De Grondwet schrijft in artikel 37, eerste lid, aanhef en onder a, voor dat het koninklijk
gezag door een regent wordt uitgeoefend zolang de Koning de leeftijd van achttien
jaar niet heeft bereikt. Ingevolge het tweede lid van artikel 37 van de Grondwet wordt
de regent bij wet benoemd. Gelet op de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk
inzake het koningschap heeft dit voorstel de vorm van een voorstel van rijkswet.
Sinds het koningschap op 30 april 2013 overging op Zijne Majesteit Koning Willem-Alexander,
doet zich de situatie voor dat de vermoedelijke opvolger van de Koning, de Prinses
van Oranje, in het geval van erfopvolging niet de leeftijd van achttien jaar heeft
bereikt. Deze leeftijd is krachtens artikel 33 van de Grondwet een vereiste voor uitoefening
van het koninklijk gezag door de Koning. Gezien de leeftijd van de Prinses van Oranje,
zal in de genoemde situatie de komende jaren geen verandering optreden. Gelet hierop
is het wenselijk thans bij rijkswet de regent te benoemen die het koninklijk gezag
uitoefent gedurende de periode dat de wettige nakomeling van de Koning, krachtens
erfopvolging Koning geworden, de leeftijd van achttien jaar niet heeft bereikt.
In het geval de minderjarige Prinses van Oranje door erfopvolging Koningin wordt,
wordt op grond van deze rijkswet de echtgenote van de Koning, moeder van de Prinses
van Oranje tot regent van het Koninkrijk benoemd. De regering vertrouwt erop dat deze
benoeming op een brede steun mag rekenen. Naar haar oordeel heeft Hare Majesteit Koningin
Máxima, Prinses der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau in de elf jaren, die zij
als echtgenote van de Prins van Oranje en sinds 30 april jl. als echtgenote van de
Koning voor het Koninkrijk werkzaam is geweest, dit vertrouwen ten volle verdiend.
In haar betrekking tot de vermoedelijke opvolger van de Koning, de Prinses van Oranje,
ligt ook overigens reeds een waarborg voor een goede uitoefening van het koninklijk
gezag waarbij zij de belangen van het Koninkrijk steeds zal laten voorgaan.1
Mocht Hare Majesteit Koningin Máxima onverhoopt komen te overlijden voordat de periode
aanbreekt dat de minderjarige Prinses van Oranje door erfopvolging Koningin wordt,
dan stelt de regering voor dat in geval deze periode aanbreekt Zijne Koninklijke Hoogheid
Prins Constantijn, Prins der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, Jonkheer van Amsberg
regent van het Koninkrijk wordt. De regering meent dat ook zijn benoeming tot regent
op een brede steun kan rekenen, gelet op zijn langjarige betrokkenheid als lid van
het koninklijk huis bij de verlening van bijstand bij de uitoefening van de koninklijke
functie.
Ingevolge artikel 37, vierde lid, van de Grondwet kan de wet voorzien in de opvolging
in het regentschap. Deze situatie is aan de orde als Koningin Máxima gedurende het
regentschap hiervan afstand doet of overlijdt. De regering stelt voor dat Prins Constantijn
dan haar opvolger is als regent van het Koninkrijk.
Hiermee is voorzien in de benoeming van een regent en de opvolging van de regent voor
de situaties dat de nakomeling van de Koning, krachtens erfopvolging Koning geworden,
de leeftijd van achttien jaar niet heeft bereikt. De regering meent dat hiermee thans
kan worden volstaan, zoals dit ook het geval is geweest bij de vergelijkbare regeling
die in 1981 is getroffen (Rijkswet van 10 juni 1981, houdende benoeming van een Regent
voor het geval van erfopvolging door de troonopvolger die niet de leeftijd heeft bereikt
waarop hij ingevolge de Grondwet kan aanvangen het Koninklijk gezag uit te oefenen).
Er kunnen meer situaties worden onderscheiden waarin de benoeming van een regent noodzakelijk
is, zoals bijvoorbeeld die waarin de Koning buiten staat is verklaard het koninklijk
gezag uit te oefenen (artikel 35 van de Grondwet) en zijn vermoedelijke opvolger de
leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt. De regering acht het evenwel niet
zinvol dat de wetgever hiervoor thans reeds een regeling treft, omdat de omstandigheden
waarin deze situaties zich kunnen voordoen onbepaalbaar zijn en nog minder te voorzien
is hoe daarop dan te reageren. In die omstandigheden zal de regering zo spoedig mogelijk
een wetsvoorstel terzake indienen bij de verenigde vergadering der Staten-Generaal.
De rijkswet van 10 juni 1981, houdende benoeming van een Regent voor het geval van
erfopvolging door de troonopvolger die niet de leeftijd heeft bereikt waarop hij ingevolge
de Grondwet kan aanvangen het Koninklijk gezag uit te oefenen (Stb. 1981, 382), benoemde een regent in het geval de opvolger van Koningin Beatrix, krachtens erfopvolging
Koning geworden, nog minderjarig was. Deze rijkswet is al geruime tijd materieel uitgewerkt
en wordt met de onderhavige rijkswet ingetrokken.
De Minister-President, Minister van Algemene Zaken,
M. Rutte
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
R.H.A. Plasterk