7 Handelingsdeel ontwikkelingsperspectief na overeenstemming ouders

Aan de orde is de behandeling van: 

  • - het wetsvoorstel Wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de invoering van het vaststellen van het handelingsdeel van het ontwikkelingsperspectief na overeenstemming met de ouders ( 34446 ).

De voorzitter:

Ik heet de staatssecretaris, de leden en de mensen die het debat op een andere manier volgen van harte welkom. Ik geef als eerste het woord aan mevrouw Siderius namens de fractie van de SP. 

De algemene beraadslaging wordt geopend. 

Mevrouw Siderius (SP):

Voorzitter. U zei het net al: wij spreken vandaag over het komen tot overeenstemming met ouders over het handelingsdeel van het ontwikkelingsperspectief. Ik denk dat nu iedereen echt helemaal is afgehaakt. Ik denk dat de staatssecretaris dat ook denkt. Het ontwikkelingsperspectief is een beschrijving van het mogelijke uitstroomprofiel van een leerling. Dat kan zijn praktijkonderwijs, mavo, havo of extra ondersteuning. Vandaag wordt voorgesteld om in het speciaal onderwijs aan dit ontwikkelingsperspectief een beschrijving toe te voegen van de begeleiding aan de individuele leerling als die begeleiding boven het basisaanbod van de school uitstijgt. Daarnaast wordt voorgesteld om in het reguliere onderwijs het handelingsdeel, waarin de individuele ondersteuning staat beschreven, pas vast te stellen als er overeenstemming is met de ouders, dus toestemming van de ouders. 

De wet oogt zeer sympathiek, want wie wil niet ouders meer rechten geven als het gaat om het onderwijsprogramma van het eigen kind? Ouders moeten zeggenschap hebben in het onderwijs, maar medezeggenschap is iets anders dan instemmingsrecht. De SP heeft veel vragen over dit wetsvoorstel. Afhankelijk van de beantwoording van de staatssecretaris zal de SP-fractie een afweging maken. Wij hebben echt die antwoorden nodig om hier een goed oordeel over te kunnen vellen. 

Het eerste punt gaat over nut en noodzaak van dit wetsvoorstel. Het kabinet voert aan dat het een uitvoering is van een aangenomen motie en dat het wetsvoorstel slechts een politieke keuze van het parlement is. Er zijn geen meldingen bij de inspectie geweest van ouders over het ontbreken van het instemmingsrecht op het handelingsdeel van het ontwikkelingsperspectief. Er is ook geen onderzoek gedaan. Wat is de reden dat de staatssecretaris in de periode tussen aanname van de motie en nu, de behandeling van het wetsvoorstel, geen aanvullend onderzoek heeft gedaan om te bekijken of dit echt een probleem is dat in de praktijk speelt en dat opgelost moet worden? 

In de krant van vanochtend kon ik lezen dat collega's, met name de voorstanders van het wetsvoorstel, talloze mails krijgen van ouders over het handelingsdeel van het ontwikkelingsperspectief. Ik heb eerlijk gezegd nog nooit een mailtje gekregen van ouders over het handelingsdeel van het ontwikkelingsperspectief. Ik krijg wel veel mails van ouders van thuiszitters. Daarbij gaat het om complexe problematiek: de samenwerking met jeugdhulp en scholen die het onderwijsprogramma niet afstemmen op de leerling of geen maatwerk leveren. Het handelingsdeel van het ontwikkelingsperspectief komt hier gewoon niet in voor. Is het mogelijk dat een van mijn collega's die mails eens met mij deelt? Ik wil mij namelijk graag laten overtuigen om voor dit wetsvoorstel te stemmen, maar ik heb geen talloze mails ontvangen van ouders over het handelingsdeel van het ontwikkelingsperspectief. 

Het tweede punt is het ontschotten. Inclusief onderwijs was een van de doelen van het zogenaamde passend onderwijs. Ontschotten van onderwijs en zorg was daarvoor noodzakelijk. Het is daarom verbazingwekkend dat de staatssecretaris nu weer een muur zet in het ontwikkelingsperspectief. Over de inhoud van het onderwijs, het curriculum, en het uitstroomprofiel is alleen een dialoog nodig met de ouders, maar voor onderwijsondersteuning moet er toestemming zijn van ouders. Wat is de reden dat de staatssecretaris dit onderscheid maakt? Als de positie van ouders versterkt dient te worden, zou je er ook voor kunnen kiezen om het hele ontwikkelingsperspectief te kunnen laten aftekenen door de ouders. Je zou ze dus helemaal kunnen laten instemmen of juist helemaal niet. Bovendien zeggen docenten dat het handelingsdeel in de praktijk moeilijk is te onderscheiden van het ontwikkelingsperspectief. Kan de staatssecretaris hierop reageren? 

Dan het derde punt, de werkingssfeer. In de nota naar aanleiding van het verslag laat de regering weten dat wanneer er geen overeenstemming wordt bereikt met de ouders, de school alsnog verantwoordelijk is voor het bieden van passend onderwijs. Verderop staat dat de regering bewust niet voorstelt dat scholen zonder instemming van de ouders in het geheel niet meer kunnen handelen. Wel of geen instemming van de ouders maakt in feite dus geen verschil, zou je denken. Hoe moet mijn fractie deze passages precies interpreteren? Bovendien wordt er wanneer er geen instemming van ouders is, verwezen naar geschillencommissies en de rechter. Juridisering van het onderwijs moeten we volgens mij niet willen. Is investeren in de dialoog met ouders niet beter dan het opschrijven van een dode letter in de wet? Hoe kijkt de staatssecretaris hiertegen aan? 

Doceren is een vak. Docenten hebben een voltijdsopleiding genoten voordat zij voor de klas mogen staan. En als het goed is zijn ze ook nog bevoegd. Zij kunnen vanuit kennis en expertise onderwijsinhoudelijke beslissingen nemen die de ontwikkeling van individuele kinderen ten goede komt. De voorstanders van het wetsvoorstel zeggen dat een ouder altijd weet wat het beste is voor het eigen kind. Natuurlijk weet een ouder hoe het eigen kind in elkaar zit, maar ik durf te betwijfelen dat elke ouder precieze onderwijsinhoudelijke of zorginhoudelijke afwegingen kan maken. Ik ben benieuwd hoe de staatssecretaris hiertegen aankijkt. Voorstanders spiegelen ons voor dat het instemmingsrecht geldt ten aanzien van de zorg die het kind krijgt, maar in de nota naar aanleiding van het verslag schrijft de staatssecretaris dat het handelingsdeel gebaseerd is op onderwijskundige overwegingen, naast pedagogische en sociale overwegingen. Als de staatssecretaris dit serieus meent, dan is dat toch een inbreuk op de professionaliteit van onze docenten? Kan de staatssecretaris hierop reflecteren? 

Een veelgehoorde klacht in het onderwijs is de werkdruk en de administratieve rompslomp. In het voorjaar hebben we hierover met elkaar gesproken. Toen zei staatssecretaris Dekker heel stoer op tv dat de administratie van docenten niet meer nodig is; als ze het niet nodig vinden, hoeven ze het niet meer te doen. Op de vraag aan de staatssecretaris om wat specifieker concrete regels te noemen die geschrapt konden worden, was het antwoord: dat is aan de schoolbesturen. Gratis medeleven, noemen we dat. De SP snapt daarom niet dat na al deze spierballentaal van de staatssecretaris over het verlagen van de regeldruk opeens allerlei nieuwe administratieve lasten worden opgelegd in dit wetsvoorstel. Dat lijkt niet echt consequent. Kan de staatssecretaris hierop reageren? 

Over bureaucratie gesproken: passend onderwijs zou de bureaucratie verminderen. Scholen en docenten klagen steen en been over de toename van de bureaucratie. Neem bijvoorbeeld het speciaal onderwijs. 116 van de 263 scholen voor speciaal onderwijs hebben te maken met 6 tot en met 10 samenwerkingsverbanden met elk zijn eigen formulieren, procedures en beleid. 31 scholen hebben te maken met 21 samenwerkingsverbanden of meer. Dit is geen doen. Waarom kiest de staatssecretaris nu voor nog meer bureaucratie? Waarom kiest hij er niet voor om uniforme formulieren en procedures af te spreken met de samenwerkingsverbanden? 

Het wetsvoorstel kost drie miljoen. Dat moeten de scholen gaan ophoesten uit de lumpsum. Er is geen compensatie vanuit het kabinet. We zadelen scholen daarmee op met een zogenoemde stille bezuiniging; een bedrag van 3 miljoen euro dat niet wordt geïnvesteerd in de klas, de docent of het onderwijs. Is de staatssecretaris bereid om die 3 miljoen aan de scholen te compenseren? 

In het voorjaar is de motie-Siderius (31497, nr. 188) over ernstig meervoudig beperkte leerlingen op cluster 3-scholen aangenomen. Deze leerlingen hebben het recht om tot de leeftijd van 20 jaar onderwijs te volgen als er nog ontwikkelperspectief is. Echter, vanaf het 18de jaar moeten deze leerlingen, of de ouders, de kosten van de zorg zelf opbrengen. Er is geen tegemoetkoming in de kinderbijslag meer, maar ze hebben wel te maken met heel hoge zorgkosten. Dat betekent dat ouders om financiële redenen hun kind van school halen. De motie vroeg om deze leerlingen een Wajong-uitkering toe te kennen voor de periode na hun 18de jaar waarin ze nog onderwijs volgen. Deze motie is met brede meerderheid in deze Kamer aangenomen. De staatssecretarissen van Onderwijs en Sociale Zaken zijn nu aan het onderzoeken of dit wel een echt probleem zou zijn, terwijl er een lijstje kan worden aangeleverd van cluster 3-scholen waar ouders om financiële redenen hun kind van af hebben gehaald. Vandaag spreken we over een "probleem" waarvan we ons kunnen afvragen of het ook in de praktijk een probleem is. Er zijn geen meldingen bij de onderwijsinspectie en er is geen onderzoek gedaan. Is de staatssecretaris bereid om het onderzoek naar aanleiding van de motie-Siderius per direct te staken en om direct een wetsvoorstel in te dienen bij de Kamer waarin wordt geregeld dat deze leerlingen weer onderwijs kunnen volgen, zodat de ouders niet financieel het schip in gaan? 

Ik hoop op weldoordachte en kwalitatief goede antwoorden van de staatssecretaris, want wij gaan echt op basis van die antwoorden bekijken wat wij met dit wetsvoorstel moeten doen. 

De heer Bruins (ChristenUnie):

Voorzitter. Iedere ouder wil het beste onderwijs voor zijn of haar kind. Zeker als er extra ondersteuning nodig is, is het belangrijk dat ouders kunnen meepraten. Voor de ChristenUnie is de positie van ouders belangrijk. Het gaat immers over hun kind. In 2014 is het stelsel van passend onderwijs ingevoerd, waarbij "op overeenstemming gericht overleg" in de wet is ingevoerd. In de memorie van toelichting zie ik geen reflectie terug op de werking van dit onderdeel van de Wet passend onderwijs. Bij de start van het wetsvoorstel is onder meer door de ECPO gewaarschuwd voor de borging van de positie van ouders. Ik vraag de staatssecretaris: wat is de stand van zaken nu? Heeft de staatssecretaris bijvoorbeeld van onderwijsconsulenten veel signalen over mislukkende oogo's gekregen? 

Ik heb veel schrijnende gevallen gezien van kinderen die thuiszitten omdat de school niet de juiste zorg kan leveren of van ouders die met de handen in het haar zitten omdat het handelingsplan niet voldoet om het kind zich goed te laten ontwikkelen. De ouders die ons benaderen met de problemen die ze ondervinden, treffen scholen die niet bereid zijn tot overleg en die ook geen toenadering hebben gezocht. Ze lopen vast in het systeem. Scholen, zo zeggen ouders, zitten in deze gevallen in de zendmodus, waarbij er geen overeenstemming is, laat staan een overleg. Zij negeren dus de wettelijke plicht om een op overeenstemming gericht overleg te voeren en passeren de ouders. Dat is eigenlijk het probleem. Kent de staatssecretaris die signalen ook? En hoe groot is dit probleem? Dat vraagt ook de Raad van State. De Raad van State wijst terecht op het belang van een evenwicht tussen de zorgplicht van scholen enerzijds en de wensen van ouders anderzijds. Dat is ook voor de ChristenUnie cruciaal. 

De heer Van Meenen (D66):

Ik wil even terug naar het oogo, zoals dat in het onderwijs genoemd wordt. Dat bestaat al heel lang, maar dan in de relatie tussen scholen en gemeenten. Daarbij zitten de scholen in de positie waarin de ouders nu zitten: zij hebben een vraag, bijvoorbeeld gericht op huisvesting, en dan is de gemeente eraan gehouden om daarover een op overeenstemming gericht overleg te houden. Dat is feitelijk een verhullende term voor: je hebt als school gewoon helemaal niks te vertellen. Dat is eigenlijk ook de positie van de ouders. Is de heer Bruins op de hoogte van die praktijk? En hoe kijkt hij er vanuit dat perspectief naar dat de PO-Raad en de VO-raad nu doen alsof oogo een wondermiddel is waarmee ineens alle problemen kunnen worden opgelost? 

De heer Bruins (ChristenUnie):

De heer Van Meenen slaat de spijker op de kop met zijn opmerking. Voor de ChristenUnie is precies dit punt cruciaal. Als oogo werkt, waar heb je dan instemmingsrecht voor nodig? Als oogo een doekje voor het bloeden is of een afkorting die in de praktijk eigenlijk niets betekent, dan moeten we heel goed bekijken wat die scholen dan aan het doen zijn. Het kan namelijk niet zo zijn dat je afspreekt om een oogo, op overeenstemming gericht overleg, te houden, maar dat dat in de praktijk niets betekent. Daar moeten we in dit debat achter zien te komen. 

De heer Van Meenen (D66):

Ik kan de heer Bruins wel een stukje op weg helpen. Je hebt in de praktijk wel zo'n overleg, een oogo, maar het is niet verplicht om tot een uitkomst te komen. We maken hier geen wetten voor de 95% of misschien wel 98% van de gevallen waarin het in Nederland gewoon goed gaat, in dit geval dus ook met kinderen. We maken hier juist wetten om af te dwingen dat, als het nodig is, er ook een positie voor de ouders is. Dat is althans mijn opvatting. Ik ben benieuwd hoe de heer Bruins daarop reageert. 

De heer Bruins (ChristenUnie):

De heer Van Meenen suggereert eigenlijk dat scholen op grote schaal hun wettelijke plicht negeren en dat de term "oogo" eigenlijk niets betekent. Ik hoor heel graag van de staatssecretaris welke signalen hij hoort en hoe groot dit probleem is, ook omdat dit voor de Raad van State een vraag was toen hij het wetsvoorstel bekeek. 

De heer Van Meenen (D66):

Ter correctie: ik suggereer helemaal niet dat scholen in groten getale hun wettelijke plicht negeren. Ik zeg juist dat het in 98% van de gevallen op scholen gewoon goed gaat. Kinderen vinden daar de juiste zorg. Maar je maakt een wet voor de gevallen waarin het niet goed gaat. 

De voorzitter:

Dank u wel. De heer Bruins vervolgt zijn betoog. 

De heer Bruins (ChristenUnie):

Eén ouder wees er terecht op dat niet alleen de school maar zeker ook de ouders een zorgplicht voor hun kind hebben. Ouders willen dat hun kind zich zo goed mogelijk kan ontwikkelen, thuis en op school. Het is ook niet zo zwart-wit dat de school wel de professionele kennis over begeleiding en zorg heeft en de ouders niet. Ook ouders winnen deskundig advies in en hebben een visie op de ontwikkeling van hun kind. De vraag voor vanavond is: hoe vinden we hierin de balans, hoe geven we de gezamenlijke verantwoordelijkheid vorm? Als de huidige regels worden gehandhaafd en scholen en samenwerkingsverbanden doen wat ze behoren te doen, dan zou de situatie als volgt moeten zijn, zo zeg ik ook nog in reactie op wat de heer Van Meenen zei: scholen gaan in overleg met de ouders, zij komen met de ouders tot een oplossing die het beste voor het kind is en die door beide partijen gedragen wordt — de school en de ouders brengen hierbij elk hun eigen expertise en creativiteit in — en het samenwerkingsverband zorgt voor de juiste middelen om het handelingsplan uit te voeren. Ik hoor graag van de staatssecretaris of hij deze visie deelt. Is hij het met mij eens dat de invulling van de zorgplicht ook betekent dat de oplossing mede gedragen moet worden door de ouders? Sluit dit dan niet al aan bij de huidige wettelijke situatie van het op overeenstemming gerichte overleg of bij de praktijk, om op dit punt maar even met de heer Van Meenen mee te gaan? Is hier dan ook niet direct een sterk raakvlak met het goed regelen van de doorzettingsmacht binnen samenwerkingsverbanden, waarop de commissie voor OCW in AO's verschillende malen heeft gewezen en ten aanzien waarvan we ook de toezegging van de staatssecretaris hebben liggen dat dat op afzienbare termijn goed wordt geregeld? 

In de schriftelijke beantwoording erkent de staatssecretaris dat het wetsvoorstel een groot risico op juridisering met zich brengt. Mevrouw Siderius noemde dat ook al. Kan hij nader toelichten wat hij daarmee bedoelt? Ik hoor bijvoorbeeld dat de stap naar de klachtencommissie vaak groot is, omdat ouders de vertrouwensrelatie met de school niet op het spel willen zetten. Graag krijg ik hierop een reactie. 

Vóór de invoering van het passend onderwijs hadden ouders instemmingsrecht wat betreft het toenmalige handelingsplan. Dit handelingsplan was sterk verweven met het toenmalige rugzakje, het budget dat de leerling volgde. Het lag daarom in de rede om ouders een stevige invloed op de aanwending van dat geld te geven. Destijds heeft de ChristenUnie ook voor dit voorstel gestemd, maar de positie van ouders is inmiddels verzwakt en gek genoeg is de positie van scholen niet sterker geworden. Er is dus een andere balans, maar welke balans dat is, is eigenlijk nog onduidelijk, omdat het passend onderwijs nog maar net begonnen is. Scholen zijn nu afhankelijk van het budget vanuit samenwerkingsverbanden. Schoolbesturen hebben in dit systeem wel de zorgplicht, maar niet de zeggenschap over het geld. Dat kan gaan knellen. Als ouders forse eisen stellen aan het handelingsplan en meer uren begeleiding eisen, dan betekent dat in het nieuwe systeem van passend onderwijs niet automatisch dat de school hiervoor meer budget in handen heeft. 

De heer Van Meenen (D66):

Ik bestrijd dat de positie van de scholen niet versterkt is. In ieder geval is dat wel ten opzichte van de ouders het geval. Die zijn iets kwijtgeraakt en dat zijn de scholen niet kwijtgeraakt. Is de heer Bruins het met mij eens dat het samenwerkingsverband niet een los van de scholen staand orgaan is, maar dat dat gewoon de gezamenlijke scholen zijn, bestuurd door de schoolbesturen? 

De heer Bruins (ChristenUnie):

Dit is weer een heel mooie over theorie en praktijk, deze vraag van de heer Van Meenen. Wij zien dat de samenwerkingsverbanden op sommige plekken goed werken — dat geldt met name op plekken waar directeuren heel direct met elkaar in overleg treden — maar we horen ook dat het op sommige plekken nog niet goed gaat. Van leraren die een kind graag zorg en onderwijs aanbieden omdat ze het graag willen helpen hoor ik dat ze het er enorm moeilijk mee hebben dat dit toch nog een hele stap is, en dat het echt een heleboel tijd en administratie vergt voordat daar zekerheid over is. Op sommige plekken werkt het gewoon nog niet zo goed, en dan zie je dat ouders wel een zwakkere positie hebben gekregen, maar dat scholen niet de kracht erbij hebben gekregen die dat in balans zou brengen. 

De voorzitter:

Afrondend, mijnheer Van Meenen. 

De heer Van Meenen (D66):

Er zijn ongetwijfeld samenwerkingsverbanden waarbij het niet goed werkt. Maar of die kracht nu bij het samenwerkingsverband als orgaan ligt, of bij de scholen: het gaat om een kracht aan de kant van de scholenorganisatie. Dan hebben die scholen met elkaar iets verkeerd afgesproken, maar dat kan toch nooit het recht van ouders in de weg staan? 

De heer Bruins (ChristenUnie):

Mijn punt is dat de schoolbesturen of de leraren, afhankelijk van de vraag hoe goed een en ander georganiseerd is in de samenwerkingsverbanden, formeel gezien toch in de mangel kunnen komen te zitten tussen het samenwerkingsverband en de ouders. Of dit zo is, hangt heel erg af van de wijze waarop dit georganiseerd wordt. Ik hoor heel graag van de staatssecretaris hoe hij over deze mangel denkt, over deze extra laag die het samenwerkingsverband in sommige gevallen vormt. 

Met het wetsvoorstel zal een onderscheid gaan optreden in de rechten van ouders tussen het ontwikkelingsperspectief en het handelingsplan. Bij het onderwijskundige doel is er op overeenstemming gericht overleg nodig en bij de instrumentkeuze, de uitwerking in het handelingsplan, is instemming van de ouders nodig. Dat kan een probleem opleveren wanneer school en ouders verschillend denken over het ontwikkelingsperspectief en het handelingsdeel. De Raad van State noemt het onderscheid kunstmatig en ik vraag me af of het wel of niet met een schaartje is te knippen. Ouders zouden zelfs indirect het ontwikkelingsperspectief kunnen beïnvloeden door hoge eisen aan het handelingsplan te stellen, bijvoorbeeld omdat zij vinden dat hun kind op een hoger niveau zou moeten uitstromen, met behulp van extra begeleiding. De staatssecretaris stelt in de schriftelijke beantwoording dat een aangescherpt handelingsplan tot een bijstelling van het uitstroomprofiel kan leiden. Dat kan toch niet de bedoeling zijn, aangezien we de leerkracht als professional beter in stelling willen brengen? Slaan we het uitstroomadvies van de leerkracht hierbij dan zomaar in de wind? 

In het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs wordt nu ook een handelingsdeel in de wet opgenomen, en daarmee wordt dit in lijn gebracht met het regulier onderwijs. Maar in dat speciaal onderwijs is vaak nog mist over het zorggeld dat vanuit ouders moet worden ingezet, en datgene wat uit onderwijsgeld komt. Deze scheidslijn is voor ouders — mevrouw Siderius had het hier ook al zijdelings over — nog onhelder. Wordt dit met het handelingsdeel scherper inzichtelijk voor de ouders? Is dat een voordeel dat we uit dit wetsvoorstel kunnen halen? 

Ik maak me zorgen — dat is mijn laatste punt — over de flinke toename in de administratieve lasten van 3,1 miljoen euro. In de memorie van toelichting staat dat het om 70.000 leerlingen x 1 uur x €45 gaat. Dat betekent dus 70.000 uur extra administratie voor leerkrachten in het speciaal onderwijs. Dit gaat toch ten koste van de uren in de klas? Hebben leraren niet al genoeg papierwerk te verrichten? 

Ik meld in mijn eerste termijn nog dat ik, na alle wanhopige mails van ouders over scholen die niet in overleg willen treden, neutraal sta tegenover dit wetsvoorstel, maar dat ik nog steeds van mening ben dat op overeenstemming gericht overleg dat niet werkt zoals het hoort te werken, eigenlijk de klacht is van ouders, en niet zozeer dat ze instemmingsrecht nodig hebben. Ik wacht dus heel graag het vervolg van dit debat af. 

Mevrouw Ypma (PvdA):

Voorzitter. Johan kwam thuis te zitten, terwijl hij dolgraag naar school wilde om met leeftijdsgenootjes samen te spelen en te leren. Het ging mis op zijn vorige school, waarvan hij verwijderd is. Er waren daar veel problemen en zijn ouders hadden veel zorgen over Johans gedrag thuis en op school, maar ze voelden zich niet serieus genomen. Op zijn nieuwe school worden de ouders echter wel serieus genomen. Hier staat het educatief partnerschap centraal en gaat de school met ouders om tafel, ieder vanuit zijn eigen kennis en ervaring, om gezamenlijk te bepalen welke extra ondersteuning werkt bij een kind. Dit wordt vastgelegd in het handelingsdeel en er is dus altijd sprake van overeenstemming. Zij zijn ook voorstander van dit wetsvoorstel. 

Johan gaat nu gelukkig weer vijf dagen per week naar school, maar dat ging niet vanzelf. Thuis en op school schoot hij namelijk weer snel in de weerstand. Hij roept dan: ga weg, ik wil dat niet! Hij duwt hierbij iedereen, dus de docent en zijn ouders, van zich af. Door thuis en op school met dezelfde aanpak te werken en daar met elkaar over te praten en er op dezelfde manier mee aan de slag te gaan, treedt er verbetering op. De docenten en de ouders helpen Johan om zijn gevoel te benoemen en geven daarna op rustige toon aan welk gedrag ze wenselijk vinden. Johan maakt hierdoor zijn werk. Hij krijgt ook een beloning als het goed gaat in plaats van alleen maar corrigerende maatregelen, waardoor zijn gedragsproblemen verergeren. De ouders oefenen dit thuis intensief en Johan zit op school weer rustig op zijn stoeltje te werken. Hij krijgt complimenten voor het feit dat hij zich aan de afspraken houdt. Dit voorbeeld, waarvan we er gelukkig heel veel hebben maar wat nog lang geen standaard is in heel Nederland, leert ons dat positief contact tussen ouders en school ten goede komt aan het kind maar ook aan de situatie op school, in de klas. Het kind ontwikkelt zich hierdoor beter. Het is in de klas rustiger en ook thuis prettiger. 

Zo kan ieder kind een gezonde start maken in zijn leven en tot optimaal leren komen. Dat gun ik ieder kind, en daarom ben ik een groot voorstander van dit wetsvoorstel. Samen werken ouders en school aan de optimale ontwikkeling van het kind. Het kind staat centraal; niet de positie van de een die sterker is dan de positie van de ander. Er is sprake van een voortdurende dialoog tussen gelijkwaardige partners, die ieder hun eigen pedagogische expertise hebben. Johan straalt weer, en zowel de leerkrachten als zijn ouders zijn tevreden en hebben vertrouwen in de toekomst, ook als ze wellicht weer voor nieuwe uitdagingen komen te staan. 

Als je mensen gelijkwaardig laat samenwerken aan een vraagstuk is de kans reëel dat ze tot een gedeelde constructieve oplossing komen. Maar als je mensen in een ongelijkwaardige situatie hetzelfde vraagstuk voorlegt, is de kans veel groter dat er geen overeenstemming van de grond komt, ook al is de intentie het op overeenstemming gericht overleg. De belangrijkste succesfactor is als leraren en ouders elkaar zien als partners en dingen met elkaar afstemmen. Daardoor worden drempels zo laag mogelijk, zijn ze op de hoogte en streven ze naar dialoog en samenwerking. Het gezamenlijk belang van het kind staat dan voorop. Dat moet de norm zijn en die norm moeten we hier vandaag wettelijk vastleggen. 

Het wettelijk instemmingsrecht bestond voor 2014 al. Sinds de invoering van de Wet passend onderwijs is dat instemmingsrecht vervallen. Ieder(in), Balans, Ouders & Onderwijs, Ouders van Waarde, de Nederlandse Stichting voor het Gehandicapte Kind en vele anderen merken dat ouders van kinderen met een handicap zich sindsdien vaak niet meer gehoord voelen, met als gevolg dat het kind niet meer goed functioneert op school of zelfs thuis komt te zitten. Ouderbetrokkenheid en een gelijkwaardige samenwerkingsrelatie met school zijn van groot belang voor de prestaties en het sociaal-emotioneel welbevinden van kinderen. Herinvoering van het instemmingsrecht geeft ouders weer een gelijkwaardige positie in het overleg met de school over hun eigen kind. Juist ouders van kinderen en jongeren met leer- en gedragsproblemen of een beperking weten als geen ander wat hun bijzondere kind nodig heeft en hoe het zich goed kan ontwikkelen. Ouders investeren graag in goede samenwerking met de school in het belang van hun kind. Het wettelijke recht op instemming met het handelingsdeel van het ontwikkelingsperspectief is volgens bijvoorbeeld NSGK nodig om de bijzondere kennis en ervaring van ouders recht te doen en ouders de zekerheid te geven dat er naar de zorgen en inzichten over hun specifieke kind wordt geluisterd. 

Soms kunnen kinderen zelf bruggen bouwen tussen de klas, hun familie, hun sportclub en hun vrienden, maar juist voor kwetsbare kinderen met bijvoorbeeld autisme geldt dat ze dit niet zelf kunnen. Hun ouders zijn hierin essentieel. Ik wil graag dat ouders serieus worden genomen en hun rol kunnen pakken. Daarom vraag ik samen met al deze ouderorganisaties: steun de ouders met dit wetsvoorstel en help mee aan het op gang brengen van de dialoog tussen de ouders en de leerkrachten! Zij zijn beiden verantwoordelijk voor een goede ontwikkeling. Zorg er ook voor dat er betere uitkomsten komen in het onderwijs voor kinderen, juist voor kinderen met een beperking of minder kansen. 

Kinderen brengen nog steeds de meeste tijd thuis door en daarnaast veel tijd op school. Dat maakt dat opvoeden en onderwijzen niet los van elkaar staan. Het Nederlands Jeugdinstituut acht het daarom van groot belang dat opvoeders en onderwijsprofessionals samenwerken. Als er een gelijkwaardige samenwerking ontstaat tussen ouders en school, vergroot dat de grote kans dat kinderen zich beter ontwikkelen en ontplooien. Goede contacten tussen school, ouders en leerlingen werken door in de kwaliteit van de school en komen de leerprestaties en de maatschappelijke ontwikkeling van leerlingen ten goede. 

Bij dit wetsvoorstel heb ik een amendement ingediend samen met mevrouw Siderius en de heer Van Meenen. In dat amendement wordt geregeld dat ouders van leerlingen in het reguliere onderwijs met een ondersteuningsarrangement van een instelling van cluster 1 of 2, dus voor kinderen met een visuele, auditieve of communicatieve beperking, medezeggenschap krijgen op het beleid van de instelling die de ondersteuning verleent. Hiermee geven de drie indieners uitvoering aan een eerdere motie waarin de regering is verzocht deze medezeggenschap binnen de Wet medezeggenschap op scholen te borgen. 

Ik vergeet nog iets. 

De voorzitter:

Dan gaat u verder. 

Mevrouw Ypma (PvdA):

Ik vind het mijn taak als wetgever om de kwetsbare partijen te beschermen tegen overmacht voor een eerlijk proces, maar ik zeg daar wel graag bij dat er in het ontwikkelingsperspectief vaak heel veel overbodige informatie staat. Ik sluit mij wat dat betreft aan bij collega Bruins, die daar zojuist ook over begon. Het ontwikkelingsperspectief is ontzettend lang en kost docenten veel tijd. Ik vraag de staatssecretaris daarom bij dezen om bijvoorbeeld met de PO-Raad en VO-raad in gesprek te gaan om ervoor te zorgen dat dit veel korter en concreter wordt. Juist als ouders daarmee instemmen, kun je allerlei problemen en bureaucratie voorkomen. Daar zou ik graag nog aandacht voor willen vragen. 

De heer Rog (CDA):

Voorzitter. Het CDA was een van de medeondertekenaars van de motie die aanleiding is voor dit wetsvoorstel. Wij waren van mening dat de positie van ouders bij het vaststellen van het handelingsdeel van het ontwikkelingsperspectief met de invoering van passend onderwijs versterkt zou moeten worden. In dat ontwikkelingsperspectief worden de ondersteuning en begeleiding beschreven van een leerling die extra zorg nodig heeft. In de situatie voor de invoering van passend onderwijs — toen elk kind dat extra zorg nodig had, een zogenoemd rugzakje kreeg — was de betrokkenheid van ouders goed geregeld. Zij beslisten samen met de school over de wijze waarop de extra middelen zouden worden besteed. Met dit wetsvoorstel zorgen wij ervoor dat de betrokkenheid van die ouders op dezelfde wijze geborgd is als tijdens de periode van het rugzakje. 

Voor het CDA is het wel van belang dat de school verantwoordelijk blijft voor de inhoud van het onderwijs en voor de begeleiding van de leerling en het streven naar de vastgestelde onderwijsdoelen. Wij zijn op dit punt dan ook gerustgesteld door de beantwoording van onze vragen door de regering bij het verslag. 

Ouders en school zijn partners in de begeleiding en ontwikkeling van kinderen. Daarom is het van groot belang dat zij het samen ook eens zijn over de begeleiding en de ondersteuning van een kind dat extra zorg nodig heeft. Juist bij deze groep kwetsbare kinderen is het belangrijk dat ouders en school niet verdeeld zijn. Mocht er toch onenigheid komen, dan kan een onderwijsconsulent als onafhankelijke partij bemiddelen tussen ouders en school. Mocht dit niet tot een oplossing leiden, dan staat de gang naar de geschillencommissie open. In de tussentijd zal de school individuele begeleiding bieden aan het kind over wie wel overeenstemming is met de ouders. 

Het CDA deelt op het punt van de professionaliteit de kritiek die de Raad van State daarop had niet. Het is namelijk maar zeer de vraag of het geringe aantal klachten dat erop zou wijzen dat dit wetsvoorstel niet nodig is, komt doordat er geen probleem is of dat ouders door hun zwakkere, niet gelijkwaardige positie het niet aandurven om te klagen. Het indienen van een klacht bij de tijdelijke geschillencommissie is echt een uiterste stap, die ouders niet snel zullen nemen, juist omwille van het partnerschap dat zij niet onder druk zullen willen zetten. Veel geschillen zullen dan ook niet worden aangekaart, maar onderling worden opgelost. Voor het CDA is hierbij van belang dat de positie van ouders niet moet worden verzwakt, maar juist weer moet worden teruggebracht op het niveau van voor de invoering van passend onderwijs. 

Dat kwam ook duidelijk naar voren uit de inbreng van diverse organisaties tijdens het rondetafelgesprek dat is georganiseerd voorafgaand aan de plenaire behandeling van dit wetsvoorstel. Ik heb tijdens dat rondetafelgesprek met veel aandacht geluisterd en goede dingen gehoord. In dat gesprek werd bijvoorbeeld de voormalig directeur van het samenwerkingsverband van Noord-Kennemerland aangehaald door een van de sprekers. Hij was expliciet voorstander van het instemmingsrecht voor ouders. Hij stelt dat scholen moeten leren respecteren dat ouders die het niet eens zijn met het handelingsdeel niet anders kunnen dan hun akkoord niet geven. Deze ouders zijn niet lastig, zegt hij, maar doen wat hun taak is, namelijk hun kinderen volgens eigen inzichten en opvattingen zo goed mogelijk opvoeden en zich laten ontplooien. Dit wetsvoorstel respecteert die belangrijke positie van ouders in het vinden van passende ondersteuning voor hun kinderen. 

Wij zien nu al met belangstelling de aangekondigde evaluatie van de wet tegemoet. Het is goed om na een aantal jaren te evalueren of de wet brengt wat hij beoogt, namelijk een gelijkwaardiger positie van ouders en school op het punt van dit handelingsdeel van het ontwikkelingsperspectief. Het is immers de school die aangeeft wat het ontwikkelingsperspectief is van een kind, het niveau dat een kind kan halen, maar de weg ernaartoe, het pad dat het kind gaat lopen, bereiken zij samen met de ouders. Daarom zijn wij enthousiast over dit wetsvoorstel. 

De heer Bisschop (SGP):

Voorzitter. Het werken aan een passende onderwijsplek voor elke leerling is een enorme klus. De stelselwijziging die sinds een paar jaar is ingezet, vraagt bijzonder veel van scholen. Het minste wat je als parlement kunt doen om scholen daarbij te helpen, is hen zo min mogelijk voor de voeten lopen met weer nieuwe wijzigingen. Als we scholen met veranderingen opzadelen, moeten die toch wel echt nodig zijn, anders stremmen we eerder een veranderingsproces dan dat we dat bevorderen of faciliteren. Als de overheid een grillige koers vaart, werkt dat een cynische houding bij de burgers in de hand. U hoort het al: "ze hebben weer wat" of "weer wat nieuws". De SGP is mede om die reden niet gecharmeerd van dit voorstel. 

Mevrouw Ypma (PvdA):

Minister Van Bijsterveldt heeft destijds herhaaldelijk gesteld dat de Wet passend onderwijs nog niet af is en het een "wet werk in uitvoering" is. De ECPO, de Evaluatie- en adviescommissie passend onderwijs, waarschuwde de staatssecretaris met een oranje stoplicht, onder meer omdat de positie van de ouders nog niet naar behoren geregeld is. Geeft dat de heer Bisschop niet te denken ten aanzien van wat hij eerder zei over dit moment? 

De heer Bisschop (SGP):

Op het moment dat dit geconstateerd zou worden en er signalen zouden zijn dat ouders met hun kinderen in de knel komen doordat niet in goed, op overeenstemming gericht overleg gekomen kan worden tot een zorgpakket dat de leerlingen nodig hebben, ben ik het er helemaal mee eens. Maar die signalen zijn er niet. Daarom houdt de SGP het pleidooi om dit te laten rusten. Dit heeft geen prioriteit. Laten we het vooral een paar jaar laten indalen. Misschien moeten we dan inderdaad de stap zetten dat ouders een soort vetorecht krijgen op het handelingsdeel. Maar daar moet dan wel noodzaak toe zijn. Anders moet je een proces dat je uitgezet hebt gewoon laten lopen. 

Mevrouw Ypma (PvdA):

Ik kan niet voorschrijven hoe je je werk als volksvertegenwoordiger doet en begrijp ook heel goed dat de heer Bisschop niet bij het rondetafelgesprek aanwezig kon zijn, maar hij heeft schriftelijk de bijdragen gekregen van de Nederlandse Stichting voor het Gehandicapte Kind, Balans, Ieder(in), Ouders & Onderwijs en OUDERS VAN WAARDE. Al die verschillende organisaties geven in hun bijdragen talloze voorbeelden van kinderen die hiermee zitten. Hoe kan de heer Bisschop hier dan aangeven dat er geen signalen zijn? 

De heer Bisschop (SGP):

Als het gaat om benaderd worden door ouders die vastlopen, sluit ik mij aan bij collega Bruins. Ik heb geen mails gekregen waarin aan de bel wordt getrokken omdat het fout gaat. Via via zijn er allerlei verhalen, maar goed, dat zijn dan de verhalen die via via binnenkomen. 

De heer Van Meenen (D66):

Het is maar zelden zo dat de heer Bisschop en ik een verschillende ervaring hebben uit al die jaren dat we in het onderwijs hebben rondgelopen, maar het moet hem toch ook opgevallen zijn dat de positie van ouders met de invoering van het passend onderwijs ernstig verslechterd is? Is het niet gewoon zaak dat we die positie versterken? Dat is toch niets bijzonders? Scholen hebben talloze jaren met diezelfde positie gewerkt. 

De heer Bisschop (SGP):

Ik kan niet spreken over praktische onderwijservaring in de periode dat het passend onderwijs is ingevoerd, want toen zat ik in de Kamer. Maar van daarvoor, uit het rugzakjestraject en dergelijke, is mij op verschillende scholen bijgebleven dat het overleg met de ouders altijd vooropstond om te komen tot een behandeling die het kind echt vooruithielp. Ik heb op dit moment geen reden en ook geen signalen, ook niet van werkbezoeken of uit contacten met ouders, dat dit fundamenteel anders zou zijn en scholen zich nu opeens manifesteren als degene die het wel even zal zeggen en dat ouders zich daar maar naar te voegen hebben. Ik vang het signaal op dat er altijd wordt gezocht naar een balans, een overeenstemming over een aanpak die in het belang is van het kind. Daar is het gesprek ook altijd op gericht. Ik zie dus geen noodzaak om dit nu verplicht op te leggen. 

De heer Van Meenen (D66):

Het is precies zoals de heer Bisschop het zegt: wij beiden hebben gewerkt in de situatie waarin ouders instemmingsrecht hadden via het rugzakje. Dat leverde geen problemen op. We weten in ieder geval zeker dat de ouders in de huidige situatie geen instemmingsrecht meer hebben. Er zijn echt aanwijzingen, van al die ouderorganisaties, dat er wel degelijk problemen zijn. Die aanwijzingen bereiken via hen de Kamer. Ik vraag me dus echt in gemoede af waarom de heer Bisschop niet bereid is om de ouders het recht dat ze altijd al hadden gewoon terug te geven. Dan gaan wij terug naar een situatie waarvan wij beiden weten dat die geen problemen oplevert. 

De heer Bisschop (SGP):

Ik kies ervoor om nu niet in te stemmen met dit voorstel, omdat er onder het nieuwe regime, met de nieuwe aanpak, geen signalen zijn dat er problemen en onoplosbare situaties zijn. Althans, mij hebben die signalen niet rechtstreeks bereikt en ook niet via contacten. Natuurlijk moet er soms doorgesproken worden over wat nu het meest wenselijk is, maar er is altijd sprake van een oplossing. Ik vind dat je in een lopend proces niet onnodig moet ingrijpen. Dan moet het echt nodig zijn, dan moeten er dingen fout gaan. Anders moet je de tijd nemen en de moed hebben om even een stap terug te doen en het proces, het proces te laten zijn. 

De regering stelt eerlijk dat we hier te maken hebben met een politieke keuze, niet met een nijpend probleem dat opgelost moet worden. Ik onderstreep het nog maar eens vanuit de informatie die eenieder tot zijn beschikking heeft. De keuze voor dit voorstel is echter niet vrijblijvend. Het voorstel kan zelfs averechts werken. Ouders krijgen instemmingsrecht ten aanzien van een professionele beoordeling van de ondersteuning die nodig is. De druk die hierdoor op scholen kan ontstaan, hoeft niet bij voorbaat in het voordeel van het kind te werken. Ik vraag de staatssecretaris om hier nog eens nadrukkelijk op in te gaan. 

De SGP begrijpt dat ouders het beste zoeken voor hun kind. Daar zijn ze ook toe gehouden en wij juichen dat van harte toe. Mijn vraag is wel hoe het voorliggende voorstel zich verhoudt tot de professionaliteit van de leraren die, in het kader van het invoeren van het lerarenregister, een week geleden zo hartstochtelijk is beleden. Hebben ze die professionaliteit dan juist niet? 

De heer Van Meenen (D66):

Ik doe helemaal niets af aan de inzet voor de professionele ruimte van docenten, maar ik probeer de heer Bisschop nog eens op andere gedachten te brengen door een ander voorbeeld uit de zorg te nemen. Stel dat het zo zou zijn dat in de zorg artsen beslissen welke behandeling een kind krijgt, bijvoorbeeld een polio-injectie. Ik weet dat er in de kringen van de heer Bisschop mensen zijn die zich daartegen verzetten. Dat recht hebben ze nog steeds in Nederland. Hoe zou de heer Bisschop het vinden als de arts desondanks zou zeggen dat hij het vanuit zijn professionaliteit toch gewoon gaat doen? De spuit erin! Dat is namelijk exact de situatie zoals die nu op de scholen is. 

De heer Bisschop (SGP):

Nee, dat denk ik niet. Het verschil zit 'm hierin dat het dan om een verplichting gaat. Het is een behandeling waaraan het kind zich móet onderwerpen. In de situatie die we in het kader van passend onderwijs hebben, is het een aanbod dat een school kan doen: dit is het, hier richten wij ons op. Op overeenstemming gericht overleg is geen loze kreet. Hier richten wij ons op, dit kunnen wij bieden. Eenieder is vrij om het te weigeren. Het voorbeeld dat de heer Van Meenen noemt, onderstreept juist dat we beter even de lijn kunnen vasthouden zoals het op dit moment geregeld is. 

De voorzitter:

Afrondend, de heer Van Meenen. 

De heer Van Meenen (D66):

Het spijt me zeer, maar hier draait de heer Bisschop helemaal weg van het voorbeeld dat ik gaf. Als we dezelfde redenering zouden toepassen, zou er een heel goed gesprek plaatsvinden, maar is het uiteindelijk de arts die beslist. Je kunt nog zo lang over het op overeenstemming gericht overleg doen en je kunt ook nog zeggen dat iemand een andere arts moet zoeken die bereid is om het niet te doen. Dat zegt de heer Bisschop eigenlijk. Voor de groep kinderen waarover we het hebben, kan echter niet zo maar even naar een andere school gaan. Dit is het aanbod en u kunt het weigeren, ga maar naar een andere school: zo werkt het niet. Voor deze kinderen zijn er niet zo heel veel plekken. Ik heb niet zozeer een vraag, maar ik ben teleurgesteld. Ik begrijp het gewoon echt niet van de heer Bisschop. 

De voorzitter:

Waarvan akte. 

De heer Bisschop (SGP):

Misschien kan ik collega Van Meenen toch nog enigszins tegemoetkomen en iets van die teleurstelling wegnemen. Er zit namelijk een constructiefout in de vergelijking. Die arts dwingt niet, die arts biedt aan. Die docent of die school dwingt niet, die school biedt aan. In die zin is het een pleidooi om het ingezette beleid te handhaven. 

In het vervolg op de motie-Ypma zet de regering een knip tussen het ontwikkelingsperspectief en het handelingsdeel. Daar zit ook een probleem. Het blijft een beetje wringen, aangezien het ontwikkelingsperspectief nauw samenhangt met de extra ondersteuning die ingezet moet worden. Wil de regering nader toelichten waarom instemming op het perspectief van de leerling ingrijpender is dan instemming op de concrete ondersteuning die daarvoor ingezet moet worden? Grijpt de bemoeienis met de ondersteuning niet veel directer in de professionele ruimte in? 

De SGP zou graag een nadere toelichting op het gekozen onderscheid krijgen, vooral omdat de term "handelingsdeel" bij de Wet passend onderwijs nog niet aan de orde was. De wet stelt dat er een ontwikkelingsperspectief is en dat daarin een beschrijving van de extra ondersteuning opgenomen moet worden. Volgens de regering is die beschrijving van die extra ondersteuning het handelingsdeel, maar zo is het in de wet zelf niet gedefinieerd. 

De wet kent echter ook nog de expliciete plicht om afwijkingen van het onderwijsprogramma in het ontwikkelingsperspectief te vermelden. Valt dat volgens de regering binnen of buiten het handelingsdeel? Ik hoop dat ik hier een helder antwoord op krijg. Ik onderstreep dat er in de wet passend onderwijs meer aspecten zijn waar wij eerst eens goed over moeten nadenken voordat wij nu één elementje isoleren en uitvergroten, en vervolgens allemaal dingen gaan regelen. Laten wij er de tijd voor nemen om dat even wat breder te doen. Als het volgend jaar gebeurt, is er ook niks aan de hand. 

De heer Beertema (PVV):

Voorzitter. Sinds de invoering van het passend onderwijs in augustus 2014, nog maar kort geleden, wordt ernaar gestreefd leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben, zo veel mogelijk in het reguliere onderwijs op te nemen. Daarbij zijn maatregelen getroffen om de noodzakelijke ondersteuning ook daadwerkelijk te kunnen bieden. Een van die maatregelen is de ontwikkeling van het ontwikkelingsperspectief, een document dat het bevoegd gezag van de school moet vaststellen voor elke leerling die extra ondersteuning nodig heeft. Het bevoegd gezag stelt het ontwikkelingsperspectief vast nadat op overeenstemming gericht overleg is gevoerd met de ouders. 

Dit wetsvoorstel voegt daaraan toe dat over het deel van het ontwikkelingsperspectief over de individuele begeleiding, het handelingsdeel, ook nog eens overeenstemming bereikt moet worden met de ouders. Dit impliceert dat als de ouders uiteindelijk, na een heleboel geharrewar, niet met het handelingsdeel instemmen, de school het kind geen individuele begeleiding meer zou kunnen bieden en het kind de school wellicht zou moeten verlaten. Ziet de staatssecretaris dat gevaar ook? 

Vóór de invoering van het passend onderwijs was het bevoegd gezag van een school verplicht een handelingsplan op te stellen voor leerlingen die speciale zorg nodig hebben. Toen werd ook al genoemd het vereiste van instemming van de ouders. Minder dan een jaar geleden is het handelingsplan vervangen door dit ontwikkelingsperspectief. Hiermee werd het vereiste van de instemming van de ouders vervangen door een verplichting om met de ouders het oogo te voeren. 

Passend onderwijs is nog maar net uitgerold, maar dit voorstel wijzigt de procedure rond het handelingsdeel al binnen een jaar na invoering. Uit de toelichting blijkt niet dat zich in de korte tijd sinds de invoering van het passend onderwijs problemen hebben voorgedaan die zo ernstig en zo omvangrijk zijn dat deze wetswijziging gerechtvaardigd zou zijn. 

De PVV ziet geen enkele aanleiding om over te gaan tot het wijzigen van de wet. De Raad van State overigens ook niet. Die geeft zelfs het eindoordeel dat het beter is om de wetswijziging maar niet naar de Kamer te zenden. Dat gebeurt niet zo heel vaak. Deze wijziging neemt wat ons betreft meer bureaucratie met zich mee dan dat er iets wordt opgelost. Oogo, dat overleg, biedt volgens de PVV voldoende kaders en voorkomt dat scholen en leraren zonder overleg met ouders ondersteuning vaststellen. Door het invoeren van het instemmingsrecht op het handelingsdeel wordt volgens ons het overleg tussen leraren en ouders eerder gefrustreerd dan bevorderd. Het moet immers om de leerling gaan en het mag geen eindeloze onderhandeling worden tussen de leraar of de school en de ouders. 

Het is voor ons een belangrijk punt dat het daarnaast ook de autonomie van de professional aantast die in dat traject werkt. Het raakt echt de professionele ruimte van de leraar en die is uiteindelijk wel de expert. Die leraar heeft die professionele ruimte echt nodig om keuzes te kunnen maken in dat palet van begeleiding en het soort onderwijsprogramma's dat hij tot zijn beschikking heeft. Het is de leraar die het uiteindelijk moet gaan uitvoeren in de eigen lespraktijk, in die klas waar nog heel veel andere kinderen zitten. Dat was de reden voor de PVV om tegen de motie-Ypma te stemmen die aan deze wetswijziging ten grondslag ligt. 

Afsluitend. Er is nergens gebleken dat zich na de invoering van passend onderwijs ernstige problemen hebben voorgedaan bij de totstandkoming van het ontwikkelingsperspectief. Vanwege het feit dat het ontwikkelingsperspectief aan de professional is en uiteindelijk niet aan de ouder, maar zeker ook om eindeloze discussies met een zeer beperkte groep ouders te voorkomen die zich met de invoering van deze wetswijziging zullen gaan voordoen, zal de PVV tegen deze wetswijziging stemmen. 

Mevrouw Straus (VVD):

Voorzitter. Vanavond spreken wij over het voorstel om instemmingsrecht in te voeren op het handelingsdeel van het ontwikkelingsperspectief. Een mondvol! Het klinkt heel technisch — mevrouw Siderius heeft er een prachtige uiteenzetting over gehouden in haar termijn — maar eigenlijk is het heel concreet en heel belangrijk. Het gaat om kinderen die naar school willen maar extra ondersteuning nodig hebben van de school om dat te kunnen. Dat is ook de essentie van passend onderwijs, waar dit wetsvoorstel een wijziging op is. De behoefte van het kind staat centraal en het is aan een school om een kind te bieden wat het nodig heeft om volwaardig mee te kunnen doen, eerst op school en daardoor later ook beter in de maatschappij. 

De invoering van passend onderwijs is een flinke verandering voor het onderwijs geweest en zeker niet alles gaat al goed. Soms zijn ouders blij met de ondersteuning die een school kan bieden en soms ook niet. Dat voorzagen we al bij de totstandkoming van passend onderwijs. Scholen hebben daarom zorgplicht gekregen: zij moeten het kind een passend aanbod doen en als zij er zelf niet in kunnen voorzien, moeten zij binnen hun samenwerkingsverband een oplossing zoeken. Vaak lukt dat, maar soms lukt dat ook niet. Daar sluit ik ook de ogen niet voor, want soms nemen scholen de zorgplicht inderdaad onvoldoende serieus. Het is ook niet voor niets dat ik eerder dit jaar, samen met mevrouw Ypma, een motie heb ingediend om de handhaving van de zorgplicht te verbeteren. Ik vraag graag aan de staatssecretaris hoe het daarmee staat. 

Naast die zorgplicht is er ook een geschillencommissie gekomen, waar ouders hun kwestie kunnen voorleggen om tot een oplossing te komen. De vraag die ik de staatssecretaris zou willen stellen, is hoe hij het functioneren van die geschillencommissie beoordeelt. Doet deze inderdaad wat zij zou moeten doen? En hoe verhoudt deze zich tot het wetsvoorstel dat hier voorligt? 

Het klopt inderdaad dat ouders soms niet tevreden zijn over de ondersteuning die de school het kind kan en wil bieden. Die berichten bereiken mij natuurlijk ook. De vraag die wat mij betreft vandaag voorligt, is dan ook niet zozeer of er situaties zijn waar scholen en ouders er samen niet uitkomen maar wat de beste manier is om dat op te lossen. 

Dit wetsvoorstel regelt dat het plan van aanpak voor kinderen die extra ondersteuning moeten krijgen, pas vastgesteld kan worden na instemming van de ouders. Nu ben ik zelf ook een ouder en ik weet dat elke ouder altijd het beste voor zijn of haar kind wil. Daar wil elke ouder ook graag in gehoord worden en over meepraten, zeker als een kind extra ondersteuning nodig heeft. In de huidige wet, de nog maar net ingevoerde Wet passend onderwijs, hebben we dat ook geregeld. Scholen moeten namelijk met ouders een op overeenstemming gericht overleg voeren over de ondersteuning die de school het kind biedt. Dat overleg is erop gericht om er samen met de ouders uit te komen, ouders en school samen, naast elkaar. Dat is wat mij betreft het beste voor het kind. 

Uit niets wat vandaag op tafel ligt, blijkt dat wij nu al moeten aannemen dat dit in algemene zin niet werkt en dat wij op dit punt wantrouwig naar scholen en leraren zouden moeten zijn. Er liggen geen cijfers of onderzoek ten grondslag aan dit wetsvoorstel en er zijn ook geen andere maatregelen genomen of overwogen. Wat de VVD betreft zouden we daarom sowieso eerst de evaluatie van het passend onderwijs moeten afwachten, alvorens we nieuwe regels toevoegen. De Raad van State neemt ook de korte tijd tussen de invoering van de Wet passend onderwijs en de wijziging daarop die nu alweer wordt voorgesteld mee in zijn advies om dit voorstel niet naar de Kamer te sturen. Ik vraag de staatssecretaris waarom hij gemeend heeft dat toch te moeten doen. 

Het gaat zoals gezegd nog niet altijd goed, ook al geldt dat wel voor het overgrote deel. Als het in individuele gevallen niet goed gaat, zou het dan niet beter zijn om in te zetten op de verbetering van de huidige situatie en dus op de verbetering van het gesprek tussen de ouders en de school? Dat spreekt ons meer aan dan nu te denken dat je met de versterking van de juridische positie van ouders het toverstokje in handen hebt dat alles oplost. Dat is immers wat er met dit wetsvoorstel wordt gedaan. Wij geloven daar niet in. 

De heer Van Meenen (D66):

Ik probeer mij voor te stellen welke verbetering mevrouw Straus voor ogen heeft voor dat op overeenstemming gerichte gesprek. 

Mevrouw Straus (VVD):

Ik ben voornemens om daar straks eventueel een motie over in te dienen, maar ik wil wel alvast een voorzet geven. Mijn idee is om in te zetten op mediation. Als het gesprek tussen de ouders en de school in een impasse raakt, wil ik daar een onafhankelijk instituut naast zetten, bijvoorbeeld onderwijsconsulenten. Zij kunnen dat gesprek weer vlot trekken en zij kunnen er samen voor zorgen dat er toch een oplossing komt. Het gaat er immers uiteindelijk om dat dat op overeenstemming gerichte overleg daadwerkelijk iets gaat voorstellen. Volgens mij heeft de heer Van Meenen dat zojuist ook bepleit. 

De heer Van Meenen (D66):

Dat klinkt natuurlijk heel vriendelijk, maar volgens mij vindt mediation altijd plaats tussen twee partijen die gelijke rechten hebben, bijvoorbeeld bij een echtscheiding. Het zou heel bijzonder zijn als je in een land leeft waarin bij een echtscheiding een op overeenstemming gericht overleg tussen beide partners gevoerd moet worden, terwijl de man uiteindelijk beslist. Dat is voor sommigen in deze Kamer misschien een droombeeld, maar voor mij niet. Je komt dan niet ver met mediation. Als de macht en het besluit uiteindelijk bij één partij ligt, is elk op overeenstemming gericht overleg of elke vorm van mediation gebaseerd op een ongelijkwaardige positie. Ik begrijp echt niet dat de VVD daarmee door wil gaan. 

De voorzitter:

Wat is uw vraag? 

De heer Van Meenen (D66):

Stel dat wij meteen bij de invoering van het passend onderwijs — waarvoor meerdere partijen gepleit hebben — het instemmingsrecht op dat handelingsdeel hadden opgenomen. Wat zou dan de positie zijn van mevrouw Straus? Zou zij er dan voor pleiten om dat er nu weer uit te halen? Is het punt dat het er niet meteen in stond, het sterkste punt uit het betoog van mevrouw Straus? 

Mevrouw Straus (VVD):

Ik bedoel te betogen dat wij er bij de Wet passend onderwijs bewust op hebben ingezet dat het onderwijs en ouders veel meer in gezamenlijkheid gaan creëren. De heer Van Meenen heeft daar een andere opvatting over dan wij, maar ik wil het in ieder geval het voordeel van de twijfel geven. Ik wil het een kans geven. Dat hebben we tot nu toe niet gedaan. Ik heb ook signalen gehad, maar die gingen wel allemaal over individuele situaties. In de casuïstiek die op mijn bureau lag, ging het er altijd om dat het gesprek tussen de school en de ouders op de een of andere manier gestagneerd was. In alle situaties waarin ik suggesties heb gedaan om te helpen, hebben de onderwijsconsulenten dat gesprek vlot getrokken, zodat het uiteindelijk toch tot overeenstemming heeft geleid. Dat maakt dat ik zeg: zet daar meer op in. 

Mevrouw Ypma (PvdA):

Maar die mogelijkheid hebben we toch al? Die onderwijsconsulenten zijn er toch al? Mevrouw Straus heeft toch ook alle berichten gekregen waarin ouderorganisaties niet alleen aangeven wat de problemen zijn, maar ook wat de oplossing daarvoor is, namelijk een gelijkwaardige positie voor ouders? 

Mevrouw Straus (VVD):

De motie van mevrouw Ypma is ingediend toen die onderwijsconsulenten nog niet in positie waren. Dat is eigenlijk pas in het afgelopen jaar echt goed gaan draaien. Ik heb het idee dat we daar nog veel sterker op zouden kunnen inzetten dan we nu doen. De casussen die op mijn bureau lagen, maar ook de dingen ik gehoord heb tijdens het rondetafelgesprek, gingen vaak over situaties die al een lange historie hadden en waarin kinderen al lang zaten te worstelen om een goede plek binnen het onderwijs te krijgen, ook voor het passend onderwijs. Toen waren deze onderwijsconsulenten er nog niet. Ik denk dat er op dat punt nog een hele weg te winnen is. 

Mevrouw Ypma (PvdA):

Wij delen de insteek dat het van belang is dat er goede communicatie is, maar op dit moment is er geen plicht om er samen uit te komen. Er is een op overeenstemming gericht overleg, maar dat betekent eigenlijk: we proberen er samen uit te komen, maar ik heb wat meer te zeggen dan jij. Dat is toch niet eerlijk? 

Mevrouw Straus (VVD):

In de casussen die ik onder ogen heb gehad, hebben de onderwijsconsulenten een heel waardevolle kunnen spelen om die situatie wel vlot te trekken en om er uiteindelijk wel uit te komen met de scholen. Dat is zeker nog niet in alle situaties het geval. Ik ken ook de vertegenwoordigende organisaties. Er zitten heel moeilijke casussen bij, maar er is nog een hele wereld te winnen alvorens we hals over kop de wet gaan wijzigen. 

De heer Rog (CDA):

Mevrouw Straus hecht veel waarde aan het werk van de onderwijsconsulenten, net als de CDA-fractie. Zij kunnen nu al een middelende rol spelen. Daar hebben we dus geen motie voor nodig. 

Mijn vraag sluit aan bij wat de heer Van Meenen vroeg. Als er zo'n middelende rol gespeeld wordt, is het dan niet heel waardevol dat de uitgangspositie van beide partijen gelijkwaardig is? Wat is dáár nu het antwoord op van mevrouw Straus? 

Mevrouw Straus (VVD):

Uiteindelijk doet de school een aanbod. De heer Bisschop heeft dat ook heel goed verwoord. De school doet een aanbod binnen de mogelijkheden die hij heeft of die hij binnen het samenwerkingsverband ziet. Dat zul je uiteindelijk altijd moeten meenemen bij het zoeken naar overeenstemming met ouders. Een ouder zal dan niet altijd op alle punten zijn zin krijgen, want hij heeft het nooit helemaal alleen voor het zeggen. Je zult altijd in overleg met de school, afhankelijk van de situatie, moeten zoeken naar de best haalbare oplossing. Beide partijen zullen daarin moeten wikken en wegen. Mevrouw Van Bijsterveldt heeft het op overeenstemming gericht overleg niet voor niets op deze manier in de wet opgenomen. Dat moeten we echt een kans geven. 

De heer Rog (CDA):

Ik ben het met mevrouw Straus eens dat je daar met elkaar uit moet komen. Maar wat is ertegen om de positie van een instituut, de school, en een ouder, die als eerste verantwoordelijk is voor de opvoeding van de kinderen, bij de start van het gesprek en bij een eventueel conflict gelijkwaardig te laten zijn? Wat is daar nou zo vreselijk aan? 

Mevrouw Straus (VVD):

Op zich is daar niets vreselijks aan, maar de heer Rog gaat ervan uit dat je de intentie van de school al op voorhand moet wantrouwen. Zo hebben wij het passend onderwijs niet vormgegeven. Die gelijkwaardigheid is er nu ook. Die is weliswaar niet juridisch vastgelegd met instemmingsrecht, maar dat betekent niet dat op overeenstemming gericht overleg een lege huls is. Ook dat moet daadwerkelijk gaan werken. Wat mij betreft gaan wij bij de evaluatie van de Wet passend onderwijs ook zien of dat wel of niet werkt. Als wij dan samen tot de conclusie komen dat het onvoldoende werkt, moeten we opnieuw bekijken of er extra juridische maatregelen nodig zijn. 

Mevrouw Ypma (PvdA):

Keert mevrouw Straus het nu niet om? Is dat wantrouwen op dit moment niet de andere kant op geregeld? Als je niet vanuit een gelijkwaardige positie spreekt en de ene meer te zeggen heeft dan de andere, dan bestaat dat wantrouwen toch juist nu? We kunnen dat wantrouwen dan toch opheffen door vanuit een gelijkwaardige positie met elkaar te praten? 

Mevrouw Straus (VVD):

Ik zie het niet zoals mevrouw Ypma, maar precies andersom. De school heeft een eigenstandige verantwoordelijkheid om een aanbod te doen. Dat aanbod doet hij met alle professionaliteit en overweging. Uiteindelijk moeten de ouders en de school daarbinnen samen tot een oplossing komen. Ik ben er absoluut een voorstander van dat de school en de ouders er in alle situaties uitkomen, maar wel samen. Wat mij betreft, is het op overeenstemming gericht overleg daarin een heel goede stap. Als we dat nog een beetje kunnen versterken door middel van mediation door de onderwijsconsulenten, dan is er nog een hele wereld te winnen. 

Mevrouw Ypma (PvdA):

Is mevrouw Straus het met mij eens dat ouders altijd al op achterstand staan? Zij spelen altijd een uitwedstrijd. De school stelt het handelingsplan op. Dat wordt opgesteld door de deskundigen, door de leerkrachten. Zo'n document op zich straalt al autoriteit uit. Moet je het gesprek niet eerlijker maken door hun positie gelijkwaardig te maken? 

Mevrouw Straus (VVD):

Je moet het gesprek niet eerlijker maken. Je moet het gesprek heel vroeg beginnen en je moet samen optrekken. Het is een verantwoordelijkheid van de school om met ouders te partneren. Ik zie niet in wat hun juridische positie nu daarin gaat veranderen zonder dat we daar serieus aanleiding toe hebben. 

Ik rond af. Wij vrezen dat dit wetsvoorstel eerder het tegenovergestelde effect zal hebben van wat wordt beoogd en dat er meer en ook diepere conflicten tussen ouders en professionals zullen ontstaan. Dan kennen we geen winnaars, maar wel duidelijke verliezers, namelijk de kinderen om wie het gaat. Dat willen wij zeker niet. 

De heer Van Meenen (D66):

Voorzitter. Wanneer partijen gelijke rechten hebben, kunnen er problemen ontstaan, zeg ik nog maar even in aansluiting op het verhaal van mevrouw Straus. Dat is natuurlijk lastig. Je kunt dat oplossen door een van de partijen de beslissing in handen te geven, maar dat willen we nergens anders in onze samenleving. Ik heb net het voorbeeld van de echtscheiding gegeven. Dan zijn er ook veel conflicten en is er ook sprake van juridisering. Dat kunnen we ook oplossen door op overeenstemming gericht overleg en door een van beide partners — laten we in dit geval zeggen: de vrouw — het besluit te laten nemen. Dat scheelt ontzettend veel gedoe, procedures en administratie. 

Je moet je wel serieus afvragen of daarmee de optimale situatie wordt bereikt. Ik heb jarenlang, zestien jaar lang, met op overeenstemming gericht overleg gewerkt met gemeenten. Ik kan boeken schrijven over wat op overeenstemming gericht overleg betekent. Het is echt hemeltergend dat de PO-Raad en VO-raad nu komen met het argument van op overeenstemming gericht overleg. Ze hebben het altijd afschuwelijk gevonden dat ze in die positie ten opzichte van de gemeenten stonden, als het ging om huisvesting. Nu is het ineens een wondermiddel. Ik begrijp er niets van. 

D66 heeft tegen de Wet passend onderwijs gestemd. Dat was om meerdere redenen, maar een van de voornaamste argumenten was de uiterst zwakke positie van de ouders. We moeten erkennen dat dat een weeffout is geweest. We moeten nu niet doen alsof er een dramatische verandering in de wet is, terwijl we nog maar net twee jaar bezig zijn. Nee, dit is gewoon reparatiewetgeving. Er is destijds iets goed fout gegaan. Met dit wetsvoorstel wordt de positie van de ouders weer versterkt. Ik heb net al het voorbeeld aan de heer Bisschop gegeven: in andere sectoren zoals de gezondheidszorg wordt dit volstrekt normaal gevonden. U moet zich toch niet voorstellen dat u bij een arts komt en dat hij zegt: ik stel dit voor, ik hoop dat u het ermee eens bent en zo niet, dan doe ik het toch. Dat lijkt mij geen positie die je als patiënt wilt. 

D66 vecht voortdurend — ik doe dat persoonlijk al vier jaar — voor de versterking van de medezeggenschap van docenten. Docenten zijn echter niet van suiker. Betrokkenheid van ouders is essentieel voor het welslagen van de zorg voor kinderen en dus is zeggenschap van die ouders essentieel. Dat zal heus weleens een keer schuren, maar zonder wrijving geen glans. Uiteindelijk is het onderwijs er niet voor de ouders en niet voor de docenten. Het is er voor het kind. Er zijn twee partijen die een heel zware verplichting ten opzichte van dat kind hebben, namelijk aan de ene kant de school en aan de andere kant de ouders. Die moeten wat mijn fractie betreft in een gelijkwaardige positie met elkaar kunnen bepalen wat er gebeurt. In die situatie — ik zei het al tegen de heer Bisschop — hebben we heel lang verkeerd, tot aan de invoering van passend onderwijs, en dat ging prima. In sommige gevallen ging het niet goed en dan was er een geschil. Dan is er een geschil en dan komt er een besluit. We moeten ook niet doen alsof er dan helemaal geen zorg meer is. Nee, dan komt er gewoon een besluit. Als er een geschil is in dit land, hebben we daar heel reguliere trajecten voor. 

Ik zei al dat ik nog nooit iemand in het onderwijs ooit iets positiefs heb horen zeggen over het op overeenstemming gericht overleg. Het is een frame: we praten, we praten, maar ik beslis. Probeert u zich eens voor te stellen dat wij als Kamer die verhouding tot de staatssecretaris zouden hebben. Wij hebben met de staatssecretaris op overeenstemming gericht overleg. We kunnen hier praten wat we willen, maar uiteindelijk is hij degene die beslist. Ik geloof niet dat dat een aanlokkelijk beeld is. Andersom ook niet, overigens. Nou, ja, vooruit. 

De heer Beertema (PVV):

Ik hoor eigenlijk alleen maar gunstige verhalen over het oogo. Ik hoor ook altijd alleen maar gunstige, positieve verhalen over andere vormen van gesprekken die in het onderwijs worden gevoerd, bijvoorbeeld waar het gaat over de intake. Volgens sommige van onze collega's — de vrienden van de gelijkheid, zal ik maar zeggen — deugde dat ook allemaal niet, was het één perfide systeem om leerlingen en ouders te misleiden. Nu het oogo weer. Ik vind het juist van een onderwijsman zo ongehoord cynisch om altijd maar met dit soort geluiden te komen. Al die leraren en die leraressen die die overleggen voeren, zijn buitengewoon integer en u zet ze hier weg als een stelletje loopjongens van bestuurders die een bepaald doel moeten halen. 

De voorzitter:

Wat is uw vraag? 

De heer Beertema (PVV):

Mijn vraag is waar al die voorbeelden nu blijven. De inspectie heeft niet één voorbeeld en u wordt bedolven onder de voorbeelden. De SP vroeg er al om. Laat ze even zien. Noem ze op. Ik ken ze niet, mevrouw Siderius kent ze niet. 

De voorzitter:

Uw vraag is duidelijk. 

De heer Van Meenen (D66):

De heer Beertema kiest ervoor om bijvoorbeeld niet bij het rondetafelgesprek te zijn. Ja, dan hoor je de voorbeelden ook niet. Dat is makkelijk, maar ze zijn er natuurlijk wel degelijk. Dat is één. Dan twee. Ik weet niet in welk verband de heer Beertema ooit in het onderwijs iets positiefs over het oogo heeft horen zeggen. Hij heeft in het mbo gewerkt. Daar is helemaal geen oogo. Hij is geen bestuurder geweest. Dan heb ik één keer een voordeel van het feit dat ik dat wel ben geweest. Ik heb talloze keren met gemeenten op overeenstemming gericht overleg gevoerd. Nou, reken er maar niet op dat ik met positieve verhalen daarover terug ben gegaan naar mijn school. Ik ben heel benieuwd naar die positieve voorbeelden van dat op overeenstemming gericht overleg. Dan ten slotte misschien wel het allerbelangrijkste, namelijk de professionaliteit van de docenten. Daar vecht ik hier elke dag voor. Dat doen we ook voor artsen. Ik heb een groot vertrouwen in artsen. Die hebben een volledige zelfstandige professionaliteit. Toch zijn zij uiteindelijk niet degenen die beslissen of een bepaalde behandeling plaats gaat vinden. Dat is afhankelijk van de instemming van de patiënt daarmee. Als de heer Beertema daar vanaf wil, moet hij dat vooral hier voorstellen. Ik wil daar echter niet vanaf. Ik heb een gelijkwaardige positie ten opzichte van de arts. Hij heeft de kennis en ik heb mijn ervaringen. Goed, het lijkt me helder. 

De heer Beertema (PVV):

Dat is inderdaad helder. Ik heb in het mbo gewerkt, ja. Ik kijk echter om me heen, ik heb een netwerk in het onderwijs en ik spreek mensen uit alle vormen van onderwijs. Dat wil ik even gezegd hebben. In het rondetafelgesprek waarover u het hebt, worden de voorbeelden wel aangedragen door al die ouderkoepels en zo. U luistert veel te veel naar die ouderkoepels. Hoe verklaart u nu — dat is mijn laatste vraag — dat de ouderkoepels zoveel voorbeelden zouden hebben en de inspectie niet één? Dat is toch de aangewezen weg? 

De heer Van Meenen (D66):

Het is aan ouders om die weg te kiezen. Het feit dat er zo weinig van dit soort klachten bij bijvoorbeeld de inspectie bekend zijn, kan heel goed te maken hebben met juist die ongelijkwaardige positie en die afhankelijke positie die ouders op dit moment ten opzichte van scholen hebben. 

De heer Bisschop (SGP):

De heer Van Meenen komt tot twee keer toe terug op zijn frame van de arts die van mening is dat er een behandeling moet komen en vervolgens, spuit erin, die behandeling afdwingt. Ik heb in mijn termijn al aangegeven dat het frame niet klopt. Het is niet de arts die een behandeling afdwingt. Het is de patiënt die een bepaald medicijn of een bepaalde medische handeling wenst, waarbij de arts in een positie moet zijn om te zeggen: u hebt dat niet nodig, de zorgkosten hoeven niet omhoog en wat u nodig hebt, is dit. Een patiënt wil bijvoorbeeld zijn voet geamputeerd hebben. De arts zegt dat het niet nodig is. Dan moet die arts de ruimte hebben … 

De voorzitter:

Uw vraag? 

De heer Bisschop (SGP):

Mijn vraag aan de heer Van Meenen is of hij het met mij eens is dat de verhouding eigenlijk zo gezien moet worden. Ik weet zijn antwoord al, maar ik stel de vraag toch. 

De voorzitter:

Dank u wel. U hebt de vraag gesteld. De heer Van Meenen. 

De heer Van Meenen (D66):

Zo zie ik het inderdaad niet. Ik heb nog nooit van een patiënt gehoord die naar een arts ging met de wens om zijn voet te laten amputeren. Als de heer Bisschop er een kent, spreek ik die graag. Ik ken wel heel veel mensen die naar een arts gaan omdat ze een probleem hebben, omdat ze klachten hebben of omdat ze weten dat ze zorg nodig hebben. Ze spreken daar dan over met de arts en dan doet de arts een voorstel. Het is dan juridisch zo geregeld dat de patiënt daarmee moet instemmen, ook bijvoorbeeld als het over een kind van die patiënt gaat. In die situatie wordt geen enkele afbreuk gedaan aan de professionaliteit van de arts en blijft tegelijkertijd de zelfstandige positie van de patiënt in stand. Ik heb de heer Bisschop expliciet gevraagd naar de poliokwestie. Er dreigen in deze Kamer ook wel voorstellen gedaan te worden die de positie van de patiënt ondermijnen. Dan komen die patiënten exact in de positie waarin de heer Bisschop de ouders in passend onderwijs nu wil houden. 

De voorzitter:

Dank u wel. Afrondend, de heer Bisschop. 

De heer Bisschop (SGP):

Hier blijft toch dat punt zitten dat het frame niet klopt. Het is opnieuw een voorbeeld van een gedwongen behandeling. Dat is in het onderwijs niet aan de orde. Als de vergelijking functioneel wil zijn, moet het frame zijn dat de patiënt een bepaalde eis stelt. Die wil een bepaalde behandeling. Natuurlijk is de amputatie van een voet een raar voorbeeld, maar het gebruik van een bepaald geneesmiddel is dat niet. Dat komt voor. De arts moet dan in de positie zijn om te zeggen: nee, wij hebben op overeenstemming gericht overleg en we zoeken naar de beste behandelmethode; ik weet vanuit mijn professie wat de mogelijkheden zijn en daaruit zult u een keuze moeten maken. Die vergelijking zou ik de heer Van Meenen willen laten gebruiken. 

De voorzitter:

Uw punt is duidelijk. De heer Van Meenen, afrondend op dit punt. 

De heer Van Meenen (D66):

Ik kan slechts constateren dat wij het gewoon niet met elkaar eens zijn. Ik wil het voorbeeld vooral gebruiken om te laten zien dat dit wetsvoorstel op geen enkele manier afbreuk doet, zoals door sommigen hier gesuggereerd is, aan de professionaliteit van de docenten. Ik zou willen dat de waardering voor hen op dezelfde hoogte zou komen als die voor de professionaliteit van artsen in dit land. 

De heer Bruins (ChristenUnie):

Ik wil even weg van de hypothetische vergelijking tussen zorg en onderwijs en een voorbeeld aan de heer Van Meenen voorleggen dat daadwerkelijk in mijn inbox is gekomen. De directeur van een praktijkschool vertelt mij over een van zijn leerlingen, die een IQ van 75 heeft. De vader van deze jongen wil dat die jongen arts wordt. De directeur van de praktijkschool heeft gepraat en gepraat en gepraat. Het oogo leidt niet tot overeenstemming. Het handelingsdeel leidt dus niet tot overeenstemming. Het is niet altijd zo dat ouders kwetsbaar en zielig zijn. Er zijn ook ouders die eisen stellen die niet mogelijk zijn. Hoe moet de school hiermee omgaan onder het nieuwe wetsvoorstel? 

De heer Van Meenen (D66):

Ik heb vanaf deze plek weleens verwezen naar de prachtige serie Rita, een Deense serie over een ervaren docent, waarin haar gevraagd wordt: waarom ben je ooit docent geworden? Dan denkt ze daar drie afleveringen over na en zegt ze: om de kinderen te beschermen tegen hun ouders. Dat is natuurlijk niet waarom de meeste mensen docent worden, maar natuurlijk maak je dat mee. Ik heb het ook meegemaakt dat ouders volstrekt verkeerde ideeën hadden over wat hun kind nodig had of zou kunnen of wat dan ook. Dat komt voor. In de situatie die wij zouden krijgen als dit wetsvoorstel wordt aangenomen, is er dan gewoon een geschil. Dan zal een externe instantie daarover een besluit moeten nemen. Dat is een heel goede manier. Overigens kan de ouders in extreme situaties, die wij hier verder niet hoeven uit te werken, de zeggenschap over het kind ontnomen worden. Dat komt ook voor. Dat moeten wij vooral zien te voorkomen, maar het kan. 

De heer Bruins (ChristenUnie):

Wat dit reële voorbeeld ook laat zien, is dat het ontwikkelingsperspectief en het handelingsdeel niet met een schaartje te knippen zijn, want eigenlijk heeft deze vader het over het ontwikkelingsperspectief, waar de school wel over gaat. 

De heer Van Meenen (D66):

Eens, maar laten wij even wel zijn: dit is een uitzonderlijke situatie, gelukkig. In de meeste gevallen gaat dit goed in Nederland. Dat geldt voor heel veel regels. De meeste mensen houden zich aan de maximumsnelheid. De meeste mensen rijden niet door rood. Noem het allemaal maar op. Waar maken wij hier wetten voor? Voor de situaties waarin het niet goed gaat. Die situaties zijn er ook. Daar zijn wij van op de hoogte. In de situatie waarin een school onwillig is of een kind in de verdrukking blijkt te komen, is het van belang voor dat kind dat zijn ouders een sterke positie hebben ten opzichte van de school, alleen in die situaties. 

De voorzitter:

U hebt uw betoog afgerond. Daarmee zijn wij aan het einde gekomen van de eerste termijn van de Kamer. 

De vergadering wordt van 20.36 uur tot 20.43 uur geschorst. 

Staatssecretaris Dekker:

Voorzitter. Ik dank de Kamerleden voor hun inbreng. Aan de hand van een drietal thema's zal ik de vragen beantwoorden. Het eerste thema is nut en noodzaak van het wetsvoorstel; wat was de aanleiding? Het tweede is de verhouding tussen de positie van ouders aan de ene kant en de positie van school en leraren aan de andere kant. Het derde thema bundelt de antwoorden op de vragen over wat dit wetsvoorstel op de werkvloer in termen van werkdruk en administratieve lasten betekent. In een soort vierde blokje zal ik vragen beantwoorden die iets breder kijken. 

Een goede samenwerking tussen ouders en school is in mijn ogen een heel belangrijke voorwaarde om passend onderwijs te laten slagen. De positie van de ouders is daarom ook een belangrijk aspect in de Wet passend onderwijs. Op dit moment is al vastgelegd dat de school de ouders moet betrekken bij de totstandkoming, de evaluatie en de bijstelling van het ontwikkelingsperspectief. Het wetsvoorstel dat we vandaag bespreken, beoogt de positie van ouders verder te versterken. Daarom regelt het wetsvoorstel dat er met de ouders overeenstemming moet worden bereikt over het handelingsdeel van het ontwikkelingsperspectief. Ook heb ik oog voor de kritiek op het wetsvoorstel. Ik had zelf ook enige aarzeling toen de motie werd ingediend die de aanleiding tot dit wetsvoorstel was. Die aarzeling had te maken met het risico op verharding van de relatie tussen school en ouders, mogelijk zelfs juridisering, en eventuele extra administratieve lasten. 

Bij de uitwerking van het wetsvoorstel hebben we echter enerzijds gekozen voor een model dat recht doet aan het verzoek in de motie om de positie van ouders te versterken. Dat is een begrijpelijke wens. Anderzijds komt het wetsvoorstel zo veel mogelijk tegemoet aan de kritiek; die hebben we geprobeerd te ondervangen. Natuurlijk komt op zo'n moment de vraag op waarom dit wetsvoorstel eigenlijk nodig is. Beide eerste sprekers, mevrouw Siderius van de SP en de heer Bruins van de ChristenUnie, zijn daar uitvoerig op ingegaan. Welke concrete signalen zijn er, welke klachten komen er binnen bij de inspectie, en wat gaat er nu precies mis? Melden meer ouders zich bij de onderwijsconsulenten? We krijgen zo weinig mailtjes hierover binnen, hoe zit het nou precies? Dat zijn allemaal heel terechte vragen, maar deze vragen zou ik ook aan beide Kamerleden willen stellen. Als zij hierover zoveel twijfels hebben, waarom hebben zij dan twee jaar geleden ingestemd met een motie die opriep om dit wettelijk te regelen? Toen ik twee jaar terug zelf een aantal van deze vragen opwierp, had dat kennelijk niet zo vreselijk veel effect. Ik ga die vragen nu weliswaar netjes beantwoorden, maar ik vind het wel een beetje een vreemde gang van zaken. 

De voorzitter:

U roept een vraag op bij mevrouw Siderius. 

Mevrouw Siderius (SP):

Ik heb in mijn betoog aangegeven dat ik dit debat blanco inga en nog niet voor of tegen ben. Ik vraag mij wel het volgende af. Als de staatssecretaris een aantal jaren geleden zo tegen deze motie was en nu tegen ons zegt "u hebt destijds voorgestemd, dus ik sta hier maar met dit wetsvoorstel", wat vindt de staatssecretaris dan echt van dit wetsvoorstel? Staat hij dat alleen te verdedigen omdat hij opdracht daartoe heeft gekregen van de Partij van de Arbeid? Of vindt hij echt dat het wetsvoorstel voor instemmingsrecht voor ouders met kinderen in het passend onderwijs ervoor gaat zorgen dat al die kinderen straks niet meer thuis komen te zitten? 

Staatssecretaris Dekker:

Nee, daar gaat dit wetsvoorstel niet voor zorgen. Dit wetsvoorstel gaat niet alle problemen rond het passend onderwijs oplossen. Dit wetsvoorstel gaat er niet voor zorgen dat alle thuiszitters als sneeuw voor de zon verdwijnen. Daar is echt veel meer voor nodig. 

De voorzitter:

Afrondend, mevrouw Siderius. 

Mevrouw Siderius (SP):

Mijn vraag is wat dit wetsvoorstel dan wél gaat oplossen. De staatssecretaris refereert er namelijk terecht aan dat ik zei dat ik weinig mailtjes heb gekregen over het handelingsdeel van het ontwikkelingsperspectief. Dat klopt. Ik krijg veel mailtjes over andere problemen in het passend onderwijs, maar niet over dit onderdeel. Ik ben dus wel benieuwd wat dit wetsvoorstel in de ogen van de staatssecretaris precies gaat oplossen. 

De voorzitter:

Uw vraag is duidelijk. 

Staatssecretaris Dekker:

Dat zet ik graag uiteen. Bijna alle vragen gingen daarover. Het is mijn ogen een kleine verbetering, zo zou je kunnen zeggen, om de positie van ouders te versterken. 

Ik zal ook even ingaan op de aanleiding. Er werd gevraagd: welke concrete signalen waren er in 2013? In 2013 was het passend onderwijs nog niet ingevoerd. Toen waren er dus nog helemaal geen concrete signalen, want toen was er nog de oude wet. De signalen zijn er pas sinds de nieuwe wet. Tegelijkertijd moet ik zeggen — een aantal Kamerleden refereerde bijvoorbeeld aan de rondetafeldiscussie die er is geweest — dat ik ook signalen krijg dat het overleg tussen ouders en school niet altijd soepel verloopt en dat er klachten van ouders zijn dat ze te laat betrokken worden bij het gesprek op school, of dat ze niet serieus worden genomen. Ik vind het moeilijk om precies aan te geven of het daarbij altijd gaat om instemmingsrecht over het handelingsdeel. Ik heb geen heel concrete indicaties van de inspectie dat het daarom gaat, maar in de gevallen waarin het niet goed gaat — even los van het feit dat het op heel veel plekken wel goed gaat; laten we dat ook niet vergeten — zit het vaak in de communicatie tussen ouders enerzijds en scholen anderzijds. Met dit wetsvoorstel onderstrepen we nog maar eens dat ouders een belangrijke positie hebben bij de invulling van de ondersteuning van hun kinderen. 

Mevrouw Ypma (PvdA):

Is de staatssecretaris het met mij eens dat het beschamend is dat de PO-Raad en de VO-raad stellen dat ze geen signalen hebben gekregen? 

Staatssecretaris Dekker:

Ik zou andere woorden gebruiken, maar dat geldt wel vaker. Ik vind dat dus niet "beschamend". Ik heb de brief niet hier voor mij liggen, maar als zij stellen dat het helemaal nooit misgaat in het overleg tussen de school en de ouders, dan kan ik me dat maar moeilijk voorstellen. Maar volgens mij is de strekking van hun brief dat ze vragen: ligt het nou aan het feit dat er geen instemmingsrecht is? Op die vraag moet ook ik het antwoord schuldig blijven. Wij kunnen niet precies pinpointen dat het dat is. Het wetsvoorstel betekent een lichte verbetering van de positie van de ouders in relatie tot de school, zoals de heer Van Meenen net aangaf. Het wordt een iets gelijkwaardigere positie. Ik denk dat dat kan helpen, maar we moeten er geen wonderen van verwachten. 

Mevrouw Ypma (PvdA):

Is de staatssecretaris het met mij eens dat al die ouderorganisaties en al die ouders keer op keer op keer aan alle overlegtafels aandacht voor dit punt vragen en aangeven graag een gelijkwaardige positie te willen? Daar heb je dit wetsvoorstel voor nodig. De PO-Raad en VO-raad kunnen het ermee oneens zijn — gelukkig is de staatssecretaris het wel eens met dit wetsvoorstel — maar je kunt niet ontkennen dat er steeds aandacht voor wordt gevraagd. Is de staatssecretaris dat met mij eens? 

Staatssecretaris Dekker:

Ja, dat constateer ik ook. 

Dat is even in een nutshell de aanleiding voor dit wetsvoorstel. Er lag en ligt een heel nadrukkelijke wens van de Kamer om dit aan te vullen op het oorspronkelijke wetsvoorstel. Dat is eigenlijk in den beginne de aanleiding om dit hier nu te bespreken. Er ligt dus niet een heel onderzoek of iets dergelijks aan ten grondslag. Het is gewoon een nadrukkelijke wens van destijds. 

Mevrouw Straus vroeg: waarom heb je het wetsvoorstel naar de Kamer gestuurd ondanks het negatieve advies van de Raad van State? De Raad van State heeft gepinpoint op een aantal punten. Hij heeft gevraagd: wat gaat dit nou precies veranderen en is het echt strikt noodzakelijk? Dat zijn eigenlijk dezelfde vragen over nut en noodzaak die door mevrouw Siderius en de heer Bruins zijn gesteld. Ik heb de afweging gemaakt dat het, gezien de wens van de Kamer en de lichte verbetering van de positie van ouders als gevolg van het wetsvoorstel, in ieder geval geen kwaad kan om dat te doen, zolang we maar scherp blijven op eventuele ongewenste effecten ervan. 

Mevrouw Straus (VVD):

Ik wil daar even op doorgaan met de staatssecretaris. In de Wet passend onderwijs is afgesproken dat er een evaluatie zou komen. In hoeverre wordt in die wetsevaluatie daadwerkelijk beoordeeld of al die mogelijkheden voor ouders om hun gelijk te krijgen, niet alleen het op overeenstemming gericht overleg maar ook de geschillencommissie en de verdere stappen die ouders nog kunnen zetten, hebben gewerkt? 

Staatssecretaris Dekker:

De wetsevaluatie betreft de hele wet. Dit wordt daarin zeker meegenomen. Dit is namelijk een essentieel punt van de wet. Uit de zorgplicht vloeit voort dat scholen de verantwoordelijkheid hebben om een passende plek voor de kinderen te vinden, maar dat doen ze altijd in overleg met de ouders. Als ze het daar niet over eens worden, dan hebben ouders — niet de scholen, maar de ouders — de mogelijkheid om daarover aan de bel te trekken bij de geschillencommissie. De aantallen zaken, de soorten zaken en de uitspraken in die zaken zeggen zeker ook iets over de werking van het stelsel. Die gegevens zullen zeker in een evaluatie terugkomen. 

Mevrouw Straus (VVD):

Zou het dan niet veel beter zijn geweest om die informatie eerst op een rijtje te zetten alvorens andere maatregelen voor de versterking van de positie van de ouders in de wet in te brengen? 

Staatssecretaris Dekker:

Dat is een kwestie van politieke weging. Dat had ook gekund. Ik constateer alleen dat een meerderheid in de Kamer het liefst ziet dat het zo snel mogelijk wordt aangepast. Ook dat is een fact of life waarmee we te maken hebben. 

De voorzitter:

U vervolgt uw beantwoording. 

Staatssecretaris Dekker:

Ik ga naar de positie van de ouders ten opzichte van scholen en leraren. Ik zei al dat het wetsvoorstel tot doel heeft om de rol van ouders te versterken. Voor mij was belangrijk bij de uitwerking van dit wetsvoorstel dat het uitgangspunt steeds zou zijn dat het in de praktijk werkbaar moet zijn en dat de belangen van leerlingen — niet die van ouders en leraren, maar die van leerlingen — altijd voorop moeten staan. Ik realiseer me dat dit wetsvoorstel tot gevolg kan hebben dat het overleg tussen school en ouders wat meer tijd in beslag neemt. Daarom heeft de regering in de memorie van toelichting nadrukkelijk opgenomen dat het altijd de professionele verantwoordelijkheid van de school is dat in de tussentijd de leerling er in de klas niets van merkt als er nog geen overeenstemming is bereikt. De school blijft verantwoordelijk voor de kwaliteit van het onderwijs en de school blijft verantwoordelijk voor de kwaliteit van de zorg, ook als er nog geen overeenstemming met de ouders is bereikt. Dat is, denk ik, ook een antwoord op de vraag van de heer Beertema: wat als er dan nog geen overeenstemming is? Ik wil niet dat kinderen dan tussen wal en schip vallen of thuis komen te zitten. Daarom heeft het nog niet bereiken van overeenstemming ook geen opschortende werking. De zorg voor het kind moet gewoon doorgaan. 

De voorzitter:

Voordat u verdergaat, geef ik mevrouw Siderius het woord voor een vraag. 

Mevrouw Siderius (SP):

Ik begrijp van de staatssecretaris dat de school, ook als er geen overeenstemming is over het handelingsdeel van het ontwikkelingsperspectief, toch doorgaat met het uitvoeren van het passend onderwijs. Het kan zijn dat zo'n school een conflict heeft met de ouder en ervan overtuigd is dat het op deze manier gedaan moet worden. In dat geval heeft deze school er dus helemaal geen belang bij om overeenstemming te vinden met die ouder, want zolang die overeenstemming er niet is, kan de school gewoon doorgaan met het voorgestelde traject. Ik stelde hier ook al een vraag over in mijn betoog. Ik wil graag van de staatssecretaris weten of deze constatering klopt. 

Staatssecretaris Dekker:

Die klopt feitelijk niet, maar die getuigt ook van een heel cynische blik op de gang van zaken. Waarom zou het niet in het belang van de school zijn om met een ouder overeenstemming te bereiken? Dat is toch uiteindelijk het doel? Je wilt het toch met ouders eens worden over goede zorg voor een kind? Je wilt toch dat ouders tevreden zijn? Ik ken heel veel mensen die in het onderwijs werken die niets liever willen dan overeenstemming met ouders. 

Mevrouw Siderius (SP):

Dat mag ik hopen, want dat lijkt mij ook het idee van op overeenstemming gericht overleg. Maar straks zijn er natuurlijk situaties — misschien zijn die er nu ook al wel — waarbij men er niet uit komt en er geen overeenstemming is. Daarvoor zou dit wetsvoorstel een oplossing zijn, zo is mij verteld, en zo staat het ook in de memorie van toelichting. Na invoering van dit wetsvoorstel heeft de ouder immers instemmingsrecht en moet er alsnog weer overleg worden gevoerd. Maar als de school dan gewoon weer verder kan op het oude pad, wat is er dan versterkt aan de positie van de ouder? Dat is feitelijk mijn vraag. 

Staatssecretaris Dekker:

Dat is een terecht punt van mevrouw Siderius: op welk onderdeel verbetert hiermee nu de positie van de ouders? Met een instemmingsrecht is de druk voor de school iets groter om een compromis te bereiken met de ouders. Het kan bevorderlijk zijn omdat de startpositie iets gelijker is. Een aantal woordvoerders hebben daar ook op gewezen. Zolang de ouders niet instemmen, hebben scholen door het instemmingsrecht bovendien altijd de plicht om daaraan te blijven werken en het gesprek met die ouders te blijven voeren, totdat het bij de geschillencommissie is geweest, en dan moet de school ten overstaan van de geschillencommissie motiveren waarom er bepaalde keuzes zijn gemaakt. Ik denk dat die motiveringsplicht met dit wetsvoorstel ook weer net een tikkeltje zwaarder wordt dan in de oude situatie. Het zijn wat dat betreft allemaal kleine schakeltjes die net even een tandje meer in de richting van inspraak en betrokkenheid van ouders worden gezet. 

De heer Bruins vroeg zich nog af of het oogo niet goed loopt en of daar dan niet de crux zit. Ik denk dat het oogo op heel veel plekken wel goed loopt. Waar er signalen zijn dat dit overleg tussen ouders en school niet goed is, komt het er vaak op neer dat ouders te laat worden betrokken, dat er slecht wordt geluisterd of dat ouders zich niet serieus genomen voelen. In die situaties gaat het vaak niet alleen maar om de formaliteit van het formeel instemmen, maar zit er vaak ook iets niet lekker in het proces van communicatie. Dit wetsvoorstel komt dus niet voort uit het tekortschieten van het oogo maar uit de nadrukkelijke wens van deze Kamer om de positie van de ouders iets te versterken. Bij de uitspraken van de geschillencommissie over de gevallen waarin het escaleerde en ouders en scholen er echt niet uit kwamen, was het probleem vaak dat de school iets meer had moeten investeren in dat overleg met ouders. De geschillencommissie oordeelde dan ook vaak in het voordeel van de ouders. Dat toont dus maar weer eens aan hoe belangrijk dat overleg is. 

Staatssecretaris Dekker:

Mevrouw Siderius vroeg: is investeren in dialoog niet beter dan dit wetsvoorstel? Dat is haast een gewetensvraag. Een school die echt investeert in goed overleg bereikt meer aan goede zorg voor kinderen en overeenstemming daarover, ook zonder instemmingsrecht, dus op de oude voet, dan een school die het slecht aanpakt mét dit instemmingsrecht voor ouders. Ik denk alleen dat dit wetsvoorstel met het instemmingsrecht net een extra stimulans kan betekenen voor scholen en schoolbesturen om, daar waar het niet goed loopt, wat beter hun best te doen om ouders in ieder geval serieus te nemen. 

De heer Bruins vroeg om een extra toelichting op het risico van juridisering. Met een wat sterkere en formelere positie van ouders, met het instemmingsrecht, loop je het risico dat partijen zich gaan ingraven als het gesprek toch al niet goed loopt. Dat kan de school doen en dat kunnen ouders natuurlijk ook doen. En dan zullen ouders die zich terugtrekken op hun positie zich ook op de formaliteiten in deze wet gaan beroepen. Dat is een reëel risico, dat we onder ogen moeten zien. Het is ook een van de redenen waarom we over de administratieve lasten hebben aangegeven dat dit misschien leidt tot iets meer zaken voor de geschillencommissie. Maar goed, het kan misschien in een aantal andere zaken het overleg wat vlot trekken omdat er meer duidelijkheid is over de positie van beide partijen. 

Mevrouw Siderius vroeg: als er geen overeenstemming is, mogen scholen dan toch de zorg uitvoeren? Die vraag heb ik zojuist al beantwoord met ja. Het overleg mag nooit een opschortende werking hebben. 

Een aantal woordvoerders, onder wie mevrouw Siderius, vroegen waarom er geen instemmingsrecht is op het hele ontwikkelingsperspectief. Ik geloof dat de heer Bruins dat ook vroeg. Meer fundamenteel maakte de heer Bisschop dat punt. Het flauwe antwoord is: wij doen dat alleen op het handelingsdeel omdat de Kamer ons dat heeft gevraagd in de motie waar zij voor heeft gestemd. Het inhoudelijke antwoord is het volgende. Voor de goede orde: het handelingsdeel is onderdeel van het ontwikkelingsperspectief. Het zijn dus niet twee verschillende dingen. Het een is een onderdeel van het ander. Het uitstroomprofiel, dat ook een onderdeel is van het ontwikkelingsperspectief, gaat bijvoorbeeld heel erg over de professionele inschatting van een docent van wat een kind uiteindelijk kan bereiken, eventueel met extra hulp. Ik maak bijvoorbeeld de vergelijking met het schooladvies. Wat is reëel om te verwachten dat een kind straks aankan? Is een kind in staat om een diploma te halen of niet? Werken we meer in de richting van arbeidsmarkttoeleiding? Dat soort vragen. Bij het handelingsdeel gaat het echter om iets extra's wat je doet voor een kind, wat dichter bij zo'n kind komt en waarvan het op zo'n moment ook meer voor de hand ligt dat ook de ouders daarmee instemmen. Ook is de noodzaak tot overeenstemming met en instemming van de ouders hierbij groter. Je kunt zo goede afspraken maken: wat doen wij hier op school en wat verwachten wij van de ouders? Dat is ook de reden waarom we daarvoor gekozen hebben. Ik vermoed dat dat ook de reden was van de indieners van de motie. Je zou het kunnen zien als een onderlinge afspraak, een contract, als zowel de school als de ouders ermee instemmen. Dat zou de ideale situatie zijn. 

De heer Bruins (ChristenUnie):

De staatssecretaris zegt in de schriftelijke beantwoording dat een aangescherpt handelingsplan kan leiden tot een bijstelling van het uitstroomprofiel. Dat is een punt waarover ik mij zorgen maak. Wat wordt daar precies mee bedoeld? Dat is toch eigenlijk niet wenselijk? 

Staatssecretaris Dekker:

De ontwikkeling van kinderen staat natuurlijk nooit stil. Het kan heel goed zo zijn dat het uitstroomprofiel van een kind verandert. Het kan zijn dat je tot de conclusie komt dat sommige kinderen met iets meer zorg wel in staat zijn om bijvoorbeeld een diploma te halen of op een hoger of ander niveau te landen. Dat is bedoeld met het antwoord op die vraag. 

De voorzitter:

Afrondend toch nog een vraag van de heer Bruins. 

De heer Bruins (ChristenUnie):

Als ik het goed begrijp, wordt het ontwikkelingsperspectief vastgesteld via oogo. Dan komt er een handelingsplan met instemmingsrecht. Dat gaan we uitvoeren. Vervolgens gaat het kind zich ontwikkelen. Dat kan dan eigenlijk allemaal veel positiever zijn dan verwacht. Dat is het moment waarop het ontwikkelingsperspectief zou kunnen worden bijgesteld en er weer een nieuw handelingsplan met instemmingsrecht zou kunnen komen. 

Staatssecretaris Dekker:

Ik geloof dat de wet de school zelfs voorschrijft om het ontwikkelingsperspectief jaarlijks met de ouders te bespreken en te evalueren. Als het uitstroomprofiel of het handelingsdeel wordt aangepast, houdt dat ook in dat er weer instemming van de ouders nodig is. Dat kan dus wel wijzigen. Het is niet per definitie een statisch iets. 

De voorzitter:

Interrupties gaan eigenlijk in tweeën. Dus heel kort, mijnheer Bruins! 

De heer Bruins (ChristenUnie):

Ik ben u heel dankbaar, voorzitter. Daarmee bedoelt de staatssecretaris dus niet dat een handelingsplan dat in feite hoger wordt uitonderhandeld door de ouders, al tot een hoger ontwikkelingsperspectief zou leiden voordat dat handelingsplan wordt uitgevoerd? 

Staatssecretaris Dekker:

Ik denk dat dat in de praktijk heel zelden voorkomt. Volgens mij moeten wij dat ook niet willen of daar in ieder geval heel erg waakzaam voor zijn. Ik sluit ook niet uit dat dit in een incidenteel geval weleens gebeurt. Dat zou haast een soort aanmoediging zijn voor ouders om ongelooflijk hoog in te zetten bij het handelingsdeel, omdat je kind dan misschien wel op een ander niveau terechtkomt. De heer Bruins haalde net een heel mooi voorbeeld aan van een casus. Ik ken ook zo'n voorbeeld uit de tijd dat ik in Den Haag veel met praktijkscholen te maken had. Ouders hebben soms tegen het belang van hun kind in een te hoge verwachting en zeggen: als mijn kind dat niet haalt, moet er maar heel veel extra zorg komen. Maar zo'n kind wordt daar niet gelukkiger van. Die prikkel moet er dus absoluut niet in zitten. Ik denk dat ik de heer Bruins gerust kan stellen, omdat dat niet bedoeld wordt met die opmerking. 

De heer Bisschop vroeg of er met dit wetsvoorstel meer druk komt te liggen bij de instellingen. Misschien wel, maar dat is ook een beetje de bedoeling van dit wetsvoorstel. Zeker als scholen nog niet ten volste en niet op een goede manier invulling geven aan het overleg met de ouders, moeten ze daar wat extra in investeren. Als dan de resultante is dat er vaker en beter overeenstemming wordt bereikt met ouders, denk ik dat dit tegelijkertijd verlichtend kan werken. Als ouders tevreden zijn met de zorg voor hun kind en op hetzelfde niveau zitten als de school en het er dus over eens zijn dat het een goede aanpak is, vermoed ik dat dit voor de mensen in de praktijk, de professionals, de leraren die ermee moeten werken en degenen die zorg verlenen in scholen, ook heel prettig is. Dat maakt het werk vele malen makkelijker. 

Dan kom ik bij het blokje over de administratieve lasten. Wij moeten er niet omheen draaien: dit wetsvoorstel brengt ook extra administratieve lasten met zich mee. Zoiets is natuurlijk altijd vervelend, maar ook hiervoor geldt dat het een politieke keuze is. Die lasten vloeien met name voort uit het feit dat voor het speciaal onderwijs een handelingsdeel verplicht wordt. Dat vraagt wat extra werk van scholen. De berekeningen staan achter in de wet. De tijd die daaraan wordt gekoppeld, vind ik zelf wat aan de hoge kant. Wij moeten zoiets altijd extern laten toetsen. Maar de administratieve druk zal niet minder worden. Daar moeten wij, denk ik, ook reëel over zijn. 

Kunnen wij daar de scholen dan voor compenseren? Nee, die ruimte zie ik niet. Ik zie wel vaker dat wetsvoorstellen tot iets meer administratieve lasten leiden. Daar kiezen we dan met z'n allen voor. Ik denk overigens dat het op de totaalbudgetten waar scholen mee te maken hebben prima te overzien is, maar het is geen reductie van administratieve lasten. 

Mevrouw Siderius (SP):

Ik vind 3 miljoen euro best wel veel geld. Dat is gewoon geld dat met dit wetsvoorstel vanaf de lumpsum wordt weggehaald. Dus het is een stille bezuiniging. En ja, dat wordt inderdaad wel vaker gedaan. Als we dat allemaal bij elkaar optellen, tikt dat wel aan. Ziet de staatssecretaris mogelijkheden om die 3 miljoen toch ergens anders vandaan te halen in plaats van bij de scholen? Ik geloof dat scholen vaak te maken hebben met nijpende budgetten en dat het soms al heel ingewikkeld is om goed passend onderwijs te kunnen aanbieden met de huidige budgetten. Ja, en als er weer wat geld vanaf gaat, helpt dat natuurlijk niet. 

Staatssecretaris Dekker:

Ik zie die ruimte niet. Ik heb geen geldmachine staan op het ministerie van Onderwijs. Het overgrote deel van het geld dat op onze begroting staat, is lumpsum. Ik weet niet waar ik het anders vandaan zou moeten halen. 

De voorzitter:

Afrondend, mevrouw Siderius. 

Mevrouw Siderius (SP):

Oké, dan ga ik daar straks wel een motie over indienen in de hoop dat mijn collega's bereid zijn om die 3 miljoen niet weg te halen bij de scholen, bij het onderwijs en uit de klas. Dit zal ook een sterk stempel drukken op de overwegingen waarover binnen mijn fractie zal worden gediscussieerd. 

Staatssecretaris Dekker:

Het ontwikkelingsperspectief is vaak te lang en te uitgebreid, was de opmerking die mevrouw Ypma maakte. Het is typisch iets wat speelt bij de invoering van het passend onderwijs dat samenwerkingsverbanden en scholen nog heel erg zoekende zijn naar een manier van werken die soepel loopt. Zo min mogelijk bureaucratie op een slimme manier. Hoe wij de bureaucratie wat terug kunnen dringen, is een van de dingen waar wij samen met de PO-Raad en de VO-raad heel hard op inzetten. 

Dan kom ik bij vragen die ik onder de categorie "overig" zou willen scharen. De heer Bruins stelde een vraag over de scheidslijn tussen onderwijs en zorg. Hij vroeg of dit wetsvoorstel daar verbetering in biedt. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat dit niet het geval is. We kennen de problemen op het snijvlak tussen de verantwoordelijkheid van onderwijsinstellingen en die van de zorg, de jeugdhulp en verpleging voor zaken als persoonlijke verzorging en begeleiding. Daar is vaak een grijs gebied. Dan zie je dat een deel van de gesprekken daarover gaan. Je mag van een school wel het een en ander verwachten. Als een kind een keer een natte broek heeft, moet de school het oplossen, maar als een kind op 8-jarige leeftijd nog onzindelijk is, mag je niet verwachten dat de school dat oplost. Dat zit precies op zo'n snijvlak waar je moet kijken of je dat met zorg van buitenaf kunt regelen. Wel proberen wij te voorkomen dat de hete aardappel heen en weer geschoven wordt, zeker op terreinen waar gekeken wordt naar wat de verantwoordelijkheden rond passend onderwijs aan de ene kant en wat de verantwoordelijkheden van gemeenten en zorgverleners zijn aan de andere kant. Er zijn onderwijszorgconsulenten; een traject dat wij samen met het ministerie van VWS volgen, die voor die andere poot verantwoordelijk is. Zo kunnen we er in ieder geval voor zorgen dat er knopen worden doorgehakt. In concrete casussen zien we ook dat het werkt. 

De heer Bruins (ChristenUnie):

Ik meen mij te herinneren dat de staatssecretaris een taskforce zou organiseren of heeft ingezet precies voor het snijvlak waar deze twee velden elkaar raken. Ik wil hem suggereren om dit punt in die taskforce mee te nemen. 

Staatssecretaris Dekker:

Ik vind dat een heel goede suggestie en zal de Kamer rapporteren over de taskforce bij de eerstvolgende voortgangsrapportage over het passend onderwijs; het is een belangrijk punt. 

Er is een aantal vragen gesteld over de zorgplicht, het meest nadrukkelijk door mevrouw Straus, die een motie heeft ingediend over handhaving en zei: als er nou één ding duidelijk is in de wet, is het dat scholen een zorgplicht hebben; daar kunnen ze niet voor weglopen. Ik ben het volledig met haar eens. Bij een melding neemt de inspectie onmiddellijk contact op om in te grijpen en te corrigeren. Daarnaast voert de inspectie een verkenning uit naar de mogelijkheden om sneller te kunnen sanctioneren bij ontwijking van de zorgplicht. Ik zal de Kamer in dezelfde voortgangsrapportage over het passend onderwijs nader informeren over hoe het daarmee staat. 

Mevrouw Siderius vroeg hoe het staat met de uitvoering van haar motie over de Wajong. De uitvoering daarvan ligt bij mijn collega van Sociale Zaken. Ik zal vragen of zij mevrouw Siderius op de hoogte kan stellen van hoe het daarmee staat. 

Tot slot. Mevrouw Straus vroeg hoe wij aankijken tegen het functioneren van de geschillencommissie. Ik ben eigenlijk wel tevreden met de manier waarop de geschillencommissie functioneert. Tot en met deze zomer heeft de commissie in zo'n 80 gevallen een uitspraak gedaan. Dat waren in mijn ogen steeds kwalitatief goede en afgewogen oordelen, waarbij soms de school maar vaker de ouders in het gelijk werden gesteld. Een beperkt deel, zo'n 17 van de 80 gevallen, betrof geschillen over het ontwikkelingsperspectief. De meeste gevallen hadden betrekking op conflicten over toelating en verwijdering. 

Ik ben daarmee aan het eind van mijn beantwoording gekomen, maar zie dat er nog een vraag is. 

Mevrouw Straus (VVD):

Ik dank de staatssecretaris omdat hij wat inzicht geeft in de stand van zaken rondom de geschillencommissie. Hij heeft net ruimhartig toegezegd dat hij in de volgende voortgangsrapportage zal terugkomen op sanctionering van de zorgplicht. Zou hij daarin ook de geschillencommissie wat nadrukkelijker willen laten terugkomen, met name hoe tevreden ouders uiteindelijk zijn over de afgehandelde klachten? 

Staatssecretaris Dekker:

Ik kan in de voortgangsrapportage iets meer zeggen over het soort zaken. Naar de concrete tevredenheid van ouders zou ik echt nader onderzoek moeten doen. Daarvoor komt de voortgangsrapportage te vroeg. Wel is het straks een heel belangrijk onderwerp van de wetsevaluatie, maar je wilt niet alleen weten wie er wint, maar wil ook iets kunnen zeggen over de follow-up: leidt het vervolgens tot een snelle aanpassing en zijn ouders daar blij mee? Maar december is daarvoor echt te snel. 

Mevrouw Straus (VVD):

Zou de staatssecretaris dan in de voortgangsrapportage kunnen aangeven hoe hij het wat later wil gaan doen? We hebben dan in ieder geval geborgd dat dit onderwerp nadrukkelijk wordt meegenomen bij de wetsevaluatie. 

Staatssecretaris Dekker:

Dat lijkt mij een heel goede zaak; geen punt. 

Mevrouw Siderius (SP):

Misschien heb ik het totaal gemist, maar dat kan ik mij bijna niet voorstellen. Ik heb gevraagd naar mijn motie over de ernstig meervoudig beperkte leerlingen van 18 tot 20 jaar. Daar wordt nu al heel lang onderzoek naar gedaan — we zijn volgens mij al maanden bezig — terwijl in die aangenomen motie wordt gevraagd om een wetswijziging. Wat is het verschil met de motie waarover we het nu hebben, waarin ook om een wetswijziging wordt gevraagd en waar geen onderzoek naar gedaan is? Ik snap niet waarom mijn motie een beetje wordt getraineerd. 

De voorzitter:

Volgens mij is de staatssecretaris daarop ingegaan. 

Staatssecretaris Dekker:

Ja, ik ben daarop ingegaan. Mijn collega van Sociale Zaken voert die motie uit. Ik zal vragen hoe het ermee staat. 

Mevrouw Siderius (SP):

De staatssecretaris hoeft niet te vragen hoe het ermee staat, want dat weet ik wel. Ze is het namelijk aan het onderzoeken. De vraag is waarom dat wel moet worden onderzocht terwijl er feitelijk een lijstje met namen van kinderen is die van school zijn gehaald omdat hun ouders het niet meer konden bekostigen. Bij het voorliggende wetsvoorstel zijn blijkbaar helemaal geen onderzoeken, cijfers of meldingen nodig. Dat is volgens mij een verschil. Ik wil daar graag de reden van weten. 

Staatssecretaris Dekker:

Mevrouw Siderius heeft een punt dat er een verschil is, maar er zijn heel veel verschillen. Soms zijn er moties die snel kunnen worden uitgevoerd. Dit is er toevallig een van. Andere moties vragen meer bestudering. Ik zit er onvoldoende in om meer te zeggen over de redenen die daarachter zitten en hoe lang het onderzoek duurt. Ik heb het gewoon niet paraat omdat het niet op mijn bureau ligt, maar op dat van mijn collega. Ik hoop natuurlijk dat mevrouw Siderius snel antwoord krijgt. 

De voorzitter:

Het is vrij ingewikkeld om de staatssecretaris om antwoorden te vragen over een ander dossier, maar hij heeft toegezegd dat hij de betreffende staatssecretaris zal verzoeken om u te informeren. Ik begreep dat de staatssecretaris aan het einde van zijn beantwoording was in eerste termijn. Is dat niet het geval? 

Staatssecretaris Dekker:

Nou, er is nog een amendement ingediend door mevrouw Ypma. Dat gaat over een wat ander onderwerp, de medezeggenschap in cluster 1 en 2 van het passend onderwijs. 

De voorzitter:

Dat is het amendement op stuk nr. 7. 

Staatssecretaris Dekker:

Exact. Dit is eigenlijk de follow-up van de toezegging die ik eerder heb gedaan. Misschien is het ook een heel snelle manier om ervoor te zorgen dat het in de wet belandt. Ik geef het oordeel erover aan de Kamer. 

De voorzitter:

Hiermee zijn wij aan het eind gekomen van de eerste termijn. Ik geef mevrouw Siderius het woord voor haar tweede termijn. 

Mevrouw Siderius (SP):

Voorzitter. De SP heeft drie moties over dit wetsvoorstel. De eerste gaat over het compenseren van de administratieve lasten van 3 miljoen. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

verzoekt de regering, scholen structureel te compenseren voor de extra administratielasten van 3 miljoen euro, die voortvloeien uit het wetsvoorstel met betrekking tot de invoering van het vaststellen van het handelingsdeel van het ontwikkelingsperspectief na overeenstemming met de ouders, opdat scholen deze extra lasten niet binnen de lumpsumbekostiging hoeven op te vangen, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Siderius. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 8 (34446). 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

overwegende dat het zogenaamde passend onderwijs de bureaucratie in het onderwijs zou verminderen; 

constaterende dat scholen en docenten sinds de invoering van het passend onderwijs juist een toename van bureaucratie ervaren; 

constaterende dat 116 scholen voor speciaal onderwijs te maken hebben met zes tot tien samenwerkingsverbanden die alle hun eigen formulieren en procedures hanteren; 

verzoekt de regering, uniforme formulieren, toelaatbaarheidsverklaringen en procedures voor alle samenwerkingsverbanden te ontwerpen en deze per 1 januari 2017 te implementeren, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Siderius. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 9 (34446). 

Mevrouw Siderius (SP):

Mijn derde motie gaat over de motie waarover ik het net had, over de ernstig meervoudig beperkte leerlingen. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

overwegende dat de Tweede Kamer wil dat wettelijk wordt geregeld dat meerderjarige cluster 3-leerlingen aanspraak kunnen maken op een Wajong-uitkering; 

verzoekt de regering, geen onderzoek in te stellen, maar een voorziening te treffen waarbij meerderjarige leerlingen die op een cluster 3-onderwijsinstelling ingeschreven staan aanspraak op een Wajong-uitkering kunnen maken en de reeds aangenomen motie onverkort uit te voeren, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Siderius. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 10 (34446). 

Mevrouw Siderius (SP):

Wij zijn nog niet helemaal overtuigd van het wetsvoorstel. Dat komt mede door de antwoorden van de staatssecretaris. Hij zegt dat de school gewoon kan doorgaan als de ouders niet instemmen, maar dat ze wel moeten blijven overleggen. Dat is volgens mij de situatie zoals die nu is voor het passend onderwijs. Het lijkt mij dat de school en de ouders altijd met elkaar in dialoog moeten zijn. Voor ons vormen de bureaucratie en de administratieve lasten die met dit wetsvoorstel gepaard gaan, een enorme last. Ik ga het voorstel en alles wat hier gewisseld is, bespreken in de fractie, maar ik kan alvast zeggen dat het zwaar zal wegen of de ingediende moties al dan niet worden aangenomen. 

De heer Bruins (ChristenUnie):

Voorzitter. Het blijft een beetje raar dat wij iets invoeren omdat de manier waarop wij het in de wet beschreven hebben, niet werkt. Het blijft een beetje raar. Toch heb ik vanavond wat meer begrip gekregen voor de gedachte achter dit wetsvoorstel. Tegelijkertijd is het nou ook weer niet een heel grote verandering. Wat mij in ieder geval heeft gerustgesteld, is dat de staatssecretaris heeft gezegd dat het uitonderhandelen van een veeleisend handelingsdeel binnen het ontwikkelingsperspectief niet kan leiden tot druk op de school om een hoger ontwikkelingsperspectief te moeten aannemen. Daar is dit wetsvoorstel niet voor bedoeld. Dat kan niet de bedoeling zijn. Het is opgenomen in de Handelingen en het is voor mij een heel belangrijk onderdeel van wat dit wetsvoorstel wel en niet moet betekenen. Die prikkel zit er in ieder geval niet in. 

Om juridisering te voorkomen vind ik het belangrijk om te bekijken of wij bijvoorbeeld de onderwijsconsulenten als extra buffer in hun kracht kunnen zetten. Wij moeten voorkomen dat het overleg tot meer juridisering leidt. Mevrouw Straus zal straks met een motie komen waar ook mijn naam onder staat. 

Ik vind het heel belangrijk dat de administratieve lasten niet hoger worden. Ik heb begrip voor de staatssecretaris die zegt dat hij geen drukpers voor bankbiljetten in zijn kelder heeft staan. Ik zoek het met de volgende motie net even in een andere hoek. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat het invoeren van een verplicht handelingsdeel binnen het ontwikkelingsperspectief in het (voortgezet) speciaal onderwijs leidt tot een toename van administratieve lasten voor leerkrachten; 

overwegende dat het onwenselijk is dat meer administratieve lasten leiden tot minder contacturen in de klas voor leerkrachten; 

verzoekt de regering, in overleg met het (voortgezet) speciaal onderwijs de administratieve lasten in brede zin voor leerkrachten te verlagen, ook na invoering van het verplichte handelingsdeel, en de resultaten inzichtelijk te maken richting het onderwijsveld en de Kamer, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Bruins en Ypma. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 11 (34446). 

De heer Bruins (ChristenUnie):

Ik neem alles wat ik vanavond gehoord heb mee naar mijn fractie. Wij hadden een voorbespreking en toen stond de wijzer toch echt aan de negatieve kant. Ik neem alle informatie van het debat eerlijk mee en ik zeg tegen mevrouw Ypma, die toch ook aan de basis van dit wetsvoorstel staat, dat de wijzer nu ergens middenin staat. Wij hebben vanavond dus iets bereikt. 

Mevrouw Ypma (PvdA):

Voorzitter. Dat is een mooi einde van het betoog van collega Bruins. Eigenlijk is het bizar dat wij in 2016 nog een pleidooi moeten houden voor het serieus nemen van ouders, die als een gelijkwaardige partner moeten worden gezien. De situatie op scholen is op dit moment: wij komen er samen uit; de intenties zijn goed, maar ik heb wat meer te zeggen dan jij. Ik ben het daarom ook erg eens met de staatssecretaris, die vier goede argumenten gaf. 

Ten eerste wordt de startpositie van ouders en scholen met dit wetsvoorstel gelijkwaardiger. Ten tweede bevordert het wetsvoorstel het bereiken van het compromis. Ten derde wordt de motiveringsplicht voor scholen scherper. Ten vierde is het wetsvoorstel een extra stimulans om ouders serieus te nemen. 

Daarom ondersteun ik het wetsvoorstel graag. De Partij van de Arbeid is een groot voorstander van het voeren van een dialoog. Het is heel vervelend voor ouders als het niet goed gaat met hun kind van wie zij zo veel van houden. Natuurlijk heb je daar een opvatting over. Jij kent het kind immers het allerbeste en wilt graag serieus genomen worden. Oplossingen die de instemming van ouders hebben, zijn het meest succesvol, zo blijkt uit alle verschillende onderzoeken. Kinderen van ouders die betrokken zijn, presteren significant beter. Ook de inspectie geeft aan dat het van groot belang is om samen te werken. Ouders en school kunnen met samenwerking meer voor het kind bereiken. Positioneer ouders dan ook in die rol. Borg dat ouders geraadpleegd worden en als gelijkwaardige partner worden gezien. Onder de leerlinggebonden financiering was er al sprake van een betere positie van ouders. Ouders en kinderen zijn kwetsbaar. Het is onze rol als wetgever om rechtsbescherming te bieden aan diegenen die kwetsbaar zijn. Als er een verschil van mening is, moeten ouders en school dit zo veel mogelijk vanuit een gelijkwaardige positie oplossen. 

Ik ben ook woordvoerder jeugdzorg en in de zorg bestaat dit al heel lang. Daar moet een arts, alvorens toestemming te vragen, de patiënt goede informatie geven over het voorgenomen onderzoek of de voorgenomen behandeling. De informatieplicht van de arts en het toestemmingsvereiste vormen daar een twee-eenheid. Dat wordt ook wel "informed consent" genoemd. Goede communicatie met de patiënt is goed voor het wederzijdse vertrouwen en bevordert het effect van de therapie. Het geeft aan welk doel het heeft en welke risico's en alternatieven er zijn. Daar kunnen we in het onderwijs van leren! Laten we ook een informed consent in het onderwijs creëren. Dat kunnen we vandaag bevorderen met het wetsvoorstel over het instemmingsrecht. 

De voorzitter:

De heer Rog ziet af van zijn tweede termijn. Het woord zou daardoor aan de heer Bisschop zijn, maar hij gebaart dat hij ook afziet van zijn tweede termijn. Het woord is nu dus aan de heer Beertema. 

De heer Beertema (PVV):

Voorzitter. Ik bedank de staatssecretaris voor de beantwoording. 

In plaats van het optuigen van een overbodige wet, stel ik voor, de woorden van collega Bisschop indachtig, het passend onderwijs voorlopig met rust te laten. Maar o, o, o, wat vinden de go-getters van de PvdA, D66 en nu ook het CDA dat ontzettend moeilijk en wat zien die zogenaamde vrienden van het onderwijs toch altijd een complotten van perfide scholen die tegen het belang van de leerling in handelen bij bijvoorbeeld de intake of, zoals nu, het oogo. Ik vind het maar een cynische wijze van kijken. 

Deze kampioenen van de ouders — laat ik ze zo maar even noemen — tuigen een wet op die geen significant probleem adresseert. Laten we de inspectie rustig haar werk laten doen als zich problemen voordoen bij conflicten rond het oogo. Desnoods doen we dat met een nieuw, helder inspectiekader waar de inspectie mee uit de voeten kan. Dat zorgt voor veel minder bureaucratie dan deze wetswijziging. De inspectie roept in het enkele geval dat het zich voordoet, de school tot de orde. Mochten zich dan toch structurele problemen voordoen, dan wordt dat aan ons gerapporteerd. Laten we afwachten of het zo ver komt. 

De heer Van Meenen zei dat we wetten maken voor die gevallen waar het misgaat. Ik denk dat wij in dit overgereguleerde land al heel snel op voorhand denken dat allerlei zaken mis zullen gaan. Als ik die enkele kilometers van mijn huis naar de Tweede Kamer rijd, dan kom ik om de 100 meter stoplichten tegen en tientallen remdrempels. Dat is vaak totaal overbodig en deze wetswijziging is net zo overbodig; ze komt uit het brein van wetsfetisjisten. 

Daar wilde ik het even bij laten, voorzitter. 

Mevrouw Straus (VVD):

Voorzitter. Ook wij van de VVD vinden het belangrijk dat ouders en school er samen uitkomen wanneer kinderen extra ondersteuning nodig hebben, maar wel elk vanuit de eigen verantwoordelijkheid. Soms gaat het inderdaad nog niet goed. Wat ons betreft zetten we dan ook vooral in op de versterking van de dialoog. Daarvoor heb ik een motie voorbereid. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

overwegende dat het niet-nakomen van de zorgplicht door scholen in het kader van het passend onderwijs de aanhoudende aandacht heeft van de Kamer; 

overwegende dat het onwenselijk is als onenigheid tussen ouders en de school over de invulling van het handelingsdeel tot impasses leidt; 

constaterende dat er onafhankelijke onderwijsconsulenten zijn die betrokken kunnen worden wanneer er geen overeenstemming tussen ouders en school wordt bereikt; 

van mening dat er daar waar op overeenstemmingsgericht overleg structureel wordt genegeerd door een school, streng opgetreden moet kunnen worden door de onderwijsinspectie; 

verzoekt de regering, de onderwijsconsulenten te vragen regelmatig aan de inspectie te rapporteren wanneer scholen het op overeenstemmingsgericht overleg structureel aan hun laars lappen, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Straus, Bruins en Bisschop. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 12 (34446). 

Mevrouw Straus (VVD):

Vervolgens heeft de wetgever er bij het maken van de Wet passend onderwijs — onze voorgangers en zelfs sommigen van ons waren daar toen bij — bewust voor gekozen om voor ouders het op overeenstemming gericht overleg in te voeren, en dus niet het instemmingsrecht. Uit wat we vandaag gedeeld hebben, blijkt dat er heel veel individuele casuïstiek is. Maar wat mij betreft is er geen rode draad te ontdekken waarom er specifiek op dit punt nu een wijziging nodig is. Om die reden dien ik mijn tweede motie in. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

overwegende dat de motie-Ypma (31467, nr. 95) is aangenomen waarin de regering wordt verzocht een wetsvoorstel voor te bereiden waarin wordt geregeld dat het handelingsdeel van het ontwikkelingsperspectief na overeenstemming met de ouders wordt vastgesteld; 

overwegende dat de Wet passend onderwijs in werking is getreden in het schooljaar 2014-2015, de motie-Ypma reeds voor de invoering van de wet werd ingediend en de evaluatie van de wet in 2020 wordt afgerond; 

constaterende dat een uitwerking van de motie-Ypma op dit moment prematuur is omdat er nog geen grondige evaluatie heeft plaatsgevonden; 

verzoekt de regering, het wetsvoorstel aan te houden en mee te nemen bij de evaluatie van het passend onderwijs, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Straus en Bisschop. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 13 (34446). 

De heer Van Meenen (D66):

Voorzitter. Ik wil om te beginnen de staatssecretaris hartelijk danken. Wij kennen zijn gevoelens over deze wet. Hij heeft die tijdens de indiening van de motie in ieder geval niet onder stoelen of banken gestoken. Toch heeft hij dit wetsvoorstel vandaag op een adequate manier — en ik zou haast zeggen op een sportieve manier — uitstekend verdedigd. Nogmaals mijn dank daarvoor. De voornaamste reden waarom ik hier sta, is om dat nog even uit spreken. Als we het niet met elkaar eens zijn, zeg ik het ook, maar in dit geval mag het ook gezegd worden. 

Ik ga nog even in op hetgeen mevrouw Straus zei. Zij stelt voor om tot 2020 te wachten om te bekijken of het echt nodig is om ouders rechten te geven. Ook al zou er in Nederland maar één kind in de knel komen door foutief handelen, dan nog zouden we er goed aan doen om de ouders dit recht te geven. Dat kind kan in ieder geval niet tot 2020 wachten om beter onderwijs te krijgen dan het op dit moment ontvangt. Als je alleen maar schermt met het argument dat de wetgever destijds bedoeld heeft slechts het oogo in te stellen en niet het instemmingsrecht, vind ik dat niet zo sterk. Ik denk dat we hier voortdurend bezig moeten blijven om dingen beter te maken. Ik hoor de VVD ook voortdurend zeggen: van goed naar beter. Dat geldt voor deze wet ook, alhoewel ik hem nog niet zo heel goed vind, maar er zijn misschien nog wel meer verbeteringen mogelijk. 

Ten slotte zeg ik zegen de heer Beertema dat ik mij niet direct aangesproken voel door zijn kwalificatie "wetsfetisjist". Ik ben juist naar Den Haag gekomen om minder te wetten hebben. We hebben gelukkig al heel wat rommel uit de tijd van Rutte I weten te slopen. Maar soms kan het niet anders en dan moet het maar. Dat is echter geen fetisjisme, maar handelen in het belang van kinderen. 

De voorzitter:

We zijn daarmee gekomen aan het einde van de tweede termijn van de Kamer. De staatssecretaris geeft aan dat hij nog heel even nodig heeft, alvorens hij kan overgaan tot de beantwoording in tweede termijn. 

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst. 

De voorzitter:

Ik geef de staatssecretaris het woord voor de beantwoording in tweede termijn en een oordeel over de ingediende moties. 

Staatssecretaris Dekker:

Voorzitter. Kortheidshalve kan ik mij volgens mij beperken tot dat laatste. 

Ik begin bij de motie op stuk nr. 8 van mevrouw Siderius, waarin zij vraagt om compensatie voor de 3 miljoen extra administratieve lasten. Dit is een ongedekte cheque. Ik ben graag bereid om te kijken naar compensatie, maar dan hoort dit huis daar dekking bij te geven. Dat moet dan bijvoorbeeld vanuit de vve (voor- en vroegschoolse educatie), vanuit het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid, vanuit de publieke omroep of vanuit de wetenschap bekostigd worden. Zo doen wij dat meestal. Ik zou zeggen: dien straks bij de behandeling van de Onderwijsbegroting een amendement in. Ik ontraad deze motie dus. Ik zeg er maar direct bij dat ik die ook niet zal uitvoeren als die wordt aangenomen. 

In de motie op stuk nr. 9 verzoekt mevrouw Siderius mij om te komen tot uniforme formulieren die per 1 januari bij alle samenwerkingsverbanden moeten worden geïmplementeerd. Dat laatste kan niet. Dat vraagt een wettelijke basis. Dat moet wettelijk worden geregeld en dat vraagt dus om een wetsvoorstel. Ik vind dit ook niet passen bij de systematiek van het passend onderwijs, waarin wij juist een aantal van deze verantwoordelijkheden bij de samenwerkingsverbanden hebben belegd. Wellicht kan ik mevrouw Siderius enigszins tegemoetkomen. Wij gaan bekijken hoe wij samen met de PO-Raad en samenwerkingsverbanden kunnen komen tot vrijwillige uniformering. Vergelijk dat met wat de VNG doet, die formats maakt voor tal van verordeningen. Het is altijd de autonomie van de gemeente om een eigen verordening te maken. Zij kan ook van een format afwijken of daaraan wat specifieke dingen toevoegen, maar op een zachte manier wordt er wat sturing gegeven met instrumenten als dit soort formats. Ik ontraad dus de motie, maar wellicht kan mevrouw Siderius die met deze toezegging ook intrekken. 

De motie op stuk nr. 10 valt niet onder mijn portefeuille. Dit ligt bij mijn collega van Sociale Zaken. Ik kan hiervan totaal niet de consequenties overzien. Alleen daarom al ontraad ik de motie. 

De motie van de heer Bruins en mevrouw Ypma op stuk nr. 11 roept ons in verband met de administratieve lasten op tot pogingen om elders in het speciaal onderwijs de administratieve lasten terug te dringen. Alsof wij dat al niet doen! Als er ergens een mogelijkheid is om administratieve lasten terug te dringen, doen wij dat. Sterker nog, wij hebben een heel project opgezet. De aanname van deze motie zal er ook niet toe leiden dat wij nog eens wat extra's gaan doen. Deze motie is echt heel erg overbodig. Ik zou haast zeggen dat die op gewetenszuivering lijkt. Als je echt voor deze wet bent, aanvaard je de consequentie dat de administratieve lasten daardoor wat meer worden. That's a fact of life. Dat gebeurt wel vaker. We schaffen ook weleens wetten af, waardoor de administratieve lasten iets minder worden. Maar deze motie voegt echt niks toe. 

De heer Bruins (ChristenUnie):

Eigenlijk hoor ik "ondersteuning beleid" en "oordeel Kamer". 

Staatssecretaris Dekker:

Wij hebben zeer recent ook met de commissie voor Onderwijs afspraken gemaakt over de advisering over moties. Daarbij heeft de commissie mij en de minister uitgedaagd om scherp te zijn in de advisering. Deze motie voegt echt niets toe; vandaar mijn oordeel. 

De motie-Straus c.s. op stuk nr. 12 gaat over de inzet van onderwijsconsulenten. Ik begrijp heel goed wat mevrouw Straus wil. Dat is nobel, maar ik vind het gevaarlijk als wij uitvoering aan de motie zouden geven. Daarmee komen onderwijsconsulenten in een heel vervelende positie: zij worden én bemiddelaar én politieagent. Dat moet niet gebeuren. Zij moeten altijd handelen in het belang van de leerling. Dat moet soms ook vertrouwelijk kunnen of vanuit een onafhankelijke positie. Als een school dingen doet die niet door de beugel kunnen, dan zullen zij natuurlijk bij de inspectie aan de bel trekken. Ik vind het echter niet hun rol om structureel te rapporteren aan de inspectie. Dat leidt echt tot rolvermenging. Om die reden ontraad ik ook deze motie. 

Mevrouw Straus (VVD):

De staatssecretaris zegt dat zij dan misschien iets minder onafhankelijk worden, maar zij hebben wel enorm waardevolle informatie over de wijze waarop scholen precies met dat op overeenstemming gericht overleg omgaan en over de wijze waarop je dat overleg kunt versterken. Dus wil ik de staatssecretaris een vraag terug stellen: hoe zouden wij ervoor kunnen zorgen dat die informatie wel boven water komt terwijl de onderwijsconsulenten zo neutraal mogelijk blijven? 

Staatssecretaris Dekker:

Dat is een terecht punt, maar er zijn ook andere vormen. Misschien mag ik een voorstel doen. Wij werken nu twee jaar met passend onderwijs. Inmiddels hebben onderwijsconsulenten heel veel casussen gezien en er vaak ook een bijdrage aan kunnen leveren. Het kan geen kwaad om eens een conferentie te organiseren en aan deze experts te vragen: wat zijn jullie tegengekomen, zien jullie knelpunten, zien jullie hobbels, hebben jullie goede lessen die scholen kunnen meenemen in het gesprek met ouders om dat soepeler te laten verlopen? Dat is een iets minder repressieve en rapporterende rol dan mevrouw Straus voorstelt, maar wellicht komen we op hetzelfde doel en hetzelfde resultaat uit. Als ik deze toezegging in dit debat doe, is dat voor haar misschien voldoende om de motie in te trekken. 

Mevrouw Straus (VVD):

Ik zal in overleg treden met de andere indieners of wij het dictum wijzigen of eventueel tot aanhouding overgaan. 

De voorzitter:

Dan komt u daarop terug. De heer Bruins komt nog terug op de vorige motie. 

De heer Bruins (ChristenUnie):

Ik trek mijn motie op stuk nr. 11 in. Ik verwacht dat wij een voortreffelijke rapportage krijgen over hoe de administratieve lasten worden verminderd. 

De voorzitter:

Aangezien de motie-Bruins/Ypma (34446, nr. 11) is ingetrokken, maakt zij geen onderwerp van beraadslaging meer uit. 

Staatssecretaris Dekker:

Dat laatste kan ik zeker toezeggen. De heer Bruins wordt op zijn wenken bediend, nog voor het einde van het jaar. 

De motie-Straus c.s. op stuk nr. 13 gaat over politieke weging. Er lag een politieke weging om de evaluatie niet af te wachten en sterker nog, zelfs de inwerkingtreding van de wet niet af te wachten. Deze motie zegt: doe dat wel en neem het mee bij de evaluatie. Ik vind het niet fair om te zeggen dat ik het oordeel aan de Kamer laat. De Kamer heeft mij een opdracht gegeven en ik sta hier met een wetsvoorstel. Daarbij hoort dat ik deze motie ontraad. Als de Kamer echter tot een ander inzicht komt en deze motie toch steunt, dan moet u snel zijn en de stemming over het wetsvoorstel aanhouden. Als deze motie wordt aangenomen, kan ik die heel moeilijk uitvoeren omdat waarschijnlijk vijf minuten later het wetsvoorstel in stemming wordt gebracht. Ik ontraad de motie. Mocht die het wel halen, dan moet u zelf even ingrijpen bij de stemmingen. Anders krijg ik een probleem met u omdat ik niet heb gedaan wat u aan mij hebt gevraagd. 

De voorzitter:

Dat is inderdaad heel boeiend, als er eerst over het wetsvoorstel wordt gestemd en daarna over de moties. 

De algemene beraadslaging wordt gesloten. 

De voorzitter:

Ik dank de staatssecretaris voor zijn inbreng, ik dank de leden voor hun aanwezigheid en inbreng en ik dank de mensen op de publieke tribune en de mensen die het debat op een andere manier hebben gevolgd. De stemmingen over het amendement, het wetsvoorstel en de moties vinden plaats na het herfstreces. 

Naar boven