Gemeenteblad van Vught
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Vught | Gemeenteblad 2026, 44956 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Vught | Gemeenteblad 2026, 44956 | beleidsregel |
Standplaatsenbeleid gemeente Vught 2012
Het huidige standplaatsenbeleid dateert uit 1992. Dit beleid is in 1993 en in 1997 slechts op kleine punten aangepast. Het beleid uit 1992 is sterk verouderd en biedt onvoldoende duidelijkheid over de mogelijkheden tot het innemen van een standplaats in de gemeente. Dit wordt deels veroorzaakt, doordat de openbare ruimte wijzigingen heeft ondergaan, maar ook door maatschappelijke ontwikkelingen en ontwikkelingen in regelgeving en jurisprudentie.
Artikel 5.2.3 van de Algemeen Plaatselijke Verordening Vught (hierna:APV) bepaalt dat een vergunning van het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college) nodig is voor het innemen van een standplaats. Dit beleid biedt de actuele beleidsuitgangspunten met betrekking tot de ambulante handel in de vorm van standplaatsen. Deze zijn gebaseerd op de toetsingscriteria uit de APV.
Bij de beoordeling van een vergunningaanvraag dient een belangenafweging plaats te vinden tussen enerzijds de belangen van de ondernemers om zijn bedrijfsactiviteiten (ambulante handel) te kunnen uitoefenen en anderzijds het voorkomen van een inbreuk op de te beschermen belangen. (te weten: de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en de bescherming van het milieu.) Met dit beleid wordt deze belangenafweging concreet en inzichtelijk gemaakt. Het beleidskader maakt de beoordeling van de aanvraag effectiever en efficiënter. Dit bevordert de rechtszekerheid en voorkomt willekeur.
Het vorige standplaatsenbeleid gaf in de praktijk niet meer voldoende houvast bij de beoordeling van vergunningaanvragen. Het oude beleid bevatte geen criteria om te bepalen, wanneer een locatie geschikt wordt geacht als standplaatslocatie, over de vraag of een vergunning op naam van meerdere personen kan staan en hoeveel ruimte maximaal mag worden ingenomen. Dit zijn enkele voorbeelden van vragen, waarover het bestaande beleid geen duidelijkheid geeft.
De onduidelijkheden hebben vooral tot gevolg dat de afhandeling van individuele aanvragen, verzoeken om wijziging van vergunningen en het beoordelen van eventueel nieuwe locaties relatief veel tijd kosten.
De belangrijkste beleidsuitgangspunten en de meeste van de bestaande standplaatslocaties, gebaseerd op het oude beleid, voldoen op een aantal punten nog steeds. In aanvulling op het oude beleid bevat het nieuwe standplaatsenbeleid een extra toetsingskader om inzicht te geven in de mogelijkheden van nieuwe standplaatslocaties voor het geval alle bestaande locaties bezet zijn.
In de APV zijn toetsingscriteria opgenomen, die in dit beleidskader nader worden ingevuld. De gronden2 op basis waarvan een aanvraag om een standplaats (artikel 5.2.3) in te nemen kan worden geweigerd:
1 In het standplaatsenbeleid gemeente Vught 2012 is het venten vanwege de geringe(re) omvang en problematiek niet afzonderlijk benoemd. In bijlage 2 van dit beleid is wel een kader gegeven voor waarbinnen ventactiviteiten in de gemeente kunnen plaatsvinden. Het hanteren van deze kaders biedt voor de regulering van het venten voldoende houvast.
Met de (nieuwe) begrippen openbare orde en -veiligheid zit verweven: het voorkomen van overlast, die een bedreiging vormt voor de veiligheid en rust in de publieke ruimte.
In het belang van openbare orde wordt niet een onbeperkt aantal vergunningen afgegeven. In deze beleidsnota zijn daarom de locaties aangewezen, waar het innemen van een standplaats geen verstoring van de openbare orde oplevert of de openbare veiligheid in het gedrang brengt.
|
Als algemeen beleidsuitgangspunt geldt dat alleen toestemming wordt verleend voor standplaatslocaties, die zijn opgenomen in bijlage 2. Pas wanneer alle bestaande locaties bezet zijn, is het mogelijk dat een standplaatsvergunning wordt verleend voor een andere locatie3 , op voorwaarde dat de gewenste locatie voldoet aan alle locatie-eisen, genoemd onder 3.6 |
3.4 Onderscheid vaste en incidentele standplaatsen
In deze nota wordt een onderscheid gemaakt tussen vaste standplaatsen en incidentele standplaatsen. Incidentele standplaatsen zijn vrijwel altijd verbonden aan evenementen. Wanneer de standplaats onderdeel uitmaakt van het evenement, wordt de standplaatsaanvraag meegenomen in het beoordelingskader van de evenementenvergunning. Standplaatsaanvragen die geen onderdeel uitmaken van het evenement, maar hierbij wel aanhaken worden beoordeeld binnen het geschetste kader van dit standplaatsenbeleid. Dit geldt ook voor alle overige aanvragen voor incidentele of tijdelijke standplaatsen. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de verkoop van tijdsgebonden artikelen, zoals kerstbomen of oliebollen.
3.5 Voorkomen van marktvorming
Het voorkomen van verkapte marktvorming is een belang van openbare orde. Het begrip "markt" is niet in de Gemeentewet beschreven. Of sprake is van een markt moet worden beoordeeld aan de hand van plaatselijke omstandigheden. De grens van het aantal standplaatsen, dat tegelijk aanwezig mag zijn zonder dat sprake is van verkapte marktvorming, wordt bepaald aan de hand van de omvang van de gemeente(kern) en de vraag of de standplaatsen wat betreft uiterlijk al dan niet op een normale markt gaan lijken. Vanuit het belang van het voorkomen van marktvorming worden er een standplaats verleend per locatie. Het college kan hier op grond van haar discretionaire bevoegdheid gemotiveerd vanaf wijken.
3.6 Eisen nieuwe standplaatslocaties
Het hanteren van een maximumstelsel is volgens jurisprudentie een goed criterium bij het beoordelen van een aanvraag voor een vergunning. Het maximumstelsel mag echter niet zo ver gaan dat een vergunning altijd wordt geweigerd, omdat het honoreren van een aanvraag in concreto zou betekenen dat het maximum aantal standplaatsen wordt overschreden of de in het beleid aangewezen locaties allemaal bezet zijn. Ook waneer het maximum aantal standplaatsen reeds is bereikt dient een vergunningaanvraag beoordeelt te worden binnen het gangbare toetsingskader. Om deze reden is in deze beleidsnota tevens een algemeen toetsingskader opgenomen met de eisen, waaraan een niet in het beleid opgenomen standplaatslocatie moet voldoen.
Algemeen toetsingskader standplaatslocaties 4
Alleen, als aan alle hierna genoemde eisen wordt voldaan, kan een standplaatsvergunning voor een nieuwe locatie worden verleend.
met betrekking tot een standplaats op een parkeerterrein of een parkeerplaats geldt dat geen sprake is van een hoge bezettingsgraad. Van een hoge bezettingsgraad is sprake, als meer dan 70% van de parkeerplaatsen bezet is. Of hiervan sprake is, wordt beoordeeld op basis van een verkeersonderzoek naar aanleiding van een concrete aanvraag;
als er sprake is van een standplaats waar etenswaren worden bereid, mag deze niet liggen binnen een afstand van 25 meter van de dichtstbijzijnde woning; dergelijke standplaatsen wordt in dit beleid, gezien de mogelijke kans op overlast, gelijkgesteld aan het inrichtingenbegrip uit de Wet milieubeheer; op grond van de Wet milieubeheer moet binnen een straal van 25 meter (gemeten vanuit de gevel van de dichtstbijzijnde woning) de inrichting ofwel een ontgeuringsinstallatie ofwel een hogere afvoerpijp hebben.
Openbare orde en openbare veiligheid
In het belang van sociale veiligheid moet de ruimte, waar de standplaats wordt ingenomen, open en controleerbaar zijn. Standplaatsen kunnen in de praktijk gevolgen hebben voor de verkeersveilig- heid: er is een toename van verkeersbewegingen, van ongewenste oversteekbewegingen, bijvoor- beeld over een vrijliggend fietspad, van geparkeerde auto's etc. Daarnaast is op gebiedsontsluitings- wegen de doorstroming van verkeer essentieel. Een standplaats langs een dergelijke weg kan ervoor zorgen dat de doorstroming wordt belemmerd. Een standplaats langs deze categorie wegen is dus ongewenst.
Volksgezondheid en bescherming van het milieu
De aanwezigheid van een kraam, maar ook de aantrekkende werking die er van uit kan gaan, kan een verstoring van de openbare rust van omwonenden opleveren. In de praktijk is wat betreft overlast voor de omgeving een onderscheid te maken tussen kramen waaruit ter plaatse etenswaren worden bereid (snack- en frietkramen) en overige kramen. Bij de eerste groep is de kans op overlast (vervuiling van de omgeving, aanwezigheid publiek, lawaai- en geuroverlast) groter dan bij overige kramen. Problemen kunnen worden voorkomen of beperkt door voldoende afstand te houden tussen de standplaatsen en omliggende woningen of andere gevoelige bestemmingen.
Een van de redenen om een standplaatsvergunning te weigeren betreft strijdigheid met het geldende bestemmingsplan. Omdat een standplaats een tijdelijk karakter heeft, zal meestal geen sprake zijn van een definitieve planologische reservering. Toch is bij het innemen van standplaatsen meestal geen sprake meer van incidenten, zodat het gebruik van de grond in planologisch opzicht van belang is. De keuze voor de bestemming "verkeersdoeleinden" is alleszins verdedigbaar, omdat standplaatsen ook op en aan de weg ontstaan en daar eigenlijk onlosmakelijk verband mee houden. Onder verkeer valt ook het voetgangersdomein. Ook zijn standplaatsen binnen de bestemming "verblijfsdoeleinden" toegestaan.
Wanneer binnen een verzorgingsgebied als gevolg van bedrijfsbeëindiging of bedrijfsverplaatsing het verzorgingsniveau in het gedrag komt, kan het college besluiten om ter waarborging van het redelijk voorzieningen niveau, tijdelijk dan wel op meer structurele basis, standplaatsen te verlenen die voorzien in de weggevallen behoefte. Gezien het belang dat uitgaat van een redelijk voorzieningen niveau kan het college ook standplaatsvergunningen verlenen in afwijking van het standplaatsen- beleid. Wel dient het dan te gaan om in tijd beperkte situaties, zoals bijvoorbeeld een overbruggings- termijn. Deze tijdelijkheid moet in de vergunning worden opgenomen en in de besluitvorming worden gemotiveerd.
Het weigeren van een standplaatsvergunning op grond van bescherming van het voorzieningen- niveau is ook mogelijk, maar vereist een grondige en goed gemotiveerde grondslag. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State blijkt namelijk dat het reguleren van de concurrentieverhoudingen niet als een huishoudelijk belang van de gemeente wordt aangemerkt. Hierop wordt door de Afdeling slechts één afzondering toegestaan, namelijk wanneer het voorzieningenniveau voor de consument in een deel van de gemeente in gevaar komt. Wil een gemeente op basis hiervan een vergunning weigeren dan moet worden aangetoond, mede aan de hand van de boekhouding van de plaatselijke winkelier, dat het voortbestaan van de winkel in gevaar komt als vanaf een standplaats dezelfde goederen aangeboden worden.
3.7 Algemene voorschriften standplaatsen
Onder 3.6 zijn de voorwaarden genoemd, waaraan een locatie moet voldoen om geschrikt te zijn als standplaatslocatie. Als een standplaatsvergunning voor een bepaalde locatie verleend kan worden, moeten de algemene regels of voorschriften in acht genomen worden.
Een standplaatsvergunning kan zowel aan een natuurlijke persoon als aan een rechtspersoon worden verleend, omdat ondernemingen in diverse rechtsvormen kunnen worden gevoerd. De toelichting op artikel 1.5 van de APV ziet het begrip "persoonsgebonden" op zowel natuurlijke als op rechtspersonen. Algemeen uitgangspunt is wel dat aan elke (rechts)persoon slechts één standplaatsvergunning wordt verleend. Alleen de vergunninghouder mag gebruik maken van de vergunning en de vergunninghouder moet aanwezig zijn bij het gebruik van de standplaats. Indien sprake is van een familiebedrijf of anderszins meerdere (zakelijke) partners, die op de standplaats werkzaam zijn (bijvoorbeeld twee vennoten die samen een vishandel drijven), kan de vergunning op verzoek van de aanvrager worden gesteld op naam van meerdere personen. Indien de vergunning op naam van meerdere personen is gesteld, geldt dat minimaal één van deze personen tijdens het gebruik van de standplaats aanwezig moet zijn.
Niet-overdraagbaarheid van de vergunning
De vergunning mag door de vergunninghouder niet worden overgedragen. De vergunninghouder kan het college verzoeken de tenaamstelling van de vergunning te wijzigen, bijvoorbeeld in verband met de wijziging van ondernemingsvorm of bedrijfsovername.
Om misbruik te voorkomen gelden de volgende uitgangspunten:
Bij zowel natuurlijke als rechtspersonen dient de persoon of de personen die op de standplaats werkzaam is/zijn in de vergunning te worden vermeld. Hierbij dient de aanvragen aan te geven wie de drijver5 van de standplaats is en wie als mogelijke achtervang dient;
Een persoon kan maximaal éénmaal als drijver van een standplaats worden opgegeven en maximaal tweemaal als achtervang6;
De vergunninghouder c.q. drijver van de standplaats dient de standplaats daadwerkelijk in te nemen. Indien vergunninghouder c.q. drijver van de standplaats op drie peilmomenten per kalenderjaar zonder geldige reden op opgaaf van reden afwezig is (geweest), kan de vergunning worden ingetrokken. Het college kan verzoeken de opgegeven reden met bewijsmateriaal te ondersteunen. De bewijslast ligt hierbij bij de vergunninghouder. Deze dient aan te tonen dat de drijver van de inrichting jaarlijks in minimaal 70% van de gevallen aanwezig is (of is geweest) en dat in de overige gevallen achtervang heeft plaatsgevonden door de personen die op de vergunning staan vermeld.
Omdat de standplaats persoonlijk moet worden ingenomen door de vergunninghouder (drijver dan wel achtervang), is vervanging van deze personen in beginsel niet mogelijk. Onder bijzondere omstandigheden kan het college toestaan hiervan tijdelijk af te wijken. Van de vergunninghouder zal worden verwacht dat hij zijn verzoek onder opgaaf van redenen en met ondersteunend bewijs zal doen.
Een standplaatsvergunning kan worden verleend voor een dagdeel, een hele dag, meerdere dagen of de hele week. Bij het innemen van een standplaats moeten de voorschriften van de Winkeltijdenwet in acht genomen worden. Dit betekent concreet:
Er wordt geen vergunning verleend voor het innemen van een standplaats op zondag, tenzij vanaf de standplaats uitsluitend (niet-alcoholische) dranken en etenswaren voor directe consumptie worden verkocht of in het geval van een tijdelijke standplaats sprake is van een ontheffing/vrijstelling op grond van de Winkeltijdenwet.
Oppervlakte en inrichting standplaats
De standplaatshouder mag de standplaats gebruiken voor het uitstallen van zijn waren. Dit betekent dat hij op de standplaatslocatie objecten mag plaatsen, bijvoorbeeld een verkoopwagen of kraam, zolang deze maar binnen de aangegeven begrenzing van de standplaats blijft. Een algemene beperking wat betreft maximale oppervlakte kan niet gemotiveerd worden vanuit de wettelijke toetsingscriteria en zou te weinig rekening houden met de belangen van de standplaatshouders.
Welke ruimte mag worden ingenomen, is immers vooral afhankelijk van de beschikbare ruimte, de feitelijke inrichting van een concrete standplaats en wat een ambulante handelaar gelet op diens branche nodig heeft. Wel zal voorkomen moeten worden dat een standplaats onbeperkt uit kan dijen. Dit kan door vooraf het aantal m² vast te leggen.
Aanvullende eisen met betrekking tot het gebruik van de openbare ruimte als standplaats
Bij een standplaats op het trottoir of een voetgangersgebied moet sprake zijn van een vrije doorgang van 2,00 m voor voetgangers en rolstoelgebruikers. Door het gebruik van de standplaats mag de toegankelijkheid voor hulpdiensten niet in gevaar komen. Door het gebruik van de standplaats mag het vrije uitzicht9 niet worden belemmerd of op andere wijze gevaar of hinder worden veroorzaakt. Wanneer concrete omstandigheden daartoe aanleiding geven, worden in de vergunning maatwerk- voorschriften voor de maximale afmetingen van de betreffende standplaats opgenomen.
Onderhoud standplaats en afval
De vergunninghouder is verplicht er voor te zorgen dat de standplaats steeds een goed verzorgd aanzien biedt en bij het ontruimen dient de vergunninghouder zijn standplaats en de onmiddellijke omgeving (binnen een straal van 5 meter) schoon op te leveren. Als voor directe consumptie geschikte etenswaren en dranken worden verkocht, moeten op de standplaats twee afvalbakken worden geplaatst. De vergunninghouder zorgt zelf voor lediging van de afvalbakken.
Het is, behoudens tijdelijke ontheffing, niet toegestaan geluidsinstallaties vanaf een standplaats in werking te hebben. Sommige standplaatshouders zijn voor de stroomvoorziening afhankelijk van generatoren. Om overlast door generatoren te voorkomen geldt een minimale afstand van 5 meter tussen de locatie van de generator van de standplaats en de dichtstbijzijnde gevoelige bestemming (bijvoorbeeld een woning).
In principe dienen standplaatshouders zelf zorg te dragen voor hun nutsvoorzieningen. Bij gebruik van gemeentelijke voorzieningen, mits aanwezig, vraagt de gemeente een marktprijsconforme vergoeding. De vergunninghouder dient maatregelen te treffen, zodat de (verkeers)veiligheid (bijvoorbeeld door kabels) niet in gevaar komt.
Intrekken van de vergunning/ beëindiging standplaats
Dat een verleende vergunning kan worden ingetrokken of (gedeeltelijk) worden gewijzigd, als omstandigheden of gewijzigd beleid/inzicht daartoe aanleiding geven. Als op enig moment een standplaatslocatie – al dan niet tijdelijk – niet meer aan de eisen voldoet, kan van de vergunning- houder in redelijkheid worden verwacht dat hij er aan meewerkt dat hij op een alternatieve, gelijkwaardige locatie binnen de gemeente standplaats inneemt zonder recht op enige vorm van compensatie. Een standplaatslocatie, gelegen in dezelfde wijk/kern binnen een straal van 1 km van de oude locatie kan als gelijkwaardige standplaats beschouwt worden. De standplaatshouder is dan in de gelegenheid dezelfde klantenkring te behouden. Ook kan een verleende vergunning worden ingetrokken wanneer blijkt dat de vergunninghouder zich herhaaldelijk niet houdt aan de vergunningsvoorschriften.
Leges voor de standplaatsvergunning:
Voor het in behandeling nemen van een aanvraag voor een standplaatsvergunning worden leges in rekening gebracht. Het geldende tarief is opgenomen in de legesverordening jaarlijks vast te stellen tarieventabel.
Huur voor gebruik van gemeentegrond
Naast leges wordt de standplaatshouders huur in rekening gebracht voor het gebruik van gemeentegrond ten behoeve van de standplaats. De huurprijs komt overeen met de hoogte van de het bedrag dat berekent wordt per m² voor een standplaats op de weekmarkt. Met een standhouder
zal hiertoe een huurovereenkomst worden gesloten. (zoals nu ook gebeurt bij het gebruik van gemeentegrond door een horecaondernemer voor het plaatsen en exploiteren van een terras.)
Voor het afnemen van stroom worden marktconforme kosten in rekening gebracht, zie hiervoor onder "nutsvoorzieningen".
3.10 Afwijken van beleid in geval van bijzondere omstandigheden
Overeenkomstig deze beleidsnota kan een standplaatsvergunning worden verleend voor een locatie, die expliciet in deze nota als standplaatslocatie is aangewezen, indien en voor zover deze feitelijk nog beschikbaar is. Ook kan een standplaatsvergunning worden verleend voor andere locaties, die niet expliciet genoemd zijn, mits wordt voldaan aan de in deze nota opgenomen beleidsuitgangspunten of omdat deze ter waarborging zijn van een redelijk voorzieningenniveau. In alle andere gevallen moet een aanvraag voor een standplaatsvergunning overeenkomstig dit beleid worden geweigerd.
Vervolgens moet een standplaatshouder zich aan een aantal algemene voorschriften houden (genoemd onder 3.7). Als niet aan bedoelde voorschriften wordt voldaan, kan de vergunning worden ingetrokken. Daarnaast is het mogelijk dat een standplaatsvergunning (al dan niet tijdelijk) wordt ingetrokken of gewijzigd in verband met gewijzigde omstandigheden of gewijzigd beleid.
Deze beleidsuitgangspunten laten onverlet de inherente afwijkingsbevoegdheid, op basis van de Algemene wet bestuursrecht (Awb artikel 4:84). Dit houdt in dat het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregels handelt, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden evenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen10. Voor de vraag in wat voor soort gevallen afgeweken kan worden van vastgesteld beleid, moet volgens gangbare jurisprudentie worden gedacht aan omstandigheden, die niet
voorzien-baar zijn en waarvan de gevolgen redelijkerwijs niet voor rekening van de belangheb- benden mogen komen.
Bijlage 1 bij het standplaatsenbeleid gemeente Vught 2012
Samenvatting toetsingskader standplaatsvergunningen
Op grond van artikel 5.2.3. Algemene Plaatselijke Verordening Vught is een vergunning nodig voor het innemen van een standplaats. Om voor een vergunning in aanmerking te kunnen komen, gelden een aantal voorwaarden (zie 2).
Als algemeen beleidsuitgangspunt geldt dat alleen toestemming wordt verleend voor standplaats- locaties, die zijn opgenomen op bijlage 2 bij het standplaatsenbeleid.
Pas waneer alle bestaande locaties bezet zijn, is het mogelijk dat een standplaatsvergunning wordt verleend voor een andere locatie, op voorwaarde dat de gewenste locatie voldoet aan alle locatie- eisen, genoemd onder 4 (oftewel onder 3.6 in het standplaatsenbeleid)
4. Algemene eisen standplaatslocatie
Met betrekking tot een standplaats op een parkeerterrein of een parkeerplaats geldt dat geen sprake is van een hoge bezettingsgraad. Van een hoge bezettingsgraad is sprake, als meer dan 70% van de parkeerplaatsen bezet is. Of hiervan sprake is, wordt beoordeeld op basis van een verkeersonderzoek naar aanleiding van een concrete aanvraag;
Als er sprake is van een standplaats waar etenswaren worden bereid, mag deze niet liggen binnen een afstand van 25 meter van de dichtstbijzijnde woning; (op basis van de milieuwetgeving moet binnen een straal van 25 meter (gemeten vanuit de gevel van de dichtstbijzijnde woning) de inrichting ofwel een ontgeuringsinstallatie ofwel een hogere afvoerpijp hebben)
5. Algemene regels standplaatsvergunningen
Als een standplaatsvergunning voor een bepaalde locatie verleend kan worden, gelden voor de inhoud van de vergunning en het gebruik daarvan de volgende algemene regels en voorschriften:
Een standplaatsvergunning kan zowel aan natuurlijke personen als aan rechtspersonen worden verleend. Indien sprake is van een familiebedrijf of anderszins meerdere (zakelijke) partners, die op de standplaats werkzaam zijn, dan kan de vergunning op verzoek van de aanvrager op naam van meerdere personen worden gesteld.
Oppervlakte en inrichting standplaats
De standhouder mag de standplaats gebruiken voor het uitstallen van zijn waren. Dit betekent dat hij op de standplaatslocatie objecten mag plaatsen, bijvoorbeeld een verkoopwagen of een kraam, zolang deze maar binnen de aangegeven begrenzing van de standplaats blijven.
Normaal gebruik van het publiek domein mag door de overheid niet afhankelijk worden gesteld van een privaatrechtelijke toestemming. Dit is anders dan wanneer bijzonder gebruik aan de orde is.
Voor het in behandeling nemen van een standplaatsvergunning worden leges in rekening gebracht. Voor het gebruik van gemeentegrond ten behoeve van een standplaats zal een standplaatshouder kosten moeten betalen. Met de betrokken ondernemers zal een huurovereenkomst worden gesloten, waarin een huurprijs zal worden afgesproken. De hoogte van de huurprijs wordt jaarlijks geïndexeerd.
Bijlage 2 bij het standplaatsenbeleid gemeente Vught 2012
A. Maximum aantal jaarvergunningen (Stelsel A)
Bij het bereiken van een maximum in een bepaalde branche kan een invulling door een andere branche plaatsvinden. De brancheverdeling is bedoeld als evenwichtige verdeling en niet als limitering per branche. Wanneer het maximum in alle branches is bereikt wordt de aanvraag geweigerd. Er wordt geen wachtlijst gehanteerd.
B. Maximum aantal seizoen- of weekvergunningen (Stelsel B)
**) inclusief 1 standplaats binnen en rond de badinrichting IJzeren Man.
C. Maximum aantal dag- of meerdagen vergunningen (Stelsel C)
Bijlage 3 bij het standplaatsenbeleid gemeente Vught 2012
Standplaats: (artikel 5.2.3 APV)
Het begrip "standplaats" wordt als volgt omschreven: Het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten aan te bieden, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel.
Onderscheid standplaats en venten
Het hebben van een standplaats ziet op het te koop aanbieden van goederen of het aanbieden van diensten vanaf een vaste plaats. Hiermee onderscheidt het zich van het "venten". Een venter beweegt en biedt goederen of diensten telkens vanaf een andere plaats aan en al dan niet huis-aan- huis. Voor het venten is op basis van artikel 5.2.2. vergunning vereist. Het venten valt buiten het standplaatsenbeleid11.
Standplaatsen op markten en braderieën
Het standplaatsenbeleid is niet van toepassing op standplaatsen op de wekelijkse markt of tijdens andere soorten van markten, zoals snuffelmarkten of braderieën. Braderieën en rommelmarkten worden beschouwd als (onderdeel van) evenementen en vallen daarom niet onder dit beleid.
Ook wanneer een standplaats deel uitmaakt van een ander soort evenement, hoeft geen aparte standplaatsvergunning te worden aangevraagd. Tijdelijke standplaatsen in het kader van evenementen zijn in planologisch opzicht niet van belang geacht. Er wordt bij dergelijke standplaatsen dan ook niet getoetst aan de bestemmingsplanvoorschriften.
Degene, die op de weekmarkt een standplaats wil innemen, moet zich houden aan de regels uit de Marktverordening Vught en het Marktreglement.
Een vergunning of ontheffing kan door het daartoe bevoegde bestuursorgaan worden geweigerd in het belang van:
Dit artikel uit de APV geeft een aantal algemene weigeringsgronden die voor (vrijwel) alle vergunningsoorten uit de APV gelden. Op grond van de motieven, die in deze weigeringsgronden zijn neergelegd, kan een vergunning worden geweigerd of kunnen voorschriften aan een vergunning worden verbonden.
Het college houdt de beslissing op een aanvraag voor een standplaatsvergunning aan, indien de aanvraag een activiteit betreft waarvoor tevens een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer is vereist en indien geen toepassing kan worden gegeven aan het vijfde lid, tot de dag waarop de beslissing over de Wet milieubeheervergunningaanvraag is genomen.
Voor het innemen van een standplaats is een vergunning nodig. Het college wil vooraf kunnen bepalen of en onder welke voorschriften een locatie wordt gebruikt als standplaats, omdat de aanwezigheid van een standplaats een grote invloed heeft op de directe leefomgeving. Vanwege het persoonlijke karakter van de vergunning is het hanteren van algemene regels in plaats van een vergunningplicht ook niet geschikt. De winst wat betreft het verminderen van administratieve lasten zit hem niet in het volledig afschaffen van de vergunningplicht, maar wel in het vereenvoudigen van de procedure en het schappen van overbodige voorschiften zoals hierna zal blijken.
De weigeringronden in deze bepaling hebben specifiek betrekking op standplaatsen. Van oudsher is een van de weigeringsgronden voor een standplaats gelegen in het voorkomen van overlast. Dit
begrip komt niet meer als afzonderlijk toetsingscriterium terug, maar diverse vormen van overlast worden begrepen onder openbare orde. Ook valt hieronder het beschermen van verkeersveiligheid.
Voorzieningenniveau bij standplaatsen
In het verleden is het beschermen van een redelijk voorzieningen niveau in de gemeente als een openbare orde belang aangemerkt. Wanneer binnen een verzorgingsgebied als gevolg van bedrijfsbeëindiging of bedrijfsverplaatsing het verzorgingsniveau in het gedrag komt, kan het college ter waarborging van het redelijk voorzieningen niveau besluiten, tijdelijk dan wel op meer structurele basis, standplaatsen te verlenen die voorzien in de weggevallen behoefte. Gezien het belang dat uitgaat van een redelijk voorzieningen niveau kan het college ook standplaatsvergunningen verlenen in afwijking van het standplaatsenbeleid. Wel dient het dan te gaan om in tijd beperkte situaties, zoals bijvoorbeeld een overbruggingstermijn. De tijdelijkheid moet in de vergunning worden opgenomen en in de besluitvorming worden gemotiveerd.
Het weigeren van een standplaatsvergunning op grond van bescherming van het voorzieningen- niveau is ook mogelijk, maar vereist een grondige en goed gemotiveerde grondslag. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State blijkt namelijk dat het reguleren van de concurrentieverhoudingen niet als een huishoudelijk belang van de gemeente wordt aangemerkt. Hierop wordt door de Afdeling slechts één afzondering toegestaan, namelijk wanneer het voorzieningenniveau voor de consument in een deel van de gemeente in gevaar komt. Wil een gemeente op basis hiervan een vergunning weigeren dan moet worden aangetoond, mede aan de hand van de boekhouding van de plaatselijke winkelier, dat het voortbestaan van de winkel in gevaar komt als vanaf een standplaats dezelfde goederen aangeboden worden.
Lid 6 en 7 bepaalt dat het verbod om zonder vergunning op grond van de APV een standplaats in te nemen niet geldt, voor zover de Wet milieubeheer, Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal wegenreglement Noord-Brabant van toepassing is. Hoe moet dit "voor zover" worden uitgelegd?
Het is mogelijk dat een zelfde onderwerp ook is opgenomen in een "hogere" regeling. Ook in die gevallen kan de betreffende APV- bepaling nog van toepassing zijn. Voorwaarde is dat geen sprake is van dezelfde motieven om iets te regelen. Dit blijkt uit de woorden "voor zover".
Concreet kan dit betekenen dat in de beoordeling van een APV- vergunningaanvraag een specifieke weigeringsgrond niet aan de orde kan komen, omdat daaraan al in het kader van de hogere regelgeving wordt getoetst. Als er bijvoorbeeld bij de aanvraag voor een standplaatsvergunning tevens sprake is van activiteiten, waarvoor milieuvoorschriften gelden, dan kan het college de vergunning niet meer toetsen aan de mileu-aspecten, maar nog wel aan het belang van de openbare orde. Dit betekent dat de overlastaspecten, die te maken hebben met geur en geluid niet beoordeeld kunnen worden in het kader van de standplaatsvergunning.
2. Vreemdelingenwet 200 (Vw /2000) Vreemdelingenbesluit 2000 ( Vb /2000)
Artikel 8.3, tweede lid, van het Vb2000 bepaalt dat de vreemdeling, die geen rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8 van de Vw2000, geen aanspraak kan maken op de toekenning van vergunningen of ontheffingen door bestuursorganen, voor zover die vergunningen of ontheffingen betrekking hebben op standplaatsen, markten, venten, collecteren, evenementen of beroepsmatige dan wel bedrijfsmatige activiteiten. Het besluit schrijft dwingend voor dat voor de verlening van een vergunning of ontheffing die een beroeps- of bedrijfsmatig karakter heeft, een verblijfsrechtelijke toets dient plaats te vinden.
Op het drijven van handel in waren zoals bedoeld in artikel 1 van de Warenwet (eetwaren en drinkwaren, alsmede andere roerende zaken) zijn de bepalingen uit de Warenwet van toepassing. De Warenwet stelt regels met betrekking tot de goede hoedanigheid en aanduiding van waren.
Daarnaast stelt de Warenwet regels met betrekking tot hygiëne en degelijkheid van producten. De voorschriften die uit de Warenwet voortvloeien, gelden naast de voorschriften die door het college gesteld kunnen worden op basis van een standplaatsvergunning. Met het toezicht op de naleving van de bepalingen van de Warenwet zijn o.a. de ambtenaren van de Voedsel en Warenautoriteit belast.
4. Wet op de Ruimtelijke ordening
Een vergunning voor het innemen van een standplaats kan worden geweigerd vanwege strijd met een geldend bestemmingsplan. Omdat een standplaats vaak een tijdelijk en mobiel karakter heeft, zal meestal geen sprake zijn van een definitieve planologische reservering. Toch is vooral het innemen van vaste standplaatsen geen sprake meer van incidenten, zodat het gebruik van de grond in planologisch opzicht van belang is.
De Winkeltijdenwet bepaalt in artikel 2 dat het verboden is om op zon- en feestdagen, zoals genoemd in de Winkeltijdenwet (Nieuwjaar, Goede Vrijdag na 19.00 uur, eerste en tweede Kerstdag en 4 mei na 19.00 uur) en op werkdagen voor 6 uur en na 22.00 uur in de uitoefening van een bedrijf, anders dan een winkel, goederen te koop aan te bieden of te verkopen aan en in rechtstreekse aanraking met particulieren. Dit betekent dat bij het innemen van een standplaats de tijden van de Winkeltijdenwet in acht genomen moeten worden. Dit geldt niet voor die bedrijven, die (niet-alchoholische) dranken en etenswaren voor directe consumptie verkopen.
Bepalingen krachtens de Wet milieubeheer gelden ook voor een standplaats, voor zover deze als "inrichting" kan worden aangemerkt. Het eerste, derde en vierde lid van artikel 1.1 Wet milieubeheer gaan in op wat onder een "inrichting" moet worden verstaan. Het begrip wordt in de algemene zin gedefinieerd in het eerste lid: "elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht". Het derde lid luidt: "Bij algemene maatregel van bestuur (het Activiteitenbesluit) worden categorieën van inrichtingen aangewezen, die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken".
Uit het vierde lid en de opbouw van artikel 1.1 Wet milieubeheer volgt dat een activiteit pas als een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer wordt gezien, indien wordt voldaan aan de omschrijving in het eerste lid en als de inrichting valt onder een categorie uit het Activiteitenbesluit. Dit betekent:
Het activiteitenbesluit bevat tal van algemene milieuregels die voor verschillende bedrijfssectoren gelden, waaronder de horeca en detailhandel. (type A, B of C bedrijven)
Wat betekent dit concreet voor een standplaats?
Als uitsluitend sprake is van detailhandel, zonder bijkomende activiteiten, zoals het schoonmaken of bakken van vis, dan is geen sprake van een lvb-inrichting. Als vanuit een mobiel verkooppunt vis en/of frites worden gebakken, worden wel milieu-eisen gesteld. Deze eisen betreffen in hoofdzaak de gevolgen van het bakken. Afhankelijk van de omstandigheden moeten er voorzieningen getroffen worden voor de vetafscheiding van het afvalwater en het voorkomen van stankoverlast. Soms is een vetafscheider nodig. Ter voorkoming van geuroverlast kan bij de locatie van de verkoopwagen rekening gehouden worden met de meest voorkomende windrichting en de afstand tot (woon)gebouwen. Ook kan men de verplichting opleggen dat, ter voorkoming van stankoverlast een ontgeuringsinstallatie (koolstoffilter) wordt aangebracht. Wat betreft het schoonhouden van de standplaats worden voorschriften opgenomen. Vergunninghouder dient afvalbakken te plaatsen en de ruimte binnen een straal van 5 meter schoon te houden.
De zinsnede "binnen een zekere begrenzing" geeft aan dat er in beginsel sprake moet zijn van een locatiegebonden of locatiespecifieke bedrijvigheid.
Belangrijk is dat de begrenzing van een bedrijvigheid in de loop van de tijd niet mag verschuiven. Bepaalde mobiele installaties kunnen onder het begrip "inrichting" vallen, mits ze binnen een bepaalde begrenzing zijn opgesteld. Standplaatsen, die wekelijks vanaf een vaste plaats, worden ingenomen, voldoen aan dit criterium.
Indien een standplaats wordt ingenomen op particulier terrein, dan heeft de standplaatshouder uiteraard de toestemming nodig van de rechthebbende op het terrein.
Meestal worden standplaatsen ingenomen op grond, die in eigendom is van de gemeente. Het innemen van een standplaats kan worden gezien als bijzonder gebruik. Als de gemeente eigenaar is van de grond, zal zij deze grond in gebruik geven aan de standplaatshouder. Hiervoor zal een huurovereenkomst worden gesloten met de betreffende standplaatshouder.
In de legesverordening is bepaald dat voor het verstrekken van een dienst leges kan worden geheven. In bijlage 4 is een overzicht bijgevoegd met de bedragen uit de legesverordening 2012.
In het standplaatsenbeleid gemeente Vught 2012 is het venten vanwege de geringe(re) omvang en problematiek niet afzonderlijk benoemd. In bijlage 2 van dit beleid is wel een kader gegeven voor waarbinnen ventactiviteiten in de gemeente kunnen plaatsvinden. Het hanteren van deze kaders biedt voor de regulering van het venten voldoende houvast.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-44956.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.