Gemeenteblad van Brunssum
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Brunssum | Gemeenteblad 2026, 417675 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.
Officiële publicaties van de overheid.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Brunssum | Gemeenteblad 2026, 417675 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Deze publicatie bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst. Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
De publicatie wordt standaard getoond met verschilmarkering. Door te kiezen voor ‘Was’ of ‘Wordt’ kunt u de voormalige of vernieuwde tekst op zichzelf bekijken.
Toon versie van document
Dit document bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst.
Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
Het ‘Omgevingsplan gemeente Brunssum’ wordt gewijzigd ten behoeve van een aanpassing van de regels omtrent welstand, zoals opgenomen in Bijlage A van dit Besluit. Daarnaast is ter verduidelijking een Motivering in dit besluit opgenomen.
Het ontwerp-besluit wordt ter inzage gelegd vanaf 8 september t/m 19 oktober 2026. Dit wordt bekendgemaakt op 7 september 2026. Gedurende de termijn van de terinzagelegging wordt eenieder in de gelegenheid gesteld om een zienswijze naar voren te brengen.
A
Artikel 22.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het uiterlijk van de volgende bouwwerken mag niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria vanzoals opgenomen in de welstandsnotabeleidsregels, bedoeld in artikel 12a, eerste lid,4.19 van de Woningwet, zoals dat artikel tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold:
Het eerste lid is niet van toepassing als het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn.
Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken, die door de gemeenteraad zijn geduid in beleidsregels als bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet, en daarbij als welstandsvrij zijn aangewezen.
B
Artikel 22.27 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het verbod, bedoeld in artikel 22.26, geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een van de volgende bouwwerken:
een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
op de grond staand;
gelegen in achtererfgebied;
op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied;
niet hoger dan 5 m;
de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag; en
niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte;
een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
een dakkapel in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
gelegen in
het betreft een gebied dat of een bouwwerk dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan,beleidsregels zoals bedoeld in artikel 22.1, onder a,4.19 van de Omgevingswet, is aangewezen als gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn;
voorzien van een plat dak;
gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75 m;
onderzijde meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet;
bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok; en
zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak;
een sport- of speeltoestel anders dan voor alleen particulier gebruik, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of een vijver op het gebouwerf bij een woning of woongebouw, als deze niet van een overkapping is voorzien;
een erf- of perceelafscheiding, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
een bouwwerk, geen gebouw zijnde, in achtererfgebied voor agrarische bedrijfsvoering, voor zover het gaat om:
een buisleiding anders dan een buisleiding waarop artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4°, van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is; of
een te veranderen bouwwerk, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
C
Artikel 22.29 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als:
de activiteit niet in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, met uitzondering van paragraaf 22.2.4;
het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria vanzoals opgenomen in de welstandsnotabeleidsregels, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de4.19 Omgevingswet; en
de activiteit betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie en:
de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden; of
bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit van de bodem: als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregelen wordt getroffen. Een sanerende of andere beschermende maatregel is in ieder geval een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing als:
het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn; of
het gaat om een aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn, zoals opgenomen in de beleidsregels bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet; of
het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder b, toch moet worden verleend.
D
Artikel 22.35 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een opgave van de bouwkosten;
het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft;
een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft;
een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:
de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;
de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;
de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;
de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en
het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bouwwerk;
de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil en het aantal bouwlagen;
de inrichting van parkeervoorzieningen op het eigen terrein;
gegevens en bescheiden die samenhangen met een uit te brengen advies van de Agrarische Adviescommissie in geval van een aanvraag voor een bouwactiviteit op een locatie waaraan een agrarische functie is toegedeeld;
voor zover dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld;
de volgende gegevens en bescheiden voor de toetsing aan de regels over redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria vanzoals opgenomen in de welstandsnotabeleidsregels, bedoeld in artikel 12a, eerste lid,4.19 van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet:
tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past;
principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk;
kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en
een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking;
als de aanvraag betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie:
de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 22.30, redelijkerwijs is uit te sluiten; en
als de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 22.30, wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 22.30, redelijkerwijs is uit te sluiten; en
overige gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan dit omgevingsplan.
E
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel heeft betrekking op het repressief welstandstoezicht en was voorheen opgenomen in artikel 12 van de Woningwet. Het uiterlijk van bestaande bouwwerken of te bouwen bouwwerken waar op grond van dit plan geen omgevingsvergunning voor nodig is, mogen niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel totopgenomen in de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold. Op grond van artikel 4.114 van de Invoeringswet Omgevingswet geldt die welstandsnota als een beleidsregel alsbeleidsregels, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet. In het voormalige artikel 13a van de Woningwet was opgenomen dat bij een overtreding van artikel 12, eerste lid, het bevoegd gezag de eigenaar kon verplichten zodanige door het bevoegd gezag aan te geven voorzieningen te treffen, dat daarmee werd voldaan aan artikel 12 van die wet. In de systematiek van de Omgevingswet is dit een maatwerkvoorschriftmaat- werkvoorschrift. Op grond van artikel 22.4 kan het bevoegd gezag zo’n maatwerkvoorschrift ook stellen voor het onderwerp welstand. Omdat de vraag of artikel 22.7 overtreden is, beantwoord moet worden door de criteriabeleidsregels, bedoeld in artikel 4.19 van de welstandsnotaOmgevingswet te beoordelen, ligt het voor de hand dat het bevoegd gezag door middel van een maatwerkvoorschrift aan de eigenaar van een gebouw duidelijk maakt op welke punten aanpassing nodig is om de ernstige strijd met redelijke eisen van welstand op te heffen.
Als de gemeente geen welstandsnota heeft vastgesteld, gelden er voor de gehele gemeente geen welstandsregels waaraan het uiterlijk van bestaande bouwwerken moet voldoen. Optreden tegen welstandsexcessen is dan niet mogelijk. Op grond van het tweede lid is welstandstoezicht evenmin aan de orde voor door de gemeenteraad aangewezen bouwwerken in daarbij aangewezen (zogenoemde welstandsvrije) gebieden. Op grond artikel 12, tweede lid, van de Woningwet, kon de gemeenteraad die welstandsvrije bouwwerken en gebieden aanwijzen. Deze besluiten zijn in artikel 4.6 van de Invoeringswet Omgevingswet, toegevoegd aan het tijdelijke deel van het omgevingsplan waar zowel voor het repressieve welstandstoezicht (in artikel 22.7, tweede lid) als voor de beoordeling van een nieuw te bouwen vergunningplichtig bouwwerk aan redelijke eisen van welstand (in artikel 22.29, tweede lid, onderdeel a.), een uitzondering is gemaakt. Het repressieve welstandsvereiste is niet van toepassing op tijdelijke bouwwerken, met uitzondering van seizoensgebonden bouwwerken zoals strandtenten.
Op grond van het tweede lid is welstandstoezicht niet aan de orde voor bouwwerken in door de gemeenteraad als welstandsvrij aangewezen gebieden. Het repressieve welstandsvereiste is niet van toepassing op tijdelijke bouwwerken, met uitzondering van seizoensgebonden bouwwerken zoals strandtenten.
De vraag of het uiterlijk van nieuw te bouwen bouwwerken waarvoor wel een omgevingsvergunning op grond van het omgevingsplan nodig is aan daarop van toepassing zijnde welstandseisen voldoet, wordt tijdens het proces van vergunningverlening getoetst. Zie hiervoor artikel 22.29.
F
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel regelt wanneer een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een bouwwerk wordt verleend. Het artikel is een voortzetting van artikel 2.10, eerste lid, onder c en d, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Op grond van artikel 22.29, eerste lid, wordt de vergunning alleen verleend als het bouwplan niet in strijd is met de regels die in dit omgevingsplan zijn gesteld over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken (onderdeel a) en dat het uiterlijk en de plaatsing van het bouwwerk, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria, zoals opgenomen in de beleidsegels, bedoeld in artikel 4.19 van de welstandsnota (onderdeel b)Omgevingswet. In onderdeel a is paragraaf 22.2.4 expliciet uitgezonderd omdat het hier om voormalige rijksregels gaat waar op grond van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht ook niet aan getoetst werd bij de vergunningverlening. Daarnaast zijn er in dit omgevingsplan (als onderdeel van de omgevingsplanregels van rijkswege) tal van regels opgenomen die niet over bouwwerken gaan, maar bijvoorbeeld over open erven en terreinen. Deze regels vallen alle buiten het beoordelingskader voor de omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op bouwwerken. Het tweede lid bevat een aantal uitzonderingen op de eis dat het bouwwerk niet in strijd mag zijn met redelijke eisen van welstand. Ook deze uitzonderingen zijn een voortzetting van het recht zoals dat gold onder de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Woningwet.
De redactie van het eerste lid sluit aan bij artikel 8.0a, eerste lid, van het Bkl. Het imperatieve karakter («wordt verleend») houdt in dat de vergunning moet worden verleend als het bouwplan niet in strijd is met de daarvoor gestelde regels in het omgevingsplan. Er kunnen buiten het omgevingsplan om dus geen aanvullende redenen worden gehanteerd om een vergunning toch te weigeren. Het limitatieve karakter komt tot uiting doordat «alleen» op grondslag van de in het omgevingsplan gestelde regels het «binnenplans» verlenen van een vergunning mogelijk is. Als het bevoegd gezag op basis van de regels in het omgevingsplan tot het oordeel komt dat vergunningverlening niet mogelijk of (bij beslissingsruimte) niet wenselijk is, moet de activiteit als strijdig met het omgevingsplan worden aangemerkt. In dat geval is sprake van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit geldt dat op grond van artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl, de vergunning alleen wordt verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor een verdere toelichting hierover wordt verwezen naar de nota van toelichting bij artikel 8.0a van het Bkl.
Op 27 januari 2026 heeft de gemeenteraad van Brunssum het ‘Ruimtelijk kader voor het verduurzamen van bestaande woningen in Brunssum’ als welstandsbeleid vastgesteld. Het omgevingsplan gemeente Brunssum moet hiermee in overeenstemming worden gebracht. Daarvoor is een wijziging van de artikelen 22.7, 22.27, 22.29 en 22.35 van het Omgevingsplan noodzakelijk.
Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Sinds deze datum beschikt iedere gemeente van rechtswege over een eigen omgevingsplan. Dit omgevingsplan bestaat uit een tijdelijk deel en een nieuw deel. Gemeenten hebben tot eind 2031 de tijd om de inhoud van het tijdelijke deel van het omgevingsplan om te zetten naar regels in het nieuwe deel.
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is een aantal regels op rijksniveau vervallen. Het Rijk heeft de bevoegdheid tot het stellen van deze regels overgeheveld naar de gemeenten. Om te voorkomen dat er regels vervallen voordat de gemeente zelf regels heeft opgesteld, bepaalt artikel 7.1 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet dat deze regels onderdeel worden van het omgevingsplan. De Omgevingswet noemt dit 'omgevingsplanregels van rechtswege'. In de praktijk wordt dit deel van het omgevingsplan aangeduid als de ‘bruidsschat’. De bruidsschatregels staan in hoofdstuk 22 van ons eigen omgevingsplan: Omgevingsplan gemeente Brunssum.
Hoofdstuk 22 bevat onder andere regels over de omgevingskwaliteit en welstand. Dat betreft de artikelen:
22.7 (repressief welstand);
22.29 (beoordelingsregels aanvraag omgevingsvergunning voor een ruimtelijke bouwactiviteit), en;
22.35 (aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning).
In alle deze artikelen staat sinds invoering van de Omgevingswet de volgende verwijzing: ‘beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold’.
De tekst verwijst naar de Woningwet. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de Woningwet op 1 januari 2024 komen te vervallen. Op grond van de hiervoor genoemde regels in de bruidsschat werkt het welstandsbeleid dat is vastgesteld op grond de oude Woningwet nog door. Echter, met de vaststelling van het nieuwe ‘Ruimtelijk kader voor het verduurzamen van bestaande woningen in Brunssum’ is de bestaande Welstandsnota aangevuld met nieuw beleid. De verwijzingen in de bruidsschat naar het welstandsbeleid moeten daarom geactualiseerd worden. De nieuwe tekst luidt dan ook: ‘beoordeeld volgens de criteria zoals opgenomen in de beleidsregels, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet’.
Daarnaast wordt lid 2 van artikel 22.7 aangepast. Het artikel luidt nu als volgt: ‘Het eerste lid is niet van toepassing als het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn’.
Deze tekst sluit niet meer aan bij het aanvullen en actualiseren van de welstandsnota. De excessenregeling, waarmee gemeenten achteraf kunnen ingrijpen bij een bouwwerk dat, ondanks dat het vergunningvrij of welstandsvrij is, toch een dusdanig slechte kwaliteit heeft dat het ernstig in strijd is met redelijke eisen van welstand, wordt met het huidige artikel buitenspel gezet. Om een stok achter de deur te hebben bij welstandsvrije gebieden in Brunssum, wordt het artikel aangepast, zodat de excessenregeling toch van toepassing wordt verklaard voor welstandsvrije bouwwerken en welstandsvrije gebieden.
De tekst van artikel 22.7 lid 2 luidt na aanpassing: ‘Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken, die door de gemeenteraad zijn geduid in beleidsregels als bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet, en daarbij als welstandsvrij zijn aangewezen.’
Ten overvloede wordt opgemerkt dat onderhavige omgevingsplanwijziging zelf dus géén inhoudelijke welstandscriteria bevat. Slechts de verwijzing naar het welstandskader die in de artikelen 22.7, 22.29 en 22.35 is opgenomen, wordt aangepast. Gebleken is dat ook in artikelen 22.27 lid c onder 1 en 22.29 lid 2 onder a via de Invoeringswet Omgevingswet nog wordt verwezen naar de oude Woningwet. De verwijzingen in deze artikelen worden met het nemen van dit besluit ook geactualiseerd, zodat deze in overeenstemming zijn met eerder genoemde aanpassingen.
De wijziging van het Omgevingsplan heeft betrekking op het gehele grondgebied van de gemeente Brunssum.
Na dit inleidende hoofdstuk, wordt in Hoofdstuk 2 ingegaan op de juridische opzet van deze wijziging van het omgevingsplan en de verhouding tot de overige delen van het Omgevingsplan gemeente Brunssum. In Hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de voor deze wijziging van het omgevingsplan relevante beleidskaders en instructie(regels), om vervolgens in Hoofdstuk 4 en Hoofdstuk 5 kort in te gaan op respectievelijk de relevante sectorale aspecten en de uitvoerbaarheid.
In dit hoofdstuk wordt de verhouding tussen deze wijziging van het omgevingsplan ten opzichte van de overige delen van het omgevingsplan toegelicht.
Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 geldt voor de gemeente Brunssum van rechtswege het "Omgevingsplan gemeente Brunssum". Op die datum zijn de binnen de gemeente geldende ruimtelijke plannen onderdeel geworden van het 'tijdelijk deel' van dat omgevingsplan. Dat tijdelijk deel van het omgevingsplan bestaat verder onder meer uit een set regels die door het Rijk zijn overgedragen aan de gemeente. Deze set regels wordt de 'bruidsschat' genoemd en is opgenomen in hoofdstuk 22 van het omgevingsplan.
Door de inwerkingtreding van de Omgevingswet is een wijziging van het Omgevingsplan gemeente Brunssum nodig om het doel te bereiken dat is beschreven in paragraaf 1.2.
Deze wijziging van het omgevingsplan voorziet uitsluitend in de aanpassing van de onder 1.2 van deze motivering beschreven artikelen. Voor het overige blijven bruidsschatregels en andere ruimtelijke plannen die onderdeel zijn geworden van het tijdelijke deel van het omgevingsplan vigerend.
Voor de wijziging van het Omgevingsplan gemeente Brunssum wordt een vaststellingsbesluit genomen. Dit vaststellingsbesluit bevat de aan het omgevingsplan toe te voegen regels met locaties en andere annotaties en de artikelsgewijze toelichting. Het besluit gaat verder vergezeld van voorliggende motivering.
Ten tijde van de vaststelling van deze wijziging heeft het Omgevingsplan gemeente Brunssum nog geen basisstructuur. De bruidsschatregels zijn ondergebracht in hoofdstuk 22 en zullen gedurende de transitie naar definitief omgevingsplan naar hoofdstukken worden verplaatst waar de desbetreffende regels thuishoren. De regels worden daarom aangepast binnen hoofdstuk 22. Dat betekent dat de artikelen 22.7, 22.27, 22.29 en 22.35 inhoudelijk worden gewijzigd en niet worden verplaatst naar andere hoofdstukken. Het doel hiervan is om de ontwikkeling van de basisstructuur niet te belemmeren.
Achter de regels is een artikelsgewijze toelichting opgenomen voor alle artikelen in de Bruidsschat (hoofdstuk 1 en 22). De wijzigingen in de regels zijn ook nader toegelicht onder de desbetreffende artikelen in de toelichting (zie onder artikelen 22.7, 22.27, 22.29 en 22.35)
Gemeenten zijn in beginsel vrij om hun omgevingsplan vorm en inhoud te geven, zolang de daarin opgenomen regels maar voorzien in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Daarbij moet wel rekening worden gehouden met beleid van de Rijksoverheid en de provincie. Indien het Rijk van oordeel is dat gemeenten een nationaal belang alleen niet doelmatig en doeltreffend kunnen behartigen, dan wel wanneer internationaalrechtelijk verplichtingen daarom vragen, kan het Rijk instructieregels vaststellen om die belangen goed te kunnen laten meewegen dan wel in acht te laten nemen door gemeenten bij een wijziging van het omgevingsplan. Deze instructieregels zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Provinciale Staten hebben een soortgelijke bevoegdheid in relatie tot provinciale belangen en kunnen instructieregels opnemen in de Omgevingsverordening Limburg. Naast de algemene instructieregels in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Rijk) en Omgevingsverordening Limburg (Provincie), die zijn bedoeld voor herhaalde toepassing, kunnen ook eenmalige instructies worden gegeven aan gemeenten.
Daarnaast is een gemeente gebonden aan haar eigen gemeentelijk beleid en aan regionaal voorbereid beleid dat door de betreffende gemeente is vastgesteld. Hierna wordt kort ingegaan op het relevante beleid en relevante instructieregels en instructies vanuit het Rijk en de Provincie Limburg. Gelet op de aard en strekking van deze wijziging van het omgevingsplan kan dat in beknopte vorm.
De bruidsschatregels zijn voormalige Rijksregels die op 1 januari 2024 geschonken zijn aan gemeenten. Gemeenten hebben de bruidsschat in beheer genomen en handelen conform deze regels. Gemeenten kunnen de regels behouden, aanpassen of buiten toepassing verklaren. Bij die keuze moet rekening worden gehouden met de instructieregels van het Rijk. De onderhavige wijziging voorziet slechts in een tekstuele aanpassing van regels over welstand, een en ander om nieuw welstandsbeleid als toetsingskader voor vergunningaanvragen te kunnen gebruiken. De inhoud van het welstandsbeleid is des gemeentes en is verder niet gebonden aan de instructieregels van het beleid.
Gelet op een slechts tekstuele aanpassing wordt hier verder niet nader ingegaan op het Rijksbeleid en de daarbij behorende instructieregels.
Ook hier geldt dat de wijziging uitsluitend tekstueel van aard is en verder gene gevolgen heeft voor de belangen van de provincie Limburg. Daarom wordt hier verder niet ingegaan op het provinciale beleidskader en de daarbij behorende omgevingsverordening.
Aanleiding voor deze wijziging van het omgevingsplan is de vaststelling van een aanvullend welstandskader ‘‘Ruimtelijk kader voor het verduurzamen van bestaande woningen in Brunssum’ .
Het Ruimtelijk kader heeft tot doel de verduurzaming van woningen te ondersteunen en waar mogelijk het handelingsperspectief van inwoners en initiatiefnemers te verbeteren. Het kader is opgesteld met zorg voor de bestaande ruimtelijke context en legt de nadruk op ruimtelijke kwaliteit, duurzaamheid en uitvoerbaarheid. Met dit nieuwe beleid wordt duidelijk vastgelegd onder welke voorwaarden de gemeente medewerking kan verlenen aan vergunningaanvragen voor duurzame maatregelen met een ruimtelijke of welstandscomponent. Daarmee wordt de besluitvorming transparanter, voorspelbaarder en beter uitlegbaar voor inwoners, ontwerpers en uitvoerders.
Om het beleidskader te kunnen gebruiken voor de welstandstoets van omgevingsvergunningaanvragen moeten de bruidsschatregels, die thans nog refereren naar de Welstandsnota die is vastgesteld op basis van de oude Woningwet, worden aangepast. Onderhavige wijziging voorziet daarin. Niet alleen ten behoeve van dit ruimtelijke kader, maar ook voor toekomstige wijzigingen van het welstandsbeleid.
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is van belang de gevolgen van de beoogde wijziging van het omgevingsplan voor de fysieke leefomgeving te beoordelen. Het gaat dan meer concreet over milieuaspecten, water, archeologie en cultuurhistorie en natuurwaarden.
Voorliggend wijzigingsbesluit maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Het voorziet alleen in een redactionele aanpassing van een viertal artikelen, waarmee het mogelijk wordt gemaakt om ook nieuw welstandsbeleid toe te passen bij aanvragen om een omgevingsvergunning. Gelet hierop wordt hier niet verder ingegaan op de genoemde sectorale aspecten.
Het voorliggende wijzigingsbesluit maakt geen bouwplannen mogelijk die verplichten tot kostenverhaal. De uitvoering van deze regels leiden niet tot extra kosten voor de gemeente. Daarmee is de economische uitvoerbaarheid verzekerd.
Conform artikel 10.2 van het Omgevingsbesluit moet in het wijzigingsbesluit van het omgevingsplan staan hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere bestuursorganen bij de voorbereiding betrokken zijn bij de totstandkoming van het wijzigingsbesluit, en wat de gemeente met de resultaten heeft gedaan. In dit kader is voor het vaststellen van het nieuwe ruimtelijke kader participatietraject doorlopen, waarin belanghebbenden, inwoners en andere betrokken partijen actief zijn betrokken. Bij toekomstige aanpassingen van de welstandsnota of nieuw welstandsbeleid zal ook telkens een participatietraject worden doorlopen.
De onderhavige wijziging van het omgevingsplan bevat zelf géén inhoudelijke welstandscriteria. Slechts de verwijzing naar het welstandskader die in de artikelen 22.7, 22.27, 22.29 en 22.35 is opgenomen, wordt aan gepast. Omdat de omgevingsplanwijziging slechts een redactionele wijziging van een viertal artikelen betreft, is hiervoor geen separaat participatietraject doorlopen. Om die reden heeft daarnaast ook geen vooroverleg met ketenpartners (provincie, waterschap, omgevingsdienst en veiligheidsregio) plaatsgevonden.
Het ontwerpbesluit wordt conform de gebruikelijke procedure gedurende zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze termijn wordt eenieder in de gelegenheid gesteld om een zienswijze naar voren te brengen ten aanzien van de beoogde wijziging van het omgevingsplan en kunnen eventuele bedenkingen en bezwaren kenbaar worden gemaakt en (alsnog) worden meegewogen bij het besluit tot vaststelling van deze wijziging van het omgevingsplan.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-417675.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.