Gemeenteblad van Maashorst
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Maashorst | Gemeenteblad 2026, 78665 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Maashorst | Gemeenteblad 2026, 78665 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Deze publicatie bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst. Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
De publicatie wordt standaard getoond met verschilmarkering. Door te kiezen voor ‘Was’ of ‘Wordt’ kunt u de voormalige of vernieuwde tekst op zichzelf bekijken.
Toon versie van document
Dit document bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst.
Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
Dit ontwerp besluit betreft de wijzigingen in 'bijlage A'.
A
Hoofdstuk 12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
B
Hoofdstuk 13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
C
Hoofdstuk 14 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
D
Hoofdstuk 15 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
E
Hoofdstuk 16 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
F
Hoofdstuk 17 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
G
Hoofdstuk 18 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
H
Hoofdstuk 19 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
I
Hoofdstuk 20 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
J
Na hoofdstuk 20 worden tien hoofdstukken ingevoegd, luidende:
K
Hoofdstuk 11 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Titel 21.2 gaat over activiteiten binnen de locatie omklap N605 Volkel behalve waar deze titel aangeeft, dat regels voor een andere locatie gelden.
Voor zover de regels in titel 21.2 afwijken van de regels in hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan, gaan de regels in titel 21.2 voor.
Voor zover de regels in titel 21.2 in strijd zijn met regels in andere hoofdstukken dan hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan, gelden de regels uit deze titel.
Begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op deze titel.
Voor de toepassing van deze titel van het omgevingsplan gelden aanvullend op de begripsbepalingen als genoemd in lid 1 de volgende begripsbepalingen:..
aardkundige waarden en kenmerken: waarden en kenmerken van een gebied die vanwege geologische, geomorfologische, bodemkundige en (geo)hydrologische verschijnselen en processen en vanwege de natuurlijke ontstaansgeschiedenis van de bodem van belang zijn;
archeologisch monument: terrein dat deel uitmaakt van cultureel erfgoed vanwege de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen;
archeologisch onderzoek: onderzoek (gravend) verricht door of namens de gemeente of door een dienst, bedrijf of instelling, beschikkend over een opgravingvergunning ex artikel 45 van de Monumentenwet en werkend volgens de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA). Met de invoering van de Erfgoedwet (1 juli 2016) is de opgravingsvergunning voor bedrijven en instellingen die gravend onderzoek uitvoeren gewijzigd in een certificaat, te verlenen door een certificerende instelling;
archeologische verwachting: de aan een gebied toegekende verwachting in verband met de kans op het voorkomen van een archeologisch monument;
archeologische waarden: de aan een gebied toegekende waarde in verband met een in dat gebied voorkomend archeologisch monument;
bebouwing: één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde;
bestaand:
de bebouwing, zoals rechtens aanwezig op het tijdstip waarop het plan rechtskracht heeft verkregen, dan wel mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip verleende omgevingsvergunning;
het gebruik van grond en bebouwing, zoals rechtens aanwezig op het tijdstip waarop het plan rechtskracht heeft verkregen, dan wel het gebruik dat is toegestaan krachtens een voor dat tijdstip verleende omgevingsvergunning.
bouwwerk, geen gebouw zijnde (ander bouwwerk): elk bouwwerk, dat niet toegankelijk is voor mensen, niet overdekt is en geen wanden heeft;
extensief recreatief medegebruik: extensieve vormen van dagrecreatie die ondergeschikt zijn aan de functie van de bestemming waarbinnen dit recreatieve gebruik is toegestaan, die een kortstondig karakter hebben en in de openlucht plaatsvinden, zoals wandelen, fietsen, paardrijden, kanoën, paramotorvliegen en kleinschalige recreatieve luchtvaart voor zover het starten en landen betreft;
extensieve recreatie: die vormen van recreatie welke in hoofdzaak zijn gericht op natuur- en landschapsbeleving, zoals fietsen en wandelen;
funnel: obstakelvrije zone rond een start- en landingsbaan voor de vliegveiligheid;
gebiedsontsluitingsweg: een weg die is ontworpen of aangewezen om een gebied aan te sluiten op wegen van hogere orde;
kruisbeeld: een monumentaal beeld van het lichaam van de gekruisigde Christus bevestigd op een kruis;
landschappelijke waarden en kenmerken: gebruikswaarde, belevingswaarde, toekomstwaarde en herkomstwaarde van het landschap, gericht op ruimtelijke, ecologische, cultuurhistorische en recreatieve aspecten;
molenbiotoop: de omgeving van een molen die van belang is voor een goede windvang;
natuurwaarden: waarden in verband met de aanwezigheid van bijzondere planten, dieren en leefgemeenschappen in onderlinge samenhang en in samenhang met hun leefomgeving (biotoop) en welke verband houden met zaken als verscheidenheid/zeldzaamheid, natuurlijkheid/ongestoordheid en kenmerkend voor het gebied;
nutsvoorziening: een voorziening ten behoeve van de telecommunicatie en de gas-, water- en elektriciteitsdistributie, alsmede soortgelijke voorzieningen van openbaar nut, waaronder in ieder geval worden begrepen transformatorhuisjes, pompstations, gemalen, telefooncellen en zendmasten;
omgevingskwaliteit: de kwaliteit van een plek of gebied die bepaald wordt door een goed samenspel van herkomstwaarde, belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde;
omgevingsplan: omgevingsplan van de gemeente Maashorst;
parkeervoorziening: elke al dan niet overdekte stallingsgelegenheid ten behoeve van voertuigen;
radarverstoringsgebied: gebied waar beperkingen gelden ten aanzien van bestemmingsplannen ten behoeve van een goede werking van de radar op het radarstation;
watergang: een werk al of niet overdekt, dienend om in het openbaar belang water te ontvangen, te bergen, af te voeren en toe te voeren, de boven water gelegen taluds, bermen en onderhoudspaden daaronder mede verstaan;
waterhuishoudkundige voorzieningen: voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede waterkering, wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, waterinfiltratie en waterkwaliteit. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan infiltratievoorzieningen (zoals infiltratiekratten, wadi's, infiltratiegreppels, doorlatende bestrating en infiltratie- en transportriolen), dijken, dammen, grondwallen, duikers, stuwen, gemalen, inlaten en dergelijke;
weg: een voor het openbaar verkeer openstaande weg of pad, met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten.
De regels in deze titel van het omgevingsplan gelden binnen het hele grondgebied dat in die regels is aangewezen, tenzij in de regels is bepaald dat deze in een beperkter gebied gelden.
De geografische werkingsgebieden van deze titel staan in bijlage II.
Artikel 21.6 Aanwijzing beperkingengebieden militaire vliegtuigen – funnels
Er is een beperkingengebied militaire vliegtuigen - funnel 5 (N605).
Er is een beperkingengebied militaire vliegtuigen - funnel 6 (N605).
Er is een beperkingengebied militaire vliegtuigen - funnel 7 (N605).
Er is een beperkingengebied militaire vliegtuigen - funnel 8 (N605).
Er is een beperkingengebied militaire vliegtuigen - funnel 9 (N605).
Er is een beperkingengebied militaire vliegtuigen - funnel 10 (N605).
Artikel 21.7 Aanwijzing beperkingengebieden militaire vliegtuigen – ils
Er is een beperkingengebied militaire vliegtuigen - ils 4 (N605).
Er is een beperkingengebied militaire vliegtuigen - ils 5 (N605).
Er is een beperkingengebied militaire vliegtuigen - ils 6 (N605).
Artikel 21.8 Aanwijzing beperkingengebied militaire vliegtuigen – radar
Er is een beperkingengebied militaire vliegtuigen - radar (N605).
Artikel 21.9 Aanwijzing locatie molenbiotoop
Er is een beperkingengebied molenbiotoop (N605).
Artikel 21.11 Aanwijzing locatie aardkundige waarden
Er is een locatie aardkundig waardevol gebied (N605).
Artikel 21.12 Aanwijzing locaties archeologie
Er is een locatie archeologie 2 (N605).
Er is een locatie archeologie 3 (N605).
Artikel 21.13 Aanwijzing geluidzone luchtvaart
Er is een locatie geluidzone - luchtvaart 40-45 ke (N605).
Er is een locatie geluidzone - luchtvaart 45-65 ke (N605).
Artikel 21.14 Aanwijzing geluidzone industrie
Er is een locatie geluidzone - industrie (N605).
Artikel 21.15 Toepassingsbereik
Deze afdeling gaat over het verrichten van gebruiksactiviteiten binnen de locatie omklap N605 Volkel.
Aan de regels van deze afdeling wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.
Artikel 21.17 Toepassingsbereik
Deze paragraaf gaat over het gebruik van gronden en bouwwerken binnen de locatie weg (N605).
Artikel 21.18 Gebruik en inrichting van gronden
Het is toegestaan gronden en bouwwerken te gebruiken en in te richten voor de in deze paragraaf toegelaten gebruiksactiviteiten. Hieronder wordt in ieder geval verstaan het gebruik en de inrichting van gronden voor:
een regionale gebiedsontsluitingsweg (GOW80, type II) die voldoet aan de ontwerprichtlijnen van de CROW en de principes van Duurzaam Veilig;
met deze weg verband houdende voorzieningen zoals op- en afritten, opstelstroken, aansluitende erftoegangswegen, kruispunten en rotondes, vluchthavens, bermen, openbare verlichting, bewegwijzering, wegmeubilair, verkeersregelinstallaties en overige verkeersvoorzieningen;
fiets- en voetpaden met hiermee verband houdende voorzieningen;
geluidsreducerende voorzieningen zoals geluidschermen;
groenvoorzieningen;
nutsvoorzieningen;
water en waterhuishoudkundige voorzieningen; en
bijbehorende voorzieningen, zoals wildbegeleidende voorzieningen en faunapassages.
Artikel 21.19 Toegelaten gebruiksactiviteiten
Binnen de locatie weg (N605) is het toegestaan gronden en bouwwerken te gebruiken voor:
Artikel 21.20 Toepassingsbereik
Deze paragraaf gaat over het gebruik van gronden en bouwwerken binnen de locatie landschappelijke inpassing (N605).
Artikel 21.21 Gebruik en inrichting van gronden
Het is toegestaan om gronden en bouwwerken te gebruiken en in te richten voor de in deze paragraaf toegelaten gebruiksactiviteiten. Hieronder wordt in ieder geval verstaan het gebruik en de inrichting van gronden voor:
de landschappelijke inpassing van wegen;
met de weg verband houdende voorzieningen zoals bermen, openbare verlichting, bewegwijzering, wegmeubilair, verkeersregelinstallaties en overige verkeersvoorzieningen;
het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van het groen, de landschapselementen, natuurwaarden en bijbehorende groeiplaats in het algemeen;
het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke waarden en natuurwaarden, zoals brede landschappelijke structuren;
fiets- en voetpaden met hiermee verband houdende voorzieningen;
geluidsreducerende voorzieningen zoals geluidschermen;
het behoud van paden en wegen;
voorzieningen voor verblijf en parkeren;
water en waterhuishoudkundige voorzieningen; en
nutsvoorzieningen.
Artikel 21.22 Toegelaten gebruiksactiviteiten
Binnen de locatie landschappelijke inpassing (N605) is het toegestaan gronden en bouwwerken te gebruiken voor:
Artikel 21.23 Voorwaardelijke verplichting landschapsmaatregelen
Het is uitsluitend toegestaan de weg zoals bedoeld in artikel 21.19 te gebruiken, als de landschapsmaatregelen zoals opgenomen in het Landschapsplan en Beeldkwaliteitsplan in bijlage III volledig en overeenkomstig de daarin gestelde eisen binnen 2 jaar na openstelling van de weg zijn gerealiseerd en duurzaam beheerd en in stand worden gehouden.
Artikel 21.24 Voorwaardelijke verplichting landschapsmaatregelen - vergunningplicht
Het is verboden zonder omgevingsvergunning andere landschapsmaatregelen te realiseren dan bedoeld in artikel 21.23.
Artikel 21.25 Voorwaardelijke verplichting landschapsmaatregelen - beoordelingsregels
Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 21.24 wordt verleend als wordt voldaan aan de volgende leden in dit artikel.
De uitvoering van het Landschapsplan en Beeldkwaliteitsplan is op onderdelen redelijkerwijs niet mogelijk.
Er wordt een naar aard en omvang gelijkwaardige landschappelijke inpassing bereikt.
Artikel 21.26 Voorwaardelijke verplichting landschapsmaatregelen - voorschriften aan omgevingsvergunning
Er kunnen aan de omgevingsvergunning in artikel 21.24 voorschriften worden verbonden die de realisatie van de landschapsmaatregelen in het eerste lid op een andere wijze mogelijk maakt.
Artikel 21.27 Voorwaardelijke verplichting geluidsreducerende maatregelen
Het is uitsluitend toegestaan de weg zoals bedoeld in artikel 21.19 te gebruiken, als de geluidsreducerende maatregelen zoals opgenomen in het Landschapsplan en Beeldkwaliteitsplan in bijlage III volledig en overeenkomstig de daarin gestelde eisen zijn gerealiseerd en duurzaam beheerd en in stand worden gehouden.
Artikel 21.28 Voorwaardelijke verplichting geluidsreducerende maatregelen - vergunningplicht
Het is verboden zonder omgevingsvergunning andere geluidsreducerende maatregelen te realiseren dan bedoeld in artikel 21.27.
Artikel 21.29 Voorwaardelijke verplichting geluidsreducerende maatregelen - beoordelingsregels
Een omgevingsvergunning in artikel 21.28 wordt alleen verleend als: het geluid van de weg op de geluidgevoelige gebouwen in het geluidaandachtsgebied van de weg aanvaardbaar blijft.
Artikel 21.30 Voorwaardelijke verplichting geluidsreducerende maatregelen – voorschriften aan omgevingsvergunning
Er kunnen aan de omgevingsvergunning in artikel 21.28 voorschriften worden verbonden die de realisatie van de geluidsreducerende maatregelen in het eerste lid op een andere wijze mogelijk maakt.
Artikel 21.31 Voorwaardelijke verplichting geluidsreducerende maatregelen - aanvraagvereisten
Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 21.28, wordt een rapport meegestuurd met akoestisch onderzoek naar de geluidbelasting op de geluidgevoelige gebouwen in het geluidaandachtsgebied van de weg.
Artikel 21.32 Toepassingsbereik
Deze paragraaf gaat over het gebruik van gronden en bouwwerken binnen de locatie water (N605).
Artikel 21.33 Gebruik en inrichting van gronden
Het is toegestaan om gronden en bouwwerken te gebruiken en in te richten voor de in deze paragraaf toegelaten gebruiksactiviteiten. Hieronder wordt in ieder geval verstaan het gebruik en de inrichting van gronden voor:
Artikel 21.34 Toegelaten gebruiksactiviteiten
Binnen de locatie water (N605) is het toegestaan gronden en bouwwerken te gebruiken voor:
Artikel 21.35 Toepassingsbereik
Deze paragraaf gaat over het gebruik van gronden en bouwwerken binnen de locatie waterleiding (N605).
Artikel 21.36 Gebruik en inrichting van gronden
Het is binnen de locatie waterleiding (N605) toegestaan om gronden en bouwwerken te gebruiken en in te richten voor de in deze paragraaf toegelaten gebruiksactiviteiten. Hieronder wordt in ieder geval verstaan het gebruik en de inrichting van gronden voor: groenvoorzieningen.
Artikel 21.37 Toegelaten gebruiksactiviteiten
Binnen de locatie waterleiding (N605) is het toegestaan gronden en bouwwerken te gebruiken voor:
Artikel 21.38 Toepassingsbereik
Deze afdeling gaat over het verrichten van bouwactiviteiten en het in stand houden van bouwwerken op de locatie omklap N605 Volkel.
Artikel 21.39 Bouwen ten behoeve van gebruiksactiviteiten
Het bouwen van een bouwwerk is alleen toegestaan als de gebruiksactiviteit waarvoor het bouwwerk wordt gebouwd ter plaatse is toegestaan op grond van AFDELING 21.2.3.
Aan de regels van deze afdeling wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.
Artikel 21.41 Anti-dubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Bij het bouwen van bouwwerken wordt op de volgende manier gemeten:
bouwhoogte van een bouwwerk: de bouwhoogte van een bouwwerk wordt gemeten vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
inhoud van een bouwwerk: de inhoud van een bouwwerk wordt gemeten tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
lengte, breedte en diepte bouwwerk: de lengte, breedte en diepte van een bouwwerk worden gemeten tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de gemeenschappelijke scheidsmuren).
ondergrondse bouwdiepte van een bouwwerk: de ondergrondse bouwdiepte van een bouwwerk wordt gemeten vanaf het peil tot het diepste punt van het bouwwerk, de fundering niet meegerekend.
oppervlakte van een bouwwerk: de oppervlakte van een bouwwerk wordt gemeten tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
Peil: het peil is:
voor onbebouwde terreinen: de hoogte van de kruin van de aan het bouwperceel grenzende weg;
voor bebouwde terreinen als het peil van een bestaand hoofdgebouw afwijkt van het onder a bedoelde peil: het peil van het bestaande hoofdgebouw;
in andere gevallen: het door of namens het college van burgemeester en wethouders vast te stellen peil.
Artikel 21.44 Voorrangsbepaling vergunningplicht bouwactiviteit
In afwijking van het bepaalde in artikel 22.26 gelden voor bouwactiviteiten binnen de locatie omklap N605 Volkel de vergunningplichten zoals opgenomen in § 21.2.4.3.2.
Artikel 21.45 Beoordelingsregels ruimtelijke bouwactiviteiten
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een vergunningplichtige bouwactiviteit als bedoeld in § 21.2.4.3.2, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als:
de activiteit niet in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken; en,
het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing als:
het gaat om een gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn; of
het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder b, toch moet worden verleend.
Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing als:
Artikel 21.46 Aanvraagvereisten ruimtelijke bouwactiviteiten
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een opgave van de bouwkosten;
het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft;
een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft;
een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:
de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;
de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;
de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;
de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en
het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bouwwerk;
de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil;
de inrichting van parkeervoorzieningen op het eigen terrein;
de volgende gegevens en bescheiden voor de toetsing aan de regels over redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet:
tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past;
principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk;
kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en
een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking;
overige gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan dit omgevingsplan.
Artikel 21.48 Bouwen van een sport- en of speeltoestel – algemene regels
Het bouwen van een sport- of speeltoestel is alleen toegestaan als wordt voldaan aan de volgende leden in dit artikel.
Het sport- of speeltoestel is niet alleen voor privégebruik.
De bouwhoogte is maximaal 4 meter.
De constructie van het sport- speeltoestel werkt alleen met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens.
Artikel 21.49 Bouwen van buisleiding – algemene regels
Het is toegestaan om een buisleiding anders dan een buisleiding als bedoeld in artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4°, van het Besluit bouwwerken leefomgeving te bouwen.
Artikel 21.50 Veranderen van een bouwwerk – algemene regels
Het is toegestaan om een bouwwerk te veranderen als wordt voldaan aan de volgende leden in dit artikel.
De bebouwde oppervlakte wordt niet uitgebreid.
Het bouwvolume wordt niet uitgebreid.
Het gaat niet om een bouwwerk waarvoor in artikel 2.29, onder b tot en met r, van het Besluit bouwwerken leefomgeving eisen zijn opgenomen en waaraan dat bouwwerk niet voldoet.
Artikel 21.51 Bouwen van een bouwwerk binnen de locatie landschappelijke inpassing – algemene regels
Het is toegestaan om binnen de locatie landschappelijke inpassing (N605) een bouwwerk, geen gebouw zijnde, te bouwen als wordt voldaan aan het Landschapsplan en Beeldkwaliteitsplan zoals opgenomen in bijlage III van deze regels.
Artikel 21.52 Bouwen van recreatieve voorziening binnen de locatie landschappelijke inpassing – algemene regels
Het is toegestaan om binnen de locatie landschappelijke inpassing (N605) eenvoudige, kleinschalige voorzieningen in de vorm van bouwwerken ten behoeve van het beheer en/of extensief recreatief medegebruik te bouwen als wordt voldaan aan de volgende leden van dit artikel.
De bouwhoogte is maximaal 4 meter en voor hekwerken maximaal 2 meter.
De oppervlakte is maximaal 20 m2.
Artikel 21.53 Bouwen van bouwwerken binnen de locatie landschappelijke inpassing – vergunningplicht
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen binnen de locatie landschappelijke inpassing (N605) die niet voldoet aan artikel 21.51 en artikel 21.52.
Artikel 21.54 Bouwen van bouwwerken binnen de locatie landschappelijke inpassing - beoordelingsregels
Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 21.53 wordt verleend als wordt voldaan aan de volgende leden in dit artikel.
De bouw van eenvoudige voorzieningen voor extensief recreatief medegebruik, in de vorm van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met een hogere bouwhoogte tot 8 meter is toegestaan, waarbij de in artikel 21.21, aangegeven waarden niet onevenredig mogen worden aangetast en de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad.
De maximale bouwhoogte van een geluidsvoorziening is 4 meter.
Artikel 21.55 Bouwen van bouwwerk binnen de locatie water – algemene regels
Het is toegestaan om binnen de locatie water (N605) een bouwwerk, geen gebouwen zijnde, te bouwen als wordt voldaan aan de volgende leden van dit artikel.
De bouwhoogte is maximaal 6 meter.
De oppervlakte is maximaal 25 m2.
Artikel 21.56 Bouwen van bouwwerk binnen de locatie waterleiding – algemene regels
Het is toegestaan om binnen de locatie waterleiding (N605) een bouwwerk, geen gebouwen zijnde, te bouwen als wordt voldaan aan de volgende leden van dit artikel.
Het bouwwerk is voor de aanleg en instandhouding van de ondergrondse watertransportleiding.
De bouwhoogte is maximaal 3 meter.
Artikel 21.57 Bouwen van bouwwerken binnen de locatie waterleiding - aanvullende beoordelingsregels
Voor zover de aanvraag ziet op een bouwwerk binnen de locatie waterleiding (N605) wordt een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk binnen de locatie landschappelijke inpassing (N605) als bedoeld in artikel artikel 21.53 verleend als het behoud van een veilige ligging en de continuïteit van de waterleiding zijn gewaarborgd.
Artikel 21.58 Bouwen van bouwwerken binnen de locatie waterleiding – inwinning advies
Voor zover de aanvraag ziet op een bouwwerk binnen de locatie waterleiding (N605) wordt - voordat op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk binnen de locatie landschappelijke inpassing (N605) als bedoeld in artikel 21.53 wordt beslist - schriftelijk advies ingewonnen bij de leidingbeheerder.
Artikel 21.59 Bouwen van bouwwerk binnen de locatie vliegtuig – algemene regels
Het is toegestaan om binnen de locatie vliegtuig (N605) een vliegtuig tentoon te stellen.
Artikel 21.60 Bouwen van bouwwerk binnen de locatie kruisbeeld – algemene regels
Het is toegestaan om binnen de locatie kruisbeeld (N605) een kruisbeeld te bouwen met een bouwhoogte van maximaal 4 meter.
Artikel 21.61 Bouwen van verkeers- en nutsvoorzieningen binnen de locatie weg – algemene regels
Het bouwen van verkeers- en nutsvoorzieningen binnen de locatie weg (N605) is toegestaan als wordt voldaan aan de volgende leden in dit artikel.
De maximale bouwhoogte van lichtmasten, palen, masten en portalen voor geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer is 12 meter.
De maximale bouwhoogte van signalerings- en telecommunicatiemasten is 40 meter.
De maximale bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is 4 meter.
Artikel 21.62 Bouwen van een fietstunnel binnen de locatie fietstunnel – vergunningplicht
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een fietstunnel te bouwen binnen de locatie fietstunnel (N605).
Artikel 21.63 Bouwen van een fietstunnel binnen de locatie fietstunnel - beoordelingsregels
Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 21.62 voor de bouw van een fietstunnel wordt verleend als wordt voldaan aan de volgende leden in dit artikel.
Negatieve effecten voor de geologische, geomorfologische, bodemkundige en (geo)hydrologische waarden van het Peelrandbreukstelsel worden zoveel mogelijk worden voorkomen, en voor zover dat niet mogelijk is, beperkt.
Aantasting van wijst, ontstaan als gevolg van het Peelbreukrandstelsel, wordt zoveel mogelijk voorkomen, en voor zover dat niet mogelijk is, beperkt.
Beschadiging van breuken van het Peelrandbreukstelsel in de ondergrond wordt zoveel mogelijk voorkomen, en voor zover dat niet mogelijk is, beperkt.
Artikel 21.64 Bouwen van een fietstunnel binnen de locatie fietstunnel – aanvraagvereisten
Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 21.62 voor de bouw van een fietstunnel wordt een detailonderzoek meegestuurd naar de aanwezigheid, ligging en kwetsbaarheid van wijst, afgestemd op het definitieve ontwerp en de voorgenomen wijze van uitvoering van de fietstunnel.
Indien uit het in lid 1 bedoelde detailonderzoek blijkt dat sprake is van wijst, dan wordt bij de aanvraag ook een maatregelenpakket meegestuurd om aantasting van wijst zoveel mogelijk te beperken voor zover dit technisch uitvoerbaar is binnen het gekozen ontwerp, met een onderbouwing waaruit blijkt op welke wijze de voorgestelde maatregelen de aantasting van wijst minimaliseren.
Artikel 21.65 Bouwen van een fietstunnel binnen de locatie fietstunnel – voorschriften en informatieplicht
Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 21.62, kunnen de volgende voorschriften worden verbonden:
Indien toepassing is gegeven aan het eerste lid onder b, wordt het bevoegd gezag onverwijld geïnformeerd over eventuele afwijkingen.
Het bevoegd gezag kan voorschriften stellen om:
Artikel 21.66 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf gaat over het bouwen binnen de beperkingengebieden militaire vliegtuigen - funnel 5 (N605), militaire vliegtuigen - funnel 6 (N605),militaire vliegtuigen - funnel 7 (N605), militaire vliegtuigen - funnel 8 (N605), militaire vliegtuigen - funnel 9 (N605) en militaire vliegtuigen - funnel 10 (N605).
Deze subparagraaf gaat over het bouwen binnen de beperkingengebieden militaire vliegtuigen - ils 4 (N605), militaire vliegtuigen - ils 5 (N605) en militaire vliegtuigen - ils 6 (N605).
Deze subparagraaf gaat over het bouwen binnen het beperkingengebied militaire vliegtuigen - radar (N605).
Artikel 21.67 Bouwen in beperkingengebieden militaire vliegtuigen – funnels – algemene regels
Er zijn in het beperkingengebied militaire vliegtuigen - funnel 5 (N605) gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegelaten met een maximale bouwhoogte van 35 m +NAP.
Er zijn in het beperkingengebied militaire vliegtuigen - funnel 6 (N605) gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegelaten met een maximale bouwhoogte van 40 m +NAP.
Er zijn in het beperkingengebied militaire vliegtuigen - funnel 7 (N605) gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegelaten met een maximale bouwhoogte van 45 m +NAP.
Er zijn in het beperkingengebied militaire vliegtuigen - funnel 8 (N605) gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegelaten met een maximale bouwhoogte van 50 m +NAP.
Er zijn in het beperkingengebied militaire vliegtuigen - funnel 9 (N605) gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegelaten met een maximale bouwhoogte van 55 m +NAP.
Er zijn in het beperkingengebied militaire vliegtuigen - funnel 10 (N605) gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegelaten met een maximale bouwhoogte van 64 m +NAP.
Artikel 21.68 Bouwen in beperkingengebieden militaire vliegtuigen – ils – algemene regels
Er zijn in het beperkingengebied militaire vliegtuigen - ils 4 (N605) gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegelaten met een maximale bouwhoogte van 31,80 meter +NAP.
Er zijn in het beperkingengebied militaire vliegtuigen - ils 5 (N605) gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegelaten met een maximale bouwhoogte van 41,80 meter +NAP.
Er zijn in het beperkingengebied militaire vliegtuigen - ils 6 (N605) gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegelaten met een maximale bouwhoogte van 51,80 meter +NAP.
Artikel 21.69 Bouwen in beperkingengebieden militaire vliegtuigen – ils – vergunningplicht
Het is verboden zonder omgevingsvergunning hogere objecten in, op of boven de grond te bouwen die niet voldoen aan artikel 21.68.
Artikel 21.70 Bouwen in beperkingengebieden militaire vliegtuigen – ils – beoordelingsregels
Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 21.69 wordt verleend als de objecten de militaire zend- en ontvangstinstallatie, in het bijzonder het Instrument Landing System (ILS), niet verstoren.
Artikel 21.71 Bouwen in beperkingengebieden militaire vliegtuigen – ils – inwinning advies
Voordat op een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 21.69 wordt beslist, wordt schriftelijk advies ingewonnen bij de beheerder van de installatie.
Artikel 21.72 Bouwen in beperkingengebied militaire vliegtuigen – radar – verbod
Het is verboden om binnen een straal van 15 km vanaf de radar van de militaire luchthaven een gebouw te bouwen waarvan de bouwhoogte de maximale hoogte van bouwwerken, als bedoeld in de tabel in bijlage XIV, onder E, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, overschrijdt.
Het is verboden om binnen een straal van 15 tot 75 km vanaf de radar van de militaire luchthaven een windturbine te bouwen met een tiphoogte die de maximale hoogte van windturbines, als bedoeld in de tabel in bijlage XIV, onder E, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, overschrijdt.
Artikel 21.73 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf gaat over het bouwen binnen het beperkingengebied molenbiotoop (N605).
Artikel 21.74 Bouwen in de molenbiotoop – vergunningplicht
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een gebouw of een bouwwerk, geen gebouw zijnde, te bouwen binnen de locatie molenbiotoop (N605).
Artikel 21.75 Bouwen in de molenbiotoop – beoordelingsregels
Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 21.74 wordt verleend als wordt voldaan aan de volgende leden in dit artikel.
Binnen de zone van 100 meter gemeten vanaf de molen mogen geen bouwwerken worden gebouwd die hoger zijn of beplanting worden gerealiseerd die hoger is dan de hoogte van het onderste punt van de verticaal staande wiek van de molen (het verschil tussen de askophoogte en de lengte van één wiek).
Binnen de zone gemeten van 100 meter vanaf de molen tot een afstand van 500 m gemeten vanaf de molen, mogen geen hogere bouwwerken worden gebouwd dan door middel van de formule H=X/75+0,2*Z wordt bepaald, waarin:
Hogere bouwwerken zijn toegestaan, mits:
de vrije windvang of het zicht op de molen al zijn beperkt vanwege aanwezige bebouwing en de windvang en het zicht op de molen niet aantoonbaar verder worden beperkt vanwege de nieuw op te richten bouwwerken;
toepassing van de in lid 2 en 3 bedoelde afstands- en hoogtematen de belangen in verband met de nieuw op te richten bouwwerken onevenredig zouden schaden.
Artikel 21.76 Bouwen in de molenbiotoop – inwinning advies
Voordat op een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 21.75, vierde lid wordt beslist, wordt schriftelijk advies ingewonnen bij de molendeskundige.
Artikel 21.77 Toepassingsbereik
Deze paragraaf gaat over het bouwen binnen de locaties geluidzone - luchtvaart 40-45 ke (N605) en geluidzone - luchtvaart 45-65 ke (N605).
Artikel 21.78 Bouwen binnen de geluidzones luchtvaart
In de geluidzone - luchtvaart 40-45 ke (N605) zijn geen nieuwe woningen of andere geluidgevoelige gebouwen toegestaan indien niet wordt voldaan aan artikel 6 van het Besluit militaire luchthavens.
In de geluidzone - luchtvaart 45-65 ke (N605) zijn geen nieuwe woningen of andere geluidgevoelige gebouwen toegestaan indien niet wordt voldaan aan artikel 7 van het Besluit militaire luchthavens.
Er is geen gedeeltelijk verandering of gedeeltelijke vernieuwing van bestaande woningen, waaronder nog niet bestaande woningen maar voor de bouw waarvan wel reeds de omgevingsvergunning is verleend, toegestaan indien niet wordt voldaan aan artikel 9 van het Besluit militaire luchthavens.
Er is geen gedeeltelijk verandering of gedeeltelijke vernieuwing van bestaande andere geluidgevoelige gebouwen, waaronder nog niet bestaande geluidgevoelige gebouwen maar voor de bouw waarvan wel reeds de omgevingsvergunning is verleend, toegestaan indien niet wordt voldaan aan artikel 11 van het Besluit militaire luchthavens.
Artikel 21.79 Toepassingsbereik
Deze paragraaf gaat over het bouwen binnen de locatie geluidzone - industrie (N605).
Artikel 21.80 Bouwen binnen de geluidzone industrieterrein
In de geluidzone - industrie (N605) - die op grond van artikel 12.7, derde lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving bestaat uit de krachtens artikel 40 van de Wet geluidhinder vastgestelde geluidzone - zijn geen nieuwe woningen of andere geluidgevoelige gebouwen toegestaan indien de geluidsbelasting op die woningen of andere gebouwen niet aanvaardbaar is.
Artikel 21.81 Toepassingsbereik
Deze paragraaf gaat over het bouwen binnen de locatie archeologie 2 (N605).
Artikel 21.82 Bouwen binnen de locatie archeologie 2 – algemene regels
Bouwwerken binnen de locatie archeologie 2 (N605) zijn alleen toegestaan als wordt voldaan aan de volgende leden in dit artikel.
Bouwwerken die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van de wijziging van het omgevingsplan conform deze titel zijn toegestaan.
Bouwwerken die mogen worden gerealiseerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning zijn toegestaan.
Een tijdelijk bouwwerk dat uitsluitend voor archeologisch onderzoek is bestemd met een maximale bouwhoogte van 3 meter is toegestaan.
Artikel 21.83 Bouwen binnen de locatie archeologie 2 – vergunningplicht
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een gebouw of een bouwwerk, geen gebouw zijnde, te bouwen binnen de locatie aardkundig waardevol gebied (N605) die niet voldoet aan artikel 21.82.
Artikel 21.84 Bouwen binnen de locatie archeologie 2 – beoordelingsregels
Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 21.83 wordt verleend als wordt voldaan aan de volgende leden in dit artikel.
De ver-/nieuwbouw van bestaande gebouwen, waarbij de bestaande oppervlakte van het gebouw niet wordt vergroot, is toegestaan.
De bouw van een bouwwerk waarvan de oppervlakte kleiner is dan 250 m² of minder diep reikt dan 0,40 meter beneden maaiveld, is toegestaan.
De bouw van gebouwen is toegestaan indien is gebleken dat het oprichten van gebouwen niet zal leiden tot een verstoring van de archeologische waarden.
De archeologische waarden van de gronden worden door het verlenen van de omgevingsvergunning niet verstoord, al dan niet doordat met het verbinden van voorschriften aan de omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 21.83, de archeologische waarden veilig worden gesteld.
Artikel 21.85 Bouwen binnen de locatie archeologie 2 – voorschriften aan omgevingsvergunning
Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 21.83, voor zover deze de ver-/nieuwbouw van bestaande gebouwen betreft als bedoeld in artikel 21.84, tweede lid, en deze ver-/nieuwbouw kan leiden tot een verstoring van archeologische resten, kan het bevoegd gezag voorschriften verbinden, zoals:
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, of;
de verplichting tot het doen uitvoeren van opgravingen, of;
de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan een door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
Artikel 21.86 Bouwen binnen de locatie archeologie 2 – aanvraagvereisten
Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 21.83 wordt een rapport meegestuurd, waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld.
Artikel 21.87 Toepassingsbereik
Deze paragraaf gaat over het bouwen binnen de locatie archeologie 3 (N605).
Artikel 21.88 Bouwen binnen de locatie archeologie 3 – algemene regels
Bouwwerken binnen de locatie archeologie 3 (N605) zijn alleen toegestaan als wordt voldaan aan de volgende leden in dit artikel.
Bouwwerken die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van de wijziging van het omgevingsplan conform deze titel zijn toegestaan.
Bouwwerken die mogen worden gerealiseerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning zijn toegestaan.
Een tijdelijk bouwwerk dat uitsluitend voor archeologisch onderzoek is bestemd met een maximale bouwhoogte van 3 meter is toegestaan.
Artikel 21.89 Bouwen binnen de locatie archeologie 3 – vergunningplicht
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een gebouw of een bouwwerk, geen gebouw zijnde, te bouwen binnen de locatie archeologie 3 (N605) die niet voldoet aan artikel 21.88.
Artikel 21.90 Bouwen binnen de locatie archeologie 3 – beoordelingsregels
Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 21.89 wordt verleend als wordt voldaan aan de volgende leden in dit artikel.
De ver-/nieuwbouw van bestaande gebouwen, waarbij de bestaande oppervlakte van het gebouw niet wordt vergroot, is toegestaan.
De bouw van een bouwwerk waarvan de oppervlakte kleiner is dan 2.500 m² of minder diep reikt dan 0,40 meter beneden maaiveld, is toegestaan.
De bouw van gebouwen is toegestaan indien is gebleken dat het oprichten van gebouwen niet zal leiden tot een verstoring van de archeologische waarden.
De archeologische waarden van de gronden worden door het verlenen van de omgevingsvergunning niet verstoord, al dan niet doordat met het verbinden van voorschriften aan de omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 21.89, de archeologische waarden veilig worden gesteld.
Artikel 21.91 Bouwen binnen de locatie archeologie 3 – voorschriften aan omgevingsvergunning
Aan de omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 21.89, voor zover deze de ver-/nieuwbouw van bestaande gebouwen betreft als bedoeld in artikel 21.90, tweede lid, en deze ver-/nieuwbouw kan leiden tot een verstoring van archeologische resten, kan het bevoegd gezag voorschriften verbinden, zoals:
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, of;
de verplichting tot het doen uitvoeren van opgravingen, of;
de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan een door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
Artikel 21.92 Bouwen binnen de locatie archeologie 3 – aanvraagvereisten
Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 21.89 wordt een rapport meegestuurd, waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld.
Artikel 21.93 Toepassingsbereik
Deze paragraaf gaat over aanlegactiviteiten binnen de locatie weg (N605).
Artikel 21.94 Aanleggen binnen de locatie weg – algemene regels
Werken en werkzaamheden zijn alleen toegestaan als wordt voldaan aan de volgende leden in dit artikel.
Werken of werkzaamheden die het normale onderhoud, beheer of gebruik betreffen dan wel werken of werkzaamheden die van ondergeschikte betekenis zijn, zijn toegestaan.
Werken of werkzaamheden ter uitvoering van het gebruik en de inrichting van de gronden als bedoeld in artikel 21.18 zijn toegestaan.
Artikel 21.95 Toepassingsbereik
Deze paragraaf gaat over aanlegactiviteiten binnen de locatie landschappelijke inpassing (N605).
Artikel 21.96 Aanleggen binnen de locatie landschappelijke inpassing – algemene regels
Werken en werkzaamheden zijn alleen toegestaan als wordt voldaan aan de volgende leden in dit artikel.
Werken of werkzaamheden die het normale onderhoud en/of gebruik betreffen dan wel werken of werkzaamheden die van ondergeschikte betekenis zijn, zijn toegestaan.
Werken of werkzaamheden die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van deze titel zijn toegestaan.
Werken of werkzaamheden die mogen worden gerealiseerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning zijn toegestaan.
Werken of werkzaamheden ter uitvoering van de landschapsmaatregelen zoals bedoeld in de voorwaardelijke verplichting als opgenomen in artikel 21.23 zijn toegestaan.
Artikel 21.97 Aanleggen binnen de locatie landschappelijke inpassing – vergunningplicht
Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren die niet voldoen aan artikel 21.96:
het verzetten of vergraven van grond waarbij het maaiveld over meer dan 100 m² wordt gewijzigd of het maaiveld zelf met meer dan 0,20 meter wordt gewijzigd;
het diepploegen, het diepwoelen of het uitvoeren van andere ingrepen in de bodem, waaronder ook begrepen de aanleg van leidingen, allen dieper dan 0,50 meter onder maaiveld, alsmede de aanleg van drainage ongeacht de diepte, tenzij het gaat om vervanging van bestaande drainage;
het verwijderen of rooien van bos-, natuur- en landschapselementen en ander opgaand houtgewas zonder agrarische productiefunctie;
het verwijderen van onverharde wegen of paden; en
het aanleggen en/of verharde van wegen of paden dan wel het aanbrengen van andere niet omkeerbare oppervlakteverhardingen groter dan 100 m², is zonder omgevingsvergunning niet toegestaan.
Artikel 21.98 Aanleggen binnen de locatie landschappelijke inpassing – beoordelingsregels
Een omgevingsvergunning in artikel 21.97 wordt verleend als er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van het groen, de landschapselementen en de bijbehorende groeiplaats, de landschappelijke waarden en de natuurwaarden zoals brede landschappelijke structuren.
Artikel 21.99 Toepassingsbereik
Deze paragraaf gaat over aanlegactiviteiten binnen de locatie water (N605).
Artikel 21.100 Aanleggen binnen de locatie water – algemene regels
Werken en werkzaamheden zijn alleen toegestaan als wordt voldaan aan de volgende leden in dit artikel.
Werken of werkzaamheden die het normale onderhoud en/of gebruik betreffen dan wel werken of werkzaamheden die van ondergeschikte betekenis zijn, zijn toegestaan.
Werken of werkzaamheden die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van deze titel zijn toegestaan.
Werken of werkzaamheden die mogen worden gerealiseerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning zijn toegestaan.
Werken of werkzaamheden ter uitvoering van de landschapsmaatregelen zoals bedoeld in de voorwaardelijke verplichting als opgenomen in artikel 21.23 zijn toegestaan.
Artikel 21.101 Aanleggen binnen de locatie water – vergunningplicht
Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren die niet voldoen aan artikel 21.100:
het verlagen, vergraven, ophogen of egaliseren van de bodem;
het diepploegen, diepwoelen of uitvoeren van andere ingrepen in de bodem, waaronder ook begrepen de aanleg van leidingen, allen dieper dan 0,50 meter onder maaiveld, alsmede de aanleg van drainage ongeacht de diepte, tenzij het gaat om vervanging van bestaande drainage;
het vellen of rooien van bomen;
het verwijderen van landschapselementen;
het verwijderen van onverharde wegen of paden; en
het aanleggen en/of verharde van wegen of paden, dan wel het aanbrengen van andere niet omkeerbare oppervlakteverhardingen groter dan 100 m².
Artikel 21.102 Aanleggen binnen de locatie water – beoordelingsregels
Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 21.101 wordt verleend als er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijk en natuurwaarden van de gronden.
Artikel 21.103 Aanleggen binnen de locatie water – inwinning advies
Voordat op een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 21.101 wordt beslist, wordt schriftelijk advies ingewonnen bij de waterbeheerder, voor zover de afweging mede betrekking heeft op hydrologische waarden.
Artikel 21.104 Toepassingsbereik
Deze paragraaf gaat over aanlegactiviteiten binnen de locatie waterleiding (N605).
Artikel 21.105 Aanleggen binnen de locatie waterleiding – algemene regels
Werken en werkzaamheden zijn alleen toegestaan als wordt voldaan aan de volgende leden in dit artikel.
Werken of werkzaamheden die het normale onderhoud en/of gebruik betreffen dan wel werken of werkzaamheden die van ondergeschikte betekenis zijn, zijn toegestaan.
Werken of werkzaamheden die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van deze titel zijn toegestaan.
Werken of werkzaamheden die mogen worden gerealiseerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning zijn toegestaan.
Artikel 21.106 Aanleggen binnen de locatie waterleiding – vergunningplicht
Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren die niet voldoen aan artikel 21.105:
het aanleggen van wegen of paden en/of andere oppervlakteverhardingen;
het uitvoeren van graafwerkzaamheden;
het uitvoeren van heiwerken of het anderszins indrijven van voorwerpen in de bodem;
het aanbrengen van diepwortelende beplanting en/of bomen;
het ophogen, verlagen, afgraven of egaliseren van de bodem, of anderszins wijzigen in maaiveld- of weghoogte; en
het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte dan 0,50 meter, waartoe ook wordt gerekend woelen, mengen, diepploegen en ontginnen, alsmede het aanleggen van drainage.
Artikel 21.107 Aanleggen binnen de locatie waterleiding – beoordelingsregels
Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 21.106 wordt verleend als het behoud van een veilige ligging en de continuïteit van de watertransportleiding zijn gewaarborgd.
Artikel 21.108 Aanleggen binnen de locatie waterleiding – inwinning advies
Voordat op een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 21.106 wordt beslist, wordt schriftelijk advies ingewonnen bij de leidingbeheerder.
Artikel 21.109 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf gaat over aanlegactiviteiten binnen de locatie aardkundig waardevol gebied (N605).
Artikel 21.110 Aanleggen binnen de locatie aardkundig waardevol gebied – algemene regels
Werken en werkzaamheden zijn alleen toegestaan als wordt voldaan aan de volgende leden in dit artikel.
Werken of werkzaamheden die het normale onderhoud en/of gebruik betreffen dan wel werken of werkzaamheden die van ondergeschikte betekenis zijn, zijn toegestaan.
Werken of werkzaamheden die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van deze titel zijn toegestaan.
Werken of werkzaamheden die mogen worden gerealiseerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning zijn toegestaan.
Werken en werkzaamheden die binnen een bouwvlak plaatsvinden, zijn toegestaan.
Werken of werkzaamheden ter uitvoering van de weg als bedoeld in artikel 21.18 en de landschappelijke inpassing als bedoeld in artikel 21.21 zijn toegestaan, voor zover verstoring van de aardkundige waarden zo veel mogelijk wordt voorkomen, en voor zover dat niet mogelijk is, beperkt.
Artikel 21.111 Aanleggen in de locatie aardkundig waardevol gebied – vergunningplicht
Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren die niet voldoen aan artikel 21.110:
het verzetten of vergraven van grond waarbij het maaiveld over meer dan 100 m² wordt gewijzigd of het maaiveld zelf met meer dan 0,20 meter wordt gewijzigd;
het omzetten van grond of uitvoeren van bodemingrepen dieper dan 0,50 meter onder maaiveld;
het aanleggen, dempen of wijzigen (van oevers, profiel, doorstroom- of bergingscapaciteit) van waterlopen, sloten en greppels; en
het verlagen van de grondwaterstand door aanleg van drainage of door bemaling en/of bronnering.
Artikel 21.112 Aanleggen in de locatie aardkundig waardevol gebied – beoordelingsregels
Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 21.111 wordt verleend als geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de aardkundige waarden.
Artikel 21.113 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf gaat over aanlegactiviteiten binnen de locatie archeologie 2 (N605).
Artikel 21.114 Aanleggen binnen de locatie archeologie 2 – algemene regels
Werken en werkzaamheden zijn alleen toegestaan als wordt voldaan aan de volgende leden in dit artikel.
Werken of werkzaamheden die het normale beheer en onderhoud betreffen, met inbegrip van onderhoud- en vervangingswerkzaamheden van bestaande riolen, bestratingen, beplantingen en binnen bestaande tracés van kabels en leidingen, zijn toegestaan.
Werken of werkzaamheden die het normale agrarisch gebruik betreffen, waaronder worden verstaan grondbewerkingen ten dienste van agrarisch gebruik mits de bodem tot niet meer dan een diepte van 0,40 meter onder maaiveld wordt geroerd, zijn toegestaan.
Werken of werkzaamheden die maximaal 0,40 meter diep reiken ten opzichte van het maaiveld zijn toegestaan, tenzij het werkzaamheden betreffen die genoemd zijn in artikel 21.115 sub a, h, l en m.
Werken of werkzaamheden die een verstoringsoppervlakte hebben van niet meer dan 250 m2 (categorie 2) zijn toegestaan.
Werken of werkzaamheden die ten dienste staan van archeologisch onderzoek, mits verricht door een ter zake deskundige, zijn toegestaan.
Werken of werkzaamheden die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit omgevingsplan zijn toegestaan.
Werken of werkzaamheden die mogen worden gerealiseerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning zijn toegestaan.
Werken of werkzaamheden die plaatsvinden binnen een afstand van 2,5 m uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk zijn toegestaan.
Artikel 21.115 Aanleggen binnen de locatie archeologie 2 – vergunningplicht
Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren die niet voldoen aan artikel 21.114:
grondwerkzaamheden, zoals het afgraven, ophogen, vergraven, egaliseren, diepploegen en diepwoelen van gronden;
het indrijven van voorwerpen in de grond, zoals heipalen, damwanden, boor- en pompputten;
waterhuishoudkundige ingrepen, zoals het aanbrengen van onderbemaling;
het aanleggen van dammen en stuwen en het aanbrengen van oeverbeschoeiing;
het aanleggen, dempen of wijzigen (zoals het verbreden, verdiepen, wijzigen van oevers en profiel) van sloten, greppels, watergangen en overige waterpartijen;
het aanbrengen van diepwortelende beplanting;
het rooien van diepwortelende beplantingen voor zover daarbij stobben worden verwijderd;
het omzetten van gras of akkerland in een teelt waarbij bodemvolume wordt afgevoerd, waartoe gerekend worden boomteelt, graszodenteelt en siergewassenteelt;
het aanleggen, verbreden en/of verharden van wegen, paden, banen en/of parkeergelegenheden en/of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie- of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies, waarbij de breedte van grondwerken meer dan 1 meter bedragen;
het slopen van gebouwen en verwijderen van funderingen, waarbij grondroering plaatsvindt;
het afplaggen of verschralen van heide- of natuurgebieden; en
het aanleggen van een drainagestelsel en beregeningsinstallatie.
Artikel 21.116 Aanleggen binnen de locatie archeologie 2 – beoordelingsregels
Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 21.115 wordt verleend indien de werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden niet zullen leiden tot een verstoring van archeologische resten.
Artikel 21.117 Aanleggen binnen de locatie archeologie 2 – voorschriften
Voor zover de werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden kunnen leiden tot een verstoring van archeologische resten, kan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 21.115 worden verleend, indien aan de omgevingsvergunning de volgende in dit artikel genoemde voorwaarden worden verbonden:
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten duurzaam in de bodem kunnen worden behouden;
de verplichting tot het doen van opgravingen;
de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties;
Indien het bepaalde in sub c van toepassing is, worden aan de omgevingsvergunning voorschriften verbonden omtrent de gevolgen van vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van aanlegwerkzaamheden.
Artikel 21.118 Aanleggen binnen de locatie archeologie 2 – aanvraagvereisten
Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 21.115 wordt een rapport meegestuurd, waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld.
Een onderzoek als bedoeld in lid 1 is niet vereist indien naar oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld.
Artikel 21.119 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf gaat over aanlegactiviteiten binnen de locatie archeologie 3 (N605).
Artikel 21.120 Aanleggen binnen de locatie archeologie 3 – algemene regels
Werken en werkzaamheden zijn alleen toegestaan als wordt voldaan aan de volgende leden in dit artikel.
Werken of werkzaamheden die het normale beheer en onderhoud betreffen, met inbegrip van onderhoud- en vervangingswerkzaamheden van bestaande riolen, bestratingen, beplantingen en binnen bestaande tracés van kabels en leidingen, zijn toegestaan.
Werken of werkzaamheden die het normale agrarisch gebruik betreffen, waaronder worden verstaan grondbewerkingen ten dienste van agrarisch gebruik mits de bodem tot niet meer dan een diepte van 0,40 meter onder maaiveld wordt geroerd, zijn toegestaan.
Werken of werkzaamheden die maximaal 0,40 meter diep reiken ten opzichte van het maaiveld zijn toegestaan, tenzij het werkzaamheden betreffen die genoemd zijn in artikel 21.121 sub a, h, l en m.
Werken of werkzaamheden die een verstoringsoppervlakte hebben van niet meer dan 2.500 m2 (categorie 2) zijn toegestaan.
Werken of werkzaamheden die ten dienste staan van archeologisch onderzoek, mits verricht door een ter zake deskundige, zijn toegestaan.
Werken of werkzaamheden die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit omgevingsplan zijn toegestaan.
Werken of werkzaamheden die mogen worden gerealiseerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning zijn toegestaan.
Werken of werkzaamheden die plaatsvinden binnen een afstand van 2,5 m uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk zijn toegestaan.
Artikel 21.121 Aanleggen binnen de locatie archeologie 3 – vergunningplicht
Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren die niet voldoen aan artikel 21.120:
grondwerkzaamheden, zoals het afgraven, ophogen, vergraven, egaliseren, diepploegen en diepwoelen van gronden;
het indrijven van voorwerpen in de grond, zoals heipalen, damwanden, boor- en pompputten;
waterhuishoudkundige ingrepen, zoals het aanbrengen van onderbemaling;
het aanleggen van dammen en stuwen en het aanbrengen van oeverbeschoeiing;
het aanleggen, dempen of wijzigen (zoals het verbreden, verdiepen, wijzigen van oevers en profiel) van sloten, greppels, watergangen en overige waterpartijen;
het aanbrengen van diepwortelende beplanting;
het rooien van diepwortelende beplantingen voor zover daarbij stobben worden verwijderd;
het omzetten van gras of akkerland in een teelt waarbij bodemvolume wordt afgevoerd, waartoe gerekend worden boomteelt, graszodenteelt en siergewassenteelt;
het aanleggen, verbreden en/of verharden van wegen, paden, banen en/of parkeergelegenheden en/of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie- of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies, waarbij de breedte van grondwerken meer dan 1 meter bedragen;
het slopen van gebouwen en verwijderen van funderingen, waarbij grondroering plaatsvindt;
het afplaggen of verschralen van heide- of natuurgebieden; en
het aanleggen van een drainagestelsel en beregeningsinstallatie.
Artikel 21.122 Aanleggen binnen de locatie archeologie 3 – beoordelingsregels
Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 21.121 wordt verleend indien de werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden niet zullen leiden tot een verstoring van archeologische resten.
Artikel 21.123 Aanleggen binnen de locatie archeologie 3 – voorschriften
Voor zover de werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden kunnen leiden tot een verstoring van archeologische resten, kan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 21.121 worden verleend, indien aan de omgevingsvergunning de volgende in dit artikel genoemde voorwaarden worden verbonden:
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten duurzaam in de bodem kunnen worden behouden;
de verplichting tot het doen van opgravingen;
de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties;
Indien het bepaalde in sub c van toepassing is, worden aan de omgevingsvergunning voorschriften verbonden omtrent de gevolgen van vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van aanlegwerkzaamheden.
Artikel 21.124 Aanleggen binnen de locatie archeologie 3 – aanvraagvereisten
Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning, zoals bedoeld in artikel 21.121, wordt een rapport meegestuurd, waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld.
Een onderzoek als bedoeld in lid 1 is niet vereist indien naar oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld.
Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van deze titel aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning en afwijkt van deze titel, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van lid 1 een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in lid 1 met maximaal 10%.
Lid 1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van deze titel, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van het plan.
Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van deze titel en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
Het is verboden het met deze titel strijdige gebruik, bedoeld in lid 1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
Indien het gebruik, bedoeld in lid 1, na het tijdstip van inwerkingtreding van deze titel voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
Het bepaalde in lid 1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met deze titel voor de inwerkingtreding van dit omgevingsplan, daaronder begrepen het overgangsrecht van dat plan.
L
Hoofdstuk 21 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
M
Het opschrift van hoofdstuk 24 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
N
Het opschrift van artikel 24.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
O
Na bijlage I worden twee bijlagen ingevoegd, luidende:
/join/id/regdata/gm1991/2026/gebiedsaanwijzing_7356aef6e63a4fc78482327b79f9506d/nld@2026‑02‑18;1
/join/id/regdata/gm1991/2026/gebiedsaanwijzing_5029c00c1e874d78892b5bd8dde895f7/nld@2026‑02‑18;1
/join/id/regdata/gm1991/2026/gebiedsaanwijzing_28f5ddc94f33408296dfd99ef214fd1b/nld@2026‑02‑18;1
/join/id/regdata/gm1991/2026/locatiegroep_c189798065854db9912c33876d143cdc/nld@2026‑02‑18;1
/join/id/regdata/gm1991/2026/gebiedsaanwijzing_616eb7b65fc346bcbfa369c9eafe6c98/nld@2026‑02‑18;1
/join/id/regdata/gm1991/2026/gebiedsaanwijzing_575b6fab1e5149f7bccf7ed92a527e3a/nld@2026‑02‑18;1
/join/id/regdata/gm1991/2026/gebiedsaanwijzing_6477eec36d9c49cf8f185411b2f1b207/nld@2026‑02‑18;1
/join/id/regdata/gm1991/2026/locatiegroep_044fe6dc304b442591224e5271823d7e/nld@2026‑02‑18;1
/join/id/regdata/gm1991/2026/gebiedsaanwijzing_385d143cb18748b1bb59196950d38088/nld@2026‑02‑18;1
/join/id/regdata/gm1991/2026/gebiedsaanwijzing_752a2d81dde5438080d83490e4d27d28/nld@2026‑02‑18;1
/join/id/regdata/gm1991/2026/gebiedsaanwijzing_4037e5fffe96432c8d5ada0d18accefc/nld@2026‑02‑18;1
/join/id/regdata/gm1991/2026/gebiedsaanwijzing_d132fb9f89aa46b292f77f6ad86d43f1/nld@2026‑02‑18;1
/join/id/regdata/gm1991/2026/gebiedsaanwijzing_25f388d05c784921a086adf78edfc723/nld@2026‑02‑18;1
/join/id/regdata/gm1991/2026/gebiedsaanwijzing_ebad42f1448241029528bec4ca0b3a60/nld@2026‑02‑18;1
/join/id/regdata/gm1991/2026/gebiedsaanwijzing_5438024c168a4e64a6523811ebd3738e/nld@2026‑02‑18;1
/join/id/regdata/gm1991/2026/gebiedsaanwijzing_0b2931ece4c44c0d85328bf7c654cd16/nld@2026‑02‑18;1
/join/id/regdata/gm1991/2026/gebiedsaanwijzing_41d8a51fdde148c8bdf18b0e8103180e/nld@2026‑02‑18;1
/join/id/regdata/gm1991/2026/gebiedsaanwijzing_cdf56bb591e948cb8198a3e98fa828c5/nld@2026‑02‑18;1
/join/id/regdata/gm1991/2026/gebiedsaanwijzing_ca12a30f60354df1ac197e6bea30d76c/nld@2026‑02‑18;1
/join/id/regdata/gm1991/2026/gebiedsaanwijzing_2bdc82e26d114fddaec012cbd0bacfb9/nld@2026‑02‑18;1
/join/id/regdata/gm1991/2026/gebiedsaanwijzing_65f78da5f37e49679fb2c63afda8abb5/nld@2026‑02‑18;1
/join/id/regdata/gm1991/2026/locatiegroep_1a03b5065e734498807f920ae09be7d8/nld@2026‑02‑18;1
/join/id/regdata/gm1991/2026/gebiedsaanwijzing_2c014c41d2804290a74f4563d66ac078/nld@2026‑02‑18;1
/join/id/regdata/gm1991/2026/gebiedsaanwijzing_86f9fa84de324dd1b85bf6d16e619256/nld@2026‑02‑18;1
/join/id/regdata/gm1991/2026/gebiedsaanwijzing_f6d29451a7564949b45026211aa4c36a/nld@2026‑02‑18;1
P
Na sectie 1 wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Artikel 21.17 Toepassingsbereik
Voor de begrenzing van de weg is uitgegaan van een minimale zone langs de weg die je als gebruikszone van de weg kunt beschouwen. Daarvoor is aansluiting gezocht bij de daadkrachtige berm die in het wegontwerp rondom de weg is opgenomen. Waar deze berm er niet is, is uitgegaan van 2,5 meter vanaf de kantstreep van de weg.
Q
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In Bijlage I bij artikel 1.1 van dit omgevingsplan zijn in aanvulling op de begrippen van de Omgevingswet, de AMvB’s en de Omgevingsregeling de overige begripsbepalingen opgenomen die nog nodig zijn. Deze begrippen worden hieronder toegelicht.
Het begrip Activiteitenbesluit-bedrijventerrein is opgenomen omdat in artikel 22.63, tweede lid, voor gevoelige objecten die op een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein zijn gelegen, hogere geluidswaarden zijn vastgesteld. In de definitie van het begrip Activiteitenbesluit-bedrijventerrein wordt aangesloten bij geldende omgevingsplannen. Het komt vaak voor dat een omgevingsplan dat (in het tijdelijke deel) een bedrijventerrein aanduidt, meer bestemmingen omvat dan alleen bedrijfsbestemmingen. Zo kan een natuurgebied of landelijk gebied deel uitmaken van een gebied dat in een omgevingsplan is begrensd door een grens die een bedrijventerrein aanduidt. Het is niet de bedoeling dat de hogere waarden ook in die gebieden gelden. Anderzijds kan het voorkomen dat er één of enkele percelen zijn met een andere bestemming dan een bedrijfsbestemming, die omsloten zijn door percelen met bedrijfsbestemmingen. Voor die percelen, bijvoorbeeld een burgerwoning op het bedrijventerrein, zijn de hogere waarden wel van toepassing. Om die reden wordt het begrip beperkt tot een cluster percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen. Opgemerkt wordt dat in het nieuwe stelsel de term «bedrijventerrein» zonder definitie wordt gehanteerd.
Deze regel moet worden overgezet van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan naar het nieuwe deel van dit omgevingsplan. In het nieuwe deel wordt concreet aangeduid voor welke locaties de hogere waarde geldt. Er kan dan geen gebruik meer gemaakt worden van het begrip Activiteitenbesluit-bedrijventerrein.
Het begrip «concentratiegebied geurhinder en veehouderij» voor in de paragraaf over geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden, in dierenverblijven.
Als een gemeente in een geurverordening een concentratiegebied heeft aangewezen, dan wordt deze verordening na inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 4.6, eerste lid, onder e van de Invoeringswet Omgevingswet van rechtswege onderdeel van het tijdelijk deel van dit omgevingsplan. Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet hebben gemeenten op grond van artikel 5.108 van het Bkl de bevoegdheid om in het omgevingsplan één of meerdere concentratiegebieden aan te wijzen. Bestaande concentratiegebieden geurhinder en veehouderij moeten in de transitieperiode overgezet worden van het tijdelijke deel van het omgevingsplan naar het nieuwe deel van het omgevingsplan.
Dit begrip is gedefinieerd als «collectief circulatiesysteem voor het transport van warmte door een circulerend medium voor verwarming of warmtapwater». Onder dit distributienet valt dus zowel een stadsverwarmingssysteem als een «klein» wijk- of buurtverwarmingssysteem. Voor de definitie is voor zover mogelijk aansluiting gezocht bij de begripsomschrijving zoals deze is opgenomen in NVN 7125 van april 2011.
Om geen te groot gat te laten vallen op moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet, wordt er voor geur in de omgevingsplanregels van rijkswege uitgegaan van de begrippen uit de ingetrokken regelgeving.
Onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de voormalige Wet geurhinder en veehouderij was de groep objecten die beschermd werden tegen geurhinder, anders dan de groep geurgevoelige gebouwen die beschermd worden op grond van en gedefinieerd zijn in het Bkl.
Aan de ene kant is het begrip geurgevoelig object breder dan het begrip geurgevoelig gebouw: onder het begrip geurgevoelig object vallen alle locaties waarbij hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen. Onder geurgevoelig gebouw op grond van artikel 5.91 van het Bkl vallen kort gezegd alleen gebouwen met een woon-, onderwijs-, of gezondheidzorg- of kinderopvangfunctie.
Onder het begrip geurgevoelig object, valt dus ook het begrip geurgevoelig gebouw.
Overigens biedt het vierde lid van artikel 5.91 van het Bkl wel de mogelijkheid om in dit omgevingsplan ook andere geurgevoelige gebouwen of gedeelten van gebouwen aan te wijzen, mits er hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen.
Aan de andere kant is het begrip geurgevoelig object smaller dan het begrip geurgevoelig gebouw. Onder het begrip geurgevoelig gebouw, wordt ook verstaan: een gebouw dat nog niet aanwezig is maar op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gerealiseerd.
Soms is er voor bestaande of nieuwe situaties wel al bewust verwezen naar een geurgevoelig gebouw, zoals bedoeld in het Bkl.
Onder de voormalige Wet geluidhinder gold een geluidzone rondom bepaalde industrieterreinen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet vervalt deze systematiek van zones. In plaats daarvan worden bij omgevingsplan geluidproductieplafonds – als omgevingswaarde – vastgesteld rondom bepaalde industrieterreinen. Het begrip gezoneerd industrieterrein komt dus niet meer voor in de Omgevingswet.
Voor de omgevingsplanregels van rijkswege is het van belang dat er geen wijziging optreedt in de rechtspositie van bedrijven op het gezoneerde industrieterrein en in de bescherming ten opzichte van van de geluidgevoelige objecten daaromheen zoals woningen. Daarom is het begrip gezoneerd industrieterrein nog wel relevant.
De begripsbepaling verwijst naar de betekenis die onder de voormalige Wet geluidhinder aan een gezoneerd industrieterrein werd gegeven. Hiermee wordt duidelijk gemaakt dat het begrip gezoneerd industrieterrein enkel in het omgevingsplan is opgenomen om de bestaande rechtsposities ongewijzigd te handhaven, en dat niet is bedoeld om een inhoudelijke wijziging van het begrip door te voeren.
Het begrip straatpeil was voorheen opgenomen in het Bouwbesluit 2012. Deze definitie is destijds ontleend aan de definitie van dat begrip zoals opgenomen in de Modelbouwverordening van de VNG.
Het begrip «warmteplan» is gedefinieerd als besluit van de gemeenteraad, inzake de aanleg van een distributienet voor warmte in een bepaald gebied, waarin voor die periode de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte bij aansluiting op dat distributienet is opgenomen. Waarbij moet worden uitgegaan van het voor die periode geplande aantal aansluitingen op dat distributienet. Het warmteplan wordt door de gemeenteraad vastgesteld voor een periode van ten hoogste 10 jaar.
Daarna moet in ieder geval een nieuw warmteplan worden vastgesteld. Als de ontwikkelingen daar aanleiding toe geven, kan de gemeenteraad het plan wijzigen (tussentijds een nieuw plan vaststellen of het plan aanpassen). Dit zou het geval kunnen zijn wanneer over de energiezuinigheids- en/of milieuprestatie van het warmtenet actuele gegevens beschikbaar zijn gekomen, die substantieel afwijken van de aan het vastgestelde warmteplan ten grondslag liggende gegevens, of wanneer de bouwopgave in het warmteplangebied in de loop der tijd dusdanig wijzigt dat dit gevolgen heeft voor het geplande aantal aansluitingen op het warmtenet. Uit de samenhang met artikel 22.10 «Aansluiting op distributienet voor warmte» volgt dat een warmteplan kan worden vastgesteld door gemeenten die tot aanleg van een nieuw distributienet willen overgaan. Wanneer een gemeente in verschillende gebieden tot aanleg van warmtenetten wil overgaan, moet het warmteplan per distributienet worden vastgesteld. Het gebied moet in het warmteplan zo nauwkeurig mogelijk worden afgebakend, bijvoorbeeld door een van het warmteplan deel uitmakende plankaart. In het warmteplan moet het geplande aantal aansluitingen op het distributienet worden aangegeven. Dat is van belang omdat de aansluitplicht op grond van artikel 22.10, eerste lid, onder a, niet meer van toepassing is op in het warmteplangebied te bouwen bouwwerken wanneer het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen daadwerkelijk is bereikt. Dit wordt beoordeeld op het moment van het indienen van de aanvraag om een vergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor het bouwen van een bouwwerk. Als aan het geplande aantal aansluitingen is voldaan, is vrijwillige aansluiting niet uitgesloten. In de fase dat het geplande aantal aansluitingen nog niet is bereikt, geldt de aansluitplicht overigens ook wanneer het definitieve distributienet nog niet gereed is en bouwwerken tijdelijk collectief van warmte worden voorzien door transport van in hulpketels opgewekte warmte totdat de definitieve infrastructuur gereed is.
In het warmteplan moet de te bereiken mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu van de aansluiting op het distributienet voor warmte, gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte, worden aangegeven. Het gaat daarbij om de mate die bereikt wordt wanneer het in het warmteplan aangegeven aantal aansluitingen op dat distributienet is bereikt. Deze mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu moet duidelijk zijn aangegeven, bijvoorbeeld aan de hand van getallen voor CO2, en NOx, zodat eenvoudig kan worden getoetst of sprake is van een aan aansluiting op het warmtenet gelijkwaardige oplossing.
De gemeenteraad is bevoegd het warmteplan vast te stellen. Hiermee is zeker gesteld dat de te maken gemeentelijke keuzen over de aanleg van warmtenetten in een gebied via een voor belanghebbenden transparant en democratisch gelegitimeerd proces tot stand komen. Voor het warmteplan gelden – als onderdeel van het omgevingsplan – geen specifieke inhoudelijke vereisten.
Als een gemeente geen warmteplan heeft vastgesteld of niet tijdig (binnen de afgesproken periode) opnieuw heeft vastgesteld, dan kan in die gemeente artikel 22.10 «Aansluiting op distributienet voor warmte» niet worden toegepast. In die gemeente kan op basis van vrijwilligheid worden aangesloten op het warmtenet. Zie ook de toelichting op het begrip distributienet voor warmte en de toelichting bij artikel 22.10 «Aansluiting op distributienet voor warmte».
Het begrip Activiteitenbesluit-bedrijventerrein is opgenomen omdat in artikel 22.63, tweede lid, voor gevoelige objecten die op een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein zijn gelegen, hogere geluidswaarden zijn vastgesteld. In de definitie van het begrip Activiteitenbesluit-bedrijventerrein wordt aangesloten bij geldende omgevingsplannen. Het komt vaak voor dat een omgevingsplan dat (in het tijdelijke deel) een bedrijventerrein aanduidt, meer bestemmingen omvat dan alleen bedrijfsbestemmingen. Zo kan een natuurgebied of landelijk gebied deel uitmaken van een gebied dat in een omgevingsplan is begrensd door een grens die een bedrijventerrein aanduidt. Het is niet de bedoeling dat de hogere waarden ook in die gebieden gelden. Anderzijds kan het voorkomen dat er één of enkele percelen zijn met een andere bestemming dan een bedrijfsbestemming, die omsloten zijn door percelen met bedrijfsbestemmingen. Voor die percelen, bijvoorbeeld een burgerwoning op het bedrijventerrein, zijn de hogere waarden wel van toepassing. Om die reden wordt het begrip beperkt tot een cluster percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen. Opgemerkt wordt dat in het nieuwe stelsel de term «bedrijventerrein» zonder definitie wordt gehanteerd.
Deze regel moet worden overgezet van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan naar het nieuwe deel van dit omgevingsplan. In het nieuwe deel wordt concreet aangeduid voor welke locaties de hogere waarde geldt. Er kan dan geen gebruik meer gemaakt worden van het begrip Activiteitenbesluit-bedrijventerrein.
Het begrip «concentratiegebied geurhinder en veehouderij» voor in de paragraaf over geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden, in dierenverblijven.
Als een gemeente in een geurverordening een concentratiegebied heeft aangewezen, dan wordt deze verordening na inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 4.6, eerste lid, onder e van de Invoeringswet Omgevingswet van rechtswege onderdeel van het tijdelijk deel van dit omgevingsplan. Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet hebben gemeenten op grond van artikel 5.108 van het Bkl de bevoegdheid om in het omgevingsplan één of meerdere concentratiegebieden aan te wijzen. Bestaande concentratiegebieden geurhinder en veehouderij moeten in de transitieperiode overgezet worden van het tijdelijke deel van het omgevingsplan naar het nieuwe deel van het omgevingsplan.
Dit begrip is gedefinieerd als «collectief circulatiesysteem voor het transport van warmte door een circulerend medium voor verwarming of warmtapwater». Onder dit distributienet valt dus zowel een stadsverwarmingssysteem als een «klein» wijk- of buurtverwarmingssysteem. Voor de definitie is voor zover mogelijk aansluiting gezocht bij de begripsomschrijving zoals deze is opgenomen in NVN 7125 van april 2011.
Om geen te groot gat te laten vallen op moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet, wordt er voor geur in de omgevingsplanregels van rijkswege uitgegaan van de begrippen uit de ingetrokken regelgeving.
Onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de voormalige Wet geurhinder en veehouderij was de groep objecten die beschermd werden tegen geurhinder, anders dan de groep geurgevoelige gebouwen die beschermd worden op grond van en gedefinieerd zijn in het Bkl.
Aan de ene kant is het begrip geurgevoelig object breder dan het begrip geurgevoelig gebouw: onder het begrip geurgevoelig object vallen alle locaties waarbij hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen. Onder geurgevoelig gebouw op grond van artikel 5.91 van het Bkl vallen kort gezegd alleen gebouwen met een woon-, onderwijs-, of gezondheidzorg- of kinderopvangfunctie.
Onder het begrip geurgevoelig object, valt dus ook het begrip geurgevoelig gebouw.
Overigens biedt het vierde lid van artikel 5.91 van het Bkl wel de mogelijkheid om in dit omgevingsplan ook andere geurgevoelige gebouwen of gedeelten van gebouwen aan te wijzen, mits er hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen.
Aan de andere kant is het begrip geurgevoelig object smaller dan het begrip geurgevoelig gebouw. Onder het begrip geurgevoelig gebouw, wordt ook verstaan: een gebouw dat nog niet aanwezig is maar op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gerealiseerd.
Soms is er voor bestaande of nieuwe situaties wel al bewust verwezen naar een geurgevoelig gebouw, zoals bedoeld in het Bkl.
Onder de voormalige Wet geluidhinder gold een geluidzone rondom bepaalde industrieterreinen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet vervalt deze systematiek van zones. In plaats daarvan worden bij omgevingsplan geluidproductieplafonds – als omgevingswaarde – vastgesteld rondom bepaalde industrieterreinen. Het begrip gezoneerd industrieterrein komt dus niet meer voor in de Omgevingswet.
Voor de omgevingsplanregels van rijkswege is het van belang dat er geen wijziging optreedt in de rechtspositie van bedrijven op het gezoneerde industrieterrein en in de bescherming ten opzichte van van de geluidgevoelige objecten daaromheen zoals woningen. Daarom is het begrip gezoneerd industrieterrein nog wel relevant.
De begripsbepaling verwijst naar de betekenis die onder de voormalige Wet geluidhinder aan een gezoneerd industrieterrein werd gegeven. Hiermee wordt duidelijk gemaakt dat het begrip gezoneerd industrieterrein enkel in het omgevingsplan is opgenomen om de bestaande rechtsposities ongewijzigd te handhaven, en dat niet is bedoeld om een inhoudelijke wijziging van het begrip door te voeren.
Het begrip straatpeil was voorheen opgenomen in het Bouwbesluit 2012. Deze definitie is destijds ontleend aan de definitie van dat begrip zoals opgenomen in de Modelbouwverordening van de VNG.
Het begrip «warmteplan» is gedefinieerd als besluit van de gemeenteraad, inzake de aanleg van een distributienet voor warmte in een bepaald gebied, waarin voor die periode de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte bij aansluiting op dat distributienet is opgenomen. Waarbij moet worden uitgegaan van het voor die periode geplande aantal aansluitingen op dat distributienet. Het warmteplan wordt door de gemeenteraad vastgesteld voor een periode van ten hoogste 10 jaar.
Daarna moet in ieder geval een nieuw warmteplan worden vastgesteld. Als de ontwikkelingen daar aanleiding toe geven, kan de gemeenteraad het plan wijzigen (tussentijds een nieuw plan vaststellen of het plan aanpassen). Dit zou het geval kunnen zijn wanneer over de energiezuinigheids- en/of milieuprestatie van het warmtenet actuele gegevens beschikbaar zijn gekomen, die substantieel afwijken van de aan het vastgestelde warmteplan ten grondslag liggende gegevens, of wanneer de bouwopgave in het warmteplangebied in de loop der tijd dusdanig wijzigt dat dit gevolgen heeft voor het geplande aantal aansluitingen op het warmtenet. Uit de samenhang met artikel 22.10 «Aansluiting op distributienet voor warmte» volgt dat een warmteplan kan worden vastgesteld door gemeenten die tot aanleg van een nieuw distributienet willen overgaan. Wanneer een gemeente in verschillende gebieden tot aanleg van warmtenetten wil overgaan, moet het warmteplan per distributienet worden vastgesteld. Het gebied moet in het warmteplan zo nauwkeurig mogelijk worden afgebakend, bijvoorbeeld door een van het warmteplan deel uitmakende plankaart. In het warmteplan moet het geplande aantal aansluitingen op het distributienet worden aangegeven. Dat is van belang omdat de aansluitplicht op grond van artikel 22.10, eerste lid, onder a, niet meer van toepassing is op in het warmteplangebied te bouwen bouwwerken wanneer het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen daadwerkelijk is bereikt. Dit wordt beoordeeld op het moment van het indienen van de aanvraag om een vergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor het bouwen van een bouwwerk. Als aan het geplande aantal aansluitingen is voldaan, is vrijwillige aansluiting niet uitgesloten. In de fase dat het geplande aantal aansluitingen nog niet is bereikt, geldt de aansluitplicht overigens ook wanneer het definitieve distributienet nog niet gereed is en bouwwerken tijdelijk collectief van warmte worden voorzien door transport van in hulpketels opgewekte warmte totdat de definitieve infrastructuur gereed is.
In het warmteplan moet de te bereiken mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu van de aansluiting op het distributienet voor warmte, gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte, worden aangegeven. Het gaat daarbij om de mate die bereikt wordt wanneer het in het warmteplan aangegeven aantal aansluitingen op dat distributienet is bereikt. Deze mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu moet duidelijk zijn aangegeven, bijvoorbeeld aan de hand van getallen voor CO2, en NOx, zodat eenvoudig kan worden getoetst of sprake is van een aan aansluiting op het warmtenet gelijkwaardige oplossing.
De gemeenteraad is bevoegd het warmteplan vast te stellen. Hiermee is zeker gesteld dat de te maken gemeentelijke keuzen over de aanleg van warmtenetten in een gebied via een voor belanghebbenden transparant en democratisch gelegitimeerd proces tot stand komen. Voor het warmteplan gelden – als onderdeel van het omgevingsplan – geen specifieke inhoudelijke vereisten.
Als een gemeente geen warmteplan heeft vastgesteld of niet tijdig (binnen de afgesproken periode) opnieuw heeft vastgesteld, dan kan in die gemeente artikel 22.10 «Aansluiting op distributienet voor warmte» niet worden toegepast. In die gemeente kan op basis van vrijwilligheid worden aangesloten op het warmtenet. Zie ook de toelichting op het begrip distributienet voor warmte en de toelichting bij artikel 22.10 «Aansluiting op distributienet voor warmte».
De provincie Noord-Brabant en de gemeente Maashorst werken samen aan de verlegging van de N605. Deze weg aan de westzijde van Volkel is al jaren onderwerp van gesprek tussen de provincie Noord-Brabant en de gemeente Maashorst. De gemeente wil nabij Volkel ruimte creëren voor woningbouw. De ligging van de N605 staat ruimtelijke ontwikkelingen rondom Volkel echter in de weg. Ten oosten van Volkel is een vliegbasis gelegen. Rondom deze vliegbasis worden ruimtelijke ontwikkelingen beperkt door de bestaande geluidshinder.
Door de N605 te verplaatsen naar de oostelijke zijde van Volkel zijn er aan de westzijde van Volkel meer mogelijkheden voor ontwikkelingen. Hiermee ontstaat ruimte voor woningbouw en de kans om sociale cohesie in de kern van Volkel te versterken. Het gebied ten westen van de huidige N605 wordt door de omklap van de N605 leefbaarder en, door het verleggen van de N605 die een barrière vormt door het gebied, beter verbonden met Volkel.
Daarnaast zijn er meerdere woningen die direct worden ontsloten op de huidige N605. Door de verlegging van de N605 neemt het verkeer over de huidige N605 (Brabantstraat/ Leeuwstraat) af, waardoor de omgeving minder overlast zal ervaren van de weg. De huidige N605 over de Brabantsraat is niet goed ingericht op de relatief grote autostroom. Door het verleggen van de weg verbetert de verkeersveiligheid over zowel de Brabantstraat/Leeuwstraat als over de nieuwe N605. De bewoners van de Brabantstraat en Leeuwstraat, én de bewoners van de nieuwe wijk Niemeskant zullen minder overlast van de weg ervaren.
De verlegging van de weg moet er verder voor zorgen dat er een goede verbinding is voor regionaal en lokaalverkeer met de A50. Daarnaast moet de inpassing van de N605 met de juiste kruisingen met bestaande wegen en structuren de bestaande omgevingskwaliteit versterken. Hiermee vormt de N605 een duurzame oplossing voor zowel het provinciale (regionale noord-zuid verbinding tussen de N264 en Boekel en verder zuidelijk) als het gemeentelijke verkeersnetwerk.
Het projectgebied betreft het gebied ten oosten van Volkel en ten westen van de Zeelandsedijk. Het tracé van de nieuwe N605 begint vanaf de kruising van de Brabantstraat en Zeelandsedijk. Vervolgens kruist het tracé het Heikantsepad en vervolgt zijn weg richting de Bolle Akker. Vervolgens kruist het tracé de Wilgenstraat en wordt aangesloten op de rotonde van de Antoniusstraat en Rouwstraat. Het tracé van de nieuwe N605 loopt tot aan de aansluiting op de Rondweg Volkel. Figuur 1 geeft globaal de ligging van het projectgebied weer en de inrichting van dit gebied in de huidige situatie.
Het tracé van de nieuwe N605 is in de ontwerpfase in vier stukjes opgeknipt. Deze stukjes zijn bouwsteenlocaties genoemd. Dit zijn locaties waarvoor verschillende weg- en kruisingsoplossingen mogelijk waren. Uit deze bouwstenen is het ontwerp van de nieuwe N605 opgebouwd. Hoe tot het tracé voor de N605 is gekomen, wordt verder beschreven in hoofdstuk 2. Hieronder wordt globaal het ontwerp van de weg beschreven.
De omgeklapte N605 begint op de locatie waar de Brabantstraat en de Zeelandsedijk elkaar kruisen. Hier wordt een rotonde gerealiseerd. Dit is aan de zuidkant van het tracé. Vanaf deze rotonde loopt het tracé van de omgeklapte N605 richting het noorden. Ter hoogte van het Heikantsepad wordt een fietstunnel gerealiseerd. Deze fietstunnel loopt onder de N605 door. De fietstunnel sluit aan op het vervolg van het Heikantsepad en de Zeelandsedijk.
De N605 vervolgt zich naar het noorden, waar de weg ten noorden van de watergang van de Bolle akker komt te liggen. Vervolgens passeert de N605 de Wilgenstraat en de Rechtestraat. Ter hoogte van de kruising met de Rouwstraat en de Antoniusstraat wordt een rotonde gerealiseerd, die grotendeels overlapt met de ligging van de huidige rotonde. Ten noorden van deze rotonde kruist de Zeelandsedijk de N264, de Rondweg Volkel. Hier wordt de rotonde vervangen voor een kruising. Om deze kruising goed aan te laten sluiten aan de bestaande Rondweg Volkel en de Zeelandsedijk, lopen de aanpassingen van de weg verder door naar het noorden, oosten en westen (figuur 2).
De provincie Noord-Brabant en de gemeente Maashorst werken samen aan het verleggen van de N605. De N605 is een provinciale weg. Het deel van de N605 dat met het beoogde project verlegd wordt, ligt echter alleen op het grondgebied van de gemeente Maashorst. Daarnaast spelen bij het project gemeentelijke belangen een rol.
De provincie Noord-Brabant heeft niet gekozen voor het instrument projectbesluit omdat daarmee niet een doelmatiger of doeltreffender uitoefening van taken en bevoegdheden op grond van de Omgevingswet wordt bereikt. Hoewel er een provinciaal belang is, kan dit evenmin op een doelmatiger en doeltreffender wijze worden behartigd door het gebruikmaken van een projectbesluit. Er is dus gekozen om het primaat voor die uitoefening bij de gemeente Maashorst te laten, overeenkomstig artikel 2.3 van de Omgevingswet.
Voor de verlegging van de N605 is gekozen voor het instrument omgevingsplan.
Figuur 3 geeft de ligging van de beoogde ontwikkeling weer met de onderliggende bestemmingen. Hierop is te zien dat het tracé meerdere bedrijfspercelen doorsnijdt (paars). Deze doorsnijdingen vinden plaats in het noordelijke deel van het tracé. Daarnaast doorsnijdt de nieuwe N605 een enkel woonperceel (geel), ter hoogte van de Wilgenstraat. Vervolgens loopt de nieuwe N605 door percelen met een agrarische bestemming (lichtgroen) en een agrarische bestemming met waarden (donkerder groen), ter hoogte van de Bolle Akker. Ook loopt het tracé ter hoogte van de Speekstraat tot aan de Wilgenstraat door een gebied met archeologische waarde 3.
Het tracé van de nieuwe N605 loopt door het plangebied van meerdere bestemmingsplannen en door het beheersgebied van een beheersverordening. Dit wordt hieronder toegelicht.
(Gewijzigde vaststelling/ reparatieplan) Veegplan Buitengebied Uden (2025‑09‑25)
Op 20 februari 2014 is door de voormalige gemeente Uden het bestemmingsplan Buitengebied 2014 vastgesteld. Na vaststelling van het bestemmingsplan waren er voor een aantal locaties binnen het plangebied planologische aanpassingen nodig, deels ambtshalve en deels het verwerken van omgevingsvergunningen, wijzigingsplannen en dergelijke. Ook het besluit van de Raad van State over de "Partiële herziening Buitengebied 2017" van 12 september 2018 diende nog verwerkt te worden. In de vorm van een tweede Veegplan Buitengebied zijn de verschillende aanpassingen gebundeld meegenomen. Het 'Veegplan Buitengebied Uden' (2025‑09‑25) is het op de projectlocatie het vigerende bestemmingsplan.
BillyBird Park Hemelrijk (2018‑02‑08)
Ook doorkruist het nieuwe tracé van de N605 de beheersverordening ‘BillyBird Park Hemelrijk’, vastgesteld op 08‑02‑2018. Het tracé van de N605 loopt door het noordwestelijke deel van deze verordening. Deze locatie heeft de bestemming ‘Agrarisch’.
Twee woningen Lagenheuvelstraat, Volkel (2014‑12‑11)
Daarnaast loopt het tracé van de N605 door het bestemmingsplan ‘Twee woningen Lagenheuvelstraat, Volkel’, vastgesteld op 11‑12‑2014. Om aan de Lagenheuvelstraat twee woningen te mogen bouwen, is een perceel aan de Zeelandsedijk aangewezen als ‘Natuur’, zie Figuur 6. Het tracé van de N605 doorsnijdt het perceel met het bestemmingsvlak ‘Natuur’.
Het project is getoetst aan het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Maashorst. In dit tijdelijk deel zijn alle vigerende bestemmingsplannen opgenomen die nog zijn voorbereid op grond van wetgeving die gold vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024.
Volgens de bestemmingsplannen door welke plangebieden het tracé van de nieuwe weg N605 zal gaan lopen, zijn in die plangebieden bestemmingen van toepassing waarin de voorgenomen ontwikkeling niet past. Die bestemmingen betreffen voornamelijk de bestemmingen en dubbelbestemmingen ‘Agrarisch’, ‘Agrarisch met waarden – Landschapswaarden’, ‘Bedrijf’, ‘Wonen’, ‘Verkeer’, ‘Groen – Landschapselement’, ‘Water’, ‘Natuur’ en ‘Maatschappelijk’. Op grond van deze bestemmingen en dubbelbestemmingen is de realisatie van het project niet mogelijk.
De aanleg van de beoogde weg en het verrichten van andere activiteiten ten behoeve van het project zijn dus strijdig met het vigerend omgevingsplan van de gemeente Maashorst. Er dient derhalve een juridisch-planologisch procedure te worden doorlopen om het omgevingsplan te wijzigen en de ontwikkeling mogelijk te maken.
Dit onderdeel van het voorliggende omgevingsplan betreft de motivering van dat omgevingsplan zoals bedoeld in artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Deze motivering bevat daardoor een inhoudelijke onderbouwing van het besluit tot vaststelling van het omgevingsplan.
In hoofdstuk 1 (Inleiding) wordt de aanleiding van project voor de verlegging van de N605 bij Volkel (gemeente Maashorst) beschreven, het juridisch-planologisch kader gegeven en de planning van de voorbereiding van het omgevingsplan geschetst.
In hoofdstuk 2 worden de voorgeschiedenis, projectdoelen en tracékeuze beschreven.
In hoofdstuk 3 wordt de huidige situatie omschreven. Dit hoofdstuk gaat zowel over de huidige N605, als het gebruik van het gebied waar de nieuwe N605 komt te liggen.
In hoofdstuk 4 wordt het project beschreven, inclusief een beschrijving van de verkenningsfase en de samenhang met andere projecten. Deze uiteenzetting betreft de onderbouwing voor de keuzes die zijn gemaakt, namelijk aangaande het voorkeursalternatief, de gekozen bouwstenen, de landschappelijke (en stedelijke) opzet, de duurzaamheid en de klimaatadaptie. Extra aandacht is besteed aan de zogenaamde Bolle Akker waarlangs het nieuwe tracé van de N605 gaat lopen. Verder is in dit hoofdstuk toepassing gegeven aan de instructieregels in de omgevingsverordening Noord-Brabant over zorgvuldig ruimtegebruik, de lagenbenadering en meerwaardecreatie.
Hoofdstuk 5 bevat een beschrijving van de participatie en de resultaten daarvan die in het kader van de beoogde ontwikkeling en ter voorbereiding van het omgevingsplan heeft plaatsgevonden.
Hoofstuk 6 bevat een beschrijving van het beleid over de fysieke leefomgeving dat op de ontwikkeling van toepassing is.
Hoofdstuk 7 vormt de juridische uiteenzetting over het omgevingsplan. Eerst wordt daarin ingegaan op de toepassing van evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan. Vervolgens wordt getoetst aan de instructieregels in het Besluit kwaliteit leefomgeving en de instructieregels in de omgevingsverordening Noord-Brabant. De toets is uitsluitend juridisch van aard, hetgeen wil zeggen dat bekeken is of met het omgevingsplan is voldaan aan die instructieregels. Voor de inhoud van het voldoen aan die instructieregels wordt daarbij telkens verwezen naar de betreffende paragrafen in deze motivering.
Hoofdstuk 8 bevat een samenvatting van de onderzoeken die in het kader van de voorbereiding van het omgevingsplan zijn verricht. Daarin is tevens een samenvatting opgenomen van het milieueffectrapport.
In hoofdstuk 9, tot slot, wordt de uitvoerbaarheid van het besluit tot vaststelling van het omgevingsplan verwoord.
Er is onderzocht welke maatregelen nodig zijn om de knelpunten van de N605 aan de westkant van Volkel weg te nemen en de doorstroming op de provinciale route te verbeteren. Dit onderzoek is uitgevoerd in 2020. In dit onderzoek zijn vier alternatieve routes voor de N605, die in samenspraak met de gemeente, provincie en klankbordgroep zijn opgesteld, onderzocht. Dit waren alternatieven A, B, C en D.
Alternatieven A en B bevonden zich ten westen van Volkel. Alternatief A bestond uit een nieuw tracé voor de N605 ten westen van de huidige N605. Alternatief B bestond uit een optimalisatie van het huidige tracé van de N605.
Alternatieven C en D bevonden zich ten oosten van de kern van Volkel. Alternatief C bestond uit een nieuw tracé voor de N605, ten oosten van Volkel en ten westen van de Zeelandsedijk. Alternatief D bestond uit een optimalisatie van de Zeelandsedijk. Deze alternatieven worden op figuur 7 weergegeven.
Om de bovenstaande aspecten te waarborgen moet de leefbaarheid en veiligheid worden verbeterd en overlast worden beperkt. Daarnaast moet nieuwe woningbouw mogelijk gemaakt worden, ondanks de belemmeringen. De kern van de opgave is ‘een duurzame ruimtelijke structuur voor nu en in de toekomst’. Dit kan bereikt worden aan de hand van drie criteria:
Een klankbordgroep is ingesteld om de belangen te behartigen namens de achterban. Deze klankbordgroep bestond uit vertegenwoordigers van de verschillende buurtschappen en dorpsdelen en is zelfstandig en onafhankelijk betrokken geweest bij het proces van de omgevingsstudie. De groep heeft verschillende rollen vervuld. Zo heeft de groep gefungeerd als informatiebron en als eerste aanspreekpunt. De groep stemde af met haar achterban. Daarnaast heeft de klankbordgroep een adviserende rol vervuld. Zo heeft de groep geholpen bij het opstellen van een beoordelingskader voor de varianten. In totaal hebben er ruim 10 bijeenkomsten met/ van de klankbordgroep plaatsgevonden (zowel fysiek als online). Daarnaast is er voor het project een stuurgroep opgetuigd. Deze stuurgroep bestond uit vertegenwoordigers van de provincie en de gemeente.
In 2020 heeft er een doelenanalyse plaatsgevonden om de kern van de opgave van de verlegging van de N605 in beeld te brengen. Hierin was de eerste stap om te inventariseren wat er vanuit de gemeente en de omgeving belangrijk werd geacht. Dit is in samenspraak met de klankbordgroep en de gemeente gedaan.
De volgende aspecten zijn hieruit naar voren gekomen:
Een gezellig en gastvrij dorp, waar mensen elkaar kennen en samen leven.
Een prettige, veilige en gezonde woon- werk en leefomgeving, met weinig hinder en overlast.
Een vitaal dorp dat in beweging is met goede voorzieningen voor jong en oud.
Mogelijkheden voor inwoners om door te groeien in wonen en werken.
Voorkomen dat het dorp ‘op slot zit’ door de aanwezigheid van de vliegbasis.
Om de bovenstaande aspecten te waarborgen moet de leefbaarheid en veiligheid worden verbeterd en overlast worden beperkt. Daarnaast moet nieuwe woningbouw mogelijk gemaakt worden, ondanks de belemmeringen. De kern van de opgave is ‘een duurzame ruimtelijke structuur voor nu en in de toekomst’. Dit kan bereikt worden aan de hand van drie criteria:
een duidelijke verkeersstructuur voor lokale en regionale verplaatsingen;
een gezonde leefomgeving voor voldoende ruimte voor ontwikkelingen, en;
een versterkt landschap als drager van ruimtelijke activiteiten.
Aan de hand van de doelenanalyse zijn uitgangspunten voor het project opgesteld. Hierin zijn de onderstaande hoofddoelen benoemd:
ruimte voor nieuwe woningbouw;
aaneengesloten dorpskernen zonder veel hinder en barrièrewerking;
goede verbinding tussen het landschap en de dorpskern voor onder andere recreatie;
een veilige verkeersituatie voor langzaam verkeer uit Volkel en omgeving; en,
een duidelijke en goed functionerende verkeersstructuur voor regionaal en lokaal (auto)verkeer.
Ook moet de nieuwe N605 voldoen aan de eisen die aan een provinciale weg gesteld worden om een veilige oplossing te vormen en het regionale verkeer te faciliteren. Dat betekent de aanleg van een gebiedsontsluitingsweg die voldoet aan de eisen van ‘duurzaam veilig’. Dit houdt onder andere in dat:
de weg voldoende breed is en de rijrichtingen gescheiden zijn door voldoende afstand;
geen directe toegangen naar woningen en erven (perceelontsluiting);
geen menging van ongelijksoortige verkeersdeelnemers als autoverkeer, fietsers en (bij voorkeur) landbouwverkeer;
een wegontwerp dat past bij de maximumsnelheid die hoort bij een provinciale, regionale verbinding, 80 km/h buiten de bebouwde kom en 50 km/h binnen de bebouwde kom;
inrichtingen en kruispunt vormgeving conform richtlijnen.
De vier alternatieven A, B, C en D zijn in 2020 beoordeeld aan de hand van de bovenstaande projectdoelstellingen en de (milieu)effecten. Zowel alternatief C als alternatief D kwam goed uit de bovenstaande beoordeling op doelbereik. Beide alternatieven maken nieuwe woningbouw mogelijk en zorgen voor een aangesloten dorpskern zonder barrièrewerking. Alternatief C scoorde ook goed op verkeersveiligheid en een duidelijke en goed functionerende verkeerstructuur. Alternatief D scoorde beter op een goede verbinding tussen het landschap en de dorpskern. Dit alternatief scoorde minder goed op verkeersveiligheid en een goede verkeerstructuur.
Alternatieven A en B scoorden minder goed op doelbereik. Vooral B, waarbij de weg op de huidige plaats blijft liggen, scoorde op bijna alle doelen negatief. Alternatief A scoorde op een aantal doelen beter, maar scoorde net als A slecht op het doel van een goede verbinding tussen het landschap en de dorpskern.
Uit de bovenstaande beoordeling op de (milieu)thema’s en het doelbereik kwamen alternatieven C en D naar voren als betere opties. Beide alternatieven scoorden het best op doelbereik. De bestaande route via de Zeelandsedijk (alternatief D) levert echter knelpunten op voor de ombouw naar een volwaardige provinciale (Duurzaam Veilige) route in relatie tot de aanliggende woningen.
Uit het onderzoek uit 2020 (Witteveen en Bos en ProCap) kwam naar voren dat de westelijke alternatieven geen optimale invulling geven aan de ambities op het gebied van woningbouw en leefbaarheid. De westkant van Volkel is het gebied dat de meeste kansen biedt op het gebied van wonen. Een regionale verkeersfunctie aan de westzijde van Volkel is niet goed te combineren met woningbouw. Met alternatieven A en B blijven barrièrewerking, hinder en versnippering een probleem voor een goede stedenbouwkundige inpassing.
Uit de informatienota aan het college van gemeente Maashorst (19/11/2020) bleek dat er bij alle betrokken partijen draagvlak is voor de alternatieven ten oosten van Volkel. De klankbordgroep adviseerde dan ook om te sturen op een oostelijk alternatief, zijnde C of D. Alternatieven A en B vielen hiermee af, aangezien deze alternatieven niet bij zouden dragen aan de doelstellingen van het project.
Aangezien alternatief D over het tracé van de Zeelandsedijk loopt en de uitwerking tot provinciale weg tot inpassingsknelpunten zou leiden, werd aangeraden alternatief C verder uit te werken. De motivatie voor deze keuze is hieronder overgenomen.
In juni 2021 (18‑06‑2021) heeft de stuurgroep na verschillende keukentafelgesprekken en de resultaten van de consultatie besloten om alternatief C aan te duiden als voorkeursalternatief. Dit alternatief voldoet volgens de stuurgroep het beste aan de beoogde duurzame ruimtelijke structuur voor Volkel. In hoofdlijnen was de argumentatie voor de keuze van C ten opzichte van D:
Een goede doorstroming wordt gewaarborgd vanwege het slimme en robuuste ontwerp met maximaal twee rotondes, waarvan een aan de zuidzijde aansluitend op de Brabantstraat/Leeuwstraat en een aan de noordzijde die de Rouwstraat en Antoniusstraat verbindt (regionale verbinding Odiliapeel). Het tracé heeft verder géén in-en afritten.
Het alternatief is verkeersveilig te ontwerpen binnen de beschikbare ruimte. Het landbouwverkeer wordt apart afgewikkeld via de bestaande Zeelandsedijk als parallelstructuur. Dit geldt ook voor het lokale bestemmingsverkeer en vrachtverkeer. Het langzame verkeer, o.a. fietsverkeer, kan ook gebruik maken van deze parallelstructuur (en de daarbij behorende fietspaden) en kan dus veilig en zonder veel omrijden de route oversteken via de rotondes. Andere oversteekvoorzieningen worden nader onderzocht. De belangrijkste regionale routes blijven zo in stand en worden op deze manier versterkt.
Er is (voldoende) ruimte om het tracé kwalitatief goed in te passen in de omgeving, omdat het op de meeste plekken op redelijke afstand tot bestaande bebouwing blijft. Ook is verwerving slechts beperkt nodig. Er is zo optimaal mogelijk rekening gehouden met de kwaliteiten (natuurlijk, bebouwing) van het gebied. De exacte manier van inpassing zal nog verder moeten worden vormgegeven.
Het alternatief voldoet aan de eisen van robuustheid en toekomstvastheid en kan naar verwachting de verkeersaantallen ook in de toekomst op een goede en veilige manier afwikkelen.
Het aantal geluidgehinderden neemt ten opzichte van de referentiesituatie aanzienlijk af. Waar de geluidsbelasting hoger is dan de grenswaarde, zijn mogelijkheden voorhanden om deze te verlagen.
Alternatief C laat t.o.v. de andere alternatieven de buurtschappen en de verbinding met de kern van Volkel relatief het meest intact. Ook is het doel om het historische lint/de bebouwing aan de Zeelandsedijk tot aan de rotonde zoveel mogelijk onaangeroerd te laten. De verbinding met de kern van Volkel kan behouden blijven door twee rotondes en mogelijk andere oversteekvoorzieningen.
In september 2021 heeft het college van Burgemeester en Wethouders ingestemd met het voorstel om alternatief C aan te duiden als voorkeursalternatief voor verdere planvorming.
Na het vaststellen van alternatief C als voorkeursalternatief voor het omklappen van de N605, is er in opdracht van de gemeente Maashorst een inspiratieboek en een ruimtelijke perspectief opgesteld. Het inspiratieboek diende ter inspiratie voor het gesprek tussen de omgeving, klankbordgroep, provincie en gemeente. Het inspiratieboek kon zo alle reeds opgehaalde en nog op te halen input vanuit de gemeente en andere stakeholders bespreekbaar maken aan de hand van visualisaties. In het inspiratieboek is het tracé van alternatief C opgedeeld in verschillende stukjes, de zogenaamde bouwstenen. Per bouwsteen worden verschillende tracé keuzes, ook wel varianten, gevisualiseerd. Het inspiratieboek heeft als input gediend voor het inzichtelijk maken van kansen en knelpunten voor het tracé van de te verleggen N605 en diende als overzicht voor het ingenieursbureau dat in een later stadium de weg verder zou gaan ontwerpen. Waar het inspiratieboek inging op de bouwstenen die samen de nieuwe N605 moeten vormen, ging het ruimtelijke perspectief in op de verdere ontwikkeling van Volkel en de omgeving rondom de N605. Figuur 8 geeft de uitwerkingsmogelijkheden uit het inspiratieboek voor het nieuwe tracé weer. Dit is gebruikt voor de verdere uitwerking van het tracé.
Het inspiratieboek heeft een belangrijke rol gespeeld in het opstellen van de zogenaamde bouwstenen. Dit zijn essentiële plekken op het tracé waar keuzes over de uitwerking gemaakt moesten worden. In het inspiratieboek is het tracé opgedeeld in drie delen; zuid, midden en noord. Deze delen zijn vervolgens weer opgedeeld in verschillende bouwstenen. Een bouwsteen is in een specifieke oplossing voor een kruising met een bestaande weg. Alternatief C is opgebouwd uit vier bouwstenen. Deze bouwstenen bevonden zich ter hoogte van:
het Heikantsepad. Hier bestonden vier opties: een fietstunnel met parellelweg, een viaduct, een fietsbrug met parallelweg en enkel een parallelweg.
de Bolle akker. Hier bestonden twee opties: de weg ten zuiden van de primaire watergang van de Bolle akker, of ten noorden van deze watergang.
de Rechtestraat/ Wilgenstraat. Hier bestonden drie opties: geen verbinding met de Wilgenstraat, een fietstunnel of een fietsviaduct.
de rotonde bij de Rouwstraat. Hier bestonden vier opties: Zeelandsedijk via Rouwstraat, Rouwstraat via Zeelandsedijk, een kluifrotonde of een T-aansluiting.
De nieuwe N605 wordt aan de zuidzijde aangesloten op de kruising Zeelandsedijk – Brabantstraat. Op deze locatie was alleen een rotonde mogelijk, daarom zijn er voor deze locatie geen bouwstenen opgesteld. Wanneer dit kruispunt zou worden uitgevoerd als een VRI-kruising, zou er een disbalans ontstaan door de grote intensiteitsverschillen tussen de N605 en het verkeer dat de Brabantsestraat in- en uitrijdt. Een rotonde zorgt voor een veilige en efficiënte manier van verkeer afwikkeling, zonder te veel verstoring en wachttijden. Daarnaast zorgt een rotonde ervoor dat het verkeer moet afremmen tot circa 30 km/h. Hierdoor is een rotonde op deze locatie veiliger dan een voorrangskruising.
Op het noordelijke deel van het tracé wordt de N605 aangesloten op de N264. Op deze locatie is er sprake van grotere verkeersstromen, die beter verdeel zijn over alle rijrichtingen. Om deze reden is op deze locatie alleen een VRI-kruising geschikt. Daarom bestonden ook op deze locatie geen verschillende bouwstenen.
De N605 vormt een doorgaande verbindingsroute tussen Gemert en Volkel en is 12 kilometer lang (Figuur 9). De N605 sluit ter hoogte van Gemert aan op de N272 via een rotonde, ten noorden van Wolfsbosch. Vervolgens loopt het tracé van de N605 van Gemert richting het noorden. De N605 loopt hier ten westen langs Boekel. Via Boekel komt de N605 bij Volkel aan. Ten noorden van Volkel sluit de N605 aan op de rotonde Industrielaan – Lippstadtsingen, waarmee de N605 en de N264 verbonden worden.
In Figuur 10 wordt het huidige tracé van de N605 langs Volkel weergeven. De N605 komt via de Brabantstraat ten zuiden van Volkel aan. Ter hoogte van de kruising met de Kloosterstraat verandert de N605 van de Brabantstraat naar de Leeuwstraat. Via de Nieuwe Udenseweg sluit de N605 aan op de rotonde Industrielaan – Lippstadtsingel. Binnen de bebouwde kom geldt voor de N605 de maximale snelheid van 50 km/h, dit is ter hoogte van de Speekstraat richting het noorden. Buiten de bebouwde kom geldt een maximale snelheid van 80 km/h, met op verschillende locaties een adviessnelheid van 60 km/h. De Brabantstraat kent een verkeersintensiteit van bijna 11.000 motorvoertuigen per etmaal, in de Leeuwstraat zijn dit er ruim 8.000 (Witteveen en Bos, 2021).
Parallel aan de Leeuwstraat loopt een 30km/uur ventweg met dezelfde naam. In Figuur 11 is de huidige ligging van de N605 over de Leeuwstraat te zien, met links de ventweg.
Figuur 12 geeft de Leeuwstraat tussen zijstraten Reestraat en Antilopestraat weer. Hierop is te zien dat de woonbebouwing op relatief korte afstand van de N605 gelegen is.
De nieuwe N605 komt voornamelijk te liggen op grond die nu in gebruik is voor agrarische doeleinden. Daarnaast kruist de weg onder andere gronden die in gebruik zijn voor bedrijfsdoelstellingen en gronden met een woonbestemming.
Op Figuur 13 is de locatie voor het zuidelijke deel van het tracé te zien. Dit gebied wordt o.a. gebruikt voor bewoning en agrarische doeleinden. Ten noorden van het bedrijf aan de Zeelandsedijk, bevindt zich de Bolle Akker (zie figuur). Een bolle akker is een akker waarbij het midden hoger ligt dan de randen. Dit is historisch zo ontstaan door de manier van ploegen. Hoe dit gebied er in de huidige situatie uit ziet is te zien op Figuur 14.
Het onderstaande figuur laat de huidige situatie van het gebied tussen Wilgenstraat en Heikantsepad zien, ten westen van de Zeelandsedijk. Momenteel is dit gebied o.a. in agrarisch gebruik en dient een deel van het veld als piekparkeerplaats voor BillyBird Hemelrijk park.
Figuur 15 geeft de huidige situatie weer op het noordelijke deel van het tracé van de nieuwe N605. In de huidige situatie heeft het gebied een mix aan functies, waaronder woonfuncties en gronden voor agrarisch gebruik.
Tijdens de stuurgroep van 26 april 2024 is één voorkeursalternatief gekozen uit de verschillende varianten binnen alternatief C. Dit betekent dat er voor elke bouwsteen één variant is gekozen. Deze keuzes vormen samen met de aansluiting van de N605 op de Brabantstraat en de N264, het voorkeursalternatief voor de N605. Dit voorkeursalternatief is in het wegontwerp verder uitgewerkt. In dit omgevingsplan wordt deze uitwerking planologisch vastgelegd.
Wat betreft bouwsteenlocatie 3 was de voorkeur om een fietstunnel aan te leggen bij de Wilgenstraat, indien daarvoor budget zou kunnen worden gevonden. Uiteindelijk is in de gemeenteraad d.d. 26 juni 2025 gekozen voor een oplossing zonder fietstunnel.
In de onderstaande paragrafen wordt ingegaan op de (ontwerp)keuzes die zijn gemaakt binnen het project en hoe deze keuzes hebben geleid tot het bestaande ontwerp.
Het tracé van de verlegde N605 wordt hieronder van zuid naar noord toegelicht
De Zeelandsedijk en de N605 worden door middel van een rotonde aangesloten op de Brabantstraat. Hiermee kan het verkeer op een veilige en efficiënte manier afgewikkeld worden, zonder veel verstoring en wachttijd. Omdat het verkeer wordt gedwongen om af te remmen tot circa 30 km/h, wordt ook de afwikkeling van het fietsverkeer relatief veilig. Fietsers kunnen de Brabantstraat aan de zuidwestelijke kant van de rotonde kruisen.
Bij het Heikantsepad is er gekozen voor een fietstunnel (figuur 17). Hierdoor blijft het Heikantsepad bestaan als fietsroute. In de variant met een fietstunnel was ook een parallelweg voorzien. Deze parallelweg is geen onderdeel van het ontwerp. Voor de weg is minder draagvlak. Het beperkte aantal vrachtwagens van/naar de bedrijven langs het Heikantsepad kan worden afgewikkeld via de kern van Volkel. De ingreep, het ruimtebeslag en de kosten blijven hierdoor beperkter. Landbouw en autoverkeer kunnen de N605 hier niet meer passeren en moet omrijden via bestaande routes en de nieuwe rotonde aan de zuidkant van het nieuwe traject. Dit wordt acceptabel geacht gezien de beperkte lengte van de omrijdroute.
Bij de Bolle akker is gekozen voor een ligging van de N605 aan de noordzijde van de sloot. Hier is sprake van minder grondeigenaren en minder invloed op de (parkeer)situatie bij BillyBird Hemelrijk park. Daarnaast is met de ligging ten noorden van de sloot de afstand tot de bebouwing langs de Zeelandsedijk groter. Ook komt de weg met deze ligging beter uit bij de Wilgenstraat. Met de gekozen ligging ligt de weg dichter op de Bolle akker. Een aandachtspunt is de afwatering van de Bolle akker in zuidoostelijke richting, hier is bij de verdere uitwerking van het wegontwerp rekening mee gehouden.
Voor de kruising bij de Wilgenstraat is er gekozen voor een doorgaande weg, zonder mogelijkheid tot kruising. De Wilgenstraat wordt niet verbonden door middel van een fietsbrug of fietstunnel. De Wilgenstraat is geen onderdeel van een fietsroute tussen de dorpen rond Volkel. Fietsers vanaf Odiliapeel kunnen de N605 kruisen bij de rotonde bij de Rouwstraat.
Ter hoogte van de rotonde Rouwstraat, is ervoor gekozen om de rotonde zoveel mogelijk op de locatie van de huidige rotonde te realiseren. Dit is gunstig wat betreft de realisatiekosten. Daarmee is ook de impact op het naastgelegen bedrijfsperceel beperkt. De parallelweg die via de Antoniusstraat aansloot aan de zuidwestkant van de rotonde is niet opgenomen in het ontwerp van de verlegde N605, omdat die niet meer nodig is vanwege aankoop van het bedrijf dat met die parallelweg ontsloten werd. De Rouwstraat en de Zeelandsedijk sluiten met een T-aansluiting aan op de rotonde. De bocht richting de Rouwstraat is daarmee relatief krap waardoor de snelheid van het autoverkeer laag zal zijn; dit sluit aan bij de voorkeur om de Rouwstraat veiliger te maken voor fietsers terwijl een goede aansluiting voor de Zeelandsedijk richting de aanliggende bebouwing en BillyBird Hemelrijk park geborgd wordt.
De rotonde zorgt voor een lage snelheid van het autoverkeer en de vormgeving van het fietspad bij de rotonde zorgt ervoor dat fietsers veilig kunnen oversteken. Maatregelen op de Rouwstraat om deze veiliger te maken voor fietsers verder richting Odiliapeel zijn geen onderdeel van het project maar worden verder beschouwd door de gemeente.
Tenslotte wordt de N605 aangesloten op de N264 doormiddel van een VRI-kruising, zie figuur 20. Dit betekent dat het verkeer op de kruising wordt geregeld door een Verkeersregelinstallatie, zijnde verkeerslichten. Door zoveel mogelijk het bestaande tracé te volgen, worden de bestaande bosschages langs de Zeelandsedijk zoveel mogelijk ontzien.
Vanuit verkeersveiligheid is berekend wat de haalbare snelheid is voor het wegverkeer op dit korte wegvak door zowel de acceleratielengte als deceleratielengte te berekenen. Hieruit blijkt dat het tracé ondanks de bochtigheid, voldoende veilig is omdat de toegepaste bogen en overgangsbogen passen bij de daadwerkelijk realistisch haalbare snelheid.
Om te borgen dat de nieuwe N605 goed in het landschap past, is er een Ruimtelijke Kwaliteitsplan opgesteld in april 2024 (zie bijlage 1). Dit document geeft inzicht in de ruimtelijke kwaliteit van het gebied langs het tracé van de nieuwe N605, met de nadruk op de gewenste integrale landschappelijke inpassing. In dit rapport zijn de vier waarden van ruimtelijke kwaliteit (herkomst-, belevings-, gebruiks-, en toekomstwaarde) beschreven en de landschappelijke waardes, knelpunten en kansen voor het gebied geschetst, met de bijbehorende mogelijke inpassingsmaatregelen om de ruimtelijke kwaliteit te behouden en verbeteren. Bij het opstellen van dit plan is input van stakeholders opgehaald door middel van keukentafelgesprekken en bewonersateliers. In het plan is een visie opgenomen om de nieuw aan te leggen infrastructuur een groene en herkenbare corridor te laten vormen (figuur 21). Er wordt rekening gehouden met de ruimtelijke en functionele samenhang van landschappelijke en cultuurhistorische elementen en de weg krijgt een groene inpassing. Het Ruimtelijke Kwaliteitsplan bevat de bouwstenen die zijn gebruikt voor het opstellen van het Landschapsplan en het Beeldkwaliteitsplan (zie bijlage III bij de regels van het omgevingsplan).
Het Landschapsplan en Beeldkwaliteitsplan bestaan uit één document, maar dienen beide een andere functie. Het Landschapsplan beschrijft de landschappelijke inpassing met de elementen die worden toegevoegd aan het ontwerp, zoals de geluidwerende voorzieningen en fietstunnel. Het doel van het plan is om een kader te scheppen voor het toetsen van een toekomstig, uitgewerkte landschappelijke inrichtingsplan zodat er een eenduidige gebiedsontwikkeling ontstaat met goede ruimtelijke kwaliteit en landschappelijke inpassing. Het betreft een schetsplan met landschappelijke inrichtingsvoorstellen.
Het Beeldkwaliteitsplan heeft als doel een kader te scheppen voor het toetsen van de bouw- en inrichtingsplannen, zodat er een integrale wegomgeving ontstaat van een goede ruimtelijke kwaliteit. Daarnaast dient dit plan als inspiratie voor verdere planontwikkeling. In het Beeldkwaliteitsplan zijn de uitgangspunten uitgewerkt en vertaald in kaders en ontwerpprincipes voor de inrichting en vormgeving van de weg, de kunstwerken en de aansluiting op het omliggende landschap. Binnen dit plan staan de civieltechnische inrichtingselementen en de directe omgeving, zoals bermen, sloten, fietsonderdoorgangen en geluidsschermen centraal.
Figuur 22 geeft de landschappelijke inpassing van de N605, zoals opgenomen in het Landschapsplan weer. In het landschapsplan wordt de landschappelijke inpassing van de weg per deelgebied uitgebreid beschreven. In de onderstaande paragrafen wordt deze inpassing kort toegelicht.
Ter plaatse van het Heikantsepad wordt een fietsonderdoorgang onder de N605 gerealiseerd om de bestaande verbinding voor fietsers en voetgangers te behouden. De fietsonderdoorgang bestaat uit een voetpad van 2 meter en een fietspad van 3,5 meter breed. Vanwege de beperkte ruimte voor een helling wordt de weg N605 ter plaatse circa 2 meter verhoogd. Het hoogteverschil wordt opgevangen met groene taluds (≤1:3) aan beide zijden om de groene en landelijke omgeving te behouden. Om het geluid af te schermen worden er ook geluidsschermen gerealiseerd, o.a. in vorm van een aarden wal, met een laag geluidsscherm erop. Bestaande bomen worden zoveel mogelijk behouden. Bomen die desondanks moeten worden verwijderd of verplaatst, worden gecompenseerd buiten de molenbiotoop.
Aan de noordoostzijde van de N605 wordt een nieuwe watergang aangelegd langs het talud. Deze heeft een dubbele functie: enerzijds voor de opvang en afvoer van water, anderzijds voor het behoud en de versterking van de bestaande waterstructuur in het gebied. Aan de noordoostkant van de fietsonderdoorgang wordt ook een wadi aangelegd. De wadi en de aangrenzende watergang liggen naast elkaar en vormen dankzij overstorten en een stuw een veerkrachtig en flexibel watersysteem. Met de wadi wordt een landschapspocket met verschillende natte/ droge beplanting en biotopen ontwikkeld.
Om de ecologische functie aan het begin en einde van de nieuwe weg te mitigeren en compenseren, worden op deze locatie diverse faunavoorzieningen aangelegd, waaronder een ecoduiker en een faunapassage.
Als ruimtelijke kwaliteitscompensatie voor de Bolle Akker, en als onderdeel van de bomencompensatie, wordt langs de watergang een bomenrij van Zwarte els aangeplant. De bomen worden geplaatst op circa 1 meter afstand van de insteek. De locatie van de bomen sluit aan bij de historische kavelstructuur van het gebied. Aan de zuidzijde van de N605 bevindt zich een A-watergang. Aan de noordzijde van de N605 wordt een extra sloot aangelegd om zowel de afwatering van de weg als het bestaande drainagesysteem van het omliggende landbouwgebied in stand te houden. Aan de zuidzijde van de A-watergang wordt een natuuroever aangelegd, met een afwisseling van natte en droge beplanting tot maximaal 1,5 meter hoog. Deze beplanting schermt het zicht op de weg en het verkeer af, terwijl de karakteristieke openheid van de Bolle Akker behouden blijft.
Tussen de Rechtestraat en de Wilgenstraat zijn aan beide zijden geluidsschermen opgenomen in de vorm van een combinatie van aarden wallen en schermen, met als doel het afschermen van verkeersgeluid. Aan de oostzijde wordt een geluidscherm gerealiseerd ten zuiden van de Wilgenstraat tot voorbij de Rechtestraat. Langs de geluidsschermen aan beide zijden van de N605 worden bomenrijen aangelegd als onderdeel van de 1 op 1 bomencompensatie. Samen met aanvullende beplanting vormen de bomenrijen een groenstrook die het zicht op de geluidsschermen afschermt en tegelijkertijd bijdraagt aan de versterking van lokale biotopen en de landschappelijke samenhang. Ook worden er meerdere faunavoorzieningen aangelegd, waaronder een faunapassage en een kleine amfibietunnel. Ter hoogte van de Wilgenstraat wordt een wadi gerealiseerd.
Kruispunt N264: Om de verkeersstromen en snelheden te verbeteren, wordt de bestaande rotonde N264/Zeelandsedijk vervangen door een kruising met verkeerslichten, inclusief aangepaste opstelstroken. Deze ingreep heeft directe gevolgen voor het omliggende landschap, met name voor de bestaande bomenrij langs de weg. Het uitgangspunt bij de landschappelijke inpassing is het zoveel mogelijk behouden van de ruimtelijke kwaliteit en de karakteristieke bomenstructuur. Bomencompensatie in een verhouding van 1 op 1 vindt plaats in de directe omgeving, met als doel het behoud van de bestaande bomenstructuur.
Tussen de N264 en de rotonde Rouwstraat worden bomen die verwijderd dienen te worden voor het nieuwe tracé 1-op-1 gecompenseerd langs het fietspad. Hiermee wordt het cultuurhistorische kenmerk van het fietspad met bomenrij versterkt. De nieuwe bomen komen tussen de N605 en het fietspad te staan, wat ook bijdraagt aan de verkeersveiligheid voor fietsers. Om de ecologische functie in het gebied te behouden en versterken worden er ook een aantal maatregelen getroffen, waaronder een faunapassage en een amfibietunnel.
Voor de verlegging van de N605 is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (zie bijlage 4). Hierin is onderzocht welke geluidwerende voorzieningen benodigd zijn. Om geluidhinder te beperken, wordt de nieuwe N605 waar mogelijk gerealiseerd met geluidwerend asfalt (SMA). Daarnaast worden op meerdere locaties langs het nieuwe tracé van de N605 geluidsschermen gerealiseerd om geluidsoverlast van de nieuwe N605 tegen te gaan. De locaties van de geluidwerende voorzieningen zijn terug te vinden in het akoestisch onderzoek (bijlage 4), het Landschapsplan en Beeldkwaliteitsplan (bijlage III bij de regels) en paragraaf 8.6 ‘Geluid’ van deze motivering. Onderstaande figuur geeft een indictie van de vormgeving van de geluidsschermen langs de N605. Op de meeste locaties worden de geluidsschermen gerealiseerd in de vorm van een aarden wal met een laag scherm. Op deze manier worden de schermen onderdeel van het landschap. Vanuit de omgeving is hiermee ook geen muur te zien, maar een levendige groene dijk.
Op de huidige rotonde tussen de N264 en de Zeelandsedijk staat een F-16 opgesteld. Deze rotonde wordt omgebouwd tot een kruising met een verkeersregelinstallatie (VRI), waardoor er geen ruimte meer is voor de F-16. In het kader van het project N605 is de verplaatsing van de F-16 planologisch en juridisch voorbereid.
Na een locatiestudie en gesprekken met de klankbordgroep is een afweging gemaakt waarbij verschillende opties zijn afgewogen. Er is besloten dat de F-16 wordt verplaatst naar de rotonde Zeelandsedijk/Rouwstraat in Volkel, de F-16 komt hier midden op de rotonde te staan (figuur 29). Hiermee wordt voldaan aan de wensen uit de klankbordgroep.
Ter hoogte van de kruising van de Zeelandsedijk met de Brabantstraat in Volkel staat een monumentaal beeld met een Jezusfiguur (kruisbeeld). Door de aanleg van de nieuwe N605 komt dit beeld nagenoeg tegen de rijbaan te staan en komt daardoor binnen de obstakelvrije zone van de weg. Verplaatsing van het beeld is daarom noodzakelijk. Er is gekozen voor een nieuwe locatie buiten de obstakelvrije zone van de nieuwe N605, in lijn met het advies van de monumentencommissie.
Het uitgangspunt bij de verplaatsing van het kruisbeeld is dat deze, zoals in de huidige situatie, wordt georiënteerd in de richting van de weg., dit gezien de historische lading van het monument. Bij de inpassing is rekening gehouden met het feit dat bomen op de achtergrond bij het ensemble horen, deze worden in een maanvormige cirkel geplaatst.
De gemeente Maashorst heeft de ambitie om de gemeente klimaatveerkrachtig en waterrobuust in de richten. Met duurzaamheid en klimaatadaptatie wordt in het ontwerp van de N605 dan ook op verschillende manieren rekening gehouden. Voor de inpassing van de weg is een Landschapsplan en een Beeldkwaliteitsplan opgesteld. Deze plannen geven een duidelijk beeld van de uiteindelijke inpassing.
De weg is groen ontworpen: kruidenrijke graslandschappen en natuurvriendelijke oevers maken deel uit van het ontwerp van het plan. In de landschappelijke inpassing van de weg is zoveel mogelijk rekening gehouden met landschappelijke structuren en -elementen en het behouden en verbeteren van groen. Door het opnemen van wadi’s in het ontwerp, wordt aan de watercompensatie-eis voldaan. Daarnaast creëren deze wadi’s een landschapspocket met verschillen natte en droge beplanting. Dit draagt bij aan de biodiversiteit. Ook worden de bomenlanen en structuren versterkt bij de landschappelijke inpassing van de weg. Bestaande bomen worden zoveel mogelijk behouden. Wanneer ze worden aangetast worden ze zover mogelijk gecompenseerd in de buurt. Hiervan is de rotonde tussen de Rouwstraat en Rechtestraat een goed voorbeeld. Hier wordt de bestaande groenstrook langs de Zeelandsedijk versterkt. In de huidige bomenrij worden nieuwe bomen aangeplant. De versterkte groenstructuren verhogen de waarde van de groene omgeving door verkoeling, schaduwwerking en aantrekkelijkere leefomgeving met meer biodiversiteit.
Daarnaast wordt er een aantal faunapassages aangelegd, om dieren veilig de weg te laten oversteken en om versnippering van gebieden tegen te gaan. Dit wordt verder toegelicht in paragraaf 8.10 en in het bijbehorende Milieueffectrapport (zie bijlage 2).
Er heeft ook een onderzoek plaatsgevonden naar de klimaatbestendigheid van het ontwerp van de N605. Het gebied waarin de N605 komt te liggen, heeft een zeer klein overstromingsrisico. Het project heeft geen invloed op de overstromingskans. De fietstunnel is gevoelig voor wateroverlast. Hier dient bij het ontwerp van deze fietstunnel rekening mee te worden gehouden. Ook voorziet het ontwerp van de weg in drie wadi’s die een overschot aan regenwater kunnen opvangen. Daarnaast kent het gebied een risico voor lokale stijgingen van de temperatuur. Grijs ten opzichte van groen kan zorgen voor een lokale stijging van de gevoelstemperatuur. Door aan het ontwerp veel groen toe te voegen, kan hiervoor deels gemitigeerd worden (verkoeling). Voor het gehele onderzoek naar Duurzaamheid en Klimaat wordt verwezen naar het milieueffectrapport (bijlage 2).
Daarnaast heeft er voor de verlegging van de N605 een Duurzaamheidssessie plaatsgevonden. Hierin zijn de duurzaamheidsambities voor het project vastgesteld. Hieruit kwam naar voren dat de ambities voor dit project voornamelijk gefocust zijn op de thema’s “Energie en Klimaatmitigatie”, “Materialen en Circulariteit”, “Klimaatadaptatie”, en “Natuur”. Met deze thema’s wordt gewerkt tot aan de afronding van het project om duurzaamheid integraal te verankeren in het wegontwerp, de landschappelijke inpassing en de aanleg van de weg (zie bijlage 8).
De rotonde Industrielaan, ten westen van de nieuwe N605 wordt ook aangepast. In de huidige situatie bevindt zich op deze locatie een rotonde. Op deze locatie komt een kruispunt met verkeersregelinstallatie om de verkeersdoorstroming te verbeteren. De aanpassing van dit kruispunt is onderdeel van het project de omklap van de N605, maar is geen onderdeel van deze wijziging van het omgevingsplan. Indien het aanpassen van het kruispunt niet mogelijk is binnen het bestaand planologisch-juridisch kader, dan wordt hiervoor een aparte ruimtelijke procedure doorlopen. De aanpassing van dit kruispunt is wel meegenomen in bepaalde onderzoeken om een goed beeld te kunnen scheppen van de ruimtelijke effecten in de eindsituatie.
De huidige N605 over de Brabantstraat en Leeuwstraat wordt ook afgewaardeerd. Dit betekent onder andere dat op deze weg snelheidsverlagende maatregelen genomen worden. De afwaardering van deze weg is geen onderdeel van het project de omklap van de N605.
Voor het verleggen van de N605 heeft er een participatietraject plaatsgevonden. Hoe dit traject er heeft uitgezien, is opgenomen in het ‘Participatieverslag N605’ (bijlage 6). In het participatietraject is rekening gehouden met het participatiebeleid van de gemeente Maashorst. Ten tijde van de uitvoering van het participatietraject was het vigerende beleidsstuk de ‘handreiking omgevingsdialoog Maashorst’. In deze handreiking is geregeld hoe burgers, bedrijven en andere partners in de (directe) omgeving bij de voorbereiding van projecten worden betrokken en staan de stappen die benodigd zijn voor een goede omgevingsdialoog. In 2025 is het participatiebeleid ‘samen denken, samen doen’ (2025 – 2026) van de gemeente Maashorst vastgesteld. Aan de hand van dit beleidsstuk is de ‘handreiking omgevingsdialoog gemeente Maashorst’ aangepast, zodat deze handreiking beter aansluit op de manier waarop inwonersparticipatie plaatsvindt zoals beschreven in het participatiebeleid. In de onderstaande paragrafen wordt samengevat hoe de participatie voor het verleggen van de N605 vormgegeven is.
Eind 2020 en medio 2021 hebben er twee ‘trechtermomenten’ plaatsgevonden om een selectie te maken in alternatieven voor de verlegging van de provinciale weg. Hiermee is er van 4 alternatieven naar 1 alternatief gegaan naar voorkeursalternatief C, aan de oostzijde van Volkel. Dit is bekrachtigd door het college van burgemeester en wethouder en de gemeenteraad, het college van Gedeputeerde Staten en de provincie. Hiervoor heeft een brede belangenafweging plaatsgevonden. Deze afweging is ook juridisch getest, volgens advocaten van Hekkelman heeft de raad deze afweging beslist op basis van een compleet beeld van de voor- en nadelen van de alternatieven.
Het proces van de trechtering van de vier alternatieven naar het tracé van alternatief C is beschreven in hoofdstuk 2.
Hierbij is onderscheid gemaakt in de volgende fasen:
Verkenningenfase “Alternatieven oost en west”: Hierin zijn tracéalternatieven aan de oost- en westzijde onderzocht in de periode 2019 – eind 2020. Dit heeft geleid tot trechtering naar de oostelijke alternatieven C en D. Doelgroep van de participatie is geweest de inwoners van Volkel.
Verkenningenfase “Alternatieven oost”: Hierin zijn tracéalternatieven aan de oostzijde verder onderzocht in de periode eind 2020 – medio 2021. Dit heeft geleid tot trechtering naar het voorkeursalternatief C zoals vastgesteld in de gemeenteraad in september 2021. Doelgroep van de participatie waren de inwoners en bedrijven aan de oostzijde van Volkel.
Planstudiefase “Alternatief C”: Hierin is het voorkeursalternatief C verder uitgewerkt en geoptimaliseerd naar de voorliggende voorkeursvariant. Dit heeft plaatsgevonden in de periode eind 2021 tot heden. Doelgroep van de participatie waren de inwoners en bedrijven aan de oostzijde van Volkel, rond het tracé van alternatief C.
In 2019 is er een brede uitvraag geweest om de klankbordgroep te formeren. Hieruit zijn 14 mensen gekomen die samen de klankbordgroep hebben gevormd. De klankbordgroep is zodanig samengesteld dat vertegenwoordiging per buurtschap/dorpsdeel is geborgd. De klankbordgroep vervulde een zeer actieve rol en was belangenbehartiger namens haar achterban: ze adviseerde, stelde kritische vragen, bracht aandachtspunten in en stemde af met haar achterban. Met die inzet heeft de klankbordgroep meegeholpen om vrijwel elke stap in het proces aan te scherpen en te toetsen. Hoewel de initiële insteek was om met een paar bijeenkomsten de benodigde input op te halen, is de betrokkenheid van de klankbordgroep in de verkenningsfase uitgelopen op een intensief traject met meer dan 10 bijeenkomsten.
Na de verkenningsfase is de inzet van de brede klankbordgroep ‘op een laag pitje’ gezet en is het contact doorgezet met een smallere vertegenwoordiging vanuit de oostzijde van Volkel. Hierin zijn vier personen opgenomen die een vertegenwoordiging vormen van Oosterens, Heikant, de Dorpsraad en het Fietsforum. Met deze smalle klankbordgroep zijn onder meer tussenresultaten van onderzoeken besproken, de aanpak van communicatiemomenten en diverse actuele onderwerpen.
Tijdens informatiebijeenkomsten zijn plannen gepresenteerd aan de hand van tekeningen. Deze bijeenkomsten waren informerend van aard met gelegenheid om vragen te stellen. En dus niet bedoelt om input op te halen, maar wel om te laten zien wat er met input is gedaan. Iedereen was welkom bij informatiebijeenkomsten. Er zijn in de verkenningsfase ook twee besloten bijeenkomsten geweest voor de buurtschappen, hierbij werd gediscussieerd over hoe bouwstenen per buurtschap vorm moeten krijgen (inspiratieboek). Ten tijde van corona is gekozen informatie breed te delen via webinars.
In de planstudiefase zijn samen met ingenieursbureau Movares een aantal informatiebijeenkomsten in buurthuis De Schakel georganiseerd over de ontwikkeling van de voorkeursvariant:
Medio 2022 tot medio 2023 heeft de gemeente het gesprek met de bewoners en ondernemers van de omgeving gevoerd. Samen met ontwerpbureau Buro Waalbrug is de input uit gesprekken met de omgeving opgenomen in een inspiratieboek. Dit inspiratieboek is een tool om gesprekken te voeren en mensen een beeld te geven van hoe de fysieke weg in de ruimte komt te liggen. Parallel aan het inspiratieboek heeft Buro Waalbrug in samenwerking met projectgroep Omgevingsvisie van de gemeente Maashorst ook gewerkt aan een ruimtelijk perspectief voor de N605. Dit heeft gefungeerd als bouwsteen voor de omgevingsvisie van de gemeente.
Deze gesprekken zijn gevoerd van juli 2022 tot september 2022. Hiervoor werden sessies georganiseerd in de Brabantse Hoeve waarbij bewoners in een tijdslot op gesprek konden komen. Met bewoners die hierbij niet konden aansluiten, zijn losse afspraken gemaakt.
De gemeente heeft gedurende het gehele project, van 2019 tot en met 2024, gesprekken gevoerd met de bewoners en ondernemers in de omgeving van het project. Deze gesprekken vonden plaats in georganiseerde gespreksrondes waarbij de gemeente in gesprek gingen met de omgeving. De gesprekken zijn gebruikt als middel om informatie te verzamelen en om zorgen en oplossingen te bespreken. Er zijn rond een aantal stappen in de planvorming gespreksrondes ingepland met omwonenden/belanghebbenden. Dat zijn mensen die eigendom (woning, bedrijf, grond) of directe belangen hebben in het plangebied van het alternatief. Ook zijn er af te toe losse gesprekken ingepland op het moment dat bewoners aangaven hier behoefte aan te hebben. De bredere gesprekrondes zijn ingepland en uitgevoerd in de volgende periodes:
Verkenningsfase
Planstudiefase
Deze zijn breed aangekondigd middels een digitale nieuwsbrief en publicaties in lokale media. Dat er geen brede informatiebijeenkomsten zijn georganiseerd, was het gevolg van de beperkingen vanuit de Coronapandemie. Tijdens de webinars is door de projectleider, de wethouder en de voorzitter van de klankbordgroep tekst en uitleg gegeven over de voorgestelde keuzes:
De resultaten hiervan zijn gerapporteerd bij, en betrokken in de besluitvorming over het voorkeursalternatief in september 2021. Hierbij is gebruik gemaakt van de volgende platforms:
“Volkel in beeld”, een website van het ingehuurde ingenieursbureau Witteveen+Bos over de trechtering naar de oostelijke alternatieven
“Maashorst aan het woord” van de gemeente, voorafgaand aan de trechtering naar alternatief C.
Het platform “Maashorst aan het woord” is ook gebruikt in de planstudiefase, maar vooral in de vorm van het beschikbaar stellen van informatie en niet zozeer het zoeken van interactie met de omgeving. Deze interactie heeft in deze fase juist weer plaatsgevonden in de diverse gesprekken en bijeenkomsten.
Ook werden via deze weg aankondigingen van bijeenkomsten of besluitvormingen gedaan. Iedereen heeft zich kunnen aanmelden voor de nieuwsbrief, via de website van het project of het algemene contactformulier van de gemeente. Op de volgende momenten zijn deze nieuwsbrieven gedeeld:
Vanaf de eerste helft van de verkenning is er een website ingericht met informatie over de voortgang van het project. Deze is bereikbaar via www.n605volkel.nl. Gemiddeld ieder kwartaal is de website voorzien van een grondige update.
De gemeenteraad is op verschillende momenten gedurende het proces geïnformeerd over de voortgang. Zo is er in de verkenningsfase twee keer een presentatie verzorgd in een bijzondere vergadering over onderwerpen op het gebied van mobiliteit. Verder zijn er verschillende raadsinformatiebrieven verstuurd. Doorgaans werden deze gecombineerd met een informatievoorziening aan de omgeving via een nieuwsbrief.
Op de volgende momenten is de raad (en omgeving) op deze wijze geïnformeerd:
Verkenningsfase:
Planstudiefase
Zowel procesmatig als inhoudelijk heeft de participatie geleid tot aanpassingen in het project. Alle inbreng en resultaten zijn beschreven in het participatieverslag. Een aantal aanpassingen worden in deze paragraaf beschreven.
Het project omklap N605 is geen verkeersproject. Het is een leefbaarheidsproject. Dat was de duidelijke boodschap vanuit de eerste klankbordgroepbijeenkomst. Deze doelstelling heeft direct doorgewerkt in het beoordelingskader dat is opgesteld om alternatieven mee te beoordelen en af te wegen. Het beoordelingskader is samen met de (brede) klankbordgroep uitgewerkt en toegepast op de verschillende alternatieven. De klankbordgroep heeft een actieve rol gehad in het beoordelen van alternatieven op aspecten van leefbaarheid en omgevingskwaliteit.
Ook de keuze om verder te gaan met alternatief C heeft de instemming van de klankbordgroep gekregen. Ook in 2021 heeft zij in een advies aan de stuurgroep van de N605 deze keuze onderstreept. Hierbij werden aandachtspunten meegegeven voor de verdere uitwerking.
De ontsluiting van het Heikantsepad is gedurende de gehele ontwerp uitwerking een punt van zorg geweest. Het Heikantsepad is belangrijk voor de ontsluiting van het fietsverkeer vanuit Uden, Volkel en het recreatiegebied Hemelrijk. Ook wikkelt zich hier autoverkeer, vrachtverkeer en landbouwverkeer af, onder andere van lokale ondernemers en landbouwers die toegang hebben tot de bolle akker. Veel verschillende varianten zijn hier afgewogen. Uiteindelijk is er na overleg met omwonenden en de klankbordgroep voor gekozen te gaan voor een oplossing waarbij het Heikantsepad wordt afgesloten voor autoverkeer, vrachtverkeer en landbouwverkeer. Het fietsverkeer gaat middels een fietstunnel onder de weg door. Autoverkeer en vrachtverkeer kan in principe afwikkelen via het dorp, via de Kloosterstraat en het Schakelplein.
Met de komst van de Omgevingswet, die vanaf 1 januari 2024 van kracht is, heeft de regering de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld.
In de NOVI wordt een visie geschetst voor de lange termijn over hoe Nederland zijn leefomgeving wil vormgeven. Het biedt een strategisch kader om significante maatschappelijke uitdagingen aan te gaan, zoals klimaatverandering, de energietransitie, de circulaire economie, infrastructuur en huisvesting.
De NOVI benadrukt een geïntegreerde benadering voor het aanpakken van problemen in de fysieke leefomgeving, in tegenstelling tot sectorale oplossingen voor afzonderlijke problemen. Deze benadering is geconcentreerd rond vier prioriteiten:
ruimte scheppen voor klimaatadaptatie en de energietransitie;
het stimuleren van duurzaam economisch groeipotentieel;
het bevorderen van sterke en gezonde steden en regio's;
een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijke gebied.
Deze prioriteiten vormen samen de hoekstenen van de NOVI en benadrukken het streven naar een samenhangende aanpak voor de toekomst van Nederland.
In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, 2020). De NOVI is zelfbindend voor de Rijksoverheid en richtinggevend voor andere overheden. Er worden 21 nationale belangen aangegeven. Voor wegenprojecten zijn de volgende nationale belangen met name relevant:
waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem;
in stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit.
Maar ook de algemene nationale belangen in de NOVI hebben betrekking op wegenprojecten:
bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving;
realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit.
In de toelichting op de NOVI staan voor deze nationale belangen de volgende relevante opgaven voor de omlegging van de N605 in het kader van verkeer en verkeersveiligheid:
Voor mobiliteit: verwacht wordt dat de personenmobiliteit tot 2050 fors blijft groeien. Deze toename van mobiliteit op de weg leidt tot filevorming en vertraging. Mensen en goederen moeten binnen een maatschappelijk acceptabele tijd op hun bestemming komen, ook als er door incidenten verstoringen in het systeem optreden. Dit vergt onder andere het beter benutten, uitbreiden en goed verknopen van de verschillende nationale, regionale en lokale netwerken en verbetering van overstap- en overslagpunten. De aanleg van ontsluitingswegen draagt bij aan de versterking van lokale en regionale infrastructuur.
Voor infrastructuur: de opgave is het onderhouden, verjongen, vernieuwen en verduurzamen van de bestaande infrastructuurnetwerken en het realiseren van de aanleg en uitbreiding van infrastructuur daar waar knelpunten niet met andere maatregelen worden voorkomen. De aanleg van ontsluitingswegen draagt bij aan deze aanleg en uitbreiding van infrastructuur.
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) benadrukt het belang van bereikbaarheid en de ontwikkeling van regionale netwerken in Nederland. Het streeft naar een toekomst waarin Nederland functioneert als een netwerk van goed verbonden steden en regio's. Daarnaast wordt door het omklappen van de N605, woningbouw ten westen van Volkel mogelijk. Dit past binnen het nationale belang van het zorgdragen voor voldoende woningen.
De Hoofdlijnennotitie Mobiliteitsvisie 2050 benut en verbindt de deelvisies over mobiliteit, zoals Toekomstperspectief Automobiliteit, Toekomstbeeld Openbaar Vervoer, Toekomstbeeld Fiets, Goederenvervoeragenda, Luchtvaartnota 2020-2050 en de Visie duurzame energiedragers in mobiliteit. De Hoofdlijnennotitie vormt de paraplu over deze deelvisies en zet een strategische koers uit voor het toekomstige beleid. De vier hoofdlijnen richting 2050 zijn:
Het nastreven van meer integrale doelen die het publieke belang van bereikbaarheid van maatschappelijk-economisch vitale functies borgen in heel Nederland.
Het zo benutten, versterken en verbinden van de krachten van de verschillende modaliteiten dat de bereikbaarheidsdoelen doeltreffend en doelmatig behaald worden: de juiste mobiliteit op de juiste plaats en tijd. Daarom zetten we nationaal meer in op het stimuleren en benutten van innovaties.
Het mobiliteitssysteem van de toekomst voldoet aan de publieke kaders voor duurzaamheid, gezonde leefomgeving en veiligheid.
De drie hoofdlijnen hierboven worden gebiedsgericht uitgewerkt, in nauwe samenwerking met de bestuurlijke partners, waarbij ook de gebruikers van het mobiliteitssysteem betrokken worden. Voor het goederenvervoer is dat een corridorgerichte benadering die aansluit op internationale netwerken.
De hoofdlijnennotitie bevat het integrale mobiliteitsbeleid voor de toekomst. Dit is relevant voor infrastructurele projecten zoals provinciale wegen.
Ruimtelijke kwaliteit betreft de ruimtelijke dimensie van omgevingskwaliteit volgens het programma Mooi Nederland (bron: Mooi NL) van het ministerie van VRO. Het ministerie zet door het programma Mooi NL (aangekondigd in een kamerbrief op 17 mei 2022) in op het behouden en verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit in Nederland. Programma Mooi NL stelt ruimtelijke kwaliteit centraal bij de ruimtelijke implicaties van de maatschappelijke opgaven in Nederland. Volgens het Programma Mooi NL moet met partijen aan breed inzetbare handelingsperspectieven op ruimtelijke kwaliteit gewerkt gaan worden, om zo gezamenlijk tot nieuwe oplossingen en een effectieve aanpak te komen. In de brief van het Ministerie van VRO aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal in Den Haag, van 24 april 2023, benadrukt het ministerie nogmaals het belang van ruimtelijke kwaliteit in de inrichting van Nederland. Het is de ambitie dat elke ingreep de ruimtelijke kwaliteit vergroot.
Zoals bedacht in het Programma Mooi NL is het van belang om in het kader van de schaarse ruimte op zoek te gaan naar nieuwe oplossingen die meerdere problemen in één keer kunnen oplossen. Ook moet ruimtelijke kwaliteit niet alleen behouden maar waar mogelijk ook versterkt worden. Dit project geeft daar invulling aan door goede landschappelijke inpassing waarin o.a. biodiversiteit en waterberging een centrale rol hebben gekregen.
In de Ontwerp-Nota Ruimte komen principes naar voren als leidend voor ruimtelijke kwaliteit en de inrichting van de ruimte:
Meervoudig ruimtegebruik; De ruimte moet slim benut worden: combinatie van functies (bijv. wonen + natuur + energie), zodat verschillende ruimtelijke opgaven tegelijk kunnen worden bediend.
Gebiedskenmerken centraal; Er wordt nadruk gelegd op dat ontwikkelingen passen bij wat al in een gebied aanwezig is: bij het landschap, de cultuurhistorie, de natuurlijke waarden, het karakter van regio’s.
Voorkómen van afwenteling; Dat betekent: zorgen dat problemen niet doorgeschoven worden naar andere regio’s of toekomstige generaties. Bijvoorbeeld: niet de schade aan natuur of waterkwaliteit verplaatsen.
Wettelijke basiskwaliteit én ambitie voor méér; De Nota erkent dat er een “basiskwaliteit” is — wat wettelijk vereist is — met betrekking tot zaken als veiligheid, water, milieu, natuur, landschap. Maar het Rijk wil decentrale overheden stimuleren om “meer dan de basiskwaliteit” te bereiken op punten als landschapskwaliteit, ontwerp van de openbare ruimte, ruimtelijke voorzieningen.
Zoals bedoeld in de ontwerp Nota Ruimte dient er bij ontwikkelingen o.a. rekening gehouden te worden met meervoudig ruimtegebruik en het behalen van meer dan alleen een basiskwaliteit. Bij de N605 wordt hier invulling aan gegeven door de manier waarop de weg op een passende manier in het landschap ingepast wordt. Er wordt niet alleen rekening gehouden met de gebruiker van de weg, maar ook gebruikers in de omgeving. Daarnaast krijgt de F16 een plek op de rotonde Rouwstraat en wordt er ruimte gecreëerd om de F16 te beschouwen.
De Brabantse Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant, Visie op de Brabantse leefomgeving (2018)’ is een samenhangende visie op de fysieke leefomgeving en bevat de belangrijkste ambities voor de komende jaren. Deze ambities betreffen veiligheid, gezondheid, omgevingskwaliteit, energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. Deze ambities zijn nader uitgewerkt in 14 beleidskaders en onderliggende uitvoeringsagenda’s. De visie benoemt de ondernemingskracht, ontwikkelkracht en eensgezindheid van de provincie en sluit met de hoofdopgaven bij aan Rijksbeleid, Europese en mondiale doelstellingen.
In deze visie worden kernwaarden gegeven voor het handelen van de provincie. Met als kader het ‘Verbinden in vertrouwen’. Dit is de ambitie om een provincie te zijn die los kan laten vanuit het vertrouwen dat andere partijen op een diepe, ronde en brede manier naar vraagstukken kijken. De hoofd kernwaarden zijn hierbij:
Het creëren van meerwaarde: het bevorderen van duurzame initiatieven, waarbij rekening gehouden wordt met het ‘elders en straks’.
Kwaliteit boven kwantiteit, en daarmee circulair boven lineair.
Het gaan voor steeds beter: ook indien niet wettelijk verplicht voert de provincie taken uit om de Brabantse leefomgeving gezond, mooi en schoon te houden.
Naast de bovenstaande kernwaarden heeft de provincie ook een basisopgave opgesteld. De basisopgave is het werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit. Hierbij horen een viertal hoofdopgaven dit zijn:
Werken aan de Brabantse energietransitie, met als doel 100% duurzame energie in 2050.
Werken aan een klimaatproof Brabant, met een klimaatbestending en waterrobuust ingerichte provincie in 2050.
Werken aan een slimme netwerkstad, met als doel om één samenhangend duurzaam en concurrerend netwerk van dorpen en steden te vormen in 2050.
Werken aan een concurrerende en duurzame economie, met als doel om in 2050 een top kennis- en innovatieregio te vormen.
De zorgplicht voor een goed omgevingskwaliteit is ook opgenomen in de instructieregels van de Omgevingsverordening. Bij de zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit gaat het zowel om het beschermen van waarden als het bijdragen aan de ontwikkeling van waarden en functies in een gebied. Omgevingskwaliteit wordt gezien als de kwaliteit van een plek of gebied die wordt bepaald door een goed samenspel van de vier waarden van ruimtelijke kwaliteit: herkomstwaarde, belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde.
De Omgevingsverordening gaat ernaast ook uit van ‘diep, rond en breed kijken’, gericht op een goede omgevingskwaliteit en waarbij integraal en vanuit een gebiedsgerichte insteek opgaven worden opgepakt. Diep, rond en breed is dus een manier om ruimtelijke ontwikkelingen te onderbouwen en wordt nader uitgelegd in de toelichting op de omgevingsverordening. Hierbij worden alle schaalniveaus van de fysieke en sociale leefomgeving meegenomen, en worden alle relevante partijen betrokken.
De zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit bevat, naast een goede balans van de vier waarden van ruimtelijke kwaliteit, ook een aantal basisprincipes, waaronder:
zorgvuldig ruimtegebruik;
toepassing van de lagenbenadering, met ook aandacht voor de vierde laag, tijdsdimensie;
meerwaardecreatie; en
kwaliteitsverbetering landschap.
De verlegging van de N605 bij Volkel draagt onder andere bij aan het bovenstaande punt 3: om één samenhangend duurzaam en concurrerend netwerk van steden en dorpen te vormen. De verlegging zorgt voor een beter netwerk rondom en langs Volkel, terwijl de nieuwe ligging van de N605 ruimte biedt om het gebied verder te ontwikkelen.
In de provinciale Omgevingsverordening zijn specifieke regels opgenomen voor de bescherming van cultuurhistorisch waardevolle landschappen en bouwwerken en landschappelijke waarden. In Noord-Brabant is er bijzondere aandacht voor het behoud van historische landschapselementen zoals oude ontginningen, boerderijen, en wegen, die de cultuurhistorische identiteit van het gebied versterken. Ten aanzien van het beschermen van landschappelijke waarden, zijn in de omgevingsverordening bepalingen opgenomen voor het beschermen van open landschappen en karakteristieke elementen zoals bomenrijen, heggen en waterlopen. Infrastructuurprojecten moeten hier rekening mee houden.
In de omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant worden ook regels gesteld aan het beschermen van aardkundige waarden. De vanuit provinciale optiek belangrijke waardevolle aardkundige gebieden zijn opgenomen in de omgevingsverordening. De waarden en kenmerken van deze gebieden zijn nader uitgewerkt in een beleidskader, de Aardkundig waardevolle gebiedenkaart, die door Gedeputeerde Staten is vastgesteld.
Er geldt een zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit. Bij de zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit gaat het zowel om het beschermen van waarden als het bijdragen aan de ontwikkeling van waarden en functies in een gebied. Omgevingskwaliteit wordt gezien als de kwaliteit van een plek of gebied die wordt bepaald door een goed samenspel van de vier waarden van ruimtelijke kwaliteit: herkomstwaarde, belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde. De Provinciale Omgevingsvisie en Omgevingsverordening gaan ook uit van ‘diep, rond en breed kijken’, gericht op een goede omgevingskwaliteit en waarbij integraal en vanuit een gebiedsgerichte insteek opgaven worden opgepakt. Diep, rond breed is dus een manier om ruimtelijke ontwikkelingen te onderbouwen en wordt nader uitgelegd in de toelichting op de omgevingsverordening. Hierbij worden alle schaalniveaus van de fysieke en sociale leefomgeving meegenomen, en worden alle relevante partijen betrokken.
Er dient rekening te worden gehouden met de volgende artikelen:
Artikel 5.8, zorgvuldig ruimtegebruik: Om te voorkomen dat er onnodig nieuw ruimtebeslag plaatsvindt, dienen eerst de mogelijkheden binnen de bestaande gebouwde omgeving optimaal benut te worden. Er heeft een uitgebreid voortraject plaatsgevonden waarin verschillende tracés voor de N605 zijn onderzocht. Het huidige tracé van de N605 over de Leeuwstraat was hier onderdeel van. Uit dit onderzoek is gebleken dat de doelstellingen van het project alleen bereikt worden door de verlegging van de weg naar de oostkant van Volkel. Het huidige tracé zorgt voor barrière werking tussen de kern Volkel en de in het westen gelegen buurten en zorgt ervoor dat nieuwe woningbouw ten westen van Volkel niet goed aangesloten kan worden op de kern. Daarnaast is dit tracé niet goed in te richten om te functioneren als een provinciale weg. Dit komt o.a. door alle woningen die dicht bij het tracé liggen en de vele locaties waarop percelen direct aan de weg ontsloten zijn. Uit de omgevingsstudie uitgevoerd in 2020 blijkt dat alternatief C goed voldoet aan de doelen op het gebied van woningbouw en leefbaarheid. Hiermee is invulling gegeven aan de voorwaarden uit artikel 5.8.
Artikel 5.9, toepassing van lagenbenadering: De effecten van een ontwikkeling op de verschillende lagen wordt in beeld gebracht met bijbehorende maatregelen om optredende negatieve effecten te voorkomen. In het kader van dit project is er een project-MER opgesteld. Hierin zijn de te verwachten effecten van het project op de omgeving in kaart gebracht. Er heeft uitgebreid onderzoek plaatsgevonden naar de effecten van de verlegging van de N605 op onder andere bodem, grondwaterkwaliteit en kwantiteit, cultuurhistorische waarden, natuur en archeologie. Wanneer effecten gemitigeerd of gecompenseerd dienen te worden, is dit meegenomen om te waarborgen dat de verlegging van de N605 geen negatief effect heeft op deze thema’s. De onderzoeken worden samengevat in hoofdstuk 8, ‘Omgevingsaspecten’. Het hoofdrapport met alle deelonderzoeken zijn te vinden in bijlage 2.
Artikel 5.10, meerwaardecreatie: Het project moet meerwaarde creëren. People, planet en profit moeten worden meegenomen. De verlegging van de N605 draagt bij aan het verbeteren van de leefbaarheid van het gebied en het mogelijk maken van verdere ruimtelijke ontwikkelingen, zoals woningbouw, ten westen van Volkel. Daarbij biedt het tracé aan de oostkant van Volkel kansen voor bedrijvigheid en daarmee een mogelijke economische impuls.
Artikel 5.11, kwaliteitsverbetering landschap: De ontwikkeling moet gepaard gaan met een fysieke verbetering van het landschap. Om te waarborgen dat de verlegging van de N605 gepaard gaat met een fysieke verbetering van het landschap en ruimtelijke structuren, zijn een Landschapsplan en Beeldkwaliteitsplan opgesteld. Hierin worden de wettelijk verplichte maatregelen, zoals herplant van bomen en wadi’s, gecombineerd met maatregelen voor goede ruimtelijke inpassing en verbetering van het landschap. De gemeente Maashorst heeft in 2023 een “Uitvoeringsregel kwaliteitsverbetering landschap” vastgesteld, om zo aan te geven hoe de gemeente invulling geeft aan artikel 5.11 uit de Omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant.
Er wordt onderscheid gemaakt tussen drie soorten projecten:
categorie 1, met een lichte impact op de omgeving;
categorie 2, met een beperkte impact op de omgeving;
categorie 3, met een relatief grote omvang en een aanzienlijke impact op de omgeving en het landschap.
De verlegging van de N605 valt in categorie 3. Bij ontwikkelingen van categorie 3 dient minimaal 20% van de waardevermeerdering van het project geïnvesteerd te worden in de landschappelijke inpassing. Echter geldt er voor deze kwaliteitsverbetering maatwerk. In de toelichting van artikel 5.60 van de omgevingsverordening is opgenomen dat aangetoond dient te worden dat een grotere kwaliteitswinst dient op te treden voor meerdere ruimtelijke functies waaronder natuur en landschap. Dit betekent dat niet gerekend wordt met bestemmingswaardes, maar dat de ontwikkeling van de weg een positieve bijdrage voor het landschap oplevert. Hiervoor zijn een Landschapsplan en een Beeldkwaliteitsplan opgesteld.
De omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant is meegenomen bij het beoordelen van de landschappelijke inpassing van de N605. Voor het beschermen van de aardkundige waarden zijn regels opgenomen in dit omgevingsplan. Zie hiervoor suboaragraaf 11.2.5.5.1 van de regels.
In de omgevingsvisie ‘De Kwaliteit van Brabant’ heeft de provincie haar strategische doelen en ambities opgenomen. Deze doelen en ambities zijn uitgewerkt in beleid en uitvoering. Daarvoor zijn beleidskaders, uitvoeringsagenda’s en programma’s opgesteld. Veel van die beleidskaders hebben in meer of mindere mate invloed op de leefomgeving.
In november 2022 heeft de provincie Noord-Brabant het Beleidskader Leefomgeving, ‘Leidraad voor diep, rond en breed samenwerken aan de kwaliteit van de Brabantse leefomgeving’ vastgesteld. Hierin wordt duidelijkheid gegeven over de rol, positie en werkwijze van de provincie bij de samenhangende en gebiedsgerichte aanpak van opgaven in de leefomgeving.
Het beleidskader Leefomgeving geeft een concretisering van de Brabantse ‘diep, rond en brede’ manier van werken uit de Omgevingsvisie. Het beleidskader Leefomgeving vervult daarbij een brugfunctie tussen de provinciale Omgevingsvisie en de diverse beleidskaders en uitvoeringsagenda’s.
De provinciale Omgevingsvisie benadrukt het belang van ‘diep, rond en breed’ kijken bij de vele samenvallende opgaven in Brabant als noodzakelijk om tot goede en gedragen oplossingen te komen. Deze manier van kijken is essentieel en wordt uitgewerkt in vijf stelregels die de provincie hanteert bij de aanpak van opgaven in de leefomgeving en samenleving:
Het water- en bodemsysteem is leidend, er moet betere aansluiting worden gezocht met de natuurlijke werking van het systeem.
Het gebied staat centraal, oplossingen worden per gebied bekeken.
De provincie gaat voor steeds schoner, gezonder en veiliger. Er is de ambitie om in Brabant bij elke ontwikkeling in te zetten op een steeds verdere verbetering van de leefomgeving.
Er wordt gebruik gemaakt van zorgvuldig en meervoudig ruimtegebruik mét meerwaarde. Er wordt gezocht naar optimale combinatiemogelijkheden tussen functies en opgaven, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte.
Afwentelingen worden voorkomen. Proactief en preventief gaat boven gevolgbeperkingen en herstel.
Voor de beoogde ontwikkeling is rekening gehouden met de natuurlijke werking van het bodem- en watersysteem. Ook is er bij het ontwerp rekening gehouden met het omliggende gebied en de gebiedsspecifieke kenmerken. Daarnaast creëert de omlegging van de weg meerwaarde voor de omgeving. Zo verbetert het nieuwe tracé van de N605 de leefbaarheid van Volkel, en biedt het de mogelijkheid voor het verder ruimtelijk ontwikkelen van het gebied ten westen van Volkel.
In het beleidskader ‘Mobiliteit – Koers 2030’ zet de provincie Noord-Brabant een koers uit om samen met haar partners Brabant klaar te maken voor het mobiliteitssysteem van de toekomst. Het beleidskader geeft uitwerking aan het strategische kader van de ‘Brabantse Omgevingsvisie 2030, de Kwaliteit van Brabant’ en verbindt deze met het bestaande beleid zoals de visie ‘Gedeelde mobiliteit is maatwerk’, de nota ‘Kwaliteit Onderhoud Provinciale Infrastructuur’ en het ‘Brabants Verkeersveiligheidsplan’.
Het beleidskader schetst een beeld van het huidige mobiliteitssysteem. Daarnaast worden de ambities voor het mobiliteitssysteem in 2030 geschetst. Dit zijn:
Een samenhangend mobiliteitssysteem, waarin verschillende vormen van vervoer samen komen.
Veilige mobiliteit, waarin verkeersveiligheid, sociale veiligheid en externe veiligheid geborgd worden.
Schone, stille en gezonde mobiliteit, waarbij voertuigen verduurzaamd worden en de uitstoot van de provincie gereduceerd.
Mobiliteit voor iedereen, jong, oud of met beperking. Ook vanuit kleinere kernen.
Een robuust en betrouwbaar mobiliteitssysteem, waarin reizigers en goederen binnen een acceptabele en betrouwbare tijd op hun bestemming aankomen.
Uit het beleidskader mobiliteit blijkt dat de provincie Noord-Brabant het landelijke gebied aan het stedelijke gebied wil verbinden door het mobiliteitsnetwerk te verbeteren. Daarnaast wil de provincie een robuust en betrouwbaar mobiliteitssysteem creëren, waarbij onder andere verkeersveiligheid geborgd wordt. De verlegging van de N605 draagt bij aan een robuust mobiliteitssysteem en het verbeteren van verkeersveiligheid.
Op de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) staat het Brabants erfgoed dat mede de identiteit van de provincie bepaalt. De CHW is vastgesteld in 2010 en op kleine onderdelen aangepast in de herziening 2016. De laatste herziening is van 2024 en is gelijktijdig met de inwerkingtreding van de Omgevingswet van kracht geworden. Op de kaart staat erfgoed dat van belang is voor de Brabantse identiteit. Het provinciaal ruimtelijk belang, zoals benoemd in de Omgevingsverordening Noord-Brabant en het Beleidskader Levendig Brabant 2030, hangt hiermee nauw samen.
Voor het project is een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Zie hiervoor paragraaf 8.11. Hierin is onderzocht welke archeologische waarden zich in het gebied bevinden en welk vervolgonderzoek benodigd is.
In de Brabantse Ontwikkelaanpak Stikstof (BOS) 2.0 heeft de provincie Noord-Brabant maatregelen benoemd om overmatige stikstof uitstoot tegen te gaan. De BOS 2.0 bouwt voort op de geleerde lessen uit de eerste versie. De ontwikkelaanpak bevat concrete maatregelen, ook die vanuit het Rijk. In samenwerking met verschillende partners wil de provincie toewerken naar duurzame vergunningverlening om ‘Brabant Open’ te houden en op termijn naar een gunstige staat van instandhouding in de Natura 2000-gebieden. Over mobiliteit is opgenomen dat de provincie graag naar een emissiereductie binnen deze sector wil. Hiervoor willen ze o.a. inzetten op emissieloos streekvervoer. Er zijn geen specifieke regels voor het aanleggen van wegen.
In het Actieplan Geluid Noord-Brabant (05‑12‑2024) wordt toegelicht hoe met geluid, veroorzaakt door provinciale wegen, wordt omgegaan. Het actieplan is opgesteld nadat eerst een inventarisatie is uitgevoerd naar de geluidbelastingen op woningen langs deze wegen. De resultaten van deze inventarisatie zijn vastgelegd in de geluidbelastingkaart die op 30 juni 2022 door Gedeputeerde Staten (GS) is vastgesteld. Het actieplan heeft betrekking op alle provinciale wegen.
Voor het actieplan moeten Gedeputeerde Staten een plandrempel vaststellen. Dit is de grens van de geluidbelasting op woningen waarvan zij vinden dat deze niet wenselijk is. Na afweging van belangen en op basis van gezondheid, haalbaarheid en betaalbaarheid hanteert de provincie Noord-Brabantals plandrempel een geluidsbelasting van 60 dB Lden.
Het project tracht geluidbelastingen boven 60 dB Lden te voorkomen. De grenswaarde van 65 Lden op de gevel van woningen wordt door het project niet overschreden. Uitgaande van een gebruikelijke gevelisolatie bij de betrokken woningen (aftrek van 20dB(A)) is er sprake van een binnenwaarde van 41 Lden. Hiermee wordt voldaan aan de plandrempel. Voor het verleggen van de N605 is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek wordt beschreven in paragraaf 8.6.
In de ’Omgevingsvisie, ambities voor een toekomstbestendige gemeente’, vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Maashorst op 23 mei 2024, wordt een beeld geschetst van de toekomst van de gemeente. De omgevingsvisie gaat over de fysieke leefomgeving. In de omgevingsvisie zijn de ambities en beleidsdoelen van de gemeente Maashorst voor de fysieke leefomgeving voor de lange termijn vast. De missie van de gemeente is:
Daarnaast benoemt de visie vier samenhangende thema’s die de leidraad in de omgevingsvisie vormen, zie figuur 31.
Deze thema's zijn integraal met elkaar verbonden en vormen de basis voor de omgevingsvisie van de gemeente Maashorst:
Bodem, water en natuur: Dit thema richt zich op het duurzaam beheren en gebruiken van bodem en water. Het doel is om de kwaliteit van de natuur te verbeteren en de biodiversiteit te versterken. Er wordt aandacht besteed aan het verminderen van stikstofuitstoot en het aanpakken van de uitputting van de bodem en overbelasting van het watersysteem.
Transitie landelijk gebied: Hier wordt gefocust op de veranderingen in het landelijk gebied, met nadruk op duurzame landbouw en het behoud van het landschap. Het doel is om een balans te vinden tussen agrarische activiteiten en natuurbehoud, en om nieuwe verdienmodellen voor boeren te ontwikkelen.
Mobiliteitstransitie, voorzieningen en verstedelijking: Dit thema behandelt de overgang naar duurzame mobiliteit, het verbeteren van voorzieningen en het plannen van verstedelijking. Het STOMP-principe (Stappen, Trappen, Openbaar Vervoer, MaaS, Privéauto) wordt gehanteerd om de auto minder centraal te stellen en andere vormen van mobiliteit te stimuleren.
Vrijetijdsbesteding, recreatie en toerisme: Dit thema richt zich op het bevorderen van recreatie en toerisme in de gemeente. Er wordt gestreefd naar een balans tussen recreatieve activiteiten en natuurbehoud, met aandacht voor het versterken van cultuurhistorische objecten en het creëren van recreatieve routes.
In de omgevingsvisie van de gemeente Maashorst wordt de N605 besproken in het kader van de leefbaarheid en mobiliteit in Volkel. Hierin zijn de belangrijkste punten:
Omklapping van de N605. Er is besloten om de N605 om te klappen naar een nieuwe gebiedontsluitingsweg aan de oostkant van Volkel. Dit moet de leefbaarheid verbeteren door de hinder van passerend autoverkeer te verminderen.
Verbetering van de leefbaarheid. Aan de westzijde zal de omklapping de verbinding met de nieuwe wijk op Niemeskant verbeteren en de Leeuwstraat vergroenen.
Economische kansen. Aan de oostzijde biedt het nieuwe tracé kansen voor bedrijvigheid, wat kan leiden tot een economische impuls.
Ruimtelijke doelstellingen. Er wordt rekening gehouden met sociale verbindingen, behoud en herstel van groenstructuren, en ruimere mogelijkheden voor recreatie.
Leefomgeving
De gemeentelijke Omgevingsvisie Maashorst richt zich op het verbeteren van de leefomgeving door het versterken van bestaande kwaliteiten, zoals de openheid van het landschap en de verbinding met omliggende dorpen. Voor de ruimtelijke kwaliteit zijn specifiek het behoud van de historische structuren en de harmonie tussen nieuwe ontwikkelingen en het bestaande karakter van het landschap genoemd. De gemeente ziet ruimtelijke kwaliteit, cultuurhistorie en landschap als belangrijk elementen voor de leefbaarheid en identiteit van de dorpskernen, en nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten daarmee rekening houden.
De bolle akker
De bolle akker, waar de N605 deels overheen komt te liggen, wordt op basis van de Omgevingsvisie van de Gemeente Maashorst beschermd. Hierin staat onder andere: "Ten zuidoosten van Volkel ligt de karakteristieke Bolle Akker, die behouden dient te worden. Aan de zuidkant bevinden zich steilranden, ontstaan door hoogteverschillen veroorzaakt door breuklijnen. De Bolle Akker gaat over in een oud bebouwingscluster, dat vervolgens overloopt in ontginningsgebieden. Rondom Volkel zijn zowel grootschalige, rechtlijnige ontginningen als kleinere, bochtige ontginningen te vinden."
En: “We willen de herkenbaarheid en diversiteit van de lokale landschapskarakteristieken in en om Zeeland versterken. We zetten in op het behoud van het oude kleinschalige cultuurlandschap, en letten daarbij op de eigen identiteit van de verschillende deelgebieden. De cultuurhistorische elementen worden behouden, dan wel in hun oude glorie hersteld. Denk daarbij aan het ontginningspatroon van zandwegen met begeleidende beplanting, of bolle akkers met hun open karakter. Deze worden dus niet beplant of bebouwd. Nieuwe ontwikkelingen worden ingepast binnen het oude landschappelijke ontginningspatroon.”
Daarnaast vermeldt de Omgevingsvisie dat bij de aanleg van de N605 rekening moet worden gehouden met de doelstellingen van de Omgevingsvisie: "Samen met de provincie wordt onderzocht of een 'omklap' van de N605 mogelijk is. Dit kan een aanzienlijke impact hebben, en vraagt daarom om een zorgvuldige afweging. Aan de westzijde zou dit de leefbaarheid in Volkel verbeteren door het verminderen van verkeershinder en een betere verbinding met de te ontwikkelen wijk op Niemeskant. Aan de oostzijde heeft het plan echter een negatieve impact op het landschap en de leefkwaliteit in het buitengebied, maar biedt het mogelijk kansen voor bedrijvigheid. Belangrijke aandachtspunten zijn het behoud en herstel van bodem-, water- en groenstructuren, en het creëren van meer recreatiemogelijkheden."
Het belang van de bescherming van de Bolle akker is meegewogen in de brede afweging van de lokale omgevingsfactoren en de belangen. De historische waarde van de bolle akker is hierbij niet het enige af te wegen belang. Bij deze belangenafweging is ook rekening gehouden met (onder meer) de belangen van omliggende bedrijven.
De bolle akker zoals bekend bij de gemeente Maashorst is momenteel niet opgenomen op de ‘Aardkundige Waardevolle Gebiedenkaart Noord-Brabant’ of de ‘Cultuurhistorische Waardenkaart’. Voor de aanduidingen op deze kaarten gelden specifieke regels onder de Omgevingsverordening van de provincie Noord Brabant, maar de kwalificatie als Bolle Akker brengt op zichzelf geen aanvullende juridische beperkingen met zich mee.
Op basis van jurisprudentie, de bestaande waardenkaarten en de uitgangspunten in het bestemmingsplan kan gemotiveerd worden afgeweken van het beleid. Als ruimtelijke kwaliteitscompensatie voor de Bolle Akker wordt er langs de watergang een bomenrij van zwarte elzen aangeplant. Dit is vastgelegd in het bijbehorende Landschapsplan. De onderlinge afstand tussen de bomen varieert, met een minimale afstand van 20 meter. Deze bomenrij weerspiegelt het cultuurhistorische karakter van het landschap en draagt bij aan de herkenbaarheid, zonder de openheid van de Bolle Akker aan te tasten.
De verlegging van de N605 is vastgelegd in de Omgevingsvisie van de gemeente Maashorst. De beoogde verlegging is daarmee in lijn met het vastgestelde beleid van de gemeente.
Het Gemeentelijk Verkeer en Vervoerplan Maashorst 2023 is van kracht totdat het nieuwe uitvoeringsprogramma van het nieuwe beleidsprogramma van de gemeente Maashorst is vastgesteld. Het is een (letterlijke) samenvoeging van de bestaande verkeersnotitie Landerd uit 2012 en het GVVP Uden uit 2015. Deze stukken beschrijven de situatie van destijds en komen met een meerjarenplan om de situatie te behouden of te verbeteren. Een deel van de voorgestelde maatregelen en plannen is al uitgevoerd of niet meer relevant.
In het plan wordt de huidige situatie van het verkeernetwerk toegelicht. Dit wordt gedaan voor autoverkeer, openbaar vervoer en fietsverkeer. Vervolgens worden de knelpunten op het gebied van vervoer gegeven. Dit zijn onder andere de verkeersstructuur en verkeersveiligheid.
Het voorliggende omgevingsplan voldoet aan de eis van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zoals neergelegd in artikel 4.2, eerste lid, van de Omgevingswet. Er heeft dus bij de voorbereiding een gedegen beleidsmatige afweging plaatsgevonden tussen beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. Dit is tot uiting gebracht in het regelen van activiteiten. Ook is over de grenzen van het projectgebied gekeken om het evenwicht aan te brengen ten opzichte van de activiteiten buiten maar direct naast het projectgebied van dit omgevingsplan.
Verder zijn de instructieregels in afdeling 5.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving en in hoofdstuk 5 van de omgevingsverordening Noord-Brabant toegepast, op welke toepassing in paragrafen 7.2 en 7.3 hierna uitvoerig is ingegaan.
In dit omgevingsplan zijn de instructieregels in afdeling 5.1 van hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving toegepast zoals deze golden ten tijde van vaststelling van het ontwerp van dit omgevingsplan.
Met de externe veiligheid, als onderdeel van omgevingsveiligheid, zoals bedoeld in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is in dit omgevingsplan rekening gehouden.
In dit omgevingsplan worden geen zeer kwetsbare, kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen en kwetsbare en beperkt kwetsbare locaties toegelaten. Evenmin brengt dit omgevingsplan verandering in de externe veiligheid van die gebouwen en locaties die in de nabijheid van het projectgebied in dit omgevingsplan bestonden vóór het van kracht worden van dit omgevingsplan. De (omgeklapte) N605 is niet aangewezen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en is dus geen Basisnet weg. Voor het onderzoek wordt verwezen naar paragraaf 8.3 van deze motivering.
Met dit omgevingsplan wordt de aanleg van een provinciale autoweg mogelijk gemaakt waardoor artikel 5.50 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van toepassing is. In dit omgevingsplan is hiermee rekening gehouden (zie parargraaf 8.4 van deze motivering).
Het werkingsgebied van dit omgevingsplan is niet gelegen in een aandachtsgebied voor luchtkwaliteit, als bedoeld in artikel 5.51 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Met de gevolgen van het project voor het beheer van het watersysteem, als bedoeld in artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is in dit omgevingsplan rekening gehouden. Zie paragraaf 8.5 van deze motivering.
Met dit omgevingsplan wordt geen geluidgevoelig gebouw toegelaten als bedoeld in artikel 3.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. En evenmin een activiteit die geluid veroorzaakt op een geluidgevoelig gebouw. Op grond van artikel 5.55 van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn daarom de instructieregels over geluid door activiteiten, neergelegd in § 5.1.4.2 van dat besluit, niet van toepassing op de activiteiten die in dit omgevingsplan worden geregeld.
Met dit omgevingsplan wordt de aanleg van een provinciale weg toegestaan waarvoor de instructieregels met betrekking tot geluid door wegen gelden als gegeven in § 5.1.4.2a van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Volgens artikel 5.78s van deze instructieregels moet in het omgevingsplan rekening worden gehouden met het geluid door, in dit project, wegen op geluidgevoelige gebouwen in het geluidaandachtsgebied van die wegen. Verder moet het omgevingsplan erin voorzien dat het geluid door die wegen op die gebouwen aanvaardbaar is. Hiermee is in dit omgevingsplan rekening gehouden, zie paragraaf 8.6 van deze motivering.
De instructieregels voor het milieuaspect trillingen zien op het toelaten in een omgevingsplan van een trillinggevoelig gebouw of het toelaten van een activiteit die trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaakt in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw (artikel 5.79h van het Besluit kwaliteit leefomgeving). In hoeverre het gebruik van het nieuwe tracé van de N605 trillingen veroorzaakt in die mate dat de instructieregel van toepassing is, is onderzocht (zie paragraaf 8.7 van deze motivering).
De instructieregels voor de bodemkwaliteit zien op het toelaten in een omgevingsplan van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie (artikel 5.89h van het Besluit kwaliteit leefomgeving). Dit is niet het geval in dit omgevingsplan (zie voor het onderzoek paragraaf 8.9 van deze motivering).
De instructieregels voor het milieuaspect geur zien op het toelaten in een omgevingsplan van een geurgevoelig gebouw of het toelaten van een in de instructieregels aangewezen geurveroorzakende activiteit op een locatie (artikel 5.90 van het Besluit kwaliteit leefomgeving). Dit is niet het geval in dit omgevingsplan (zie voor het onderzoek paragraaf 8.8 van deze motivering).
Met de gevolgen voor het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten, als bedoeld in artikel 5.130 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is in dit omgevingsplan rekening gehouden. Zie verder paragraaf 8.12 van deze motivering.
In dit omgevingsplan ligt geen reserveringsgebied voor de aanleg of de uitbreiding van een autosnelweg of een autoweg in beheer bij het Rijk. Er hoeft dus geen uitvoering te worden gegeven aan de instructieregel in artikel 5.134 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
In dit omgevingsplan ligt geen reserveringsgebied voor een buisleiding van nationaal belang. Er hoeft dus geen uitvoering te worden gegeven aan de instructieregel in artikel 5.138 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
In dit omgevingsplan ligt geen tracé van een hoogspanningsverbinding met een spanning van tenminste 220 kV. Er hoeft dus geen uitvoering te worden gegeven aan de instructieregel in artikel 5.159 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
In de directe nabijheid van dit omgevingsplan ligt de Vliegbasis Volkel die moet worden aangemerkt als militair terrein of terrein met een militair object, als bedoeld in artikel 5.150 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op een militair terrein of een terrein met een militair object, laat het omgevingsplan geen activiteiten toe die het gebruik van dat terrein of object kunnen belemmeren.
In dit omgevingsplan worden zulke activiteiten niet toegestaan. Er hoeft dus geen uitvoering te worden gegeven aan de instructieregel in artikel 5.151 van het besluit.
Dit omgevingsplan ligt in het verstoringsgebied gebouwen en in het verstoringsgebied windturbines van het radarstation van Vliegbasis Volkel, als bedoeld in artikel 5.155 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Volgens deze instructieregel mogen binnen een straal van 15 km vanaf de radar bouwwerken met een bepaalde maximale bouwhoogte niet worden gebouwd. En evenmin windturbines met een bepaalde maximale bouwhoogte binnen een straal van 15 tot 75 km (de bouwhoogten zijn bepaald in bijlage XIV, onder E van het Besluit kwaliteit leefomgeving). Hier is toepassing aan gegeven in dit omgevingsplan.
In dit omgevingsplan ligt geen landelijke fietsroute of en wandelroute (LAW-route of Nationaal Streekpad), als bedoeld in bijlage XVI van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Er hoeft dus geen uitvoering te worden gegeven aan de instructieregel in artikel 5.161b van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
In dit omgevingsplan is hoofdstuk 5 van de omgevingsverordening Noord-Brabant toegepast waarin instructieregels zijn opgenomen gericht aan gemeenten voor het opstellen van een omgevingsplan met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn gegeven. Voor de toets van dit omgevingsplan is de omgevingsverordening Noord-Brabant (versie 16 september 2025) van toepassing.
Met het “Landschapsplan en Beeldkwaliteitsplan” (zie paragraaf 4.2.2 van deze motivering), waarvan de uitvoering planologisch-juridisch is geborgd in dit omgevingsplan, wordt uitvoering gegeven aan de instructieregel in artikel 5.7 van de omgevingsverordening waarin de zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit is neergelegd.
De omgevingskwaliteit wordt versterkt zoals bedoeld in artikel 5.14 van de omgevingsverordening. De gemeente Maashorst heeft dit op gemeentelijk niveau uitgewerkt in de Uitvoeringsregel kwaliteitsverbetering landschap gemeente Maashorst. In de regels is een verplichting opgenomen dat de nieuwe weg niet mag worden gebruikt als de landschappelijke inpassing niet wordt gerealiseerd en duurzaam in stand wordt gehouden.
Verder is in paragraaf 6.2.3 van deze motivering uitvoering gegeven aan de instructieregels in artikelen 5.8 (zorgvuldig ruimtegebruik), 5.9 (lagenbenadering) en 5.10 (meerwaardecreatie) van de omgevingsverordening.
In dit omgevingsplan ligt geen waterwingebied. Er hoeft dus geen rekening te worden gehouden met de instructieregel in artikel 5.16 van de verordening.
In dit omgevingsplan ligt geen grondwaterbeschermingsgebied. Er hoeft dus geen rekening te worden gehouden met de instructieregel in artikel 5.17 van de verordening.
In dit omgevingsplan ligt geen boringsvrije zone. Er hoeft dus geen rekening te worden gehouden met de instructieregel in artikel 5.18 van de verordening.
In dit omgevingsplan wordt geen bouw van een gebouw, inclusief een daaraan grenzende tuin of een aangrenzend terrein, toegestaan. Er hoeft dus geen uitvoering te worden gegeven aan de instructieregels in artikel 5.20 van de verordening.
In dit omgevingsplan liggen attentiezones geluid provinciale weg als bedoeld in artikel 5.27 van de verordening (langs Rondweg Volkel/N264 en huidige N605/Brabantlaan). Met het omgevingsplan wordt het nieuwe tracé van de provinciale weg N605 mogelijk gemaakt. Voor deze nieuwe weg zal de provincie Noord-Brabant ook een nieuw geluidaandachtsgebied vaststellen. In het omgevingsplan zijn de instructieregels in het Besluit kwaliteit leefomgeving over geluid door een weg in acht genomen naar de motivering waarvan kortheidshalve wordt verwezen (zie pararagraaf 8.6 van deze motivering).
In dit omgevingsplan ligt geen stiltegebied of attentiezone stiltegebied. Er hoeft dus geen rekening te worden gehouden met de instructieregels in artikelen 5.18 en 5.19 van de verordening.
In dit omgevingsplan ligt geen Natuur Netwerk Brabant. Er hoeft dus geen rekening te worden gehouden met de instructieregels in artikel 5.30 van de verordening.
In dit omgevingsplan wordt wel een ontwikkeling in de nabijheid van het Natuur Netwerk Brabant toegestaan. Deze ontwikkeling veroorzaakt echter geen aantasting van de ecologische waarden en kenmerken van het netwerk. Er hoeft dus geen rekening te worden gehouden met de instructieregel in artikel 5.31 van de verordening.
In dit omgevingsplan ligt geen ecologische verbindingszone van het Natuur Netwerk Brabant. Er hoeft dus geen rekening te worden gehouden met de instructieregels in artikel 5.40 van de verordening.
In dit omgevingsplan ligt geen attentiezone waterhuishouding. Er hoeft dus geen rekening te worden gehouden met de instructieregels in artikel 5.41 van de verordening.
In dit omgevingsplan ligt geen zone Behoud en herstel van watersystemen. Er hoeft dus geen rekening te worden gehouden met de instructieregels in artikel 5.42 van de verordening.
In dit omgevingsplan liggen aardkundige waarden. Volgens artikel 5.43 van de verordening is een omgevingsplan in verband met deze waarden mede gericht op het behoud, het herstel of de duurzame ontwikkeling van de aardkundige waarden en kenmerken zoals beschreven in de Aardkundig waardevolle gebiedenkaart. Verder stelt de omgevingsverordening regels ter bescherming van de aardkundige waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden bij bodemverstorende activiteiten. Bij de toedeling van functies en activiteiten wordt rekening met de aanwezige aardkundige waarden en kenmerken en betrekt daarbij de mogelijkheden om die waarden te versterken. In de regels van dit omgevingsplan is uitvoering gegeven aan deze instructieregels. Zie verder de motivering in paragraaf 8.9.
In dit omgevingsplan ligt geen zone Groenblauwe waarden. Er hoeft dus geen rekening te worden gehouden met de instructieregels in artikel 5.46 van de verordening.
In dit omgevingsplan worden de aanleg van een nieuwe provinciale weg, de aanpassing van verkeersknooppunten en daarmee in verband staande activiteiten (ofwel aan de weg gerelateerde voorzieningen) toegestaan. Met de instructieregel in artikel 5.60 van de verordening is rekening gehouden in deze motivering (zie paragraaf 6.2).
In de Omgevingswet staat de balans tussen het benutten en beschermen van de fysieke leefomgeving centraal. Met benutten wordt bedoeld het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving om maatschappelijke behoeften te vervullen. Bij de bescherming gaat het over het bereiken en in standhouden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit.
In het kader van de balans tussen benutten en beschermen wordt in dit hoofdstuk het effect van de voorziene maatregelen op de (fysieke) leefomgeving beschouwd. Hierbij wordt rekening gehouden met de verschillende omgevingsaspecten en hun samenhang.
Op grond van artikel 11.6 van het Omgevingsbesluit (hierna Ob) en artikel 16.43 lid 1, Omgevingswet (hierna Ow) is nagegaan of het omgevingsplan een kader vormt voor een besluit over het project, waarvoor een milieueffectrapport gemaakt moet worden.
De beoogde ontwikkeling betreft een project zoals opgenomen in Bijlage V van het Ob, Categorie J1 ‘Wegen’. De in kolom 2 benoemde categorieën, waarvoor een mer-plicht geldt zijn:
de aanleg van autosnelwegen of autowegen;
de aanleg, wijziging of uitbreiding van een nieuwe weg met vier of meer rijstroken die betrekking heeft op een ononderbroken tracélengte van 10 km of meer;
of de verlegging of verbreding van een bestaande weg met twee rijstroken of minder tot een weg met vier of meer rijstroken die betrekking heeft op een ononderbroken tracélengte van 10 km of meer (zie figuur 32).
Punten twee en drie van kolom 2, categorie J1, zijn niet relevant voor de verlegging van de N605 omdat de weg geen tracélengte van 10 km of meer kent, en niet bestaat uit een verlegging of verbreding van een weg tot een weg met vier of meer rijstroken.
Dit betekent dat de verlegging van de N605 alleen in kolom 2 valt als de N605 geldt als een autosnelweg of een autoweg. De bijlage van de Omgevingswet verwijst voor de definitie van autosnelwegen en autowegen naar de Wegenverkeerswet 1994. Echter staat er de Wegenverkeerswet 1994 geen definitie van ‘autoweg’. De regels uit de Wegenverkeerswet zijn verder uitgewerkt in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990. In dit Reglement wordt onder een autoweg verstaan: “weg, aangeduid door bord G3 van bijlage I; langs autowegen gelegen parkeerplaatsen, tankstations en bushalteplaatsen maken geen deel van de autoweg uit”.
Uit jurisprudentie onder het oude recht blijkt, dat de definitie van autoweg niet alleen afhangt van de Wegenverkeerswet, maar van verschillende factoren, zoals de maximale snelheid, de manier waarop de weg ontsloten is en het verkeer dat de weg mag betreden.
Omdat niet kan worden uitgesloten dat de omgeklapte N605 een ‘autoweg’ is, als benoemd in kolom 2 van bijlage V van het Ob, en om een compleet beeld te krijgen van alle te verwachten effecten die kunnen voortkomen uit het project, is voor de verlegging van de weg een project-MER opgesteld. In het kader van het MER zijn onderzoeken uitgevoerd naar de te verwachte milieueffecten. In de onderstaande paragrafen wordt een samenvatting gegeven van de verwachte milieueffecten en eventuele mitigerende maatregelen. Het gehele MER-rapport en de bijbehorende deelrapporten zijn bijgevoegd in bijlage 2.
Omgevingsveiligheid heeft betrekking op de mogelijkheden een brand, ramp of crisis te voorkomen, te beperken en te bestrijden. Het beschermen van personen in gebouwen en op locaties in de omgeving van risicovolle activiteiten is cruciaal. Daarnaast is het beperken van schade aan de fysieke leefomgeving bij een ongeval van een risicovolle activiteit van groot belang. De instructieregels voor het omgevingsplan zijn vastgelegd in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Bij omgevingsveiligheid wordt er gekeken naar:
kwetsbare gebouwen en locaties (bijvoorbeeld verzorgingslocaties);
risicobronnen (activiteiten met externe veiligheidsrisico’s);
plaatsgebonden risico (de kans per jaar dat één persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof);
groepsrisico’s en aandachtsgebieden (de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied);
transport van gevaarlijke stoffen over de weg.
Wegverkeer
Voor het project is er geen sprake van aanwezigheid van een plaatsgebonden risico of een groepsrisico. De omvang van het vervoer van gevaarlijke stoffen is beperkt en betreft vooral transport van gevaarlijke stoffen bestemd voor de directe omgeving. De verwachting is dat (bevoorrading van) het aantal locaties met gevaarlijke stoffen in de omgeving niet zal toenemen.
Naast een laag aantal transporten van gevaarlijke stoffen per jaar, wordt de weg aangelegd in een personenluwe omgeving. De verwachting is dat er in deze directe omgeving weinig tot geen toename in het aantal inwoners zal zijn als gevolg van dit plan. Het aantal kwetsbare gebouwen neemt dus niet toe of af ten gevolge van het project. Deze combinatie zorgt voor een niet zichtbaar groepsrisico. Daarnaast heeft de N605 geen aandachtsgebied. Dit betekent dat er geen sprake is van een situatie waarin mensen in een gebouw onvoldoende beschermd zouden zijn tegen gevolgen van o.a. een brand of een explosie ten gevolge van transport van gevaarlijke stoffen op de N605.
Vervoer transportleidingen
In het plangebied zijn ter hoogte van de verlegde N605 geen transportleidingen voor gevaarlijke stoffen aanwezig. De brandstofleiding richting de vliegbasis ligt op ca. 2,5 km ten oosten van de provinciale weg. De externe veiligheidsrisico's voor de transportleidingen veranderen derhalve niet en vormen geen probleem voor het plan.
Externe veiligheid stationaire inrichtingen
Er bevinden zich langs het toekomstige N605-traject twee agrarische bedrijven met beide een bovengrondse propaanopslagtank. Het verleggen van de weg zal geen veranderingen voor externe veiligheid rondom deze inrichtingen met zich meebrengen, omdat de aan- en afvoer van gevaarlijke stoffen over de weg naar verwachting gelijk zal blijven. De bedrijfsvoering verandert immers niet. Het groepsrisico neemt niet toe met de aanleg van de weg. Daarnaast moet er bij de aanleg van nieuwe wegen o.a. rekening gehouden worden met gifwolkaandachtgebieden. Ten noorden van de N264 en tevens ten noorden van de nieuwe N605, rond de Liessentstraat, bevindt zich een gebied met een gifwolkaandachtsgebied. Dit is een gebied waarbinnen mensen in gebouwen onvoldoende beschermd kunnen zijn. In dit geval gaat het om het eventueel ontstaan van een gifwolk. De te verleggen N605 komt niet in of bij dit aandachtgebied te liggen.
Veiligheid rond luchthavens
Op ca. 2 km afstand bevindt zich vliegbasis Volkel. Rond de vliegbasis ligt een plaatsgebonden risicocontour. De toekomstige N605 ligt volledig binnen de 10-6 contour en deels binnen de 10-5 contour. Er treedt vanwege het project echter geen wijziging op in het vluchtschema of de vliegroutes. Gezien er met de nieuwe weg geen gebouwen worden gerealiseerd, kan een verdere toetsing aan de grenswaarde achterwege blijven.
Er is sprake van evenwichtige toedeling van functies aan locaties op het gebied van omgevingsveiligheid. Er worden geen effecten op het gebied van omgevingsveiligheid/ externe veiligheid verwacht.
In Nederland zijn de maatgevende luchtverontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2.5). Voor de toegestane concentraties van deze stoffen zijn op Europees niveau grenswaarden vastgesteld, welke als omgevingswaarden van het Rijk zijn vastgelegd in het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Naast de wettelijk vastgestelde grenswaarden zijn er vanuit de World Health Organization (WHO) ook advieswaarden vastgesteld voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2.5). Deze advieswaarden zijn strenger dan de wettelijk vastgestelde grenswaarden. Vanwege het feit dat de WHO-advieswaarden zijn opgenomen in het Schone Lucht Akkoord (SLA) en de provincie Noord-Brabant het SLA[1] heeft ondertekend, is ervoor gekozen om ook te toetsen aan WHO-advieswaarden.
Effecten op toetspunten langs wegen
Uit het onderzoek is gebleken dat de maximale jaargemiddelde concentraties zich voor alle te onderzoeken stoffen voor alle toetspunten onder de wettelijke grenswaarden bevinden en onder de WHO Advieswaarden uit 2005 zoals opgenomen in het Schone Lucht Akkoord. Er wordt geen effect op de luchtkwaliteit verwacht. De maximale concentratiewaardes van stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2.5) zijn in de plansituatie gelijk aan die van de referentiesituatie. Ruimtelijk zijn er concentratietoenames te zien rond de nieuwe locatie van de N605, de N264 en de Antoniusstraat ten westen van de Zeelandsedijk. De grootste afnames vinden plaats bij de oude locatie van de N605 en de oostzijde van de Zeelandsedijk. In de onderstaande tabel zijn de maximale berekende concentraties op de gevoelige bestemmingen weergegeven.
|
Stof |
Hoogste concentratie in de plan situatie (µg/m3) |
Grenswaarde / WHO Advieswaarde (µg/m3) |
|
NO2 |
20,17 |
40 / 40 |
|
PM10 |
18,46 |
32,5 / 20 |
Effecten op gevoelige bestemmingen
Van de 3.065 gevoelige bestemmingen is op 889 bestemmingen een toename NO2 en/of PM10 berekend. Op 300 bestemmingen is geen toe- of afname voorspeld. Op 1876 bestemmingen is een afname NO2 en/of PM10 voorspeld. Deze resultaten zijn weergegeven in de onderstaande tabel. Netto geeft dit 687 bestemmingen met een afname concentraties NO2 en/of PM10. Dit is 22,4% van het totale aantal gevoelige bestemmingen in het studiegebied. Dit betekent dat de omklap van de N605 een overwegend positief effect heeft op de leefomgeving.
|
Totaal aantal GB |
GB met negatief effect |
GB met positief effect |
GB met neutraal effect |
|
3.065 |
889 |
1.876 |
300 |
|
|
|
|
|
Er is sprake van evenwichtige toedeling van functies aan locaties op het gebied van luchtkwaliteit. Er worden geen maximale concentratiewaardes overschreden: er zijn geen aanzienlijke effecten op de luchtkwaliteit door de verlegging van de N605.
Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat in paragraaf 5.1.3 instructieregels voor het beschermen van de waterbelangen. Hiervoor is het o.a. noodzakelijk om in het omgevingsplan rekening te houden met de gevolgen van een plan op het beheer van watersystemen: het wegen van het waterbelang.
Het waterbeleid is vanuit de Omgevingsvisie en het Programma Water en Ruimte van het Rijk vertaald naar provinciaal beleid in de omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant en de waterschapsverordening van het Waterschap Aa en Maas. De aspecten van de waterschapsverordening zijn visueel toegelicht in de legger. Hierin is het gehele beheergebied van het waterschap of hoogheemraadschap op kaart gezet met de geldende beleidsregels en dimensies van de waterkundige werken.
De omklap van de N605 leidt ertoe dat de waterhuishouding van het gebied tussen de rotonde van de N264 met de Zeelandsedijk en de kruising van de Brabantstraat (N605) met de Zeelandsedijk wijzigt. De weging van het waterbelang heeft als doel om te bepalen of het project negatieve effecten heeft en of en in welke mate mitigerende of compenserende maatregelen kunnen worden getroffen voor de waterhuishouding. Met de inrichting van het ontwerp van de nieuwe N605 is rekening gehouden met het functioneren van het watersysteem. Er worden ruim 2.600 m A- en B- watergangen en greppels aangelegd. Er zal circa 1.350 m worden gedempt. Dat leidt per saldo tot 1.250 m extra watergang. Er is dus sprake van een toename van de bergingscapaciteit waarmee de kans op wateroverlast vermindert. Daarnaast worden er op verschillende locaties wadi’s en grindkoffers aangelegd. Met deze maatregelen voldoet het ontwerp van de nieuwe N605 aan de eisen die aan de waterhuishouding worden gesteld. De effecten op de waterhuishouding zijn in de onderstaande tabel samengevat.
|
Thema |
Opmerking |
|
|
Waterkwantiteit - watercompensatie |
De watercompensatie wordt ingevuld door de aanleg van grindkoffers, en 1350 m2 wadi’s verspreid over verschillende locaties. Het water kan hier naartoe worden geleid door het uitgebreide watersysteem |
|
|
Waterkwantiteit - watersysteem |
Het watersysteem wordt in stand gehouden door het verleggen van een A-watergangen, uitbreiden van het netwerk van B-watergangen en verschillende duikers. |
|
|
Waterkwaliteit |
De afwatering van de rijbaan zal voornamelijk via de berm plaatsvinden alvorens het de grindkoffers en watergangen bereikt. Geen negatieve effecten zijn te verwachten. |
|
|
Grondwater |
De fietstunnel Heikantsepad kan in de uitvoering voor tijdelijke beïnvloeding van het grondwater zorgen (bemaling noodzakelijk) en voor permanente beïnvloeding in de gebruiksfase. Indien zijbreuklijnen aanwezig zijn met ‘smeervlakken’ dienen hier maatregelen voor te worden getroffen. |
|
|
Afvalwater |
Er wordt geen kritieke waterinfrastructuur geraakt. Geen impact op afvalwater. |
|
|
Klimaatadaptatie |
Het projectgebied heeft geen verhoogd risico voor de gevolgen van klimaatverandering. Geen negatieve effecten te verwachten. |
|
|
Beheer en onderhoud |
De mogelijkheden tot onderhoud zijn vastgelegd in het ontwerp. Geen negatieve effecten te verwachten. |
|
Op basis van de Waterschapsverordening Waterschap Aa en Maas, de bijbehorende beleidsregels en de hydrologische uitgangspunten bij de regels gelden de volgende aandachtspunten bij het nader uitwerken van het ontwerp: voor de bemaling bij de realisatie van de fietstunnel Heikantsepad is een watervergunning noodzakelijk.
Waterhuishouding
Er heeft een geohydrologische analyse plaatsgevonden. De projectlocatie is gelegen ter plaatse van zijbreuklijnen van de Peelrandbreuk. Over het algemeen zijn de effecten van zijbreuken op de geohydrologische situatie minder sterk aanwezig dan ter plaatse van de hoofdbreuk. Indien er sprake is van een smeervlak in een zijbreuklijn, dan kunnen er maatregelen worden genomen tijdens de aanleg van de constructies.
In 2025 heeft er een peilbuizenonderzoek plaatsgevonden om te bepalen of de Peelrandbreuk ter hoogte van het Heikantsepad gelegen is. Uit dit onderzoek is gebleken dat er geen aanwijzing is gevonden voor de aanwezigheid van de Peelrandbreuk of een uitloper hiervan (zie bijlage 12).
In het ontwerp voor de N605 is rekening gehouden met de instructieregels en andere wettelijke vereisten (o.a. vanuit het waterschap) op het gebied van watercompensatie. Dit is tevens vastgelegd in het Landschapsplan. Daarmee is het waterbelang voldoende geborgd en is er sprake van evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Om de gevolgen voor het geluid in de leefomgeving in kaart te brengen en om te beoordelen of de geluidsbelasting voldoet aan de normen is er in het kader van het omgevingsplan een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Voor het hele onderzoek zie bijlage 4.
De instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving over geluid zijn o.a. van toepassing op wegen. De bescherming wordt geboden voor geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.21, lid 1 van het Bkl) zoals woningen, scholen, ziekenhuizen en woonschepen als het geluid van de genoemde geluidbronnen hoger is dan de standaardwaarde van de betreffende bron. Zie tabel 4 voor de standaardwaarde per type geluidbron. Per bron is er ook een grenswaarde waarboven het geluid niet mag toenemen in het geval van wijzigingen of aanleg van een nieuwe provinciale weg.
|
Geluidbron |
Standaardwaarde |
Grenswaarde toelaten geluidbron |
|
Provinciale wegen & Rijkswegen |
50 dB Lden |
65 dB Lden |
|
Gemeentewegen & Waterschapswegen |
53 dB Lden |
70 dB Lden |
Op basis van par. 3.5.4 Bkl zal de provincie de geluidproductieplafonds (GPP’s) van de omgeklapte N605 en het daarbij behorende geluidaandachtsgebied vaststellen en aanleveren aan het Geluidregister. Bij vaststelling van de GPP’s moet de provincie ook vaststellen of er en welke geluidwerende maatregelen aan een geluidgevoelig gebouw moet worden getroffen (zie art. 3.52 Bkl). Tot het treffen van geluidwerende maatregelen wordt besloten als het geluid in een geluidgevoelige ruimte hoger is dan de grenswaarde van 41 Lden (art. 3.53 Lden).
Volgens artikel 5.78s van de instructieregels in het Bkl moet in het omgevingsplan rekening worden gehouden met het geluid door, in dit project, wegen op geluidgevoelige gebouwen in het geluidaandachtsgebied van die wegen. Verder moet het omgevingsplan erin voorzien, dat het geluid door die wegen op die gebouwen aanvaardbaar is.
Vooruitlopend op de vaststelling van de GPP’s door de provincie is geluidonderzoek uitgevoerd op basis van dezelfde rekenmethode en gegevens als voor deze GPP’s zal worden toegepast. Bij de omklap van de N605 is in dit onderzoek als bronmaatregel uitgegaan van akoestisch geoptimaliseerd asfalt (SMA).
In figuur 33 zijn de geluidgevoelige gebouwen opgenomen waar de standaardwaarde wordt overschreden, ook met deze bronmaatregel. Het betreft in totaal 33 woningen die nabij de nieuw aan te leggen N605 liggen. Als een geluidgevoelig gebouw na het treffen van bronmaatregelen nog een knelpunt is, wordt hiervoor een afweging gemaakt welke aanvullende geluidsmaatregelen zoals geluidschermen voldoende akoestisch effectief en financieel doelmatig is. Belangrijk daarbij is of er meerdere geluidsgevoelig gebouwen een cluster kunnen vormen en daarmee kunnen profiteren van dezelfde geluidmaatregel. Dit vergroot de doelmatigheid ervan. De clusters met knelpunten zijn in opgenomen. Per cluster worden in de onderstaande paragrafen de relevante geluidsmaatregelen besproken.
Het is gebleken dat geluidwerend asfalt niet op alle locaties toereikend is voor het voorkomen van geluidoverlast. Dit betekent dat er op een aantal locaties aanvullende geluidwerende voorzieningen gerealiseerd moeten worden. Deze voorzieningen worden per cluster weergeven.
Clusters Zandstraat en omgeving
Het cluster “Zandstraat en omgeving” ligt ten westen van de nieuwe aanleg, net even ten noorden van de Brabantstraat. In het cluster liggen vijf woningen waarbij de standaardwaarde van 50 Lden wordt overschreden. Het betreft de woningen aan de Speekstraat 8, Zandstraat 2, 4 en Heikantsepad 2 en 3. De vier woningen zijn in figuur 34 weergegeven. In het cluster liggen geen andere woningen die direct profiteren van geluidmaatregelen ten behoeve van de nieuwe aanleg.
Er is voor gekozen om een geluidscherm als maatregel in het project op te nemen. De reden hiervoor is de korte afstand van de woningen tot de nieuwe weg en de hoogte van het geluid bij deze woningen. Om landschappelijke redenen is ervoor gekozen om een deel van dit geluidscherm uit te voeren met een hoogte van 0,75 meter ter plaatse van de geleiderail ten behoeve van de openheid van de Bolle Akker.
Met deze maatregelen wordt meer dan 93% van de benodigde geluidreductie gehaald. Er resteren dan nog twee knelpunten, het betreft de woningen:
Speekstraat 8, het geluid is maximaal 56 Lden op de bovenste bouwlaag aan de noordoostzijde van de woning. Op de zuidoostzijde is het geluid maximaal 55 Lden. Op de zuidwest gevel is het geluid op de bovenste verdieping 50 Lden en 49 Lden op de noordwestgevel waarmee de standaardwaarde niet wordt overschreden.
Heikantsepad 3, het geluid is maximaal 53 Lden op de bovenste bouwlaag aan de zuidzijde van de woning en 51 Lden op de bovenste bouwlaag van de noordoostgevel. Op de meest noordelijke westgevel en de gehele noordgevel wordt de standaardwaarde niet overschreden.
Cluster Zeelandsedijk Zuid
Het cluster “Zeelandsedijk Zuid” ligt ten oosten van de nieuwe aanleg, net even ten noordwesten van de Brabantstraat en rond de Zeelandsedijk. In het cluster liggen 7 woningen waarvoor geldt dat zij na het toepassen van de bronmaatregel in de vorm van akoestisch geoptimaliseerde SMA nog een knelpunt zijn. Het betreft de woningen aan de Zeelandsedijk 31, 33, 35, 37, 38, 40 en Heikantsepad 5. Deze woningen zijn in figuur 34 weergegeven. In het cluster liggen andere woningen die geen knelpunt zijn maar wel profiteren van geluidmaatregelen ten behoeve van de nieuwe aanleg.
Er is voor gekozen om een geluidscherm als maatregel in het project op te nemen die past binnen het beschikbare budget. Om landschappelijke redenen is ervoor gekozen om een deel van dit geluidscherm uit te voeren met een hoogte van 0,75 meter ter plaatse van de geleiderail ten behoeve van de openheid van de Bolle Akker. Dit schermpakket is financieel doelmatig.
Met deze maatregelen wordt bijna 97% van de benodigde geluidreductie gehaald. Er resteren nog drie knelpunten, het betreft de woningen:
Heikantsepad 5, het geluid is maximaal 51 Lden op de bovenste bouwlaag aan de noordwestzijde van de woning. Op de begane grond en alle overige gevels wordt de standaardwaarde niet overschreden.
Zeelandsedijk 35, het geluid is maximaal 51 Lden op de bovenste bouwlaag aan de westzijde van de woning. Op de begane grond en de overige gevels wordt de standaardwaarde niet overschreden.
Zeelandsedijk 37, het geluid is maximaal 52 Lden op de bovenste bouwlaag aan de westzijde van de woning en 51 dB op de zuidwest gevel. Op de noordoost- en zuidoostgevel wordt de standaardwaarde niet overschreden.
Cluster Wilgenstraat
Het cluster “Wilgenstraat” ligt ten westen van de nieuwe aanleg bij de Wilgenstraat en Rechtestraat. In het cluster liggen zes woningen waarbij de standaardwaarde van 50 Lden wordt overschreden. Het betreft de woningen aan de Wilgenstraat 8, 10, 10A, 25, 27 en Rechtestraat 4. Deze woningen zijn in figuur 35 weergegeven. In het cluster liggen andere woningen die profiteren van geluidmaatregelen ten behoeve van de nieuwe aanleg.
Om redenen van landschappelijke inpasbaarheid moet het open karakter naar de Bolle Akker worden behouden. Daarom is gekozen voor een geoptimaliseerde variant waarbij het totale scherm langer en op enkele plaatsen lager is maar ter plaatse van de woning Wilgenstraat 10A wel 2 meter hoog is.
Met deze maatregelen wordt minimaal 95% van de benodigde geluidreductie gehaald. Er resteert nog één knelpunt, het betreft de woning Wilgenstraat 10A. Het geluid is maximaal 55 Lden op de bovenste bouwlaag aan de oostzijde van de woning. Op de westgevel wordt de standaardwaarde niet overschreden.
Cluster Zeelansedijk Noord
Het cluster “Zeelandsedijk Noord” ligt ten oosten van de nieuwe aanleg bij de Wilgenstraat en Rechtestraat. In het cluster liggen acht woningen, voor al deze woningen wordt zonder verdere maatregelen de standaardwaarde van 50 Lden overschreden. Het betreft de woningen aan de Zeelandsedijk 19, 21, 28, 30, 30A, 32, 32A en Wilgenstraat 12. In het cluster liggen geen andere woningen die direct profiteren van geluidmaatregelen ten behoeve van de nieuwe aanleg.
Om redenen van landschappelijke inpasbaarheid is een scherm van 1,5 of 2 meter hoog over een groot deel van het cluster niet wenselijk is omdat het open karakter van de Bolle Akker behouden moet worden. Daarom is er voor dit cluster gekozen voor een maatwerkvariant waarbij het scherm voldoende lengte heeft, niet te hoog is aan de zijde van de Bolle Akker en alleen bij de woningen, die het dichtst bij de nieuwe weg liggen, 2 meter hoog is.
Er resteren nog vijf knelpunten, het betreft de woningen:
Wilgenstraat 12, het geluid is maximaal 53 Lden op de bovenste bouwlaag aan de noordwest- en westzijde van de woning. Op de overige gevels wordt de standaardwaarde van 50 Lden niet overschreden.
Zeelandsedijk 19, het geluid is maximaal 60 Lden op de bovenste bouwlaag aan de westzijde van de woning. Alleen op de oostgevel wordt de standaardwaarde niet overschreden.
Zeelandsedijk 21, het geluid is maximaal 60 Lden op de bovenste bouwlaag aan de westzijde van de woning. Alleen op de oostgevel wordt de standaardwaarde niet overschreden.
Zeelandsedijk 28, het geluid is maximaal 55 Lden op de bovenste bouwlaag aan de westzijde van de woning. Op de begane grond en de zuid- en oostgevel wordt de standaardwaarde niet overschreden
Zeelandsedijk 30A, het geluid is maximaal 51 Lden op de bovenste bouwlaag aan de westzijde van de woning. Op de begane grond en de overige gevels wordt de standaardwaarde niet overschreden.
Cluster Zeelandsedijk 26
Het cluster “Zeelandsedijk 26” ligt ten oosten van de nieuwe aanleg en ten oosten van de Zeelandsedijk. In het cluster ligt één woning Zeelandsedijk 26 waarvoor zonder verdere maatregelen de standaardwaarde van 50 Ldenoverschreden. De woning is in figuur 36 weergegeven. In het cluster liggen geen andere woningen die direct profiteren van geluidmaatregelen ten behoeve van de nieuwe aanleg.
Opgemerkt wordt dat het gebouw als één adres in het BAG (Basisregistratie Adressen en Gebouwen) is opgenomen. De woning is echter in de actuele situatie opgedeeld in twee adressen (nummer 26 en 26A). In het onderzoek is uitgegaan van twee woonadressen in dit gebouw. Dit betekent dat voor de doelmatigheidsafweging de woning telt als twee woningen.
Voor deze locatie wordt een geluidsscherm van 1 meter hoog gerealiseerd (Figuur 36). Met dit geluidscherm wordt bijna 57% van de benodigde geluidreductie gehaald. Beide woningen resteren nog als knelpunt. Het geluid is maximaal 59 Lden op de bovenste bouwlaag aan de westzijde van de woningen. Op de oostgevel wordt de standaardwaarde niet overschreden.
Cluster Antoniusstraat
Het cluster “Antoniusstraat” ligt ten westen van de nieuwe aanleg en nabij de rotonde. In het cluster ligt één geluidgevoelig gebouw met drie adressen Antoniusstraat 74, 74A en 74B. Voor deze woningen wordt zonder verdere maatregelen in de projectsituatie de standaardwaarde van 50 Lden overschreden. De woningen liggen ter plaatse van de rotonde waar een geluidsarm type asfalt niet mogelijk is. De woningen zijn in figuur 36 weergegeven. In het cluster liggen geen andere woningen die direct profiteren van geluidmaatregelen ten behoeve van de nieuwe aanleg.
In Figuur 36 zijn alle geluidmaatregelen en de resterende knelpunten weergegeven. Er wordt een scherm van 2 meter hoog gerealiseerd. Bij deze drie woningen kan met het maatregelenpakket niet worden voldaan aan de wettelijke standaardwaarde. Voor deze woningen zal in het kader van de vaststelling van de GPP’s door de provincie nader onderzocht worden of de geluidwering van de gevel toereikend is en aan de wettelijke standaardwaarde kan worden voldaan.
Cluster Lagenheuvelstraat
Het cluster “Lagenheuvelstraat” ligt ten westen van de nieuwe aanleg en nabij de rotonde. In het cluster liggen diverse woningen aan de Lagenheuvelstraat. De woningen liggen nabij de bestaande N264 en hebben vrij zicht op de kruising met de Zeelandsedijk. De Zeelandsedijk wordt hier omgebouwd van een rotonde naar een met verkeerslichten geregelde kruising. Voor twee woningen aan de Lagenheuvelstraat 12 en 33 is er na het treffen van de bronmaatregelen sprake van een knelpunt. De woningen zijn in figuur 37 weergegeven en liggen op meer dan 100 meter afstand van de N264. In het cluster liggen ook andere woningen die direct profiteren van geluidmaatregelen ten behoeve van de nieuwe aanleg.
De toename van het geluid op dit cluster komt door de ombouw van de rotonde van de N264 en de Zeelandsedijk naar een verkeerslicht geregeld kruispunt. Hierdoor neemt de gemiddelde rijsnelheid ter plaatse van het kruispunt toe en daarmee het geluid. Geluidsarm asfalt is op de kruising niet mogelijk omdat het kwetsbaar is voor optrekkend en afremmend verkeer.
In Figuur 37 zijn alle geluidmaatregelen en de resterende knelpunten weergegeven. Bij deze woningen kan met het maatregelenpakket niet worden voldaan aan de wettelijke standaardwaarde. Voor deze woningen zal in het kader van de vaststelling van de GPP’s door de provincie nader onderzocht worden of de geluidwering van de gevel toereikend is en aan de wettelijke binnenwaarden kan worden voldaan.
Cluster Zeelandsedijk 16
Het cluster “Zeelandsedijk 16” ligt ten noorden van de provinciale weg N264 en bestaat uit één woning Zeelandsedijk 16 dat op ruim 300 meter van de N264 ligt. Op 30 meter afstand ten westen van de woning ligt de Zeelandsedijk die voor het geluid rond de woning bepalend is.
In de registersituatie bedraagt het geluid van de N264 maximaal 53 Lden. In de projectsituatie zonder verdere maatregelen bedraagt het geluid maximaal 54 Lden. In de situatie met de bronmaatregelen in de vorm van akoestisch geoptimaliseerde SMA op de N264 ten westen van de Zeelandsedijk bedraagt het geluid maximaal 53 Lden. Afhankelijk van de locatie op de gevels van de woning neemt het geluid na het toepassen van deze bronmaatregelen met maximaal 2 dB toe. De woning is dan nog een knelpunt. Onderzoek naar aanvullende geluidmaatregelen zoals geluidschermen is noodzakelijk om deze toename weg te nemen. De woning is in Figuur 37 weergegeven.
Bij deze woning kan met het maatregelenpakket niet worden voldaan aan de wettelijke standaardwaarde. Voor deze woning zal in het kader van de vaststelling van de GPP’s door de provincie nader onderzocht worden of de geluidwering van de gevel toereikend is en aan de wettelijke binnenwaarden kan worden voldaan.
Het totaal van alle bron- en overdrachtsmaatregelen die onderdeel uitmaken van het project zijn opgenomen in de onderstaande tabellen. Bij de realisatie van de weg wordt er gebruik gemaakt van akoestisch geoptimaliseerde SMA. Dit is geluidreducerend asfalt. Daarnaast worden er op verschillende locaties geluidschermen gerealiseerd.
|
Rijbaan en zijde |
Beginpunt – eindpunt [km] |
Lengte |
Type wegdekverharding en nadere informatie |
||
|
N264* |
Beide |
28.1 |
30.0 |
1930 m |
Akoestisch geoptimaliseerde SMA |
|
N605 |
Beide |
0,195 |
1,770 |
1.690 m |
Akoestisch geoptimaliseerde SMA |
|
1,865 |
1,980 |
||||
* Geluidreducerend asfalt ter voorkoming van het overschrijden van de geluidproductieplafonds, deze maatregel wordt niet in het geluidregister opgenomen.
|
Rijbaan en zijde |
Beginpunt – eindpunt [km] |
Lengte |
Maatregel en hoogte (absorptiecode volgens NEN-EN 1793-1) |
||
|
Geluidschermen ten behoeve van cluster “Zandstraat en omgeving” |
|||||
|
N605 |
West |
0,214 |
0,239 |
25 m |
Scherm, 1m hoog (A3) |
|
N605 |
West |
0,239 |
0,337 |
100 m |
Scherm, 1,5m hoog (A3) |
|
N605 |
West |
0,337 |
0,544 |
210 m |
Scherm, 1m hoog (A3) |
|
N605 |
West |
0,510 |
0,642 |
130 m |
Gesloten geleiderail, 0,75m hoog (A3) |
|
Geluidschermen ten behoeve van cluster “Zeelandsedijk Zuid” |
|||||
|
N605 |
Oost |
0,171 |
0,537 |
360 m |
Scherm, 1m hoog (A3) |
|
N605 |
Oost |
0,500 |
0,641 |
140 m |
Gesloten geleiderail, 0,75m hoog (A3) |
|
Geluidschermen ten behoeve van cluster “Wilgenstraat” |
|||||
|
N605 |
West |
1,244 |
1,275 |
30 m |
Gesloten geleiderail, 0,75m hoog (A3) |
|
N605 |
West |
1,275 |
1,321 |
45 m |
Scherm, 1,5m hoog (A3) |
|
N605 |
West |
1,321 |
1,379 |
57 m |
Scherm, 2m hoog (A3) |
|
N605 |
West |
1,379 |
1,457 |
76 m |
Scherm, 1,5m hoog (A3) |
|
N605 |
West |
1,457 |
1,509 |
50 m |
Scherm, 1m hoog (A3) |
|
Geluidschermen ten behoeve van cluster “Zeelandsedijk Noord” |
|||||
|
N605 |
Oost |
1,201 |
1,262 |
62 m |
Scherm, 1m hoog (A3) |
|
N605 |
Oost |
1,262 |
1,322 |
61 m |
Scherm, 1,5m hoog (A3) |
|
N605 |
Oost |
1,322 |
1,384 |
64 m |
Scherm, 2m hoog (A3) |
|
N605 |
Oost |
1,384 |
1,491 |
109 m |
Scherm, 1,5m hoog (A3) |
|
N605 |
Oost |
1,491 |
1,530 |
36 m |
Scherm, 1m hoog (A3) |
|
Geluidschermen ten behoeve van cluster “Zeelandsedijk 26” |
|||||
|
N605 |
Oost |
1,530 |
1,685 |
160 m |
Scherm, 1m hoog (A3) |
|
Geluidschermen ten behoeve van cluster “Antoniusstraat” |
|||||
|
N605 |
West |
Langs de noordoost zijde van de rotonde |
72 m |
Scherm, 2m hoog (A3) |
|
Na het treffen van alle hierboven genoemde geluidmaatregelen zijn er nog 18 woningen die nog een resterend knelpunt zijn. Voor deze woningen zal nader onderzocht worden of de geluidwering van de gevel toereikend is en aan de wettelijke binnenwaarden kan worden voldaan. Dit zal de provincie doen als wegbeheerder in het kader van de vaststelling van de GPP’s voor de omklap van de N605.
Voor 18 woningen geldt dat de geluidbelasting op de gevel na het treffen van de geluidsreducerende maatregelen hoger zal zijn dan de standaardwaarde van 50 Lden voor een provinciale weg. Bij de zwaarst getroffen woning bedraagt het geluid op de gevel als gevolg van de N605 61 Lden (en het gecumuleerde geluid maximaal 63 Lcum). De grenswaarde van 65 Lden op de gevel van deze woningen wordt dus niet overschreden. Uitgaande van een gebruikelijke gevelisolatie bij deze woningen (aftrek van 20dB(A)) is er dan sprake van een binnenwaarde van 41 Lden. De verwachting is dus dat de grenswaarde in de geluidgevoelige ruimten van de woningen niet wordt overschreden. De provincie is bevoegd tot het vaststellen van de geluidproductieplafonds voor de N605 en bepaalt ook welke geluidwerende maatregelen aan een geluidgevoelig gebouw moet worden getroffen indien de grenswaarde voor geluidgevoelige ruimten in een woning onverhoopt toch wordt overschreden. Daarmee is het geluid als gevolg van de omlegging van N605 aanvaardbaar en is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voor geluid.
Op basis van de regels van dit omgevingsplan geldt er een voorwaardelijke verplichting dat de verlegde N605 uitsluitend als weg in gebruik mag zijn als de geluidsreducerende maatregelen uit zijn gevoerd en duurzaam beheer en in stand worden gehouden zoals opgenomen in het Landschapsplan. Er kan enkel met een omgevingsvergunning worden afgeweken van de geluidsredurende maatregelen uit het Landschapsplan als het geluid van de weg op de geluidgevoelige gebouwen in het geluidaandachtsgebied van de weg aanvaardbaar blijft.
Voor de beoordeling van trillingen is de SBR-B richtlijn het uitgangspunt (hinder voor personen in gebouwen). Deze richtlijn maakt onderscheid tussen de bestaande, de gewijzigde en nieuwe situaties. In de referentiesituatie is er sprake van een bestaande situatie, en hiervoor laat de richtlijn de grootste trillingen toe. Daar waar er sprake is van een nieuw tracé, is sprake van een nieuwe situatie en zijn de strengste streefwaarden van toepassing. Op plaatsen waar de omklap van de N605 ongeveer de bestaande wegen volgt, is sprake van een gewijzigde situatie. In een gewijzigde situatie mogen de trillingen niet toenemen ten opzichte van de bestaande situatie, tenzij de trillingen in de bestaande situatie al lager zijn dan de streefwaarden voor een nieuwe situatie.
Aanlegfase
Voor trillingen tijdens de aanlegfase zijn vooral de nieuwe kunstwerken van belang. Afhankelijk van de bouwmethode kunnen ten gevolge van het heien van funderingspalen, of het trillend inbrengen van damwanden trillingen ontstaan die schade veroorzaken aan nabijgelegen panden. Daarnaast kan er door de bouwwerkzaamheden hinder voor personen door trillingen optreden. Er is een nieuw kunstwerk voorzien, te weten de fietstunnel Heikantsepad. Mogelijk is het voor deze locatie nodig om damwanden te slaan en palen te heien. De kleinste afstand tussen het heien en omliggende gebouwen is 55 meter en er bevinden zich 6 panden binnen 100m afstand van mogelijke heiwerkzaamheden. De kans op schade is klein, maar niet geheel uitgesloten. Verder kan er gedurende bepaalde tijd hinder door trillingen optreden tijdens de aanleg. De effecten zijn afhankelijk van de te kiezen aanlegmethode.
Gebruiksfase
Op basis van de afstanden van de woningen langs de nieuwe N605, wordt er verwacht dat er ca. 7 woningen langs het nieuwe tracé gelegen zijn waar de streefwaarde voor nieuwe situaties mogelijk wordt overschreden. Geen van deze woningen komen binnen 50 meter van een kunstwerk te liggen, dus zijn schadeveroorzakende trillingen niet te verwachten.
In de gebruiksfase worden schadeveroorzakende trillingen niet verwacht. Voor de aanlegfase wordt er geadviseerd om een trilling prognose uit te voeren, wanneer er meer bekend is over de wijze van uitvoeren. Dit kan leiden tot een aangepaste uitvoeringswijze, of maatregelen tijdens de uitvoering, zoals monitoring van trillingen. Verder wordt een vooropname van panden rondom de fietstunnel (tot 100m) geadviseerd. Op het gebied van trillingen is het project uitvoerbaar en wordt voldaan aan evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Voor een aantal activiteiten moet de gemeente geurregels opnemen in het omgevingsplan. Hiervoor staan instructieregels in het Bkl. Dit geldt voor rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi's), het houden van landbouwhuisdieren en andere agrarische activiteiten.
Voor andere geurveroorzakende activiteiten kan de gemeente zelf kiezen of en welke geurregels ze in het omgevingsplan stelt. De gemeente Maashorst heeft geen aanvullende geurregels voor wegen.
De beoogde ontwikkeling is geen geurveroorzakende activiteit.
Er is sprake van evenwichtige toedeling van functies aan locaties op het gebied van geur.
Nationaal beleid
In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) staan rijksregels voor burgers en bedrijven. In het Bal wordt het werken in de bodem gezien als een Milieu Belastende Activiteit (MBA). In het Bal zijn regels met betrekking tot bodemwerkzaamheden opgenomen. Aan deze regels is in het onderstaande deelonderzoek getoetst.
Provinciaal beleid
De provincie Noord-Brabant heeft beleid geformuleerd met betrekking tot de bodem. Het provinciaal beleid richt zich o.a. op grondwaterbeheer, historische grondwaterverontreinigingen en gesloten stortplaatsen. De provincie Noord-Brabant stelt bovendien aardkundig waardevolle gebieden waar mogelijk veilig via de Omgevingsverordening.
Gemeentelijk beleid
Voor het toepassen van grond of baggerspecie is gebiedsspecifiek beleid uitgewerkt in het kader van het Besluit bodemkwaliteit voor de gemeente Maashorst. Het gebiedsspecifieke beleid omvat onder meer de vastgestelde Lokale Maximale Waarden. Uitgangspunt in de Nota bodembeheer is dat de bodemkwaliteit door aanwezige bodemverontreinigingen geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren. Dit is het zogenaamde ‘stand still-beginsel’.
De gemeenten in Noord-Brabant hebben een gezamenlijke bodemkwaliteitskaart (BKK) inclusief PFAS. De bodemkwaliteitskaarten zijn opgedeeld in verschillende zones. Binnen een zone is de chemische bodemkwaliteit gelijkwaardig, maar tussen de zones kan de bodemkwaliteit verschillen. Bermen langs provinciale, rijks- en spoorwegen en/of overige in milieuhygiënische opzicht verdachte locaties zijn uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart omdat hier de bodemkwaliteitskaart niet representatief wordt geacht.
Uit het bureauonderzoek komt naar voren dat ter plaatse van de voorgenomen de omklap van de N605 en in de directe nabijheid ervan zeer beperkt locaties aanwezig zijn, waar in milieuhygiënisch opzicht verdachte activiteiten hebben plaatsgevonden of vinden en waar de (water)bodemkwaliteit mogelijk in milieuhygiënisch opzicht negatief is beïnvloed.
Bodemopbouw
De draagkracht van de bodem over het traject van het ontwerp is goed. Ter plaatse van het projectgebied zijn geen zettingsgevoelige bodemlagen bestaande uit veen of klei aanwezig. Uit het onderzoek blijkt dat de grondsoort ter plaatse van het projectgebied bestaat uit zand. Het realiseren van de verlegging van de N605 leidt niet tot zetting door graafwerkzaamheden.
Bodemkwaliteit (land- en waterbodem)
Ten aanzien van bodemkwaliteit worden bij het ontwerp weinig of geen bodemverontreinigingen ontgraven. Voor het ontwerp geldt namelijk dat het tracé voor een belangrijk deel landbouwgebieden doorkruisen in het buitengebied ten oosten/zuidoosten van Volkel. Hierdoor is er weinig of geen raakvlak met bestaande bodemverontreinigingen bij toekomstige graafwerkzaamheden.
Grondverzet
Bij de beoogde ontwikkeling komt naar verwachting grond vrij bij het realiseren van de fietstunnel, welke voor hergebruik in aanmerking komt binnen en buiten het plangebied. De hoeveelheid vrijkomende grond bij de Rouwstraat en Bolle Akker is zeer beperkt. De vrijkomende grond voor hergebruik dient te voldoen aan de toepassingseisen uit de Nota bodembeheer zoals die is vastgesteld voor het plangebied en de verschillende functies. De mate van grondverzet die benodigd is voor de beoogde ontwikkeling heeft een neutraal of gering effect.
Aardkundige waarden
Bij het tracé van de beoogde ontwikkeling worden bij toekomstige graafwerkzaamheden aardkundig waardevolle gebieden doorsneden. Het gaat hierbij om het aardkundig waardevolle gebied: ‘Peelrandbreukstelsel’, aan de zuidkant van het tracé. Ter plaatse van de Rouwstraat en Wilgenstraat zijn geen aardkundig waardevolle gebieden gelegen. Naar aanleiding van het onderzoek naar aardkundige waarden is er een onderzoek uitgevoerd naar de ligging van het Peelrandbreukstelsel. Naar aanleiding van dit onderzoek is er geen aanwijzing gevonden voor de aanwezigheid van de Peelrandbreuk of een uitloper hiervan.
Er kunnen mogelijk aardkundige waarden aanwezig zijn ter hoogte van de fietstunnel bij het Heikantsepad. Negatieve effecten voor de geologische, geomorfologische, bodemkundige en (geo)hydrologische waarden van het Peelrandbreukstelsel worden zoveel mogelijk worden voorkomen, en voor zover dat niet mogelijk is, beperkt. Om de aardkundige waarden ter plaatse van de fietstunnel te beschermen zijn er regels opgenomen in dit omgevingsplan. Daarmee zijn de aardkundige waarden voldoende geborgd en is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Bij een ruimtelijke ontwikkeling is het vanuit natuurwetgeving van belang om na te gaan of de werkzaamheden effect hebben op beschermde natuurwaarden.
Het volgende wettelijk kader is gehanteerd:
Afdeling 1.3 van de Omgevingswet (Ow), hierin is de algemene zorgplicht opgenomen.
Hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), hierin zijn activiteiten die de natuur betreffen geregeld, bestaande uit: de bescherming van Natura 2000-gebieden (Natura 2000-activiteit), de soortenbescherming (flora- en fauna-activiteit) en de bescherming van houtopstanden.
Afdeling 7.3.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl):, hierin zijn instructieregels opgenomen voor de bescherming van NNN door de provincie.
Artikel 4.12 van het Omgevingsbesluit (Ob), hierin zijn de bevoegdheden voor het verlenen van een omgevingsvergunning opgenomen.
Provinciaal beleid (omgevingsverordening provincie Noord-Brabant), hierin is de bescherming opgenomen van gebieden die vallen onder het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en bijzondere provinciale natuurgebieden en landschappen.
De bomenverordening van gemeente Maashorst (27‑12‑2023).
Voor natuur is zowel een bureaustudie natuur als een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Voor de bureaustudie natuur wordt verwezen naar het Milieueffectrapport, bijlage 2. De quickscan flora en fauna wordt verwezen naar bijlage 9.
Beschermde gebieden.
In de onderstaande figuur is de ligging van beschermde gebieden in de omgeving van het plangebied weergegeven.
Natura 2000-gebieden
Het plangebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Oefelter Meent bevindt zich op een afstand van ongeveer 19 kilometer afstand. Gezien de aard van de werkzaamheden, de ligging van het plangebied en de afstand tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied zijn negatieve effecten door verstoring op Natura 2000-gebied uitgesloten.
AERIUS-berekening en Voortoets aanleg- en gebruiksfase
Voor het project is een AERIUS-berekening uitgevoerd, om de stikstofdepositiebijdrage van het project inzichtelijk te maken. De AERIUS Calculator, waarmee de stikstofbijdrage van projecten berekend kan worden, hanteert een standaard rekenafstand van 25 kilometer van het projectgebied. Enkele Natura 2000-gebieden (Den Bruuk, Maasduinen en Zeldersche Driessen) liggen net op de grens van de standaard rekenafstand van de AERIUS Calculator. Deze afstand is relevant, omdat AERIUS Calculator met deze afstand vanaf de ingevoerde bronnen rekent. Doordat deze gebieden op de grens van de rekenafstand van de AERIUS Calculator liggen, worden de effecten op de gebieden niet compleet in de berekening meegenomen wanneer er met de AERIUS Calculator gerekend wordt. Om een goed beeld te krijgen van de stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden, is er gebruik gemaakt van AERIUS Connect. Met deze tool kunnen berekeningen worden uitgevoerd zonder afstandsbeperking, waardoor er een juist en volledig beeld kan worden gegeven van de te verwachten stikstofdepositie. De grens van 25 kilometer is in AERIUS Connect niet aan de orde. Uit de berekening blijkt dat de stikstofdepositie als gevolg van het plan minder is dan 0,005 mol/ha/jaar, zowel in de aanleg- als de gebruiksfase. Dit betekent dat er geen negatief effect optreedt op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden.
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Er is geen ruimtebeslag op het NNB. Gezien de aard van de werkzaamheden en afstand van tenminste 500 meter worden indirecte negatieve effecten zoals verstoring en verontreiniging op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB eveneens uitgesloten. Er is geen nadere NNB-toetsing benodigd.
Bijzondere provinciale natuurgebieden en landschappen
Er is geen ruimtebeslag op overige bijzondere provinciale natuurgebieden en landschappen. Negatieve effecten kunnen worden uitgesloten. Er is geen nadere toetsing benodigd.
Beschermde soorten
Binnen het plangebied is biotoop aangetroffen dat geschikt is voor beschermde soorten. In onderstaande tabel is opgenomen voor welke soorten er potenties zijn in het plangebied en er dus nader onderzoek uitgevoerd dient te worden omdat er mogelijk een vergunning noodzakelijk is, of welke maatregelen kunnen worden genomen om een vergunningstraject te voorkomen. Onder 8.10.3 zijn de mitigerende maatregelen in het kader van de algemene zorgplicht, specifieke zorgplicht en het voorkomen van het overtreden van verbodsbepalingen opgenomen.
|
Soortgroep |
Potentie voor beschermde soorten/functie? |
Nader onderzoek nodig? |
Vergunningsplicht onder de Ow? |
|
Vaatplanten |
Nee |
Nee |
Nee |
|
Algemene broedvogels |
Ja |
Nee |
Nee, mits maatregelen worden genomen om vernietiging van nesten en verstoring van broedende vogels te voorkomen (zie paragraaf 4.2.3 deelrapport natuur).[1] |
|
Vogels met jaarrond beschermde nesten |
Gierzwaluw (nesten) Huismus (nesten en essentieel leefgebied) Steenuil (nesten en essentieel leefgebied) |
Ja |
Ja, wanneer uit nader onderzoek blijkt dat nesten in gebruik zijn door vogels met jaarrond beschermde nesten of essentieel leefgebied van de huismus en steenuil aanwezig is en verstoring niet kan worden uitgesloten. |
|
Grond-gebonden zoogdieren |
Bunzing Steenmarter Wezel |
Ja, naar vaste voortplantings- of rustplaatsen van steenmarter in te slopen bebouwing. |
Ja, wanneer uit het nader onderzoek blijkt dat er vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van steenmarter aanwezig zijn en vernieling of verstoring niet kan worden uitgesloten. Daarnaast dient een vergunning aangevraagd te worden op basis van een mitigatieplan voor de aan te tasten groenstructuren opgesteld te worden voor kleine marterachtigen. Voor algemeen vrijgestelde soorten dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht (afdeling 1.3 Ow) en specifieke zorgplicht (artikel 11.27 Bal). |
|
Vleermuizen foerageer-gebied |
Nee, geen essentieel foerageergebied |
Nee |
Nee, wel advies om vanuit de algemene zorgplicht (afdeling 1.3 Ow) en specifieke zorgplicht (artikel 11.27 Bal) maatregelen te nemen om verstoring van vleermuizen tijdens het foerageren in niet-essentieel foerageergebied te voorkomen. |
|
Vleermuizen vliegroutes |
Nee |
Nee indien bomenkap niet leidt tot een onderbreking van 30 meter in een lijnvormige structuur leidt. |
Nee, mits maatregelen worden genomen om verstoring van vleermuizen tijdens het gebruik van potentieel essentiële vliegroutes te voorkomen, zoals opgenomen in Tabel 7. Daarnaast advies om vanuit de algemene zorgplicht (afdeling 1.3 Ow) en specifieke zorgplicht (artikel 11.27 Bal) maatregelen te nemen om verstoring van vleermuizen tijdens het gebruik van niet-essentiële vliegroutes te voorkomen. |
|
Vleermuizen verblijf-plaatsen |
Zowel boom- als gebouwbewonende soorten |
Ja |
Ja, wanneer uit nader onderzoek blijkt dat verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn en verstoring niet kan worden uitgesloten. Daarnaast dienen maatregelen worden genomen om aantasting van vleermuizen bij mogelijke verblijfplaatsen in de omgeving van het plangebied te voorkomen. |
|
Reptielen |
Nee |
Nee |
Nee |
|
Amfibieën |
Ja, Alpenwater-salamander poelkikker, rugstreeppad algemeen vrijgestelde soorten zoals bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en bastaardkikker |
Ja, naar alle soorten in centraal gelegen sloot en rugstreeppad indien andere sloten gedempt worden. |
Ja, wanneer uit nader onderzoek blijkt dat er vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen aanwezig zijn binnen het plangebied en deze niet kunnen worden ontzien. Voor algemeen vrijgestelde soorten dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht (afdeling 1.3 Ow) en specifieke zorgplicht (artikel 11.27 Bal). Dat kan door maatregelen te nemen zoals opgenomen in tabel 10. |
|
Vissen |
Nee |
Nee |
-- |
|
Ongewer-velden |
Nee |
Nee |
Nee |
In de onderstaande tabel staan de benodigde maatregelen weergegeven voor beschermde soorten. Het betreft maatregelen in het kader van de algemene zorgplicht, specifieke zorgplicht en maatregelen om het overtreden van verbodsbepalingen te voorkomen. Minimaal deze maatregelen dienen te worden opgenomen in een ecologisch werkprotocol. Er worden geen belemmeringen gezien voor het verkrijgen van de benodigde vergunningen, omdat passende alternatieven aan de soorten geboden kunnen worden in de directe omgeving en de soorten op een veilige wijze geweerd kunnen worden tijdens de werkzaamheden.
|
Soort(groep) |
Maatregelen |
|
Algemene broedvogels |
Om vernietiging van nesten en verstoring van broedende vogels te voorkomen dienen werkzaamheden waarbij beplanting wordt verwijderd buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd. Voor het broedseizoen geldt geen vaste periode. Het verschilt per soort. Veel vogelsoorten broeden ongeveer tussen 15 maart en 15 juli. Indien werken buiten het broedseizoen niet mogelijk is, moet voorafgaand aan de werkzaamheden door een ter zake kundige worden gecontroleerd of er in de te verwijderen vegetatie broedende vogels aanwezig zijn. Indien effecten op broedende vogels niet kunnen worden uitgesloten mag er niet gewerkt worden. |
|
Grondgebonden zoogdieren en amfibieën |
Om effecten op algemeen beschermde kleine grondgebonden zoogdieren en amfibieën zoveel mogelijk te beperken dienen werkzaamheden waarbij vegetatie wordt verwijderd van één kant in een langzame gang te worden uitgevoerd, zodat aanwezige dieren de kans krijgen om zich te verplaatsen. Deze maatregel valt onder de algemene zorgplicht (afdeling 1.3 Ow) en specifieke zorgplicht (artikel 11.27 Bal). |
|
Vleermuizen verblijfplaatsen en potentieel essentiële vliegroutes |
Tijdelijke verstoring van vleermuizen bij hun verblijfplaatsen en tijdens het gebruik van potentieel essentiële vliegroutes kan worden voorkomen door uitsluitend overdag te werken of door gebruik te maken van gerichte verlichting waarbij gebouwen en lijnvormige groenstructuren onverlicht blijven. Indien negatieve effecten op potentieel essentiële vliegroutes niet kunnen worden uitgesloten, is nader onderzoek noodzakelijk. |
|
Vleermuizen niet-essentieel foerageergebied en vliegroutes |
Tijdelijke verstoring van vleermuizen tijdens het foerageren en migreren kan worden voorkomen door uitsluitend overdag te werken of door gebruik te maken van gerichte verlichting waarbij groenstructuren onverlicht blijven. Daarnaast wordt aanbevolen om tussen zonsondergang en zonsopkomst geen obstructies in het water te leggen voor vleermuizen die het water volgen als vliegroute. Deze maatregelen komen voort uit de algemene zorgplicht (afdeling 1.3 Ow) en specifieke zorgplicht (artikel 11.27 Bal). |
|
Rugstreeppad |
Er wordt aanbevolen om te voorkomen dat er ondiepe poelen ontstaan tijdens werkzaamheden die mogelijk plaatsvinden in de actieve periode van de rugstreeppad (april-oktober). Wanneer deze door rugstreeppad in gebruik worden genomen, dienen werkzaamheden tijdelijk stilgelegd te worden. Dan zou een vergunning (en nader onderzoek) in het kader van artikel 11.46 Bal nodig zijn om de werkzaamheden te mogen voortzetten of moet gewacht worden met het voortzetten van de werkzaamheden tot het einde van het voortplantingsseizoen van de rugstreeppad. Rugstreeppadden kunnen tot ongeveer 5 kilometer afleggen op zoek naar nieuw leefgebied en zijn bekend uit de omgeving van het plangebied. |
|
Amfibieën |
Om effecten op algemeen beschermde amfibieën zoveel mogelijk te beperken dient het dempen van water richting één kant in een langzame gang te worden uitgevoerd zodat aanwezige dieren de kans krijgen om zich te verplaatsen. Deze maatregel valt onder de algemene zorgplicht (afdeling 1.3 Ow) en specifieke zorgplicht (artikel 11.27 Bal). |
Invasieve exoten
Tijdens het veldbezoek zijn geen exoten waargenomen binnen het plangebied er wordt geen risico van verspreiding van voorgenoemde soorten verwacht als gevolg van de werkzaamheden. Er zijn geen vervolgstappen benodigd ter bestrijding van exoten.
Beschermde houtopstanden
Binnen het plangebied staan houtopstanden (bomen en struiken) welke ten behoeve van de werkzaamheden deels gekapt of verwijderd worden. Deze houtopstanden maken onderdeel uit van een oppervlakte bos van tien are (1.000 m2) of meer, of van een rijbeplanting met meer dan 20 bomen, en vallen niet onder een uitzondering uit artikel 11.111 lid 2 Bal. Bestaande bomen worden zoveel mogelijk behouden. Indien aantasting van bomen onvermijdelijk is, worden deze bomen waar mogelijk gecompenseerd in de directe omgeving. Wanneer dit niet mogelijk is, worden de bomen gecompenseerd op een geschikte locatie in de omgeving. Bij het Landschapsplan is een bomenanalyse opgesteld. Hierin is onderzocht welke bestaande bomen mogelijk geraakt worden door het nieuwe tracé. Omdat er nog een bomeninspectie moet plaatsvinden, zijn er in het Landschapsplan meer te compenseren bomen opgenomen dan dat er naar verwachting wettelijk gecompenseerd dienen te worden. De compensatie vindt hiermee plaats volgens een verhouding van tenminste 1 op 1.
Sommige te kappen bomen vallen binnen de bebouwingscontour houtkap van de gemeente Maashorst waardoor mogelijk een omgevingsvergunning nodig is. Een nadere bomeninspectie zal inzicht in de precieze stamdiameter van de mogelijk te kappen bomen geven. Voor bomen met een stamdiameter van meer dan 41 cm geldt een vergunningplicht. Daarnaast zal bepaald worden voor welke bomen met een beschermde status een omgevingsvergunning aangevraagd moet worden. Deze bodeminspectie vindt plaats na het vaststellen van het wijzigen van het omgevingsplan.
Faunapassages
Door de grote barrièrewerking van de aan te leggen weg is het belangrijk versnippering van leefgebied te verminderen door het toepassen van faunapassages. Uit de uitgevoerde quickscan ecologie volgt immers dat er potentie voor meerdere beschermde grondgebonden soorten aanwezig is. Te verwachtte soortgroepen zijn kleine zoogdieren, middelgrote zoogdieren, reptielen en amfibieën. Om effecten op bovenstaande soortgroepen te voorkomen, zijn 4 kleine faunatunnels, 1 ecoduiker en 2 amfibietunnels nodig. De kansrijke locaties zijn gekozen aan de hand van aanwezige bosschages, lijnvormige elementen en water waar de faunapassages een grote meerwaarde hebben door het verbinden van die gebieden. Alle maatregelen in het kader van flora en fauna worden beschreven in het Landschapsplan (zie bijlage bij de regels van dit omgevingsplan).
In onderstaande tabel staat het nader onderzoek en de eventuele vervolgstappen en planning beschreven. Voor de niet eerder geïnventariseerde gebieden geldt dat alle onderzoeken uitgevoerd dienen te worden of dat een aanvullend veldbezoek benodigd is. Deze onderzoeken worden uitgevoerd om te bepalen of een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit noodzakelijk is.
|
Soort(groep) |
Methode |
Aantal bezoeken |
Periode van uitvoering |
Vervolgstap |
|
Bebouwing |
Uitvoeren extra inspectie bebouwing, bij de eerder niet toegankelijke stukken plangebied (door geen toestemming betreding te hebben), voor bepalen geschiktheid voor vleermuizen, gierzwaluw en huismus |
1 |
Tussen September en maart |
Wanneer de bebouwing geschikt is voor één van de benoemde soorten is nader ecologisch onderzoek nodig als vervolgstap |
|
Vleermuizen |
Uitvoeren van een extra inspectie voor geschiktheid boomholtes wanneer meeste blad van bomen is |
1 |
Tussen oktober en februari |
Extra inspectie waaruit mogelijk nader ecologisch onderzoek volgt |
|
Houtopstanden |
Uitvoeren van een bomeninspectie wanneer blad nog aan boom is |
1 |
Tussen april en oktober |
Extra inspectie voor het bepalen van omvang en standplaats bomen waardoor te bepalen valt of er een kapvergunning nodig is. De gemeente heeft een bestand maar dit is verouderd. |
|
Gierzwaluw |
Het onderzoek naar de aanwezigheid van een nest van een gierzwaluw basis van waarnemingen van het in- of uitvliegen. |
3 x 2 uur |
15 mei - 15 juli |
Uitvoeren nader ecologisch onderzoek en bij aantonen soort mogelijk aanvragen omgevingsvergunning flora en fauna activiteit |
|
Huismus |
Tijdens het onderzoek naar de huismus wordt gelet op territoriaal en nestindicierend gedrag en wordt er naar alternatieve groenstructuren in de omgeving van de onderzoekslocatie gekeken. |
2 x 1 uur |
1 april - 15 mei 2 |
Uitvoeren nader ecologisch onderzoek en bij aantonen soort mogelijk aanvragen omgevingsvergunning flora en fauna activiteit |
|
Steenuil |
Om de aanwezigheid van territoria en nesten van steenuil binnen en in de omgeving van het plangebied te onderzoeken wordt met behulp van een bluetoothspeaker de baltsroep van steenuil afgespeeld om eventueel in de omgeving aanwezige steenuilen uit te lokken hun roep te laten horen. |
3 x 1 uur |
15 februari – 15 juli |
Uitvoeren nader ecologisch onderzoek en bij aantonen soort mogelijk aanvragen omgevingsvergunning flora en fauna activiteit |
|
Kleine marterachtigen |
Opstellen van een mitigatieplan met de negatieve effecten op functioneel leefgebied van voorgenoemde soorten en hoe deze gemitigeerd worden. Dit plan dient als basis voor een vergunningaanvraag. Voor deze stap is een vergunningaanvraag verplicht. |
- |
- |
Opstellen van mitigatieplan en aanvragen omgevingsvergunning flora en fauna activiteit |
|
Steenmarter |
Het gebruik van de te slopen bebouwing door steenmarter kan aangetoond worden door het neerzetten van cameravallen waarbij tevens naar gebruikssporen van steenmarter gekeken wordt. |
6 weken |
Maart – juli |
Uitvoeren nader ecologisch onderzoek en bij aantonen soort mogelijk aanvragen omgevingsvergunning flora en fauna activiteit |
|
Alpenwatersalamander |
Het gebruik van de te dempen sloten door Alpenwatersalamander kan worden aangetoond door met schepnetten de sloten te inventariseren. |
2 |
Maart – augustus |
Uitvoeren nader ecologisch onderzoek en bij aantonen soort mogelijk aanvragen omgevingsvergunning flora en fauna activiteit |
|
Poelkikker |
Het gebruik van de te dempen sloten door poelkikker kan worden aangetoond door te zoeken naar volwassen dieren. Dit kan met de hand of met een schepnet. Afwezigheid van poelkikker mag worden aangenomen nadat twee inventarisatierondes in een geschikte periode en onder geschikte omstandigheden geen positieve waarnemingen hebben opgeleverd. |
2 |
15 april – eind september |
Uitvoeren nader ecologisch onderzoek en bij aantonen soort mogelijk aanvragen omgevingsvergunning flora en fauna activiteit |
|
Rugstreeppad |
Voortplantingsbiotoop in het plangebied door rugstreeppad kan worden aangetoond door het zoeken naar eisnoeren, larven of juvenielen middels een schepnet. Dit kan worden gecombineerd met het luisteren naar koor activiteit. |
4 |
15 mei – augustus |
Uitvoeren nader ecologisch onderzoek en bij aantonen soort mogelijk aanvragen omgevingsvergunning flora en fauna activiteit |
|
Vleermuizen |
Voor het aantonen van aan- of afwezigheid van vleermuizen in bomen en gebouwen wordt bij alle bezoeken naar in- of uitvliegers gekeken. Er wordt zowel onderzoek in de kraam- en zomerperiode als de paarperiode gedaan. |
4 of 5 |
15 april – 15 september |
Uitvoeren nader ecologisch onderzoek en bij aantonen soort mogelijk aanvragen omgevingsvergunning flora en fauna activiteit |
Binnen het plangebied is biotoop aangetroffen dat geschikt is voor bepaalde beschermde soorten. Er is nader onderzoek nodig om te bepalen of een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit noodzakelijk is voor deze soortgroepen. Er worden voor deze beschermde soorten de benodigde maatregelen genomen in het kader van de algemene zorgplicht, specifieke zorgplicht en maatregelen om het overtreden van verbodsbepalingen te voorkomen. Minimaal deze maatregelen worden opgenomen in een ecologisch werkprotocol. Er worden geen belemmeringen gezien voor het verkrijgen van de benodigde vergunningen voor een flora en fauna activiteit, omdat passende alternatieven aan de soorten geboden kunnen worden in de directe omgeving en de soorten op een veilige wijze geweerd kunnen worden tijdens de werkzaamheden. De omklap van de N605 is dus uitvoerbaar.
Binnen het plangebied staan houtopstanden (bomen en struiken) welke ten behoeve van de werkzaamheden deels gekapt of verwijderd worden. Een nadere bomeninspectie wordt nog uitgevoerd om inzicht te krijgen in de precieze stamdiameter en mogelijk beschermde status van de te kappen bomen. Op basis hiervan wordt bepaald voor welke bomen er een omgevingsvergunning nodig is voorafgaande het kappen. Verder geldt dat bomen waar mogelijk worden behouden en de te kappen bomen 1 op 1 en zoveel als mogelijk in de directe omgeving worden gecompenseerd. Deze compensatie is geborgd in het Landschapsplan. Daarnaast zijn in het Landschapsplan een viertal faunapassage ’s opgenomen.
Er vindt zowel in de realisatiefase als in de gebruiksfase van het project geen stikstofdepositie plaats op Natura 2000-gebieden. Er zijn dus geen negatieve effecten te verwachten op stikstofgevoelige natuur in Natura 2000-gebieden ten gevolge van het plan. Voor het aspect stikstofdepositie is er daarmee geen sprake van een vergunningplicht in het kader van natuurbescherming. De omklap van de N605 is dus uitvoerbaar.
Hiermee wordt er voldaan aan evenwichtige toedeling van functies aan locaties voor flora en fauna.
Het plangebied ligt in de gemeente Maashorst (in de voormalige gemeente Uden) in de provincie Noord-Brabant. De gemeente Maashorst is in 2022 ontstaan uit een fusie tussen gemeente Landerd en gemeente Uden. De gemeente Uden beschikt over een archeologische verwachtingskaart die in 2014 is opgesteld. In 2017 is deze vertaald naar een archeologische beleidsnota met een bijbehorende beleidskaart, die op 9 november 2017 door de gemeenteraad is vastgesteld. Volgens deze beleidskaart bevindt de omklap van de N605 zich in gebieden variërend van hoge tot lage archeologische verwachtingswaarde.
Het archeologiebeleid uit de nota is deels vertaald naar de bestemmingsplannen ‘Bedrijventerrein Loopkant-Liessent’, ‘Woongebieden Kom Uden 2022’, ‘Volkel 2012’ en ‘Veegplan Buitengebied Uden’. Daarnaast geldt voor een deel van het gebied de beheersverordening ‘BillyBird Park Hemelrijk’. Binnen de dubbelbestemmingen Waarde - Archeologie in deze bestemmingsplannen is een aanlegvergunningstelsel opgenomen met variërende vrijstellingsgrenzen afhankelijk van de archeologische verwachtingswaarde. De omgevingsvergunning wordt alleen verleend wanneer de aanvrager een rapport heeft overlegd, waarin de archeologische waarde van het terrein dat wegens de aangevraagde werkzaamheden zal worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld. In onderstaande figuur is het (onderzoeksplichtige) plangebied en archeologische waarden weer gegeven.
Op figuur 40 is het onderzoeksgebied, plangebied en onderzoeksmeldingen weergeven. Ten zuiden van het afgebeelde deel van het onderzoeksgebied zijn geen onderzoeksmeldingen gedaan.
Het plangebied ligt deels op de plateau-achtige horst van de Peelhorst en loopt deels door een dalvormige laagte die afloopt richting de Roerdalslenk. Ter hoogte van het Wilgenpad doorsnijdt het plangebied de historische woonkern van het buurtschap Oosterens. Er komen in het plangebied beekeerdgronden, gooreerdgronden, laarpodzolgronden, veldpodzolgronen en hoge zwarte enkeergronden voor. Er is relatief weinig archeologisch onderzoek uitgevoerd in de direct omgeving van het plangebied. De vroegste archeologische sporen uit het onderzoeksgebied betreffen die van een rij paalkuilen uit de late Romeinse tijd – vroege middeleeuwen. Ook zijn er sporen bekend die verband houden met de inrichting en ingebruikname van het gebied als cultuurlandschap in de nieuwe tijd. In het plangebied kunnen in principe resten uit alle perioden worden aangetroffen.
Er kunnen mogelijk archeologische waarden aanwezig zijn binnen een deel van het projectgebied. Er is nader verkennend booronderzoek nodig. In de regels van dit omgevingsplan is daarom voor deze gronden een vergunningplicht opgenomen, vergelijkbaar met hetgeen in het bestemmingsplan was opgenomen. Daarmee zijn de archeologische waarden voldoende geborgd en is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De regelgeving over het behoud en beheer van cultureel erfgoed is sinds 2016 ondergebracht in de Erfgoedwet. Samen met de Erfgoedwet maakt de Omgevingswet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Gemeenten moeten in het omgevingsplan rekening houden met het belang en behoud van cultureel erfgoed en werelderfgoed. Dit gebeurt door inventariseren en analyseren van het erfgoed dat binnen de gemeentegrenzen aanwezig is. Op basis daarvan wordt een toereikend beschermingsregime in het omgevingsplan opgenomen.
Cultureel erfgoed als onderdeel van de fysieke leefomgeving bestaat uit vijf elementen: roerend of immaterieel cultureel erfgoed, cultuurlandschappen, archeologische monumenten, gebouwde monumenten en stads- en dorpsgezichten. Gemeenten moeten in het omgevingsplan cultureel erfgoed beschermen. De primaire vraag daarbij is welke elementen van cultureel erfgoed (of werelderfgoed) bevinden zich binnen de gemeentegrenzen of direct daarbuiten, en wat wil men (of moet men) daarvan beschermen. Daarbij wordt rekening gehouden met de instructieregels in de artikelen 5.130 en 5.131 van het Bkl en de algemene regels uit hoofdstuk 13 en 14 van het Bkl (rijksmonumenten en werelderfgoed).
Het Bkl, de Erfgoedwet en het omgevingsplan samen bevatten wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht de vijf elementen van cultureel erfgoed mee te nemen in de belangenafweging.
In artikel 1.2 lid 1 sub g Omgevingswet worden 'landschappen' als onderdeel van de fysieke leefomgeving aangemerkt. Het landschapsbeleid kan door Rijk, provincie of gemeente in een omgevingsvisie zijn vastgelegd. Deels zijn landschapswaarden in instructieregels van het Bkl verankerd. Artikel 5.129 Bkl bevat bijvoorbeeld een instructieregel over het behoud van uitzicht op de vrije horizon van de zee. Een ander voorbeeld is de instructieregel over het cultureel erfgoed over onder andere bescherming van cultuurlandschappen.
Kader provincie Noord-Brabant
Cultuurhistorische waarden dienen te worden beschermd om de identiteit en het karakter van Brabant te behouden en te versterken. Het Brabantse erfgoed uit de provincie Noord-Brabant is geborgd in de provinciale omgevingsverordening en daarnaast opgenomen op de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). De CHW is in 2024 geactualiseerd en opgenomen in paragraaf 7.2 van de Beleidsregel omgevingsrecht.
In de provinciale Omgevingsverordening zijn specifieke regels opgenomen voor de bescherming van cultuurhistorisch waardevolle landschappen en bouwwerken. In Noord-Brabant is er bijzondere aandacht voor het behoud van historische landschapselementen zoals oude ontginningen, boerderijen, en wegen, die de cultuurhistorische identiteit van het gebied versterken. Infrastructuurprojecten moeten hier rekening mee houden.
In hoofdstuk 6 zijn alle relevante beleidsstukken opgenomen, waaronder ook het relevante beleid voor ruimtelijke kwaliteit, landschap en cultuurhistorie.
Ruimtelijke kwaliteit
Herkomstwaarde
Doordat de omklap van de N605 een verlegging van een weg is die wordt aangelegd in een nieuw gebied, verandert er veel. De weg heeft een negatieve impact op de landelijke structuren omdat een aantal wegen geheel of gedeeltelijk afgesloten wordt. De nieuwe weg doorsnijdt de Speekstraat, de Zandstraat, het Heikantsepad, de Wilgenstraat, de zijstraat ten zuiden van de Rechtestraat en de Rechtestraat zelf. Deze wegen spelen een belangrijke rol in de historische leesbaarheid van het landschap. Het vervallen ervan of het veranderen van de richting van de weg/structuur doet afbreuk aan de herkomstwaarden.
Daarnaast verandert de weg de inrichting en structuur van het landschap door de komst van de nieuwe weg, vooral tussen het Heikantsepad en de rotonde Brabantstraat en tussen de Wilgenstraat en de Rechtestraat. De weg heeft een negatieve invloed op de inrichting en structuur van het landschap en sluit hier door haar gebogen vorm niet goed op aan. In andere delen van het tracé is rekening gehouden met de vormen van het landschap om de weg zoveel mogelijk in te passen en daarmee de impact op de landelijke structuur tot een minimum te beperken.
De rand van de Bolle akker wordt geraakt doordat er gekozen is voor de ligging van de N605 aan de noordzijde van de sloot. Dit tast zowel de ruimtelijke kwaliteit als de visuele kwaliteit van de Bolle akker aan. Rond het Heikantsepad wordt de weg verhoogd. Dit verstoort het zicht op de Bolle akker en de molen. Dit zijn belangrijke elementen voor de historische leesbaarheid.
Gebruikswaarde van de gebruikers N605
De verlegde N605 heeft een positieve impact op de gebruikswaarde van de N605. De nieuwe oostelijke weg creëert een snelle verbinding tussen de zuidelijke aansluiting van de N605 en de N264 in het noorden. Door het verminderen van het aantal verbindingen met de omgeving wordt de doorstroming verbeterd en de veiligheid verhoogd. Dit resulteert in een aangenamere, positieve beleving van de weg, met minder hinder en betere doorstroming.
Gebruikswaarde van de omgeving
De nieuwe N605 heeft een negatieve impact op de gebruikswaarde van de omgeving. Het nieuwe tracé leidt tot het verdwijnen van enkele bestaande verbindingen: de Speekstraat, de Zandstraat, het Heikantsepad (vervallen van de autoverbinding), de Wilgenstraat en de zijstraat ten zuiden van de Rechtestraat en de Rechtestraat. De directe toegankelijkheid van woon-, werk- en landbouwgebieden aan beide zijden van de nieuwe weg wordt aangetast. Het hoofdfiets- en wandelnetwerk wordt tegemoetgekomen door de onderdoorgang langs het Heikantsepad. Echter zullen andere verbindingen, zoals de Wilgenstraat en de Zandstraat, verdwijnen.
Belevingswaarde
De nieuwe weg past niet goed in de landelijke omgeving die gekenmerkt wordt door een meer kleinschalig, open landschap. Het beïnvloedt ook het zicht op de omgeving en het geluid zorgt eveneens voor een andere beleving. Dit alles samen heeft een negatieve invloed op de belevingswaarde.
Toekomstwaarde
De nieuwe N605 doet afbreuk aan de toekomstwaarde. De weg heeft een impact op de bodem, het water en het landschap. Verder verkleint het de bereikbaarheid van de directe omgeving en de bereikbaarheid van de recreatiegebieden. De toekomstwaarde neemt af en er is minder mogelijkheid voor aanpassing aan toekomstige ontwikkelingen.
Cultuurhistorie
De nieuwe weg heeft een negatieve invloed op de historische geografie. In het ontwerp vervallen de historische wegen/aansluitingen, zoals genoemd bij de beschrijving van de gebruikswaarde. Ze hebben een directe invloed op de historische verbindingen in het gebied. De verbindingen via het Heikantsepad en de Wilgenstraat zijn belangrijke historische elementen voor de buurtschap Heikant en Oosterens.
De andere elementen zoals de waterlopen, historische zichtlijnen, verkavelingspatronen en bomenrijen die geïntegreerd zijn met de wegen worden ook aangetast. Daarnaast ligt het ontwerp aan de noordzijde van de watergang tussen het Heikantsepad en de Wilgenstraat waardoor de rand van de Bolle akker, een belangrijk onderdeel van de cultuurhistorie van Volkel, direct wordt aangetast.
De nieuwe weg gaat door de molenbiotoop heen en heeft negatieve effecten op het uitzicht op en vanaf de molen. Daarnaast wordt er een gemeentelijk monument aangetast. Het gaat hier om het kruisbeeld op de rotonde van de Brabantstraat dat binnen het project elders herplaatst wordt.
Landschap
Landschapskarakteristiek
Met de omklap van de N605 worden - zoals hierboven benoemd - een aantal wegen afgesneden waardoor er bomenstructuren verdwijnen en landschappelijke structuren afgesneden worden: de Speekstraat, de Zandstraat, het Heikantsepad, de Wilgenstraat, de Zijstraat ten zuiden van de Rechtestraat en de Rechtestraat. De verlegging van de weg zorgt ervoor dat vanaf veel plekken de rustige en landelijke landschappelijke karakteristiek aangetast wordt:
Tussen de N264 en de Zijstraat ten zuiden van de Rechtestraat kenmerkt het landschap zich door aan de ene kant openheid (veld) en aan de andere kant geslotenheid (gebouwen). De nieuwe weg volgt de richting van de huidige weg de Zeelandsedijk en sluit goed aan op de landschapskarakteristiek. Maar er zal meer verhard gebied zijn vanwege de nieuwe weg.
Tussen de Zijstraat ten zuiden van de Rechtestraat en de Wilgenstraat is er momenteel een meer gesloten gebied (dichter bebouwd). De nieuwe weg wijkt af van de verkavelingsstructuur, de schaal van het landschap en de landschapskarakteristiek.
Tussen de Wilgenstraat en het Heikantsepad is de openheid een belangrijk deel van de belevingswaarde met uitzicht op de Bolle akker en de watergangen. De nieuwe weg met auto's past hier niet goed in de landelijke omgeving en zal de openheid van het landschap belemmeren.
Tussen het Heikantsepad en de kruising Zeelandsedijk/Brabantstraat kenmerkt het landschap zich door kleinschaligheid (open/ dicht) waarin zowel gebouwen als paden aanwezig zijn. De nieuwe weg wijkt af van de verkavelingsstructuur en past hier niet goed in het kleinschalig en rustig landschap hier.
Landschapselementen
Door de aanleg van de nieuwe weg zullen bomen/bomenrijen en beplanting verdwijnen: bomen rond de rotonde Brabantstraat, kruising van de Wilgenstraat en Zeelandsedijk, een bomenrij en beplanting langs de Speekstraat, de Zandstraat, het Heikantsepad, de Rechtestraat, de Zeelandsedijk ten zuiden van de rotonde Rouwstraat en de Zeelandsedijk tussen de N264 en de rotonde Rouwstraat.
Sommige onverharde paden en waterwegen zullen worden aangetast, vooral rond de rotonde Brabantstraat en het Heikantsepad en tussen de Wilgenstraat en de Rechtestraat door de bocht van de nieuwe weg. Bovendien heeft de nieuwe weg een verdere negatieve invloed op het uitzicht op deze landschapselementen, zoals het zicht op de molen, zichtlijnen langs de paden zoals de Zandstraat en het Heikantsepad.
Om de negatieve effecten op de ruimtelijke kwaliteit, de cultuurhistorie en het landschap van het gebied te mitigeren en te compenseren, zijn er verschillende maatregelen meegenomen in het Landschapsplan. Deze landschappelijke opzet wordt beschreven in paragraaf 4.2.2. Er zijn verschillende bomenrijen opgenomen en er wordt gewerkt met een ontwerp dat goed in het landschap past, o.a. door het toepassen van aarde wallen in plaats van geluidsschermen. Daarnaast wordt er gecompenseerd voor de eventuele aantasting van de Bolle Akker (zie paragraaf 6.3.1). Het kruisbeeld dat verplaatst moet worden, krijgt een andere passende locatie binnen het ontwerp (zie paragraaf 4.2.5.). Op de rotonde Rouwstraat wordt er ruimte gereserveerd voor het plaatsen van een vliegtuig. Hier wordt ook ruimte gereserveerd voor mensen die dit vliegtuig willen aanschouwen.
De mitigerende maatregelen zijn beoordeeld en waar relevant en inpasbaar opgenomen in het Landschapsplan en Beeldkwaliteitsplan. Er is geen sprake van onevenredige aantasting van de ruimtelijke kwaliteit. Er is sprake van evenwichtige toedeling van functies aan locaties op het gebied van ruimtelijke kwaliteit, landschap en cultuurhistorie.
Voor verkeer moet er worden aangetoond dat het project leidt tot een goede verkeersafwikkeling en dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het relevante beleid voor verkeer is opgenomen in hoofdstuk 6, ‘beleid’. Het gaat hier onder andere om de NOVI, het beleidskader Mobiliteit: koers 2030, van de provincie Noord-Brabant (2020) en de Omgevingsvisie van de gemeente Maashorst (2024).
Aan de hand van een vijftal criteria is het ontwerp voor de omlegging N605 beoordeeld. Dit waren de criteria etmaalintensiteit, doorstroming, langzaam verkeer, landbouwverkeer en verkeersveiligheid. Voor de beoordeling van de criteria etmaalintensiteit, doorstroming en verkeersveiligheid is een verkeersmodel gebruikt waarbij het zichtjaar 2040 is aangehouden. Voor de kwalitatieve beoordeling van de verkeersveiligheid is gebruik gemaakt van een combinatie van ongevallen en snelheidsscore. Landbouwverkeer en fietsverkeer zijn kwalitatief beoordeeld.
De effecten van de nieuwe weg verschillen per criterium. De verdeling van verkeer, uitgedrukt in etmaalintensiteit, wordt beter door de omlegging. Er zal meer verkeer over de nieuwe N605 rijden (waar deze weg op is ingericht) en minder verkeer over de Brabantstraat en Leeuwstraat, die minder geschikt zijn voor deze hoeveelheden verkeer.
Het ontwerp van de weg heeft geen significant effect op de doorstroming van verkeer. Met de aanleg van de nieuwe N605 wordt de rotonde bij de Zeelandsedijk (N264) omgebouwd naar kruising. De indeling en verkeersregeling van deze kruising is geoptimaliseerd op de te verwerken verkeersstroom. Doordat er in de situatie met kruisingen wachtrijen optreden als gevolg van de verkeerslichten zijn er zowel in de ochtend- als avondspits korte wachtrijen bij de verkeerslichten op de verschillende takken van de kruisingen. . Verder is te zien dat op het traject op de N264 tussen de Zeelandsedijk en de Industrielaan enige vertraging kan optreden. Dit is het gevolg van de toename van de verkeersintensiteit op dit traject door de aanleg van de N605. De kwaliteit van de afwikkeling op het traject wordt m.n. bepaald door de capaciteit van de kruisingen, die voldoende is.
Het landbouwverkeer moet gaan omrijden als gevolg van de nieuwe weg. Zij kunnen de weg ter hoogte van het Heikantsepad en de Wilgenstraat niet meer kruisen. Voor langzaam verkeer vervallen de verbindingen via de Zandstraat, Speekstraat, Rechtestraat en Wilgenstraat. Dit betekent dat de N605 zorgt voor barrièrewerking voor langzaam verkeer. Met de verbinding via de Rouwstraat en het Heikantsepad blijven de belangrijkste verbindingen in stand. Fietsverkeer op de route tussen Volkel en Odiliapeel kan oversteken bij de rotonde Rouwstraat.
Gebruik wegennet
De omlegging van de N605 zorgt ervoor dat de relatief grote doorgaande verkeersstroom wordt afgewikkeld via relatief veilige infrastructuur. Dat is een grote verandering ten opzichte van de huidige situatie waarin deze verkeersstroom via de Brabantstraat/Leeuwstraat rijdt die hiervoor niet zijn ingericht. De nieuwe N605 is een weg die ontworpen is op basis van de ontwerprichtlijnen voor gebiedsontsluitingswegen en voldoet aan de principes van Duurzaam Veilig. De belangrijkste kenmerken die gunstig zijn voor de verkeersveiligheid zijn:
aparte rijbanen voor de beide richtingen (met daardoor ruimte tussen de auto’s in de verschillende rijrichtingen);
een strikte scheiding tussen verkeerssoorten (geen menging van autoverkeer, landbouwverkeer en fietsers);
obstakelvrije bermen (en waar dit niet mogelijk is geleiderails);
veilig ontworpen aansluitingen;
overige wegkenmerken (zoals benodigde zichtlengtes, boogstralen) in overeenstemming met de rijsnelheid en de omvang van de verkeersstroom.
Deze kenmerken gelden in het algemeen niet voor de huidige route via de Brabantstraat/Leeuwstraat. De omlegging van de N605 zorgt ervoor dat het gebruik van de provinciale route in overeenstemming is met de functie en vormgeving ervan.
De nieuwe N605 draagt bij aan een verbetering van de verkeersveiligheid en een goede verkeersafwikkeling. Er is sprake van evenwichtige toedeling van functies aan locaties op het gebied van verkeer.
Brabantse Omgevingsvisie
De Brabantse Omgevingsvisie geeft richting aan de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving in de provincie Noord-Brabant. Voor recreatie legt deze visie nadruk op onder andere het bevorderen van de toegankelijkheid van natuur- en recreatiegebieden, het versterken van de recreatieve infrastructuur en het creëren van balans tussen recreatie, natuur, en stedelijke ontwikkeling. Het projectgebied in Volkel moet aansluiten bij de doelen van de provincie, zoals het verbeteren van recreatieve verbindingen en het behoud van waardevolle landschappen.
Omgevingsverordening Noord-Brabant
De Omgevingsverordening bevat concrete regels ter uitvoering van de Omgevingsvisie, waaronder bepalingen voor recreatiegebieden, natuurbehoud, en landschapsontwikkeling. Dit document bepaalt onder andere waar recreatieve functies kunnen worden ontwikkeld en hoe bestaande recreatieve waarden beschermd moeten worden bij infrastructuurprojecten zoals de verplaatsing van de N605.
Een voorbeeld hiervan is artikel 5.14 Maatwerk met als doel omgevingskwaliteit: Een ontwikkelingsrichting houdt immers integraal rekening met de waarden en belangen vanuit landschap, cultuurhistorie, ecologie, recreatie, landbouw en overige aspecten, zoals de aanwezige dorps- of stedelijke structuur, mobiliteit, energie etcetera.
Omgevingsvisie Maashorst
De Omgevingsvisie Maashorst (voorheen Uden) beschrijft de lange termijnvisie van de gemeente op het gebied van ruimtelijke ontwikkeling. Voor recreatie wordt ingezet op het versterken van de recreatieve voorzieningen in zowel de dorpskernen als het buitengebied. De visie streeft naar het creëren van aantrekkelijke woon- en leefomgevingen, waarin ruimte is voor recreatie in harmonie met andere functies zoals wonen en werken.
Selectie van teksten die direct te maken hebben met recreatie in Volkel
P147: Waar versterken we de recreatie in en om Volkel?
In het buitengebied aan de zuidwestkant van Volkel zien we graag meer recreatie. (Agrarische) bedrijven kunnen hiervoor nevenactiviteiten ontwikkelen. We sturen daarbij op kwaliteitsverbetering: onder andere duurzaamheid, ruimtelijke/landschappelijke authenticiteit, gezondheid, bereikbaarheid en toegankelijkheid zijn van belang.
We versterken het intensieve recreatiecluster rondom Hemelrijk. Recreatiepark Hemelrijk heeft een grote aantrekkingskracht op de regio en dit gebied willen we nog verder versterken. Ook de verbinding met andere gebieden (verderop in De Peel en richting De Maashorst) is belangrijk.
Daarnaast versterken we het recreatieve netwerk rondom Volkel, en de economische spin-off hiervan op (ondernemers in) de kern Volkel. Attracties zoals Hemelrijk, dierentuin ZieZoo, Centrum Uden, het Geopark en zelfs Vliegbasis Volkel (uitbreiding van spottersplaatsen) kunnen we meer benutten ter bevordering van de lokale economie.
We verbeteren de aantrekkelijkheid van het centrum van Volkel rondom het Schakelplein, zodat deze meer uitnodigt om te verblijven en om de horeca te bezoeken. We versterken tevens de mogelijkheden tot verblijven en overnachten in het dorp(scentrum). We zorgen ervoor dat het centrum van Volkel goed is aangesloten op het recreatieve fietsnetwerk.
Binnen de kern brengen we meer groen aan, zodat het aantrekkelijk is voor inwoners om te bewegen en te sporten. We versterken bovendien de aantrekkelijkheid van de sportlocaties en sluiten zoveel mogelijk aan bij de lokale behoefte.
Het ontwerp van de N605 is beoordeeld op basis van het thema recreatie, met specifieke aandacht voor de impact op recreatieve voorzieningen en gebieden in de omgeving van Volkel. Deze criteria richten zich op de functie en toegankelijkheid van recreatiegebieden (vooral het Billy Bird Park Hemelrijk), de recreatieve routes (fietsnetwerk en wandelnetwerk) en de visuele impact op recreatie binnen het huidig landschap (vooral de Bolle akker).
De functie en toegankelijkheid van recreatiegebieden
De aansluiting van de Zeelandsedijk op de N264 wordt minder direct door de aanpassing van de rotonde aan de Rouwstraat. De aansluiting aan de zuidzijde met de Brabantstraat blijft behouden. De verbindingen langs het Heikantsepad en de Wilgenstraat komen met de omklap van de N605 te vervallen. Dit heeft impact op de toegankelijkheid (auto) van beide kanten (het Billy Bird Park Hemelrijk en het centrum van Volkel).
De toegankelijkheid van het Billy Bird Park en de Bolle akker op lokaal niveau (binnen Volkel) verslechtert. De toegankelijkheid op regionaal niveau via de hoofdverbindingen Zeelandsedijk, N264 en Brabantstraat wordt aangetast, maar in beperkte mate.
De recreatieve routes
Het fietsnetwerk kruist het nieuwe tracé langs de Speekstraat, het Heikantsepad, de Wilgenstraat, de Rechtestraat en de Rouwstraat. De verbinding langs de Rouwstraat blijft behouden. De aansluiting langs het Heikantsepad wordt omgebouwd tot onderdoorgang. De aansluitingen langs de Speekstraat, Rechtestraat en Wilgenstraat komen te vervallen.
Het wandelnetwerk kruist het nieuwe tracé langs de Speekstraat, het Heikantsepad, de Wilgenstraat en de Berkenweg. De aansluiting langs het Heikantsepad wordt omgebouwd tot een onderdoorgang. De aansluiting langs de Berkenweg wordt verplaatst naar de rotonde Rouwstraat. De aansluitingen langs de Speekstraat en de Wilgenstraat komen te vervallen.
De visuele impact op recreatie
De aanleg van de weg zal een negatief effect hebben op het landschap. De verhoogde weg (langs het Heikantsepad) en het verkeer zullen het bestaande open uitzicht langs de Bolle akker verstoren. Vanuit de omgeving zullen mensen meer infrastructuur en auto's midden in het landschap zien, vooral tussen de Wilgenstraat en de rotonde Brabantstraat. Het past niet goed bij de landelijke omgeving en het rustige beeld die een belangrijke recreatieve waarde hebben voor nu en voor de toekomst.
Om de negatieve impact op de recreatie te beperken, zijn verschillende maatregelen opgenomen in het Landschapsplan. Zo worden waar mogelijk, wegen die doorsneden worden door de nieuwe N605, aan andere wegen verbonden. Ook wordt de visuele impact op recreatie beperkt door de landschappelijke inpassing van de weg. Nadat de weg gerealiseerd is, kan duidelijke bewegwijzering de impact op recreatie verder verminderen.
Er is geen sprake van onevenredige aantasting van recreatie. Er is sprake van evenwichtige toedeling van functies aan locaties op het gebied van recreatie.
In de wijziging van het omgevingsplan Omklap N605 Volkel wordt de omklap van de N605 mogelijk gemaakt. De kosten voor deze ontwikkeling zijn begroot op € 24.400.00 exclusief BTW (prijspeil 2025). De kosten voor de uitvoeringsfase van de omklap van de N605 worden evenredig over de provincie Noord-Brabant en gemeente Maashorst verdeeld (50%/50%). Beide partijen hebben een intentieverklaring getekend en de kosten zijn opgenomen in de begroting van de gemeente Maashorst en de provincie Noord-Brabant. Dit betekent dat het project economisch uitvoerbaar is. De wijziging van het omgevingsplan Omklap N605 Volkel bevat geen bouwactiviteiten waarvoor kosten moeten worden verhaald, zoals staat in artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit. Het is daarom niet nodig om kostenverhaalregels op te nemen.
De gemeente heeft bij het maken van de wijziging van het omgevingsplan Omklap N605 Volkel rekening gehouden met de taken en bevoegdheden van andere bestuursorganen zoals bedoeld in artikel 2.2 van de Omgevingswet. De gemeente en de provincie hebben samen afstemming gehad met de Veiligheidsregio Noord-Brabant, Defensie en met het Waterschap Aa en Maas. Deze afstemming heeft plaatsgevonden in augustus en september 2025. Tijdens deze overleggen zijn de concept-tekeningen van het plan besproken met de betreffende bestuursorganen.
De afstemming met de Veiligheidsregio Noord-Brabant betrof voornamelijk de plaatsing van het vliegtuig op de rotonde Rouwstraat en bepaalde aanrijroutes voor ambulance zorg. Voor de veiligheidsregio is het belangrijk dat bereikbaarheid geborgd wordt. Het overleg met Defensie ging voornamelijk over het opnemen van de hoogtebeperkingen van de luchtvaartzones in de regels van het omgevingsplan. Hier is in november verdere afstemming over geweest en deze zones zijn overgenomen. Defensie heeft ook aangegeven dat er tijdens de bouw van de weg rekening gehouden dient te worden met de hoogte van materieel. Door de landingsbaan ten oosten van de weg gelden er hoogtebeperkingen. De afstemming met het Waterschap Aa en Maas betrof voornamelijk de ligging van de (A-)watergangen en de beoogde watercompensatie. De input van alle bestuursorganen is meegenomen in het omgevingsplan.
In de kennisgeving van het voornemen om het omgevingsplan voor de omklap van de N605 te wijzigen, gedateerd op 3 juli 2025, staat hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding betrokken werden. In hoofdstuk 5 is het participatietraject voor het ontwerp van de omgeklapte N605 toegelicht.
Het ontwerp van deze wijziging van het omgevingsplan wordt in de eerste helft van 2026 voorgelegd aan het college van burgemeester en wethouder om vervolgens het ontwerp zes weken ter inzage te leggen. Gedurende deze periode kan eenieder over het ontwerp zienswijzen indienen. Deze zienswijzen worden vervolgens in behandeling genomen en beantwoord. Indien een zienswijze aanleiding geeft tot aanpassing van het omgevingsplan, dan zal deze aanpassing worden verwerkt in de versie die voor vaststelling van het omgevingsplan aan de raad van de gemeente Maashorst zal worden aangeboden. De uitkomsten uit de consultatie en de ter visie legging worden beschreven onder paragraaf 9.2.4.
Na vaststelling van het omgevingsplan door de gemeenteraad zal het omgevingsplan van kracht zijn. Hierna volgt de beroepsprocedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De wijziging van het omgevingsplan Omklap N605 Volkel is voorbereid volgens de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het ontwerp van het omgevingsplan en de bijbehorende stukken hebben van [DATUM] tot en met [DATUM] (6 weken) elektronisch ter inzage gelegen. De kennisgeving met de volledige inhoud van het ontwerp-omgevingsplan is gepubliceerd in het Gemeenteblad. Tijdens deze periode zijn er geen/aantal zienswijzen ingediend. In een zienswijzenverslag zijn de ontvangen zienswijzen samengevat en is er een reactie op gegeven. Dit verslag is opgenomen in bijlage XX. Het omgevingsplan is, waar nodig, aangepast op basis van de ingediende zienswijzen.
De definitieve wijziging van het omgevingsplan Omklap N605 Volkel wordt door de gemeenteraad vastgesteld en bekend gemaakt door een publicatie in het Gemeenteblad. Daarna liggen de stukken 6 weken ter inzage. Gedurende deze periode is het mogelijk om beroep aan te tekenen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het omgevingsplan treedt vier weken na de publicatie van de vaststelling in werking. Nadat de wijziging van het omgevingsplan kern Netersel is vastgesteld is te raadplegen via het Omgevingsloket (Regels op de kaart - Omgevingsloket).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-78665.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.