Gemeenteblad van Epe
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Epe | Gemeenteblad 2026, 358544 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Epe | Gemeenteblad 2026, 358544 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Financiële verordening gemeente Epe 2027
Artikel 4. Kaders begroting en meerjarenraming
Burgemeester en wethouders bieden jaarlijks aan de raad een (kader)nota aan met een voorstel voor het beleid en de financiële kaders van de begroting voor het volgende begrotingsjaar en de meerjarenraming. De raad stelt deze nota voor het zomerreces voorafgaand aan het betreffende begrotingsjaar vast. In een jaar van gemeenteraadsverkiezing kan de nota achterwege blijven.
Artikel 5. Autorisatie begroting en investeringskredieten
Bij de begrotingsbehandeling geeft de raad aan van welke nieuwe investeringen hij op een later tijdstip een apart voorstel voor autorisatie van het investeringskrediet wil ontvangen. De overige nieuwe investeringskredieten worden bij de begrotingsbehandeling met het vaststellen van de financiële positie geautoriseerd.
Burgemeester en wethouders informeren de raad als zij verwachten, dat de lasten van een programma de geautoriseerde lasten dreigen te overschrijden, de investeringsuitgaven van een investeringskrediet het geautoriseerde investeringskrediet dreigen te overschrijden, of de baten van een programma de geautoriseerde baten dreigen te onderschrijden.
Bij de behandeling in de raad van de voortgangsrapportage bedoeld in artikel 7, eerste lid, kunnen burgemeester en wethouders voorstellen doen voor het wijzigen van de geautoriseerde baten en lasten, het wijzigen van de geautoriseerde investeringskredieten en het bijstellen van het beleid. In geval van investeringen met een meerjarig karakter kunnen burgemeester en wethouders ook bij iedere begroting op grond van geactualiseerde ramingen voorstellen doen voor het wijzigen van de geautoriseerde investeringskredieten.
Voor een investering waarvan het investeringskrediet niet met het vaststellen van de begroting is geautoriseerd, leggen burgemeester en wethouders voorafgaand aan het aangaan van verplichtingen een investeringsvoorstel met een voorstel voor het vaststellen van een investeringskrediet aan de raad voor.
Verschuiving tussen jaarschijven bij een meerjarig investeringskrediet is toegestaan, mits aannemelijk is dat het totaal van de uitgaven binnen het krediet blijven. Dit wordt toegelicht in de jaarstukken. Bij dreigende overschrijding van het meerjarige krediet doet het college voorstellen voor wijziging van geautoriseerde investeringskredieten op grond van geactualiseerde ramingen.
Burgemeester en wethouders kunnen baten en lasten die samenhangen met toegekende specifieke uitkeringen van rijk en provincie in de begroting opnemen zonder autorisatie van de raad. Voorwaarde hiervoor is dat de lasten volledig gedekt worden door de direct daaraan gerelateerde baten. Indien mogelijk wordt de aanpassing opgenomen in de voortgangsrapportage zoals bedoeld in artikel 7.
Burgemeester en wethouders kunnen baten en lasten die samenhangen met taakmutaties uit het gemeentefonds in de begroting opnemen zonder autorisatie van de raad. Voorwaarde hiervoor is dat de lasten voor de taken volledig gedekt worden door de direct daaraan gerelateerde baten. Indien mogelijk wordt de aanpassing opgenomen in de voortgangsrapportage zoals bedoeld in artikel 7.
Burgemeester en wethouders zijn gemachtigd om incidentele budgetten, die in een jaar nog niet volledig gebruikt zijn, over te hevelen naar het volgende jaar, indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
Er wordt in principe één keer een budgetoverheveling aangevraagd, tenzij er sprake is van een meerjarig project, het (rijks)bijdragen betreffen die met het niet uitvoeren van de activiteiten terugvloeien naar de verstrekker of er andere zwaarwegende argumenten zijn die het nog een keer aanvragen onvermijdelijk maken.
Artikel 9. Wensen en bedenkingen over grote onderwerpen
In het kader van de actieve informatieplicht beslissen burgemeester en wethouder niet over het verstrekken van leningen, waarborgen en garanties anders dan in de begroting geregeld dan nadat de raad is geïnformeerd over het voornemen en hiertoe in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis aan burgemeester en wethouders te brengen.
Als het Rijk de gemeente bericht dat alle gemeenten samen het collectieve aandeel van gemeenten in het EMU-tekort, bedoeld in artikel 3, zesde lid, van de Wet houdbare overheidsfinanciën, hebben overschreden, informeren burgemeester en wethouders de raad of een aanpassing van de begroting nodig is. Als burgemeester en wethouders een aanpassing nodig achten, doen burgemeester en wethouders een voorstel voor het wijzigen van de begroting.
Artikel 12. Voorwaardencriterium
Het voorwaardencriterium is het criterium van rechtmatigheid, dat betrekking heeft op de eisen die worden gesteld bij de uitvoering van de financiële beheershandelingen. De eisen/voorwaarden zijn afkomstig uitdiverse wet- en regelgeving en hebben betrekking op aspecten als doelgroep, termijn, grondslag, administratieve bepalingen, normbedragen, bevoegdheden, bewijsstukken, recht, hoogte en duur.
Artikel 13 Begrotingscriterium
Het begrotingscriterium is een criterium van rechtmatigheid dat betrekking heeft op de grenzen van de baten en lasten in de door de raad geautoriseerde begroting van exploitatie en investeringskredieten en de hiermee samenhangende programma’s, waarbinnen de financiële beheershandelingen tot stand moeten zijn gekomen;
Uitgangspunt is dat iedere afwijking van de begroting als onrechtmatig wordt beschouwd indien deze niet tijdig aan de raad zijn gemeld. Onder ‘tijdig melden’ wordt verstaan bij de eerste of tweede voortgangsrapportage, een andere tussentijdse rapportages of bij de jaarstukken. Lasten- en kredietoverschrijdingen zijn altijd onrechtmatig. Afwijkingen worden als acceptabel / passend binnen het bestaande beleid aangemerkt in de volgende situaties:
Artikel 15. Waardering en afschrijving vaste activa
De waardering van activa geschiedt volgens de artikelen 59 t/m 65 van het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV). Ondergrens voor het toerekenen van directe uren aan een investering is 50 uur. Overheadkosten vormen géén onderdeel van de vervaardigings- of verkrijgingsprijs. Rente wordt niet aan de investering toegerekend.
Artikel 18. Kostprijsberekening
Voor het bepalen van de geraamde kostprijs van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, en van goederen, werken en diensten die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden, wordt een extracomptabel stelsel van kostentoerekening gehanteerd. Bij deze kostentoerekening worden naast de directe kosten, de overheadkosten en de rente van de inzet van vreemd vermogen, reserves en voorzieningen voor de financiering van de in gebruik zijnde activa betrokken.
Bij de directe kosten worden betrokken de bijdragen aan en onttrekkingen van voorzieningen voor de noodzakelijke vervanging van de betrokken activa en de afschrijvingskosten van de in gebruik zijnde activa. Voor de rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, worden daarbij ook de compensabele belasting over de toegevoegde waarde (BTW), de gederfde inkomsten van het kwijtscheldingsbeleid en de kosten voor straatreiniging betrokken.
Voor de toerekening van de overheadkosten aan de kostprijs van rechten en heffingen waarmee kosten inrekening worden gebracht, en van goederen, werken en diensten die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden, voor zover dat niet activiteiten als bedoeld in het derde en vierde lid betreffen, wordt uitgegaan vaneen opslag over de geraamde toerekenbare personeelslasten ter grootte van de verhouding totale overheadskosten gedeeld door de totaal directe personeelslasten.
In afwijking van het eerste lid worden bij vennootschapsbelastingplichtige activiteiten en grondexploitaties alleen de rentekosten voor de inzet van vreemd vermogen aan de kostprijs toegerekend. Bij projectfinanciering worden dan de werkelijke rentekosten toegerekend. In andere gevallen wordt uitgegaan van het gewogen gemiddelde rentepercentage van de portefeuille leningen
Artikel 20. Vaststelling hoogte belastingen, rechten en heffingen
Op voorstel van burgemeester en wethouders stelt de raad jaarlijks de tarieven voor de gemeentelijke belastingen, rechten en heffingen en de raad vast.
Burgemeester en wethouders nemen bij het uitzetten en het aantrekken van middelen de volgende kaders in acht:
Artikel 23. Weerstandsvermogen en risicobeheersing
Op voorstel van burgemeester en wethouders stelt de raad een nota risicomanagement en weerstandsvermogen vast, waarin de kaders ten aanzien van het risicomanagement zijn beschreven.
Burgemeester en wethouders nemen in de paragraaf bedrijfsvoering van de begroting en de jaarstukken naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 14 van het BBV in ieder geval op:
Artikel 25. Onderhoud kapitaalgoederen
In de paragraaf onderhoud kapitaalgoederen bij de begroting en de jaarstukken neemt het college naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 12 van het BBV in ieder geval op de kapitaalgoederen waarvoor een onderhoudsvoorziening is ingesteld.
De administratie is zodanig van opzet en werking, dat zij in ieder geval dienstbaar is voor:
Artikel 29. Financiële organisatie
Burgemeester en wethouders dragen in ieder geval zorg voor:
Burgemeester en wethouders dragen zorg voor de jaarlijkse interne toetsing van de getrouwheid van deinformatieverstrekking en de rechtmatigheid van de beheershandelingen. Bij afwijkingen rapporteren burgemeester en wethouders daarover in de rechtmatigheidsverantwoording, zoals beschreven in artikel 21onder a. Daarnaast informeren burgemeester en wethouders de raad over genomen maatregelen tot herstel van de tekortkomingen.
Burgemeester en wethouders zorgen voor de systematische controle van de administratie en de ontwikkeling van de bezittingen en het financieel vermogen van de gemeente met dien verstande dat de waardepapieren, de voorraden, de uitstaande leningen, de debiteurenvorderingen, de liquiditeiten, de opgenomen leningen, de kortlopende schulden en de vorderingen van crediteuren jaarlijks worden gecontroleerd en registergoederen en bedrijfsmiddelen ten minste eenmaal in de vijf jaar. Bij afwijkingen in de administratie nemen burgemeester en wethouders maatregelen tot herstel van de tekortkomingen.
Aldus vastgesteld in de vergadering van de raad van 9 juli 2026
De raad voornoemd,
de voorzitter, dhr. dr. T.C.M. Horn
de griffier, mw. J. van der Zwam
De Financiële verordening gemeente Epe 2027 heeft haar basis in artikel 212, eerste lid, van de Gemeentewet, waarin staat dat de raad in een verordening de uitgangspunten voor het financiële beleid, de uitgangspunten voor het financiële beheer en voor de inrichting van de financiële organisatie vaststelt. Deze verordening waarborgt dat aan de eisen van rechtmatigheid, verantwoording en controle wordt voldaan. De Financiële verordening gemeente Epe 2027 vult daarnaast de vrije ruimte in die iedere gemeente heeft bij de inrichting van het eigen financieel beleid, beheer en organisatie en de rechtmatigheid.
De Gemeentewet biedt de belangrijkste kaders en regelt bijvoorbeeld dat er nadere eisen worden gesteld aan de inrichting van de begroting en de jaarrekening. Dit wordt vervolgens uitgewerkt in het Besluit begroting en verantwoording gemeentes en provincies (hierna: BBV). Het BBV schrijft voor op
welke wijze de gemeente moet begroten en verantwoorden en de wijze waarop zij uitvoeringsinformatie vastlegt. Om een correcte interpretatie van deze artikelen te waarborgen is er een commissie voor het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (hierna: commissie BBV). De commissie BBV draagt zorg voor een eenduidige uitvoering en toepassing van het BBV en voor een visie ten aanzien van rechtmatigheid in de controleverklaring (artikel 75, tweede lid, van het BBV).
Richtlijnen van de commissie BBV aan gemeenten en andere decentrale overheden zijn een belangrijk instrument van de commissie BBV om in navolging van artikel 75 van het BBV de eenduidige uitvoering en toepassing van het BBV te bevorderen. De richtlijnen van de commissie BBV worden onderverdeeld naar stellige uitspraken en aanbevelingen. De stellige uitspraken zijn dwingend; een gemeente behoort zich hieraan te houden. Met stellige uitspraken geeft de commissie BBV een interpretatie van de regelgeving die leidend is. De aanbevelingen zijn niet dwingend. Hierbij gaat het om uitspraken die ‘steun en richting geven aan de praktijk’. Met de actualisatie van de financiële verordening is rekening gehouden met dwingende uitspraken en aanbevelingen van de commissie BBV.
Enkel die bepalingen die verdere toelichting behoeven, worden hieronder nader toegelicht.
Artikel 2. Vaststelling programma-indeling en paragrafen
Iedere gemeente is vrij om een programma-indeling voor begroting en jaarrekening te kiezen. De programma-indeling wordt door de raad vastgesteld. Artikel 66, eerste lid, onder c, van het BBV bepaalt in aanvulling hierop dat de taakvelden aan de programma’s moeten worden toegewezen.
Op voorstel van burgemeester en wethouders stelt de raad beleidsindicatoren per programma vast. Met deze beleidsindicatoren kan het bereiken van effecten of doelen in beeld worden gebracht. Daarnaast zijn er verplichte beleidsindicatoren. Wat de verplichte beleidsindicatoren zijn, volgt uit de (ministeriële) Regeling vaststelling beleidsindicatoren door gemeenten in programma’s en programma-verantwoording.
Het BBV schrijft een aantal verplichte paragrafen van de begroting en de jaarstukken voor. In een paragraaf wordt de raad integraal over een bepaald thema dat dwars door de begroting loopt, geïnformeerd. Het derde lid bepaalt, dat de raad kan aangeven, welke paragrafen hij nog meer wenst. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een paragraaf subsidies of een paragraaf duurzaamheid.
Artikel 3. Inrichting begroting en jaarstukken
In dit artikel zijn bepalingen opgenomen voor de inrichting van de begroting, die aanvullend zijn op het BBV.
In het eerste lid is vastgelegd welke overschrijdingen van een afgesloten investeringskrediet in de jaarrekening apart inzichtelijk worden gemaakt.
Het tweede lid legt vast vanaf welk grensbedrag incidentele baten en lasten worden gespecificeerd in het overzicht van de (geraamde) incidentele baten en lasten per programma. Het bedrag van € 50.000 sluit qua omvang goed bij de gemeente Epe aan.
Artikel 4. Kaders begroting en meerjarenraming
In dit artikel staat een aantal uitgangspunten die burgemeester en wethouders bij het opstellen van deze stukken in acht moeten nemen.
De raad stelt vooraf aan het opstellen van de begroting een (kader)nota vast, waarin de hoofdlijnen voor het beleid en de financiële kaders van de begroting voor de komende jaren zijn vastgelegd. De kaders geven richting aan burgemeester en wethouders voor het opstellen van de begroting en de meerjarenraming.
In dit lid is bepaald dat in de begroting een post onvoorzien wordt opgenomen. Dit is wettelijk verplicht, de omvang van de post is ter keuze aan de gemeente. Het genoemde percentage van 0,1% van de totale lasten betekent indicatief een bedrag van € 110.000 (peil 2026).
Artikel 5. Autorisatie begroting en investeringskredieten
Het budgetrecht berust bij de raad. Gedurende het begrotingsjaar kan de raad besluiten nemen voor het wijzigen van de begroting. De gemeente kan slechts uitgaven doen voor de bedragen die hiervoor op de begroting zijn gebracht. De raad kan kiezen op welk niveau hij budgetten beschikbaar stelt. Autorisatie door de raad van de baten en de lasten vindt plaats op het niveau van programma’s
Naast lopende uitgaven doet een gemeente investeringen. Ook uitgaven voor investeringen moeten door de raad worden geautoriseerd. Voor de autorisatie van deze investeringskredieten is ervoor gekozen deze bij de begrotingsbehandeling mee te nemen. Wel kan de raad bij de begrotingsbehandeling aangeven, welke investeringskredieten hij op een later tijdstip wenst te autoriseren. Zo kan de raad de autorisatie van politiek belangrijke investeringen combineren met de behandeling van de inhoudelijke kant van het investeringsvoorstel. Het bedrag voor een dergelijke investering blijft wel op de begroting staan als voorziene uitgaaf, maar de raad autoriseert de uitgaaf nog niet. Burgemeester en wethouders zijn nog niet bevoegd verplichtingen voor de investering aan te gaan.
Burgemeester en wethouders dienen dreigende overschrijdingen van geautoriseerde lasten en investeringskredieten en dreigende onderschrijdingen van geautoriseerde baten bij het bekend worden aan de raad te melden, zodat de raad kan besluiten of het budget moet worden gewijzigd of dat het beleid moet worden bijgesteld. Dit is de actieve informatieplicht van burgemeester en wethouders.
Voor het behandelen van de daadwerkelijke begrotingswijzigingen en bijstellingen van beleid is ervoor gekozen deze mee te nemen bij de behandeling van de voortgangsrapportages. Bij investeringen met een meerjarig karakter, waaronder ook grondexploitaties, vindt bij elke begroting een actualisatie van de ramingen plaats en doen burgemeester en wethouders aan de raad voorstellen voor het wijzigen van de geautoriseerde investeringskredieten.
Meestal komen gedurende het begrotingsjaar nieuwe investeringsvoornemens op tafel, die bij het opstellen van de begroting niet waren voorzien. Dit vijfde lid regelt de autorisatie van de investeringskredieten anders dan bij vaststelling van de begroting. Het gaat hier dus ook om investeringen die pas in de loop van het begrotingsjaar worden voorzien.
In het zesde lid worden afspraken tussen burgemeester en wethouders en de raad over verschuivingen van uitgaven tussen jaarschijven in een investeringsbudget vastgelegd volgens het advies van de commissie BBV.
Gedurende het jaar kunnen er specifieke uitkeringen van het rijk of de provincie ontvangen worden. Voor deze uitkeringen moeten dan specifieke activiteiten worden verricht en kosten worden gemaakt. Omdat keuzemogelijkheid hier beperkt is en er sprake is van een budgettair neutrale mutatie, kan het college deze lasten en baten in de begroting opnemen zonder voorafgaande autorisatie van de raad.
In lijn met de specifieke uitkeringen zoals genoemd in lid zeven kan het rijk ook in de algemene uitkering gemeentefonds zogenaamde taakmutaties opnemen. Dit zijn middelen die worden toegekend omdat de gemeente er ook een aantal specifieke activiteiten bij krijgt. In lijn met de specifieke uitkeringen kan het college ook dergelijke mutaties zonder autorisatie van de raad in de begroting verwerken.
Naast lopende uitgaven en investeringen kent de gemeente ook grondexploitaties. Ook uitgaven voor grondexploitaties moeten door de raad worden geautoriseerd. Dit gebeurt door het vaststellen van (herziene) grondexploitaties. Net als bij investeringen mag het college bedragen tussen de jaarschijven verschuiven zolang binnen het totaalbudget van de grondexploitatie wordt gebleven.
Artikel 6 – Afwijkingen op de begroting (onvoorzien, onuitstelbaar en onvermijdbaar)
Dit artikel legt vast in welke situatie het college uitgaven mag doen of verplichtingen aangaan die afwijken van het door de raad toegekende budget. Dit kan nodig zijn in situaties waarbij handelen noodzakelijk is en uitvoering niet kan wachten op budgettoekenning door de raad.
Een geplande afwijking moet voldoen aan drie criteria: onvoorzien, onuitstelbaar en onvermijdbaar. In het tweede lid worden deze begrippen nader uitgelegd. Er geldt altijd dat aan alle drie de voorwaarden moet zijn voldaan.
In het kader van het budgetrecht van de raad, informeert het college de raad in ieder geval in het eerstvolgende P&C-document over de afwijking. Daarbij motiveert het college dat voldaan is aan de gestelde voorwaarden (de drie O’s). Afhankelijk van de afwijking kan het college, in het kader van de actieve informatieplicht, de raad ook eerder en op een andere wijze informeren.
Artikel 7. Voortgangsrapportages
Voortgangsrapportages zijn een belangrijk onderdeel van de planning- en controlcyclus voor de raad. Op basis van voortgangsrapportages wordt de raad geïnformeerd over de uitputting van budgetten en investeringskredieten en de voortgang van de uitvoering van het beleid.
Er is gekozen voor minimaal één voortgangsrapportages zodat de raad in ieder geval halverwege het boekjaar geïnformeerd wordt.
Het tweede lid bepaalt dat gekozen is voor een rapportage op afwijkingen. Dit draagt bij aan focus in de informatievoorziening.
Het derde lid gaat in op de beleidsmatige afwijkingen en op welke aspecten een afwijking betrekking kan hebben: het resultaat, de planning of het budget.
Het vierde lid bepaalt op welke onderdelen uit de begroting een toelichting op de financiële afwijkingen moet worden gegeven. Met deze opsomming wordt de indeling van de begroting gevolgd.
Aansluitend bij het autorisatieniveau zoals genoemd in artikel 5 vindt een toelichting op afwijkingen plaats als de totale lasten en/of baten per programma het programmabudget met minimaal € 100.000 overschrijden. Voor investeringskredieten geldt dat afwijkingen moeten worden toegelicht die het krediet met minimaal € 25.000 en 5% van het totale krediet overschrijden.
De jaarrekening kan een positief of negatief saldo hebben. In het eerste lid wordt geregeld dat burgemeester en wethouders een voorstel doen voor de bestemming van het positieve saldo, dan
wel de afdekking van een eventueel negatief saldo.
Aansluitend bij het autorisatieniveau zoals genoemd in artikel 5 vindt een toelichting van afwijkingen plaats als de totale lasten en/of baten per programma het programmabudget met minimaal € 100.000 overschrijden. Voor investeringskredieten geldt dat afwijkingen moeten worden toegelicht als het krediet met minimaal € 25.000 en 5% wordt over- of onderschreden.
Het tweede lid biedt de mogelijkheid om vooruitlopend op de bestemming van het rekeningresultaat budgetten die niet tot besteding zijn gekomen over te hevelen naar het volgende begrotingsjaar. Dit als blijkt dat uitvoering van de specifieke activiteiten die vallen onder dat budget nog wel nodig is en later volgt. Omdat dit vooruitloopt op de resultaatbestemming zoals genoemd in het eerste lid, legt dit artikel de regels vast waaraan bij een overheveling voldaan moet worden. Het moet gaan om een incidenteel budget en overheveling mag in principe maar één jaar plaatsvinden. Daarop zijn enkele uitzonderingen mogelijk.
Artikel 9. Wensen en bedenkingen over grote onderwerpen
In artikel 9 is een nadere invulling van de informatieplicht van burgemeester en wethouders aan de raad opgenomen.
De raad verzoekt burgemeester en wethouders om informatie bij het verstrekken van leningen en garanties. Het gaat hier om het aangaan van rechtshandelingen met een financieel gevolg. Het gaat hierbij dus niet om het budgetrecht van burgemeester en wethouders en raad, maar om de actieve informatieplicht.
Voor gemeenten is in de Wet houdbare overheidsfinanciën vastgelegd dat ze een aandeel hebben in het plafond voor het totale EMU-tekort van Nederland. Wordt dit gemeentelijk aandeel in het EMU tekort door de gezamenlijke gemeenten overschreden, dan kan dat tot een correctieve maatregel van het Rijk leiden of tot een boete uit Europa die naar gemeenten wordt door vertaald. Burgemeester en wethouders informeren de raad als de gemeente van het rijk een bericht heeft ontvangen dat het toegestane EMU-tekort voor alle gemeenten dreigt te worden overschreden. Als daarop actie nodig is van de gemeente, doen burgemeester en wethouders een voorstel voor het wijzigen van de begroting.
Artikel 11 Uitgangspunten rechtmatigheidsverantwoording
Er is een aantal criteria waarbij de verantwoording specifiek gaat over rechtmatigheid. Deze komen tot uitdrukking in de rechtmatigheidsverantwoording:
In relatie tot de invoering van de rechtmatigheidsverantwoording is in het eerste lid opgenomen dat de raad bepaalt op welke wijze hij door middel van de paragraaf bedrijfsvoering van de begroting en de jaarstukken geïnformeerd wil worden over rechtmatigheid. Artikel 24 van de financiële verordening is daar de uitwerking van.
Het tweede lid gaat over de verantwoordingsgrens waarboven burgemeester en wethouders moeten rapporteren aan de raad. Deze rapportagegrens wordt jaarlijks, binnen de wettelijke kaders, opgenomen in het controleprotocol dat door de raad wordt vastgesteld.
Het derde lid geeft aan boven welk bedrag afzonderlijke afwijkingen nader moeten worden toegelicht (rapportagegrens). Ook deze uitwerking vindt plaats in het jaarlijkse controleprotocol.
Artikel 12 Voorwaardencriterium
In het eerste lid wordt de definitie weergegeven van het voorwaardencriterium, het zogenaamde “normenkader”. Hierin wordt jaarlijks alle regelgeving opgenomen die van invloed is op financiële (beheers)handelingen. Voor deze regelgeving wordt de financiële rechtmatigheid getoetst.
Artikel 12 geeft aan dat jaarlijks het normenkader ten aanzien van de rechtmatigheidsverantwoording door de gemeenteraad moet worden vastgesteld en voor een bepaalde datum aan de raad moet worden aangeboden.
Artikel 13 Begrotingscriterium
Artikel 13 gaat expliciet in op de begrotingsrechtmatigheid. In het eerste lid wordt het begrip begrotings- rechtmatigheid gedefinieerd.
Dit lid beschrijft dat begrotingsrechtmatigheid wordt beoordeeld op niveau van het programmabudget, aansluitend bij het autorisatieniveau zoals genoemd in artikel 5 van de financiële verordening.
Dit lid bepaalt dat begrotingsrechtmatigheid bij investeringen wordt beoordeeld op het totale krediet en niet op (eventuele) afzonderlijke jaarschijven.
Er is een aantal situaties waarin een overschrijding weliswaar formeel onrechtmatig is maar als acceptabel kan worden gezien omdat het (1) buiten de invloedssfeer van de gemeente ligt of (2) er sprake is van overschrijding van zowel aan elkaar gerelateerde lasten en baten. De situaties waarin dat kan gelden, zijn in dit lid limitatief vastgelegd.
Artikel 14 Misbruik en oneigenlijk gebruik-criterium
Dit artikel voorziet in het zogenaamde “misbruik en oneigenlijk gebruik criterium”. In het eerste lid wordt het criterium gedefinieerd. Van misbruik is sprake bij het opzettelijk niet, niet tijdig, onjuist of onvolledig verstrekken van gegevens met als doel ten onrechte overheidssubsidies of -uitkeringen te verkrijgen of niet dan wel een te laag bedrag aan heffingen aan de overheid te betalen. Van oneigenlijk gebruik is sprake als bij het aangaan van rechtshandelingen, al dan niet gecombineerd met feitelijke handelingen, het verkrijgen van overheidsbijdragen of het niet dan wel tot een te laag bedrag betalen van heffingen aan de overheid, in overeenstemming met de bewoordingen van de regelgeving is maar in strijd met het doel en de strekking daarvan is.
Aan Burgemeester en wethouders wordt opgedragen om regels op stellen voor het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik van gemeentelijke regelingen en eigendommen. Hiertoe is door het college de nota misbruik en oneigenlijk gebruik opgesteld.
Artikel 15. Waardering en afschrijving vaste activa
In artikel 212, tweede lid, onder a, van de Gemeentewet is opgenomen, dat de Verordening financieel beleid, beheer en organisatie (artikel 212 Gemeentewet) in elk geval de regels voor waardering en afschrijving van activa bevat. Hieraan is in artikel 14 invulling gegeven. Gekozen is niet meer voor een aparte nota over waarderen en afschrijven maar kaderstelling direct in de verordening.
Hierin staan de nadere regels over de waardering van activa. Bepaalt is o.a. dat investeringen met een bedrag tot en met € 50.000 niet worden geactiveerd. Deze kosten komen in één keer ten laste van de begroting. Daarop is een aantal wettelijke uitzonderingen benoemd. In lid 2 t/m 4 staan enkele specifieke investeringen en de keuze om die wel of niet te activeren. Tot slot bepaalt lid 5 hoe wordt omgegaan met het toerekenen van directe en indirecte kosten aan een investering.
Hierin staan de regels met betrekking tot de afschrijving van investeringen. Gekozen is voor de lineaire systematiek, wat betekent dat er jaarlijks een vast bedrag aan afschrijving is gedurende de looptijd. Op gronden en terreinen wordt niet afgeschreven. De afschrijving start in het jaar volgend op de ingebruikname van de investering. Er wordt geen rekening gehouden met een restwaarde. In een bijlage bij deze verordening is een tabel met afschrijvingstermijn per soort investering opgenomen.
In het tweede lid is opgenomen dat jaarlijks een meerjareninvesteringsplan wordt opgesteld. Dit biedt integraal inzicht en versterkt daarmee de sturingsmogelijkheden van de raad.
Artikel 16. Voorziening voor oninbare vorderingen
Voor de oninbaarheid van vorderingen moet een gemeente een voorziening vormen. Dit artikel bevat regels voor het vaststellen van de hoogte van deze voorziening. Bij het artikel is onderscheid gemaakt tussen vorderingen vanuit gemeentelijke heffingen en bijstandsverstrekking en overige vorderingen.
Vorderingen op verbonden partijen en derden worden individueel beoordeeld op oninbaarheid.
Voor de in het tweede lid genoemde gemeentelijke aanslagen, heffingen en bijstandsverstrekkingen wordt een voorziening getroffen op basis van het historisch percentage van oninbaarheid. Een individuele beoordeling per aanslag of heffing is bij dit soort vorderingen namelijk zeer bewerkelijk.
Artikel 17. Reserves en voorzieningen
Het is niet noodzakelijk de rentevergoeding over reserves en voorzieningen in de beleidsbegroting, de financiële begroting, het jaarverslag en de jaarrekening aan de taakvelden toe te rekenen. Het eerste lid bepaalt daarom, dat voor de toerekening van rentelasten en rentebaten in de beleidsbegroting, de financiële begroting, het jaarverslag en de jaarrekening aan de taakvelden geen rentevergoeding over reserves en voorzieningen wordt meegenomen.
Het tweede lid bepaalt, dat burgemeester en wethouders een nota over de reserves en voorzieningen aan de raad aanbieden. Met het vaststellen van deze nota stelt de raad de kaders vast voor de vorming van reserves en voorzieningen.
Voor specifieke voornemens kan de raad een bestemmingsreserve vormen. Een deel van de algemene reserve wordt hiervoor afgezonderd. Dit lid beschrijft aan welke voorwaarden het instellen van een bestemmingsreserve moet voldoen. Nadere voorwaarden zijn gesteld in de nota reserves en voorzieningen gemeente Epe 2027.
Artikel 18. Kostprijsberekening
De grondslagen voor de prijzen die de gemeente bij overheidsbedrijven en derden in rekening brengt, en voor de tarieven van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, worden gevormd door de opbouw van de kostprijs. De overheadkosten moeten apart worden verantwoord. Ze worden bij de gemeente niet doorberekend aan de taakvelden. Daarmee is het niet mogelijk om de integrale kostprijzen in de administratie van de baten en lasten op taakvelden van de beleidsbegroting, de financiële begroting, het jaarverslag en de jaarrekening in beeld te brengen. De kostprijzen moeten extracomptabel worden berekend en vastgelegd.
Het eerste lid bepaalt dat de kostprijsberekeningen extracomptabel worden vastgelegd en dat de kostprijzen bestaan uit de directe kosten en een opslag voor de overhead en voor de rente over de inzet van vreemd vermogen, reserves en voorzieningen voor de financiering van (vaste) activa die voor desbetreffende rechten en heffingen en voor desbetreffende goederen, werken en diensten worden ingezet. Wat onder de directe kosten moet worden verstaan is via het BBV, de notitie overhead en de taakveldbeschrijving helder gedefinieerd. Op dat punt hoeft in deze verordening niets aanvullend te worden geregeld.
In het tweede lid wordt bepaald dat mutaties in voorzieningen, de kosten voor compensabele BTW, gederfde inkomsten vanwege het kwijtscheldingsbeleid en de kosten voor straatreiniging in de kostenberekening worden meegenomen.
De commissie BBV geeft aan dat de toerekening van overhead, zoals opgenomen in het overzicht overhead, aan lokale heffingen en rechten niet mag afwijken van de overige methodieken voor het toerekenen van overhead aan gemeentelijke taakvelden. In het derde lid wordt bepaald dat deze plaatsvindt als opslag over de geraamde toerekenbare personeelslasten ter grootte van de verhouding totale overheadkosten gedeeld door totaal directe personele lasten.
Als er sprake is van een rentetoerekening over het eigen vermogen, dan bepaalt het zesde lid dat dit percentage jaarlijks bij de begroting wordt vastgesteld. De notitie rente van de commissie BBV vormt hiervoor het kader.
Dit artikel bevat specifieke bepalingen voor de rentetoerekening bij vennootschapsplichtige activiteiten en grondexploitaties.
Artikel 19. Prijzen economische activiteiten
In de Wet Markt en Overheid (waarmee de Mededingingswet is gewijzigd) is opgenomen dat als een gemeente goederen, diensten of werken levert aan overheidsbedrijven of derden zij deze activiteiten niet mag bevoordelen als het economische activiteiten betreft. Economische activiteiten zijn hier activiteiten waarmee de gemeenten in concurrentie met andere ondernemingen treedt.
Het bevoordelingsverbod houdt feitelijk in dat ten minste een integrale kostprijs voor de levering van goederen, diensten en werken en het verstrekken van leningen garanties en kapitaal in rekening moet worden gebracht.
Van dit verbod kan worden afgeweken als de activiteiten worden verricht in het kader van het publiek belang. Daarvoor is wel nodig dat in een raadbesluit het publiek belang van de activiteit wordt gemotiveerd. Het raadbesluit moet worden aangemerkt als een concretiserend besluit van algemene strekking. Het besluit moet worden bekendgemaakt in een officieel elektronisch publicatieblad en moet open staan voor bezwaar en beroep. Belanghebbenden kunnen dan binnen uiterlijk zes weken na bekendmaking van het besluit een bezwaarschrift indienen bij de gemeente.
Voor het verplicht in rekening brengen van minimaal een integrale kostprijs voor de levering van goederen, werken en diensten of voor het verstrekken van leningen, garanties en kapitaal geldt een aantal uitzonderingen (artikel 25h van de Mededingingswet).
Artikel 20. Vaststelling hoogte belastingen, rechten, heffingen en prijzen
Het vaststellen van de tarieven voor belastingen, rechten, leges en heffingen is een bevoegdheid van de raad. Deze bevoegdheid kan niet worden gedelegeerd (artikel 156 van de Gemeentewet). Dit artikel bepaalt dat de raad de tarieven voor de belastingen, rechten en heffingen jaarlijks vaststelt.
Artikel 212, tweede lid, onder c, van de Gemeentewet bevat de bepaling, dat de Verordening financieel beleid, beheer en organisatie (artikel 212 Gemeentewet) in elk geval regels voor de algemene doelstelling en de te hanteren richtlijnen en limieten van de treasuryfunctie bevat. Artikel 21 bevat kaders voor het treasurybeleid. Het college legt nadere (uitvoerings)regels vast in een treasurystatuut dat ter informatie aan de raad wordt aangeboden.
Artikel 22. Publieke geldverstrekkingen
In het kader van de publieke taak kan een gemeente leningen en garanties verstrekken. Dit artikel bepaalt dat kaderstelling hiervoor in een aparte nota plaatsvindt.
In artikel 14 van het BBV staat welke informatie de paragraaf bedrijfsvoering van de begroting en de jaarstukken in elk geval moet bevatten. In dit artikel is de aanvullende informatievraag van de raad voor deze paragraaf gedefinieerd.
Artikel 25. Onderhoud kapitaalgoederen
In artikel 12 van het BBV staat welke informatie de paragraaf onderhoud kapitaalgoederen van de begroting en de jaarstukken in elk geval moet bevatten. Aanvullend is opgenomen dat inzicht wordt gegeven in de kapitaalgoederen waarvoor een onderhoudsvoorziening is gevormd.
Artikel 26. Verbonden partijen
In artikel 15 van het BBV staat welke informatie de paragraaf verbonden partijen van de begroting en de jaarstukken in elk geval moet bevatten. In dit artikel is deze aanvullende informatievraag van de raad voor deze paragraaf gedefinieerd.
Burgemeester en wethouders bieden aan de raad een nota grondbeleid aan. Met de nota kan de raad de kaders voor het toekomstig grondbeleid vaststellen.
Onder artikel 26 zijn algemene bepalingen opgenomen voor de inrichting van de gemeentelijke administratie.
Artikel 29. Financiële organisatie
Burgemeester en wethouders zijn op grond van artikel 160 van de Gemeentewet bevoegd regels te stellen over de ambtelijke organisatie. Deze bevoegdheid betreft ook het stellen van regels voor de financiële organisatie, blijkt uit het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State en het nader rapport uit 2003 over de wijziging van artikel 212 van de Gemeentewet. Artikel 27 geeft een opsomming op welke terreinen van de financiële organisatie burgemeester en wethouders beleid en interne regels stellen.
De accountant toetst jaarlijks of de gemeenterekening een getrouw beeld geeft van de gemeentelijk financiën. Het eerste lid draagt burgemeester en wethouders op maatregelen te treffen, zodat gedurende het jaar of vooraf aan de accountantscontrole de gemeente zelf nagaat of de cijfers in de administraties een getrouw beeld geven en of de financiële beheershandelingen die aan de baten, de lasten en de balansmutaties ten grondslag liggen, rechtmatig (zijn) verlopen.
Het tweede lid bepaalt, dat burgemeester en wethouders maatregelen treffen, zodat wordt gecontroleerd of de administratie van materiële bezittingen zoals gebouwen, voertuigen, computers, voorraden en de administratie van het financieel vermogen zoals aandelen en overeenkomsten van leningen, geldmiddelen, debiteurenvorderingen e.d. overeenkomen met hetgeen de gemeente daadwerkelijk bezit. Voor veel van deze bezittingen wordt een jaarlijkse controle gevraagd.
Artikel 31. Intrekking oude regeling
Volgens de Gemeentewet is een begrotingsjaar gelijk aan een kalenderjaar. In begrotingsjaar t worden de jaarstukken uit het begrotingsjaar t-1 vastgesteld, wordt uitvoering gegeven aan de begroting voor het jaar t en wordt tot slot de begroting voor het jaar t+1 vastgesteld. De nieuwe verordening is van toepassing op alle stukken die betrekking hebben op het begrotingsjaar t+1 en later.
De oude verordening is ondanks het intrekken nog wel van toepassing op de jaarstukken van het begrotingsjaar t-1 en de begroting en jaarstukken van het jaar t. Hiervoor is in het artikel een overgangsbepaling opgenomen.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-358544.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.