Gemeenteblad van Vijfheerenlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Vijfheerenlanden | Gemeenteblad 2026, 75069 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Vijfheerenlanden | Gemeenteblad 2026, 75069 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Deze publicatie bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst. Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
De publicatie wordt standaard getoond met verschilmarkering. Door te kiezen voor ‘Was’ of ‘Wordt’ kunt u de voormalige of vernieuwde tekst op zichzelf bekijken.
Toon versie van document
Dit document bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst.
Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
Dit besluit betreft de wijzigingen in 'bijlage A'.
A
Artikel 4.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden op de weg: meer dan één voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen.
meer dan één voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen;
een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan 3 achtereenvolgende dagen te parkeren;
een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren;
een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.
Het eerste lid, aanhef en onder d geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.
B
Artikel 4.12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
C
Artikel 4.24 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
D
Artikel 4.29 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
E
Bijlage II wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
F
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 4.8, eerste lid sub a
Het komt regelmatig voor dat eigenaren hun voertuig te koop aanbieden op de openbare weg. Wanneer het een enkel voertuig betreft, is dit geen echt probleem. Van aantasting van het uiterlijk aanzien van de omgeving is niet of nauwelijks sprake, de overlast voor de omwonenden blijft beperkt en het gebruik van de beschikbare parkeerruimte kan niet excessief genoemd worden. Anders ligt het wanneer de voertuigen met grote aantallen tegelijk aangeboden worden. Behalve dat het uiterlijk aanzien wordt aangetast, brengt het voor de omwonenden aanzienlijke overlast met zich mee. Een dergelijke uitstalling van voertuigen trekt immers kooplustigen aan. Ook wordt er een aanmerkelijk beslag op de beschikbare parkeerruimte gelegd en kan het een belemmering vormen voor het niet veilig en doelmatig gebruik van de weg.
Artikel 4.8, eerste lid sub b
Veelvuldig doet zich het verschijnsel voor dat voertuigen met andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken op de weg worden geplaatst. De eigenaar of houder van één of meer van dergelijke voertuigen heeft deze meestal aangekocht om na weken of zelfs maanden van nijvere zelfwerkzaamheid weer een volwaardig voertuig te creëren. Veelal slaagt hij in deze poging niet, waarna het voertuig op de weg wordt achtergelaten, waar het na verloop van tijd degenereert tot autowrak. Deze bepaling richt zich in het bijzonder tegen dit soort vormen van (over)last. Het excessieve is in het bijzonder gelegen in het in relatie tot het tekort aan parkeerruimte niet gerechtvaardigde doel waartoe men het voertuig op de weg zet. Daarnaast kan het hier bedoelde parkeren een ontsiering van het uiterlijk aanzien van de gemeente met zich meebrengen en om die reden excessief zijn. Beperking van het verbod tot die gevallen waarin er sprake is van min of meer ernstige gebreken aan het voertuig, moet noodzakelijk worden geacht, wil het verbod niet een te ruime strekking krijgen.
Artikel 4.8, eerste lid sub c
Anders dan de voertuigen met andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken die ingeval van parkeren gedurende zekere tijd in het bijzonder een parkeerexces kunnen opleveren door het in relatie tot het tekort aan parkeerruimte niet gerechtvaardigde doel waartoe men een voertuig op de weg zet, geeft een achtergelaten voertuigwrak, inclusief een fiets of bromfiets, in de eerste plaats aanstoot, doordat het een ontsierend element in het straatbeeld vormt. Ook houdt een wrak een gevaar in voor spelende kinderen en voor de weggebruikers. Zie bijvoorbeeld ABRvS 21‑09‑2011, ECLI:NL:RVS:2011:BT2119.
Het verbod in dit artikel richt zich op degene die het voertuigwrak op de weg plaatst of heeft geplaatst. Dat is op zich al een ruimere kring van subjecten dan alleen de bestuurder; ook andere belanghebbenden bij het voertuig vallen onder deze bepaling.
Artikel 4.8, eerste lid sub d juncto artikel 4.8, tweede lid
Deze bepaling beoogt optreden mogelijk te maken tegen het op de weg parkeren van vrachtwagens en dergelijke bij andermans voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw, zodanig, dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers van het gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.
In gemeentelijke kring wordt het meer en meer als noodzakelijk ervaren dat het parkeren van grote voertuigen – in het bijzonder vrachtwagens – op wegen in de stadscentra en in de woonwijken zoveel mogelijk wordt tegengegaan. Maatschappelijk gezien is er een tendens waarneembaar dat dit parkeren wordt ervaren als misbruik van de weg. De gevaren en inconveniënten die deze parkeergedragingen kunnen opleveren, zijn velerlei: onvoldoende opvallen bij schemer en duisternis van geparkeerde vrachtwagens, onvoldoende zichtbaarheid van tussen of achter deze voertuigen spelende kinderen, buitensporige inbeslagneming van de schaarse parkeerruimte, belemmering van het uitzicht vanuit de woning, afbreuk aan het uiterlijk aanzien der gemeente enzovoort. Op den duur zal het parkeren van grote voertuigen dan ook niet meer dienen te geschieden op wegen binnen de bebouwde kom, althans niet op die wegen binnen de bebouwde kom, welke gelegen zijn in het centrum of in de woonwijken. Uit de jurisprudentie kan worden opgemaakt, dat ook volgens de Hoge Raad het parkeren van vrachtwagens in woonwijken enzovoort, bezien tegen de achtergrond van de recente verkeersomstandigheden en maatschappelijke inzichten, niet (meer) redelijkerwijze als ‘normaal’ verkeer kan worden beschouwd. Dit artikel bevat regels waarmee het parkeren van grote voertuigen, voor zover dit excessief is, kan worden tegengegaan
Door opneming van de bestanddelen “of hen anderszins hinder of overlast wordt aangedaan” zijn ook mogelijke andere vormen van hinder of overlast dan uitzichtbelemmering, door het parkeren van grote voertuigen aan bewoners of gebruikers van gebouwen berokkend, verboden. Hierbij kan worden gedacht aan belemmering van de lichtval, stankoverlast en geluidsoverlast, bijvoorbeeld ten gevolge van het starten en warmdraaien van grote voertuigen. Dat een dergelijke zinsnede houdbaar is, blijkt uit een reeds oude uitspraak van de Hoge Raad (HR 16‑01‑1986, NJ 1968, 198) waarin de Hoge Raad de bedoelde zinsnede in de APV van Enschede verbindend achtte. De delictsomschrijving kan desgewenst worden geconcretiseerd door een afstandsmaat te hanteren, bijvoorbeeld 10 meter.
Het begrip ‘parkeren’ wordt zo uitgelegd, dat het verbod in dit artikel zich niet alleen richt op de bestuurder van een voertuig maar ook op de andere belanghebbenden bij het voertuig. De in dit artikel opgenomen uitzondering ziet bijvoorbeeld op (het parkeren van) hoogwerkers, meetwagens en dergelijke. Een vergunningsmogelijkheid is niet geboden. Niet goed valt in te zien hoe deze mogelijkheid te rijmen valt met het hinderlijke karakter van het hier bedoelde parkeren.
G
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 4.11 strekt ter bescherming van de bermen, glooiingen en zijkanten van wegen. Bermen, glooiingen en zijkanten maken deel uit van de weg. Deze bepaling ziet derhalve op het verkeer op wegen in de zin van de wegenverkeerswetgeving, maar kan als toelaatbaar worden beschouwd naast deze wetgeving. Op basis van artikel 149 van de Gemeentewet is de gemeentelijke wetgever immers bevoegd tot het stellen van regels die andere belangen dan verkeersbelangen dienen, tenzij deze regels het stelsel van de wegenverkeerswetgeving doorkruisen. Dat is hier niet het geval. Het rijden met en parkeren van voertuigen in niet van de weg (in de zin van de wegenverkeerswetgeving) deel uitmakende groenstroken, wordt geregeld in Artikel 4.29 (binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit gebruiksactiviteit – aantasting groenvoorzieningen door voertuigen).
H
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Verontreiniging door honden of paarden is geregeld via artikel 4.12.
Straatverontreiniging kan grote gevaren opleveren voor de volksgezondheid. Ook wordt via hondenuitwerpselen die op straat, in parken en plantsoenen blijven liggen, het voor honden dodelijke canine parvo virus verspreid.
De strafbaarheid wordt opgeheven als de uitwerpselen direct worden verwijderd. Er zijn verschillende manieren om de overlast van hondenuitwerpselen aan te pakken. Een goed overzicht van mogelijke maatregelen en een goed overzicht van literatuur op dit terrein is te vinden in de publicatie "Gemeentelijk hondenbeleid. Een handleiding ter bestrijding van de overlast door hondenpoep in Nederland" van het Multidisciplinair onderzoeksinstituut in Utrecht.
Overtreding van het verontreinigingsverbod door hondenuitwerpselen behoort tot de zogenaamde verontreinigingsdelicten, die vatbaar zijn voor transactie door de politie. De handhaving (betrapping op heterdaad) valt in praktijk niet mee. Om niet enkel te hopen op een preventieve invloed van deze bepaling, zijn het derde en vierde lid toegevoegd. Het is de eigenaar of houder verplicht om een deugdelijk opruimmiddel bij zich te hebben, dat geschikt is voor de verwijdering van de uitwerpselen van hond of paard. Onder een deugdelijk opruimmiddel wordt niet ‘met de hand’ verstaan. Onder de houder wordt ook degene verstaan die de hond of het paard op dat moment uitlaat.
[Vervallen]
I
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Met de zinsnede “of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden” in artikel 4.24 is beoogd aan te geven dat alle soorten (aanhang)wagens en voertuigen, die niet ‘dagelijks’ worden gebruikt als vervoermiddel onder deze bepaling kunnen vallen.
Dit artikel richt zich tegen het langer dan nodig plaatsen of hebben van voertuigen die voor recreatie e.d. worden gebruikt. Hieronder vallen in ieder geval: aanhangwagens, magazijnwagens, keetwagens e.d. op de weg. In dit artikel zijn de woorden ‘parkeren’ gewijzigd in ‘te plaatsen of te hebben’ om de handhaving van deze bepaling eenvoudiger te maken. Met het steeds een paar meter verplaatsen van een aanhangwagentje e.d. op de openbare weg wordt overtreding van dit artikel niet langer meer voorkomen.
Dit artikel richt zich ook tegen het ontsieren van het uiterlijk aanzien van de gemeente door het doen of laten staan van andere voertuigen elders dan op de weg in de zin van de WVW 1994. In zoverre betreft dit artikel derhalve niet een ‘eigenlijk’ parkeerexces, dat immers veronderstelt dat de gedraging plaatsvindt op een weg (in de zin van de WVW 1994).
[Vervallen]
J
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is helaas een veelvuldig voorkomend verschijnsel dat groenstroken, openbare beplantingen, plantsoenen en grasperken worden benut voor het parkeren van voertuigen. Met artikel 4.29 wordt beoogd beschadiging van groenstroken en dergelijke, die het uiterlijk aanzien van de gemeente beogen te verfraaien, te voorkomen en het groen beter aan zijn bestemming te doen beantwoorden.
Omdat de WVW 1994 onder ‘wegen’ ook de bermen begrijpt, is het in dit artikel vervatte verbod beperkt tot groenstroken. De wegenverkeerswetgeving voorziet niet in de gevallen waarin het voertuig op of in een groenvoorziening wordt geplaatst, welke geen deel uitmaakt van de weg (in de zin van de WVW 1994).
Bij een parkeerverbod is het doen of laten staan van een voertuig niet strafbaar, als dat geschiedt om personen de gelegenheid te geven in of uit te stappen, dan wel voor het laden of lossen van goederen. Deze beperkingen zijn onwenselijk bij een verbod tot het doen of laten staan van voertuigen in groenvoorzieningen. Daarom is hier bewust gekozen voor de bestanddelen “te doen of te laten staan” in plaats van “te parkeren”, omdat ook het tot stilstand brengen van een auto in een plantsoen beschadiging van het groen en vermindering van de aantrekkelijkheid veroorzaakt.
Ten overvloede: gedragingen als de onderhavige brengen in sommige gevallen ook zaakbeschadiging in de zin van artikel 350 van het WvSr met zich mee.
Doorgaans zal een groenstrook geen deel uitmaken van de weg. Bermen maken wel deel uit van de ‘wegen’ in de zin van artikel 1 van de WVW 1994. Aangezien deze bepaling zich uitsluitend richt tegen een ’oneigenlijk’ parkeerexces – dat wil zeggen tegen een gedraging welke buiten de ‘weg’ (in de zin van de WVW 1994) plaatsvindt, behoeft voor strijd met de bepalingen van de wegenverkeerswetgeving niet te worden gevreesd. Om deze reden bestaat er geen bezwaar tegen dat in deze bepaling ook bijvoorbeeld het rijden over openbare beplantingen wordt verboden.
Artikel 10 van het RVV 1990 bepaalt dat bijvoorbeeld auto’s en motoren op de rijbaan en op andere weggedeelten – met uitzondering van het trottoir, het voetpad, het fietspad of het ruiterpad – mogen worden geparkeerd. Onder deze andere weggedeelten waar wel geparkeerd mag worden, vallen ook de bermen van een weg. Het is tevens mogelijk dat het parkeren op de rijbaan niet wenselijk is, bijvoorbeeld uit oogpunt van de verkeersveiligheid, maar dat het parkeren in de berm wel kan worden toegestaan. In dat geval is plaatsing van bord E1 van bijlage 1 van het RVV 1990 noodzakelijk.
[Vervallen]
Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Eén van de kerninstrumenten van de Omgevingswet is het omgevingsplan. Een omgevingsplan is een besluit van de gemeenteraad waarin regels over de fysieke leefomgeving zijn vastgelegd. Via het overgangsrecht is bepaald dat alle bestaande ruimtelijke plannen (zoals bestemmingsplannen, wijzigingsplannen, e.d.) van rechtswege worden aangemerkt als onderdeel van één omgevingsplan, zodat bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet gemeenten formeel beschikken over één gebied dekkend omgevingsplan.
Vervolgens heeft elke gemeente de taak om binnen de gegeven overgangstermijn, het omgevingsplan van rechtswege om te zetten/te wijzigen naar een nieuw omgevingsplan, dat voldoet aan de wettelijke vereisten van de Omgevingswet. Eén van de noodzakelijke wijzigingen omgevingsplan is de wijziging van verordeningsregels die, omdat ze te maken hebben met de fysieke leefomgeving, over gaan naar het omgevingsplan.
Voor deze wijziging is allereerst geïnventariseerd welke verordeningen eventueel regels over de fysieke leefomgeving bevatten. Vervolgens zijn de betreffende verordeningen doorgenomen en is per regel uit de verordening afgewogen of de regel naar het omgevingsplan zou gaan. In de afweging waren er 3 verschillende mogelijkheden, namelijk:
de regel mag niet in het omgevingsplan;
de regel moet in het omgevingsplan;
de regel mag in het omgevingsplan.
De eerste mogelijkheid (de ‘mag niet in het omgevingsplan’ categorie) bevat artikelen die uitsluitend een grondslag hebben in één van de genoemde artikelen uit de Gemeentewet, of uitsluitend een grondslag hebben in een specifieke wet die niet is opgegaan in de Omgevingswet. In dat geval doet de Omgevingswet volgens artikel 1.4 Omgevingswet, een stapje terug en krijgt de specifieke wet voorrang. Een voorbeeld hiervan is de AVOI die regels bevat over telecommunicatie-kabels waarvan de grondslag uitsluitend in de Telecommunicatiewet zit.
De tweede mogelijkheid (de ‘moet in het omgevingsplan’ categorie) bevat de artikelen die over een door een mens te verrichten activiteit gaan, die leidt tot een (directe) wijziging in de fysieke leefomgeving. Dit soort activiteiten zijn bijvoorbeeld bouwen, aanleggen, slopen of kappen. In deze categorie vallen ook artikelen over emissies, hinder of risico’s in de fysieke leefomgeving en artikelen die een instructieregel uit het Besluit kwaliteit leefomgeving bevatten.
De derde mogelijkheid (de ‘mag in het omgevingsplan’ categorie) bestaat uit de artikelen die wel in het omgevingsplan mogen, maar niet in het omgevingsplan hoeven. Voor deze artikelen is afgewogen of het wenselijk is om ze te integreren in het omgevingsplan. Hierbij kunnen overwegingen zoals de samenhang met andere regels, wenselijkheid om te ontsluiten via het Omgevingsloket en de wenselijkheid om de regel vast te stellen met zienswijzen en beroep, een rol spelen.
In 2025 is een aantal artikelen uit de Algemene plaatselijke verordening (Apv) overgeheveld naar het omgevingsplan. In de praktijk is gebleken dat deze overheveling gevolgen heeft gehad voor de strafrechtelijke handhaving van deze bepalingen.
De uitvoeringspraktijk laat zien dat het ontbreken van feitcodering voor de betreffende bepalingen in het omgevingsplan een knelpunt vormt. Feitgecodeerde handhaving maakt het mogelijk om overtredingen direct administratief af te doen via het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB). Dit zorgt voor een snelle en efficiënte afhandeling, waardoor toezichthouders hun werkzaamheden in de openbare ruimte direct kunnen voortzetten. Voor de bepalingen die naar het omgevingsplan zijn overgeheveld, ontbreekt deze mogelijkheid, waardoor handhaving niet effectief kan plaatsvinden.
Om de effectiviteit en doelmatigheid van handhaving te herstellen, is het wenselijk om enkele bepalingen terug te plaatsen in de Apv. Hiermee wordt feitgecodeerde handhaving opnieuw mogelijk, wat bijdraagt aan een snelle en consistente handhaving van regels in de openbare ruimte.
Met voorliggend ontwerp wijzigingsbesluit wil de gemeente enkele bepalingen uit het omgevingsplan beleidsneutraal en daarmee gelijkwaardig terugplaatsen naar de Apv.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-75069.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.