Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Eerste Kamer der Staten-Generaal2009-2010nr. 35, pagina 1511-1519

Aan de orde is de behandeling van:

het wetsvoorstel Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 en enkele andere wetten in verband met de versterking van de positie van de referent in het reguliere vreemdelingenrecht en versnelling van de vreemdelingenrechtelijke procedure (Wet modern migratiebeleid) (32052).

De voorzitter:

Ik heet de minister van Justitie van harte welkom.

Het woord is aan mevrouw Broekers.

De beraadslaging wordt geopend.

Mevrouw Broekers-Knol (VVD):

Voorzitter. Het wetsvoorstel Wet modern migratiebeleid, dat wij vandaag behandelen, is een uitwerking van de blauwdruk Modern migratiebeleid van 7 juni 2008. Uit die blauwdruk blijkt dat het toentertijd nog niet demissionaire Nederlandse kabinet voorstander is van een selectief migratiebeleid, waarmee de migranten die Nederland nodig heeft, snel en eenvoudig kunnen worden toegelaten. Dat is op zich een goede zaak. De VVD-fractie is voorstander van een modern migratiebeleid waarbij de toegang in Nederland voor hoogopgeleide, kansrijke migranten die in staat zijn zelf een goed bestaan in Nederland op te bouwen, wordt vergemakkelijkt. Het wetsvoorstel voorziet daarin door voor erkende referenten de toelatingsprocedures voor kennismigranten te versnellen en te vereenvoudigen en dat is positief.

Tegelijkertijd zijn er nog wel wat vraagtekens te zetten bij de keuzes die in het wetsvoorstel gemaakt worden, met name ook omdat het wetsvoorstel de positie van alle referenten regelt, ongeacht of het gaat om kennismigratie, arbeidsmigratie, gezins- of studiemigratie of culturele uitwisseling zoals in het geval van au pairs. In zijn algemeenheid is mijn fractie van mening dat het cruciaal is dat de regels die gesteld worden, nauwlettend worden toegepast en gehandhaafd. Dat voorkomt dat referenten, erkende of "gewone", en migranten mogelijk misbruik van de regelingen maken. Bovendien is het van groot belang om mogelijke spanningen in de samenleving te voorkomen en acceptatie van het migratiebeleid te bewerkstelligen: als men weet dat de regels die gesteld zijn daadwerkelijk worden toegepast en gehandhaafd, zal dat bijdragen aan acceptatie van het beleid.

Voor ik inga op enkele specifieke vragen die mijn fractie over het wetsvoorstel heeft, wil ik een algemeen punt wat betreft de kennismigranten aan de orde stellen. Nederland heeft kennismigranten nodig en het is daarom noodzakelijk dat Nederland door middel van een snelle, doeltreffende en beheersbare toelatingsprocedure in staat is te reageren op de internationale concurrentieslag om talent. Voor kennismigranten uit derde landen is dikwijls de mogelijkheid om in een land als Nederland te werken heel attractief. En dat is ook maar gelukkig, anders zou Nederland die kennismigranten niet kunnen aantrekken.

De andere kant van de medaille is dat mogelijkerwijs te veel goed opgeleide kenniswerkers hun land van herkomst verlaten, waardoor in het desbetreffende land een tekort ontstaat aan diezelfde goed opgeleide kenniswerkers om de economie, de wetenschap en de ontwikkeling van dat land vooruit te helpen. In het voorlopig verslag is daarover een vraag gesteld en de minister heeft in antwoord daarop gewezen op het project Migratie en ontwikkeling. Zijn er al ervaringen opgedaan met dat project? Zo ja, heeft het project effect? Is het project slechts bestemd voor de in de memorie van antwoord genoemde landen of is het de bedoeling dat ook met andere landen een soort tweerichtingsverkeer tot stand komt?

De kennismigrant uit een derde land kan, wanneer hij zijn verblijf in Nederland wil regelen, kiezen tussen de Nederlandse kennismigrantenregeling en de Europese blauwe kaart. Kan de minister nog eens helder uiteenzetten waarom Nederland de keuze heeft gemaakt voor een eigen regeling naast de Europese blauwe kaart? Is dat gedaan uit concurrentieoverwegingen, om Nederland aantrekkelijker te maken voor kennismigranten? Of zijn er andere redenen? De Europese blauwe kaart kent een hoger salariscriterium dan de Nederlandse regeling en stelt bovendien een opleidingscriterium als toelatingsvoorwaarde.

Op pagina 3 van de memorie van antwoord stelt de minister dat de Nederlandse kennismigrantenregeling soepeler en eenvoudiger is dan de Europese blauwe kaart en zowel voor burgers en bedrijven als voor de uitvoerende overheidsdiensten minder lasten genereert dan de Europese blauwe kaart. Kan de minister dat nader toelichten? Op pagina 17 van de memorie van antwoord schrijft de minister dat geen verblijfsvergunning zal worden verleend aan degene die als kennismigrant in Nederland wil verblijven en van wie het loon sterk afwijkt van wat gebruikelijk is voor de te verrichten werkzaamheden. Ik heb dit zo opgevat dat het gaat om een lager loon dan hetgeen de kennismigrant zou mogen verwachten. Dat sterk afwijkende loon moet dan wel vastgesteld en gecontroleerd worden en dat betekent dus administratieve lasten. Met de Europese blauwe kaart lijken dit soort problemen niet mogelijk vanwege het hogere salariscriterium. Is die veronderstelling juist? Kan de minister overigens de bedoelde passage toelichten? Wat wordt bedoeld met "feitelijk dergelijk laag- of ongeschoolde arbeid verricht"? Dat staat op pagina 17 van de memorie van antwoord.

In het voorlopig verslag heeft de VVD-fractie vragen gesteld over de controle op het studieverloop van studenten die op grond van de regeling voor studiemigratie in Nederland studeren. De minister schrijft daarover onder meer op pagina 14 van de memorie van antwoord dat als voldoende studievoortgang wordt aangemerkt 50% of meer van de proportionele nominale studielast voor het studiejaar of een gedeelte daarvan. Wanneer de betrokken instelling van universitair of hoger onderwijs een bindend studieadviesregeling kent, die erop neerkomt dat in een studiejaar minimaal 60% of zelfs meer van de totaal in het desbetreffende studiejaar te behalen punten onder het European Credit Transfer and Accumulation System (ECTS) dient te worden behaald, welke regeling heeft dan voorrang, de regeling van de studiemigratie van minimaal 50%, of die van het bindend studieadvies van de instelling? Indien dit laatste door de instelling wordt gehanteerd, heeft de studiemigrant dan mogelijkheden om daartegen bezwaar te maken met een beroep op de regeling voor studiemigratie? Per slot van rekening betaalt de studiemigrant een hoog collegegeld van omstreeks € 13.500 per jaar. Dat zou kunnen rechtvaardigen dat de studiemigratieregeling voorgaat op de BSA-regeling van de instelling.

Voorzitter. Ik heb nog enkele vragen over de gezinshereniging. De VVD-fractie heeft vragen gesteld over de onwenselijkheid van gezinshereniging indien de referent zich schuldig heeft gemaakt aan een ernstig misdrijf anders dan huiselijk geweld of eerwraak. Hierover is in de Tweede Kamer een amendement-De Krom/Van Roon ingediend dat overigens geen meerderheid heeft gehaald. Het limitatieve stelsel van toelatingsvoorwaarden in de richtlijn gezinshereniging maakt dit niet mogelijk, zoals de minister op pagina 38 van de memorie van antwoord schrijft. Nederland zet zich in om hierover nieuwe afspraken in Europees verband te maken, schrijft de minister vervolgens. Wat is precies de inzet van de minister? Komt de inzet van de minister neer op de strafbare feiten die vermeld staan in het amendement van de Tweede Kamer? Kan de minister antwoord geven op de vraag wat hierover in het Groenboek zal komen te staan dat in het najaar wordt verwacht over de volgende fase van harmonisatie van het gezinsmigratiebeleid? Wat zijn de opvattingen van andere lidstaten in dit verband? Kan overigens een referent die in detentie zit voor een ander delict dan huiselijk geweld of eerwraak, aanspraak maken op gezinshereniging?

Het referentenregister dat onderdeel vormt van het informatiesysteem INDiGO maakt het mogelijk om te onderzoeken of iemand eerder als referent voor een vreemdeling heeft opgetreden, bijvoorbeeld in het kader van gezinsmigratie. Naar het oordeel van mijn fractie is het belangrijk dat dit soort gegevens wordt geregistreerd en bijgehouden. Op basis van die gegevens kan worden vastgesteld of een referent bijvoorbeeld in de loop der jaren – en met welke tussenpozen – meerdere partners laat overkomen in het kader van gezinsmigratie. Mogelijk misbruik van de regeling voor gezinsmigratie, bijvoorbeeld met het oogmerk van polygamie, kan dan snel achterhaald worden. Bovendien ontstaat in de regel na drie jaar verblijf in Nederland het van de (huwelijks)partner onafhankelijke recht op zelfstandig verblijf. Door telkens na drie jaar een nieuwe partner in het kader van de gezinshereniging naar Nederland te laten komen, kunnen in de loop der jaren verschillende vreemdelingen in strijd met de geest van de regeling aan een zelfstandig verblijfsrecht worden geholpen. Mijn fractie vindt dat een onwenselijke situatie. Ik wijs in dit verband ook op de Gezinsherenigingsrichtlijn die in artikel 15 een periode van maximaal vijf jaar noemt voor de verkrijging van een zelfstandige verblijfstitel voor gezinsmigranten.

Op pagina 9 van de memorie van antwoord schrijft de minister dat opbouw van het register naar verwachting maximaal vijf jaar zal duren. Waarom moet dat zo lang duren? Hoeveel toegelaten vreemdelingen en hun referenten zijn er op dit moment in Nederland? De gegevens van reeds toegelaten vreemdelingen en hun referenten zijn toch beschikbaar? Of zijn die gegevens niet voldoende bijgehouden? Kan de minister toezeggen dat hij een en ander sneller realiseert? Ik herhaal wat ik zei aan het begin van mijn betoog: het strikt handhaven van de regels bevordert de acceptatie van het migratiebeleid.

Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer op 10 februari jongstleden heeft de staatssecretaris opgemerkt dat wat haar betreft de Wet modern migratiebeleid alleen dan op 1 januari 2011 in werking kan treden als INDiGO goed functioneert. Wat is thans de stand van zaken wat betreft de invoering en de effecten van INDiGO? Verwacht de minister dat INDiGO per 1 januari aanstaande inderdaad voldoende zal functioneren? En zo niet, wat gebeurt er dan?

Voorzitter. Ik heb in mijn betoog slechts enkele onderwerpen nader aan de orde gesteld. De schriftelijke voorbereiding van het wetsvoorstel was namelijk voldoende grondig. Het wetsvoorstel introduceert controle en toetsing achteraf in plaats van controle en toetsing vooraf. Dat betekent naar het oordeel van mijn fractie dat die controle en handhaving sluitend moeten zijn en dat inderdaad, indien van toepassing, bestuurlijke boetes moeten worden opgelegd. De hoogte van die boetes is overigens nogal mager; het is naar mijn oordeel dan ook de vraag of die boetes voldoende afschrikwekkend zijn. Er dient steekproefsgewijs gecontroleerd te worden of de kennismigranten inderdaad over specifieke kennis beschikken of aan het inkomensvereiste wordt voldaan of het bureau voor au pair bemiddeling inderdaad doet wat het zegt te doen en dus erkend referent kan blijven of referenten aan hun administratieve en informatieve verplichtingen voldoen enzovoort enzovoort. De IND heeft bij dit alles een forse taak. Hoe zal het gaan met de bezuinigingen? Kan de minister toezeggen dat ondanks de bezuinigingen, de IND voldoende is toegerust om de haar toebedeelde taken goed uit te voeren?

Wij wachten met belangstelling de beantwoording van onze vragen af.

De heer Van de Beeten (CDA):

Voorzitter. In zijn column in Trouw van afgelopen zaterdag beschrijft James Kennedy de situatie van een Groningse hoogleraar die naar de Verenigde Staten vertrok. "Een Groningse hoogleraar vertelde mij dat hij tijdens zijn jaar in Amerika meer adviezen kreeg over de wijze waarop hij zijn leven zou moeten leiden dan tijdens heel zijn leven in Nederland; hij is bijna met pensioen. In Amerika ben je altijd vrij om zulke adviezen naast je neer te leggen, maar je krijgt ze wel; dat gebeurt veel minder in Nederland. Misschien", zo vervolgt Kennedy, "heeft dat iets te maken met het Nederlandse gevoel voor privacy: je dringt jezelf niet op aan anderen, je laat anderen in hun waarde. Misschien heeft het te maken met het gelijkheidsdenken uit de jaren zestig: als je advies geeft, acht je jezelf hoger dan de ander; bovendien loop je natuurlijk het gevaar van een weerwoord. Het is sociaal veiliger om niets te zeggen. Allemaal heel begrijpelijk", aldus Kennedy, "maar het gevolg is wel dat de migrant er alleen voor staat."

Is het beeld correct als het gaat om de Verenigde Staten? Is het beeld correct, als het om Nederland gaat? Wie het boek leest van Paul Scheffer "Het land van aankomst" en zijn beschrijving leest over de immigratiegeschiedenis van de Verenigde Staten, ziet dat het beeld dat in Trouw geschetst wordt ook niet altijd is opgegaan. James Kennedy spreekt bovendien over een hoog opgeleide, een figuur over wie wij het vandaag in het kader van dit wetsvoorstel ook hebben, die ongetwijfeld in andere sociaaleconomische omstandigheden de Verenigde Staten is binnengekomen dan velen in de loop van de laatste anderhalve eeuw ervaren hebben. Wie de migrantenliteratuur leest, ziet dat ook bijvoorbeeld Italiaanse migranten lange tijd in hun eigen samenleving binnen de Verenigde Staten waren opgesloten.

Zelfs in een land als Israël waarvan je zou zeggen dat het een homogene bevolking heeft, omdat het allemaal Israëliërs zijn van joodse afkomst, zie je ook dat er sprake is van een enorme differentiatie in bevolkingsgroepen. Dat vertaalt zich zelfs ook in een politieke verpulvering, om maar eens een Nederlands informatiebegrip te hanteren, als je kijkt naar het politieke landschap zoals dat is ontstaan na de jaren tachtig. Dergelijke beelden kloppen dus vaak niet. Omgekeerd, als we kijken naar Nederland, kunnen we vaststellen dat veel burgers juist van de overheid vragen ervoor te zorgen dat migranten op de juiste plek terechtkomen, zich aanpassen aan de samenleving en de regels leren kennen, terwijl er tegelijkertijd heel veel vrijwilligers zijn die allerlei activiteiten ondernemen om migranten hier een plaats te verschaffen en te helpen om, waar nodig, te integreren. Kortom, als het gaat om migratiebeleid en immigratiebeleid, dan is er geen panacee voor alle situaties en voor alle tijden. Wel is van belang dat we anno 2010 ook in dit land trachten een evenwichtig klimaat te scheppen en een benadering te kiezen waarbij ook in het buitenland een reëel beeld van de Nederlandse samenleving ontstaat. Met het wetsvoorstel dat voorligt, wordt beoogd om hieraan een belangrijke bijdrage te leveren. Daarom verdient het onze steun.

Zoals mevrouw Broekers net al opmerkte, is de behandeling van het wetsvoorstel zowel in de Tweede Kamer als in de Eerste Kamer heel grondig geweest, met name in de schriftelijke voorbereiding hier. Er zijn wat mij betreft dan ook nog slechts enkele punten die aandacht verdienen bij de behandeling hier in het plenum. Het eerste is de kwestie van de aanwijzing van de referent. Daarover heb ik een aantal vragen gesteld, zowel in het voorlopig verslag als in het nadere voorlopig verslag. Mij blijft de figuur bezighouden dat iemand ongevraagd als referent kan worden aangewezen, dan op grond van deze wet een aantal informatieplichten en zelfs zorgplichten heeft en, als hij daaraan niet voldoet, een bestuurlijke boete opgelegd kan krijgen. Dan wordt hij met die boete geconfronteerd op een wijze die in feite niet in overeenstemming is met het systeem dat wij normaal gesproken in onze Nederlandse rechtsorde kennen. Hier heb je namelijk pas het risico te aanvaarden dat je een bestuurlijke boete kan worden opgelegd als je jezelf in de positie hebt geplaatst dat je aan een aantal verplichtingen moet voldoen, hetzij doordat je een vergunning hebt aangevraagd, hetzij doordat je een algemene norm hebt overtreden. Hier is dat niet aan de orde. Deze figuur blijft mij bezighouden, dus wil ik de minister vragen om nader in te gaan op hoe hij het passend in de Nederlandse rechtsorde acht dat iemand ongevraagd een status kan verkrijgen waaraan consequenties verbonden kunnen zijn ingeval diegene de verplichtingen die aan die status verbonden zijn, niet zou nakomen. Specifiek zou ik daar de volgende vraag aan willen verbinden. Stel dat een bestuurlijke boete wordt opgelegd en de betrokkene er een rechtsmiddel tegen aanwendt, kan die dan nog zeggen dat hij van de kwalificatie referent af wil en vragen om zo vriendelijk te zijn, hem niet langer als referent aan te merken of, beter gezegd, zeggen dat hij tegen deze aanwijzing alsnog bezwaar wil maken? Deze vraag lijkt mij voor de praktische toepassing van dit wetsvoorstel van belang.

Mijn tweede punt is de positie van religieuzen. Daarover heb ik in de schriftelijke voorbereiding de nodige vragen gesteld. De minister heeft daarop uitgebreid geantwoord, waarvoor mijn dank, en melding gemaakt van het feit dat de IND doende is met een pilot religieus verblijf. Mij interesseert het zeer hoe het daarmee staat, op welke termijn de minister daarvan resultaten verwacht en of hij bereid is om deze Kamer over de resultaten van die pilot te informeren.

Mijn derde punt heeft te maken met het toezicht op de naleving van de voorschriften uit deze wet. Ik heb de minister gevraagd of wat hij heeft beschreven als toezicht vanachter het bureau, waarbij gebruik wordt gemaakt van allerlei databestanden, nu met zich brengt dat we in feite al overgaan tot het toepassen van profiling of datamining. Daar is de minister in zijn beantwoording een beetje langsheen geschoten, om het voorzichtig te formuleren. Hij zegt – dat doet hij door eerst te antwoorden op vragen over het toezicht van de zijde van de fractie van GroenLinks – "nee, we gaan op een zeker ogenblik werken met behandelprofielen". Waaruit bestaan die behandelprofielen dan precies? Als het hier nu zou gaan om enkel het koppelen van databestanden bij de overheid, waarbij aan de hand van de NAW-gegevens van een persoon wordt nagegaan wat die persoon nu precies allemaal heeft gedaan blijkens de databestanden die bij de overheid bekend zijn, dan lijkt mij dat niet zo problematisch. Zodra het echter zou gaan om het op deze wijze in beeld brengen van meer dan een persoon, dus van meerdere personen, twee, drie, vier personen, komt men toch al heel sterk in de sfeer van datamining.

Op het moment dat de minister het begrip "behandelprofielen" hanteert, roept dat bij mij de vraag op of hij niet aan de hand van dergelijke profielen in een amorfe massa van data die zich bij de overheid bevindt, gaat zoeken naar de namen van personen die aan die profielen voldoen, om dan vervolgens over een of meer van die namen te zeggen: nu heb ik een aanwijzing dat bijvoorbeeld een referent niet aan zijn verplichting voldoet. Het lijkt mij van groot belang dat de minister daar duidelijkheid over geeft, omdat tot dusverre over de onderwerpen datamining en profiling in het verkeer tussen de regering en ook in deze Kamer steeds is gezegd dat het toepassen van dergelijke technieken eigenlijk pas kan als wij meer weten over wat technisch mogelijk is en dat ze een afzonderlijke wettelijke grondslag vereisen. Dat laatste zie ik in ieder geval niet in deze wet.

Het laatste punt betreft de kwestie van de gelaagdheid van deze wet. Ik heb al gewezen op het advies bij de schriftelijke behandeling van dit wetsvoorstel van de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken, waarin wordt gepleit voor een aanzienlijke vereenvoudiging van de wettelijke structuur. De minister heeft gezegd dat dit uitermate problematisch is, omdat wij ons steeds moeten aanpassen. Hij heeft in de nadere memorie van antwoord genoemd dat wij op dit moment toe zijn aan de 96ste wijziging van het Voorschrift Vreemdelingen 2000. Als dit beeld klopt, is de vraag of wij niet op een wat vreemde manier bezig zijn met wetgeving op dit terrein. Of anders gezegd, aanvaardt de minister het feit dat hij met de 96ste wijziging van het voorschrift zit niet te veel als een natuurverschijnsel, terwijl je eigenlijk de vraag zou moeten stellen of dit betekent dat de wet naar zijn aard niet helemaal goed in elkaar zit en er nog een keer kritisch naar zou moeten worden gekeken?

Ik wijs de minister erop dat deze Kamer bij de hem bekende behandeling van het onderwerp wetgevingskwaliteit en het laatst verschenen visitatierapport vorig jaar februari aan de regering heeft meegedeeld dat wij uitermate kritisch zullen worden over het verschijnsel delegatie in wetten in formele zin. Dit wil niet zeggen dat wij alleen maar zullen kijken naar nieuwe wetsvoorstellen. Ik kan mij heel goed voorstellen dat wij nog een keer kijken naar de Vreemdelingenwet en de gelaagdheid van de wetgeving op dit terrein, of het bestaande complex op deze wijze eigenlijk wel goed functioneert en of de Kamer er op deze wijze wel voldoende bij betrokken is.

Wij hebben bij dit concrete geval te maken met een wetsvoorstel waarvan de minister zegt dat de zorgplichten worden neergelegd in gedelegeerde wetgeving. Deze zorgplichten kunnen dus consequenties hebben voor de referenten, omdat daaraan bijvoorbeeld bestuurlijke boetes verbonden kunnen worden als die zorgplicht niet is nagekomen. Dit zijn dan zorgplichten waarbij deze Kamer verder niet betrokken is geweest, omdat er nu eenmaal ook geen sprake is van voorhang.

Ik moedig de minister aan om deze elementen goed in de overwegingen mee te nemen in de reactie van de zijde van de regering op het advies van de adviescommissie en die reactie aan deze Kamer aan te bieden, zodat wij in deze Kamer, in de vaste commissie voor Justitie, kunnen bezien of het niet verstandig is daar nog apart aandacht aan te besteden.

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Voorzitter. Ik heb de eer mede te spreken namens D66.

Graag zou ik mijn bijdrage willen beginnen met een compliment aan de minister, omdat hij in de demissionaire fase van het kabinet twee majeure stelselwijzigingen doorvoert – tenminste, als we morgen instemmen – op een gebied dat tot de verantwoordelijkheid behoorde van een afgetreden collega. Voor een oppasser op de winkel is dat voorwaar geen sinecure. De gedegen voorbereidingen van de minister kennende, vertrouw ik erop dat de beantwoording van de vragen naar wens zal zijn. Maar de grootste eer voor de wetgevingsvoorstellen en het uitvoeringsproces komt natuurlijk toe aan mevrouw Albayrak, die de wetsvoorstellen al succesvol door de Tweede Kamer had geloodst.

Net als bij de effectieve asielprocedure, moeten onze fracties, D66 en GroenLinks, constateren dat ook het voorliggende wetsvoorstel zowel tot vreugde als tot zorgen leidt. Wij zullen bij de stemming moeten wegen of de voordelen opwegen tegen de nadelen.

Er zijn al veel argumenten schriftelijk gewisseld. Dank voor de beantwoording daarvan. Vanavond zal ik stilstaan bij het principe van de wetswijziging, bij enkele punten die nog niet naar bevrediging zijn beantwoord en bij de vraag hoe het wetsvoorstel en de huidige wet zich verhouden tot het Europese recht.

Al enkele jaren geleden – mevrouw Broekers memoreerde er ook al aan – kondigde de regering via de blauwdruk modern migratiebeleid aan met een voorstel voor een stelselwijziging te komen. De procedures moesten eenvoudiger en sneller. Een belangrijke doelstelling van de nieuwe wet is dat Nederland aantrekkelijker wordt voor werknemers en studenten, zodat het bedrijfsleven en onderwijsinstellingen hun positie kunnen versterken op de internationale arbeidsmarkt, en daarmee ook in de internationale economie en wetenschap. De wetgever heeft deze doelstelling op een slimme manier gekoppeld aan de eigen doelstelling van vermindering van de regeldruk en vermindering van de inspanningen van de overheid. Het grijpt op een logische manier op elkaar in: onderwijsinstellingen en werkgevers die zich verantwoordelijk gedragen en waarvoor dus minder controle nodig is, krijgen het vertrouwen van de overheid en hebben daarom toegang tot snelle toelatingsprocedures voor hun personeel of studenten. Bovendien wordt de geldigheidsduur van de vergunning verlengd tot de periode van de studie of het onderzoek. Het wederzijds voordeel zal nakoming van de afspraken aan beide kanten positief beïnvloeden.

De houding naar particuliere belanghebbenden bij toelating is een minder tweezijdig verhaal. Zij hebben immers geen belang bij grote aantallen migranten, anders misschien dan mevrouw Broekers suggereerde, maar willen alleen hun gezinsleden op een snelle en ordentelijke wijze naar Nederland kunnen halen. Het voordeel dat erkende referenten genieten, krijgen zij dus niet, als keerzijde van de verzwaring van de informatielast en de aansprakelijkheid. En is juist voor hen de verzwaring van die verantwoordelijkheid niet ook onevenredig zwaarder dan voor professionele, grote organisaties? Nu zal de minister zeggen: ja, maar ook zij krijgen met voordelen te maken, en dat is ook zo, bijvoorbeeld de ambtshalve verlening van de verblijfsvergunning binnen twee weken na binnenkomst met een MVV. Dat is een vooruitgang, maar daar was Nederland al langere tijd toe gehouden op grond van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Met dit wetsvoorstel wordt dus een schending ongedaan gemaakt, namelijk de dubbele toetsing aan de gezinsherenigingsaanvraag.

Dan is er nog een ander voordeel, namelijk dat de gezinsleden voortaan een vergunning krijgen voor de duur van vijf jaar of zo lang als de duur van de verblijfsvergunning van de gezinshereniger duurt. Ook dat zien wij natuurlijk als een vooruitgang.

Nu is het al zo dat in veruit de meeste gevallen een verlenging wordt toegestaan. Als niet meer aan de voorwaarden werd voldaan, gaf artikel 8 EVRM alsnog de doorslag. Dus het zal de IND ook veel controlewerkzaamheden en administratieve handelingen besparen dat er nu met de geldigheidsduur van vijf jaar zal worden gewerkt. Het is een vooruitgang, maar de verhouding tot deze vooruitgang en de verzwaring van de positie kunnen wij niet zonder meer als positief of neutraal beoordelen.

Dan is er nog een ander punt, en wel de Gezinsherenigingsrichtlijn. De Chakroun-uitspraak heeft heel duidelijk gemaakt dat de voorwaarden die in de richtlijn zijn opgenomen limitatief zijn en dat lidstaten dus nog maar een beperkte beoordelingsmarge toekomt waar het gaat om het stellen van voorwaarden. Die kunnen zij niet via een procedurele weg toch nog weer verder gaan uitbreiden. Ook procedurele voorwaarden zijn in de richtlijn geregeld. Artikel 16 bevat dus ook limitatieve voorwaarden, anders dan de regering stelt in de nadere memorie van antwoord. Daar zit geen plicht in voor gezinsleden of voor referenten om een administratie bij te houden en een bepaalde informatieplicht te hebben. Artikel 16, lid 4 geeft wel controlemogelijkheden, maar het zijn specifieke controlemogelijkheden op grond van een gegrond vermoeden of bij een verlenging van een vergunning. Dus er zitten wel mogelijkheden in, maar er moet wel een reden zijn voor die controle. Tijdens de onderhandelingen over de richtlijn is geopperd door een land om er stelselmatige controles van te maken. Dat is niet toegestaan door de lidstaten.

Dan kom ik toch ook bij de vragen van de heer Van de Beeten. De minister noemde behandel- en risicoprofielen. Wat zijn dat voor soorten controles, als er inderdaad via datamining of op een andere manier door databestanden heen wordt gegaan en op die manier grote groepen groepen mensen worden gecontroleerd? Dat kan ik onmogelijk scharen onder de categorie "gegrond vermoeden".

Dus toch de vraag, die voor mij nog niet duidelijk is beantwoord, op welke wijze de regering dat denkt te gaan doen en op welke wijze zij denkt dat dat in overeenstemming te brengen is met de beperkte mogelijkheden die de richtlijn hiervoor biedt. Dat de regering zegt dat ze die controles nodig heeft om de richtlijn toe te kunnen passen, komt ons ook vreemd voor. Het is natuurlijk logisch om specifieke controle uit te voeren als er aanwijzingen zijn van fraude of indien er sprake is van wijziging van omstandigheden die niet zijn doorgegeven. Denk aan adreswijzigingen of een beroep op de openbare kas. Dan is er dus een grond. Waarom biedt dat niet voldoende soelaas? Dat kennen we ook op andere terreinen, dat er pas bij aanwijzingen of vermoedens bepaalde controles kunnen worden uitgevoerd. Graag wil ik daarop een nadere toelichting.

Ik maak een opmerking over het arrest Commissie tegen Nederland van eind april van dit jaar. Het Hof heeft duidelijk gemaakt dat de standstillbepaling, die verbiedt om de voorwaarden, sinds het Besluit 1/80 van kracht is, voor Turkse werknemers of Turkse zelfstandigen niet verder te verzwaren, ook geldt voor eerste toelating. Daar zit een logica achter: als je de toelating onevenredig kunt verzwaren, beperkt dat ook de mogelijkheid voor Turken om in de lidstaten van hun rechten op grond van het associatieverdrag gebruik te maken. De fracties van D66 en GroenLinks zijn blij dat de regering dit arrest direct uitvoert op het punt van de leges en de referentenpositie. Met het afzien van de referentenstatus voor werkgevers van Turken en Turkse werknemers die hun gezinsleden naar Nederland halen, erkent de regering terecht de verderstrekkende werking van dit arrest. Die werking beperkt zich namelijk niet tot de leges, maar tot alle toelatingsvoorwaarden. Daarom ontkomt de regering naar onze mening niet aan de conclusie dat de Wet inburgering buitenland niet meer van toepassing is op Turken. Ook valt te denken aan het terugdraaien van de verzwaring van de inkomenseis in 2004 voor begunstigde groepen. Grote groepen Turken vielen daaronder, omdat ze een vestigingsvergunning hadden of het Nederlanderschap bezaten. In de memorie van antwoord stelt de regering terecht dat de definitie van "gezinsleden" autonoom is en dat daarbij is aangesloten bij de definitie van "familielid van EU-burgers". De regering heeft al aangegeven om de leeftijdseis voor partners zowel bij gezinsvorming als voor gezinshereniging naar 21 te verhogen. Bij gezinsvorming was dat al het geval, maar nu wordt die gelijk getrokken. Hoe meent de regering dit op grond van de uitspraak te kunnen toepassen op Turken?

De regering geeft in de schriftelijke beantwoording aan dat zij voorlopig volstaat met het opnemen van de regels in de circulaire. Dat komt ons vreemd voor, want jurisprudentie van het Hof maakt duidelijk dat de verplichtingen op grond van het associatierecht in algemeen verbindende voorschriften moeten worden vastgelegd. Dat de jurisprudentie nog niet is uitgekristalliseerd en dat de regering het daarom even in de circulaire laat staan, is een beetje een raar argument. Als het goed is evolueert dit nog jarenlang. Graag wil ik daarop een nadere toelichting.

Sinds enkele jaren geldt er een goede samenwerking tussen de IND en de onderwijsinstellingen, waarbij de onderwijsinstellingen bepaalde verantwoordelijkheden op zich hebben genomen in ruil voor een soepele vergunningverlening. Dat is precies datgene wat het huidig wetsvoorstel nu bij wet wil vastleggen. Om de verantwoordelijkheden te kunnen waarmaken, is er een vorm van zelfregulering ingesteld via de gedragscode. De commissie die toezicht houdt, bepaalt wie erkend en geschorst wordt als referent. Ook de IND erkent het gezag van deze commissie en hij kan klagen bij de commissie als een bepaalde instelling niet naar tevredenheid van de IND functioneert. Dat het een vruchtbare en effectieve samenwerking is, blijkt ook uit de positieve evaluatie. Het verrast dan ook, dat de regering nu bij de wettelijke verankering een stap terug lijkt te willen doen, dat zij de greep weer enigszins terug wil. Kan de regering de Eerste Kamer uitleggen wat daarvan de reden is?

De regering geeft tegelijkertijd aan dat zij de intentie heeft dat zij nu niet wil tornen aan het systeem van zelfregulering. Kan zij daarover duidelijkheid geven? Wij zien in ieder geval nu risico's bij de interferentie van twee verschillende systemen, namelijk toezicht door de commissie Gedragscode en het vreemdelingrechtelijke toezicht door de IND. Laatstgenoemde zal zich dan ook bemoeien met dezelfde eisen als eerstgenoemde commissie. Wij willen graag van de regering horen hoe zij dat wenst te voorkomen.

De regering beweert in de stukken dat de IND geen onderwijskundige eisen in vreemdelingrechtelijke zin zal beoordelen en sanctioneren, maar alleen de studievoortgang wenst te kunnen volgen omdat dit verband houdt met het doel van het verblijf. Toch blijkt dat niet zonneklaar uit het concept van het Vreemdelingenvoorschrift, waar het toezicht ook ziet op de beoordeling en sanctionering in verband met de taaleisen en andere eisen waaraan buitenlandse studenten moeten voldoen om te worden toegelaten tot het onderwijs. Ook de accreditatie van de instellingen zou de IND tot zijn toetsingsbevoegdheid rekenen. Onze fracties zijn blij met de intentie van de regering om de onderwijskundige eisen bij het ministerie van OCW te laten en zouden graag ook de toezegging willen dat dit klip-en-klaar gegarandeerd wordt en dat het voorschrift op dit punt niet uitgebreid wordt.

Ik heb een aantal vragen gesteld over de status medische nood. De regering heeft die vragen ook beantwoord. Mijn punt is dat voor sommige houders van een vergunning op grond van medische nood werk bijzonder kan baten, zoals voor mensen met een psychische stoornis. Nog harder is de consequentie dat ook hun gezinsleden geen toegang hebben tot werk. Kinderen en partners van houders van een vergunning op grond van een medische behandeling mogen niet werken en kunnen zelfs geen stage lopen. Er zijn gevallen bekend van kinderen die hun opleiding niet kunnen afmaken omdat zij geen stage mogen lopen. Dat lijkt ons niet de bedoeling. De logica ervan ontgaat ons ook. Wij dringen er dan ook op aan om in elk geval de gezinsleden van houders van een vergunning op medische gronden toegang tot de arbeidsmarkt te verlenen. Kan de minister vertellen wat er met motie-Sterk gaat gebeuren die door de Tweede Kamer met een ruime meerderheid is aangenomen? Deze motie sprak uit dat de toegang tot de arbeidsmarkt voor deze gezinsleden gegarandeerd moest worden.

Dan de gezinsleden van asielstatushouders die een vergunning op reguliere gronden krijgen. Zij komen op grond van een MVV naar Nederland en worden daarom afgewezen worden in hun asielaanvraag. Kan dit zonder meer, terwijl er misschien wel redenen zijn om hen bescherming te bieden? De regering zegt daarvan: dan hadden zij maar niet met een vergunning voor reguliere toelating hier naartoe moeten komen. Dat is een rare redenering, want deze gezinsleden hebben helemaal geen vrije keuze. Zij melden zich bij de ambassade in het land van herkomst en horen daar dat zij niet voor een asiel-MVV in aanmerking komen omdat zij bijvoorbeeld een andere nationaliteit hebben. Dus moeten zij op een reguliere vergunning naar Nederland komen. Wij denken dat, zodra betrokkenen zijn aangekomen in ons land, nog steeds een inhoudelijke behandeling van hun asielverzoek moet plaatsvinden. Je kunt moeilijk van hen vragen om illegaal naar Nederland te komen waarna zij zich als asielzoeker kunnen melden.

Gezinsleden van asielstatushouders die een andere nationaliteit hebben dan de asielstatushouders krijgen geen afgeleide asielstatus. Kan dat puur omdat zij een andere nationaliteit hebben? De regering heeft steeds beweerd dat dit mag. Op 30 juni jongstleden hebben wij van de Europese Commissie antwoorden op vragen gekregen waarin wordt gesteld dat onderscheid op grond van nationaliteit niet is toegestaan, zeker wanneer dit verschil tot uiting komt in de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning. Een afgeleide asielstatus is qua geldigheidsduur sterker dan een afhankelijke vergunning, die ophoudt zodra de gezinsleden uit elkaar gaan. Gezinsleden hebben dus een zelfstandige vergunning. Iemand met een afhankelijke verblijfsvergunning wordt onmiddellijk met verblijfsrechtelijke gevolgen geconfronteerd zodra het gezin uit elkaar gaat. Graag een reactie op dit punt. Het onderscheid is ook niet gerechtvaardigd, omdat het hier niet gaat om gezinsleden die zich met het hele gezin in een ander land kunnen vestigen. Zij bevinden zich dus in exact dezelfde positie als gezinsleden die wel hun nationaliteit delen met de hoofdpersoon.

Voorzitter. Ik wacht graag de beantwoording van de minister af.

De heer Holdijk (SGP):

Voorzitter. De fracties van SGP en ChristenUnie hebben niet deelgenomen aan de schriftelijke voorbereiding van de plenaire behandeling van het voorliggende wetsvoorstel. Het zou daarom in mijn ogen minder gepast zijn om in dit stadium van de behandeling nog uitgebreid commentaar te leveren op het voorstel. Wij stellen er evenwel prijs op om ons in het kort te verantwoorden ten aanzien van dit voorstel.

Ondanks een hoog en groeiend werkloosheidspercentage, niet in de laatste plaats onder de in ons land verblijvende migranten, bestaat er tegelijkertijd een tekort aan specifieke arbeidskrachten, bijvoorbeeld in de techniek, maar ook in de land- en tuinbouw. De spontane instroom van vreemdelingen, zowel vanuit EU-landen als van daarbuiten, zorgt er niet automatisch voor dat vraag en aanbod in evenwicht geraken. Integendeel, het risico is groot dat de onbalans alleen maar toeneemt, met alle kwalijke gevolgen van dien, in het bijzonder ook voor de integratieproblematiek die niet alleen, maar wel voor een belangrijk deel een arbeidsmarktprobleem is.

Willen we de bestaande problemen niet verergeren dan kan het arbeidsmigratiebeleid slechts één en bovendien het laatst te gebruiken instrument vormen om krapte op de Nederlandse arbeidsmarkt op te lossen. Verhoging van de arbeidsparticipatie, verhoging van de arbeidsproductiviteit en verbetering van de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt zijn dan van primair belang. Daarop moet het Nederlandse arbeidsmarktbeleid dan ook gericht zijn. Ervaringen met arbeidsmigratie in het verleden hebben wel aangetoond dat niet iedere vorm van arbeidsmigratie op termijn bijdraagt aan de Nederlandse economie. Daarom is het aangewezen dat Nederland een selectief migratiebeleid voert, gericht op bescherming van de Nederlandse arbeidsmarkt, met name aan de onderkant en het middensegment, omdat de werkloosheid zich voornamelijk in deze segmenten concentreert. Het getuigt dan ook van wijs beleid in onze ogen om slechts wanneer in Nederland of de Europese Unie of de Europese Economische Ruimte geen arbeidsaanbod beschikbaar is, een werkgever het recht toe te kennen om een arbeidsmigrant uit een derde land te werk te stellen.

Bij de uitwerking van zulk een beleid moet rekening worden gehouden met een netwerk aan Europese regelgeving. Het voorstel heeft bovendien niet alleen betrekking op arbeidsmigratie, maar tevens op kennis-, studie- en gezinsmigratie en culturele uitwisseling. Het heeft onze instemming dat het wetsvoorstel gericht is op versnelling en vereenvoudiging van toelatingsprocedures en vereenvoudiging van het verblijf van eenmaal toegelaten kennismigranten door een langere duur van de verblijfsvergunning. Evenwel geeft het voorstel ons ook reden tot zorg, althans tot vragen. Hoe wordt voorkomen dat er meer kansarme arbeidsmigranten naar Nederland komen en dat er opnieuw meer vervolgmigratie van gezinsleden gaat optreden? Welke waarborgen zijn daarvoor in het voorstel ingebouwd? Ook door de regering wordt in de memorie van antwoord vastgesteld dat gezinsmigratie een forse impact op de samenleving heeft. Biedt de Europese regelgeving, met name de richtlijn gezinshereniging, voldoende ruggensteun om ongewenste effecten op dit punt te voorkomen? Het verontrustte ons enigermate om in de memorie van antwoord te lezen – op pagina 41 – dat Nederland niet alleen voldoet aan de criteria van de richtlijn, maar op punten ook een ruimer beleid voert dan op grond van de richtlijn strikt genomen verplicht is. Kan dit standpunt nog eens uitgelegd en gemotiveerd worden? Wat wordt in de Nederlandse situatie nu verstaan onder het beleid van verruimde gezinshereniging?

Wij hebben er begrip voor dat in het onderhavige voorstel slechts op hoofdlijnen de reikwijdte en de structurele elementen van het migratierecht bij formele wet worden geregeld. Een deel van het beleid zal nader uitgewerkt moeten worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur. Dat geldt bijvoorbeeld de zorgplichten, althans voorlopig, zo zeg ik samen met de heer Van de Beeten, want de mogelijkheid van regelgeving op formeel wettelijk niveau moet niet worden uitgesloten en eindeloos worden uitgesteld.

Wij zien met belangstelling de reactie van de regering op onze inbreng tegemoet.

Mevrouw Meurs (PvdA):

Voorzitter. Het wetsvoorstel dat wij vandaag behandelen, beoogt een modernisering van het migratiebeleid voor vreemdelingen die op reguliere gronden verblijf in Nederland wensen. De doelstelling is het tot stand brengen van een selectief migratiebeleid, opdat vreemdelingen die Nederland nodig heeft, snel en eenvoudig kunnen worden toegelaten. Het gaat hierbij om arbeidsmigranten, de zogenaamde kennismigranten, internationale studenten en gezinsherenigers. Het zijn uiteenlopende groepen die in Nederland in aanmerking willen komen voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd.

Deze wet is een uitwerking van de nota Modern Migratiebeleid en richt zich op een verbetering van de procedures van immigratie ten behoeve van de arbeidsmarkt en de verbetering van het beleid ten aanzien van kennismigranten. Mijn fractie vindt het goed dat dit voorstel er nu ligt. Het moderne migratiebeleid dat in dit wetsvoorstel is vervat, brengt een algemene herverdeling van verantwoordelijkheden tussen overheid, vreemdeling en referent bij de toelating en het verblijf van vreemdelingen in Nederland. De referent krijgt met dit voorstel meer en andere verantwoordelijkheden.

De fractie van de PvdA heeft met veel waardering kennisgenomen van de uitgebreide beantwoording van de minister op de schriftelijk gestelde vragen in eerste en tweede termijn. De meeste vragen van mijn fractie zijn naar tevredenheid en afdoende beantwoord. Vandaag willen wij nog slechts vijf punten naar voren brengen die naar ons oordeel nadere verheldering behoeven.

Het eerste punt betreft het onderscheid tussen de gewone referent en de erkende referent. In dit wetsvoorstel wordt een onderscheid gemaakt tussen gewone referenten en erkende referenten. Op het eerste gezicht is het een helder onderscheid, maar de verwarring ontstaat doordat sommige referenten de keuze hebben om zich te laten erkennen en andere niet. Voor bedrijven en onderwijsinstellingen geldt dat zij de status van erkende referent kunnen aanvragen, dat zo'n status kan worden erkend en weer ingetrokken. Dat gebeurt door de IND, die de aanvragende organisatie aan de hand van verschillende criteria beoordeelt. Erkende referenten hebben toegang tot de versnelde procedure. Gezinsreferenten daarentegen zijn gewoon referent. Zij komen niet in aanmerking voor een erkenning en hebben geen toegang tot de versnelde procedure.

Toch moet mijn fractie constateren dat bij de gezinsreferenten wel degelijk sprake is van een soort erkenning. Zij worden opgenomen in een referentenregister en daar vindt ook een beoordeling plaats van de betrouwbaarheid van de persoon in kwestie. Mogen wij hieruit concluderen dat er ook bij gezinsmigranten sprake is van een beoordeling of een feitelijke erkenning? Als dat zo is, zou het dan niet wenselijk zijn om een nadere differentiatie aan te brengen in de groep van gezinsreferenten? Voor alle duidelijkheid: het is niet de bedoeling van mijn fractie om hiermee een pleidooi te houden voor een toegang tot de versnelde procedure. Het gaat onze fractie om een duidelijk onderscheid tussen gezinsreferenten met een geaccepteerde referentenstatus en gezinsreferenten waarbij dat niet het geval is. Op pagina 9 van de memorie van antwoord noemt de minister in dit verband het informatiesysteem INDiGO. Hoe gaat de IND dit systeem tegen deze achtergrond gebruiken? Welke bevoegdheden heeft de IND precies om actief onderzoek te doen als er twijfels bestaan over de referent? Hoe is nu ook weer het toezicht op de handelwijze van de IND geregeld? Graag een toelichting van de minister.

Ik kom op de verschillende groepen migranten waar dit wetsvoorstel over gaat. Mijn fractie blijft wat moeite houden met het onder één noemer scharen van de verschillende soorten migranten, in het bijzonder de kennis- en arbeidsmigranten aan de ene kant en de gezinsmigranten aan de andere kant. De fractie van de PvdA onderschrijft de stelling van de minister dat ook bij gezinshereniging degene die de migrant laat overkomen, de verantwoordelijkheid heeft jegens zijn of haar gezinslid en dat het van belang is deze verantwoordelijkheid ook wettelijk vast te leggen. Met dit voorstel krijgt de gewone referent een aantal verplichtingen, komt er een stelsel van toezicht op naleving van deze verplichting en een aansprakelijkheid voor een deel van de kosten van de eventuele uitzetting van de vreemdeling. De minister geeft in zijn beantwoording aan dat dit voor alle referenten moet gelden en dat hij geen uitzondering wenst te maken voor de categorie gezinsmigranten. Mijn fractie had met de vraag naar de specifieke positie van gezinsmigranten niet de bedoeling om van deze categorie nu een uitzondering te maken. Veeleer ging het de PvdA-fractie om de nadere operationalisering van deze verplichtingen waarbij het toch evident is dat een gezinsrelatie van een andere orde is dan een werkgever-werknemerrelatie. Die operationalisering waar wij naar vroegen, hebben wij in de schriftelijke beantwoording niet aangetroffen. Dus graag nog een toelichting op dit punt. Kan de minister ook aangeven hoe het toezicht op het naleven van de verplichtingen van gezinsreferenten vorm zal krijgen? Beschikt de IND over voldoende mogelijkheden om deze toezichtstaak die toch anders is dan bij bedrijven en onderwijsinstellingen, vorm te geven?

In dit verband wil mijn fractie het Nederlandse standpunt onderschrijven ten aanzien van gezinsreferenten die veroordeeld zijn wegens eerwraak of huiselijk geweld of andere vormen van geweldsmisdrijven die van invloed zijn op het leven van het gezin. De VVD-fractie wees daar ook al op. Het zou zeer wenselijk zijn als bij de evaluatie van de richtlijn gezinshereniging er een mogelijkheid ontstaat om specifieke eisen te stellen aan gezinsreferenten opdat personen die een misdrijf in bovengenoemde zin hebben begaan, kunnen worden geweerd als gezinsreferent. Mijn fractie ondersteunt dan ook de inspanningen van de voormalig staatssecretaris en de minister op dit gebied. Onze vraag voor vandaag is of er in afwachting van die evaluatie niet alvast enkele maatregelen op dit gebied mogelijk zijn binnen het kader van de huidige richtlijn gezinshereniging.

Dan mijn derde kwestie, de kennis- en arbeidsmigranten. Bedrijven en instellingen die kennismigranten of bepaalde groepen arbeidsmigranten naar Nederland willen laten komen, dienen zich als referent te laten erkennen. Voor de kennismigrant betekent dit dat hij of zij afhankelijk is van het bedrijf of de instelling voor zijn of haar verblijfsvergunning. In de schriftelijke ronde hebben wij vragen gesteld over de gevolgen voor de migranten in het geval van een arbeidsconflict, reorganisatie of faillissement. Dit wetsvoorstel voorziet in een termijn van drie maanden voor de betrokkenen om naar ander werk uit te zien. De verantwoordelijkheid om een nieuwe erkende werkgever te vinden, ligt geheel bij de migrant, zo stelt de minister in zijn memorie van antwoord. Is het denkbaar, zo vragen wij de minister, dat er ook van overheidszijde inspanningen worden geleverd om degenen die buiten hun schuld zonder werk komen te zitten, te ondersteunen bij het vinden van nieuw werk? Een van de doelstellingen van het modern migratiebeleid is toch immers om hoogopgeleide arbeidsmigranten een goed arbeidsperspectief te bieden in Nederland? Moet de Nederlandse overheid zich wellicht in samenspraak met werkgevers- en werknemersorganisaties niet inspannen voor een goed arbeidsklimaat voor deze kennismigranten?

In dit verband zou mijn fractie graag nog een keer de schriftelijke vraag naar de mogelijkheden om bij werkgevers een vorm van zelfregulering te bevorderen, willen herhalen, dit naar het voorbeeld van de code die in de onderwijssector wordt gebruikt. De minister geeft in zijn beantwoording aan niet veel te kunnen doen op dit terrein, maar mijn fractie vindt dit antwoord wat zuinig. Wij vragen de minister om toch wat verder te gaan en aan te geven welke mogelijkheden hij heeft om sociale partners aan te spreken en aan te moedigen om een beleid op het gebied van arbeidsmigratie en bijbehorende codes te ontwikkelen. Wellicht kan een van de incentives zijn een vermindering van het toezicht door de IND als de bedrijven zich aan de door hen zelf opgestelde code houden. Zij kunnen in dit opzicht een voorbeeld nemen aan de onderwijssector.

Dan mijn vierde punt, de zorgplichten. In het modern migratiebeleid is voorzien in een aantal zorgplichten voor referenten van uitwisselingsjongeren, geestelijk bedienaren, kennismigranten en studenten. Die zorgplichten zijn algemeen omschreven. Naar aanleiding van een vraag van de PvdA stelt de minister dat een meer uitgebreide regeling van de exacte zorgplichten op den duur wenselijk zal zijn. Deze zorgplichten zijn nieuw in het vreemdelingenrecht en daarom acht de minister het nu te vroeg om ze te specificeren. De minister verwacht bovendien dat de zorgplichten met enige regelmaat zullen worden bijgesteld. Mijn fractie begrijpt de afweging en gaat ervan uit dat in een later stadium een nadere concretisering zal plaatsvinden, maar de vraag is of dit tot een evaluatie moet wachten. Kan niet tussentijds al het een en ander worden vastgelegd? De tweede vraag in dit verband is hoe ver de minister wil gaan met het specificeren. Het is immers, zo stelt de minister in zijn memorie van antwoord, ook aan de referent zelf om in te vullen hoe hij aan zijn zorgplichten zal voldoen. Hoe moeten wij ons dit straks voorstellen? Komt er een minimumomschrijving of een omschrijving in algemene termen? Als dat laatste het geval is, hoe kan dan voorkomen worden dat de zorgplichten heel minimaal of te vrijblijvend worden ingevuld? Deze vraag klemt des te meer omdat, zoals door anderen ook al is aangegeven, de zorgplichten in gedelegeerde wetgeving verder zullen worden geregeld. Wellicht kan de minister in zijn beantwoording hierover al wat toezeggingen doen.

Ten slotte migratie en ontwikkeling. In het kader van migratie en ontwikkeling is aandacht voor de terugkeer van hoger opgeleide migranten, zo stelt de minister. Hij noemt concrete projecten, gericht op het versterken van de overdracht van kennis en ervaring naar het land van herkomst. De PvdA hecht veel waarde aan de verbinding tussen migratiebeleid en ontwikkelingsbeleid. Een project zoals genoemd is mooi, maar niet genoeg. De vraag van de minister is in hoeverre met een modern migratiebeleid ook niet veel structureler moet worden ingezet op de overdracht van kennis en ervaring naar de landen van herkomst, met name ontwikkelingslanden waar die kennis heel hard nodig is voor economische groei. Wij wachten de antwoorden van de minister met belangstelling af.

Mevrouw Quik-Schuijt (SP):

Voorzitter. Er is over dit wetsvoorstel al enorm veel van gedachten gewisseld. Er zijn veel vragen gesteld, die goed zijn beantwoord. Ik beperk mij daarom tot twee punten, waarvan het eerste door alle sprekers al aan de orde is gesteld. Gelukkig heb ik nog een puntje dat nog niet aan de orde is geweest.

Dit wetsvoorstel heeft een uitzonderlijk lange voorgeschiedenis, waardoor veel in de loop der tijd duidelijk is geworden. Er is hier sprake van een deugdelijke voorbereiding, maar toch kan wat de SP-fractie betreft niet gezegd worden dat het wetsvoorstel voor een gemiddeld jurist overzichtelijk is. De indruk ontstaat met name dat de wetgever de erkenning van de professionele referenten heeft willen regelen en toen als een soort afterthought die gezinsreferent er nog maar tussen geschoven heeft. Zo lezen wij in de memorie van antwoord aan deze Kamer dat de zorgplichten niet gelden voor gezinsreferenten en dat deze daarvoor derhalve ook niet beboet kunnen worden. Waar staat dat in de wettekst? Als het nergens staat, kan ieder moment bij algemene maatregel van bestuur of een nog lagere regeling een nieuwe plicht aan de gezinsreferent worden opgelegd. Deze referent kan op het moment dat hij besluit een gezinslid naar Nederland te halen dus absoluut niet weten wat hem te wachten staat. Hetzelfde geldt voor de vergoeding van de kosten van uitzending mocht er iets misgaan met degene die hij naar Nederland heeft gehaald. De regering heeft ervoor gekozen, zo lezen wij in de memorie van toelichting, om de mate van verwijtbaarheid geen rol te laten spelen. Het laten overkomen van een familie- of gezinslid wordt op deze manier tot een onbestemd avontuur met onoverzienbare gevolgen. Dat lijkt ons niet de bedoeling van de Richtlijn 2003/86 en in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

De staatssecretaris heeft in de Tweede Kamer gezegd dat de zorgplichten voor de gezinsreferenten in een volgende wet zullen worden geregeld. Het komt er dus toch aan, terwijl meerdere partijen en een flink aantal insprekers nu al vrezen voor strijd met de Gezinsherenigingsrichtlijn. Graag een reactie van de minister.

De SP wil graag weten hoe de gezinsreferent op de hoogte wordt gesteld van zijn verplichting om administratieve en andere gegevens te verstrekken. Krijgt hij een brochure waarin staat wat hij moet doen, welke administratie hij moet bijhouden, wat hij moet doorgeven aan de IND? Deze vraag is overigens ook van belang voor andere referenten/natuurlijke personen.

De minister antwoordt op onze vraag naar de kenbaarheid van de informatie-, administratie- en zorgplichten dat de rechtszekerheid niet wordt verminderd doordat de bepalingen op een lager niveau dan de wet in formele zin worden geregeld. De plichten komen in het Vreemdelingenbesluit 2000 en in het Voorschrift Vreemdelingen 2000 en worden bekendgemaakt in de Staatscourant en in het Staatsblad. Het lijvige ontwerpbesluit Vreemdelingen 2000 telt 115 pagina's en is op zich al een zoekplaatje. Hoe komt een leek hier ooit uit? We moeten nog maar afwachten wat er in het Voorschrift Vreemdelingen 2000 zal worden geregeld.

Wij staan met onze twijfels over de kenbaarheid van de regelgeving niet alleen. De ACVZ constateert: "Een belangrijke oorzaak van de regeldruk is de gelaagdheid van regels in het vreemdelingenrecht. Belangrijke rechten en verblijfsvoorwaarden zijn namelijk in verschillende vormen van regelgeving neergelegd en alleen via verwijzingen te vinden. De ACVZ adviseert dan ook om die gelaagdheid te verminderen door één laag, het Voorschrift Vreemdelingen 2000, eruit te halen en de belangrijkste rechten en voorwaarden voor toelating en verblijf zo veel mogelijk op te nemen in de Vreemdelingenwet 2000. Hierdoor wordt de toegankelijkheid van de regels verbeterd." Wij zijn benieuwd naar het antwoord van de minister.

De SP heeft voorts een vraag over de alleenstaande minderjarige vreemdelingen. De naam als zodanig komt niet meer voor. De amv krijgt nu bij binnenkomst een tijdelijke verblijfsvergunning onder de beperking tijdelijke humanitaire gronden. Voorheen kon een verblijfsvergunning alleen op deze grond worden verleend als de staatssecretaris gebruik maakte van zijn discretionaire bevoegdheid. Wat is er nu anders?

Begrijpen wij goed dat een alleenstaande minderjarige vreemdeling, als hij niet in aanmerking komt om teruggestuurd te worden, automatisch een tijdelijk verblijfsrecht krijgt onder de beperking tijdelijke humanitaire gronden? Voor welke categorie vreemdelingen gaat dat nog meer gelden? In het voorlopige verslag hebben wij gevraagd wat daarvan de consequentie is. Het antwoord luidde dat er geen andere verandering was dan dat de tijdelijke verblijfsvergunning wordt verleend onder een andere beperking. Wij begrijpen dus dat de beperking amv en de beperking tijdelijke humanitaire gronden identiek zijn in hun rechtsgevolgen. Is dat juist?

Hoe zit het voorts met de bijzondere rechten van minderjarigen? Nidos is niet op de hoogte van deze wijziging met betrekking tot hun doelgroep. Nidos is over de blauwdruk wel geconsulteerd, maar toen stond deze wijziging, die waarschijnlijk mede op grond van de reactie van Nidos is geconcipieerd, er nog niet in. Heeft de minister overwogen om deze wijziging terug te koppelen naar Nidos, nu deze verantwoordelijk is voor de doelgroep? Zo nee, waarom niet?

Of er nu wel of niet iets verandert in de verblijfsstatus van de alleenstaande minderjarige vreemdeling, de SP spreekt in elk geval haar teleurstelling uit over het feit dat niet van de gelegenheid gebruik is gemaakt om nu eindelijk het beleid inzake minderjarige vreemdelingen in overeenstemming te brengen met het Kinderrechtenverdrag. Ik heb in mijn inbreng voor het voorlopige verslag een emotioneel pleidooi gehouden, in de verwachting dat de plenaire behandeling onder een nieuw kabinet zou plaatsvinden. Ik ga dat hier niet herhalen. Wel vraag ik aandacht voor het feit dat de voorgenomen herijking van het beleid inzake minderjarige vreemdelingen nu al zo ongeveer drie jaar op zich laat wachten. Kennelijk heeft dit probleem op het departement geen prioriteit.

Naar aanleiding van dit wetsvoorstel heeft Nidos aandacht gevraagd voor deze kinderen, terwijl Defence for Children International dat min of meer doorlopend doet. Wij begrijpen dat de minister niet kan toezeggen dat het amv-beleid prioriteit zal hebben in een volgend kabinet. Misschien kan de minister wel zeggen wat de stand van zaken is. Is er al een conceptwetsvoorstel? Is het de bedoeling dat daarover nog apart advies wordt ingewonnen? Kortom, hoe lang moeten wij nog wachten op een beleid waarbij recht wordt gedaan aan kinderen? Kinderen die onder hier onder valse beloften naar toe zijn gebracht. Kinderen die in eigen land vaak ernstig getraumatiseerd zijn door oorlog en geweld. Kinderen die op het vliegveld worden achtergelaten. Kinderen die van ons, als zij ouder zijn dan twaalf jaar, niet in een pleeggezin mogen opgroeien, want dan ontstaat er "family life" en kunnen wij ons nooit meer van hen ontdoen. Kinderen die te lang in onzekerheid worden gelaten over hun toekomst, die in afwachting van uitzetting op de straat zijn aangewezen omdat het COA ze niet mag opvangen ondanks de duidelijke uitspraak van het Comité voor Sociale Rechten en ondanks de opvattingen van diverse rechtbanken daaromtrent. Kinderen die wij opsluiten in afwachting van een onzekere toekomstige gebeurtenis. Kinderen die wij terugsturen naar hun land van herkomst zonder goed onderzoek naar de situatie aldaar en zonder enige begeleiding. Hoe lang nog, is onze vraag?

Onze conclusie is dat dit een goed wetsvoorstel is voor allerlei soorten vreemdelingen die wij graag naar ons land halen; de procedure wordt eenvoudiger en sneller en degene die er belang bij heeft een vreemdeling hierheen te halen, neemt wat werkzaamheden van de overheid over. Tot zover prima.

De SP had graag gezien dat de bepalingen voor de gezinsreferenten uit dit wetsvoorstel waren gehaald. De plicht om als gezinsreferent te functioneren alsmede de in soort nog onbepaalde plichten die daar vervolgens uit voortvloeien, lijken in strijd met het Europese beleid dat gezinshereniging en -vorming zo uniform en eenvoudig mogelijk wil maken. En, zoals duidelijk moge zijn, de SP had graag gezien dat dit wetsvoorstel was aangegrepen om ons land eindelijk een stukje dichterbij de in het IVRK geformuleerde normen voor kinderen te brengen.

Wij wachten de reactie van de minister af.

De beraadslaging wordt geschorst.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.