1. Algemeen
De regering heeft met belangstelling kennisgenomen van de vragen die zijn gesteld
door de Gemeenschappelijke Commissie van de Verenigde Vergadering in het nader voorlopig
verslag over het voorstel van rijkswet houdende benoeming van een regent voor het geval van erfopvolging
door de Koning die niet de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt. Op de vragen ga ik, mede namens de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
hieronder in, waarbij de volgorde van het verslag wordt aangehouden.
2. Huwelijk regent
De leden van de fracties van de Partij voor de Dieren in de Tweede en Eerste Kamer
hebben aan de regering gevraagd of zij bezwaren ziet in de mogelijkheid dat een regent
een nieuw huwelijk kan aangaan met een niet-Nederlandse ingezetene. Verder hebben
zij de vraag gesteld hoe deze mogelijkheid zich verhoudt tot het historische gebruik
en de familierechtelijke betrekking.
De regering erkent dat de mogelijkheid bestaat dat de regent een nieuw huwelijk aangaat
met een niet-Nederlandse ingezetene, maar zij heeft het niet nodig geacht over die
eventualiteit nu een standpunt te bepalen. Zoals in de memorie van toelichting bij
het voorstel is gesteld,1 zijn er meer situaties denkbaar die relevant kunnen zijn voor het regentschap. Het
is niet zinvol en evenmin opportuun thans reeds uitspraken hierover te doen, omdat
de omstandigheden waarin deze situaties zich kunnen voordoen onbepaalbaar zijn en
nog minder te voorzien is hoe daar dan op te reageren. In alle gevallen geldt de ministeriële
verantwoordelijkheid en is een gedachtewisseling met de Staten-Generaal mogelijk.
Op de vraag van de leden van de fracties van de Partij voor de Dieren hoe de mogelijkheid
van het aangaan van een huwelijk met een niet-Nederlandse ingezetene zich verhoudt tot het historische gebruik en de familierechtelijke
betrekking, is het antwoord dat er geen verband is tussen deze zaken. De familierechtelijke
betrekking tussen de regent en de minderjarige Koning verandert niet door een eventueel
huwelijk van de regent. Voor het historische gebruik is het evenmin relevant. De mogelijkheid dat de regent een huwelijk aangaat met een niet-Nederlandse ingezetene, hetgeen
zich eerder niet heeft voorgedaan, bestond in het verleden ook en de wetgever heeft
daarvoor toen geen voorziening getroffen.
3. Keuze van de regent
De leden van de SP-fracties in de Tweede en Eerste Kamer hebben geconstateerd dat
de regering zich in haar keuze om Hare Majesteit Koningin Máxima tot regent te benoemen
heeft laten leiden door het historische gebruik, haar familierechtelijke betrekking
tot de vermoedelijke opvolger van de Koning, haar inzet in de afgelopen jaren en de
brede steun die zij daarvoor heeft ontvangen. De leden van de SP-fracties vragen of
de regering nog meer gronden heeft gewogen dan genoemd in de memorie van antwoord
en zo ja, welke?
Het wetsvoorstel voorziet in de benoeming van een regent voor de uitoefening van het
koninklijk gezag zolang de Koning de leeftijd van achttien jaar niet heeft bereikt.
Bij de keuze van de regent is van belang, zoals ook in 1981 is vastgesteld, dat dit
een persoon is die de waardigheid van het koningschap handhaaft en de belangen van
het Koninkrijk steeds zal laten voorgaan.2 De regering meent op basis van de in de memorie van antwoord genoemde gronden dat
met de benoeming van Koningin Máxima tot regent hieraan geheel wordt voldaan. Andere
gronden dan genoemd in de memorie van antwoord zijn daarbij niet gewogen en de regering
ziet evenmin enig beletsel voor de benoeming van Koningin Máxima tot regent.
4. Titulatuur
De leden van de fracties van de SP en D66 in de Tweede en Eerste Kamer zijn benieuwd
waarom de regering ervoor heeft gekozen de aanspreektitel van de regent in het wetgevingsproces
te gebruiken en niet haar formele titel. De leden van de fracties van de Partij voor
de Dieren in de Tweede en Eerste Kamer hebben gevraagd of de regering bereid is zich
in de wetsteksten te beperken tot het gebruik van de formele titel van de regentes,
om op die wijze elke mogelijke verwarring te vermijden over het feit of de regentes
tevens de nieuwe Koningin zou kunnen zijn.
Voor het gebruik van de aanspreektitel Koningin voor de echtgenote van de Koning is
geen wettelijke grondslag noodzakelijk, noch vormt het ontbreken daarvan een beletsel
voor het gebruik van de aanspreektitel door de wetgever.
De regering gebruikt in alle gevallen voor de aanduiding van de echtgenote van Zijne
Majesteit Koning Willem-Alexander, naar historisch en maatschappelijk gebruik de aanspreektitel
Koningin. De wetgeving vormt daarop geen uitzondering. Overigens worden in voorliggend
wetsvoorstel bij de aanduiding van Hare Majesteit Koningin Máxima ook de op grond
van de Wet lidmaatschap koninklijk huis verleende functionele titels Prinses der Nederlanden
en Prinses van Oranje-Nassau gebruikt.
Wanneer de nu nog minderjarige opvolger Koningin wordt, zal – afhankelijk van de omstandigheden
van dat moment – worden bepaald wat de aanspreekvorm is van de regent.
De Vice-Minister-President, de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
L.F. Asscher