4 Regeling van werkzaamheden

De voorzitter:

Ik stel voor als commissies bedoeld in artikel 7.19, tweede lid, en artikel 7.22, derde lid, van het Reglement van Orde aan te wijzen:

  • -de commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten;

  • -de commissie voor de Werkwijze;

  • -de commissie voor de Verzoekschriften en de Burgerinitiatieven;

  • -de commissie voor het onderzoek van de Geloofsbrieven.

Ik stel voor de Miljoenennota, de Najaarsnota en de Voorjaarsnota in handen te stellen van de vaste commissie voor Financiën.

Voorts stel ik voor de voorstellen van begrotingswetten, alsmede de ontwerpslotwetten met de rapporten bij de rekening van de Algemene Rekenkamer en de suppletoire begrotingsvoorstellen naar aanleiding van de Voorjaarsnota en de Najaarsnota in handen van de desbetreffende vaste commissies te stellen.

Ik stel voor dat:

  • -de begrotingshoofdstukken I, IIA, IIB en IIIA tot en met C en de begrotingen van het Gemeentefonds en het Provinciefonds in handen worden gesteld van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken;

  • -de begrotingen van het Mobiliteitsfonds en van het Deltafonds in handen worden gesteld van de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat;

  • -de begroting van het Defensiematerieelfonds (K) in handen wordt gesteld van de vaste commissie voor Defensie;

  • -de begroting van het Nationaal Groeifonds (L) in handen wordt gesteld van de vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat.

Ik stel voor de wetsvoorstellen samenhangende met het Belastingplan in handen te stellen van de vaste commissie voor Financiën.

Overeenkomstig de voorstellen van de voorzitter wordt besloten.

De voorzitter:

Ten slotte. Morgen staan de Algemene Politieke Beschouwingen op de agenda, te beginnen met de inbreng in eerste termijn van de kant van de Kamer. We vervolgen het debat de dag daarna. Ik zie u dan. Ik dank u allen en ik sluit de vergadering.

Naar boven