan andere initiatieven. Daarnaast worden alle nieuwe scholen in het eerste jaar na de start getoetst door de inspectie met een kwaliteitsonderzoek om te bekijken of de vooraf ingediende plannen ook in de praktijk in uitvoering zijn gebracht. De inspectie ziet hier actief op toe en heeft de bevoegdheid op te treden als zij constateert dat scholen niet voldoen aan de wettelijke burgerschapsopdracht.

De leden van de PVV-fractie vragen of de termijn waarin gemeenten nieuwe scholen moeten huisvesten realistisch is of de afspraken tussen gemeenten en schoolbesturen vaak afwijken van de gemaakte afspraken.

Gemeenten hebben momenteel een jaar en twee maanden om een school te huisvesten, met de mogelijkheid tot een jaar uitstel (maximaal twee jaar en twee maanden). In de meeste gevallen blijkt het hierin mogelijk om huisvesting te organiseren. Er zijn echter situaties waarin de gestelde termijnen niet realistisch blijken en daarom stelt het kabinet voor (in het wetsvoorstel PVS) om gemeenten en schoolbesturen de mogelijkheid te geven voor een extra jaar uitstel. Het is voor het kabinet lastig om te achterhalen of gemaakte afspraken tussen gemeenten en schoolbesturen worden nagekomen.

De leden van de PVV-fractie vragen hoe het komt dat het ministerie geen volledig overzicht heeft van dislocaties en vragen de Staatssecretaris om aan te geven hoeveel van deze dislocaties feitelijk functioneren als zelfstandige school.

Dislocaties zijn ooit ontstaan om tijdelijk ruimtegebrek in de hoofdvestiging op te vangen. Het uitgangspunt was dat dislocaties zouden functioneren als tijdelijk bijgebouw, waarvoor het niet nodig of praktisch werkbaar werd geacht om ze systematisch te registreren. Die registratiepraktijk is niet veranderd, waardoor de Rijksoverheid nog steeds geen centraal overzicht heeft van alle dislocaties. In de Kamerbrief van juli 2025 constateerde voormalig Staatssecretaris Paul dat dislocaties ook voor andere doeleinden worden ingezet. Zicht op dislocaties is van waarde om het juiste beleid ten aanzien van dislocaties in de toekomst te kunnen bepalen.7 Daarom heeft OCW Oberon de opdracht gegeven om het landschap van dislocaties nader in beeld te brengen. Op basis van het onderzoek van Oberon is niet met zekerheid te zeggen hoeveel dislocaties feitelijk als zelfstandige school functioneren. De onderzoekers hebben daar wel uitvraag naar gedaan, maar kregen vaak geen of geen eenduidig antwoord. Bovendien is «zelfstandige school» iets subjectiefs dat niet objectief te definiëren is. In het figuur dat op pagina 22 van het onderzoeksrapport getoond wordt, is te zien dat in ieder geval 128 van de dislocaties alle leerjaren aanbiedt.

De leden van de PVV-fractie vragen tot slot of de Staatssecretaris kan bevestigen dat dislocaties soms worden gebruikt om de stichtingsprocedure voor nieuwe scholen te omzeilen. Zij vragen ook of de Staatssecretaris de mening deelt dat hierdoor een ongelijk speelveld ontstaat tussen nieuwe en bestaande schoolbesturen en of de Staatssecretaris bereid is om de regelgeving rond dislocaties aan te scherpen. Zoals aangegeven in mijn antwoord aan de VVD-fractie, worden dislocaties inderdaad soms ingezet om de stichtingsprocedure te omzeilen. Het kabinet verkent hoe het dislocaties wettelijk kan verankeren, onder andere om omzeiling van de stichtingsprocedure te voorkomen.

Inbreng van de leden van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie vragen hoe het kabinet kijkt naar de pluriformiteit van het scholenaanbod en de doelstellingen van de wet.

Initiatieven die binnen de oude stichtingsprocedure geen ruimte kregen, kunnen nu wel een stichtingsprocedure starten. Als dit initiatief aan alle voorwaarden voldoet, kan een nieuwe school ontstaan die een verrijking is voor het bestaande aanbod. Het onderwijsaanbod is daarmee pluriformer dan voor de inwerkingtreding van de wet. Het doel van de wet is het creëren van randvoorwaarden voor een toekomstbestendig, kwalitatief goed en gevarieerd onderwijsaanbod dat aansluit bij de wensen van ouders en leerlingen. Deze behoeften kunnen veranderen over de jaren en het scholenaanbod moet hierin mee kunnen bewegen.

Vervolgens vragen de leden van de CDA-fractie naar de positie van verschillende soorten gemeenten, naar de lokale context en naar knelpunten in de uitvoering van het integraal huisvestingplan (IHP).

Uit de evaluatie blijkt dat veel gemeenten vinden dat hun zienswijze en de lokale context niet voldoende worden meegenomen in het bekostigingsbesluit. Er is niet onderzocht of daarin verschillen bestaan tussen grote of kleine gemeenten of tussen de randstad en de regio. Met de lokale context bedoelen gemeenten het meenemen van hun standpunt over de wenselijkheid of noodzaak van de nieuwe school in hun gemeente. Gemeenten vragen zich bijvoorbeeld af of de school iets toevoegt aan hun bestaande aanbod, of de school leidt tot segregatie, of ze wel ruimte hebben voor de nieuwe school en of ze mogen wachten tot een ander schoolbestuur een bekostigingsaanvraag doet. Van gemeenten wordt verwacht dat zij vooruit kijken om hun huisvestingsbeleid te plannen, met het Integraal Huisvestingsplan (IHP) als instrument. Met het wetsvoorstel planmatige aanpak onderwijshuisvesting dat 15 april 2026 is aangenomen in de Tweede Kamer, wordt het gebruik van een IHP verplicht gesteld. Hierin staan de geraamde investeringsbedragen per schoolgebouw8 in de betreffende gemeenten opgenomen, voor een periode van vier jaar. Met het wetsvoorstel wordt betere samenwerking en afstemming tussen schoolbesturen en gemeenten op onderwijshuisvesting beoogd. Als gemeenten geen rekening houden met de mogelijke komst van een nieuwe school, kunnen zij in de knel komen met hun IHP. Dat kan betekenen dat een gemeente de gemaakte afspraken met de bestaande schoolbesturen moet herzien. Binnen het programma Onderwijshuisvesting is een landelijke richtlijn Integraal Huisvestingsplan ontwikkeld. En tot slot wil het kabinet met het wetsvoorstel PVS gemeenten meer tijd geven om in huisvesting te voorzien. In dat wetsvoorstel zit ook een verschuiving van de termijnen binnen de stichtingsprocedure, zodat deze beter in lijn zijn met de gemeentelijke plannings- en controlcyclus.

De leden van de CDA-fractie vragen naar de achtergrond van de afwijzingen op de kwaliteitstoets op grond van tekortkomingen in de uitwerking van het burgerschapsonderwijs. Een mogelijke verklaring is dat de wetgeving rondom de burgerschapsopdracht ten tijde van de start van de procedure recent verduidelijkt was.9 Ook de kwaliteitstoets zelf was op dat moment nieuw. Inmiddels weten initiatiefnemers van nieuwe scholen steeds beter wat er ten aanzien van de kwaliteitstoets van hun wordt gevraagd, ook ten aanzien van het burgerschapsonderwijs.

Vervolgens vragen de leden van de CDA-fractie naar de redenen voor scholen om te verzelfstandigen of te splitsen. Schoolbesturen verzelfstandigen (in het po) of splitsen (in het vo) een bestaande vestiging van een school. Er ontstaat dan een (tweede) nieuwe school. Uit gesprekken die het Ministerie van OCW voert met gemeenten en schoolbesturen blijkt dat schoolbesturen doorgaans verzelfstandigen vanuit financiële overwegingen. Een nieuwe school krijgt namelijk een eigen vaste voet qua bekostiging.

De leden van de CDA-fractie willen weten of het bekend is hoe gemeenten en scholen elkaar na het startjaar waarderen. Hier is geen onderzoek naar gedaan.

De leden van de CDA-fractie vragen naar de motieven voor het oprichten van een eigen basisschool naast religieuze of levensbeschouwelijke overwegingen. Naast deze overwegingen zijn het introduceren van een nieuw onderwijskundig concept of het starten van onderwijs in een nieuwbouwgebied veel voorkomende motieven. Daarna vragen de leden of het oprichten van nieuwe scholen een landelijke trend is, of zich slechts in bepaalde delen van het land voordoet. De helft van de initiatiefnemers van nieuwe basisscholen wil scholen oprichten in sterk stedelijke gebieden, vaak in de Randstad, maar ook in Noord-Brabant en Gelderland. Voor vo-initiatiefnemers is de concentratie nog sterker: ruim twee derde wil een school oprichten in (zeer) sterk stedelijke gebieden. Dit valt te verklaren door het feit dat in deze gebieden het grootste leerlingpotentieel aanwezig is.

Net als de leden van de PVV-fractie, vragen ook de leden van de CDA-fractie naar de zorgen van bestaande scholen als een nieuwe school in de omgeving opent.

Het kabinet kan zich deze zorgen voorstellen. De komst van een nieuwe school kan ervoor zorgen dat bestaande scholen minder instroom van leerlingen krijgen. Het kabinet wijst erop dat een nieuwe school alleen kan starten als zij, als onderdeel van de stichtingsprocedure, een aanzienlijke belangstelling heeft aangetoond. Met andere woorden: een nieuwe school heeft alleen kans van slagen als zij volgens de ouders in de omgeving daadwerkelijk iets toevoegt aan het bestaande scholenaanbod.

Vervolgens vragen de leden van de CDA-fractie naar de positie van het openbaar onderwijs. Uit de evaluatie blijkt dat de positie van het openbaar onderwijs op dit moment niet verzwakt is, maar dat dat oordeel mogelijk prematuur is. Met andere woorden: er is meer tijd nodig om te bezien of op termijn openbare scholen verdwijnen door de komst van nieuwe scholen. De volgende twee evaluatieperiodes (2026–2030 en 2031–2035) moeten hier nieuwe informatie over opleveren. De overheid heeft de verantwoordelijkheid om te zorgen voor voldoende openbaar onderwijs. Er zijn daarom aanvullende bepalingen waardoor de laatste openbare school in een gebied langer bekostigd blijft.

Net als de leden van verschillende andere fracties, vragen ook de leden van de CDA-fractie naar onderwijssegregatie. Zij willen weten wat de onderzoekers bedoelen met «beperkt zichtbare effecten» en welke ontwikkelingen ook invloed kunnen hebben op de mate van segregatie in een gemeente.

Met beperkt zichtbaar bedoelen de onderzoekers twee zaken. Allereerst is de periode waarin data over segregatie is verzameld nog te kort om meer dan eerste indicaties op te maken. Ten tweede is het aantal nieuwe scholen per gemeente te beperkt om eventuele segregatie-effecten direct toe te schrijven aan de komst van een school. Andere verklarende variabelen kunnen demografische ontwikkelingen binnen een gemeente zijn, bijvoorbeeld de komst van een nieuwe woonwijk.

Vervolgens vragen de leden van de CDA-fractie waarom de startbekostiging twee maanden voor de opening van een nieuwe school wordt uitgekeerd en waarom besturen ook voor verzelfstandigingen startbekostiging ontvangen. De startbekostiging in het basisonderwijs is gebaseerd op twee maandsalarissen van een directeur en wordt om die reden ook twee maanden voor de start van de school uitgekeerd. Schoolbesturen ontvangen ook bij verzelfstandiging van een dislocatie of nevenvestiging startbekostiging omdat er, juridisch gezien, een nieuwe school ontstaat. Uit het recente onderzoek van SEO blijkt dat er bij verzelfstandigingen nauwelijks extra kosten worden gemaakt en daarom verkent het kabinet of het de startbekostiging bij verzelfstandiging afschaft. Het kabinet neemt de aanbeveling om de startbekostiging in het basisonderwijs te verhogen mee in de integrale afweging van beleidswensen tijdens de voorjaarsnota.

Tot slot vragen de leden van de CDA-fractie of dislocaties in bepaalde regio’s in Nederland vaker voorkomen dan in andere regio’s en of bekend is of het aantal dislocaties sinds vijf jaar geleden is gestegen of gedaald. Dislocaties zijn niet-erkende onderwijslocaties zonder wettelijke grond, die niet systematisch door DUO worden geregistreerd. Hierdoor heeft de Rijksoverheid geen centraal overzicht van alle dislocaties. Oberon heeft gekeken naar het huidige landschap van dislocaties en niet naar het landschap van dislocaties in het verleden. Daarom is moeilijk te zeggen of het aantal dislocaties gestegen of gedaald is. Oberon heeft wel gekeken naar het aantal dislocaties per gemeente en heeft een kaart gemaakt waarop zichtbaar is hoe per gemeente het percentage dislocaties zich tot het percentage hoofd- en nevenvestigingen verhoudt, zie pagina 11 van het onderzoeksrapport. Op de kaart is te zien dat er in de Randstad verhoudingsgewijs meer dislocaties zijn dan in andere delen van het land.

Inbreng van de leden van de JA21-fractie

De leden van de JA21-fractie stellen allereerst vragen over de belangstellingsmeting en het voedingsgebied waarbinnen initiatieven ouderverklaringen mogen verzamelen.

Uit de evaluatie blijkt dat ongeveer de helft van de initiatieven niet voldoende belangstelling kan aantonen. De stichtingsprocedure beoogt alleen levensvatbare initiatieven door te laten naar de aanvraagfase. De belangstellingsmeting is daarvoor de lat en het is doelmatig dat niet ieder initiatief die lat haalt. Het voedingsgebied (straal van 6 kilometer in het basisonderwijs en 15 kilometer in het voortgezet onderwijs) is gekozen omdat 95,5% van de basisscholen 90% van hun leerlingen uit dit gebied haalt. Uit een straal van 15 km trekt in het voortgezet onderwijs 89,5% van de scholen 90% van hun leerlingen. Deze percentages stijgen bij een groter voedingsgebied niet voldoende om een groter voedingsgebied te rechtvaardigen. De belangstelling voor een initiatief door een ouder met een kind buiten het huidige voedingsgebied, geeft daarom een minder betrouwbare voorspelling van de uiteindelijke belangstelling van ouders in de toekomst. Om de uitvoeringslast voor DUO te beperken, kiest het kabinet er niet voor om initiatiefnemers zelf het voedingsgebied voor een nieuwe school te laten bepalen.

De leden van de JA-21 fractie vragen hoe inspectieadviezen worden vastgesteld en of er een verklaring is voor de negatieve adviezen over burgerschapsonderwijs in 2021.

De inspectie baseert haar adviezen op een wettelijk advieskader voor nieuwe scholen met zes deugdelijkheidseisen, waaronder de invulling van het burgerschapsonderwijs. Alleen wanneer de inspectie positief is over alle zes10 de deugdelijkheidseisen, volgt een positief advies richting de Minister. Voor burgerschapsonderwijs moet onder meer blijken dat het aanbod zich herkenbaar richt op de bevordering van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat, op de ontwikkeling van de sociale en maatschappelijke competenties die daarbij van belang zijn en op een schoolcultuur die in overeenstemming is met die basiswaarden. Ook moet de beschrijving duidelijk maken dat het burgerschapsonderwijs doelgericht en samenhangend vorm zal krijgen.11 Voor de verklaring van de negatieve adviezen in 2021 verwijst het kabinet naar de beantwoording van de vragen van de CDA-fractie. Daarbij geldt dat bij ongeveer de helft van de initiatieven die een negatief advies ontvingen ook niet werd voldaan aan (minimaal) één van de andere deugdelijkheidseisen.

Vervolgens vragen de leden van de JA21-fractie, net als die van de PVV-fractie, naar de nieuwe islamitische scholen in relatie tot de zorgen omtrent segregatie.

Voor deze vraag verwijst het kabinet graag naar de tabel op pagina 20. Ter aanvulling: in de evaluatie is gekeken naar de invloed van het opleidingsniveau, inkomen en herkomst van de ouders op segregatie in het onderwijs.

De leden van de JA21-fractie vervolgen hun betoog met de vraag waarom de Staatssecretaris denkt dat er behoefte aan traditioneel onderwijs bestaat en of aan initiatiefnemers wordt gevraagd waarom zij de bestaande scholen tekort vinden schieten.

Het is niet aan het kabinet om de onderwijswensen van ouders en kinderen te beoordelen. In de stichtingsprocedure is bewust gekozen om de wenselijkheid van een nieuwe school te peilen onder ouders. Aan initiatiefnemers wordt niet gevraagd waarom zij bestaande scholen tekort vinden schieten, omdat het antwoord op een dergelijke vraag geen invloed heeft op het bekostigingsbesluit.

De leden van de JA21-fractie vragen vervolgens naar de onderwijskwaliteit op nieuwe scholen.

Zoals aangegeven in de beantwoording van de vragen van de GroenLinks-PvdA fractie, wordt er sinds de komst van de nieuwe procedure scherper toegezien op de onderwijskwaliteit: het gaat dan zowel om de kwaliteitstoets die de inspectie uitvoert in de aanvraagfase als om de kwaliteitsonderzoeken die plaatsvinden direct in het eerste jaar na de start van de nieuwe school. De eerste data van de kwaliteitsonderzoeken op de scholen die in augustus 2023 en 2024 hun deuren openden, laten een overwegend positief beeld zien van de onderwijskwaliteit op nieuwe scholen. De kwaliteit wordt nauwgezet gemonitord. De Kamer wordt hier met de halfjaarlijkse Kamerbrieven van op de hoogte gehouden.

De leden van de JA21-fractie vragen of de oprichting van nieuwe scholen bijdraagt aan meer ouderbetrokkenheid.

De afgelopen jaren hebben laten zien dat er behoefte blijkt te zijn aan nieuwe scholen. Er kwamen namelijk substantieel meer scholen bij, dan voor de wet MRvNS. Sommige nieuwe scholen ontstonden soms vanuit een ouderinitiatief. Ouders zijn ook meer betrokken bij nieuwe scholen omdat zij hun ouderverklaring kunnen afgeven om hun belangstelling voor een nieuwe school kenbaar te maken. Voor de wet MRvNS werd de stem van ouders niet meegewogen. Het is niet bekend hoe de ouderbetrokkenheid op nieuw gestarte scholen is.

Vervolgens vragen deze leden hoe de Staatssecretaris de stichtingsvrijheid weegt ten opzichte van de druk op de huisvesting.

Uit de evaluatie blijkt dat 78% van de gemeenten de nieuwe scholen ziet als aanvulling op het bestaande aanbod. Maar er zijn ook gemeenten waarbij de extra huisvestingsopdracht tot problemen leidt (financieel en qua beschikbaarheid). Het kabinet constateert dat een grondwettelijke recht (vrijheid van stichting) in zulke gevallen op gespannen voet kan staan met een feitelijk gebrek aan huisvestingsmogelijkheden binnen een gemeente en als zodanig met de op de gemeente rustende wettelijke verplichtingen. Mede daarom wordt in het wetsvoorstel PVS voorzien in aanpassingen aan de stichtingsprocedure waarmee de uitvoerbaarheid van de huisvestingstaak voor de gemeente wordt verbeterd, onder andere door de gemeente meer tijd te geven om invulling te geven aan deze taak.

Vervolgens vragen de leden van de JA-21 fractie naar de relatie tussen de komst van nieuwe scholen en de eventuele effecten hiervan op het lerarentekort.

Het kabinet verwijst hiervoor naar zijn beantwoording van de vragen de leden van de VVD-fractie. Daarin stelt het kabinet dat de komst van nieuwe scholen kan zorgen voor toenemende druk op het lerarentekort, maar dat de meeste winst te behalen is aan de «achterkant» van het stelsel, waar een herziening wordt voorbereid. Door het verminderen van het aantal te kleine basisscholen, dat zijn basisscholen die onder de gemeentelijke opheffingsnorm zitten, kan de druk op het lerarentekort worden verlaagd. Het terugbrengen van het aantal te kleine scholen draagt daarnaast bij aan het verlagen van de druk op de huisvesting, waar de leden van de JA-21-fractie tevens hun zorgen over uiten. Zoals eerder aangegeven, zal uw Kamer voor de zomer per brief worden geïnformeerd over deze herziening.

Ook de leden van de JA21-fractie vragen de Staatssecretaris om gemeenten beter te betrekken bij het stichtingsproces.

In de beantwoording van de vragen van de leden van de D66-fractie is het kabinet ingegaan op de mogelijkheden en onmogelijkheden om gemeenten een sterkere rol te geven in de stichtingsprocedure. Ter aanvulling bekijkt het kabinet momenteel of het mogelijk is om gemeenten, naast de informatie op de DUO-website, actief te informeren over een positief bekostigingsbesluit in hun gemeente en over bezwaar- en beroepsprocedures. Dit zou een nuttige aanvulling zijn op de wettelijke plicht die initiatiefnemers hebben om gemeenten vóór het indienen van een bekostigingsaanvraag uit te nodigen voor een gesprek.

Net als de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen ook deze leden naar het verhogen en het eerder uitkeren van de startbekostiging voor nieuwe scholen. In de beantwoording van de vragen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie heeft het kabinet aangeven dat het de aanbeveling om de startbekostiging in het basisonderwijs te verhogen meeneemt in de integrale afweging van beleidswensen tijdens de voorjaarsnota. Daarnaast is het kabinet bezig met het aanpassen van de regelgeving, zodat de startbekostiging voortaan niet twee maanden voor de start van de school wordt uitgekeerd, maar eerder, bijvoorbeeld zes maanden.

De leden van de JA21-fractie vragen hoe dislocaties nu worden ingezet, en of de Staatssecretaris tevreden is over hoe dit werkt. In het onderzoek van Oberon wordt beschreven hoe dislocaties nu worden ingezet. Op pagina 22 van het onderzoeksrapport wordt een figuur getoond die laat zien hoe schoolbesturen dislocaties inzetten. In de beantwoording van de vragen van de leden van de VVD-fractie heeft het kabinet uiteengezet dat het niet wenselijk is dat dislocaties als zelfstandige school functioneren.

Inbreng van de leden van de BBB-fractie

De BBB-fractie stelt, met verwijzing naar het dorp Grootschermer, verschillende vragen die gaan over het waarborgen van regionale leefbaarheid in kleine dorpen, specifiek de vraag wat het verdwijnen van kleine scholen in dorpen doet met de leefbaarheid, en het sturen op «nabijheid» als maatschappelijk behang. Daarbij vragen de leden hoe de Staatssecretaris gaat waarborgen dat gemeenten en schoolbesturen niet uitsluitend sturen op doelmatigheid, maar ook op «nabijheid», en vragen zij of de Staatssecretaris bereid is om bij toekomstige beslissingen over stichten, fusies en opheffen een verplicht criterium «regionale leefbaarheid en dorpsfunctie» toe te voegen.

Het sturen op doelmatigheid en het waarborgen van een bereikbaar scholenaanbod is een taak van de overheid, en nadrukkelijk onderdeel van de eerder genoemde voorgenomen stelselherziening in het primair onderwijs. Als onderdeel van die wijziging is het kabinet voornemens de uitzonderingsgrond «gemiddelde schoolgrootte» te vervangen. Deze uitzonderingsgrond houdt momenteel een groot aantal te kleine scholen in stand die niet noodzakelijk zijn voor een dekkend aanbod, en wordt daarom vervangen door een uitzonderingsgrond op basis van een afstandscriterium. In het huidige stelsel kan namelijk niet op bereikbaarheid worden gestuurd. Met de voorgenomen aanpassing kan een school die op basis van de opheffingsnormen te klein is, opengehouden worden wanneer er geen andere school in de directe omgeving is. Zonder deze uitzonderingsgrond zouden deze te kleine scholen moeten sluiten, wat een probleem zou vormen voor leerlingen en de leefbaarheid van een gebied zou kunnen schaden. Met de invoering van een afstandscriterium zal straks ook de bereikbaarheid van het scholenaanbod een belangrijke rol in nemen met het scholenstelsel.

Daarnaast wordt naar aanleiding van twee moties van uw Kamer, bij nieuwe wet- en regelgeving een krimpcheck uitgevoerd. Bij wijziging van bekostigingswetgeving wordt daarom altijd gekeken naar de effecten daarvan op scholen, waaronder ook scholen in krimpregio’s. Dit gebeurt daarmee ook bij de omvorming van de kleinescholentoeslag naar een dunbevolktheidstoeslag en de herziening van het po-stelsel voor instandhouding van scholen. De keuze om een school te stichten, te fuseren of op te heffen ligt bij het schoolbestuur. Het past daarom niet om een verplicht criterium «regionale leefbaarheid & dorpsfunctie» te hanteren.

Ook de leden van de BBB-fractie hebben enkele vragen over de startbekostiging.

Op de verkenning naar de verhoging van de startbekostiging en het eerder uitkeren van de startbekostiging is het kabinet ingegaan in de beantwoording van de vragen van de leden van de fracties van GroenLinks-PvdA en JA21. Ter aanvulling: de startbekostiging wordt jaarlijks geïndexeerd, maar uit het onderzoek van SEO bleek dat dit bedrag alsnog niet toereikend was om nieuwe scholen een goede start te laten maken. Het kabinet heeft geen reden om aan te nemen dat de (te lage) startbekostiging vooral nadelig uitpakt voor kleine kernen, zoals de BBB-fractie veronderstelt. Nieuwe besturen starten scholen in het hele land, maar het meeste in de randstad.

De leden van de BBB-fractie vragen hoe de Staatssecretaris het risico beoordeelt dat dislocaties het gelijke speelveld voor nieuwe initiatieven ondermijnen, of de Staatssecretaris bereid is om dislocaties die feitelijk als zelfstandige school functioneren alsnog een wettelijke status te geven en of kan worden onderzocht hoe dislocaties gerichter kunnen worden ingezet voor het behoud van onderwijs in kleine kernen.

Samen met gemeenten en het onderwijsveld wordt verkend of en hoe dislocaties van een wettelijke verankering en afbakening moeten worden voorzien.

Om onderwijs in kleine kernen te kunnen behouden als de bereikbaarheid van het onderwijs in het geding komt, wordt (zoals omschreven in een eerder antwoord aan de BBB-fractie) een afstandscriterium geïntroduceerd op basis waarvan te kleine scholen bekostigd kunnen blijven. Zo wordt voorkomen dat er door de opheffingssystematiek gaten vallen in het onderwijsaanbod, en blijft thuisnabij onderwijs behouden voor alle leerlingen. Ook de omvorming van de kleinescholentoeslag naar een dunbevolktheidstoeslag draagt hieraan bij en zorgt ervoor dat kleine scholen in dunbevolkte gebieden meer bekostiging krijgen.

De leden van de BBB-fractie vragen aandacht voor het belang van regionale spreiding van scholen, mede met het oog op de uitdagingen die plattelandsgemeenten tegenkomen bij het instandhouden van basisscholen.

Regionale spreiding van nieuwe scholen is geen doel van de stichtingsprocedure en krijgt om die reden weinig aandacht in de evaluatie. Uit de evaluatie blijkt dat scholen worden opgericht in alle delen van Nederland. Er is een aanzienlijke mate van differentiatie als het gaat om zowel de stichtings- als de instandhoudingsnormen tussen gemeenten. Deze normen worden per gemeente vastgesteld op basis van de leerlingdichtheid. Ter illustratie: een basisschool in Amsterdam moet minimaal 194 leerlingen hebben om in stand gehouden te kunnen worden, terwijl dit aantal in De Fryske Marren 40 leerlingen bedraagt. Zo wordt recht gedaan aan de verschillen tussen plattelands- en stedelijke gemeenten.

Vervolgens vragen deze leden hoe de Staatssecretaris gaat voorkomen dat nieuwe initiatieven in stedelijke gebieden de woningbouwdruk activeren zonder dat dit aansluit bij bredere regionale opgaven.

Het kabinet wijst er in dezen op dat niet het Rijk, maar de gemeenten gaan over het huisvesten van nieuwe scholen en dat de Staatssecretaris hier dus niet op kan sturen. Ook vragen de BBB-leden of de wet MRvNS kan worden uitgebreid met een regionale behoefteanalyse. Het kabinet is van mening van de huidige belangstellingsmeting onder ouders in het voedingsgebied een lokale behoefteanalyse is.

De leden van de BBB-fractie vragen of de Staatssecretaris bereid is om, samen met gemeenten, een handreiking op te stellen voor lokale initiatieven die een school willen behouden.

Een dergelijke handreiking12 is eerder aan uw Kamer toegezegd en volgt in de tweede helft van 2026.

Deze leden vragen ook naar het opleggen van verplichtingen aan gemeenten om tijdig huisvesting te realiseren, zodat scholen niet elders beginnen. Gemeenten zijn wettelijk verplicht om nieuwe scholen 14 maanden na het positieve bekostigingsbesluit, te huisvesten binnen haar gemeentegrenzen. Het is mogelijk om de school in bijzondere situaties pas een jaar later te huisvesten. Omdat blijkt dat de huidige termijn in sommige situaties niet toereikend is, is het kabinet voornemens om gemeenten en schoolbesturen meer tijd te geven in het huisvesten van een nieuwe school.

Tot slot vragen de leden van de BBB-fractie hoe de Staatssecretaris voorkomt dat gemeenten alleen stedelijke uitbreidingslocaties faciliteren. Het wetsvoorstel planmatige aanpak onderwijshuisvesting stelt een verplichting voor het hebben van een Integraal Huisvestingplan voor gemeenten voor, waarin de ambities op het gebied van onderwijshuisvesting moeten aansluiten op de prognose van het aantal leerlingen in de gemeente. Op deze manieren dienen gemeenten aandacht te besteden aan zowel stedelijk gebied als kleine kernen. Daarnaast bevat de in het wetsvoorstel voorgestelde procedure een verplicht overleg tussen gemeente en schoolbesturen waarin voornemens direct worden afgestemd met alle schoolbesturen in een gemeente. Zo kunnen schoolbesturen en gemeenten over en weer anticiperen op elkaars ambities.


X Noot
1

Kamerstuk 2026D04554.

X Noot
2

De evaluatie laat zien dat de dissimilariteit naar opleiding op gemeentelijk niveau licht stijgt ten opzichte van de trend die samenhangt met de stichting van nieuwe scholen. De onderzoekers stellen dat deze stijging in segregatie onder de wet MRvNS niet direct is toe te schrijven aan de start van nieuwe scholen, omdat trendlijnen schommelen onder invloed van allerlei (demografische) ontwikkelen. Voor herkomst en inkomen zien de onderzoekers geen trendbreuk.

X Noot
3

Oberon, Dislocaties gelokaliseerd, 2025.

X Noot
5

Er zijn enkele gevallen van aanvragers die uiteindelijk definitief niet van start gaan.

X Noot
6

Het bevoegd gezag kan een aanvraag indienen om een nevenvestiging, die zich op een andere locatie bevindt dan de hoofdvestiging van die school, te verzelfstandigen. De nevenvestiging wordt als school voor bekostiging in aanmerking gebracht. Op de te verzelfstandigen onderwijslocatie wordt weliswaar al onderwijs verzorgd, maar feitelijk betekent dit de start van een nieuwe school.

X Noot
7

Kamerstukken II, 2024/2025, 31 293, nr. 832.

X Noot
8

Voor de voorzieningen in de huisvesting, niet voor beheer en onderhoud. Dit laatste is ondergebracht in het Meerjarig Onderhoudsplan (MJOP), dit ligt bij schoolbesturen.

X Noot
10

1. Aanbod, 2. Burgerschapsonderwijs, 3. Zicht op ontwikkeling en begeleiding, 4. Extra ondersteuning, 5. Onderwijstijd en 6. Bestuur en intern toezicht

X Noot
12

Kamerstukken II. 2024/2025, 31 293, nr. 832

Naar boven