U bekijkt een publicatie met

Toon versie van document

Omgevingsplan gemeente Drimmelen - Bouwactiviteiten en structuur

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Drimmelen maakt bekend dat zij het ontwerp voor een wijziging van het "Omgevingsplan gemeente Drimmelen" publiceren voor terinzagelegging.

De eerste wijziging van het omgevingsplan betreft het stellen van regels over de meest aangevraagde bouwactiviteiten en het publiceren van de structuurelementen van het omgevingsplan inclusief instructieregels. In de huidige situatie is de regelgeving over de bouwactiviteiten verspreid over meerdere documenten. De omgevingswet vraagt om integrale regelgeving in het omgevingsplan. Om de druk op vergunningverlening te verlagen en de dienstverlening te verhogen is deze wijziging wenselijk.

Het voorliggende ontwerp maakt ten opzichte van het vigerende omgevingsplan geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. De wijziging van het omgevingsplan leidt niet tot nadelige gevolgen voor het milieu, zodat geen milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt.

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Drimmelen besluit:

Artikel I

Voor te stellen het "Omgevingsplan gemeente Drimmelen" te wijzigen volgens de wijzigingen zoals opgenomen in Bijlage A .

Artikel II

Het ontwerp voor de wijziging gedurende zes weken ter inzage te leggen vanaf de dag na publicatie van de kennisgeving van het ontwerp.

Bijlage A Bijlage bij artikel I

A

Hoofdstuk 1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

  • 1.

    Begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op Hoofdstuk hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan.

  • 2.

    Bijlage III bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van Hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan.

Artikel 1.2 Wijze van meten

  • 1.

    Bij toepassing van de regels van dit omgevingsplan wordt als volgt gemeten:

    • a.

      de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

    • b.

      de dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;

    • c.

      de goothoogte: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of daarmee gelijk te stellen constructiedeel;

    • d.

      de inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels en/of het hart van de scheidingsmuren en de buitenzijde van de daken;

    • e.

      de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;

    • f.

      de diepte van een hoofdgebouw: de in de regels aangegeven diepte;

    • g.

      ondergeschikte bouwdelen: bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen binnen een bouwwerkperceel of gebouwerf worden ondergeschikte bouwdelen, die voldoen aan de begripsbepaling ondergeschikte bouwdelen, buiten beschouwing gelaten, mits de bouw- c.q. bestemmingsgrens met niet meer dan 0,50 meter wordt overschreden.

Artikel 1.3 Voorrangsbepaling

  • 1.

    Voor zover aangewezen functies en regels voor activiteiten in hoofdstuk 1 t/m 10 van dit omgevingsplan in strijd zijn met regels in het tijdelijk deel van dit omgevingsplan, zijn de regels uit hoofdstuk 1 t/m 10 uit dit omgevingsplan van toepassing.

Artikel 1.4 Voorrangsbepaling specifiek

  • 1.

    Voor de volgende activiteiten gelden uitsluitend nog de regels van hoofdstuk 1 t/m 10 van dit omgevingsplan:

    • a.

      7.4 Antenne-installatie bouwen en in stand houden;

    • b.

      7.12 Dakkapel bouwen en in stand houden;

    • c.

      7.13 Dakraam, lichtstraat of soortgelijke daglichtvoorziening bouwen en in stand houden;

    • d.

      7.14 Erf- of perceelafscheiding bouwen en in stand houden;

    • e.

      7.15 Erker bouwen en in stand houden;

    • f.

      7.17 Hoofdgebouw vervangen ten behoeve van 4.10 een woonfunctie;

    • g.

      7.18 Kozijn, kozijninvulling, gevelpaneel of boeideel, of stucwerk bouwen en in stand houden;

    • h.

      7.20 Sport- of speeltoestel bouwen en in stand houden;

    • i.

      7.21 Tuinmeubilair bouwen en in stand houden;

    • j.

      7.22 Vlaggenmast bouwen en in stand houden;

    • k.

      7.25 Zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of (zwem)vijver bouwen en in stand houden

  • 2.

    Het tijdelijk deel van het omgevingsplan geldt niet meer voor de activiteiten in lid 1.

Artikel 1.5 Geografische aanduiding

  • 1.

    De regels van dit omgevingsplan gelden voor het hele grondgebied van de gemeente tenzij dit anders is bepaald.

  • 2.

    Bijlage II van dit omgevingsplan bevat een overzicht van de geografische informatieobjecten.

Artikel 1.6 Algemene zorgplicht

Degene die een activiteit verricht en weet, of redelijkerwijs kan vermoeden, dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving is verplicht:

  • a.

    alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

  • b.

    voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en

  • c.

    als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

Artikel 1.7 Algemene indieningsvereisten

  • 1.

    Voor zover de indieningsvereisten in dit omgevingsplan niet anders bepalen, zijn ook wettelijke bepalingen voor een vergunningaanvraag of melding als bedoeld in artikel 4.4 lid 1 van de Omgevingswet van toepassing.

  • 2.

    Algemene indieningsvereisten voor vergunningplicht, meldingsplicht en informatieplicht zijn de gegevens en bescheiden die worden verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders:

    • a.

      een beschrijving van de activiteit waarvoor de omgevingsvergunning wordt aangevraagd of waarop de melding of informatie betrekking heeft;

    • b.

      het adres, de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waarop de activiteit wordt verricht;

    • c.

      een aanduiding van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht;

    • d.

      gegevens van de aanvrager, melder of informatieplichtige: naam, adres, woonplaats, en als de aanvrager een rechtspersoon is ook een KVK-nummer, en RSIN;

    • e.

      als de aanvraag, melding of informatie wordt ingediend door een gemachtigde in aanvulling op d, ook naam, adres en woonplaats van de gemachtigde;

    • f.

      contactgegevens van of namens de aanvrager, melder of informatieplichtige: naam, e-mailadres, telefoonnummer;

    • g.

      als wordt gevraagd een voorschrift aan de omgevingsvergunning te verbinden over regels als bedoeld in paragraaf 4.1.1 van de wet: een beschrijving van het onderwerp van dat voorschrift; en

    • h.

      als wordt gevraagd om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen: gegevens waaruit blijkt dat met de gelijkwaardige maatregel ten minste hetzelfde resultaat wordt bereikt als met de voorgeschreven maatregel is beoogd.

B

Hoofdstuk 2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 2 Doelen [Gereserveerd]

[Gereserveerd]

Afdeling 2.1 Algemeen

Artikel 2.1 Specifieke zorgplicht

Gereserveerd.

Artikel 2.2 Verboden

Gereserveerd.

C

Hoofdstuk 3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 3 [Gereserveerd] Gebiedstypen

[Gereserveerd]

Afdeling 3.1 Algemeen

Artikel 3.1 Doel van gebiedstypen

Gebiedstypen geven de begrenzing weer van het hogere doel van een gebied.

Artikel 3.2 Functiewijzigingen binnen een gebiedstype

Bij het wijzigen van een functie binnen een gebiedstype mag het gebiedstype niet worden beperkt door de nieuwe functie.

Afdeling 3.2 Specifiek

Artikel 3.3 Gebiedstype Bedrijventerrein

Er is een gebiedstype Bedrijventerrein.

Artikel 3.4 Gebiedstype Biesbosch

Er is een gebiedtype Biesbosch. Dit gebied kenmerkt zich door de Functie natuur en de Functie water, ondergeschikt daaraan is de Functie recreatie en bedrijf. In de evenwichtige toedeling van functies aan deze locatie wordt natuurbehoud als zwaarwegend doel aangemerkt.

Artikel 3.5 Gebiedstype Centrumgebied

Gereserveerd.

Artikel 3.6 Gebiedstype Havengebied

Er is een gebiedstype Havengebied

Artikel 3.7 Gebiedstype Landelijk gebied

Gereserveerd.

Artikel 3.8 Gebiedstype Natuurgebied

Gereserveerd.

Artikel 3.9 Gebiedstype Woongebied

Gereserveerd.

D

Hoofdstuk 4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 4 [Gereserveerd] Functies

[Gereserveerd]

Artikel 4.1 Algemeen

Gereserveerd.

Artikel 4.2 Bedrijf

Gereserveerd.

Artikel 4.3 Horeca

Gereserveerd.

Artikel 4.4 Maatschappelijk

Gereserveerd.

Artikel 4.5 Natuur

Gereserveerd.

Artikel 4.6 Recreatie

Gereserveerd.

Artikel 4.7 Sport

Gereserveerd.

Artikel 4.8 Verkeer

Gereserveerd.

Artikel 4.9 Water

Gereserveerd.

Artikel 4.10 Wonen

De locatie met de functie Wonen 4.10 is toebedeeld voor het gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van een woonfunctie voor de huisvesting van één huishouden, om hier te wonen in een woning met bijbehorend tuin en erf.

E

Hoofdstuk 5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 5 [Gereserveerd] Beschermen

[Gereserveerd]

Artikel 5.1 Algemeen

Gereserveerd.

Artikel 5.3 Bebouwingscontour houtkap

Binnen de bebouwingscontour houtkap zijn de regels van het Besluit activiteit leefomgeving met betrekking tot activiteiten die houtopstanden, hout en houtproducten betreffen, niet van toepassing.

Artikel 5.4 Bebouwingscontour jacht

Binnen de bebouwingscontour jacht zijn de regels van het Besluit activiteit leefomgeving, niet van toepassing.

Artikel 5.5 Externe veiligheid

Gereserveerd.

Artikel 5.6 Molenbiotoop

Gereserveerd.

Artikel 5.7 Monumenten

Er zijn (voorbeschermde) gemeentelijke monumenten, (voorbeschermde) provinciale monumenten en (voorbeschermde) Rijksmonumenten aangewezen. Deze locaties zijn vastgesteld als beschermingsgebied monumenten, conform de Erfgoedwet.

Artikel 5.8 Open landschap

Gereserveerd.

Artikel 5.9 Rijksbeschermd stads- en dorpsgezicht

Er is een locatie voor het beschermd dorpsgezicht. Deze locatie: Rijksbeschermd stads- en dorpsgezicht, is vastgesteld met het oog op behoud van cultureel erfgoed.

Artikel 5.10 Waterstaat

Gereserveerd.

F

Hoofdstuk 6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 6 [Gereserveerd] Wijzigen van functie of gebruik

[Gereserveerd]

Afdeling 6.1 Algemeen

Artikel 6.1 Toepassingsbereik
  • 1.

    Dit hoofdstuk gaat over de omgevingsplanactiviteit met betrekking tot bouwwerken als bedoeld in artikel 5.1 lid 1 onder a Omgevingswet.

  • 2.

    Dit hoofdstuk gaat niet over de technische bouwactiviteit als bedoeld in artikel 5.1 lid 2 onder a Omgevingswet.

Artikel 6.2 Oogmerk

De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    veiligheid en gezondheid, door regels te stellen om gevaarlijke situaties voor gebruikers en de omgeving te voorkomen;

  • b.

    stedenbouwkundige waarden ten aanzien van behoud van de samenhang en het beeld van de bebouwing in de omgeving:

    • 1.

      een goede verhouding tussen bouwmassa en open ruimte;

    • 2.

      passende hoogte- en breedteverhoudingen tussen bouwwerken; en

    • 3.

      regels voor bouwvorm, architectonisch beeld en cultuurhistorische samenhang;

  • c.

    cultureel erfgoed, door het beschermen van archeologische waarden en monumenten;

  • d.

    bruikbaarheid en duurzaamheid, door zorg te dragen dat bouwwerken functioneel, duurzaam en toegankelijk zijn;

  • e.

    het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit, en een veilige en gezonde fysieke leefomgeving; en

  • f.

    het doelmatig inrichten van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.

 

Artikel 6.3 Algemene afbakeningseisen

Regels in dit hoofdstuk die leiden tot de conclusie toestemmingsvrij bouwen en in stand houden zijn niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.

Artikel 6.4 Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden.

  • 2.

    Het verbod, als bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor een bouwactiviteit die volgens de regels van die betreffende bouwactiviteit toestemmingsvrij is en volgens deze regels wordt gebouwd en in stand gehouden.

  • 3.

    Het verbod, als bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor een bouwactiviteit die volgens de regels van die betreffende bouwactiviteit meldingsplichtig is en er voldaan is aan de meldplicht en volgens deze regels wordt gebouwd en in stand gehouden.

  • 4.

    Het verbod, als bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor een bouwactiviteit die volgens de regels van die bouwactiviteit informatieplichtig is en er voldaan is aan de informatieplicht en volgens deze regels wordt gebouwd en in stand gehouden.

Artikel 6.5 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden in aanvulling op artikel 1.7 voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    overige gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan dit omgevingsplan.

Afdeling 6.2 Functies en gebruik

[Gereserveerd]

G

Hoofdstuk 7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 7 [Gereserveerd] Bouwactiviteiten Omgevingsplan

[Gereserveerd]

Afdeling 7.1 Algemeen

Artikel 7.1 Algemene afbakeningseisen
  • 1.

    Regels in hoofdstuk 7 die leiden tot de conclusie toestemmingsvrij bouwen en in stand houden zijn niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning of gereedmelding bij een meldingsplichtig bouwwerk (artikel 2.22 van het Bbl).

  • 2.

    Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen binnen de aanduiding 'bouwwerkperceel', de aanduiding 'bestemmingsvlak' of binnen het 'gebouwerf' worden ondergeschikte bouwdelen buiten beschouwing gelaten, mits:

Afdeling 7.2 Afscheiding tussen balkons of dakterrassen bouwen en in stand houden [Gereserveerd]

[Gereserveerd]

Afdeling 7.3 Ander bouwwerk bouwen en in stand houden [Gereserveerd]

[Gereserveerd]

Afdeling 7.4 Antenne-installatie bouwen en in stand houden

Artikel 7.2 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze afdeling gaat over het bouwen en in stand houden van een antenne-installatie.

  • 2.

    Deze afdeling gaat niet over het bouwen en in stand houden van antenne-installaties ten behoeve van mobiele telecommunicatie of antenne-installaties ten behoeve van C2000-infrastructuur.

Artikel 7.3 Antenne-installatie bouwen en in stand houden in welstandsvrij gebied
  • 1.

    Het bouwen en in stand houden van een antenne-installatie in welstandsvrij gebied is toestemmingsvrij als deze: 

    • a.

      niet op, aan of bij een monument of voorbeschermd monument wordt of is geplaatst; en

    • b.

      voldoet aan de definitie antenne-installatie; en

    • c.

      in geval van een schotelantenne, voldoet deze aan de volgende voorwaarden:

      • 1.

        de antenne-installatie is geplaatst in het achtererfgebied; en

      • 2.

        de doorsnede van de antenne is niet meer dan twee meter; en

      • 3.

        de antenne, met antennedrager, gemeten vanaf de voet van de antennedrager, is niet hoger dan drie meter.

    • d.

      in geval van een andere antenne-installatie, zoals een staafantenne of een vergelijkbare antenne, voldoet deze aan de volgende voorwaarden:

      • 1.

        de antenne-installatie is geplaatst in het achtererfgebied; en

      • 2.

        maximaal vijf meter hoog is, inclusief antennedrager; of

      • 3.

        indien geplaatst aan de gevel, gemeten vanaf het punt waarop de antenne, met antennedrager, het dakvlak kruist, niet hoger is dan vijf meter.

  • 2.

    In alle andere gevallen is het bouwen of in stand houden van een antenne-installatie in welstandsvrij gebied vergunningplichtig.

Artikel 7.4 Antenne-installatie bouwen en in stand houden in Rijksbeschermd stads- en dorpsgezicht
  • 1.

    Het bouwen of in stand houden van een antenne-installatie in Rijksbeschermd stads- en dorpsgezicht is toestemmingsvrij als:

    • a.

      deze niet op, aan of bij een monument, of voorbeschermd monument wordt of is geplaatst; en

    • b.

      voldoet aan de definitie antenne-installatie; en

    • c.

      geplaatst wordt:

    • d.

      in geval van een schotelantenne, voldoet aan de maatvoering:

      • 1.

        maximale doorsnede van twee meter; en

      • 2.

        maximale hoogte van drie meter; of

    • e.

      indien het een andere antenne betreft, voldoet aan de maatvoering:

      • 1.

        maximaal vijf meter hoog is, inclusief antennedrager; of

      • 2.

        indien geplaatst aan de gevel, gemeten vanaf het punt waarop de antenne, met antennedrager, het dakvlak kruist, niet hoger is dan vijf meter.

  • 2.

    In alle andere gevallen is het bouwen of in stand houden van een antenne-installatie in Rijksbeschermd stads- en dorpsgezicht vergunningplichtig.

Artikel 7.5 Aanvraagvereisten

De overige gegevens en bescheiden die nodig zijn voor toetsing van de vergunningaanvraag aan dit omgevingsplan en die door of namens de aanvrager worden verstrekt, zijn:

  • a.

    de bouwkosten;

  • b.

    kleur- en materiaalgebruik;

  • c.

    situatietekening op schaal (1:500/1:1000);

  • d.

    bouwkundige tekeningen op schaal met maatvoering van de nieuwe toestand;

  • e.

    detailtekeningen op schaal van de gezichtsbepalende delen van het bouwwerk.

Artikel 7.6 Beoordelingsregels

De vergunning wordt verleend als:

  • a.

    het uiterlijk van de antenne voldoet aan criteria voor omgevingskwaliteit;

  • b.

    de grootte, hoogte en plaatsing passend zijn binnen de functie en het gebiedstype; en

  • c.

    geen afbreuk wordt gedaan aan de te beschermen waarden in de omgeving.

Afdeling 7.5 Bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan bouwen en in stand houden ten behoeve van een woonfunctie [Gereserveerd]

[Gereserveerd]

Afdeling 7.6 Bouwkeet, bouwbord, steiger, heistelling, hijskraan, damwand, bouwweg, terreinverharding, terreininrichting of andere hulpconstructie bouwen en in stand houden [Gereserveerd]

[Gereserveerd]

Afdeling 7.7 Bouwwerk veranderen [Gereserveerd]

[Gereserveerd]

Afdeling 7.8 Bouwwerk voor agrarische bedrijfsvoering bouwen en in stand houden [Gereserveerd]

[Gereserveerd]

Afdeling 7.9 Bouwwerk voor een infrastructurele of openbare voorziening bouwen en in stand houden [Gereserveerd]

[Gereserveerd]

Afdeling 7.10 Buisleiding bouwen en in stand houden [Gereserveerd]

[Gereserveerd]

Afdeling 7.11 Constructie voor overbruggen van terreinhoogteverschil bouwen en in stand houden [Gereserveerd]

[Gereserveerd]

Afdeling 7.12 Dakkapel bouwen en in stand houden

Artikel 7.7 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze afdeling is van toepassing op het bouwen en in stand houden van een dakkapel.

  • 2.

    Deze afdeling gaat niet over het plaatsen van een dak- of gevelopbouw, welke valt onder activiteit 7.7Bouwwerk veranderen.

Artikel 7.8 Dakkapel bouwen en in stand houden in welstandsvrij gebied
Artikel 7.9 Dakkapel bouwen en in stand houden in Rijksbeschermd stads- en dorpsgezicht
Artikel 7.10 Aanvraagvereisten

De overige gegevens en bescheiden die nodig zijn voor toetsing van de vergunningaanvraag aan dit omgevingsplan en die door of namens de aanvrager worden verstrekt, zijn:

  • a.

    de bouwkosten;

  • b.

    kleur- en materiaalgebruik;

  • c.

    situatietekening op schaal (1:500/1:1000);

  • d.

    geveltekeningen/doorsnedes en plattegronden bestaand en nieuw (schaal 1:100); en

  • e.

    detailtekeningen op schaal van de gezichtsbepalende delen van het bouwwerk.

Artikel 7.11 Beoordelingsregels

De vergunning wordt verleend als:

  • a.

    het uiterlijk van de dakkapel voldoet aan criteria voor omgevingskwaliteit;

  • b.

    de grootte, hoogte en plaatsing passend zijn binnen de functie en het gebiedstype; en

  • c.

    geen afbreuk wordt gedaan aan de te beschermen waarden in de omgeving.

Afdeling 7.13 Dakraam, lichtstraat of soortgelijke daglichtvoorziening bouwen en in stand houden

Artikel 7.12 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze afdeling is van toepassing op het bouwen en in stand houden van een dakraam, lichtstraat of soortgelijke voorziening waarbij het dakraam, daklicht, de lichtkoepel of de lichtstraat niet meer dan 60 centimeter boven het dakvlak uitsteekt.

  • 2.

    Deze afdeling gaat niet over het bouwen van een dakkapel, welke valt onder de activiteit 7.12Dakkapel bouwen en in stand houden of over het bouwen van een dak- of gevelopbouw, welke valt onder activiteit 7.7Bouwwerk veranderen.

Artikel 7.13 Dakraam, lichtkoepel, lichtstraat of soortgelijke daglichtvoorziening bouwen en in stand houden in welstandsvrij gebied
Artikel 7.14 Dakraam, daklicht, lichtstraat of soortgelijke daglichtvoorziening bouwen en in stand houden in Rijksbeschermd stads- en dorpsgezicht
Artikel 7.15 Aanvraagvereisten

De overige gegevens en bescheiden die nodig zijn voor toetsing van de vergunningaanvraag aan dit omgevingsplan en die door of namens de aanvrager worden verstrekt, zijn:

  • a.

    de bouwkosten;

  • b.

    kleur- en materiaalgebruik;

  • c.

    situatietekening op schaal (1:500/1:1000);

  • d.

    geveltekeningen en plattegronden bestaand en nieuw (schaal 1:100); en

  • e.

    detailtekeningen op schaal van de gezichtsbepalende delen van het bouwwerk.

Artikel 7.16 Beoordelingsregels

De vergunning wordt verleend als:

  • a.

    het gaat om maximaal twee dakramen in een voorgevel dakvlak, of naar openbaar gebied gekeerd zijdakvlak;

  • b.

    het uiterlijk van het dakraam, daklicht, lichtstraat of soortgelijke voorziening voldoet aan criteria voor omgevingskwaliteit;

  • c.

    de grootte, hoogte en plaatsing passend zijn binnen de functie en het gebiedstype; en

  • d.

    geen afbreuk wordt gedaan aan de te beschermen waarden in de omgeving.

Afdeling 7.14 Erf- of perceelafscheiding bouwen en in stand houden

Artikel 7.17 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze afdeling is van toepassing op het bouwen en in stand houden van een erf- of perceelafscheiding tot maximaal drie meter hoog.

  • 2.

    Deze afdeling gaat niet over het aanplanten van hagen, welke vallen onder activiteit 8werk, geen bouwwerk zijnde.

Artikel 7.18 Erf- of perceelafscheiding bouwen en in stand houden in welstandsvrij gebied
  • 1.

    Het bouwen en in stand houden van een erf- of perceelafscheiding in welstandsvrij gebied is toestemmingsvrij als deze:

    • a.

      niet op, aan of bij een monument, of voorbeschermd monument wordt of is geplaatst; en

    • b.

      voldoet aan de definitie erf- of perceelafscheiding; en

    • c.

      voldoet aan de maatvoering;

      • 1.

        maximaal één meter hoog is, gemeten vanaf peil tot het hoogste punt; of

      • 2.

        maximaal twee meter hoog is, gemeten vanaf peil tot het hoogste punt, en wordt of is geplaatst:

        • I.

          op een erf of perceel waarop al een hoofdgebouw staat waarmee de erf- of perceelafscheiding in functionele relatie staat; en

        • II.

          achter de lijn die loopt langs de voorkant van het hoofdgebouw, en vanaf het hoofdgebouw doorloopt evenwijdig aan het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw te doorkruisen of in het gebouwerf achter het hoofdgebouw te komen, en waarbij de erf- of perceelafscheiding niet voor het verlengde van de voorgevel mag komen.

  • 2.

    In alle ander gevallen is het bouwen en in stand houden van een erf- of perceelafscheiding in welstandsvrij gebied vergunningplichtig.

Artikel 7.19 Erf- of perceelafscheiding bouwen en in stand houden in Rijksbeschermd stads- en dorpsgezicht
Artikel 7.20 Aanvraagvereisten

De overige gegevens en bescheiden die nodig zijn voor toetsing van de vergunningaanvraag aan dit omgevingsplan en die door of namens de aanvrager worden verstrekt, zijn:

  • a.

    de bouwkosten;

  • b.

    kleur- en materiaalgebruik;

  • c.

    situatietekening op schaal (1:500/1000);

  • d.

    bouwkundige tekeningen op schaal met maatvoering van de nieuwe toestand; en

  • e.

    detailtekeningen op schaal van de gezichtsbepalende delen van het bouwwerk.

Artikel 7.21 Beoordelingsregels

De vergunning wordt verleend als:

  • a.

    de erf- of perceelafscheiding maximaal drie meter hoog is, gemeten vanaf peil tot het hoogste punt;

  • b.

    het uiterlijk van de erf- of perceelafscheiding voldoet aan criteria voor omgevingskwaliteit;

  • c.

    de grootte, hoogte en plaatsing passend zijn binnen de functie en het gebiedstype;

  • d.

    geen afbreuk wordt gedaan aan de te beschermen waarden in de omgeving; en

  • e.

    de erf- of perceelafscheiding geen gevaar vormt voor de verkeersveiligheid.

Afdeling 7.15 Erker bouwen en in stand houden

Artikel 7.22 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze afdeling is van toepassing op het bouwen en in stand houden van een erker gelegen vóór de voorgevel van een hoofdgebouw.

  • 2.

    Deze afdeling gaat niet over aan- of uitbouwen, bijgebouwen of overkappingen aan een zij- of achtergevel van hoofdgebouwen, welke vallen onder activiteit 7.5Bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan bouwen en in stand houden.

Artikel 7.23 Erker bouwen en in stand houden in welstandsvrij gebied
  • 1.

    Het bouwen en in stand houden van een erker in welstandsvrij gebied is toestemmingsvrij als deze:

    • a.

      niet aan of bij een monument of voorbeschermd monument wordt of is gebouwd; en

    • b.

      voldoet aan de definitie erker; en

    • c.

      op de grond staat;

    • d.

      is gelegen op een gebouwerf; en

    • e.

      niet meer dan één bouwlaag heeft; en

    • f.

      voldoet aan de maatvoering;

      • 1.

        de diepte is maximaal 1,5 meter;

      • 2.

        de breedte is maximaal 60% van de voorgevel;

      • 3.

        de afstand tussen het openbaar toegankelijk gebied en de erker is minimaal één meter;

      • 4.

        de bouwhoogte is niet hoger dan 0,3 meter van de eerste verdiepingsvloer; en

      • 5.

        niet hoger is dan het hoofdgebouw; en

    • g.

      direct in open verbinding staat met de achterliggende leefruimte; en

    • h.

      géén dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte heeft; en

    • i.

      bij aaneengebouwde woningen is de afstand van de zijkant van de erker tot de woningscheidende perceelgrens één meter.

  • 2.

    In alle andere gevallen is het bouwen en in stand houden van een erker in welstandsvrij gebied vergunningplichtig.

Artikel 7.24 Erker bouwen en in stand houden in Rijksbeschermd stads- en dorpsgezicht

Het bouwen en in stand houden van een erker in Rijksbeschermd stads- en dorpsgezicht is vergunningplichtig.

Artikel 7.25 Aanvraagvereisten

De overige gegevens en bescheiden die nodig zijn voor toetsing van de vergunningaanvraag aan dit omgevingsplan en die door of namens de aanvrager worden verstrekt, zijn:

  • a.

    de bouwkosten;

  • b.

    kleur- en materiaalgebruik;

  • c.

    situatietekening op schaal (1:500/1000);

  • d.

    geveltekeningen/doorsnedes en plattegronden bestaand en nieuw (schaal 1:100); en

  • e.

    detailtekeningen op schaal van de gezichtsbepalende delen van het bouwwerk.

Artikel 7.26 Beoordelingsregels

De vergunning wordt verleend als:

  • a.

    het uiterlijk van de erker voldoet aan criteria voor omgevingskwaliteit;

  • b.

    de grootte, hoogte en plaatsing passend zijn binnen de functie en het gebiedstype;

  • c.

    geen afbreuk wordt gedaan aan de te beschermen waarden in de omgeving; en

  • d.

    de erker geen gevaar vormt voor de verkeersveiligheid.

Afdeling 7.16 Gewoon onderhoud verrichten aan een bouwwerk [Gereserveerd]

[Gereserveerd]

Afdeling 7.17 Hoofdgebouw vervangen ten behoeve van een woonfunctie

Artikel 7.27 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze afdeling is van toepassing op het bouwen en in stand houden van een hoofdgebouw ten behoeve van een woonfunctie.  

  • 2.

    Deze afdeling gaat niet over het anders gebruiken van bestaande bouwwerken ten behoeve van een woonfunctie.

  • 3.

    Deze afdeling gaat niet over het plaatsen van een (pré)mantelzorg- of familiewoning.

Artikel 7.28 Hoofdgebouw bouwen en in stand houden voor een woonfunctie

Het bouwen en in stand houden van een hoofdgebouw is vergunningplichtig.

Artikel 7.29 Aanvraagvereisten

De overige gegevens en bescheiden die nodig zijn voor toetsing van de vergunningaanvraag aan dit omgevingsplan en die door of namens de aanvrager worden verstrekt, zijn:

  • a.

    de bouwkosten;

  • b.

    kleur- en materiaalgebruik;

  • c.

    situatietekening op schaal (1:500/1000);

  • d.

    geveltekeningen/doorsnedes en plattegronden bestaand en nieuw (schaal 1:100); en

  • e.

    detailtekeningen op schaal van de gezichtsbepalende delen van het bouwwerk.

Artikel 7.30 Beoordelingsregels

De vergunning wordt verleend als:

  • a.

    op de locatie al een legaal opgericht hoofdgebouw met een woonfunctie aanwezig is; en

  • b.

    het hoofdgebouw ten behoeve van de woonfunctie niet is gelegen binnen het gebiedstype Biesbosch; en

  • c.

    de bestaande aantal wooneenheid/wooneenheden niet wordt vergroot; en

  • d.

    de bestaande afstand tot de perceelsgrenzen niet wordt verkleind; en

  • e.

    de goothoogte maximaal zeven meter bedraagt, of gelijk blijft aan de bestaande goothoogte; en

  • f.

    de bouwhoogte maximaal elf meter bedraagt, of gelijk blijft aan de bestaande bouwhoogte; en

  • g.

    het bestaand bouwoppervlakte niet wordt vergroot; en

  • h.

    er sprake is van een hoofdgebouw ten behoeve van de woonfunctie in het buitengebied, de inhoud van dit hoofdgebouw maximaal 750 m3 bedraagt; en

  • i.

    er sprake is van een bestaande (woon)boerderij in het buitengebied, de woonfunctie mag worden uitgebreid binnen het gehele boerderijlichaam; en

  • j.

    het hoofdgebouw ten behoeve van de woonfunctie voldoet aan criteria voor omgevingskwaliteit als dit is gelegen in Rijksbeschermd stads- en dorpsgezicht.

Afdeling 7.18 Kozijn, kozijninvulling, gevelpaneel of boeideel, of stucwerk bouwen en in stand houden

Artikel 7.31 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze afdeling is van toepassing op het bouwen en in stand houden van een kozijn, kozijninvulling, gevelpaneel of boeideel, of stucwerk.

  • 2.

    Deze afdeling is niet van toepassing op kozijnen, kozijninvullingen en gevelpanelen die onderdeel zijn van een nieuw te bouwen 7.5Bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan bouwen en in stand houden of 7.15Erker bouwen en in stand houden.

Artikel 7.32 Kozijn, kozijninvulling, gevelpaneel of boeideel, of stucwerk bouwen en in stand houden in welstandsvrij gebied
Artikel 7.33 Kozijn, kozijninvulling, gevelpaneel of boeideel, of stucwerk bouwen en in stand houden in Rijksbeschermd stads- en dorpsgezicht
Artikel 7.34 Aanvraagvereisten

De overige gegevens en bescheiden die nodig zijn voor toetsing van de vergunningaanvraag aan dit omgevingsplan en die door of namens de aanvrager worden verstrekt, zijn:

  • a.

    de bouwkosten;

  • b.

    kleur- en materiaalgebruik;

  • c.

    situatietekening op schaal (1:500/1000);

  • d.

    geveltekeningen/doorsnedes en plattegronden bestaand en nieuw (schaal 1:100); en

  • e.

    detailtekeningen op schaal van de gezichtsbepalende delen van het bouwwerk.

Artikel 7.35 Beoordelingsregels

De vergunning wordt verleend als:

  • a.

    het uiterlijk van het kozijn, kozijnvulling, gevelpaneel of boeideel of stucwerk voldoet aan criteria voor omgevingskwaliteit;

  • b.

    de grootte, hoogte en plaatsing passend zijn binnen de functie en het gebiedstype; en

  • c.

    geen afbreuk wordt gedaan aan de te beschermen waarden in de omgeving.

Afdeling 7.19 Recreatief nachtverblijf bouwen en in stand houden [Gereserveerd]

[Gereserveerd]

Afdeling 7.20 Sport- of speeltoestel bouwen en in stand houden

Artikel 7.36 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het bouwen en in stand houden van een sport- of speeltoestel.

Artikel 7.37 Sport- of speeltoestel bouwen en in stand houden in welstandsvrij gebied
Artikel 7.38 Sport- of speeltoestel bouwen en in stand houden in Rijksbeschermd stads- en dorpsgezicht
Artikel 7.39 Aanvraagvereisten

De overige gegevens en bescheiden die nodig zijn voor toetsing van de vergunningaanvraag aan dit omgevingsplan en die door of namens de aanvrager worden verstrekt, zijn:

  • a.

    de bouwkosten;

  • b.

    situatietekening op schaal (1:500/1000);

  • c.

    geveltekeningen en plattegronden bestaand en nieuw (schaal 1:100);

  • d.

    bouwkundige tekeningen op schaal met maatvoering van de nieuwe toestand; en

  • e.

    detailtekeningen op schaal van de gezichtsbepalende delen van het bouwwerk.

Artikel 7.40 Beoordelingsregels

De vergunning wordt verleend als:

  • a.

    het uiterlijk van het sport- of speeltoestel voldoet aan criteria voor omgevingskwaliteit;

  • b.

    het aantal en de grootte, hoogte en plaatsing passend is binnen de functie en het gebiedstype; en

  • c.

    geen afbreuk wordt gedaan aan de te beschermen waarden in de omgeving.

Afdeling 7.21 Tuinmeubilair bouwen en in stand houden

Artikel 7.41 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het bouwen en in stand houden van tuinmeubilair.

Artikel 7.42 Tuinmeubilair bouwen en in stand houden in welstandsvrij gebied
Artikel 7.43 Tuinmeubilair bouwen en in stand houden in Rijksbeschermd stads- en dorpsgezicht
Artikel 7.44 Aanvraagvereisten

De overige gegevens en bescheiden die nodig zijn voor toetsing van de vergunningaanvraag aan dit omgevingsplan en die door of namens de aanvrager worden verstrekt, zijn:

  • a.

    de bouwkosten;

  • b.

    situatietekening op schaal (1:500/1000);

  • c.

    geveltekeningen en plattegronden bestaand en nieuw (schaal 1:100);

  • d.

    bouwkundige tekeningen op schaal met maatvoering van de nieuwe toestand; en

  • e.

    detailtekeningen op schaal van de gezichtsbepalende delen van het bouwwerk.

Artikel 7.45 Beoordelingsregels

De vergunning wordt verleend als:

  • a.

    het uiterlijk van het tuinmeubilair voldoet aan criteria voor omgevingskwaliteit;

  • b.

    het aantal en de grootte, hoogte en plaatsing passend is binnen de functie en het gebiedstype; en

  • c.

    geen afbreuk wordt gedaan aan de te beschermen waarden in de omgeving. 

Afdeling 7.22 Vlaggenmast bouwen en in stand houden

Artikel 7.46 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het bouwen en in stand houden van een vlaggenmast.

Artikel 7.47 Vlaggenmast bouwen en in stand houden in welstandsvrij gebied
Artikel 7.48 Vlaggenmast bouwen en in stand houden in Rijksbeschermd stads- en dorpsgezicht
Artikel 7.49 Aanvraagvereisten

De overige gegevens en bescheiden die nodig zijn voor toetsing van de vergunningaanvraag aan dit omgevingsplan en die door of namens de aanvrager worden verstrekt, zijn:

  • a.

    de bouwkosten;

  • b.

    kleur- en materiaalgebruik;

  • c.

    situatietekening op schaal (1:500/1000); en

  • d.

    bouwkundige tekeningen op schaal met maatvoering van de nieuwe toestand.

Artikel 7.50 Beoordelingsregels

De vergunning wordt verleend als:

  • a.

    het aantal, de grootte, hoogte en plaatsing passend zijn binnen de functie en het gebiedstype;

  • b.

    geen afbreuk wordt gedaan aan de te beschermen waarden in de omgeving; en

  • c.

    de vlaggenmast geen gevaar vormt voor de verkeersveiligheid.

Afdeling 7.23 Zonnepaneel of zonnecollector bouwen en in stand houden [Gereserveerd]

[Gereserveerd]

Afdeling 7.24 Zonwering, rolhek, luik of rolluik bouwen en in stand houden [Gereserveerd]

[Gereserveerd]

Afdeling 7.25 Zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of (zwem)vijver bouwen en in stand houden

Artikel 7.51 Toepassingsbereik
Artikel 7.52 Zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of (zwem)vijver bouwen en in stand houden
Artikel 7.53 Aanvraagvereisten

De overige gegevens en bescheiden die nodig zijn voor toetsing van de vergunningaanvraag aan dit omgevingsplan en die door of namens de aanvrager worden verstrekt, zijn:

  • a.

    de bouwkosten;

  • b.

    situatietekening op schaal (1:500/1000);

  • c.

    geveltekeningen en plattegronden bestaand en nieuw (schaal 1:100);

  • d.

    bouwkundige tekeningen op schaal met maatvoering van de nieuwe toestand; en

  • e.

    detailtekeningen op schaal van de gezichtsbepalende delen van het bouwwerk.

Artikel 7.54 Beoordelingsregels

De vergunning wordt verleend als:

  • a.

    het uiterlijk van het zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of (zwem)vijver voldoet aan criteria voor omgevingskwaliteit;

  • b.

    het aantal, de grootte, hoogte en plaatsing passend is binnen de functie en het gebiedstype; en

  • c.

    geen afbreuk wordt gedaan aan de te beschermen waarden in de omgeving.

H

Het opschrift van hoofdstuk 8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 8 Werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid uitvoeren [Gereserveerd]

I

Het opschrift van hoofdstuk 9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 9 Milieubelastende activiteiten [Gereserveerd]

J

Het opschrift van hoofdstuk 10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 10 Overige activiteiten [Gereserveerd]

K

Het opschrift van hoofdstuk 11 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 11 Ontwikkelingen en uitfaseren regels [Gereserveerd]

L

Het opschrift van hoofdstuk 12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 12 Kostenverhaal [Gereserveerd]

M

Het opschrift van hoofdstuk 13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 13 Proces [Gereserveerd]

N

Het opschrift van hoofdstuk 22 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 22 ACTIVITEITEN Activiteiten

O

Artikel 22.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.2 Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten

  • 1.

    Voor de toepassing van het Artikel 22.28, eerste lid en Artikel 22.28, tweede lid, Artikel 22.38, Artikel 22.28722.288, Artikel 22.28822.289, Artikel 22.29022.291 tot en met Artikel 22.29322.294 en Artikel 22.29522.296 wordt onder gemeentelijk monument respectievelijk voorbeschermd gemeentelijk monument ook verstaan een monument of archeologisch monument dat op grond van een gemeentelijke verordening is aangewezen respectievelijk waarop, voordat het is aangewezen, die verordening van overeenkomstige toepassing is.

  • 2.

    Het eerste lid is van toepassing:

    • a.

      als het gaat om een aangewezen monument of archeologisch monument: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven; en

    • b.

      als het gaat om een monument of archeologisch monument waarop voordat het is aangewezen de verordening van overeenkomstige toepassing is: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of dit omgevingsplan geen voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om die functie-aanduiding te geven.

P

Artikel 22.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.4 Maatwerkvoorschriften

  • 1.

    Een rijkEen maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over deze afdeling, met uitzondering van bepalingen over meet- en rekenmethoden.

  • 2.

    Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in deze afdeling.

Q

Het opschrift van artikel 22.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.6 Vervallen

R

Artikel 22.15 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.15 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen

  • 1.

    Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zodanige opstelplaatsen voor brandweervoertuigen dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing:

    • a.

      op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090bebouwingscontour geur;

    • b.

      op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2;

    • c.

      op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090bebouwingscontour geur; of

    • d.

      als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen opstelplaatsen vereist.

  • 3.

    De afstand tussen een opstelplaats en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.

  • 4.

    Een opstelplaats voor brandweervoertuigen is over de hoogte en breedte, bedoeld in Artikel 22.14, derde lid, vrijgehouden voor brandweervoertuigen.

  • 5.

    Hekwerken die een opstelplaats afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.

S

Artikel 22.19 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.19 Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken

  • 1.

    Op een open erf of terrein nabij een bouwwerk is geen brandgevaarlijke stof als bedoeld in tabel 22.2.1 aanwezig.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing als:

    • a.

      de in tabel 22.2.1 aangegeven toegestane hoeveelheid per stof niet wordt overschreden, waarbij de totale toegestane hoeveelheid stoffen 100 kilogram of liter is;

    • b.

      de stof deugdelijk is verpakt, waarbij:

      • 1.

        de verpakking tegen normale behandeling bestand is;

      • 2.

        de verpakking is voorzien van een adequate gevaarsaanduiding; en

      • 3.

        geen inhoud onvoorzien uit de verpakking kan ontsnappen; en

    • c.

      de stof wordt gebruikt met inachtneming van de op de verpakking aangegeven gevaarsaanduidingen.

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing op:

    • a.

      brandstof in het reservoir van een verbrandingsmotor;

    • b.

      brandstof in een verlichtings-, verwarmings- of ander warmteontwikkelend toestel;

    • c.

      voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken;

    • d.

      gasflessen tot een totale waterinhoud van 115 liter;

    • e.

      dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen de 61 °C en 100 °C tot een totale hoeveelheid van 1.000 liter; en

    • f.

      brandgevaarlijke stoffen voor zover de aanwezigheid daarvan op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving of een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is toegestaan.

  • 4.

    Bij het berekenen van de toegestane hoeveelheid, bedoeld in het tweede lid, onder a, wordt een aangebroken verpakking als een volle meegerekend.

  • 5.

    In afwijking van het derde lid, aanhef en onder e, is de aanwezigheid van meer dan 1.000 liter van een oliesoort als bedoeld in dat onderdeel toegestaan als die oliesoort op zodanige wijze wordt opgeslagen en gebruikt dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie en de ontwikkeling van brand voldoende worden voorkomen.

    Tabel 22.2.1 Brandgevaarlijke stoffen

    Tabel 22.2.1 Brandgevaarlijke stoffen

    ADR-klasse 1

    Omschrijving

    Verpakkingsgroep

    Toegestane maximum hoeveelheid

    2

    UN 1950 spuitbussen & UN 2037 houders, klein, gas

    Gassen zoals propaan, zuurstof, acetyleen, aerosolen (spuitbussen)

    n.v.t.

    50 kg

    3

    Brandbare vloeistoffen zoals bepaalde oplosmiddelen en aceton

    II

    25 liter

    3 excl. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen 61°C en 100°C

    Brandbare vloeistoffen zoals terpentine en bepaalde inkten

    III

    50 liter

    4.1, 4.2, 4.3

    4.1: brandbare vaste stoffen, zelfontledende vaste stoffen en vaste ontplofbare stoffen in niet-explosieve toestand zoals wrijvingslucifers, zwavel en metaalpoeders

    4.2: voor zelfontbranding vatbare stoffen zoals fosfor (wit of geel) en diethylzink

    4.3: stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen zoals magnesiumpoeder, natrium en calciumcarbide

    II en III

    50 kg

    5.1

    Brandbevorderende stoffen zoals waterstofperoxide

    II en III

    50 liter

    5.2

    Organische peroxiden zoals dicumyl peroxide en dipropionyl peroxide

    n.v.t.

    1 liter

    1 Classificatie volgens de Europese overeenkomst van 30 september 1957 betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg (Trb. 1959, 171).

T

Artikel 22.27 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.27 Uitzonderingen op vergunningplicht artikel 22.26 - omgevingsplan onverminderd van toepassing

Het verbod, bedoeld in Artikel 22.26, geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een van de volgende bouwwerken:

  • a.

    een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan, als wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • 1.

      op de grond staand;

    • 2.

      gelegen in achtererfgebied;

    • 3.

      op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied;

    • 4.

      niet hoger dan 5 m;

    • 5.

      de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag; en

    • 6.

      niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte;

  • b.

    een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf, als wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • 1.

      op de grond staand;

    • 2.

      niet hoger dan 5 m; en

    • 3.

      de oppervlakte niet meer dan 70 m2;

  • c.

    een dakkapel in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak, als wordt voldaan aan de volgende eisen:

    VERVALLEN;

    • 1.

      gelegen in een gebied dat of een bouwwerk dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is aangewezen als gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn;

    • 2.

      voorzien van een plat dak;

    • 3.

      gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75 m;

    • 4.

      onderzijde meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet;

    • 5.

      bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok; en

    • 6.

      zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak;

  • d.

    een sport- of speeltoestel anders dan voor alleen particulier gebruik, als wordt voldaan aan de volgende eisen:

    VERVALLEN;

    • 1.

      niet hoger dan 4 m; en

    • 2.

      alleen functionerend met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens;

  • e.

    een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of een vijver op het gebouwerf bij een woning of woongebouw, als deze niet van een overkapping is voorzien VERVALLEN ;

  • f.

    een erf- of perceelafscheiding, als wordt voldaan aan de volgende eisen:

    VERVALLEN;

    • 1.

      hoger dan 1 m maar niet hoger dan 2 m;

    • 2.

      op een erf of perceel waarop al een gebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; en

    • 3.

      achter de lijn die langs de voorkant van dat gebouw evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied;

  • g.

    een bouwwerk, geen gebouw zijnde, in achtererfgebied voor agrarische bedrijfsvoering, voor zover het gaat om:

    • 1.

      een silo; of

    • 2.

      een ander bouwwerk niet hoger dan 2 m;

  • h.

    een buisleiding anders dan een buisleiding waarop artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4, van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is; of

  • i.

    een te veranderen bouwwerk, als wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • 1.

      geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte;

    • 2.

      geen uitbreiding van het bouwvolume; en

    • 3.

      geen bouwwerk als bedoeld in artikel 2.29, onder b tot en met r, van het Besluit bouwwerken leefomgeving dat niet voldoet aan de voor dat bouwwerk in die onderdelen gestelde eisen.

U

Artikel 22.34 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.34 Voorschriften over archeologische monumentenzorg binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken

  • 1.

    Als dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald, kunnen aan een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in het belang van de archeologische monumentenzorg voorschriften worden verbonden.

  • 2.

    Artikel 22.30322.304, eerste lid, is op het verbinden van die voorschriften van overeenkomstige toepassing.

V

Artikel 22.36 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.36 Binnenplanse vergunningvrije activiteiten van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan

Onverminderd de overige bepalingen van deze afdeling en de bepalingen van Afdeling 22.3 zijn in ieder geval in overeenstemming met dit omgevingsplan:

  • a.

    het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in Artikel 22.27, onder a, als in aanvulling op de in dat onderdeel gestelde eisen ook wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • 1.

      voor zover op een afstand van niet meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw, niet hoger dan:

      • I.

        5 m;

      • II.

        0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw; en

      • III.

        het hoofdgebouw;

    • 2.

      voor zover op een afstand van meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw:

      • I.

        als het bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding daarvan hoger is dan 3 m: voorzien van een schuin dak, de dakvoet niet hoger dan 3 m, de daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van niet meer dan 55°, en waarbij de hoogte van de daknok niet meer is dan 5 m en verder wordt begrensd door de volgende formule: maximale daknokhoogte [m] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3; en

      • II.

        functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw, tenzij het gaat om huisvesting in verband met mantelzorg;

    • 3.

      de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied niet meer dan:

    • 4.

      uitbreiding van of gelegen aan of bij een hoofdgebouw, anders dan:

      • I.

        een woonwagen;

      • II.

        een hoofdgebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit of de omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit is bepaald dat de vergunninghouder na het verstrijken van een bij die vergunning gestelde termijn verplicht is de voor de verlening van de vergunning bestaande toestand te hebben hersteld; of

      • III.

        een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf door één huishouden;

  • b.

    het bouwen, in stand houden en gebruiken van een erf- of perceelafscheiding als bedoeld in Artikel 22.27, onder f; en

    VERVALLEN; en

  • c.

    het gebruiken van een bestaand bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg.

W

Paragraaf 22.3.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 22.3.2 Energiebesparing

Artikel 22.51 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die is aangewezen in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 22.52 Energie: maatregelen, overgangsrecht maatregelen en informatieplicht

  • 1.

    Alle energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van ten hoogste vijf jaar worden getroffen.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing:

    • a.

      als het energieverbruik van de activiteit en andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die de activiteit functioneel ondersteunen, in het voorafgaande jaar kleiner is dan 50.000 kWh aan elektriciteit en 25.000 m3 aardgasequivalenten aan brandstoffen;

    • b.

      als artikel 15.51 of 16.5 van de Wet milieubeheer van toepassing is; of

    • c.

      op energiebesparende maatregelen aan een gebouw of gedeelte daarvan als bedoeld in artikel 3.84 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

  • 3.

    Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan door het treffen van de maatregelen die zijn opgenomen in bijlage VII, onderdeel 16, bij de Omgevingsregeling.

  • 4.

    Dit artikel is van toepassing tot 1 december 2023.

  • 5.

    Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 2.15, tweede, tiende of elfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer gegevens en bescheiden zijn verstrekt of hadden moeten worden verstrekt, blijven de uit artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, volgende verplichtingen en de verplichtingen volgend uit de regels die bij of krachtens dat artikel in samenhang met artikel 1.7, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn gesteld, tot 1 december 2023 van toepassing.

Artikel 22.53 Energie: overgangsrecht maatregelen en informatieplicht

    [Red: Lid 6. verplaatst van artikel 22.52 naar artikel 22.53. ]

  • 6 1.

    Op een activiteit waarop het eerste lid van toepassing is, is gedurende de periode, bedoeld in dat lid, Artikel 22.52 niet van toepassing.

    Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 2.15, tweede, tiende of elfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer gegevens en bescheiden zijn verstrekt of hadden moeten worden verstrekt, blijven de uit artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, volgende verplichtingen en de verplichtingen volgend uit de regels die bij of krachtens dat artikel in samenhang met artikel 1.7, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn gesteld, tot 1 december 2023 van toepassing.

  • 2.

    Op een activiteit waarop het eerste lid van toepassing is, is gedurende de periode, bedoeld in dat lid, artikel 22.52 niet van toepassing.

X

Het opschrift van artikel 22.53 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.53 22.54 Afval: zwerfvuil

Y

Het opschrift van artikel 22.54 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.54 22.55 Toepassingsbereik

Z

Artikel 22.55 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.55 22.56 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

  • 1.

    In afwijking van Artikel 22.5422.55, tweede lid, onder b, is deze paragraaf ook van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar:

    • a.

      in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

    • b.

      in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

  • 2.

    In afwijking van Artikel 22.5422.55 is deze paragraaf niet van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is als:

    • a.

      de activiteit al werd verricht voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en op een locatie is toegelaten op grond van:

      • 1.

        het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

      • 2.

        een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en

    • b.

      het geluidgevoelig gebouw mag worden gebouwd op grond van:

      • 1.

        het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

      • 2.

        een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

AA

Het opschrift van artikel 22.56 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.56 22.57 Geluid: meerdere activiteiten beschouwen als één activiteit

BB

Het opschrift van artikel 22.57 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.57 22.58 Geluid: waar waarden gelden

CC

Het opschrift van artikel 22.58 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.58 22.59 Geluid: functionele binding

DD

Het opschrift van artikel 22.59 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.59 22.60 Geluid: voormalige functionele binding

EE

Artikel 22.60 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.60 22.61 Geluid: onderzoek

  • 1.

    In de volgende gevallen wordt er een geluidonderzoek verricht:

    • a.

      als tussen 19.00 en 7.00 uur per dag gemiddeld meer dan vier transportbewegingen plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn, tenzij het gaat om het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden of een activiteit waarvan horeca-activiteiten de kern vormen;

    • b.

      bij het opwekken van elektriciteit met een windturbine met een rotordiameter van meer dan 2 m, bedoeld in artikel 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    • c.

      als in de buitenlucht metalen in bulk worden overgeslagen of in de buitenlucht metalen mechanisch worden bewerkt;

    • d.

      bij het reinigen van afvalwater door waterstraal- of oppervlaktebeluchters met een capaciteit van 120.000 of meer vervuilingseenheden;

    • e.

      bij het neutraliseren van airbags of gordelspanners door deze te ontsteken;

    • f.

      bij het vervaardigen van betonmortel of betonwaren;

    • g.

      bij een binnenschietbaan als de afstand van de binnenschietbaan tot het dichtstbijzijnde geluidgevoelige gebouw kleiner is dan 50 m;

    • h.

      bij een buitenschietbaan als bedoeld in Artikel 22.7922.80; en

    • i.

      als het op basis van de aard van de activiteit aannemelijk is dat:

      • 1.

        in enige ruimte op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, het equivalente geluidniveau (LAeq)veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan:

        • I.

          70 dB(A), als die ruimte in- of aanpandig is gelegen met geluidgevoelige gebouwen; of

        • II.

          80 dB(A), in andere gevallen dan bedoeld onder i; of

      • 2.

        in de buitenlucht of op een open terrein muziek ten gehore zal worden gebracht.

  • 2.

    Het gemiddelde aantal transportbewegingen is een gemiddelde gemeten over de periode van een jaar.

  • 3.

    Voor een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen, geldt in afwijking van het eerste lid, onder a, het aantal transportbewegingen tussen 19.00 en 6.00 uur.

  • 4.

    Uit het rapport van een geluidonderzoek, bedoeld in het eerste lid, blijkt op grond van verrichte geluidsmetingen of geluidsberekeningen of wordt voldaan aan:

    • a.

      de waarden, bedoeld in Subparagraaf 22.3.4.2, Subparagraaf 22.3.4.3 en Subparagraaf 22.3.4.4; of

    • b.

      de van toepassing zijnde geluidswaarden van de omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift. In het rapport wordt aangegeven welke voorzieningen worden getroffen om te voorkomen dat de waarden, bedoeld onder a en b, worden overschreden.

FF

Artikel 22.61 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.61 22.62 Gegevens en bescheiden: rapport geluidonderzoek

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit wordt het rapport van het geluidonderzoek, bedoeld in Artikel 22.6022.61, verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan op grond van de gegevens in het rapport van het geluidonderzoek, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 3.

    Dit artikel is van toepassing op een activiteit op een gezoneerd industrieterrein.

  • 4.

    Dit artikel is niet van toepassing op een activiteit waar:

    • a.

      tussen 19.00 en 7.00 uur gemiddeld niet meer dan vier transportbewegingen per dag plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn;

    • b.

      het mede op basis van de aard van de activiteit, niet aannemelijk is dat in enige ruimte op de locatie waarop de activiteit wordt verricht het equivalente geluidsniveau (LAeq) veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan:

      • 1.

        70 dB(A), als deze ruimte in- of aanpandig is gelegen met geluidgevoelige gebouwen;

      • 2.

        80 dB(A), in andere gevallen dan bedoeld onder 1;

    • c.

      in de buitenlucht of op een open terrein geen muziek ten gehore wordt gebracht;

    • d.

      in de buitenlucht geen oefenterrein voor motorvoertuigen aanwezig is;

    • e.

      geen koelinstallatie aanwezig is die volgens de gebruiksaanwijzing behoort te zijn gevuld met meer dan 30 kg synthetisch koudemiddel;

    • f.

      geen gemotoriseerde modelvliegtuigen, modelvaartuigen of modelvoertuigen in de open lucht worden gebruikt;

    • g.

      geen parkeergelegenheid wordt geboden in een parkeergarage voor meer dan 30 personenauto’s;

    • h.

      geen noodstroomaggregaat aanwezig is dat meer dan 50 uren per jaar in werking is; en

    • i.

      geen transformatoren met een maximaal gelijktijdig in te schakelen elektrisch vermogen van 200 MVA of meer, die zijn ondergebracht in een gesloten gebouw, worden gebruikt;

  • 5.

    Dit artikel is ook niet van toepassing op een activiteit waarvoor op grond van hoofdstuk 2, 3, 4 of 5 van het Besluit activiteiten leefomgeving, Artikel 22.6122.62 of een ander artikel in deze afdeling een verplichting geldt om gegevens en bescheiden te verstrekken of een omgevingsvergunning aan te vragen voor het beginnen of wijzigen van die activiteit.

  • 6.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein; en

      • 2.

        de ligging van de gebouwen;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 7.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

GG

Het opschrift van artikel 22.62 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.62 22.63 Toepassingsbereik incl. tijdelijke uitzondering windparken

HH

Het opschrift van artikel 22.63 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.63 22.64 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen

II

Artikel 22.64 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.64 22.65 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen: tankstation

  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van Artikel 22.6322.64, eerste lid , Artikel 22.6322.64, derde lid en Artikel 22.6322.64, vierde lid, het geluid door het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden, op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.4.

    Tabel 22.3.4 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw door het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden

     

    07.00 - 21.00 uur

    21.00 - 07.00 uur

    Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten

    50 dB(A)

    40 dB(A)

    Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten

    70 dB(A)

    60 dB(A)

  • 2.

    De in het eerste lid opgenomen maximale geluidniveaus LAmax zijn niet van toepassing op laden en lossen in de periode tussen 07.00 en 21.00 uur.

JJ

Artikel 22.65 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.65 22.66 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen: agrarische activiteit, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied

  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van Artikel 22.6322.64, eerste lid, het geluid door een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen, maar dat geen glastuinbouwbedrijf is dat is gelegen in een glastuinbouwgebied, op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.5.

    Tabel 22.3.5 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw door een agrarische activiteit, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied

     

    06.00 - 19.00 uur

    19.00 - 22.00 uur

    22.00 - 06.00 uur

    Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door de vast opgestelde installaties en toestellen

    45 dB(A)

    40 dB(A)

    35 dB(A)

    Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten

    70 dB(A)

    65 dB(A)

    60 dB(A)

  • 2.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van Artikel 22.6322.64, derde lid, het geluid door een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen, maar dat geen glastuinbouwbedrijf is dat is gelegen in een glastuinbouwgebied, in geluidgevoelige ruimten binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.6.

    Tabel 22.3.6 Waarde voor geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- of aanpandige geluidgevoelige gebouwen, door een agrarische activiteit, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied.

     

    06.00 - 19.00 uur

    1 9.00 - 22.00 uur

    22.00 - 06.00 uur

    Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LTveroorzaakt door de vast opgestelde installaties en toestellen

    35 dB(A)

    30 dB(A)

    25 dB(A)

    Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten

    55 dB(A)

    50 dB(A)

    45 dB(A)

  • 3.

    Bij het bepalen van het maximaal geluidniveau (LAmax), bedoeld in het eerste en tweede lid, blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van:

    • a.

      laden en lossen en het in- en uitrijden van landbouwtractoren of motorvoertuigen met beperkte snelheid, in de periode tussen 06.00 uur en 19.00 uur;

    • b.

      laden en lossen in de periode tussen 19.00 uur en 06.00 uur, voor zover dat ten hoogste één keer in die periode plaatsvindt; en

    • c.

      het wassen van kasdekken in de periode tussen 19.00 uur en 6.00 uur.

KK

Artikel 22.66 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.66 22.67 Geluid: waarde voor geluidgevoelige gebouwen: glastuinbouwbedrijf binnen een glastuinbouwgebied

  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van Artikel 22.6322.64, eerste lid, het geluid door een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied, op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.7.

    Tabel 22.3.7 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw door een glastuinbouwbedrijf binnen een glastuinbouwgebied

     

    06.00 - 19.00 uur

    19.00 - 22.00 uur

    22.00 - 06.00 uur

    Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten

    50 dB(A)

    45 dB(A)

    40 dB(A

    Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten

    70 dB(A)

    65 dB(A)

    60 dB(A)

  • 2.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is in afwijking van Artikel 22.6322.64, derde lid, het geluid door een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied, in geluidgevoelige ruimten binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.8.

    Tabel 22.3.8 Waarde voor geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen, door een glastuinbouwbedrijf binnen een glastuinbouwgebied

     

    06.00 - 19.00 uur

    19.00 - 22.00 uur

    22.00 - 06.00 uur

    Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten

    35 dB(A)

    30 dB(A)

    25 dB(A)

    Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten

    55 dB(A)

    50 dB(A)

    45 dB(A)

  • 3.

    Bij het bepalen van het maximaal geluidniveau (LAmax), bedoeld in het eerste en tweede lid, blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van:

    • a.

      het laden en lossen in de periode tussen 06.00 uur en 19.00 uur;

    • b.

      het laden en lossen in de periode tussen 19.00 uur en 06.00 uur, voor zover dat ten hoogste één keer in de genoemde periode plaatsvindt; en

    • c.

      het wassen van kasdekken in de periode tussen 19.00 uur en 6.00 uur.

LL

Artikel 22.67 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.67 22.68 Geluid: waarden bij of krachtens een voor inwerkingtreding van de Omgevingswet vastgestelde gemeentelijke verordening

  • 1.

    Als een activiteit wordt verricht in een concentratiegebied voor horecabedrijven of in een concentratiegebied voor detailhandel en ambachtsbedrijven dat bij of krachtens een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet vastgestelde gemeentelijke verordening als zodanig is aangewezen en waarin andere waarden zijn opgenomen dan de waarden, bedoeld in Artikel 22.6322.64, gelden de waarden die zijn opgenomen in die verordening.

  • 2.

    Als een agrarische activiteit wordt verricht in een gebied waarvoor bij of krachtens een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet vastgestelde gemeentelijke verordening andere waarden gelden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) op geluidgevoelige gebouwen, bedoeld in het Artikel 22.6522.66, eerste lid, en Artikel 22.6622.67, eerste lid, gelden de waarden die zijn opgenomen in die verordening.

MM

Artikel 22.68 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.68 22.69 Geluid: waarden op drijvende woonfunctie voor 1 juli 2012

Voor een drijvende woonfunctie is de waarde 5 dB(A) hoger dan de waarden, bedoeld in Artikel 22.6322.64, eerste lid, Artikel 22.6422.65, eerste lid, Artikel 22.6522.66, eerste lid en Artikel 22.6622.67, eerste lid, als de locatie van de drijvende woonfunctie voor 1 juli 2012:

  • a.

    voor een woonschip was bestemd; of

  • b.

    in een gemeentelijke verordening is aangewezen om door een drijvende woonfunctie te worden ingenomen en:

    • 1.

      voor 1 juli 2022 voor een woonschip is bestemd; of

    • 2.

      de aanwezigheid van een woonschip voor 1 juli 2022 in dit omgevingsplan is toegelaten.

NN

Het opschrift van artikel 22.69 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.69 22.70 Geluid: eerbiedigende werking

OO

Artikel 22.70 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.70 22.71 Geluid: buiten beschouwing laten van geluidbronnen

  • 1.

    Bij het bepalen van de geluidniveaus, bedoeld in Artikel 22.6322.64 tot en met Artikel 22.6922.70 en Artikel 22.7122.72, blijft buiten beschouwing:

    • a.

      het geluid door de inzet van motorvoertuigen of helikopters voor spoedeisende medische hulpverlening, ongevallenbestrijding, brandbestrijding, gladheidbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval;

    • b.

      het stemgeluid van personen op een onverwarmd en onoverdekt terrein, tenzij dit terrein kan worden aangemerkt als een binnenterrein;

    • c.

      het stemgeluid van bezoekers op het open terrein bij sport- of recreatieactiviteiten;

    • d.

      het stemgeluid van kinderen op een onverwarmd of onoverdekt terrein dat onderdeel is van een instelling voor het primair onderwijs, in de periode vanaf een uur voor aanvang van het onderwijs tot een uur na beëindiging van het onderwijs;

    • e.

      het stemgeluid van kinderen op een onverwarmd of onoverdekt terrein dat onderdeel is van een instelling voor kinderopvang;

    • f.

      het geluid voor het oproepen tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging of het bijwonen van godsdienstige of levensbeschouwelijke bijeenkomsten en lijkplechtigheden, en ook het geluid in verband met het houden van deze bijeenkomsten of plechtigheden;

    • g.

      het geluid van het traditioneel ten gehore brengen van muziek tijdens het hijsen en strijken van de nationale vlag bij zonsopkomst en zonsondergang op militaire terreinen;

    • h.

      het ten gehore brengen van muziek wegens het oefenen door militaire muziekkorpsen in de buitenlucht gedurende de dagperiode met een maximum van twee uur per week op militaire terreinen;

    • i.

      het ten gehore brengen van onversterkte muziek, behalve voor zover daarvoor bij gemeentelijke verordening regels zijn gesteld; en

    • j.

      het traditioneel schieten, bedoeld in Paragraaf 22.3.21, behalve voor zover daarvoor bij gemeentelijke verordening regels zijn gesteld.

  • 2.

    Bij het bepalen van het maximale geluidniveau (LAmax), bedoeld in Artikel 22.6322.64 tot en met Artikel 22.6722.68 en Artikel 22.6922.70, blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van:

    • a.

      het komen en gaan van bezoekers bij een activiteit waarvan horeca-, sport- of recreatieactiviteiten de kern vormen; of

    • b.

      het verrichten in de open lucht van sportactiviteiten of activiteiten die hiermee in nauw verband staan.

  • 3.

    De maximale geluidniveaus (LAmax), bedoeld in Artikel 22.6322.64 tot en met Artikel 22.6922.70, zijn tussen 23.00 en 7.00 uur niet van toepassing op aandrijfgeluid van motorvoertuigen bij het laden en lossen als:

    • a.

      voor die activiteit het in die periode geldende maximale geluidniveau (LAmax) niet te bereiken is door het treffen van maatregelen; en

    • b.

      het niveau van het aandrijfgeluid op een afstand van 7,5 m van het motorvoertuig niet hoger is dan 65dB(A).

PP

Artikel 22.71 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.71 22.72 Geluid: waar waarden gelden voor een activiteit op een gezoneerd industrieterrein

Als de activiteit wordt verricht op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld, gelden de waarden van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT), bedoeld in Artikel 22.6322.64, eerste lid, en Artikel 22.6422.65, eerste lid ook op een afstand van 50 m vanaf de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht.

QQ

Artikel 22.72 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.72 22.73 Geluid: maatregelen of voorzieningen bij stomen van grond

  • 1.

    Bij het bepalen van de geluidniveaus, bedoeld in Artikel 22.6322.64 tot en met Artikel 22.6922.70, blijft het geluid veroorzaakt door het stomen van grond met een installatie van derden, buiten beschouwing.

  • 2.

    Bij het stomen van grond met een installatie van derden worden maatregelen of voorzieningen getroffen die betrekking hebben op:

    • a.

      de periode waarin het stomen van grond plaatsvindt;

    • b.

      de locatie waarop de installatie wordt opgesteld; en

    • c.

      het aanbrengen van geluidbeperkende voorzieningen op de locatie waarop de activiteit wordt verricht.

RR

Artikel 22.73 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.73 22.74 Geluid: festiviteiten

  • 1.

    De waarden, bedoeld in Artikel 22.6322.64 tot en met Artikel 22.7122.72, zijn voor zover de naleving van deze normen redelijkerwijs niet kan worden gevergd, niet van toepassing op dagen of dagdelen in verband met de viering van:

    • a.

      festiviteiten die bij of krachtens gemeentelijke verordening zijn aangewezen, in de gebieden in de gemeente waarvoor die verordening geldt; en

    • b.

      andere festiviteiten die plaatsvinden op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het aantal bij of krachtens die verordening aan te wijzen dagen of dagdelen per gebied of categorie van bedrijfssector kan verschillen en niet meer bedraagt dan twaalf per kalenderjaar.

  • 2.

    Een festiviteit die ten hoogste een etmaal duurt, maar die zowel voor als na 00.00 uur plaatsvindt, wordt beschouwd als plaatshebbende op één dag.

SS

Het opschrift van artikel 22.74 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.74 22.75 Geluid: meet- en rekenbepalingen

TT

Het opschrift van artikel 22.75 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.75 22.76 Toepassingsbereik

UU

Het opschrift van artikel 22.76 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.76 22.77 Geluid: waarden windturbines

VV

Het opschrift van artikel 22.77 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.77 22.78 Registratie gegevens windturbines

WW

Het opschrift van artikel 22.78 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.78 22.79 Geluid: meet- en rekenbepalingen

XX

Het opschrift van artikel 22.79 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.79 22.80 Toepassingsbereik

YY

Het opschrift van artikel 22.80 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.80 22.81 Geluid: waarden buitenschietbanen

ZZ

Het opschrift van artikel 22.81 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.81 22.82 Registratie gegevens buitenschietbanen

AAA

Het opschrift van artikel 22.82 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.82 22.83 Geluid: meet- en rekenbepalingen

BBB

Het opschrift van artikel 22.83 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.83 22.84 Toepassingsbereik

CCC

Artikel 22.84 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.84 22.85 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

In afwijking van Artikel 22.8322.84, tweede lid, onder b, is deze paragraaf ook van toepassing op trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar:

  • a.

    in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

  • b.

    in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

DDD

Het opschrift van artikel 22.85 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.85 22.86 Trillingen: meerdere activiteiten beschouwen als een activiteit

EEE

Het opschrift van artikel 22.86 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.86 22.87 Trillingen: functionele binding

FFF

Het opschrift van artikel 22.87 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.87 22.88 Trillingen: voormalige functionele binding

GGG

Het opschrift van artikel 22.88 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.88 22.89 Trillingen: waarden voor continue trillingen

HHH

Het opschrift van artikel 22.89 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.89 22.90 Trillingen: meet- en rekenbepalingen

III

Subparagraaf 22.3.6.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Subparagraaf 22.3.6.1 Algemene bepalingen

Artikel 22.90 22.91 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig object.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid zijn de waarden, bedoeld in Subparagraaf 22.3.6.2 en Subparagraaf 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in Subparagraaf 22.3.6.2 en Subparagraaf 22.3.6.4 en Artikel 22.24522.246, niet van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig object dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar.

Artikel 22.91 22.92 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

  • 1.

    In afwijking van Artikel 22.9022.91, tweede lid, zijn de waarden, bedoeld in Subparagraaf 22.3.6.2 en Subparagraaf 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in Subparagraaf 22.3.6.2 en Subparagraaf 22.3.6.4 en Artikel 22.24522.246, ook van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig object dat voor een duur van niet meer dan tien jaar is toegelaten:

    • a.

      in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

    • b.

      in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

  • 2.

    In afwijking van Artikel 22.9022.91, eerste lid, zijn de waarden, bedoeld in Subparagraaf 22.3.6.2 en Subparagraaf 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in Subparagraaf 22.3.6.2 en Subparagraaf 22.3.6.4 en Artikel 22.24522.246, niet van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is maar mag worden gebouwd op grond van:

    • a.

      het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

    • b.

      een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Artikel 22.92 22.93 Geur: waar waarden en tot waar afstanden gelden

De waarden, bedoeld in Subparagraaf 22.3.6.2 en Subparagraaf 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in Subparagraaf 22.3.6.2 en Subparagraaf 22.3.6.4 en Artikel 22.24522.246, voor de geur door een activiteit op een geurgevoelig object gelden:

  • a.

    als het gaat om een geurgevoelig object op of tot de gevel;

  • b.

    als het gaat om een nieuw te bouwen geurgevoelig gebouw: op of tot de locatie waar een gevel mag komen; en

  • c.

    in afwijking van de onderdelen a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen: op of tot de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van het woonschip of de woonwagen.

Artikel 22.93 22.94 Geur: functionele binding

De waarden, bedoeld in de Subparagraaf 22.3.6.2 en Subparagraaf 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in Subparagraaf 22.3.6.2 en Subparagraaf 22.3.6.4 en Artikel 22.24522.246, zijn niet van toepassing als het geurgevoelig object een functionele binding heeft met de activiteit.

Artikel 22.94 22.95 Geur: voormalige functionele binding

Bij een activiteit zijn de waarden, bedoeld in Subparagraaf 22.3.6.2, en de afstanden, bedoeld in Subparagraaf 22.3.6.2 en Subparagraaf 22.3.6.4 en Artikel 22.24522.246, niet van toepassing op een geurgevoelig object dat:

  • a.

    op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, behoort of heeft behoord tot die activiteit en door een derde bewoond mag worden; of

  • b.

    eerder functioneel verbonden was met die activiteit en waarvoor op grond van artikel 5.96 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is bepaald dat de waarden en afstanden voor geur niet van toepassing zijn.

Artikel 22.95 22.96 Geur: cumulatie

Bij de waarden, bedoeld in Subparagraaf 22.3.6.2 en Subparagraaf 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in Subparagraaf 22.3.6.2 en Subparagraaf 22.3.6.4 en Artikel 22.24522.246, is geen rekening gehouden met de cumulatie van geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen.

JJJ

Het opschrift van artikel 22.96 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.96 22.97 Toepassingsbereik

KKK

Het opschrift van artikel 22.97 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.97 22.98 Geur vanaf waar afstanden gelden

LLL

Het opschrift van artikel 22.98 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.98 22.99 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: waarden

MMM

Artikel 22.99 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.99 22.100 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: eerbiedigende werking bij waarden

  • 1.

    Als onmiddellijk voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet de geur op een locatie rechtmatig meer bedraagt dan de waarde, bedoeld in Artikel 22.9822.99, eerste lid, mag, in afwijking van Artikel 22.9822.99, bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor:

  • 2.

    Voor gevallen als bedoeld in het eerste lid mag het aantal landbouwhuisdieren van een of meer diercategorieën met geuremissiefactor alleen toenemen als:

    • a.

      een geurbelastingreducerende maatregel wordt getroffen; en

    • b.

      de totale geur na het uitbreiden niet meer bedraagt dan het gemiddelde van de waarde, bedoeld in Artikel 22.9622.97, en de waarde van de geur die de activiteit onmiddellijk voorafgaand aan het treffen van de maatregel rechtmatig mocht veroorzaken.

NNN

Artikel 22.100 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.100 22.101 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: afstand tot bijzondere geurgevoelige objecten

Artikel 22.9822.99, eerste lid, is niet van toepassing bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor, als de afstand op een locatie gelijk of groter is dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.11, tot de volgende geurgevoelige objecten:

  • a.

    een geurgevoelig object dat een functionele binding heeft met een dierenverblijf in de directe omgeving daarvan;

  • b.

    een geurgevoelig object dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden een functionele binding te hebben met een dierenverblijf in de directe omgeving daarvan;

  • c.

    een geurgevoelig object met een woonfunctie dat op of na 19 maart 2000 is gebouwd:

    • 1.

      op een locatie die op dat tijdstip werd gebruikt voor het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf;

    • 2.

      in samenhang met het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen van het dierenverblijf; en

    • 3.

      in samenhang met de sloop van een dierenverblijf of bedrijfsgebouw dat onderdeel heeft uitgemaakt van een gebouw voor het houden van landbouwhuisdieren of voor functioneel ondersteunende activiteiten; en

  • d.

    een geurgevoelig object dat aanwezig is op een locatie waar een geurgevoelig object met een woonfunctie als bedoeld onder c is gebouwd.

Tabel 22.3.11 Afstand tot een geurgevoelig object met functionele binding of geen functionele binding meer op of na 19 maart 2000 en ruimte-voor-ruimtewoning bij geur door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor

geurgevoelig objectmet functionele binding of functionele binding tot 19 maart 2000

Afstand

Gelegen binnen de bebouwde kom

100 m

Gelegen buiten de bebouwde kom

50 m

OOO

Het opschrift van artikel 22.101 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.101 22.102 Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s voor het berijden: afstand

PPP

Artikel 22.102 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.102 22.103 Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s voor het berijden: eerbiedigende werking voor afstand

  • 1.

    Artikel 22.10122.102 is niet van toepassing als op een locatie waarop onmiddellijk voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet rechtmatig niet wordt voldaan aan de afstand, bedoeld in dat artikel.

  • 2.

    In een geval als bedoeld in het eerste lid mag het aantal landbouwhuisdieren per diercategorie zonder geuremissiefactor of het aantal paarden en pony's die gehouden worden voor het berijden, niet toenemen en de afstand tot een geurgevoelig object niet afnemen.

QQQ

Artikel 22.103 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.103 22.104 Geur landbouwhuisdieren en paarden of pony’s voor het berijden: afstand vanaf de gevel dierenverblijf

  • 1.

    Onverminderd Artikel 22.9822.99 tot en met Artikel 22.10222.103 is bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor of zonder geuremissiefactor of paarden en pony's die gehouden worden voor het berijden, de afstand niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.13.



    Tabel 22.3.13 Afstand gevel dierenverblijf tot een geurgevoelig object bij geur door het houden van landbouwhuisdieren of paarden en pony's die gehouden worden voor het berijden

    geurgevoelig object

    Afstand

    Gelegen binnen de bebouwde kom

    50 m

    Gelegen buiten de bebouwde kom

    25 m

  • 2.

    In afwijking van Artikel 22.9722.98 geldt de afstand, bedoeld in het eerste lid, vanaf de gevel van een dierenverblijf.

RRR

Artikel 22.104 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.104 22.105 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: eerbiedigende werking voor afstand vanaf gevel dierenverblijf

Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet voor het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op een locatie rechtmatig niet wordt voldaan aan de afstand, bedoeld in Artikel 22.10322.104, mag, in afwijking van dat artikel, bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor:

SSS

Artikel 22.105 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.105 22.106 Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor en paarden en pony’s voor het berijden: eerbiedigende werking voor afstand vanaf gevel dierenverblijf

Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet voor het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden of pony's die gehouden worden voor het berijden, op een locatie rechtmatig niet wordt voldaan aan de afstand, bedoeld in Artikel 22.10322.104, eerste lid, mag, in afwijking van dat artikel, bij het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony's die gehouden worden voor het berijden:

TTT

Het opschrift van artikel 22.106 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.106 22.107 Vervallen

UUU

Het opschrift van artikel 22.107 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.107 22.108 Vervallen

VVV

Het opschrift van artikel 22.108 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.108 22.109 Vervallen

WWW

Het opschrift van artikel 22.109 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.109 22.110 Vervallen

XXX

Het opschrift van artikel 22.110 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.110 22.111 Vervallen

YYY

Het opschrift van artikel 22.111 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.111 22.112 Vervallen

ZZZ

Het opschrift van artikel 22.112 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.112 22.113 Vervallen

AAAA

Het opschrift van artikel 22.113 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.113 22.114 Vervallen

BBBB

Het opschrift van artikel 22.114 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.114 22.115 Geur opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie: afstand

CCCC

Het opschrift van artikel 22.115 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.115 22.116 Geur opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong: afstand

DDDD

Het opschrift van artikel 22.116 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.116 22.117 Geur opslaan kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen: afstand

EEEE

Het opschrift van artikel 22.117 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.117 22.118 Geur opslaan drijfmest, digestaat en dunne fractie: afstand

FFFF

Het opschrift van artikel 22.118 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.118 22.119 Geur voorziening biologisch behandelen dierlijke meststoffen voor of na vergisten: afstand

GGGG

Het opschrift van artikel 22.119 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.119 22.120 Geur composteren of opslaan van groenafval: afstand

HHHH

Artikel 22.120 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.120 22.121 Geur overige agrarische activiteiten: eerbiedigende werking

  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie, bedoeld in Artikel 22.11422.115, het opslaan van substraatmateriaal van plantaardige oorsprong, bedoeld in Artikel 22.11322.114, het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen, bedoeld in Artikel 22.11622.117, en het composteren of opslaan van groenafval, bedoeld in Artikel 22.11922.120, als:

  • 2.

    Dit artikel is ook van toepassing op het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een of meer mestbassins, bedoeld in Artikel 22.11722.118, eerste lid, als:

    • a.

      de afstand tussen de activiteit, bedoeld in Artikel 22.11722.118, eerste lid, en een geurgevoelig object op 1 januari 2013 rechtmatig kleiner was dan de afstand, bedoeld in Artikel 22.11722.118, tweede lid;

    • b.

      het mestbassin voor 1 januari 2013 is opgericht; en

    • c.

      verplaatsing van het mestbassin redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

  • 3.

    In een geval als bedoeld in het eerste of tweede lid is Artikel 22.11422.115, derde lid, Artikel 22.11522.116, tweede lid, Artikel 22.11622.117, derde lid, Artikel 22.11722.118, tweede lid, of Artikel 22.11922.120, derde lid, niet van toepassing en neemt de afstand tot een geurgevoelig object niet af.

IIII

Het opschrift van artikel 22.121 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.121 22.122 Toepassingsbereik

JJJJ

Het opschrift van artikel 22.122 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.122 22.123 Geur zuiveringtechnisch werk: waarde

KKKK

Artikel 22.123 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.123 22.124 Geur zuiveringtechnisch werk: geen waarde bij specifieke geurgevoelige objecten

De waarden, bedoeld in Artikel 22.12222.123, eerste lid, zijn niet van toepassing op de geur door het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk waarvoor tot 1 januari 2011 een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in werking en onherroepelijk was, op geurgevoelige objecten die:

  • a.

    op het moment van verlening van de vergunning niet aanwezig waren en voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn gebouwd; of

  • b.

    in de vergunning niet als geurgevoelig werden beschouwd.

LLLL

Artikel 22.124 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.124 22.125 Geur zuiveringtechnisch werk: eerbiedigende werking

Bij het wijzigen van een zuiveringtechnisch werk als bedoeld in Artikel 22.12222.123, tweede lid, en Artikel 22.12322.124, is de waarde van de geur op een geurgevoelig object als gevolg van dat zuiveringtechnisch werk niet hoger dan de waarde voor geur op een geurgevoelig object, voorafgaand aan de verandering, tenzij de waarden, bedoeld in Artikel 22.12222.123, eerste lid, niet worden overschreden.

MMMM

Het opschrift van artikel 22.125 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.125 22.126 Toepassingsbereik

NNNN

Het opschrift van artikel 22.126 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.126 22.127 Nazorg na afloop van saneren van de bodem

OOOO

Het opschrift van artikel 22.127 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.127 22.128 Toepassingsbereik

PPPP

Artikel 22.128 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.128 22.129 Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit

  • 1.

    Ten minste een week voor het begin van de activiteit, bedoeld in Artikel 22.12722.128, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht;

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit; en

    • c.

      de verwachte duur ervan.

  • 2.

    Onverwijld na het wijzigen van de begrenzing of de verwachte datum van het begin van de activiteit worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing:

    • a.

      als het alleen gaat om het tijdelijk uitnemen van grond; of

    • b.

      op het graven in de bodem in verband met een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur.

QQQQ

Het opschrift van artikel 22.129 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.129 22.130 Bodem en afval: tijdelijke opslag van vrijkomende grond

RRRR

Het opschrift van artikel 22.130 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.130 22.131 Bodem en afval: milieukundige begeleiding bij kleinschalig graven

SSSS

Het opschrift van artikel 22.131 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.131 22.132 Toepassingsbereik

TTTT

Artikel 22.132 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.132 22.133 Bodem: mitigerende maatregelen

Degene die een activiteit als bedoeld in Artikel 22.13122.132, verricht, neemt in het belang van bescherming van de bodem maatregelen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd om verdere verontreiniging van de bodem te voorkomen of te beperken of, als dat redelijkerwijs mogelijk is in samenhang met de activiteit die wordt verricht, ongedaan te maken.

UUUU

Subparagraaf 22.3.7.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Subparagraaf 22.3.7.4 Saneren van de bodem in het gebied De Kempen - [gereserveerd]

Artikel 22.133 22.134 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 22.134 22.135 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 22.135 22.136 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 22.136 22.137 Gereserveerd

[Gereserveerd]

VVVV

Het opschrift van artikel 22.137 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.137 22.138 Toepassingsbereik

WWWW

Artikel 22.138 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.138 22.139 Gegevens en bescheiden

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in Artikel 22.13722.138, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard en omvang van de lozing; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid gelden niet voor het lozen van grondwater afkomstig van ontwatering, als:

    • a.

      het lozen niet langer dan 48 uur duurt; of

    • b.

      het lozen plaatsvindt bij wonen.

  • 4.

    In afwijking van het eerste en tweede lid worden de gegevens en bescheiden ten minste vijf werkdagen voor het begin van het lozen van grondwater afkomstig van ontwatering verstrekt, als het lozen langer duurt dan 48 uur maar niet langer dan 8 weken.

XXXX

Het opschrift van artikel 22.139 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.139 22.140 Lozen van grondwater bij saneringen

YYYY

Het opschrift van artikel 22.140 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.140 22.141 Lozen van grondwater bij ontwatering

ZZZZ

Het opschrift van artikel 22.141 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.141 22.142 Meet- en rekenbepalingen

AAAAA

Het opschrift van artikel 22.142 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.142 22.143 Toepassingsbereik

BBBBB

Het opschrift van artikel 22.143 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.143 22.144 Gegevens en bescheiden

CCCCC

Het opschrift van artikel 22.144 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.144 22.145 Lozen van afvloeiend hemelwater

DDDDD

Het opschrift van artikel 22.145 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.145 22.146 Toepassingsbereik

EEEEE

Artikel 22.146 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.146 22.147 Gegevens en bescheiden

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in Artikel 22.14822.149, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      het aantal inwonerequivalenten dat wordt geloosd;

    • b.

      de wijze van behandeling van het afvalwater; en

    • c.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid gelden niet voor het lozen van huishoudelijk afvalwater:

    • a.

      vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of

    • b.

      op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen.

FFFFF

Het opschrift van artikel 22.147 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.147 22.148 Geen voedselvermaling

GGGGG

Het opschrift van artikel 22.148 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.148 22.149 Lozen van huishoudelijk afvalwater

HHHHH

Het opschrift van artikel 22.149 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.149 22.150 Zuiveringsvoorziening huishoudelijk afvalwater

IIIII

Het opschrift van artikel 22.150 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.150 22.151 Meet- en rekenbepalingen

JJJJJ

Het opschrift van artikel 22.151 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.151 22.152 Toepassingsbereik

KKKKK

Artikel 22.152 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.152 22.153 Gegevens en bescheiden

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in Artikel 22.15122.152, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de maximale warmtevracht; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

LLLLL

Het opschrift van artikel 22.153 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.153 22.154 Koelwater

MMMMM

Het opschrift van artikel 22.154 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.154 22.155 Toepassingsbereik

NNNNN

Het opschrift van artikel 22.155 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.155 22.156 Periodiek reinigen

OOOOO

Het opschrift van artikel 22.156 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.156 22.157 Toepassingsbereik

PPPPP

Het opschrift van artikel 22.157 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.157 22.158 Inerte goederen

QQQQQ

Artikel 22.158 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.158 22.159 Gegevens en bescheiden

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in Artikel 22.15622.157, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de opgeslagen goederen; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 3.

    Dit artikel is niet van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van wonen.

RRRRR

Het opschrift van artikel 22.159 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.159 22.160 Lozen bij opslaan van inerte goederen

SSSSS

Het opschrift van artikel 22.160 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.160 22.161 Meet- en rekenbepalingen

TTTTT

Het opschrift van artikel 22.161 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.161 22.162 Uitzondering voorgeschreven lozingsroute bij opslaan van lekkende, uitlogende en vermestende goederen

UUUUU

Het opschrift van artikel 22.162 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.162 22.163 Toepassingsbereik

VVVVV

Het opschrift van artikel 22.163 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.163 22.164 Lozen vanuit openbaar hemelwaterstelsel en openbaar ontwateringsstelsel

WWWWW

Het opschrift van artikel 22.164 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.164 22.165 Lozen van huishoudelijk afvalwater vanuit andere systemen

XXXXX

Het opschrift van artikel 22.165 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.165 22.166 Toepassingsbereik

YYYYY

Het opschrift van artikel 22.166 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.166 22.167 Schoonmaken drinkwaterleidingen

ZZZZZ

Het opschrift van artikel 22.167 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.167 22.168 Toepassingsbereik

AAAAAA

Artikel 22.168 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.168 22.169 Gegevens en bescheiden

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in Artikel 22.16722.168, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard en omvang van de activiteit; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

BBBBBB

Het opschrift van artikel 22.169 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.169 22.170 Lozen bij calamiteitenoefeningen

CCCCCC

Het opschrift van artikel 22.170 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.170 22.171 Toepassingsbereik

DDDDDD

Artikel 22.171 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.171 22.172 Gegevens en bescheiden

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van het lozen, bedoeld in Artikel 22.17422.175 en Artikel 22.17522.176, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard en omvang van de lozing;

    • b.

      de plaats van de lozingspunten; en

    • c.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

EEEEEE

Het opschrift van artikel 22.172 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.172 22.173 Recirculatie bij grondgebonden teelt in een kas

FFFFFF

Het opschrift van artikel 22.173 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.173 22.174 Lozen bij spoelen van biologisch geteelde gewassen

GGGGGG

Het opschrift van artikel 22.174 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.174 22.175 Lozen bij sorteren van biologisch geteeld fruit

HHHHHH

Het opschrift van artikel 22.175 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.175 22.176 Uitzondering voorgeschreven lozingsroute afvalwater uit een gebouw

IIIIII

Het opschrift van artikel 22.176 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.176 22.177 Meet- en rekenbepalingen

JJJJJJ

Het opschrift van artikel 22.177 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.177 22.178 Toepassingsbereik

KKKKKK

Artikel 22.178 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.178 22.179 Gegevens en bescheiden

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in Artikel 22.17722.178 worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de lozingsroute;

    • b.

      de aard en omvang van de lozing; en

    • c.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

LLLLLL

Het opschrift van artikel 22.179 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.179 22.180 Water

MMMMMM

Het opschrift van artikel 22.180 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.180 22.181 Meet- en rekenbepalingen

NNNNNN

Het opschrift van artikel 22.181 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.181 22.182 Toepassingsbereik

OOOOOO

Artikel 22.182 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.182 22.183 Gegevens en bescheiden

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in Artikel 22.18122.182 worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard en omvang van de lozing; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

PPPPPP

Het opschrift van artikel 22.183 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.183 22.184 Water

QQQQQQ

Het opschrift van artikel 22.184 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.184 22.185 Meet- en rekenbepalingen

RRRRRR

Het opschrift van artikel 22.185 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.185 22.186 Toepassingsbereik

SSSSSS

Artikel 22.186 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.186 22.187 Gegevens en bescheiden

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in Artikel 22.18522.186 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein; en

      • 2.

        de plaats van de lozingspunten;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

TTTTTT

Het opschrift van artikel 22.187 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.187 22.188 Water: lozingsroute

UUUUUU

Het opschrift van artikel 22.188 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.188 22.189 Toepassingsbereik

VVVVVV

Artikel 22.189 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.189 22.190 Gegevens en bescheiden

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in Artikel 22.18822.189 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten;

      • 4.

        de ligging van de bedrijfsriolering; en

      • 5.

        de plaats van de lozingspunten;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

WWWWWW

Het opschrift van artikel 22.190 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.190 22.191 Water

XXXXXX

Het opschrift van artikel 22.191 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.191 22.192 Meet- en rekenbepalingen

YYYYYY

Het opschrift van artikel 22.192 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.192 22.193 Toepassingsbereik

ZZZZZZ

Het opschrift van artikel 22.193 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.193 22.194 Bodem

AAAAAAA

Het opschrift van artikel 22.194 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.194 22.195 Water

BBBBBBB

Het opschrift van artikel 22.195 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.195 22.196 Meet- en rekenbepalingen

CCCCCCC

Het opschrift van artikel 22.196 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.196 22.197 Toepassingsbereik

DDDDDDD

Artikel 22.197 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.197 22.198 Gegevens en bescheiden

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in Artikel 22.19622.197 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten;

      • 4.

        de ligging van de bedrijfsriolering; en

      • 5.

        de plaats van de lozingspunten;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op het bereiden van voedingsmiddelen voor personen die wonen of werken op de locatie waarop de activiteit wordt verricht.

EEEEEEE

Het opschrift van artikel 22.198 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.198 22.199 Water

FFFFFFF

Het opschrift van artikel 22.199 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.199 22.200 Geur

GGGGGGG

Het opschrift van artikel 22.200 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.200 22.201 Toepassingsbereik

HHHHHHH

Artikel 22.201 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.201 22.202 Geur: beginnen of uitbreiden activiteit

  • 1.

    Het beginnen of uitbreiden in capaciteit van een activiteit als bedoeld in Artikel 22.20022.201 is alleen toegestaan als nieuwe geurhinder op een geurgevoelig gebouw wordt voorkomen.

  • 2.

    Het eerste lid is ook van toepassing op het wijzigen van de activiteit, als die wijziging leidt tot een grotere of andere geurbelasting ter plaatse van een geurgevoelig gebouw.

IIIIIII

Het opschrift van artikel 22.202 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.202 22.203 Toepassingsbereik

JJJJJJJ

Artikel 22.203 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.203 22.204 Gegevens en bescheiden

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in Artikel 22.20222.203 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten;

      • 4.

        de ligging van de bedrijfsriolering;

      • 5.

        de plaats van de lozingspunten; en

      • 6.

        de plaats waar bodembedreigende stoffen worden gebruikt, geproduceerd of uitgestoten;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

KKKKKKK

Artikel 22.204 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.204 22.205 Water: lozingsroute en zuivering

  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater vindt het slachten van dieren en het broeien, koken of pekelen van daarbij vrijkomende dierlijke bijproducten inpandig plaats.

  • 2.

    Te lozen afvalwater kan worden geloosd in een vuilwaterriool, als dat afvalwater afkomstig is van:

    • a.

      het bewerken van dierlijke bijproducten; of

    • b.

      het reinigen en desinfecteren van ruimtes waar een activiteit als bedoeld in Artikel 22.20222.203 is uitgevoerd.

  • 3.

    Het afvalwater wordt niet geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool.

  • 4.

    Vethoudend afvalwater dat wordt geloosd, wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door:

    • a.

      een vetafscheider en slibvangput volgens NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2;

    • b.

      een vetafscheider en slibvangput die zijn geplaatst voor 14 september 2004 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd; of

    • c.

      een flocculatieafscheider die is geplaatst voor 1 januari 2013 en is afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd.

  • 5.

    In afwijking van NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2 kan met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan in die normen vermeld worden volstaan als dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider.

  • 6.

    Het afvalwater wordt niet door een biologische zuivering geleid.

  • 7.

    Dit artikel is niet van toepassing op afvalwater afkomstig van wonen.

LLLLLLL

Het opschrift van artikel 22.205 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.205 22.206 Geur: voorkomen of beperken geurhinder

MMMMMMM

Het opschrift van artikel 22.206 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.206 22.207 Bodem: bodembeschermende voorziening

NNNNNNN

Het opschrift van artikel 22.207 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.207 22.208 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

OOOOOOO

Het opschrift van artikel 22.208 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.208 22.209 Bodem: eindonderzoek bodem

PPPPPPP

Het opschrift van artikel 22.209 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.209 22.210 Bodem: rapport van het eindonderzoek bodem

QQQQQQQ

Het opschrift van artikel 22.210 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.210 22.211 Gegevens en bescheiden: beëindigen activiteit

RRRRRRR

Het opschrift van artikel 22.211 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.211 22.212 Bodem: herstel van de bodemkwaliteit

SSSSSSS

Het opschrift van artikel 22.212 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.212 22.213 Informeren: herstelwerkzaamheden

TTTTTTT

Het opschrift van artikel 22.213 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.213 22.214 Water: opruimen gemorste en gelekte stoffen

UUUUUUU

Het opschrift van artikel 22.214 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.214 22.215 Toepassingsbereik

VVVVVVV

Artikel 22.215 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.215 22.216 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

  • 1.

    In afwijking van Artikel 22.21422.215, tweede lid, is deze paragraaf ook van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar:

    • a.

      in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

    • b.

      in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

  • 2.

    In afwijking van Artikel 22.21422.215, eerste lid, is deze paragraaf niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is maar mag worden gebouwd op grond van:

    • a.

      het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

    • b.

      een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

WWWWWWW

Het opschrift van artikel 22.216 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.216 22.217 Slagschaduw: stilstandvoorziening

XXXXXXX

Artikel 22.217 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.217 22.218 Slagschaduw: functionele binding

Artikel 22.21622.217 is niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een slagschaduwgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met de windturbine.

YYYYYYY

Artikel 22.218 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.218 22.219 Slagschaduw: voormalige functionele binding

Bij een agrarische activiteit is Artikel 22.21622.217 niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw dat:

  • a.

    op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet of een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangevraagde omgevingsvergunning behoort of heeft behoord tot die agrarische activiteit en door een derde bewoond mag worden; of

  • b.

    eerder functioneel verbonden was met die agrarische activiteit en waarvoor op grond van artikel 5.62 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is bepaald dat regels voor slagschaduw niet van toepassing zijn.

ZZZZZZZ

Het opschrift van artikel 22.219 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.219 22.220 Lichtschittering: beperken van reflectie

AAAAAAAA

Het opschrift van artikel 22.220 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.220 22.221 Lichtschittering: meten reflectiewaarden

BBBBBBBB

Het opschrift van artikel 22.221 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.221 22.222 Toepassingsbereik

CCCCCCCC

Het opschrift van artikel 22.222 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.222 22.223 Bodem: bodembeschermende voorziening

DDDDDDDD

Het opschrift van artikel 22.223 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.223 22.224 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

EEEEEEEE

Het opschrift van artikel 22.224 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.224 22.225 Toepassingsbereik

FFFFFFFF

Het opschrift van artikel 22.225 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.225 22.226 Gegevens en bescheiden

GGGGGGGG

Het opschrift van artikel 22.226 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.226 22.227 Lucht en geur: afvoeren emissies

HHHHHHHH

Het opschrift van artikel 22.227 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.227 22.228 Toepassingsbereik

IIIIIIII

Artikel 22.228 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.228 22.229 Gegevens en bescheiden

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in Artikel 22.22722.228 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen; en

      • 3.

        de plaats waar bodembedreigende stoffen worden gebruikt;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

JJJJJJJJ

Het opschrift van artikel 22.229 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.229 22.230 Bodem en externe veiligheid

KKKKKKKK

Artikel 22.230 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.230 22.231 Bodem: bodembeschermende voorziening

  • 1.

    Met het oog op het beperken van verontreiniging van de bodem, vindt traditioneel schieten plaats boven een bodembeschermende voorziening, als bij het schieten hulzen van verschoten munitie vrijkomen.

  • 2.

    De voorziening voor het opvangen van afgeschoten kogels, bedoeld in Artikel 22.22922.230, is opgesteld boven een bodembeschermende voorziening.

LLLLLLLL

Het opschrift van artikel 22.231 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.231 22.232 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

MMMMMMMM

Het opschrift van artikel 22.232 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.232 22.233 Bodem: eindonderzoek bodem

NNNNNNNN

Het opschrift van artikel 22.233 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.233 22.234 Bodem: rapport van het eindonderzoek bodem

OOOOOOOO

Het opschrift van artikel 22.234 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.234 22.235 Gegevens en bescheiden: beëindigen activiteit

PPPPPPPP

Het opschrift van artikel 22.235 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.235 22.236 Bodem: herstel van de bodemkwaliteit

QQQQQQQQ

Artikel 22.236 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.236 22.237 Informeren: herstelwerkzaamheden

  • 1.

    Het college van burgemeester en wethouders wordt ten minste vijf dagen voor het begin van de herstelwerkzaamheden, bedoeld in Artikel 22.23522.236 geïnformeerd over de begindatum.

  • 2.

    Het college van burgemeester en wethouders wordt ten hoogste vijf dagen na beëindiging van de herstelwerkzaamheden, bedoeld in Artikel 22.23522.236 geïnformeerd over de einddatum.

RRRRRRRR

Het opschrift van artikel 22.237 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.237 22.238 Toepassingsbereik

SSSSSSSS

Artikel 22.238 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.238 22.239 Gegevens en bescheiden

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in Artikel 22.23722.238 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

TTTTTTTT

Het opschrift van artikel 22.239 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.239 22.240 Licht

UUUUUUUU

Het opschrift van artikel 22.240 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.240 22.241 Toepassingsbereik

VVVVVVVV

Artikel 22.241 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.241 22.242 Gegevens en bescheiden

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in Artikel 22.24022.241 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten;

      • 4.

        de ligging van de bedrijfsriolering;

      • 5.

        op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;

      • 6.

        of de punten waarop afvalwater wordt geloosd, zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en

      • 7.

        op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

WWWWWWWW

Het opschrift van artikel 22.242 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.242 22.243 Bodem: opslag

XXXXXXXX

Het opschrift van artikel 22.243 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.243 22.244 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

YYYYYYYY

Het opschrift van artikel 22.244 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.244 22.245 Water: lozingsroute

ZZZZZZZZ

Het opschrift van artikel 22.245 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.245 22.246 Geur

AAAAAAAAA

Het opschrift van artikel 22.246 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.246 22.247 Toepassingsbereik

BBBBBBBBB

Artikel 22.247 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.247 22.248 Gegevens en bescheiden

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in Artikel 22.24622.247 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten;

      • 4.

        de ligging van de bedrijfsriolering;

      • 5.

        op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;

      • 6.

        of de punten waarop afvalwater wordt geloosd, zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en

      • 7.

        op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl;

    • d.

      gegevens over de lozingsroutes; en

    • e.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

CCCCCCCCC

Het opschrift van artikel 22.248 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.248 22.249 Bodem: bodembeschermende voorziening

DDDDDDDDD

Het opschrift van artikel 22.249 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.249 22.250 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

EEEEEEEEE

Het opschrift van artikel 22.250 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.250 22.251 Water: lozingsroute vrijkomende vloeistoffen

FFFFFFFFF

Het opschrift van artikel 22.251 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.251 22.252 Water: lozingsroutes afvalwater bodembeschermende voorziening

GGGGGGGGG

Het opschrift van artikel 22.252 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.252 22.253 Toepassingsbereik

HHHHHHHHH

Artikel 22.253 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.253 22.254 Gegevens en bescheiden

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in Artikel 22.25222.253 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten;

      • 4.

        de ligging van de bedrijfsriolering; en

      • 5.

        de plaats van de lozingspunten;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl;

    • d.

      per dierenverblijf voor het houden van landbouwhuisdieren:

      • 1.

        gegevens over het aantal landbouwhuisdieren per diercategorie dat ten hoogste zal worden gehouden;

      • 2.

        een beschrijving van het huisvestingssysteem en van de aanvullende techniek; en

      • 3.

        een beschrijving van het ventilatiesysteem;

    • e.

      per dierenverblijf waar landbouwhuisdieren met geuremissiefactor worden gehouden,:

      • 1.

        een plattegrondtekening op schaal met de ligging van de dierenverblijven, de emissiepunten en een overzicht van ventilatoren met diameter; en

      • 2.

        een doorsnedetekening per dierenverblijf met de goothoogte, de nokhoogte en de hoogte van het emissiepunt; en

    • f.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

IIIIIIIII

Het opschrift van artikel 22.254 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.254 22.255 Bodem: bodembeschermende voorziening

JJJJJJJJJ

Het opschrift van artikel 22.255 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.255 22.256 Bodem: logboek

KKKKKKKKK

Het opschrift van artikel 22.256 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.256 22.257 Water: lozingsroute en emissiegrenswaarde

LLLLLLLLL

Het opschrift van artikel 22.257 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.257 22.258 Meet- en rekenbepalingen

MMMMMMMMM

Het opschrift van artikel 22.258 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.258 22.259 Toepassingsbereik

NNNNNNNNN

Het opschrift van artikel 22.259 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.259 22.260 Omgevingsvergunning verwerken polyesterhars

OOOOOOOOO

Het opschrift van artikel 22.260 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.260 22.261 Omgevingsvergunning installeren gesloten bodemenergiesysteem

PPPPPPPPP

Het opschrift van artikel 22.261 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.261 22.262 Omgevingsvergunning kweken maden van vliegende insecten

QQQQQQQQQ

Het opschrift van artikel 22.262 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.262 22.263 Omgevingsvergunning opslaan propaan of propeen

RRRRRRRRR

Het opschrift van artikel 22.263 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.263 22.264 Omgevingsvergunning tanken met LPG

SSSSSSSSS

Het opschrift van artikel 22.264 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.264 22.265 Omgevingsvergunning antihagelkanonnen

TTTTTTTTT

Het opschrift van artikel 22.265 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.265 22.266 Omgevingsvergunning biologische agens

UUUUUUUUU

Het opschrift van artikel 22.266 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.266 22.267 Omgevingsvergunning genetisch gemodificeerde organismen

VVVVVVVVV

Het opschrift van artikel 22.267 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.267 22.268 Omgevingsvergunning opslaan dierlijke meststoffen

WWWWWWWWW

Het opschrift van artikel 22.268 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.268 22.269 Vangnetvergunning lozen in de bodem

XXXXXXXXX

Het opschrift van artikel 22.269 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.269 22.270 Vangnetvergunning lozen in schoonwaterriool

YYYYYYYYY

Artikel 22.270 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.270 22.271 Beoordelingsregels omgevingsvergunning milieubelastende activiteiten

Op het verlenen van een omgevingsvergunning voor de activiteiten, bedoeld in Artikel 22.26122.262 tot en met Artikel 22.26922.270, zijn de beoordelingsregels, bedoeld in de artikelen 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing.

ZZZZZZZZZ

Het opschrift van artikel 22.271 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.271 22.272 Toepassingsbereik

AAAAAAAAAA

Het opschrift van artikel 22.272 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.272 22.273 Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit geluid weg of spoorweg

BBBBBBBBBB

Artikel 22.273 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.273 22.274 Aandachtsgebied

  • 1.

    Het aandachtsgebied van een weg, met inbegrip van een spoorweg die is verweven of gebundeld met delen van die weg, bedoeld in Artikel 22.27222.273, eerste lid, strekt zich aan weerszijden van de as van de weg uit tot de volgende afstand, gemeten vanaf de buitenste rijstrook of spoorstaaf:

    • a.

      binnen een krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde bebouwde kom, tenzij het een autoweg of autosnelweg betreft:

      • 1.

        voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken of een of twee sporen: 200 m; en

      • 2.

        voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken of drie of meer sporen: 350 m; en

    • b.

      buiten die bebouwde kom of voor een autoweg of autosnelweg:

      • 1.

        voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken of een of twee sporen: 250 m;

      • 2.

        voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken of drie of meer sporen: 400 m; en

      • 3.

        voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 m.

  • 2.

    Het aandachtsgebied van een spoorweg die niet is verweven of gebundeld met delen van een weg, bedoeld in Artikel 22.27222.273, eerste lid, strekt zich aan weerszijden van de as van de spoorweg uit tot de volgende afstand, gemeten vanaf de buitenste spoorstaaf:

    • a.

      voor een spoorweg in een tunnel: 25 m; en

    • b.

      voor een andere spoorweg: 100 m.

  • 3.

    Als zich langs een weg of spoorweg een aandachtsgebied bevindt dat bestaat uit delen met een onderling verschillende breedte, geldt voor de aansluiting van de verschillende delen dat het breedste deel over een afstand gelijk aan een derde van de breedte van dat deel, gemeten vanaf het punt van versmalling van de breedte, nog langs de as van de weg of spoorweg doorloopt en met een loodlijn aansluit op het smalste aandachtsgebied.

  • 4.

    Aan de uiteinden van een weg of spoorweg loopt het aandachtsgebied door over een afstand gelijk aan de breedte van dat gebied ter hoogte van dat uiteinde. Het aandachtsgebied loopt door langs een lijn die is gelegen in het verlengde van de as van de weg of spoorweg en behoudt de breedte die het had ter hoogte van het uiteinde.

CCCCCCCCCC

Artikel 22.274 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.274 22.275 Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit geluid weg of spoorweg

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in Artikel 22.27222.273, eerste lid, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    een akoestisch onderzoek naar:

    • 1.

      het geluid dat geluidgevoelige gebouwen binnen het aandachtsgebied onmiddellijk voorafgaand aan de wijziging of aanleg van de weg of spoorweg ondervinden;

    • 2.

      het geluid dat geluidgevoelige gebouwen binnen het aandachtsgebied in de toekomst door de weg of spoorweg zouden ondervinden zonder de invloed van maatregelen die de geluidsbelasting beperken;

    • 3.

      het geluid door andere wegen of niet te wijzigen delen van de weg, als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de wijziging van een weg zal leiden tot een toename van meer dan 2 dB van het geluid op geluidgevoelige gebouwen door die wegen of delen;

    • 4.

      de doeltreffendheid van de in aanmerking komende verkeersmaatregelen en andere maatregelen om te voorkomen dat het in de toekomst door de weg optredende geluid op de gebouwen, bedoeld onder 1, de standaardwaarde, zijnde 53 Lden voor een weg en 55 Lden voor een spoorweg, te boven zou gaan of om te voorkomen dat het geluid op geluidgevoelige gebouwen toeneemt ten opzichte van het geluid onmiddellijk voorafgaand aan de wijziging;

  • b.

    een beschrijving van de voorgenomen maatregelen, bedoeld onder a, onder 4; en

  • c.

    een beschrijving van te treffen geluidwerende maatregelen aan gevels van gebouwen waarvoor het toekomstige geluid hoger wordt dan de standaardwaarde en toeneemt ten opzichte van de situatie voor de wijziging of aanleg, voor zover nodig om te voldoen aan de grenswaarde, bedoeld in tabel 3.53 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

DDDDDDDDDD

Artikel 22.275 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.275 22.276 Beoordelingsregel aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit geluid weg of spoorweg

Een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 22.27222.273, eerste lid, wordt alleen verleend als de activiteit er niet toe leidt dat de grenswaarde 70 Lden wordt overschreden.

EEEEEEEEEE

Artikel 22.276 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.276 22.277 Voorschriften binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit geluid weg of spoorweg

Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 22.27222.273, eerste lid, worden voorschriften verbonden die ertoe strekken dat:

  • a.

    maatregelen als bedoeld in Artikel 22.27422.275, onder a, onder 4, worden getroffen, als deze doelmatig zijn; en

  • b.

    maatregelen als bedoeld in Artikel 22.27422.275, onder c, worden getroffen.

FFFFFFFFFF

Het opschrift van artikel 22.277 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.277 22.278 Toepassingsbereik

GGGGGGGGGG

Het opschrift van artikel 22.278 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.278 22.279 Omgevingsplanactiviteit: specifieke beoordelingsregel omgevingsvergunning uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid, bij voorbereidingsbesluit of aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht

HHHHHHHHHH

Het opschrift van artikel 22.279 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.279 22.280 Omgevingsplanactiviteit: beoordelingsregel omgevingsvergunning slopen van een bouwwerk

IIIIIIIIII

Het opschrift van artikel 22.280 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.280 22.281 Omgevingsplanactiviteit: omgevingsvergunning afwijking van regels van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet

JJJJJJJJJJ

Artikel 22.281 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.281 22.282 Omgevingsplanactiviteit: nadere invulling beoordelingsregels omgevingsvergunning afwijking van regels van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet algemeen

Voor zover de in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet gestelde regels over het voor een activiteit als bedoeld in Artikel 22.28022.281 bij omgevingsvergunning afwijken van regels in dat tijdelijke deel de verplichting bevatten om als de activiteit niet in strijd is met die regels de omgevingsvergunning te verlenen, wordt deze verplichting gelezen als een bevoegdheid.

KKKKKKKKKK

Artikel 22.282 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.282 22.283 Omgevingsplanactiviteit: specifieke beoordelingsregel omgevingsvergunning afwijking van regels van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet, bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht

  • 1.

    Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in Artikel 22.28022.281 die in strijd is met de in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet, gestelde regels over afwijking, kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in dat tijdelijke deel.

  • 2.

    Op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend, zijn van overeenkomstige toepassing:

    • a.

      artikel 8.0b, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving;

    • b.

      artikel 8.0c, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en

    • c.

      artikel 8.0d, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

LLLLLLLLLL

Artikel 22.283 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.283 22.284 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het verstrekken van gegevens en bescheiden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning die is vereist op grond van:

  • a.

    het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet;

  • b.

    Artikel 22.28022.281 van dit omgevingsplan;

  • c.

    een andere gemeentelijke regeling dan dit omgevingsplan in samenhang met artikel 22.8 van de Omgevingswet; of

  • d.

    artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.

MMMMMMMMMM

Het opschrift van artikel 22.284 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.284 22.285 Omgevingsplanactiviteit: uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid

NNNNNNNNNN

Het opschrift van artikel 22.285 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.285 22.286 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een bouwwerk

OOOOOOOOOO

Artikel 22.286 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.286 22.287 Omgevingsplanactiviteit: afwijking van regels van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet

  • 1.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in Artikel 22.28022.281 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      het beoogde en het huidige gebruik van de locaties en bouwwerken waarop de aanvraag betrekking heeft;

    • b.

      een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:

      • 1.

        de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;

      • 2.

        de situering van bouwwerken ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;

      • 3.

        de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;

      • 4.

        de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en

      • 5.

        het beoogd gebruik van de locatie behorende bij het voorgenomen bouwwerk.

  • 2.

    Zo nodig wordt een rapport verstrekt waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld.

PPPPPPPPPP

Het opschrift van artikel 22.287 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.287 22.288 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument: algemeen

QQQQQQQQQQ

Artikel 22.288 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.288 22.289 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument voor zover het gaat om een archeologisch monument

  • 1.

    Bij een aanvraag als bedoeld in Artikel 22.28722.288, worden, voor zover het gaat om een archeologisch monument, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een omschrijving van de aard van de activiteit, met vermelding van:

      • 1.

        de omvang in vierkante meters; en

      • 2.

        de diepte, in centimeters ten opzichte van het maaiveld;

    • b.

      een topografische kaart voorzien van een noordpijl en minimaal twee coördinatieparen, met de exacte locatie en omvang van de activiteit;

    • c.

      doorsnedetekeningen met de exacte locatie, omvang en diepte van de afzonderlijke ingrepen ten opzichte van het maaiveld;

    • d.

      als sprake is van een opgraving, ook als deze alleen bestaat uit een proefsleuvenonderzoek of een proefputtenonderzoek: een programma van eisen voor de opgraving;

    • e.

      als sprake is van een booronderzoek met boren met een diameter groter dan 10 cm: een plan van aanpak voor een booronderzoek;

    • f.

      als sprake is van een zichtbaar archeologisch monument: overzichtsfoto's van de bestaande situatie en plantekeningen van de nieuwe toestand; en

    • g.

      voor zover de activiteit bestaat uit een bouwactiviteit: funderingstekeningen.

  • 2.

    Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een rapport waarin de archeologische waarde van dat deel van het archeologisch monument waarop de activiteit van invloed is, in voldoende mate nader is vastgesteld;

    • b.

      een rapport waarin de gevolgen van de activiteit op de archeologische waarden in voldoende mate inzichtelijk zijn gemaakt;

    • c.

      detailtekeningen met van de afzonderlijke ingrepen:

      • 1.

        de exacte locatie;

      • 2.

        de omvang; en

      • 3.

        de diepte ten opzichte van het maaiveld;

    • d.

      voor zover de activiteit bestaat uit aanlegwerkzaamheden of een ontgrondingsactiviteit:

      • 1.

        een bestek met bijbehorende tekeningen; of

      • 2.

        een werkomschrijving met bijbehorende tekeningen;

    • e.

      als sprake is van een sloopactiviteit: bestaande funderingstekeningen; of

    • f.

      als sprake is van een archeologisch monument onder water: een vlakdekkende hoge resolutie sonaropname van de waterbodem en ultrahoge resolutie sonaropnamen van details.

RRRRRRRRRR

Artikel 22.289 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.289 22.290 Eisen aan tekeningen als bedoeld in artikel 22.288

Tekeningen als bedoeld in Artikel 22.28822.289 hebben een schaal die niet kleiner is dan:

  • a.

    1:2000, als het gaat om een topografische kaart;

  • b.

    1:100, als het gaat om een funderingstekening of doorsnedetekening; en

  • c.

    1:50, als het gaat om een detailtekening.

SSSSSSSSSS

Artikel 22.290 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.290 22.291 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een gemeentelijk monument voor zover het gaat om een monument

  • 1.

    Bij de aanvraag, bedoeld in Artikel 22.28722.288, worden, voor zover het gaat om het slopen van een monument, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      de volgende kleurenfoto's die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen sloop:

      • 1.

        overzichtsfoto's van de bestaande situatie; en

      • 2.

        foto's van de bestaande toestand;

    • b.

      de volgende tekeningen:

      • 1.

        als sprake is van het slopen van een deel van het monument waarbij de omvang van het monument wijzigt: situatietekeningen van de bestaande en de nieuwe situatie;

      • 2.

        opnametekeningen van de bestaande toestand met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag:

        • I.

          plattegronden;

        • II.

          doorsneden;

        • III.

          gevelaanzichten; of

        • IV.

          een dakaanzicht; en

      • 3.

        slooptekeningen; en

    • c.

      een omschrijving van de sloopmethode en de aard van en bestemming voor het vrijkomend materiaal.

  • 2.

    Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie of tuinhistorie;

    • b.

      als sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van de bodem onder het te slopen bouwwerk in voldoende mate is vastgesteld;

    • c.

      een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft; of

    • d.

      een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische en constructieve aspecten.

TTTTTTTTTT

Artikel 22.291 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.291 22.292 Omgevingsplanactiviteit: verplaatsen van een gemeentelijk monument voor zover het gaat om een monument

  • 1.

    Bij de aanvraag, bedoeld in Artikel 22.28722.288, worden, voor zover het gaat om het gedeeltelijk of volledig verplaatsen van een monument, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft;

    • b.

      de volgende kleurenfoto's die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen verplaatsing:

      • 1.

        overzichtsfoto's van de bestaande situatie;

      • 2.

        foto's van de bestaande toestand; en

      • 3.

        overzichtsfoto's van de nieuwe locatie;

    • c.

      de volgende tekeningen:

      • 1.

        situatietekeningen van de bestaande en nieuwe situatie;

      • 2.

        opnametekeningen van de bestaande toestand met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag:

        • I.

          plattegronden;

        • II.

          doorsneden;

        • III.

          gevelaanzichten; of

        • IV.

          een dakaanzicht; en

      • 3.

        plantekeningen van de nieuwe toestand met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag:

        • I.

          plattegronden;

        • II.

          doorsneden;

        • III.

          gevelaanzichten; of

        • IV.

          een dakaanzicht;

    • d.

      een bestek of werkomschrijving van de wijze van demonteren, van het verplaatsen naar de nieuwe locatie en de herbouw; en

    • e.

      als de activiteit bestaat uit het verplaatsen van een molen; een rapport over de molenbiotoop van de bestaande en de nieuwe situatie.

  • 2.

    Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie, tuinhistorie of over de relatie van het monument tot zijn historische omgeving;

    • b.

      als op de bestaande of op de nieuwe locatie sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van het terrein dat volgens de aanvraag door de activiteit zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld;

    • c.

      een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische, constructieve, materiaaltechnische of preventieve aspecten;

    • d.

      aanvullende tekeningen van de bestaande en nieuwe toestand, met inbegrip van detailtekeningen; of

    • e.

      een opgave van de bij de voorbereiding en het verrichten van de activiteit te hanteren uitvoeringsrichtlijnen.

UUUUUUUUUU

Artikel 22.292 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.292 22.293 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument: wijzigen van een monument of monument door herstel ontsieren of in gevaar brengen

  • 1.

    Bij de aanvraag, bedoeld in Artikel 22.28722.288, worden, voor zover het gaat om het wijzigen van een monument of het herstellen daarvan waardoor het kan worden ontsierd of in gevaar kan worden gebracht, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      de volgende kleurenfoto's die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen activiteit:

      • 1.

        overzichtsfoto's van de bestaande situatie; en

      • 2.

        detailfoto's van de bestaande toestand, die een duidelijke indruk geven van het onderdeel van het monument waar de voorgenomen activiteit zal worden verricht;

    • b.

      de volgende tekeningen:

      • 1.

        een situatietekening van de bestaande situatie, en als de nieuwe situatie daarvan afwijkt: een situatietekening van de nieuwe situatie;

      • 2.

        opnametekeningen van de bestaande toestand met voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag:

        • I.

          plattegronden;

        • II.

          doorsneden;

        • III.

          gevelaanzichten; of

        • IV.

          een dakaanzicht;

      • 3.

        als er gebreken worden hersteld: gebrekentekeningen;

      • 4.

        plantekeningen van de nieuwe toestand en van de voorgenomen werkzaamheden, met inbegrip van de te vervangen of te veranderen onderdelen en de te verhelpen gebreken, met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag:

        • I.

          plattegronden;

        • II.

          doorsneden;

        • III.

          gevelaanzichten; of

        • IV.

          een dakaanzicht; en

      • 5.

        als sprake is van verwijdering van materiaal: slooptekeningen; en

    • c.

      een omschrijving van de aard en omvang van de activiteit in de vorm van een bestek of werkomschrijving, met:

      • 1.

        de te gebruiken en de te vervangen materialen, de toe te passen constructies, afwerkingen en kleuren, en de wijze van uitvoering of verwerking; en

      • 2.

        als sprake is van verwijdering van materiaal: de sloopmethode en de aard van en bestemming voor het vrijkomend materiaal.

  • 2.

    Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie of tuinhistorie;

    • b.

      als sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld;

    • c.

      een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft;

    • d.

      een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische, constructieve, materiaaltechnische of preventieve aspecten;

    • e.

      aanvullende tekeningen van de bestaande en nieuwe toestand, met inbegrip van detailtekeningen;

    • f.

      voor zover er algemene kwaliteitsnormen of uitvoeringsrichtlijnen voor de instandhouding van monumenten op de activiteit van toepassing zijn: een opgave of de voorgenomen activiteit hierop is afgestemd; of

    • g.

      als de activiteit een monument betreft dat een tuinaanleg, parkaanleg of andere groenaanleg is: een beheervisie.

VVVVVVVVVV

Artikel 22.293 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.293 22.294 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument: monument door gebruik ontsieren of in gevaar brengen

Bij een aanvraag als bedoeld in Artikel 22.28722.288 wordt, voor zover het gaat om het gebruiken van een monument waardoor het kan worden ontsierd of in gevaar gebracht, een opgave verstrekt van de maatregelen die worden getroffen om deze nadelige gevolgen te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.

WWWWWWWWWW

Artikel 22.294 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.294 22.295 Eisen aan tekeningen als bedoeld in de artikelen 22.290 tot en met 22.292

  • 1.

    Bij een aanvraag als bedoeld in Artikel 22.29022.291 tot en met Artikel 22.29222.293 hebben tekeningen een schaal die niet kleiner is dan:

    • a.

      1:1000, als het gaat om een situatietekening;

    • b.

      1:100, als het gaat om een algemene geveltekening;

    • c.

      1:20 of 1:50, als het gaat om een geveltekening voor een ingrijpende wijziging; en

    • d.

      1:100, als het gaat om een plattegrondtekening, doorsnedetekening of een tekening van het dakaanzicht.

  • 2.

    Een detailtekening heeft een schaal van 1:1, 1:2 of 1:5 en is voorzien van een omschrijving van de materiaaltoepassing en de maatvoering.

  • 3.

    Uit een situatietekening die is voorzien van een noordpijl blijkt de oriëntatie van het monument op het perceel en ten opzichte van omliggende bebouwing en wegen.

  • 4.

    Een plattegrondtekening en een doorsnedetekening bevatten de volgende historische gegevens:

    • a.

      balklagen:

      • 1.

        gestippeld aangegeven in plattegronden van ruimten onder de balklagen; en

      • 2.

        getekend aangegeven in doorsneden met aanduiding van de afmetingen;

    • b.

      geornamenteerde plafonds, gestippeld aangegeven in plattegronden van de ruimten waar deze zich bevinden;

    • c.

      houtafmeting, balklagen en kapconstructie, aangegeven in doorsneden van de bestaande en van de nieuwe toestand; en

    • d.

      bijzondere ruimten of bouwdelen, direct of indirect betrokken bij de activiteit, aangegeven in plattegronden en doorsneden.

XXXXXXXXXX

Artikel 22.295 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.295 22.296 Overeenkomstige toepassing voorbeschermd gemeentelijk monument

Artikel 22.28722.288 tot en met Artikel 22.29422.295 zijn van overeenkomstige toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een voorbeschermd gemeentelijk monument.

YYYYYYYYYY

Het opschrift van artikel 22.296 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.296 22.297 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een bouwwerk in een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht

ZZZZZZZZZZ

Het opschrift van artikel 22.297 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.297 22.298 Omgevingsplanactiviteit: uitweg

AAAAAAAAAAA

Het opschrift van artikel 22.298 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.298 22.299 Omgevingsplanactiviteit: alarminstallatie

BBBBBBBBBBB

Het opschrift van artikel 22.299 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.299 22.300 Omgevingsplanactiviteit: vellen van houtopstand

CCCCCCCCCCC

Het opschrift van artikel 22.300 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.300 22.301 Omgevingsplanactiviteit: handelsreclame

DDDDDDDDDDD

Het opschrift van artikel 22.301 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.301 22.302 Omgevingsplanactiviteit: opslaan roerende zaken

EEEEEEEEEEE

Het opschrift van artikel 22.302 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.302 22.303 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een bouwwerk in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht

FFFFFFFFFFF

Artikel 22.303 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.303 22.304 Voorschriften over archeologische monumentenzorg

  • 1.

    Aan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of een werkzaamheid als bedoeld in Artikel 22.28422.285, eerste lid, die van invloed is op een archeologisch monument kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg in ieder geval voorschriften worden verbonden, die inhouden een plicht tot:

    • a.

      het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in situ kunnen worden behouden;

    • b.

      het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;

    • c.

      het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties; en

    • d.

      het verrichten van een opgraving of een archeologische begeleiding op een bepaalde wijze, als die wijze in overeenstemming is met artikel 5.4, eerste en tweede lid, van de Erfgoedwet.

  • 2.

    Aan een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit op of in een archeologisch monument in een beschermd stads- of dorpsgezicht kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg voorschriften over de wijze van slopen worden verbonden.

GGGGGGGGGGG

Bijlage II wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage II I Begripsbepalingen BIJ ARTIKEL 1.1, TWEEDE LID, VAN DIT OMGEVINGSPLAN, BEGRIPSBEPALINGEN

Voor de toepassing van hoofdstuk 22 wordt verstaan onder:

(woon)boerderij

een (voormalige) agrarische bedrijfswoning met in de bouwmassa opgenomen (voormalige) agrarische bedrijfsruimten, die samen een geïntegreerde eenheid (bouwkarakteristiek waarbij woon- en bedrijfsgedeelte van oudsher aan elkaar verbonden zijn) vormen;

AS SIKB 2000

AS SIKB 2000: Accreditatieschema Veldwerk bij Milieuhygiënisch Bodem- en waterbodemonderzoek, versie 2.8, 07‑02‑2014, met wijzigingsblad van 10‑02‑2018;

aan-huis-verbonden-bedrijf of -beroep

een bedrijf dat is gericht op het vervaardigen van producten en/of het leveren van diensten of een dienstverlenend beroep op zakelijk, maatschappelijk, juridisch, medisch, vastgesteld technisch of kunstzinnig gebied, dat in een (gedeelte van) of bij een woning wordt uitgeoefend door de gebruik(st)er(s) van de woning, en dat niet krachtens een milieuwet vergunning- of meldingplichtig is. Detailhandel, met uitzondering van ondergeschikte detailhandel, is niet toegestaan;

BRL SIKB 2000

BRL SIKB 2000: Beoordelingsrichtlijn 2000, Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek, versie 5, 12‑12‑2013;

aanbouw, uitbouw of bijgebouw (bijbehorend bouwwerk)

uitbreiding van een hoofdgebouw of functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar wel of niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak. Ook het vergroten van een bestaande aanbouw, uitbouw of bijgebouw zoals een overkapping valt hieronder. Bijvoorbeeld als u een kelder gaat aanleggen onder een al bestaande aanbouw;

aansluitafstand

afstand tussen een leiding van het distributienet en het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij die leiding bevindt, gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt;

BRL SIKB 7000

BRL SIKB 7000: Beoordelingsrichtlijn 7000, Uitvoering van (water)bodemsaneringen en ingrepen in de waterbodem, versie 5, 19‑06‑2014, met wijzigingsblad van 12‑02‑2015;

achtererfgebied

gebouwerf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op één meter achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het gebouwerf achter het hoofdgebouw te komen. Waarbij als op een perceel meer gebouwen aanwezig zijn (die noodzakelijk zijn voor het verrichten van de op de grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit op het perceel toegestane activiteiten) of als het hoofdgebouw geen woning is, maar op het perceel wel één of meer op de grond staande woningen aanwezig zijn, voor het leggen van deze lijn bepalend is: het hoofdgebouw, de woning of een van de andere hiervoor bedoelde gebouwen, waarvan de voorkant het dichtst gelegen is bij openbaar toegankelijk gebied;

Activiteitenbesluit-bedrijventerrein

cluster aaneengesloten percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen, binnen een in het omgevingsplan als bedrijventerrein aangewezen gebied, daaronder niet begrepen een gezoneerd industrieterrein of een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;

ISO 11423-1 afscheiding tussen balkons of dakterrassen

ISO 11423-1:1997: Water – Bepaling van het gehalte aan benzeen en enige afgeleiden – Deel 1: Gaschromatografische methode met bovenruimte, versie 1997 dit is een afscheiding tussen balkons of dakterrassen ten behoeve van de privacy;

NEN 5725

NEN 5725:2017: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, versie 2017;

antenne-installatie

een antenne-installatie bestaande uit een antenne, een antennedrager, de bedrading en de in één of meer techniekkasten opgenomen apparatuur, met de daarbij behorende bevestigingsconstructie in de vorm van een schotelantenne en spriet- of staafantenne of soortgelijke antennes; 

NEN 5740

NEN 5740:2009/A1:2016: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond, versie 2009+A1 en 2016;

archeologisch monument

terrein dat deel uitmaakt van cultureel erfgoed vanwege de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen;

NEN 6090

NEN 6090:2017: Bepaling van de vuurbelasting, versie 2017;

bebouwingscontour geur

bebouwingscontour geur als bedoeld in artikel 5.97 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, of de bebouwde kom, bedoeld in artikel 12.14 van het Besluit kwaliteit leefomgeving;

NEN 6578

NEN 6578:2011: Water – Potentiometrische bepaling van het totale gehalte aan totaal fluoride, versie 2011;

bebouwingscontour houtkap

een gebied dat door de gemeente wordt aangewezen in het Omgevingsplan, aansluitend aan het stedelijk gebied conform artikel 5.165b van het Besluit kwaliteit leefomgeving;

NEN 6589

NEN 6589:2005/C1:2010: Water – Potentiometrische bepaling van het gehalte aan totaal anorganisch fluoride met doorstroomsystemen (FIA en CFA), versie 2010;

bebouwingscontour jacht

een gebied dat door de gemeente wordt aangewezen in het Omgevingsplan, aansluitend aan het stedelijk gebied conform artikel 5.165a van het Besluit kwaliteit leefomgeving;

bebouwingsgebied

achtererfgebied en de grond onder het hoofdgebouw, uitgezonderd de grond onder het oorspronkelijk hoofdgebouw;

NEN 6600-1

NEN 6600-1:2019: Water - Monsterneming - Deel 1: Afvalwater, versie 2019;

bebouwingsgebied

achtererfgebied en de grond onder het hoofdgebouw, uitgezonderd de grond onder het oorspronkelijk hoofdgebouw;

NEN 6965

NEN 6965:2005: Milieu - Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten - Atomaire-absorptiespectrometrie met vlamtechniek, versie 2005;

bebouwingspercentage

het in procenten uitgedrukte deel van een bouwwerkperceel dat ten hoogste mag worden bebouwd;

NEN 6966

NEN 6966:2006: Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma, versie 2005 + C1:2006;

bedrijventerrein

cluster aaneengesloten percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen, binnen een in het omgevingsplan als bedrijventerrein aangewezen gebied, daaronder niet begrepen een gezoneerd industrieterrein of een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;

NEN-EN 858-1 A1 beperkingengebied

NEN-EN 858-1:2002/A1:2004: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2002 + A1: 2004 bij of krachtens de wet aangewezen gebied waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of project;

NEN-EN 858-2

NEN-EN 858-2:2003: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) - Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2003;

beschoeiing, damwand of andere constructie voor het overbruggen van een terreinhoogteverschil

een grondkering of damwand wordt ook wel keermuur, walmuur of kademuur genoemd. Het gaat hier om constructies die voorkomen dat grond kan gaan schuiven in verband met hoogteverschillen in het terrein;

NEN-EN 872

NEN-EN 872:2005: Water – Bepaling van het gehalte aan onopgeloste stoffen – Methode door filtratie over glasvezelfilters, versie 2005;

bijeenkomstfunctie

gebruiksfunctie voor het samenkomen van personen voor kunst, cultuur, godsdienst, communicatie, kinderopvang, het verstrekken van consumpties voor het gebruik ter plaatse, ontspanning of het aanschouwen van sport;

NEN-EN 1825-1

NEN-EN 1825-1:2004: Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2004 + C1:2006;

boerderijlichaam

een (voormalige) agrarische bedrijfswoning met in de bouwmassa opgenomen (voormalige) agrarische bedrijfsruimten, die samen een geïntegreerde eenheid (bouwkarakteristiek waarbij woon- en stalgedeelte van oudsher aan elkaar verbonden zijn) vormen;

NEN-EN 1825-2

NEN-EN 1825-2:2002: Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2002;

bouwen

plaatsen, geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen, veranderen of vergroten;

NEN-EN 12566-1

NEN-EN 12566-1:2016: Kleine afvalwaterzuiveringsinstallaties kleiner dan of gelijk aan 50 IE - Deel 1: Geprefabriceerde septictanks, versie 2016;

bouwkeet, bouwbord, steiger of andere hulpconstructie voor bouw-, sloop- of aanlegwerkzaamheden plaatsen

hieronder valt de plaatsing van (tijdelijke) bouwwerken die worden gebruikt tijdens en ten behoeve van de bouw of sloop van een bouwwerk, bijvoorbeeld voor een bouwbord, steiger, heistelling, hijskraan of damwand. Ook bouwwerken voor het uitvoeren van werkzaamheden in grond-, wegen- en waterbouw en bouwwerken voor werkzaamheden met een verplaatsbaar mijnbouwwerk, waarop het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing is, vallen hieronder;

NEN-EN 12673 bouwkosten

NEN-EN 12673:1999: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal geselecteerde chloorfenolen in water, versie 1999;

onder bouwkosten wordt verstaan:

NEN-EN 16693

NEN-EN 16693:2015: Water – Bepaling van de organochloor pesticiden (OCP) in watermonsters met behulp van vaste fase extractie (SPE) met SPE-disks gecombineerd met gaschromatografie-massaspectrometrie (GC-MS), versie 2015;

bouwwerk

constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren, met inbegrip van de daarvan deel uitmakende bouwwerkgebonden installaties anders dan een schip dat wordt gebruikt voor verblijf van personen en dat is bestemd en wordt gebruikt voor de vaart;

NEN-EN-ISO 2813

NEN-EN-ISO 2813:2014: Verven en vernissen – Bepaling van de glans (spiegelende reflectie) van niet-metallieke verflagen onder 20 graden, 60 graden en 85 graden, versie 2014;

bouwwerk voor agrarische bedrijfsvoering plaatsen

hieronder valt de bouw van voeder-, mest- en sleufsilo's, kuilvoer- en mestplaten en tanks voor opslag van bijvoorbeeld brandstof, spoelwater of melk. Het gaat hier om bouwwerken die geen gebouw zijn;

NEN-EN-ISO 5667-3

NEN-EN-ISO 5667-3:2018: Water - Monsterneming - Deel 3: Conservering en behandeling van watermonsters, versie 2018;

bouwwerk, geen gebouw zijnde

bouwwerk of gedeelte daarvan, voor zover dat geen gebouw of onderdeel daarvan is;

NEN-EN-ISO 5815-1

NEN-EN-ISO 5815-1:2019: Water - Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) - Deel 1: Verdunning en enting onder toevoeging van allylthioureum, versie 2019;

bouwwerken ten behoeve van het verkeer, de infrastructuur of openbare voorzieningen plaatsen

hieronder valt de plaatsing van zowel gebouwen als bouwwerken, bijvoorbeeld verkeersborden en -lichten, wegbewijzering, elektriciteitskastjes, meetstations, nutsgebouwen en buis- en leidingstelsels. Ook het plaatsen van (ondergrondse)containers voor het inzamelen van huishoudelijk afval valt hieronder;

NEN-EN-ISO 5815-2

NEN-EN-ISO 5815-2:2003: Water - Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) - Deel 2: Methode voor onverdunde monsters, versie 2003;

bouwwerkperceel

perceel dat als uitgangspunt dient bij het toetsen van een bouwwerk aan de regels van dit omgevingsplan;

NEN-EN-ISO 9377-2

NEN-EN-ISO 9377-2:2000: Water - Bepaling van de minerale-olie-index - Deel 2: Methode met vloeistofextractie en gas-chromatografie, versie 2000;

bruto-vloeroppervlakte

bruto-vloeroppervlakte als bedoeld in NEN 2580;

buitengebied

het gebied zoals opgenomen in het voormalige bestemmingsplan Buitengebied en het bestemmingsplan Buitengebied, Veegplan 1 én Buitengebied, Veegplan 2, met uitzondering van gebieden die in het omgevingsplan zijn aangeduid als Gebiedstype Biesbosch, Gebiedstype Bedrijventerrein, of Gebiedstype Havengebied;

NEN-EN-ISO 9562 buitenplanse omgevingsplanactiviteit

NEN-EN-ISO 9562:2004: Water – Bepaling van adsorbeerbare organisch gebonden halogenen (AOX), versie 2004;

activiteit, inhoudende:

  • a.

    een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan, of

  • b.

    een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan;

concentratiegebied geurhinder en veehouderij

gebied I of gebied II, bedoeld in bijlage I bij de Meststoffenwet, of een in dit omgevingsplan aangewezen concentratiegebied;

NEN-EN-ISO 10301

NEN-EN-ISO 10301:1997: Water – Bepaling van zeer vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen – Gaschromatografische methoden, versie 1997;

cultureel erfgoed

monument(en), archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;

NEN-EN-ISO 10523

NEN-EN-ISO 10523:2012: Water – Bepaling van de pH, versie 2012;

dak- of gevelopbouw

een constructie ter vergroting van een gebouw die zich boven de dakvoet bevindt waarbij deze constructie deels boven de oorspronkelijke daknok uitkomt of de oorspronkelijke daknok vervangt en de onderzijden van de constructie in een of beide dakvlakken is of zijn geplaatst;

NEN-EN-ISO 11885

NEN-EN-ISO 11885:2009: Water – Bepaling van geselecteerde elementen met atomaire-emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma (ICP-AES), versie 2009;

dakkapel

een dakkapel is een in een schuin dakvlak van één gebouw/woning of eenheid te bouwen uitbouw. Een dakkapel heeft twee zijkanten, een verticale voorkant en een eigen dak;

NEN-EN-ISO 12846

NEN-EN-ISO 12846:2012: Water - Bepaling van kwik - Methode met atomaire-absorptiespectrometrie met en zonder concentratie, versie 2012;

daknok

hoogste punt van een schuin dak;

NEN-EN-ISO 14403-1

NEN-EN-ISO 14403-1:2012: Water – Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) – Deel 1: Methode met doorstroominjectie analyse (FIA), versie 2012;

dakraam, lichtstraat of soortgelijke voorziening

hieronder valt de plaatsing van alle raamopeningen, dus ook daklichten, dakserres of balkonvensters in een schuin dakvlak of op een plat dak van één gebouw/woning;

NEN-EN-ISO 14403-2

NEN-EN-ISO 14403-2:2012: Water – Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) – Deel 2: Methode met continu doorstroomanalyse (CFA), versie 2012;

dakvoet

laagste punt van een schuin dak;

distributienet voor warmte

collectief circulatiesysteem voor het transport van warmte door een circulerend medium voor verwarming of warmtapwater;

NEN-EN-ISO 15587-1

NEN-EN-ISO 15587-1:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 1: Koningswater ontsluiting, versie 2002;

erf- of perceelafscheiding

hieronder vallen hekwerken, tuinmuren, schuttingen van beton of hout, vlechtschermen en andere kant-en-klare afscheidingen. Beplanting in de vorm van op zichzelf staande hagen en heesters vallen hier niet onder. Een hekwerk voor de geleiding van beplanting zoals klimop wordt wel gezien als een constructie;

NEN-EN-ISO 15587-2

NEN-EN-ISO 15587-2:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 2: Ontsluiting met salpeterzuur, versie 2002;

erker

een erker is een trapeziumvormig, rechthoekig of halfrond vertrek als uitbreiding van een ruimte of ander vertrek in een gebouw die buiten de voorgevel uitsteekt en in open verbinding staat met de achterliggende leefruimte. De buitenzijde wordt begrensd door kozijnen. Bij een erker ligt de vloer meestal op gelijke hoogte met de achterliggende leefruimte. In verhouding tot de massa van het hoofdgebouw is een erker een ondergeschikte toevoeging;

NEN-EN-ISO 15680

NEN-EN-ISO 15680:2003: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal monocyclische aromatische koolwaterstoffen, naftaleen en verscheidene gechloreerde verbindingen met «purge-and-trap» en thermische desorptie, versie 2003;

flora- en fauna-activiteit

activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten;

NEN-EN-ISO 15682 functiegebied

NEN-EN-ISO 15682:2001: Water – Bepaling van het gehalte aan chloride met doorstroomanalyse (CFA en FIA) en fotometrische of potentiometrische detectie, versie 2001 gebruiksgebied of een gedeelte daarvan, waar de voor die gebruiksfunctie kenmerkende activiteiten anders dan het verblijven van personen plaatsvinden;

NEN-EN-ISO 15913

NEN-EN-ISO 15913:2003: Water – Bepaling van geselecteerde fenoxyalkaanherbicide, inclusief bentazonen en hydroxybenzonitrillen met gaschromatografie en massaspectrometrie na vastefase-extractie en derivatisering, versie 2003;

gebouw

een gebouw is een bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

NEN-EN-ISO 17294-2

NEN-EN-ISO 17294-2:2016: Water – Toepassing van massaspectrometrie met inductief gekoppeld plasma – Deel 2: Bepaling van geselecteerde elementen inclusief uranium isotopen, versie 2016;

gebouwerf

bebouwd of onbebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, waarbij het omgevingsplan die inrichting niet verbiedt;

NEN-EN-ISO 17852

NEN-EN-ISO 17852:2008: Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaire fluorecentiespectometrie, versie 2008;

gebruiksfunctie

gedeelten van één of meer bouwwerken die dezelfde gebruiksbestemming hebben en die samen een gebruikseenheid vormen;

NEN-EN-ISO 17993

NEN-EN-ISO 17993:2004: Water – Bepaling van 15 polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) in water met HPLC met fluorescentiedetectie na vloeistof-vloeistof extractie, versie 2004;

gebruiksgebied

vrij indeelbaar gedeelte van een gebruiksfunctie waar voor de gebruiksfunctie kenmerkende activiteiten plaatsvinden, dat bestaat uit een of meer op dezelfde bouwlaag gelegen ruimten gelegen in een brandcompartiment die niet door een dragende scheidingsconstructie van elkaar zijn gescheiden en die geen toiletruimte, badruimte, technische ruimte of verkeersruimte zijn, tenzij die ruimte zelf een functieruimte is;

NEN-ISO 15705 gebruiksoppervlakte

NEN-ISO 15705:2003: Water – Bepaling van het chemisch zuurstofverbruik (ST-COD) – Kleinschalige gesloten buis methode, versie 2003 gebruiksoppervlakte als bedoeld in NEN 2580;

NEN-ISO 15923-1

NEN-ISO 15923-1:2013: Waterkwaliteit – Bepaling van de ionen met een discreet analysesysteem en spectrofotometrische detectie – Deel 1: Ammonium, chloride, nitraat, nitriet, ortho-fosfaat, silicaat en sulfaat, versie 2013;

gemeenschappelijk gebruik

gemeenschappelijk gebruik is voor een ieder toegankelijk, op openbaar gebied en zonder commerciële of zakelijke doeleinden;

geurgevoelig object

a. gebouw

1.dat op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en;

2.dat gezien de aard, indeling en inrichting geschikt is om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en

3.dat permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze wordt gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; of

b.geurgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is, maar op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebouwd;

gezondheidszorgfunctie

gebruiksfunctie voor medisch onderzoek, verpleging, verzorging of behandeling;

gezoneerd industrieterrein

industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet;

hoofdgebouw

gebouw, of bouwkundig en functioneel te onderscheiden gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor het verrichten van andere activiteiten dan bouwactiviteiten die op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit op het perceel zijn toegestaan en, als meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die toegestane activiteiten het belangrijkst is;

houtopstand

zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend;

huishouden

persoon of groep personen die een huishouden voert waarbij sprake is van een onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan, die binnen een woning gebruik maakt van dezelfde voorzieningen;

huisvesting in verband met mantelzorg

huisvesting in of bij een woning van één huishouden van ten hoogste twee personen, van wie ten minste één persoon mantelzorg verleent aan of ontvangt van een bewoner van de woning;

industriefunctie

gebruiksfunctie voor het bedrijfsmatig bewerken of opslaan van materialen en goederen, of voor bedrijfsmatige agrarische doeleinden;

kamergewijze verhuur

het verhuren of aanbieden van onzelfstandige woonruimte/kamers voor bewoning van een niet-gemeenschappelijk deel van een woonfunctie waarin zich vijf of meer wooneenheden bevinden;

kantoorfunctie

gebruiksfunctie voor administratie;

kozijn, kozijninvulling, gevelpaneel of boeideel, of stucwerk

hieronder vallen alle veranderingen aan de raamindeling of het vergroten of verkleinen van openingen in de gevel van een gebouw. Ook het plaatsen van een nieuw kozijn valt hieronder. Een boeideel is een afwerkingsplank aan de dakrand van een gebouw. Stucwerk is een niet-constructieve laag pleister of mortel op muren of gevels;

landbouwhuisdieren met geuremissiefactor

 

landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling een emissiefactor voor geur is vastgesteld en die vallen binnen een van de volgende diercategorieën: a.varkens, kippen, schapen of geiten; en b.als deze worden gehouden voor de vleesproductie: 1.rundvee tot 24 maanden; 2.kalkoenen; 3.eenden; of 4.parelhoenders;

  • a.

     varkens, kippen, schapen of geiten; en

  • b.

    als deze worden gehouden voor de vleesproductie: 1.rundvee tot 24 maanden; 2.kalkoenen; 3.eenden; of 4.parelhoenders;

landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor

landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen emissiefactor voor geur is vastgesteld, met uitzondering van pelsdieren.

logiesfunctie

gebruiksfunctie voor het bieden van recreatief verblijf of tijdelijk onderdak aan personen;

mantelzorg

intensieve zorg of ondersteuning, die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, ten behoeve van zelfredzaamheid of participatie, rechtstreeks voortvloeiend uit een tussen personen bestaande sociale relatie, die de gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar overstijgt, en waarvan de behoefte met een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur kan worden aangetoond;

monument

onroerende zaak die deel uitmaakt van cultureel erfgoed, als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. Het gaat hier om alle gemeentelijke-, provinciale- en Rijksmonumenten;

nevengebruiksfunctie

gebruiksfunctie die ten dienste staat van een andere gebruiksfunctie;

normaal onderhoud verrichten

hieronder vallen alle werkzaamheden die erop gericht zijn het gebouw, of delen daarvan, in stand te houden of te repareren. Onderhoud heeft dus geen invloed op de structuur of het uiterlijk van een bouwwerk;

omgevingsplanactiviteit

activiteit, inhoudende:

  • a.

    een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het verboden is deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die niet in strijd is met het omgevingsplan,

  • b.

    een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het verboden is deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan, of

  • c.

    een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan;

ondergeschikte bouwdelen

ondergeschikte delen aan een gebouw zoals balkons, balkonhekken, trappen, bordessen, funderingen, kelderingangen, overstekende daken, goten, luifels, schoorstenen, liftopbouwen, plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, gevel- en kroonlijsten, reclameborden en andere ondergeschikte bouwdelen;

ondergronds bouwwerk

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal die onder het straatpeil is gelegen;

onderwijsfunctie

gebruiksfunctie voor het geven van onderwijs;

onzelfstandige woonruimte

woonruimte die geen eigen toegang heeft en die niet door een huishouden kan worden bewoond zonder gebruik te maken van wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte;

oorspronkelijk hoofdgebouw

het hoofdgebouw zoals dat ten tijde van de afronding van de bouwwerkzaamheden, overeenkomstig de voor het hoofdgebouw verleende vergunning, is opgeleverd;

openbaar toegankelijk gebied

wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, en pleinen, parken, plantsoenen, openbaar vaarwater en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen alleen bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer;

oppervlaktewaterlichaam

samenhangend geheel van vrij aan het aardoppervlak voorkomend water, met de daarin aanwezige stoffen, en de bijbehorende bodem en oevers, alsmede flora en fauna;

overige gebruiksfunctie

niet in dit onderdeel benoemde gebruiksfunctie voor activiteiten waarbij het verblijven van personen een ondergeschikte rol speelt;

overkapping

een bouwwerk, geen gebouw zijnde voorzien van een gesloten dak;

particulier gebruik

particulier gebruik (ook wel privégebruik) is voor persoonlijke doeleinden, hobby of gezin. Hieronder valt niet commerciële of zakelijke doeleinden;

peil

onder peil wordt verstaan:

  • a.

    voor een gebouw, gebouwencomplex of ander bouwwerk waarvan de voorgevel direct aan de weg grenst: het peil van het hoogst aangrenzende weggedeelte;

  • b.

    voor een gebouw, gebouwencomplex of ander bouwwerk waarvan de voorgevel niet direct aan de weg grenst: het peil van het hoogste aangrenzende terreingedeelte;

  • c.

    indien het gebouw, gebouwencomplex of bouwwerk is gelegen in geaccidenteerd terrein of tussen twee wegen, geldt het peil van het hoogst aangrenzende terrein- of weggedeelte nabij de voorgevel van het gebouw;

  • d.

    indien het gebouw op het water drijft: het waterpeil;

rijksmonumentenactiviteit

activiteit inhoudende het slopen, verstoren, verplaatsen of wijzigen van een rijksmonument of een voorbeschermd rijksmonument of het herstellen of gebruiken daarvan waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht;

sport- of speeltoestel

een sport- of speeltoestellen is een bouwwerk, geen gebouw zijnde dat uitsluitend functioneert met behulp van zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens;

sportfunctie

gebruiksfunctie voor het beoefenen van sport;

stacaravan, vakantiehuis of ander recreatief nachtverblijf

hieronder vallen tenten, (sta)caravans, tentwagens, kampeerauto's, trekkershutten, recreatiebungalows en andere verblijven die worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf;

stedelijk gebied

op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit toegelaten stedenbouwkundig samenstel van bebouwing voor wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel en horeca, en de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen en infrastructuur, met uitzondering van stedelijk groen aan de rand van die bebouwing en lintbebouwing langs wegen, waterwegen of waterkeringen;

straatpeil

a. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;

b. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;

tijdelijk bouwwerk

bouwwerk met een instandhoudingstermijn van ten hoogste 15 jaar op dezelfde locatie;

toestemmingsvrij

het is toegestaan zonder vergunning de activiteit uit te voeren overeenkomstig de regels uit het omgevingsplan. Er geldt ook geen informatie- of meldingsplicht voor deze activiteit;

tuinmeubilair

hieronder valt tuinmeubilair wat een vaste plaats krijgt op het erf en dat niet (makkelijk) te verwijderen is, bijvoorbeeld pergola's, zonnewijzers en zitbanken. Hieronder valt niet tuinmeubilair dat wel eenvoudig te verplaatsen is zoals tuinstoelen;

valkeniersactiviteit

het gebruik van een vogel voor het vangen of doden van een dier;

vellen

rooien of verrichten van andere handelingen die de dood of ernstige beschadiging van een houtopstand tot gevolg kunnen hebben;

verblijfsgebied

gebruiksgebied of een gedeelte daarvan voor het verblijven van personen;

verbouwen

gedeeltelijk vernieuwen, veranderen of vergroten, anders dan vernieuwen na sloop waarbij alleen de oorspronkelijke fundering resteert;

vlaggenmast

een vlaggenmast is een mast, paal of stok die op zichzelf staat, op de grond staat en die uitsluitend gebruikt wordt om een vlag aan te bevestigen;

voorbeschermd monument

monument of archeologisch monument waarvoor het omgevingsplan, de omgevingsverordening een voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om aan dat monument of archeologisch monument in het omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven of in geval van een Rijksmonument waarvoor de toezending van het ontwerpbesluit tot aanwijzing als Rijksmonument op grond van artikel 3:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft plaatsgevonden, vanaf de dag van die toezending tot het moment van inschrijving in het Rijksmonumentenregister, bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, of het moment waarop vaststaat dat het monument of archeologisch monument niet wordt ingeschreven in dat register;

voorerfgebied

gebouwerf dat geen onderdeel is van het achtererfgebied;

warmteplan

besluit over de aanleg van een distributienet voor warmte in een bepaald gebied, waarin voor een periode van ten hoogste 10 jaar, uitgaande van het voor die periode geplande aantal aansluitingen op dat distributienet, de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu, gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte, bij aansluiting op dat distributienet is opgenomen.

warmteplan

besluit over de aanleg van een distributienet voor warmte in een bepaald gebied, waarin voor een periode van ten hoogste 10 jaar, uitgaande van het voor die periode geplande aantal aansluitingen op dat distributienet, de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu, gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte, bij aansluiting op dat distributienet is opgenomen;

waterkering

een object om water tegen te houden, bijvoorbeeld een dijk, een dam, een sluis en een stormvloedkering;

winkelfunctie

gebruiksfunctie voor het verhandelen van materialen, goederen of diensten;

winterbed

rivierbed, met uitzondering van:

  • a.

    de stroomgeul, begrensd door denkbeeldige lijnen aan beide zijden daarvan bij gewoon hoog zomerwater of gewone vloed, die de as van de rivier volgen en de worteleinden van de kribben in de rivier met elkaar verbinden, of, voor zover geen kribben in de rivier aanwezig zijn, begrensd door haar oeverlijnen bij gewoon hoog zomerwater of gewone vloed, waarbij de oeverlijnen in een denkbeeldige lijn worden doorgetrokken op plaatsen waar water in de uiterwaard in open verbinding staat met de stroomgeul;

  • b.

    nevengeulen in beheer bij het Rijk; en

  • c.

    havens die in open verbinding staan met de stroomgeul in beheer bij het Rijk;

woning

een ruimte of complex van ruimten, bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden;

wooneenheid

een afzonderlijk te gebruiken ruimte voor bewoning, zoals een volledige woning, een zelfstandig appartement of een onzelfstandige kamer in een pand met gedeelde voorzieningen (gedeelte van een woonfunctie voor kamergewijze verhuur voor afzonderlijke bewoning);

woonfunctie

gebruiksfunctie voor het wonen;

woonruimte

besloten ruimte die, al dan niet tezamen met een of meer andere ruimten, bestemd of geschikt is voor bewoning door een huishouden, met inbegrip van een standplaats voor een woonwagen en de ligplaats voor een woonschip;

zelfstandige woonruimte

woonruimte die een eigen toegang heeft en die door een huishouden kan worden bewoond zonder dat dit huishouden daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten de woonruimte;

zonnepaneel of zonnecollector 

een systeem dat bedoeld is om zonnestraling te verzamelen en deze om te zetten in energie (elektriciteit of warmte);

zonwering, rolhek, luik of rolluik

een constructie of materiaal aan of in een gebouw bedoeld voor privacy, zonwering of veiligheid;

zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of (zwem)vijver

een waterkerende constructie, zonder constructieve afdekking, voor het vasthouden van water. Als de waterkerende constructie bedoeld is voor het zwemmen of baden dan is dit enkel voor particulier gebruik;

HHHHHHHHHHH

Na bijlage II wordt een bijlage ingevoegd, luidende:

Bijlage II Overzicht Informatieobjecten

archeologische waarde 1

/join/id/regdata/gm1719/2026/a287490cb0a44185ae8dac10c93c065d/nld@2026‑09‑14;13010490

archeologische waarde 2

/join/id/regdata/gm1719/2026/87dc2ebe1caa4de3b87f8f1ea0cf2819/nld@2026‑09‑14;13010490

archeologische waarde 3

/join/id/regdata/gm1719/2026/6c81434820b943e0a2fab3ac9307ecf0/nld@2026‑09‑14;13010490

archeologische waarde 4

/join/id/regdata/gm1719/2026/0a63813926144986bce1b9b0e4913106/nld@2026‑09‑14;13010490

archeologische waarde 5

/join/id/regdata/gm1719/2026/c26bfe042fd741fe82f31f4c3fec9373/nld@2026‑09‑14;13010490

bebouwingscontour houtkap

/join/id/regdata/gm1719/2026/f6a27e158d6a4eb88e32a8c7ab95b2b8/nld@2026‑09‑14;13010490

bebouwingscontour jacht

/join/id/regdata/gm1719/2026/8392ed3247ef4d32b1a9ec32581d9c04/nld@2026‑09‑14;13010490

beschermingsgebied monumenten,

/join/id/regdata/gm1719/2026/84b93fe15fb74a3ca72467b00e643b36/nld@2026‑09‑14;13010490

gebiedstype Bedrijventerrein

/join/id/regdata/gm1719/2026/e79c49b5fa3e4a2ea9f1dc0de405bd27/nld@2026‑09‑14;13010490

gebiedstype Bedrijventerrein,

/join/id/regdata/gm1719/2026/9f6a02ff871e4792ba26296d866e0bac/nld@2026‑09‑14;13010490

gebiedstype Biesbosch

/join/id/regdata/gm1719/2026/ecee93cea5b049d4bb71f3acc641743a/nld@2026‑09‑14;13010490

gebiedstype Havengebied

/join/id/regdata/gm1719/2026/69f6c533a201460aa2199555de8f46da/nld@2026‑09‑14;13010490

gebiedstype Havengebied,

/join/id/regdata/gm1719/2026/f862714ec18a4295850bdd84abadb813/nld@2026‑09‑14;13010490

gebiedtype Biesbosch

/join/id/regdata/gm1719/2026/78c60ec841884458b2a2db8bb7fa2c0c/nld@2026‑09‑14;13010490

Rijksbeschermd stads- en dorpsgezicht

/join/id/regdata/gm1719/2026/c79a3b0929df4c62acea80fdb35d85f0/nld@2026‑09‑14;13010490

Rijksbeschermd stads- en dorpsgezicht,

/join/id/regdata/gm1719/2026/6aa70bb6bdee4489a73d6d784ded8152/nld@2026‑09‑14;13010490

welstandsvrij gebied

/join/id/regdata/gm1719/2026/ed8f3066b45b46caa3b7dceaefad75f5/nld@2026‑09‑14;13010490

IIIIIIIIIII

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

In het eerste lid van dit artikel zijn de begripsbepalingen van de Omgevingswet en het Omgevingsbesluit, het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en de Omgevingsregeling van toepassing verklaard op Hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan. Het gaat om een zogenaamde statische verwijzing. Dat betekent dat latere wijzigingen van de begrippen in de Omgevingswet of de AMvB’s geen invloed hebben op de betekenis van de begrippen in Hoofdstuk 22.

II Bijlage I bij dit omgevingsplan bevat de overige begripsbepalingen die voor Hoofdstuk 22 nog nodig zijn in aanvulling op de begrippen van de wet, de AMvB’s en de Omgevingsregeling.

JJJJJJJJJJJ

Na sectie ' Begripsbepalingen' wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Artikel 1.2 Wijze van meten

In dit artikel wordt aangegeven hoe de hoogte en andere maten, die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.

KKKKKKKKKKK

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.1 Voorrangsbepaling

Eerste lid

In het tijdelijke deel van dit omgevingsplan worden zowel ruimtelijke besluiten (artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet) als de omgevingsplanregels van rijkswege (artikel 22.1, onder c, van de Omgevingswet) opgenomen. Deze omgevingsplanregels van rijkswege wordt ook wel de bruidsschat genoemd. Onder het tijdelijke deel van het omgevingsplan vallen bijvoorbeeld bestemmingsplannen met verbrede reikwijdte op grond van de voormalige Crisis- en herstelwet. In deze bestemmingsplannen is er afgeweken van bepalingen bij of krachtens de voormalige Wet ruimtelijke ordening en de Wet milieubeheer. Dat betekent dat de omgevingsplanregels uit die bestemmingsplannen op onderdelen in strijd zijn met de omgevingsplanregels van rijkswege. Ook kan in een bestemmingsplan toepassing zijn gegeven aan artikel 2, onder a, van de voormalige Interimwet stad-en-milieubenadering waarin is bepaald dat de gemeenteraad in een bestemmingsplan kan afwijken van een milieukwaliteitsnorm voor bodem, geluid en lucht. Omdat ook deze bestemmingsplannen samen met de omgevingsplanregels van rijkswege in het tijdelijke deel van het omgevingsplan worden opgenomen moet er een voorrangsregel worden opgenomen.

Deze voorrangsregel geldt ook bij strijdigheid tussen de omgevingsplanregels van rijkswege en de:

- voorwaarden aan het lozen van afvloeiend hemelwater of van grondwater op of in de bodem of in een riool in een gemeentelijke verordening op grond van artikel 10.32a van de Wet milieubeheer; en

- de aanwijzing van concentratiegebieden en waardsen of afstanden voor geur bij het houden van landbouwhuisdieren in een geurverordening op grond van artikel 6 van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij.

Om die reden is in het eerste lid van dit artikel bepaald dat de regels van Afdeling 22.2, met uitzondering van Subparagraaf 22.2.7.3, en Afdeling 22.3 van dit omgevingsplan niet van toepassing zijn voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet. De toets of er sprake is van «strijd» omvat ook een toets of wel of niet sprake is van regels met hetzelfde oogmerk. Als de regels een ander oogmerk hebben, doet «strijd» in de zin van de bepaling zich niet voor. Dit is vergelijkbaar met de wijze waarop bij de toepassing van artikel 121 van de Gemeentewet wordt getoetst of er sprake is van «strijd» met een hogere regeling. Subparagraaf 22.2.7.3 van dit omgevingsplan is van de werking van het eerste lid van de voorrangsbepaling uitgezonderd. Deze paragraaf regelt dat bepaalde bouw- en gebruiksactiviteiten van rechtswege in overeenstemming zijn met het omgevingsplan, ongeacht wat er in het omgevingsplan concreet is bepaald. Daarmee zijn deze activiteiten, voor zover die in strijd zouden zijn met het omgevingsplan, aangewezen als vergunningvrije omgevingsplanactiviteiten. Als Subparagraaf 22.2.7.3 niet van de werking van het eerste lid van de voorrangsbepaling zou worden uitgezonderd, waardoor die paragraaf toch opzij gezet zou kunnen worden door andersluidende bepalingen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, zou als gevolg daarvan de werking van die paragraaf worden ontkracht. Dat is onwenselijk.

Tweede lid

Het tweede lid bevat een voorrangbepaling voor vergunningvoorschriften in een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit, die met toepassing van het recht zoals dat gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, is verleend. Het gaat hierbij om een vergunningplichtige milieubelastende activiteit die in hoofdstuk 3 van het Bal is aangewezen en waarbij deze vergunningvoorschriften bevat voor een onderwerp dat naar het omgevingsplan is verschoven. Op grond van het overgangsrecht van artikel 4.13, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijven deze vergunningvoorschriften gelden. De vergunningvoorschriften gelden naast het omgevingsplan. De strengste regel is dan bepalend. Ten tijde van de vergunningverlening zijn juist bewust strengere of soepeler voorschriften gesteld, afgestemd op de locatie. De regels in Afdeling 22.3 van dit omgevingsplan zijn niet van toepassing, voor zover zo'n vergunningvoorschrift geldt. De uitdrukking «voor zover» betekent «in de mate dat». Dat houdt in dat alleen die voorschriften van Afdeling 22.3 van dit omgevingsplan buiten toepassing blijven waarvoor voorschriften in de omgevingsvergunning zijn gesteld. Als bijvoorbeeld de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit voor geluid alleen voorschriften met waarden bevat, dan blijft Artikel 22.63 van dit omgevingsplan met geluidwaarden voor geluidgevoelige gebouwen buiten toepassing. Maar Artikel 22.60 van dit omgevingsplan, dat bepaalt wanneer een akoestisch onderzoek gedaan moet worden, is wel van toepassing.

Deze voorrangsbepaling kan relevant zijn voor de volgende onderdelen van Afdeling 22.3 van dit omgevingsplan:

Paragraaf 22.3.2 Energiebesparing

Paragraaf 22.3.3 Zwerfafval

Paragraaf 22.3.4 Geluid

Paragraaf 22.3.5 Trillingen

Paragraaf 22.3.10 Lozen bij maken van betonmortel

Paragraaf 22.3.11 Uitwassen van beton

Paragraaf 22.3.13 Ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal

Paragraaf 22.3.19 In werking hebben van een acculader

Dit omgevingsplan voorziet niet in een voorrangsbepaling voor bestaande vergunningvoorschriften of maatwerkvoorschriften op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer die op grond van het algemene overgangsrecht maatwerkvoorschriften zijn geworden en die afwijken van of een nadere invulling geven aan de omgevingsplanregels in dit omgevingsplan. Uit de wetssystematiek volgt al dat een maatwerkvoorschrift voorrang heeft op een algemene bepaling.

[Vervallen]

LLLLLLLLLLL

Na sectie ' Wijze van meten' worden 24 secties ingevoegd, luidende:

Hoofdstuk 3 Gebiedstypen

Gebiedstypen zijn functies op een hoog schaalniveau. Het gaat om een grove indeling van de gemeente in logische gebieden met bepaalde kenmerken. Denk aan ‘Bedrijventerrein’, ‘Woongebied’ en ‘Agrarisch gebied’. 

- Samen dekken de gebiedstypen het hele ambtsgebied van de gemeente.

- De gebieden overlappen elkaar niet.

Het grove schaalniveau van gebiedstypen leent zich er goed voor om het omgevingsplan op hoofdlijnen te structureren. 

Binnen een gebiedstype kan de gemeente vervolgens functies op perceelniveau en/of activiteiten insluiten/uitsluiten en verruimen/beperken:

  • Insluiten: bepaalde activiteiten of functies mogen daar plaatsvinden.

  • Uitsluiten: bepaalde activiteiten of functies mogen daar niet plaatsvinden.

  • Verruimen: bepaalde activiteiten of functies meer ruimte geven in omvang of in effecten.

  • Beperken: bepaalde activiteiten of functies verder begrenzen in omvang of in effecten.

Het insluiten en verruimen van activiteiten en van functies zijn gericht op het benutten van het gebiedstype. Het uitsluiten en beperken zijn gericht op het beschermen van het gebiedstype of naastgelegen gebiedstypen. 

Artikel 3.1 Doel van gebiedstypen

Een gebiedstype is een laag op een hoog schaalniveau dat het hele grondgebied van een gemeente dekkend indeelt. Het geeft per gebied aan wat de hoofdfunctie en het ambitieniveau zijn, zoals woongebied, centrumgebied, bedrijventerrein. De gebiedstypen worden afgestemd met de gebieden binnen de omgevingsvisie. Gebiedstypen overlappen elkaar niet.

Artikel 3.2 Functiewijzigingen binnen een gebiedstype

Indien er wijzigingen plaatsvinden van functies binnen de gebiedstypen, moet de nieuwe functie bijdragen aan het hogere doel van het gebiedstype of mag in ieder geval deze functie dit hogere doel niet verstoren.

Hoofdstuk 4 Functies

Hier gaat het om toedeling van functies aan (groepen van) individuele locaties die de orde grootte hebben van percelen. Functies op een laag schaalniveau dus. Dit is vergelijkbaar met de bestemmingen uit de voormalige bestemmingsplannen. Voorbeelden: Detailhandel, Wonen, Horeca, Bedrijf, et cetera.

- Deze functielaag op perceelniveau kan gebiedsdekkend zijn, maar dat hoeft niet. 

- Functies op perceelniveau kunnen elkaar overlappen door middel van functiestapeling. Voor een locatie geldt dan bijvoorbeeld de functie detailhandel en de functie dienstverlening.

De functies op perceelniveau worden gebruikt om specifiek voor die functies (en daaraan verbonden locaties) regels te stellen voor gebruik en/of activiteiten. Functies op perceelniveau bieden de mogelijkheid om heel gedetailleerd gebruik en/of activiteiten toe te staan of juist te begrenzen.

Doel is het mogelijk maken van het uitoefenen van de functies (benutten van de fysieke leefomgeving) onder gestelde condities.

Hoofdstuk 5 Beschermen

De beschermlagen zijn specifiek bedoeld voor het beschermen van locaties en objecten vanwege de specifieke eigenschappen ervan. Het kan gaan om lokale waarden en om landelijke of provinciale waarden die zijn opgenomen in instructieregels. Voorbeelden zijn een gemeentelijk monument, een buisleidinggebied, een molenbiotoop, archeologisch gebied, stiltegebied, et cetera. 

  • Dit type is meestal niet ambtsgebied dekkend. 

  • Anders dan bij de gebiedstypen is er overlap mogelijk tussen de verschillende beschermde locaties en objecten. Een locatie kan dus bijvoorbeeld tegelijk de beschermingslagen hebben voor stiltegebied en archeologisch gebied.

Aanvullend op het ‘beschermen’ van de betreffende locaties/objecten kan binnen de beschermingslagen ook ruimte gezocht worden om te ‘benutten’. 

Bijvoorbeeld door in een gebied met een buisleiding bepaalde vormen van recreatie mogelijk te maken.

Artikel 5.2 Archeologie

De beschermingslagen voor Archeologie in het omgevingsplan beschermt overblijfselen van vroeger die in de grond zitten. In tegenstelling tot gebiedstypen mag deze laag wel over andere functies heen liggen (zoals een woongebied of bedrijventerrein) om te zorgen dat historische sporen bij bouwplannen niet zomaar verdwijnen.

Artikel 5.7 Monumenten

Deze beschermingslaag kenmerkt zich door gebouwen, objecten of terreinen met een hoge cultuurhistorische, architectonische, stedenbouwkundige of archeologische waarde. Het gehele perceel waarop het monument is gelegen wordt aangemerkt als monumentaal waardevol. Meerdere functies kunnen binnen deze percelen voorkomen, voor zover deze passend zijn bij de monumentale waarden. Het behoud, herstel en de versterking van de monumentale waarden worden als zwaarwegend doel aangemerkt. Voor direct aangrenzende percelen wordt per situatie beoordeeld of sprake is van een ruimtelijke, cultuurhistorische of visuele invloed op het monument. Deze afweging vindt plaats aan de hand van de aard van de ontwikkeling, de ligging ten opzichte van het monument en de specifieke monumentale waarden die bescherming behoeven.

Artikel 5.9 Rijksbeschermd stads- en dorpsgezicht

Deze beschermingslaag kenmerkt zich door een samenhangend geheel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing, openbare ruimte, landschappelijke structuren en historische verkavelingspatronen. Meerdere functies komen binnen dit gebied voor. Het behoud, herstel en de versterking van de cultuurhistorische, stedenbouwkundige en ruimtelijke kwaliteiten worden als zwaarwegend doel aangemerkt.

Hoofdstuk 7 Bouwactiviteiten Omgevingsplan

Voor alle bouwactiviteiten vormen de landelijke regels voor toestemmingsvrij bouwen, gesteld in artikel 2.29 Bbl, het uitgangspunt.

De gemeente mag op basis van artikel 2.30 Bbl, meer activiteiten aanduiden als toestemmingsvrij, maar de gemeentelijke regels mogen niet strenger zijn dan de landelijke regels.

Zo gelden er specifieke beschermingsregels voor Rijksmonumenten en Beschermd stads- en dorpsgezicht.

De gemeente heeft de regels waarvoor zij zelf verantwoordelijk zijn vanuit het Rijk overgedragen gekregen in hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan.

Daar waar de activiteiten specifiek benoemd zijn in het hoofdstuk 'Bouwactiviteiten' hebben deze voorrang op de regels uit de bruidsschat.

Bij de totstandkoming van de regels voor bouwactiviteiten is rekening gehouden met de landelijke- en provinciale regels, de regels uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan (de voormalige bestemmingsplannen), beleidsregels en het huidige vergunningen- en handhavingsproces.

Voor de opbouw van de regels wordt per bouwactiviteit gekozen voor de volgende structuur:

  • Toepassingsbereik 

    dit geeft de afbakening weer van de activiteit, vaak is dit gekoppeld aan de begripsbepaling. 

    Ook wordt hier specifiek benoemd waarop het artikel géén toepassing heeft.

  • Specificatie per gebied

    bepaalde gebieden brengen specifieke specificaties met zich mee. Gemeente Drimmelen kent een welstandsvrij gebied en het Rijks beschermd stads- en dorpsgezicht. Per gebied is bepaald onder welke voorwaarden u toestemmingsvrij kunt bouwen of een bouwwerk in stand kunt houden of wanneer u een melding- of vergunningsplicht heeft.

  • Aanvraagvereisten

    hierin wordt aangegeven welke gegevens u aanlevert als u een melding- of vergunningsplicht heeft.

  • Beoordelingsregels

    binnen deze regels worden de voorwaarden bepaald in welke gevallen u een omgevingsvergunning kunt ontvangen. Indien hier niet aan kan worden voldaan wordt uw plan aangemerkt als een verzoek om af te wijken van het omgevingsplan.

    Daar waar nodig geacht is per activiteit een artikelsgewijze toelichting gegeven.

Afdeling 7.1 Algemeen

De regels die hier gesteld worden zijn algemeen van toepassing voor alle bouwactiviteiten.

Artikel 7.1 lid 1

Als er op het perceel al activiteiten plaatsvinden zonder de daarvoor benodigde vergunning of toestemming, geldt voor alle activiteiten een vergunningplicht. Hierbij zal onderzocht moeten worden of de bestaande en nieuwe activiteiten in stand gehouden of gerealiseerd kunnen worden.

Afdeling 7.4 Antenne-installatie bouwen en in stand houden

Deze afdeling betreft het plaatsen en in stand houden van een antenne-installatie anders dan antenne-installaties ten behoeve van mobiele telecommunicatie of antenne-installaties ten behoeve van C2000-infrastructuur.

Het Rijk heeft voor antenne-installaties al bepaald onder welke voorwaarden deze toestemmingsvrij gerealiseerd kunnen worden.

Voor een antenne-installatie op, bij of aan een monument, of voorbeschermd monument geldt een extra bescherming, deze zijn altijd vergunningplichtig.

De gemeenteraad heeft bepaald dat regels voor omgevingskwaliteit (welstandsregels) alleen zijn toegewezen aan Rijksbeschermd stads- en dorpsgezicht, voor overige gebieden geldt een welstandvrij beleid.

Dit maakt dat de regels voor antenne-installatie binnen het Rijksbeschermd stads- en dorpsgezicht strenger zijn dan in welstandsvrij gebied, alle zijden van het perceel die naar openbaar gebied gekeerd zijn (ook openbaar vaarwater) zijn vergunningplichtig.

Indien er sprake is van een vergunningplicht worden er beoordelingsregels gesteld om de omgevingswaarden te beschermen.

Zo wordt er gekeken naar uiterlijk, grootte, hoogte en positionering van de antenne-installatie.

Afdeling 7.5 Bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan bouwen en in stand houden ten behoeve van een woonfunctie [Gereserveerd]

Deze afdeling betreft het plaatsen en in stand houden van een aanbouw, uitbouw of bijgebouw bij de functie Wonen.

De functie Wonen wordt hier expliciet vermeld omdat deze afdeling zich niet richt op een aanbouw, uitbouw of bijgebouw bij andere functies.

De aanbouw, uitbouw of het bijgebouw, of de uitbreiding daarvan betreft een activiteit die veelvuldig wordt uitgevoerd om gebruiksgenot toe te voegen aan de functie Wonen.

Hierbij is het van belang een goed onderscheid te maken tussen een aanbouw, uitbouw of bijgebouw plaatsen en het vergoten van een hoofgebouw/woning.

Daar waar sprake is van het bouwen, in stand houden of vergoten van een hoofdgebouw/woning is sprake van een andere activiteit en een andere afdeling binnen deze regelset.

Het Rijk heeft voor de aanbouw, uitbouw of het bijgebouw in een aantal gevallen al bepaald dat deze toestemmingsvrij gerealiseerd kunnen worden.

Voor een aanbouw, uitbouw of bijgebouw op, aan of bij een monument, of voorbeschermd monument geldt een extra bescherming, deze zijn altijd vergunningplichtig.

De gemeenteraad heeft bepaald dat regels voor omgevingskwaliteit (welstandsregels) alleen zijn toegewezen aan Rijksbeschermd stads- en dorpsgezicht, voor overige gebieden geldt een welstandvrij beleid.

Dit maakt dat de regels voor het bouwen en in stand houden van een aanbouw, uitbouw of bijgebouw zodanig zijn opgesteld zijn dat in veel gevallen geen toestemming nodig is voor het plaatsen hiervan.

Indien er sprake is van een vergunningplicht worden er beoordelingsregels gesteld om de omgevingswaarden te beschermen.

Zo wordt er gekeken naar uiterlijk, grootte, hoogte en positionering van de aanbouw, uitbouw of bijgebouw.

Afdeling 7.12 Dakkapel bouwen en in stand houden

Deze afdeling betreft het bouwen en in stand houden van een dakkapel, bij een verhoging van een gevel of een nokverhoging is géén sprake van een dakkapel.

Het bouwen en in stand houden van een dakkapel is aan te merken als het veranderen van een bouwwerk. 

Dit betreft een activiteit die veelvuldig wordt uitgevoerd om inhoud en gebruiksgenot toe te voegen aan gebouwen.

Het Rijk heeft voor veel dakkapellen al bepaald dat deze toestemmingsvrij gerealiseerd kunnen worden.

Voor een dakkapel op of aan een monument, of voorbeschermd monument geldt een extra bescherming, deze dakkapellen zijn altijd vergunningplichtig.

De gemeenteraad heeft bepaald dat regels voor omgevingskwaliteit (welstandsregels) alleen zijn toegewezen aan Rijksbeschermd stads- en dorpsgezicht, voor overige gebieden geldt een welstandvrij beleid.

Dit maakt dat de regels voor het bouwen en in stand houden van dakkapellen eenvoudiger opgesteld zijn en dat in veel gevallen er geen toestemming nodig is voor het plaatsen van een dakkapel.

Indien er toch sprake is van een vergunningplicht worden er beoordelingsregels gesteld om de omgevingswaarden te beschermen.

Zo wordt er gekeken naar uiterlijk en de grootte, hoogte en positionering van de dakkapel.

Afdeling 7.13 Dakraam, lichtstraat of soortgelijke daglichtvoorziening bouwen en in stand houden

Deze afdeling betreft het plaatsen en in stand houden van een dakraam, lichtstraat of soortgelijke daglichtvoorziening (géén dakkapel).

Dit betreft een activiteit die veelvuldig wordt uitgevoerd om gebruiksgenot toe te voegen aan gebouwen.

Het Rijk heeft voor veel dakramen, lichtstraten of soortgelijke daglichtvoorzieningen al bepaald dat deze toestemmingsvrij gerealiseerd kunnen worden.

Voor een dakraam, lichtstraat of soortgelijke daglichtvoorziening op of aan een monument, of voorbeschermd monument geldt een extra bescherming, deze zijn altijd vergunningplichtig.

De gemeenteraad heeft bepaald dat regels voor omgevingskwaliteit (welstandsregels) alleen zijn toegewezen aan Rijksbeschermd stads- en dorpsgezicht, voor overige gebieden geldt een welstandvrij beleid.

Dit maakt dat de regels voor het bouwen en in stand houden van dakramen, lichtstraten of soortgelijke daglichtvoorzieningen eenvoudiger opgesteld zijn en dat in veel gevallen er geen toestemming nodig is voor het plaatsen hiervan.

Uitzondering hierop zijn dakramen, lichtstraten of soortgelijke daglichtvoorzieningen in het Rijksbeschermd stads- en dorpsgezicht als deze liggen in het voorgeveldakvlak, of naar openbaar gebied gekeerd zijdakvlak. Deze dakramen, lichtstraten of soortgelijke daglichtvoorzieningen worden niet toegestaan.

Indien er toch sprake is van een vergunningplicht worden er beoordelingsregels gesteld om de omgevingswaarden te beschermen.

Zo wordt er gekeken naar aantal, uiterlijk, grootte, hoogte en positionering van een dakraam, lichtstraat of soortgelijke daglichtvoorziening.

Afdeling 7.14 Erf- of perceelafscheiding bouwen en in stand houden

Deze afdeling betreft het plaatsen en in stand houden van een erf- of perceelafscheiding van enige constructie. Beplanting in de vorm van op zichzelf staande hagen en heesters vallen hier niet onder. Een hekwerk voor de geleiding van beplanting zoals klimop wordt wel gezien als een constructie.

De erf- of perceelafscheiding betreft een activiteit die veelvuldig wordt uitgevoerd om gebruiksgenot toe te voegen aan gebouwen.

Het Rijk heeft al bepaald dat erf- of perceelsafscheidingen tot 1 m1 hoog toestemmingsvrij gerealiseerd kunnen worden.

De ervaring leert dat erf- of perceelafscheidingen hoger dan 3 m1 niet of nauwelijks aangevraagd worden, hiertoe beperkt dit artikel zich tot een hoogte van 3 m1.

Voor een erf- of perceelafscheiding op, aan of bij een monument, of voorbeschermd monument geldt een extra bescherming, deze zijn altijd vergunningplichtig.

De gemeenteraad heeft bepaald dat regels voor omgevingskwaliteit (welstandsregels) alleen zijn toegewezen aan Rijksbeschermd stads- en dorpsgezicht, voor overige gebieden geldt een welstandvrij beleid.

Dit maakt dat de regels voor het bouwen en in stand houden van erf- of perceelafscheiding eenvoudiger opgesteld zijn en dat in veel gevallen er geen toestemming nodig is voor het plaatsen hiervan.

Uitzondering hierop is de erf- of perceelafscheiding bij hoekwoningen en bij woningen binnen het Rijksbeschermd stads- en dorpsgezicht, de projectering van het perceel t.o.v. het openbaar gebied bepaald waar een erf- of perceelafscheiding met of zonder toestemming kan worden opgericht.

Indien er sprake is van een vergunningplicht worden er beoordelingsregels gesteld om de omgevingswaarden te beschermen.

Zo wordt er gekeken naar aantal, uiterlijk, grootte, hoogte en positionering van de erf- of perceelafscheiding en wordt er rekening gehouden met de verkeersveiligheid.

Afdeling 7.15 Erker bouwen en in stand houden

Deze afdeling betreft het plaatsen en in stand houden van een erker.

De erker betreft een activiteit die veelvuldig wordt uitgevoerd om gebruiksgenot toe te voegen aan gebouwen.

Hierbij is het van belang dat de erker in een directe open verbinding staat met de leefruimte daarachter.

Het Rijk heeft geen objectgerichte regels gesteld voor erkers, anders dan de bijbehorende bouwwerken.

Voor een erker aan of bij een monument, of voorbeschermd monument en voor erkers binnen het Rijksbeschermd stads- en dorpsgezicht geldt een extra bescherming, deze zijn altijd vergunningplichtig.

De gemeenteraad heeft bepaald dat regels voor omgevingskwaliteit (welstandsregels) alleen zijn toegewezen aan Rijksbeschermd stads- en dorpsgezicht, voor overige gebieden geldt een welstandvrij beleid.

Dit maakt dat de regels voor het bouwen en in stand houden van erkers zodanig zijn opgesteld zijn dat in veel gevallen er geen toestemming nodig is voor het plaatsen hiervan.

Indien er sprake is van een vergunningplicht worden er beoordelingsregels gesteld om de omgevingswaarden te beschermen.

Zo wordt er gekeken naar aantal, uiterlijk, grootte, hoogte en positionering van de erker en wordt er rekening gehouden met de verkeersveiligheid.

Afdeling 7.17 Hoofdgebouw vervangen ten behoeve van een woonfunctie

Deze afdeling betreft vervangende nieuwbouw van een hoofdgebouw ten behoeve van de functie Wonen.

De functie Wonen wordt hier expliciet vermeld omdat deze afdeling zich niet richt op vervangende nieuwbouw van hoofdgebouwen bij andere functies.

Het komt voor dat een bestaande woning of een woongebouw wordt vervangen op dezelfde locatie waar dit gestaan heeft, dit omdat het hoofdgebouw verouderd is.

Het betreft hier dus het volledig vervangen van het hoofdgebouw, daar waar sprake is van het bouwen, in stand houden of vergoten van een hoofdgebouw/woning is sprake van een andere activiteit en een andere afdeling binnen deze regelset.

Omdat het vervangen van een hoofdgebouw een flinke impact heeft op de omgeving is bepaald dat hier altijd een vergunning voor nodig is en dat dit alleen mogelijk is als er op de locatie al een legaal opgericht hoofdgebouw aanwezig is.

Voor de vergunningplicht worden er beoordelingsregels gesteld om de omgevingswaarden te beschermen en bestaande rechten te behouden.

Zo wordt er gekeken naar de bestaande werkelijke grootte, hoogte en positionering van het hoofdgebouw in relatie tot de verkregen rechten uit de voormalige bestemmingsplannen.

Wordt niet voldaan aan de beoordelingsregels, dan wordt beoordeeld of een buitenplanse afwijkingsprocedure toegepast kan worden waarbij voldaan moet worden aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Afdeling 7.20 Sport- of speeltoestel bouwen en in stand houden

Deze afdeling betreft het plaatsen en in stand houden van sport- of speeltoestellen.

De sport- en speeltoestellen worden vaak geplaatst bij woningen, maar ook bij bedrijven of in de openbare ruimte.

Het Rijk heeft al bepaald dat sport- en speeltoestellen tot een hoogte van 2,5 m1 toestemmingsvrij gerealiseerd mogen worden.

Hierbij geldt een uitzondering voor sport- en speeltoestellen op of aan een monument, of voorbeschermd monument.

Sport- en speeltoestellen op of aan een monument zijn altijd vergunningplichtig.

De gemeenteraad heeft bepaald dat regels voor omgevingskwaliteit (welstandsregels) alleen zijn toegewezen aan Rijksbeschermd stads- en dorpsgezicht, voor overige gebieden geldt een welstandvrij beleid.

Dit maakt dat de regels voor het bouwen en in stand houden van sport- en speeltoestel zodanig zijn opgesteld dat deze binnen welstandsvrij gebied ook veelal toestemmingsvrij zijn.

Indien er sprake is van een vergunningplicht worden er beoordelingsregels gesteld om de omgevingswaarden te beschermen.

Zo wordt er gekeken naar uiterlijk, aantal, grootte, hoogte en plaatsing.

Afdeling 7.21 Tuinmeubilair bouwen en in stand houden

Deze afdeling betreft het plaatsen en in stand houden van tuinmeubilair en gaat niet over straatmeubilair

Tuinmeubilair wordt vaak geplaatst op erven bij woningen, maar dit kan ook op erven bij bedrijven staan.

Het Rijk heeft al bepaald dat tuinmeubilair tot een hoogte van 2,5 m1 toestemmingsvrij gerealiseerd mogen worden.

Hierbij geldt een uitzondering voor tuinmeubilair op of aan een monument, of voorbeschermd monument.

Tuinmeubilair op of aan een monument is altijd vergunningplichtig.

De gemeenteraad heeft bepaald dat regels voor omgevingskwaliteit (welstandsregels) alleen zijn toegewezen aan Rijksbeschermd stads- en dorpsgezicht, voor overige gebieden geldt een welstandvrij beleid.

Dit maakt dat de regels voor het bouwen en in stand houden van tuinmeubilair zodanig zijn opgesteld dat deze binnen welstandsvrij gebied ook veelal toestemmingsvrij zijn. Om zoveel mogelijk aansluiting te vinden tussen tuinmeubilair en overige bouwwerken geen gebouw zijnde wordt een maximale bouwhoogte van 3 m1 gehanteerd.

Indien er sprake is van een vergunningplicht worden er beoordelingsregels gesteld om de omgevingswaarden te beschermen.

Zo wordt er gekeken naar uiterlijk, aantal, grootte, hoogte en plaatsing.

Afdeling 7.22 Vlaggenmast bouwen en in stand houden

Deze afdeling betreft het plaatsen en in stand houden van een vlaggenmast.

De vlaggenmast wordt vaak geplaatst bij woningen, maar ook bij bedrijven vanwege de herkenbaarheid.

Het Rijk heeft al bepaald dat het plaatsen van één vlaggenmast bij een woning tot een hoogte van 6 m1 toestemmingsvrij gerealiseerd mag worden.

Hierbij gelden geen uitzonderingen voor vlaggenmasten bij een monument, of voorbeschermd monument en binnen het Rijksbeschermd stads- en dorpsgezicht.

De gemeenteraad heeft bepaald dat regels voor omgevingskwaliteit (welstandsregels) alleen zijn toegewezen aan Rijksbeschermd stads- en dorpsgezicht, voor overige gebieden geldt een welstandvrij beleid.

Dit maakt dat de regels voor het bouwen en in stand houden van vlaggenmasten zodanig zijn opgesteld zijn dat voor het plaatsen van één vlaggenmast op een gebouwerf in veel gevallen geen toestemming nodig is.

Indien er sprake is van een vergunningplicht worden er beoordelingsregels gesteld om de omgevingswaarden te beschermen.

Zo wordt er gekeken naar aantal, grootte, hoogte en wordt er rekening gehouden met de verkeersveiligheid.

Afdeling 7.25 Zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of (zwem)vijver bouwen en in stand houden

Deze afdeling betreft het plaatsen en in stand houden van een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of (zwem)vijver voor particulier gebruik.

Om dit te kunnen realiseren is ook de activiteit 'graven in de bodem' van toepassing, hierover gaat deze afdeling niet.

Indien het zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of (zwem)vijver wordt voorzien van een overkapping is sprake van de activiteit 'bijbehorend bouwwerk bouwen of in stand houden', hierover gaat deze afdeling niet.

Een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of (zwem)vijver wordt vaak geplaatst bij woningen om het woongenot te vergroten.

Een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of (zwem)vijver op, aan of bij een monument is altijd vergunningplichtig.

Indien er sprake is van een vergunningplicht worden er beoordelingsregels gesteld om de omgevingswaarden te beschermen.

Zo wordt er gekeken naar uiterlijk, aantal, grootte, hoogte en plaatsing.

Artikel 22.1 lid 1

In het tijdelijke deel van dit omgevingsplan worden zowel ruimtelijke besluiten (artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet) als de omgevingsplanregels van rijkswege (artikel 22.1, onder c, van de Omgevingswet) opgenomen. Deze omgevingsplanregels van rijkswege wordt ook wel de bruidsschat genoemd. Onder het tijdelijke deel van het omgevingsplan vallen bijvoorbeeld bestemmingsplannen met verbrede reikwijdte op grond van de voormalige Crisis- en herstelwet. In deze bestemmingsplannen is er afgeweken van bepalingen bij of krachtens de voormalige Wet ruimtelijke ordening en de Wet milieubeheer. Dat betekent dat de omgevingsplanregels uit die bestemmingsplannen op onderdelen in strijd zijn met de omgevingsplanregels van rijkswege. Ook kan in een bestemmingsplan toepassing zijn gegeven aan artikel 2, onder a, van de voormalige Interimwet stad-en-milieubenadering waarin is bepaald dat de gemeenteraad in een bestemmingsplan kan afwijken van een milieukwaliteitsnorm voor bodem, geluid en lucht. Omdat ook deze bestemmingsplannen samen met de omgevingsplanregels van rijkswege in het tijdelijke deel van het omgevingsplan worden opgenomen moet er een voorrangsregel worden opgenomen.

Deze voorrangsregel geldt ook bij strijdigheid tussen de omgevingsplanregels van rijkswege en de:

  • a.

    voorwaarden aan het lozen van afvloeiend hemelwater of van grondwater op of in de bodem of in een riool in een gemeentelijke verordening op grond van artikel 10.32a van de Wet milieubeheer; en

  • b.

    de aanwijzing van concentratiegebieden en waardsen of afstanden voor geur bij het houden van landbouwhuisdieren in een geurverordening op grond van artikel 6 van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij.

Om die reden is in het eerste lid van dit artikel bepaald dat de regels van afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 van dit omgevingsplan niet van toepassing zijn voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet. De toets of er sprake is van «strijd» omvat ook een toets of wel of niet sprake is van regels met hetzelfde oogmerk. Als de regels een ander oogmerk hebben, doet «strijd» in de zin van de bepaling zich niet voor. Dit is vergelijkbaar met de wijze waarop bij de toepassing van artikel 121 van de Gemeentewet wordt getoetst of er sprake is van «strijd» met een hogere regeling. Paragraaf 22.2.7.3 van dit omgevingsplan is van de werking van het eerste lid van de voorrangsbepaling uitgezonderd. Deze paragraaf regelt dat bepaalde bouw- en gebruiksactiviteiten van rechtswege in overeenstemming zijn met het omgevingsplan, ongeacht wat er in het omgevingsplan concreet is bepaald. Daarmee zijn deze activiteiten, voor zover die in strijd zouden zijn met het omgevingsplan, aangewezen als vergunningvrije omgevingsplanactiviteiten. Als paragraaf 22.2.7.3 niet van de werking van het eerste lid van de voorrangsbepaling zou worden uitgezonderd, waardoor die paragraaf toch opzij gezet zou kunnen worden door andersluidende bepalingen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, zou als gevolg daarvan de werking van die paragraaf worden ontkracht. Dat is onwenselijk.

Artikel 22.1 lid 2

Het tweede lid bevat een voorrangbepaling voor vergunningvoorschriften in een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit, die met toepassing van het recht zoals dat gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, is verleend. Het gaat hierbij om een vergunningplichtige milieubelastende activiteit die in hoofdstuk 3 van het Bal is aangewezen en waarbij deze vergunningvoorschriften bevat voor een onderwerp dat naar het omgevingsplan is verschoven. Op grond van het overgangsrecht van artikel 4.13, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijven deze vergunningvoorschriften gelden. De vergunningvoorschriften gelden naast het omgevingsplan. De strengste regel is dan bepalend. Ten tijde van de vergunningverlening zijn juist bewust strengere of soepeler voorschriften gesteld, afgestemd op de locatie. De regels in afdeling 22.3 van dit omgevingsplan zijn niet van toepassing, voor zover zo’n vergunningvoorschrift geldt. De uitdrukking «voor zover» betekent «in de mate dat». Dat houdt in dat alleen die voorschriften van afdeling 22.3 van dit omgevingsplan buiten toepassing blijven waarvoor voorschriften in de omgevingsvergunning zijn gesteld. Als bijvoorbeeld de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit voor geluid alleen voorschriften met waarden bevat, dan blijft artikel 22.66 van dit omgevingsplan met geluidwaarden voor geluidgevoelige gebouwen buiten toepassing. Maar artikel 22.61 van dit omgevingsplan, dat bepaalt wanneer een akoestisch onderzoek gedaan moet worden, is wel van toepassing.

Deze voorrangsbepaling kan relevant zijn voor de volgende onderdelen van afdeling 22.3 van dit omgevingsplan:

paragraaf 22.3.2 Energiebesparing

paragraaf 22.3.3 Zwerfafval

paragraaf 22.3.4 Geluid

paragraaf 22.3.5 Trillingen

paragraaf 22.3.10 Lozen bij maken van betonmortel

paragraaf 22.3.11 Uitwassen van beton

paragraaf 22.3.13 Ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal

paragraaf 22.3.19 In werking hebben van een acculader

Dit omgevingsplan voorziet niet in een voorrangsbepaling voor bestaande vergunningvoorschriften of maatwerkvoorschriften op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer die op grond van het algemene overgangsrecht maatwerkvoorschriften zijn geworden en die afwijken van of een nadere invulling geven aan de omgevingsplanregels in dit omgevingsplan. Uit de wetssystematiek volgt al dat een maatwerkvoorschrift voorrang heeft op een algemene bepaling.

MMMMMMMMMMM

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.2 Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten

Bijlage I bij het Bbl bevat de begrippen «gemeentelijk monument» en «voorbeschermd gemeentelijk monument». Deze begrippen gelden op grond van Artikel 1.1, eerste lid, van dit omgevingsplan ook voor dit plan. Deze begrippen worden gebruikt in Artikel 22.28, eerste lid, en Artikel 22.28, tweede lid, Artikel 22.38, Artikel 22.28722.288, Artikel 22.28822.289, Artikel 22.29022.291 tot en met Artikel 22.29322.294 en Artikel 22.29522.296.

De begripsomschrijvingen van bovengenoemde begrippen zijn toegesneden op de wijze waarop de bescherming van monumenten en archeologische monumenten op gemeentelijk niveau via het toekennen van een beschermde status en daardoor het van toepassing worden van bepaalde regels onder het nieuwe recht van de Omgevingswet vorm krijgt. Dit gebeurt door aan het monument of archeologisch monument in dit omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven en, als het gaat om een voorbeschermd monument of archeologisch monument, door het voor de locatie van het monument of archeologisch monument toevoegen van een voorbeschermingsregel aan dit omgevingsplan via een voorbereidingsbesluit vanwege het voornemen om aan dat monument of archeologisch monument in dit omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven.

Daarmee zouden buiten de reikwijdte van bovengenoemde begrippen vallen monumenten en archeologische monumenten op gemeentelijk niveau die onder het voor de Omgevingswet geldende recht als gemeentelijk monument of archeologisch monument zijn aangewezen op grond van een gemeentelijke verordening of een voorbeschermde status hebben verkregen op grond van een zodanige verordening, en waaraan nog niet direct bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet in dit omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of waarvoor op dat moment in het omgevingsplan nog geen voorbeschermingsregel is opgenomen. In de praktijk werden onder het voormalige recht onder de begrippen «gemeentelijk monument» en «voorbeschermd gemeentelijk monument» dergelijke monumenten en archeologische monumenten verstaan (hierna samen te noemen: gemeentelijke monumenten «oude stijl»).

Dit gevolg, dat niet is beoogd, kan zich voordoen tot het bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip waarop gemeenten over een omgevingsplan moeten beschikken dat voldoet aan alle eisen van de Omgevingswet. Uiteraard moeten de hier bedoelde gemeentelijke monumenten «oude stijl» gedurende deze overgangsfase wel adequaat worden beschermd. Dit is het geval zolang deze in dit omgevingsplan nog niet zijn voorzien van de functie-aanduiding gemeentelijk monument in het omgevingsplan of, voor zover het gaat om voorbeschermde monumenten of archeologische monumenten, ter zake een voorbeschermingsregel in dit omgevingsplan is opgenomen. Daarbij wordt er voor zover het gaat om voorbeschermde monumenten en archeologische monumenten op gewezen dat die onder de Omgevingswet niet per se eerst via een door een voorbereidingsbesluit toe te voegen voorbeschermingsregel aan het omgevingsplan hoeven te worden omgezet naar een voorbeschermd gemeentelijk monument in de zin van de begripsomschrijving uit bijlage I bij het Bbl. Afhankelijk van het tijdsverloop van de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening en van de procedure om tot vaststelling van een nieuw omgevingsplan te komen, kan er voor deze voorbeschermde monumenten en archeologische monumenten ook voor worden gekozen om deze direct, dus zonder hiervoor eerst een voorbeschermingsregel aan het omgevingsplan toe te voegen, in het nieuwe deel van het omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven. Dit zal zich met name voordoen als de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening gedurende hetzelfde tijdvak gaande is als de procedure tot vaststelling van het omgevingsplan. In dat geval kan het zo zijn dat die procedure tot aanwijzing voldoende voorziet in de benodigde voorbescherming en hoeft die voorbescherming niet afzonderlijk met voorbeschermingsregels in het omgevingsplan te worden gecreëerd.

Voor zover het gaat om de continuering van de gelding van de gemeentelijke verordeningen zelf en een eventueel daarin opgenomen vergunningplicht wordt in de bescherming van de hier bedoelde gemeentelijke monumenten «oude stijl» al voorzien door de artikelen 22.4 en 22.8 van de Omgevingswet, zoals die artikelen bij de Invoeringswet Omgevingswet worden toegevoegd. Maar voor een adequate bescherming van deze gemeentelijke monumenten «oude stijl» is ook vereist dat de onderdelen van Artikel 22.28, Artikel 22.38, Artikel 22.27622.277, Artikel 22.27722.278, Artikel 22.27922.280 tot en met Artikel 22.28222.283 en Artikel 22.28422.285 die betrekking hebben op gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten in overeenstemming met de daarvoor geldende begripsomschrijvingen, ook op deze gemeentelijke monumenten «oude stijl» van toepassing zijn. Artikel 22.2 van dit omgevingsplan voorziet hierin. Daarbij is het uiteraard zo dat als bij voorbeschermde monumenten en archeologische monumenten de uitkomst van de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening is dat wordt afgezien van de aanwijzing, op dat moment de voorbescherming vervalt en niet langer sprake is van een «monument of archeologisch monument waarop die verordening van overeenkomstige toepassing is» als bedoeld in Artikel 22.2, eerste lid. Het van toepassing zijn van dit artikel op de hier bedoelde gemeentelijke monumenten «oude stijl» kan dus niet alleen worden beëindigd doordat gedurende de overgangsfase daaraan in het omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument wordt gegeven of ter zake in het omgevingsplan een voorbeschermingsregel wordt opgenomen (de situaties beschreven in Artikel 22.2, tweede lid), waardoor de desbetreffende monumenten en archeologische monumenten rechtstreeks onder de begrippen gemeentelijk monument en voorbeschermd gemeentelijk monument komen te vallen, maar ook doordat de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening uiteindelijk niet tot een aanwijzing leidt.

NNNNNNNNNNN

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.6 Vervallen

OOOOOOOOOOO

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.34 Voorschriften over archeologische monumentenzorg binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken

Dit artikel is voor de omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit de voortzetting van de regeling in artikel 2.22, tweede lid, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.2, eerste lid, van het voormalige Besluit omgevingsrecht. Het gaat hier om de gevallen, bedoeld in Artikel 22.26. Deze bepaling vloeit voort uit artikel 5.2, eerste lid, van het voormalige Besluit omgevingsrecht, waarin de mogelijkheid tot het verbinden van voorschriften aan de omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in het belang van de archeologische monumentenzorg afhankelijk was gesteld van een expliciete regeling in het bestemmingsplan.

Op het verbinden van deze voorschriften is Artikel 22.30322.304, eerste lid, van overeenkomstige toepassing. Dat artikellid omschrijft nader welke voorschriften in het belang van de archeologische monumentenzorg in ieder geval kunnen worden verbonden aan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of een werkzaamheid als bedoeld in Artikel 22.28422.285, eerste lid, die van invloed is op een archeologisch monument. Gelet op deze van overeenkomstige toepassing verklaring wordt hier verder volstaan met een verwijzing naar Artikel 22.30322.304 en de toelichting daarop.

PPPPPPPPPPP

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.44 Specifieke zorgplicht

De specifieke zorgplicht zorgt ervoor dat degene die een activiteit verricht, alles moet doen en laten om negatieve gevolgen voor de veiligheid, het milieu en de gezondheid te voorkomen. Soms lukt voorkomen niet. Dan moet hij ervoor zorgen dat er zo min mogelijk negatieve gevolgen voor het milieu en de gezondheid zijn.

Deze specifieke zorgplichtbepaling komt grotendeels overeen met de specifieke zorgplichtbepaling in het Bal. Dit artikel geldt daarom niet voor milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal. Dit is bepaald in het vierde lid. Voor meer informatie over de inhoud en werking van de specifieke zorgplicht wordt verwezen naar paragraaf 3.1 van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Bal.

De specifieke zorgplichten die in dit artikel zijn opgenomen, blijven gelden naast de algemene regels van deze afdeling in dit omgevingsplan, eventuele maatwerkvoorschriften en de vergunningplichten die in deze afdeling zijn opgenomen.

Tegen een overtreding van de specifieke zorgplicht kan handhavend worden opgetreden. Handhavend optreden ligt voor de hand bij evidente overtredingen van de specifieke zorgplicht. Daarvan is sprake in situaties waarin het handelen of nalaten van degene die de activiteit verricht, onmiskenbaar in strijd is met de specifieke zorgplicht. Er kunnen ook situaties aan de orde zijn waarin niet direct duidelijk is of van onmiskenbare strijd sprake is. Het bevoegd gezag zal dan een keuze moeten maken tussen een handhavingstraject of het eerst verduidelijken wat de specifieke zorgplicht inhoudt. Die verduidelijking kan in de vorm van het stellen van een maatwerkvoorschrift (zie het navolgende artikel) maar dat hoeft niet. Ook wanneer het bevoegd gezag degene die de activiteit verricht mondeling of schriftelijk informeert over wat er in een concreet geval onder de specifieke zorgplicht moet worden verstaan, is het voor diegene na ontvangst van die informatie duidelijk wat er verwacht wordt. Als daar geen gevolg aan wordt gegeven, is er sprake van onmiskenbare strijd met de specifieke zorgplicht. Een uitgebreidere uiteenzetting van de mogelijkheden om handhavend op te treden tegen overtredingen van de specifieke zorgplicht is opgenomen in de nota van toelichting bij het Bal.

Deze specifieke zorgplicht vervangt onder meer artikel 2.7a van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer dat ging over geurhinder. Dit houdt in dat als bij een activiteit emissies naar de lucht plaatsvinden, daarbij de geurhinder bij het geurgevoelige gebouw tot een aanvaardbaar niveau moet worden beperkt. Wat aanvaardbaar is, hangt af van de situatie. Hierbij kan rekening gehouden worden met onder meer de volgende aspecten:

-de bestaande toetsingskaders, waaronder lokaal geurbeleid;

-de geurbelasting ter plaatse van het geurgevoelige gebouw;

-de aard, omvang en waardering van de geur die vrijkomt bij de activiteit;

-de historie van degene die de activiteit verricht en het klachtenpatroon over geurhinder;

-de bestaande en verwachte geurhinder van de activiteit; en

-de kosten en baten van technische voorzieningen en gedragsregels op de locatie waarop de activiteit wordt verricht.

Deze specifieke zorgplicht geldt naast de verplichtingen die in de paragrafen en subparagrafen van deze afdeling zijn gesteld voor het voorkomen of het tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder.

Derde lid

Nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van en naar de activiteit betreffen hinder door bezoekersverkeer en indirecte geluidhinder. Bezoekersverkeer is het bezoek van klanten of bezoekers aan een activiteit. De Handreiking Vervoermanagement (november 2017) geeft inzicht in de wijze waarop invulling gegeven kan worden aan dit aspect van de specifieke zorgplicht. Daarnaast legt de handreiking de relatie met de EED, the European Energy Efficiency Directive en hoe daar mee om te gaan. De verschillende doelgroepen krijgen met deze handreiking meer inzicht in de mogelijkheden voor een «integrale» aanpak van duurzame mobiliteit.

Onder indirecte geluidhinder wordt geluidhinder verstaan die niet wordt veroorzaakt door activiteiten of installaties binnen de begrenzing van de locatie waarop de activiteit plaatsvindt, maar die wel aan die activiteit zijn toe te rekenen. In de toelichting bij Artikel 22.5622.57 (geluid: meerdere activiteiten beschouwen als een activiteit) wordt nader ingegaan op het verschil tussen directe geluidhinder en indirecte geluidhinder.

Het bevoegd gezag heeft op grond van Artikel 22.45 de bevoegdheid maatwerkvoorschriften te stellen. Maatwerkvoorschriften kunnen ook inhouden dat de activiteiten worden beschreven en dat metingen, berekeningen of tellingen moeten worden verricht om de mate waarin nadelige gevolgen voor het milieu worden veroorzaakt, te bepalen. De resultaten van een dergelijk onderzoek kunnen aanleiding zijn aanvullende maatwerkvoorschriften te stellen ter voorkoming of beperking van nadelige gevolgen voor het milieu, zoals het voorschrijven van maatregelen en gedragsvoorschriften. Bij het stellen van maatwerkvoorschriften ter voorkoming van indirecte geluidhinder vanwege wegverkeer kan de circulaire van 29 februari 1996 van de Minister van VROM, getiteld «Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer» als hulpmiddel dienen. Dit is niet veranderd ten opzichte van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

Voor een verplaatsbaar mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 4.1116 van het Bal, stonden in artikel 21 van het voormalige Besluit algemene regels milieu mijnbouw en artikel 4 van de voormalige Regeling algemene regels milieu mijnbouw, regels over geluid door verkeersbewegingen. Deze regels hielden in dat de etmaalwaarde van de verkeersbewegingen van en naar de mobiele installatie niet hoger was dan 50 dB(A), beoordeeld volgens de hierboven genoemde circulaire van 29 februari 1996. Deze regels komen niet expliciet terug in deze afdeling, maar vallen wel onder de specifieke zorgplicht van dit omgevingsplan, bedoeld in dit derde lid.

Anders dan bij de plichten uit het tweede lid van dit artikel, geldt de zorgplicht uit dit derde lid ook voor milieubelastende activiteiten als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Bal. Niet voor alle nadelige gevolgen van milieubelastende activiteiten voor de fysieke leefomgeving zijn rijksregels gesteld in het Bal. Anders dan in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 2.1, eerste lid, in samenhang met het tweede lid, onderdeel k en q) maken de nadelige gevolgen van het verkeer van personen of goederen van en naar een activiteit en de bescherming van het donkere landschap geen onderdeel uit van de belangen die met het Bal worden behartigd. Voor de belangen die buiten het Bal vallen, kunnen voor het waarborgen van deze belangen op decentraal niveau regels worden gesteld. In dit artikel is dit gedaan, door in het derde lid het voorkomen of beperken van hinder, veroorzaakt door verkeer van en naar de activiteit en het beschermen van de duisternis en het donkere landschap op te nemen.

Vierde lid

Voor milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal geldt de specifieke zorgplicht uit artikel 2.11 van het Bal. Daarom is in het vierde lid bepaald dat het eerste en tweede lid van dit artikel niet gelden voor dergelijke milieubelastende activiteiten. Het derde lid geldt wel voor milieubelastende activiteiten die onder het Bal vallen. In het derde lid zijn immers aspecten genoemd die niet behoren tot het oogmerk van de regels in de hoofdstukken 2 tot en met 5 van het Bal.

2 Stb. 2018, 293, p. 526-527

QQQQQQQQQQQ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.52 Energie: maatregelen, overgangsrecht maatregelen en informatieplicht

Dit artikel vervangt artikel 2.15 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Deze paragraaf is overgenomen uit paragraaf 5.4.1 van het Bal. Zie de bij die paragraaf horende toelichting voor een uitleg van deze artikelen.

Het bevoegd gezag kan, als aannemelijk is dat niet wordt voldaan aan dit artikel, met een maatwerkvoorschrift op grond van Artikel 22.45 van dit omgevingsplan een onderzoek verlangen waaruit blijkt of aan dit artikel wordt voldaan.

Bijlage VII, onderdeel 16, bij de Omgevingsregeling bevat energiebesparende maatregelen die kunnen worden getroffen.

Dit artikel bevat overgangsrecht voor milieubelastende activiteiten die onder het toepassingsbereik van Paragraaf 22.3.2 van dit omgevingsplan vallen en waarvoor al op grond van het recht voor de Omgevingswet – in concreto artikel 2.15, tweede, tiende of elfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer – door het betrokken bedrijf of de betrokken instelling een rapportage informatieplicht aan het bevoegd gezag is verstrekt of had moeten worden verstrekt.

Dit overgangsrecht heeft in de eerste plaats tot gevolg dat tot 1 december 2023 kan worden volstaan met het treffen van de energiebesparende maatregelen, bedoeld in artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Dit is inclusief de bijbehorende regels en bijlagen uit afdeling 2.5 van de Activiteitenregeling milieubeheer, zoals de lijst met erkende energiebesparende maatregelen, de rekenmethode voor de terugverdientijd en de rekenmethode voor de hoeveelheid aardgasequivalent. In Artikel 22.52, zesdeeerste lid, is in dat licht gedurende de periode, bedoeld in het eerste lid van het Artikel 22.52 op de betreffende milieubelastende activiteiten niet van toepassing verklaard.

Daarnaast volgt uit dit overgangsrecht dat als voor een onder het toepassingsbereik vallende milieubelastende activiteit die is gestart voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet door het betrokken bedrijf of de betrokken instelling een rapportage informatieplicht had moeten worden verstrekt, maar dat nog niet is gebeurd, tot 1 december 2023 nog steeds in overeenstemming met de daaraan in artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit milieubeheer gestelde eisen aan de informatieplicht moet worden voldaan.

Met het opnemen van de datum van 1 december 2023 als einddatum voor het overgangsrecht is aansluiting gezocht bij de datum van het van toepassing worden van de geactualiseerde regels over energiebesparing zoals deze is opgenomen in de hiervoor in de toelichting bij Artikel 22.51 genoemde voorziene regelgeving.

RRRRRRRRRRR

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.5322.54 Afval: zwerfvuil

SSSSSSSSSSS

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.5422.55 Toepassingsbereik

TTTTTTTTTTT

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.5522.56 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

Eerste lid

De uitzondering in Artikel 22.5422.55, tweede lid, onder b, voor een tijdelijk toegelaten geluidgevoelig gebouw, geldt alleen voor een geluidgevoelig gebouw dat na de inwerkingtreding van de Omgevingswet is toegelaten voor een duur van niet meer dan 10 jaar, waarbij getoetst is aan de kwalitatieve norm «aanvaardbaar» uit artikel 5.59, tweede lid van het Bkl. Voor een geluidgevoelig gebouw dat al voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet is toegelaten geldt de uitzondering niet. Zo'n gebouw valt wel binnen het toepassingsbereik van deze paragraaf en hiervoor blijft wel een waarde gelden voor het geluid door een activiteit op de gevel van een tijdelijk toegelaten geluidgevoelig gebouw. De reden voor het uitzonderen is dat onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer de geluidnormen wel golden voor gebouwen waarvoor het tijdelijk toegelaten is om ze te gebruiken als geluidgevoelig gebouw.

Zie het schema in de volgende alinea voor een overzicht van de gevallen waarin een waarde voor geluid geldt bij verschillende situaties van geluidgevoelige gebouwen die tijdelijk toegelaten zijn versus activiteiten.

Tweede lid

Onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer kregen geprojecteerde en in aanbouw zijnde geluidgevoelige gebouwen geen bescherming tegen geluid van milieubelastende activiteiten. Dit is wel zo bij de instructieregels van het Bkl. De geluidwaarde geldt dan op de locatie waar volgens het omgevingsplan of de omgevingsvergunning de gevel van het gebouw gebouwd mag worden. Omdat de voormalige bestemmingsplannen van rechtswege zijn overgegaan in omgevingsplannen, zou toetsing op een geprojecteerd gebouw ertoe kunnen leiden dat een bestaande activiteit opeens niet meer voldoet aan de geluideisen. In de transitieperiode is dit ongewenst: voor rechtmatige bestaande situaties moeten niet ineens strengere waarden voor geluid gaan gelden. Daarom is in de omgevingsplanregels van rijkswege, voor situaties die al toegestaan zijn voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, de uitzondering opgenomen dat onder een geluidgevoelig gebouw niet wordt verstaan een geprojecteerd gebouw of een geluidgevoelig gebouw in aanbouw.

Het uitgangspunt voor het overgangsrecht is dat de initiatiefnemer onder dezelfde condities zijn activiteit moet kunnen blijven voortzetten. Als na de inwerkingtreding van de Omgevingswet een nieuw geluidgevoelig gebouw wordt toegelaten bij een bestaande activiteit, of een nieuwe activiteit begint bij een bestaand geluidgevoelig gebouw, gelden al wel de nieuwe regels. Dit verschil werkt ook door naar de omgevingsplanregels van rijkswege.



Schema: of waarden voor geluid gelden bij geprojecteerde of in aanbouw zijnde geluidgevoelige gebouwen of tijdelijke geluidgevoelig gebouwen versus situatie activiteiten

Geluidgevoelig gebouw

 

Activiteiten

 

al rechtmatig verricht voor inwerkingtreding van de Omgevingswet

nog niet rechtmatig verricht voor inwerkingtreding van de Omgevingswet

op grond van het oude recht (in het tijdelijke deel van het omgevingsplan) toegelaten maar nog niet gebouwd

de waarden voor geluid uit Paragraaf 22.3.4 zijn niet van toepassing

de waarden voor geluid uit Paragraaf 22.3.4 zijn wel van toepassing

in het nieuwe deel van het omgevingsplan toegelaten maar nog niet gebouwd

de waarden voor geluid uit Paragraaf 22.3.4 zijn wel van toepassing

de waarden voor geluid uit Paragraaf 22.3.4 zijn wel van toepassing

op grond van het oude recht (in het tijdelijke deel van het omgevingsplan) toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar

de waarden voor geluid uit Paragraaf 22.3.4 zijn wel van toepassing

de waarden voor geluid uit Paragraaf 22.3.4 zijn wel van toepassing

in het nieuwe deel van het omgevingsplan toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar

de waarden voor geluid uit Paragraaf 22.3.4 zijn niet van toepassing

de waarden voor geluid uit Paragraaf 22.3.4 zijn niet van toepassing

UUUUUUUUUUU

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.5622.57 Geluid: meerdere activiteiten beschouwen als één activiteit

VVVVVVVVVVV

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.5722.58 Geluid: waar waarden gelden

WWWWWWWWWWW

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.5822.59 Geluid: functionele binding

XXXXXXXXXXX

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.5922.60 Geluid: voormalige functionele binding

YYYYYYYYYYY

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.6022.61 Geluid: onderzoek

ZZZZZZZZZZZ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.6122.62 Gegevens en bescheiden: rapport geluidonderzoek

Ten minste vier weken voor het begin of wijziging van de activiteit moet het geluidonderzoek aan het bevoegd gezag versterkt worden. Behalve het geluidonderzoek moeten ook de gegevens zoals vermeld in Artikel 22.46 worden verstrekt.

Dit artikel heeft als doel om gemeenten op de hoogte te stellen van nieuwe of gewijzigde activiteiten op een gezoneerd industrieterrein.

Deze informatieplicht geldt niet als de gemeente al via een aanvraag om een omgevingsvergunning, via het overleggen van een geluidonderzoek op grond van Artikel 22.6022.61 en Artikel 22.6122.62 of via een informatieplicht ergens anders in deze afdeling van dit omgevingsplan of in het Besluit activiteiten leefomgeving, op de hoogte wordt gesteld van het begin of de wijziging van de activiteit. In artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet is daarnaast nog bepaald dat gegevens en bescheiden niet behoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.

Naar aanleiding van de ontvangen gegevens en bescheiden kan de gemeente vervolgens beoordelen of het noodzakelijk is om een geluidonderzoek te laten verrichten voor het zonebeheer. Op grond van Artikel 22.45 van dit omgevingsplan kan dan een rapport van een geluidonderzoek verlangd worden van de initiatiefnemer.

Deze verplichting geldt niet voor activiteiten op een gezoneerd industrieterrein waar geen activiteiten verricht worden of installaties gebruikt worden zoals bedoeld in het tweede lid. Deze activiteiten en grenzen zijn overgenomen uit de begripsbepaling inrichting Type A in artikel 1.2 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Onder het oude recht hoefde voor een inrichting Type A geen melding te worden gedaan. Voor de informatieplicht in Artikel 22.6122.62 van het omgevingsplan is alleen gekeken naar die grenzen uit het oude begrip inrichting Type A die mede gesteld waren met het oogmerk om geluidhinder te voorkomen of beperken.

AAAAAAAAAAAA

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.6222.63 Toepassingsbereik incl. tijdelijke uitzondering windparken

BBBBBBBBBBBB

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.6322.64 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen

Eerste lid

Het eerste lid bepaalt hoeveel geluid toelaatbaar is op de gevel van een geluidgevoelig gebouw en komt overeen met de geluidnormen die in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer stonden. In de instructieregels van het Bkl zijn geen normen meer opgenomen voor het LAmax in de dagperiode.

Tweede lid

Het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer kende in artikel 2.17, derde lid, de regeling dat voor geluidgevoelige gebouwen op Activiteitenbesluit-bedrijventerreinen (geen gezoneerde industrieterreinen zijnde) het beschermingsniveau op de gevel 5 dB(A) lager ligt. Om te voorkomen dat activiteiten opeens niet meer aan de geluidwaarden voldoen, is deze regeling in het tweede lid van dit artikel overgenomen. In bijlage I bij de omgevingsplanregels van rechtswege is een begrip Activiteitenbesluit-bedrijventerrein opgenomen. Het Bkl biedt in artikel 5.65, tweede lid, voor zulke bedrijventerreinen de mogelijkheid om een 5 dB(A) hogere waarde te stellen.

Derde lid

In de instructieregels (artikel 5.65) van het Bkl zijn de geldende binnenwaarden opgenomen voor in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen. Deze komen, voor wat betreft het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau, overeen met de waarden zoals deze op grond van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer golden. In de instructieregels van het Bkl zijn geen waarden meer opgenomen voor het LAmax in de dagperiode, en de waarden in de avondperiode zijn strenger dan onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Om te voorkomen dat in de transitieperiode andere waarden voor de activiteiten gaan gelden, zijn in dit artikel de waarden uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer overgenomen.

Vierde lid

Het vierde lid gaat in op de piekgeluiden die veroorzaakt worden door het laden en lossen in de dagperiode. Laden en lossen valt via Artikel 22.41 (algemeen toepassingsbereik) en Artikel 22.5622.57 (meerdere activiteiten beschouwen als één activiteit) onder de activiteit, en daarmee onder de geluidwaarden die in de tabellen zijn gesteld. Dat geldt dus ook voor laden en lossen dat op de openbare weg («in de onmiddellijke nabijheid van») plaatsvindt. Om te voorkomen dat in de periode waarin de gemeenten hun omgevingsplannen nog niet hebben aangepast aan de Omgevingswet, het overdag laden en lossen onder de norm voor het piekgeluid gaat vallen, is het vierde lid toegevoegd. Dit lid bepaalt uitdrukkelijk dat - net als onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer- voor het laden en lossen in de dagperiode geen geluidwaarden voor het piekgeluidniveau gelden. Ook het Bkl geeft geen afzonderlijke waarden voor de piekniveaus in de dagperiode, en dus ook niet voor de piekniveaus van het laden en lossen.

CCCCCCCCCCCC

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.6422.65 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen: tankstation

DDDDDDDDDDDD

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.6522.66 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen: agrarische activiteit, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied

EEEEEEEEEEEE

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.6622.67 Geluid: waarde voor geluidgevoelige gebouwen: glastuinbouwbedrijf binnen een glastuinbouwgebied

FFFFFFFFFFFF

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.6722.68 Geluid: waarden bij of krachtens een voor inwerkingtreding van de Omgevingswet vastgestelde gemeentelijke verordening

In artikel 2.17, zevende lid, juncto 2.17a, vijfde lid, en de artikelen 2.18, vijfde lid, en 2.19a, tweede lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer stond een mogelijkheid om bij of krachtens een gemeentelijke verordening hogere of lagere normen te laten gelden, dan de standaardnormen. Op grond van artikel 8.2.2 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet blijven die regels zoals opgenomen in een gemeentelijke verordening (in veel gevallen in de Algemene Plaatselijke Verordening) nog gelden. Artikel 22.6722.68 van dit omgevingsplan zorgt ervoor dat de waarden uit die verordening, voorrang hebben op de waarden zoals opgenomen in dit (tijdelijk deel) van het Omgevingsplan.

GGGGGGGGGGGG

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.6822.69 Geluid: waarden op drijvende woonfunctie voor 1 juli 2012

Dit artikel is een voortzetting van het overgangsrecht voor ligplaatsen, zoals was opgenomen in artikel 2.17, vierde lid, onder d, vijfde lid, onder f, en het zesde lid, onder d, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

Het in Artikel 22.6322.64, eerste lid, Artikel 22.6422.65, eerste lid, Artikel 22.6522.66, eerste lid en Artikel 22.6622.67, eerste lid opgenomen langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en het maximaal geluidsniveau wordt verhoogd met 5 dB(A). Deze verhoging geldt voor drijvende woonschepen die als zodanig voor 1 juli 2012 in dit omgevingsplan zijn toegelaten én voor drijvende woonfuncties die voor 1 juli 2012 waren opgenomen in een gemeentelijke verordening en nadien, maar voor 1 juli 2022, alsnog zijn opgenomen in een omgevingsplan.

HHHHHHHHHHHH

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.6922.70 Geluid: eerbiedigende werking

IIIIIIIIIIII

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.7022.71 Geluid: buiten beschouwing laten van geluidbronnen

JJJJJJJJJJJJ

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.7122.72 Geluid: waar waarden gelden voor een activiteit op een gezoneerd industrieterrein

KKKKKKKKKKKK

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.7222.73 Geluid: maatregelen of voorzieningen bij stomen van grond

Dit artikel is een voortzetting van artikel 2.18, zesde tot en met achtste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

Het geluid dat wordt veroorzaakt door het stomen van grond met een installatie van derden wordt buiten beschouwing gelaten bij het bepalen van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau. In bedrijven waar het systeem van substraatteelt niet wordt toegepast, maar waar in de grond wordt geteeld, moet op gezette tijden ontsmetting van de grond plaatsvinden. Dit geschiedt door de grond te stomen. Grondstomen vindt niet vaker dan enkele keren per jaar plaats. De frequentie hangt af van het te telen gewas. Gelet op de frequentie van het grondstomen en het feit dat het een activiteit is die door derden wordt uitgevoerd, kan deze activiteit niet worden beschouwd als een representatieve bedrijfssituatie zoals bedoeld in de «Handleiding meten en rekenen industrielawaai». Daarom blijft bij het bepalen van de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus, bedoeld in Artikel 22.6322.64, het door deze activiteit veroorzaakte geluid buiten beschouwing. Het grondstomen wordt in de regel uitgevoerd door gespecialiseerde bedrijven. Deze bedrijven plaatsen tijdelijk een mobiele installatie bij het tuinbouwbedrijf. Als het grondstomen met een eigen ketelinstallatie plaatsvindt, wordt het wel meegeteld bij het bepalen van de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus omdat die installatie een vast onderdeel is van de activiteit, vaker kan worden gebruikt en door degene die de activiteit verricht zodanig kan worden aangepast dat het geluid gereduceerd wordt.

Omdat het grondstomen dat plaatsvindt met een installatie van derden buiten beschouwing blijft bij het bepalen van de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus, moeten maatregelen of voorzieningen getroffen worden om de geluidhinder zo veel mogelijk te reduceren. De maatregelen of voorzieningen zijn in het tweede lid omschreven. Op grond van Artikel 22.45 kan het bevoegd gezag maatwerkvoorschriften stellen, waarmee de maatregelen of voorzieningen meer specifiek kunnen worden ingevuld.

LLLLLLLLLLLL

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.7322.74 Geluid: festiviteiten

MMMMMMMMMMMM

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.7422.75 Geluid: meet- en rekenbepalingen

NNNNNNNNNNNN

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.7522.76 Toepassingsbereik

OOOOOOOOOOOO

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.7622.77 Geluid: waarden windturbines

PPPPPPPPPPPP

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.7722.78 Registratie gegevens windturbines

Dit artikel is een voortzetting van artikel 3.14e van de voormalige Activiteitenregeling milieubeheer.

Die ministeriële regeling bevatte in de artikelen 3.14a tot en met 3.14d ook veel gedetailleerde regels over de wijze van meten en rekenen van het geluid door windturbines. Deze regels staan niet in dit omgevingsplan maar zijn opgenomen in de Omgevingsregeling. Een geluidonderzoek voor windturbines wordt wel in dit omgevingsplan voorgeschreven in Artikel 22.6022.61.

QQQQQQQQQQQQ

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.7822.79 Geluid: meet- en rekenbepalingen

RRRRRRRRRRRR

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.7922.80 Toepassingsbereik

SSSSSSSSSSSS

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.8022.81 Geluid: waarden buitenschietbanen

TTTTTTTTTTTT

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.8122.82 Registratie gegevens buitenschietbanen

Dit artikel is een voortzetting van artikel 3.118a van de voormalige Activiteitenregeling milieubeheer. Die ministeriële regeling bevatte in artikel 3.118 ook gedetailleerde regels over de wijze van meten en rekenen van het geluid bij buitenschietbanen. Deze regels staan niet in dit omgevingsplan maar zijn opgenomen in de Omgevingsregeling.

In dit artikel is een registratieverplichting opgenomen. Aangezien het door de vele overdrachtsgegevens die deel uitmaken van de rekenmethodiek nauwelijks mogelijk is controlemetingen uit te voeren, wordt door de handhavende instanties gebruik gemaakt van het geregistreerde aantal schoten, het kaliber van de verschoten munitie en de dagdelen waarin deze verschoten is. Deze parameters komen overeen met die van het geluidonderzoek dat is voorgeschreven op grond van Artikel 22.6022.61 van dit omgevingsplan. Op deze wijze is bestuursrechtelijk toezicht mogelijk van de akoestische belasting op de omgeving.

In de Omgevingsregeling zijn deze meet- en rekenbepalingen voor geluid voor buitenschietbanen opgenomen in artikel 6.9.

UUUUUUUUUUUU

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.8222.83 Geluid: meet- en rekenbepalingen

VVVVVVVVVVVV

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.8322.84 Toepassingsbereik

WWWWWWWWWWWW

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.8422.85 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

In Artikel 22.8322.84, tweede lid, onder b is de uitzondering opgenomen dat deze paragraaf niet geldt voor trillingen in een trillinggevoelig gebouw dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan 10 jaar.

Op grond van dit artikel, geldt die uitzondering alleen voor een trillinggevoelig gebouw dat na de inwerkingtreding van de Omgevingswet is toegelaten voor een duur van niet meer dan 10 jaar, waarbij getoetst is aan de kwalitatieve norm «aanvaardbaar» uit artikel 5.83, tweede lid, van het Bkl.

XXXXXXXXXXXX

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.8522.86 Trillingen: meerdere activiteiten beschouwen als een activiteit

YYYYYYYYYYYY

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.8622.87 Trillingen: functionele binding

ZZZZZZZZZZZZ

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.8722.88 Trillingen: voormalige functionele binding

AAAAAAAAAAAAA

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.8822.89 Trillingen: waarden voor continue trillingen

BBBBBBBBBBBBB

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.8922.90 Trillingen: meet- en rekenbepalingen

CCCCCCCCCCCCC

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.9022.91 Toepassingsbereik

DDDDDDDDDDDDD

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.9122.92 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

EEEEEEEEEEEEE

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.9222.93 Geur: waar waarden en tot waar afstanden gelden

FFFFFFFFFFFFF

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.9322.94 Geur: functionele binding

GGGGGGGGGGGGG

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.9422.95 Geur: voormalige functionele binding

HHHHHHHHHHHHH

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.9522.96 Geur: cumulatie

IIIIIIIIIIIII

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.9622.97 Toepassingsbereik

JJJJJJJJJJJJJ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.9722.98 Geur vanaf waar afstanden gelden

De afstanden zoals opgenomen in deze paragraaf worden gemeten tussen het emissiepunt van het dierenverblijf en het dichtstbijzijnde geurgevoelige object.

Het gaat om het emissiepunt als bedoeld in artikel 4.806, tweede lid, van het Bal. Op grond van dat artikel wordt onder emissiepunt verstaan:

  • a.

    het punt waarop een relevante hoeveelheid emissie buiten het dierenverblijf treedt of wordt gebracht; of

  • b.

    bij een gedeeltelijk overdekt dierenverblijf: het punt waarop een relevante hoeveelheid emissie buiten het overdekte gedeelte van het dierenverblijf treedt of wordt gebracht.

In Artikel 22.10322.104 wordt hier een uitzondering op gemaakt voor de zogenaamde gevel-gevelafstanden.

KKKKKKKKKKKKK

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.9822.99 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: waarden

Eerste lid

Dit lid is een voorzetting van artikel 3.115, eerste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 3 van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij. In dit artikel worden de standaardwaarden voor geurbelasting in odour units gegeven voor dierenverblijven met dieren waarvoor een emissiefactor is vastgesteld.

De waarden gelden alleen voor beginnen, wijzigen of uitbreiden. Dit staat in het toepassingsbereik van deze paragraaf. Of de situatie overbelast is, maakt niet uit zolang niet wordt uitgebreid of gewijzigd.

Op grond van bijlage I bij dit omgevingsplan wordt onder landbouwhuisdieren met geuremissiefactor verstaan: landbouwhuisdieren waarvoor een emissiefactor voor geur is vastgesteld en die vallen binnen een van de volgende diercategorieën:

  • a.

    varkens, kippen, schapen of geiten; of

  • b.

    als deze worden gehouden voor de vleesproductie:

    • 1.

      rundvee tot 24 maanden;

    • 2.

      kalkoenen;

    • 3.

      eenden; of

    • 4.

      parelhoenders.

Er wordt net zoals in de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer onderscheid gemaakt tussen geurgevoelige objecten binnen en buiten de bebouwde kom. Het begrip «bebouwde kom» was en is niet gedefinieerd. De grens van de bebouwde kom wordt niet alleen bepaald door de wegenverkeerswetgeving, maar ook door de aard van de omgeving. Binnen een bebouwde kom is de op korte afstand van elkaar gelegen bebouwing geconcentreerd tot een samenhangende structuur. In het Bkl wordt de bebouwde kom vervangen door de bebouwingscontour die in het omgevingsplan moet worden opgenomen, zodat vooraf hierover altijd duidelijkheid is. Gemeenten wijzen dan bebouwingscontouren aan in het omgevingsplan.

Voor dit artikel geldt dat als in een geurverordening op grond van artikel 6 van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij een andere waarde is vastgesteld dan de waarde in dit lid, die andere waarde voorrang heeft op de waarde zoals opgenomen in dit artikel. Dit is geregeld in Artikel 22.1, eerste lid, van dit omgevingsplan. Deze voorrang werkt ook door in de volgende artikelen van deze paragraaf, bijvoorbeeld voor het berekenen van de geur in het tweede lid of de eerbiedigende werking in Artikel 22.9922.100.

Tweede lid

In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer werd voor de manier van berekenen van de geur door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor verwezen naar de ministeriële regeling die op grond van artikel 10 van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij was vastgesteld. In de Omgevingsregeling is deze methode voor het berekenen van de geurwaarden verwerkt in artikel 6.14.

LLLLLLLLLLLLL

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.9922.100 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: eerbiedigende werking bij waarden

In dit artikel is een regeling opgenomen voor situaties waar op de dag van inwerkingtreding van de Omgevingswet niet voldaan wordt aan de immissiewaarden die gelden op grond van Artikel 22.9722.98. De standaardwaarden uit Artikel 22.9822.99 gelden niet voor het op een locatie wijzigen of uitbreiden van het aantal of soort landbouwhuisdieren met geuremissiefactor in dierenverblijven, als sprake is van een rechtmatig voor geur overbelaste situatie op het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Er hoeft in dat geval dus niet aan de standaardwaarden te worden voldaan, maar uitbreiden en wijzigen is alleen mogelijk in de volgende gevallen:

1. Zolang de geur op een geurgevoelig gebouw door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op een geurgevoelig object niet toeneemt en het aantal landbouwhuisdieren met geuremissiefactor per diercategorie niet toeneemt. Dit is de voortzetting van de artikelen 3, derde lid, van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en 3.115, tweede lid, onder c, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

2. Als aan de 50%-regeling wordt voldaan.

In rechtmatig toegestane overschrijdingssituaties mag het aantal landbouwhuisdieren met geuremissiefactor per diercategorie niet toenemen, tenzij er een geurbelastingreducerende maatregel getroffen is en de toegestane overschrijding van de geur gehalveerd wordt. Bij het toepassen van de 50%-regeling moet gerekend worden met de waarden zoals opgenomen in het omgevingsplan of in de geurverordening.

Voor wat betreft de geur die rechtmatig veroorzaakt mocht worden, gaat het om de geur die onmiddellijk voorafgaand aan het toepassen van de maatregel rechtmatig mocht worden veroorzaakt. Daarmee is voorzien in de eerbiedigende regeling voor het houden van landbouwhuisdieren in bestaande dierenverblijven waarbij sprake is van een toegestane overschrijdingssituatie.

Dit lid vormt de voortzetting van artikel 3, vierde lid, van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en artikel 3.115, tweede lid, onder b en c, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Voor de 50%-regeling is aangesloten bij de formulering zoals die in artikel 3.115, tweede lid, onder b, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer is opgenomen in plaats van de formulering in artikel 3, vierde lid, van de voormalige Wet geurhinder veehouderij. Hierdoor hoeft niet berekend te worden wat de reductie als gevolg van de geurbelastingreducerende maatregelen zou zijn, gelet op de bestaande (oude) situatie. Dit is eenvoudiger voor de praktijk.

MMMMMMMMMMMMM

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.10022.101 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: afstand tot bijzondere geurgevoelige objecten

In dit artikel staan de minimumafstanden tussen een dierenverblijf met landbouwhuisdieren waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld en een geurgevoelig object dat hoort of heeft gehoord bij een andere veehouderij of een ruimte-voor-ruimtewoning. Het gaat hier om woningen bij omliggende veehouderijen, woningen bij omliggende veehouderijen die na 19 maart 2000 zijn gestopt of woningen die zijn gebouwd na 19 maart 2000 tegelijk met het (deels) beëindigen van een omliggende veehouderij. De genoemde geurgevoelige objecten krijgen minder bescherming dan andere geurgevoelige objecten, maar er moet wel sprake zijn van een minimaal beschermingsniveau. Dit minimale beschermingsniveau wordt bereikt door een afstand aan te houden van 100 meter tot een object binnen de bebouwde kom en 50 meter tot een object buiten de bebouwde kom. Als niet voldaan wordt aan de minimumafstand, dan moet wel aan Artikel 22.9822.99 en Artikel 22.9922.100 voldaan worden.

NNNNNNNNNNNNN

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.10122.102 Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s voor het berijden: afstand

Voor landbouwhuisdieren waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld gelden geen waarden, maar is het uitgangspunt dat afstanden worden aangehouden. Deze afstanden zijn in dit artikel opgenomen. Het gaat hierbij om vaste afstanden: de afstand is niet gekoppeld aan het aantal landbouwdieren.

In dit omgevingsplan wordt onder landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor verstaan: landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen emissiefactor voor geur is vastgesteld met uitzondering van pelsdieren. Deze begripsbepaling staat opgenomen in Bijlage III bij dit omgevingsplan.

Dit artikel is een voortzetting van artikel 4, eerste lid, van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en artikel 3.117, eerste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

Voor dit artikel geldt dat als in een geurverordening op grond van artikel 6 van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij een andere afstand is vastgesteld dan de afstand in dit artikel, die andere afstand uit de geurverordening voorrang heeft op de afstand zoals opgenomen in dit artikel. Dit is geregeld in Artikel 22.1 van dit omgevingsplan. Deze voorrang werkt ook door in de volgende artikelen van deze paragraaf over de eerbiedigende werking.

OOOOOOOOOOOOO

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.10222.103 Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s voor het berijden: eerbiedigende werking voor afstand

In dit artikel is een regeling opgenomen voor situaties waar op de dag van inwerkingtreding van de Omgevingswet niet voldaan wordt aan de vereiste afstanden die gelden op grond van Artikel 22.10122.102.

In dat geval is uitbreiden toegestaan als het aantal landbouwhuisdieren per diercategorie zonder geuremissiefactor of het aantal paarden en pony's die gehouden worden voor het berijden, niet toeneemt en de afstand tot een geurgevoelig object niet kleiner wordt.

Dit lid vormt de voortzetting van de artikelen 4, derde lid, van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en 3.117, tweede lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

PPPPPPPPPPPPP

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.10322.104 Geur landbouwhuisdieren en paarden of pony’s voor het berijden: afstand vanaf de gevel dierenverblijf

Dit artikel bevat afstanden gemeten vanaf (de buitenzijde van) de gevel van het dierenverblijf tot de gevel van een geurgevoelig object, de zogenaamde gevel tot gevelafstanden.

De afstanden, bedoeld in dit artikel, gelden naast de waarden die op grond van Artikel 22.9822.99 gelden en naast de afstanden die op grond van de Artikel 22.10022.101 en Artikel 22.10122.102 gelden.

Dit artikel geldt voor het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor en voor landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor en voor het houden van paarden en pony's die gehouden worden voor het berijden. Door dit artikel wordt geborgd dat er altijd een zekere afstand is tussen een geurgevoelig object en een dierenverblijf. Dit onderdeel is een voortzetting van artikel 5, eerste lid, van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en artikel 3.119, eerste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

QQQQQQQQQQQQQ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.10422.105 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: eerbiedigende werking voor afstand vanaf gevel dierenverblijf

In dit artikel is een regeling opgenomen voor het wijzigen of uitbreiden van het in een dierenverblijf houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor, voor locaties waar de afstand tussen de gevel van een dierenverblijf voor het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor en een geurgevoelig object rechtmatig kleiner is dan de afstand, bedoeld in Artikel 22.10322.104. Dat houdt in dat bij wijzigen of uitbreiden op die locatie, de gevel tot gevelafstand niet mag afnemen, het aantal landbouwhuisdieren met geuremissiefactor per diercategorie niet mag toenemen én de geur op een geurgevoelig gebouw door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor niet mag toenemen. De eisen zoals gesteld onder a, b en c zijn cumulatief.

Dit artikel is de voortzetting van artikel 5, tweede lid, onder a, van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en artikel 3.119, tweede lid, onder a en b, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

RRRRRRRRRRRRR

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.10522.106 Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor en paarden en pony’s voor het berijden: eerbiedigende werking voor afstand vanaf gevel dierenverblijf

In dit artikel is een regeling opgenomen voor een soortgelijke situatie als in Artikel 22.10422.105, maar dan voor landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor en paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden. Dat houdt in dat bij wijzigen of uitbreiden op die locatie, de gevel tot gevelafstand niet mag afnemen en het aantal het aantal landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of het aantal paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden niet mag toenemen. De eisen gesteld onder a en b zijn cumulatief.

SSSSSSSSSSSSS

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

TTTTTTTTTTTTT

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

UUUUUUUUUUUUU

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

VVVVVVVVVVVVV

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

WWWWWWWWWWWWW

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

XXXXXXXXXXXXX

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

YYYYYYYYYYYYY

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

ZZZZZZZZZZZZZ

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

AAAAAAAAAAAAAA

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.11422.115 Geur opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie: afstand

Dit artikel vormt een voortzetting van de artikelen 1.1, eerste lid, 3.45, eerste lid, en 3.46, eerste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Die artikelen zagen op het opslaan van agrarische bedrijfsstoffen. Dit artikel ziet niet op alle agrarische bedrijfsstoffen, maar enkel op een deel ervan. De regels voor de andere agrarische bedrijfsstoffen zijn elders in Subparagraaf 22.3.6.4 geregeld.

Dit artikel geldt voor alle milieubelastende activiteiten die vallen onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, bedoeld in Artikel 22.41, waaronder opslag van vaste mest op een weiland of akker.

Eerste lid, onderdeel a

Dit artikel geldt niet voor de opslag van vaste mest afkomstig van andere dieren dan landbouwhuisdieren of paarden en pony's die gehouden worden in verband met het berijden, zoals honden, dieren op de kinderboerderij of dieren in dierentuinen. Voor de geurhinder, veroorzaakt door die mestopslagen geldt Artikel 22.24022.241.

Tweede lid, onderdeel a

Bij het opslaan van minder dan 3 m3 vaste mest, champost of dikke fractie gelden geen eisen, anders dan de specifieke zorgplicht.

Tweede lid, onderdeel b

Als vaste mest, champost of dikke fractie korter dan twee weken op één plek opgeslagen ligt, dan is dit artikel niet van toepassing. Wel geldt de specifieke zorgplicht.

Tweede lid, onderdeel c

Een opslag van meer dan 600 m3 vaste mest valt niet onder het toepassingsbereik van dit artikel. In Artikel 22.26222.263 is aanvullend op deze bovengrens een vergunningplicht opgenomen voor de opslag van meer dan 600 m3 vaste mest.

Derde lid

De afstanden in dit lid komen overeen met de afstanden in artikel 3.46, eerste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

De maatwerkmogelijkheid in artikel 3.46, achtste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer is niet specifiek overgenomen. Dit valt nu onder de generieke maatwerkbevoegdheid van deze afdeling van dit omgevingsplan.

BBBBBBBBBBBBBB

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.11522.116 Geur opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong: afstand

CCCCCCCCCCCCCC

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.11622.117 Geur opslaan kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen: afstand

DDDDDDDDDDDDDD

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.11722.118 Geur opslaan drijfmest, digestaat en dunne fractie: afstand

Eerste lid

Met dit artikellid en de begripsomschrijvingen in het Bal zijn de artikelen 3.50, derde lid, en 3.51, elfde lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer omgezet. Het mestbassin is bovengronds gelegen en kan ook uit een mestzak of foliebassin bestaan. Voor de berekening van de gezamenlijke oppervlakte en de gezamenlijke inhoud worden de oppervlakte en inhoud van mestkelders en ondergrondse mestbassins die zijn voorzien van een afdekking die als vloer fungeert niet meegerekend. Is sprake van meerdere bassins, dan worden deze voor de oppervlakte- of inhoudsbepaling dus bij elkaar opgeteld. Een uitgebreide toelichting over het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie is te lezen in de artikelsgewijze toelichting bij artikel 4.855 van het Bal.

In het Bal staat geen vergunningplicht voor het opslaan van dierlijke meststoffen die verpompbaar zijn in een of meer mestbassins met een gezamenlijke oppervlakte groter dan 750 m2 of een gezamenlijke inhoud groter dan 2.500 m3. Deze vergunningplicht komt wel terug in Artikel 22.26222.263 van dit omgevingsplan.

Tweede lid

De afstand die ten minste in acht moet worden genomen, is kleiner voor bassins met een (gezamenlijke) oppervlakte kleiner dan 350 m2 dan voor bassins met een (gezamenlijke) oppervlakte van 350 m2 of meer. Verder geldt een kleinere afstand van het bassin tot een geurgevoelig object of een geprojecteerd geurgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met een veehouderij in de directe omgeving dan een te beschermen object zonder die functionele binding met een veehouderij.

Ondanks dat de afstanden in acht worden genomen, kan toch geuroverlast optreden. Het bevoegd gezag heeft dan de mogelijkheid om aanvullende eisen te stellen met maatwerkvoorschriften. Dit kan bijvoorbeeld voor de situering van het mestbassin, het afdekken ervan en de frequentie en tijdstip van de aan- en afvoer. Dit geldt ook voor mestkelders. Met name het leegpompen van mestkelders kan leiden tot geuroverlast.

EEEEEEEEEEEEEE

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.11822.119 Geur voorziening biologisch behandelen dierlijke meststoffen voor of na vergisten: afstand

FFFFFFFFFFFFFF

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.11922.120 Geur composteren of opslaan van groenafval: afstand

GGGGGGGGGGGGGG

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.12022.121 Geur overige agrarische activiteiten: eerbiedigende werking

In beginsel geldt bij geur die veroorzaakt wordt door de activiteiten, bedoeld in Artikel 22.11422.115 tot en met Artikel 22.11922.120, de afstanden die in die artikelen zijn genoemd. Deze afstandseisen gelden niet bij «overbelaste situaties». Dit artikel bevat een regeling met «eerbiedigende werking» voor zulke bestaande situaties. Zie voor een nadere toelichting hierover de artikelsgewijze toelichting bij artikel 5.126 van het Bkl.

Als dit artikel van toepassing is, heeft degene die de activiteit verricht op grond van de specifieke zorgplichtbepaling de plicht om maatregelen of voorzieningen te treffen die geurhinder voorkomen of tot een aanvaardbaar niveau beperken. Hierbij kan gedacht worden aan maatregelen over:

-de situering van de plaats van de opgeslagen bedrijfsstoffen;

-het afdekken van de opgeslagen agrarische bedrijfsstoffen; of

-de frequentie van de afvoer van de opgeslagen agrarische bedrijfsstoffen.

In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer stond ook dat degene die de inrichting drijft op verzoek van het bevoegd gezag aangeeft welke maatregelen of voorzieningen hij daarvoor heeft getroffen of zal treffen. Deze gegevens kan het bevoegd gezag ook vragen op grond van de toezichtsbevoegdheden van de Algemene wet bestuursrecht. Deze plicht komt dus niet expliciet terug in de omgevingsplanregels van rijkswege.

HHHHHHHHHHHHHH

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.12122.122 Toepassingsbereik

IIIIIIIIIIIIII

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.12222.123 Geur zuiveringtechnisch werk: waarde

JJJJJJJJJJJJJJ

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.12322.124 Geur zuiveringtechnisch werk: geen waarde bij specifieke geurgevoelige objecten

KKKKKKKKKKKKKK

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.12422.125 Geur zuiveringtechnisch werk: eerbiedigende werking

Bij wijziging van een zuiveringtechnisch werk mag de geur niet toenemen als voor dat zuiveringtechnisch werk rechtmatig een hogere waarde geldt, dan de waarde, bedoeld inArtikel 22.12022.121, eerste lid. De geur mag wel toenemen als die binnen de waarden bedoeld in artikel 22.120, eerste lid blijft.

LLLLLLLLLLLLLL

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.12522.126 Toepassingsbereik

Deze artikelen regelen dat de eigenaar, erfpachter of gebruiker van een locatie, waarvoor op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift een deklaag of isolatielaag is aangebracht alle maatregelen moet nemen om deze deklaag of isolatielaag in stand te houden, te onderhouden of te vervangen. Dit is een voortzetting van artikel 39e Wet bodembescherming.

Door een bedoelde of onbedoelde handeling kan het resultaat van deze bodemsanering ongedaan gemaakt worden, waardoor bij het dagelijkse gebruik van de locatie blootstelling en contactmogelijkheden met de verontreinigde bodem kunnen ontstaan. De maatregelen kunnen bestaan uit het herstellen van de afdeklaag als deze bijvoorbeeld door werkzaamheden op de locatie beschadigd is geraakt of een te geringe dikte heeft gekregen. Daarom geldt Artikel 22.12622.127 zowel voor eigenaar, erfpachter als gebruiker (zoals een huurder).

Ook onder de Omgevingswet is het gewenst dat leeflagen in stand worden gehouden of dat gebruiksbeperkingen in acht worden genomen.

Als een bodemsanering is uitgevoerd door het aanbrengen van een afdeklaag (een leeflaag van schone grond of een duurzaam aaneengesloten verhardingslaag) om blootstelling te voorkomen, dan is het voor de bescherming van de gezondheid van belang dat die afdeklaag in stand blijft. Het gaat in dit artikel om een afdeklaag, die is aangebracht als onderdeel van een sanering zoals bedoeld in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving, een omgevingsplan, een omgevingsvergunning of op basis van een maatwerkvoorschrift.

De regels voor saneren komen in verschillende instrumenten en besluiten terug. Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt de milieubelastende activiteit saneren van de bodem waarbij saneren met een leeflaag/isolatielaag is toegestaan. Ook is het mogelijk dat gemeenten in hun omgevingsplan maatwerkregels stellen of een omgevingsvergunning verplicht stellen voor het saneren van de bodem.

Tweede lid

Tijdelijke beschermingsmaatregelen die zijn genomen als gevolg van een toevalsvondst moeten eveneens in stand worden gehouden. Het zijn maatregelen die de bron van verontreiniging niet wegnemen, maar de blootstellingsroute (blijven) blokkeren. Hiervoor geldt hetzelfde als bij het eerste lid. Deze regel is gelijkwaardig aan de tijdelijke beveiligingsmaatregelen bij zeer ernstige verontreiniging (artikel 37, vierde lid, van de Wet bodembescherming).

MMMMMMMMMMMMMM

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.12622.127 Nazorg na afloop van saneren van de bodem

NNNNNNNNNNNNNN

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Subparagraaf 22.3.7.2 Kleinschalig graven boven de interventiewaarde bodemkwaliteit

Deze paragraaf heeft betrekking op graven in de bodem in een omvang die kleiner is dan of gelijk aan 25 m3 (ook wel aangeduid als kleinschalig grondverzet) en richt zich op locaties waarbij al via besluitvorming onder de Wet bodembescherming of via het Besluit bodemkwaliteit is vastgesteld dat de bodem verontreinigd is met één of meerdere stoffen tot boven de interventiewaarde bodemkwaliteit in een omvang groter dan 25 m3. Het idee is dat de gemeente de algemene verwijzing naar locaties in het tijdelijke deel van het omgevingsplan via Artikel 22.12722.128 op een gegeven moment vervangt door de regels via coördinaten aan specifieke locaties te koppelen in het nieuwe deel van het omgevingsplan. Daarbij kunnen gemeenten uiteraard de regels voor minder locaties laten gelden (de locaties die niet meer ernstig-geen spoed zijn eraf halen) of juist voor meer locaties laten gelden (wel ernstig en geen spoed, maar eerder geen beschikking afgegeven). En uiteraard kunnen gemeenten daarbij de regel die voor die locaties geldt aanpassen, voor alle locaties, of alleen voor sommige, of elke locatie een eigen op die locatie toegesneden regel.

In het Besluit activiteiten leefomgeving is voorzien in algemene regels voor de milieubelastende activiteiten graven in de bodem met een kwaliteit beneden de interventiewaarde bodemkwaliteit (paragraaf 4.119) en graven in de bodem boven de interventiewaarde bodemkwaliteit (paragraaf 4.120). In het toepassingsbereik van beide milieubelastende activiteiten is aangegeven dat deze alleen van toepassing zijn als het bodemvolume waarin wordt gegraven meer is dan 25 m3. De achtergrond hiervan is dat het Rijk geen regels wil stellen over kleinschalig grondverzet.

Onder de Wet bodembescherming voorzag artikel 28 van de Wet bodembescherming in een meldingsplicht als sprake was van voorgenomen handelingen in een geval van ernstige bodemverontreiniging. Een geval van ernstige bodemverontreiniging was onder de Wet bodembescherming gedefinieerd als geval van verontreiniging waarbij de bodem zodanig is of dreigt te worden verontreinigd, dat de functionele eigenschappen die de bodem voor mens, plant of dier heeft, ernstig zijn of dreigen te worden verminderd. In de Circulaire bodemsanering is deze definitie verder uitgewerkt en aangegeven dat sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie van minimaal 25 m3 bodemvolume in het geval van bodemverontreiniging, of 100 m3 poriënverzadigde bodemvolume in het geval van een grondwaterverontreiniging, hoger is dan de interventiewaarde. De Wet bodembescherming kende - in tegenstelling tot de milieubelastende activiteiten voor graven in een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit - geen ondergrens voor de omvang van het grondverzet.

Deze paragraaf stelt een beperkt aantal bepalingen voor kleinschalig grondverzet (omvang bodemvolume kleiner dan 25 m3) die plaatsvindt op locaties die onder de Wet bodembescherming werden beschouwd als handelingen in een geval van ernstige bodemverontreiniging. Deze bepalingen komen dus in de plaats van de bepalingen die volgen uit artikel 28 van de Wet bodembescherming.

Deze bepalingen zien op een informatieplicht, enkele inhoudelijke regels aan tijdelijke opslag en afvoer van de grond en verplichte milieukundige begeleiding als een in het kader van een eerder uitgevoerde bodemsanering aangebrachte afdeklaag wordt doorgraven. Deze bepalingen zijn over het algemeen eenvoudig na te leven en leiden met uitzondering van de milieukundige begeleiding bij het doorgraven van een afdeklaag niet of nauwelijks tot extra kosten. Besloten is om geen onderzoeksverplichtingen op te leggen zoals opgenomen in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

OOOOOOOOOOOOOO

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.12722.128 Toepassingsbereik

PPPPPPPPPPPPPP

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.12822.129 Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit

QQQQQQQQQQQQQQ

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.12922.130 Bodem en afval: tijdelijke opslag van vrijkomende grond

RRRRRRRRRRRRRR

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.13022.131 Bodem en afval: milieukundige begeleiding bij kleinschalig graven

SSSSSSSSSSSSSS

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.13122.132 Toepassingsbereik

TTTTTTTTTTTTTT

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.13222.133 Bodem: mitigerende maatregelen

Degene die op de locatie, bedoeld in Artikel 22.13122.132, een activiteit verricht, neemt in het belang van bescherming van de bodem maatregelen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd om verdere verontreiniging van de bodem te voorkomen of te beperken, of - als en voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is als onderdeel van een activiteit die wordt verricht - ongedaan te maken. Zie verder hierna over de mogelijkheden en beperkingen van dit artikel. Er geldt een licht beschermingsregime voor deze bekende verontreinigde locaties in afwachting van sanering, net als onder de Wet bodembescherming.

Dit artikel heeft betrekking op zogenoemde niet-spoed locaties, zoals deze waren beschikt als saneringsgeval op grond van de Wet bodembescherming. In de toelichting bij de Aanvullingswet bodem is aangegeven dat de beschikking niet-spoed als zodanig bij inwerkingtreding van de Omgevingswet vervalt. Er is overgangsrecht geregeld voor onder meer gebruiksbeperkingen op grond van artikel 37, vierde lid, van de Wet bodembescherming (artikelen 3.1 en 3.2 Aanvullingswet bodem).

Voor de spoedlocaties is overgangsrecht opgenomen in de Aanvullingswet bodem (artikel 3.1), zodat daarvoor de bestaande regels bij of krachtens de Wet bodembescherming blijven gelden. Locaties met een verontreiniging boven de interventiewaarde die onder de Wet bodembescherming waren aangemerkt als niet-spoed worden in het nieuwe stelsel, net als onder de Wet bodembescherming, gesaneerd op een natuurlijk moment, meestal bouwen. Het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Besluit activiteiten leefomgeving en dit omgevingsplan regelen dat saneren een voorwaarde is voor het bouwen en de saneringsaanpak. De milieubelastende activiteit graven regelt hoe om te gaan met graven in verontreiniging boven de interventiewaarde. Bij deze activiteiten is een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift mogelijk bijvoorbeeld als een bronaanpak aan de orde is die om een specifieke saneringsaanpak vraagt.

Artikel 22.13222.133 heeft een tweeledig doel. Ten eerste om de in het verleden beschikte locaties, die niet onder overgangsrecht vallen, kenbaar te houden onder de Omgevingswet en het instrumentarium van de Omgevingswet te kunnen toepassen. Ten tweede om een (licht) beschermingsregime van toepassing te laten zijn op deze locaties, aangezien het gaat om niet eerder gesaneerde locaties waar nog bodemverontreiniging aanwezig is.

Ten behoeve van het eerste doel (kenbaarheid) is het mogelijk om met een maatwerkvoorschrift een individuele locatie te koppelen aan deze algemene regel in dit omgevingsplan, wat het voor de huidige of toekomstige eigenaar beter inzichtelijk maakt. Bij inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn maatwerkvoorschriften namelijk (nog) niet zichtbaar in DSO met de zogenoemde «klik op de kaart». Het inzien van de (voormalige) registratie van de niet-spoed beschikkingen in het Kadaster blijft nodig om het volledige beeld te hebben van de exacte locaties (gekoppeld aan kadastrale percelen) waar dit artikel op van toepassing is.

Voor wat betreft het tweede doel (beschermen in afwachting van sanering) geldt dat het mogelijk is om het lichte basisregime dat geldt op deze locaties te concretiseren, verder aan te vullen of toe te spitsen op de individuele locatie. Dat kan door middel van een maatwerkvoorschrift, dat voor een initiatiefnemer voldoende concreet maakt welke actie het bevoegd gezag verwacht. Bij de activiteiten bouwen, saneren of graven voorziet de Omgevingswet al in die mogelijkheid, daarom heeft dit artikel vooral betekenis als sprake is van een andere activiteit dan bouwen, saneren of graven. Ook kan dit basisregime een aangrijpingspunt bieden voor een individueel maatwerkvoorschrift om in sommige situaties van een initiatiefnemer te verlangen dat die als onderdeel van een voorgenomen activiteit van de gelegenheid gebruik maakt om aanwezige verontreiniging van de bodem te verwijderen of mitigerende maatregelen te treffen. Gelet op die inkadering is voornamelijk gedoeld op situaties waarin de extra moeite en kosten van het beperken of verwijderen van verontreiniging niet onevenredig belastend zijn voor de initiatiefnemer. Dit basisregime is zodanig ingekaderd dat er geen sprake is van een zelfstandige saneringsplicht.

Onder verontreiniging van de bodem wordt ook verstaan de verontreiniging van het grondwater, maar aangezien grondwaterkwaliteit primair tot de taken en bevoegdheden van de provincie ligt het voor de hand dat het vooral gaat om de vaste bodem en eventuele bronnen van verontreiniging die zich verspreiden naar het grondwater.

UUUUUUUUUUUUUU

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.13722.138 Toepassingsbereik

VVVVVVVVVVVVVV

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.13822.139 Gegevens en bescheiden

WWWWWWWWWWWWWW

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.13922.140 Lozen van grondwater bij saneringen

XXXXXXXXXXXXXX

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.14022.141 Lozen van grondwater bij ontwatering

YYYYYYYYYYYYYY

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.14122.142 Meet- en rekenbepalingen

ZZZZZZZZZZZZZZ

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.14222.143 Toepassingsbereik

AAAAAAAAAAAAAAA

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.14322.144 Gegevens en bescheiden

BBBBBBBBBBBBBBB

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.14422.145 Lozen van afvloeiend hemelwater

CCCCCCCCCCCCCCC

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.14522.146 Toepassingsbereik

DDDDDDDDDDDDDDD

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.14622.147 Gegevens en bescheiden

Zie de toelichting bij Artikel 22.13822.139 voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.

EEEEEEEEEEEEEEE

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.14722.148 Geen voedselvermaling

FFFFFFFFFFFFFFF

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.14822.149 Lozen van huishoudelijk afvalwater

GGGGGGGGGGGGGGG

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.14922.150 Zuiveringsvoorziening huishoudelijk afvalwater

HHHHHHHHHHHHHHH

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.15022.151 Meet- en rekenbepalingen

In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. Er zijn normen opgenomen voor het bemonsteren, conserveren en ontsluiten. Ook zijn de analysemethoden die moeten worden gebruikt voor de stoffen waaraan in deze paragraaf emissiegrenswaarden worden gesteld voorgeschreven. De versies van de NEN-EN-normen zijn opgenomen in de begripsbepalingen van Bijlage III.

Als er wordt bemonsterd, moeten de monsters volgens NEN 6600-1 worden geconserveerd om te voorkomen dat in de monsters verandering optreedt voor de te analyseren parameter tussen het moment van bemonstering en het moment van analyse. Omdat de emissiegrenswaarden die zijn gesteld betrekking hebben op het totaal van opgeloste en niet opgeloste stoffen in het afvalwater, is het van belang dat het monster niet gefilterd wordt en dat de stoffen die zich onopgelost in het afvalwater bevinden meegenomen worden in de analyse.

IIIIIIIIIIIIIII

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.15122.152 Toepassingsbereik

JJJJJJJJJJJJJJJ

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.15222.153 Gegevens en bescheiden

KKKKKKKKKKKKKKK

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

LLLLLLLLLLLLLLL

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.15422.155 Toepassingsbereik

MMMMMMMMMMMMMMM

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.15522.156 Periodiek reinigen

NNNNNNNNNNNNNNN

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.15622.157 Toepassingsbereik

OOOOOOOOOOOOOOO

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.15722.158 Inerte goederen

PPPPPPPPPPPPPPP

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.15822.159 Gegevens en bescheiden

QQQQQQQQQQQQQQQ

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.15922.160 Lozen bij opslaan van inerte goederen

RRRRRRRRRRRRRRR

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.16022.161 Meet- en rekenbepalingen

SSSSSSSSSSSSSSS

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.16122.162 Uitzondering voorgeschreven lozingsroute bij opslaan van lekkende, uitlogende en vermestende goederen

TTTTTTTTTTTTTTT

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.16222.163 Toepassingsbereik

UUUUUUUUUUUUUUU

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.16322.164 Lozen vanuit openbaar hemelwaterstelsel en openbaar ontwateringsstelsel

VVVVVVVVVVVVVVV

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.16422.165 Lozen van huishoudelijk afvalwater vanuit andere systemen

Voor lozingen vanuit «overheids-IBA's» geldt dezelfde regeling als voor de lozingen vanuit gemeentelijke rioolstelsels. Kortheidshalve wordt verwezen naar de toelichting bij Artikel 22.16322.164.

WWWWWWWWWWWWWWW

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.16522.166 Toepassingsbereik

XXXXXXXXXXXXXXX

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.16622.167 Schoonmaken drinkwaterleidingen

YYYYYYYYYYYYYYY

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.16722.168 Toepassingsbereik

ZZZZZZZZZZZZZZZ

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.16822.169 Gegevens en bescheiden

AAAAAAAAAAAAAAAA

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.16922.170 Lozen bij calamiteitenoefeningen

BBBBBBBBBBBBBBBB

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.17022.171 Toepassingsbereik

CCCCCCCCCCCCCCCC

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.17122.172 Gegevens en bescheiden

DDDDDDDDDDDDDDDD

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.17222.173 Recirculatie bij grondgebonden teelt in een kas

EEEEEEEEEEEEEEEE

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.17322.174 Lozen bij spoelen van biologisch geteelde gewassen

FFFFFFFFFFFFFFFF

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.17422.175 Lozen bij sorteren van biologisch geteeld fruit

GGGGGGGGGGGGGGGG

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.17522.176 Uitzondering voorgeschreven lozingsroute afvalwater uit een gebouw

HHHHHHHHHHHHHHHH

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.17622.177 Meet- en rekenbepalingen

IIIIIIIIIIIIIIII

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.17722.178 Toepassingsbereik

JJJJJJJJJJJJJJJJ

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.17822.179 Gegevens en bescheiden

KKKKKKKKKKKKKKKK

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

LLLLLLLLLLLLLLLL

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.18022.181 Meet- en rekenbepalingen

MMMMMMMMMMMMMMMM

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.18122.182 Toepassingsbereik

NNNNNNNNNNNNNNNN

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.18222.183 Gegevens en bescheiden

OOOOOOOOOOOOOOOO

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

PPPPPPPPPPPPPPPP

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.18422.185 Meet- en rekenbepalingen

QQQQQQQQQQQQQQQQ

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.18522.186 Toepassingsbereik

RRRRRRRRRRRRRRRR

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.18622.187 Gegevens en bescheiden

SSSSSSSSSSSSSSSS

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.18722.188 Water: lozingsroute

TTTTTTTTTTTTTTTT

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.18822.189 Toepassingsbereik

UUUUUUUUUUUUUUUU

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.18922.190 Gegevens en bescheiden

Zie de toelichting bij Artikel 22.18622.187 voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.

VVVVVVVVVVVVVVVV

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

WWWWWWWWWWWWWWWW

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.19122.192 Meet- en rekenbepalingen

XXXXXXXXXXXXXXXX

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.19222.193 Toepassingsbereik

YYYYYYYYYYYYYYYY

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.19322.194 Bodem

Het wassen van motorvoertuigen moet in principe plaatsvinden boven een vloeistofdichte bodemvoorziening. Vanwege de aard van de activiteit, waarbij continue bodembedreigende vloeistoffen over de voorziening stromen, zijn niet-vloeistofdichte voorzieningen niet toereikend.

Op de plicht om het wassen van motorvoertuigen plaats te laten vinden boven een vloeistofdichte bodemvoorziening is een uitzondering gemaakt voor het wassen van motorvoertuigen op een mobiele wasinstallatie. Dit soort installaties worden tegenwoordig steeds meer toegepast bij initiatiefnemers die zelf niet beschikken over de vereiste voorzieningen. Mobiele installaties moeten wel voldoende bodembeschermende werking hebben. Daarom is bepaald dat er geen vloeistoffen in de bodem terecht mogen komen.

Ook geldt, in navolging van de artikelen 3.23b, tweede lid, aanhef en onder a, en 3.24, aanhef en onder a, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, een uitzondering voor het per week uitwendig wassen van ten hoogste één motorvoertuig waarmee geen gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast. Artikel 22.19422.195, tweede lid, van dit omgevingsplan regelt in samenhang hiermee dat het water bij het wassen in de bodem mag komen. Dit zal in beperkte mate het geval zijn, als de verharding waarop wordt gewassen niet vloeistofdicht is.

ZZZZZZZZZZZZZZZZ

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

AAAAAAAAAAAAAAAAA

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.19522.196 Meet- en rekenbepalingen

BBBBBBBBBBBBBBBBB

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.19622.197 Toepassingsbereik

CCCCCCCCCCCCCCCCC

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.19722.198 Gegevens en bescheiden

Zie de toelichting bij Artikel 22.18622.187 voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.

DDDDDDDDDDDDDDDDD

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

EEEEEEEEEEEEEEEEE

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

FFFFFFFFFFFFFFFFF

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.20022.201 Toepassingsbereik

GGGGGGGGGGGGGGGGG

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.20122.202 Geur: beginnen of uitbreiden activiteit

HHHHHHHHHHHHHHHHH

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.20222.203 Toepassingsbereik

Op het slachten van meer dan 10.000 kilogram levend gewicht aan dieren per week is paragraaf 3.4.8 (Voedingsmiddelenindustrie) van het Bal van toepassing. Bij de andere drie activiteiten genoemd in Artikel 22.20222.203, eerste lid, onderdelen c tot en met d, staat geen ondergrens. Paragraaf 3.4.8 van het Bal is van toepassing op alle IPPC-installaties in de voedingsmiddelenindustrie. Wanneer dus de andere drie activiteiten onderdeel zijn van een IPPC-installatie, dan is deze paragraaf niet van toepassing.

IIIIIIIIIIIIIIIII

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.20322.204 Gegevens en bescheiden

Zie de toelichting bij Artikel 22.18622.187 voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.

JJJJJJJJJJJJJJJJJ

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.20422.205 Water: lozingsroute en zuivering

KKKKKKKKKKKKKKKKK

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.20522.206 Geur: voorkomen of beperken geurhinder

LLLLLLLLLLLLLLLLL

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.20622.207 Bodem: bodembeschermende voorziening

MMMMMMMMMMMMMMMMM

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.20722.208 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

De formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.20 van het Bal. Degene die een activiteit als bedoeld in Artikel 22.20222.203, eerste lid verricht houdt in een logboek bij waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties. Dat een logboek beschikbaar moet zijn voor het bevoegd gezag volgt uit de Algemene wet bestuursrecht. Dit mag ook in digitale vorm zijn.

Op grond van Artikel 22.50, onder d, moet aan het bevoegd gezag informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om nadelige gevolgen van een ongewoon voorval te voorkomen.

NNNNNNNNNNNNNNNNN

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.20822.209 Bodem: eindonderzoek bodem

OOOOOOOOOOOOOOOOO

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.20922.210 Bodem: rapport van het eindonderzoek bodem

PPPPPPPPPPPPPPPPP

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.21022.211 Gegevens en bescheiden: beëindigen activiteit

QQQQQQQQQQQQQQQQQ

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.21122.212 Bodem: herstel van de bodemkwaliteit

RRRRRRRRRRRRRRRRR

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.21222.213 Informeren: herstelwerkzaamheden

SSSSSSSSSSSSSSSSS

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.21322.214 Water: opruimen gemorste en gelekte stoffen

TTTTTTTTTTTTTTTTT

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.21422.215 Toepassingsbereik

UUUUUUUUUUUUUUUUU

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.21522.216 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

VVVVVVVVVVVVVVVVV

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.21622.217 Slagschaduw: stilstandvoorziening

WWWWWWWWWWWWWWWWW

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.21722.218 Slagschaduw: functionele binding

XXXXXXXXXXXXXXXXX

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.21822.219 Slagschaduw: voormalige functionele binding

YYYYYYYYYYYYYYYYY

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.21922.220 Lichtschittering: beperken van reflectie

Lichthinder door lichtschittering kan voorkomen worden door het gebruik van niet-reflecterende materialen of door coating op de rotorbladen aan te brengen. Daarnaast blijkt dat door weersinvloeden de rotorbladen mat kunnen worden (glansgraad maximaal 30%) waardoor reflectiewaarden in de tijd afnemen. De methode van meten van reflectiewaarden is opgenomen in NEN-EN-ISO 2813, «Verven en vernissen - Metingen van de glans (spiegelende reflectie) van niet-metallieke verflagen onder 20°, 60° en 85°». Hoewel de voorkeur uitgaat naar de meetmethode uit dit voorschrift, kan ook van een gelijkwaardige meetmethode gebruik worden gemaakt. Gelijkwaardige meetmethoden zijn bijvoorbeeld opgenomen in DIN (Deutsche Industrie Norm) 67530 en NEN 3632.

Het bevoegd gezag kan aanvullend maatwerkvoorschriften stellen voor het voorkomen of beperken van hinder door lichtschittering als Artikel 22.21922.220 of Artikel 22.22022.221 in een specifiek geval niet toereikend is.

ZZZZZZZZZZZZZZZZZ

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.22122.222 Toepassingsbereik

AAAAAAAAAAAAAAAAAA

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.22222.223 Bodem: bodembeschermende voorziening

BBBBBBBBBBBBBBBBBB

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.22322.224 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

CCCCCCCCCCCCCCCCCC

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.22422.225 Toepassingsbereik

DDDDDDDDDDDDDDDDDD

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.22522.226 Gegevens en bescheiden

Zie de toelichting bij Artikel 22.18622.187 voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.

Deze paragraaf treedt in werking bij een parkeergarage met meer dan 20 parkeerplaatsen. De plicht gegevens en bescheiden te verstrekken treedt in werking bij een parkeergarage met meer dan 30 parkeerplaatsen. Dit verschil is afkomstig uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, waarbij een parkeergarage pas vanaf 30 parkeerplaatsen meldingsplichtig was.

EEEEEEEEEEEEEEEEEE

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.22622.227 Lucht en geur: afvoeren emissies

FFFFFFFFFFFFFFFFFF

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.22722.228 Toepassingsbereik

GGGGGGGGGGGGGGGGGG

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.22822.229 Gegevens en bescheiden

Zie de toelichting bij Artikel 22.18622.187 voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.

Met de plaats waar bodembedreigende stoffen worden gebruikt, wordt bedoeld het hele gebied, van de plaats waar wordt geschoten tot de plaats waar de munitie terecht kan komen.

HHHHHHHHHHHHHHHHHH

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.22922.230 Bodem en externe veiligheid

IIIIIIIIIIIIIIIIII

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.23022.231 Bodem: bodembeschermende voorziening

Eerste lid

Er moet worden voorkomen dat de hulzen van verschoten munitie in of op de bodem terecht komen. Om deze reden wordt in het eerste lid van dit artikel voorgeschreven dat het schieten plaats moet vinden boven een bodembeschermende voorziening. Dit betekent dat de zone rond de standplaats van de schutter dusdanig geconditioneerd moet zijn, dat het verzamelen van de hulzen makkelijk uitvoerbaar is.

Tweede lid

De kogelvanger, bedoeld in Artikel 22.22922.230, moet opgesteld worden boven een bodembeschermende voorziening. Dit om te voorkomen dat de kogels die opgevangen worden door de kogelvanger, maar onverhoopt niet in de verzamelbak terecht komen, op of in de bodem terecht kunnen komen. De exploitant van de schietbaan kan een keuze maken voor de toe te passen bodembeschermende voorzieningen (en daarbij horende maatregelen).

Doorgaans gaat het om een verharding, kleed of voldoende dik plasticfolie met voldoende oppervlakte onder de kogelvanger. De kogels die niet worden opgevangen in de verzamelbak komen op deze voorziening terecht. Deze kogels, maar ook de kogels die worden opgevangen in de verzamelbak, moeten na afloop van een schietdag worden verwijderd om uitloging naar de bodem te voorkomen. Een andere optie is het treffen van voorzieningen waardoor verzekerd wordt dat alle kogels die worden opgevangen door de kogelvanger terecht komen in de verzamelbak. Dit kan gerealiseerd worden door de kogels, die worden opgevangen door de kogelvanger, met een gesloten buis af te voeren naar een afgesloten verzamelbak.

JJJJJJJJJJJJJJJJJJ

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.23122.232 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

KKKKKKKKKKKKKKKKKK

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.23222.233 Bodem: eindonderzoek bodem

LLLLLLLLLLLLLLLLLL

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.23322.234 Bodem: rapport van het eindonderzoek bodem

MMMMMMMMMMMMMMMMMM

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.23422.235 Gegevens en bescheiden: beëindigen activiteit

NNNNNNNNNNNNNNNNNN

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.23522.236 Bodem: herstel van de bodemkwaliteit

OOOOOOOOOOOOOOOOOO

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.23622.237 Informeren: herstelwerkzaamheden

PPPPPPPPPPPPPPPPPP

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.23722.238 Toepassingsbereik

QQQQQQQQQQQQQQQQQQ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.23822.239 Gegevens en bescheiden

Zie de toelichting bij Artikel 22.18622.187 voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.

RRRRRRRRRRRRRRRRRR

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

SSSSSSSSSSSSSSSSSS

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.24022.241 Toepassingsbereik

Eerste lid

Bij het opslaan van minder dan 3 m3 vaste mest gelden geen eisen, anders dan de specifieke zorgplicht. Een opslag van meer dan 600 m3 valt niet onder het toepassingsbereik van deze paragraaf. In Artikel 22.26722.268 is een vergunningplicht opgenomen voor de opslag van meer dan 600 m3 vaste mest.

Tweede lid, onderdeel a

Als mest korter dan twee weken op één plek opgeslagen ligt, dan is deze paragraaf niet van toepassing. Wel geldt de specifieke zorgplicht.

Tweede lid, onderdeel b

Het opslaan van vaste mest maakt vaak deel uit van bijvoorbeeld een veehouderij, een akkerbouwbedrijf of een agrarisch loonwerkbedrijf die aangewezen zijn als milieubelastende activiteit in het Bal. In dat geval gelden niet de regels uit deze paragraaf, maar de regels voor de opslag van vaste mest uit het Bal. De regels uit deze paragraaf gelden voor opslagen die behoren bij bijvoorbeeld veehouderijen die minder landbouwhuisdieren houden dan de ondergrenzen, opgenomen in artikel 3.200 van het Bal, kinderboerderijen, dierentuinen of bij maneges.

TTTTTTTTTTTTTTTTTT

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.24122.242 Gegevens en bescheiden

Zie de toelichting bij Artikel 22.18622.187 voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen

UUUUUUUUUUUUUUUUUU

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.24222.243 Bodem: opslag

VVVVVVVVVVVVVVVVVV

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.24322.244 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

WWWWWWWWWWWWWWWWWW

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.24422.245 Water: lozingsroute

XXXXXXXXXXXXXXXXXX

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.24522.246 Geur

Dit artikel is niet van toepassing op het opslaan van vaste mest, afkomstig van landbouwhuisdieren of van paarden die gehouden worden in verband met het berijden. Hiervoor geldt Artikel 22.11422.115 en verder.

YYYYYYYYYYYYYYYYYY

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.24622.247 Toepassingsbereik

Het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoermiddelen maakt vaak deel uit van een veehouderij, die aangewezen is als milieubelastende activiteit in artikel 3.200 van het Bal of een agrarisch loonwerkbedrijf dat aangewezen is als milieubelastende activiteit in artikel 3.215 van het Bal. In dat geval gelden niet de regels uit deze paragraaf, maar de regels voor de opslag van kuilvoer of vaste bijvoermiddelen uit het Bal. De regels uit deze paragraaf gelden voor opslagen die behoren bij bijvoorbeeld veehouderijen die minder landbouwhuisdieren houden dan de ondergrenzen, opgenomen in art 3.200 van het Bal, kinderboerderijen, dierentuinen of bij maneges.

Het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen kan ook geurhinder veroorzaken. Hiervoor geldt Artikel 22.11622.117 (geur opslaan kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen: afstand).

ZZZZZZZZZZZZZZZZZZ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.24722.248 Gegevens en bescheiden

Zie de toelichting bij Artikel 22.18622.187 voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.

AAAAAAAAAAAAAAAAAAA

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.24822.249 Bodem: bodembeschermende voorziening

BBBBBBBBBBBBBBBBBBB

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.24922.250 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

CCCCCCCCCCCCCCCCCCC

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.25022.251 Water: lozingsroute vrijkomende vloeistoffen

DDDDDDDDDDDDDDDDDDD

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.25122.252 Water: lozingsroutes afvalwater bodembeschermende voorziening

Onder de genoemde voorwaarden is het lozen op of in de bodem niet bezwaarlijk en is daarom mogelijk gemaakt. Als aan de voorwaarden niet kan worden voldaan moet afvalwater van de bodembeschermende voorziening samen met de vrijkomende vloeistoffen worden opgevangen en kan dit over onverharde bodem worden verspreid in lijn met Artikel 22.25022.251.

EEEEEEEEEEEEEEEEEEE

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.25222.253 Toepassingsbereik

FFFFFFFFFFFFFFFFFFF

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.25322.254 Gegevens en bescheiden

Zie de toelichting bij Artikel 22.18622.187 voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.

GGGGGGGGGGGGGGGGGGG

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.25422.255 Bodem: bodembeschermende voorziening

HHHHHHHHHHHHHHHHHHH

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.25522.256 Bodem: logboek

IIIIIIIIIIIIIIIIIII

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.25622.257 Water: lozingsroute en emissiegrenswaarde

JJJJJJJJJJJJJJJJJJJ

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.25722.258 Meet- en rekenbepalingen

KKKKKKKKKKKKKKKKKKK

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.25822.259 Toepassingsbereik

LLLLLLLLLLLLLLLLLLL

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.25922.260 Omgevingsvergunning verwerken polyesterhars

Eerste en derde lid

Deze vergunningplicht betreft de voortzetting van de omgevingsvergunning beperkte milieutoets voor handelingen met polyesterhars en de bijbehorende toetsingsgrond voor geurhinder. Bij het verwerken van polyesterhars worden producten van polyesterhars gemaakt in een mal of op een ondergrond die deel uitmaakt van het product. Een mal wordt elke keer weer opnieuw gebruikt. Voor het «loslaten» uit de mal wordt vaak een was gebruikt. Voor het ontvetten van de mal een organisch oplosmiddel, zoals aceton of dichloormethaan.

Op grond van Artikel 22.25822.259 geldt deze vergunningplicht niet voor milieubelastende activiteiten die in hoofdstuk 3 van het Bal aangewezen zijn als vergunningplichtig. Op grond van artikel 3.135 van het Bal geldt voor deze activiteit een vergunningplicht als de activiteit onderdeel is van een ippc-installatie.

Tweede lid

De te verstrekken gegevens en bescheiden moeten ook op grond van paragraaf 4.110 van het Bal worden aangeleverd. Artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet bepaalt dat de gegevens en bescheiden niet behoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.

MMMMMMMMMMMMMMMMMMM

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.26022.261 Omgevingsvergunning installeren gesloten bodemenergiesysteem

NNNNNNNNNNNNNNNNNNN

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.26122.262 Omgevingsvergunning kweken maden van vliegende insecten

OOOOOOOOOOOOOOOOOOO

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.26222.263 Omgevingsvergunning opslaan propaan of propeen

Eerste lid

Opslagtanks voor gassen die in elkaars onmiddellijke nabijheid staan, kunnen elkaar beïnvloeden bij incidenten. Het risico op een incident van twee opslagtanks in elkaars nabijheid is meer dan twee keer zo groot als het risico van de twee opslagtanks apart. De PGS-richtlijnen schrijven om die reden voor dat opslagtanks onderling bepaalde afstanden aan moeten houden, en ook een bepaalde afstand tot de erfgrens aan moeten houden. Bij het toelaten van een opslag van gassen op een locatie in meer dan twee opslagtanks moet de veiligheid beoordeeld worden. Dit vergt maatwerk. Op grond van Artikel 22.25822.259 geldt deze vergunningplicht niet voor milieubelastende activiteiten die in hoofdstuk 3 van het Bal aangewezen zijn als vergunningplichtig. Op grond van artikel 3.22 van het Bal geldt er een vergunningplicht voor opslagtanks met een inhoud van meer dan 13 m3.

Tweede lid

Deze gegevens en bescheiden komen overeen met een deel van de gegevens en bescheiden die verstrekt moeten worden bij de melding op grond van artikel 4.897 van het Bal. Artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet bepaalt dat geen gegevens en bescheiden hoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.

PPPPPPPPPPPPPPPPPPP

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.26322.264 Omgevingsvergunning tanken met LPG

QQQQQQQQQQQQQQQQQQQ

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.26422.265 Omgevingsvergunning antihagelkanonnen

RRRRRRRRRRRRRRRRRRR

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.26522.266 Omgevingsvergunning biologische agens

SSSSSSSSSSSSSSSSSSS

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.26622.267 Omgevingsvergunning genetisch gemodificeerde organismen

TTTTTTTTTTTTTTTTTTT

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.26722.268 Omgevingsvergunning opslaan dierlijke meststoffen

UUUUUUUUUUUUUUUUUUU

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.26822.269 Vangnetvergunning lozen in de bodem

VVVVVVVVVVVVVVVVVVV

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.26922.270 Vangnetvergunning lozen in schoonwaterriool

WWWWWWWWWWWWWWWWWWW

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.27022.271 Beoordelingsregels omgevingsvergunning milieubelastende activiteiten

XXXXXXXXXXXXXXXXXXX

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.27122.272 Toepassingsbereik

YYYYYYYYYYYYYYYYYYY

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.27222.273 Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit geluid weg of spoorweg

ZZZZZZZZZZZZZZZZZZZ

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.27322.274 Aandachtsgebied

AAAAAAAAAAAAAAAAAAAA

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.27422.275 Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit geluid weg of spoorweg

BBBBBBBBBBBBBBBBBBBB

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.27522.276 Beoordelingsregel aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit geluid weg of spoorweg

De Wet geluidhinder bepaalde dat het college van burgemeester en wethouders in zijn besluit bepaalde welke maatregelen nodig zijn om te voorkomen dat de geluidbelasting binnen de zone de hoogst toelaatbare waarden te boven zou gaan. Dat is te lezen als een regel over voorschriften. Omdat een binnenplans vergunningstelsel altijd een beoordelingsregel vereist, is deze regel hier uitgesplitst in een beoordelingsregel, inhoudende dat het bevoegd gezag de omgevingsvergunning alleen verleent als binnenplanse omgevingsvergunning als de grenswaarde niet wordt overschreden, en in een regel over voorschriften, die inhoudt dat het bevoegd gezag de maatregelen voorschrijft die nodig zijn om te voorkomen dat niet aan de standaardwaarden wordt voldaan of dat het geluid op geluidgevoelige gebouwen toeneemt ten opzichte van het geluid direct voorafgaand aan de wijziging. Als de omgevingsvergunning niet kan worden verleend als binnenplanse omgevingsplanactiviteit, kan de aanvraag worden beoordeeld als een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Op die beoordeling zijn de regels van paragraaf 5.1.4.2a.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.

De gehanteerde grenswaarde is niet ontleend aan de normwaarden van de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder, maar aan het Besluit kwaliteit leefomgeving zoals dat is gewijzigd door het Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet. In de toelichting op Artikel 22.27422.275 is ingegaan op de achtergrond hiervan.

CCCCCCCCCCCCCCCCCCCC

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.27722.278 Toepassingsbereik

DDDDDDDDDDDDDDDDDDDD

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.27822.279 Omgevingsplanactiviteit: specifieke beoordelingsregel omgevingsvergunning uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid, bij voorbereidingsbesluit of aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht

Wat in Artikel 22.33 van dit omgevingsplan is geregeld voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, is in Artikel 22.27822.279 op vergelijkbare wijze geregeld voor de omgevingsplanactiviteit bestaande uit het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of werkzaamheid (ook wel de aanlegvergunning of aanlegactiviteit genoemd). Net als voor bouwactiviteiten regelde de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in artikel 3.3 een voorbeschermingsregime in de vorm van een aanhoudingsplicht voor de beslissing op aanvragen om een omgevingsvergunning voor de hier bedoelde aanlegactiviteiten. Voor aanvragen om een omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteiten bestaande uit dergelijke aanlegactiviteiten komt Artikel 22.27822.279 voor de regeling uit artikel 3.3 van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in de plaats. Voor zijn verdere werking is Artikel 22.27822.279 identiek aan de werking van Artikel 22.33. Voor de toelichting op die werking wordt dan ook verwezen naar de toelichting op Artikel 22.33.

EEEEEEEEEEEEEEEEEEEE

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.27922.280 Omgevingsplanactiviteit: beoordelingsregel omgevingsvergunning slopen van een bouwwerk

In Artikel 22.27922.280 is een beoordelingsregel opgenomen voor in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan opgenomen verbodsbepalingen om zonder omgevingsvergunning een sloopactiviteit te verrichten. Onder «sloopactiviteit» moet op grond van de bijlage bij de Omgevingswet «het slopen van een bouwwerk» worden verstaan. Deze begripsbepaling is op grond van Artikel 1.1 van dit omgevingsplan ook van toepassing op Hoofdstuk 22 van dit plan. De vergunningenstelsels voor de hier bedoelde sloopactiviteiten konden op grond van artikel 3.3, aanhef en onder b, van de voormalige Wet ruimtelijke ordening in onder meer bestemmingsplannen, beheersverordeningen en andere ruimtelijke regelingen zijn opgenomen. In het nieuwe stelsel zijn deze regelingen onderdeel geworden van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. De beoordelingsregel voor deze in ruimtelijke regelingen opgenomen sloopvergunningenstelsels was opgenomen in artikel 2.16 van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Ter vervanging van deze bepaling is in Artikel 22.27922.280 in een gelijkluidende beoordelingsregel voorzien. In de nieuwe redactie is er echter rekening mee gehouden dat naast deze (vanuit artikel 2.16 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht overgehevelde) beoordelingsregel ook nog andere specifieke beoordelingsregels kunnen zijn gesteld in de vergunningenstelsels voor sloopactiviteiten in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. In de jurisprudentie is de mogelijkheid om in bijvoorbeeld een bestemmingsplan ook nog specifieke beoordelingsregels voor het slopen te stellen bevestigd (verwezen wordt naar ABRvS 12 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:898, TBR 2014/61). Als dergelijke beoordelingsregels zijn gesteld, blijven deze onverminderd van toepassing en werkt de beoordelingsregel in Artikel 22.27922.280 hierop aanvullend.

FFFFFFFFFFFFFFFFFFFF

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.28022.281 Omgevingsplanactiviteit: omgevingsvergunning afwijking van regels van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet

Artikel 22.28022.281 heeft betrekking op regels uit het tijdelijke deel van het omgevingsplan waarin is bepaald dat bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van daarbij aangegeven regels. Dergelijke afwijkingsmogelijkheden konden op grond van artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de voormalige Wet ruimtelijke ordening worden gesteld in bestemmingsplannen, beheersverordeningen en andere ruimtelijke regelingen. Voor de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht hadden deze bepalingen de vorm van een bevoegdheid om een (binnenplanse) ontheffing te verlenen. Onder de (oude) Wet op de Ruimtelijke Ordening werd nog gesproken van een (binnenplanse) vrijstelling. In de redactie van de ruimtelijke regelingen die onder de voormalige Wet ruimtelijke ordening en de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht zijn vastgesteld, hebben de bepalingen, zoals al vermeld, een vorm waarin wordt bepaald dat bij omgevingsvergunning van een gestelde regel kan worden afgeweken. Uit de letterlijke redactie van dergelijke bepalingen vloeit niet een zelfstandig verbod voort om een activiteit te verrichten zonder omgevingsvergunning. Onder de werking van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht werden al deze bepalingen dan ook in juridische vorm «gevangen» onder de werking van het verbod behoudens omgevingsvergunning uit artikel 2.1, eerste lid, onder c. Deze wet is echter bij de inwerkintreding van de Omgevingswet ingetrokken, zodat de explicitering van de vergunningplicht voor deze afwijkingsmogelijkheden niet langer is geregeld. In plaats daarvan wordt deze explicitering van de vergunningplicht nu in Artikel 22.28022.281 van dit omgevingsplan geregeld. Met Artikel 22.28022.281 wordt daarmee buiten twijfel gesteld dat de bepalingen uit het tijdelijke deel waarin de mogelijkheid wordt geboden om bij omgevingsvergunning van regels af te wijken, gelden als binnenplans verbod om de betrokken activiteit zonder omgevingsvergunning te verrichten. Ook de nog voorkomende redacties in oude ruimtelijke regelingen die deel uitmaken van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, met termen als ontheffing en vrijstelling, worden door dit binnenplanse verbod om de betrokken activiteit zonder omgevingsvergunning te verrichten aangestuurd.

GGGGGGGGGGGGGGGGGGGG

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.28122.282 Omgevingsplanactiviteit: nadere invulling beoordelingsregels omgevingsvergunning afwijking van regels van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet algemeen

Artikel 22.28122.282 moet worden gelezen in samenhang met Artikel 22.28022.281 en heeft ook betrekking op de in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan opgenomen mogelijkheden om bij omgevingsvergunning van gestelde regels te kunnen afwijken. Zoals al toegelicht bij Artikel 22.28022.281 vielen dergelijke afwijkingsmogelijkheden onder de juridische werking van de vergunningplicht van artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1°, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, konden deze omgevingsvergunningen worden verleend. De Afdeling advisering van de Raad van State heeft er in haar advies over het ontwerp Invoeringsbesluit Omgevingswet terecht op gewezen dat uit de werking van de beoordelingsregel in artikel 8.0a, eerste lid, van het Bkl een imperatieve werking voortvloeit, die ertoe leidt dat een omgevingsvergunning voor activiteiten als hier bedoeld moet worden verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning. Hierdoor zou de mogelijkheid uit artikel 2.12 van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht om de vergunning, ook als werd voldaan aan de in de betrokken planologische regeling gestelde regels over afwijking, toch te kunnen weigeren, komen te vervallen. Voor zover de regels voor het kunnen verlenen van een omgevingsvergunning voor deze afwijkingsmogelijkheden geen zelfstandige beslissingsruimte bieden (maar een imperatieve redactie kennen die kan dwingen tot vergunningverlening), zou dit onder de werking van het nieuwe stelsel tot het probleem kunnen leiden dat het bevoegd gezag wordt gedwongen een vergunning te verlenen terwijl onder oud recht artikel 2.12 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht nog de afwegingsruimte bood de vergunning in die omstandigheid toch te kunnen weigeren. Om een neutrale overgang naar het nieuwe stelsel te borgen, wordt met Artikel 22.28122.282 beslissingsruimte toegevoegd aan de imperatief geformuleerde regels voor het verlenen van deze vergunningen. Daarmee blijft het net als onder de werking van het oude stelsel mogelijk een afweging te maken en de vergunning voor een geboden afwijkingsmogelijkheid in voorkomende omstandigheden toch te weigeren, in het geval de regels voor het verlenen van de afwijking zouden dwingen om de vergunning te verlenen. Het zal overigens in de praktijk geregeld voorkomen dat een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bestaande uit een dergelijke afwijking van een regel gezamenlijk wordt verleend met een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk.

HHHHHHHHHHHHHHHHHHHH

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.28222.283 Omgevingsplanactiviteit: specifieke beoordelingsregel omgevingsvergunning afwijking van regels van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet, bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht

Artikel 22.28222.283 biedt voor aanvragen om een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in Artikel 22.28022.281 een aanvullende mogelijkheid de omgevingsvergunning te verlenen als de activiteit waarop de aanvraag betrekking heeft in strijd is met de in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan gestelde regels over afwijking, waardoor vergunningverlening op grond van die regels niet mogelijk is, maar niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht in dat tijdelijke deel. Hiermee wordt een vergelijkbare mogelijkheid geboden zoals Artikel 22.32 van dit omgevingsplan biedt voor aanvragen om een omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteiten bestaande uit bouwactiviteiten en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk. Omdat de werking identiek is wordt voor de toepassing van deze bepaling verder verwezen naar de toelichting bij Artikel 22.32.

IIIIIIIIIIIIIIIIIIII

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.28322.284 Toepassingsbereik

Onder de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht waren de indieningsvereisten voor omgevingsvergunningen op rijksniveau geregeld, ook als de vergunningplicht was ingesteld in een bestemmingsplan of gemeentelijke verordening. Deze indieningsvereisten waren opgenomen in de voormalige Regeling omgevingsrecht en komen, voor zover het gaat om die laatste vergunningen, niet meer terug op rijksniveau. Daarom worden deze opgenomen in deze paragraaf. Voor zover het gaat om vergunningplichten die onder de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht waren ingesteld in een bestemmingsplan, maken die vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel uit van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van die wet. Voor zover het gaat om vergunningplichten die onder de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht waren ingesteld in gemeentelijke verordeningen (artikel 2.2 van die wet) houden de aanvraagvereisten verband met artikel 22.8 van de Omgevingswet. Artikel 22.8 van de Omgevingswet brengt met zich dat zolang deze vergunningenstelsels nog niet zijn overgeheveld naar het omgevingsplan, de regeling van artikel 2.2 van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht feitelijk wordt gecontinueerd. Een in een autonome verordening opgenomen vergunningplicht, die krachtens artikel 2.2 van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht werd aangemerkt als een Wabo-omgevingsvergunningplicht, wordt na inwerkingtreding van de Omgevingswet aangemerkt als een omgevingsvergunningplicht op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet.

In deze afdeling zijn daarnaast nog de aanvraagvereisten voor een omgevingsvergunning voor twee andere activiteiten opgenomen. In de eerste plaats de activiteit die strekt tot het afwijken van regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, waarvoor in dat tijdelijke deel is bepaald dat daarvan bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken. De hiermee samenhangende vergunningplicht die onder de gelding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht volgde uit artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van die wet, is opgenomen in Artikel 22.28022.281 van dit omgevingsplan. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar de hiervoor gegeven toelichting op dat artikel.

De tweede activiteit waarvoor deze afdeling nog aanvraagvereisten voor een omgevingsvergunning bevat, is het slopen van een bouwwerk in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht waarvoor op grond van artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist. Ook dat artikel is een overgangsrechtelijke bepaling.

In artikel 2.1, eerste lid, onder h, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht was een vergunningplicht opgenomen voor het slopen van een bouwwerk in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht. Onder de Omgevingswet is dit geen afzonderlijke, in artikel 5.1 van die wet geregelde vergunningplicht meer, maar wordt het sloopvergunningenregime voor rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten onderdeel van het omgevingsplan. Direct bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet is in het algemeen nog niet in een adequaat sloopvergunningenregime in het omgevingsplan voorzien, omdat bestemmingsplannen nog uitgingen van het bestaan van de wettelijke vergunningplicht uit artikel 2.1, eerste lid, onder h, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Om te voorkomen dat door het wegvallen van die rechtstreeks uit de wet voortvloeiende vergunningplicht een hiaat in de bescherming van een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht ontstaat, is in artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet bepaald dat totdat het omgevingsplan voorziet in een adequaat beschermingsregime dat voldoet aan de in dat artikellid gestelde eisen, voor het slopen in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist. Artikel 4.35, tweede lid, van die wet verklaart op deze vergunningplicht de op de vergunningplicht uit artikel 2.1, eerste lid, onder h, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht betrekking hebbende weigeringsgrond uit artikel 2.16 van die wet van overeenkomstige toepassing. Vanwege dit beschermingsregime zijn ook de indieningsvereisten voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder h, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht zoals die waren opgenomen in artikel 6.2 van de voormalige Regeling omgevingsrecht naar deze afdeling overgeheveld.

De vier categorieën activiteiten waarop de aanvraagvereisten in deze afdeling betrekking hebben, komen terug in de nadere onderverdeling van Paragraaf 22.5.2 van deze afdeling in een viertal subparagrafen.

De indieningsvereisten uit de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht komen niet allemaal in identieke bewoordingen als aanvraagvereisten terug. Dat kan alleen al niet vanwege de begrippen uit het oude recht die in die regels voorkomen. In de artikelen 22.2 en 22.14 van de Omgevingswet is bepaald dat de bruidsschat bestaat uit rijksregels of daaraan gelijkwaardige regels. Door aan te sluiten op de terminologie van het nieuwe stelsel wordt invulling gegeven aan het opstellen van gelijkwaardige regels. Dat betekent bijvoorbeeld dat het begrip locatie wordt gehanteerd en niet het begrip grond. Wat betreft de aanvraagvereisten voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een gemeentelijk monument is aangesloten bij de formulering van de aanvraagvereisten voor een rijksmonumentenactiviteit die in de Omgevingsregeling zijn opgenomen.

Artikel 22.28722.288 tot en met Artikel 22.29522.296 voorzien in specifieke aanvraagvereisten voor omgevingsplanactiviteiten die betrekking hebben op een gemeentelijk monument. Bij een gemeentelijk monument gaat het op grond van bijlage I bij het Bbl om een monument of archeologisch monument als bedoeld in de Erfgoedwet waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven. Op grond van Artikel 22.29522.296 zijn deze aanvraagvereisten van overeenkomstige toepassing op eventuele voorbeschermde gemeentelijke monumenten in dit omgevingsplan. Bijlage I bij het Bbl definieert een voorbeschermd gemeentelijk monument voor zover in het kader van het omgevingsplan van belang als een monument of archeologisch monument waarvoor het omgevingsplan een voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om aan dat monument of archeologisch monument in het omgevingsplan de functie-aanduiding van gemeentelijk monument te geven. Artikel 22.28722.288 tot en met Artikel 22.29522.296 zijn ook van toepassing op monumenten en archeologische momenten die een (voor)beschermde status hebben op grond van een gemeentelijke verordening en nog niet via een voorbeschermingsregel of functie-aanduiding in het omgevingsplan zijn overgezet. Dit volgt uit Artikel 22.2 van dit omgevingsplan.

Voor de leesbaarheid wordt hierna alleen van gemeentelijk monument gesproken, maar kan steeds ook voorbeschermd gemeentelijk monument worden gelezen.

Omgevingsplanactiviteiten die betrekking hebben op een gemeentelijk monument komen overeen met de activiteiten die op grond van de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet onder de «rijksmonumentenactiviteit» vallen: het slopen, verstoren, verplaatsen of wijzigen van een monument of een archeologisch monument of het herstellen of gebruiken daarvan waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. Waar in deze begripsomschrijving gesproken wordt van «monument» wordt alleen op gebouwde en aangelegde (groene) monumenten gedoeld. Waar gesproken wordt van «archeologisch monument» wordt gedoeld op een terrein dat deel uitmaakt van cultureel erfgoed vanwege de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen (zie de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet en artikel 1.1 van de Erfgoedwet).

Voor deze aanvraagvereisten hebben, zoals hierboven al aangegeven, de indieningsvereisten in de voormalige Regeling omgevingsrecht onder de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht als basis gediend, aangevuld met indieningsvereisten voor archeologische rijksmonumenten op grond van de Monumentenwet 1988. De redactie is daarbij wel aangepast aan voortschrijdend inzicht en aan de stelselkeuzes van de Omgevingswet.

In Artikel 22.27622.277 zijn de algemene aanvraagvereisten voor omgevingsplanactiviteiten die betrekking hebben op een gemeentelijk monument opgenomen, die bij iedere aanvraag van toepassing zijn. Voor het overige zijn de aanvraagvereisten in verschillende artikelen gespecificeerd voor de volgende activiteiten:

-activiteiten die betrekking hebben op archeologische monumenten;

-het slopen (= geheel of gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen) van monumenten;

-het gedeeltelijk of volledig verplaatsen van monumenten;

-het wijzigen van een monument (restauratie, verbouw, reconstructie of op een andere manier wijzigen) of het door herstel ontsieren of in gevaar brengen van een monument;

-het gebruiken van een monument waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.

Ook zijn er twee artikelen opgenomen met eisen aan tekeningen, een voor monumenten en een voor archeologische monumenten.

Met deze uitsplitsing in activiteiten wordt voorkomen dat initiatiefnemers (vergunningaanvragers) worden geconfronteerd met aanvraagvereisten die niet relevant voor hen zijn. Deze insteek bestond al in de voormalige Regeling omgevingsrecht, maar is nu verder vereenvoudigd. Bij een aantal artikelen is ook een splitsing aangebracht in aanvraagvereisten die in beginsel altijd noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de voorgenomen activiteit in relatie tot het monument of archeologisch monument en zijn monumentale waarde (eerste lid), en aanvraagvereisten die niet in alle gevallen nodig zijn of die alleen voor bepaalde soorten gemeentelijke monumenten van toepassing zijn (tweede lid).

De aard en de omvang van de activiteit en het soort gemeentelijk monument bepalen welke aanvraagvereisten in een concreet geval van toepassing zijn. Zo zijn voor de beoordeling van een vergunningaanvraag voor uitvoering van een restauratie- of (ver)bouwplan meer gegevens en bescheiden noodzakelijk dan voor het beoordelen van een vergunningaanvraag voor het aanbrengen van gevelreclame. Voorafgaand aan ingrijpende restauraties is het uitvoeren van een bouwhistorisch onderzoek vaak wenselijk, terwijl dit voor kleinere herstelwerkzaamheden meestal niet aan de orde zal zijn. Ook de locatie van de activiteiten is voor de aanvraagvereisten van belang. Als er werkzaamheden in het interieur worden uitgevoerd, zijn interieurfoto's nodig, maar deze zijn doorgaans niet relevant als de ingrepen alleen de buitenkant van het monument betreffen.

Door de grote verscheidenheid aan activiteiten die van invloed kunnen zijn op de monumentale waarde van een monument of archeologisch monument is geen volledig dekkend beeld te geven van alle mogelijke aanvraagvereisten. Het bevoegd gezag kan in specifieke gevallen, naast de genoemde aanvraagvereisten, op grond van artikel 4:2, tweede lid, in samenhang met artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht ook nog andere aanvraagvereisten formuleren. De gevraagde informatie moet uiteraard wel noodzakelijk zijn voor, en in directe relatie te staan tot, de beoordeling van de aanvraag. Het is dan ook in het algemeen bij voorgenomen omgevingsplanactiviteiten die betrekking hebben op een gemeentelijk monument raadzaam voor een aanvrager om eerst in vooroverleg te treden met het bevoegd gezag en daarna pas over te gaan tot het maken van definitieve plannen. Zo krijgt hij vroegtijdig inzicht in welke aanvullende aanvraagvereisten in het concrete geval nodig worden geacht en kan rekening worden gehouden met eventuele toepasselijke kwaliteitsnormen of uitvoeringsrichtlijnen voor de instandhouding van monumenten.

Bij de beoordeling van de vergunningaanvraag zal het belang van de (archeologische) monumentenzorg bij het behoud van het monument of archeologisch monument in redelijkheid moeten worden afgewogen tegen de belangen van de aanvrager (eigenaar/gebruiker) en die van derde belanghebbenden. Bij die belangenafweging staat het voorkomen van nadelige gevolgen van de aangevraagde activiteiten voor het monument of archeologisch monument en de monumentale waarden ervan voorop. Ook zal er bij de beoordeling van een aanvraag voor een omgevingsvergunning rekening moeten worden gehouden met de volgende beginselen uit het verdrag van Granada (de op 3 oktober 1985 te Granada tot stand gekomen Overeenkomst inzake het behoud van het architectonische erfgoed van Europa; Trb. 1985, 163) en het verdrag van Valletta (het op 16 januari 1992 te Valletta tot stand gekomen herziene Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed; Trb. 1992, 32):

  • a.

    het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van monumenten en archeologische monumenten,

  • b.

    het voorkomen van verplaatsing van monumenten of een deel daarvan, tenzij dit dringend vereist is voor het behoud van die monumenten,

  • c.

    het bevorderen van het gebruik van monumenten, zo nodig door wijziging van die monumenten, rekening houdend met de monumentale waarden, en

  • d.

    het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur in situ.

Een aanvraag moet dus voldoende inzicht geven in de reden, aard en omvang van de activiteit, de impact op het monument of archeologisch monument en de monumentale waarde ervan, en het (voorgenomen) gebruik van het monument of archeologisch monument.

JJJJJJJJJJJJJJJJJJJJ

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.28422.285 Omgevingsplanactiviteit: uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid

KKKKKKKKKKKKKKKKKKKK

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.28522.286 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een bouwwerk

Dit artikel bevat een aanvraagvereiste voor een sloopactiviteit. In verband met de beoordelingsregel uit Artikel 22.27922.280 moeten gegevens worden overgelegd waarmee aannemelijk moet worden gemaakt dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd. Met «kan» worden gebouwd wordt gedoeld op de situatie waarin het bouwen van een vervangend bouwwerk juridisch mogelijk is. Om dit aannemelijk te maken is in beginsel een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit voor het bouwen van het vervangende bouwwerk voldoende. Om aannemelijk te maken dat er, als de hiervoor bedoelde omgevingsvergunning (nog) niet is verleend, «zal» worden gebouwd, moet de intentie om het vervangende bouwwerk te bouwen op andere wijze worden onderbouwd, bijvoorbeeld door inzicht te geven in vergevorderde bouwplannen. Dat laatste geldt ook als voor het bouwen van een vervangend bouwwerk op de locatie geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist. Als het naar het oordeel van het bevoegd gezag onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat er sprake zal zijn van vervangende nieuwbouw, biedt Artikel 22.27922.280 de mogelijkheid om de vergunning te weigeren. Het is mogelijk dat naast Artikel 22.27922.280 nog andere specifieke beoordelingsregels zijn opgenomen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan bij de daar opgenomen vergunningplicht om een bouwwerk te slopen zonder omgevingsvergunning. Op grondslag van artikel 4:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan het bevoegd gezag zo nodig nog aanvullende gegevens en bescheiden opvragen die gelet op die beoordelingsregels nodig zijn voor de beslissing op de aanvraag.

LLLLLLLLLLLLLLLLLLLL

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.28622.287 Omgevingsplanactiviteit: afwijking van regels van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet

Dit artikel bevat aanvraagvereisten voor een aanvraag om een omgevingsvergunning om af te wijken van regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan als bedoeld in Artikel 22.28022.281. Voor een nadere toelichting op deze vergunningplicht wordt verwezen naar de toelichting op dat artikel. De aanvraagvereisten in Artikel 22.28622.287 zijn ontleend aan artikel 3.2 van de voormalige Regeling omgevingsrecht.

Het tweede lid betreft een rapport van een archeologisch vooronderzoek, waarin de archeologische waarde van het archeologisch monument op de locatie(s) van de voorgenomen activiteit nader is vastgesteld. Het bevoegd gezag moet op basis hiervan voldoende inzicht krijgen in de exacte impact van de activiteit op de archeologische waarde van het archeologisch monument. In die gevallen dat de archeologische waarde eerder al voldoende is vastgesteld, zal dit aanvraagvereiste niet nodig zijn.

MMMMMMMMMMMMMMMMMMMM

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.28722.288 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument: algemeen

NNNNNNNNNNNNNNNNNNNN

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.28822.289 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument voor zover het gaat om een archeologisch monument

In dit artikel staan de specifieke aanvraagvereisten voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument die een archeologisch monument betreft. Een archeologisch monument is in de Erfgoedwet gedefinieerd als een terrein dat deel uitmaakt van cultureel erfgoed vanwege de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen. Dit artikel is van toepassing als de aanvraag een gemeentelijk monument betreft dat een archeologisch monument is, en kan in bepaalde gevallen van toepassing zijn als deze een archeologisch monument betreft dat geen zelfstandig gemeentelijk monument is, maar zich ter plaatse van een gebouwd of aangelegd gemeentelijk monument bevindt. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de resten van een voorganger van een als gemeentelijk monument beschermde kerk die zich daar nog onder bevinden, of aan het bodemarchief onder een slotgracht of kasteeltuin. Als voor die locatie nog geen afweging over de archeologische monumentenzorg heeft plaatsgevonden in het kader van besluitvorming over het toedelen van functies aan locaties, kunnen de archeologische belangen worden meegewogen bij de besluitvorming over de omgevingsvergunning voor een (bodemverstorende) activiteit die een gebouwd of aangelegd gemeentelijk monument betreft. Er kunnen in dat geval aan de omgevingsvergunning in het belang van de archeologische monumentenzorg ook vergunningvoorschriften worden verbonden voor het in situ- of ex situ-behoud van het zich daaronder bevindende archeologisch monument (zie verder de toelichting bij Artikel 22.30322.304).

In de meeste gevallen zal het bij een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in dit artikel gaan om het op een of meer plaatsen verstoren van de bodem, maar het kan bij zichtbare archeologische monumenten, zoals terpen/wierden, kasteelterreinen, hunebedden, grafheuvels en scheepswrakken, bijvoorbeeld ook gaan om ontsiering of beschadiging van het zichtbare deel van het archeologisch monument.

Veel voorkomende activiteiten die betrekking hebben op een archeologisch monument, zijn:

-bouw-, sloop-, inrichtings- en graafwerkzaamheden,

-de aanleg of het onderhoud van infrastructurele werken zoals (spoor)wegen, rioleringen, kabels en leidingen.

Ook kan het gaan om:

-het aanbrengen van verhardingen in de openbare ruimte,

-het aanleggen of dempen van waterlopen en het aanleggen van vaargeulen,

-het aanplanten en verwijderen van (diepwortelende) bomen en struiken,

-het ophogen, verlagen of egaliseren van het maaiveld,

-het wijzigen van het grondwaterpeil,

-het winnen van grondstoffen,

-agrarische grondwerkzaamheden, en

-activiteiten die tot doel hebben de fysieke staat van het archeologisch monument te consolideren of te restaureren.

Eerste lid

In het eerste lid is geregeld welke gegevens en bescheiden nodig zijn om de exacte locatie(s) te bepalen waar en tot welke diepte het archeologisch monument door de voorgenomen activiteit zal worden verstoord, en op welke wijze.

Eerste lid, onderdeel a en c

In onderdeel a moet de aard van de activiteit worden omschreven. Als het maaiveldniveau, bedoeld in de onderdelen a en c en elders in dit artikel, niet of lastig is vast te stellen, zoals het geval is binnen een bouwwerk, kan hiervoor het niveau van de bovenkant van de afgewerkte begane grondvloer worden aangehouden.

Eerste lid, onderdeel b

Voor de topografische kaart, bedoeld in onderdeel b, kan gebruik worden gemaakt van de Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT) en voor locaties op zee van de officiële zeekaarten van de Dienst der Hydrografie. De BGT-kaart is een digitale topografische kaart met een schaal variërend van 1:500 - 1:5000 en bevat topografische objecten, zoals gebouwen, wegen, spoorwegen, waterlopen, parken en bossen. Via de Landelijke Voorziening BGT-informatie kan eenieder vrij de beschikbare BGT-informatie opvragen en downloaden.

Met de coördinatenparen in dit onderdeel wordt gedoeld op het coördinatensysteem van de Rijksdriehoeksmeting en, voor locaties op zee, het Europees Terrestrisch Referentiesysteem 1989 (ETRS89). Er zijn minimaal twee coördinatenparen nodig, zodat daaruit de schaal van de tekening kan worden herleid.

Eerste lid, onderdeel d

Met een programma van eisen als bedoeld in onderdeel d kan het bevoegd gezag specifieke eisen aan een archeologische opgraving stellen, gericht op een professionele uitvoering van de archeologische opgraving als bedoeld in de Erfgoedwet. In een programma van eisen worden de onderzoeksvragen en onderzoeksmethoden beschreven en beargumenteerd. Die zijn gebaseerd op de archeologische verwachting uit het aan het veldonderzoek voorafgaande (bureau)onderzoek.

Eerste lid, onderdeel e

Bij booronderzoek als bedoeld in onderdeel e kan in plaats van met een programma van eisen worden volstaan met een (minder uitvoerig) plan van aanpak. Zie verder de toelichting bij onderdeel d.

Eerste lid, onderdeel f

In onderdeel f is geregeld dat als sprake is van een zichtbaar archeologisch monument zoals een terp/wierde of een grafheuvel, de aanvrager gevraagd kan worden aan de hand van foto's inzichtelijk te maken wat de huidige situatie is en tekeningen te overleggen waaruit blijkt hoe het archeologisch monument eruit zal zien na realisatie van het voorgenomen plan. Behalve het bouwen van bouwwerken kan het ook andere ingrepen betreffen, zoals terreinverhardingen, het graven of dempen van sloten of het planten van bomen. Het gaat er bij dit aanvraagvereiste om de gevolgen van de voorgenomen activiteit voor de zichtbaarheid en de belevingswaarde van het archeologisch monument inzichtelijk te maken.

Eerste lid, onderdeel g

Het aanvraagvereiste in onderdeel g - funderingstekeningen - betreft dat deel van de bouwwerkzaamheden dat in de bodem plaatsvindt. Het bovengrondse deel van het bouwplan is voor de impact op archeologie in de bodem niet relevant.

Tweede lid

Het tweede lid bevat aanvraagvereisten die niet altijd nodig zijn voor de beoordeling van de gevolgen van de voorgenomen activiteit voor het archeologisch monument. Tijdens het vooroverleg kan het bevoegd gezag aangeven welke aanvraagvereisten in het concrete geval van toepassing zijn. Ook kan het bevoegd gezag die gegevens opvragen naar aanleiding van een ingediende aanvraag, voor de beoordeling waarvan deze gegevens en bescheiden ook nodig blijken.

Tweede lid, onderdeel a

Onderdeel a betreft een volgens de normen van de archeologische beroepsgroep opgesteld rapport van een archeologisch vooronderzoek, waarin de archeologische waarde van het archeologisch monument op de locatie(s) van de voorgenomen activiteit nader is vastgesteld. Het bevoegd gezag moet op basis hiervan voldoende inzicht krijgen in de exacte impact van de activiteit op de archeologische waarde van het archeologisch monument. In die gevallen dat de archeologische waarde eerder al voldoende is vastgesteld, zal dit aanvraagvereiste niet nodig zijn.

Tweede lid, onderdeel b

Het rapport in onderdeel b verschilt in die zin van een rapport als bedoeld in onderdeel a, dat uit dit rapport moet blijken wat de gevolgen van de activiteit zullen zijn voor het archeologisch monument, bijvoorbeeld een zettingsrapport (over het samendrukken van de grond door belasting). Een rapport als hier bedoeld is niet altijd nodig, maar vooral als het om specifieke informatie gaat die niet al blijkt uit de overige gegevens en bescheiden en het bevoegd gezag deze informatie zelf niet al heeft.

Tweede lid, onder d

Met aanlegwerkzaamheden als bedoeld in onderdeel d worden alle werkzaamheden bedoeld die geen bouwactiviteit, sloopactiviteit of ontgrondingsactiviteit zijn en waarbij de bodem wordt geroerd, een werk wordt aangelegd of het terrein anders wordt ingericht. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het aanbrengen van terreinverhardingen, aan het graven of dempen van sloten, aan het planten van bomen, struiken of andere diepwortelende planten, of aan het (deels) ophogen van een terrein. Als deze aanvraagvereisten moeten worden aangeleverd in het kader van een aanvraag voor een omgevingsplanactiviteit of een ontgrondingsactiviteit, kunnen dezelfde bescheiden ook in dit kader worden ingediend. Deze aanvraagvereisten zijn niet nodig in geval van kleinschalige werkzaamheden die door de grondgebruiker of eigenaar zelf worden uitgevoerd. Het gaat bij deze aanvraagvereisten vooral om omvangrijkere werkzaamheden die door een aannemer worden uitgevoerd, zoals het verbreden of verdiepen van sloten, het uitbaggeren van grachten, het beschoeien van vaarwegen, sloten of grachten, het (gedeeltelijk) ophogen van het maaiveld, het graven van sleuven voor kabels, leidingen of riolering, of de aanleg van wegen, opritten of verhardingen (bestrating, parkeerplaatsen).

Tweede lid, onderdeel e

In onderdeel e is geregeld dat als de activiteit (ook) bestaat uit het geheel of gedeeltelijk afbreken van een bouwwerk het bevoegd gezag bestaande funderingstekeningen kan verlangen. Dit kan uiteraard niet als deze tekeningen verloren zijn gegaan of redelijkerwijs niet meer te achterhalen zijn.

Tweede lid, onderdeel f

Bij de sonaropnamen, bedoeld in onderdeel f, gaat het doorgaans om zogenoemde «multibeamopnamen». Deze hebben als doel om de topografische hoogte, de bathymetrie, van de zeebodem ter plekke te bepalen en dienen als nulmeting om de situatie voorafgaand aan de ingreep te kunnen vergelijken met die daarna.

OOOOOOOOOOOOOOOOOOOO

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.28922.290 Eisen aan tekeningen als bedoeld in artikel 22.288

Dit artikel bevat de eisen aan tekeningen als bedoeld in Artikel 22.28822.289.

PPPPPPPPPPPPPPPPPPPP

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.29022.291 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een gemeentelijk monument voor zover het gaat om een monument

Dit artikel bevat de aanvraagvereisten voor zover een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument bestaat uit het slopen van een monument. Onder slopen wordt verstaan het geheel of gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen, zie de begripsbepaling van slopen in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet. Het gaat hierbij dus niet alleen om het slopen van een monument of complete bouwdelen, maar ook over het slopen van kleinere onderdelen zoals muren, houtwerkconstructies, deuren en vensters, of interieurelementen.

Eerste lid, onderdeel a

De foto's in onderdeel a moeten een duidelijke indruk geven van de technische staat en de ruimtelijke context van het monument of het te slopen onderdeel, zodat de noodzaak van de voorgenomen sloop voldoende wordt geïllustreerd. Het gaat er hierbij niet om dat het originele (digitale) foto's moeten zijn, maar het mogen geen onduidelijke kopieën zijn.

Eerste lid, onderdeel b

Situatietekeningen als bedoeld in onderdeel b, onder 1°, zijn nodig in geval van het gedeeltelijk afbreken van het monument waarbij de omvang van het monument wijzigt. Als de voorgenomen activiteit alleen bestaat uit inpandig slopen of als het monument geheel wordt gesloopt, geldt dit aanvraagvereiste dus niet.

Opnametekeningen als bedoeld in onderdeel b, onder 2°, zijn tekeningen waarop de toestand van het monument voorafgaand aan de activiteit is weergeven. Afhankelijk van de aard, omvang en plaats van de voorgenomen sloop kan het gaan om plattegronden, doorsneden, gevelaanzichten en een dakaanzicht. Als alleen inpandige sloopwerkzaamheden plaatsvinden zullen die laatste twee soorten tekeningen niet nodig zijn.

Uit slooptekeningen als bedoeld in onderdeel b, onder 3°, moet blijken welke materialen of onderdelen verwijderd worden. Dit moet de omvang en de exacte impact van de voorgenomen sloopwerkzaamheden op het monument inzichtelijk maken. De opnametekeningen kunnen hiervoor als basis worden gebruikt.

Eerste lid, onderdeel c

Een omschrijving van de aard van en de bestemming voor het door de sloop vrijkomende materiaal als bedoeld in onderdeel c is van belang omdat aan de omgevingsvergunning het voorschrift kan worden verbonden deze onderdelen te hergebruiken of voor hergebruik te bewaren, of ze in het belang van de monumentenzorg voor hergebruik elders beschikbaar te stellen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan historische dakpannen, een monumentale topgevel, gevelsteen of een monumentale schouw.

Tweede lid, onderdeel a

De rapporten, bedoeld in onderdeel a, kunnen nodig zijn om de monumentale waarde van het monument of de te slopen onderdelen (nader) te bepalen. Lang niet altijd zullen de actuele monumentale waarden al in voldoende mate in beeld zijn om de gevolgen van de voorgenomen sloopwerkzaamheden voor de aanwezige monumentale waarden te kunnen beoordelen.

Tweede lid, onderdeel b

Een rapport als bedoeld in onderdeel b kan nodig zijn als dit omgevingsplan voor de locatie van het gebouwde of aangelegde monument (nog) niet voorziet in een adequaat archeologisch regime en de activiteit leidt tot verstoring van de bodem. Zie verder de toelichting bij Artikel 22.28822.289.

Tweede lid, onderdeel c

Een beschrijving van de technische staat als bedoeld in onderdeel c is bijvoorbeeld nodig in geval van een voorgenomen sloop op grond van de technische staat van een monument of een onderdeel daarvan. Als deze beschrijving en de foto's niet voor zich spreken, kan een nadere onderbouwing van de beschrijving in de vorm van een of meerdere technische rapporten nodig zijn (onderdeel d).

QQQQQQQQQQQQQQQQQQQQ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.29122.292 Omgevingsplanactiviteit: verplaatsen van een gemeentelijk monument voor zover het gaat om een monument

Dit artikel bevat de aanvraagvereisten voor zover een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument bestaat uit het gedeeltelijk of volledig verplaatsen van een monument. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een kerkorgel of een molen. Het bevoegd gezag zal rekening moeten houden met het beginsel uit het verdrag van Granada dat verplaatsing van monumenten of een onderdeel daarvan moet worden voorkomen, tenzij dit dringend vereist is voor het voortbestaan ervan. Gaat het bevoegd gezag in een concreet geval toch over tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor het verplaatsen van het monument, dan zal het gelet op artikel 5 van het verdrag van Granadavoorschriften aan de vergunning verbinden over het treffen van voorzorgsmaatregelen voor het demonteren, het overbrengen en de herbouw van het monument op de nieuwe locatie. Gelet hierop moeten de gegevens en bescheiden voldoende inzicht geven in de reden en de noodzaak van de voorgenomen verplaatsing, in de huidige en de toekomstige ruimtelijke context van het monument, en in de beoogde wijze van demonteren, verplaatsen en herbouwen. De herbouw op een nieuwe, geschikte locatie mag dus niet onzeker zijn.

Eerste lid

De foto's in onderdeel b moeten een duidelijke indruk geven van de technische staat van het monument (toestand) of het te verplaatsen onderdeel en van de ruimtelijke context van het monument (situatie) of het onderdeel in de huidige en in de nieuwe situatie en mogen daarom geen onduidelijke kopieën zijn.

Opnametekeningen als bedoeld in onderdeel c, onder 2°, zijn tekeningen waarop de toestand van het monument voorafgaand aan de activiteit is weergeven. Bij verplaatsing van een gedeelte van een monument (zoals een kerkorgel) zullen minder tekeningen nodig zijn dan bij verplaatsing van het gehele monument.

Plantekeningen als bedoeld in onderdeel c, onder 3°, zijn tekeningen waarop de nieuwe toestand van het monument (na de voorgenomen verplaatsing) is weergeven. Bij verplaatsing van een gedeelte van een monument zijn dit ook tekeningen van de nieuwe toestand van het monument waar het verplaatste gedeelte dan deel van uitmaakt. Zo zijn bij verplaatsing van een orgel van de ene kerk naar de andere kerk ook plantekeningen nodig van de toestand van die andere kerk nadat het orgel daarin is aangebracht.

Als het te verplaatsen monument een molen is, moet op grond van onderdeel e, ook inzicht worden gegeven in de molenbiotoop, zowel op de huidige als de nieuwe locatie. Met de molenbiotoop wordt hier de omgeving van de molen bedoeld, voor zover die van belang is voor de werking van de molen. Het gaat daarbij met name om de windvang (bij een windmolen) of de water toe -en afvoer (bij een watermolen).

Tweede lid

Een rapport als bedoeld in onderdeel b kan nodig zijn als dit omgevingsplan voor de locatie van het gebouwde of aangelegde monument of voor de nieuwe locatie (nog) niet voorziet in een adequaat archeologisch regime en de activiteit leidt tot verstoring van de bodem. Zie verder de toelichting bij Artikel 22.28822.289.

Aanvullende tekeningen als bedoeld in onderdeel d kunnen bijvoorbeeld nodig zijn als er sprake is van bijzondere detaillering (detailtekeningen) of om een beeld te krijgen van het (functioneren van het) monument op de nieuwe plek, bijvoorbeeld met impressietekeningen of 3D-visualisaties.

Het bevoegd gezag kan bij de beoordeling van vergunningaanvragen voor een rijksmonumentenactiviteit kwaliteitseisen hanteren, bijvoorbeeld door te verwijzen naar de uitvoeringsrichtlijnen die in de beroepsgroep(en) gelden. Bij de beoordeling van een aanvraag is het voor het bevoegd gezag van belang om te weten of de aanvrager het plan dat ten grondslag ligt aan de aanvraag hierop al heeft afgestemd of niet. Op grond van onderdeel e moet hij hier opgave van doen. Het gaat hier overigens niet om algemene uitvoeringsvoorschriften als bedoeld in het Bbl.

3 Artikel 5: «Iedere Partij verplicht zich ertoe de verplaatsing van een beschermd monument of van een deel daarvan te verbieden, behalve indien zulks dringend is vereist voor het behoud van dit monument. In dat geval neemt de bevoegde autoriteit de nodige voorzorgsmaatregelen betreffende het demonteren, het overbrengen en het herbouwen van het monument op een geschikte plaats.» Voor rijksmonumenten is dit geregeld in artikel 8:82 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

RRRRRRRRRRRRRRRRRRRR

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.29222.293 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument: wijzigen van een monument of monument door herstel ontsieren of in gevaar brengen

Dit artikel omvat de meest voorkomende activiteiten. Onder het wijzigen van een monument vallen bijvoorbeeld het restaureren, reconstrueren, renoveren, verbouwen, uitbouwen, aanbouwen, of het bijvoorbeeld op een andere manier wijzigen van een gebouwd monument of een aangelegd (groen) monument. Denk hierbij ook aan het in een afwijkende kleur schilderen van een gevel of het hanteren van een ander verfsysteem.

Voorbeelden van het herstellen van een monument op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht, zijn het met golfplaten repareren van een rieten dak, of het reinigen of herstellen van een interieurschildering, of gevel, waarbij een onvoldoende deskundige uitvoering in potentie grote gevolgen kan hebben voor de technische staat en de monumentale waarde van het onderdeel (bij een gevel ook het patina).

Eerste lid, onderdeel a

De foto's in onderdeel a moeten een duidelijke indruk geven van de technische staat en de ruimtelijke context van het monument, zodat de noodzaak van de voorgenomen activiteit voldoende wordt geïllustreerd. Het mogen daarom geen onduidelijke kopieën zijn.

Eerste lid, onderdeel b

Opnametekeningen als bedoeld in onderdeel b, onder 2, zijn tekeningen waarop de toestand van het monument voorafgaand aan de activiteit is weergeven. Welke soort tekeningen in een concreet geval nodig zijn, hangt af van de aard van de activiteit. In de regel zullen plattegronden en doorsnedetekeningen nodig zijn. Als de activiteit ook impact heeft op het exterieur of het aangezicht van het monument, zullen ook geveltekeningen en in voorkomend geval een dakaanzicht nodig zijn.

Gebrekentekeningen als bedoeld in onderdeel b, onder 3, zijn nodig als er gebreken worden hersteld. Het betreft feitelijk opnametekeningen waarop de te verhelpen gebreken adequaat zijn weergegeven.

Plantekeningen als bedoeld in onderdeel b, onder 4, zijn tekeningen waarop de nieuwe toestand van het monument (na afloop van de voorgenomen activiteit) is weergeven.

Als er in het kader van de activiteit ook materiaal wordt verwijderd, moeten er in een dergelijk geval ook enkele gegevens en bescheiden als bedoeld in Artikel 22.29022.291 (slopen) worden overgelegd. Zoals blijkt uit de begripsbepaling van slopen in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet wordt onder slopen ook verstaan het gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen. In de praktijk van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht bleek dat een aanvrager die zijn monument wil restaureren of verbouwen zich niet altijd realiseert dat het wegnemen van materialen ook onder slopen valt en noodzakelijke gegevens en bescheiden daardoor geregeld ontbraken. Daarom zijn de aanvraagvereisten uit Artikel 22.29022.291 expliciet (en niet met een verwijzing) in dit artikel opgenomen. Op grond van onderdeel b, onder 5, moet de aanvrager in een dergelijk geval ook slooptekeningen overleggen, waaruit blijkt welke materialen of onderdelen verwijderd worden. De slooptekeningen moeten de exacte impact van de voorgenomen sloopwerkzaamheden op het monument inzichtelijk maken.

Eerste lid, onderdeel c

Op grond van onderdeel c moet in het bestek of in de werkomschrijving de sloopmethode en de aard van en bestemming voor het vrijkomend materiaal worden omschreven. Aan de omgevingsvergunning kan namelijk het voorschrift worden verbonden deze onderdelen te hergebruiken of voor hergebruik te bewaren, of ze in het belang van de monumentenzorg voor hergebruik elders beschikbaar te stellen.

Tweede lid, onderdeel b

Een rapport als bedoeld in onderdeel b kan nodig zijn als dit omgevingsplan voor de locatie van het gebouwde of aangelegde monument (nog) niet voorziet in een adequaat archeologisch regime en de activiteit leidt tot verstoring van de bodem. Zie verder de toelichting bij Artikel 22.28822.289.

Tweede lid, onderdeel c en d

Een beschrijving van de technische staat als bedoeld in onderdeel c kan bijvoorbeeld nodig zijn in geval van het herstellen van technische gebreken. Als deze beschrijving en de foto's niet voor zich spreken, kan een nadere onderbouwing van de beschrijving in de vorm van een of meerdere technische rapporten nodig zijn (onderdeel d). Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen bij een (complexe) restauratie.

Tweede lid, onderdeel e

Aanvullende tekeningen als bedoeld in onderdeel e kunnen bijvoorbeeld nodig zijn als er sprake is van bijzondere detaillering (detailtekeningen) of om een beeld te krijgen van het (functioneren van het) monument na verrichting van de activiteit, bijvoorbeeld met impressietekeningen of 3D-visualisaties.

Tweede lid, onderdeel f

Het bevoegd gezag kan bij de beoordeling van vergunningaanvragen voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument kwaliteitseisen hanteren, bijvoorbeeld door te verwijzen naar de uitvoeringsrichtlijnen die in de beroepsgroep(en) gelden. Bij de beoordeling van een aanvraag is het voor het bevoegd gezag van belang om te weten of de aanvrager het plan dat ten grondslag ligt aan de aanvraag hierop al heeft afgestemd of niet. Op grond van onderdeel f moet hij hier opgave van doen. Het gaat hier overigens niet om algemene uitvoeringsvoorschriften als bedoeld in het Bbl.

Tweede lid, onderdeel g

Een beheervisie als bedoeld in onderdeel g is een visie op het beheer van een groenaanleg, gebaseerd op een analyse en een waardering op grond van (cultuur)historisch onderzoek en inventarisaties van natuurwaarden, recreatieve en belevingswaarden, waterhuishouding en bodem, en wensen van belanghebbenden (eigenaar en gebruikers). De beheervisie maakt duidelijk welke keuzes zijn gemaakt voor het beheer en is richtinggevend voor een langere periode, bijvoorbeeld 12 tot 18 jaar, of langer. De visie kan ook worden weergegeven in streefbeelden.

SSSSSSSSSSSSSSSSSSSS

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.29322.294 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument: monument door gebruik ontsieren of in gevaar brengen

TTTTTTTTTTTTTTTTTTTT

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.29422.295 Eisen aan tekeningen als bedoeld in de artikelen 22.290 tot en met 22.292

Dit artikel bevat de eisen aan tekeningen als bedoeld in Artikel 22.29022.291, Artikel 22.29122.292 en Artikel 22.29222.293. Daar waar er meerdere schalen genoemd zijn, moet een schaal worden gekozen die het onderdeel van het monument adequaat weergeeft. Bij detailtekeningen van stucwerk of ornamenteel stuc kan bijvoorbeeld een schaal van 1:1 gevraagd worden ter verificatie van het profiel. Maar deze schaal zal lang niet altijd nodig zijn om details voldoende duidelijk weer te geven. Het is aan de aanvrager om zijn aanvraag voldoende duidelijk te maken en aan het bevoegd gezag om te beoordelen of de ingediende bescheiden volstaan voor de beoordeling.

UUUUUUUUUUUUUUUUUUUU

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.29522.296 Overeenkomstige toepassing voorbeschermd gemeentelijk monument

In dit artikel is bepaald dat de aanvraagvereisten die op grond van Artikel 22.28722.288 tot en met Artikel 22.29422.295 voor gemeentelijke monumenten gelden, ook gelden voor voorbeschermde gemeentelijke monumenten (als bedoeld in bijlage I bij het Bbl). Omwille van de leesbaarheid is voor een apart artikel gekozen in plaats van het opnemen in voornoemde artikelen zelf.

VVVVVVVVVVVVVVVVVVVV

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.29622.297 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een bouwwerk in een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht

WWWWWWWWWWWWWWWWWWWW

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.29722.298 Omgevingsplanactiviteit: uitweg

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.29822.299 Omgevingsplanactiviteit: alarminstallatie

YYYYYYYYYYYYYYYYYYYY

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.29922.300 Omgevingsplanactiviteit: vellen van houtopstand

ZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZ

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.30022.301 Omgevingsplanactiviteit: handelsreclame

AAAAAAAAAAAAAAAAAAAAA

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.30122.302 Omgevingsplanactiviteit: opslaan roerende zaken

BBBBBBBBBBBBBBBBBBBBB

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.30222.303 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een bouwwerk in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht

Zoals hiervoor al toegelicht bij Artikel 22.28322.284 gaat het hier om het slopen van een bouwwerk in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht waarvoor op grond van artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist. Hiervoor gelden dezelfde aanvraagvereisten als voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit in een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in Artikel 22.29622.297. Volstaan wordt daarom met een verwijzing naar de toelichting op dat artikel. Ook onder de voormalige Regeling omgevingsrecht golden voor deze activiteiten dezelfde indieningsvereisten.

CCCCCCCCCCCCCCCCCCCCC

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.30322.304 Voorschriften over archeologische monumentenzorg

DDDDDDDDDDDDDDDDDDDDD

Na sectie ' Voorschriften over archeologische monumentenzorg' wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Bijlage I BIJ ARTIKEL 1.1, TWEEDE LID, VAN DIT OMGEVINGSPLAN, BEGRIPSBEPALINGEN

In Bijlage I bij artikel 1.1 van dit omgevingsplan zijn in aanvulling op de begrippen van de Omgevingswet, de AMvB’s en de Omgevingsregeling de overige begripsbepalingen opgenomen die nog nodig zijn. Deze begrippen worden hieronder toegelicht.

Activiteitenbesluit-bedrijventerrein

Het begrip Activiteitenbesluit-bedrijventerrein is opgenomen omdat in artikel 22.66, tweede lid, voor gevoelige objecten die op een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein zijn gelegen, hogere geluidswaarden zijn vastgesteld. In de definitie van het begrip Activiteitenbesluit-bedrijventerrein wordt aangesloten bij geldende omgevingsplannen. Het komt vaak voor dat een omgevingsplan dat (in het tijdelijke deel) een bedrijventerrein aanduidt, meer bestemmingen omvat dan alleen bedrijfsbestemmingen. Zo kan een natuurgebied of landelijk gebied deel uitmaken van een gebied dat in een omgevingsplan is begrensd door een grens die een bedrijventerrein aanduidt. Het is niet de bedoeling dat de hogere waarden ook in die gebieden gelden. Anderzijds kan het voorkomen dat er één of enkele percelen zijn met een andere bestemming dan een bedrijfsbestemming, die omsloten zijn door percelen met bedrijfsbestemmingen. Voor die percelen, bijvoorbeeld een burgerwoning op het bedrijventerrein, zijn de hogere waarden wel van toepassing. Om die reden wordt het begrip beperkt tot een cluster percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen. Opgemerkt wordt dat in het nieuwe stelsel de term «bedrijventerrein» zonder definitie wordt gehanteerd.

Deze regel moet worden overgezet van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan naar het nieuwe deel van dit omgevingsplan. In het nieuwe deel wordt concreet aangeduid voor welke locaties de hogere waarde geldt. Er kan dan geen gebruik meer gemaakt worden van het begrip Activiteitenbesluit-bedrijventerrein.

concentratiegebied geurhinder en veehouderij

Het begrip «concentratiegebied geurhinder en veehouderij» voor in de paragraaf over geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden, in dierenverblijven.

Als een gemeente in een geurverordening een concentratiegebied heeft aangewezen, dan wordt deze verordening na inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 4.6, eerste lid, onder e van de Invoeringswet Omgevingswet van rechtswege onderdeel van het tijdelijk deel van dit omgevingsplan. Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet hebben gemeenten op grond van artikel 5.108 van het Bkl de bevoegdheid om in het omgevingsplan één of meerdere concentratiegebieden aan te wijzen. Bestaande concentratiegebieden geurhinder en veehouderij moeten in de transitieperiode overgezet worden van het tijdelijke deel van het omgevingsplan naar het nieuwe deel van het omgevingsplan.

distributienet voor warmte

Dit begrip is gedefinieerd als «collectief circulatiesysteem voor het transport van warmte door een circulerend medium voor verwarming of warmtapwater». Onder dit distributienet valt dus zowel een stadsverwarmingssysteem als een «klein» wijk- of buurtverwarmingssysteem. Voor de definitie is voor zover mogelijk aansluiting gezocht bij de begripsomschrijving zoals deze is opgenomen in NVN 7125 van april 2011.

geurgevoelig object

Om geen te groot gat te laten vallen op moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet, wordt er voor geur in de omgevingsplanregels van rijkswege uitgegaan van de begrippen uit de ingetrokken regelgeving.

Onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de voormalige Wet geurhinder en veehouderij was de groep objecten die beschermd werden tegen geurhinder, anders dan de groep geurgevoelige gebouwen die beschermd worden op grond van en gedefinieerd zijn in het Bkl.

Aan de ene kant is het begrip geurgevoelig object breder dan het begrip geurgevoelig gebouw: onder het begrip geurgevoelig object vallen alle locaties waarbij hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen. Onder geurgevoelig gebouw op grond van artikel 5.91 van het Bkl vallen kort gezegd alleen gebouwen met een woon-, onderwijs-, of gezondheidzorg- of kinderopvangfunctie.

Onder het begrip geurgevoelig object, valt dus ook het begrip geurgevoelig gebouw.

Overigens biedt het vierde lid van artikel 5.91 van het Bkl wel de mogelijkheid om in dit omgevingsplan ook andere geurgevoelige gebouwen of gedeelten van gebouwen aan te wijzen, mits er hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen.

Aan de andere kant is het begrip geurgevoelig object smaller dan het begrip geurgevoelig gebouw. Onder het begrip geurgevoelig gebouw, wordt ook verstaan: een gebouw dat nog niet aanwezig is maar op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gerealiseerd.

Soms is er voor bestaande of nieuwe situaties wel al bewust verwezen naar een geurgevoelig gebouw, zoals bedoeld in het Bkl.

gezoneerd industrieterrein

Onder de voormalige Wet geluidhinder gold een geluidzone rondom bepaalde industrieterreinen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet vervalt deze systematiek van zones. In plaats daarvan worden bij omgevingsplan geluidproductieplafonds – als omgevingswaarde – vastgesteld rondom bepaalde industrieterreinen. Het begrip gezoneerd industrieterrein komt dus niet meer voor in de Omgevingswet.

Voor de omgevingsplanregels van rijkswege is het van belang dat er geen wijziging optreedt in de rechtspositie van bedrijven op het gezoneerde industrieterrein en in de bescherming ten opzichte van van de geluidgevoelige objecten daaromheen zoals woningen. Daarom is het begrip gezoneerd industrieterrein nog wel relevant.

De begripsbepaling verwijst naar de betekenis die onder de voormalige Wet geluidhinder aan een gezoneerd industrieterrein werd gegeven. Hiermee wordt duidelijk gemaakt dat het begrip gezoneerd industrieterrein enkel in het omgevingsplan is opgenomen om de bestaande rechtsposities ongewijzigd te handhaven, en dat niet is bedoeld om een inhoudelijke wijziging van het begrip door te voeren.

straatpeil

Het begrip straatpeil was voorheen opgenomen in het Bouwbesluit 2012. Deze definitie is destijds ontleend aan de definitie van dat begrip zoals opgenomen in de Modelbouwverordening van de VNG.

warmteplan

Het begrip «warmteplan» is gedefinieerd als besluit van de gemeenteraad, inzake de aanleg van een distributienet voor warmte in een bepaald gebied, waarin voor die periode de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte bij aansluiting op dat distributienet is opgenomen. Waarbij moet worden uitgegaan van het voor die periode geplande aantal aansluitingen op dat distributienet. Het warmteplan wordt door de gemeenteraad vastgesteld voor een periode van ten hoogste 10 jaar.

Daarna moet in ieder geval een nieuw warmteplan worden vastgesteld. Als de ontwikkelingen daar aanleiding toe geven, kan de gemeenteraad het plan wijzigen (tussentijds een nieuw plan vaststellen of het plan aanpassen). Dit zou het geval kunnen zijn wanneer over de energiezuinigheids- en/of milieuprestatie van het warmtenet actuele gegevens beschikbaar zijn gekomen, die substantieel afwijken van de aan het vastgestelde warmteplan ten grondslag liggende gegevens, of wanneer de bouwopgave in het warmteplangebied in de loop der tijd dusdanig wijzigt dat dit gevolgen heeft voor het geplande aantal aansluitingen op het warmtenet. Uit de samenhang met artikel 22.10 «Aansluiting op distributienet voor warmte» volgt dat een warmteplan kan worden vastgesteld door gemeenten die tot aanleg van een nieuw distributienet willen overgaan. Wanneer een gemeente in verschillende gebieden tot aanleg van warmtenetten wil overgaan, moet het warmteplan per distributienet worden vastgesteld. Het gebied moet in het warmteplan zo nauwkeurig mogelijk worden afgebakend, bijvoorbeeld door een van het warmteplan deel uitmakende plankaart. In het warmteplan moet het geplande aantal aansluitingen op het distributienet worden aangegeven. Dat is van belang omdat de aansluitplicht op grond van artikel 22.10, eerste lid, onder a, niet meer van toepassing is op in het warmteplangebied te bouwen bouwwerken wanneer het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen daadwerkelijk is bereikt. Dit wordt beoordeeld op het moment van het indienen van de aanvraag om een vergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor het bouwen van een bouwwerk. Als aan het geplande aantal aansluitingen is voldaan, is vrijwillige aansluiting niet uitgesloten. In de fase dat het geplande aantal aansluitingen nog niet is bereikt, geldt de aansluitplicht overigens ook wanneer het definitieve distributienet nog niet gereed is en bouwwerken tijdelijk collectief van warmte worden voorzien door transport van in hulpketels opgewekte warmte totdat de definitieve infrastructuur gereed is.

In het warmteplan moet de te bereiken mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu van de aansluiting op het distributienet voor warmte, gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte, worden aangegeven. Het gaat daarbij om de mate die bereikt wordt wanneer het in het warmteplan aangegeven aantal aansluitingen op dat distributienet is bereikt. Deze mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu moet duidelijk zijn aangegeven, bijvoorbeeld aan de hand van getallen voor CO2, en NOx, zodat eenvoudig kan worden getoetst of sprake is van een aan aansluiting op het warmtenet gelijkwaardige oplossing.

De gemeenteraad is bevoegd het warmteplan vast te stellen. Hiermee is zeker gesteld dat de te maken gemeentelijke keuzen over de aanleg van warmtenetten in een gebied via een voor belanghebbenden transparant en democratisch gelegitimeerd proces tot stand komen. Voor het warmteplan gelden – als onderdeel van het omgevingsplan – geen specifieke inhoudelijke vereisten.

Als een gemeente geen warmteplan heeft vastgesteld of niet tijdig (binnen de afgesproken periode) opnieuw heeft vastgesteld, dan kan in die gemeente artikel 22.10 «Aansluiting op distributienet voor warmte» niet worden toegepast. In die gemeente kan op basis van vrijwilligheid worden aangesloten op het warmtenet. Zie ook de toelichting op het begrip distributienet voor warmte en de toelichting bij artikel 22.10 «Aansluiting op distributienet voor warmte».

Naar boven