Gemeenteblad van Het Hogeland
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Het Hogeland | Gemeenteblad 2026, 364685 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Het Hogeland | Gemeenteblad 2026, 364685 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Deze publicatie bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst. Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
De publicatie wordt standaard getoond met verschilmarkering. Door te kiezen voor ‘Was’ of ‘Wordt’ kunt u de voormalige of vernieuwde tekst op zichzelf bekijken.
Toon versie van document
Dit document bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst.
Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
De gemeenteraad van Gemeente Het Hogeland
gelezen de tekstinhoud van ”Omgevingsplan gemeente Het Hogeland” d.d. PM
Overwegende dat:
Besluit;
"Omgevingsplan gemeente Het Hogeland" opgenomen in Bijlage A wordt vastgesteld.
Van de terinzagelegging, de termijn voor terinzagelegging en de mogelijkheid om te reageren wordt kennis gegeven in het gemeenteblad en lokale huis-aan-huisbladen.
A
Hoofdstuk 4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het 'beperkingengebied bovengrondse hoogspanningsverbinding' is aangewezen als beperkingengebied voor de bovengrondse hoogspanningsverbinding.
B
Artikel 22.18 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Degene die een bouwwerk gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten in, op of aan een bouwwerk overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door:
Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door:
Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik van bouwwerken, bedoeld in afdeling 6.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
C
Na hoofdstuk 22 worden vier hoofdstukken ingevoegd, luidende:
De regels in dit hoofdstuk gelden als aanvulling op de regels uit het tijdelijk deel van het Omgevingsplan gemeente Het Hogeland, zoals opgenomen in:
het inpassingsplan 'Agrarische bouwpercelen' (vastgesteld 31 januari 2018) met kenmerk NL.IMRO.9920.IPagrarischebouwpc-VA01;
het bestemmingsplan 'Buitengebied' (vastgesteld 17 februari 2010) met kenmerk NL.IMRO.1651.0711602-VG01;
het bestemmingsplan 'Herziening bestemmingsplan Buitengebied' (vastgesteld 15 oktober 2015) met kenmerk NL.IMRO.1651.BP01Buitengebied-0401;
het bestemmingsplan 'Facetregeling geitenhouderijen' (vastgesteld 28 oktober 2020) met kenmerk NL.IMRO.1966.BPHHLherzGh-VS01;
het bestemmingsplan 'Facetbestemmingsplan 'Harmonisatie Het Hogeland' (vastgesteld 28 april 2022) met kenmerk NL.IMRO.1966.harmonisatie-VS01;
het bestemmingsplan 'Facetbestemmingsplan Eemsmond gebouwd erfgoed' (vastgesteld 12 juli 2018) met kenmerk NL.IMRO.1651.26BPkarakteristiek-0401;
het bestemmingsplan 'Facetbestemmingsplan gebruiksregeling woonbestemmingen' (vastgesteld 11 april 2013) met kenmerk NL.IMRO.1651.BP23-0401; en
het bestemmingsplan 'Facetbestemmingsplan mini-windturbines' (vastgesteld 28 juni 2016) met kenmerk NL.IMRO.1651.01BPminiwind2016-0401.
De bouw- en gebruiksmogelijkheden, alsmede vergunningplichten voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden, geregeld in de besluiten zoals bedoeld in het eerste lid, blijven van toepassing indien en voor zover deze regels niet in strijd zijn met de regels zoals opgenomen in hoofdstuk 26.
De regels over vergunningvrij bouwen zoals opgenomen in artikel 22.27 en artikel 22.36, ten behoeve van andere functies die op grond van de besluiten als bedoeld in het eerste lid zijn toegestaan, zijn niet van toepassing.
Begripsbepalingen die zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op hoofdstuk 26.
In aanvulling op het bepaalde in het eerste lid gelden voor de toepassing van hoofdstuk 26 de volgende begripsbepalingen:
Artikel 26.3 Toepassingsbereik
Deze regels in deze subparagraaf zijn van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken voor een bovengrondse hoogspanningsverbinding ter plaatse van 'beperkingengebied bovengrondse hoogspanningsverbinding Oostpolder'.
Onder het gebruik voor een bovengrondse hoogspanningsverbinding wordt verstaan:
Artikel 26.4 Gebruik voor hoogspanningsverbinding - toegestaan
Het gebruik voor een bovengrondse hoogspanningsverbinding is toegestaan.
Bij de toepassing van afdeling 26.3 gelden de volgende meet- en rekenbepalingen:
Artikel 26.6 Toepassingsbereik
Deze regels in deze subparagraaf zijn van toepassing op het herbouwen van bouwwerken ter plaatse van 'beperkingengebied bovengrondse hoogspanningsverbinding Oostpolder'.
Onder herbouwen als bedoeld in deze subparagraaf wordt verstaan:
Artikel 26.7 Bouwwerk herbouwen - toegestaan
Het herbouwen van een bouwwerk is toegestaan als de oppervlakte en hoogte niet worden vergroot en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.
Artikel 26.8 Toepassingsbereik
Deze regels in deze subparagraaf zijn van toepassing op het bouwen van andere bouwwerken ter plaatse van 'beperkingengebied bovengrondse hoogspanningsverbinding Oostpolder'.
Artikel 26.9 Ander bouwwerk bouwen - beoordelingsregel
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 wordt verleend als:
het bouwwerk ten dienste van de bovengrondse hoogspanningsverbinding als bedoeld in artikel 26.4 wordt gebouwd;
in afwijking van het bepaalde in sub a. mag het bouwwerk ten dienste van een andere functie worden gebouwd die op grond van de besluiten als bedoeld in artikel 26.1, eerste lid is toegestaan, mits dit geen onevenredig negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de bovengrondse hoogspanningsverbinding;
de bouwhoogte van een hoogspanningsmast (waaronder mede begrepen jukken) niet meer bedraagt dan 70 m;
de bouwhoogte van een overig ander bouwwerk niet meer bedraagt dan 3 m;
de veldlengte tussen twee mastlocaties niet minder bedraagt dan 230 m en niet meer dan 400 m;
de bliksemdraden en de retourstroomgeleiders zijn voorzien van draadmarkeringen; en
geen gevoelige gebouwen zijn gelegen binnen de specifieke magneetveldzone als bedoeld in artikel 26.10.
Artikel 26.10 Ander bouwwerk bouwen - specifieke aanvraagvereisten
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
De regels in deze paragraaf zijn van toepassing op het uitvoeren van aanlegactiviteiten ter plaatse van 'beperkingengebied bovengrondse hoogspanningsverbinding Oostpolder'.
Onder het uitvoeren van aanlegactiviteiten wordt verstaan:
het uitvoeren van graafwerkzaamheden ten behoeve van de aanleg, het beheer en het onderhoud van de bovengrondse hoogspanningsverbinding als bedoeld in subparagraaf 26.2.1.1.
Degene die aanlegactiviteiten uitvoert als bedoeld in artikel 26.11, tweede lid, is verplicht de aardkundige waarden en verkavelingspatronen zo redelijkerwijs mogelijk in de oorspronkelijke staat terug te brengen.
De regels in deze paragraaf zijn van toepassing op het uitvoeren van aanlegactiviteiten ter plaatse van 'beperkingengebied bovengrondse hoogspanningsverbinding Oostpolder'.
Onder het uitvoeren van aanlegactiviteiten wordt verstaan:
het aanbrengen van hoogopgaande of diepwortelende beplanting en bomen;
het indrijven van voorwerpen in de bodem;
diepploegen;
het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
het verrichten van grondroeractiviteiten, anders dan normaal spit- en ploegwerk;
het uitvoeren van grondbewerkingen in de vorm van afgraven en ophogen; en
het aanleggen, verruimen of dempen van wateren.
Het uitvoeren van aanlegactiviteiten is toegestaan als deze:
verband houden met de aanleg van de bovengrondse hoogspanningsverbinding en de daarbij horende voorzieningen als bedoeld in subparagraaf 26.2.1.1;
betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer van de hoogspanningsverbinding als ook het normaal onderhoud en beheer hetgeen krachtens andere functies die op grond van de besluiten als bedoeld in artikel 26.1, eerste lid zijn toegestaan;
reeds in uitvoering zijn op het tijdstip dat de regels in dit hoofdstuk rechtskracht hebben gekregen en in overeenstemming zijn met de op dat moment geldende toepasselijke regelgeving dan wel mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning; of
graafwerkzaamheden betreffen als bedoeld in de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten.
De regels in deze paragraaf zijn van toepassing op het uitvoeren van aanlegactiviteiten ter plaatse van 'beperkingengebied bovengrondse hoogspanningsverbinding Oostpolder', tenzij paragraaf 26.4.2 van toepassing is.
Onder het uitvoeren van aanlegactiviteiten wordt verstaan:
het aanbrengen van hoogopgaande of diepwortelende beplanting en bomen;
het indrijven van voorwerpen in de bodem;
diepploegen;
het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
het verrichten van grondroeractiviteiten, anders dan normaal spit- en ploegwerk;
het uitvoeren van grondbewerkingen in de vorm van afgraven en ophogen; en
het aanleggen, verruimen of dempen van wateren.
Het uitvoeren van aanlegactiviteiten is verboden zonder omgevingsvergunning.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 26.16 wordt verleend als:
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 26.16 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
locatiegegevens (adres, kadastrale aanduiding, coördinaten, exacte locatie op het perceel);
omschrijving van de activiteit en doel/bedrijfssituatie;
omschrijving van de uit te voeren werkzaamheden en in te zetten materieel inclusief opstelplaatsen, maximale uitdraai en maximale werkhoogte t.o.v. NAP;
situatieschets;
gemaatvoerde detailtekeningen inclusief:
overzicht installaties/onderdelen en procesbeschrijving uit te voeren activiteiten; en
indien relevant: overzicht gebruikte/gevormde stoffen en hoeveelheden.
In aanvulling op het bepaalde in het eerste lid worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 26.16 de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
indien de aanvraag het wijzigen van het maaiveldniveau betreft (ontgronding of ophoging):
indien de aanvraag het indrijven van voorwerpen in de bodem betreft:
indien de aanvraag een overige grondactiviteit betreft:
indien de aanvraag het aanleggen, verruimen, vergraven of dempen van watergangen betreft:
indien de aanvraag het aanleggen van wegen en parkeergelegenheden en andere oppervlakteverhardingen betreft:
indien de aanvraag het aanbrengen of kappen van hoogopgaande beplanting betreft:
indien de aanvraag het aanbrengen of kappen van diepwortelende beplanting betreft:
Voordat door het college wordt besloten over de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26, wint het college schriftelijk advies in bij de betreffende netbeheerder omtrent de vraag of door de voorgenomen activiteit de belangen in verband met de hoogspanningsverbinding onevenredig worden geschaad.
Voordat door het college wordt besloten over de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 26.16, wint het college schriftelijk advies in bij de betreffende netbeheerder omtrent de vraag of door de voorgenomen activiteit de belangen in verband met de hoogspanningsverbinding onevenredig worden geschaad.
D
Het opschrift van hoofdstuk 23 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
E
Het opschrift van artikel 23.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
F
Na het lichaam wordt een bijlage ingevoegd, luidende:
/join/id/regdata/gm1966/2026/e18da867d00a421c92d552528b3a2038/nld@2026‑07‑27;15324775
/join/id/regdata/gm1966/2026/54087efc8f4e41bb9adea8eefaad71e4/nld@2026‑07‑27;15324775
Het voorliggende plan voorziet in de planologische inpassing van de verplaatsing van een deel van de bestaande 380 kV‑hoogspanningsverbinding tussen station Vierverlaten en station Eemshaven‑Oudeschip (tracé VVL380 - EOS380) en de inlussing hiervan op het nieuw te realiseren 380/110 kV‑hoogspanningsstation Eemshaven‑Oostpolderweg (EHO380/110). De planologische inpassing van 1 mast (116) vindt plaats door een wijziging van het omgevingsplan. Voor de andere 3 masten (117 t/m 119) wordt een besluit genomen tot gewijzigde vaststelling van het Provinciaal InpassingsPlan Bedrijventerrein Oostpolder (verder PIP). In paragraaf 1.2 wordt dit nader toegelicht.
In het kader van de gebiedsontwikkeling die mogelijk gemaakt wordt in het PIP is voorzien in een nieuw 380/110kV hoogspanningsstation, genaamd Oostpolderweg. Dit hoogspanningsstation gaat een belangrijke functie vervullen bij het verwerken van de stroom van zee, de netcongestie in de regio en de realisatie van bedrijven in het gebied Oostpolder. In de routekaart van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei (KGG) van 2024 is vanwege de significante groei van het offshore windvermogen en bijkomende netversterkingen in het Eemshavengebied de noodzaak van het station vastgelegd. Het nieuwe station EHO380/110 wordt daarom ontwikkeld om op termijn circa 8 GW aan vermogen op 380 kV‑niveau te kunnen aansluiten, aangevuld met een 110/20 kV‑onderstation van Enexis.
Voor het hoogspanningsstation is de meest oostelijk gelegen kavel in het ontwikkelingsgebied gereserveerd. Rekening houdend met de ontwerpeisen in het kader van veiligheid en de omliggende bestemmingen is bij het ontwerp van het station gebleken dat de bestaande 380kV verbinding EOS-VVL ten behoeve van de inlussing verlegd moet worden. De bestaande verbinding loopt voor een deel over de bouwlocatie van het hoogspanningsstation. Hierdoor kan de hoogspanningsverbinding niet op een veilige manier worden aangesloten (ingelusd) op het hoogspanningsstation. Er zijn diverse alternatieven in beeld gebracht om ruimte te vinden binnen het projectgebied voor het hoogspanningsstation die een veilige inlussing mogelijk zouden maken. Geen van de alternatieven bleek uitvoeringstechnisch, uit veiligheidsoogpunt en/of juridisch aanvaardbaar of haalbaar. Daarom is besloten dat de bestaande verbinding deels verplaatst moet worden om tot een veilige inlussing te komen.
Het nieuwe station is een uitbreiding van het bestaande stroomnet en is reeds opgenomen in het vastgestelde PIP, hetwelk reeds is in werking is getreden maar ten tijde van het starten van deze procedure voor de inlussing nog niet onherroepelijk is geworden. Om goed en veilig te kunnen inlussen op dit nieuwe station moet dus een deel van de bestaande hoogspanningsverbinding worden verplaatst. Voor het te verplaatsen lijndeel worden 4 nieuwe wintrackmasten geplaatst en de oude wintrackmasten verwijderd.
Voor de inpassing van het nieuwe station en de inlussing van de hoogspanningsverbinding is het daarom noodzakelijk om vier bestaande (dubbele) Wintrackmasten (nrs. 116 t/m 119) van de 380 kV verbinding te verplaatsen en een gewijzigde mastopstelling te realiseren. De nieuwe tracéfase ligt deels binnen het in werking getreden Provinciaal InpassingsPlan (PIP) Oostpolder en deels binnen het onherroepelijke bestemmingsplan ‘Buitengebied’. Beide plannen maken deel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van gemeente Het Hogeland. Omdat de huidige planologische kaders niet voorzien in de verplaatsing van deze verbinding, wordt voorliggend ontwerp wijziging opgesteld.
Het project (verlegging van de hoogspanningsverbinding) wordt uitgevoerd in samenhang met de gebiedsontwikkeling Oostpolder. Deze gebiedsontwikkeling omvat naast de lijnverlegging onder meer het bouwrijp maken van het stationsgebied, tijdelijke werkwegen, waterhuishoudkundige maatregelen en de landschappelijke inpassing van het toekomstige hoogspanningsstation. Bij de planvorming van de gebiedsontwikkeling en de het hoogspanningsstation zijn de relevante omgevingsaspecten zorgvuldig afgewogen, waaronder natuur, bodem, water, cultuurhistorie, veiligheid, geluid en magneetvelden. Voor deze wijziging van het omgevingsplan betreft dit alleen de plaatsing van 1 wintrackmast (mast 116) en een gedeelte van de hoogspanningslijn. Bij de planvorming zijn de relevante omgevingsaspecten zorgvuldig afgewogen, waaronder natuur, bodem, water, cultuurhistorie, veiligheid, geluid en magneetvelden. Deze ontwerp‑wijziging is opgesteld conform het Planologisch Traceringsuitgangspunten- en Locatie‑eisenkader van TenneT en sluit aan op de eisen van de Omgevingswet.
Met deze motivering wordt aangetoond dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). De voorgestelde verplaatsing van de 380 kV verbinding is stedenbouwkundig, technisch en milieu-hygiënisch verantwoord en vormt een noodzakelijke stap om een robuust en toekomstgericht energiesysteem te kunnen realiseren, waarmee het door de rijksoverheid geplande vermogen aan duurzame offshore windenergie ingekoppeld kan worden op het landelijke hoogspanningsnetwerk en de stroomvoorziening voor de Eemshavenregio en het achterland gewaarborgd kan worden.
Met de uitbreiding van het stroomnet en het oplossen van de netcongestie alsook het transport van duurzame energie van wind op zee is sprake van een groot nationaal maatschappelijk belang. Daarnaast is de realisatie van het bedrijventerrein Oostpolder van groot maatschappelijk belang vanuit de (verdere) ontwikkeling van de Eemshavenregio. Hiermee wordt voldaan aan de voorwaarden waaronder toepassing kan worden gegeven aan de procedure vastgelegd in artikel 5.55 Omgevingswet (projectprocedure). Met deze procedure wordt beoogd de vaststellingsprocedure voor de wijziging van het omgevingsplan te stroomlijnen met die van het wijzigingsbesluit van het PIP, wat wordt vastgesteld door Provinciale Staten (PS). Het toepassen van de procedure is op de correcte wijze kenbaar gemaakt in de gemeentelijke publicaties. Voorafgaand aan het opstarten van de procedure is een alternatieven afweging gemaakt. Er zijn met name uit oogpunt van landschap meerdere alternatieven bekeken maar deze zijn vanwege belemmeringen vanuit de huidige en toekomstige infrastructuur, technische uitvoering, veiligheid of landschap niet haalbaar of minder gewenst (landschap) gebleken. Het resultaat hiervan is opgenomen in Bijlage 1 Memo alternatieven.
De bevoegdheid om een planologisch besluit te nemen over dit plan is door het Ministerie van KGG overgedragen aan gemeente Het Hogeland. Het besluit is opgenomen als Bijlage 6 Besluit overdracht bevoegdheid.
Het projectgebied ligt in de Oostpolder, direct ten zuiden van de Eemshaven, binnen de gemeente Het Hogeland. Het gebied maakt deel uit van een grootschalig open polderlandschap met een rationele verkaveling en lange zichtlijnen. Door het projectgebied loopt de bestaande 380 kV‑hoogspanningsverbinding Vierverlaten – Eemshaven‑Oudeschip, waarvan in het kader van dit project een deel wordt verlegd en ingelust op het te realiseren hoogspanningsstation EHO380/110.
Het projectgebied bestaat uit twee juridisch gescheiden delen. Het grootste deel ligt in het oostelijk deel van de Oostpolder en wordt begrensd door de watergang de Groote Tjariet aan de noord- en westzijde, de provinciale weg N33 aan de oostzijde en de Dijkweg aan de zuidzijde. In dit gebied bevinden zich de Wintrackmasten 117, 118 en 119. Het projectgebied is aangeven met een rood kader in figuur 1. Het gebied heeft momenteel een agrarisch karakter, maar is in het Provinciaal Inpassingsplan (PIP) Oostpolder aangewezen als locatie voor het nieuwe hoogspanningsstation EHO380/110.
Ten zuiden van de Dijkweg bevindt zich Wintrackmast 116, die eveneens wordt verplaatst in het kader van de verlegging van de 380 kV verbinding. De globale ligging en begrenzing van dit projectgebied is met een zwart kader weergegeven in Figuur 1.
De wijziging van het omgevingsplan ziet alleen op het deel van het projectgebied dat met het zwarte kader is aangeven. Dit gebied wordt verder aangeduid met plangebied. Voor het met het rode kader aangeduide projectgebied wordt in het kader van het PIP een wijzigingsbesluit ex artikel 6:19 Algemene wet bestuursrecht (Awb) vastgesteld.
Het project omvat tevens het amoveren van de bestaande masten. Voor het onderhavige plangebied geldt dat dit alleen betrekking heeft op de nieuwe locatie. Op de huidige locatie zal de vigerende planologische mogelijkheid voor de huidige hoogspanningsverbinding komen te vervallen. Hiervoor zal in het kader van het omgevingsplan onder de Omgevingswet het werkingsgebied agrarisch van toepassing worden verklaard. De regels voor dit werkingsgebied zijn nog niet gereed. Om te borgen dat de bestaande masten wel worden geamoveerd worden afspraken gemaakt met TenneT. De masten kunnen pas worden geamoveerd als de nieuwe verbinding operationeel is.
Op het plangebied (in figuur 1 globaal aangeduid met het zwarte kader) zijn meerdere planologische regelingen en besluiten van toepassing, die gezamenlijk het geldende juridisch‑planologische kader vormen.
Omgevingsplan Het Hogeland (tijdelijk deel)
Voor het plangebied geldt het tijdelijk deel van het omgevingsplan Het Hogeland, vastgesteld op 20 januari 2025. Het omgevingsplan bevat de ‘bruidsschat’ en diverse bestemmingsplannen). De Bruidsschat is de set met tijdelijke regels in het kader van overgangsregeling van de Wet ruimtelijke ordening naar de Omgevingswet voor onderwerpen die van rijksniveau en landelijke regels naar gemeentelijk niveau en lokale regels zijn verschoven.
Omgevingsplan Het Hogeland (tijdelijk deel -Bestemmingsplan Buitengebied)
Voor het plangebied, waarin Wintrackmast 115 en 116 is gelegen, geldt het bestemmingsplan Buitengebied van de gemeente Het Hogeland, dat onderdeel uitmaakt van het tijdelijk deel van het omgevingsplan.
Binnen dit bestemmingsplan hebben de gronden hoofdzakelijk een agrarische bestemming, zie figuur 2. Daarnaast komen ook bestemmingen zoals o.a. wonen, verkeer en water voor. Het deel van het plangebied heeft een agrarische bestemming. Het bestemmingsplan voorziet niet in een specifieke bestemming of aanduiding voor bovengrondse hoogspanningsverbindingen of het plaatsen van masten. De verlegging van de 380 kV‑hoogspanningsverbinding is binnen dit bestemmingsplan niet rechtstreeks toegestaan.
Omgevingsplan Het Hogeland (tijdelijk deel -Herziening bestemmingsplan Buitengebied (15 oktober 2015))
Het bestemmingsplan Buitengebied uit 2010 is in 2015 herzien. In dit herziene plan is in de omgeving van het plangebied een dubbelbestemming Waarde - Archeologie 4 toegevoegd, zie figuur 3.
Omgevingsplan Het Hogeland (tijdelijk deel -Rijksinpassingsplan Noord‑West 380 kV EOS-VVL)
Aan de oostzijde van de Oostpolder ligt het tracé van de bestaande bovengrondse 380 kV‑hoogspanningsverbinding Vierverlaten – Eemshaven‑Oudeschip, waarvoor het Rijksinpassingsplan (RIP) Noord‑West 380 kV EOS–VVL van toepassing is. In dit plan is voor het tracé en de bijbehorende belemmeringenstrook een dubbelbestemming opgenomen, evenals maatvoering voor de maximale bouwhoogte van masten. Dit Rijksinpassingsplan borgt de bestaande verbinding, maar voorziet niet in de beoogde verlegging.
Overige regelingen
Naast bovenstaande plannen zijn op het plangebied diverse facetregelingen van toepassing, onder meer op het gebied van gebouwd erfgoed en gebruiksregels, zie figuur 4. Deze regelingen blijven in het tijdelijk omgevingsplan van kracht, maar zijn niet rechtstreeks bepalend voor de planologische beoordeling van de verlegging van de hoogspanningsverbinding.
Facetbestemmingsplan Eemsmond gebouwd erfgoed.(12 juli 2018)
Dubbelbestemming Waarde ruimtelijke kwaliteit
In de directe omgeving bevinden zich enkele aangewezen karakteristieke gebieden en karakteristieke boerderijen, zie figuur 5. De nieuw te realiseren verbinding doorkruist niet de gebieden met de dubbelbestemming. Gelet hierop vormt het facetbestemmingsplan geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Een beschrijving van eventuele effecten van de verlegging van het tracé op de beschermde gebieden gelet op artikel 5.130 Bkl is opgenomen in hoofdstuk 4.
Conclusie planologische regeling
De verlegging van de 380 kV‑hoogspanningsverbinding past niet binnen de geldende planologische regelingen. De ontwikkeling is niet rechtstreeks toegestaan. Voor het mogelijk maken van de verlegging is daarom een wijziging van het omgevingsplan noodzakelijk.
In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de huidige en de gewenste situatie van het plangebied. Hoofdstuk 3 geeft het rijksbeleid, het provinciaal beleid en het gemeentelijk beleid weer en de relevante instructieregels van Rijk en provincie. In dit hoofdstuk wordt ook verder ingegaan op de huidige planologische regeling. Hoofdstuk 4 geeft een overzicht van alle omgevingsaspecten die in- en rond het plangebied spelen. In hoofdstuk 5 is de uitvoerbaarheid van de plannen uitgewerkt. Ten slotte wordt in hoofdstuk 6 afgesloten met een samenvatting en conclusie.
In de huidige situatie bestaat het plangebied hoofdzakelijk uit agrarisch gebruikte gronden binnen de Oostpolder. Het landschap wordt gekenmerkt door een open polderstructuur met een rationele verkaveling, lange zichtlijnen en een beperkt aantal infrastructuurelementen. Het gebied wordt doorsneden door watergangen, waaronder de Groote Tjariet en de Kleine Tjariet, en wordt ontsloten via onder meer de Dijkweg en de nabijgelegen N33.
Het plangebied betreft de directe omgeving rondom de bestaande 380 kV‑hoogspanningsverbinding Vierverlaten – Eemshaven‑Oudeschip, uitgevoerd met Wintrackmasten. De werkzaamheden richten zich op de masten 116, 117, 118 en 119. Deze masten maken onderdeel uit van de bestaande energie‑infrastructuur en bepalen in belangrijke mate het huidige ruimtelijke beeld.
In de directe omgeving zijn daarnaast windturbines van Windpark Oostpolder aanwezig, alsmede bijbehorende voorzieningen zoals toegangswegen en opstelplaatsen.
Binnen het plangebied zijn geen woonfuncties aanwezig. De dichtstbijzijnde woningen liggen op ruime afstand van de bestaande mastlocaties. De huidige verbinding ligt op ca 150 meter van de woning gelegen aan de Oostpolderweg 27. Ten opzichte van de huidige situatie verschuift een deel van de lijn iets in noordwestelijke richting. Dit betekent dat de afstand tot Oostpolderweg 27 met ca 60 meter toeneemt tot ca 210 meter. De afstand tot Dijkweg 1, de meest nabij gelegen woning ten noordwesten, wordt hiermee ca 60 meter minder en zal nog altijd zo’n 500 meter bedragen. Voor de enige boerderij/woning (Dijkweg 2) die dichter bij de lijn is gesitueerd geldt dat deze is gelegen in het PIP-plangebied en daarin geen woonbestemming meer heeft maar een bedrijfsbestemming heeft gekregen. De overige bebouwing binnen het plangebied beperkt zich verder tot infrastructurele voorzieningen en waterstaatkundige elementen.
Ten noorden van de Dijkweg, in de gebiedsontwikkeling Oostpolder, is een groot hoogspanningsstation voorzien. De hoogspanningsverbinding moet worden aangesloten op dit hoogspanningsstation, het zogenoemde inlussen. Om het nieuwe hoogspanningsstation inclusief inlussing te kunnen realiseren moet de hoogspanningsverbinding deels worden verplaatst naar het westen.
Opbouw 380 kV-verbinding
Net als bij de bestaande hoogspanningsverbinding Noord‑West 380 kV EOS-VVL wordt voor de verlegging van de verbinding gebruikgemaakt van het Wintrackmast‑type (zie figuur 6). Dit masttype is reeds aanwezig in het projectgebied en vormt daarmee een herkenbaar en consistent onderdeel van de bestaande energie‑infrastructuur. Door bij de verlegging hetzelfde masttype toe te passen, blijft het ruimtelijk beeld van de verbinding herkenbaar en samenhangend.
De Wintrackmast is ontwikkeld in opdracht van TenneT en ontworpen met het oog op zowel technische prestaties als ruimtelijke inpassing. Door het transport van elektriciteit ontstaat rondom een hoogspanningsverbinding een magnetisch veld. De Wintrackmast is zodanig ontworpen dat de magneetveldzone compact blijft en dat de landschappelijke impact kleiner is dan bij conventionele vakwerkmasten.
Voor het transport van elektriciteit wordt gebruik gemaakt van drie fasen-spanning. Voor iedere fase is één (bundel)geleider nodig; drie (bundel)geleiders samen vormen één circuit. De verlegde verbinding bestaat uit twee circuits van 380 kV (2×380 kV) en twee circuits van 110kV (2x110kV). Een Wintrackmast bestaat uit twee conische palen, waarbij aan elke paal twee circuits zijn opgehangen. Aan de palen zijn isolatoren bevestigd waaraan de geleiders zijn opgehangen. Boven de circuits zijn één of twee dunnere draden aangebracht die dienen als bliksemdraden, waarmee de energie van blikseminslagen wordt afgevoerd. Onder de laagste geleider is een extra draad aanwezig, de retourstroomdraad.
Esthetisch concept
Het ontwerp van de Wintrackmast is een technisch geoptimaliseerd model waarin functionaliteit en ruimtelijke kwaliteit zijn gecombineerd. De mast heeft een slanke, rondconische vorm, een rustige en neutrale kleurstelling in grijstinten en een minimum aan visuele details. Hierdoor wordt de aanwezigheid van de mast in het landschap zo terughoudend mogelijk vormgegeven. Dit esthetische uitgangspunt blijft ook bij de verlegging van de verbinding leidend.
De exacte technische uitvoering van de masten (beton, staal of een combinatie daarvan) is in dit stadium nog niet vastgelegd. De planologische besluitvorming en de daaropvolgende vergunningverlening bieden ruimte om deze keuze in een later stadium te maken. De uiteindelijke uitvoering wordt voorafgaand aan de realisatie afgestemd met het bevoegd gezag. Bij de beoordeling van de omgevingsvergunning wordt aangesloten bij de geldende welstands‑ en beeldkwaliteitscriteria.
Masttypen
Afhankelijk van de ligging binnen het tracé worden verschillende typen Wintrackmasten toegepast:
Steunmasten op rechte tracédelen en bij beperkte richtingsveranderingen;
Hoekmasten op locaties waar grotere richtingsveranderingen nodig zijn;
Trekmasten die met tussenpozen worden toegepast om de mechanische spanning in de geleiders te beheersen.
De keuze voor het type mast hangt samen met de ligging en functie binnen het tracé. De uiterlijke verschijningsvorm blijft daarbij consistent met het bestaande Wintrackontwerp.
Maatvoering
De onderlinge afstand tussen masten en de masthoogte worden bepaald door technische randvoorwaarden en de situering in de omgeving. Voor de bestaande verbinding zijn deze uitgangspunten reeds vastgesteld en vormen zij het referentiekader voor de verlegging. In het omgevingsplan zal een maatvoering worden opgenomen. Waar de omgeving daartoe aanleiding geeft, bijvoorbeeld bij kruisingen met infrastructuur of watergangen, kan de maatvoering lokaal worden aangepast. Deze afwegingen maken onderdeel uit van de verdere uitwerking en vergunningverlening. De maximale hoogte, gemeten vanaf maaiveld, van de masten zal 70 meter bedragen. Dit wordt in de regels vastgelegd.
De beoogde situatie betreft de verlegging en inlussing van een bestaande 380 kV‑hoogspanningsverbinding ten behoeve van het nieuwe hoogspanningsstation Eemshaven‑Oostpolderweg 380/110 kV (EHO380/110). De bestaande verbinding Vierverlaten-Eemshaven‑Oudeschip blijft in functie, maar wordt lokaal aangepast om een aansluiting op het nieuwe station mogelijk te maken.
In het kader van deze verlegging worden eerst de nieuwe mastposities gerealiseerd en aangesloten, waarna de verbinding wordt omgelegd naar deze nieuwe masten. Nadat de nieuwe verbinding volledig operationeel is, worden de bestaande Wintrackmasten 116, 117, 118 en 119 gefaseerd verwijderd, zodat er geen periode ontstaat waarin zowel de bestaande als de nieuwe masten gelijktijdig in gebruik zijn.
De nieuwe masten worden zodanig gepositioneerd dat de verbinding technisch en ruimtelijk aansluit op het nieuwe hoogspanningsstation en past binnen de toekomstige inrichting van de Oostpolder als energie‑ en industriegebied.
Het grootste deel van de beoogde ontwikkeling vindt plaats binnen het gebied waarvoor het Provinciaal Inpassingsplan PIP Oostpolder is vastgesteld. Dit gebied krijgt in de toekomstige situatie een overwegend energie‑ en industrieel karakter, waarin grootschalige energie‑infrastructuur een bepalend ruimtelijk element vormt. De beoogde verlegging van de hoogspanningsverbinding sluit aan bij deze ontwikkeling.
Ten zuiden van de Dijkweg wordt ook mast 116 verplaatst. Deze mast ligt niet in het plangebied van de PIP Oostpolder, maar wordt functioneel opgenomen in de aangepaste lijnvoering van de hoogspanningsverbinding.
De beoogde situatie leidt niet tot de toevoeging van nieuwe woon‑ of andere gevoelige functies. Het gebruik van de gronden blijft grotendeels ongewijzigd, met dien verstande dat de bestaande energie‑infrastructuur wordt aangepast en toekomstbestendig gemaakt. De verlegging van de hoogspanningsverbinding vormt daarmee een onderdeel van de bredere ontwikkeling van de Oostpolder als energie‑infrastructuurknooppunt.
Bij de landschappelijke inpassing van de verlegging van de 380 kV‑hoogspanningsverbinding en de aansluiting op hoogspanningsstation EHO380/110 is nadrukkelijk rekening gehouden met de karakteristieken en waarden van het landschap van de Oostpolder. De Oostpolder wordt gekenmerkt door weidsheid, een rationele verkavelingsstructuur en de aanwezigheid van historische dijken en waterlopen, waaronder de Groote Tjariet).
Binnen de Oostpolder zijn diverse karakteristieke gebieden en gebouwen aanwezig die op grond van het geldende planologische kader zijn aangemerkt als waardevol (zie Figuur 3). Deze waarden zijn vastgelegd in het bestemmingsplan via een regeling voor ruimtelijke kwaliteit en cultuurhistorische waarden. De verlegging van de 380 kV‑hoogspanningsverbinding vindt echter niet in de directe nabijheid van deze karakteristieke gebieden en gebouwen plaats. Gelet op de afstand en de aard van de ingreep worden deze waarden niet aangetast. De ontwikkeling sluit daarmee aan bij de uitgangspunten van het bestemmingsplan voor waardevolle gebieden en vormt geen belemmering vanuit cultuurhistorisch en ruimtelijk‑kwalitatief oogpunt.
De algemene rijksregels voor de fysieke leefomgeving staan in de Omgevingswet, de vier algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s) bij de Omgevingswet en de Omgevingsregeling. De Omgevingswet (Ow) bundelt en moderniseert de 26 wetten die tot 1 januari 2024 gingen over de leefomgeving. Het gaat om wet- en regelgeving over onder andere bouwen, milieu, water, bodem, gezondheid, ruimtelijke ordening en natuur. De wet beoogt te zorgen voor een meer samenhangende aanpak van activiteiten die gevolgen hebben voor de fysieke leefomgeving. De wet trad op 1 januari 2024 in werking.
De vier AMvB’s bij de Omgevingswet zijn:
het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Hierin staan de algemene regels voor verschillende activiteiten.
het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Hierin staan de algemene regels speciaal gericht op het bouwen, verbouwen, in stand houden, gebruiken en slopen van bouwwerken.
het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Hierin staan algemene regels die zich richten op overheden.
het Omgevingsbesluit. Hierin staan algemene regels over procedures.
In de Omgevingsregeling staan technische regels waarmee rekening moet worden gehouden bij de toe- passing van de hierboven genoemde AMvB's.
In hoofdstuk 5 van het Bkl is een groot aantal instructieregels opgenomen. Aan deze instructieregels moet worden voldaan. De meest relevante instructieregel betreft de regels voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit betreft onder meer:
Het waarborgen van de veiligheid;
Het beschermen van de waterbelangen;
Het beschermen van de gezondheid en van het milieu;
Het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed;
Het behoud van ruimte voor toekomstige functies;
Het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen.
De voor deze aanvraag relevante instructieregels zijn nader uitgewerkt in Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten. Daarnaast zijn er instructieregels die van toepassing zijn afhankelijk van het project en/of de locatie. Deze komen, wanneer relevant, ook aan de orde.
In de Omgevingsregeling staan technische regels waarmee rekening moet worden gehouden bij de toepassing van de hierboven genoemde AMvB's.
De relevante Minister kan naast bovenstaande instructieregels (in overeenstemming met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en artikel 2.3, derde lid Ow), op grond van artikel 2.34 Ow een instructie geven aan het provinciebestuur, het gemeentebestuur of het waterschapsbestuur over de uitoefening van een taak of bevoegdheid. Een dergelijke instructie kan (voor zover relevant voor de voorgenomen ontwikkeling) alleen worden gegeven aan:
provinciale staten over het stellen van regels in een omgevingsverordening als bedoeld in artikel 2.22 of 4.1, eerste lid, als dat nodig is met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties;
de gemeenteraad over het stellen van regels in een omgevingsplan als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, als dat nodig is met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Voor zover bekend en kan worden overzien zijn er geen instructies als hiervoor bedoeld gegeven.
Conclusie
Het onderhavige deel-omgevingsplan is in overeenstemming met de relevante instructieregels. De inhoudelijke toets aan de instructieregels is in hoofdstuk 4 opgenomen.
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland.
Er gelden vier prioriteiten:
Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie: Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering, zoals zeespiegelstijging, hogere rivierafvoeren, wateroverlast en langere perioden van droogte. Nederland is in 2050 klimaatbestendig en water robuust.
Duurzaam economisch groeipotentieel: Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050.
Sterke en gezonde steden en regio’s: Er zijn vooral in steden en stedelijke regio’s nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio’s behouden blijven.
Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied: Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw. Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water.
De NOVI maakt bij het maken van keuzes gebruik van drie afwegingsprincipes:
Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd;
Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere;
Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.
De Nota Ruimte vervangt na vaststelling de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en vormt het nieuwe kader voor langetermijnplanning, met een horizon die zelfs doorloopt tot 2100. Het ontwerp van de Nota-Ruimte is in september 2025 gepubliceerd, maar nog niet vastgesteld. De nota werkt vanuit vier integrale hoofdthema’s: wonen, werken en bereikbaarheid; economie en energie; landbouw en natuur; en water en bodem. Daarbij geldt het uitgangspunt “elke regio telt”: alle regio’s dragen bij aan de nationale opgaven, waarbij wordt gestreefd naar een eerlijke verdeling van lusten en lasten. Het College van Rijksadviseurs benadrukt dat de drie kernprincipes alleen effectief zijn wanneer ze samenhangend worden toegepast binnen een helder ruimtelijk afwegingskader.
De Ontwerp-Nota Ruimte schetst hoe Nederland tot 2050 wordt ingericht en doet dat aan de hand van drie centrale principes. Ten eerste staat meervoudig ruimtegebruik voorop: omdat ruimte schaars is, moeten functies zoals wonen, werken, energieopwekking en natuur zoveel mogelijk worden gecombineerd. Daarnaast worden gebiedskenmerken leidend, wat betekent dat ruimtelijke keuzes aansluiten bij de unieke kwaliteiten, identiteit en fysieke kenmerken van elke regio. Het derde principe is het voorkomen van afwenteling: beslissingen van nu mogen geen problemen veroorzaken voor toekomstige generaties of andere gebieden, bijvoorbeeld op het gebied van waterveiligheid of milieu.
Het Programma Energiehoofdstructuur (PEH) laat zien welke nieuwe nationale energie-infrastructuur nodig is richting 2050 en waar deze slim geplaatst kunnen worden. Hiermee kunnen er eerder afspraken worden gemaakt over ruimte met gemeenten, provincies, havenbedrijven en netbeheerders. Ook geeft het PEH nationale kaders om zorgvuldig om te gaan met de ruimte en met respect voor de natuur, cultureel erfgoed, en leefbaarheid. Daarmee draagt het PEH bij aan de missie van een klimaatneutraal energiesysteem in 2050.
De omgevingsvisie van Groningen is een strategisch beleidsdocument waarin de provincie haar visie op de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving vastlegt voor de middellange en lange termijn. De omgevingsvisie geeft de provinciale ruimtelijke kaders voor onder meer economie, energie, infrastructuur, landschap en leefkwaliteit. In de omgevingsvisie zet de provincie Groningen nadrukkelijk in op de energietransitie en de versterking van de bijbehorende energie‑infrastructuur. Daarbij wordt het Eemshavengebied, inclusief de Oostpolder, aangemerkt als een kerngebied voor grootschalige energie‑ en industriële ontwikkelingen. De provincie onderkent dat de grootschalige opwek van duurzame energie – met name offshore wind – vraagt om een robuust en toekomstbestendig hoogspanningsnet en dat aanpassingen aan bestaande verbindingen hiervoor noodzakelijk zijn.
Voor de onderhavige planlocatie zijn met name de volgende beleidsuitgangspunten uit de omgevingsvisie relevant:
het faciliteren van grootschalige energie‑infrastructuur op daarvoor geschikte locaties;
het versterken van de nationale en regionale energievoorziening;
het concentreren van zware infrastructuur binnen bestaande energie‑ en industriegebieden;
het zorgvuldig inpassen van infrastructuur binnen het landschap, passend bij de schaal en functie van het gebied.
De voorgenomen verlegging en inlussing van de bestaande 380 kV‑hoogspanningsverbinding Vierverlaten–Eemshaven‑Oudeschip ten behoeve van het nieuwe hoogspanningsstation EHO380/110 draagt rechtstreeks bij aan deze provinciale doelstellingen. De ingreep is noodzakelijk om de energie‑infrastructuur toekomstbestendig te maken en vindt plaats binnen een gebied dat reeds is aangewezen voor en wordt ontwikkeld als grootschalig energie‑ en industriegebied.
Geconcludeerd wordt dat het initiatief in lijn is met de Omgevingsvisie Groningen.
De Omgevingsverordening provincie Groningen geeft nadere juridische invulling aan het ruimtelijk beleid zoals opgenomen in de omgevingsvisie. In de verordening zijn de provinciale belangen vastgelegd die doorwerken in gemeentelijke besluitvorming onder de Omgevingswet.
Voor onderhavig project zijn met name de bepalingen relevant die zien op:
infrastructuur en energievoorziening;
veiligheid, gezondheid en milieu;
landschappelijke kwaliteit;
water en bodem.
De omgevingsverordening heeft als doel het behoeden van de staat en werking van infrastructuur voor nadelige gevolgen van activiteiten en het mogelijk maken van een doelmatig beheer en uitbreiding van infrastructurele netwerken. Hoogspanningsverbindingen en elektriciteitsstations worden hierbij aangemerkt als infrastructuur van provinciaal en bovenregionaal belang.
De voorgenomen verlegging betreft een aanpassing van een bestaande bovengrondse hoogspanningsverbinding en is functioneel noodzakelijk voor de realisatie van het nieuwe hoogspanningsstation EHO380/110. De omgevingsverordening bevat geen verboden of beperkende instructieregels die deze ontwikkeling uitsluiten. Integendeel, de ingreep past binnen het provinciaal belang van een betrouwbare, veilige en toekomstbestendige energievoorziening.
De omgevingsvisie van de gemeente Het Hogeland beschrijft hoe de gemeente haar fysieke leefomgeving op de lange termijn wil ontwikkelen. De visie heeft betrekking op alle onderdelen van de leefomgeving, waaronder water, bodem, lucht, natuur, infrastructuur, bedrijvigheid, energie en de gebouwde omgeving. De omgevingsvisie geeft richting aan beleidskeuzes op het gebied van wonen, werken, mobiliteit, duurzaamheid, gezondheid en leefkwaliteit.
De omgevingsvisie van Het Hogeland is vastgesteld door de gemeenteraad en vormt het strategisch kader voor toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen. Bij het opstellen van de visie zijn inwoners, ondernemers, maatschappelijke organisaties, deskundigen en ketenpartners betrokken. De visie is daarmee gebaseerd op zowel bestaand beleid als op brede participatie en vormt een gezamenlijk toekomstbeeld voor de gemeente.
In de omgevingsvisie wordt de Eemshaven en de aangrenzende Oostpolder aangemerkt als strategische gebieden voor grootschalige energie‑ en infrastructuurontwikkeling. De gemeente erkent de rol van deze gebieden in de energietransitie en biedt hier ruimte aan energie‑infrastructuur, industrie en logistiek, met als doel deze functies te concentreren en elders binnen de gemeente de leefkwaliteit en landschappelijke waarden te beschermen.
De Omgevingswet verplicht gemeenten hun omgevingsvisie uit te werken in het omgevingsplan. De omgevingsvisie vormt daarbij het toetsingskader om te beoordelen of nieuwe initiatieven passen binnen het gewenste toekomstbeeld. De verlegging van de 380 kV‑hoogspanningsverbinding ten behoeve van het nieuwe hoogspanningsstation EHO380/110 draagt bij aan de versterking van de energie‑infrastructuur en past binnen de gemeentelijke ambitie om de Oostpolder te ontwikkelen als energie‑ en industriegebied. Het initiatief is daarmee in overeenstemming met de uitgangspunten van de Omgevingsvisie gemeente Het Hogeland.
Voor het plangebied geldt het tijdelijk deel van het omgevingsplan dat van rechtswege van kracht is sinds de invoering van de Omgevingswet. Het tijdelijk deel bestaat onder andere uit de onder de Wet ruimtelijke ordening vastgestelde bestemmingsplannen en de bruidsschat. Het tijdelijke omgevingsplan moet worden omgezet naar één gemeentelijk omgevingsplan waarin alle bindende regels met betrekking tot de fysieke leefomgeving worden opgenomen. Omdat dit omgevingsplan nog niet gereed is, wordt voor dit project een transitiehoofdstuk ingepast in het omgevingsplan.
De gemeente Het Hogeland beschikt over een vastgestelde Welstandsnota die van toepassing is op het gehele gemeentelijke grondgebied. Het plangebied is gelegen binnen welstandsgebied 4: het Buitengebied, waarin het behoud en de zorgvuldige doorontwikkeling van de landschappelijke en ruimtelijke structuur centraal staan.
Het plan voorziet in het plaatsen van dezelfde Wintrackmasten als de huidige verbinding. Voor de welstandstoets zal in het kader van de verlening van de omgevingsvergunning voor het bouwen van de masten een esthetisch concept opgesteld waarin de beeldkwaliteitsaspecten zijn vastgelegd.
Het plangebied ligt binnen het beheergebied van Waterschap Noorderzijlvest. Het beleid van het waterschap is vastgelegd in de Waterschapsverordening Noorderzijlvest 2023 (zoals gewijzigd) en het Waterbeheerprogramma 2022–2027. Deze documenten geven uitvoering aan de taken van het waterschap op grond van de Omgevingswet en richten zich op een veilig, robuust en toekomstbestendig watersysteem.
In het Waterbeheerprogramma 2022–2027 staan onder meer de doelen voor waterveiligheid, waterkwantiteit, waterkwaliteit en klimaatadaptatie centraal. Daarbij geldt het uitgangspunt dat ruimtelijke ontwikkelingen geen negatieve effecten mogen hebben op het functioneren van het watersysteem en dat waterbelangen vroegtijdig en volwaardig worden meegewogen in de planvorming. Behoud van bestaande watergangen, voldoende ruimte voor afvoer en berging en het niet belemmeren van beheer en onderhoud vormen daarbij belangrijke randvoorwaarden.
De Waterschapsverordening werkt deze beleidsdoelen juridisch uit en bevat een specifieke zorgplicht. Deze zorgplicht houdt onder meer in dat de doorstroming van oppervlaktewater wordt geborgd, dat verslechtering van de fysisch‑chemische en ecologische waterkwaliteit wordt voorkomen en dat werkzaamheden het beheer en onderhoud van watergangen en kunstwerken niet belemmeren.
De verlegging van de 380 kV‑hoogspanningsverbinding vindt plaats in een gebied met bestaande watergangen, waaronder de De verlegging van de 380 kV‑hoogspanningsverbinding vindt plaats in een gebied met bestaande watergangen, waaronder de Groote Tjariet en de Kleine Tjariet, die onderdeel uitmaken van het regionale watersysteem. In het ontwerp is expliciet rekening gehouden met de ligging van watergangen en bijbehorende beschermingszones. De nieuwe situatie heeft geen raakvlakken met watergangen of beschermingszones en leidt niet tot ingrepen in het watersysteem. Het waterbelang is daarmee voldoende geborgd en de ontwikkeling past binnen de beleidsdoelen van het Waterbeheerprogramma van Waterschap Noorderzijlvest.
Gelet op het Waterbeheerprogramma 2022–2027, de Waterschapsverordening en de wijze waarop het waterbelang in de planvorming is betrokken, past het initiatief binnen het beleid van Waterschap Noorderzijlvest en vormt het waterbelang geen belemmering voor de planologische besluitvorming.
Conclusie
De verlegging en inlussing van de 380 kV‑hoogspanningsverbinding heeft geen invloed op het watersysteem en past binnen het rijks‑, provinciale en gemeentelijke beleid voor energietransitie en de ontwikkeling van de Oostpolder als energie‑ en industriegebied. De ontwikkeling wijkt echter af van het geldende tijdelijke omgevingsplan, waarin de benodigde dubbelbestemming ‘hoogspanning’, tracéligging en bouwhoogten niet zijn opgenomen. Ook het vastgestelde PIP Oostpolder is nog niet onherroepelijk. Een planologisch besluit is noodzakelijk om deze afwijking te ondervangen; beleidsmatig bestaan hiervoor geen belemmeringen.
Voor de voorgenomen verlegging en inlussing van de 380 kV‑hoogspanningsverbinding ten behoeve van hoogspanningsstation EHO380/110 is beoordeeld of het project MER‑plichtig of MER‑beoordelingsplichtig is op grond van het Omgevingsbesluit. De activiteit kwalificeert als een wijziging van een bovengrondse hoogspanningsverbinding met een spanningsniveau van 220 kV of meer en valt daarmee onder categorie J8 van Bijlage V van het Omgevingsbesluit, waarvoor een MER‑beoordeling is vereist.
Op grond van de aard en locatie van het project is sprake van een mer-beoordelingsplicht. Er dient daarom een mer-beoordelingsprocedure te worden doorlopen om te beoordelen of het opstellen van een MER noodzakelijk is.
Conclusie: Er dient een mer-beoordelingsnotitie opgesteld te worden.
In het kader van deze Mer‑beoordeling (Zie Bijlage 2 Mer-beoordeling) is onderzocht of het project kan leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Daartoe zijn de relevante milieu‑ en omgevingsaspecten systematisch beschouwd, waaronder onder meer natuur, water, bodem, geluid, externe veiligheid, landschap, archeologie en magneetvelden.
Op basis van de uitgevoerde onderzoeken en beoordelingen is vastgesteld dat geen sprake is van significante milieueffecten die het opstellen van een volledige milieueffectrapportage noodzakelijk maken. De Mer‑beoordeling vormt daarmee een integraal onderdeel van de planologische besluitvorming voor het project. Het college heeft op basis van de Mer-beoordeling besloten dat geen m.e.r.-procedure nodig is. Het besluit is opgenomen in Bijlage 7 Mer-beoordelingsbesluit.
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het initiatief getoetst aan de VNG‑publicatie Handreiking bedrijven en milieuzonering. Deze handreiking biedt een systematiek om milieuhinder tussen functies te voorkomen door middel van richtafstanden, gebaseerd op de aspecten geluid, geur, stof en externe veiligheid. De milieucategorie van een activiteit wordt bepaald op basis van de maatgevende richtafstand. De VNG‑publicatie wordt in de planologische praktijk algemeen toegepast en heeft door vaste jurisprudentie een zwaarwegend beoordelingskader, waarvan slechts gemotiveerd kan worden afgeweken.
Het project betreft de verlegging van een bestaande bovengrondse 380 kV‑hoogspanningsverbinding ten behoeve van de aansluiting op een nieuw hoogspanningsstation. Hoogspanningsinfrastructuur wordt in de VNG‑systematiek niet als regulier bedrijf aangemerkt, maar als nutsvoorziening van bovenregionaal belang. De relevante milieueffecten, zoals geluid, externe veiligheid en magneetvelden, zijn afzonderlijk onderzocht en beoordeeld in het kader van de voorliggende planologische onderbouwing ten behoeve van het te nemen planologische besluit en leiden niet tot beperkingen voor omliggende functies.
Binnen het plangebied vindt uitsluitend agrarisch gebruik plaats. In de omgeving van het plangebied zijn woningen, agrarische bedrijven en infrastructurele voorzieningen aanwezig. De dichtstbijzijnde woningen liggen op ruime afstand van de bestaande mastlocaties. De huidige verbinding ligt op ca 150 meter van de woning gelegen aan de Oostpolderweg 27. Ten opzichte van de huidige situatie verschuift een deel van de lijn iets in noordwestelijke richting. Dit betekent dat de afstand tot Oostpolderweg 27 met ca 60 meter toeneemt tot ca 210 meter. De afstand tot Dijkweg 1, de meest nabij gelegen woning ten noordwesten, wordt hiermee ca 60 meter minder en zal nog altijd zo’n 500 meter bedragen. De afstand tot het dorp Oudeschip bedraagt ca. 1 kilometer. De gewijzigde hoogspanningsverbinding heeft geen invloed op de gebruiksfuncties in de omgeving van het plangebied. Het gebied ten noorden van het plangebied is een gebied in transitie naar grootschalige energie‑ en industrieontwikkeling. De gewijzigde verbinding is noodzakelijk voor deze ontwikkeling. Daarmee wordt voldaan aan het uitgangspunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Aangezien de planologische wijziging geen nieuwe bedrijven mogelijk maakt, geen wijziging veroorzaakt in bestaande bedrijfsactiviteiten en geen aanvullende milieuzonering vereist, is een verdere toetsing aan de richtafstanden uit de VNG‑publicatie niet noodzakelijk.
Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt daarmee geen belemmering voor de planologische uitvoerbaarheid van het project.
Op grond van artikel 5.37 Bkl wordt in een omgevingsplan rekening gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Nabij het plangebied liggen geen bijzondere, in het Bkl beschermde, watersystemen. Er is alleen sprake van een zeer beperkte toename van het verharde oppervlak waardoor hemelwater minder kan infiltreren in de bodem.
Hemelwater wordt, voor zover van toepassing, afgevoerd naar het bestaande oppervlaktewatersysteem, conform het uitgangspunt van vasthouden en vertraagd afvoeren. Hierbij wordt het waterbeleid, dat voor het projectgebied wordt bepaald door het rijksbeleid zoals vastgelegd in het Nationaal Waterplan en door het regionale beleid van Waterschap Noorderzijlvest, waaronder het Waterbeheerprogramma 2022‑2027 en de Beleidsnota Water en Ruimte, in acht genomen. Op grond van dit beleid moet bij planologische besluitvorming worden aangetoond dat waterveiligheid, waterkwantiteit en waterkwaliteit op een evenwichtige wijze zijn meegewogen, hetgeen plaatsvindt via de weging van het waterbelang.
De verlegging van de verbinding leidt niet tot een relevante toename van verhard oppervlak en heeft geen structurele gevolgen voor de waterberging of afvoercapaciteit. Watergangen worden niet gedempt en blijven functioneel behouden.
Gelet op de beperkte aard van de ingreep en afwezigheid van negatieve impact, vormt het aspect water geen belemmering voor de planologische uitvoerbaarheid van het project.
Op grond van artikel 5.130 Bkl wordt in een omgevingsplan rekening gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten.
Hieronder wordt verstaan:
het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van op grond van het omgevingsplan beschermde monumenten en archeologische monumenten;
het voorkomen van verplaatsing van op grond van het omgevingsplan beschermde monumenten of een deel daarvan, tenzij dit dringend is vereist voor het behoud van die monumenten;
het bevorderen van het gebruik van monumenten, zo nodig door wijziging van die monumenten, rekening houdend met de monumentale waarden;
het voorkomen van aantasting van:
de omgeving van rijksmonumenten, voorbeschermde rijksmonumenten en monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, voor zover die monumenten door die aantasting worden ontsierd of beschadigd; en
het karakter van in het omgevingsplan beschermde stads- of dorpsgezichten of beschermde cultuurlandschappen door de sloop van bestaande gebouwen, de bouw van nieuwe gebouwen of andere belangrijke veranderingen; en
het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur in situ.
De voorgenomen verlegging van de 380 kV‑hoogspanningsverbinding heeft betrekking op meerdere mastposities die niet onder één planologisch regime vallen. Eén mastpositie is gelegen binnen het tijdelijke omgevingsplan van de gemeente Het Hogeland, waarin de regels van het voormalige bestemmingsplan Buitengebied doorwerken. Op grond van de herziening van het omgevingsplan geldt nabij het plangebied de dubbelbestemming Waarde-Archeologie 4.
De nieuw te bouwen mast116 is gesitueerd buiten het gebied waarvoor de dubbelbestemming geldt. Niet kan worden uitgesloten dat ten behoeve van de werkzaamheden graafwerkzaamheden plaatsvinden deels binnen het beschermde gebied. Dit zal echter nooit meer zijn dan 200 m2. Om deze reden is, gelet op het beschermingsniveau, geen archeologisch onderzoek noodzakelijk.
Het project bestaat uit het verwijderen van bestaande masten en het realiseren van nieuwe mastposities. Het verwijderen van de bestaande masten (116) maakt geen onderdeel uit van de wijziging van het omgevingsplan. In de planregels wordt de nieuwe positie van de masten en de lijn opgenomen Voor zover nodig dan wel van toepassing worden werkzaamheden in het kader van het amoveren van de masten die archeologisch relevant zijn, geborgd in een eventueel benodigde vergunning.
Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden alsnog archeologische resten worden aangetroffen (‘toevalsvondsten’), geldt op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet een meldingsplicht bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Op dat moment kan het bevoegd gezag bepalen welke vervolgstappen noodzakelijk zijn.
Cultureel Erfgoed
In de directe omgeving bevinden zich enkele aangewezen karakteristieke gebieden en karakteristieke boerderijen, zie figuur 5.
De (beperkte) verlegging van de hoogspanningsverbinding, met toepassing van dezelfde masten als de bestaande verbinding, levert gelet op de ruime afstand van circa 500 meter tot de desbetreffende objecten geen aantasting op van het door het omgevingsplan beschermde erfgoed en zijn omgeving, zoals bedoeld in artikel 5.130 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
Het huidige gebruik van het plangebied is overwegend agrarisch en in het verleden hebben op deze locatie geen industriële of andere bodembedreigende activiteiten plaatsgevonden. Aanwezigheid van ernstige bodemverontreinigingen wordt daarom niet verwacht. Het project voorziet niet in de realisatie van een bodemgevoelig gebouw, daarmee is paragraaf 5.1.4.5.1 Bkl (instructiegel) niet van toepassing. Er hoeven in dit omgevingsplan geen waarden te worden bepaald voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem.
Op grond van artikel 5.89p zou wel de landbodem in bodemfunctieklassen moeten worden ingedeeld. Gelet op de beperkte oppervlakte van het plangebied en het feit dat het project geen effect heeft op het grondgebruik, wordt de indeling van de bodemfunctieklassen niet in dit deel-omgevingsplan opgenomen.
De bodemkwaliteit rond het plangebied is onderzocht in het kader van het Rijksinpassingsplan Noord‑West 380 kV, het MER Oostpolder en het basisontwerp van hoogspanningsstation EHO380/110. Uit deze onderzoeken blijkt dat de bodem overwegend voldoet aan de bodemkwaliteitsklasse Landbouw/Natuur en dat geen belemmeringen bestaan voor de voorgenomen ontwikkeling. Uit deze onderzoeken volgt dat de bodemkwaliteit, gelet op de toekomstige functie als energie‑ en industriegebied, geen belemmering vormt voor de uitvoering van het project.
Eventuele lokale aandachtspunten voor mast 116, zoals verdachte slootdempingen of puinhoudende verhardingen, worden in het kader van de uitvoering in beeld gebracht via gericht aanvullend en asbestonderzoek en vormen daarmee geen belemmering voor de uitvoering van het project. Er is ook geen sprake van de realisatie van een bodemgevoelig gebouw.
Op grond van artikel 5.59 Bkl wordt in een omgevingsplan rekening gehouden met geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen.
De verlegging van de 380 kV‑hoogspanningsverbinding leidt in de gebruiksfase niet tot relevante geluidemissies. Hoogspanningsverbindingen veroorzaken geen structureel hoorbaar geluid, met uitzondering van zogenoemd coronageluid en windgerelateerd geluid (windfluiten) onder specifieke weersomstandigheden. Er kan sprake zijn van windfluiten en met name bij vochtige weersomstandigheden (regen en mist) kan een knetterend geluid optreden door elektrische ontladingen (coronageluid). Dit gebeurt rondom geleiders die vervuild zijn of oneffenheden tonen. Er is voor het specifieke coronageluid en windfluiten - anders dan voor industrie-, spoor- of wegverkeerslawaai - in Nederland en ook internationaal geen (wettelijk) toetsingskader voorhanden. Deze vormen van geluid treden incidenteel op en doen zich niet voor op een zodanige wijze dat sprake is van hinder bij geluidgevoelige functies.
De mogelijke geluidseffecten van de verbinding en de aanvaardbaarheid daarvan zijn beoordeeld op basis van berekeningen en (belevings)onderzoek naar de klachten over de geluidsproductie van hoogspanningsverbindingen. Uit de onderzoeken blijkt dat op 37 meter uit het hart van de lijn het geluidsniveau door het coronaeffect onder droge weersomstandigheden minder dan 20 dB(A) is en onder natte weersomstandigheden in de meeste gevallen ruim onder de 45 dB(A) (en in uitzonderlijke situaties 45 dB(A)).
Het geluid door windfluiten bevindt zich in het hoogfrequente gebied (hoge tonen). Een eigenschap van hoogfrequent geluid is dat dit geluid met de afstand sterker afneemt dan geluiden in een lagere frequentie. Het fluiten van de hoogspanningslijnen en de masten is dus steeds minder hoorbaar, hoe verder men van de lijn af staat. Ook wordt het optredende geluid gemaskeerd door andere optredende windeffecten zoals het ruisen van bewegende takken in de wind, andere ‘fluitende objecten’ etc.
De huidige hoogspanningsverbinding is planologisch ingepast door middel van het inpassingsplan Noord-West 380 kV EOS-VVL, vastgesteld 11 maart 2020. In dat plan is ter plaatse van het huidige plangebied de afstand tot de dichtstbijzijnde woning, Oostpolderweg 27 Oudeschip, circa 150 meter. Als gevolg van het nieuwe plan wordt deze afstand met 60 meter vergroot. Hiermee wordt de afstand tot de dichtstbijzijnde woning circa 210 meter. De afstand van circa 150 meter is in de oude situatie aanvaardbaar geacht. Voor zover bekend zijn er ook nooit klachten geweest over coronageluid of windfluiten met betrekking tot de huidige lijn. Nu het toetsingskader niet wezenlijk is gewijzigd, maar de afstand tot geluidsgevoelige objecten wel aanzienlijk wordt vergroot, zijn overschrijdingen van de geluidsnormen uit te sluiten. In het ontwerp van de masten wordt windfluiten zoveel mogelijk voorkomen.
Bouwlawaai
Tijdens de aanlegfase kan tijdelijk geluid optreden als gevolg van werkzaamheden. Deze werkzaamheden zijn van beperkte duur en vinden plaats binnen een gebied met een overwegend agrarisch en infrastructureel karakter. Er worden geen nieuwe geluidgevoelige functies gerealiseerd en de afstand tot bestaande woningen is zodanig dat geen sprake is van een onaanvaardbare geluidbelasting.
Gelet op de aard van de ontwikkeling (verplaatsing hoogspanning over een beperkte afstand in de eindsituatie) en de situering ten opzichte van geluidgevoelige functies, vormt het aspect geluid geen belemmering voor de planologische uitvoerbaarheid van het project.
Bij de planologische beoordeling van het initiatief is het aspect veiligheid betrokken overeenkomstig paragraaf 5.1.2 Bkl. De instructieregels zijn gericht op het voorkomen, beperken en bestrijden van risico’s van branden, rampen en crises.
Een hoogspanningsverbinding is geen (zeer) kwetsbaar object in de zin van de wet. Instructieregels hiervoor zijn derhalve niet van toepassing.
Een hoogspanningsverbinding brengt wel risico’s mee voor de omgeving. Daarom is bezien of de verlegging van de 380 kV‑hoogspanningsverbinding leidt tot onaanvaardbare risico’s voor personen in de omgeving, in relatie tot bestaande en toekomstige risicobronnen.
In het plangebied zijn geen kwetsbare objecten of andere objecten aanwezig waarop de hoogspanningsverbinding invloed heeft. In de planregels wordt een beperkingengebied opgenomen ter voorkoming van toekomstige ontwikkelingen die van invloed kunnen zijn op de hoogspanningsverbinding. Hiermee wordt invulling gegeven aan het in de handreiking omgevingsveiligheid in omgevingsplannen opgenomen ordeningsprincipe ‘Ordening op basis van bescherming tegen effecten’.
De verlegging van de hoogspanningsverbinding leidt niet tot een toename van blootstelling van kwetsbare of beperkt kwetsbare functies en maakt geen nieuwe gevoelige functies mogelijk. De afstand tot bestaande woningen buiten het plangebied neemt niet af maar juist toe.
In het plangebied en de directe omgeving zijn ook geen activiteiten en objecten aanwezig die de werking en daarmee de leveringszekerheid van de hoogspanningsverbinding kunnen beïnvloeden. Het plangebied is wel gelegen in een overstromingsgebied, maar dat geldt eveneens voor het hoogspanningsstation waarop de hoogspanningsverbinding is ingelust.
Het aspect veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project.
De voorgenomen verlegging van de 380 kV‑hoogspanningsverbinding heeft geen structurele invloed op de luchtkwaliteit. De hoogspanningsverbinding zelf is geen bron van luchtverontreinigende stoffen en leidt in de gebruiksfase niet tot emissies van stikstofdioxide of fijnstof. De hoogspanningsverbinding is derhalve ook geen activiteit waarop de instructieregels van paragraaf 5.1.4.1 Bkl van toepassing is.
Onder bepaalde omstandigheden (tijdens mist en regen, bij vervuiling of beschadiging van het geleider oppervlakte) produceren hoogspanningsverbindingen als gevolg van coronaontladingen ozon. De gevormde ozon ontleedt (verdwijnt) snel. Bij meetonderzoek konden geen meetbare concentraties van ozon worden vastgesteld. Ook uit berekeningen blijkt dat de ozon zo snel ontleedt dat de ozonconcentratie bij hoogspanningsverbindingen niet aantoonbaar toeneemt (KEMA, 2007b).
Door de coronaontladingen worden (naast ozon) ook negatieve en positieve ionen gevormd. Het RIVM beschikt over deskundigheid op dit gebied en heeft in 2007 en 2011 onderzoek gedaan naar deze complexe materie. In dit onderzoek is geconcludeerd dat er elektrische ontladingen ontstaan bij hoogspanningsverbindingen en dat dit leidt tot oplading van fijn stof. Dit geladen fijn stof wordt verspreid door de wind. Er is niet aannemelijk gemaakt dat er vervolgens extra neerslag plaatsvindt van fijn stof in longen, luchtwegen of op de huid. Veel extra lading op fijnstofdeeltjes leidt wel tot extra neerslag in de luchtwegen, maar daar is zeker een tien keer hogere lading voor nodig dan bij een hoogspanningsverbinding kan ontstaan. Hoogspanningsverbindingen emitteren geen fijn stof (zijn geen bron) en leiden niet tot het aantrekken van fijn stof. Het verspreidingsgedrag van fijn stof wordt vooral door de wind bepaald.
Uit onderzoek blijkt dat er geen epidemiologische aanwijzingen zijn dat er meer hart- en luchtwegaandoeningen, longkanker of huidkanker voorkomen bij mensen die wonen of verblijven in de omgeving van hoogspanningsverbindingen (KEMA, 2007b).
In de aanlegfase kan tijdelijk sprake zijn van emissies als gevolg van bouw‑ en transportbewegingen. Deze effecten zijn van beperkte omvang en tijdelijk van aard. De werkzaamheden vinden plaats in een gebied waar geen overschrijdingen van luchtkwaliteitsnormen bekend zijn en leiden niet tot een relevante toename van verkeersbewegingen.
De voorgenomen verlegging van de 380 kV‑hoogspanningsverbinding heeft geen structurele invloed op geur. De hoogspanningsverbinding zelf is geur veroorzakende activiteit en leidt in de gebruiksfase niet tot emissies van geur. De hoogspanningsverbinding is derhalve ook geen activiteit waarop de instructieregels van paragraaf 5.1.4.6 Bkl van toepassing is.
Gezien het tijdelijke karakter van de werkzaamheden en het ontbreken van structurele emissiebronnen vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project.
De verlegging van de 380 kV‑hoogspanningsverbinding is getoetst aan relevante natuurwaarden in en rond het plangebied. Daarbij is aandacht besteed aan beschermde natuurgebieden, stikstofdepositie en soortenbescherming.
Planten en dieren houden zich niet aan bestuurlijke of planologische grenzen. De bescherming van natuurwaarden vindt daarom plaats op Europees, nationaal en provinciaal niveau. Binnen Europa vormt Natura 2000 het samenhangende netwerk van beschermde natuurgebieden op grond van de Vogel‑ en Habitatrichtlijn. Lidstaten zijn verplicht deze gebieden te beschermen en instandhoudingsdoelstellingen te realiseren voor aangewezen habitats en soorten.
Op grond van artikel 5.1, 1e lid, sub e, Omgevingswet is het verboden projecten of handelingen uit te voeren die, gelet op deze instandhoudingsdoelstellingen, kunnen leiden tot verslechtering van habitats of tot een significant verstorend effect op beschermde soorten. Een activiteit kan slechts doorgang vinden indien is aangetoond dat dergelijke effecten zijn uitgesloten. Naast de Natura 2000 gebieden is het Natuur Netwerk Nederland via de provinciale verordening aangewezen als beschermd gebied.
Het projectgebied bevindt zich op ruimte afstand van Natura 2000‑gebieden en Natuurnetwerk Nederland-gebieden (NNN). Het meest nabij gelegen natuurgebied betreft de Waddenzee. Ook liggen de mastlocaties niet binnen aangewezen weidevogelgebieden. De werkzaamheden vinden plaats binnen een gebied dat grotendeels agrarisch wordt gebruikt. Gezien de aard van de ingreep en de afstand ten opzichte van de natuurgebieden worden externe effecten zoals trillingen, verstoring door geluid en mechanische effecten niet verwacht. Er is geen sprake van een effect op leefgebieden akkervogels en weidevogels.
Op grond van het uitgevoerde onderzoek, zie Bijlage 3 Ecologisch onderzoek, kan worden geconcludeerd dat de geplande werkzaamheden geen negatieve effecten hebben op de aanwezige natuurwaarden in dit gebied mits de aanbevelingen worden opgevolgd. De uitvoering van aanvullend ecologisch onderzoek of een vergunningsaanvraag voor de geplande werkzaamheden wordt daarom niet noodzakelijk geacht.
In het kader van de planontwikkeling is beoordeeld of de aanleg‑ en gebruiksfase kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie op Natura 2000‑gebieden. Hiervoor zijn berekeningen uitgevoerd voor zowel de bouw‑ als de gebruiksfase, zie Bijlage 4 Aeriusberekeningen. Uit deze berekeningen volgt dat er geen extra stikstofdepositie (0,00 m/h/j) optreedt als gevolg van het project. De voorgenomen activiteit geen significante gevolgen heeft voor de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000‑gebieden. Een vergunning Natura 2000-activiteit is daarmee niet aan de orde.
De wet onderscheidt drie beschermingsregimes: soorten beschermd op grond van de Vogelrichtlijn, soorten beschermd op grond van de Habitatrichtlijn en overige beschermde soorten. Beoordeeld is of de uitvoering van het project kan leiden tot overtreding van deze beschermingsregimes.
Op basis van de uitgevoerde ecologische beoordeling, zie bijlage 3, is vastgesteld dat het initiatief niet leidt tot aantasting van beschermde soorten of van vaste rust‑ en verblijfplaatsen. Eventuele effecten beperken zich tot tijdelijke verstoring tijdens de uitvoering. Hiervoor geldt de algemene zorgplicht, die tijdens de uitvoering in acht wordt genomen. Eventuele aanbevelingen uit de ecologische beoordeling worden opgevolgd. De conclusies van de ecologische beoordeling zijn als volgt:
Vaatplanten
Aanvullende maatregelen ten aanzien van beschermde vaatplanten zijn niet aan de orde.
Amfibieën en reptielen
Aanvullende maatregelen ten aanzien van beschermde amfibieën en reptielen zijn niet aan de orde. Het plangebied is geschikt voor algemene amfibieën. Voor deze soorten geldt te allen tijde de zorgplicht.
Ongewervelden
Aanvullende maatregelen ten aanzien van beschermde ongewervelden zijn niet aan de orde. Het plangebied is geschikt voor algemene ongewervelden. Voor deze soorten geldt te allen tijde de zorgplicht.
Vissen
Aanvullende maatregelen ten aanzien van beschermde vissen zijn niet aan de orde.
Zoogdieren
Aangezien de werkzaamheden tijdelijk van aard zijn kunnen de soorten zoals bunzing, hermelijn en haas de omgeving van het plangebied blijven gebruiken als onderdeel van hun foerageergebied.
Op basis van de terreinkenmerken is erbinnen en direct rondom het plangebied geschikt leefgebied aanwezig voor de haas. Overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van de haas kan op de volgende wijze worden voorkomen:
Bij voorkeur uitvoeren van de werkzaamheden buiten de kwetsbare periode januari-oktober. Buiten deze periode zijn er geen kwetsbare jonge hazen aanwezig en hebben de aanwezige (volwassen) hazen de mogelijkheid te vluchten.
Voorafgaand aan de werkzaamheden dient de aanwezige vegetatie te worden verwijderd. Om risico’s voor de uitvoering te voorkomen wordt aanbevolen de vegetatie, voorafgaand aan de kwetsbare periode, te verwijderen. Door de vegetatie kort te houden wordt hetwerkterrein ongeschikt als verblijf- en nestplaats. Voorafgaand aande maai- en snoeiwerkzaamheden dient een ecologische vrijgave te worden verkregen.
Op basis van het intensieve agrarische gebruik en ontbreken van structuur variaties wordt verondersteld dat het plangebied geen deel uitmaakt van het essentiële leefgebied van de haas.
Het plangebied is geschikt voor algemene zoogdieren. Voor deze soorten geldt te allen tijde wel de zorgplicht.
Vleermuizen
Binnen het plangebied zijn geen verblijfplaatsen aanwezig van vleermuizen.
Door de werkzaamheden overdag uit te voeren, vindt verstoring van overvliegende en foeragerende vleermuizen niet plaats. Indien het werkterrein verlicht wordt dient dit kleinschalig en tijdelijk te zijn. Wanneer verlichting op het werkterrein gebruikt wordt, dient deze verlichting vleermuisvriendelijk te zijn of dusdanig te worden ingezet dat zijdelingse lichtverstrooiing wordt voorkomen.
Mogelijk fungeert de Oude zeedijk als vliegroute voor in de omgeving voorkomende vleermuizen. Dit lijnvormige element dient niet aangetast te worden. Lichtverstrooiing hierna dient te worden voorkomen.
Broedvogels
Binnen het plangebied zijn geen nesten van vogels met jaarrond beschermde nesten aanwezig. Wel kan het plangebied fungeren als nestlocatie voor algemene broedvogels (zoals wilde eend of rietgors).
De werkzaamheden dienen buiten het broedseizoen uitgevoerd te worden. Globaal loopt het broedseizoen van half maart tot en met half augustus.
Indien de werkzaamheden in de broedperiode plaatsvinden dan dienteersteenecologische vrijgave te worden verkregen.
Zorgplicht
Voor alle soorten, wel of geen vrijstelling, geldt dat voldaan moet worden aan de algehele zorgplicht. De zorgplicht geldt voor alle werkzaamheden. Ten aanzien van de algemene zoogdieren, ongewervelden en amfibieën dienen de volgende algemene richtlijnen te worden opgevolgd in het veld:
Indien individuen van dieren worden aangetroffen, dienen deze de gelegenheid te krijgen om te kunnen vluchten.
Aanbevolen wordt om minder mobiele dieren, zoals egel en gewone pad, te verplaatsentot buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden.
De maaiwerkzaamheden worden in één richting uitgevoerd. Hierbij wordt, indien aanwezig, richting een vluchtweg gewerkt zodat mobiele soorten kunnen ontsnappen en zelf voor de werkzaamheden kunnen uitwijken.
Om schade zo veel mogelijk te beperken wordt aanbevolen zoveel mogelijk gebruik te maken van dezelfde aan- en afvoerroutes.
Voor de aanleg van het werkterrein dient rekening te worden gehouden met het toe te passen materiaal.
Er dienen geen ruimtes aanwezig te zijn onder de rijplaten. Deze ruimtes kunnen namelijk worden gebruikt als schuilplek voor zoogdieren en amfibieën. Indien er toch ruimten ontstaan onder de rijplaten dan dienen deze te worden gedicht met grond.
Verstoring van in de nacht foeragerende dieren wordt voorkomen door de werkzaamheden overdag uit te voeren.
Na realisatie van de nieuwe 380kV-verbinding en 110kV-verbinding kan deze leiden tot draadslachtoffers. Omdat sprake is van een verplaatsing over een zeer geringe afstand zal geen sprake zijn van extra draadslachtoffers ten opzichte van het huidige tracé. Uitgangspunt is dat dezelfde mitigerende maatregelen, in de vorm van het aanbrengen van draadmarkeringen in zowel de bliksemdraden als de retourstroomdraden, worden genomen als op de huidige hoogspanningsverbinding.
Conclusie
Op basis van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het project geen significant negatieve effecten heeft op natuurgebieden en beschermde soorten.
Toepassingsbereik
Met deze wijziging van het omgevingsplan worden de bestaande juridisch-planologische mogelijkheden en de regels uit het tijdelijk deel van het Omgevingsplan gemeente Het Hogeland aangevuld, voor zover het gaat om het plangebied waarop dit besluit betrekking heeft. De juridisch-planologische mogelijkheden uit het tijdelijk deel, waaronder de regels uit verschillende van toepassing zijnde bestemmingsplannen en de bruidsschat, blijven van toepassing en worden dus niet gewijzigd of vervangen. Met een voorrangsbepaling is geregeld dat de regels uit dit wijzigingsbesluit voorgaan op de regels uit het tijdelijk deel, voor zover sprake is van strijdigheid.
Voor gebiedsontwikkelingen wordt gewerkt met een ontwikkelhoofdstuk. Wanneer de ontwikkeling is gerealiseerd, worden de regels verwerkt in de hoofdstructuur van het omgevingsplan Het Hogeland en vervalt het ontwikkelhoofdstuk.
Begripsbepalingen
De begripsbepalingen uit de bijlage van de Omgevingswet zijn van rechtswege van toepassing op de regels uit het wijzigingsbesluit en hoeven dus niet te worden opgenomen in het omgevingsplan. De begripsbepalingen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en de Omgevingsregeling zijn niet van rechtswege van toepassing op deze wijziging van het omgevingsplan. Daarom is in de begripsbepalingen hierop aangesloten door deze van toepassing te verklaren. De begrippen uit de verschillende van toepassing zijnde bestemmingsplannen blijven voor het plangebied onverkort van toepassing. De relevante begrippen uit het Rijksinpassingsplan ‘Noord-West 380 kV EOS-VVL’ (vastgesteld op 11 maart 2020) zijn wel overgenomen in de regels, omdat de regels gebaseerd zijn op dit inpassingsplan en dit inpassingsplan niet geldt ter plaatse van het gebied waarop dit wijzigingsbesluit betrekking heeft.
Functies en activiteiten
De wijziging van dit omgevingsplan voldoet technisch aan de Omgevingswet-standaarden STOP/TPOD en wordt gepubliceerd in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). De structuur van het Omgevingsplan gemeente Het Hogeland gaat uit van een indeling in activiteiten op basis van activiteitengroep of thema. Het ontwikkelhoofdstuk waar dit wijzigingsbesluit betrekking op heeft, is opgedeeld in afdelingen met gebruiksactiviteiten, bouwactiviteiten, aanlegactiviteiten en procedurele bepalingen.
De regels voor de nieuwe bovengrondse hoogspanningsverbinding zijn zoveel mogelijk afgestemd op de regels die gelden voor de bestemming 'Leiding - Hoogspanningsverbinding 4x380 kV' uit het Rijksinpassingsplan 'Noord-West 380 kV EOS-VVL'. Deze regels zijn van toepassing op het bestaande tracé waarvan met dit plan een deel wordt verplaatst. Door voor het nieuwe tracé zoveel mogelijk aan te sluiten bij het bestaande planologische regime, wordt de verplaatsing planologisch op een consistente wijze geregeld. Om die reden is grotendeels niet aangesloten bij de staalkaart Netbeheer Nederland ‘Elektriciteit en gas in het omgevingsplan’, wat wel wordt gedaan voor vergelijkbare ontwikkelingen in de gemeente Het Hogeland.
De regels gelden uitsluitend ter plaatse van de bovengrondse hoogspanningsverbinding, inclusief de daaromheen gelegen beschermingszone (beperkingengebied). Door de regeling gebiedsgericht toe te passen, wordt voorkomen dat buiten de beschermingszone onnodige beperkingen ontstaan, terwijl binnen de zone voldoende bescherming wordt geboden aan de te realiseren infrastructuur.
Voor de ontwikkeling is het in werking hebben van een bovengrondse hoogspanningsverbinding met een maximale spanning van 380 kV met masten van het type wintrack, met de daarbij behorende voorzieningen, toegestaan. De daarbij behorende voorzieningen moeten rechtstreeks verband houden met het realiseren of in werking hebben van een bovengrondse hoogspanningsverbinding.
In lijn met de regels uit het rijksinpassingsplan is het vervangen, vernieuwen of veranderen van een vergund bouwwerk ten behoeve van functies die in het tijdelijk deel van het omgevingsplan (de bestemmingsplannen) zijn geregeld, bij recht toegestaan als de oppervlakte en hoogte niet worden vergroot en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering, omdat dit niet als een ruimtelijke impact op de hoogspanningsverbinding wordt beschouwd.
Voor bouwwerken ten dienste van de bovengrondse hoogspanningsverbinding geldt dat een omgevingsvergunning moet worden aangevraagd op grond van artikel 22.26. De bliksemdraden en de retourstroomgeleiders dienen te zijn voorzien van draadmarkeringen. Bij de aanvraag om de omgevingsvergunning moet een rapport worden overlegd waarin de specifieke magneetveldzone van de hoogspanningsverbinding is berekend. Hierbinnen mogen geen gevoelige gebouwen aanwezig zijn. Dit onderzoek is reeds uitgevoerd. Hieruit volgt dat geen gevoelige gebouwen binnen de magneetveldzone aanwezig zijn. Voordat door het college wordt besloten over de aanvraag om de omgevingsvergunning, wordt de betreffende netbeheerder om advies gevraagd. Dit is geregeld in een afdeling met procedurele bepalingen.
De in het inpassingsplan voorziene zone aan weerszijden van het hart van de verbinding is 37 meter. Dit komt overeen met de zakelijk rechtstrook die noodzakelijk is voor de verbinding. Deze zone is vastgesteld op basis van het benodigde ruimtebeslag voor aanleg en instandhouding. Daarbij is rekening gehouden met veiligheidseisen, onder andere om veilig (onderhouds)werkzaamheden uit te kunnen voeren en het ongestoord functioneren van de bovengrondse verbinding te kunnen garanderen.
Ter bescherming van de bovengrondse hoogspanningsverbinding is een vergunningplicht opgenomen voor het uitvoeren van aanlegactiviteiten die de verbinding kunnen beschadigen of de instandhouding hiervan kunnen bemoeilijken. De omgevingsvergunning wordt verleend als de aanlegactiviteit geen onevenredig negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de bovengrondse hoogspanningsverbinding. Voordat door het college wordt besloten over de aanvraag om de omgevingsvergunning, wordt de betreffende netbeheerder om advies gevraagd. Dit is geregeld in een afdeling met procedurele bepalingen. In het Rijksinpassingsplan zijn geen aanvraagvereisten opgenomen. Er is daarom voor gekozen om voor de aanvraagvereisten aan te sluiten bij de staalkaarten die zijn gemaakt voor energie-infrastructuur. Het eerste lid van dit artikel bevat aanvraagvereisten die op elke activiteit van toepassing zijn. Het tweede lid bevat aanvraagvereisten die afhankelijk zijn van de activiteit waarvoor een omgevingsvergunning wordt aangevraagd. De aanvraagvereisten in het ontwikkelhoofdstuk zijn een aanvulling op artikel 22.284.
Als de aanlegactiviteit (a) verband houdt met de aanleg van de bovengrondse hoogspanningsverbinding en de daarbij horende voorzieningen, (b) betrekking heeft op normaal onderhoud en beheer, (c) reeds in uitvoering is op het tijdstip dat de regels in het ontwikkelhoofdstuk rechtskracht hebben gekregen en in overeenstemming is met de op dat moment geldende toepasselijke regelgeving dan wel mag worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning, of (d) graafwerkzaamheden betreft als bedoeld in de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten, geldt dat deze vergunningvrij kan worden uitgevoerd. Dit is geregeld in een afzonderlijke paragraaf. Tenslotte is in een afzonderlijke paragraaf een zorgplicht opgenomen ten behoeve van de bovengrondse hoogspanningsverbinding. Degene die graafwerkzaamheden uitvoert ten behoeve van de aanleg, het beheer en het onderhoud van de bovengrondse hoogspanningsverbinding, is verplicht de aardkundige waarden en verkavelingspatronen van de gronden zo redelijkerwijs mogelijk in de oorspronkelijke staat terug te brengen.
Wettelijk bestaat de verplichting om inzicht te geven in de uitvoerbaarheid van een planologisch besluit waarmee wordt afgeweken van het geldende omgevingsplan. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de maatschappelijke en de economische uitvoerbaarheid van het initiatief.
Voor de besluitvorming wordt toepassing gegeven aan de procedure zoals vastgelegd in artikel 5.55 Omgevingswet (gemeentelijke projectprocedure). Het toepassen van deze procedure is kenbaar gemaakt in gemeentelijke publicaties. Daarnaast heeft participatie plaatsgevonden en heeft overleg plaatsgevonden met betrokken bestuursorganen en instanties, waaronder de provincie Groningen, de Veiligheidsregio Groningen en het Waterschap Noorderzijlvest. De uitkomsten van de participatie en het vooroverleg zijn betrokken bij de verdere uitwerking van het plan en verwerkt in deze planologische onderbouwing. Eventuele aandachtspunten uit de vooroverlegreacties zijn waar nodig vertaald naar aanvullende voorwaarden of vervolgstappen in de besluitvorming.
Voor deze procedure is een participatieplan geschreven, hetwelk als Bijlage 5 Participatieplan is opgenomen bij de plantoelichting. Hierin is beschreven hoe dit is geregeld en welke stappen hierin worden genomen.
In juni is er een informatiebijeenkomst geweest met Dorpsbelangen Oudeschip en BBE. Tijdens deze avond zijn er geen zwaarwegende reacties gegeven gericht op deze procedure voor de verplaatsing en inlussing van de 4 masten en 380 kV-lijn. Een verslag hiervan is opgenomen bij het participatieplan.
Verder zijn voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerp-wijzigingsplan enkele inloopmomenten georganiseerd. Het ontwerp zal eind juli ter inzage worden gelegd met de mogelijkheid voor eenieder om een zienswijze tegen dit plan naar voren te brengen. Op 1 juli jl. is een nieuwbrief uitgegaan naar de stakeholders in het gebied waarin dit al is aangekondigd en waarin ook al is aangegeven dat er tijdens de periode van terinzageligging twee inloopbijeenkomsten zullen worden georganiseerd over het plan, te weten op 20 en 25 augustus 2026. Ook in het kader van de toepassing van artikel 5.55 Ow is een kennisgeving uitgegaan vanuit de gemeente. Verder zal er voorafgaand aan de terinzagelegging ook een formele publicatie uitgaan via de gemeente waarin de terinzagelegging, de inloopbijeenkomsten en de mogelijkheid voor het indienen van zienswijzen wordt aangekondigd.
Het ontwerp wijzigingsbesluit zal overeenkomstig de openbare voorbereidingsprocedure van de Algemene wet bestuursrecht gedurende zes weken ter inzage worden gelegd. Gedurende deze termijn bestaat voor eenieder de mogelijkheid om zienswijzen in te dienen. Op basis daarvan kan het maatschappelijk draagvlak voor het initiatief worden beoordeeld. Na de terinzagelegging van het ontwerp en de verwerking van eventuele zienswijzen zal het plan voor vaststelling worden voorgelegd aan de gemeenteraad. Na vaststelling is er nog de mogelijkheid voor het indienen van een beroepschrift bij de Raad van State, al dan niet gecombineerd met een verzoek om voorlopige voorziening.
Het project betreft een initiatief van TenneT en wordt volledig door de initiatiefnemer gefinancierd. De kosten voor de planologische procedure, de benodigde onderzoeken en de uitvoering van het project komen voor rekening van de initiatiefnemer. Voor de realisatie van het project zijn voldoende financiële middelen beschikbaar.
Met het bevoegd gezag wordt een nadeelcompensatieovereenkomst gesloten, waarin is vastgelegd dat eventuele kosten als gevolg van planologisch nadeel worden verhaald op de initiatiefnemer. Daarmee is de economische uitvoerbaarheid van het project gewaarborgd.
De planontwikkeling omvat de verlegging en inlussing van een bestaande 380 kV‑hoogspanningsverbinding ten behoeve van het nieuwe hoogspanningsstation EHO380/110 in de Oostpolder. Op basis van deze planologische onderbouwing is vastgesteld dat er geen belemmeringen aanwezig zijn die de uitvoering van het project in de weg staan. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
/join/id/pubdata/gm1966/2026/1447fd6ece0045bdb45ce9758cd1d82d/nld@2026‑07‑27;15324775
/join/id/pubdata/gm1966/2026/4c0d5baa86df48c78a891364e527bc87/nld@2026‑07‑27;15324775
/join/id/pubdata/gm1966/2026/4caf6c1e783f49ea959ef1505b470079/nld@2026‑07‑27;15324775
/join/id/pubdata/gm1966/2026/3d6f557237fb4acbac184c46f884c453/nld@2026‑07‑27;15324775
/join/id/pubdata/gm1966/2026/dd853b3bce7e429b9ba405aa5eba9e13/nld@2026‑07‑27;15324775
/join/id/pubdata/gm1966/2026/e53918ddcb194ed29f9d770386d09b9c/nld@2026‑07‑27;15324775
/join/id/pubdata/gm1966/2026/d5f60453148b43b5985ec86711fdda49/nld@2026‑07‑27;15324775
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-364685.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.