Noot 1 (zie blz. 153)

BIJVOEGSEL

Schriftelijke antwoorden van de minister-president op vragen, gesteld in de eerste termijn van de algemene politieke beschouwingen inzake het in 1999 te voeren beleid (26 200)

Vraag van het lid Ginjaar (VVD): Hoe beoordeelt het kabinet de conclusies van het CPB dat een forse terugdringing van de emissies van broeikasgassen zal leiden tot aanzienlijke verliezen in werkgelegenheid?

Antwoord:

De CPB-studie waarop vragensteller waarschijnlijk doelt heeft geen betrekking op de Kyoto-doelstelling. Het betreft een lange termijn verkenning naar mogelijkheden en consequenties van een 32% reductie van broeikasgassen in 2020 t.o.v. 1990 (een reductie van 1 à 2% per jaar conform de Vervolgnota Klimaatverandering). Daarbij is geen rekening gehouden met internationaal beleid, en is slechts een beperkte reductie van overige broeikasgassen ingeboekt. Verder is uitgegaan van een bescheiden reductie in het buitenland via joint implementation. Door deze uitgangspunten bestaat het doorgerekende reductiebeleid vooral uit CO2-reductie in Nederland. De studie heeft darmee – overigens doelbewust – het karakter van een worst-case scenario. De uit de studie komende werkgelegenheidscijfers moeten dan ook uitdrukkelijk in die context worden beschouwd.

Het kabinet ziet er – zoals ook blijkt uit de conferenties van Kyoto en Buenos Aires – juist voor in om wél een internationaal gecoördineerd beleid tot stand te brengen, en mogelijkheden te creëren om een deel van de reducties in het buitenland te realiseren.

Vraag van het lid Schuurman (RPF): Kunnen economie en milieu harmonieus samengaan?

Wordt het geen tijd de bestaande ontwikkelingen van economie en het streven naar duurzaamheid te evalueren en daaruit conclusies te trekken. Een vergaande maar mogelijk gewenste conclusie zou kunnen zijn dat wij economische groei te eng inkaderen en dat een andere meer integrale groei nodig is om recht te doen aan een echte duurzaamheid. Zou het kabinet zo'n maatschappelijke discussie, gepaard aan reële initiatieven, willen starten?

Antwoord:

Dit jaar is NMP3 uitgekomen. Het NMP3 evalueert het bestaande milieubeleid, analyseert mogelijke spanningen tussen milieu en economische ontwikkeling en schetst beleidsmatige oplossingsrichtingen. Daarnaast zijn vorig jaar in de nota Milieu en Economie tal van suggesties gedaan om economische groei te combineren met vermindering van de milieudruk. In 1999 wordt de uitvoering van de nota Milieu en Economie geëvalueerd.

Het is mogelijk en noodzakelijk milieu en economie beter met elkaar te doen samengaan. Die samenhang vloeit niet vanzelfsprekend uit marktprocessen voort. Het vraagt om het realiseren van een stijging van efficiëntie van het gebruik van het milieu (eco-efficiency) die groter is dan het tempo van de economische groei. En het vraagt van de overheid het creëren van randvoorwaarden zodat synergie mogelijk is. Dat betekent een zware inzet op de vergroening van het fiscale stelsel bijvoorbeeld, of het stimuleren van technologiedoorbraken. Het regeerakkoord getuigt van de amtibities van dit kabinet op dit punt.

Eigenlijk is de centrale opgave een verbetering van de kwaliteit van onze economische activiteiten, steden, infrastructuur en natuur en milieu. Dat komt inderdaad nog onvoldoende tot uitdrukking in onze definitie van economische groei.

Het kabinet probeert afwegingen binnen een duurzame ontwikkeling inzichtelijker te maken door het naast elkaar in kaart brengen van economische, ecologische en sociale factoren: op zoek naar het «meten» van een breder begrip van economische groei.

Het CBS is bezig met een project milieu in de nationale rekeningen mee te nemen (project NAMEA (National Accounting Matrix including Environmental Accounts)).

Ook werkt het kabinet op dit moment aan de ontwikkeling van een Groen Bruto Nationaal Product dat beter kwaliteit van milieu en economie weerspiegelt. Over die kwaliteit zijn wij regelmatig politiek en maatschappelijk in discussie. Tijdens de begrotingsbehandeling van VROM in de Tweede Kamer is minister Pronk daarop ingegaan.

Op de wijze waarop de discussie kan worden voortgezet, zal door het kabinet worden ingegaan in de Houtskoolschets over de toekomstige ruimtelijke inrichting van ons land.

Vraag van het lid Batenburg:

Nieuw te bouwen woningen moeten tevens geschikt gemaakt worden voor het gebruik ervan door gehandicapten. Is er sprake van duurzaamheid wanneer het seniorenlabel overal van toepassing is?

Antwoord:

Het kabinetsbeleid ten aanzien van de huisvesting van ouderen en gehandicapten is er op gericht dat men (zo lang mogelijk) zelfstandig kan blijven wonen. Om dit te bereiken zijn in het Bouwbesluit voor nieuw te bouwen woningen eisen ten aanzien van de zogenaamde aanpasbaarheid opgenomen. Door aanpasbaar te bouwen kunnen woningen als dat opportuun wordt, met relatief weinig ingrijpende aanpassingen geschikt gemaakt worden voor ouderen en mensen met een lichte handicap.

Momenteel wordt in opdracht van het ministerie van VROM onderzoek afgerond naar aspecten van een zogenaamde «levensloopbestendige woning en woonomgeving». Doel van dit onderzoek is beter in beeld te krijgen aan welke voorwaarden de woning c.q. woonomgeving moet voldoen om geschikt te zijn voor iedere levensfase van een huishouden.

Het seniorenlabel, zoals dat door de Stuurgroep Experimenten Volkshuisvesting en de ouderenbonden is ontwikkeld, geeft aan wat door de oudere woonconsument zelf belangrijk wordt gevonden. Er bestaan gedachten om de reeds bestaande consumenteneisen op het gebied van levensloopbestendigheid, sociale veiligheid, duurzaamheid en gebruikscomfort te integreren. Voor marktpartijen is dit een belangrijk gegeven bij het bouwen van nieuwe woningen die ook op langere termijn de benodigde woonkwaliteit bieden.

Vraag van het lid Batenburg:

Het komt in ons land nog al eens voor dat gebouwen en woningen reeds na 25 jaar moeten worden afgebroken wegens gebruik van inferieure materialen en ondeugdelijke opzet voor het gebruik. Is hier sprake van onnodige kapitaalvernietiging?

Antwoord:

Het is verstandig, zowel vanuit economisch en milieutechnisch oogpunt, de levensduur van materialen en gebouwen af te stemmen op de economische levensduur van een gebouw. In het Nationaal Milieubeleidsplan 3 wordt aangegeven dat levensduurverlenging van gebouwen in dat opzicht moet worden nagestreefd. In dit kader wordt – binnen het Implementatieplan Bouw- en Sloopafval – een afwegingsmodel ontwikkeld voor beslissingen over sloop/nieuwbouw versus renovatie en herbestemming. Per 1 januari 1999 zal een voorbeeldprogramma starten (budget ca. f 30 mln) ter stimulering van industrieel, flexibel en demontabel bouwen. Dit programma richt zich met name op de opdrachtgevers in de bouw.

In het stedelijk vernieuwingsbeleid wordt grote nadruk gelegd op de bouw van woningen en voorzieningen met toekomstwaarde, afgestemd op de wensen van de consument en vergroting van de leefbaarheid. De noodzakelijke kwaliteitsverbeteringen in de openbare ruimte en het proces van verandering en aanpassing worden dan ook met rijksbijdragen ondersteund. Dit heeft tevens effect op de toekomstwaarde – en dus levensduur – van de bestaande woningen en gebouwen.

Vraag van het lid Bierman:

Wat is de stand van zaken m.b.t. luchtschepen?

Antwoord:

Er is een marktverkenning uitgevoerd die een positief resultaat te zien gaf. Op dit moment loopt een onderzoek naar (productie)kosten dat binnenkort afgerond zal worden.

Het ministerie van Economische Zaken is verantwoordelijk voor de uitvoering van dat onderzoek. Een en ander geschiedt in nauw overleg met het ministerie van Verkeer en Waterstaat, waar de coördinatie van het rijksbeleid met betrekking tot luchtschepen berust.

Vraag van het lid Van Leeuwen (CDA): Mogen wij aannemen dat onrechtvaardigheden voor de grensgebieden in de waterschade-regeling zullen worden weggenomen?

Antwoord:

Het Kabinet is van oordeel dat de geleden schade in veel gebieden en bedrijven het normale bedrijfsrisico overstijgt.

Er is derhalve aanleiding voor een schadevergoeding van overheidswege.

De getroffen voorzieningen zijn gunstig ontvangen door het regionale bedrijfsleven.

Vandaag ontvangt de Tweede Kamer een brief van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij over de definitieve schaderegelingen.

Van deze brief ontvangt uw Kamer uiteraard een afschrift.

Hedenavond (woensdag) debatteert de Tweede Kamer over de regelingen.

Naar boven