Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2008-2009nr. 53, pagina 4322-4350

Aan de orde is de behandeling van:

het wetsvoorstel Implementatie van Europese regelgeving betreffende het verkeer van diensten op de interne markt (Dienstenwet) (31579).

De algemene beraadslaging wordt geopend.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Voorzitter. Toen ik zo-even de zaal binnenliep, zei de griffier tegen mij: "Volgens mij ben jij nog een van de weinigen die het hele traject van meet af aan heeft meegemaakt." Volgens mij klopt dat en ik meen dat het aardig is nog een paar opmerkingen te maken over het hele voorafgaande proces, over de hele discussie over de Bolkesteinrichtlijn en over de manier waarop de Kamer een SER-adviesaanvraag heeft afgedwongen bij de minister – deze was daar op dat moment niet zo'n groot voorstander van – wat uiteindelijk een buitengewoon belangrijke rol heeft gespeeld bij de uiteindelijke totstandkoming van de richtlijn.

Het is goed hier nog even te memoreren dat op Europees niveau het SER-advies een buitengewoon belangrijke rol heeft gespeeld. Daarmee heeft Nederland namelijk in belangrijke mate een aantal vraagstukken aan de orde gesteld over de vraag op welke manier de Dienstenrichtlijn uiteindelijk iets wordt waarin iedereen zich kan vinden en waarover iedereen, op een of andere manier, met opgeheven hoofd kan zeggen: "Dit is een goede manier om uiteindelijk de voltooiing van de interne markt weer een stapje verder te brengen en om in het kader van het Lissabonproces enkele stappen vooruit te zetten."

Een meer algemeen punt betreft het belang van dit wetsvoorstel. Het gaat namelijk wel om de dienstensector in zijn geheel. Ik kom zo dadelijk nog terug op de diensten van algemeen economisch belang, maar de Dienstenwet is een belangrijke wet die buitengewoon veel impact kan hebben voor zowel de mogelijkheden van de dienstensector voor export naar de rest van de Europese Unie als binnen het land zelf. De meerwaarde van dit wetsvoorstel is dat het niet alleen betrekking heeft op activiteiten van buitenlandse ondernemingen in Nederland, maar ook op alles wat Nederlandse ondernemingen hier zouden willen gaan doen. Het wordt in feite een stukje vergemakkelijkt om je dienstenactiviteiten ter hand te nemen.

Als wij over dit wetsvoorstel praten, moeten wij wel in het achterhoofd houden dat 75% van het bruto nationaal product en 80% van de Nederlandse beroepsbevolking op de een of andere manier worden geraakt door de Dienstenwet. De Dienstenwet is niet het sluitstuk van het hele proces van de implementatie van de Dienstenrichtlijn, doch een van de uiteindelijke vier wetten. Dit is het eerste wetsvoorstel, en gaat in belangrijke mate over een goede regeling van de eenloketgedachte en de lex silencio positivo. De minister van EZ komt met nog twee wetsvoorstellen, namelijk een voorstel voor een aantal aanpassingswetten voor sectoren en een voorstel voor een veegwet.

Dan moet er nog één ander wetsvoorstel komen, niet van de ministers van EZ en van Justitie maar met name van de minister van BZK, namelijk over de vraag op welke manier uiteindelijk decentrale overheden aansprakelijk kunnen worden gesteld voor fouten in de implementatie. Over dat vraagstuk spreken wij al veel langer en is al veel eerder advies gevraagd. Ik herinner mij dat de commissie-Oosting er wel het een en ander mee heeft gedaan. Het knelt des temeer nu, omdat in de Dienstenrichtlijn en in het voorstel voor de Dienstenwet een belangrijke rol voor de decentrale overheden is weggelegd. Indien zij op een onjuiste manier handen en voeten hebben gegeven aan hun vergunningen en daarbij fouten hebben gemaakt, dan kunnen zij daarop nu niet rechtstreeks aangesproken worden door de Europese Commissie of het Europese Hof van Justitie, maar wordt altijd de rijksoverheid daarop aangesproken. Het is goed om dan op nationaal niveau te regelen dat op het moment dat zo'n situatie zich voordoet, wij direct de kosten bij de decentrale overheid kunnen verhalen.

Die wet was aangekondigd voor 2008, maar is er niet. Zij is nu aangekondigd voor 2009. Ik heb er natuurlijk alle vertrouwen in dat die wet er alsnog komt, maar voor mij is het allerbelangrijkst dat het gewoon op een goede manier geregeld wordt. Als het niet zo is dat die wet hier uiteindelijk dan ook in de Kamer ligt en wij daar ook al over gesproken hebben, dan moeten wij ervoor zorgen dat zij alsnog op een goede manier wordt opgenomen in de veegwet die wij vlak voor de jaarwisseling krijgen. Ik overweeg om op dit punt de druk op te voeren en een Kameruitspraak te vragen.

Een belangrijk element van wat nu geregeld gaat worden, is de eenloketgedachte. Daarbij speelt op de achtergrond de vraag bij wie dat loket precies terecht moet komen. De minister heeft gezegd dat hij het onderbrengt bij Antwoord voor bedrijven. In het schriftelijk verslag heeft mijn fractie nog gevraagd: waarom alleen bij Antwoord voor bedrijven en niet ook bij de Kamers van Koophandel? Iedere ondernemer komt ten slotte in aanraking met de Kamer van Koophandel, al was het alleen voor zijn inschrijving. Het antwoord van de minister was: wij hebben Antwoord voor bedrijven en dus doen wij het bij Antwoord voor bedrijven. Dat antwoord vind ik een beetje te mager. Zou geen afspraak met de Kamers van Koophandel gemaakt kunnen worden over een doorlink, zodat het loket bij Antwoord voor bedrijven wordt ondergebracht, maar met een link naar de Kamers van Koophandel, zodat men daar ook alle informatie kan vinden over dit onderwerp?

Een ander element aangaande het één-loket, is dat is uitgesproken dat alle regelgeving en vergunningen in de nationale taal plus één buitenlandse taal moeten worden aangeboden. Nederland kiest ervoor dit bij voorkeur in het Engels te doen en om in grensregio's aan te sluiten bij de taal die in die grensregio van belang is. Dat lijkt ons een heel goede oplossing. Wat gaat de minister eraan doen om ervoor te zorgen dat andere landen voor een soortgelijk regime kiezen en het loket ook zo veel mogelijk in het Engels, het Frans of het Duits aanbieden? Het is niet de bedoeling dat als wij te maken krijgen met Tsjechen, wij het loket alleen in het Tsjechisch en het Slowaaks aangeboden krijgen. Dat maakt het niet erg aantrekkelijk om dan alsnog activiteiten te ontplooien in Tsjechië of Slowakije. Hoe gaat de minister stimuleren dat decentrale overheden, die de informatie bij dat ene loket gaan aanvullen, die informatie niet alleen in het Nederlands, maar ook al in het Engels of in die andere taal aanbieden? Moet dat per se door dat ene loket gebeuren? Zou het ook niet goed zijn om decentrale overheden op dat punt ook een stuk verantwoordelijkheid te geven?

De minister heeft in belangrijke mate al alle regelgeving gescreend die door decentrale overheden en anderen op dit terrein gemaakt is. Zij heeft ons deelgenoot gemaakt van wat er allemaal al gebeurd is. Dat was een geweldig pakket papier. Als je dat gelezen hebt, dan kun je heel goed slapen. Slechts een kwart van de Nederlandse gemeenten had op 1 september, toen de deadline afliep, het proces voltooid. Hoe staat het daar nu mee? De minister geeft verder aan dat waterschappen, provincies en PBO's over het algemeen hun zaken op orde hebben, maar wij weten dat sommige beroepsorganisaties ook vergunningen hebben. Hoe staat het daarmee? Ik denk dan met name aan accountants, advocaten en dergelijke. Bemoedigend is wel dat blijkt dat er over het algemeen niet zo heel veel Nederlandse regels in strijd zijn met de Dienstenrichtlijn. Dat is een belangrijke constatering.

De lex silencio positivo is een gedachte die door het CDA al in 2004, 2005 in de Kamer gepropageerd is als belangrijk element om in te voeren in deze wetgeving. Wat dat betreft zijn wij blij dat in ieder geval Europa op diezelfde gedachte is gekomen. Het is goed dat de lex silencio positivo uiteindelijk op tafel wordt gelegd. Om die reden zal de minister van ons geen enkel kritisch geluid horen over dit verhaal. Integendeel, wij vinden het heel goed dat het gebeurt. In de nota naar aanleiding van het eindverslag staat dat hier al een zeer preventieve werking van uitgaat. Er wordt zeer kritisch nagedacht over de vraag of een bepaalde vergunning wel noodzakelijk is. Dat is een belangrijk voordeel van de lex silencio positivo.

Mijn laatste onderwerp in mijn bijdrage zijn de diensten van algemeen economisch belang, waarover wij al vaker van gedachten hebben gewisseld. Daarbij ging het met name over de vraag of wij zo langzamerhand niet eens duidelijkheid moeten geven over welke diensten onder de titel "dienst van algemeen economisch belang" vallen.

In de nota naar aanleiding van het verslag staat dat enkele sociale diensten daaronder vallen, zoals de woningbouw. Mijn informatie is dat heel veel decentrale overheden nog steeds de behoefte hebben om duidelijkheid te krijgen over wat precies een dienst van algemeen economisch belang is. Daarover krijg ik graag wat meer informatie van de minister. Wat verstaat de Nederlandse overheid precies onder een dienst van algemeen belang? Ik ken de Altmark-criteria en ik weet ook aan welke andere bepalingen voldaan moet worden. Maar ik ben zeer benieuwd naar de mening van de regering op dit punt.

De heer Van der Ham (D66):

De Europese Commissie heeft het plan om de Dienstenrichtlijn uit te breiden tot de gezondheidszorg, dus om een stap verder te gaan dan deze richtlijn. Hoe staat het CDA daar tegenover?

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Wij moeten eerst afwachten wat de Europese Commissie überhaupt op dit terrein gaat doen. U kunt wel zeggen dat de Europese Commissie iets van plan is, maar dan nog moeten wij dit proces eerst zorgvuldig afronden. Ik vraag mij overigens af of het wel verstandig is om de gezondheidszorg er nu al direct onder te brengen. Wij hebben een buitengewoon zorgvuldig, langdurig proces doorlopen om uiteindelijk tot deze richtlijn te komen. Daarop zijn allerlei uitzonderingen geformuleerd. Wij moeten eerst dit proces tot een goed einde brengen, inclusief de implementatie. Pas daarna kunnen wij een paar stapjes verder zetten.

De heer Van der Ham (D66):

Dat was mijn vraag niet. Voor mijn fractie en ook uw fractie staat vast dat wij deze Dienstenrichtlijn moeten aannemen. Er is heel veel discussie geweest, ook in het Europees Parlement, over de vraag of deze richtlijn wel ver genoeg gaat. Er zijn zeer veel compromissen gesloten. Is het CDA hier in de Kamer en wellicht straks ook bij de Europese verkiezingen van plan om ervoor te zorgen dat er verdere stappen gezet kunnen worden? Roept u de regering op om in Europees verband stappen te zetten om hiaten als gevolg van al die compromissen, in de huidige diensten weg te nemen?

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Laten wij het stapje voor stapje doen; alles op zijn tijd. Laten wij eerst deze richtlijn tot een goed einde brengen via de implementatie van de desbetreffende wetgeving. De Europese Commissie heeft als enige het recht van initiatief. Als zij ons een witboek, een groenboek of een of andere vorm van regelgeving voorlegt, zullen wij uitgebreid van gedachten wisselen over de vraag of het verstandig is om dit op korte termijn te doen of dat wij daar nog even mee moeten wachten. Er zitten heel veel haken en ogen aan. Wij moeten op het juiste moment de juiste discussie over het juiste onderwerp voeren. Dat moment is niet vandaag.

De heer Elias (VVD):

Voorzitter. Vandaag behandelen wij een wet die wij, wat de fractie van de VVD betreft, zo snel mogelijk opnieuw behandelen. Ik hoop dat collega Van Dijk er ook dan weer bij kan zijn. Ik doel op het moment waarop het ons gelukt is om in Europees verband alsnog een echte Dienstenrichtlijn tot stand te brengen met een echte open interne markt en een echte aanval op de administratieve regeltjes die het grensoverschrijdend inzetten van personeel nodeloos bemoeilijken. Desnoods gaat Nederland hiermee met een kopgroep van start zodra het verdrag van Lissabon die mogelijkheid biedt. Echte concurrentie in Europa moet zich volgens de VVD namelijk niet beperken tot het nationale niveau, want de Nederlandse economie is voor bijna drie kwart afhankelijk van diensten en de tijd van rokende schoorstenen en de lopende band ligt werkelijk merendeels achter ons.

De Dienstenwet die er nu ligt, de vertaling van de uitgeklede Europese Dienstenrichtlijn, is voor ons een typisch geval van een half ei, en inderdaad: dat is beter dan een lege dop. Een half ei overigens dat voor 28 december van dit jaar al op de ontbijttafel moet liggen, want dan moet volgens afspraak de Nederlandse variant in werking treden.

Het doel van de originele Dienstenrichtlijn was: een Europese interne markt voor diensten bevorderen. Als dienstverleners in het ene land last hebben van belemmeringen om in het andere land te kunnen opereren, moeten die belemmeringen worden opgeruimd. Nieuwe markten openen zich, terwijl op de Nederlandse markt meer concurrentie ontstaat. Dat leidt tot innovatie en tot een betere prijs-kwaliteitverhouding voor de consument. Bovendien vergroot een interne markt voor diensten de keuzemogelijkheid voor consumenten en voor andere dienstenafnemers. Zij brengt meer welvaart, versterkt de economie en er komen extra banen. Het oorspronkelijke voorstel voor de Dienstenrichtlijn zou Europa aan ruim een miljoen extra banen hebben geholpen en aan een sterke groei van de Europese economie. Ik verwijs naar CPB-cijfers.

Mijnheer de voorzitter. Er waren prima ideeën. Ze waren in 2004 dan ook afkomstig van de liberale commissaris Frits Bolkestein en zij worden ook heden ten dage door de VVD nog meer dan van harte onderschreven. Twee jaar discussiëren in het Europese Parlement en 1600 wijzigingsvoorstellen verder zijn er tot onze grote spijt evenwel flink wat gaten in de Bolkesteinrichtlijn geschoten. Platte vakbondsdemagogie werd in dat proces niet geschuwd. De tegenstanders spraken van de Frankensteinrichtlijn en het kabaal stoelde op het veel besproken land-van-oorsprongbeginsel: een Tsjechische ondernemer die bijvoorbeeld in Nederland aan de slag zou willen, zou hier op basis van de Tsjechische wetgeving mogen opereren. De gedachte die hieraan ten grondslag lag, was dat daardoor veel sneller een interne Europese markt zou ontstaan. Dat is weer goed voor de mondiale concurrentiepositie van Europa. Denk aan India en China.

Mevrouw Gesthuizen (SP):

Voorzitter. De heer Elias ging nog even door op het onderwerp waarover ik hem precies een vraag wilde stellen. Ik hoor hem zeggen dat er een miljoen banen bij zouden zijn gekomen. Er wordt nu gesproken over 600.000 extra banen, maar wij moeten nog zien dat die er bij komen. Ik heb daar mijn twijfels bij. Echter, maakt het de heer Elias helemaal niet uit of die miljoen extra banen die er bij zouden zijn gekomen alle wel goede banen zouden zijn geweest? Vraagt hij zich niet af of die voor de werknemers die ze zouden krijgen, net wat minder goed zouden zijn geweest?

De heer Elias (VVD):

Nergens staat dat. Volgens de verdragen zouden de cao's blijven gelden. U moet het SER-advies lezen. Daar staat dat allemaal keurig in. Daar stond ook de handtekening van mevrouw Jongerius van de FNV onder. Waar u op doelt, is in die periode dus allemaal overdreven bangmakerij geweest. Bovendien: de economie moderniseert. De tijd van de lopende band en de rokende schoorstenen is voorbij. Kijk eens naar buiten. Wij hebben hier een mooie glazen wand en u moet dan ook naar buiten kijken. De zzp'ers, de zelfstandigen zonder personeel, vinden wat nu gebeurt fantastisch. Morgen spreken wij met minister Donner en zullen wij het hebben over het feit dat 1% van de zelfstandigen ontevreden is over de keuze die ze gemaakt hebben. De economie verandert. Dat houdt u niet tegen. Ik weet wel dat uw groepering flink heeft gefulmineerd tegen deze Bolkesteinrichtlijn, maar die zal er toch een keer komen.

Mevrouw Gesthuizen (SP):

Voorzitter. Ik wil alleen nog mijn conclusie trekken. Zo ken ik de VVD weer. Van dik hout zaagt men planken. Het maakt verder niet zo veel uit dat de werknemers wel degelijk nadeel ondervinden.

De voorzitter:

Conclusies trekken wij eigenlijk pas in de tweede termijn.

De heer Elias (VVD):

Maar de nadelen zijn nooit aangetoond.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Bent u het niet met mij eens dat dit voorstel uiteindelijk de juiste vertaling van het SER-advies is?

De heer Elias (VVD):

Met hier en daar een kanttekening ben ik het ermee eens dat dit voorstel een prima vertaling is van wat uiteindelijk in Europa na twee jaar discussie en 1600 amendementen is vastgelegd. Hierover kom ik overigens nog te spreken, maar vooruitlopend daarop zeg ik dat wij op hoofdlijnen heus wel kunnen instemmen met het wetsvoorstel dat er nu ligt. Alleen, wij hebben een paar belangrijke kanttekeningen en ik wilde graag beginnen met opmerkingen over het principe en aangeven waar wij voor staan, waar wij in geloven, waar wij als het aan ons ligt nog op terugkomen en waarvoor wij met een kopgroep in Europa zullen vechten.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Maar die 1600 amendementen vloeiden juist voort uit het SER-advies. Dus dankzij het SER-advies ligt dit voorstel op tafel. U kunt dat anders zien, maar dat is wel een feit.

De heer Elias (VVD):

Nee, feit is dat er nu een vertaling op tafel ligt die op hoofdlijnen acceptabel is, maar dit voorstel is een vertaling van de uitgeklede Bolkesteinrichtlijn. Aanneming van die richtlijn hadden wij veel beter gevonden. Wij kunnen daarover van mening verschillen en met de SP nog sterker, maar dat zijn de feiten.

Een tweede slag die aan het oorspronkelijke voorstel van Frits Bolkestein is toegebracht, is dat flink wat sectoren buiten de werking van de Dienstenrichtlijn zijn gehouden. Ik noem ze niet allemaal, maar het staat voor mijn fractie buiten kijf dat het er te veel zijn. Het gaat om vervoer, uitzendbureaus, elektronische communicatiediensten en ga maar verder. Tot zover de lege dop.

De nieuwe Dienstenwet bevat zeker ook positieve elementen. Zo worden allerlei regels tegen het licht gehouden op noodzakelijkheid, proportionaliteit en non-discriminatie, een hele mond vol. Maar als dat betekent – dat doet het – dat onnodige regelgeving wordt teruggebracht of afgeschaft, neem ik die volle mond bij wijze van uitzondering voor lief, zeker als tevens administratieve procedures worden vereenvoudigd.

Verder komt er één loket voor dienstverleners, zowel voor informatie als voor het afwikkelen van formaliteiten. Ten slotte bevat de richtlijn, dus straks ook de Nederlandse wet, het principe dat, als een vergunning wordt aangevraagd en de overheid niet op tijd reageert, deze vergunning automatisch wordt verleend. Dit heet de lex silencio positivo. Maar als u mij toestaat, mijnheer de voorzitter, wil ik de bewindslieden vragen met mij af en toe te reppen van het uitgangspunt: geen tijdige overheidsreactie, dan automatisch vergunning. Verderop in mijn betoog wordt wel duidelijk waarom ik hieraan hecht.

Er komen minder regels, er komt één loket en reageert de overheid te laat, dan wordt de vergunning automatisch verleend. Zie hier het halve ei dat ons doet zeggen dat deze Dienstenwet vanuit zuiver liberaal oogpunt weliswaar onvolkomen is, maar toch beslist een stap vooruit.

Drie hoofdpunten zijn voor ons van belang. Het ene loket past in het streven om de administratieve lasten voor bedrijven te beperken. De VVD-fractie juicht deze ontwikkeling uiteraard sterk toe, maar wil dat dit loket voor alle ondernemers in alle sectoren is, dus niet alleen voor dienstverleners. Verder wil de VVD-fractie dat dit loket pertinent voor 28 december 2009 draait. Dat is namelijk de deadline. Als Nederland daaroverheen schiet, krijgen wij gedoe met de Europese Commissie. De VVD-fractie reikt hierbij graag de suggestie aan om dit te combineren met de uitvoering van de motie-Van der Burg uit oktober 2007 over het bedrijvenloket. Ook doen wij het kabinet de suggestie om in twee grensregio's te experimenteren met het gezamenlijk opzetten van een dergelijk loket. Wij denken aan de oudste Euregio's van Nederland met België en Duitsland, te weten die in Twente en in Limburg. Ik sluit hiermee aan op een al aangekondigde motie-Schinkelshoek die dit alvast voor Limburg bepleit. Een en ander staat voor volgende week op de agenda bij het verslag van het algemeen overleg over grensoverschrijdende samenwerking. Misschien is er iets te combineren.

Bovendien wil onze fractie een echt loket dat werkt en niet een of ander internetexcuusloket dat met een handigheidje van een Brusselse verplichting afkomt. Wij willen een overheid die niet meedeelt dat iets niet kan, maar die helpt hoe iets wel moet. De overheid is er voor de burgers en de bedrijven en niet andersom.

Concreet voor dit elektronische loket betekent het dat je er moet worden geholpen met inzichtelijke en heldere informatie en met inhoudelijk advies. Als je een mailtje stuurt of belt, moet je binnen vijf werkdagen een concreet en inhoudelijk antwoord krijgen en niet een verwijzing naar een andere instantie. Bovendien moet de mogelijkheid bestaan om dit loket fysiek te bezoeken: dus geen verwijzingen naar een van de 441 Nederlandse gemeenten of een van de twaalf regionale Kamers van Koophandel. Eén loket is één loket en geen verwijzingencircus. De VVD-fractie vraagt de minister om daarvoor te zorgen, want daar ligt de behoefte; VNO heeft er ook op gewezen. Graag ontvang ik van de ministers in hun antwoord toezeggingen over diverse suggesties rondom dit loket.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Waar moet dat ene loket komen?

De heer Elias (VVD):

Dat maakt ons in principe niet zo vee uit, maar het ligt voor de hand om het bij Economische Zaken neer te leggen en het te combineren met het Antwoord voor bedrijven.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Betekent dit dat een Limburgse ondernemer naar Den Haag moet gaan om daar het antwoord te krijgen?

De heer Elias (VVD):

Nee, het betekent dat hij achter zijn typemachine zit, een vraag inklopt en binnen vijf werkdagen antwoord krijgt. Zoals ik al zei: Nederland is een beetje veranderd.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Maar u zei net dat je het ook fysiek moet kunnen bezoeken. Ik versta onder "fysiek bezoeken" dat ik daar naar toe loop ...

De heer Elias (VVD):

Als een ondernemer ervoor kiest om in een keer met zijn hele stapel naar een loket te gaan, wat zou daar mis aan zijn?

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

U wilt dat op een plek hebben, hier op het ministerie van Economische Zaken.

De heer Elias (VVD):

Als hij bij de Kamer van Koophandel ook goed terecht kan of als de Kamer van Koophandel met dat loket hier in Den Haag zaken regelt, vind ik het ook allemaal prima. Wij willen alleen niet dat het over ik weet niet hoeveel plaatsen in Nederland versnipperd is, waarbij je op de ene plek goed wordt geholpen en op de andere niet. Er moet gewoon één helder functionerend loket komen.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

De heer Elias zegt het nu weer anders.

De heer Elias (VVD):

Nee, dat zeg ik niet.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Toen ik vroeg waar het loket moest zijn, zei de heer Elias: in Den Haag. Hij kan zich echter ook voorstellen dat het bij een Kamer van Koophandel in de regio is. Wat is het nu?

De heer Elias (VVD):

Als men daar ook terecht kan voor dezelfde informatie, vind ik dat prima. Ik kan mij echter voorstellen dat je één loket organiseert dat goed functioneert en in helder Nederlands antwoord geeft. Als mensen bij wijze van uitzondering op enig moment naar dat loket toe willen om al hun zaakjes in één keer af te ronden, komen zij een keer naar Den Haag. Als je een bedrijf wilt starten waarmee je ook in andere landen binnen Europa beter kunt concurreren, dan heb je dat er wel voor over, lijkt mij.

De voorzitter:

Ik stel voor dat u uw betoog vervolgt.

De heer Elias (VVD):

Ik wil nog een voor de VVD belangrijk kwestie behandelen, die eigenlijk breder geldt. Als de overheid met de burger communiceert, hoort dat begrijpelijk en duidelijk te gebeuren. Onbegrijpelijk taalgebruik is voor de burger knelpunt nummer 6 in zijn omgang met de overheid. Ik verwijs naar de brief van de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 4 november 2008. Het is een punt van alle tijden, lijkt het wel. De Stichting Ideële Reclame heeft in 1980 – u hoort het goed: 1980 – al een campagne gevoerd voor klare taal bij de overheid. Hier en daar gebeurt er iets. Er is een Kafkabrigade en er wordt aan gewerkt om 25 formulieren te verbeteren. Het mag breder en het moet breder. De overheid moet in duidelijk Nederlands met de burger, met ons allemaal, communiceren. Dat is een heel normale eis. Het gebeurt echter veel en veel te weinig. Mijn fractie wil er keer op keer gericht op letten, ook bij dit loket. Graag een reactie. Het lijkt misschien niet belangrijk, maar wij vinden het wel belangrijk.

Uitgangspunt van de overheid is dat een vergunning automatisch wordt verstrekt, als te laat op het verzoek voor die vergunning wordt gereageerd. Dat is de zogeheten lex silencio. De VVD-fractie is blij dat de invoering van het principe het kabinet aanleiding heeft gegeven om eens goed naar al die vergunningen te kijken en om allerlei overbodige vergunningen op te doeken. Bravo. Het moeten er echter veel meer worden. Mag ik in dat verband vragen om een overzicht van vergunningen die nog onder het mes kunnen? Ook wil ik weten wanneer daarover besluiten zullen vallen. De VVD vraagt om een slachting onder rare en onnodige vergunningen. Wij krijgen graag een overzicht. Weet dat het ons niet bloeddorstig genoeg kan zijn als het onnodige vergunningen betreft. Dat geldt helemaal voor vergunningen waarvan onduidelijk is of zij eigenlijk wel steunen op een wet. Ik kon niet geloven wat ik las in het Kabinetsplan aanpak administratieve lasten van staatssecretaris Heemskerk. Daarin staat gewoon, tenzij ik verkeerd lees: er zijn vergunningen die niet steunen op een wet. Is dat echt zo? Zo ja, dan zijn die vergunningen natuurlijk helemaal rijp voor de slacht. Graag een reactie.

Uiteraard zullen er altijd vergunningen overblijven. De VVD-fractie is voor die categorie enthousiast over de stok-achter-de-deurwerking van de lex silencio. De heer Jan Jacob van Dijk sprak daar ook over. Vergunningaanvragen zullen er vaker op tijd door worden afgewikkeld en dat vinden wij goed nieuws. Realistisch als de VVD-fractie is, zal zij overigens niet ontkennen dat er wel degelijk adders onder het gras zitten. Niet elke wet en niet elke vergunning leent zich ervoor, maar dat doet aan het principe niets af. Het is prettig voor de burger en voor de ondernemer als de overheid zich aan haar termijnen houdt. Bovendien creëert het rechtsgelijkheid, want waarom mag een overheid straffeloos te laat reageren, terwijl een burger of bedrijf een boete krijgt als hij te laat reageert?Elias

In het wetsvoorstel voor de Dienstenwet heeft het kabinet ervoor gekozen om de lex silencio te verankeren in de Algemene wet bestuursrecht, de Awb. Dat is op zichzelf positief, want de Awb biedt een bredere grondslag dan alleen vergunningstrajecten die onder de Dienstenrichtlijn vallen. Dat schept dus ruimte voor uitbreiding. Niettemin heeft de VVD moeite met de door het kabinet gekozen juridische dubbelslag, want het kabinet brengt nu slechts 45 extra vergunningen van de circa 1100 onder de lex silencio. Daarnaast legt de Awb vast dat de vergunningverlener alsnog het recht krijgt om een vergunning in te trekken als het algemeen belang wordt geschaad, ook al is de vergunning automatisch verleend omdat de termijn verstreken was. Wij erkennen dat dit laatste van belang kan zijn als ten onrechte een vergunning die maatschappelijke schade zou toebrengen, verleend wordt omdat een ambtenaar niet goed heeft opgelet. Ook zien wij het probleem van de derdenwerking: als ik een vergunning krijg om een heel hoge betonnen tuinmuur op te trekken, omdat degene die mij die vergunning had moeten weigeren te laat reageerde, hoe zit het dan met het recht van mijn achterbuurman op licht in zijn studeerkamer? Wij zien dus dat er hier en daar knelpunten kunnen optreden. De keuze van het kabinet om het aantal vergunningen dat onder het uitgangspunt gebracht wordt heel klein te houden én die enorme vluchtweg via de algemeenbelangredenering te creëren vindt de VVD-fractie te veel van het goede. Wij spreken de dringende wens uit dat de lex silencio vaker wordt toegepast dan alleen op de aangekondigde uitbreiding met 45 vergunningen. Alleen wanneer het er echt flink meer worden, is het reëel dat de vluchtweg openblijft omdat daarbij sneller misstappen kunnen worden gemaakt. Als het kabinet echter vasthoudt aan zowel het beperkte aantal als de vluchtweg, overwegen wij om een amendement in te dienen om de laatste route de pas af te snijden. Wij zien dat zelf eerlijk gezegd ook wel als een paardenmiddel. Vandaar onze dringende oproep aan het kabinet om het aantal vergunningen onder de lex silencio te vergroten.

Mevrouw Gesthuizen (SP):

De heer Elias is zelf blijkbaar een groot voorstander van een zo breed mogelijke vluchtweg. Op welke manier denkt hij dat het gedrag van de overheid zou kunnen verbeteren? De overheid dient zich natuurlijk in principe – dat zijn wij waarschijnlijk wel met elkaar eens – gewoon aan de termijnen te houden die voor het verlenen van vergunningen staan. Of wil hij niet dat de overheid haar gedrag verbetert?

De heer Elias (VVD):

Dat wil ik helemaal niet. De vluchtweg gaat over iets anders. De vluchtweg gaat hierover: als een vergunning inhoudelijk ten onrechte verleend zou worden, maar toch verleend wordt omdat de termijn is overschreden en de lex silencio van toepassing is, moet er een mogelijkheid zijn om de zaak alsnog terug te draaien. Dat kan bijvoorbeeld als de gezondheid in gevaar is of iets dergelijks; daar zijn in ieder geval allerlei draconische uitzonderingen op. Van die mogelijkheid moet echter geen misbruik worden gemaakt. Het moet niet zo zijn dat het aantal niet wordt uitgebreid, zoals het kabinet bepleit, en dat ook nog eens die vluchtweg openstaat; dat is te veel van het goede en dat heb ik betoogd.

Mevrouw Gesthuizen (SP):

Ik zal mijn vraag wat duidelijker stellen. Hoor ik de heer Elias pleiten voor een groter aantal vergunningen onder de lex silencio?

De heer Elias (VVD):

Zeker.

Mevrouw Gesthuizen (SP):

Vreest u niet dat als de overheid steeds meer vergunningen onder de lex silencio brengt, zij nooit geneigd zal zijn om haar gedrag te verbeteren, terwijl wij dat beiden waarschijnlijk graag verbeterd zouden zien? Het zou beter zijn als bij minder vergunningen de verstrekkingstermijn wordt overschreden.

De heer Elias (VVD):

Nee, want het blijkt een stok achter de deur te zijn om vergunningen sowieso in de prullenbak te gooien; daar zijn wij van harte voor.

Mevrouw Gesthuizen (SP):

Dan weet ik genoeg!

De heer Elias (VVD):

U weet genoeg? Dan hoef ik ook niets meer te zeggen.

Wij doen dus een dringende oproep aan het kabinet om het aantal vergunningen onder de lex silencio te vergroten. Ik zal een concreet voorbeeld geven. Jaarlijks zijn er 9000 aanvragen voor een horecavergunning. Die kunnen niet onder de lex silencio vallen want daarvoor zouden juridische belemmeringen zijn vanwege de Wet Bibob. Vanwege de tijd zal ik de details even laten zitten, maar de hoofdvraag blijft: is dat nu echt zo? Kunnen al die dingen die er niet onder worden gebracht, er ook echt niet onder? Dat lijkt ons overdreven.

Is het kabinet bereid om als die vluchtweg na dit debat blijft staan, halfjaarlijks inzicht te verschaffen in de mate waarin in de toekomst van deze vluchtweg gebruik wordt gemaakt? De VVD-fractie wil niet – en misschien is dit ook een antwoord aan mijn collega van de SP-fractie – dat het nuttige beginsel van het niet op tijd antwoord geven en dan een vergunning verlenen een papieren tijger wordt. Wij willen niet dat het principe bestaat omdat het volgens de Europese wetgeving nu eenmaal moet, maar dat het tegelijkertijd juridisch zo listig afgeknepen wordt dat de burger en de ondernemer er in de praktijk niets aan hebben. Graag wordt mijn fractie op dit punt door beide ministers gerust gesteld.

Wij vragen aandacht voor de zogenaamde screening van wetgeving door elke lidstaat. Dit wetsvoorstel is in zijn algemeenheid, wil er van deze uitgeklede Bolkensteinrichtlijn nog enig positief effect uitgaan, in sterke mate gevoelig voor de trouwhartige en voortvarende uitvoering van die screening. Economische effecten en werkgelegenheidseffecten zullen kleiner zijn als niet alle landen van de EU in dezelfde mate belemmeringen wegnemen voor een firma uit land X om in land Y aan de slag te kunnen. Voor de VVD is dat een belangrijk aandachtspunt. Het is tot nu toe nog steeds niet duidelijk hoe het kabinet eerlijke kansen voor ons bedrijfsleven in andere lidstaten gaat verzekeren. Ik zeg er maar even luid en duidelijk bij dat het vertrouwen van de VVD in de goede wil van andere lidstaten tamelijk zware averij heeft opgelopen bij het vrijgeven van bijvoorbeeld de postmarkt en het splitsen van de energiemarkt. Graag een helder antwoord van de minister van EZ op dit punt. Hoe garandeert zij een betere verankering van de belangen van het Nederlandse bedrijfsleven en trouwens ook van de Nederlandse consument, of deze nu post, telefoon, gas en elektra, medicijnen of hypotheken buiten Nederland wil aanschaffen? Met het laatste zal het de laatste tijd overigens wel meevallen.

Straks gaan de landen binnen de EU elkaars nieren proeven en komt een proces op gang waarin wordt gekeken of wel echt sprake is van eerlijke concurrentie tussen de landen. Wil de minister de ervaringen van het Nederlandse bedrijfsleven hierbij nadrukkelijk betrekken? Ondernemers weten als geen ander welk land op welk gebied de kluit beduvelt.

Voor de VVD zijn bij dit wetsvoorstel nog een paar belangrijke wensen te vervullen. Ik hoop van harte dat onze constructieve voorstellen, ook al zijn ze afkomstig van een oppositiefractie, op een royaal onthaal in vak K mogen rekenen.

Mevrouw Vos (PvdA):

Voorzitter. Ook ik had gehoopt op aanwezigheid van de heer Graus, maar ik neem aan dat hij op Terschelling is om wat herten te beschermen.

De voorzitter:

Dat is ons niet bekend. De heer Graus had wel ingetekend, maar wij kunnen hem niet bereiken.

Mevrouw Vos (PvdA):

Ik vermoed dat hij elders zit.

Voorzitter. Als eurofiel heb ik zo hier en daar wel eens een droom. Ik droom over Europa, wat ik "het leukste land van de wereld" noem. Europa is rijk aan cultuur, talen, mensen, tradities en misschien heeft het juist daardoor wel een veerkrachtige, sociale en innovatieve economie. Ik droom ook over een Europa waarin iedereen naast zijn of haar eigen taal in een verstaanbaar pidgin-euro-engels met elkaar kan debatteren en vooral handel kan drijven. Helaas liggen Duitsers en Fransen wat dwars als het gaat om de logische lingua franca van Europa, maar dit terzijde. Ik droom vooral van een Europa waarin de verschillen in welvaart niet meer bestaan en het niet uitmaakt of je in een oude lidstaat of in een nieuwe lidstaat bent geboren om wat van je leven te maken, en waarin je je ook geen zorgen hoeft te maken over ziekte of ouderdom.

Vandaag behandelen wij een stap in die richting: de implementatie van de Dienstenrichtlijn in de Dienstenwet. De PvdA ziet het belang van de Dienstenwet: een interne markt voor diensten. Het grootste deel van onze economie bestaat uit diensten. Daarom is de Dienstenrichtlijn voor Nederland van zo ontzettend groot belang, niet in de laatste plaats omdat wij onze talen zo goed spreken. Maar ook voor Europa is de Dienstenrichtlijn van belang, en al helemaal nu onze economie klappen krijgt door de kredietcrisis. De Europese economie moet blijven draaien, het liefst een tandje harder en innovatiever. Protectionisme is al helemaal uit den boze willen wij er bovenop komen. De PvdA-fractie hoopt dan ook dat met de Dienstenrichtlijn de Nederlandse export van onze innovaties op het gebied van bijvoorbeeld duurzame technologie een extra boost krijgt. Als wij dan ook nog eens wat meters gaan maken met ons innovatiebeleid en de link tussen wetenschap en bedrijfsleven echt gaan leggen, kan Nederland nog meer baat hebben bij de Dienstenrichtlijn, en andersom. Mijn fractie hoopt dan ook van harte dat door een grotere interne markt voor diensten andere lidstaten evenveel baat hebben bij de richtlijn, want van een welvarend Europa worden wij allemaal beter.

De behandeling van dit wetsvoorstel lijkt in het licht van al die ambities dus wel wat technisch, want de belangrijkste concrete zaken die wij nu regelen, zijn de contactpunten, antwoordvoorbedrijven.nl en de ConsuWijzer, die worden ingericht voor vragen over de Dienstenrichtlijn. Hoe staat het met de bezoekcijfers van de twee websites die al een tijdje bestaan? Kennen alle bedrijven nu de genoemde sites? Hoeveel procent van de consumenten weet dat de ConsuWijzer er ook is voor hen, ook als het gaat over vragen over Europa? Zal beter worden doorgekoppeld via de websites van de Kamers van Koophandel en de Belastingdienst naar antwoordvoorbedrijven.nl? Het lijkt ons van groot belang dat er één portal komt waar iedereen naar toe kan gaan met vragen. Daarom is het van belang dat het één website blijft en dat wij niet weer een wirwar van sites gaan verzinnen.

Het gaat niet alleen om de implementatie van de Dienstenrichtijn in Nederland, het gaat er ook over dat al onze collega-lidstaten onverwijld alle barrières en grenzen voor dienstverlening verwijderen. Het Nederlandse belang ligt er dus vooral in dat de Dienstenrichtlijn door andere Europese lidstaten correct wordt uitgevoerd, ook op buitenlands gemeentelijk niveau. In theorie zouden andere landen een belang kunnen hebben bij het niet helemaal correct implementeren van de Dienstenrichtlijn om zo de concurrentie van de geweldige Nederlandse dienstverleners tegen te werken. Dat is dan ook onze grootste zorg. Nederland is dan wel goed op stoom met de implementatie en wij zijn ook geen gekke Henkie als wij gewoon ons best blijven doen, maar hoe staat het met de andere lidstaten? Zijn de landen direct om ons heen, onze belangrijkste zakenpartners België en Duitsland bijvoorbeeld, op schema? Als dat niet zo is, hoe gaat de minister zich hiervoor inzetten? Wat zijn haar argumenten richting de andere lidstaten? Op welke manier gaat zij haar collega's overtuigen?

Op de site van het ministerie van Economische Zaken staat wat summiere informatie over het crashteam oneerlijke concurrentie. Ik ben erg benieuwd hoeveel klachten dat team inmiddels heeft mogen behandelen. Zijn er bijvoorbeeld ook klachten van de heer Peter Bakker van TNT? Gaat het crashteam extra letten op de Dienstenrichtlijn? Zal er naar aanleiding van de Dienstenrichtlijn extra ruchtbaarheid gegeven worden aan het bestaan van dat crashteam? Dat lijkt ons zinnig.

De PvdA ziet dus veel kansen voor de Nederlandse ondernemers. Wat dan enorm helpt, is dat ook de Belastingdienst een beetje meewerkt met al die ondernemers die in Europa zaken doen en zaken gaan doen. De vormvereisten voor digitale facturen zijn nog steeds niet eenduidig in Nederland. Je kunt er donder op zeggen dat steeds meer ondernemers, niet alleen vanwege milieu, papierverbruik, efficiëntie en kosten van verzending, overgaan tot digitale facturering. In een eerder debat met de minister van Justitie heb ik er al aandacht voor gevraagd. Kan het kabinet – ik denk dan vooral aan de staatssecretaris van Financiën, de minister van Justitie en de staatssecretaris van Economische Zaken – toezeggen dat het in 2009 dat probleem van die onduidelijke vormvereisten zal oplossen?

Aanvankelijk dacht het kabinet dat er een beperkt aantal wetten zou moeten worden aangepast. Men had het toen over drie. Nu blijkt er een groslijst te zijn van negen, zoals wij in de aanpassingswet hebben kunnen lezen. Worden er dat overigens nog meer? Wat zijn de verwachtingen voor de veegwet? Hoeveel procent van de gemeenten en waterschappen heeft inmiddels wel de eigen regels gescreend? Ik heb begrepen dat niet iedereen de deadline heeft gehaald. Wat gaat de minister daaraan doen?

Nu kom ik op het belangrijkste bezwaar van de PvdA met betrekking tot deze Dienstenwet. Dat betreft de manier waarop de lex silencio positivo wordt ingevoerd. Ik heb er eerder een amendement over ingediend. Als deregering zegt dat zij voorstander is van een zo breed mogelijke toepassing van de lex silencio positivo dan is het vreemd dat zij dat niet als algemeen uitgangspunt in de Algemene wet bestuursrecht heeft opgenomen en dat per wet een aparte afweging gemaakt mag worden. Ik las er ook nog de handleiding voor de gemeenten op na en daarin staat ook dat het hun vrij staat om de lex silencio positivo in te voeren of niet. Dat is dus eigenlijk een draai in het uitgangspunt. Je zou denken dat artikel 13 van de richtlijn heel scherp geïmplementeerd had moeten worden in artikel 60 van de Dienstenwet. Nu is het eigenlijk een "nee, tenzij". Dus: tenzij je het bij wettelijk voorschrift gaat bepalen. Volgens de PvdA kan je het ook omdraaien in een "ja, tenzij". Je voert gewoon de lex slilencio positivo in bij alle vergunningen, tenzij je bij een paar vergunningen goede redenen hebt om meer tijd te willen hebben voor de termijnen.

In het antwoord op onze vragen in de nota naar aanleiding van het verslag blijkt ook dat de Nederlandse regering zich in Europa heeft ingespannen voor een afzwakking van de lex silencio positivo door een rechtmatig belang van een derde partij geaccepteerd te krijgen als rechtvaardigingsgrond voor het niet toepassen van de LSP. Bij iedere vergunningverlening is er natuurlijk altijd een derde belanghebbende. Er is altijd wel ergens een belang in het geding. En zo komen wij er natuurlijk nooit met de vermindering van de regeldruk als wij naast wetten en regels ook bezwaren van derden in de weg laten staan. Zoals het er nu staat, zegt het kabinet eigenlijk tegen alle bestuurslagen dat ze vrij zijn om de LSP in te voeren en dus ook om de wettelijke termijnen te overschrijden. Ik dacht dat dit kabinet niet zo voor gedoogbeleid was. Dat is dus vreemd. Het kabinet zegt dus in feite dat trage afhandeling van vergunningen kan worden getolereerd.

Dat is toch echt een andere uitleg van rechtswege verleende beschikkingen. Mijn fractie vindt dat de overheid gewoon het goede voorbeeld moet geven. Burgers en bedrijven hebben gewoon recht op snelle en tijdige afhandeling van hun verzoeken. Mocht er alsnog een zwaarwegend ander belang zijn, bijvoorbeeld doordat men "wakker" is geworden door een vergunning, dan is er altijd nog de mogelijkheid om een en ander terug te draaien. Zo staat het ook in de Dienstenwet en de Dienstenrichtlijn. Laten wij vooral het signaal afgeven dat wij vinden dat de overheid zich gewoon moet houden aan haar afspraken over wettelijke termijnen.

In dat kader is het wel interessant om te weten of het kabinet wat betreft alle rijkswetten een lijst heeft van wetten die niet onder de lex silencio positivo zullen vallen. Is zo'n lijstje er al? In de aanpassingswet las ik dat de LSP in ieder geval gaat gelden voor de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en de Mijnbouwwet. Dat is raar, want dat zijn er maar twee. Hoe zit het dus met al die andere wetten die gescreend zijn?. Je zou verwachten dat de rijksoverheid en de gemeenten met die blik naar alle vergunningen hebben gekeken. Ik heb de indruk dat dit niet het geval is.

De PvdA-fractie vindt het van belang dat de lex silencio positivo breder wordt toegepast. Ook wij willen werk maken van vermindering van de regeldruk. Mijn collega mevrouw Smeets is daar al tijden mee bezig. Ik steun haar van harte in haar streven.

Ons amendement vraagt om een omkering van het principe van "nee, tenzij" in "ja, tenzij". De PvdA-fractie hoopt met dit amendement een goede slag te slaan in de strijd tegen de regeldruk en tegelijkertijd de overheden een handje te helpen om nog eens goed naar het vergunningenstelsel te kijken. Ik heb gehoord dat de woordvoerders van het CDA en de VVD prima met dat principe kunnen leven. Ik hoor graag een reactie van de minister op het amendement.

Ik heb Actal gevraagd om nog eens goed naar het amendement te kijken, vooral naar de effecten op de regeldruk.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Voordat ik definitief zeg voorstander van een amendement te zijn, wil ik zeker weten wat de gevolgen daarvan zijn. Betekent het dat de lex silencio positivo nog aan een aantal vergunningen en vergunningstelsels moet worden toegevoegd? Moet er opnieuw gescreend worden? Moeten de gemeenten opnieuw aan de slag? Wat zijn de gevolgen van dit amendement?

Mevrouw Vos (PvdA):

Het kan goed zijn dat er nog eens extra naar de gescreende wetten gekeken moet worden. Ik heb niet de indruk dat gekeken is met de blik om in principe de lex silencio positivo in te voeren. Ik heb ook nog steeds geen overzicht gezien van waar die wordt toegepast.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Volgens mij hebben wij een uitgebreid screeningsoverzicht gekregen van alle wetten waar het wel of niet in zit. Wat dat betreft is er bij alle wetgeving die er op dit moment op tafel ligt, gekeken in hoeverre die zich verhoudt tot de Dienstenrichtlijn. Wat mevrouw Vos voorstelt, is in belangrijke mate al gedaan. Heeft het voorstel volgens haar materieel nog veel om handen of is het er vooral een voor de bühne, zonder effect?

Mevrouw Vos (PvdA):

Ik sta er niet om bekend veel dingen voor de bühne te doen. Wij hebben een lijst gekregen met de gevolgen vanwege de Dienstenrichtlijn. Er is geen overzicht van welke vergunning, regeling of wet in aanmerking komt voor de LSP. Als de gemeenten hun werk goed gedaan hebben, rolt deze lijst er overigens zo uit. Daar vraag ik het kabinet naar.

Mevrouw Gesthuizen (SP):

Wat is er mis met een dwangsom om ervoor te zorgen dat overheden tijdig vergunningen verstrekken? Wil mevrouw Vos van de vergunningen af, net zoals de heer Elias? Ik zie haar als PvdA-woordvoerder niet de lijn van de heer Elias delen.

Mevrouw Vos (PvdA):

Wij willen allemaal af van onnodige vergunningen. Er zijn echter zeker veel vergunningen die absoluut noodzakelijk zijn. De vraag van de dwangsom gaat over een wetvoorstel van mijn voormalige collega Aleid Wolfsen. Dat voorstel wordt volgende week behandeld.

Mevrouw Gesthuizen (SP):

Waarom hanteert mevrouw Vos de botte bijl door zo veel mogelijk vergunningen onder de lex silencio te brengen? De overheid moet dus maar vergunningen afgeven als zij niet op tijd kan antwoorden. Ik zie graag dat wij de overheid meer in een keurslijf dwingen. Zij moet op tijd beslissen omdat er anders een boete tegenover staat.

Mevrouw Vos (PvdA):

Dat is precies wat ik met het amendement wil. Artikel 13 is een van de beste artikelen van de Dienstenrichtlijn. Wij voeren in principe de lex silencio positivo in voor vergunningen. In principe vragen wij aan overheden om binnen de gestelde termijnen te antwoorden. Ik vind mijn amendement simpeler dan de voorstellen die ik van de heer Elias heb gehoord.

De heer Van der Ham (D66):

Voorzitter. In het Europees Parlement is D66 zeer kritisch geweest over deze richtlijn. Geef de bedrijven voldoende vrijheid om zich over de grenzen van lidstaten te ontplooien. Een van de krachten van Europa is de thuismarkt, de euro. Dit wordt in tijden van wereldwijde economische laagconjunctuur duidelijk zichtbaar. De marktwerking die de open grenzen en de euro brengen, hoort gepaard te gaan met een stevig kader van toezicht. Dat is wat anders dan nationaal protectionisme en behoudzucht. In de globale economie moeten wij de Europese markt juist versterken en niet fragmenteren en verzwakken. De dienstenmarkt biedt enorme kansen voor velen. In de dienstensector kunnen juist innovatieve banen en kwaliteitsbanen worden geschapen. Er is becijferd dat 96% van de nieuwe banen vooral daarvandaan komt. Er is dus een enorme kans.

D66 had graag een liberaler voorstel willen zien. Dat hebben wij ook duidelijk gemaakt, zowel in de Tweede Kamer als twee jaar geleden bij de behandeling in het Europees Parlement. Het oorspronkelijke voorstel van de liberaal Bolkestein – weliswaar van een andere partij – had onze voorkeur. Onze Europarlementariër heeft destijds ook tegengestemd, om te laten zien dat wij niet met het compromis meegingen. Het voorstel heeft het wel gehaald; wij hebben nu de Nederlandse uitwerking van de Dienstenrichtlijn voorliggen. Ik ga er geen geheim van maken dat wij voor de implementatie van de richtlijn zullen stemmen, want de Nederlandse regering heeft op zichzelf een goede klus geklaard om de richtlijn te vertalen naar de Nederlandse situatie. De richting van D66 is echter duidelijk: wij hadden graag een paar stappen verder willen gaan.

De huidige Dienstenrichtlijn die in Nederland moet worden geïmplementeerd, heeft veel juridische onzekerheden. Die kwamen ook aan de orde bij de behandeling in het Europees Parlement. Deze richtlijn lijkt rechtvaardigingsgronden te scheppen voor de uitzondering van publieke diensten op de regels van eerlijke concurrentie, maar waarom zo veel vaagheid over definities? Wij vinden het curieus dat nieuwe regelgeving pas echt vorm krijgt na het voeren van rechtszaken over de precieze interpretatie of de bedoelingen achter de regels. Hoe staat de regering daarin?

In de Tweede Kamer is heel vaak gesproken over de Lissabonstrategie, met name over het feit dat Nederland niet voldoet aan de investeringen in kennis en onderzoek die nodig zijn om van Europa een welvarende en competitieve kenniseconomie te maken. Ik heb de staatssecretaris verzocht om een inventarisatie te maken van de voortgang in andere landen, maar ook van de samenstelling van gelden die dienen te bouwen aan het benodigde percentage investeringen in onderwijs en kennis. Wij zijn heel vaak kritisch geweest ten opzichte van het kabinet over de investeringen hier. Schoolboeken staan er in Nederland bijvoorbeeld op als kennisinvesteringen. Wij willen graag zien of ook andere landen zich aan dit soort oneigenlijke constructies bezondigen. Een ander onderdeel van de Lissabonstrategie is het beter laten werken van de interne markt in Europa. Daarom is deze richtlijn, ook al is hij wat ons betreft te zwak, zo belangrijk.

De discussie over deze Dienstenrichtlijn in Europa van twee jaar geleden gehoord hebbende, wil de D66-fractie het volgende punt maken als afgeleide van de discussie over de open Europese markten en de waarden waarvoor wij in Europa staan. Wij maken ons zorgen over de sociaal-culturele reactie op de economische crisis. Nu al zie je in Europese landen dat door massaontslagen of oplopende werkloosheid, helaas een gevolg van de crisis, heel veel argumenten opduiken van "eigen werknemer eerst". Dit gaat vaak gepaard met xenofobe uitingen en opruiing tegen buitenlandse werknemers, of die nu uit Oost-Europa komen of uit de traditionele migrantengemeenschappen van de jaren zestig en zeventig. De overheden van de Europese lidstaten moeten hier zeer waakzaam voor zijn en niet, zoals in de discussie over de Dienstenrichtlijn, weer vooral op protectionisme en nationalisme inspelen. Wij kennen nog de discussies in Frankrijk over de Poolse loodgieter; het woord "Frankenstein" is al gevallen. Dit soort zaken is niet alleen slecht omdat het economisch slecht uitpakt en – daar beticht ik vooral de partij van mevrouw Gesthuizen van – allerlei spookbeelden oproept die niet kloppen, maar het is ook heel slecht voor de interne samenhang van Europa. Dat geldt niet alleen voor landen waar immigranten zijn, maar ook voor het verschijnsel dat wij een Pool of iemand uit Zuid-Europa als iets wezensvreemd zien. Dat is een heel slechte ontwikkeling. D66 wil daarvoor waken. Moreel kunnen wij dat niet toestaan, maar ook economisch kunnen wij niet groeien zonder werknemers en diensten van buiten de Unie of uit Oost-Europese landen.

Laten wij de hypocrisie uit het debat halen. Toen West-Europa aan het begin van de jaren 90 de bedrijven in Oost-Europa opkocht, was er helemaal geen discussie. De oude lidstaten, het Westen, vrezen de concurrentie uit het Oosten, maar vergeten erbij te vertellen dat de bedrijven uit het Westen al vijftien jaar lang vrijelijk en met veel winst in Oost-Europa zaken doen.

Mevrouw Gesthuizen (SP):

Ik reageer maar even, omdat de heer Van der Ham mijn partij aanspreekt. Ik zou hem bijna willen vragen om namen en rugnummers te noemen. Waar heeft hij het over als hij ons zomaar xenofoob of antibuitenlanders noemt? Ik vind dat nogal zware beschuldigingen. Bedoelt hij dat wij ervoor willen zorgen dat werknemers die hier komen werken, op fatsoenlijke huisvesting kunnen rekenen? Bedoelt hij dat wij niet willen dat, doordat er een aantal marktfetisjisten rondloopt die overal een vrije markt voor willen, de werknemers steeds meer het kind van de rekening worden en dat zij door allerlei liberaliseringen en open grenzen, waar de heer Van der Ham groot voorstander van is, steeds minder in hun loonzakje zullen vinden? Als dat het geval is, begrijp ik wel waar hij het over heeft. Ik ben er als partijlid trots op dat mijn partij daarvoor opkomt.

De heer Van der Ham (D66):

De D66-fractie komt met de SP-fractie op voor rechten van werknemers, maar zij doet dat op een wat andere manier. Ik blijf wel volhouden dat de manier waarop sommige vakbonden en ook partijen, waaronder de zusterpartijen van de SP in het buitenland en de SP zelf soms ook, spreken over immigratie binnen Europa en over Poolse werknemers gevoelens van xenofobie mede kunnen aanwakkeren. Daarmee zeg ik overigens niet dat de SP xenofoob is. De wijze waarop wordt gesproken, zet echter een teneur van: Europa bestaat niet, wij hebben geen open grenzen en eigen werknemers eerst. Er zijn echter ook werknemers in andere delen van Europa voor wie wij ons mede verantwoordelijk voor voelen. Natuurlijk moeten wij goed zorgen voor de rechten van deze werknemers. Volgens mij zijn die ook gegarandeerd in deze Dienstenrichtlijn. De manier waarop hierover is gesproken, bijvoorbeeld in Frankrijk, vond ik zeer onprettig. Dat heeft zeker niet bijgedragen aan een goed klimaat voor mensen die uit andere Europese landen komen, laat staan voor mensen die van buiten de Europese Unie komen.

Mevrouw Gesthuizen (SP):

Ik zou de heer Van der Ham echt willen vragen waar hij nu precies aan refereert, waar wij bij zouden dragen aan welk spookbeeld. Dat is mij volledig onduidelijk. Mijn partij onderkent het feit dat grootscheepse migratie, het vertrekken van veel werknemers uit een land en het zich huisvesten of gaan werken van die werknemers in een ander land, ook veel sociale gevolgen hebben. De partij van de heer Van der Ham sluit haar ogen daarvoor. Wij erkennen die gevolgen wel. Wij wijzen op de slechte huisvesting waar mensen hier nu al jaren mee te maken hebben. Wij wijzen erop dat mensen hier worden uitgebuit. Dat is gewoon aan de orde van de dag. U sluit uw ogen daarvoor, mijnheer Van der Ham, omdat u alleen maar gelooft in de heilige mantra van de vrije markt. U bent blind voor de gevolgen van sociale ontwrichting, bijvoorbeeld in Polen, en voor het feit dat Polen in elk geval in de periode voor de crisis weer mensen moest importeren uit landen nog verder oostwaarts. Dat zijn zaken waarover wij graag willen debatteren. Daarom zwengelen wij deze discussie in de Kamer aan. Ik maak er echt nadrukkelijk bezwaar tegen dat u ons daarmee wegzet als een xenofobe partij.

De heer Van der Ham (D66):

Ik heb niet gezegd dat de SP een xenofobe partij is. De analyse die ik heb gemaakt, zal ik omwille van de tijd niet herhalen. Natuurlijk sluiten wij onze ogen er niet voor dat migratie sociale gevolgen heeft, soms ook negatieve. Ik wijs er overigens wel op dat de eerste minister die ervoor zorgde dat mensen taalonderwijs moesten gaan volgen als zij hierheen zouden migreren, minister Van Boxtel was van mijn partij. Wij sluiten daar de ogen echt niet voor. De manier waarop soms wordt gesproken over de wijze waarop wij omgaan met buitenlandse werknemers, staat mij niet aan. Dat punt heb ik hier willen maken.

De fractie van D66 was teleurgesteld in het Europees Parlement omdat het oorspronkelijke voorstel van Eurocommissaris Bolkestein zo is afgezwakt. Welke mogelijkheden ziet de regering om juist in deze tijden van economische achteruitgang de tekortkomingen van de Dienstenrichtlijn weer op de Europese agenda te zetten? Ik zou daar een krachtige oproep toe willen doen.

Europa moet deze Dienstenrichtlijn invoeren, maar wij moeten nu al denken aan het verder uitbreiden ervan om de tekortkomingen die door ongefundeerde angsten zijn ontstaan op te heffen. Wil de regering dat doen? Hoe staat zij tegenover de plannen van de Europese Commissie met betrekking tot een uitbreiding van de Dienstenrichtlijn naar de gezondheidszorg? Dat voorstel ligt, zo hebben wij begrepen, op tafel bij de Europese Commissie. Het gaat over patiëntenrechten. Daar kan niemand tegen zijn. Het gaat echter ook over het recht om je te vestigen in een ander Europees land als je diensten in de gezondheidszorg wilt aanbieden. Steunt de regering deze voorstellen? Wat mij betreft, juist in een vergrijzend Europa is de gezondheidszorg bij uitstek een markt die open moet worden. Welke andere zaken wil de regering ondernemen om de verdere uitrol te bespoedigen of aan te wakkeren?

Net als veel woordvoerders wil ik iets zeggen over de lex silencio positivo.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Ik begrijp dat de heer Van der Ham volledig open grenzen wil voor de gezondheidszorg, zonder enige beperking of wat dan ook.

De heer Van der Ham (D66):

Een onbeperkte markt is nooit goed. Je moet de markt aan goede regels binden. Maar wij staan niet per definitie negatief tegenover het idee van meer flexibiliteit in de Europese gezondheidsmarkt. Dat mocht al blijken uit mijn vraag aan de heer Van Dijk.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Als je in Nederland een opleiding tot arts hebt gehad, kun je je makkelijk over de grenzen heen vestigen. Wat is dan het extra effect dat de heer Van der Ham beoogt? Komt er dan nog meer commercialisering in de gezondheidszorg?

De heer Van der Ham (D66):

Ik heb begrepen dat de Europese Commissie het in haar plan makkelijker wil maken dat bedrijven die gezondheidsachtige diensten leveren, wat meer ruimte krijgen over de grenzen. Ik ken het voorstel van de Europese Commissie niet tot in detail. Ik vraag de regering daarom hoe ver zij in dit proces zit en hoe zij erin opereert. Maar op zichzelf is de zorgmarkt, mits goed gereguleerd, een markt waar winst te halen valt, juist in een samenleving die zo aan het vergrijzen is als die van de Europese Unie.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Is het dan niet verstandig om het voorstel van de Commissie eerst even af te wachten, vervolgens in het parlement te spreken over de vraag of het voorstel de subsidiariteitstoets kan doorstaan en daarna pas een reactie van het kabinet te vragen?

De heer Van der Ham (D66):

Die volgorde vind ik helemaal niet zo goed. Je moet het ijzer smeden als het heet is. Als je nu de temperatuur van het badwater kunt mee bepalen, moet je dit vooral niet laten. Misschien is de regering al bezig om haar invloed aan te wenden. Ik wil graag weten in welke richting de invloed gaat die zij aanwendt. Ik vind het dus van belang om aan het begin van het proces mee te spreken in plaats van op het einde geconfronteerd te worden met een voldongen feit. Dat zien we bij Europese regels vaak gebeuren. Dat moeten we niet doen, zeker niet bij zo'n belangrijk punt.

Ik ben aanbeland bij de lex silencio positivo. De Raad van State had er kritiek op dat de wet niet bepaalt wanneer deze lex van toepassing is. Het aangeven van de lijst van gevallen waarin deze wet niet van toepassing is, kan tot problemen leiden. Andere woordvoerders hebben al gevraagd of wij dit niet nader moeten omschrijven. Ik heb sympathie voor het amendement van mevrouw Vos, maar ik laat mij er graag van overtuigen dat het op die manier nodig is of dat het misschien op een andere manier geregeld zou kunnen worden. Voor mij staat het nog open hoe we het regelen, maar ik steun het doel van het amendement zeker.

De praktijk moet uitwijzen of het wetsvoorstel leidt tot een toegankelijk en soepel speelveld voor bedrijven. Het is lastig in te schatten hoe de loketten aansluiten op de verschillende gemeentelijke vergunningsafdelingen. Ook moet nog blijken hoe gemeenten omgaan met de uitzonderingsmogelijkheden voor diensten die in het algemeen belang zijn. Het gebruik van het loket zou geen kosten moeten opleveren voor ondernemers, maar voor de aanvraag van vergunningen gelden de gebruikelijke leges. Hoe wordt gecontroleerd dat de kosten van het loket op termijn toch niet worden doorberekend in de leges? Om dit goed te volgen kunnen we bijvoorbeeld een evaluatiemoment vaststellen.

Uit een rapport van Business Europe blijkt dat verschillende lidstaten erg achterlopen met de implementatie van de Dienstenrichtlijn. Volgens mij ligt 68% nog heel erg achter. O nee, het percentage is nog kleiner. Estland, Italië en Slowakije liggen nog heel erg achter. We hebben ook kunnen lezen dat de Europese Commissie "great efforts" aan het maken is "to assist member states that they are able to meet the implementation deadline of december 28th 2009". Dat is natuurlijk Euro-jabbertalk voor: het moet wel in 2009, maar ja, er zijn altijd mogelijkheden om het uit te stellen. Ik dring erop aan dat de minister alle nagels vijlt. De minister heeft ze, ik bijt erop. Ik heb het niet over minister Hirsch Ballin, maar over de vrouwelijke minister in vak K. Zij moet haar nagels scherpen om ervoor te zorgen dat wij ons aan de datum gaan houden en dat er niet allerlei zijdeurtjes zijn voor dit soort landen, die achterover gaan leunen. In tijden van economische crisis lijkt het ons zeer onwenselijk om obstakels voor vrij verkeer van diensten te laten bestaan. Deze regeling kan juist zorgen voor een enorm potentieel aan banengroei. Waarom zouden wij als Europa aan de ene kant allerlei regels optuigen om mensen in de sociale zekerheid te kunnen laten zitten, terwijl wij aan de andere kant het scheppen van banen missen? Kan de Nederlandse regering aan de Europese Commissie om een tussentijdse evaluatie van de implementatieprocessen in de verschillende lidstaten vragen, juist om ervoor te zorgen dat de druk wordt opgevoerd?

De heer Jan Jacob van Dijk sprak over het punt in welke talen de regelgeving en vergunningen worden aangeboden: de meerderheid, namelijk 68% – dat percentage slaat op dit punt en niet op het punt dat ik zo-even noemde – biedt het aan in een taal naar eigen keuze en slechts een minderheid in de eigen taal en het Engels. Dat verontrust mij. Hoe kan de regering voor meer eenvormigheid zorgen?

Het schort echt aan de talenkennis van de werknemers van Nederlandse ondernemingen die de diensten in het buitenland moeten gaan leveren. Mevrouw Vos zei zojuist dat wij hartstikke goed in talen zijn. Dat waren wij, maar dat zijn wij nu niet meer. De minister is waarschijnlijk bekend met het Fenedex-onderzoek van enkele jaren geleden, waarin staat dat alleen al de kennis van het Duits – Duitsland is onze belangrijkste handelspartner – achteruit holt. Fenedex heeft berekend dat Nederland 7,8 mld. aan gederfde export mist, omdat wij eigenlijk niet goed kunnen communiceren met de landen waaraan wij diensten leveren, wat wij hopelijk steeds meer gaan doen. Minister Van der Hoeven is niet langer de minister van OCW, maar ik wijs haar toch op het feit dat een goede talenkennis juist voor het leveren van diensten zo ongelooflijk belangrijk is. Ik hoop dat de minister, samen met haar staatssecretaris en de minister van OCW, ervoor zorgt dat de talenkennis weer hoger op de agenda komt. Dit punt moet in ieder geval worden gepromoot, zodat wij geen kansen laten liggen, wat ons harde euro's gaat kosten. Ik heb op dit punt ook schriftelijke vragen gesteld.

Mijn fractie hoopt dat de regering verder gaat dan alleen deze richtlijn en dat zij in Europa zal pleiten voor een verdere uitrol. Wij steunen dit wetsvoorstel en hopen op een spoedige implementatie in de rest van het Europa.

Mevrouw Vos (PvdA):

Volgens mij spreken Nederlanders, en zeker Nederlandse jongeren, relatief vaker en beter Engels. U weet volgens mij ook waarom de kennis van het Duits zo achteruit gaat; het wordt gewoon niet als vak gekozen. Ik ben even benieuwd: pleit u nu voor verplicht Duits?

De heer Van der Ham (D66):

Vorige week is een onderzoekje gepresenteerd over het afnemend aantal leraren Duits. Nogmaals: Duitsland is onze belangrijkste handelspartner. In dat land wordt met onze export het meest verdiend. Ik ben helemaal niet voor het verplicht stellen van Duits. Kennis van een tweede taal, zoals het Engels, naast het Nederlands vind ik op zich al heel goed. Ik constateer echter dat wij geld mislopen door het ontbreken van een grotere talenkennis. Ik wil geen verplichting, maar ik vind het wel belangrijk dat mensen die in het bedrijfsleven werken of een economische richting kiezen, zich realiseren dat de voornaamste handelspartner die zij in het buitenland zullen ontmoeten, Duits zal zijn. Zeker in het kader van de Dienstenrichtlijn wil ik dat punt hier maken.

Mevrouw Gesthuizen (SP):

Bij dit debat over de Dienstenwet is het onmogelijk om niet even stil te staan bij het grootscheeps maatschappelijk verzet tegen de oorspronkelijke Dienstenrichtlijn, in de volksmond de Bolkesteinrichtlijn. Ik wil in herinnering roepen dat de oorspronkelijke richtlijn een belabberd voorstel was. Gelukkig kwamen vakbonden en progressieve partijen in actie en is de oorspronkelijke richtlijn fors afgeslankt. Het resultaat is dat straf- en procesrecht, arbeidsrecht, socialezekerheidswetgeving et cetera, en belangrijke aspecten van diensten van algemeen economisch belang worden uitgezonderd, evenals niet-economische diensten van algemeen belang, financiële diensten et cetera, et cetera, et cetera. Verder gaan andere Europese richtlijnen altijd voor. De conclusie is dan ook: actievoeren werkt!

Het kabinet noemt in de memorie van toelichting bij de Dienstenwet administratieve vereenvoudiging, verbetering van de kwaliteit van diensten en samenwerking tussen bevoegde instanties als belangrijkste doelen van de voorliggende Dienstenwet. Dit zijn doelen die de SP-fractie van harte ondersteunt. Toch heeft zij ernstige bedenkingen bij dit wetsvoorstel, met name als het gaat om beloftes die worden gedaan over de zegeningen die de wet zou brengen. Zo zou de richtlijn 600.000 extra banen opleveren en miljarden aan economische groei. Ik vraag mij echter af of mensen nu zo veel meer diensten gaan afnemen. In welke sectoren verwachten de ministers de grootste groei?

Verder hoort mijn fractie zorgelijke geluiden uit de gemeenten. Zo ligt in Groningen een voorstel van een PvdA-wethouder voor om een oude verordening die studenten en particuliere huurders beschermt tegen dubieuze praktijken van woning- en kamerbemiddelingsbureaus, in te trekken vanwege de Europese Dienstenrichtlijn. Dit is het soort onoverzichtelijke gevolgen dat de SP-fractie vreest. Zij kan er niet mee instemmen dat de bescherming van huurders op lokaal niveau op deze manier wordt uitgehold met een beroep op de Europese Dienstenrichtlijn.

Dat brengt mij op een algemene vraag die andere sprekers ook al hebben gesteld: hoe staat het met de rol van de woningcorporaties? Enkele jaren geleden was dit al de vraag. De Kamer was toen van mening dat dit een dienst van algemeen economisch belang was, maar dit was vanuit "Brussel" nog niet zeker. Wat kan de minister ons nu vertellen over de gevolgen van de wet voor de corporaties?

Op de manier waarop het hele proces is vormgegeven, valt het nodige aan te merken. Ik citeer uit de memorie van toelichting: "Zoals in het advies van de SER en de voorlichting van de Raad van State bij het voorstel voor de Dienstenrichtlijn werd aangegeven, is er sprake van een richtlijn met een grote reikwijdte waarvan de afbakening niet duidelijk is." De screenings bij lagere overheden zijn nog niet geheel afgerond. Er is nog veel onduidelijkheid en ik vrees voor de zorgvuldigheid van het wetgevingsproces. De enige reden voor deze manier van opereren is de gebondenheid aan de uiterste implementatiedatum, komende december. Ik ben echter benieuwd hoe het in andere lidstaten gaat.

Rechtsgeleerden buitelen over elkaar heen als het gaat om de vraag hoe diverse artikelen van de Dienstenrichtlijn dienen te worden uitgelegd. Het enige waarover zij het eens lijken te zijn, is dat het geheel nogal chaotisch aandoet. Toch verwacht het kabinet dat de veegwet weinig voor zal stellen. Ik vraag mij dat ernstig af. Deze veegwet moet immers later gebleken onvolkomenheden corrigeren en aanvullen. Dit "later gebleken" zal vermoedelijk niet zijn voordat de wet wordt geïmplementeerd, en toch verwacht het kabinet de veegwet al voor het eind van het jaar naar de Kamer te kunnen sturen. Hoe kan dat nu?

Uit de oude Bolkesteinrichtlijn is het "land van oorsprong"-beginsel gelukkig geschrapt. Ik juich dat echt toe. Het beginsel is vervangen door artikel 16. Dat is echter een dusdanig vaag artikel, dat het mijns inziens bewust vaag gehouden is om opnieuw groot verzet te voorkomen. Het staat bol van het eerbiedigen van het recht om diensten te verlenen, eisen, eisen die niet gesteld mogen worden, uitzonderingen en uitzonderingen daarop. Men wacht nu de eerste uitspraak van het Hof van Justitie af. Dat is toch ongewenste juridisering? De SP-fractie vindt bovendien dat de inhoud van een richtlijn politiek bepaald dient te worden en niet in de rechtszaal. Zelfs de experts, juristen, met soms een diepgaande voorliefde voor Europees recht, komen er niet uit. Zij wijzen op de onduidelijkheid van de richtlijn en op zaken als, en ik citeer: "overduidelijke convergentie van niet-economische diensten van algemeen belang en diensten van algemeen economisch belang".

De richtlijn is door de politieke concessies een vaag en zelfs voor juristen ongelooflijk multi-interpretabel project geworden. Dat is voor de SP-fractie onacceptabel. Zij wil niet dat de inrichting en de organisatie van de Nederlandse economie, een diensteneconomie bij uitstek, in de rechtszaal worden bepaald. Ze zijn het primaat van de politiek. Nu wordt de verantwoordelijkheid over de schutting gekieperd; niet geheel toevallig de schutting die staat tussen de eigen eettafel en het bord van de Europese rechters.

Er zijn meer problemen rond de interpretatie van de richtlijn. Er is alleen van de richtlijn afgeweken als deze ergens onduidelijk over was of leek te suggereren dat het ook anders kon worden uitgelegd. Verder is de wet wel gebaseerd op een Nederlandse interpretatie die niet noodzakelijkerwijs overeenkomt met de interpretatie van de Europese Commissie in haar handboek voor implementatie. Let wel, dit proces zal niet uniek zijn voor Nederland. Wij hebben straks een Dienstenrichtlijn die Lets, Roemeens, Portugees, Italiaans, Grieks en Nederlands geïnterpreteerd wordt, om over de Franse vertaalslag nog maar te zwijgen. Hoe ziet de minister dit tegemoet?

Zoals eerder gezegd, wordt er nogal wat verlangd van het één-loket, dat aan het eind van het jaar in werking moet treden. Laat ik allereerst mijn complimenten uitspreken voor het zo veel mogelijk technologieneutraal formuleren van de eisen. Maar wat moet die technologie allemaal kunnen? Informatiesystemen moeten aan elkaar gekoppeld kunnen worden, informatie over allerhande vergunningstelsels moet beschikbaar zijn voor verschillende partijen, overheden moeten met elkaar kunnen communiceren enzovoort. Dit alles moet dan ook nog eens gebeuren zonder de privacyregels onrecht te doen. Het uitgangspunt van dit systeem kan op steun van de SP-fractie rekenen. Onze zorg is echter dat het systeem voor het eind van dit jaar de lucht in moet. Ik heb een zeer eenvoudige vraag. Wat gebeurt er als het systeem eind december nog niet klaar is of onverhoopt vol blijkt te zitten met fouten?

In de nota naar aanleiding van het verslag heeft de regering het over een gelukkig samenvallen van de implementatie van de Dienstenrichtlijn en de ambitie van de regering tot verdere invoering van de lex silencio positivo. De SP-fractie is geen voorstander van deze vorm van vergunningverlening. Overheden hebben gewoon op tijd te reageren. Waar wij helemaal niet gelukkig mee zijn, is dat de regering de invoering van de Dienstenwet aangrijpt om de lex silencio positivo verder in te voeren dan nodig is. Is de lijst die de staatssecretaris in zijn brief over de lex silencio heeft genoemd, limitatief? Mocht dit niet het geval zijn, dan wil ik graag hier en nu de toezegging dat elke keer wanneer bij wet ergens de lex silencio wordt geïntroduceerd, dit expliciet wordt vermeld in de memorie van toelichting. Ik overweeg, op dit punt een motie in te dienen.

Verdere invoering van de lex silencio kan ertoe leiden dat degene die ervan uit mag gaan dat de vergunning verleend is, alsnog voor forse kosten komt te staan. Immers, als een getroffen derde tegen het besluit in beroep gaat en in het gelijk wordt gesteld in de periode dat het besluit nog openstaat voor beroep, is de vergunninghouder alsnog verantwoordelijk voor eventueel geleden schade. Dan ben je dus dubbel slachtoffer. In die zin snap ik het amendement van mevrouw Vos niet. In eerste instantie is het een politieke afweging. Wil mevrouw Vos echt toe naar de lex silencio als hoofdregel? In tweede instantie zegt mevrouw Vos dat een eventueel benadeelde derde de overheid kan aanspreken. Dat is niet wat de regering heeft gesteld. Zij zegt dat de vergunninghouder aansprakelijk is voor schade aan derden. Ik krijg hierop graag nog een reactie van het kabinet.

In artikel 29, lid 2, wordt het eigen onderzoek naar bedrijven die in het land van oorsprong vergelijkbare vergunningen hebben gekregen, verboden. Dit kan tot zeer onwenselijke situaties leiden. Ik zeg niets nieuws als ik stel dat enkele landen in de Europese Unie nog altijd forse problemen hebben met corruptie. Dit blijkt ook uit rapporten uit Brussel.

De heer Elias (VVD):

Ik kom nog even terug op het vorige punt. Ik denk niet dat wij politiek tegengestelde opvattingen hebben, maar ik ben daadwerkelijk geïnteresseerd in de vraag hoe u tot een bepaalde mening komt. Wat kunt u er in hemelsnaam op tegen hebben dat een overheidsorgaan voor gek wordt gezet als zij regelmatig een vergunning moet afgeven omdat zij niet op tijd heeft gereageerd? Wat kan daartegen zijn?

Mevrouw Gesthuizen (SP):

Wij hebben in wetten vastgelegd dat voor bepaalde activiteiten eerst een vergunning nodig is. Ik wil graag dat de wetten op dat punt zo veel mogelijk gehandhaafd worden. U pleit voor het geven van een soort vrijbrief. Als een overheid niet op tijd reageert op een aanvraag, komt die vergunning er toch. Daarmee gaan wij een gevaarlijke kant op. Ik heb liever dat overheden zich moeten houden aan de termijn voor de reactie op een vergunningaanvraag op straffe van een dwangsom. Ik zeg dit ook in het belang van de ondernemer of degene die ergens iets wil gaan bouwen. Als de termijn is verstreken, waant men zich gelukkig met de vergunning, maar men kan met kosten worden geconfronteerd als een derde schade heeft geleden.

De heer Elias (VVD):

In de praktijk komt het regelmatig voor dat er te laat wordt beschikt op een vergunning. Wij zijn het erover eens dat dit niet zou mogen. Als dan de vergunning wordt verleend of de vergunning wordt afgeschaft – dat is de stok achter de deur – dan zal dat helpen. Bovendien wordt het geheel gemonitord en kan blijken dat men het in Eindhoven slechter doet dan in Groningen. De voorbeelden zijn uiteraard fictief.

Mevrouw Gesthuizen (SP):

De voorstellen van het kabinet baren mij nog niet eens zulke zorgen. Dat is een tamelijk beschaafde lijst. Wat mij vooral zorgen baart, is de vaart die u erachter wilt zetten. U wilt alle vergunningen onder het regime van de lex silencio positivo laten vallen. Dan heb ik het over bijvoorbeeld bouwvergunningen, kapvergunningen en horecavergunningen.

De heer Elias (VVD):

U citeert mij onjuist.

Mevrouw Gesthuizen (SP):

U zegt: ik vind het prima dat er zo vee mogelijk vergunningen onder de lex silencio positivo vallen en wat mij betreft kunnen wij dan van een heleboel vergunningen af. Dat is niet mijn opvatting, niet de opvatting van onze partij. Blijkbaar verschillen wij erg van mening.

De heer Elias (VVD):

Ik zeg niet: alle vergunningen. Natuurlijk zijn er vergunningen die daar niet onder kunnen vallen. Ik heb in dat verband gesproken over gezondheidsrisico's en andere risico's. Echter, ik wil wel dat er zo vee mogelijk vergunningen onder vallen en meer dan nu, want nu zijn dat er 45 van de 1100.

Mevrouw Vos (PvdA):

Ik moest even nadenken over uw vraag, mevrouw Gesthuizen. Ik hoor u zeggen: overheden moeten op tijd hun vergunningen afgeven. Dat is precies datgene wat men met de lex silencio positivo op een zeer eenvoudige manier wil bereiken en wat ik met mijn amendement beoog. Er zijn natuurlijk altijd uitzonderingen mogelijk en ik begrijp daarom niet wat precies uw bezwaar is.

Mevrouw Gesthuizen (SP):

Mijn bezwaar betreft het feit dat u van "nee, tenzij" naar "ja, tenzij" wilt. Daarmee brengt u een zeer groot aantal regelingen extra onder de lex silencio positivo. In mijn ogen is dat niet de oplossing voor het probleem dat overheden de beantwoordingstermijnen bij vergunningverlening niet in acht nemen, dat overheden consequent te laat laten weten of iemand wel of niet een vergunning krijgt. Mijn antwoord is niet: laat het dan maar helemaal achterwege en bepaal dat de aanvrager de vergunning heeft als de beantwoordingstermijn is verstreken. Mijn antwoord zou zijn: kom met een dwangsom. Ik begrijp van u dat er inmiddels ook een initiatief van uw oud-collega is om het hele wetsvoorstel over te nemen.

De voorzitter:

Onze oud-collega.

De heer Gesthuizen (SP):

Maar dan begrijp ik niet waarom u met dit voorstel komt.

Mevrouw Vos (PvdA):

Dat is duidelijk: daarmee bereiken wij op de meest gemakkelijke manier precies datgene wat u ook wilt. U hebt zojuist gezegd dat overheden gewoon binnen de gestelde termijn moeten antwoorden. Ik kies voor de meest simpele manier. Daarom hebben wij in principe aanneming van de lex silencio positivo van harte ondersteund.

Mevrouw Gesthuizen (SP):

Ik zie dit toch als een soort noodgreep. Hiermee zegt men namelijk: als wij de overheden niet zover kunnen krijgen dat zij op tijd antwoorden, dan doen wij het maar zo, want dan weten de mensen na een bepaalde termijn waar zij aan toe zijn. U noemt dat een gemakkelijke oplossing. Inderdaad, die oplossing is een gemakkelijke oplossing, maar zeker niet de beste.

Als landen vergelijkbare eisen stellen aan het verkrijgen van een vergunning, maar in de praktijk te maken hebben met veel corruptie, dan dient de vergunning verleend te worden en mag Nederland geen aanvullende eisen stellen. Sterker, het kan niet controleren of de vergunning wel op rechtmatige gronden werd verstrekt voordat de dienstverlener diensten in Nederland aanbood. Alleen als het bedrijf in Nederland diensten aanbiedt, kan gecontroleerd worden of sprake is van rechtmatige verstrekking.

De consequenties voor een falende instantie in het land van herkomst zijn volstrekt onduidelijk. Wat nu als duidelijk blijkt dat ergens vergunningen op onrechtmatige gronden zijn verstrekt? Moet Nederland dan een klacht indienen bij de Europese Commissie? Wat gebeurt er tot die tijd? Wat gebeurt er als de Europese Commissie constateert dat de instantie inderdaad niet goed functioneert, wat gezien de corruptierapporten van onder meer Transparency International niet ondenkbaar is? Dan ontbreken naar onze mening ons de mogelijkheden om met betrekking tot de dienstverleners uit die landen zelf tot toetsing over te gaan. Hierop krijg ik graag een reactie.

Voorlopig maken wij ons ernstig zorgen over de voortgang van dit proces. De meest ideologische pijnpunten voor ons zijn uit het wetsvoorstel verdwenen en daar zijn wij erg gelukkig mee, maar onze opvattingen over de vaart en de zorgvuldigheid van het proces zorgen ervoor dat wij er nog niet mee kunnen instemmen. Ik denk hierbij aan de Dienstenwet en de later dit jaar te bespreken aanpassingswet en veegwet, gecombineerd met een riskant ICT-project. Ik denk ook aan de verdere uitbreiding van de voor de SP onwenselijke lex silencio en het verbod op eigen onderzoek, wat naar onze mening tot ongewenste situaties en concurrentievervalsing kan leiden. Dit alles zorgt ervoor dat wij nog niet met de wet kunnen instemmen. Wij zullen uiteraard de antwoorden van de minister afwachten.

De vergadering wordt van 20.28 uur tot 20.36 uur geschorst.

Minister Van der Hoeven:

Voorzitter. Ik heb de vragen gerubriceerd in vier blokjes. Ik ga iets zeggen over het proces en over de vraag wat de Dienstenwet inhoudt. Dan kom ik onder andere terug op alle vragen die zijn gesteld over het ene loket. Ik kom vervolgens bij de vraag "wat levert het op" en tot slot bij de implementatie. Uiteraard zal mijn collega van Justitie – wij zijn de gezamenlijke ondertekenaars van dit wetsvoorstel – ingaan op een aantal juridische aspecten, waaronder in elk geval de lex silencio positivo en de Algemene Wet Bestuursrecht.

Wij spraken elkaar een jaar geleden voor het eerst over de implementatie van de Dienstenrichtlijn. De implementatietermijn is krap: 28 december van dit jaar moet alles klaar zijn. Dat betekent dat je alles op alles moet zetten om de implementatie op tijd gereed te hebben. Dat gebeurt via drie wetten: de Dienstenwet met de hoofdonderdelen, waarbij de Dienstenrichtlijn wordt omgezet in Nederlandse wetgeving; de recentelijk ingediende aanpassingswet, die als ik mij niet vergis afgelopen maandag bij uw Kamer is gearriveerd en eventueel een veegwet. Ik zeg "eventueel", omdat die veegwet er alleen komt als het noodzakelijk is. Op dit moment is daar geen aanwijzing voor. Maar als het noodzakelijk is, komt er een spoedprocedure om het wetsvoorstel in het derde kwartaal van dit jaar in te dienen. Op deze manier zorgen wij ervoor dat de inhoud van de Dienstenwet al ruim voor de deadline voor de implementatie, 28 december 2009, vaststaat. Daarom ben ik zo blij dat wij dit voortvarend met elkaar schriftelijk hebben behandeld en nu ook voortvarend met elkaar mondeling kunnen behandelen.

Wat houdt de Dienstenwet nu eigenlijk in? Het is een essentieel middel om de Dienstenrichtlijn goed te implementeren en ook om de voordelen van de Dienstenrichtlijn te realiseren. Om de interne markt voor diensten te bevorderen, moet je allerlei belemmeringen wegnemen. Met name de heer Van der Ham heeft dat heel concreet en correct aangegeven. Er zijn vier onderdelen: administratieve vereenvoudiging en het elektronisch loket, voorschriften voor vergunningen, bescherming van afnemers en de grensoverschrijdende samenwerking tussen bevoegde instanties op het vlak van toezicht, controle en handhaving. Met name over het ene loket en de grensoverschrijdende samenwerking heeft uw Kamer een aantal vragen gesteld. Ik zal daarop ingaan.

Onder anderen mevrouw Gesthuizen heeft gevraagd hoe ver wij nu zijn en wat de stand van zaken is. Het loket Antwoord voor bedrijven wordt op een aantal punten uitgebreid. Er komt een berichtenbox die kan worden gebruikt door ondernemers om informatie op te vragen, waarbij ook procedures en formaliteiten kunnen worden afgehandeld met bevoegde instanties. De testversie daarvan is klaar. Dit jaar komen de verbeterde versies daarvan beschikbaar; 120 bevoegde instanties zijn inmiddels aangesloten, 60 zijn bezig en zo'n 450 moeten nog aangesloten worden.

Het tweede punt is de uitbreiding van Antwoord voor bedrijven met de informatie over wet- en regelgeving die onder de Dienstenwet valt. Ongeveer een kwart van de onderwerpen voor de rijksregelgeving is ontsloten en eind 2009 zal alles ontsloten zijn. Op dit moment zijn zo'n 300 organisaties gekoppeld aan Antwoord voor bedrijven via samenwerkende catalogi waarin ook specifieke details van de regelgeving beschikbaar zijn; 80 organisaties zijn ermee bezig en 220 moeten nog starten. De ontsluiting van de adressen van die bevoegde instanties is in april klaar. De Engelstalige website is klaar; de nieuwe informatie op de Nederlandstalige website wordt doorlopend vertaald en toegevoegd. Ik denk dat het alleszins reëel is om te zeggen dat wij de realisatie van het loket goed en ook op tijd gaan redden.

De heer Van Dijk heeft als eerste gevraagd waarom de Kamer van Koophandel niet ook een rol krijgt. Het loket wordt ondergebracht bij Antwoord voor bedrijven, maar de Kamer van Koophandel staat natuurlijk niet buitenspel. Het zijn ook geen concurrenten. Zij vullen elkaar aan in de dienstverlening aan bedrijven. Bij Antwoord voor bedrijven worden wetten en regels ontsloten en globaal beschreven in ondernemersvriendelijke taal. Naar dat laatste vroeg met name de heer Elias. De informatie wordt ook up-to-date gehouden bij wetswijzigingen en dergelijke. Het gaat daarbij om regelgeving van de overheid. De uitwisseling van die informatie en het eventuele overleg over de beantwoording van vragen van ondernemers vinden plaats tussen overheidsdiensten, waarvan Antwoord voor bedrijven deel uitmaakt, als onderdeel van het ministerie van Economische Zaken. Het model staat niet in de weg dat een ondernemer met specifieke vragen bij de Kamer van Koophandel terechtkan, of zelfs terecht moet. Het is van belang dat de doorlink er is, en Antwoord voor bedrijven verwijst in voorkomende gevallen door naar de Kamer van Koophandel.

De voorzitter:

De heer Jan Jacob van Dijk heeft een vraag. Hij aarzelde zo dat ik dacht dat u hem al had overtuigd, maar blijkbaar niet.

Minister Van der Hoeven:

Ik had het wel gehoopt.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Nou, de minister is halverwege. Als je naar Antwoord voor bedrijven gaat, kun je worden doorverwezen naar de Kamer van Koophandel. Waarom maakt de minister met de Kamers van Koophandel niet de afspraak dat er op hun website ook een doorlink staat naar Antwoord voor bedrijven?

Minister Van der Hoeven:

Voor zover die doorlink er nog niet is, neem ik die suggestie graag mee.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Dan hebt u mij nu helemaal overtuigd.

Minister Van der Hoeven:

De heer Elias merkte op dat er een echt loket moet zijn, niet alleen een virtueel. Een virtueel loket ís echter een echt loket. Echte mensen helpen ondernemers; zo simpel is het. Je kunt telefonisch, via de mail en natuurlijk via de chat vragen stellen. Bij specifieke vragen is het belangrijk dat aangesloten wordt op de specifieke kennis, kunde en verantwoordelijkheid van de betreffende overheidsorganisaties. Zoals ik al zei, wordt er doorgelinkt of verwezen naar deze organisaties. Moet dat fysiek zijn? Nou, ik zie ze al komen. Ik zie mensen al naar Den Haag komen, alleen om iets te regelen. Laat ze dat alsjeblieft zo dicht mogelijk bij huis doen. Daarmee zijn ze het beste geholpen. Een echt loket: ja. Maar de mensen hoeven echt niet in de rij te staan voor het ministerie van Economische Zaken. Laten wij dat nu niet doen. Ik kan mij ook niet voorstellen dat de heer Elias dat wil.

De heer Elias vindt ook dat het loket er voor alle ondernemers moet zijn en niet alleen voor dienstverrichters. Dat begrijp ik, omdat de voorziening van één loket, die uit deze Dienstenrichtlijn volgt, inderdaad voordelen heeft voor dienstverrichters in de manier waarop zij hun zaken kunnen afhandelen. Dat ben ik met de heer Elias eens; dat zie ik best wel. Het wetsvoorstel waarover wij spreken, gaat echter over dienstverrichters en over de wet- en regelgeving die op het dienstenverkeer van toepassing is. Antwoord voor bedrijven als zodanig is overigens niet alleen voor dienstverrichters, maar ook voor andere ondernemers. Wij ontsluiten ook andere regelgeving dan alleen de regelgeving die onder de Dienstenwet valt. Als de heer Elias bedoelde dat er een nationale kop op de wet moet komen, zeg ik: nee, dat ga ik niet doen. Als hij mij vraagt om te bekijken of ook andere regelgeving via Antwoord voor bedrijven bij ondernemers terecht kan komen, zeg ik ja.

De heer Elias wil de voorziening van één loket combineren met de motie-Van der Burg. In de motie wordt de regering onder andere verzocht om Antwoord voor bedrijven zodanig te ontwikkelen dat het een loket wordt waar ondernemers een lijst op maat zouden moeten krijgen, waarin staat aan welke wet- en regelgeving voldaan moet worden. Vorig jaar is staatssecretaris Heemskerk in de reguliere voortgangsrapportage van e-overheid uitgebreid ingegaan op de manier waarop de motie wordt uitgevoerd. Antwoord voor bedrijven wordt grotendeels volgens de motie-Van der Burg uitgevoerd en dat is ook de bedoeling. Antwoord voor bedrijven ontsluit alle relevante informatie en het wordt voor ondernemers makkelijker om zaken via internet interactief af te handelen. Ook biedt Antwoord voor bedrijven ondersteuning aan ondernemers met specifieke vragen door middel van een bedrijvencontactcentrum, waar men allerlei vragen kan stellen en wordt doorverwezen. Het is van belang dat er wordt aangesloten op specifieke kennis en kunde die bij de instanties aanwezig is, en dat stond niet in de motie-Van der Burg.

De heer Van der Ham vroeg hoe wij ervoor zorgen dat andere landen, net als Nederland, bij het ene loket ook andere talen gaan hanteren. De richtlijn verplicht het aanbieden van andere talen niet. Als ik dat aan het wetsvoorstel toevoeg, zet ik een kop op de Europese richtlijn en dat ben ik niet van plan. Wij vertalen de algemene informatie in het Engels en dat gaat via Antwoord voor bedrijven. Een groot deel van de website is inmiddels vertaald. De verantwoordelijkheid voor de vertaling ligt niet bij het loket, maar uiteraard bij de overheden en organisaties die over de informatie gaan. Je ziet dat met name grotere overheden en organisaties al beschikken over Engelstalige informatie. Wij lopen in de pas met wat andere landen gaan doen.

Bijna alle lidstaten gaan voor een tweede taal en dat is meestal het Engels. Tegen mevrouw Vos kan ik zeggen dat het Engels inderdaad de lingua franca van het loket wordt. Ik heb daar geen bezwaar tegen. Ik houd uiteraard in de gaten hoe andere landen dit aspect van de implementatie voor hun rekening nemen. Ik ben het ermee eens dat Nederlandse ondernemers in een begrijpelijke taal in andere landen terecht moeten kunnen. De richtlijn verplicht het aanbieden van andere talen dus niet. Ik heb echter het gevoel dat het nu goed loopt.

Ik kan ook niet aan decentrale overheden de verplichting opleggen om hun wetten en regels te vertalen. Het is wel mogelijk om dat te doen, maar daarmee zet je dus een nationale kop op Europese regelgeving. In Amsterdam, waar veel internationale bedrijven gevestigd zijn, zie je dat er veel meer behoefte is aan vertalingen dan in kleinere gemeenten in de provincie. Wij laten dat dus aan de organisaties zelf over.

Ik ben het zeer met de heer Van der Ham eens dat talenkennis een voordeel is voor Nederlandse bedrijven en dat dit onderhoud vergt. Het valt wel buiten de reikwijdte van deze Dienstenrichtlijn. Ik kijk overigens nog altijd met plezier terug op een wetsvoorstel in combinatie met een initiatiefwetsvoorstel dat ik hier als minister van OCW mocht behandelen, waarbij ik het in ieder geval mogelijk heb gemaakt dat Frans en Duits in het basisonderwijs weer gewoon in het curriculum kwamen. Ik weet dat dit slechts een eerste stap was. Laten wij nu ook met elkaar zorgen dat het gebeurt en dat bijvoorbeeld het tweetalig onderwijs meer gestalte gaat krijgen. Ik weet dat mijn collega's van het ministerie van OCW hiermee bezig zijn.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Ik wil nog even terugkomen op het gedrag van andere lidstaten. Er is dus geen verplichting, maar ik zou mij kunnen voorstellen dat de minister daar in de Raad voor Concurrentievermogen of in het overleg dat zij over dit onderwerp op andere plekken heeft, nagaat hoe dit nu precies gaat. Wellicht kan zij zelfs de Commissie uitdagen om voor het einde van het jaar met een overzicht te komen waaruit blijkt hoe lidstaten omgaan met het talenregime.

Minister Van der Hoeven:

Ik vind dat een goede suggestie en neem die over.

Mevrouw Vos vroeg hoeveel consumenten ConsuWijzer kennen. In 2008 heeft één miljoen mensen de website van ConsuWijzer bezocht. Daarnaast zijn er 92.000 directe contacten geweest per telefoon, e-mail of brief. De waardering voor de dienstverlening door ConsuWijzer zit gemiddeld op een 7. Het is een relatief jong loket en zo'n 35% van de consumenten kent het loket. Is dat genoeg? Nee. Wij gaan daarom verder met het werken aan de naamsbekendheid van ConsuWijzer, bijvoorbeeld via een Postbus 51-campagne.

Mevrouw Vos stelde ook vragen over Antwoord voor bedrijven. Dat is op 1 januari 2008 gestart en men werkt daar hard aan. Het huidige aantal bezoekers van de site is ongeveer 145.000 per maand. Daarnaast worden er wekelijks meer dan 300 vragen gesteld en beantwoord. Die vragen gaan over van alles: hoe de overheid ondernemers helpt bij de kredietcrisis, wet- en regelgeving die op specifieke gevallen van toepassing is et cetera.

Het Crash Team komt in actie als een Nederlands bedrijf te maken heeft met oneerlijke concurrentie op een buitenlandse markt als gevolg van de schendingen van verdagen en wetten door de overheid van die desbetreffende markt, bijvoorbeeld bij illegale staatssteun, schending van de EU-richtlijnen, discriminatie bij aanbestedingen, onrechtvaardige belemmeringen bij markttoegang voor producten en diensten en dat soort zaken. Sinds juni 2005 zijn er ongeveer 150 meldingen behandeld. Dit betreft een enorm aantal landen in de wereld. Ook als de Dienstenrichtlijn door een andere lidstaat niet goed wordt nageleefd, zal het Crashteam in actie komen.

Mevrouw Vos (PvdA):

Antwoordvoorbedrijven.nl zou dé site moeten worden. Zijn dat 145.000 unieke bezoekers? Verder zou meer reclame voor het Crashteam erg handig zijn.

Minister Van der Hoeven:

Het gaat om 145.000 bezoekers per maand, en ik kan op dit moment echt niet zeggen of het eenmalige hits zijn, of dat ze elke maand terugkomen. Inderdaad is het belangrijk dat men weet dat het Crashteam bestaat en waar men het kan vinden. Daar zullen wij aandacht aan besteden.

Wanneer is een dienst een dienst van algemeen economisch belang (DAEB), en welke diensten vallen onder die status? Zoals bekend geeft het Europese recht de lidstaten een heel grote vrijheid om te bepalen wat wel en wat geen DAEB is. Niet alleen sociale diensten kwalificeren als zodanig, ook andere diensten waarvan wij in Nederland vinden dat zij een publiek belang dienen dat zodanig groot is dat die dienst flink moet worden ingekaderd, kunnen die status krijgen. Waar heb je het dan over? Over de publieke (lokale) omroep, milieudiensten, vormen van kinderopvang of sociale hulp, onderhoud van bepaalde monumenten, het verzorgen van historische gebouwen, noem maar op. Maar de gevraagde duidelijkheid moet door iedere overheid worden gegeven, want die beslist zelf om een dienst als DAEB aan te merken. Dat doet die overheid als een publiek belang zodanig groot is dat de aanmerking van een dienst als een DAEB inderdaad ook nodig is.

Ik vind het onwenselijk om voor de decentrale overheden de keuze te maken wat zij wel en niet als zodanig kunnen aanmerken; dat moeten zij zelf doen. Wel wil ik ze daarbij een handje helpen. Voor de decentrale overheden is een handreiking gemaakt hoe om te gaan met deze problematiek. Mevrouw Gesthuizen stelde een vraag over de rol van de woningbouwcorporaties. Zij verrichten een DAEB, wat voor regering en Commissie vaststaat en ook is erkend. Maar de discussie gaat over de vraag wat een DAEB is en wat gewone commerciële dienstverlening is. Daarover is mijn collega voor WWI nog steeds in gesprek met de Commissie. De woningbouwcorporaties vallen voor het DAEB-gedeelte buiten de reikwijdte van de Dienstenrichtlijn en dus buiten die van de Dienstenwet. Is dit probleem opgelost? Nee, met name omdat je onderscheid moet maken tussen wat gewone commerciële dienstverlening is en wat niet. Zoals bekend doen de woningbouwcorporaties beide dingen. Dat loopt dus nog.

Wanneer kan een overzicht worden gegeven van de vergunningen die worden afgeschaft? Ik heb in mijn brief van 3 december aangegeven dat alle vergunningenstelsels zijn doorgelicht. De voorkeur gaat uit naar afschaffing van een vergunningenstelsel boven de invoering van de lex silencio positivo. Wij hebben aangegeven welke worden afgeschaft en bijvoorbeeld worden vervangen door algemene regels, of door een meldplicht. Die aanpassingen worden via afzonderlijke wetsvoorstellen ingediend. In het kader van doorlichting onder de Dienstenrichtlijn dient in het verslag dat bij de Commissie wordt ingediend, door alle overheden te worden aangegeven welke vergunningen komen te vervallen. Dat verslag wordt aan het eind van dit jaar ingediend; daar wordt op dit moment aan gewerkt. Op rijksniveau ligt het aantal vergunningenstelsels dat moet worden ingetrokken of aangepast op vijftien à twintig. Op decentraal niveau kan ik nog geen aantal noemen, aangezien de doorlichting nog niet overal is afgerond.

De heer Elias stelde een vraag over een mogelijk experiment in de grensregio's met één loket. Ik vind het erg belangrijk dat in de grensregio's informatie op een goede manier wordt ontsloten. Dus geen misverstand daarover. Ik heb evenwel ook ons belang te behartigen. Ons belang is dat ik de strikte deadline haal en dat ik het ene loket van de Dienstenrichtlijn in Nederland op tijd inricht. Daar word ik op afgerekend. Uiteraard heb ik goed en veel contact met andere lidstaten, met name de lidstaten om ons heen. Wij proberen samen met de Europese Commissie om de loketten zo goed mogelijk op elkaar te laten aansluiten. Ik ben zeker bereid – ik wil dan wel eerst mijn eigen huiswerk af hebben – om volgend jaar de mogelijkheden te onderzoeken voor een dergelijk grensoverschrijdend experiment. Dan heb je inderdaad ook te maken met twee andere talen, te weten Duits en Frans. De heer Elias heeft gelijk dat het ook bij één loket belangrijk is om in begrijpelijke en heldere taal te communiceren. Als dat niet het geval is, ga ik ervan uit dat ik een seintje krijg, ook van de heer Elias. Overigens zijn ondernemers er wat dat betreft al heel snel bij om dan aan te geven dat het eigenlijk anders zou moeten. Als ze daar gelijk in blijken te hebben, doen wij dat ook anders.

Gevraagd is naar de voordelen van de Dienstenwet en waar die neerslaan. Welnu, ze slaan neer bij bedrijven en consumenten. Er komen minder en eenvoudiger regels. Wij vereenvoudigen de vergunningverlening. Bovendien krijgen wij een beter functionerende overheid, omdat het ook mogelijk gemaakt wordt een aantal zaken elektronisch af te wikkelen. Dat is een efficiencyslag en een verbetering van de dienstverlening. Ook is het een impuls voor de elektronische overheid. Het overheidstoezicht wordt versterkt tussen de lidstaten, omdat geregeld en gefaciliteerd wordt hoe beter kan worden samengewerkt.

Dan de voordelen voor de consument. Aanbieders moeten specifieke informatie gaan geven over klachtenprocedures en algemene voorwaarden voor toezichthouders, waardoor ook de positie van de afnemers steviger wordt en de markt transparanter.

Vervolgens is er de vraag wat het onze economie oplevert. In macro-economische cijfers uitgedrukt, is de verwachting dat het bruto binnenlands product van de Nederlandse economie extra kan groeien met 1,4 mld. tot 6,3 mld. Dat is een grote bandbreedte, maar ik kan op dit moment, ook gelet op de economische crisis, niet precies inschatten hoe dat gaat lopen. Ik ben het ook met de heer Van der Ham eens dat je juist in een tijd van economische problemen ervoor moet zorgen dat de dienstensector als motor van onze economie tot zijn recht kan komen, zeker als het gaat om de grensoverschrijdende activiteiten. Het draagt zo'n 75% bij aan het bbp van Nederland, terwijl ongeveer 80% van de beroepsbevolking er werkzaam is. De diensten die onder de richtlijn vallen, hebben betrekking op bijna de helft van de Nederlandse bedrijven, vooral het midden- en kleinbedrijf.

Mevrouw Gesthuizen vroeg wie het meest profiteert. Op de eerste plaats de dienstverleners die binnen de reikwijdte van de wet vallen. Zij profiteren vanwege de vereenvoudiging van de wet- en regelgeving en vanwege het ene loket. Ondernemers in de grensstreken en de grote steden zullen meer profiteren omdat ze gemakkelijker in het buitenland nieuwe afzetgebieden zullen gaan zoeken en vinden. Wat betreft de specifieke sectoren denk ik vooral aan adviesbureaus, computerservicebedrijven en ingenieurs- en architectenbureaus.

De heer Elias kan ik bevestigen dat alle overheden in alle lidstaten vanaf 2010 de nieuwe eisen of gewijzigde eisen aan vestiging van dienstverrichters en de verrichting van diensten melden aan de Europese Commissie. Dat is mijns inziens erg belangrijk omdat de Commissie ook kijkt of de eisen in overeenstemming zijn met de voorwaarden van de Dienstenrichtlijn. Ook deelt de Commissie de notificaties aan de andere lidstaten mee. Als het niet goed gaat, kan er natuurlijk door de Commissie een inbreukprocedure worden gestart. Uiteindelijk – dat is waar – zal het Hof van Justitie Nederland kunnen veroordelen. Ik denk dat het Nederlandse bedrijfsleven graag wil meewerken om te bekijken of andere lidstaten de richtlijnen goed hebben geïmplementeerd, want als dat niet het geval is, hebben ze er ook de problemen van. Ik zeg graag toe dat ik samen met het bedrijfsleven kijk naar de implementatie in de andere lidstaten. Ik zal zeker aan de bel trekken bij de Commissie als daar aanleiding toe is.

Mijn laatste blokje gaat over de implementatie. Het is waar dat de reikwijdte van het wetsvoorstel groot is. Uit de screening van de Nederlandse wet- en regelgevende instanties is duidelijk geworden welke bepalingen onder de reikwijdte vallen. Ik heb de Kamer daarvan een overzicht gestuurd. Op dit moment hebben alle twaalf de provincies hun screening afgerond. De meeste van de 27 waterschappen zijn ook klaar. De 441 gemeenten zijn volop bezig. Een groot deel daarvan is klaar. Ik verwacht dat zij allemaal klaar zijn in de eerste vier tot vijf maanden van 2009. Dit is de stand van zaken. Een en ander is in beweging. De reikwijdte van het wetsvoorstel zal ik, ook in de toekomst, actueel houden door periodiek via ministeriële regelingen aan te geven welke wet- en regelgeving op alle overheidsniveaus in elk geval onder de Dienstenwet valt.

Ik heb al gezegd te gaan voor een strikte implementatie van de Dienstenrichtlijn. Geen nationale koppen dus. Ik sluit zo veel mogelijk aan bij bestaande initiatieven. Ik denk onder andere aan de lopende vereenvoudiging van vergunningen door de Regiegroep Regeldruk.

De grootste groep bij de screening is die van de gemeenten. Ik ben erg blij dat de VNG zo bereidwillig is geweest om al haar modelverordeningen te screenen en daarvoor voorbeeldrapportageformulieren te maken. Te zien is dat een groot deel van de gemeenten aansluit bij de modelverordeningen die de VNG opstelt. Als gemeenten afwijken van de VNG-modellen betreft het regelmatig dezelfde soort regelgeving. Gemeenten hoeven een aantal zaken niet meer zelf te doen. Een verwijzing naar het VNG-model is dan vaak genoeg. Het scheelt veel werk en tijd. Tegen die achtergrond ben ik ervan overtuigd dat de gemeenten hun werk op tijd klaar hebben.

De heer Van Dijk heeft gelijk dat sommige beroepsorganisaties regelgeving hebben die onder de Dienstenrichtlijn valt. Ik noem advocaten en accountants. Die zijn daar in beginsel zelf verantwoordelijk voor. Uiteraard wordt samengewerkt door de vakdepartementen met de beroepsorganisaties. De Nederlandse Orde van Advocaten is klaar met de doorlichting. Die werken aan een uitvoeringsmaatregel. De Orde van Octrooigemachtigden heeft ook de doorlichting afgerond. De NIVRA/NOVA zal binnenkort de resultaten van de doorlichting opleveren.

Mevrouw Vos vraagt of ik verwacht nog meer wetten aan te moeten passen op centraal of decentraal niveau. Ik denk dat het in Nederland erg meevalt. Het grappige is dat de Dienstenrichtlijnbepalingen over de screening voor het grootste deel al jarenlang geldend Europees recht vastlegt. Het zou heel kwalijk zijn als onze wetgeving daarmee op grote schaal strijdig zou blijken te zijn. Uiteraard kijken wij of zaken echt nodig zijn. Er is het Project Vereenvoudiging Vergunningen 2005 geweest en de programma's voor reductie van de administratieve lasten van de afgelopen jaren. Daarbij zijn heel goede slagen gemaakt.

Mevrouw Vos en mevrouw Gesthuizen vragen of ik denk dat andere lidstaten de Dienstenrichtlijn op tijd implementeren. Er zijn geen signalen dat die het als onhaalbaar beschouwen. Elf lidstaten met een markt die van bijzondere betekenis is voor Nederlandse dienstverleners, volgen wij heel erg nauw. Dat gaat goed. Een tijdige implementatie is daar binnen bereik. Dan zijn er nog vijftien andere lidstaten. Daar zitten wat achterblijvers bij. Wij hebben nog bijna een jaar. Ik kan niet garanderen dat alle lidstaten op tijd implementeren. Ik heb al aan de heer Van Dijk toegezegd dat ik op dit punt de vinger aan de pols houdt.

Als wij een actieve rol kunnen vervullen bij implementatie door andere lidstaten doen wij dat zeker. Mevrouw Vos vraagt daarnaar. Wij hebben dat een keer gedaan door een conferentie over screening door decentrale overheden te organiseren, samen met Zweden. Ook is een aantal netwerkbijeenkomsten georganiseerd. Tevens is door vijf "like-minded" landen, onder leiding van Nederland, het initiatief genomen voor één loket. Waar het kan, zullen wij zeker een bijdrage leveren.

De heer Van der Ham vroeg naar het evaluatiemoment. De Dienstenrichtlijn voorziet op twee punten in een specifiek evaluatiemoment. De Europese Commissie moet op 28 december 2011 en daarna om de drie jaar uitgebreid verslag doen aan het Europees Parlement en aan de Raad over de toepassing van de Dienstenrichtlijn. Uiterlijk op 28 december 2011 moet de Europese Commissie een verslag indienen bij het Europees Parlement en de Raad over het functioneren van de vrijheid van dienstverrichting, artikel 16 van de richtlijn. Dat moet zij doen na raadpleging van de lidstaten en de sociale partners. Het lijkt mij dus ook logisch om, als deze evaluaties op de agenda van de Raad worden geplaatst, ook met uw Kamer te spreken over de werking van de Dienstenrichtlijn en de Dienstenwet. Ik wil dus aansluiten bij de Europese evaluatiemomenten. Daarmee kan ook de werking van de Dienstenrichtlijn in andere lidstaten een onderwerp op onze agenda zijn.

De heer Van der Ham (D66):

Ik ben ervan op de hoogte dat bij de implementatie een aantal momenten zijn afgesproken. Dat was mijn punt ook niet. Het ging er meer om dat landen tot 28 december 2009 de tijd hebben om zich daarvoor in te richten. Het is maar helemaal de vraag of zij het gaan redden; er zijn al allerlei slagen om de arm en formuleringen. Mijn vraag is juist om bij de Europese Commissie erop aan te dringen om over een paar maanden te evalueren hoe de verschillende landen ervoor staan, zodat ook wat extra druk wordt uitgeoefend om die datum echt te halen. Je ziet bij een aantal landen vaak dat zij op – ik zeg maar wat – 27 december 2009 eens een aantal zaken gaan bekijken die zij nog moeten doen en maar weer om uitstel vragen. Dat moment moeten wij vervroegen. Ik vraag de minister om daarop aan te dringen.

Minister Van der Hoeven:

Dat wil ik graag doen. Overigens biedt de Europese Commissie ook een helpende hand, met name aan de vijftien landen waarmee wat problemen zijn. Dat doet zij door bilateraal overleg en door advies. Op die manier verleent zij de nodige bijstand via maatwerk. Ik zie niet aankomen dat de landen het aan het einde van dit jaar niet af hebben, maar laat ik met de heer Van der Ham afspreken dat ik in ieder geval de vinger aan de pols blijf houden. Dat is het meeste wat ik hem kan toezeggen. Bij de bespreking van de agenda van de laatste Raad voor Concurrentievermogen in november of december van dit jaar, zal ik ervoor zorgen dat er een overzichtje is van de stand van zaken. Dat lijkt mij de meest concrete toezegging die ik kan doen.

De heer Van der Ham (D66):

Dat is op zichzelf mooi, maar ik wil het eigenlijk nog iets scherper. Ik vind dat de minister ervoor moet zorgen dat de Europese Commissie de vinger strakker aan de pols houdt, dus dat er voor de zomervakantie – ik noem maar even een datum – een evaluatie komt door de Europese Commissie van hoe de landen ervoor staan. De minister moet erop aandringen dat de Commissie dit doet, zodat de druk wordt verhoogd op de landen die het wellicht wel eens niet zouden halen.

Minister Van der Hoeven:

Voor de zomervakantie is natuurlijk heel erg snel. Ik heb de vraag van de heer Van der Ham echter goed gehoord. Ik zal de vraag daar deponeren waar hij thuishoort, namelijk bij de Europese Commissie. Dat laat onverlet mijn toezegging om er bij de Kamer op terug te komen bij het algemeen overleg over de laatste Raad voor Concurrentievermogen van dit jaar.

Mevrouw Gesthuizen heeft gezegd dat er nogal wat fouten in staan en dat het geen schoonheidsprijs verdient als een voorbeeld van Europese kwaliteitswetgeving. Daarin heeft zij wel gelijk. Ik heb al laten weten waaraan op dit moment wordt gewerkt en op welke manier wij dat doen. Ik denk dat het verstandig is om nog een keer te melden, in aansluiting op wat ik tot de heer Van der Ham zei, dat de diensten van de Europese Commissie ook bijstand verlenen aan de lidstaten om tot een juiste implementatie te komen. Zij organiseren expertbijeenkomsten, brengen een handboek uit en spreken bilateraal over onduidelijkheden en problemen. De Commissie heeft begin 2007 het initiatief genomen tot de oprichting van een EU-expertgroep Dienstenrichtlijn, die een keer per maand bijeenkomt. Alle lidstaten en de drie ER-lidstaten nemen daaraan deel. Wat dat betreft, heeft ook de Commissie er belang bij dat alles zo snel mogelijk gebeurt. Zij zet bijvoorbeeld ook een pilot op voor het Interne Markt Informatiesysteem, met name om te kijken of de lidstaten met behulp van dat IMI aan hun verplichtingen op het vlak van de administratieve samenwerking kunnen voldoen. De Commissie biedt dus op alle mogelijke manieren hulp. Zij heeft inmiddels al meer dan zestig bilaterale bijeenkomsten belegd, om een voorbeeld te noemen. De Europese Commissie kan inderdaad ingrijpen als lidstaten niet op tijd implementeren, uiteindelijk door het starten van een inbreukprocedure op grond van artikel 226 van het EG-Verdrag. Dat is natuurlijk het laatste wat je zou moeten doen. Vandaar dat er veel werk wordt verzet om ervoor te zorgen dat tijdig door alle landen de juiste implementatie plaatsvindt.

Zij vroeg ook hoe ik er tegenover sta dat de nieuwe regelgeving pas echt vorm krijgt na het voeren van rechtszaken. De Dienstenrichtlijn en ook het wetsvoorstel sluiten aan bij consistente Europese rechtspraak. In de toelichting heb ik onderstreept dat de richtlijn en het wetsvoorstel er juist voor zorgen dan in plaats van het moeten nazoeken in de rechtspraak, de ondernemer en de consument een helder en eenduidig kader krijgen. Ik erken dat de Dienstenrichtlijn en het wetsvoorstel op sommige punten nader moeten worden ingevuld door rechters via jurisprudentie. Dat is normaal. Dat is ook het geval bij andere Nederlandse wetgeving.

Er werd gevraagd hoe ik sta tegenover de plannen van de Europese Commissie tot een uitbreiding van de Dienstenrichtlijn naar de gezondheidszorg. Daar is helemaal geen sprake van. Er is wel sprake van een richtlijn om de patiëntenmobiliteit te bevorderen. Dat proces is ook al eerder ingezet. Om dat voorstel te kunnen beoordelen, moet ik het eerst concreet zien. Wat van belang is, is de betaalbaarheid en de leveringszekerheid van de Nederlandse gezondheidszorg. Die moeten gewaarborgd zijn. Onverkorte liberalisering is niet mogelijk, maar ik vind het eerlijk gezegd niet negatief dat er in Europees verband stappen worden gezet.

De heer Van der Ham (D66):

Ik ben blij dat de minister zegt dat liberalisering niet per definitie negatief is. Wij zijn ook geen voorstander van ongebreidelde liberalisering. De minister staat er wel positief in. Is de minister op ambtelijk of ander niveau bezig om de ideeën die binnen de Europese Commissie worden ontwikkeld, mede vorm te geven? Hoe participeert zij in dat proces?

Minister Van der Hoeven:

Dat is een andere vraag. Het is in elk geval niet zo dat de Dienstenrichtlijn wordt uitgebreid met gezondheidszorg. Er komt wel een richtlijn ter bevordering van de patiëntenmobiliteit. Wij hebben, net als elk land, een aantal mensen in Brussel zitten die daar in de juiste gremia hun bijdrage aan leveren. Als het zover is dat er fiches komen, gaan die eerst naar de Raad en daarna naar de Kamer. Ik denk dat het verstandig is om dat moment even af te wachten. Ik weet op dit moment echt niet hoe dat voorstel er precies uitziet.

De heer Van Dijk vroeg of ik bereid ben om te voorzien in een instrument in de Dienstenwet om te waarborgen dat de overheden, met name de decentrale, de verplichtingen van de Dienstenrichtlijn en de Dienstenwet nakomen. Wij hebben dat op dit moment nog niet. Ik denk dat hij terecht aangaf dat hier een knelpunt is. Het zijn immers uiteindelijk niet de decentrale overheden die hier ter verantwoording worden geroepen. Dat betekent dat er eigenlijk wel iets zou moeten gebeuren. Als de Kamer dat wenst, wil ik dat zeker bekijken. Dat zal dan een maatregel moeten zijn van tijdelijke aard die zal moeten gelden tot het wetsvoorstel dat de minister van BZK in voorbereiding heeft in werking treedt. Op die manier kan ervoor worden gezorgd dat er geen gat ontstaat. Op dit moment is dat inderdaad niet gewaarborgd.

De heer Van der Ham (D66):

Mijn vraag over de leges is nog niet beantwoord. Vanuit VNO-NCW is de vrees geuit dat de kosten van het ene loket, waarvan wordt gezegd dat die niet omhoog gaan voor ondernemers, via een omweg weer worden teruggesluisd.

De voorzitter:

Kunt u daar nu op antwoorden?

Minister Van der Hoeven:

Dat doe ik in mijn tweede termijn.

De heer Elias (VVD):

Misschien moet ik bij de minister van Justitie zijn, maar ik heb gevraagd om een reactie van de minister van Economische Zaken op het opheffen van vergunningen. De minister heeft gesproken over het opheffen van vergunningen in algemene zin, maar ik had het over het opheffen van vergunningen zonder wettelijke basis.

Minister Van der Hoeven:

Ik vraag u om het antwoord van de minister van Justitie af te wachten. Mocht blijken dat uw vraag dan nog steeds niet beantwoord is, dan hoor ik het wel in tweede termijn. Ik denk dat mijn collega er wel op ingaat.

Minister Hirsch Ballin:

Voorzitter. Ik dank u voor de gelegenheid om ook van mijn kant iets bij te mogen dragen aan de bespreking van het wetsvoorstel Dienstenwet, waarbij het in het bijzonder gaat om een aantal vragen over de uitwerking ervan in de Algemene wet bestuursrecht. Over de doorwerking in het Burgerlijk Wetboek zijn geen vragen gesteld, dus over dat onderdeel valt niets te beantwoorden.

De Dienstenrichtlijn verplicht de lidstaten tot toepassing van de lex silencio positivo. Dit punt sneed ook mevrouw Vos aan toen zij zich afvroeg of wij de richtlijn wel goed hebben uitgevoerd, doordat wij in het wetsvoorstel hebben gekozen voor een methodiek waarbij wordt opgesomd in welke gevallen de vergunning geacht wordt te zijn verleend bij stilzitten van het bestuursorgaan. Deze vraag moet uiteraard worden beantwoord aan de hand van artikel 13, lid 4. Daar staat: "Bij het uitblijven van een antwoord binnen de termijn wordt de vergunning geacht te zijn verleend. Andere regelingen kunnen niettemin worden vastgesteld, als dat gerechtvaardigd is om dwingende redenen van algemeen belang, met inbegrip van een rechtmatig belang van een derde partij." De vraag of met het stelsel dat wij in het wetsvoorstel hebben opgenomen, wordt voldaan aan de eis van de richtlijn, zal moeten worden beantwoord aan de hand van niet alleen deze wet, maar ook van de andere wetten waarmee uitwerking wordt gegeven aan het systeem van de lex silencio positivo. Op het moment dat de andere wetten er dus zijn en de bepalingen zijn gegeven waarin dat stelsel van toepassing wordt verklaard en daarbij niet te weinig is gedaan, is dit op zichzelf in overeenstemming met artikel 13, lid 4.

Mevrouw Vos heeft natuurlijk gelijk als zij zegt dat een benadering waarbij de hoofdregel van de lex silencio positivo zou worden vooropgesteld, in het geval van de vergunningen waarop de Dienstrichtlijn van toepassing is, nauwer aansluit bij deze bepaling. Dat raakt punten die ook door de heer Elias zijn aangesneden. Zowel mevrouw Vos als de heer Elias hebben opgemerkt – daarover kan ook eigenlijk geen verschil van mening bestaan – dat we natuurlijk niet alles onder de lex silencio positivo kunnen brengen. Er zijn nu eenmaal onderwerpen die zich daartoe niet lenen. De algemene dwingende reden, waaronder een rechtmatig belang van een derde partij, hoort dan tot de conclusie te leiden dat je daar het systeem van de lex silencio positivo niet kunt toepassen. Daarom is mevrouw Gesthuizen niet enthousiast over een verdere verruiming van het toepassingsbereik. Het komt er dus eigenlijk op aan dat goede keuzen worden gemaakt. Ik heb uit dat oogpunt ook gekeken naar het amendement dat mevrouw Vos heeft voorgesteld. Dat amendement roept een soort spiegelbeeldig bezwaar op. Haar bezwaar tegen de voorgestelde regeling is dat je ermee in een situatie terechtkomt waarin het er maar op aankomt dat de wetgever op tijd alles heeft aangewezen waar de lex silencio positivo moet worden toegepast. Als wij het echter zouden doen op de manier die mevrouw Vos voorstelt in haar amendement, dan kan de omgekeerde situatie ontstaan en wordt het in gevallen waarin dwingende redenen – dat is nogal wat – van algemeen belang moeten leiden tot een uitzondering, teniet gedaan. Dat komt misschien niet omdat er onvoldoende naar gekeken is – verschillende sprekers hebben opgemerkt dat er ruim de tijd is geweest om ernaar te kijken – maar omdat de wetgever niet snel genoeg bij is. Er resteert dan nog maar een korte periode voor het tot stand brengen van de vereiste wetgeving. Als dan in die korte periode zou blijken dat op een belangrijk punt een omissie is gepleegd, dan hebben wij een probleem en dan zou de dwingende redenen van algemeen belang, zoals de gerechtvaardigde belangen van een derde partij, worden aangetast.

Teneinde een manier te vinden om de hoofdregel wel voorop te stellen, maar niet het risico te lopen in een fuik terecht te komen, waarbij uiteindelijk ondanks dwingende redenen van algemeen belang de lex silencio positivo van toepassing is, zou het misschien beter zijn om te werken met een methodiek waarbij krachtens de wet, bij AMvB, de vergunningenstelsels, dus de wettelijke bepalingen, waarvoor geldt dat de dwingende redenen van algemeen belang eraan in de weg staan om de lex silencio positivo toe te passen, worden aangewezen. Dat biedt een grotere flexibiliteit om de, naar ik aanneem naar ons aller oordeel ongewenste, situatie te vermijden: terwijl dwingende redenen van algemeen belang de lex silencio positivo in de weg staan, zou het via een wet in formele zin moeten worden geregeld. Het maakt echter wel geheel transparant in welke gevallen een afwijking van de hoofdregel wordt gekozen. Daarmee kan de hoofdregel voorop worden gesteld, zonder eerdergenoemde risico's.

Mevrouw Vos (PvdA):

Omdat wij volgens mij behalve u geen van allen hier jurist zijn, wil ik uw woorden nog even samenvatten. Ik begrijp dat u eigenlijk in principe wel voor de hoofdregel, zoals in mijn amendement verwoord, bent, maar dat dan wel een lijst nodig is – mijn collega's hebben daar ook naar gevraagd – met alle vergunningenstelsels waarop wij eigenlijk liever niet de lex silencio positivo van toepassing willen verklaren. Klopt het dat u deze dan met een AMvB aan de Kamer wilt doen toekomen?

Minister Hirsch Ballin:

Dat zou een mogelijke uitwerking zijn. Uit een oogpunt van parlementaire betrokkenheid is het inderdaad denkbaar dat een voorhangprocedure voor beide Kamers der Staten-Generaal wordt opgenomen. Deze keuze vergt tenslotte ook een politieke verantwoordelijkheid. Met een voorhangprocedure, zoals mevrouw Vos voorstelt, zou deze zichtbaar worden gemaakt, zowel in het geval een meerderheid in een van beide Kamers vindt dat een bepaald type vergunning ten onrechte op die lijst staat als in de omgekeerde situatie, waarbij er bezorgdheid bestaat over juist het niet plaatsen van een vergunning op de lijst.

Mevrouw Vos (PvdA):

Dan zou ik waarschijnlijk mijn amendement wel enigszins moeten aanpassen en moeten verwijzen naar die AMvB. Die zal dan bij de Tweede Kamer en waarschijnlijk ook bij de Eerste Kamer moeten worden voorgehangen; dan zullen wij dus nog op enig moment een debat voeren over de vraag of wij het eens zijn met het kabinetsvoorstel over de lijst waarvoor de lex silencio positivo niet zal gelden.

Minister Hirsch Ballin:

Ik zou mij dat kunnen voorstellen. Dat zou het voordeel bieden dat in aansluiting op de tekst van artikel 13, vierde lid, de hoofdregel van de richtlijn wordt vooropgesteld en dat daarbij het criterium van de dwingende redenen van algemeen belang, inclusief het rechtmatig belang van derde partijen, wordt aangegeven. Daarmee zou tevens worden vermeden dat door de lengte van de wetgevingsprocedure er een periode zou komen waarbij ten detrimente van het algemeen belang een vergunningsstelsel ten onrechte onder de lex silencio positivobenadering valt.

Overigens kom ik later in mijn betoog nog terug op de rechtsbescherming van de derde partij terug; mevrouw Van Gesthuizen vroeg daarnaar.

Mevrouw Gesthuizen (SP):

Op mij maakt het de indruk van de wereld op zijn kop als de minister van Justitie pleit voor manieren waarop wij ervoor kunnen zorgen dat de vergunningen dan maar niet meer tijdig verstrekt hoeven te worden. Dat is in de ogen van de SP-fractie namelijk waartoe dit zal leiden. Ik stel twee vragen. Bent u het met mij eens dat het op deze manier ruimte geven aan overheden om niet tijdig vergunningen te verstrekken, omdat het uiteindelijk, na een bepaalde termijn, dan toch wel goed zou komen, zonder dat men er ook maar naar heeft gekeken – en als er dan geen bezwaren zijn, is het prima – de vraag oproept waarvoor wij die vergunningen überhaupt nog hebben? En als u van plan bent om met een lijst te komen die niet, zoals ik wil, limitatief is wat betreft de vergunningen die wel onder de lex silencio zouden mogen vallen, maar juist met een lijst met sectoren die niet onder de lex silencio zouden mogen vallen, aan welke sectoren denkt u dan? Welke gebieden zouden in ieder geval uitgesloten moeten worden?

Minister Hirsch Ballin:

Beide vragen zijn van belang. Het is niet bedoeld als een aanmoediging voor het niet tijdig beslissen. De richtlijn is voor ons een gegeven. Wij zijn hier niet het Europees Parlement. Het staat vast dat door Nederland uitvoering zal worden gegeven aan de richtlijn. De regeling is in de richtlijn opgenomen om degenen die, uitgaande van de vrijheid van dienstverlening binnen de Europese Unie, diensten willen verlenen, bescherming te bieden tegen situaties waarin de beslissing uitblijft. Mevrouw Gesthuizen zegt terecht dat wij het ons tot norm moeten rekenen dat er tijdig wordt beslist. Dat is zeker zo. Dat is nog eens onderstreept met het inmiddels wet geworden initiatiefwetsvoorstel over de dwangsom bij niet tijdig beslissen. Wij willen er ook van onze kant geen twijfel over laten bestaan dat dit wenselijk is. Er zijn omstandigheden waarin de termijn onrealistisch is. Dat moet dan worden bezien. Daarvoor zijn of worden voorstellen ingediend. Binnen de termijn die de wetgever nodig acht, moet echter tijdig worden beslist. Dat wat betreft het eerste punt van mevrouw Gesthuizen.

Zij moet mij even helpen herinneren welk onderwerp haar tweede punt betrof.

Mevrouw Gesthuizen (SP):

Welk soort vergunningen zouden op die lijst komen met vergunningen die in ieder geval uitgezonderd zouden zijn?

Minister Hirsch Ballin:

Juist, de lijst dus waar dwingende redenen van algemeen belang in de weg staan van de lex silencio positivo. Dat zijn gevallen waarin je ook niet tijdelijk een situatie kunt hebben waarin een vergunning geacht wordt te zijn verleend, terwijl het bestuursorgaan van oordeel is dat het niet zo is. Ik geef maar wat voorbeelden uit het eigen domein; dan hoeven wij daarover ook geen interdepartementaal overleg te voeren met onze niet hier aanwezige collega's. Dat zou kunnen spelen bij vergunningen op het terrein van wapens en munitie, de afgifte van de Verklaring omtrent het Gedrag voor particuliere rechercheurs en advocaten, de inschrijving van beëdigde tolken en vertalers en de erkenning van diploma's voor advocaten. Dus: daar waar je uit het oogpunt van de bescherming van essentiële belangen van de samenleving of van derden het niet kunt hebben dat zoiets zich ook maar tijdelijk voordoet.

Mevrouw Gesthuizen (SP):

Voor de overige sectoren zegt u dus, in mijn ogen, dat die toetsing niet van dusdanig belang is dat wij koste wat kost willen voorkomen dat iemand zonder dat er getoetst is op mogelijke onrechtmatigheid van verstrekking van die vergunning, toch met een vergunning de markt op kan? Ik leg u het volgende voor. U zegt nu heel duidelijk dat het de bedoeling is dat op tijd wordt geantwoord. In mijn beleving is het echter zo dat wij ons vergunningstelsel vooral hebben opgetuigd omdat wij willen dat er getoetst wordt, omdat wij nu eenmaal willen dat wij in de hand houden of mensen wel of niet met een bepaald product of bezigheid de markt opgaan. Dat lijkt mij het doel van het vergunningstelsel en dat is dus niet de randvoorwaarde dat er tijdig moet worden gereageerd.

Minister Hirsch Ballin:

Natuurlijk. De regeling die nu wordt voorgesteld, wordt ook voorgesteld op andere terreinen van het kabinetsbeleid. U weet wat wij ter uitvoering van het coalitieakkoord en van het beleidsprogramma doen. Die regeling houdt uiteraard niet in dat er geen vergunningen meer zijn vereist. Dat zou een karikatuur van het systeem van de lex silencio positivo zijn. Het is een stimulans tot het verlenen van de vergunning. In de zin van het rechtsgevolg van "het geacht te zijn verleend" is er een sanctie aan verbonden. Die sanctie heeft een beschermende werking ten opzichte van de dienstverlener. Het is goed om ons te realiseren dat wij een Europese richtlijn implementeren. Aan de vereisten uit een Europese richtlijn ligt de beoordeling ten grondslag dat het in het gezamenlijk belang is van de lidstaten van de EU om die regeling te treffen.

Mijn hart gaat natuurlijk open bij het vertrouwen dat mevrouw Gesthuizen heeft in het vermogen en de wil van de Nederlandse overheid om tijdig te beslissen en zorgvuldig belangen af te wegen. Dat is heel mooi. Ik zou haast zeggen dat het te mooi is om waar te zijn, maar wij willen natuurlijk ook dat het waar is. Laten wij er dan maar met zelfvertrouwen en zonder zelfoverschatting van uitgaan dat het de wil is van de Nederlandse overheden om zo te handelen.

Uit de praktijk weten wij echter dat grensoverschrijdende dienstverleners niet in alle 27 lidstaten van de EU overheden aantreffen die, aangespoord door wetten die een dwangsom op tijdig beslissen en rechtsbescherming inhouden, op tijd beslissen als buitenlandse dienstverleners zich melden. Uit dat oogpunt is het misschien wel goed dat wij gezamenlijk deze regel implementeren.

Mevrouw Gesthuizen (SP):

De minister zegt dat andere lidstaten mogelijk een nog krakkemikkiger stelsel hebben dan wij. Daarom moeten wij het goede voorbeeld geven door te bepalen dat, als overheden niet tijdig reageren, de vergunning alsnog wordt verleend. In mijn ogen is dat niet de goede stok achter de deur om te bereiken dat overheden wel op tijd hun werk af hebben. Ik heb er inderdaad vertrouwen in dat wij dat met zijn allen voor elkaar kunnen krijgen. Anders zou ik hier ook niet staan, eerlijk gezegd.

Minister Hirsch Ballin:

Prima. Ik deel het vertrouwen dat wij dit voor elkaar kunnen krijgen. Dat is de kern van het kabinetsbeleid, zoals ook naar voren is gebracht bij de behandeling van de wet over de sancties die aan termijnen moeten worden verbonden. De lex silencio positivo komt terug in het andere voorstel op dit terrein dat ik samen met staatssecretaris Heemskerk doe. De lex silencio is geen vervanging voor de vergunningverlening, maar is een extra waarborg. Er wordt van rechtswege uitgesloten dat er impasses ontstaan door het uitblijven van beslissingen van de overheid.

Voor het nettoresultaat mag er geen verschil zijn tussen "ja, tenzij" en "nee, tenzij". Maar gehoord de argumenten voor "ja, tenzij", kan ik mij voorstellen dat de impasses van tijdgebrek voor het treffen van regelingen worden vermeden door te werken met een lijst bij AMvB, naast hetgeen door provinciale, gemeentelijke en andere wetgevers is bepaald. Ik reageer hiermee op een ingediend amendement.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Ik begrijp dat u ermee kunt instemmen dat "nee, tenzij" wordt vervangen door "ja, tenzij". De enige uitzondering daarop is de lijst die is opgenomen in de AMvB.

Minister Hirsch Ballin:

Of in een wettelijk voorschrift.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Dan is mijn vraag: waarom gaan wij dit regelen met artikel 27a? Waarom regelen wij dat niet met artikel 60? Er staat nu een artikel 4:20a van de wet: "Deze paragraaf is van toepassing indien dit bij wettelijk voorschrift is bepaald." Daarvan zouden wij kunnen maken: "Deze paragraaf is niet van toepassing indien dit bij wettelijk voorschrift dan wel bij algemene maatregel van bestuur is bepaald." Zou die oplossing niet gemakkelijker zijn dan het opnemen van een apart artikel 27?

Minister Hirsch Ballin:

Daarmee krijgen wij te maken met de algemene bepalingen die voor alle vergunningenstelsels, voor alle beschikkingen gelden. Wij hebben het nu over het toepassingsbereik van de Dienstenrichtlijn. De gedachtegang van mij en van mevrouw Vos houdt in dat wij ons daartoe moeten beperken. Anders zouden wij veel verder gaan. Dan zouden wij het over het gehele veld van het bestuursrecht hebben.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Dat begrijp ik. Dan nog een andere vraag: wanneer denkt u de algemene maatregel van bestuur bij de Kamer te kunnen voorhangen? Ik vind het namelijk van belang om daarover te kunnen beslissen voordat de wet wordt geïmplementeerd.

Minister Hirsch Ballin:

Met het wetsvoorstel dat er nu ligt, zou dat tijdstip niet bij voorbaat vaststaan, maar afhankelijk zijn van nadere wetgeving, wetgeving die nog moet worden vastgesteld. Met de geheel andere benadering met uitzonderingen per wet zou een tijdklem ontstaan. Er kan geen twijfel over bestaan dat die algemene maatregel van bestuur er moet zijn voordat de wet in werking treedt. Er is inmiddels het nodige inventariserende werk gedaan. Verschillende leden hebben hierover vragen gesteld. Ik gaf zojuist de voorbeelden daarvan op het beleidsterrein van Justitie. Mijn collega's hebben ongetwijfeld inmiddels in beeld gebracht wat in dit verband voor hun wetsvoorstel geldt. Als de verschillende aspecten met elkaar in verband zijn gebracht, zal de algemene maatregel van bestuur in procedure worden gebracht. Daarbij geldt wel de voorwaarde dat de Kamer overgaat tot de aanvaarding van het op de aangegeven manier gewijzigde amendement. Ik heb het nu niet over een wijziging die van regeringswege wordt voorgesteld.

De heer Elias (VVD):

Op een interruptie van mevrouw Gesthuizen zei u: Het is te mooi om waar te zijn dat de overheid altijd op tijd haar vergunningen verleent. Daar gaat een deel van dit debat natuurlijk over. U noemde de noodzaak van een uitzonderingsgrond krachtens de AWB. Daarbij sprak u over draconische dingen en noemde u tolken, advocaten, wapens en ammunitie. Ik ben het op dat punt met u eens.

Minister Hirsch Ballin:

Prima!

De heer Elias (VVD):

Ik heb in mijn bijdrage echter niet voor niets gesproken over veel onschuldigere zaken. Ik noem: een café dat een vergunning wil hebben. Er zijn 45 vergunningen onder de lex silencio geplaatst. Het gaat in Nederland om 1100 vergunningen. Anders dan de SP hoort u de VVD niet pleiten voor het onder de lex silencio brengen van al die 1100 vergunningen. Wat ons betreft is het belangrijkste dat, juist vanwege de maatschappelijke werkelijkheid die ik aan het begin van mijn betoog omschreef, veel meer vergunningen eronder komen te vallen. Mij zal het niet zo heel veel uitmaken of het een "ja, tenzij" of een "nee, tenzij" wordt. U hebt namelijk in alle gevallen de mogelijkheid om linksom of rechtsom de beperking vast te leggen. Mijn vraag is en blijft: hoe kunnen wij ervoor zorgen dat het aantal vergunningen dat eronder valt, groter wordt?

Minister Hirsch Ballin:

Wat het eerste punt van de heer Elias betreft moet ik, wellicht vooral ter aanvulling van de Handelingen van dit debat, opmerken dat hij verwijst naar een opmerking waar misschien een smiley met een knipoog bij moet staan. Het is prima dat hij hiernaar verwijst, maar helaas zit dit figuurtje niet in de tekenset waarmee de Handelingen worden gedrukt.

De heer Elias is echter bloedserieus. Zijn tweede punt betreft dan ook het maken van niet te veel en niet te weinig uitzonderingen op de regel van de lex silencio positivo. Volgens artikel 13, lid 4, van de richtlijn is de hoofdregel inderdaad dat de lex silencio positivo geldt. De uitzonderingen moeten per geval worden beargumenteerd aan de hand van het criterium van de richtlijn. Dat zal dus onderwerp zijn van de discussie met deze Kamer als de voorhangprocedure daartoe aanleiding geeft.

De heer Elias (VVD):

Maar u komt nu op een zeer benepen aantal uit. Dat is nu juist wat wij zo jammer vinden.

Minister Hirsch Ballin:

Ik kom niet op een benepen aantal uit. Integendeel! Ik heb een paar voorbeelden gegeven van onderwerpen waarvan ook u zegt: die liggen zeer voor de hand. Dank voor de steun.

De voorzitter:

Mijnheer Elias, ik meen dat uw punt helder is. De minister heeft aangekondigd dat als na afloop is gestemd en ook is gestemd over het amendement van mevrouw Vos, hij de Kamer zal voorleggen welke vergunningen er niet en welke er wel onder vallen. Dan is deze discussie opnieuw aan de orde. Ik geef u nog eenmaal de gelegenheid voor een interruptie.

De heer Elias (VVD):

Hebben wij dan ook de mogelijkheid om daarover inhoudelijk van gedachten te wisselen?

De voorzitter:

Ja, want het is een voorhang. De Kamer kan besluiten of zij er wel of niet over debatteert.

Minister Hirsch Ballin:

Ik begrijp uit de reactie van mevrouw Vos dat zij dan denkt aan een gewijzigd amendement van deze strekking. Als dat wordt aanvaard door uw Kamer, geldt wat ik net heb gezegd en wat uw voorzitter heel praktisch heeft samengevat.

Ik heb op dit moment het nodige gezegd over dit amendement. Ik attendeer er nog op dat dit uiteraard veronderstelt dat ook de andere overheden in de gelegenheid zullen zijn om tijdig de nodige wettelijke voorschriften vast te stellen. Ik denk dat het goed is om aan de termijn die daarvoor benodigd is nog aandacht te schenken, eventueel in de vorm van de mogelijkheid voor de decentrale overheden van een gefaseerde inwerkingtreding. Wij zullen nader bezien welke termijn daarvoor redelijkerwijs vereist is, ook gelet op de stand van de inventarisatie bij de lagere overheden.

Mevrouw Gesthuizen vroeg naar de aansprakelijkheid ten opzichte van derden. Het antwoord is kort en krachtig: er is geen verschil met reële vergunningen. De derde heeft trouwens ook mogelijkheden om op te komen in de situatie waarin een vergunning geacht wordt te zijn verleend die nog niet is bekendgemaakt in strijd met het voorschrift. Daarover is geen specifieke bepaling opgenomen in het wetsvoorstel, maar op grond van artikel 6:10 van de Algemene Wet Bestuursrecht blijft een niet-ontvankelijkverklaring van een bezwaar- of beroepschrift achterwege indien het besluit ten tijde van de indiening reeds tot stand was gekomen. Die bepaling geldt ook voor de fictieve vergunning in het kader van de lex silencio positivo. Daarmee is de derdebelanghebbende ook de mogelijkheid gegeven om bezwaar te maken, beroep in te stellen en een voorlopige voorziening te vragen.

Ik heb de opmerkingen van de heer Van der Ham beantwoord met datgene wat ik heb gezegd over de aanwijzing van de gevallen waarin de lex silencio positivoregeling van toepassing zal zijn.

De heer Elias heeft gevraagd naar de 9000 horecavergunningen waarbij toepassing van de Bibob verlening in de weg staat en naar de mogelijkheid om nog andere vergunningen af te schaffen. In het kader van de operatie Vereenvoudiging vergunningen is dat aan de orde geweest en zal het aan de orde blijven. Ik denk dat het goed is om er in het kader van dat project verder over te spreken.

Vergunningen die niet steunen op een wet, kunnen er niet zijn. Vergunningen moeten een wettelijke grondslag hebben. Een vergunning is een uitzondering op een verbod als hoofdregel, dus moet er een wettelijk voorschrift zijn inclusief lagere regelgeving.

De heer Elias (VVD):

Dat lijkt mij ook. Daarom was ik zo verbaasd om het volgende aan te treffen in het rapport van onderzoeksbureau B&A van 2 oktober 2008, dat onderdeel is van de brief van de staatssecretaris van Economische Zaken van 3 december 2008. Ik citeer pagina 25: "Tevens hebben we geconstateerd dat in bijna honderd (94) gevallen er geen sprake is van een vergunning (...) of dat het wettelijk stelsel ontbreekt." Misschien lees ik verkeerd – dat kan – maar dat lees ik hier. Dat verbaasde mij zeer; vandaar mijn vraag.

Minister Hirsch Ballin:

Er is gebruikgemaakt van de dienstverlening door dit externe bureau. De ontvanger van dienstverlening doet er altijd goed aan om nog even goed te kijken of het product geheel aan de eisen voldoet. Dat doet dit product, misschien op dit ene onderdeel na, wel. Maar het is goed dat er kritisch naar is gekeken. Zonder wettelijke basis geen vergunning.

Voorzitter. Dit was mijn bijdrage aan de beantwoording.

Mevrouw Vos (PvdA):

Ik had een vraag over digitale facturen. Facturen uit het buitenland worden vaak digitaal verstuurd. Is de minister daar nu mee bezig?

Minister Hirsch Ballin:

Voor zover digitale facturen de betekenis hebben in de systematiek die in het Burgerlijk Wetboek nu wordt voorzien voor digitale contracten of elementen daarvan, zal die regeling van toepassing zijn. Als het gaat om de bevoegdheid van een van de contractspartners in het buitenland om de vaststelling van het bedrag kenbaar te maken via elektronische communicatie, is het onderliggende contract bepalend. Als men daarin vastlegt dat alleen schriftelijk mag worden gefactureerd, kan er niet digitaal worden gefactureerd. Als dat niet is vastgelegd en als de verzending op zichzelf voldoet aan de eisen die er redelijkerwijs aan gesteld kunnen worden, hoeft er voor digitale facturen geen aparte regeling te worden getroffen.

Mevrouw Vos (PvdA):

Die signalen krijg ik niet van ondernemers. Zij hebben problemen met de Belastingdienst als zij de facturen die zij digitaal krijgen, meestal van buitenlandse zakenpartners, gebruiken bij hun belastingaangifte. Daarover gaat mijn vraag. Het heeft te maken met de vormvereisten. Daar zou eens beter naar gekeken moeten worden.

Minister Hirsch Ballin:

Ik zal dat punt graag onder de aandacht brengen bij de staatssecretaris van Financiën.

De voorzitter:

Mevrouw Gesthuizen, u bent ver weg van de interruptiemicrofoon. Gaat uw interruptie nog door? Goed, dan geef ik u nog het woord.

Mevrouw Gesthuizen (SP):

Ik stiefelde alweer naar voren, wordt hier gezegd. Ik heb nog geen antwoord gekregen op mijn vraag over een eigen onderzoek. Artikel 29, lid 2 verbiedt eigen onderzoek van Nederland naar mogelijk onrechtmatige gronden waarop een vergunning in een ander land is verstrekt. Ik heb in mijn betoog gezegd dat ik vrees dat dit op problemen gaat stuiten. Wat is de reactie van de minister daarop?

Minister Hirsch Ballin:

Dat is een kwestie van toezicht bij het afgaan op de buitenlandse vergunning. Uiteraard is ook deze vorm van Europese samenwerking in dat opzicht, niet anders dan de toepassing van het principe van de wederzijdse erkenning op het gebied van JBZ, gebaseerd op het vertrouwen in de werking van de bestuurlijke stelsels van de andere lidstaten. Er is een waarschuwingsmechanisme via het internemarktsysteem waardoor heel snel alle overheden, andere landen en de commissie in kennis worden gesteld als zich situaties van onrechtmatigheid door corruptie zouden voordoen. Artikel 50 van het wetsvoorstel voorziet in een regeling daarvoor. Bij twijfel over welk document dan ook bestaat bovendien altijd de mogelijkheid om vragen te stellen aan de buitenlandse autoriteit die de documenten heeft afgegeven. Daarvoor hebben wij in de artikelen 36 tot en met 38 een procedure opgenomen.

Mevrouw Gesthuizen (SP):

Er zal dus niet namens Nederland, maar namens de commissie onderzoek worden gedaan zodra ergens alarmbellen afgaan. Nederland kan dat zelf ergens kenbaar maken. Is het dan nodig dat er meerdere landen zijn die vermoedens hebben van bijvoorbeeld corruptie? En hoe zal het in de tussentijd gaan? Mijn specifieke vragen hadden daarop betrekking: wat gebeurt er in de tussentijd? Wat gebeurt er tot het moment waarop zou blijken dat er op onrechtmatige gronden is verstrekt?

Minister Hirsch Ballin:

De Europese Commissie wordt ingeschakeld in de procedure van artikel 50. De artikelen 36 en volgende betreffen het eigen handelen van de nationale instantie ten opzichte van een specifieke andere buitenlandse instantie, en geven dus ook mogelijkheden om op te komen, inlichtingen te vragen en daaraan gevolgen te verbinden als er aanwijzingen zijn voor onrechtmatigheid in de andere lidstaten.

Mevrouw Gesthuizen (SP):

Nog een korte afrondende vraag, voorzitter. Ik vind dit echt een belangrijk punt. Ik krijg geen antwoord op mijn vraag wat er in de tussentijd gebeurt. Betekent dit concreet dat Nederland mag zeggen dat er geen mogelijkheid is om hier een dienst aan te bieden, totdat er uitsluitsel is over onrechtmatigheid?

Minister Hirsch Ballin:

Een bevoegde instantie die betrokken is bij de eis of vergunningstelsels op grond van deze wet, moet op deugdelijke wijze een verzoek aan een bevoegde instantie uit een andere lidstaat motiveren. Als dan door die instantie uit die andere lidstaat niet op toereikende wijze aan het verzoek wordt voldaan, wordt de procedure in gang gezet die omschreven is in artikel 54 en die leidt naar het contactpunt dat onder de zorg van mijn collega van Economische Zaken valt. Dat zal dan onder meer behulpzaam moeten zijn bij het oplossen van de problemen en het in gang zetten van het waarschuwingsmechanisme.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

De voorzitter:

Wij beginnen aan de tweede termijn. De woordvoerders hebben een spreektijd van maximaal vier minuten.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Voorzitter. Ik dank de bewindspersonen voor de antwoorden en de toezeggingen die wij gekregen hebben. Wij hebben enkele belangrijke toezeggingen binnengehaald in de discussie over de Kamers van Koophandel, het doorlinken van antwoordvoorbedrijven.nl naar de Kamers van Koophandel en hoe er met het talenregime wordt omgegaan.

Ik wil nog even de aandacht van de minister van Economische Zaken vragen voor de manier waarop er bij de Europese Commissie en andere lidstaten wordt nagegaan hoe zij omgaan met het talenregime en met de implementatie van de richtlijn. Zou de minister niet alleen aan de Europese Commissie willen vragen om de richtlijn goed in de gaten te houden en daarover de rapporteren, maar ook de Kamer daarover willen informeren? Zo kunnen wij daar op een goede manier nog een discussie over hebben.

Ik begrijp de opmerking van de minister over de diensten van algemeen economisch belang, maar weten wij wel over welke diensten wij het precies hebben? Daarover blijf ik een onbevredigd gevoel houden. Ik snap het en ben blij dat zij in ieder geval een handleiding naar de decentrale overheden heeft gestuurd, en wellicht nog gaat sturen, om duidelijk te maken hoe zij kunnen bepalen wat diensten van algemeen economisch belang zijn. Zo weten zij dat als ze zich aan het handboek houden, later niet teruggefloten worden door de Europese Commissie.

Vandaag is lang gediscussieerd over de lex silencio positivo. Mevrouw Vos heeft een amendement ingediend dat in overleg met de minister nog is gewijzigd. De kern daarvan is dat de hoofdregel is dat de lex silencio positivo wordt toegepast, met uitzondering van die vergunningen die in de AMvB worden opgezet.

De voorzitter:

Met alle respect: dat is dan wel op het moment dat het amendement wordt aangenomen, anders niet. De minister heeft nadrukkelijk gezegd niet zelf met een nota van wijziging te komen.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Dat begrijp ik, dank voor deze opmerking. Ik zal het heel precies formuleren: als er een dergelijk amendement zou komen, zou dat niet worden ontraden door deze minister. Kernelement daarin is dat de AMvB er komt met de lijst van vergunningen die in feite worden uitgesloten. In hoeverre kan de minister ons garanderen dat die AMvB vóór 28 december 2009 hier in de Kamer ligt en besproken kan worden? Het mag niet zo zijn dat wij, omdat de AMvB er nog niet is, over de implementatietermijn heen gaan.

Hoe gaan wij precies om met decentrale overheden die zich niet hebben gehouden aan de implementatie van de Dienstenrichtlijn? Er was een wet toegezegd die dit in brede zin zou gaan regelen. Dat heeft eerlijk gezegd ook mijn voorkeur, maar mocht het zo zijn dat die wet er niet of niet op tijd komt, dan wil ik dat in ieder geval wat de bepalingen van de Dienstenrichtlijn betreft het volgende wordt geregeld. Als een decentrale overheid de zaken niet op orde heeft, moeten wij die schade kunnen verhalen op de decentrale overheid. Vandaar de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de Dienstenrichtlijn (Richtlijn 2006/123/EG) van grote betekenis is voor Nederland en dat deze richtlijn uiterlijk 28 december 2009 moet zijn geïmplementeerd;

overwegende dat een substantieel deel van de implementatie berust bij decentrale overheden en dat het Rijk geen wettelijk instrumentarium heeft om decentrale overheden te dwingen, EU-regelgeving na te leven;

overwegende dat in het algemeen overleg van 30 januari 2008 is toegezegd dat in het overleg tussen de minister van Economische Zaken en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties erop zou worden aangedrongen dat het in voorbereiding zijnde wetsvoorstel om decentrale overheden te kunnen dwingen, EU-regelgeving na te leven, uiterlijk 28 december 2009 door Tweede en Eerste Kamer kan worden aangenomen;

constaterende dat een zodanig wetsvoorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal nog niet is ingediend;

verzoekt de regering om, indien het bovengenoemde wetsvoorstel dan nog niet is aangenomen, ervoor te zorgen dat uiterlijk per 28 december 2009 een, eventueel tijdelijke, bepaling in de Dienstenwet is opgenomen waarmee het Rijk de bevoegdheid krijgt om decentrale overheden te dwingen, de bepalingen uit de Dienstenrichtlijn en Dienstenwet na te leven,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Jan Jacob van Dijk, Vos, Van der Ham en Elias. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 9(31579).

De heer Elias (VVD):

Voorzitter. Ook van onze kant hartelijk dank voor de beantwoording van de zijde van het kabinet. Ik heb nog enkele vragen aan de minister van EZ over het ene loket. Nadrukkelijk heb ik gevraagd of het geen verwijzings-, maar een echt antwoordloket wordt, waarin binnen vijf werkdagen antwoord kan worden gegeven als iemand daar een mailtje naar toe stuurt. Ik heb daar eerlijk gezegd geen concreet genoeg antwoord op gekregen. Ik krijg dat graag alsnog.

Over de samenwerking bij het loket Twente-Limburg-Duitsland-België zegt de minister dat zij eerst haar huiswerk voor het eerste loket moet maken. Dat is volgens haar nog lastig genoeg. De VVD is niet onredelijk, zoals de minister weet. Kunnen wij afspreken dat het experiment volgend jaar begint, dat wij voor 1 juli 2010 bekijken hoe het werkt en dat de minister de Kamer een en ander laat weten?

Over mijn verzoek om bij dat loket heldere Nederlandse taal te gebruiken, zegt de minister heel vriendelijk dat ik gewoon gelijk heb. Dat verhaal horen wij echter allang. Mijn fractie wil dat verankeren met een wetenschappelijk verantwoorde methode. Daarom dien ik de volgende motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat op de overheid de dure plicht rust om in begrijpelijk Nederlands te communiceren met burgers en bedrijven;

overwegende dat hierover al heel vaak goede bedoelingen zijn uitgesproken, maar er toch weinig van terechtkomt, zoals blijkt uit het feit dat dit ergernis nummer zes is (Kamerstuk 29362, nr. 145) die burgers ervaren in hun contact met de overheid;

overwegende dat verbeteringen op dit front zich vooral op veelgebruikte formulieren richten, maar dat de ergernis een veel breder terrein beslaat;

overwegende dat taalwetenschappers het zogeheten CCC-model van de "Schrijfwijzer" van prof. dr. J. Renkema als een goed instrument beschouwen om te beoordelen of taalgebruik helder en begrijpelijk is;

verzoekt de regering om in ieder geval het taalgebruik in de informatievoorziening op het loket dat wordt ingericht in het kader van de Dienstenwet te laten voldoen aan het Schrijfwijzermodel en als het even kan deze handelwijze ook toe te passen in alle andere contacten van de overheid met burgers en bedrijven,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Elias. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 10(31579).

De heer Elias (VVD):

De heer Van Dijk heeft over de decentrale overheden gesproken. Ik sluit mij daarbij aan.

In een reactie op het opheffen van vergunningen zonder wettelijke basis zegt de minister dat het door mij aangehaalde rapport niet kan kloppen. Dat zoek ik nog eens uit. Ik kan daar op dit moment niet over oordelen.

Er is veel gesproken over meer vergunningen brengen onder de lex silencio. Ik doe er in tweede termijn niet te lang of te ingewikkeld over. Wat ons betreft moet er meer gebeuren op dit gebied. Vandaar de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat artikel 4:20f ongewenste effecten van de toepassing van de lex silencio afdekt;

van mening dat daardoor het aantal vergunningen, dat onder de werking van de lex silencio kan worden gebracht en die zowel binnen als buiten de reikwijdte van de Dienstenrichtlijn vallen, verhoogd kan worden;

overwegende dat het onduidelijk is in hoeverre juridische belemmeringen voor toepassing van de lex silencio bij frequent aangevraagde vergunningen, bijvoorbeeld inzake de Drank- en Horecawet, onoverkomelijk zijn;

verzoekt de regering, de lex silencio op meer vergunningstrajecten, ook buiten de reikwijdte van de Dienstenrichtlijn, toe te passen en de Kamer voor 1 mei 2009 hiervan een overzicht te doen toekomen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Elias. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 11(31579).

De heer Elias (VVD):

Ik heb aan de minister van Economische Zaken gevraagd hoe Nederland eerlijke kansen voor ons bedrijfsleven in andere lidstaten verzekert. Ik heb daar een toezegginkje op gekregen. Ik wil die op één punt specifieker hebben. Gaat het departement van Economische Zaken actief opereren om ondernemers in Nederland erbij te betrekken en te bekijken wat er in andere landen niet goed zit? Dat moet meegenomen worden in het overleg met de Europese Commissie om belemmeringen uit de weg te ruimen.

Mevrouw Vos (PvdA):

Voorzitter. Ik dank beide bewindslieden hartelijk voor hun antwoorden en hun positieve reacties op de inbreng van de Kamer. Het is prettig om te horen dat de minister van Economische Zaken haar crashteam zal inzetten tot hulp en meerdere glorie van onze ondernemers.

Ook prettig is dat de minister van Justitie wederom toezegt het probleem van de digitale facturen onder de aandacht te brengen van de staatssecretaris van Financiën. Het lijkt mij overigens dat ook de staatssecretaris van Economische Zaken belang heeft bij een snelle uitvoering van het gedoe rond de digitale facturen.

Mijn belangrijkste punt was de lex silencio positivo. Ik ben erg blij dat de minister toch overtuigd is geraakt van mijn standpunt dat het principe moet worden omgekeerd, dat wij er toch uitgekomen zijn en dat wij deze oplossing hebben kunnen vinden. Ik zal morgen aan de slag gaan met de wijziging van het amendement. Daarin zal ik ook verwijzen naar de AMvB. Die AMvB zal inderdaad moeten worden voorgehangen bij zowel de Tweede Kamer als de Eerste Kamer, anders krijgen wij gedoe bij onze geachte senatoren. Ik ga er eigenlijk van uit dat als het amendement wordt aangenomen en de AMvB er komt, die AMvB er op tijd zal komen. Ik neem aan dat er al zo veel werk is verricht door de geachte ambtenaren dat dit er gemakkelijk uit moet kunnen rollen.

De heer Van der Ham (D66):

Voorzitter. Wij hebben een aantal toezeggingen gekregen, waaronder een over de taal. Ook de heer Jan Jacob van Dijk had het daarover. De minister heeft gezegd te zullen spreken met de EU-partners over de vraag hoe zij dit zo eenvormig mogelijk kunnen doen. Een praktisch vraagje is wanneer wij het afschrift kunnen verwachten van de uitkomst van dat overleg met de EU-partners over de eenduidige vorm van tweedetaalgebruik.

Wij zijn nog in afwachting van het amendement van mevrouw Vos en de appreciatie van de minister van Justitie daarvan. Ik heb de indruk dat zij wel wat dichter bij elkaar zijn gekomen. Mogelijk komt er een amendement uit dat ook onze steun zal krijgen, maar dan willen wij het natuurlijk eerst even zien.

De minister van Economische Zaken en ik hebben een discussie gehad over de tussentijdse evaluatie van de implementatie. Die zal er voor 28 december moeten zijn, want dan kunnen wij hopelijk eerder al aan de bel trekken en kan de Europese Commissie al boos gaan kijken op het moment dat landen niet voldoende opschieten. De minister zei dat zij ging kijken of hiervoor enige vruchtbare grond is bij de Europese Commissie. Graag hoor ik ook wat de uitkomst van dat overleg is. Kan de minister zeggen op welke termijn dat ons zal kunnen bereiken?

De minister zou mijn vraag over de diensten, de eenloketgedachte en de leges in tweede termijn beantwoorden. Omdat dit de tweede termijn is, dien ik er toch alvast een motie over in, want dit punt is wel van belang.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het van belang is dat het virtuele "één-loket" toegankelijk is en voldoende hulp biedt aan ondernemers;

van mening dat de realisatie van het één-loket niet mag leiden tot extra kosten voor ondernemers en dat de meerkosten naar aanleiding van dit één-loket niet mogen worden doorberekend in de leges;

verzoekt de regering, de werking van dit één-loket na een jaar te evalueren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van der Ham en Elias. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 13(31579).

De heer Van der Ham (D66):

Voorzitter. Ik heb gezegd dat mijn fractie kritiek heeft op de beperkingen die in Dienstenrichtlijn zitten. Het Europees Parlement had wat ons betreft veel verder mogen gaan. Ik neem aan dat de Dienstenrichtlijn zal worden goedgekeurd. In Nederland zal de Tweede Kamer hem volgende week in ieder geval hebben goedgekeurd. Daarmee mag het debat echter niet stilvallen, vandaar de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat binnen de dienstensector grote kansen liggen voor nieuwe werkgelegenheid in de Europese Unie;

overwegende dat de voorliggende Dienstenrichtlijn op een aantal punten beperkingen kent;

overwegende dat het debat na implementatie van deze richtlijn niet mag stilvallen;

overwegende dat onder het toekomstige Verdrag van Lissabon groepen van landen vooruit mogen lopen in onderlinge afspraken, bijvoorbeeld over diensten;

verzoekt de regering, zich constructief op te stellen binnen de EU in het debat over mogelijke toekomstige aanpassingen en mogelijke uitbreidingen van de Dienstenrichtlijn, en steun hiertoe te zoeken bij gelijkgestemde landen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van der Ham en Jan Jacob van Dijk. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 12(31579).

Mevrouw Gesthuizen (SP):

Voorzitter. Ik dank de bewindspersonen voor hun beantwoording. De minister zegt dat wij op schema lopen met de implementatie. Wanneer ik echter hoor hoe veel regelgeving en hoe veel instanties nog niet zijn aangesloten, denk ik dat wij er nog lang niet zijn.

Mijn volgende punt betreft het eigen onderzoek. De minister van Justitie zegt dat de artikelen 36 tot en met 38 duidelijkheid zouden moeten bieden. Ik wil gewoon weten wat er in gevallen dat er onverhoopt – ik verdenk hier niemand bij voorbaat – sprake is van bijvoorbeeld corruptie en van onterecht verstrekte vergunningen in de tussentijd mogelijk is. Mag Nederland dan de dienstenaanbieder in de tussentijd toegang tot de markt ontzeggen? Ik heb het gevoel dat ik hier toch een beetje het bos in word gestuurd. Wat is het antwoord op mijn vragen uit de eerste termijn? Ik herhaal ze nog even. Het is duidelijk dat Nederland een klacht moet indienen bij de Europese Commissie. En tot die tijd? Wat gebeurt er als de Commissie constateert dat de instantie inderdaad niet goed functioneert?

Ik kom nu op de lex silencio positivo. Er komt een lijst met alle vergunningstelsels waarop de lex silencio positivo niet van toepassing zal worden. Nu ben ik in principe nooit tegen overzichtslijstjes. De intentie die hiervan uitgaat, staat mij echter niet aan. Die is namelijk dat wij de lex silencio positivo breder gaan invoeren. Ik heb geen duidelijk antwoord gekregen wat betreft ons zorgpunt. Overheden hebben mijns inziens geen belang meer om sneller dan of binnen de wettelijke maximale termijn een vergunningaanvraag die onder het LSP-regime valt, af te wijzen of goed te keuren. Als je er namelijk geen aandacht aan besteedt en gewoon doorgaat met je werk, komt het toch wel goed en hoor je er als het goed is niets meer van. Zo wordt een maximumtermijn een standaardtermijn van antwoord. Ook werd er iets te veel gezegd dat wij slechts een Europese richtlijn implementeren. Dat is prima, maar dan gooien wij alle andere gevallen die nu in deze wet zijn gefietst eruit. Voor die gevallen, die verder gaan dan de richtlijn, is dat argument namelijk niet geldig. Als andere buitenlandse overheden zo laks zijn, zoals werd gesuggereerd, vertrouw ik ze ook niet bij het verlenen van vergunningen die wij vervolgens niet meer kunnen toetsen. Daardoor kunnen immers mogelijk malafide dienstverleners uit het buitenland zomaar deze kant op komen.

Wij kregen te horen dat er vooral in de ICT- en de consultancysector veel winst te behalen valt. Ik ben best bereid te geloven dat er bedrijven zijn die zullen profiteren van het makkelijker maken van internationale dienstverlening, maar ik zou graag wat concreter horen waarom de regering denkt deze forse toename van banen en bbp te kunnen rechtvaardigen. Wanneer wordt deze forse toename verwacht? Ik neem aan dat de minister iets concreter kan aangeven om welke sectoren het zal gaan en waarom er zo'n forse toename wordt verwacht.

Mijn vraag over de woningcorporaties is in principe beantwoord. De minister heeft aangegeven dat het nog niet volledig duidelijk is. Ik neem toch aan dat het in het voorbeeld dat ik gaf, het voorbeeld van de sneuvelende verordening in Groningen, zal gaan om commerciële activiteiten.

De reikwijdte van deze Dienstenwet is onzes inziens duidelijk en er is sprake van ongewenste juridisering. Ik citeer heel even uit de wet: "Noodzakelijkheid. De eisen zijn gerechtvaardigd om redenen van openbare orde, openbare veiligheid, de volksgezondheid of bescherming van het milieu. Evenredigheid. De eisen moeten geschikt zijn om het nagestreefde doel te bereiken en gaan niet verder dan wat nodig is om dat doel te bereiken." In mijn ogen zijn dat vage begrippen die er niet voor zorgen dat er echt sprake is van rechtszekerheid. Dit zijn dus allemaal zaken die uitgevochten zullen moeten worden voor het Hof van Justitie. Het gaat hier om nadere eisen die mogen worden gesteld door naties. Ik vind dat duidelijk moet zijn welke eisen wel en welke niet mogen worden gesteld. Dat is nu niet het geval. De minister zegt dat het kader nu juist duidelijk is. Dat komt niet overeen met wat er is gezegd over de onduidelijke reikwijdte, nota bene in de memorie van toelichting, en andere onduidelijkheden. Mede door de politieke concessies is de richtlijn vaag geworden. Dat zal naar onze mening toch echt leiden tot juridisering.

Minister Van der Hoeven:

Voorzitter. Nadat ik enkele vragen heb beantwoord, zal ik ingaan op de moties op stuk nrs. 9, 10, 12 en 13. Mijn collega van Justitie zal de motie op stuk nr. 11 voor zijn rekening nemen.

Ik begin met een vraag van de heer Van Dijk. Uiteraard zal ik de Kamer informeren over de zaken die ik net heb toegezegd. Op grond van de informatie van de Commissie, maar ook van mijn eigen waarnemingen, zal ik de Kamer rapporteren. Dat gaat zowel over de stand van zaken in de lidstaten met betrekking tot de talen als over de implementatie. Daarmee heb ik volgens mij meteen ook een van de vragen van de heer Van der Ham beantwoord.

Het is aan de overheden zelf om te bepalen welke diensten als diensten van algemeen economisch belang kunnen worden aangemerkt. Als zij de handleiding volgen, lopen zij bij een juiste toepassing ervan nog niet het risico dat zij iets raars gaan doen. Maar dan moet men natuurlijk wel bereid zijn om de handleiding te volgen. Daarvoor is zij tenslotte gemaakt.

Tegen de heer Elias zeg ik dat het geen verwijzingsloket wordt. Vragen worden uiteraard zo snel mogelijk beantwoord. Dat is volgens mij een principe van behoorlijk bestuur. Niet alles kan echter in vijf dagen beantwoord worden, zeker niet ingewikkelde vragen waarbij een aantal juridische kanttekeningen geplaatst kan worden. Ik zeg uiteraard graag toe dat ik zal monitoren hoe snel vragen worden beantwoord. Op basis daarvan is het mogelijk om eventueel maatregelen te nemen. Maar ik kan niet toezeggen dat het allemaal in vijf dagen mogelijk is.

Mij is gevraagd of ik ondernemers actief ga betrekken bij de problemen die zich zouden kunnen voordoen met betrekking tot het gelijke speelveld in Europa. Ja, morgen wordt hierover met VNO-NCW en MKB-Nederland gesproken en volgende week met Business Europe. Dit soort zaken moet natuurlijk goed beantwoord en beargumenteerd zijn. Daar heb je het bedrijfsleven voor nodig. Bedrijven hebben tenslotte ervaring op dit punt.

Ik ben aan de heer Van der Ham nog een antwoord op zijn vraag over de leges schuldig. Het dienstenloket is gratis. Daar kan dus geen verhoging van leges plaatsvinden. De Dienstenrichtlijn kadert de leges heel streng in. In rekening gebrachte kosten mogen bijvoorbeeld niet hoger zijn dan de gemiddelde kosten voor de afwikkeling van een vergunningaanvraag. De richtlijn voorziet er dus ook zelf in.

Mevrouw Gesthuizen heeft een vraag gesteld over het economisch effect. Ik heb gezegd dat er ruime marges zijn. Het effect zal vooral afhangen van het opheffen van de verschillen tussen de landen. Dit is een van de zaken die de collega's van mevrouw Gesthuizen aan de orde hebben gesteld. Ik heb gezegd wat de studie van het CPB op dit moment aangeeft. Dit is een inschatting van de structurele effecten van de Dienstenrichtlijn op de economie. In de huidige crisis zullen de positieve effecten wat minder zijn, zeker op dit moment. Bedrijven hebben bijvoorbeeld wat minder armslag om te expanderen. Dit neemt alleen niet weg dat positieve effecten zeker zullen overblijven.

Op welke sectoren heeft de wijziging vooral effect? Ik heb een aantal sectoren genoemd. Het gaat om zakelijke dienstverlening, bouwdiensten, faciliteitenbeheer, juridische bijstand, reisbureaus en toeristische diensten. Dit zijn vooral diensten die door het mkb worden geleverd. Juist het mkb, niet het grote bedrijfsleven, heeft veel last ondervonden van de belemmeringen op de interne dienstenmarkt. Mevrouw Gesthuizen kwam nog eens terug op de vraag die net door de minister van Justitie is beantwoord. Zij wilde weten wat er gebeurt als een vergunning ten onrechte is afgegeven. Ik leg deze vraag neer bij mijn collega. Ik wil niet in de valkuil trappen dat ik misschien één woord anders zeg dan hij heeft gezegd. Dat lijkt mij niet zo verstandig. Dan wordt hem namelijk verweten dat hij iets anders zegt dan zijn collega.

Mevrouw Gesthuizen (SP):

Dat begrijp ik, maar wel met die kanttekening dat ik toch echt meende dat de minister van Justitie net ook naar de minister van Economische Zaken verwees in zijn antwoord.

De voorzitter:

In ieder geval krijgt mevrouw Gesthuizen antwoord op de vraag.

Minister Van der Hoeven:

De heer Elias vroeg naar de experimenten met de andere regels. Ik heb de Kamer toegezegd dit de eerste helft van volgend jaar te doen. Ik ben dan natuurlijk wel afhankelijk van de medewerking van in dit geval de Belgen en de Duitsers. In die landen wordt op een andere wijze gewerkt dan met het ene loket in Nederland: die landen hanteren een aantal loketten. Het idee is echter helder: het gaat erom dat juist in de Euregio's gekeken wordt naar de vraag hoe je de grensoverschrijdende informatie goed laat functioneren. Ik zal dat in ieder geval doen en de Kamer daarover informeren.

In mijn betoog in eerste termijn heb ik tegen de heer Elias gezegd dat via het loket alle benodigde informatie kan worden gevonden. Dat betekent dus ook de antwoorden die voor de ondernemer van belang zijn, waar het tenslotte om gaat. Antwoord voor bedrijven zorgt ook voor allerlei andere antwoorden. De Dienstenwet verplicht vervolgens overheden op specifieke vragen te antwoorden. Dat systeem heet nu eenmaal "bijstand verlenen"; ik kan ook niet helpen dat dit zo heet.

Daarmee kom ik bij de ingediende moties. Ik kan mij vinden in de strekking van de motie-Jan Jacob van Dijk c.s. (stuk nr. 9). Het is belangrijk dat de handhaving van de Dienstenrichtlijn en van de Dienstenwet op de implementatiedatum van 28 december 2009 goed is geregeld. Het zit er dik in dat deze motie wordt aangenomen, gelet op het aantal ondertekenaars ervan. In dat geval zal ik daarvoor een voorstel moeten ontwikkelen. Dat zal ik dan doen via een nota van wijziging op de Aanpassingswet, die ik afgelopen maandag bij de Kamer heb ingediend, zodat de behandeling van het voorstel voor de Dienstenwet niet behoeft te worden opgehouden. Zo'n bepaling zal dan wel van tijdelijke aard zijn, want zij komt te vervallen op het moment dat het generieke instrumentarium van kracht – zodra het wetsvoorstel dat mijn collega van BZK voorbereidt door beide Kamers is aangenomen – wordt. Als de Kamer deze motie aanneemt, dan zal ik het op voornoemde manier ter hand nemen.

De motie-Elias (stuk nr. 10) vraagt om heldere taal. Natuurlijk moeten wij helder en duidelijk met burgers communiceren. Dat is logisch. Volgens mij doet Antwoord voor bedrijven dat goed, dus ik zie op dat punt geen probleem. Eerlijk gezegd voel ik mij niet geroepen daar een standaard voor te ontwikkelen. Als dat al nodig zou zijn, dan ligt de verantwoordelijkheid daarvoor niet bij mij maar bij de staatssecretaris van BZK. BZK heeft op dit punt overigens al de nodige stappen gezet, dus ik moet zeggen dat ik de motie toch wel erg, erg ... Ja, wat zal ik daar nu eens over zeggen? Mijnheer Elias, ik vind het een beetje betuttelend.

De voorzitter:

Maar wat is uw eindoordeel?

Minister Van der Hoeven:

Ik vind dat wij het niet op deze manier moeten doen. De heer Elias heeft gelijk als hij stelt dat wij heldere en duidelijke taal moeten gebruiken; dat zal ik ook zeker doen. Het gaat mij echter te ver om vervolgens een bepaald model voor te schrijven.

De voorzitter:

U ontraadt dus aanvaarding van de motie-Elias (nr. 10).

Minister Van der Hoeven:

Ja!

De voorzitter:

Mijnheer Elias, één verhelderende vraag.

De heer Elias (VVD):

Ik zou natuurlijk nooit met zo'n "betuttelende" motie zijn gekomen als wij al niet vanaf 1980 zouden wachten op een beter opereren van de overheid in dezen. Dat is echter nu juist het geval.

Mijn motie biedt nu serieus een ankerpunt. Taalwetenschappers beschouwen dat als het beste; in de aanloop naar dit debat heb ik daarover uitvoerig gecorrespondeerd. Ik verzoek de minister dus dringend dit wel over te nemen.

Minister Van der Hoeven:

Ik hoef geen motie over te nemen. Die moet in stemming gebracht worden. Ik hoor dan wel wat ervan komt. Sinds 1980 heeft uw partij al meerdere keren het ministerie van BZK in handen gehad. Ik kan mij niet herinneren dat er in die tijd iets aan is gebeurd.

Voorzitter. Dat brengt mij bij de motie van de heren Van der Ham en Elias op stuk nr. 13 over de meerkosten. Die beschouw ik als ondersteuning van het beleid. Het dienstloket is en blijft gratis. Ik laat het oordeel aan de Kamer over.

Ook de motie van de heren Van der Ham en Van Dijk op stuk nr. 15 vind ik een ondersteuning van bestaand beleid. Wij stellen ons constructief op binnen de EU in het debat over mogelijke toekomstige aanpassingen en mogelijke uitbreidingen van de Dienstenrichtlijn, uiteraard voor zover het past bij het standpunt zoals dat door de Kamer wordt gedeeld. Het kan ook zijn dat zich iets voordoet waarvan zij zegt: dat willen wij niet. In dat geval is het aan de Kamer en mij om daar samen een besluit over te nemen. Zoals het hier staat, laat ik het oordeel over deze motie aan de Kamer over.

Minister Hirsch Ballin:

Voorzitter. Er is nog een enkel punt van belang te bespreken, en uiteraard de motie van de heer Elias.

Ik ga nog even in op het punt van de termijn, indien er een gewijzigd amendement zou komen, zoals zojuist besproken. Er is gevraagd of het allemaal lukt voor 28 december aanstaande. De richtlijn moet worden geïmplementeerd voor die datum. Als dat gebeurt in een stelsel waarin er nadere wetten tot stand moeten komen om te voldoen aan de eisen van artikel 13, vierde lid, is die termijn niet langer dan wanneer moet worden aangewezen voor welke wetten dat niet zou gelden. Hetzelfde geldt voor de gemeentelijke en provinciale verordeningen. Als gemeenten en provincies in staat zouden zijn om de ene benadering voor die tijd te regelen, dan is spiegelbeeldig daaraan de andere. Uit dat oogpunt maakt die termijn niet uit. Wij hebben natuurlijk altijd nog de ontsnappingsmogelijkheid van de gefaseerde inwerkingtreding, maar dat is ook niet meer dan een ontsnappingsmogelijkheid. Maar de implementatiedatum staat gewoon in de richtlijn zelf en die geldt zowelwanneer de "ja, tenzij"- als wanneer de "nee, tenzij"-formule wordt gehanteerd.

De heer Elias verzoekt in zijn motie op stuk nr. 11 om de lex silencio op meer vergunningstrajecten toe te passen. Onlangs is de Kamer in het kader van het wetsvoorstel over lex silencio bericht over welke wetten naar het inzicht van het kabinet op dit moment in aanmerking komen voor de toepassing daarvan. Het is natuurlijk denkbaar dat er in de komende tijd, in de loop der jaren – collega Heemskerk en ik blijven natuurlijk bezig met het onderwerp – nog onderdelen bijkomen. Ik zie er echter weinig heil en nut in om na zo'n recente brief alweer met een nadere brief te komen. Daarom ontraad ik deze motie.

Mevrouw Gesthuizen heeft gevraagd wat er gebeurt als een vergunning ten onrechte is verleend. Ik heb erop gewezen dat mijn collega van Economische Zaken een meldpunt zal instellen. Ik wil dus niet, nadat ik al een poging heb gedaan om de vereiste helderheid te geven, een soort kaatswedstrijd met mijn collega beginnen. Op zichzelf lijkt mij dat overigens prima, maar daarvoor zitten wij hier niet in het goede vak. Ik zet het even op een rij. De overheid kan bij twijfel altijd via de daarvoor ingerichte algemene informatieprocedure navraag doen bij andere instanties. Bij ernstige verdenkingen of als blijkt dat er echt iets niet in de haak is, kan bovendien een waarschuwing naar de Europese Commissie en naar de lidstaten worden gestuurd. De collega van de andere lidstaat kan worden gevraagd om maatregelen te nemen. Tijdens dat onderzoek kan de Nederlandse overheid de dienstverlener weigeren, de vergunningaanvraag afwijzen of extra toezicht opleggen. Zoals ik in mijn antwoord in eerste termijn al heb gezegd, is het vertrouwen in de andere lidstaten het uitgangspunt. Dat geldt natuurlijk op meer terreinen van Europese samenwerking. Vertrouwen moet periodiek worden getoetst, zoals ik ook in verband met JBZ-onderwerpen periodiek opmerk.

De heer Elias (VVD):

De minister heeft aanneming van mijn motie over uitbreiding van de werkingssfeer van de lex silencio ontraden met het argument dat de evaluatie net is afgerond. Daar is uitgekomen wat er uitgekomen is. In de komende jaren kan er volgens de minister misschien nog wat worden toegevoegd en dat is het dan. Ons punt is juist dat wij vinden dat de minister veel te strikt in die evaluatie is geweest. Via de motie vragen wij de minister of hij het geheel wat ruimer wil interpreteren.

Minister Hirsch Ballin:

Aanmoediging van collega Heemskerk en van mij is overbodig. Dat kan ook een dictum zijn. Wij werken daar met overtuiging aan. De heer Elias parafraseerde mijn antwoord redelijk goed, alleen de woorden "dat is het dan" zijn niet authentiek. Dat heb ik niet gezegd. Ik heb gezegd dat wij met het onderwerp bezig blijven en dat het mij heel goed lijkt om dit verder bij de wetgeving op dit terrein aan de orde te stellen.

De algemene beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Ik dank beide bewindslieden. Als mevrouw Vos voor aanstaande dinsdag het gewijzigde amendement heeft ingediend, kunnen wij er dan over stemmen. Mocht dat niet het geval zijn, dan stemmen wij de eerstvolgende dinsdag dat de Kamer vergadert.

Sluiting 22.33 uur