Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2018-2019nr. 30, item 8

8 Begroting Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking

Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:

  • - het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaat van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (XVII) voor het jaar 2019 ( 35000-XVII ).

(Zie vergadering van 28 november 2018.)

De voorzitter:

Door mij zijn schriftelijke antwoorden ontvangen van de minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking op vragen, gesteld in eerste termijn.

Deze antwoorden zullen worden opgenomen in een bijvoegsel bij de Handelingen van deze vergadering.

(Het bijvoegsel is opgenomen aan het eind van deze editie.)

De voorzitter:

Ik stel aan de orde de behandeling van de begroting van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, de laatste begroting die de Tweede Kamer dit jaar behandelt. Ik heet welkom in ons midden de minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. Met de Kamerleden heb ik afgesproken dat wij interrupties doen in enen. Iedereen krijgt zes mogelijkheden om een korte, duidelijke vraag te stellen. Dat kan drie in tweeën zijn, maar het kan ook zes keer één zijn. Dat is het maximum. Ik kijk wel even of alle vragen goed beantwoord zijn, vanzelfsprekend. Daarna gaan wij door naar de tweede termijn en alle fracties weten hoeveel tijd ze daarvoor hebben.

De algemene beraadslaging wordt hervat.

De voorzitter:

Ik wil de minister graag vragen om plaats te nemen achter de katheder en haar eerste termijn uit te spreken. Het woord is aan de minister.

Minister Kaag:

Dank u, meneer de voorzitter. Ik wilde beginnen met de Kamer te bedanken voor de gestelde vragen, de inhoudelijke inbreng en de duidelijke opmerkingen en kanttekeningen uit de eerste termijn. Ik dank natuurlijk ook voor de attente opmerking van de heer Stoffer van de SGP, die de collega's en mijzelf — ik citeer — "een flinke dosis wijsheid en spelinzicht" toewenste. Dat hebben we nodig, elke dag, en zeker als we kijken naar de ontwikkeling om ons heen.

Voorzitter. Voor het zomerreces sprak ik al met uw Kamer over de nota Investeren in perspectief. We zijn vijf maanden verder en we zijn hard aan de slag met de uitvoering, de implementatie van het beleid zoals het onder andere is verwoord in de aparte handelsagenda. Dat is de eerste op actie gerichte agenda voor Buitenlandse Handel sinds jaren. Ik wil dat graag markeren. Vandaag spreken we over de uitwerking ook daarvan in de begroting van Buitenlandse Handel en OS.

Ik wil mijn beantwoording van de vragen eerst kort inleiden en daarna heb ik de beantwoording geordend in tien blokjes, en die zijn als volgt. Voor het gemak van de Kamerleden wil ik ze graag opnoemen.

1. Humanitaire hulp en opvang in de regio

2. Onderwijs, werk en inkomen

3. Het debat over grondoorzaken, inclusief relevantie voor beleidscoherentie

4. Gendergelijkheid, vrouwenrechten en SRGR

5. Geografische focus binnen Ontwikkelingssamenwerking

6. Het maatschappelijk middenveld

7. Klimaat, water en voedselzekerheid

8. Ondersteuning van het bedrijfsleven en de bredere handelsagenda

9. Het beleid inzake internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen

10. De bredere handelspolitiek.

Meneer de voorzitter. Zoals u weet zijn de duurzame ontwikkelingsdoelen — ik zal ze hierna voor het gemak SDG's noemen, van het Engelse "Sustainable Development Goals" — het kader van het beleid van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. Ze bestrijken de vraagstukken van dit moment en de komende decennia. Armoede, armoedebestrijding, de klimaatopgave en natuurlijk altijd mensenrechten, zoals die ook in de agenda zijn opgenomen. De SDG's zijn een inclusieve agenda die ieders inspanning zal vergen. Niet alleen van de overheid of overheden, maar van burgerbewegingen, maatschappelijke organisaties, wetenschappers, bedrijven en eigenlijk een heel scala aan mensen die kansen zien om een rol te spelen.

Voor Nederlandse ondernemers zijn die duurzameontwikkelingsdoelen een kans om hun positie in het buitenland te versterken. Ze geven ook een juiste en inhoudelijke verbinding tussen de agenda van hulp en handel, twee kanten van de agenda waar ik even hard aan trek en voor werk met mijn collega's. Ook in het komend jaar kijk ik uit naar een verbreding van de werkterreinen in partnerschappen.

Voorzitter. Buitenlandse handel en investeringen zijn natuurlijk van groot belang voor onze economie. Wij weten dat allemaal. Ze versterken het innovatievermogen en leveren welvaart en banen op. Ik denk dat ik mij als minister van Buitenlandse Handel als geen ander bewust ben van de verantwoordelijkheid die ik draag om het verdienvermogen van ons bedrijfsleven in het buitenland te versterken. Ik doe dat dag in, dag uit. Het gaat om innovatieve bedrijven, mkb'ers, midden- en kleinbedrijf, om start-ups en bedrijven die juist bezig zijn om de slimste oplossing te bedenken voor maatschappelijk internationaal belangrijke zaken zoals de circulaire economie, een einde aan plastic, het schoonmaken van de oceaan. Er is een scala van opties en mogelijkheden. Ze werken in gevestigde markten en opkomende economieën, alsmede in ontwikkelingslanden. Dit laten we natuurlijk het duidelijkst zien, dit etaleren we, via de economische missies. Ik zelf was het afgelopen jaar in Vietnam, Maleisië, China, India, Litouwen en Duitsland en de komende week ga ik nog op een speciale missie naar België, een met alleen vrouwelijke ondernemers. Hun interesse en hun rol zijn ook belangrijk.

Maar ik doe die handelsagenda niet alleen. Kabinetsleden hebben dit jaar alleen al twaalf brede economische missies gedaan. De minister van Infrastructuur en Waterstaat was de afgelopen maand met een missie in Polen en de minister-president is, zoals al is besproken, nu met een politieke en economische missie in Colombia, samen met de minister van Landbouw. Dit zijn slechts voorbeelden. Het toont ook aan dat we ons natuurlijk inzetten op het terrein van economische diplomatie. We willen daar juist meer doen in afstemming met regionale overheden in Nederland, het bedrijfsleven en de kennisinstellingen, met de topsectoren. Strategische afstemming is net zo belangrijk als het beste idee voor de beste plek. Samen nadenken over de lange termijn, daar gaat het om. Coördinatie is hier een heel belangrijk element, ook in de rol die vervuld wordt de collega's, de staf, van Buitenlandse Handel.

Tegelijkertijd gebeurt er heel veel in de wereld. De actualiteit bevestigt keer op keer dat we niet stil kunnen zitten. We moeten niet reageren. We moeten met name ook kunnen anticiperen en klaar zijn om met de juiste middelen een antwoord te geven, ook in crisisgebieden. We kijken natuurlijk ook naar de brexit en het opkomend protectionisme in de wereld, waardoor ook ons handelssysteem en de Wereldhandelsorganisatie flink onder druk komen te staan. Dat zijn allemaal elementen die belangrijk zijn voor Nederland als handelsland.

Dit is natuurlijk de verdienkant, de economische kant, maar er is heel duidelijk ook een preventiekant aan mijn agenda en daar wil ik het nu kort over hebben alvorens ik doorga met de blokjes. Dat is de verdiepingsslag die de duurzame-ontwikkelingsdoelen bieden. Want als je nu, vandaag, de kranten opent, zie je dat het aantal gewapende conflicten in de laatste tien jaar weer is toegenomen. Miljoenen mensen zijn op de vlucht of zullen op de vlucht gaan en meer mensen wereldwijd lijden weer honger. Als we tien jaar vooruitkijken zullen deze ontwikkelingen en de gevolgen daarvan extra zwaar gaan drukken op de nu al meest kwetsbare, arme en fragiele landen en uiteraard — dat is waar het ons om gaat — hun burgers.

Er zijn ontwikkelingen als klimaatverandering. Ook is er de bevolkingsgroei, die betekent dat er meer en meer jonge mensen op de arbeidsmarkt zullen komen die geen enkel perspectief hebben op werk. Dat is ontzettend belangrijk. Deze ontwikkeling motiveert ons om juist grondoorzaken aan te willen pakken. Dit doen we met een langetermijnvisie, de agenda 2030. Het gaat niet alleen om politieke adaptatie en mitigatie, maar ook om de juiste analyses van de risico's en uiteraard om het creëren van kansen en perspectief binnen een mensenrechtenkader. Want wie zijn uiteindelijk belangrijk in ons handelen? Voor wie doen we het? Dat zijn de meest kwetsbare, vooral ook jonge mensen: vrouwen, meisjes en jongens. De jeugd en met name de meisjes — ik weet dat dit breed gedeeld wordt in deze Kamer — zijn onze kans om van de toekomstige samenleving iets beters te maken. Dat is ook de reden waarom dit kabinet een extra accent legt op basis - en beroepsonderwijs in het nieuwe beleid. Investeren in onderwijs komt niet alleen het individu ten goede, maar juist ook de samenleving. Investeren in onderwijs betekent investeren in de wendbaarheid van de samenleving.

Maar we hebben ook andere kansen, door de voortdurende technologische ontwikkelingen. Vorig jaar presenteerde de Wereldbank zijn jaarlijkse World Development Report, het Wereldontwikkelingsrapport 2019, over de toekomst van werk. Duidelijk is dat digitalisering en robotisering het karakter van werk gaan veranderen. We zien dit eigenlijk om ons heen, ook als we naar de supermarkt gaan, of waar we dan ook winkelen. Dat heeft natuurlijk invloed op onze concurrentiekracht en op werkgelegenheid in Nederland, maar het zal ook juist consequenties hebben voor ontwikkelingslanden. Lage lonen betekenen niet meer een comperatief voordeel.

Toch stemt het Wereldbankrapport niet per se somber. Het karakter van werk zal veranderen, maar werk zal niet verdwijnen en daar zit de crux. De Wereldbank doet een aantal aanbevelingen, waarvan de belangrijkste is: investeer in onderwijs en menselijk kapitaal, in cognitieve vaardigheden en in aanpassingsvermogen. Toekomstige banen zullen daarom vragen. Daarom blijft deze investering zo belangrijk.

Ik kom tot mijn conclusie van deze introductie, meneer de voorzitter. We hebben het vandaag natuurlijk over de begroting, die het uitvoeringsmechanisme is dat mij in staat stelt de doelstellingen en de richting van de inhoudelijke nota uit te voeren. Dit gaat natuurlijk dan ook over het ontwikkelingssamenwerkingsbudget. Dit kabinet investeert weer in het bredere buitenlandbeleid. Dat is ook zichtbaar in de begroting voor Ontwikkelingssamenwerking. Een aantal Kamerleden vroeg al, bij de vragen in hun eigen inbreng of in hun introductie, naar de 0,7% van het ODA-budget, van het officiële ontwikkelingssamenwerkingsbudget. Wij investeren in extra ontwikkelingssamenwerking in het licht van dit streven. In mijn nota wordt duidelijk beschreven waar een mogelijke extra vervolgstap voor ontwikkelingssamenwerking kan worden bekeken in relatie tot andere beleidsprioriteiten binnen de budgettaire kaders.

ODA is echter niet het enige antwoord, want er blijft een enorm financieringsgat tussen wat er nodig is en wat beschikbaar is via de officiële kanalen voor de duurzame ontwikkelingsdoelen. UNCTAD, de VN-organisatie voor ontwikkeling, schat dat jaarlijks 2.500 miljard dollar extra moet worden geïnvesteerd voor de realisatie van de SDG's. Dat kan niet alleen, of bijna niet, door overheden worden opgebracht. Daar zijn private partijen voor nodig, daar is goede belastingheffing bij nodig, daar is een gevecht tegen corruptie in de landen zelf voor nodig. Er zijn heel veel mogelijkheden om additionele financiering te creëren.

Dit dwingt ons ook om het beperkte publieke budget veel slimmer in te zetten; ODA als hefboom om andere middelen te mobiliseren. Dit zeg ik ook in relatie tot een vraag die werd gesteld door de heer Stoffer. De energie van onze partijen, bedrijven, kennisinstellingen moeten wij op die manier juist aanjagen voor slimme, innovatieve, efficiënte oplossingen waarbij de kosten beperkt zijn, voor oplossingen ten behoeve van duurzaamheid en economische groei in ontwikkelingslanden.

Dit is juist ook het appel van SDG 17. Er werd een aantal malen gesproken over wie de kampioen of de pleitbezorger is van de SDG's. Ik meen me te herinneren dat de heer Bram van Ojik van GroenLinks de pleitbezorger is van SDG 17. Ik zie dat er nu wordt geknikt. Bij SDG 17 gaat het juist om dat samenwerkingsverband van iedereen om juist duurzame ontwikkeling en een betere wereld in dit geval te helpen realiseren.

Meneer de voorzitter. Ik wil nu graag doorgaan met de blokjes. Ik zal daarbij ook direct verder ingaan op de vragen die door uw Kamer zijn gesteld.

De voorzitter:

Dat gaan we doen. Maar er is eerst een interruptie van de heer Voordewind.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Omdat dit het einde is van de inleiding bij Handel en Ontwikkelingssamenwerking wil ik toch een algemene, bredere vraag stellen over inderdaad dat budget. De minister zegt: het gaat natuurlijk om meer dan alleen die 0,7%. Maar we hebben ons natuurlijk wel ooit vastgelegd op die 0,7%. Dat heeft de minister ook gedaan in haar nota en daar zijn we erg blij mee. Ik heb eigenlijk dezelfde vraag aan de minister van Defensie gesteld, toen over de NAVO-norm van 2,0%. Daarbij zei de minister van Defensie de ambitie te hebben om, als het mogelijk is, ook in deze kabinetsperiode al stappen te zetten. Dezelfde vraag leg ik nu voor aan deze minister. Als er mogelijkheden zijn, staat deze minister dan ook vooraan om te kijken of we toch nog weer een stap kunnen zetten richting die 0,7%?

Minister Kaag:

Dit is een mooie vraag. Dank daarvoor. Als er mogelijkheden zijn binnen de budgettaire kaders, zal ik die natuurlijk niet laten liggen. Ik zal de mogelijkheid dan aangrijpen om daarover in debat te gaan, ook natuurlijk om dat draagvlak binnen het kabinet met de collega's te behouden. Maar er is altijd een veel bredere afweging. Ik sluit me daarbij natuurlijk aan bij de woorden van de minister van Defensie.

De voorzitter:

U komt op uw eerste blokje, over humanitaire hulp.

Minister Kaag:

Precies. Dat blokje gaat over humanitaire hulp en opvang in de regio. Een aantal leden van uw Kamer vroeg aandacht voor de humanitaire noden in de wereld. Landensituaties werden terecht benoemd. Ik denk dat we allemaal weten dat door aanhoudende conflicten, nieuwe rampen, maar ook de gevolgen van klimaatverandering de noden alleen maar zullen toenemen. Dat blijkt elk jaar weer uit de appeals, de verzoeken om financiering en steun die naar ons toekomen via Nederlandse organisaties, maar ook via de VN. Wij vragen om een geïntegreerde aanpak om juist duurzame oplossingen te creëren. Op financieel gebied bieden we natuurlijk meer steun voor het lenigen van directe humanitaire noden in de vorm van voedselhulp, het zorgen voor drinkwatervoorzieningen, voor onderdak, maar juist ook door te zorgen voor gezondheidszorg en psychosociale steun, ook voor degenen die in langdurige opvang moeten verblijven. Want de omstandigheden waaronder ze dat doen, zijn vaak abominabel. Zoiets zou je niemand toewensen.

Maar het gaat ook om de diplomatieke inzet om de politieke oplossing te bevorderen. Wij zetten in op het bevorderen van de dialoog en het vinden van duurzame oplossingen voor conflicten, maar wel altijd met inachtneming van de rol van kwetsbare groepen zoals meisjes, kinderen, ouderen en mensen die leven met een beperking, die juist in conflictsituaties het slachtoffer worden en het spreekwoordelijke kind van de rekening zullen zijn. Wij pleiten ook voor toegang voor humanitaire hulpverleners. U heeft dat dit jaar gezien in alle gesprekken die in de VN-Veiligheidsraad zijn gevoerd. Nederland staat met Zweden en een aantal andere landen bekend om zijn constructief-kritische rol en de aandacht die we altijd vragen voor humanitaire toegang en principes van humanitair recht. Wij matchen dat natuurlijk ook met onze financiering van directe humanitaire steun.

De heer Voordewind vroeg in dit verband of we de omvang van psychosociale problematiek in de humanitaire noodsituaties in kaart kunnen brengen. Helaas kennen we de omgang, want volgens de Wereldgezondheidsorganisatie kampt op dit moment een op de vier mensen in een humanitaire crisissituatie met psychische problemen. 90% van hen heeft behandeling nodig, maar die is meestentijds niet aanwezig. De capaciteit is er niet. In het geval van Syrië weten we dat ziekenhuizen worden aangevallen. Artsen zijn zelf het slachtoffer. Er wordt door de strijdende partijen ook letterlijk aan kapitaalvernietiging gedaan, in dit geval van menselijk kapitaal. We hebben hier altijd op het hoogste niveau aandacht voor gevraagd, in al onze gesprekken. Ik heb, zoals u zich nog kunt herinneren van de nota, ook besloten dat Nederland dit als een speciaal initiatief zal omarmen vanwege het erkende gebrek aan capaciteit, het belang en omdat we de mensen niet alleen willen helpen overleven tot het moment van terugkeer. We willen aan onderwijs doen, aan gezondheidszorg maar ook aan het helen van de ziel, om het een beetje ouderwets uit te drukken. Juist door psychosociale steun willen we de mensen niet in de steek laten. Wij zijn bezig met een internationaal initiatief, samen met de WHO, het Rode Kruis en andere partners. Nederland heeft een keur aan experts, juist op dit thema, die internationaal gerenommeerd zijn. Wij werken aan een initiatief dat politiek maar ook programmatisch en financieel is verankerd in alle humanitaire planning en daarmee in de uitvoering. Dat vergt enig werk. De conferentie is hopelijk in oktober 2019. Ik zal daar op gepaste wijze deze Kamer over informeren.

Dan ga ik meteen door naar een heel tragische crisissituatie, al wil ik niet het een met het ander vergelijken. Ik doel natuurlijk op de situatie in Jemen. We kennen allemaal de foto's van de uitgemergelde kinderen, hun ouders, de gezinnen. De situatie is onmenselijk. Onze enorme zorg blijft natuurlijk bestaan. Dat drukken we ook uit in de Veiligheidsraad. We willen Jemen actief op de agenda houden. We hebben er alles aan gedaan om bij te dragen aan een dialoog om een staakt-het-vuren te bereiken en toegang voor humanitaire hulpverlening mogelijk te maken. Wij doen dit zowel in EU-verband als in de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties. De bijdrage van Nederland is u misschien bekend. Er is via de DRA en ook via de VN voor 21,8 miljoen euro beschikbaar voor humanitaire hulp, met speciale aandacht voor het grote probleem van ondervoeding of dreigende hongersnood. In antwoord op de vraag van de heer Kuzu zeg ik dat wij hierbij ook aandringen op de implementatie en uitvoering van de resolutie over conflict en honger. Het is voor het eerst gelukt in de Veiligheidsraad om dit thema geagendeerd en aangenomen te krijgen als een resolutie. Zoals u weet was er veel tegenstand van een aantal permanente leden van de Veiligheidsraad. Nu is het zaak om werk te maken van de uitvoering en te kijken hoe we landen of personen langs de meetlat van deze resolutie kunnen leggen. Dit is niet makkelijk, maar de politieke inzet is er. We blijven hiermee doorgaan, ook al zitten we vanaf 1 januari niet meer in de Veiligheidsraad.

Mevrouw Karabulut (SP):

Ik ben blij dat te horen. Dat betekent dat deze minister de motie die vorige week door de Kamer is aangenomen wel gaat uitvoeren, dus dat de resolutie wordt uitgevoerd en Nederland gaat werken aan het opleggen van sancties aan diegenen en die entiteiten die verantwoordelijk zijn voor uithongering in Jemen. Ik hoor daar graag per brief meer over. Mijn vraag gaat over het volgende en dat heeft ook met Jemen te maken. De minister zei het zelf ook al: het is afschuwelijk, maar hier zit ook een verdienmodel achter. Wapenbedrijven verdienen immers miljarden met wapenhandel aan Saudi-Arabië, die deze wapens dropt in Jemen.

De voorzitter:

En de vraag?

Mevrouw Karabulut (SP):

Volgens onderzoek van de Eerlijke Verzekeringswijzer investeren vijf grote verzekeraars 3,6 miljard in grote wapenbedrijven die onder andere leveren aan Saudi-Arabië. Mijn vraag is: is de minister bereid om met deze verzekeraars om de tafel te gaan zitten om hen te ontmoedigen om nog langer in dit soort dubieuze bedrijven te investeren?

Minister Kaag:

Ik kom hierop terug onder nummer 9, internationaal maatschappelijk verantwoordelijk ondernemen en beleidscoherentie. Ik zal daarin in het bijzonder ook ingaan op de vraag van mevrouw Karabulut, want ik zie ook de rol van verzekeringsmaatschappijen als het gaat om het investeren in de wapenindustrie.

Mevrouw Karabulut (SP):

Dat is mooi. Kan de minister dan het eerste punt bevestigen? Kan zij misschien in het verlengde van de minister van Buitenlandse Zaken, die in de EU gaat werken aan het opleggen van sancties tegen uithongering, in de VN-Veiligheidsraad werk maken van de uitvoering van die mooie resolutie? Of misschien heeft ze dat al gedaan?

Minister Kaag:

In principe zetten wij ons natuurlijk in voor de uitvoering van de resolutie. Nederland heeft daar enorm veel politiek kapitaal in geïnvesteerd. Dat hebben we niet zomaar gedaan; dat hebben we gedaan omdat we het ontzettend belangrijk vinden. We gaan nu in contact treden met Duitsland en België, want dat zijn de twee aantredende Europese niet-permanente leden van de VN-Veiligheidsraad, met als doel om juist dit thema te blijven meenemen. Onze rol zal dus anders worden in de aanloop naar de VN-Mensenrechtenraadsverkiezingen en binnen de EU. Maar ik kom graag in tweede termijn nog met de details terug, want ik wil graag nog even kijken wat mijn collega Blok heeft bevestigd.

Meneer de voorzitter. De heer Bouali en de heer Kuzu vroegen ook naar wat Nederland heeft besproken en kan doen in relatie tot Myanmar. Ze vroegen in het bijzonder naar de situatie van de Rohingyavluchtelingen: welke humanitaire inzet kan daar worden geleverd en is daar geleverd? De vluchtelingen die ik zelf heb gesproken in Bangladesh — ik was in Cox's Bazar — waren heel duidelijk. Ze wilden, zoals bijna elke vluchteling of intern ontheemde, scholing, toegang tot gezondheidszorg en een veilige leefomgeving. In dit geval waren vooral de vrouwen heel duidelijk. Zij zeiden: wij gaan absoluut niet terug als onze veiligheid niet kan worden gegarandeerd en de UNHRC niet daar ter plekke kan zijn om een onafhankelijke getuige te zijn van de gebeurtenissen. Dat was heel helder.

Wij hebben dat ook overgebracht in onze gesprekken met Aung San Suu Kyi. Ook is er gesproken met de generaal, die natuurlijk ook genoemd is in het rapport van de feiten vergarende missie, the fact-finding mission van de VN. Het is heel duidelijk. We hebben niet alleen onze zorgen geuit; we hebben heel duidelijke kaders gesteld, namelijk dat we hechten aan vervolg tegen straffeloosheid, dat we de rapportage van de fact-finding mission steunen en dat we daar in alle kaders op in zullen zetten en dat we tegelijkertijd zeker van de civiele regering-Aung San Suu Kyi verwachten dat ze een inzet pleegt om juist de terugkeer van de Rohingya mogelijk te maken onder acceptabele en door de UNHCR en anderen goedkeurde voorwaarden. Wij pleiten ook internationaal voor de uitbreiding van de sanctielijst. Terwijl we nog in de VN-Veiligheidsraad zitten, zetten we nog steeds in op doorverwijzing naar het Internationaal Strafhof. Dat blijft moeilijk gelet op het krachtenveld in de raad, maar dat laat onverlet dat wij ons hiervoor inzetten en politiek aan committeren.

De voorzitter:

Een vraag van de heer Kuzu. Het duurt even voordat hij bij de microfoon is, want hij moet een stukje lopen. Daar bent u.

De heer Kuzu (DENK):

Dank u wel, voorzitter. Eén interruptie minder dan, hè? Nee hoor. Het is fijn dat de minister in ieder geval zelf ter plaatse is geweest om poolshoogte te nemen van de situatie en mensen te spreken. Een belangrijke zorg van mensen is inderdaad dat ze gedwongen worden om terug te keren zonder dat de veiligheidssituatie gegarandeerd kan worden. Ik zou de minister willen vragen of ze ook in VN-verband de noodzaak ziet om een veilige terugkeer van mensen te eisen of om daar werk van te maken, zodat dat niet gedwongen gaat gebeuren.

Minister Kaag:

De terugkeer van vluchtelingen is in principe altijd vrijwillig met oog voor menselijke waardigheid en de omstandigheden van terugkeer. Dat zijn ook de punten die de Syrische vluchtelingen in de regio Syrië zelf eisen en dat wordt altijd bevestigd door de UNHCR. Er vindt nooit gedwongen terugkeer plaats, als het gaat om vluchtelingen die zelf overwegen terug te keren. Individuele gevallen van terugkeer vinden altijd plaats, maar dat is een individuele afweging en dan nog worden die mensen begeleid en geholpen en wordt bevestigd dat het op vrijwillige basis gebeurt. Dit is eigenlijk de standaard modus operandi.

De heer Kuzu (DENK):

Naar onze informatie is er medio november, anderhalve week geleden, al een lichting geweest van verplichte repatriëring, afgesproken door Bangladesh en Myanmar. Mag ik de minister vragen of dat klopt?

Minister Kaag:

Onze informatie was dat het uiteindelijk niet heeft plaatsgevonden, ook vanwege politieke problemen tussen Bangladesh en Myanmar. Er was een groot aantal vluchtelingen op een lijst gezet, of vrijwillig naar voren getreden. Een aantal heeft misschien van die optie gebruikgemaakt, maar dat heeft niet plaatsgevonden in samenwerking met UNHCR. Het ging om een groep van 2.600 of 2.300, meen ik.

De heer Kuzu (DENK):

Feit is wel dat dit heeft plaatsgevonden. Het ging om 2.600 mensen.

Minister Kaag:

Ik weet het niet. Het ging om een groep die op een lijst stond. Onze informatie was dat het niet heeft plaatsgevonden, maar als meneer Kuzu andere informatie heeft, dan horen wij dit graag. De inzet van de Nederlandse regering is dat het alleen op basis van vrijwilligheid is en begeleid door de VN.

Meneer de voorzitter. Er was een vraag van mevrouw Kuik over de uitvoering van haar motie over de bestrijding van seksuele uitbuiting en prostitutie, vooral onder vluchtelingen. Naarmate de sociaaleconomische situatie van de vluchtelingenfamilies verandert, en uiteraard meestal verslechtert, worden meisjes vaak vroeger of te vroeg uitgehuwelijkt en ook in een positie geplaatst dat er alleen maar terugval is op prostitutie. Ik verwijs in eerste instantie naar mijn brief van 13 november. Wij blijven inzetten op een geïntegreerde aanpak bij het voorkomen en bestrijden van seksuele uitbuiting, overlevingsprostitutie, kindhuwelijken en andere vormen van seksueel misbruik. Ik zal de Kamer regelmatig over de voortgang rapporteren.

De heer Bouali en mevrouw Van den Hul vroegen naar het bredere thema opvang in de regio en de rol van de UNHCR. De structurele intensiveringen die zijn voorzien in het budget voor noodhulp en opvang in de regio, raken niet aan de bijdrage aan UNHCR. Die blijft voor meerdere jaren gelijk. Er loopt ook nog een partnerschap voor opvang in de regio, waar UNHCR deel van uitmaakt. Dat is samen met de Wereldbank, de International Finance Corporation, IFC, UNICEF en de Internationale Arbeidsorganisatie, dus we kijken naar bescherming, onderwijs, maar ook naar het creëren van werk in de Syriëregio en de Hoorn van Afrika.

Wij denken dat dit een belangrijke bijdrage is om de situatie van vluchtelingen en interne ontheemden, net als van gastgemeenschappen, want dat is ook belangrijk voor de sociale cohesie en de balans, duurzaam te verbeteren. Vluchtelingen verblijven meestal bij diegenen die het al heel moeilijk hebben en het armst zijn, dus de druk op die gemeenschappen is juist heel groot. Het plan is dat in 2018-2019, dankzij Nederlandse steun, 275.000 kinderen in deze landen toegang hebben tot onderwijs en andere training, en tot onderwijs dat hen klaarstoomt om weer naar school te gaan, omdat ze vaak een aantal jaren in de klas hebben moeten missen vanwege conflictsituaties. Maar er blijft een structureel financieringstekort.

Er is ook een vraag gesteld over de garantie van kwaliteit; of het voldoet aan de normen van UNHCR. Aan de ene kant moet ik zeggen: ja, want UNHCR organiseert dit zelf en zet dit op, maar men wil natuurlijk altijd meer. Er is niet voldoende financiering en daardoor blijft het onvoorspelbaar, moeilijk laveren en is 50% van de kinderen nog steeds niet op school.

Mevrouw Van den Hul (PvdA):

Wij weten dat dit kabinet fors investeert in opvang in de regio. We weten ook dat de minister haar afschuw heeft uitgesproken over de situatie in Libië, die zij ook zelf in ogenschouw heeft genomen. Maar er zijn helaas nog veel meer plekken waar mensen in mensonterende omstandigheden verblijven, in kampen. Heeft de minister er zicht op hoeveel van die kampen waaraan wij, al dan niet in EU-verband, een bijdrage leveren, niet voldoen aan de eisen die UNHCR eraan stelt?

Minister Kaag:

De vraag is eigenlijk nog lastiger, omdat in veel landen veel vluchtelingen niet echt meer in kampen verblijven. Ze hebben de vluchtelingenstatus, ze zijn geregistreerd en ze hebben recht op steun, maar niet elk land staat een kampsituatie toe. Vele doen dat niet. Dus de vluchtelingen gaan de armste wijken van een stad in of verblijven elders en verhuizen vaak na de eerste vlucht twee- of driemaal binnen het land zelf. Dus het is nog veel complexer.

Het basispakket van de UNHCR is mevrouw Van den Hul bekend. Waar het om gaat is natuurlijk de langere termijn. Er werd gisteren geloof ik door mevrouw Kuik terecht aan een getal gerefereerd. De gemiddelde vluchteling blijft vaak zeventien jaar op een plek van opvang in de regio. Dat is natuurlijk ontzettend lang. Dat is een generatie, bijna meer dan een generatie. De kwaliteit ervan voldoet natuurlijk niet aan alle normen die we graag zouden stellen. We moeten dus meer doen. Daarom zetten wij samen met de UNHCR en andere humanitaire partners in op innovatieve financiering. Daardoor is er meer geld beschikbaar om de steun op langere termijn zeker te stellen en kunnen we dus ook meer doen. Maar als dat mogelijk is, wil de vluchteling zelf juist aan de slag. We weten ook dat, als iemand in de familie een leefbaar loon heeft, het gezin zelf ook weer meer kan maken van dat tijdelijke verblijf waar het zich, gedwongen door conflict of andere omstandigheden, bevindt.

De voorzitter:

Een tweede vraag van mevrouw Van den Hul.

Mevrouw Van den Hul (PvdA):

Toch nog op het punt van de minimumeisen. Ik realiseer mij wat de minister zegt. Het gaat vaak om langdurig verblijf. Maar de beelden uit Libië hebben we toch ook nog allemaal op het netvlies? De mensen verkeerden daar in een schrijnende situatie. Het bleek dat de minimumeisen van de UNHCR daar verre van werden gehaald. Ik vraag dus toch of het op de een of andere manier mogelijk is om een inventarisatie te bieden van kampen waar in elk geval via Nederland of in Europees verband steun naartoe gaat. Dan kunnen we kijken in hoeveel van die kampen die standaard op dit moment echt niet wordt gehaald.

Minister Kaag:

In eerste instantie zeg ik even toe dat ik hier in tweede termijn op terugkom. Dit vergt een beetje meer studie en consultatie met de UNHCR. Het gaat natuurlijk om regio's, het gaat om gebieden, het gaat om verwachtingen. De ene vluchtelingensituatie is de andere niet. Dus ik denk dat dit bijna een onderzoeksvraag is voor iemand aan de universiteit. Maar natuurlijk moeten wij dit ook weten, en ik denk dat die informatie beschikbaar is. Ik wil wel nog even zeggen dat de detentie in Libische kampen natuurlijk van een andere aard is dan een vrijwillig verblijf of een door vlucht gedwongen verblijf in een vluchtelingenkamp. De vergelijking gaat daar niet helemaal op.

Ik ben klaar met het blokje humanitaire hulp en opvang in de regio, meneer de voorzitter. Ik wil graag door naar onderwijs, werk en inkomen. Onderwijs geeft natuurlijk eenieder de kans om grip te krijgen op zijn of haar leven.

De voorzitter:

Maar eerst nog een vraag van de heer Van Haga.

De heer Van Haga (VVD):

Ik mis nog het antwoord op onze vraag waarom we onze vrijwillige bijdrage aan de UNHCR hebben geschrapt.

Minister Kaag:

Geschrapt?

De heer Van Haga (VVD):

Althans verlaagd, van 40 naar 33 miljoen euro. Misschien heb ik het gemist, maar ik heb het niet gehoord. Dus misschien nog een antwoord.

Minister Kaag:

Ik meen dat ik dat heb aangegeven in de schriftelijke beantwoording die ik naar de kamer heb gestuurd. Er wordt nu door mijn ambtenaren geknikt van niet. Ik kom daar even in tweede termijn op terug. Wat ik mij in ieder geval herinner, is dat onze standaardbijdrage — de vrijwillige bijdrage aan het kernbudget, het corebudget van UNHCR — een bepaald bedrag is. Daarop zijn amenderingen, en er is nog een eenmalig besluit om dat in een bepaalde periode op te hogen. Dat komt allemaal nog. Dit is het standaardbedrag. In het begin van het jaar is de situatie A, aan het eind van het jaar kan die punt C bereiken. En dat is ook het geval bij de UNHCR. De UNHCR is een van de belangrijkste partners in de hele scala van opvang in de regio. Dus inderdaad, wij zoeken er niet naar inzake de UNHCR te minderen. Dan zouden we onszelf in de vingers snijden.

Onderwijs geeft natuurlijk dé ultieme kans om grip te krijgen op en vorm te geven aan je leven. Het is een investering in de toekomst. We zijn het hier allemaal mee eens. Het verhoogt de kansen op een eigen keuze voor betaald werk, maar het is ook een vorm van weerbaarheid, vooral voor meisjes, tegen uitbuiting en risico op seksueel geweld.

Ik wil even refereren aan de Wereldbank en het rapport Het Menselijk Kapitaal Project, waarin het essentiële belang van de ontwikkeling van sociale competenties en investeringen in menselijk kapitaal juist weer wordt benadrukt. Dat is een rapport van dit jaar. Onderwijs is ook een investering in keuzevrijheid.

Daarom wil ik toch zelf ook nog even terugkomen op een interessant debat dat de Kamer hier gister voerde, over de vragen rondom bevolkingsgroei en return on investment, het rendement. De toegang van vrouwen tot anticonceptie is zeker belangrijk als onderdeel van hun emancipatie. Dat geldt ook voor het recht om zelf te beslissen over het tijdsmoment, het tijdpad en het aantal kinderen dat ze kunnen krijgen of willen krijgen. Die toegang komt er in de praktijk alleen maar in de combinatie met veel andere beleidsinstanties en beleidsinzetten. Daar werkt Nederland natuurlijk ook altijd aan voor de eigen burgers: onderwijs, rechten, kwaliteit van gezondheidszorg en de toegang tot recht. Kijk bijvoorbeeld naar de gezondheidszorg en de debatten over de vaccinatie van kinderen. Maar er zijn geen simpele, eenvoudige oplossingen. Maatschappelijke en economische ontwikkeling komen in samenhang tot stand en vragen om een combinatie van interventies en diensten.

Dat geldt natuurlijk ook breder, ook als je praat over de focus op financieel rendement. Puur financieel rendement kan nooit de belangrijkste leidraad zijn voor belangrijke beleidskeuzes waarbij mensenlevens op het spel staan. Daarvoor zijn de situaties waar we aan werken te complex, te verschillend en de keuzes te belangrijk, zeker op lange termijn. Uiteindelijk gaat het om de maatschappelijk-politieke keuzes over mensen en menselijk kapitaal. Kosten-batenanalyses zijn bruikbaar als je moet kiezen tussen twee concrete zaken, bijvoorbeeld als het gaat om twee trajecten voor een spoorlijn. Maar wat nou als het moeilijker en lastiger wordt? Wat doen we aan rechten van vrouwen? Wat doen we aan opvang in de regio? Wat is onze aanpak voor wat betreft klimaatactie? Dan heb je weinig aan een pure kosten-batenanalyse. Dan moet je de benodigde inzet in samenhang bekijken, bepalen wat de hoogste urgentie heeft vanuit een politieke en maatschappelijke visie, en kiezen welke aanpak daar het beste bij werkt.

Voorzitter. De heer Voordewind en mevrouw Kuik vroegen ...

De heer Van Haga (VVD):

Ik ben eigenlijk wel blij met deze toelichting van de minister. Kunnen we concluderen dat u het met de VVD eens bent dat er altijd sprake moet zijn van een integrale aanpak, en dat het begrip "rendement" niet alleen financieel hoeft te zijn, maar ook een sociaal aspect en een klimaataspect kan hebben?

Minister Kaag:

Ja, maar ik geloof niet dat ik overtuigd hoefde te worden!

Misschien stelt de heer Van Haga die vraag aan zichzelf, dus ik hoor gaarne zijn bevestiging van mijn analyse.

De voorzitter:

Nou, dat mag hij straks in zijn eigen termijn doen, zo stel ik voor.

Gaat u verder.

Minister Kaag:

De heer Voordewind en mevrouw Kuik vroegen naar de Challenge Fund for Youth Employment. Conform de motie van het CDA en de ChristenUnie zal het fonds inderdaad bijdragen aan perspectief op een toekomst voor jongeren in de focusregio's, door in te zetten op banen en ze te stimuleren om te ondernemen. Het fonds zal ook inzetten op een betere aansluiting van beroepsonderwijs op de arbeidsmarkt, bijvoorbeeld door bij te dragen aan stageplaatsen — geen melkertbanen — en leer-werkplekken. Het fonds staat open voor vernieuwende voorstellen van maatschappelijke organisaties, dus ook hier is er weer een kans voor Nederlandse ngo's, bedrijven en kennisinstellingen of consortia daarvan. Die hebben heel veel ideeën. Ik moedig dat ook aan. Ik denk dat het ook belangrijk is om hierin de Nederlandse samenleving mee te nemen, gezien hun ideeën en slagkracht.

Mevrouw Kuik vroeg in diezelfde termijn om een grotere rol van de EU, juist bij de voorzieningen voor onderwijs voor vluchtelingen en gastgemeenschappen. Ik kan u verzekeren dat de EU daarin een belangrijke rol speelt. Wij zetten daar als Nederland ook echt op in. Ik heb het zelf ook gezien in een aantal landen waar ik heb gewoond en gewerkt. Het is juist de EU die met veel grotere financieringsstromen en technische expertise kan komen. Wij zoeken de aansluiting. Dat is ook veel belangrijker. Vanwege het geld en de stromen die de EU kan bieden, kan de EU ook een politieke rol spelen in het creëren van kansen voor vluchtelingen, maar ook voor eigen gastgemeenschappen. Dat is hierbij ook heel belangrijk. Dus die stem zie ik als heel waardevol.

Dan ben ik klaar met het kopje onderwijs, werk en inkomen, meneer de voorzitter.

De voorzitter:

Ja, maar we hebben nog een vraag van mevrouw Van Weerdenburg.

Mevrouw Van Weerdenburg (PVV):

Ik was eventjes nieuwsgierig. Wij financieren veel onderwijs. Dat is een van de speerpunten van het beleid van de minister. Wordt er met Nederlandse inzet ook ergens islamitisch onderwijs gefinancierd, misschien onder het mom van "islamitisch onderwijs is altijd nog beter dan helemaal geen onderwijs"?

Minister Kaag:

Al deze onderwijsstromen worden in principe gefinancierd in samenwerking met UNICEF. Natuurlijk ben je afhankelijk van de rol van de lokale overheid. Dat hangt van het land af. Dat kan ik zo niet helemaal zeggen. Wij gaan natuurlijk uit van kwalitatief onderwijs. We willen dat kinderen leren lezen, schrijven en rekenen, dat ze weten hoe ze hun naam moeten schrijven, dat ze vanuit het onderwijssysteem van het land zelf een diploma kunnen halen. Wij zetten daar geen religieus, etnisch of ander kenmerk achter. Het gaat om kwaliteit en garandering door de overheid zelf of door bijvoorbeeld een VN-organisatie. Als u voorbeelden wilt hebben van hoe het in een aantal landen werkt, kom ik daar graag in de tweede termijn op terug. Het staat ook op OpenNet; alle bronnen die mevrouw Van Weerdenburg consulteert, kan zij daar ook vinden. Maar we zetten niet in op islamitisch onderwijs; we zetten ook niet in op christelijk onderwijs of boeddhistisch onderwijs. We zetten in op onderwijs.

De voorzitter:

Een tweede vraag van mevrouw Van Weerdenburg.

Mevrouw Van Weerdenburg (PVV):

Dat begrijp ik, maar de minister heeft net in het blokje ook gesproken over bijvoorbeeld educatie op het gebied van anticonceptie, familyplanning en vrouwenrechten. Het lijkt me wel relevant of dat dan in islamitisch of boeddhistisch onderwijs gebeurt, want bij islamitisch onderwijs — laten we het beestje bij de naam noemen — is dat een stuk moeilijker. In die zin is het wel relevant. Ik ben blij dat de minister toezegt om daar nog meer informatie over aan de Kamer te geven.

Minister Kaag:

Maar in het primair onderwijs, basisonderwijs voor vluchtelingenkinderen en kinderen in de opvang, komen niet zozeer seksueel onderwijs, seksuele reproductiviteit en seksuele rechten aan de orde. In Nederland gebeurt dat op de basisschool misschien wel, maar ik zou zeggen dat dat in het gemiddelde land niet gebeurt. Libanon, waar ik het laatst heb gewerkt, heeft een christelijke president en heeft de grootste christelijke minderheid in het Midden-Oosten. Daar zit men niet per se te wachten op basisonderwijs over dit soort teksten. Het hangt af van de culturele context. In veel landen is dit niet per se een thema. We hebben het dan over bevolkingsgroepen die wat ouder zijn, meisjes tussen de 12 en 15. Daar zijn speciale centra voor. Dat wordt met de VN-organisatie UNFPA geregeld. Maar ik bied graag een paar voorbeelden aan, want het zijn natuurlijk belangrijke vragen.

Dan ga ik door op het thema grondoorzaken en coherentie. Mevrouw Karabulut vroeg wat Nederland eigenlijk doet aan de grondoorzaken. Ik wil niet meer belichten dan waar de nota op gericht is: perspectief, kansen, ondernemerschap en natuurlijk het tegengaan van de gevolgen van uitsluiting of maatschappelijke ongelijkheid. We weten uit de vele evaluaties natuurlijk wel wat de doorslaggevende factoren zijn. Ik meende uit de vraag van mevrouw Karabulut de essentie op te pakken dat zij sprak over wat zij noemde "de spagaat" of "de twee gezichten" van Nederlandse hulp en handel: dat we aan de ene kant investeren, waarin zij een eigenbelang voor Nederland zag, en dat er aan de andere kant een gift was, die dan eventueel gevolgen van eigen handelen of gebrek aan handelen tegen zou gaan. Ik hoop dat ik de vraag goed heb begrepen. Zij refereerde daarin ook aan de situatie in Jemen. De vraag was hoe zich dat tot elkaar verhoudt en wat het zwaarst weegt. De nota Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking moet wat dat betreft gezien worden in koppeling met het Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid en de Defensienota van mijn collega Bijleveld, maar wij doen natuurlijk ook aan ontwikkelingssamenwerking vanwege de bestrijding van grondoorzaken. Dat is geen instrumentalisering van een buitenlandagenda. Wij doen dat omdat we de duurzameontwikkelingsdoelen willen bereiken. Als je kijkt naar de discussies die we vaak voeren in de artikel 100-context, zie je dat Nederland in veel landen al werkte voordat er ooit een Nederlandse missie aanwezig was en wij blijven daar ook werken nadat een Nederlandse missie eventueel haar vertrek heeft aangekondigd. Er is dus een rol, pur sang, als ik dat zo mag zeggen, voor internationale samenwerking middels ontwikkelingssamenwerking.

Met de spagaat die benoemd werd, werd in het bijzonder gerefereerd aan de situatie in Jemen. U vroeg zich af of die niet vraagt om een nationaal wapenembargo en of ik bijvoorbeeld stappen wilde zetten richting verzekeraars die investeren in de wapenindustrie.

Ik wil in de eerste plaats natuurlijk stellen dat het Nederlandse wapenexportbeleid al zeer restrictief was. Het kabinet heeft dit nog verder aangescherpt. The presumption of denial, dus de aanname van weigering die al gold voor leveranties aan de luchtmacht en de grondtroepen van Saudi-Arabië, geldt nu ook voor de Verenigde Arabische Emiraten en Egypte voor alle onderdelen van de strijdkrachten, inclusief de marine. Dat betekent dat er geen goederen worden geëxporteerd naar die landen tenzij onomstotelijk vaststaat dat ze niet kunnen of zullen worden ingezet in de strijd in Jemen. Zoals u ook weet, en zoals naar ik meen ook al is bediscussieerd met minister Blok, maakt een wapenembargo pas echt verschil in een groter verband. Nederland vraagt hier echt aandacht voor in de EU — mijn collega Blok doet dat in de Raad Buitenlandse Zaken — en in de VN-Veiligheidsraad. Er blijkt helaas nog te weinig steun voor.

Ik kom nu even terug op een vraag die eerder werd gesteld bij het eerste blokje. Ikzelf ben bereid om in gesprek te gaan met de verzekeraars in het kader van internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen en de naleving van de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen en de UN Guiding Principles on Business and Human Rights om met hen te spreken over hun committering en de kaders van hun beleid, zeker als het gaat om het thema "controversiële wapenhandel". Het is aan henzelf om te handelen conform de OESO-richtlijnen, maar ik ga dat gesprek aan. Voordat ik die vraag kon beantwoorden, moest ik dit eerst even gezegd hebben. Ik hoop dat u dat begrijpt.

Dan wil ik graag door met de vraag van de heer Stoffer naar onze inspanningen om straffeloosheid tegen te gaan. Ik denk dat we allemaal zijn mening delen dat straffeloosheid zorgwekkend is en dat SDG 16, acountabillity en de bevordering van vreedzame inclusieve en rechtvaardige samenlevingen, prominent is. Toen ik zelf nog bij de VN werkte, was SDG 16 mijn favoriet, omdat het wat mij betreft de kern is, vooral als het gaat om gebroken samenlevingen waarin de risico's groter zijn, om tot vredesopbouw te kunnen komen. Als covoorzitter van de internationale taskforce on justice — excuseer me voor al dat Engels — dus de internationale taskforce over gerechtigheid, organiseren we hierover in februari in Nederland een grote internationale conferentie. Die zal ook leiden tot vervolgstappen. Wij werken natuurlijk ook internationaal en nationaal met partners om straffeloosheid tegen te gaan en gerechtigheid te bieden voor de slachtoffers. Ik noem in dit verband de bewijzenbank voor Syrië, het internationale centrum voor transnationale gerechtigheid en de watch op straffeloosheid oftewel Impunity Watch. Sommige vertalingen worden een beetje gekunsteld, vrees ik, want die organisaties zijn bekend via een Engelse naam. Ik weet niet of ze zichzelf nog herkennen in mijn vertaling.

De voorzitter:

Ik waardeer het dat u het zo veel mogelijk de Nederlandse vertaling probeert te gebruiken. Heel fijn!

Minister Kaag:

Amnesty bijvoorbeeld heet Amnesty. Maar dank u, ik zal mijn best blijven doen.

Dan wil ik door met het thema gendergelijkheid, vrouwenrechten en seksuele rechten en gezondheidsrechten (SRGR).

De voorzitter:

Dat doen we na de interruptie van de heer Stoffer.

De heer Stoffer (SGP):

Ik heb een interruptie naar aanleiding van het antwoord van de minister op mijn vraag. Dank voor het antwoord. Mijn vraag was nog of dit ook een expliciet doel gemaakt kan worden voor alle diplomatieke posten. Dat klinkt er voor mij wel in door, maar ik wil het nog wel even graag even expliciet bevestigd hebben.

Minister Kaag:

Ik kan dat hier niet expliciet bevestigen. Ik denk niet dat dat correct is. Ik wil dit graag met mijn collega Blok bediscussiëren. Het is natuurlijk buitenlands beleid, het betreft de diplomaten. Hij is de minister van Buitenlandse Zaken. Maar de heer Stoffer kan ervan uitgaan dat in alle landen waar dit relevant is, dit een kernthema is in het Nederlands handelen en bij het uitdragen van het ambt als diplomaat. In sommige landen is dat natuurlijk pertinenter dan in andere landen. U kunt zich voorstellen dat we dat niet meenemen in OESO-landen, maar in veel conflict- of postconflictsituaties is dat wel het geval. Ik bespreek dat graag met mijn collega Blok en ik zoek een ander moment om daarover terug te rapporteren. Maar het feit dat we voorzitter zijn van een internationale conferentie geeft natuurlijk wel aan dat het hele ministerie en de rest van de overheid hier hard aan trekken.

De heer Stoffer (SGP):

Ik dank de minister voor het antwoord en ik ga ervan uit dat dit in het DNA zit van iedere Nederlander op een diplomatieke post. Maar ik hoor daarover graag meer. Dank u wel.

Minister Kaag:

Meneer de voorzitter. Dan ...

De voorzitter:

Het volgende blokje.

Minister Kaag:

Excuus, meneer de voorzitter. Ik wil graag doorgaan met het blokje over gendergelijkheid, vrouwenrechten en SRGR, zoals ik net benoemde.

De voorzitter:

Misschien kunt u "SRGR" even toelichten.

Minister Kaag:

Dan gaat het over seksuele en reproductieve gezondheid en rechten. Ik had het net benoemd.

Investeren in vrouwen is investeren in de ontwikkeling en de sociaal-economische groei van elke samenleving. Dat geldt in Nederland, en ook wereldwijd. Aandacht voor gendergelijkheid is niet een kwestie van alleen ontwikkelingssamenwerking. Het is iets wat we overal moeten doen, binnen bedrijven, binnen het parlement en bij vredesmissies. Uit vele studies blijkt dat besluitvormingsprocessen veel effectiever zijn en veel meer rendement opleveren als vrouwen een volwaardig teamlid zijn op alle niveaus. Maar in veel landen is dat nog steeds niet zo. Daarom zetten wij daar als Nederland op in. Rechten van vrouwen en meisjes worden geschonden. Hun potentieel wordt hun ontzegd als ze niet naar school mogen of na een paar jaar gedwongen worden om uit te vallen door een gedwongen huwelijk op jonge leeftijd. Helaas heeft een op de drie vrouwen nog steeds te maken met vormen van geweld, fysiek geweld of seksueel geweld. Dit komt onder andere voort uit de ongelijke machtsverhoudingen tussen mannen en vrouwen.

Dit is een maatschappelijk probleem dat wereldwijd aandacht vraagt en eist en dat expliciet aan de orde moet blijven worden gesteld. Daarom stond ik ook achter op het Binnenhof om de campagne Orange the World, Maak de wereld oranje, samen met de burgemeester van Den Haag, Pauline Krikke, te openen. Het Binnenhof is niet voor niets zestien dagen lang 's avonds oranje belicht. Het was vanaf 25 november en het zal eindigen op de Internationale Mensenrechtendag op 10 december. Het is meer dan symboliek. Het is een stem en een opdracht om er hard aan te werken, ook in de programma's die we uitwerken. We doen dat met heel veel partners. Ik weet ook dat dit breed wordt gesteund in dit parlement.

Ik ben het natuurlijk met mevrouw Diks van GroenLinks eens dat in dit kader ook genitale verminking van meisjes een verschrikkelijke uiting van geweld is. We kunnen niet genoeg benadrukken hoe belangrijk de publieke aandacht voor dit thema moet blijven. De bewustwording moet vergroot worden en het moet bespreekbaar worden gemaakt, vooral in de gemeenschappen waar dit eventueel nog een risico vormt voor de meisjes. Ze moeten het probleem erkennen, handelen en deze vorm van geweld aanpakken. Ik kom in mijn tweede termijn terug op alle amendementen, maar omdat het een uitgangspunt is van het amendement van het Meerpartijeninitiatief, wil ik graag zeggen dat ik het amendement op stuk nr. 23 van harte ondersteun.

Tegen de heer Bouali wil ik zeggen dat het budget voor SRGR, inclusief hiv en aids, al verhoogd is met 10 miljoen euro per jaar vanaf 2018. Voor de jaren 2017, 2018 en 2019 was er sprake van een tijdelijke extra verhoging, ingevolge de amendementen die zijn ingediend in deze Kamer en onder meer ingevolge beleidsbeslissingen rondom SheDecides, mede opgericht door mijn voorgangster Lilianne Ploumen, en het globale fonds dat aids, tuberculose en malaria bestrijdt. Dus het zijn altijd weer fluctuaties die normaal zijn in een bestedingsronde. Er is geen verlaging. We zijn terug op een punt. We wachten nog op het investeringsplan van het globale fonds. We kunnen geen besluit nemen over een plan dat nog niet is ontvangen. We kijken natuurlijk altijd naar deze organisatie en andere organisaties om deze thema's tot uitvoering te kunnen brengen.

De heer Bouali (D66):

Ik dank de minister allereerst voor haar betoog over gender en het belang daarvan, ook in haar notitie. Dat juichen wij heel erg toe. Ik heb inderdaad begrepen dat er een tijdelijke verhoging is onder artikel 3.1 voor SRGR. Maar als ik naar de begroting kijk en naar de cijfers, dan zie ik dat het voor 2018 444 miljoen is en dat het voor 2019 430 miljoen is. Dat is dus 14 miljoen minder. Voor 2020 is het 426 miljoen. Dat is weer 4 miljoen minder. Dat is het enige wat ik niet goed begreep.

Minister Kaag:

Ik probeerde het net uit te leggen. Het bedrag van 2018 is al inclusief de amenderingen van voorheen. We hebben nu begroot op de toekomst. Dit betreft bedragen die al vastliggen. Mochten er nog fluctuaties zijn en mocht ik in de toekomst besluiten dat ik de bedragen nog wil ophogen op basis van verzoeken, landen, situaties — we werken bijvoorbeeld met de Bill & Melinda Gates Foundation en de Global Facility — dan er zijn allerlei kansen en momenten. Maar we willen ook weten wat werkt. Dit is een heel fors bedrag. Ik denk niet dat op een bedrag van 440 miljoen een verschuiving van 10 miljoen, voordat er ook in het komende begrotingsjaar amendementen zijn ingediend, een echte verlaging betekent.

Meneer de voorzitter. Dan wil ik graag door naar de kop geografische focus van ontwikkelingssamenwerking.

De voorzitter:

Ik zie dat er nog wat vragen zijn over het vorige blokje. Mevrouw Van den Hul was volgens mij de eerste.

Mevrouw Van den Hul (PvdA):

De minister gaf in de schriftelijke beantwoording aan dat er inderdaad al een aantal verschillende internationale initiatieven bestaat om geweld tegen vrouwen te bestrijden en dat Nederland daar een bijdrage aan levert, gelukkig maar. Dat gaat allemaal over bestrijding en aanpak van geweld tegen vrouwen in het algemeen. Dat is heel belangrijk, maar dat is niet wat de heer Mukwege, die we afgelopen week ontmoetten, bedoelde. Hij doelde specifiek op een fonds voor slachtoffers van seksueel geweld, die nu vaak door taboe, schaamte en gebrek aan bewijs niet de erkenning en genoegdoening krijgen die zij verdienen. Er zijn fondsen voor slachtoffers van mensenhandel en marteling, maar nog niet voor slachtoffers van seksueel geweld. Daar ging mijn vraag over. Is de minister bereid om in internationaal verband eerste stappen te zetten om te onderzoeken wat mogelijk zou zijn richting de oprichting van zo'n fonds?

Minister Kaag:

Dat is heel eenvoudig. Ik heb dit ook besproken met dr. Mukwege. Mijn interpretatie van zijn verzoek is iets anders. Het gaat niet alleen om geld. Het is een structuur waarin een cultuur van het bestrijden van straffeloosheid wordt gesteund. Eigenlijk net zoals je genitale verminking tegengaat door alternatieve initiëringsprocessen. Hij wil spreken met gemeenschapsleiders en ervoor zorgen dat alle slachtoffers van verkrachting en seksueel geweld die rol en erkenning krijgen. Het financieringsaspect is een tweede component. Ik heb hem gezegd dat ik graag met hem verder wil optrekken naar de aanloop van onze conferentie over psychosociale hulp, omdat dat daar ook bij hoort. Hij is een natuurlijke partner. We zijn het aan het onderzoeken en ik kijk niet alleen naar geld. Het tegengaan van straffeloosheid en de compensatie van slachtoffers moet ook juist vanuit het nationale rechtssysteem komen.

Mevrouw Van den Hul (PvdA):

Ik ben blij te horen dat de minister dit ook met dr. Mukwege heeft besproken. Het gaat inderdaad zeker niet alleen om geld, dus daarin verstaan we elkaar goed. Er is op dit moment een pilot gestart in Kosovo, waar helaas tijdens de oorlog in voormalig Joegoslavië veel vrouwen slachtoffer zijn geworden van seksueel geweld. Ik vraag de minister toch eens te gaan kijken naar die pilot in Kosovo en of dat wellicht replicabel ... Dit is vast ook geen Nederlands woord. Voorzitter, hoe vertaal ik dat netjes?

De voorzitter:

Te kopiëren.

Mevrouw Van den Hul (PvdA):

... te kopiëren is, navolging verdient op een grotere schaal.

Minister Kaag:

Wij zijn altijd geïnteresseerd in programma's die goed werken. Ik wil het in een breder kader zien en me niet meteen binden aan één vorm van programmering, want het thema is breder. Ik vind het heel belangrijk, dus ik neem dat mee.

Mevrouw Diks (GroenLinks):

Ik wil het volgende vragen aan de minister, via de voorzitter uiteraard. Er is veel aandacht in deze Kamer voor SRGR. De minister gaf dat aan en ze heeft gezegd dat zij hier blij mee is. Dat zijn wij allemaal, denk ik. Er zijn veel initiatieven ontplooid: over tb, hiv/aids, ik heb zelf het initiatief gedaan voor genitale verminking, kindhuwelijken. Ik heb de minister als idee voorgelegd of het interessant zou zijn om een soort actieprogramma te maken op SRGR, want het gaat nu al een heel klein beetje versnipperen. Wat vindt u daarvan?

Minister Kaag:

In de hele BuHa-OS-agenda, de nota en een deel van het budget vinden we de uitvoering terug van acties en de visie die we hebben. Ik ben persoonlijk erg gehecht aan pagina 23 en 24 van de nota, geloof ik, waar het alleen maar gaat over vrouwenrechten, participatie, bescherming en noem maar op. Die voeren we uit in alle landenstrategieën en in al het thematische werk. Het is een soort rode knop waar alles aan wordt gemeten. Hiervoor is niet nog een speciaal actieprogramma nodig. Het wordt niet versnipperd, het wordt in alle handelingsperspectieven meegenomen. Ik zoek niet meer in een speciaal programma. Ik denk dat het belangrijker is dat het terugkomt via een rapportage, waarin we een verplichting hebben om juist te zeggen hoe we die slag hebben gemaakt. Een speciaal actieprogramma doet eigenlijk af aan de centrale rol die ik het hele thema vrouwen/vrouwenrechten/SRGR heb gegeven.

Mevrouw Diks (GroenLinks):

Heel graag, want ik snap heel goed wat u zegt, maar het gaat ons natuurlijk niet zozeer om het feit dat u daarmee aan het werk bent, want het is helder dat u het zelf een heel belangrijk thema vindt. Maar de zoektocht voor ons als Kamer in het monitoren van wat er precies met het geld gebeurt, is wel heel lastig. We hebben het er volgens mij bij het begrotingsonderzoek ook al over gehad. In de rapportage zouden we daar graag specifieker iets over willen terugzien. Zou u daar iets over kunnen zeggen?

Minister Kaag:

Ik zal dat bevestigen in de tweede termijn. Ik wil even uitzoeken wat dat betekent aan ambtelijke last, ook gelet op het hele uitvoeringstraject. Maar er wordt over gerapporteerd, dus we zullen kijken wat er mogelijk is, zonder dat het een extra last gaat betekenen.

Mevrouw Kuik (CDA):

Gisteren heb ik verwezen naar de toenemende berichten over sekstoerisme, over kinderen die op grote schaal worden misbruikt en over kindhuwelijken. De minister heeft aangegeven dat zij een geïntegreerde benadering heeft, gericht op het vergroten van weerbaarheid en scholing. Maar hoort hierbij ook het aanpakken van en richten op de daders? Het gaat hier ook om Nederlandse figuren die kinderen misbruiken in het buitenland.

Minister Kaag:

Ik herken dat helemaal, maar ik meen dat dit niet binnen de competentie van mijn ministerie of mijn begroting valt. Het tegengaan van mensensmokkel, uitbuiting, sekstoerisme en misbruik van kinderen als prostituees, hoort bij het programma uit de nota van mijn collega Harbers. Ik zal daarover terugkoppelen. Bij die nota, bedoel ik.

Mevrouw Kuik (CDA):

Ik begrijp dat dit voor een groot gedeelte bij staatssecretaris Harbers ligt, maar er zit natuurlijk ook het element in dat zaken in een cultuur gevestigd zijn die wij niet normaal vinden; die wij geen normale normen vinden. Is dat dan niet een punt waarop wij bij deze agenda moeten inzetten? Moeten wij er in de cultuur niet op inzetten dat jonge kinderen niet uitgehuwelijkt mogen worden?

Minister Kaag:

Uithuwelijken? Maar, meneer de voorzitter, nu gaan we even van kinderprostituees naar uithuwelijking.

Mevrouw Kuik (CDA):

Kinderhuwelijken.

Minister Kaag:

Kindhuwelijken: ja. Wij zijn ook in gesprek met Girls Not Brides, meisjes geen bruidjes, om de aanpak van die organisatie te vergroten en hun programmering uit te breiden. Aan de ene kant is er nodig wat men noemt "advocacy", het campagnewerk en bewustwordingswerk. Daarnaast zijn er programma's nodig die kijken naar het psychosociale kader. Organisaties als UNICEF of Save the Children werken daaraan, evenals een aantal Nederlandse maatschappelijke organisaties. Wij kijken daarnaar.

De heer Stoffer (SGP):

Ik zit een beetje te zoeken in al die blokjes. Op zondag heb ik altijd maar drie blokjes in de kerk en hier zijn het er wel heel veel. Gehandicapten, hoort dat bij dit blokje of bij een ander blokje?

Minister Kaag:

Dank dat u ernaar vraagt. Ik meen dat ik later nog terugkom op mensen met een beperking, meneer Stoffer. Ze zijn absoluut niet vergeten.

De heer Stoffer (SGP):

Dan bewaar ik mijn vraag nog even tot straks. Dank.

De voorzitter:

Dan het volgende blokje: over de geografische focus van de ontwikkelingssamenwerking.

Minister Kaag:

De heer Van Haga besteedde aandacht aan de geografische focus van het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid. In de nota is dat toegelicht en er is een brief op gevolgd. Conform het regeerakkoord kijken we naar vier instabiele focusregio's: Sahel, Hoorn van Afrika, Midden-Oosten en Noord-Afrika. Binnen die focusregio's concentreren we ons op een specifieke groep landen, zoals de heer Van Haga en andere leden weten. Dit is in de Kamerbrief van 13 november uitvoerig toegelicht. Er zijn misschien drie categorieën. Er is een brede duurzame ontwikkelingsrelatie met tien landen, veelal de armste landen. Daar wordt dus breed op ingezet. Dan zijn er nog landen met specifieke doelen. Daar zijn er tien van. Daaronder vallen de drie focuslanden die eerder ook in het regeerakkoord zijn genoemd: Libanon, Jordanië en Irak. Dan is er een club landen waar Nederland een heel beperkte OS-inzet heeft, die soms gepaard gaat met een handelsperspectief, conform de internationale handelsagenda. Óf het sluit aan bij het bij het Nederlands buitenlands beleid, of bij het veiligheidsbeleid, of bij de migratieagenda van staatssecretaris Harbers.

Het is helaas een illusie om te denken dat we in andere jaren nog meer focus hadden. Dit is juist focus. Het concept destijds van vijftien partnerlanden klonk heel leuk, maar de ontwikkelingsinzet kwam in veel meer landen terecht. Ik geef maar aan dat er al 68 landen waren waar bijvoorbeeld met privatesectormiddelen werd gewerkt, en die lijst is nog niet limitatief. Er is nu voor het eerst een echte focus, maar ik denk dat we dit ook moeten erkennen: als je grondoorzaken van armoede, van klimaatverandering en irreguliere migratie moet aanpakken, kun je niet in één land alleen werken. Je moet kijken hoe het land zich verhoudt in de regio en waar de stromen vandaan komen, zeker als je werkt aan het bestrijden van grensoverschrijdende problemen. We wachten natuurlijk wel af hoe de landen zelf reageren. Wij kijken altijd naar de criteria van wat heet "goed donorschap" en hoe we verder kunnen werken met veel landen.

De heer Van Haga stelde ook voor geen geld meer uit te geven in OESO-landen zoals Mexico en Chili. Het is goed om toe te lichten dat we een minimale hoeveelheid officieel ontwikkelingsgeld hebben uitgegeven in een enkel OESO-land dat volgens de regels van de OESO DAC, het officiële comité van de OESO dat gaat over ontwikkelingssamenwerking, nog in aanmerking kan komen voor officiële ontwikkelingshulp. In Mexico ging dat om €100.000 vanuit het Mensenrechtenfonds, dus voor een heel specifiek doel. Het klinkt misschien omvangrijker dan het was. OESO-lid Chili komt vanaf 2018 überhaupt niet meer in aanmerking voor welke vorm van ODA dan ook. Een uitzondering blijft natuurlijk het OESO-lid Turkije. Nederland draagt tamelijk grote bedragen ontwikkelingssamenwerking af, 140 miljoen. Wij dragen dat bij aan de EU-faciliteit voor vluchtelingen, onder meer voor onderwijs en gezondheidszorg.

Het is belangrijk om te stellen dat het debat over welk land in aanmerking moet komen voor bepaalde vormen van ontwikkelingssamenwerking heel erg in flux is geraakt sinds de vluchtelingenstromen. Libanon en Jordanië bijvoorbeeld waren middeninkomstenlanden, en hebben geleden onder de gevolgen van de Syriëcrisis. Zij kwamen destijds vanwege hun inkomstenstatus niet in aanmerking voor Wereldbankleningen of zachte leningen. Maar juist omdat een groot aantal landen vanuit Europa, wijzelf ook, heeft aangedrongen op een herziening van hun status in het kader van de opvang die ze verzorgen, is er een kentering geweest. De criteria zijn helder en wij passen die toe, maar tegelijkertijd is er een geopolitieke weging om te kijken wat er verandert, zeker als je kijkt naar vluchtelingenstromen.

De voorzitter:

Dat leidt tot een vraag van de heer Van Haga.

De heer Van Haga (VVD):

Het is heel prettig om deze toelichting te krijgen. Het blijkt om nog minder geld te gaan dan we eigenlijk dachten, en soms is dat ook wel goed. Misschien kunt u in ieder geval toezeggen dat we proberen om überhaupt geen geld te laten gaan naar landen die dat niet echt nodig hebben.

Minister Kaag:

Dat is een beetje te losjes geformuleerd, maar ik begrijp de intentie. We zijn heel streng en strak in de allocatie van ontwikkelingssamenwerking. Het gaat niet naar landen, het gaat naar kwetsbare groepen. We geven geen directe budgetsteun aan landen, dus het gaat sowieso niet naar regeringen. Het gaat naar etnische groepen, minderheden, religieuze minderheden en mensen getroffen door conflicten. Dat is sowieso al sinds jaar en dag de werkwijze van Nederland, dat is niet nieuw. Nederland werkt volgens de regels van de OESO DAC.

De heer Van Haga stelde ook een vraag over de terugname van illegale migranten door de landen van oorsprong. Net als andere leden van het kabinet, dat kan ik alleen maar bevestigen, voer ik regelmatig gesprekken met mijn evenknie in ontwikkelingslanden, of in dit geval handelslanden. In het kader van de brede politieke dialoog worden daar alle thema's benoemd. Dit onderwerp dus ook, waar het relevant is. Het terugnemen van illegaal in Europa verblijvende migranten die geen recht hebben op internationale bescherming is ook een internationale afspraak. Daar moet dus gevolg aan worden gegeven. Het is niet een one size fits all voor inzet van negatieve en positieve prikkels om doelstellingen te bereiken. We kijken ook naar mensenrechten en terugkeer op het gebied van veiligheid en economische samenwerking. Het is belangrijk om te kijken waar landen moeten worden bewogen en ervoor te zorgen dat de besluitvormers geraakt worden door die maatregelen die het meeste effect zullen sorteren. Vaak zijn dat niet de schaarse ontwikkelingssamenwerkingsmiddelen. Je kunt denken aan visummaatregelen, het intensiveren of juist terugschroeven van samenwerking op verschillende terreinen en het gebruik van financiële instrumenten. Het kabinet beraadt zich per land op wat de beste inzet zou kunnen zijn. Dit is een kabinetsbrede overweging, met name van collega Harbers, collega Blok en mijzelf.

Meneer de voorzitter. Dan zijn er nog twee punten onder dit thema. Allereerst het uitkeringssysteem voor Palestijnse gevangenen, waar de heer Voordewind naar vroeg. De kabinetsinzet is het behoud en de verwezenlijking van de tweestatenoplossing in lijn met het regeerakkoord en de EU-kaders die daarvoor gegeven zijn. Wij blijven hopen en van beide partijen verwachten dat ze stappen zullen nemen die daaraan bijdragen. Nederland probeert dat op bescheiden wijze ook via de trilogen, die de heer Voordewind welbekend zijn.

Het specifieke thema dat hij benoemt — de koppeling tussen de duur van de detentie en de hoogte van de uitkering — past hier absoluut niet bij. Het kabinet is niet tegen betalingen op basis van sociaal-economische behoefte, maar wij dringen wel al jaren aan op aanpassing van deze maatregel, helaas zonder enig resultaat. Mede dankzij de Nederlandse inzet staat dit thema nu ook op de EU-agenda. Het korten van hulp achten wij niet verstandig. Dit verzwakt ook de Palestijnse Autoriteit, die op dit moment nog nodig blijkt als partner voor de tweestatenoplossing. Mijn inzet is de volgende. Ik wil nog maximaal één jaar in EU-kader proberen met zo veel mogelijk landen die uitkeringen absoluut los te koppelen van de duur van de detentie. Als dit niet lukt — gebaseerd op het lange voortraject kunnen we daar niet zo optimistisch over zijn — dan is het tijd voor een duidelijk signaal en duidelijke besluitvorming. Dat zal dan zijn dat Nederland stopt met betaling van salarissen in de justitiesector. Dit is een vorm van begrotingssteun waarmee de Palestijnse Autoriteit eigen geld kan gebruiken voor andere doelen, zoals betalingen aan de families van de gevangenen.

Het kabinet wil echter niet stoppen met steun aan de rechtsstaat. Die is ook nodig om de martelingen, zoals recent genoemd in het rapport van Human Rights Watch — dat is toch echt de titel van de organisatie — tegen te gaan en natuurlijk voor het aantrekken van investeringen. Nederland zal blijven investeren in de rechtsstatelijke ontwikkeling buiten de begroting van de Palestijnse Autoriteit om.

Ik zeg dit ook in reactie op de heer Stoffer: een goed functionerende overheid, een levensvatbare economie, in de Palestijnse gebieden, is nodig, ook om de tweestatenoplossing te bereiken. De Nederlandse ontwikkelingssamenwerkingsinzet draagt bij of beoogt bij te dragen aan het versterken van de justitiesector, de watersector en de economie. Zo helpen wij boeren om te voldoen aan internationale standaarden, waardoor ze kunnen exporteren. Uit Gaza alleen bedroeg de export in 2018 mede dankzij Nederlandse scanners — dat is eigenlijk geen landbouwexpertise — ruim 14 miljoen. Uiteindelijk blijft een politieke oplossing van het conflict een vereiste voor stabiliteit. Daar zet Nederland zich voor in in bilateraal en EU-verband. Hierbij hoort een eerlijke, rechtvaardige en realistische oplossing, ook voor de Palestijnse vluchtelingen. Vanuit dat oogmerk en vanuit het kader van het Midden-Oosten Vredesproces blijven wij steun verlenen aan Palestijnse vluchtelingen via de VN-vluchtelingenorganisatie.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Dank aan de minister voor dit heldere standpunt en voor de inzet van het kabinet. De koppeling tussen de hoogte van de uitkeringen en de hoogte van de gevangenisstraffen en daarmee de gemaakte slachtoffers is onacceptabel. Ik ben blij met de toezegging dat de minister, als dit het komend jaar niet verandert, bereid is om een korting toe te passen. Kan de minister ook zeggen of die lobby in Brussel inmiddels tot steun heeft geleid? Welke landen zijn inmiddels overgegaan tot kortingen?

Minister Kaag:

Dat moet ik even navragen. We zijn er nog niet, dus daarom had ik ook de euvele moed om te zeggen dat ik niet zo optimistisch was. De heer Voordewind heeft mijn harde toezegging dat, mochten we er voor de zoveelste maal niet in slagen, er wordt gekort op het budget van 1,5 miljoen euro.

De voorzitter:

Een volgende vraag van de heer Voordewind.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Dan wordt het nog concreter. Ik zal nog kijken in hoeverre we in de tweede termijn tot een motie kunnen komen om het precies vast te leggen. Dank voor het noemen van een concreet bedrag. Hoe verklaart de minister nu de halsstarrigheid van de Palestijnse Autoriteit? Voorheen zat het bedrag bij de Palestijnse Autoriteit, toen ging het onder druk van de internationale gemeenschap naar de PLO en ik heb begrepen dat het nu zelfs weer terug is gezet bij de Palestijnse Autoriteit. Vanwaar die halsstarrigheid om daaraan koste wat het kost vast te houden, terwijl de druk van de internationale gemeenschap toeneemt? Kan de minister daarover iets zeggen?

Minister Kaag:

Ik heb daar eerlijk gezegd geen antwoord op. Ik weet het niet en ik ga er het liefst ook niet over speculeren. Ik weet het echt niet, in tegenstelling tot wat sommige mensen graag beweren. Ik weet het niet! Met name in de sociale media, meneer de voorzitter.

De voorzitter:

Dat is waar. Het is heel verfrissend, want dat kan ook.

Minister Kaag:

Ik weet het niet.

De heer Stoffer (SGP):

Het is wel zo eerlijk om te zeggen dat je het niet weet. Dat valt niet mee; dan moet je over je schaduw heen stappen.

Mijn vraag is een andere, voorzitter. Mijn vraag ging met name over economische zelfstandigheid en het zelfredzaam worden van de Palestijnen. Dank voor het antwoord dat de minister gaf. Ik vond het een hele mooie. Ik zou het nog iets aan willen scherpen, maar misschien zegt de minister ook wel "dat weet ik niet". Mijn vraag is: waar staat de stip op de horizon? Heeft de minister daar een bepaald beeld bij of zegt ze "ja, dat weet ik niet"? Dat kan ook.

Minister Kaag:

Weet u, meneer de voorzitter, dit is een persoonlijk feit. Ik woonde in Jeruzalem toen de Oslo-akkoorden werden getekend. Dat leek een hele hoopvolle stip. Ik kan u zeggen: ik weet het niet. Ik denk dat het belangrijk is dat wij als Nederland conform het regeerakkoord blijven inzetten op een tweestatenoplossing, onderhandelingen en voortgang in het Midden-Oosten Vredesproces. Dus die politieke koppeling die ik miste in de vraag van de heer Stoffer, is voor het kabinet natuurlijk wel belangrijk.

De voorzitter:

Meneer Stoffer heeft toch nog een volgende vraag.

De heer Stoffer (SGP):

Nou nee, eigenlijk alleen dank voor het antwoord. Ik snap ook wel dat mijn vraag wel heel rechttoe, rechtaan economisch gericht was. Die politieke koppeling snap ik. Dank voor het antwoord. Het betekent eigenlijk dat we moeten concluderen dat die stip op de horizon er pas komt nadat er een politieke oplossing is. Ik denk dat dat eigenlijk is wat de minister zegt.

Minister Kaag:

We zitten hier om over de begroting voor Buitenlandse Handel en OS te praten. Er zijn zo veel momenten om met collega Blok over het Midden-Oosten Vredesproces te praten en daarin worden alle aspecten meegenomen. De heer Stoffer vroeg terecht naar economische verzelfstandiging. Ik denk dat in elk gebied waar wij werken, de bevolking zo veel mogelijk wil verzelfstandigen en de eigen kansen wil benutten. In dit geval heb ik het over een gebied, maar in andere situaties zijn het landen. Ik denk dan aan export, ontwikkeling en universiteiten, want iedereen wil dat voor zijn eigen gezin en voor zijn eigen kinderen. Maar er zijn natuurlijk een aantal kaders die belemmeringen op kunnen werpen. Daarom blijven de onderhandelingen over een politieke oplossing, zoals in zoveel situaties, belangrijk. Dat zeggen de partijen zelf ook. Wij spreken niet namens hen, wij willen alleen maar, conform het regeerakkoord, een ondersteunende rol spel spelen, mits dat wordt gevraagd. Dat doen we bijvoorbeeld door de trilogen.

De voorzitter:

Dank u wel. We gaan, denk ik, naar het volgend blokje. Dus niet, want dat doen we pas nadat de heer Amhaouch ook nog een vraag heeft gesteld.

De heer Amhaouch (CDA):

Ik wil wegblijven bij de politieke discussie en de langetermijndiscussie. We hebben inderdaad gezegd dat we voor die tweestatenoplossing willen gaan. Ik werd even getriggerd door wat de minister over de export uit de Palestijnse gebieden zei. Die was ongeveer 13 miljoen, als ik de minister goed heb begrepen. De vraag is even wat de mogelijke potentie is. Nederland heeft andere focusregio's, bijvoorbeeld Libanon/Jordanië, maar zou Nederland ook daar een bijdrage kunnen leveren zodat de mensen daar zelf bedrijvigheid kunnen ontwikkelen en zelfstandig en dus minder afhankelijk van hulp kunnen worden?

Minister Kaag:

Gaza is natuurlijk een bijzondere situatie. Ik noemde de export van Gaza en die wordt onder andere mogelijk gemaakt door de Nederlandse scanners. Het was voor een deel landbouwexport en die bedroeg zo'n 14 miljoen dollar. Dat is natuurlijk een heel klein deel van het potentieel. Ik denk dan aan landbouw en de kwaliteit van de productie, maar je hebt ook de startups. Er is natuurlijk een jeugdige bevolking onder de Palestijnse bevolking. De fysieke beperkingen binnen de gebieden zorgen er vaak voor dat mensen ook hele creatieve oplossingen zullen moeten zoeken en vinden om vorm te geven aan die ideeën. Ik denk dus ook dat de innovatieve kant van de Nederlandse kennisinstellingen wellicht een rol zou kunnen spelen. Ik kom graag met een paar voorbeelden terug in tweede termijn, ook gebaseerd op het feit dat ons kantoor in Ramallah nu bezig is met een meerjarenstrategie, omdat de Palestijnse gebieden onderdeel blijven vormen van de focusgebieden, in dit geval.

Dan ga ik door naar het kopje maatschappelijk middenveld, meneer de voorzitter. De Kamer en ikzelf zijn natuurlijk op velerlei momenten en vlakken overtuigd geraakt van de rol die maatschappelijke organisaties spelen in het bereiken van ontwikkelingsdoelen zoals de aanpak van de grondoorzaken van armoede en ongelijkheid. Ze spelen ook een verbindende rol tussen Nederland en de landen waar we werken, en andersom. Ook de diaspora kan een belangrijk kanaal vormen. Ik deel helemaal de zorg van een aantal leden — mevrouw Van den Hul, mevrouw Kuik, de heer Voordewind — over de beperking en inkrimping van de politieke ruimte van veel maatschappelijke organisaties en van de manier waarop ze kunnen werken. Die ruimte staat wereldwijd onder druk.

Zij zullen ook weer een bijzondere rol krijgen in de uitvoering van ons beleid, maar we moeten ook waken voor de onafhankelijkheid van hun rol als pleitbezorger voor mensenrechten, vrouwenrechten, bijzondere groepen en minderheden. Zij vervullen ook een waakhondfunctie, zelfs ten aanzien van consequenties van Nederlands beleid voor burgers in ontwikkelingslanden. Dat vinden we misschien niet altijd leuk, maar het is ontzettend belangrijk en nuttig en het is ook een toonbeeld van onze eigen kracht en veerkracht om hiermee ons voordeel te kunnen doen. Daarom hebben we als Nederland ook de afgelopen maanden een voorstel voor een vroegwaarschuwingssysteem voor krimpende maatschappelijke ruimte onder de aandacht gebracht van de Europese Commissie en andere EU-lidstaten. Dat deden we ook tijdens de internationale donor- en steungroep voor het maatschappelijk middenveld. Wij zetten in op gezamenlijke Europese actie, ook gemotiveerd door de motie-Van den Hul, en dus op de politieke, maar ook de maatschappelijke rol van deze organisaties.

Ik kom op de relevantie van OS. Een aantal van u heeft hierop gewezen in positieve zin. Mevrouw Van Weerdenburg heeft vragen gesteld over het draagvlak of eigenlijk gesteld dat er weinig draagvlak is en dat de Nederlandse burger, vanuit haar optiek, liever zelf wil bepalen waar deze financiering naartoe gaat. Het is voor het Nederlandse kabinet en vele kabinetten hiervoor, ongeacht hun politieke kleur, duidelijk dat Nederland een internationale rol wil en moet kunnen blijven spelen. Een internationale rol als land van de rechtsstaat, met Den Haag als hoofdstad natuurlijk, en van het internationaal recht. Dat is de inzet die we plegen multilateraal, maar ook op bilateraal niveau. Verantwoorde ontwikkelingssamenwerking is niet alleen een middel, maar ook een manier om in dialoog te blijven en specifieke doelen en thema's waar wij aan hechten, uit te kunnen voeren.

De businesscase van investeren in ontwikkelingssamenwerking is hard gemaakt door zowel de private sector als de overheidssector. Alle SDG's zijn daarop gestoeld, maar met name SDG 17. Het is onze verantwoordelijkheid om een herkenbaar verhaal over de relevantie, de successen en de mindere successen van het ontwikkelingsbeleid voor het voetlicht te brengen. Mevrouw Kuik van het CDA noemde dit ook. Het blijft een kunst en niet altijd even makkelijk om ingewikkelde materie, zeker als het gaat over situaties heel ver weg, vanuit onze eigen belevingswereld helder en beeldend te kunnen vertellen. Ik deel dit en wij proberen iedere keer daar verbetering in aan te brengen, via sociale media, via mensen die komen praten.

Wij merken dat onder de jongeren een heel nieuwe hang en interesse is om te horen wat er elders speelt. De wereld is echt heel klein geworden en men weet dat alles wat er gebeurt op de planeet, of het nu ver weg is of hier, ons alleen aangaat. Niet iedereen heeft een directe rol en verantwoordelijkheid, maar de solidariteit die we vooral proeven onder mensen, onder jongeren, en de samenhang die zij ervaren met kwetsbare groepen, vooral in ontwikkelingslanden, is bijzonder groot. Dat zie je niet alleen als er een ramp plaatsvindt. Je ziet het ook aan het crowdsourcing. Je ziet het op heel veel manieren, vooral in de sociale media en gebruikmakend van moderne technologie. De heer Kuzu refereerde hier ook aan. Ik ben wat dat betreft heel hoopvol dat juist ook de Nederlandse jongeren zich inzetten voor een duurzame wereld en dat ze dus die veranderingsstap willen zetten en de verantwoordelijkheid willen nemen om vandaag bij te dragen aan een andere wereld, in Nederland en elders. We doen dit natuurlijk ook in samenwerking, onder andere door het Nuffic-programma, het Orange Knowledge Programme, voor samenwerking op onderwijsniveau.

Het gaat er natuurlijk ook om dat wij inzichtelijk kunnen blijven maken, via de bronnen en de kanalen die we als overheid hebben, welke resultaten worden bereikt. Dat was ook een punt dat mevrouw Van Weerdenburg maakte: transparantie. Wat zijn de bronnen, waar is de informatie en waar kan ik het vergelijken? Ik heb in een AO al benoemd dat het niet alleen in het Engels wordt gepubliceerd — dat is vaak voor partners — maar ook in het Nederlands voor de burger. Die toezegging kan mevrouw Van Weerdenburg zich herinneren. Die heb ik gedaan en bevestigd tijdens een recent AO.

Wat gaat er gebeuren? Dit hebben we al eerder besproken. Per 2019 komt er één portaal waar alle informatie te vinden is, over het beleid, de doelstellingen en nieuws dat er is. Er is een resultatenrapportage op geaggregeerd niveau. Het is de bedoeling om per 2020 — dat is natuurlijk veelomvattend, het is een hele klus voor ons geweest — actuele programmaspecifieke informatie, inclusief behaalde resultaten, financieringsstromen, en-en-en, op basis van open data te publiceren. Dit voldoet meer dan voldoende aan de eisen die worden gesteld onder het IATI-initiatief.

Moet er meer gebeuren? Moeten we nog anders communiceren? Eens, maar ik zie dit ook als een gezamenlijke opdracht. Ik heb er een, maar het is ook fijn als iedereen die ideeën heeft die deelt. Ook juist vanuit het maatschappelijk middenveld, maar niet alleen. Want het gaat inderdaad niet om een OS-bubbel of een internationale bubbel. Het gaat erom dat we allemaal spreken over dezelfde dingen en daar een dialoog over voeren en vragen over stellen.

Dan ga ik door naar het volgende kopje, namelijk klimaat, water en voedselzekerheid.

De voorzitter:

Er is op het vorige blokje toch nog een vraag van mevrouw Van Weerdenburg.

Mevrouw Van Weerdenburg (PVV):

Nog even een vraagje over het maatschappelijk middenveld. De minister sprak over de verbindende rol van dat maatschappelijk middenveld. In dat licht verbaast het mij een beetje dat ik op de onvolprezen website OpenaidNL onder kopje "civil society" kon vinden dat er ook behoorlijk wat geld is gegaan en nog steeds gaat naar het Open Society Institute van het Soros Foundations Network. U had het net over de verbindende rol, maar de heer George Soros financiert ook in Nederland allerlei clubjes en organisaties die allesbehalve een verbindende rol spelen in Nederland. Een kleine bloemlezing: pro-islamitische projecten, clubjes die onderzoek doen naar islamofobie en hoe populisme te bestrijden en heel recent nog de anti-Zwarte Pietbeweging.

De voorzitter:

En uw vraag?

Mevrouw Van Weerdenburg (PVV):

Mijn vraag is waarom wij die linkse hobby's van een miljardair sponsoren.

Minister Kaag:

Er wordt heel veel gezegd en ik denk dat ik van heel veel afstand neem, zoals van het "linkse hobby's van een miljardair". Ik wil ook helemaal niet meegaan in het risico van framing van de heer Soros, die toch echt heel gerenommeerd is en heel bekend. Ik ken de projecten niet. Dat moet ik dan opzoeken. Ik weet even niet wat die projecten zijn. Maar linkse hobby's van een miljardair? De heer Soros heeft heel veel belangrijk werk geleverd. De aantijgingen die door sommigen — niet in dit parlement, maar elders internationaal — recentelijk tegen hem zijn geuit, vind ik zorgelijk. Ik denk dus dat het niet in deze discussie thuishoort. Informatie over dat project delen we uiteraard graag. Daar kom ik in tweede termijn op terug.

De voorzitter:

Een extra vraag van mevrouw Van Weerdenburg.

Mevrouw Van Weerdenburg (PVV):

Ja, een extra vraag. Laten we dan over de activiteiten zeggen: let's agree to disagree. Dat neemt niet weg dat de heer Soros miljardair is en zelf meer dan genoeg geld heeft om dit soort projecten te funden. Ik begrijp niet — misschien kan de minister daar nog even op ingaan — waarom de toch wel schaarse middelen die we aan ontwikkelingshulp uitgeven juist naar dit soort niet bepaald armlastige miljardairs gaan.

Minister Kaag:

De Open Society is opgericht door George Soros zelf met zijn eigen geld. Dat is a. En dan b. Ik ken het project niet, ik ken het tijdpad niet en ik weet niet of het in 2010 of 2012 is geweest. Ik laat het even navragen en kom er in tweede termijn op terug, mits ik het relevant acht.

De voorzitter:

Dank u wel. U bent toegekomen aan het volgende blokje, over klimaat, water en voedselzekerheid.

Minister Kaag:

Ja. Er is een aantal vragen gesteld over het klimaatfonds. Er is ook een Engelse titel voor, het Nederlands fonds voor klimaat en ontwikkeling. De Kamer heeft er een brief over ontvangen. Het CDA vraagt om zeker te stellen dat het klimaatfonds de Nederlandse expertise ook kan gebruiken en natuurlijk ook een koppeling kan leggen naar ons bedrijfsleven. Dit kan zeker. Als de kennis en kunde van het Nederlandse bedrijfsleven op klimaatgebied zo goed blijft als ze al zijn, dan is er denk ik zeker een aanbod en gewoon een heel professionele koppeling. Het Nederlands bedrijfsleven is op dit vlak gerenommeerd en in de meeste gevallen winnen Nederlandse bedrijven alle tenders. Maar we gaan wel altijd kijken naar de beste aanbieders, want het doel van het fonds is om de impact van klimaatverandering in ontwikkelingslanden tegen te gaan. Het is geen direct de export bevorderend middel. Maar ik ga ervan uit dat Nederlandse bedrijven, vanwege de expertise die ze hebben, per definitie al heel goed zijn voorgesorteerd. En ik denk dus ook dat Nederlandse bedrijven een bijdrage kunnen en willen leveren. Dat merk ik ook bij de vele missies die ik uitvoer.

Ik denk ook dat ik hier de heer Van Haga gerust mee kan stellen. Hij vroeg of de middelen uit het fonds ook beschikbaar zijn voor het Nederlands bedrijfsleven. Ja, maar Nederlandse bedrijven moeten zich inschrijven. En er wordt geselecteerd op het beste aanbod. Verder is het OS-financieringsinstrumentarium natuurlijk heel goed bekend bij het merendeel van de Nederlandse bedrijven. Zij doen daar ook zaken mee en gaan daarmee zogezegd "de boer op", om hun marktaandeel te kunnen vergroten en een bijdrage te leveren die relevant is voor ontwikkeling.

Dit fonds is óók toegankelijk voor maatschappelijke organisaties. Die kunnen meedingen. Dat is een antwoord op een vraag van mevrouw Diks. Er is ook gevraagd naar het beheer van de subsidie van het klimaatfonds. Er wordt voor gekozen om via een openbare aanbesteding de meest geschikte partij te kiezen. Dat kan één partij zijn, één partner, of een consortium. Dus er wordt één beheerder gekozen. Een organisatie of een consortium van organisaties schrijft zich in. Er wordt een keuze gemaakt voor de beheerder. En de beheerder gaat dan kijken hoe de programma's worden uitgezet. Een groot aantal organisaties kan daar dan nog weer programmafinanciering aan ontlenen.

Mevrouw Diks (GroenLinks):

Ik was eigenlijk wel een klein beetje verbaasd. Volgens mij is er door dit kabinet echt sterk ingezet op het inrichten of het vergroten van het klimaatfonds. Bij de totstandkoming van het regeerakkoord is erover gesproken en nu hebben we er een paar dagen geleden een brief over gekregen. Misschien heb ik iets gemist. Dat zou kunnen hoor, want we zijn hier ook allemaal heel druk. Maar in de tussentijd heb ik volgens mij van u niks gekregen waarin wordt aangeduid wat u met het klimaatfonds van plan bent. Wij hebben geen input kunnen leveren. Dat betreur ik eigenlijk wel, eerlijk gezegd. We hebben vanochtend in de procedurevergadering gezegd dat we nog een AO willen houden over dit fonds en de inrichting ervan. Mijn vraag is hoeveel vrije ruimte er nu nog is voor deze Kamer om bij te sturen op wat we met dit fonds zouden willen. Want de uitgangspunten hebben we volgens mij nog helemaal niet met elkaar kunnen delen.

Minister Kaag:

Nou, ik denk dat de uitgangspunten in het regeerakkoord en in de brief genoemd staan. De doelstellingen zijn helder. En het is ook aan het kabinet om daarover te besluiten. Ik ga daar graag over in gesprek, maar er is natuurlijk ook een rol voor het kabinet. Ik ga altijd graag in gesprek met de Kamer, maar het is de keuze van het kabinet om invulling te geven aan de doelstellingen die wij hebben gesteld.

Mevrouw Diks (GroenLinks):

Ja, dat is natuurlijk tot op zekere hoogte waar, zou ik bijna zeggen. Maar ik noem bijvoorbeeld het getalletje 160 miljoen in een aantal jaren. Daarbij komt het budgetrecht van de Kamer volgens mij ook nog wel even om de hoek kijken. Maar we komen hier natuurlijk hopelijk nog nader over te spreken.

Ik heb nog een andere vraag. U geeft in uw "tot slot" in de brief aan ...

De voorzitter:

Dat doet de minister, mevrouw Diks.

Mevrouw Diks (GroenLinks):

O pardon, ja. De minister geeft in haar "tot slot" in de brief aan dat in het bijzonder wordt gewerkt aan SDG 13, klimaatactie. Ik had u bij de vorige begrotingsbehandeling al gevraagd wat u gaat doen aan acties om mondiale ecosystemen te beheren. Ook in mijn eerste termijn van dit debat ben ik daarop teruggekomen. Daarbij gaat het vooral om SDG 14 en SDG 15. Worden die daarin meegenomen? Het wordt expliciet niet genoemd, en daarom maak ik me daarover weer bezorgd. Dus kunt u daar nog wat over zeggen?

De voorzitter:

De minister gaat daar wat over zeggen.

Minister Kaag:

D66 en GroenLinks vestigden inderdaad de aandacht op het tegengaan van ontbossing, op ecosystemen, op het bevorderen van hernieuwbare energie in lagelonenlanden. Dat zijn kernpunten in ons klimaatbeleid, dat kan ik bevestigen, en ook in het nieuwe klimaatfonds. Wij stimuleren natuurlijk ook duurzame ontbossingsvrije handelsketens, in zowel producentenlanden als consumentenlanden. Het was eigenlijk niet Frankrijk dat met een initiatief kwam. Nederland was initiatiefnemer van de Amsterdamverklaringen, samen met Frankrijk en andere Europese landen — Denemarken, Duitsland, Italië, Noorwegen en het Verenigd Koninkrijk — om ontbossing te stoppen en een ambitieuzer EU-beleid te bevorderen. Ik vond het interessant dat de Fransen nog meer geluid maakten over het uitbannen van ontbossing veroorzaakt door agrarische handelsketens per 2030, maar wij zijn er al mee bezig. Ik ga graag in gesprek met mijn Franse collega, ook in EU-verband, over de vraag hoe we het niveau nog omhoog kunnen trekken. Maar het is niet iets nieuws. Er is gewoon meer en pleurs omheen van de zijde van Frankrijk.

De heer Bouali (D66):

Dank voor de toelichting van de minister bij het klimaatkopje. Ik heb de afgelopen tijd inderdaad veel aandacht gevraagd voor de ontbossing in het Amazonewoud. De vraag die ik gisteren stelde ging over het initiatief om te komen tot een boycot van producten die ontbossing veroorzaken. Hoe kijkt de minister daartegen aan?

Minister Kaag:

Wij zetten bij internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen altijd in op verduurzaming, op dit moment op vrijwillige basis. Een boycot heeft een heel ander juridisch kader. Ik denk dat je dan aan de vooravond zelf ook veel meer werk moet verrichten. Ik denk dat we nu moeten kijken hoe het klimaatfonds gaat uitpakken, wat we kunnen doen in EU-verband en hoe we samen de normen omhoog kunnen trekken, zodat we een boycot kunnen mijden. Dit soort instrumenten moeten misschien boven de markt hangen, maar we weten ook dat landen als Indonesië en Maleisië zich nu al zorgen maken over de geluiden die ze horen uit het Europees Parlement over de verduurzaming van palmolie en dat ze willen gaan tegenstribbelen en tegenwerken. Dus het gaat ook even om de beste weg waarlangs we het gewenste resultaat kunnen bereiken.

De voorzitter:

En nog een vraag van de heer Voordewind.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Nog even terug naar het versterken van het maatschappelijk middenveld. Daar is Samenspraak en Tegenspraak een belangrijk middel voor; 200 tot 215 miljoen, zeg ik uit mijn hoofd. Ik heb begrepen dat dit ook gereviewd wordt dit jaar. Het zou in 2018 gebeuren. We zijn bijna uit dit jaar. Wanneer verwacht de minister dat dit is afgerond? Het vervolg is midterm. De uiteindelijke evaluatie zal in 2020 plaatsvinden. Hoe kijkt zij nu tegen het partnerschap aan? Heeft ze een positieve instelling als het gaat om het vervolg?

De voorzitter:

De evaluatie en de tussenevaluatie.

Minister Kaag:

Ik denk dat het altijd belangrijk is om eerst even de evaluatie af te wachten. Ik moet er in tweede termijn even op terugkomen wanneer we die krijgen. Dan lezen we die. Op dit moment zijn de ervaringen positief als ik afga op de berichten van de posten. Het zijn verschillende manieren om met lokale partners te kunnen werken. Wij zijn niet bang om onze eigen kritiek te organiseren, net zoals dat ook in Nederland gebeurt door deze organisatie. We zijn er niet bang voor, we denken dat het gezond en helder is. We hebben dus een positieve grondhouding. Het maatschappelijk middenveld hier en elders is ontzettend belangrijk, juist ook vanwege alle kritiek en de aanvallen op en aantijgingen tegen dit soort organisaties.

De voorzitter:

Een volgende vraag van de heer Voordewind.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

U zet weer een streepje, voorzitter.

De voorzitter:

Ja.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

U bent er druk mee, zie ik.

Voorzitter, een afrondende vraag. De minister zegt dat we een review krijgen. Is de minister bereid de Kamer over de uitkomsten daarvan te informeren, zodat de Kamer ook kennis kan nemen van die review?

Minister Kaag:

Ik check even wat onze gebruikelijke procedure is, hoe we dit soort informatie delen. Als het een IOB-evaluatie is, krijgt de Kamer die sowieso, met een appreciatie van het kabinet. Het is een belangrijk thema. Ik wil even de vorm zoeken en dan zal ik die in tweede termijn bevestigen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Ik voer deze discussie over ontbossing voor soja en palmolie nu al een paar jaar, zowel binnen de commissie Landbouw als binnen de commissie Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. Ik begrijp iets niet. Als er ergens veel verzet is, is het wel binnen de Landbouwcommissie, maar daar is nu erkend dat het beter is als we niet meer afhankelijk zijn van de import van soja. Het gaat misschien nog wel even duren, maar de erkenning is er dat het niet zo goed is om soja uit Latijns-Amerika helemaal hierheen te slepen. Waarom is het ministerie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking nu zo halsstarrig als dezelfde discussie speelt op het gebied van palmolie? Waarom kunnen we niet gewoon erkennen dat het beter is als we het zonder palmolie doen of in elk geval met een stuk minder? Want ik vraag aan de minister of zij het kan uitsluiten dat er ontbossing plaatsvindt voor de zogenaamde duurzame palmolie die we importeren en zij kan dat niet garanderen.

Minister Kaag:

Nee, maar ik ben natuurlijk geen lid van de andere commissie. Ik kan de gesprekken daar niet in detail volgen, dus ik wil geen vergelijking maken met iets waarvan ik niet echt kennis heb genomen. Dat is één. Dan het tweede: nee, ik garandeer helemaal niets in dit leven. Ik garandeer ook niet dat ik morgen nog veilig thuiskom. Maar in dat brede beleidskader zetten wij in op verduurzaming op vrijwillige basis. Daarom hebben we de convenanten. Daarom zetten we in op bepaalde ketens. Daarom zetten we in op internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen. Wil ik dat versnellen? Ja. Ben ik geïnteresseerd in de effectiviteit en de beperkingen van het imvo en de convenanten, om te weten wat er niet goed gaat, hoe dat veranderd kan worden en wat dan de maatregelen zijn? Dat ben ik ook. Maar dit is een veel breder ontwikkelingsthema. Ik ben me bewust — mevrouw Ouwehand weet dat veel beter — van alle gevolgen en mogelijke risico's en gevaren van ontbossing. Ik herken ook wat mevrouw Ouwehand daarover zegt: als we serieus willen zijn wat betreft klimaatactie, -adaptatie en -mitigatie, dan moeten we nog veel ambitieuzer zijn op mondiaal niveau, ook gelet op de Parijsakkoorden. Maar ik kan het niet een-op-een zo vergelijken en als mij wordt gevraagd "kunt u dat garanderen?" of "kunnen we zonder, ja of nee?", dan kan ik dat ook niet zo stellen. Ik heb daarvoor niet voldoende inzicht in de Nederlandse markt. Wij zetten in op verduurzaming.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Met respect voor de minister, maar die discussie voeren we al vijftien jaar. Verduurzaming is het toverwoord. Het gebeurt niet zo heel gauw dat de Partij voor de Dieren het bedrijfsleven aanhaalt om hier een punt te maken, maar AEGON, een kleine investeerder in palmolie, zegt toch heel duidelijk: we stoppen ermee, want die RSPO, dat verduurzamingstraject, doet te weinig tegen mensenrechtenschendingen en is niet streng genoeg tegen ontbossing. Als de Partij voor de Dieren op duurzaamheid wordt ingehaald door het bedrijfsleven, dan is er iets aan de hand misschien. Dus waarom is het zo moeilijk om te erkennen dat het ook beter is om de import van palmolie af te bouwen, zoals we voor soja uit Latijns-Amerika inmiddels wel doen? Zo moeilijk en zo veel gevraagd is dat volgens mij niet. Waarom wil de minister daar niet aan?

Minister Kaag:

Ik hoor de vraag niet. Ik hoor de suggestie dat ik de import moet afbouwen. Ik weet niet of er een verbod moet zijn. Ik weet niet of er een vergunning moet zijn. Ik weet niet of het om mijn persoonlijke mening gaat. Ik weet niet precies wat het verzoek aan mij is vanuit mijn capaciteit als minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Voorzitter, hier ga ik geen interruptie meer aan wijden.

Minister Kaag:

Dat is spijtig, maar ik heb de vraag niet gehoord. Ik hoor een suggestie, maar die is niet specifiek genoeg om mee te handelen vanuit mijn capaciteit.

Ik kijk even of ik dit kopje heb afgerond. Dat is het geval.

Voorzitter, ik ga door naar het kopje ondersteuning van het bedrijfsleven en de bredere handelsagenda. Ik zal versnellen en dan ben ik hopelijk snel genoeg klaar. Ik zal kijken wat er nog niet is benoemd. Ik wil nog één keer benadrukken — dat is misschien ook in het kader van een aantal vragen over de proactieve handelsagenda — dat het wat ons betreft nog steeds duidelijk een handelsagenda en geen ontwikkelingssamenwerkingsagenda is, maar dat er soms aanknopingspunten zijn die bedrijven zelf ook zien. Het is interessant dat de SDG's, de duurzame ontwikkelingsdoelen, op dit moment zelfs groot aan de buitenkant van het kantoor van VNO-NCW prijken. Het bedrijfsleven is dus overtuigd dat er ook een groeimarkt is, dat de SDG's belangrijk zijn, maar dat het ook nog een markt kan creëren van 12 miljard dollar. Zie ook het rapport Better Business, Better World.

Nederlandse bedrijven zijn koploper. Ze zijn bereid om die extra stap op verduurzaming te zetten om bij te dragen aan maatschappelijke uitdagingen in het buitenland. Ze zetten dus een stap richting een toekomstbestendig verdienmodel. Het voorbeeld van AEGON is hier misschien ook relevant. Het blijkt dat veel Nederlandse bedrijven echt koploper willen zijn. Daarom denken wij dat ze een waardevolle rol spelen. Ze kunnen ook aanhaken bij financieringsinstrumenten zoals het Dutch Good Growth Fund — zo heet dat nu eenmaal —- en SDGP, en natuurlijk ook bij hun kennis en expertise.

Het kopje internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen is een benoeming van een aantal punten die gisteren zijn gemaakt over de handelsagenda. Daarmee ga ik door naar het negende blokje: imvo-beleid en coherentie.

De voorzitter:

Er is nog een vraag over het vorige blokje.

Mevrouw Diks (GroenLinks):

Soms gaat het ineens heel vlug. Ik had gisteren wat vragen gesteld over de inzet op mensen die in diaspora leven. Hoe kunnen we hen meer betrekken bij het bevorderen van Nederlandse handel, of handel over en weer? In de schriftelijke beantwoording heb ik er een en ander op teruggekregen. Laat ik zeggen dat een aantal partijen die met diaspora bezig zijn, zich in de beantwoording niet direct herkenden, en dat is de meest vriendelijke variant die ik hiervoor heb. Is de minister bereid om een brief te sturen aan de Kamer over hoe mensen en organisaties in diaspora hierbij worden betrokken?

Minister Kaag:

De diaspora in Nederland of Nederlandse diaspora in de landen?

Mevrouw Diks (GroenLinks):

Dit gaat niet af van mijn spreektijd?

De voorzitter:

Nee, nee, voelt u zich vrij.

Mevrouw Diks (GroenLinks):

Het gaat mij om mensen in diaspora die in Nederland actief zijn en die relaties willen onderhouden met hun land van herkomst. Ik denk dat het goed zou zijn om te kijken of we hen vanuit dit ministerie, maar ook vanuit het ministerie van Economische Zaken, veel meer kunnen ondersteunen. Dat is volgens mij ook heel goed voor de Nederlandse economie.

Minister Kaag:

Ik ben het eens met het belang van de diaspora. Het gaat vaak om mensen die kennis en expertise hebben en een goede brugfunctie kunnen vervullen. Het kan soms ook zelfs terugkeer bevorderen, maar het gaat uiteindelijk om de economische groei en andere banden. Ik wil er graag in tweede termijn op terugkomen, want ik wil even overleggen, ook omdat het een EZK-aspect heeft, om te kijken wat de beste manier is om hierop terug te komen. Het belang wordt onderkend. Het is spijtig dat groeperingen die niet bij naam worden genoemd, zich niet herkennen, maar de diaspora is nogal breed. Het gaat ook om de kanalen en de geëigende formules die daarvoor gevonden moeten worden.

De heer Amhaouch (CDA):

We komen nu bij een stukje handel. De minister gaf bij haar opening ook aan dat zij zich verantwoordelijk voelt voor het verdienmodel van Nederland en dat is heel goed, denk ik. In de schriftelijke beantwoording en in eerste termijn heb ik iets ingebracht over verzekeringen. We weten dat financiële dienstverlening heel belangrijk is op die continenten, met name in Afrika, zeker verzekeringen voor kleine ondernemers, bij ziekte en weersinvloeden. De minister schrijft dat het kabinet zal aansluiten bij het G7-initiatief voor een Global Risk Financing Facility. Kan de minister dit kort toelichten wat betreft de relatie met de verzekeringsbranche waar wij om vroegen?

Minister Kaag:

Daar kom ik in de tweede termijn op terug.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Voordat de minister doorgaat naar het volgende blokje; ik heb het in de schriftelijke beantwoording niet gezien, dus ik stel de vraag nog een keer over de kennis die we hebben over honger en klimaatverandering en wat we hier in het rijke Westen in elk geval moeten veranderen, willen we die problemen verminderen. De mensenrechtenrapporteur voor het recht op voedsel en het VN-Milieuprogramma zeggen dat we onze consumptie van vlees en zuivel drastisch moeten verminderen. Hoe gaat het op het ministerie van Buitenlandse Zaken? Is de minister bereid om daar de norm om te draaien, wat op het ministerie van OCW nu gebeurt? Als je plantaardig wilt eten, is dat het standaardaanbod en als je vlees of zuivel wilt, moet je er even om vragen, wat nu andersom is. Is de minister bereid om dat idee door te voeren in haar eigen activiteiten en op haar ministerie?

Minister Kaag:

Ja, dat is een interessante vraag. Ik heb erover nagedacht sinds die vraag van gisteren. Een praktisch obstakeltje is dat ik niet de minister van Buitenlandse Zaken ben, dus ik stuur niet het apparaat aan en ook niet het fameuze gebouw in de Rijnstraat. Dat delen wij met velen. Dat is één. Het tweede punt betreft uw vraag over officiële ontvangsten, lunches en diners. Aangezien ik ook minister voor Ontwikkelingssamenwerking ben, doen wij dat heel karig; met een broodje kaas en een kopje tomatensoep, meestal. Ik doe niet aan mooie ontvangsten. Dat vind ik ook niet passend in dit geval. Ik kan de toezegging doen dat ik in eerste instantie met collega Blok en met de secretaris-generaal ga kijken hoe wij een goed beeld kunnen uitstralen, maar uiteindelijk blijft het ook een individuele keuze. Dat is heel belangrijk. Ik kan u verzekeren dat mijn kinderen allemaal thuis geen vlees eten. Ik ben de enige.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Zo zien we maar weer.

Minister Kaag:

Ik krijg al genoeg hoofdpijn thuis.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Een voorbeeld nemen aan de kinderen. Altijd een goed idee. Dank.

Minister Kaag:

Het komt ergens vandaan.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Ja. Dank voor deze toezegging. Ik ben daar zeer blij mee. Ik kan de minister meegeven dat die keuzevrijheid gewoon blijft bestaan. Het is een idee van gedragseconome Henriëtte Prast, deze minister welbekend. Zij zegt dat je met een hele kleine aanpassing gewoon de standaard verandert. Nu zijn vegetariërs en veganisten ook vrij, maar dan moeten ze er even om vragen. Dat draai je om. Dus de vleeseter moet er voortaan om vragen. Maar de vrijheid blijft gewoon bestaan. Dank dat de minister met dit hoopvolle en hoopgevende idee aan de slag wil.

Minister Kaag:

Het is een intentieverklaring, meneer de voorzitter. Want het is beter niet mezelf ...

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Kunnen we een update krijgen van de gesprekken die met de heer Blok gevoerd gaan worden? Krijgen we anders een terugkoppeling?

Minister Kaag:

Dat zeg ik niet toe. Ik heb toegezegd dat ik het op zal nemen. Ik vind dit nu breder dan het kader van deze begrotingsbehandeling. U kunt op mij vertrouwen dat ik zal onderzoeken wat er mogelijk is in de vrije keuze van mensen.

De voorzitter:

Vervolgt u uw betoog.

Minister Kaag:

Ja. Anders moet ik de ambtenaren vragen een brief te schrijven over mijn eetpatroon.

Nummer negen: het beleid voor internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen. De heer Alkaya vroeg of ik een verantwoordelijkheid voelde voor het internationaal economisch systeem. Ik denk dat we elkaar kunnen vinden in de onderkenning van de enorme uitdaging — ongeacht hoe men daar politiek in zit — om brede welvaart, gedeelde welvaart, gelijkheid en duurzaamheid voor iedereen te creëren in een globaliserende en geglobaliseerde wereld. Ik voel daar wel een medeverantwoordelijkheid voor, en natuurlijk helemaal vanuit deze positie. Daarom heb ik ook gekozen voor de duurzame ontwikkelingsdoelen en daarom zetten wij een groot deel van ons beleid daarop in, evenals op humanitaire diplomatie en het altijd meenemen van de mensenrechtenagenda, vooral als het gaat om hele schrijnende situaties. Dat laten we dus niet los. Dat wordt niet weggezet. Maar ik heb hierbij misschien andere uitgangspunten dan de partij van de heer Alkaya.

Om de systeemverandering in te zetten die leidt tot duurzame ontwikkelingsdoelen moeten we inderdaad werken aan goede belastingverdragen, aan het tegengaan van belastingontwijking en aan het bestrijden van corruptie. Ook hier moeten we zoeken naar beleidscoherentie en een sterk en eerlijk internationaal handelssysteem. Ik kom hierbij toch weer terug op SDG 17. Het kabinet is natuurlijk voorstander van internationale handelsafspraken die duurzame ontwikkeling versnellen. Bilaterale handelsakkoorden waarin aandacht is voor de bescherming van werknemers, klimaatverandering en maatschappelijk verantwoord ondernemen zijn een stap.

Meneer de voorzitter. Meneer Alkaya vroeg in het bijzonder naar de maatschappelijke verantwoordelijkheid van multinationals. U weet wel wat het kabinet van bedrijven verwacht. Dat is het naleven van de OESO-richtlijnen en de UN Guiding Principles on Business and Human Rights. Onder andere via de convenanten wordt de naleving van deze richtlijnen en principes bevorderd. Al onze diplomatieke posten en iedereen die zich in dit kader inzet is zich ervan bewust dat internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen het kader is van waaruit zij bedrijven kunnen adviseren bij het zakendoen in het buitenland: over de rechtsstaat, de stand van de mensenrechten, bestuur, goed bestuur, sociale rechten en het milieu. Dat wordt continu in al onze contacten, boodschappen en verwachtingen richting diplomatieke posten uitgedragen. Economische diplomatie is dan ook imvo-diplomatie. En dat geldt ook voor onze activiteiten in Brazilië, waar Nederland zich actief inzet voor het tegengaan van ontbossing.

Ik wacht even, meneer de voorzitter.

De voorzitter:

Ja. Een vraag van mevrouw Van den Hul.

Mevrouw Van den Hul (PvdA):

Nummer vijf, als ik het goed heb bijgehouden.

De voorzitter:

Ja.

Mevrouw Van den Hul (PvdA):

De minister zegt dat economische diplomatie per definitie ook imvo-diplomatie is. En toch krijgen wij uit het veld ook wel signalen dat er op dit terrein juist vaak ook kennis ontbreekt. We zien dit kabinet fors investeren in die economische diplomatie. Maar als we zien dat bedrijven toch nog hulp kunnen gebruiken bij het beter vormgeven van die verantwoordelijkheid — ik zei het gister al: twee derde van de bedrijven geeft de OESO-richtlijnen nog geen handen en voeten — en als we tegelijkertijd zien dat die ruimte voor het maatschappelijk veld in veel landen krimpt, dan zien wij daar toch een rol voor onze posten. Die kunnen er namelijk voor zorgen dat die bedrijven en maatschappelijkmiddenveldpartijen elkaar kunnen versterken. En hoe we dat dan organiseren, is uiteraard aan de minister. Ik heb in mijn amendement een voorzet daartoe gedaan. Ik zou van de minister heel graag horen hoe zij dat zou invullen. Hoe ziet zij dat?

Minister Kaag:

Pardon, ik hoop dat ik het goed heb meegekregen.

Als het gaat om een betere voorbereiding en om een goede spiegel voor het bedrijfsleven en de missies — en wellicht om een spiegel mee te hebben terwijl ze op die missie zijn — vóór ze op pad gaan, dan zijn er daarvoor al momenten. Vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld kunnen altijd meegaan op een missie. Ik denk ook dat er betere briefings verzorgd kunnen worden, bijvoorbeeld door Amnesty, door het Tropeninstituut of door anderen, al naargelang de thema's. Bij de missie naar Colombia, die van premier Rutte, is bijvoorbeeld ook het CNV mee, juist vanuit het perspectief van arbeidsrechten. Dus ik denk dat er inderdaad nog meer gewerkt moet worden aan een evenredige vertegenwoordiging bij de voorbereiding én tijdens dit soort missies, maar uiteindelijk kunnen we niemand dwingen om mee te gaan op een missie. Maar we staan er geheel voor open.

De voorzitter:

Dan de laatste vraag van mevrouw Van den Hul.

Mevrouw Van den Hul (PvdA):

Ik ben blij te horen dat ook de minister nog ruimte ziet voor verbetering. Maar ik doelde niet zozeer op de missies, maar op de inzet van onze diplomatieke posten in het buitenland op dit terrein. Juist als we zien dat er een toolbox voor economische diplomatie wordt ontwikkeld, zouden wij heel graag zien dat er ook een toolbox voor imvo-diplomatie komt, juist om in dat gat te springen dat steeds groter wordt door dat krimpende maatschappelijk middenveld.

Minister Kaag:

Ik moet even nagaan wat er al bestaat. Ik heb namelijk sterk de indruk dat al die middelen er al zijn bij al het werk dat al wordt verricht rondom imvo vanuit het Directoraat-generaal Buitenlandse Economische Betrekkingen, dat samen optrekt met regiodirecties en ambassades. Dus ik wil dat gewoon even ambtelijk laten checken.

De voorzitter:

Dat kan. Dan de laatste vraag van mevrouw Diks.

Mevrouw Diks (GroenLinks):

Ja, ik dacht ook dat ik er nog één had!

Ik heb al meermaals mijn zorgen geuit over het handelen van de Nederlandse ambassades in het kader van imvo. De interruptie net met mevrouw Van den Hul ging daar eigenlijk ook voor een deel over. We hebben natuurlijk even een beetje gezocht naar hoe die ambassades eigenlijk geïnstrueerd worden. Dat hebben we even opgezocht, en ik heb hier de richtlijn. Het is in feite een A4'tje, maar thuis noem ik dit gewoon een half A4'tje. En als er zo'n dunne richtlijn is, begrijp ik wel dat veel ambassades een eigen invulling kiezen. En ik zeg het een beetje grappend, maar ik bedoel het eigenlijk best wel een beetje chagrijnig.

We hebben hier namelijk al meermaals het gesprek over gevoerd, bijvoorbeeld over hoe de Nederlandse ambassade in Brazilië zich opstelt. Daar mag u natuurlijk als minister een andere opvatting over hebben, maar het is in ieder geval duidelijk dat de Nederlandse ambassade daar bedrijven ondersteunt die dingen doen waarvan ik zeker weet dat de minister er niet vrolijk van wordt, en wij in ieder geval niet. Daar gebeuren echt nare dingen, die wij als Nederland in ieder geval niet tegenwerken. En ik begrijp dat, want in de richtlijn wordt alleen maar aangegeven wat er zou kúnnen. In de richtlijn wordt helemaal niet aangegeven wat er bij ambassades eigenlijk níét zou moeten kunnen. En ik zou willen vragen: bent u bereid om daar een iets uitgebreidere richtlijn voor te schrijven?

Minister Kaag:

Ik ken deze richtlijn niet, maar er wordt intern heel veel geïnstrueerd. Ik weet niet wat er beschikbaar is en hoe mevrouw Diks hieraan komt, maar ik neem aan dat het publiek beschikbaar was op de website van Buitenlandse Zaken. Als het gaat om beleid en om de rol van een post in een landensituatie, dan zijn daar hele specifieke instructies voor. Die worden afgestemd. Daar wordt over overlegd. Als het politiek gevoeliger is, dan wordt het door de ministers afgestemd.

Dus ik weet niet wat dit is, maar ik weet wel hoe de gemiddelde post werkt in het kader van een meerjarenstrategie en een landenstrategie. Die worden uitvoerig voorbereid. Dat is een maandenlang traject. Dat is het werkkader van een post op dat moment. En dan zijn er nog de hele specifieke kanalen, handvaten en materialen die worden ingezet. Dus ik kan hier weinig mee en ik ken het ook niet, maar ik weet wel wat er wél gebeurt. Dat is natuurlijk intern aan de overheid, achter de schermen, maar imvo staat heel centraal als het gaat om economische diplomatie. We hebben ook elke zes of twaalf maanden terugkomdagen van de economische attachés en van mensen die imvo-beleid moeten uitvoeren. Er zijn trainingsdagen. Er zijn ontzettend veel momenten in het jaar waarop dit wordt besproken en waarop ook de kaders en de uitdagingen worden besproken. Ik weet niet of je recht doet aan het vele harde werken, de inhoudelijke inzet, de voorbereiding en de ondersteuning van de posten door de mensen zelf door te verwijzen naar een half A4'tje, want dat is niet het kader waarbinnen de collega's, de staf van Buitenlandse Zaken, werken.

De heer Alkaya (SP):

De minister bevestigt nu ook weer dat bedrijven die op de een of andere manier gebruikmaken van hulp van de overheid, of ze nou subsidie krijgen of meegaan op handelsmissie, maatschappelijk verantwoord moeten ondernemen, dat ze zo'n verklaring moeten indienen. In de schriftelijke antwoorden op mijn vragen geeft de minister aan dat transparantie en het afleggen van verantwoording over wat ze precies doen en wat de risico's zijn, erbij horen. De Transparantiebenchmark — zo heet het nu eenmaal, helaas — is daar een belangrijk onderdeel van. Er zijn bedrijven waar al jaren aan gevraagd wordt om mee te doen en transparant te zijn over hun bedrijfsvoering, maar die niet meedoen, al jarenlang nul punten krijgen op zo'n benchmark en toch meegaan op handelsmissie. Het bedrijf ABB Industry is nu in Colombia, of is misschien net terug, maar dat bedrijf was mee op missie met de minister-president, terwijl het al jaren weigert om transparant te zijn over zijn bedrijfsvoering. Is dat dan ...

De voorzitter:

Wat is uw vraag hierover?

De heer Alkaya (SP):

Dat was midden in mijn vraag, voorzitter. Is dat dan maatschappelijk verantwoord ondernemen? Zou het niet zo moeten zijn dat bedrijven die weigeren om transparant te zijn, gewoon niet meer meegaan op handelsmissie?

Minister Kaag:

Ik weet niet of ik het zo hard kan stellen, maar ik kan me vinden in de intentie. We hebben in de begroting natuurlijk ook de nieuwe indicator opgenomen dat 90% van de bedrijven imvo of de OESO-richtlijnen heeft onderschreven. We gaan dit jaar natuurlijk van een nulmeting uit. Dan is het denk ik terecht, als je kritisch bent, om op te merken: we weten niet eens waar ze vandaan komen en de geboekte voortgang is nog te weinig. Ik denk dat er een versnelling moet komen — daar ben ik het mee eens — niet alleen om de geloofwaardigheid van het thema "vrijwilligheid" te kunnen versterken, maar ook omdat we moeten weten dat het merendeel van de bedrijven dit gewoon doet. Daar moet een soort verantwoording over worden afgelegd. Ik wil daar graag over in overleg. Ik ga niet zeggen: iedereen die dit niet ondertekent, doet het dus niet. Dat weten we niet. We moeten er nog veel meer aan trekken, zodat het merendeel van de bedrijven daar wel heel duidelijk over is. Het is wel zo dat met iedereen die op deze missie of welke economische missie dan ook meegaat of die aanspraak maakt op de instrumenten die we hebben, een gesprek wordt gevoerd. Dat weet u ook van de AO's. Er wordt gezegd: u moet a, b, c volgen. Als er een probleem is, wordt dat besproken. Er wordt altijd direct een vervolg aan gegeven. Ik wil graag onderzoeken hoe dat nog verder verbeterd kan worden, ook in het kader van de geloofwaardigheid van onze totale inzet. Dat herken ik.

De voorzitter:

Gaat u verder.

Minister Kaag:

Meneer de voorzitter, dan kom ik bij het laatste kopje of blokje: handelspolitiek. In de context van de nieuwe, gesloten handelsverdragen vroeg de heer Amhaouch om de mogelijkheden die verdragen bieden voor het bedrijfsleven beter uit te dragen. Dat is een veelvoorkomend thema. Vaak wordt de zorg uitgesproken dat veel van de kleinere bedrijven, het midden- en kleinbedrijf, hun weg niet kunnen vinden in de wirwar van informatie, omdat het nogal dichte stof is. De heer Amhaouch stelt ook dat voor het uitdragen en het mogelijk maken van kansen in het buitenland die gecreëerd worden door handelsverdragen, het postennet uitgebreid zou moeten worden met economische attachés. Ik ben natuurlijk blij te horen dat ook voor het CDA economische diplomatie een sleutelbegrip is — meneer Amhaouch draagt dat ook altijd heel actief uit — maar ik moet helaas wel weer verwijzen naar de brief van mijn collega Blok van 8 oktober. Ik kan helaas alleen maar zeggen dat de informatie niet is veranderd, dat de aantallen niet omhoog zijn gaan: er is op 35 plekken, posten, versterking aangebracht in de economische functie van het postennet.

Naar het inzicht van Buitenlandse Zaken is verdere versterking van het postennetwerk vooralsnog niet nodig. We kunnen natuurlijk wel kijken naar de mogelijkheden om voorlichting te geven over de voordelen van handelsakkoorden. Dat moet in Nederland al beginnen bij bedrijven. Dat vindt ook plaats, deels via posten, maar we doen dit in Nederland natuurlijk ook via de RVO, de Kamer van Koophandel en de Douane. Dat is natuurlijk een heel belangrijk beïnvloedings- en voorlichtingsmoment voor bedrijven om hun kansen te verbeteren.

Ik ben hier ook over in gesprek met de Europese Commissie in het kader van de handelsraden, omdat veel andere landen natuurlijk hetzelfde hebben. De eerste studie van de Europese Commissie naar het actieve gebruik van handelsakkoorden door bedrijven toont aan dat we met z'n allen nog een verbeteringsslag moeten maken.

De heer Amhaouch wees ook terecht op de risico's die er momenteel zijn in de wereldeconomie die impact kunnen hebben op de Nederlandse handelsagenda. De kansen en risico's die we vaak met elkaar bespreken in de handelsdiscussies, komen natuurlijk voort uit de internationale politieke en economische ontwikkelingen. We hebben het vaak over het protectionistische beleid van de VS, over het gerichte investeringsbeleid van China in Europa en over de impact van digitalisering op de markten. De heer Amhaouch vroeg of een analyse van deze risico's onderdeel kan uitmaken van de Voorjaarsnota. Ik moet stellen dat het kabinet continu de eigen analyse bijstelt en de risico's analyseert. Dat gebeurt via het Brede Netwerk en discussies. Ik noem ook de deelname van premier Rutte en minister Hoekstra aan de G20. Dat vindt u altijd terug bij de hoofdlijnen in de beleidsdocumenten, en daarom ook in de voorjaarsnota en de Kamerbrieven. Wij zien niet in dat er nog een additioneel element moet worden toegevoegd, want onze nota's zijn ook gebaseerd op de analyse die gemaakt is. Misschien bieden de AO's een kans om daar nog verder over te spreken.

Ik wil bevestigen dat de Kamer voor 15 mei 2019 van mijn collega Blok een kabinetsbrede China-strategie zal ontvangen. Ook ontwikkel ik een inclusieve en duurzame digitaliseringsstrategie. Die komt voor de zomer van 2019 ook naar uw Kamer.

Ik wil terugkomen op een vraag van het CDA over het economisch partnerschap tussen de EU en de Afrikaanse landen. Er zijn veel handelsverdragen met Afrikaanse landen van kracht. Ik noem de volledige EPA's met Zuid-Afrikaanse landen, de interim-EPA's met Centraal-Afrika, zuidelijk en oostelijk Afrika en Ghana en Ivoorkust. Ten aanzien van sommige Afrikaanse landen waar geen EPA van kracht is, genieten de meeste nog steeds de handelsvoordelen onder het algemeen preferentieel stelsel. Op die manier is de Europese markt substantieel verbonden met Afrikaanse landen. Dit is ook relevant als we kijken naar de onderhandelingen over post-Cotonou en de gehele inzet van de Europese Unie richting Afrika. Ik noem het EU-AU-partnerschap, als we kijken naar de aanpak van grondoorzaken maar ook naar de wijze waarop we economische integratie op een regionaal en continentaal niveau in Afrika kunnen helpen bevorderen.

De heer Amhaouch (CDA):

Dank in elk geval voor de antwoorden tot nu toe. De minister had het net tussen de regels door over de Chinastrategie. Daar hebben we het al vaker over gehad. Ook collega Van Helvert heeft daar vaker over gesproken. Ik heb gesproken over het economisch perspectief, ik heb gezegd: van Amsterdam tot Kaapstad. Hoe ziet de minister de ontwikkelingen op de iets langere termijn richting het Afrikaans continent, om echt ook het economische partnerschap naar boven te tillen? De Duitsers hebben een marshallplan dat al jaren op tafel ligt. Europa is nog zoekende. We hebben nieuw beleid ingezet, we hebben focusregio's aangewezen. Voelt de minister er iets voor om gedurende het komende jaar ook na te denken over een Afrikastrategie, over de vraag hoe we met de inzet van Nederlandse kennis en expertise het welvaartsniveau in Afrika omhoog kunnen krijgen?

Minister Kaag:

Ik moet daar even over nadenken. We hebben natuurlijk een aantal focusregio's op het Afrikaanse continent. Ik herken helemaal de taal van een marshallplan voor Afrika. Juncker heeft het daar onlangs ook over gehad. We hebben een aantal grote thema's, verwantschappen en instrumenten EU-Afrika. Ik denk sowieso dat we het niet vanuit Nederland alleen moeten doen, maar dat we het met een aantal Europese landen en het liefst in EU-verband moeten doen. Ik wil er graag even in tweede termijn op terugkomen, want ik weet niet of het iets toevoegt. Ik ben het er wel mee eens dat we heel specifiek naar Afrika moeten kijken, vanwege de bevolkingsgroei, vanwege de gevolgen van klimaatactie. Als we echt werk willen maken van investeren in perspectief, zullen we daadwerkelijk in Afrika heel veel kilometers moeten gaan maken. Ik herken dus de ambitie, maar ik wil onderstrepen dat het al terugkomt in de focusregio's, in de landenstrategieën en in wat we verder gaan doen met de EU, ook in de post-Contonou-onderhandelingen. Maar ik wil graag nog een moment van reflectie nemen in de tweede termijn.

Mevrouw Karabulut (SP):

Dat zal ik de minister ook zeker gunnen. Ik zal op dit punt ook een motie indienen, maar dat komt later. Ik wil het in dit verband wel hebben over de ongelijkheid. De werelddoelstelling om de ongelijkheid te bestrijden heb ik dan weer geadopteerd. Ik maak dus ook een beetje reclame voor dit punt. Dat is SDG 10. Inmiddels — dat weet de minister — bezitten de 42 rijkste mensen evenveel als de armste 3,7 miljard. Belastingontwijking- en ontduiking is een groot probleem, met name ook in Afrika. Ik heb daar in mijn eerste termijn ook over gesproken. We weten dat de bijdrage die door Nederland aan partnerlanden werd gegeven, de ODA-bijdrage, in 2013 4,3% was. Maar wat eruit ging door belastingontwijking- en ontduiking was hoger, namelijk 4,7%. Is de minister bereid om inzicht te geven in de situatie van het afgelopen jaar en om daaraan gekoppeld oplossingen te bieden? Want dit is precies het raakvlak en die twee gezichten. We weten ook dat 80% van de 100 grootste bedrijven die belasting ontwijken, in Nederland zitten.

Minister Kaag:

Ik denk dat er heel veel speelt op het terrein van mijn collega Snel, staatssecretaris van Financiën. Hij werkt natuurlijk heel hard aan de belastingverdragen. Hij heeft ook een heel plan tegen belastingontwijking en voor sluiting van de brievenbusfirma's et cetera. Ik kom terug op dit punt in de tweede termijn, voor wat betreft ik er mogelijkerwijs aan zal bijdragen. Want wij doen aan corruptiebestrijding. Wij investeren in douanes. Via een VN-organisatie doen wij aan capaciteitsopbouw in veel landen, juist om belastingontduiking tegen te gaan. Maar dat is op nationaal en lokaal niveau in ontwikkelingslanden zelf.

Mevrouw Karabulut (SP):

Fijn dat de minister daarop terugkomt. Maar naar aanleiding van de eerste vraag kan de minister misschien nu al wel een toezegging doen. Ik vroeg namelijk: is zij bereid inzicht te geven in hoe de ODA-bijdragen aan partnerlanden, met name specifiek in Afrika, zich verhouden tot wat er uitgaat via belastingontwijking en -ontduiking? We weten dat er, onder andere door belastingontwijking, aan rijkdommen meer uit Afrika gaat dan er aan hulp naartoe gaat. Ik zou dit graag voor het Nederlandse gedeelte inzichtelijk willen hebben.

Minister Kaag:

Ik wil graag even nagaan of wij de competentie daarin hebben. In tweede termijn kom ik met een antwoord daarop.

Mevrouw Karabulut (SP):

Oké. Dan heb ik nog een laatste vraag, als u het mij toestaat, voorzitter.

De voorzitter:

Ja.

Mevrouw Karabulut (SP):

Die vraag gaat ook over mensenrechten en grote multinationals. Ik sprak over Shell en hoe ze op ongelofelijk wrede wijze tekeergaan in Nigeria. De minister schrijft in het schriftelijke antwoord dat het kabinet verwacht van bedrijven dat zij mensenrechten respecteren conform de VN-richtlijnen. Maar Shell doet dat in Nigeria op geen enkele wijze, niet met hun medewerkers, niet met de mensen wier grond ze vervuild hebben. Heeft de minister inzicht in de vraag of Shell conform een VN-rapport het bedrag in dat fonds heeft gestort om het gebied op te ruimen en slachtoffers te compenseren. Als de minister dat niet heeft, is zij dan bereid om dat inzicht te verkrijgen, die informatie met ons te delen en vooral ook de rol te pakken die de Nederlandse regering kan hebben in dezen, zodat deze enorme zaak jaren later eindelijk een klein beetje opgelost kan worden?

Minister Kaag:

Ik kan inzicht daarin verwerven. Ik zal daarover terugkoppelen aan de Kamer.

Meneer de voorzitter. Dan ben ik bij een van de twee laatste punten. De heer Haga noemde het belang van gelijke standaarden voor bedrijven voor een gelijk speelveld in de Europese Unie. Ik denk dat we dat allemaal heel belangrijk vinden. Het kabinet streeft altijd naar het gelijktrekken van normen met het oog op het wegnemen van onnodige barrières voor bedrijven. Dat is natuurlijk ook de achtergrond van het realiseren van de Europese interne markt. Dat is een continu streven.

Dan het laatste punt. Mevrouw Ouwehand — ik denk dat dit geldt voor de hele Kamer — is gehecht aan het klimaatakkoord van Parijs. Het kabinet is daar natuurlijk ook aan gehecht. Mevrouw Ouwehand stelde voor dat er geen handelsakkoorden meer worden afgesloten met landen die de afspraken uit het Parijsakkoord niet meer naleven. Zij noemde in dit geval Brazilië, ook in de context van de Mercosur-onderhandelingen, waar een optie ligt voor de Europese Unie. Zij vroeg ook naar de onderhandelingen met Australië. Het is geen verrassing dat ik stel dat de EU steeds aandringt om internationale duurzaamheidsafspraken te maken, inclusief natuurlijk ondersteuning bij de naleving op nationaal niveau van het Parijsakkoord, en deze op te nemen in handelsverdragen. Vaak kan dat succesvol zijn, zoals ook naar verwachting in het verdrag met Australië, maar goed, Australië is een OESO-land. Soms leidt dat niet tot direct resultaat. Over Brazilië durf ik nog geen uitspraken te doen. In de laatste handelsraad heb ik mijn zorgen uitgesproken, en vele collega's met mij, over de stand van zaken in Brazilië en wat die zal betekenen voor Mercosur. Wij durven er verder nog geen harde uitspraken aan te verbinden. We moeten kijken hoe de situatie zich verder ontwikkelt. Mercosur is ook al een heel lang onderhandelingsproces. Dit is de categorie "watching brief" en ik kom erop terug na de volgende handelsraad.

De heer Van Haga (VVD):

Ik kom even terug op die standaarden. Wij zijn het er allemaal over eens dat we binnen Europa bij voorkeur dezelfde standaarden hebben. Mijn vervolgvraag was, via de voorzitter natuurlijk: bent u het met de VVD eens dat het misschien beter is om in het midden te eindigen als die standaarden verschillen, dan dat we onze eigen standaarden blijven hanteren en daardoor soms achter het net vissen?

Minister Kaag:

De bedoeling van de Europese interne markt is dat we allemaal de gelijke standaard hebben. Het hangt ervan af wat de hoogte van de standaard is. Ik weet niet in welke context de heer Van Haga het heeft over een standaard en wiens standaard in welke situatie.

De heer Van Haga (VVD):

Ik kan me voorstellen dat het vervelend is dat we een defensieorder afwijzen omdat we een hoge morele lat hanteren, en vervolgens een ander Europees land daarmee wél aan de haal zien gaan. Laten we proberen in onderling overleg in Europa te kijken of we iedereen naar onze eigen standaard kunnen optrekken, dat zou natuurlijk het mooist zijn. Maar mijn vraag was of u bereid bent om eventueel liever te kiezen voor een geharmoniseerd geheel dan voor onze eigen hoge standaard.

De voorzitter:

Is de minister daartoe bereid?

Minister Kaag:

Dat weet ik niet. Ik heb net onder Jemen bevestigt dat collega Blok en ik de standaard omhoog trekken, conform de motie die is aangenomen, ook in de geest van de motie van de heer Sjoerdsma. Ik denk dat we het hebben over normen en waarden en dat is wat anders dan standaarden. Standaarden zijn technisch. In het kader van wapenexport is het regime en zijn de procedures die worden gevolgd heel strikt en van toepassing op iedereen. Dan heb je ook nog voor dual use elementen die vallen onder het Wassenaararrangement. Daarbij is het altijd zo dat door Nederland juist wordt gekeken wat de anderen doen, want iedereen wil wat dat betreft het gelijke speelveld bewaren. Dan is de vraag of je inderdaad niet een inzet moet plegen om ervoor te zorgen dat iedereen omhoog komt. Daar is het al zo dat iedereen hetzelfde besluitvormingsproces hanteert, als de heer Van Haga dat bedoelt.

De voorzitter:

Meneer Stoffer heeft nog een vraag.

De heer Stoffer (SGP):

Ik dacht dat er ergens nog iets over mensen met een beperking zou komen, maar dat paste toch niet onder een kopje is gebleken. We doen het nu gewoon onder het kopje overige. Dat mag vast. Ik heb een vraag gesteld over speciale criteria bij subsidiekaders voor mensen met een beperking. Ik heb op zich een mooi antwoord gekregen, waar ik blij mee ben, namelijk dat in het kader van inclusiviteit deze mensen echt nadrukkelijk aan bod komen. Er worden ook hele goede organisaties genoemd die erbij betrokken worden. Ik zit te zoeken naar wat dan straks het resultaat is. Wat ga je straks merken als je bijvoorbeeld met een beperking in Afrika leeft? Het is misschien een hele praktische vraag, maar ik zit daar een beetje mee.

Minister Kaag:

Dat begrijp ik goed. Excuses aan de heer Stoffer, meneer de voorzitter, ik heb mijn schriftelijke beantwoording verward met mijn mondelinge beantwoording. Wij kijken altijd naar kwetsbaarheid en we steunen organisaties die dat doel nastreven. Dat kan een organisatie zijn die zich juist richt op mensen die leven met een beperking. Of een die het doet in het kader van scholing. Kinderen met een leerachterstand of leesbeperking worden dus ook meegenomen. Dat steunen we, maar het is altijd in het kader van een breder programma. Ik ben niet bekend met veel programma's, maar dat moet ik gewoon even checken. Daar kom ik in de tweede termijn als bevestiging op terug, met een opgave van het aantal partners dat wij steunen die zich exclusief richten op mensen die leven met een geestelijke of lichamelijke beperking.

U kunt ervan uitgaan dat wij juist voor kwetsbaarheid aandacht hebben en nog meer zullen hebben. En dit kan een vorm van kwetsbaarheid zijn, zeker in ontwikkelingslanden. Zo steunen we bijvoorbeeld via het Rode Kruis ook programma's die mensen helpen rehabiliteren die een prothese nodig hebben. Dat zijn mensen die slachtoffer zijn geworden van oorlogsgeweld en dus een ledemaat zijn kwijtgeraakt of blind zijn geworden. Van al dit soort programma's heb ik niet acuut alle details voorhanden, maar het zit heel erg op projectniveau. Ik ben wel bekend met een aantal voorbeelden en die delen we dan graag in groter detail.

De heer Stoffer (SGP):

Ik denk niet dat het lukt om dat in detail in tweede termijn te doen, dus wat mij betreft mag dat ook later. Ik ben gewoon erg benieuwd waar we dat doen, enzovoort. Dus dank voor het antwoord en ik zie ooit ... Nou, niet "ooit", maar ik zie binnen een bepaalde termijn dit graag op papier terug.

Minister Kaag:

Ik zal een korte beschrijving van een aantal programma's sturen, na een beetje beter onderzoek, dat wij zelf ook nog moeten doen. Dank.

De voorzitter:

Er is nog een vraag van de heer Voordewind. Dat is ook zijn laatste vraag.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Dank u wel, voorzitter. Aangezien wij toch aan het einde van het debat zijn, stel ik die ene vraag die ik nog tegoed heb. Er is wel iets over gezegd in de schriftelijke beantwoording, maar ik wil toch nog even terugkomen op de faith-based organisations. De minister zegt: daar gaan wij inderdaad meer aandacht aan besteden, ook in de leergang religie en diplomatie. Daar dank ik de minister voor. Mijn enige vraag op dit punt is nog of daar ook maatschappelijke organisaties en hun kennis en kunde bij betrokken worden. Of is dit puur een interne training? Want er is heel veel expertise op dat gebied. Dus als de minister zegt "nou, daar wil ik best gebruik van maken", dan zijn die organisaties bereid om hun input te geven.

Minister Kaag:

De hele leergang wordt gegeven door een externe organisatie. Voor beginnende diplomaten en kader wordt vaak gebruikgemaakt van Instituut Clingendael, dat vaak juist gebruikmaakt van andere externen, waaronder vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld. Het is natuurlijk een hele specifieke vorm van kennis en ervaring. Ik kan mij niet anders voorstellen dan dat inderdaad externe partnerorganisatie worden benaderd. Ik kan het in de tweede termijn nog kort bevestigen, maar ik zie de secretaris-generaal van het ministerie al knikken. Het valt ook onder de ambtelijke top. Ik durf dit dus te bevestigen, als mijn bijziendheid mij niet hindert.

Daarmee ben ik aan het einde van mijn betoog.

De voorzitter:

Dank u wel, minister. Wij gaan zo over naar de tweede termijn van de zijde van de Kamer, maar ik geef eerst gelegenheid om even de handen te wassen.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

De voorzitter:

We zijn aanbeland bij de tweede termijn van de zijde van de Kamer. De spreektijden staan in het schermpje. Ik geef als eerste het woord aan mevrouw Van Weerdenburg van de fractie van de PVV.

Mevrouw Van Weerdenburg (PVV):

Dank u wel, voorzitter. Ik dank de minister voor haar antwoorden, maar die hebben mij niet kunnen overtuigen van het nut en de noodzaak van ontwikkelingshulp. Vandaar de volgende motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat Nederlanders van oudsher zeer vrijgevig zijn en heel goed zelf kunnen beslissen of en, zo ja, aan welk liefdadigheidsdoel zij hun geld willen doneren;

verzoekt de regering om geen cent meer uit te geven aan ontwikkelingshulp,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Weerdenburg. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 28 (35000-XVII).

Mevrouw Van Weerdenburg (PVV):

Voorzitter. De minister zei in antwoord op mijn vraag over de subsidie aan het Open Society Institute vanuit Soros Foundations Network dat ze hierop terug zou komen in tweede termijn indien zij dat relevant acht. Die toevoeging van de minister stuit mij echt tegen de borst. Het gaat hier om een organisatie waar Nederlands belastinggeld naartoe gaat en ik zet vraagtekens bij de manier waarop die organisatie dat geld besteedt. Dat is hartstikke relevant. Ik vind dat relevant, want anders zou ik de vraag niet stellen. Ik hecht eraan dat de minister antwoord geeft. Als dat niet in tweede termijn kan, dan verzoek ik haar om dat schriftelijk te doen. Om dat verzoek kracht bij te zetten en om de minister te tonen hoe relevant de PVV dit punt vindt, de volgende motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er elk jaar subsidie gaat naar het Open Society Institute, onderdeel van het Soros Foundations Network;

overwegende dat de activiteiten die gefinancierd worden door organisaties aangesloten bij het Soros Foundations Network controversieel zijn en bij een aanzienlijk deel van de Nederlandse bevolking weerstand oproepen;

verzoekt de regering om geen nieuwe financiële verplichtingen meer aan te gaan met organisaties gelieerd aan het Soros Foundations Network en tevens te onderzoeken hoe de bestaande verplichtingen versneld afgebouwd kunnen worden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Weerdenburg. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 29 (35000-XVII).

Mevrouw Van Weerdenburg (PVV):

Voorzitter. Ik hoop dat die laatste motie op brede steun kan rekenen in deze Kamer, want elke partij in deze Kamer moet er toch tegen zijn om Nederlands belastinggeld te gebruiken om een activistische miljardair te sponsoren.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Van Weerdenburg. Dan ga ik naar de volgende spreker, dat is de heer Van Haga van de VVD.

De heer Van Haga (VVD):

Voorzitter. Allereerst dank aan de minister voor de beantwoording van de vragen. Zoals gebruikelijk zijn echt al mijn vragen beantwoord. Ik sta daar elke keer versteld van, maar het gebeurt toch. Ook dank aan alle ambtenaren die waarschijnlijk de hele nacht hebben doorgewerkt. Petje af daarvoor. Het was een leerzaam debat, ook voor mij moet ik zeggen, de afgelopen dagen zelfs. Bijna alle onderwerpen in de wereld zijn langsgekomen en we hebben met z'n allen geprobeerd om de wereld weer een beetje beter te maken, en misschien is dat nog wel gelukt ook.

Voorzitter. De VVD is ook blij dat het mondiale klimaat ter sprake is gekomen en het is goed dat wij bijvoorbeeld over palmolie nog eens een keer apart gaan spreken. De amendementen van de VVD over zonne-energie en indoor air pollution dragen hier ook aan bij en ik hoop dan ook straks op brede steun. Een WakaWaka-lampje of een ACE indoor cooking stove kost uiteindelijk helemaal niet zo veel en het heeft wel een enorme impact.

Daarnaast zijn wij nog medeondertekenaar van de volgende amendementen. Het amendement-Diks over vrouwenbesnijdenis, complimenten voor dit prachtige amendement. Het amendement-Kuik om tuberculose tegen te gaan, het zogenaamde teringamendement. Ik heb er hard om moeten lachen, maar het is een serieus onderwerp. Het amendement-Amhaouch voor de Smart Agri-Food Innovation Hubs en het amendement-Voordewind voor het Fonds Bestrijding Kinderarbeid. En tot slot het amendement-Voordewind ten behoeve van de Dutch Relief Alliance. Dat tekenen wij allemaal mee.

Voorzitter. Dan wil ik nog een aantal moties indienen. Ik dank de minister voor de toelichting over de focuslanden. Ik wist niet dat het over 68 landen ging, maar ik blijf bij mijn motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat in zowel het regeerakkoord als in de beleidsnota Investeren in Perspectief wordt gewezen op het belang van focus in de inzet;

constaterende dat de inzet nu is gericht op intensivering in de focusregio's Sahel, Hoorn van Afrika, Midden-Oosten en Noord-Afrika;

tevens constaterende dat het kabinet-Rutte II het aantal landen met een intensieve ontwikkelingsrelatie terugbracht van 33 naar 15, terwijl veel centrale OS-programma's voor onder meer privatesectorontwikkeling, partnerschappen met het maatschappelijk middenveld en SRGR bleven openstaan voor een veel groter aantal landen;

overwegende dat het beperken van het aantal landen waar Nederland bilateraal werkt op het gebied van ontwikkelingssamenwerking de Nederlandse inspanningen zichtbaarder en effectiever kan maken;

verzoekt de regering aan te geven hoe de bilaterale hulpinspanning over de volle breedte meer op de focusregio's kan worden gericht,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Haga. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 30 (35000-XVII).

De heer Van Haga (VVD):

Voorzitter. Het aandeel ODA-geld naar Nederlandse bedrijven is nog steeds erg klein. Wat ons betreft moet het groter worden. Daarom de volgende motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat Nederlands belastinggeld wordt besteed aan ontwikkelingshulp;

constaterende dat het aandeel van het bedrijfslevenkanaal in de totale ODA-bestedingen relatief klein is, zoals de Algemene Rekenkamer reeds eerder concludeerde, en het bedrijfsleven überhaupt een relatief kleine rol krijgt in de uitvoering van het Nederlandse OS-beleid;

overwegende dat het een goede zaak is om bij de inzet van ontwikkelingshulp Nederlandse expertise en Nederlandse bedrijven actiever te betrekken;

verzoekt de regering te bezien hoe het aandeel van het bedrijfslevenkanaal in de ODA-bestedingen kan worden vergroot,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Haga. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 31 (35000-XVII).

De heer Van Haga (VVD):

Voorzitter. Samen met collega Van Weerdenburg van de PVV dien ik de volgende motie in, die moet leiden tot meer transparantie en meer inzicht in hoe en waar ons geld wordt besteed.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat informatie over ontwikkelingssamenwerkingsprojecten, transacties, resultaten en impact op dit moment versnipperd, ondoorgrondelijk en voor een deel onzichtbaar is;

overwegende dat ontwikkelingen in het digitale domein het reeds mogelijk maken om projecten, projectinformatie, transacties, resultaten en impact aan elkaar te koppelen en te ontsluiten, behoudens de ongeoormerkte bijdragen aan multilaterale organisaties;

verzoekt de regering in overleg met organisaties als openaidNL te verkennen hoe bij het ministerie en uitvoeringsorganisaties aanwezige gegevens integraal en op een enkele website kunnen worden gepubliceerd, en de Kamer zo spoedig mogelijk te informeren over de mogelijkheden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Haga en Van Weerdenburg. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 32 (35000-XVII).

De heer Van Haga (VVD):

Ik had nog heel veel meer moties voorbereid, maar vanwege de uitmuntende beantwoording door de minister is dit het.

De voorzitter:

Zo zie je maar weer. Dank u wel, meneer Van Haga. Mevrouw Diks van GroenLinks krijgt het woord.

Mevrouw Diks (GroenLinks):

Dank u wel, voorzitter. Ik dank de minister en de ondersteuning voor de beantwoording, vooral voor de grote steun die is uitgesproken voor het amendement dat ik samen met het MPI op SRGR heb ingediend om met elkaar in Nederland echt iets te doen aan meisjesbesnijdenis en genitale verminking. Natuurlijk gaat het hier over de begroting Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, maar uiteraard moet genitale besnijdenis wereldwijd worden uitgebannen.

Ik heb drie moties; ik doe mijn best.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de minister in haar beleidsnota voor de komende jaren ambitieuze doelen voor de Nederlandse rol op het gebied van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten (SRGR) heeft gesteld en dat het van belang is om lopende én nieuwe initiatieven binnen dit beleidsonderwerp in samenhang te bezien om een zo groot mogelijke mondiale impact te kunnen realiseren;

verzoekt de regering over de voortgang van alle lopende initiatieven en nieuwe initiatieven op het gebied van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten gebundeld verslag te doen in het jaarverslag,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Diks. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 33 (35000-XVII).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het van het grootste belang is dat diplomatieke posten bij het vergroten van de handelskansen voor Nederlandse bedrijven waarborgen dat deze activiteiten passen binnen de kaders voor maatschappelijk verantwoord ondernemen en dat hier de juiste randvoorwaarden voor Nederlandse bedrijven voor moeten worden gecreëerd;

overwegende dat de huidige imvo-richtlijn voor diplomatieke posten een beperkt document is, waarin geen duidelijke kaders worden geschapen voor het opereren van de diplomatieke posten;

verzoekt de regering een uitgebreidere imvo-richtlijn op te stellen voor Nederlandse ambassades, hierin in elk geval op te nemen dat van de ambassades wordt verwacht dat zij bedrijven niet ondersteunen bij activiteiten die niet in lijn zijn met de OESO-richtlijnen en UN Guiding Principles, en de Kamer hierover bij de Voorjaarsnota te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Diks en Van den Hul. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 34 (35000-XVII).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat uit het deze week gepresenteerde Emissions Gap Report van de VN blijkt dat landen wereldwijd hun inspanningen moeten verdrievoudigen om de opwarming van de aarde onder de 2°C te kunnen houden;

constaterende dat uit de Monitor Brede Welvaart blijkt dat Nederland van alle Europese landen de grootste invoerder van fossiele energiedragers is, met name uit de minst ontwikkelde landen;

constaterende dat de Nederlandse overheid nog altijd de economische activiteiten van bedrijven rond fossiele energie ondersteunt, bijvoorbeeld door middel van exportkredietverzekeringen;

verzoekt de regering er zorg voor te dragen dat aan het eind van deze kabinetsperiode alle financiële en diplomatieke steun vanuit de overheid aan de import en export van fossiele energiedragers is afgebouwd,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Diks. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 35 (35000-XVII).

Mevrouw Diks (GroenLinks):

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Diks. Ik ga naar de volgende spreker. Dat is mevrouw Kuik van het CDA

Mevrouw Kuik (CDA):

Dank, voorziter. Ik sta hier heel relaxed want we hebben minuten over van alle begrotingen. Daarom hoef ik ook niet zuinig te zijn met de complimenten. Dank aan de minister en ook aan de ambtenaren voor het vele werk om al onze vragen te beantwoorden. Laat ik zeggen dat het geen straf is om deze begroting te bespreken met deze vakminister, die weet waarover ze praat, betrokken is en op de plekken is geweest waar we het over hebben.

Voorzitter. Ik zie in de samenleving ook betrokkenheid, bij jong en oud. Toen ik in het belpanel zat van Giro555 voor de ramp in Sulawesi, heb ik jong en oud aan de telefoon gehad. En toch zie ik ook nog wel dat wij meer in een OS-bubbel zitten. We hebben het over SRGR, SDG's, imvo en gender, maar we maken op tal van gebieden het verschil. Ik denk aan de vele hectares die we landmijnvrij hebben gemaakt, de toegang tot schoon drinkwater, de toegang tot onderwijs. En dat dichterbij brengen van het OS-beleid is volgens mij een opdracht die wij hebben. We moeten Nederlanders meer meenemen, we moeten jongeren meenemen en ik denk dat dat met zo'n betrokken minister ook heel makkelijk gaat.

Ik was onlangs op werkbezoek bij het Graafschap College en daar zag ik een mooi project: automonteurs die naar Ethiopië gingen. Dat deed men in samenwerking met een autobedrijf. Dat is een unieke kans om aanvullende werkervaring op te doen, maar er komen ook thema's op de agenda die internationaal zijn. Het gaat om sociaal ondernemen en om, letterlijk, grensverleggend denken en doen. Deze mbo'ers zijn ook hier weer de ambassadeurs van het ontwikkelingsbeleid. Het CDA vindt dit een mooie manier om vakkennis te delen en om jongeren te betrekken bij ontwikkelingssamenwerking. Daarom dien ik de volgende motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat kennisuitwisselingsprogramma's tot meer wederzijds begrip leiden;

constaterende dat stageprogramma's in OS-landen voor mbo-studenten een zeer verrijkende ervaring kunnen zijn;

verzoekt de regering een actieplan te ontwikkelen om kennisuitwisseling en stagemogelijkheden op mbo-niveau in het OS-domein te stimuleren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Kuik, Bouali, Voordewind en Van Haga. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 36 (35000-XVII).

Mevrouw Kuik (CDA):

Voorzitter. Ik denk dat het logisch is om dit samen met minister Van Engelshoven van Onderwijs te bekijken. Verder zie ik uit naar de appreciatie van de door ons ingediende amendementen.

Dank.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Kuik. De volgende spreker is de heer Amhaouch, ook lid van de fractie van het CDA.

De heer Amhaouch (CDA):

Voorzitter. Ik heb geen motie. Helaas, minister. Maar ik wil wel de minister bedanken voor de antwoorden. Ik zag een strijdbare minister bij de inleiding van de tweede termijn: het commitment dat de minister uitsprak voor de verantwoordelijkheid voor het verdienvermogen van Nederland doet het CDA goed. Mkb, start-ups — waar wij ook een amendement voor hebben ingediend ten aanzien van agrifood — innovatie, circulaire economie en topsectoren, internationalisering: dat zijn ook voor het CDA belangrijke componenten die de minister benoemde. Het belangrijkste is niet reageren, maar Nederland handelsland. Dat zijn voor ons als CDA belangrijke vertrekpunten voor de handelsagenda in deze kabinetsperiode. Het is een gezamenlijke missie die we moeten doorlopen.

Ik kom als ambassadeur van SDG 8 op voor een eerlijke, duurzame economie. Ik herhaal dat welvaartsgroei op een continent als Afrika ook het behoud van welvaartsgroei kan betekenen voor Europa. Ik heb de getallen erbij gepakt en zag dat wij als Nederland voor ongeveer 17 miljard exporteren naar de VS, een land van ongeveer 300 miljoen inwoners en 52 staten. Naar het continent Afrika exporteren we op dit moment voor 14 miljard, naar 55 landen. De potentiële groei is enorm en evenzo de potentiële kansen om de mensen daar te helpen en om ons eigen ecosysteem daar te vermarkten. Dat moet wel altijd vanuit het principe van eerlijke handel, waar het CDA voor staat.

Voorzitter. Op het laatste punt, de handelsverdragen, kom ik graag op een ander moment terug. Wij sluiten heel veel handelsverdragen. We hebben gezien dat wij best wel politieke debatten hebben gehad bij het eerste handelsverdrag, TTIP met de Amerikanen. Daar was heel veel discussie over, maar ondertussen sluiten wij heel veel handelsverdragen af. We doen namelijk al handel met landen, alleen kunnen we dat makkelijker maken voor onze ondernemers, over douanerichtlijnen of importheffingen. Ik denk dat we daar veel meer uit moeten halen.

Ik kijk graag uit naar het antwoord op een aantal vragen dat ik net gesteld heb, onder andere over de Palestijnse economie, over de Afrikaanse strategie voor de middellange termijn en over de verzekeringen.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Amhaouch. Mevrouw Karabulut van de SP krijgt het woord.

Mevrouw Karabulut (SP):

Voorzitter. Dank u wel. Wanneer we oorlog, conflict, armoede en uitsluiting willen voorkomen, dan moet de wapenindustrie, en zeker de grote wapenbedrijven die wapens verkopen aan Saudi-Arabië en de coalitiepartners, die die bommen dan weer droppen op de kinderen in Jemen, gestopt worden. Ik ben blij met de aangekondigde aanscherping van de wapenexport naar Saudi-Arabië en de coalitie en ik ben ervan overtuigd dat we uiteindelijk tot een Nederlands wapenembargo zullen komen. Daarover komen we nog te spreken.

Ik ben ook tevreden en blij met de toezegging van de minister dat zij in gesprek gaat met Nederlandse levensverzekeraars die voor miljarden investeren in deze wapenbedrijven. Ik zie uit naar het resultaat.

Tot slot ben ik blij met de opmerking van de minister dat zij een heel duidelijke knip maakt tussen ontwikkelingssamenwerking voor het behalen van de wereldwijde doelen tegen armoede en ongelijkheid, en defensie- en buitenlandpolitiek. Dat brengt mij op de volgende motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

van mening dat ontwikkelingsgeld bedoeld is voor ontwikkeling;

constaterende dat er op allerlei wijzen met Afrika wordt samengewerkt om de grondoorzaken van migratie aan te pakken en de migratiestromen te beheersen;

overwegende dat ontwikkelingssamenwerking streng gemonitord wordt op effectiviteit en dat ook samenwerkingsverbanden met Afrika in het kader van migratiebeheersing hieraan zouden moeten voldoen;

verzoekt de regering ervoor te zorgen dat er effectiviteitscriteria worden gesteld aan alle samenwerkingsverbanden, ook die vanuit de EU, en uit te sluiten dat er ODA-geld indirect of direct aan grensbewaking wordt besteed;

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Karabulut. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 37 (35000-XVII).

Mevrouw Karabulut (SP):

Sprekende over Afrika.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat er meer geld Afrika uitstroomt dan erin gaat;

constaterende dat Nederlandse multinationals miljarden aan de Afrikaanse economie onttrekken, ook via belastingontwijking;

verzoekt de regering in overleg met de Afrikaanse landen te komen tot een plan tegen belastingontwijking en een duurzaam en inclusief investeringsplan voor banen in Afrika;

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Karabulut. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 38 (35000-XVII).

Mevrouw Karabulut (SP):

En dat allemaal binnen twee minuten, voorzitter. Dank u wel.

De voorzitter:

Keurig. Dank u wel. Uw fractiegenoot de heer Alkaya, ook van de SP dus, krijgt het woord.

De heer Alkaya (SP):

Voorzitter. Dank aan de minister en de ambtenaren voor de goede beantwoording. Ik vroeg in de eerste termijn aan de minister of zij de verantwoordelijkheid op zich wil nemen om de multinationals die hier in Nederland opereren goed te controleren. Zij heeft gezegd dat zij zich in ieder geval medeverantwoordelijk voelt voor die controle en dat is goed, want vaak genoeg spreken wij met haar over manieren waarop wij dat het beste zouden kunnen doen. Moeten wij internationale afspraken maken in VN-verband? Moeten wij nationale wetten maken? En nog minder vergaand: moeten wij misschien de goede initiatieven die in sectoren worden genomen en die worden vastgelegd in convenanten algemeen bindend verklaren in die sector? En dan helemaal als laatste en minst vergaande variant hebben we het over de vraag of we niet alleen maar die bedrijven moeten ondersteunen met subsidies en handelsmissies die verantwoord ondernemen. Dat is al staand beleid, maar ik durf er niet mijn hand voor in het vuur te steken dat dat waterdicht is. Ik ben ervan overtuigd dat dat niet waterdicht is en dat nog steeds bedrijven steun krijgen die niet verantwoord ondernemen. En hoewel ik zie dat de minister dit serieus oppakt, toch de volgende motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de regering de transparantiebenchmark wil gebruiken als graadmeter voor het committeren aan en handelen naar de OESO-richtlijnen, maar dat momenteel bedrijven die niet meewerken aan de transparantiebenchmark toch mee blijven gaan op handelsmissies en niet worden uitgesloten van financiering;

van mening dat een overheidsorganisatie de taak moet hebben om erop toe te zien dat bedrijven die aangeven dat zij de OESO-richtlijnen onderschrijven dit ook daadwerkelijk doen en dat het niet meewerken aan de transparantiebenchmark op zijn minst aanleiding moet zijn voor nader onderzoek;

verzoekt de regering bij het verder ontwikkelen van de transparantiebenchmark te onderzoeken of een overheidsorganisatie is aan te wijzen of op te richten die de taak krijgt om te controleren of bedrijven die beweren de OESO-richtlijnen te onderschrijven hier ook naar handelen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Alkaya. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 39 (35000-XVII).

Dank u wel, meneer Alkaya. De volgende spreker is de heer Bouali, lid van de fractie van D66.

De heer Bouali (D66):

Voorzitter, dank u wel. Ik wil in ieder geval de minister danken voor haar antwoorden. We kijken natuurlijk uit naar de appreciatie van de minister op de amendementen die wij hebben ingediend.

Op de thema's buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking heeft mijn fractie een aantal bijzondere aandachtspunten. Daarbij zijn in ieder geval de SDG's leidend en dat blijven ze ook. D66 wil de wereld vooruit helpen en daarom investeren we in kansengelijkheid. Dat betekent extra inzet op onderwijs, extra inzet op het tegengaan van klimaatverandering en extra inzet op op de bevordering van vrouwenrechten. Als het gaat om handel is mijn partij voorstander van handelsakkoorden, want handel leidt tot groei, banen en welvaart. Maar die handel moet plaatsvinden onder de voorwaarde dat we oog hebben voor eventuele schadelijke neveneffecten. Daarom zet D66 zich samen met vele anderen, binnen en buiten de Kamer, in voor het verduurzamen van de handelsketens.

Ik wil ook graag nog even stilstaan bij de extra investeringen van dit kabinet. Het gaat namelijk om heel veel geld, ruim 2,6 miljard in vier jaar, en daar is mijn fractie heel blij mee. Ik ben er dan ook van overtuigd dat het geld in goede handen is bij deze zeer kundige minister, die haar doelen duidelijk heeft verwoord in de beleidsnota. Dat zien we ook terugkomen in deze begrotingsbehandeling.

Voorzitter, tot slot. Sommige partijen zeggen wel te wíllen investeren in ontwikkelingssamenwerking, maar laten vaak die kans liggen als het er echt op aankomt, bijvoorbeeld door niets te doen in hun tegenbegrotingen. Wij zetten, samen met andere partijen, juist flink in op ontwikkelingssamenwerking. Daarmee investeren we in kansengelijkheid en geven we de allerarmsten van deze wereld perspectief. Want daar gaat het uiteindelijk om; dat we de wereld een stukje vooruithelpen.

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Bouali. Ik vraag naar voren te komen mevrouw Van den Hul van de Partij van de Arbeid.

Mevrouw Van den Hul (PvdA):

Dank, voorzitter. Wereldwijd zien we de ongelijkheid groeien tussen, maar ook binnen, landen. Het gaat vandaag over het bereiken van de allerkwetsbaarsten, over het ervoor zorgen dat ook zij het beter krijgen en dat zij veilig zijn. De toekenning van de Nobelprijs voor de Vrede aan dr. Mukwege en Nadia Murad is een belangrijk signaal richting slachtoffers of, zoals veel slachtoffers zichzelf liever noemen, overlevenden van seksueel geweld. Want juist zij bij wie het vertrouwen op zo'n gruwelijke wijze is geschonden, verdienen het om gezien en gehoord te worden. Daarom allereerst de volgende motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat seksueel geweld in en rondom conflictgebieden wordt toegepast als oorlogswapen tegen met name vrouwen en meisjes;

constaterende dat opsporing en veroordeling van daders gezien de context vaak onmogelijk is, waardoor erkenning en genoegdoening voor slachtoffers vaak uitblijven;

van mening dat ook slachtoffers van seksueel geweld erkenning en genoegdoening verdienen;

verzoekt de regering om in EU- en/of VN-verband het voortouw te nemen op zoek naar mogelijkheden om tot genoegdoening en erkenning te komen voor slachtoffers van seksueel geweld,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van den Hul. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 40 (35000-XVII).

Mevrouw Van den Hul (PvdA):

Voorzitter. Iedereen moet zeker kunnen zijn van een menswaardig bestaan, ook mensen die door oorlog, geweld of rampspoed huis en haard hebben moeten verlaten. Daarom de volgende motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er in de regio rondom de Middellandse Zee nog veel opvangkampen zijn waar mensen in mensonterende omstandigheden verblijven;

verzoekt de regering in kaart te brengen welke opvangkampen waar zij, al dan niet indirect, aan bijdraagt op dit moment voldoen aan de UNHCR-eisen en daarbij de tekortkomingen inzichtelijk te maken;

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van den Hul. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 41 (35000-XVII).

Mevrouw Van den Hul (PvdA):

Voorzitter. We zijn erg blij om te horen dat de minister aan de slag is met onze motie over — nu ga ik het ook in het Nederlands proberen — een Europees vroegwaarschuwingssysteem over de krimpende ruimte voor het maatschappelijk middenveld. Op het gebied van vrijheid van meningsuiting en op het gebied van mensenrechten heeft de EU al duidelijke richtlijnen, maar niet als het gaat om de vrijheid van vreedzame vereniging en vergadering voor het maatschappelijk middenveld. Daarom de volgende motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat wereldwijd de vrijheid en ruimte van maatschappelijke organisaties en actieve burgers, waaronder vakbonden, mensenrechtenverdedigers, journalisten en milieuactivisten, steeds verder afneemt;

van mening dat de Europese Unie nog te weinig eensgezind optreedt in het tegengaan van deze ontwikkeling en van de daarbij horende risico's voor rechtstaten en democratieën;

verzoekt de regering er in EU-verband op aan te dringen richtlijnen te ontwikkelen op het gebied van vrijheid van vreedzame vereniging en vergadering voor het maatschappelijk middenveld,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van den Hul. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 42 (35000-XVII).

Mevrouw Van den Hul (PvdA):

Voorzitter. Er is gisteren en vandaag veel aandacht geweest voor het thema SRGR, vanuit verschillende frames of vanuit verschillende invalshoeken. In sommige kunnen wij ons beter vinden dan in andere. Maar nog steeds zijn er organisaties die last hebben van de "global gargoyle" — dat kan ik toch echt niet in het Nederlands vertalen —, van president Trump. En dat zijn nou net de organisaties die SheDecides helpt. Daarom de volgende motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

van mening dat vrouwen en meisjes wereldwijd zeker moeten zijn van toegang tot veilige anticonceptie en abortus;

constaterende dat de Amerikaanse president Trump de financiering van deze voorzieningen van miljoenen vrouwen in ontwikkelingslanden heeft gestopt;

overwegende dat de overgenomen motie-Asscher/Ploumen verzocht om juist deze organisaties te blijven steunen in woord en daad middels SheDecides;

verzoekt de regering bij de allocatie van SRGR-middelen uitvoering te geven aan bovengenoemde motie en inzichtelijk te maken welke bijdrage zij via SheDecides levert aan voorgenoemde organisaties,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van den Hul. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 43 (35000-XVII).

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Van den Hul. De volgende spreker is de heer Voordewind van de ChristenUnie.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Dank u wel, voorzitter. Ik ga in vier minuten een rondje wereld doen. Dat zal lastig worden. Ik dank de minister voor haar inzet voor de allerarmsten in de wereld. Ze heeft gelijk met haar reactie op collega Van Haga. Het is niet mogelijk om one-size-fits-all toe te passen op het bestrijden van onrecht, ongelijkheid, misbruik van en geweld tegen meisjes, de migratiestromen die we kennen, de kinderarbeid en noem maar op. De wereld is daarvoor veel te ingewikkeld. Dat vraagt echt hulp op maat en ook hulp en handel — die combinatie. Vandaar complimenten voor de reactie van de minister op dit punt.

Ik dank de minister ook voor haar niet aflatende inzet en ook druk om constant aandacht te vragen voor het lot van de vluchtelingen die in onmenselijke situaties zitten, niet alleen in Libië maar ook op Lesbos en andere Griekse eilanden.

Voorzitter. Ik heb al even het belang van religie genoemd. We hebben bij de begroting van Buitenlandse Zaken een motie ingediend, samen met het CDA en anderen, om tot een speciaal gezant voor religie te komen. Dat geef ik de minister maar mee. Misschien kan deze persoon het onderwerp verder op de kaart zetten, ook bij haar ministerie. Ik ga ervan uit dat dit een vliegwieleffect kan hebben, ook als het gaat om de toerusting van medewerkers en diplomaten.

De ChristenUnie heeft twee amendementen ingediend, een om de noodhulp en de opvang in de regio te versterken met 10 miljoen. Ik denk met name aan Syrië en de landen rondom Syrië. We hebben ook samen met collega's een amendement ingediend over kinderarbeid, een belangrijk onderwerp dat ook in het regeerakkoord zo is benoemd. Ik hoop dat dat de steun van de rest van de Kamer kan krijgen.

Dan de moties. Eén motie, die we samen met de VVD indienen, gaat over de bonussen voor veroordeelde Palestijnse terroristen. Ik dank de minister voor haar ferme standpunt ook bij dit onderwerp. Ze heeft de koppeling tussen de lengte van de straf en de hoogte van de uitkeringen afgewezen. Daar was geen woord Spaans bij. Ze is zelfs bereid volgend jaar, als het systeem niet verandert, een korting van de bijdrage aan de Palestijnse Autoriteit door te voeren. Dat waardeer ik zeer. Om dat nog even precies te benoemen dien ik de volgende motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Palestijnse Autoriteit maandelijks geld overmaakt aan veroordeelde Palestijnen, waaronder terroristen in Israëlische gevangenissen, en aan hun familieleden, en dat de hoogte van de uitkering afhankelijk is van de duur van de detentie;

overwegende dat Nederland zich herhaaldelijk heeft ingespannen via de EU en de VN om deze perverse financiële prikkel te beëindigen;

overwegende dat mede dankzij Nederlandse inspanningen de koppeling tussen de duur van de detentie aan de hoogte van de betalingen groeiende aandacht binnen de EU krijgt;

verzoekt de regering:

  • -zich maximaal in te spannen om samen met andere EU-lidstaten en EU-instellingen bij de Palestijnse Autoriteit aan te dringen op loskoppeling van de hoogte van de betalingen aan de detentieduur;

  • -indien de Palestijnse Autoriteit geen einde maakt aan de koppeling tussen de lengte van de detentie en de hoogte van de uitkering, volgend jaar de Nederlandse bijdrage aan de salarissen van de Palestijnse Autoriteit voor de juridische sector à 1,5 miljoen euro te beëindigen, en het vrijvallende geld via andere partners te besteden aan versterking van de rechtsstaat en de verbetering van mensenrechten,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Voordewind en Van Haga. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 44 (35000-XVII).

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Voorzitter, tot slot een laatste motie. Ik dien deze samen met collega Kuik van het CDA in. De motie gaat over het Challenge Fund dat door de minister wordt ingesteld. Ik geef haar daarbij nog een verzoek mee.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de aangenomen motie-Voordewind/Kuik verzoekt om perspectief te bieden aan Afrikaanse jongeren door te investeren in werkgelegenheid en ondernemerschap;

overwegende dat een nieuw Challenge Fund for Youth Employment zich moet richten op investeringen in bedrijven met groeipotentieel, het stimuleren van jongeren en vrouwen om een eigen onderneming te starten, het versterken van (beroeps)opleidingen en het realiseren van een betere aansluiting op de arbeidsmarkt;

overwegende dat de meeste impact gerealiseerd wordt wanneer maatschappelijke organisaties, bedrijven en kennisinstellingen de krachten bundelen;

verzoekt de regering dan ook de 30 miljoen euro die wordt geïnvesteerd in het Challenge Fund for Youth Employment primair te richten op maatschappelijke organisaties, bedrijven en/of kennisinstellingen, of consortia hiervan,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Voordewind en Kuik. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 45 (35000-XVII).

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Ik wens de minister veel wijsheid en kracht toe bij het opkomen voor de meest armen in de wereld.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Voordewind. Mevrouw Ouwehand van de Partij voor de Dieren krijgt het woord.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Voorzitter, dank u wel. Ook van de kant van de Partij voor de Dieren dank aan de minister voor de beantwoording van de vragen en haar inzet voor de allerarmsten in de wereld en de mensen die echt onze hulp nodig hebben; kwetsbare meisjes en vrouwen en andere kwetsbare mensen. We hebben veel vertrouwen in de inzet van de minister op dat punt. Maar we hebben ook gezegd dat dit een begroting is met twee gezichten. Het is dus van groot belang om ook goed te kijken naar onze eigen bijdrage aan de ellende in de wereld en naar de vraag waar we die eventueel kunnen verminderen, waar dat kan.

Dank dus ook aan de minister dat ze in elk geval een open houding heeft getoond ten aanzien van bijvoorbeeld onze eigen consumptie. De Partij voor de Dieren draagt dat niet zomaar aan. Daar wordt bijvoorbeeld ook op gewezen door de rapporteur voor het recht op voedsel en in het VN-milieuprogramma. Vandaag is er ook weer een studie verschenen die zegt dat we onze doelen gewoon niet gaan halen als we doorgaan met deze enorme consumptie van vlees en zuivel in het rijke Westen. Het is dus fijn dat de minister openstaat voor het simpele idee om de norm om te draaien: maak plantaardig de standaardoptie en als je dierlijk wil, moet je erom vragen. Precies andersom dan wat we nu doen. Het kost niks, maar het heeft wel een hele grote positieve invloed op vrede en veiligheid in de wereld en het levert dus een bijdrage aan de agenda van de minister.

Voorzitter. Dan is het dus wel van belang om ook die andere poot goed onder de loep te nemen en om dus kritisch te durven kijken naar de impact van onze economie en onze handel op de leefomstandigheden van anderen in de wereld. Ik dien daarom een aantal moties in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er voor de productie van palmolie op grote schaal regenwoud wordt gekapt, waarbij mensen van hun land worden verdreven en bedreigde dieren nog meer leefgebied verliezen, waardoor bijvoorbeeld de orang-oetang op de rand van uitsterven staat;

constaterende dat de aanpak van het bedrijfsleven om palmolie te verduurzamen via de in 2004 opgerichte Roundtable geen tastbare verbetering van deze situatie heeft weten te bereiken;

overwegende dat Nederland een van de grootste importeurs van palmolie is;

verzoekt de regering een plan van aanpak te presenteren om de import van palmolie op korte termijn drastisch te verminderen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ouwehand. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 46 (35000-XVII).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

spreekt uit dat een handelsverdrag, zoals dat met de Mercosur-landen, er in elk geval niet kan komen als het klimaatakkoord van Parijs niet door alle verdragspartners wordt geïmplementeerd,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ouwehand. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 47 (35000-XVII).

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Voorzitter. Ik hoop op een open houding bij de minister en bij het kabinet voor de gevolgen van de manier waarop wij gewend zijn te leven voor de kwetsbaarsten in de wereld. De manier waarop wij leven vraagt twee, drie, drieënhalve aardbol en die zijn er gewoon niet. We zullen het moeten doen binnen de draagkracht van de aarde. Dat vraagt wel het een en ander, maar het is nodig. Ik herinner u aan de Zweedse klimaatstaker Greta Thunberg. De minister heeft de klimaatstakers hier voor de Kamer een hart onder de riem gestoken. Greta Thunberg zegt eigenlijk: waarom zou ik naar school gaan als politici niks doen met de kennis die allang beschikbaar is? Het gaat niet om nog meer onderzoek; het gaat erom dat we durven doen wat nodig is.

In dat licht wil de Partij voor de Dieren erbij stilstaan dat we aan het einde van de begrotingscyclus staan. We hebben de Miljoenennota gekregen en alle deelbegrotingen behandeld. We kunnen niet anders dan concluderen dat het beleid van het kabinet voor 2019 aanstuurt op een opwarming van de aarde met 3°C, terwijl er grote beleidsveranderingen nodig zijn. Wij willen dat nu constateren en we hopen dat we dat volgend jaar niet nog een keer hoeven doen.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

stelt vast dat de Miljoenennota en de onderliggende deelbegrotingen voor 2019 niet in lijn liggen met het doel om (naar rato) de opwarming van de aarde te beperken tot maximaal 1,5°C,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Ouwehand, Van Raan, Wassenberg, Teunissen en Akerboom.

Zij krijgt nr. 48 (35000-XVII).

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Ouwehand. Dan gaat het woord naar de heer Stoffer van de SGP.

De heer Stoffer (SGP):

Voorzitter. Een prachtige opdracht die Jezus ons meegaf, was: heb je naaste lief als jezelf. Maar tegelijk is dat ook een van de moeilijkste opgaven. Ik vond het wel mooi dat ik bij deze begroting daarvan iets hoorde doorklinken, zowel bij de Kamer als bij de minister. Dat doet mij wel goed, maar tegelijkertijd doet dat ook een appel op mezelf, want het is voor wie je ook bent en waar je ook zit, altijd een lastige opgave wat dat betreft.

In dat kader heb ik drie moties en die probeer ik in te dienen en dan kijk ik of we daarmee onze naaste een klein beetje meer recht kunnen doen. De eerste luidt als volgt:

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende, dat wereldwijd vele mensen, waaronder minderjarigen, slachtoffer zijn van misbruik, mishandeling en onderdrukking als gevolg van straffeloosheid vanwege gebrekkig functionerende bestuurlijke en juridische systemen;

verzoekt de regering, het tegengaan van straffeloosheid en bevorderen van goed bestuur (SDG 16) expliciet doel te maken voor de diplomatieke posten en waar nodig ruim steun te verlenen aan relevante ngo's,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Stoffer en Voordewind. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 49 (35000-XVII).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat verschillende crises grote druk leggen op het budget voor "reguliere" ontwikkelingssamenwerking (ODA);

verzoekt de regering zich in te blijven spannen voor nakoming van internationale afspraken over het investeren van 0,7% van het bruto nationaal inkomen in ODA,

verzoekt de regering voorts inzichtelijk te maken welk deel van ODA gebruikt wordt als hefboom voor private investeringen in ontwikkelingslanden, en dit verder te stimuleren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Stoffer. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 50 (35000-XVII).

De heer Stoffer (SGP):

En dan de laatste, voorzitter. Ik heb het gisteren ook aangekondigd in een persberichtje: iedereen de pot op! Mijn motie luidt als volgt:

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat toegang tot sanitaire voorzieningen van cruciaal belang is voor volksgezondheid, het tegengaan van kindersterfte, en voorkomen van schooluitval;

overwegende dat het behalen van de doelstelling van toegang tot sanitaire voorzieningen voor 50 miljoen mensen in 2030 een toename van het aantal te bereiken mensen vereist van circa 2,4 miljoen mensen per jaar tot 2020 naar circa 3,8 miljoen mensen vanaf 2020;

overwegende dat dit vraagt om forse extra inspanningen, mogelijk met budgettaire gevolgen;

verzoekt de minister een ambitieus en geloofwaardig plan op te stellen om de doelstelling voor 2030 te behalen en de Kamer te informeren over de voortgang en kosten hiervan,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Stoffer en Van Brenk. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 51 (35000-XVII).

De heer Stoffer (SGP):

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Stoffer. De laatste spreker is meneer Kuzu van de fractie van DENK.

De heer Kuzu (DENK):

Dank u wel, voorzitter. Ik wil in de eerste plaats de minister en de ondersteuning bedanken voor de antwoorden in de eerste termijn. Vanuit de DENK-fractie twee moties. De eerste motie luidt:

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de investeringen in ontwikkelingssamenwerking van dit kabinet niet genoeg zijn om eerdere bezuinigingen ongedaan te maken;

constaterende dat de internationaal afgesproken norm van 0,7% van het bruto nationaal inkomen voor ontwikkelingssamenwerking voor het derde jaar op rij niet wordt gehaald;

van mening dat een grotere investering nodig is om de complexe mondiale uitdagingen het hoofd te bieden en structureel te investeren in de toekomst van de allerarmsten;

verzoekt de regering om over uiterlijk vijf jaar terug te keren naar een bijdrage van 0,7% van het bni aan ontwikkelingssamenwerking,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Kuzu. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 52 (35000-XVII).

De heer Kuzu (DENK):

We hebben met de minister een kort interruptiedebatje gehad over de situatie in Myanmar en Bangladesh. Ik begrijp dat er inderdaad sprake is van vrijwillige terugkeer, onder de noemer: het motiveren van vluchtelingen in kampen om terug te keren naar Myanmar. Dit terwijl in Myanmar, in de regio Rakhine, de extremistische boeddhisten al klaarstaan om te protesteren tegen de terugkomst van de Rohingya. Daarom is het van belang om deze motie in te dienen. Ik hoop op een positief advies van de minister.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat ruim 700.000 Rohingya vorig jaar vluchtten naar Bangladesh, nadat het Myanmarese leger in toenemende mate geweld tegen de Rohingya gebruikten;

constaterende dat Myanmar en Bangladesh een akkoord hebben bereikt over de terugkeer van Rohingya-vluchtelingen, terwijl er nog altijd Rohingya uit Myanmar vluchten;

constaterende dat volgens de VN-Mensenrechtenraad sprake is van een genocide op de Rohingya;

overwegende dat noch Bangladesh, noch de burgerlijke regering van Myanmar, de veiligheid van de Rohingya in Myanmar kunnen garanderen;

van mening dat er geen sprake mag zijn van terugkeer onder dwang;

verzoekt de regering om in internationaal verband en in bilaterale contacten de veilige terugkeer van de Rohingya te blijven adresseren en te wijzen op het grote belang dat de repatriëring volgens internationaal recht verloopt;

verzoekt de regering tevens om in VN-verband ervoor te pleiten dat er geen sprake mag zijn van terugkeer onder dwang,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Kuzu en Van den Hul. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 53 (35000-XVII).

De heer Kuzu (DENK):

Voorzitter. Ik wil melden dat ik bij deze begrotingsbehandelingen ook de laatste spreker van de Kamer ben. Ik ben er trots op dat we onze bijdrage tot de laatste seconde hebben kunnen gebruiken en veel moties hebben ingediend.

Ik wil ook zeggen dat we nog heel veel meer moties, amendementen en voorstellen hadden klaarliggen om Nederland eerlijker en rechtvaardiger te maken. Ik hoop dat bij de volgende verkiezingen meer mensen op DENK stemmen, zodat we meer spreektijd hebben om meer voorstellen te doen voor een eerlijker en rechtvaardiger Nederland.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Kuzu.

De heer Stoffer (SGP):

Ik heb één kleine aanvulling, voorzitter. De motie op stuk nr. 49 tegen straffeloosheid, SDG 16, zou ik mede in willen dienen namens de heer Voordewind.

De voorzitter:

Sorry. Kunt u herhalen wat u heeft gezegd?

De heer Stoffer (SGP):

Jazeker. De eerste motie die ik heb ingediend, over SDG 16, het tegengaan van straffeloosheid, zou ik samen met de heer Voordewind willen indienen.

De voorzitter:

We hebben de ondertekening van de motie op stuk nr. 49 reeds aangepast.

We gaan twintig minuten schorsen en dan gaan we over naar de tweede termijn van de minister. Ik wil de collega's vragen om het straks in de tweede termijn zo te doen dat alleen de eerste indieners van moties daarover hooguit één korte vraag stellen als het advies niet helemaal luidt zoals het gewenst is. De minister vraag ik om de vragen die nog voorliggen en de appreciatie van het kabinet staccato ter hand te nemen.

De vergadering wordt van 23.07 uur tot 23.35 uur geschorst.

De voorzitter:

Aan de orde is nog steeds de begroting van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. Ik geef het woord graag aan de minister voor haar tweede termijn.

Minister Kaag:

Dank u wel, meneer de voorzitter. Ik heb één beginopmerking. Daarna zal ik per partij antwoorden. Als er een vraag is die ik kort kan beantwoorden, zal ik dat doen. Ik zal de moties benoemen en dan de amendementen. We hebben het gewoon per lid van de Kamer en per partij georganiseerd.

Nog even een vooropmerking of aantekening. Er is natuurlijk extra geld ditmaal. Dat komt doordat het bruto nationaal product of inkomen op een andere manier wordt berekend. Dat komt door de bronrevisie. Die is dit jaar heel laat doorgevoerd. Dat pakt deze keer gunstig uit voor de begroting van Buitenlandse Handel en OS. Dat was bij het opstellen van deze begroting nog niet zeker, laat staan helder. Uitzonderlijkerwijs is er dus extra geld beschikbaar dat nog niet is toebedeeld of uitgegeven. De Tweede Kamer komt met veel wensen, zoals ik ook heb gezien in de amendementen. Een groot deel daarvan is ondersteuning van het beleid of volgt uit het beleid. Dat is eigenlijk het beste wat we kunnen wensen: de nota wordt breed gedragen. Maar we kunnen niet alles inwilligen. En behoedzaamheid, zeker ook met geld, blijft heel belangrijk. Het is dus een uitzonderlijke situatie.

Dan wilde ik doorgaan op twee vragen van mevrouw Van Weerdenburg. Mijn opmerking, mits relevant, was gericht op het feit dat we niet verwacht hadden dat we informatie zouden verkrijgen of vinden op korte termijn.

Dan islamitisch onderwijs. We financieren nog altijd publiek onderwijs via de Global Partnership for Education, UNICEF en andere VN-instellingen. Kwaliteit staat voorop. Dat blijven we dus doen. We kijken dus niet naar religie, maar we financieren geen islamitisch onderwijs op deze basis.

Het tweede betrof een opmerking. Er is geen sprake van financiering van Soros of de Open Society Foundation. Met de stichting wordt samengewerkt, net zoals we samenwerken met bijvoorbeeld de Bill and Melinda Gates Foundation of de Clinton Foundation. De stichtingen zelf zijn gerespecteerde partners, waarmee Nederland samenwerkt, afhankelijk van de situatie, mits die relevant is. Zo wordt ook SDG 17 benoemd. Verder zijn er tussen 2006 en 2012 — ik moet een beetje zoeken — in Armenië, Macedonië en Georgië vijf eerdere projecten gefinancierd, voor een waarde van 2,4 miljoen euro. Er is één lopend project, in Kazachstan, voor mensenrechtenvertegenwoordigers.

Dan de moties van mevrouw Van Weerdenburg. De motie op stuk nr. 28 gaat over geen cent meer naar ontwikkelingssamenwerking. Die ontraad ik. Dit hebben wij vaker geconstateerd.

De motie op stuk nr. 29. Er is geen sprake meer van financiering van George Soros en de Open Society Foundation. Die motie wil ik dus ontraden. Er is zoals ik meldde nog één lopend programma over mensenrechten. Wij hechten aan het werk van de stichting.

Dan ga ik door op de vragen van de heer Van Haga van de VVD. Nog even ter bevestiging over UNHCR: het is een aanpassing, geen verlaging. Dat heeft te maken met specifieke appels.

Dan kom ik op de motie op stuk nr. 30 van de heer Van Haga over meer geografische focus in bilaterale ontwikkelingssamenwerking. Ik laat het oordeel hierover aan de Kamer. Ik denk dat onze nota dit al doet in de uitvoering.

Dan de motie op stuk nr. 31 van de heer Van Haga over de Nederlandse expertise. Ik wil eigenlijk vragen om aanhouding. Als het gaat om de inzet van Nederlandse expertise komt er nog een brief over de financieringsinstrumenten. Het is beter voor de Kamer als men daarop wacht. Mijn verzoek zou zijn om die motie aan te houden, want dan kan men ook nota nemen van de brief.

De voorzitter:

Meneer Van Haga? We hebben het over de motie op stuk nr. 31.

De heer Van Haga (VVD):

Ja, als er nog een brief komt, dan vind ik het geen probleem om de motie nog even aan te houden.

De voorzitter:

Op verzoek van de heer Van Haga stel ik voor zijn motie (35000-XVII, nr. 31) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

Minister Kaag:

Dank u. Dan een motie van de heer Van Haga en mevrouw Van Weerdenburg over de integrale weergave van OS-gegevens op één enkele website. Oordeel Kamer. Zoals ik al heb benoemd, is dit werk dat al plaatsvindt. Ik heb de data ook benoemd en de specifieke details.

Dan de amendementen. Het amendement op stuk nr. 12 van de heer Van Haga vraagt om structureel 5 miljoen voor innovatieve initiatieven op het gebied van zonne-energie. Ik zie dat als ondersteuning van het beleid. Het draagt ook bij aan de toezegging van Parijs over klimaatfinanciering, dus oordeel Kamer.

Het amendement op stuk nr. 13 over indoor air pollution laat ik aan het oordeel van de Kamer. Het is weer ondersteuning van beleid. Schoon koken leidt tot emissiereductie.

Dan kom ik bij het amendement op stuk nr. 14, ingediend door de heer Van Haga. Dat neem ik even samen met het amendement-Bouali/Kuik op stuk nr. 22. Dit zijn twee amendementen die vragen om 10 miljoen voor anticonceptie voor jongeren, in het bijzonder meisjes en vrouwen in focusregio's. Het is wellicht een ongebruikelijk verzoek, maar ik had de hoop dat er wellicht uiteindelijk een geconsolideerd amendement zou komen. Het zijn namelijk dezelfde voorstellen qua uitvoering. De noodzaak is helder. Dit sluit ook helemaal aan bij het beleid, zoals ik ook vandaag heb uitgelegd. 10 miljoen is, denk ik, de maximale, meest zichtbare en meest relevante intensivering. Over de inhoud hoeven we niet verder te spreken. Ik laat beide amendementen aan het oordeel van de Kamer, met de kanttekening dat 10 miljoen euro het optimale bedrag is; geen 20 miljoen.

Dan de vragen van mevrouw Diks van GroenLinks. Er komt een evaluatie aan over de bijdrage van de diaspora in Nederland aan de ontwikkeling van het herkomstland. Ik zou willen vragen of u deze evaluatie kunt afwachten. De evaluatie wordt u in ieder geval toegestuurd, medio 2019.

Dan de motie van mevrouw Diks. Er wordt gerapporteerd in de resultatenrapportage van BH-OS en het jaarverslag. Daarin wordt het meegenomen. Oordeel Kamer.

De voorzitter:

Ik zie dat er verwarring is over welke motie dit betreft. Dit gaat over de motie-Diks op stuk nr. 33.

Minister Kaag:

Ja, de motie op stuk nr. 33 is dus oordeel Kamer.

Mevrouw Diks (GroenLinks):

Ik zie natuurlijk ook hoe laat het is, net als iedereen. De minister is ingegaan op mijn vraag over de brief over de diaspora — dank daarvoor, dat zien we tegemoet — maar ik had ook nog een vraag gesteld over het Klimaatfonds. Er wordt nu alleen gerept over SDG 13 en niet over de SDG's 14 en 15. Als we met elkaar spreken over het Klimaatfonds, wilt u dan ook nader ingaan op de SDG's 14 en 15?

Minister Kaag:

Als er een gesprek komt over het Klimaatfonds, kunnen we op alle elementen ingaan. Het Klimaatfonds is in detail beschreven in de BuHa-OS-nota. Daarin staan ook de doelstellingen en de reikwijdte. De brief is daar een uitvoering van. Op het juiste moment komen we daar uiteraard op terug.

Dan kom ik bij de motie-Diks/Van den Hul op stuk nr. 34. Dit is staand beleid. Wij geven altijd een uitgebreide instructie aan posten, onder andere over het gebruik van een economische toolbox. Overnemen.

De voorzitter:

Ik moet even controleren of iemand zich verzet tegen overname van deze motie. Dat is niet het geval.

De motie-Diks/Van den Hul (35000-XVII, nr. 34) is overgenomen.

Minister Kaag:

Dan de motie-Diks op stuk nr. 35 over de afbouw van financiële en diplomatieke steun aan alle fossiele energiedragers voor het einde van de kabinetsperiode. Ik wil vragen of deze motie kan worden aangehouden in afwachting van de financieringsbrief. Ik kom ook terug op dit thema.

De voorzitter:

Ik zie mevrouw Diks instemmend knikken.

Op verzoek van mevrouw Diks stel ik voor haar motie (35000-XVII, nr. 35) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

Minister Kaag:

Dan het amendement op stuk nr. 23, ingediend door mevrouw Diks, mevrouw Ouwehand, mevrouw Van den Hul, de heer Bouali, de heer Voordewind, de heer Van Haga, mevrouw Kuik en mevrouw Karabulut. Oordeel Kamer. We hebben dit besproken. Er is een meerpartijeninitiatief ter voorkoming van meisjesbesnijdenis.

Meneer de voorzitter. Dan ga ik door naar het CDA. De eerste vraag van de heer Amhaouch ging over de betrokkenheid van de Global Risk Financing Facility en de relatie tot de verzekeringssector. Het kabinet gaat zich aansluiten bij dit G7-initiatief. Dat is, geloof ik, ook benoemd in de brief. Dit hele initiatief is nog in de opstartfase. Wij zullen nog gaan onderzoeken hoe de Nederlandse verzekeringssector kan bijdragen.

Er is een vraag gesteld over een speciale strategie als het gaat om de inzet in Afrika. Ik wil eigenlijk bevestigen dat we heel veel strategieën hebben en dat we natuurlijk inzetten op het hele terrein EU/Nederland en Afrika, of het nou migratie is, ontwikkelingssamenwerking of investeringen. Ik spreek daar graag op een apart moment over verder. Maar we hebben onze eigen agenda, en die sluit daar mooi bij aan.

Dan ga ik door naar de moties. Dat is de motie op stuk nr. 36 van ...

De voorzitter:

Dat is een motie van mevrouw Kuik, de heer Bouali, de heer Voordewind en de heer Van Haga.

Minister Kaag:

Precies. Dank u wel, voorzitter, dat u mij helpt. Ik zocht even naar de naam Amhaouch, maar het is een motie van mevrouw Kuik, de andere CDA-woordvoerder. De motie verzoekt de regering een actieplan te ontwikkelen om kennisuitwisseling en stagemogelijkheden op mbo-niveau in het OS-domein te stimuleren. Ik vind het een sympathieke motie. Ik wil vragen of mevrouw Kuik de motie kan aanhouden, want we willen eerst zelf even kijken. Het is te vroeg. Ik kan me niet committeren aan een actieplan als ik nog niet weet wat de contouren zijn.

De voorzitter:

Mevrouw Kuik knikt instemmend.

Minister Kaag:

Prima.

De voorzitter:

Op verzoek van mevrouw Kuik stel ik voor haar motie (35000-XVII, nr. 36) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

Minister Kaag:

Met het amendement op stuk nr. 24 van mevrouw Kuik, de heer Voordewind, de heer Bouali en de heer Van Haga wordt beoogd om 5 miljoen extra in te zetten ten behoeve van de uitrol van nieuwe diagnostiek en behandeling op het gebied van tuberculose. Ik laat het amendement aan het oordeel van de Kamer. Het past ook in het beleid. Ik vind het een sympathiek amendement.

Het amendement op stuk nr. 25 van de heer Amhaouch, de heer Voordewind, de heer Van Haga en de heer Bouali krijgt oordeel Kamer. Het past ook helemaal in het beleid. Ik maak wel de kanttekening dat we natuurlijk ook de ruimte moeten geven aan andere start-ups, bijvoorbeeld op het gebied van ICT. In het amendement wordt gesproken over Smart Agri-Food Innovation Hubs en Agrytechs. Het kan, afhankelijk van de behoefte, misschien iets breder zijn dan de agrifoodsector. Ik denk dan vooral aan de ICT-sector. Daar zijn ook veel start-ups.

Dan kom ik op de vragen, de moties en de amendementen van de SP. Wat doet het kabinet aan het tegengaan van belastingontduiking? Ik heb eigenlijk al het merendeel benoemd van wat ik vanuit de BuHa-OS-agenda kan bekijken. Wij delen de zorgen. We hoeven het niet opnieuw uit te zoeken. Het klopt inderdaad dat we door belastingontwijking veel ontwikkelingsgeld mislopen. Wij werken samen met belastingdiensten en douane aan een capaciteitsversterking. De Nederlandse Belastingdienst heeft ook een formidabele expertise die op wereldwijd niveau wordt erkend. En we werken ook via de Wereldbank en de OECD. Wij zullen nog meer kijken naar capaciteitsopbouw, ook met inzet van onze eigen middelen. We werken via het Base Erosion and Profit Shifting Project van de OESO en de G20. Er worden ook maatregelen tegen verdragsmisbruik ontwikkeld. Daar zal nauwlettend op worden toegezien. Verder zal ik ook deze vraag doorsluizen naar mijn collega van Financiën, staatssecretaris Snel.

Er is een vraag gesteld over het voornemen om in VN-VR-verband in te zetten op sancties tegen uithongering, zoals mijn collega minister Blok in EU-verband heeft gedaan. Het pleiten voor thematische sanctieregimes blijkt in VN-VR-verband niet echt haalbaar. Er is helemaal geen consensus. Dat heeft minister Blok ook aangegeven. We hebben het eerder al geprobeerd op het thema seksuele uitbuiting. Wat we wel kunnen doen, en wat ook de inzet is, is dat we het in bestaande sanctieregimes of wanneer die worden opgezet, meenemen. Dan kun namelijk specifieke criteria meenemen. Dan wordt toch ook het thema "conflict en honger" gewogen bij een sanctieregime.

Mevrouw Karabulut (SP):

Door inspanningen van deze minister is resolutie 2417 aangenomen. De enige inspanning die ik van het kabinet vraag, is om te komen tot sancties, om die in dit geval voor Jemen toe te passen. Zegt de minister nu: die resolutie is er, maar we kunnen niet werken aan de uitvoering? Want ik snap het niet helemaal.

Minister Kaag:

Er zijn twee dingen. Ik heb de vraag zo gelezen dat het ging om in te zetten op sancties tegen uithongering. Wij weten uit andere ervaringen dat een speciaal sanctieregime alleen op dit thema en gericht op één land, soms niet werkt. Mochten er sancties komen — dat kan de inzet zijn — tegen diegenen die mensenrechtenschendingen hebben gepleegd, dan kun je daaronder een kopje maken waarbij er in het bijzonder aandacht is voor diegene die ingezet hebben op honger als een middel in een conflict. Dus het loopt anders. Het gaat eerst om het opzetten van een sanctieregime. Als dat er is, dan gaat het om de vraag: wat zijn de elementen van het sanctieregime? Dat lijkt in de toekomst haalbaar. Uiteraard blijven we inzetten op deze resolutie. Maar een realistische inschatting geven over hoe haalbaar het is, dat is een ander verhaal.

Mevrouw Karabulut (SP):

Kan de minister dan wel toezeggen dat zij zich gaat inspannen in de VN-Veiligheidsraad, zolang we daar zitten, en anders daarbuiten via de VN, om specifiek voor Jemen te komen tot sancties voor hen die uithongering inderdaad als oorlogswapen hebben? Hoe ze daar komt en langs welke route, dat hoor ik dan graag van haar. Ik snap dat het een lange en ingewikkelde route is. Maar laten we er in ieder geval bovenop blijven zitten. Ik wil ook de ontwikkelingen kunnen blijven volgen door terugkoppeling aan de Kamer.

Minister Kaag:

Dit is uiteraard iets wat met name mijn collega Blok aangaat. Ik kan me committeren aan inzet, maar ik kan me niet committeren aan de details van de inzet van mijn collega Blok. Ik kan me committeren aan de inzet, want Nederland is terecht heel trots op deze resolutie. Uiteraard willen we, om alle trieste redenen, ook navolging zien.

Mevrouw Karabulut (SP):

Dan heb ik op het vorige punt ook nog een vraag. Ik had de minister een vraag gesteld over belastingontduiking. Dat was dankzij de inspanningen van mijn voorganger, Eric Smaling. Hij had via het ministerie een overzicht gekregen van wat er vanuit Nederland richting de Afrikaanse landen gaat aan ODA-middelen en wat het land verlaat via belastingontwijking en -ontduiking. Kan de minister dat overzicht ook voor het afgelopen jaar geven? Misschien kan zij dit in de toekomst gewoon rapporteren aan de Kamer.

Minister Kaag:

Mocht er al een bestaand proces zijn en mocht het dus haalbaar zijn om dit te doen, dan kunnen we een update sturen. Dat bevestig ik, althans als het inderdaad door mijn ministerie geproduceerd is.

Dan kom ik op de moties. Allereerst kom ik op de motie over het effectiviteitscriterium in relatie tot ODA en grensbewaking. Ik ontraad deze motie, want steun aan grensbewaking is geen ODA. Dat geldt ook voor Nederland en de EU. Dus het effectiviteitscriterium is in mijn ogen niet van toepassing.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 37 is ontraden.

Minister Kaag:

De motie op stuk nr. 38 gaat over geldstromen naar Afrika en het verdienvermogen, met een verwijzing naar Nederlandse multinationals, die volgens het dictum miljarden aan de Afrikaanse economie onttrekken. De motie verzoekt de regering om in overleg te komen tot een plan tegen belastingontwijking. Deze problematiek wordt breed gedeeld. Deze problemen kunnen zeker niet alleen door Nederland in overleg met Afrikaanse landen opgelost worden. We werken daaraan in EU-, OECD-, VN- en Wereldbank-verband. In dat kader ontraad ik deze motie.

De voorzitter:

Er is een vraag van mevrouw Karabulut.

Mevrouw Karabulut (SP):

Ik heb eigenlijk met betrekking tot beide moties een vraag.

De voorzitter:

Als dat twee keer één korte vraag is, dan sta ik dat toe.

Mevrouw Karabulut (SP):

Maar als de minister wat betreft de ODA-gelden ...

De voorzitter:

Dan gaat het over de motie op stuk nr. 37.

Mevrouw Karabulut (SP):

Ja, de motie op stuk nr. 37. Als de minister bevestigt dat het geld niet aan grensbewaking uitgegeven mag worden, dan kan zij de motie toch zien als ondersteuning van beleid? Men moet per definitie voldoen aan de effectiviteitscriteria.

De voorzitter:

Minister, u heeft de motie ontraden. Maar mevrouw Karabulut zegt: de motie is toch eigenlijk ondersteuning van beleid?

Minister Kaag:

Ja, maar het gaat veel breder. Er staat ook: "ervoor te zorgen dat er effectiviteitscriteria worden gesteld aan álle samenwerkingsverbanden". Dat is veel breder dan alleen grensbewaking. We hebben effectiviteitscriteria in alles wat we doen. Dat nemen we mee. Daar rapporteren we over. Dat wegen we. Er wordt onder andere verzocht uit te sluiten dat ODA niet aan grensbewaking wordt besteed. Dus er worden een aantal hele grote en kleine thema's in één paragraaf vermengd. Daarom ontraad ik deze motie.

De voorzitter:

U heeft de minister niet kunnen overtuigen, mevrouw Karabulut.

Mevrouw Karabulut (SP):

Dan kom ik daar op een later moment op terug, voorzitter.

De voorzitter:

Dan een korte vraag met betrekking tot de motie op stuk nr. 38.

Mevrouw Karabulut (SP):

Ja, het gaat over de motie op stuk nr. 38. Zou het helpen als ik de tweede constatering zou aanpassen? Ik begrijp dat de minister wel met het verzoek zou kunnen leven, maar dat zij de tweede constatering net iets te kort door de bocht vindt.

Minister Kaag:

Er zijn nog wel meer elementen van de motie: verzoekt de regering te komen tot een plan tegen belastingontwijking en een duurzaam en inclusief investeringsplan. Ook dat gebeurt in EU-kader en vervolgens op de EU-Afrikatop. Dat zijn veel bredere vraagstukken die op een thema opeens gekoppeld worden aan een soort marshallplan voor Afrika.

Mevrouw Karabulut (SP):

Dat is precies het probleem. In de EU is ieder op zich en inmiddels met honderdduizend potjes tegelijk bezig. We zien dat het in de Afrikaanse landen niet helemaal goed gaat en zouden die op elkaar moeten afstemmen. Dat zou ertoe moeten leiden dat we enerzijds met het verlies van die middelen de belastingontwijking aanpakken en anderzijds het ten goede laten komen aan de banen in Afrika.

De voorzitter:

Uw verzoek is duidelijk.

Mevrouw Karabulut (SP):

Ik verwacht geen uitkomst, maar dit zou toch de inzet eigenlijk moeten zijn.

Minister Kaag:

Zoals ik het heb geformuleerd, is het niet geformuleerd in het dictum.

De voorzitter:

De motie is ontraden.

Minister Kaag:

De motie op stuk nr. 39 van de heer Alkaya gaat weer over de toezichthouder.

De voorzitter:

Wacht even, excuses. Mevrouw Karabulut.

Mevrouw Karabulut (SP):

Ik heb nog één onbeantwoorde vraag. Dat was de vraag over Shell en het fonds waar Shell geld in zou storten voor Nigeria Ogoniland om het vervuilde land eindelijk op te ruimen. Ik vroeg hoe het daarmee staat en of de minister bereid is om ons daarover te informeren.

De voorzitter:

Dat klopt. Die vraag heeft u gesteld. De minister.

Minister Kaag:

En ik meen dat ik die al beantwoord had. Ik had mijn inzet bevestigd.

Mevrouw Karabulut (SP):

Betekent dat dat we op een later moment geïnformeerd worden over de stand van zaken?

Minister Kaag:

Ik kan u informeren als ik een gesprek heb gehad over wat ik heb bevonden en wat eruit is gekomen. Er is ook vertrouwelijkheid van een gesprek. Dit is geen terms of reference nu. Ik heb mijn inzet bevestigd dat ik zal terugkoppelen.

De voorzitter:

Dank u wel. De motie-Alkaya op stuk nr. 39.

Minister Kaag:

De motie op stuk nr. 39 gaat over de toezichthouder van het imvo. Zoals de heer Alkaya weet — we hebben dit vaak besproken — kunnen er natuurlijk klachten over het schenden van de OESO-richtlijnen worden ingediend bij het nationale meldpunt daarvoor. Er worden inderdaad steeds meer klachten ingediend. We weten niet of het beter werkt of dat er meer klachten zijn. Mediatie vindt ook plaats. Wij vinden het onnodig om nu nog te denken aan het oprichten van een nieuwe externe instantie. Het gaat erom dat alles beter gaat werken.

De voorzitter:

Dit betekent dat u tot de conclusie komt dat motie op stuk nr. 39 ...

Minister Kaag:

Excuses, meneer de voorzitter, ik ontraad de motie.

Ik ben het helemaal eens met de spreektekst in het amendement op stuk nr. 19 van mevrouw Karabulut, met de argumentatie van de SP dat ondervoeding zeer schadelijk is en eigenlijk een schending. Het budget voor het bestrijden van ondervoeding is al sterk verhoogd en valt onder het hele budget voor voedselzekerheid. Dat is 340 miljoen in 2019. Dat gaat over SDG 2, het uitbannen van honger, ontwikkeling van kleinschalige voedsellandbouw en ecologische verduurzaming. Daarbinnen valt een programmering tegen ondervoeding van ongeveer 50 miljoen euro. Ik denk dat een verdere verhoging van het budget op dit moment niet nodig is. Het inzetten van het budget voor handelsbevordering is geen ODA en niet aan de orde, dus ik ontraad dit amendement.

Dan het amendement op stuk nr. 20 van mevrouw Karabulut over de verhoging van de bijdrage aan het UNRWA met 6 miljoen. Dat is eigenlijk onlangs al gebeurd in het kader van de brief die ik heb gestuurd over een zestal landensituaties en/of organisaties. Op basis van de bijdrage die we net incidenteel hebben gegeven, ook voor andere situaties, ontraad ik dit amendement. We maken in het eerste kwartaal van 2019 onze standaard afweging over de noden en ik informeer de Kamer daarover. Daarom ontraad ik dit amendement.

Mevrouw Karabulut (SP):

Is de minister bereid dit verzoek om ophoging vanwege de grote tekorten aan hulp vanwege het terugtrekken van de VS in het eerste kwartaal opnieuw te wegen?

Minister Kaag:

Wij wegen standaard alle humanitaire noden, zoals mevrouw Karabulut weet. Alle risicofactoren worden meegenomen. Dat doen we aan het begin van het kalenderjaar en aan het eind van het kalenderjaar. Ik noem dat de humanitaire cyclus.

Ik heb geen vraag meer van de heer Bouali, dus ik permitteer mij dat ik meteen doorga naar het amendement van de heer Bouali op stuk nr. 15 over verhoging van de bijdrage aan het assistentdeskundigenprogramma met 2 miljoen. Het is een belangrijk programma. Het geeft een kans aan jonge deskundigen uit Nederland, maar ook uit de ontwikkelingslanden, om aan de slag te gaan en ervaring op te doen. Vooral de mensen uit ontwikkelingslanden keren daarna vaak terug met meer kennis en ervaring. Wij zien dit amendement als ondersteuning van beleid en ik laat het oordeel dus aan de Kamer.

Het amendement op stuk nr. 18 van de heer Bouali en mevrouw Kuik sluit aan bij de prioriteiten van de nota: de positie van vrouwen en meisjes verbeteren, met name in de Sahel. Het verminderen van het risico op kindhuwelijken betekent natuurlijk ook minder zwangerschappen, langere tijd op school voor de meisjes et cetera. Het is een sympathiek amendement, dus oordeel Kamer.

Dan ga ik door naar de vragen, moties en amendementen van mevrouw Van den Hul van de PvdA. Zij vraagt of er een toolbox kan komen voor internationaal maatschappelijke verantwoord ondernemen voor de Nederlandse posten. Het is al een belangrijk onderdeel van het werk van het postennet. Zoals ik al uitvoerig heb toegelicht, gebeurt dit al op alle verschillende momenten. Ik denk niet dat er op dit moment additioneel werk aan de winkel is.

De voorzitter:

We hebben het over het amendement op stuk nr. 21. Ik begrijp uit de beantwoording ...

Minister Kaag:

Meneer de voorzitter, ik zie dit nog steeds als de beantwoording van een vraag, of er een imvo-toolbox kan komen voor Nederlandse posten.

De voorzitter:

Excuus, dat was de vraag. Het is goed dat ik me daar even van vergewis. Dit was de vraag van mevrouw Van den Hul. Mevrouw Van den Hul, hebt u daarover een vraag?

Mevrouw Van den Hul (PvdA):

Ja, want wij krijgen toch signalen uit het veld dat dit niet bij alle posten even hoog op het netvlies staat. We zien ook dat er tegelijkertijd verschillende ontwikkelingen zijn. Een aantal bedrijven weet zich niet goed raad met die duurzaamheidsverantwoordelijkheid en aan de andere kant een krimpend maatschappelijk middenveld. In dat licht krijgen wij signalen dat er op posten wel degelijk behoefte is aan extra versterking. Vandaar dat amendement, waar we zo meteen vast over komen te spreken.

Minister Kaag:

Wij delen deze ervaring natuurlijk niet van binnenuit, maar er is een toolbox economische diplomatie. Die kan op de RVO-pagina worden gevonden. Ik weet alleen niet of die extern beschikbaar is.

Dan wil ik graag door naar de motie-Van den Hul op stuk nr. 40, over de slachtoffers van seksueel geweld. Ik weet precies wat mevrouw Van den Hul benoemt. Ik weet alleen niet wat het betekent om weer het voortouw te nemen. Er zijn heel veel oproepen aan Nederland om het voortouw te nemen. Ik ben in gesprek met dr. Mukwege. Wij gaan eraan werken, maar ik zie niet meteen dat wij in een motie moeten vastleggen om daar weer een enorme diplomatieke politieke verplichting aan te verbinden. Wij doen dit en in het kader van het speciaal initiatief volgend jaar, 2019 en daarvoor, zullen wij nauw optrekken met dr. Mukwege, ook over dit thema. Maar wij zien het ook breder: het tegengaan van seksueel geweld tegen vrouwen in crises en andere ontwikkelingssituaties.

De voorzitter:

En uw oordeel ...

Minister Kaag:

Is ontraden, op deze basis.

Mevrouw Van den Hul (PvdA):

Is de minister het met ons eens dat het goed zou zijn als de mogelijkheid werd onderzocht om, net zoals nu het geval is bij slachtoffers van marteling of mensenhandel, wel een fonds te hebben waar slachtoffers erkenning en genoegdoening kunnen eisen? Is de minister het met ons eens dat het goed zou zijn om te onderzoeken, middels pilots zoals nu in Kosovo, of dat in de toekomst ook niet voor slachtoffers van seksueel geweld wenselijk zou zijn?

Minister Kaag:

Het is wenselijk, maar dat wil niet zeggen dat Nederland daarin het voortouw moet nemen. Dr. Mukwege heeft het initiatief gelanceerd. Er is een gesprek met de VN-rapporteur over seksueel misbruik van en seksueel geweld tegen vrouwen. Er is dus een hele groep mee bezig. Ik denk dat wij nu even kunnen wachten op de uitkomst van al die gesprekken van de experts. Wij nemen daar nota van en wel met een actieve inzet en interesse, maar het heeft geen motie nodig om deze inzet te bevestigen.

De voorzitter:

De volgende motie van mevrouw Van den Hul.

Minister Kaag:

De volgende motie is die op stuk nr. 41. Ik deel uiteraard, zoals mevrouw Van den Hul en anderen weten, de enorme zorgen over de mensonterende omstandigheden waaronder vluchtelingen en migranten in detentiecentra verkeren. Het klinkt misschien een beetje raar, maar er is veel informatie beschikbaar over de grote problemen die de vluchtelingen en kwetsbare migranten ondervinden, evenals de mensen uit de gastgemeenschappen. We vinden het tijd voor actie, niet meer voor meer onderzoek. We halen onze data en informatie bij UNHCR en de Internationale Organisatie voor Migratie en anderen vandaan. Ik denk dat het kader heel erg helder is. De vraag naar het in kaart brengen van de opvangkampen kunnen we bij UNHCR uitzetten, maar ik wil deze motie ontraden. Wij zijn al bezig met de uitvoering van beleid in landen met partnerorganisaties die daar ook verantwoordelijk voor zijn. Het is niet verstandig om nog aparte bilaterale onderzoeken uit te zetten. Wij zijn afhankelijk van onze internationale partners.

Mevrouw Van den Hul (PvdA):

Dat realiseren we ons terdege, maar het gaat ons er juist om transparantie te krijgen in een wat ons betreft zeer ondoorzichtig dossier. Af en toe komt er iets aan de oppervlakte over die vreselijke situaties in kampen, maar wij willen heel graag duidelijkheid over waar op dit moment de grootste problemen zijn. Zou de minister in elk geval de informatie die zij krijgt vanuit UNHCR met ons kunnen delen? Dan kunnen wij beter beoordelen waar de grote problemen zich voordoen.

Minister Kaag:

Ik begrijp het verzoek, maar 90% van de informatie die wij van de UNHCR krijgen, is publiekelijk beschikbaar op de website van UNHCR en op de websites van de landenteams. Dat is ook transparantie in informatie, daar kan ik geen capaciteit meer aan geven. Het is beschikbaar en wij delen wat wij doen op basis van de informatie.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 42.

Minister Kaag:

De motie op stuk nr. 42. Ik deel uiteraard, zoals u weet, de zorgen over de inkrimping van de ruimte voor het maatschappelijk middenveld. Wij denken echter dat nieuwe richtlijnen niet opportuun zijn, want er zijn richtlijnen voor bescherming van mensenrechtenorganisaties en we hebben het beleidskader van de Roadmap for Civil Society Organisations. Nieuwe richtlijnen voegen hier wat ons betreft niets aan toe. Het is het brede kader; of het nou activisten zijn of vakbondexperts, het gaat allemaal om dezelfde agenda van rechten. Ik ontraad daarom deze motie.

Mevrouw Van den Hul (PvdA):

Vrijheid van meningsuiting is inderdaad belegd in richtlijnen, maar vrijheid van vreedzame vereniging en vergadering is wel degelijk een ander punt. Dat is een andere richtlijn. Wij krijgen signalen uit het maatschappelijk middenveld, bijvoorbeeld van vakbewegingen die helaas steeds vaker onder druk staan, dat zij wel degelijk gebaat zouden zijn met deze toevoeging. Ik zou de minister toch heel graag willen vragen of zij in ieder geval in gesprek kan gaan met deze organisaties om te toetsen hoe vanuit Europees verband richtlijnen zouden kunnen bijdragen aan hun positie.

Minister Kaag:

Ik zeg een gesprek toe, maar ik ontraad de motie. Ik ga het gesprek aan over de relevatie van de richtlijnen.

De motie op stuk nr. 43 laat ik oordeel Kamer. Het is heel belangrijk en uitgebreid besproken. SheDecides is een hele belangrijke beweging.

Dan amendement op stuk nr. 21 van mevrouw Van den Hul, mevrouw Diks en de heer Kuzu. We hebben het net al besproken, ook al in antwoord op de vraag. Ik ontraad dit amendement om eerdere redenen uiteengezet.

De voorzitter:

Het amendement op stuk nr. 21 wordt ontraden. Mevrouw Van den Hul ook hierover.

Mevrouw Van den Hul (PvdA):

Nog één korte vraag, voorzitter. Zou de minister inzichtelijk kunnen maken in hoeverre de economische attachés zich ook met imvo bezig gaan houden op de posten?

Minister Kaag:

Ik acht het niet gepast om in detail te beschrijven wat het functieprofiel is en het takenpakket van een diplomaat op een post. Dat is sowieso afhankelijk van hun functieomschrijving en het hangt van de doelstellingen af en het meerjarenlandentraject of de handelsbrief. De handelsattaché in Japan heeft een bepaalde taakomschrijving. Ik denk dat het niet gepast is om het op deze manier te doen. Ik wil graag praten over de uitvoering van het imvo in landen waar er situaties zijn. Dan kunnen we praten over wat we anders en sneller kunnen doen vanuit de overheid en vanuit mijn politieke verantwoordelijkheid.

De heer Voordewind vroeg of de lobby in Brussel voor de korting op de PA tot steun heeft geleid. Kennelijk zijn we op dit moment nog alleen, maar we blijven hopen dat we andere landen meekrijgen. U heeft mijn duidelijke toezegging.

Dan de motie op stuk nr. 48 over hetzelfde thema. Ik geef de motie oordeel Kamer. Ik heb het uitvoerig toegelicht. Het voorstel is in lijn met de kabinetsinzet. U heeft mijn toezegging.

De voorzitter:

U heeft het over de motie op stuk nr. 44.

Minister Kaag:

Dat klopt. Ik geef de motie oordeel Kamer.

Dan de motie op stuk nr. 45 over de keuze voor het Challenge Fund for Youth Employment. Oordeel Kamer.

Het amendement van de heer Voordewind en de heer Van Haga op stuk nr. 26 gaat over de verhoging van het budget voor het Fonds Bestrijding Kinderarbeid. Ik begrijp het initiatief. Het is heel belangrijk. We hebben het besproken en het komt in alle kaders terug. De Nederlandse ngo's die op dit gebied actief zijn, hebben nog geen goede voorstellen ingediend, althans geen voorstellen waarvan ik nu kan zeggen dat ze goed zijn en goedgekeurd kunnen worden. Op dit moment ben ik niet in een bestuurlijk proces in staat om geld toe te voegen aan het budget. Ik ontraad het amendement om deze redenen en niet om de inhoud ervan. Er liggen geen goedgekeurde voorstellen.

De voorzitter:

Het amendement op stuk nr. 26 wordt ontraden. Meneer Voordewind wil daar toch nog iets over vragen.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Ik geef de minister mee dat die plannen in de maak zijn. Het kan niet dat er plannen liggen, want het amendement wordt nu pas ingediend. Je kan geen plannen maken voor een bedrag van 7 miljoen. want dat is er nog niet. Er lagen plannen voor 5 miljoen. Als het fonds met 2 miljoen wordt opgehoogd, komt er 7 miljoen in de pot te zitten. Ik geef de minister natuurlijk de ruimte om te zeggen: we gaan kijken wat voor voorstellen erop komen. Het gaat ons erom de pot te vullen tot 7 miljoen.

Minister Kaag:

Nee, ik denk daar anders over. Ik denk dat organisaties op basis van noden, rol en capaciteit voorstellen indienen, ongeacht of er wel of geen geld is. Ik ga niet een pot ophogen en daarmee vraag in de markt creëren. Dat is andersom. Er moeten goede voorstellen liggen en we moeten denken dat het relevant is.

De voorzitter:

Nog één vraag, meneer Voordewind.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Het is mijn eerste vraag bij de moties en amendementen, voorzitter. Heel kort.

Zo werkt het natuurlijk niet. Als er geld is, komen er voorstellen. De voorstellen lagen er al; dat weet de minister ook. Die voorstellen komen er voor die 7 miljoen. Er is al wat ingestuurd. Als de organisaties weten dat dit wordt aangenomen, gaan ze natuurlijk met plannen voor 7 miljoen komen. Er zal geen onderbesteding zijn, vooral niet met organisaties als UNICEF, zoals de minister weet.

Minister Kaag:

Ik blijf bij mijn punt. Als er voorstellen komen, gaan we ernaar kijken, maar ik ga niet anticiperend op voorstellen een fonds verhogen. Er is bovendien ook nog onderuitputting. Het is lastig op dit soort thema's te werken. Het is niet hetzelfde als geld bij noodhulp wegzetten.

Dan het amendement op stuk nr. 27 van de heer Voordewind, mevrouw Kuik, de heer Bouali en de heer Van Haga. Dat is gericht op een verhoging van het budget van de Dutch Relief Alliance met 10 miljoen euro per jaar. Dit laat ik oordeel Kamer. Het valt binnen de effectieve uitvoering van onze beantwoording van de noden en situaties die zich voordoen.

Dan de Partij voor de Dieren. Allereerst de motie op stuk nr. 46. We voeren regelmatig het gesprek over het belang van verduurzaming van palmolie. In Nederland gebruikt de voedingsmiddelenindustrie 88% duurzame palmolie. We blijven ons inzetten voor dit belangrijke thema. We erkennen natuurlijk ook dat ontbossing een grote zorg is, maar palmolie is — zo heb ik mij laten adviseren — gezien de verschillende eigenschappen niet zomaar vervangbaar door andere oliesoorten en het is een relatief efficiënt gewas. Wij kijken naar verduurzaming en dus niet naar een drastische vermindering van de import van palmolie. We doen het via de samenwerkende weg. Dus ik ontraad deze motie.

Voor de motie op stuk nr. 47 verwijs ik naar mijn antwoord in eerste termijn over klimaat- en handelsverdragen. Het is natuurlijk één doel dat we willen verwezenlijken. Ik heb al gezegd dat het soms lukt maar dat het soms ook veel lastiger is. Misschien is het daardoor ook belangrijker. Ik erken dus de boodschap die mevrouw Ouwehand wil neerleggen, maar een handelsakkoord is veel breder. In die strekking ontraad ik de motie.

In de motie op stuk nr. 48 stelt mevrouw Ouwehand vast dat de Miljoenennota niet in lijn is met het streven te komen tot 1,5ºC. Het kabinet zet zich meer dan welk voorgaand kabinet ook in op een transitie naar een duurzame economie: het klimaatakkoord, de Klimaatwet, de circulaire economie 2050 en hogere budgetten Ontwikkelingssamenwerking. Verder moedigen we ook andere landen aan. Wij doen wat redelijkerwijs verwacht kan worden binnen de budgettaire kaders. Dit gezegd hebbend en lezend het dictum van de motie ontraad ik de motie.

De heer Stoffer van de SGP heeft een motie ingediend op stuk nr. 49 over het tegengaan van straffeloosheid. Deze motie laat ik met veel herkenning van de thema's oordeel Kamer. We hebben eigenlijk alles besproken over deze SDG en de Nederlandse inzet, ook volgend jaar. Ik herken ook het verzoek dat elke diplomaat en elke door Nederland uitgezonden medewerker zich vooral inzet voor vrede en veiligheid.

De motie op stuk nr. 50. Zoals eerder aangegeven zetten we in op de intensivering uit het regeerakkoord. Ik heb geen bezwaar om aan te geven welk deel van ODA we gebruiken als hefboom voor private investeringen. Ik laat de motie oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 24 is een motie van de heer Stoffer en de heer Van Brenk over sanitaire voorzieningen.

De voorzitter:

Mevrouw Van Brenk!

Minister Kaag:

Sorry, mevrouw Van Brenk.

Ik laat de motie oordeel Kamer. Ik moet wel zeggen dat we al doelstellingen hebben vastgesteld voor volgend jaar. Als we de resultaatrapportage terug hebben om te kijken hoe we in 2020 verdergaan, kan Nederland daaraan werken. Maar de doelstellingen voor volgend jaar zijn al vastgesteld.

Dan de laatste moties, van de heer Kuzu van DENK op de stukken nrs. 52 en 53. De eerste motie is helder over de verwachtingen en de wens om meer ontwikkelingssamenwerkingsgelden in te kunnen zetten, maar we intensiveren als fors. Zoals ik al eerder heb gesteld, wordt een mogelijke vervolgstap in deze kabinetsperiode op de geëigende momenten integraal gewogen en meegenomen met de rijksbrede prioriteiten en binnen de afgesproken budgettaire kaders. Om die redenen ontraad ik de motie.

De motie op stuk nr. 53 gaat over terugkeer, veiligheid en de voorwaarden voor de veilige terugkeer van de Rohingya-vluchtelingen. Ik zie dit als ondersteuning van beleid. Wij blijven op alle punten, ook voor de criteria, aandacht vragen. We zullen erop wijzen dat terugkeer vrijwillig, waardig en veilig moet verlopen, conform het internationaal humanitair recht. Het is oordeel Kamer.

De heer Kuzu heeft in dezelfde geest op stuk nr. 7 een amendement ingediend. Ik zal u in januari informeren over de inzet van het totale noodhulpbudget voor 2019. De dramatische situatie van de Rohingya komt daar natuurlijk ook weer aan de orde. Het is heel belangrijk. Het dreigt een vergeten groepering te worden. Ik laat dit amendement op stuk nr. 7 oordeel Kamer.

Het amendement op stuk nr. 8 ontraad ik. De ruimte om in China te werken op het gebied van mensenrechten is, zoals u weet, heel gering. We besteden aandacht aan de situatie in Xianjiang en in het bijzonder aan de positie van de Oeigoeren. We dragen bij via het Mensenrechtenfonds aan de verbetering van de mensenrechtensituatie in China. Die middelen zijn toereikend, maar verder dan dit lijkt het heel lastig om te gaan. Voor wat betreft de veiligheid van projectpartners kan ik ook geen nadere details geven. Daarom ontraad ik dit amendement.

Dit waren de vragen, moties en amendementen, meneer de voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel, minister.

De algemene beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Dan zijn wij hiermee aan het einde gekomen van de behandeling van de begroting van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. Sterker nog, we zijn aan het einde gekomen van alle begrotingsbehandelingen.

Ik wil de minister en haar staf bedanken voor hun komst naar de Kamer. Ik wil alle medewerkers van de Tweede Kamer van harte danken dat zij ons al deze weken ondersteund hebben in deze lange zitten.

De stemming over de begroting en de amendementen vindt volgende week donderdag plaats. Over de moties die vandaag zijn ingediend, stemmen wij aanstaande dinsdag.