Gemeenteblad van Almere
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Almere | Gemeenteblad 2026, 350306 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Almere | Gemeenteblad 2026, 350306 | beleidsregel |
Beleid toezicht en handhaving Wet kinderopvang Almere 2026
Het college van burgemeester en wethouders van gemeente Almere heeft op 23 juni 2026 de volgende beleidsregel vastgesteld:
We willen dat ieder kind de kans krijgt om zich zo goed mogelijk te ontwikkelen. Een sterke start begint bij goede kinderopvang. Dat betekent een veilige en gezonde omgeving, waar kinderen worden begeleid door vaste en vertrouwde professionals. Wij wensen de kinderopvang in Almere pedagogisch medewerkers toe die maximaal bijdragen aan de persoonlijke en sociale ontwikkeling van kinderen. Zij helpen kinderen om zich zeker te voelen, samen te spelen en belangrijke waarden en vaardigheden te leren die later in het onderwijs en in de samenleving van betekenis zijn.
Ons beleid op het gebied van handhaving en toezicht op de wet kinderopvang uit 2018 heeft jarenlang goed gefunctioneerd. In 2025 hebben we echter gezien dat er knelpunten zijn ontstaan in het beleid en de manier waarop we dit in praktijk uitvoeren:
Met dit uitvoeringsplan maken we een start met het uitvoeren van de verbeterkansen die we zien.
Samenvatting van ons beleid dat is vastgelegd in dit uitvoeringsplan
Waarom we toezicht houden op de wet kinderopvang
Om te zorgen voor een sterke start voor ieder kind hebben wij de ambitie dat Almere alleen goede kinderopvang heeft. Voor een goede ontwikkeling van jonge kinderen is een veilige omgeving belangrijk. Dit draagt bij aan de ontwikkeling en toekomst van kinderen in Almere.
Om goede kinderopvang te bereiken hanteert gemeente Almere een rechtvaardige, maar directe aanpak in de uitvoering van haar wettelijke taak, binnen de verantwoordelijkheden en regels die we hebben gekregen van de Rijksoverheid.
Wat we doen om onze doelen te bereiken
Om te bereiken dat we alleen goede kinderopvang hebben in Almere zetten we ons vanuit drie rollen in voor kinderen in Almere:
Ons vergunningenproces gaat uit van het principe ‘streng aan de poort’: Om ervoor te zorgen dat alleen kwalitatief goede organisaties kunnen starten, verlenen we pas toestemming voor een nieuwe kinderopvangvoorziening wanneer aan alle basisvoorwaarden voor een veilige en verantwoorde locatie is voldaan.
Toezicht door de GGD is gericht op duurzaam herstel van gebreken: De GGD levert ons (aangewezen) toezichthouders die met kennis van zaken inspecties uitvoeren om in beeld te houden wat de kwaliteit van kinderopvangorganisaties is. De jaarlijkse controles vinden plaats door middel van een risico inschatting en worden uitgevoerd op basis van het ‘flexibel toezicht’ principe, waarbij controlepunten kunnen variëren als de situatie dit nodig maakt. De GGD kan advies geven wanneer we hiermee zwaardere handhavingsprocedures kunnen voorkomen.
Handhaving door de gemeente is gericht op duurzaam herstel op een zo effectief mogelijke manier: wanneer de wettelijke toezichthouder (GGD) aangeeft dat handhaving noodzakelijk is, pakken we dit direct op. Ons doel is om zo snel mogelijk te zorgen voor duurzaam herstel van de geconstateerde overtredingen om zo verantwoorde en veilige kinderopvang te waarborgen. We vragen de GGD niet onnodig om aanvullende onderzoeken, maar zetten deze alleen in wanneer dit bijdraagt aan een efficiënt en doelgericht handhavingsproces. Als de situatie dit in het uiterste geval nodig maakt gaan we over tot een exploitatieverbod. Dit doen we liever niet, maar we zetten dit zware middel wel in als het echt nodig is. Vanwege het borgen van goede afwegingen over onze handhavingsaanpak zijn we continu in gesprek met de GGD over kansen die er zijn om op een andere manier te zorgen voor continuïteit van het aanbod voor kinderen om zich op een goede manier te kunnen ontwikkelen in Almere.
Overeenkomsten en verschillen met het verleden
Dit uitvoeringsplan zorgt voor een verheldering van onze opvattingen over het benodigde toezicht op de Wet kinderopvang. Om een maatschappelijk effect te bereiken passen we de werkwijze, processen en werkprocessen van de gemeente op de achtergrond hierop aan. Ons doel om goede kinderopvang te bevorderen is ongewijzigd. Dit uitvoeringsplan is slechts een aanscherping en verduidelijking van ons werkproces. Dit doen we mede om te bereiken dat de kleine groep aan kinderopvanglocaties die structureel niet in staat is om regels na te leven een gelijkwaardige behandeling krijgt aan locaties die het structureel goed doen. We willen dat de goede locaties voordelen ervaren en locaties waar houders de zaken structureel niet op orde hebben juist merken dat de gemeente duidelijk en strikt(er) optreedt.
Een ander verschil tussen dit uitvoeringsplan en de voormalige beleidsregels is dat dit uitvoeringsplan is geactualiseerd op basis van het beleid dat de omliggende gemeenten Amsterdam en Lelystad uitvoeren. Dit uitvoeringsplan lijkt daarmee sterk op het uitvoeringsplan van Gemeente Amsterdam en haar handhavingsprocedures en richtlijnen. Ten aanzien van de hoogte van de dwangsommen/bestuurlijke boetes is aansluiting gezocht op het beleid van de gemeente Lelystad.
Door aan te sluiten op het beleid van de omliggende gemeenten willen we bijdragen aan een gelijk(er) speelveld voor ondernemers die in de regio actief zijn en een waterbedeffect voorkomen van ondernemers die op zoek gaan naar een gemeente waar het toezicht minder actief plaatsvindt.
Dit uitvoeringsplan krijgt pas een maatschappelijk effect wanneer we het in praktijk uitvoeren. Jaarlijks monitoren we de effecten van ons (hernieuwde) beleid en delen we onze bevindingen met de Inspectie voor het Onderwijs en met de Raad in een raadsbrief.
Goede kinderopvang is van grote waarde voor de ontwikkeling van ieder kind. Een veilige en stimulerende omgeving helpt kinderen om hun talenten te ontdekken en geeft hen een sterke basis voor de toekomst. In Almere hechten we daarom veel belang aan kinderopvang van hoge kwaliteit. Alleen opvang die aansluit bij onze ambities voor professionaliteit en pedagogische kwaliteit krijgt een plek in onze stad.
Daarmee zetten we ons stevig in voor het welzijn van kinderen in Almere. Alle Almeerse kinderen verdienen namelijk een goede start, ook wanneer zij hun week gedeeltelijk (niet thuis) doorbrengen (maar) in de kinderopvang.
We verwachten van aanbieders dat zij hun professionaliteit tonen, verantwoordelijkheid nemen voor de kwaliteit van hun locaties en blijven investeren in een sterke pedagogische basis. Andersom mogen kinderopvangorganisaties rekenen op een betrouwbare professionele overheid, bestaande uit de gemeente als bevoegd gezag en de GGD als aangewezen toezichthouder. Een overheid die goed gedrag beloont en structurele overtredingen op duidelijke wijze aanpakt.
In dit uitvoeringsplan beschrijven we hoe de gemeente deze ambitie samen met de GGD uitvoert: kritisch waar nodig, en gericht op stimuleren en samenwerken waar het kan. Samen bouwen we aan een nog hoger kwaliteitsniveau in de Almeerse kinderopvang. Want elk kind verdient een veilige plek om te groeien, te spelen en zich te ontwikkelen.
Dit uitvoeringsplan is grotendeels gebaseerd / overgenomen uit het uitvoeringsbeleid van Gemeente Amsterdam. Handhavingsprocedures en richtlijnen voor de hoogte van dwangsommen/ bestuurlijke boetes sluiten aan op het beleid dat de gemeente Lelystad hanteert. Door aan te sluiten op omliggende gemeenten willen we bijdragen aan een gelijk(er) speelveld voor ondernemers die in de regio actief zijn en een waterbedeffect voorkomen van ondernemers die op zoek gaan naar een gemeente waar het toezicht minder actief plaatsvindt.
In de kinderopvang moeten kinderen zich veilig voelen en de ruimte krijgen om zich te ontwikkelen. Kinderopvang draagt zo bij aan een goede start voor kinderen in het basisonderwijs en de samenleving. De Rijksoverheid heeft daarom in de Wet kinderopvang en aanverwante wet- en regelgeving (hierna: de Wet) eisen opgesteld waaraan kinderopvangorganisaties zich moeten houden. Gemeente Almere is verantwoordelijk voor een goede uitvoering van de wet. De GGD is aangewezen als toezichthouder van de wet en voert namens de gemeente controles uit bij kinderopvanglocaties. De gemeente besluit op basis van het advies van de GGD over het handhavend optreden.
Ons beleid op het gebied van handhaving en toezicht op de wet kinderopvang uit 2018 heeft jarenlang goed gefunctioneerd. In 2025 hebben we echter gezien dat er knelpunten zijn ontstaan in het beleid en de manier waarop we dit in praktijk uitvoeren:
We zien dat een kleine minderheid van de kinderopvanglocaties er structureel niet in slaagt om aan de wettelijke eisen te voldoen. De inzet die nodig is om deze locaties weer op orde te krijgen is groot en neemt bovendien toe. Op basis van de huidige gemeentebegroting is er onvoldoende budget om in de toekomst nog meer inspanningen te leveren. We zien kansen om het proces efficiënter en effectiever te maken. Kansen liggen bijvoorbeeld in een snelle(re) gemeentelijke juridische opvolging van voorstellen tot handhaving van de GGD en duidelijke communicatie over de handhavingsprocedure. In praktijk betekent dit dat de gemeente voortvarender handelt.
Met dit uitvoeringsplan volgen we het advies van Inspectie voor het Onderwijs op en maken we een start met het uitvoeren van de verbeterkansen die we zien.
Ons doel is ongewijzigd ten opzichte van het vorige beleid uit 2018: We willen dat er in Almere kinderopvanglocaties worden geëxploiteerd met hoge kwaliteit. Met toezicht bevorderen we de kwaliteit. We houden ons in onze toezichtstaak aan onze wettelijke verplichtingen op het gebied van bijvoorbeeld het aantal controles per jaar.
Wijzigingen ten opzichte van eerder beleid
Het verschil tussen dit uitvoeringsplan met de uitvoering die we gaven aan onze wettelijke taak, op basis van de beleidsregels uit 2018 is als volgt: In praktijk zetten we ons maximaal in op vertrouwen en het in gesprek zijn met ondernemers. Dit had tot gevolg dat we bij een klein gedeelte van de kinderopvanglocaties jaarlijks meerdere onderzoeken door de GGD lieten uitvoeren, zonder dat dit verbetering bracht in de kwaliteit. In dit nieuwe beleid kiezen we voor een efficiënter en effectiever handhavingsproces, waarbij we het goede gesprek en vertrouwen in ondernemers nog steeds centraal stellen. We gaan waar nodig echter eerder over op handhavende maatregelen en kortere procedures, zodat ondernemers direct weten waar ze aan toe zijn.
We maken gebruik van beleid uit omliggende gemeenten
Een ander verschil tussen dit uitvoeringsplan en de voormalige beleidsregels is dat dit uitvoeringsplan veel lijkt op het uitvoeringsplan van Gemeente Amsterdam. Ook sluiten de handhavingsprocedures en richtlijnen voor de hoogte van dwangsommen / bestuurlijke boetes aan op het beleid dat de gemeente Lelystad hanteert.
2. Wettelijk kader en gemeentelijke taak
Ons beleid is vooral een bekrachtiging van uitgangspunten die eerder door de gemeente Almere zijn vastgelegd. Uitgangspunten zijn duidelijker geformuleerd en afspraken over monitoren en borgen van de gewenste aanpak zijn verhelderd. Het beoogde resultaat is dat de kleine minderheid van ondernemers die regels herhaaldelijk niet naleeft sneller worden aangespoord tot beter gedrag via handhaving. Dit draagt bij aan goede kinderopvang en doet recht aan de grote meerderheid van ondernemers die de kwaliteitseisen uit de Wet kinderopvang wel opvolgen.
Onder kinderopvang en kindercentra wordt het volgende verstaan:
Voor deze voorzieningen stelt de Wet kinderopvang kwaliteitseisen aan het pedagogisch klimaat, het personeel en de groepen, de veiligheid en gezondheid, de kwaliteit van de accommodaties, de administratie van het gastouderbureau en het ouderrecht.
Deze kwaliteitseisen en andere eisen zijn verder uitgewerkt in nadere regelgeving die te vinden is via www.wetten.overheid.nl. Momenteel gaat het bijvoorbeeld om het Besluit kwaliteit kinderopvang en Regeling Wet kinderopvang. De wetgeving is continu in ontwikkeling. Voor de meest recente wetgeving wordt daarom verwezen naar informatie van de Rijksoverheid.
De gemeente is verantwoordelijk voor het toezicht op de naleving van deze wet.
Dit plan beschrijft hoe gemeente Almere doorgaans van haar wettelijke bevoegdheden gebruik zal maken. Dit betekent niet dat het een rigide voorschrift is: de gemeente kan hier gemotiveerd van afwijken.
Toelichting gemeentelijke taak
De verantwoordelijkheid van het college bestaat uit drie kerntaken: vergunningverlening, toezicht en handhaving.
Om bij te dragen aan landelijke uniformiteit, geeft de wet niet alleen landelijke eisen aan de kinderopvang, maar ook aan de wijze waarop de vergunningverlening, toezicht en handhaving plaatsvindt. Zo is de GGD bij wet aangewezen als toezichthouder, is de procedure bij aanvragen en wijzigingen wettelijk vastgelegd en heeft het de gemeente een beginselplicht tot handhaving.
De gemeente kan binnen de wettelijke kaders keuzes maken over de invulling van haar taken. Keuzes zijn bijvoorbeeld mogelijk over de werkwijze bij het signaleren van overtredingen en handhavingsinstrumenten die de gemeente inzet. Hierna beschrijven we de keuzes die gemeente Almere maakt.
3. Werkwijze VTH van de Wet kinderopvang in de Almere
We zetten drie rollen in om te sturen op de kwaliteit van kinderopvang: die van vergunningverlener, toezichthouder en handhaver (VTH). Dit hoofdstuk beschrijft per fase in de keten de werkwijze.
Als de gemeente goed toetst aan de poort en consequent toezicht houdt en handhaaft fungeert de VTH keten als motivatie om de kwaliteitseisen na te leven. De inzet van de toezichthouders en handhavers is uit overwegingen van efficiëntie en effect georganiseerd op een risico gestuurde manier: meer waar nodig, minder waar het kan.
Ouders moeten erop kunnen vertrouwen dat de kinderen vanaf de eerste dag in een veilige en verantwoorde omgeving worden opgevangen. Gemeente Almere is daarom streng aan de poort: alleen goede kinderopvang mag starten en blijven in Almere. Deze werkwijze levert een belangrijke bijdrage aan het terugdringen van locaties waar het niet goed gaat: voorkomen van slecht presterende opvang is beter dan later moeten herstellen.
Hoewel het strikt genomen niet de juiste benaming is, gebruiken we voor het gemak de beschrijving ‘vergunningverlening’ voor de procedure die de gemeente toepast. Om te zorgen dat alleen goede organisaties de markt betreden, geeft de gemeente alleen toestemming voor de start van een voorziening voor kinderopvang als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
Een houder van een kindercentrum of voorziening voor gastouderopvang moet concreet aantonen dat vanaf de start aan alle kwaliteitseisen kan worden voldaan. De toezichthouder beoordeelt daarom alle kwaliteitsaspecten vooraf, de kwaliteit van het beleid, de accommodatie en het personeel. De toezichthouder geeft pas een positief advies als aan alle eisen is voldaan.
De toezichthouder betrekt de organisatie-inrichting, het interne kwaliteitsbeleid en de bedrijfsvoering van een houder bij de beoordeling. Het is tenslotte niet alleen van belang dat bij de start aan de kwaliteitseisen wordt voldaan, maar ook dat de houder structureel voldoende kwaliteit kan bieden.
De kwaliteit van andere voorzieningen van de aanvrager weegt mee bij de beoordeling. Als er ernstige handhaving loopt bij een andere vestiging van de houder, dan mag een houder geen nieuwe opvang starten totdat de overtredingen zijn hersteld. Andersom leidt goede kwaliteit bij andere voorzieningen sneller tot een positief besluit.
We geven alleen toestemming voor de start of uitbreiding als ook alle relevante eisen met betrekking tot bouw, brandveiligheid en bestemmingen aanwezig en in orde zijn. Bouwtechnische en brandveiligheidseisen kunnen namelijk directe gevolgen hebben voor de veiligheid van de kinderopvang. En als de kinderopvang niet past in het bestemmingsplan, heeft dit gevolgen voor de beschikbaarheid en het gebruik van de binnen- en buitenruimtes.1
Niet alleen bij nieuwe locaties, maar ook bij uitbreidingen, verhuizingen en overnames van bestaande voorzieningen zijn we streng aan de poort. Alleen bij voldoende kwaliteit geeft de gemeente toestemming. Hierbij houdt zij wel het belang van de continuïteit van de opvang in het oog. Bij een tijdige aanvraag stemmen vergunningverlener en toezichthouder het traject af met de ouder om bij te dragen aan een soepele overgang.
Toezicht betekent aanspreken op verantwoordelijkheid
De GGD houdt risico-gestuurd toezicht op de naleving van de kwaliteitseisen. Dat betekent: meer waar nodig, minder waar kan. De werkwijze van de toezichthouder past bij de uitgangspunten in dit plan: het toezicht is steviger op de locaties waar de kwaliteit niet vanzelfsprekend hoog is. De toezichthouder beoordeelt de kwaliteit op locatie, maakt hiervan een rapport en adviseert aan de de gemeente. Bij overtredingen biedt de toezichthouder in de regel de mogelijkheid om aan te tonen hoe de houder deze oplost, nog tijdens de onderzoeksperiode. Uitgangspunt van de toezichthouder daarvoor is altijd dat sprake is van structureel blijvend herstel.
De GGD stelt voor kindercentra en gastouderbureaus na ieder jaarlijks onderzoek – en indien nodig vaker – een risicoprofiel op, waarmee wordt bepaald hoeveel toezicht en inspectielast nodig is Hiervoor wordt een landelijk vastgesteld model gebruikt, met verschillende indicatoren.
‘De GGD onderzoekt bij ieder kindercentrum jaarlijks ten minste de minimale verplichte kwaliteitseisen. Eerdere uitgangspunten over de minimaal te inspecteren items zijn sinds enkele jaren losgelaten, zodat de inspectie minder voorspelbaar is en meer ruimte is voor maatwerk. Afhankelijk van onder andere het risicoprofiel onderzoekt de GGD de overige eisen. Op locatieniveau houdt de GGD bovendien rekening met locatiekenmerken en meldingen en signalen. Overtredingen bij een of meerdere kindercentra van een houder kunnen ook leiden tot verscherpt toezicht bij andere kindercentra van dezelfde houder. Bij gastouders betrekt de toezichthouder het risicoprofiel van het gastouderbureau. De GGD bepaalt daarbij jaarlijks aan welke speerpunten in het toezicht ze extra aandacht besteedt en stemt deze af met de lokale brancheorganisaties. De speerpunten zij afhankelijk van ontwikkelingen in lokaal of landelijk beleid, calamiteiten en signalen uit het toezicht.
Vanaf dit jaar is er landelijk en regionaal gestart met de invulling van het duurzame herstel. Dit houdt concreet in dat er niet enkel herstelaanbod wordt gegeven waarbij een houder de kans krijgt op korte termijn de tekortkoming op te lossen, maar dat er vervolgens van de houder verwacht wordt aantoonbaar te maken hoe deze tekortkoming in de toekomst niet meer gaat plaatsvinden. Soms zien de toezichthouders dat dezelfde tekortkomingen met regelmaat terugkomen, denk daarbij aan het tijdig registreren in het Landelijk Register Kinderopvang. Wij verwachten van houders dat ze zich verantwoordelijk voelen dat tekortkomingen niet meer zullen plaatsvinden door aantoonbare veranderingen in hun bedrijfsvoering.
Dit sluit aan op landelijke regels en beleid:
Landelijk is bepaald dat de toezichthouder bij overtredingen een herstelaanbod kan doen. Dat betekent dat de toezichthouder binnen de onderzoekstermijn de mogelijkheid biedt om aan te tonen dat een overtreding is opgeheven. Kinderopvanglocaties waar de kwaliteit structureel ondermaats is zullen hier doorgaans niet voor in aanmerking komen, omdat zij niet aan de criteria voldoen.
Een herstelaanbod levert een belangrijke bijdrage aan het doel om kwalitatief goede kinderopvang te bestendigen. Het komt tot stand door overeenstemming tussen houder en toezichthouder over de gewenste kwaliteit en daarvoor binnen een bepaalde termijn te nemen maatregelen. Dit leidt tot snellere inzet van het herstel en een betere inschatting van de nalevingsbereidheid. De toezichthouder beschrijft in het rapport de overtreding én of het herstelaanbod tijdig is nagekomen. Daarbij kijkt de toezichthouder vooral of de overtredingen hersteld zijn en of de situatie structureel verbeterd is.
De GGD geeft een herstelaanbod bij overtredingen van in beginsel alle voorschriften, tenzij
De toezichthouder beslist of een herstelaanbod wordt gedaan en welke termijn daarvoor geldt. De toezichthouder beoordeelt binnen de onderzoeksperiode of de overtreding is opgeheven en neemt de resultaten op in het inspectierapport. Na afloop van de onderzoeksperiode volgt er een advies aan de gemeente.
Het herstelaanbod heeft invloed op de inzet van handhaving. In het rapport is feitelijke informatie opgenomen over de mate van herstel en de nalevingsbekwaamheid en -bereidheid van de houder. De handhaver (een juridisch medewerker van de gemeente) weegt dit mee in het handhavingsbesluit en blijft altijd bevoegd om een herstelmaatregel op te leggen. Ook is het mogelijk om na herstel een boete op te leggen voor de overtreding die in het verleden is begaan.
De gemeente stimuleert ouders, beroepskrachten, professionals of andere betrokkenen om meldingen en signalen over de kwaliteit te delen. Ook informatie van de Belastingdienst/Toeslagen kan voor de GGD belangrijke signalen leveren. De toezichthouder behandelt elk signaal en bepaalt welke actie nodig is, bijvoorbeeld een extra onderzoek of extra aandacht gelet op de aard van het signaal tijdens een jaarlijks onderzoek. Daarnaast heeft de GGD de mogelijkheid om zelf actief signalen te delen met andere toezichthouders in de kinderopvang. Dit zijn bijvoorbeeld de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit en gemeentelijk toezicht op het gebied van brandveiligheid. Ook kan de GGD signalen delen met de toezichthouder op de kinderopvang in andere gemeentes. Delen van signalen is erop gericht om de kwaliteit te verbeteren, afstemming tussen de toezichthouders te bevorderen en overlap in taken te voorkomen en de toezichtlast te beperken.
Als de kwaliteit van de kinderopvang zo ernstig tekortschiet dat de (emotionele) veiligheid en gezondheid van de kinderen direct in het geding komt, heeft de toezichthouder de mogelijkheid om een schriftelijk bevel af te geven aan een kindercentrum, gastouderbureau of gastouder. Dit doet de toezichthouder in ernstige gevallen, als het nemen van maatregelen geen uitstel kan lijden. Het bevel heeft een geldigheidsduur van 7 dagen en kan door de gemeente worden verlengd. Indien er geen of onvoldoende herstel plaatsvindt, zal de handhaver verder optreden.
Wij vinden het belangrijk om zicht te hebben op de kwaliteit van de kinderopvang in de stad, niet alleen voor een individuele voorziening maar ook breder. De GGD rapporteert jaarlijks over verschillende kwaliteitsaspecten om individuele onderzoeksresultaten in een breder perspectief te kunnen plaatsen. Hiermee signaleert de GGD trends, verschillen tussen (soorten) organisaties en de spreiding van de kwaliteit in de stad.
De gemeente gebruikt verschillende handhavingsinstrumenten om kinderopvangorganisaties tot naleving van de kwaliteitseisen te bewegen. Bij de keuze voor de best passende wijze van ingrijpen redeneert de handhaver (een juridisch medewerker van de gemeente) vanuit de doelen van dit uitvoeringsplan: bestendigen van goede kinderopvang, het snel verbeteren van minder goede en het stevig inzetten op herstel of sluiting van locaties met een structureel lage kwaliteit.
Wanneer het gaat om het bestendigen van goede opvang hebben kinderopvang-organisaties een eigen verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van de kinderopvang en om tekortkomingen snel te verbeteren. Door kinderopvanghouders hiertoe in de gelegenheid te stellen, pakken zij tekortkomingen eerder op en kan dit onnodig handhaven voorkomen. Wanneer de houder de betreffende overtreding (structureel) heeft hersteld kunnen we hiervan afzien.
Handhaving is gericht op structureel herstel
We zetten in op structureel herstel en kiezen het handhavingsinstrument dat er niet alleen op inzet dat de houder een eenmalige overtreding opheft, maar er ook aan bijdraagt dat deze tekortkomingen structureel opgelost blijven.
Bij de keuze voor de te volgen werkwijze weegt de handhaver mee of de houder direct gestart is met verbetermaatregelen en of de houder eerder voldoende nalevingsbereidheid heeft getoond. Ook is het van belang dat sprake is van een kwalitatief goede en transparante bedrijfs- en beleidsvoering, waarbij geen twijfels kunnen bestaan over de naleving. Daarvoor zijn onder andere een inzichtelijke en transparante organisatie, beleidsvoering en administratie van belang. Afzien van bestuurlijke handhaving, betekent niet dat er geen toezicht is op de kwaliteit en de voortgang van het herstel. De houder moet de gemeente op de hoogte houden van de genomen verbetermaatregelen. Ook kan de toezichthouder (nader) onderzoek uitvoeren om te beoordelen in hoeverre de houder daadwerkelijk zelf zorgdraagt voor kwaliteitsverbetering. Wanneer blijkt dat dit niet of onvoldoende het geval is, dan zetten we alsnog bestuurlijke handhaving in om de naleving af te dwingen.
Soorten handhavingsbesluiten 2
Bij herstellende handhaving kiezen we doorgaans voor de volgende handhavingsmaatregelen:
De houder krijgt een aanwijzing. Hierin geeft de gemeente aan welke maatregelen de houder moet nemen om de wettelijke voorwaarden na te leven. Een aanwijzing kan ook een concretisering van wettelijke regels bevatten voor de specifieke situatie. Met de aanwijzing zetten we in op structurele verbetering. Dat betekent dat de overtreding niet alleen moet worden opgeheven, maar dat een houder ook maatregelen moet nemen om te voorkomen dat hij de overtreding opnieuw begaat.
Last onder dwangsom: Wanneer blijkt dat de aanwijzing niet tot herstel van de overtreding heeft geleid, legt de gemeente in principe een last onder dwangsom op. Met een last onder dwangsom wordt de houder verplicht om maatregelen uit te voeren binnen een aangegeven termijn. Als een houder binnen de hersteltermijn de overtreding opheft, hoeft deze de dwangsom niet te betalen, zo niet is de houder de gemeente een dwangsom verschuldigd. Zowel de aanwijzing als de last onder dwangsom blijft geldig, ook nadat de overtreding is hersteld.
Bestuurlijke boete: naast het herstellend traject waar bijvoorbeeld de last onder dwangsom onder valt, l legt de gemeente bij enkele ernstige overtredingen direct een boete op. Dus ook als sprake is van een eenmalige overtreding of als de overtreding inmiddels is hersteld. Zo legt gemeente altijd een boete op bij het ontbreken van een geldige verklaring omtrent het gedrag bij personeel op de groep en bij het inzetten van te weinig beroepskrachten. Ook bij niet gemelde exploitatie of wijzigingen daarvan en het niet meewerken aan de toezichthouder volgt direct een boete, omdat hierdoor sprake is van onttrekking aan het toezicht en daarmee aan zicht op de kwaliteit.
Het afwegingsschema in bijlage 1 geeft een overzicht van de boetebedragen en richtlijnen voor dwangsombedragen die we hanteren. Wanneer nieuwe regelgeving hier aanleiding toe geeft, actualiseren we deze bedragen en stelt het college van burgemeester en wethouders deze opnieuw vast. Het afwegingsschema beschrijft de overtredingen en het maximale boetebedrag per overtreding.
De handhaver (een juridisch medewerker van de gemeente) kan ervoor kiezen om dit bedrag naar beneden bij te stellen. Een bestuurlijke boete mag zijn doel niet voorbij schieten. Het is bedoeld om te corrigeren met een goed gedoseerde prikkel en niet om onevenredige financiële ‘schade’ toe te brengen. In geval van recidive kan het bedrag worden verhoogd.
Voor alle overige overtredingen leggen we een last onder dwangsom op als het kindercentrum de maatregelen uit de aanwijzing niet heeft uitgevoerd. De wet kinderopvang beschrijft meer dan 100 wettelijke voorwaarden. In de bijlage zijn per inspectiedomein richtlijnen opgenomen voor het handhavingsproces.
De hoogte van de dwangsom hangt in praktijk af van alle omstandigheden van het geval. Herhaling of voortduren van overtredingen zullen daarbij in de regel tot een relatief hoge dwangsom leiden. Terwijl het nemen van maatregelen waardoor de nadelige gevolgen van een overtreding worden beperkt kunnen leiden tot het opleggen van een relatief lage dwangsom binnen de aangegeven bandbreedte.
Wij streven naar kwalitatief goede kinderopvang: voor slechte opvang is geen plaats. Bij overtredingen neemt de gemeente handhavingsmaatregelen gericht op structureel herstel. Bij locaties waar de kwaliteit structureel ondermaats is of waar sprake is van urgente, ernstige overtredingen, past de gemeente maatwerk toe. Toezichthouder en handhaver sturen daar gezamenlijk en afgestemd op de situatie op snelle structurele verbetering. In een maatwerksituatie kan de gemeente alle bestuurlijke handhavingsinstrumenten inzetten die zij nodig acht.
Als duurzame verbetering van de kwaliteit van een kindercentrum desondanks uitblijft volgt (tijdelijke) sluiting (een exploitatieverbod en verwijdering van de registratie uit het landelijk register kinderopvang). Bij een tijdelijke sluiting moet de kinderopvang gesloten blijven zolang niet aan de kwaliteitseisen wordt voldaan. Pas als de houder aantoont dat de kwaliteit verbeterd is en blijft, mag de kinderopvang weer open. Als een houder de kwaliteitseisen structureel niet naleeft, na verbetering opnieuw overtredingen worden begaan, veel en/of ernstige overtredingen of overtredingen die redelijkerwijs niet kunnen worden hersteld, sluit de kinderopvang permanent. De sluiting van een voorziening is een zware maatregel en betekent altijd maatwerk.
Handhaving gebeurt in beginsel op locatieniveau waarbij de gemeente rekening houdt met overtredingen bij andere locaties van de houder. Parallel aan de handhaving op locatieniveau, overlegt de handhaver met de houder zodat deze overtredingen die organisatiebreed voorkomen beter en sneller kan herstellen. Het doel is om de houder te stimuleren zijn verantwoordelijkheid te nemen: bij constateringen bij één locatie stimuleren we de houder om organisatie breed verbeteringen door te voeren. Dit heeft een positieve weerslag op de kwaliteit en draagt bij aan efficiëntie, aangezien dit sneller leidt tot herstel van overtredingen op andere locaties.
Onze werkwijze voor kindercentra, is ook van toepassing op de gastouderopvang. De gemeente houdt in het proces wel rekening met de aard van de opvang.
Gastouderopvang vindt plaats in de woning van de gastouder of het kind en is kleinschalig en persoonlijk. De wettelijke kwaliteits- en toezichtseisen wijken af van die voor kindercentra. Er zijn lagere eisen aan de kwalificatie van de gastouder en ook aan het pedagogisch beleidsplan worden minder eisen gesteld. Bij gastouderopvang is in tegenstelling tot de kindercentra geen sprake van een vierogen principe. Er is dus minder zicht op de dagelijkse praktijk. Ook zijn de verantwoordelijkheden anders verdeeld: niet alleen de gastouder (de houder van de voorziening) is verantwoordelijk voor de kwaliteit, maar ook het gastouderbureau dat bemiddelt en begeleidt.
De GGD voert reguliere jaarlijkse inspectieonderzoeken, onderzoeken na aanvraag tot exploitatie en incidentele onderzoeken bij wijzigingen uit. In totaal bereikt de GGD hiermee jaarlijks conform de Wet circa 50% van de gastoudervoorzieningen.
Jaarlijks bezoekt de GGD, conform de wettelijke norm, álle gastouderbureaus in Almere. Gastouderbureaus dragen direct bij aan de kwaliteit van de opvang door goede begeleiding en bemiddeling. Zij zijn verplicht hun gastouders meerdere keren per jaar te bezoeken. Het college intensiveert het toezicht op de gastouderbureaus door standaard uitgebreider onderzoek te doen. De bezoeken bij gastouderbureaus zijn in de regel altijd aangekondigd.
Bij de handhaving op de gastouderopvang houden we rekening met:
Boetes bij niet gemelde wijzigingen: gastouderbureaus zijn medeverantwoordelijk voor het toezicht op de gastouderopvang en de GGD doet alleen steekproefsgewijs onderzoek. Daarom is het van belang dat er goed zicht is op de opvang: hoe is het geregeld, waar is wel en geen opvang en wie kan daarvoor worden aangesproken. Een boete wordt direct opgelegd bij het niet melden van een uitbreiding, het niet melden van de start of beëindiging van bemiddelingsrelaties en het niet melden van de beëindiging van de exploitatie van de voorziening.
Snellere sluiting: bij een gastouder gaat de gemeente sneller over tot sluiting (exploitatieverbod) van de opvangvoorziening, omdat er minder mogelijkheden zijn voor herstel. De kwaliteit van de opvang is namelijk onlosmakelijk verbonden aan de gastouder en de gemeente verwacht daarom geen verbetering na herhaling van overtredingen.
Voor kinderdagverblijven met voorschoolse educatie gelden aanvullende wettelijke kwaliteitseisen. De gemeente zet hiervoor aanvullend, stimulerend toezicht in.
Kinderopvang met voorschoolse educatie heeft een aanbod om peuters te stimuleren in hun ontwikkeling en voor te bereiden op de basisschool. Voor voorschoolse educatie gelden wettelijke en aanvullende gemeentelijke kwaliteitseisen, waar de GGD toezicht op houdt. De toezichthouder heeft hierbij een signaalfunctie richting de Inspectie van het Onderwijs die toezicht houdt op de gehele voor- en vroegschoolse educatie (vve).
De wettelijke kwaliteitseisen maken standaard onderdeel uit van het jaarlijks onderzoek. Dit zijn bijvoorbeeld eisen aan het minimaal aantal uur aanbod, de opleidingseisen van de beroepskrachten en het gebruik van een erkend VVE-programma dat zich richt op de ontwikkeling van het kind. Als sprake is van een overtreding van de wettelijke basisvoorwaarden voor voorschoolse educatie, informeert de toezichthouder de inspectie van het onderwijs. Deze gebruikt de informatie als signaal in het eigen toezicht. Ook voor de VVE-gerelateerde eisen, waaronder zowel de wettelijke voorschriften als de aanvullende kwaliteitseisen, kan de toezichthouder een herstelaanbod aanbieden Meer informatie over deze vorm van toezicht is te vinden op de website van de gemeente Almere.
6. Monitoring, evaluatie en bijstelling van dit beleid
Dit uitvoeringsplan krijgt pas maatschappelijk effect wanneer we het in praktijk uitvoeren. Jaarlijks monitoren we de effecten van ons (hernieuwde) beleid en delen we onze bevindingen met de Inspectie voor het Onderwijs en de Raad in een raadsbrief. We maken daarbij gebruik van de kennis, ervaring en adviezen die de GGD ons voorafgaand aan het opstellen van de raadsbrief meegeeft.
Het college van burgemeester en wethouders deelt jaarlijks de resultaten van toezicht en handhaving kinderopvang met de Inspectie voor het Onderwijs en de gemeenteraad. Belangrijke pijlers bij het delen van de bevindingen zijn de ontwikkelingen in risicoprofielen en het aantal keren dat de handhavingsinstrumenten als de boete, last onder dwangsom en exploitatieverbod inzet. De gemeente houdt zo zicht op de staat van de kwaliteit van de kinderopvang in de stad. Het nog te ontwikkelen kwaliteitsoordeel zal voorzien in een duidelijke en actuele indicatie van de kwaliteit op locatieniveau.
De gemeente gebruikt deze gegevens ook om de doeltreffendheid van de werkwijze te monitoren en waar nodig aanpassingen te maken. Voor dit doel monitort de gemeente ook de aard van de overtredingen waarop zij handhaving inzet. De resultaten van het thematisch onderzoek door de GGD kunnen naast aanscherpingen in de eigen werkwijze ook leiden tot aanbevelingen aan de wetgever, de sector of tot de inzet van extra toezicht- en handhavingscapaciteit.
Bijlage 1: Afwegingsschema handhavingsmaatregelen
Afwegingen in het proces van inspectie tot handhaving
De gemeente treedt handhavend op als de toezichthouder (GGD) een overtreding constateert op een kinderopvanglocatie. De handhaver (juridisch medewerker van de gemeente) gebruikt een afwegingsschema op basis waarvan bestuurlijke handhavingsmaatregelen worden opgelegd. De toezichthouder kan een houder van een kinderopvangorganisatie de gelegenheid bieden om geconstateerde overtredingen nog tijdens de onderzoeksperiode op te heffen (het herstelaanbod). Als de houder de overtreding reeds heeft hersteld of redelijkerwijs snel zal herstellen, kan worden afgezien van handhaving gericht op herstel.
Algemeen stappenplan handhaving
De gemeente werkt met een algemeen stappenplan, dat bestaat uit de volgende stappen:
De gemeentelijke handhaving is gericht op herstel
Indien gebleken is dat een houder van een kindercentrum, een gastouderbureau of een voorziening voor gastouderopvang niet voldoet aan één of meer kwaliteitseisen van de Wet kinderopvang en alle onderliggende regelgeving, start het college in beginsel een herstellend handhavingstraject. Dit traject is gericht op beëindiging van de overtreding(-en) en op voorkoming van herhaling van de overtreding(-en).
Bij het uitvoeren van een herstellend handhavingstraject hanteert het college de volgende stappen:
stap 1: een aanwijzing (waarschuwing) of een aankondiging last onder dwangsom/last onder bestuursdwang;
stap 2: besluit last onder dwangsom/last onder bestuursdwang;
stap 3: verbeuring last onder dwangsom/effectuering bestuursdwang;
stap 4: herhaling van stap 3 (maatwerk, zie lid 3) / aankondiging exploitatieverbod;
stap 5: intrekken van de toestemming tot exploitatie en verwijdering van de registratie uit het landelijk register kinderopvang.
Indien de aard van de overtreding hiertoe aanleiding geeft, kan het college besluiten om een bepaalde stap of bepaalde stappen in het herstellende traject over te slaan dan wel meerdere keren toe te passen.
De duur van de hersteltermijn is afhankelijk van de prioriteit die is toegekend aan de kwaliteitseis zoals afgeleid kan worden uit het afwegingsoverzicht dat als bijlage is opgenomen.
Bij het geven van een aanwijzing gelden de volgende hersteltermijnen:
prioriteit hoog: maximaal 2 weken;
prioriteit gemiddeld: maximaal 2 maanden;
prioriteit laag: maximaal 6 maanden.
Deze termijnen worden eveneens gehanteerd als begunstigingstermijn indien ervoor gekozen is om een last onder dwangsom / last onder bestuursdwang in te zetten.
Als er aanleiding is voor een snellere aanpak leggen we direct een boete op
Afhankelijk van de situatie kan de gemeente er ook voor kiezen om direct een boete op te leggen. Bij het ontbreken van een geldige verklaring omtrent het gedrag leggen we bijvoorbeeld altijd een boete op. Onvoldoende inzet van beroepskrachten is ook altijd reden voor een boete. Schending van medewerkingsplicht aan de inspectie en het aanbieden van kinderopvang zonder schriftelijk overeenkomst met een ouder worden ook beboet.
Het opleggen van een bestuurlijke boete wordt per geval afgewogen. Een bestuurlijke boete is een bestraffende sanctie (leedtoevoeging) die door de gemeente kan worden opgelegd bij een overtreding van wettelijke regels. Het voornaamste doel is het effectief bestraffen van de overtreder en het voorkomen van toekomstige overtredingen (preventie). In tegenstelling tot een last onder dwangsom (die gericht is op herstel), is de bestuurlijke boete bedoeld als straf voor een reeds gepleegd feit.
Naast de boete kan tegelijkertijd een dwangsom of andere vorm van handhaving plaatsvinden.
Opmerkingen bij sanctietabellen op de volgende pagina’s
De voorschriften waarop de gemeente handhaaft zijn onderverdeeld in inspectiedomeinen. Voor alle overtredingen die in een inspectiedomein kunnen voorkomen is op de volgende pagina’s een bandbreedte vastgesteld van een minimum en maximum op te leggen dwangsom. De hoogte van de op te leggen dwangsom wordt afgestemd op de ernst van de overtreding en moet tot doel hebben om de overtreding tegen te gaan. De handhaver (een juridisch medewerker van de gemeente) neemt een deugdelijke motivering over de hoogte van het gekozen bedrag in het handhavingsbesluit op.
De handhaver (een juridisch medewerker van de gemeente) stelt een bedrag vast waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd. De mate van nalevingsbereidheid en maatregelen die de houder heeft genomen worden meegewogen in het bepalen van de dwangsom. De aard en veelheid van de overtredingen spelen ook een rol bij het bepalen van de hoogte van de dwangsom. Als er sprake is van herhaalde overtredingen kan de dwangsom hoger – binnen de bandbreedte – worden vastgesteld.
Begunstigingstermijn last onder dwangsom
Uitgangspunt voor het bepalen van de begunstigingtermijn is de hoeveel tijd nodig die is om de overtreding te beëindigen. Daarbij geldt dat deze niet langer mag worden gesteld dan noodzakelijk om de overtreding te kunnen opheffen. Wanneer het niet mogelijk is de overtreding onmiddellijk op te heffen moet het gaan om een redelijk termijn. De handhaver (een juridisch medewerker van de gemeente) neemt een deugdelijke motivering van de begunstigingstermijn op in het handhavingsbesluit.
Directe boetebedragen zijn ook vastgesteld voor overtreding van voorschriften. Aard, ernst en zwaarte van de overtreding en omstandigheden bepalen het op te leggen boetebedrag. Een bestuurlijke boete mag zijn doel niet voorbij schieten. Het is bedoeld om te corrigeren met een goed gedoseerde prikkel en niet om onevenredige financiële ‘schade’ toe te brengen.
Indien de Wet wijzigt met gevolgen voor de tekst die genoemd is in de tabellen op de volgende pagina’s wordt de sanctie toegepast op de nieuwe tekst, tenzij dit niet mogelijk is vanwege de inhoud van de wijziging van de Wet. Waar mogelijk wordt tijdig geanticipeerd op wetswijziging en een wijziging in dit beleid doorgevoerd.
Domein Kinderopvang, Gastouderopvang, Gastouderbureau Registratie – wijziging – naleving
Exploitatie zonder toestemming college van B en W
Onverwijld melden wijziging aan het college
|
Elke buitenschoolse opvang en kinderdagverblijf beschikt over een pedagogisch beleidsplan. |
||||
|
Het pedagogisch beleidsplan bevat ten minste een concrete beschrijving van de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de aspecten van verantwoorde dagopvang en rekening houdend met de ontwikkelingsfase waarin kinderen zich bevinden:
bso artikelen 11 en 12 lid 2a Besluit kwaliteit kinderopvang |
||||
|
Het pedagogisch beleidsplan bevat een concrete beschrijving van de overige kwaliteitseisen. |
||||
|
Houder stelt een pedagogisch beleidsplan vast, waarin de voor dat gastouderbureau kenmerkende visie op de omgang met kinderen is beschreven. 3 |
||||
|
Het pedagogisch beleidsplan bevat in duidelijke en observeerbare termen ten minste een beschrijving van de
artikel 12a lid 1 onder a Regeling kwaliteit gastouderbureau, gastouder en voorziening voor gastouderopvang |
||||
|
Het pedagogisch beleidsplan bevat in duidelijke en observeerbare termen ten minste een beschrijving van de overige kwaliteitseisen die aan een voorziening voor gastouderopvang worden gesteld, waaronder de Kenmerkende visie op de omgang met kinderen en verantwoorde kinderopvang, Begeleiding aan gastouders bij het volgen van de ontwikkeling van kinderen en Coaching die wordt geboden aan de gastouders. |
Inrichting administratie voorschoolse educatie
|
Er is een overzicht van alle bij het kinderdagverblijf werkzame beroepskrachten in relatie tot de behaalde diploma’s en getuigschriften. |
Verklaring omtrent het gedrag / personenregister
Passende beroepskwalificatie of deskundigheidseisen / Algemeen
Passende beroepskwalificatie / Meertalige opvang
|
Beroepskrachten meertalige buitenschoolse opvang beschikken over een voor de werkzaamheden passende certificaat of diploma |
Personeelsformatie per gastouder / door gastouderbureau
|
Het gastouderbureau draagt er zorg voor dat er per aangesloten gastouder op jaarbasis tenminste 16 uur wordt besteed aan begeleiding en bemiddeling. |
Gebruik voorgeschreven voertaal
Domein Veiligheid en gezondheid
Veiligheids- en gezondheidsbeleid
Inventarisatie veiligheids- en gezondheidsrisico’s
|
Een gastouder is goed telefonisch bereikbaar en zorgt voor een adequate vervanging bij calamiteiten bij opvang van kinderen.
|
Domein Kwaliteit gastouderbureau
Zorgplicht gastouderbureauonderwerp
Vanaf 1 juli 2026 moet het pedagogisch beleidsplan van ieder gastouderbureau een concrete beschrijving bevatten van de:
1. Kenmerkende visie op de omgang met kinderen en verantwoorde kinderopvang.
2. Begeleiding aan gastouders bij het volgen van de ontwikkeling van kinderen.
3. Coaching die wordt geboden aan de gastouders.
De volgende onderdelen hoeven per 1 juli 2026 niet meer in het pedagogisch beleidsplan worden beschreven:
1. Het aantal kinderen dat door een gastouder wordt opgevangen.
2. De eisen die aan de voorziening voor gastouderopvang worden gesteld
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-350306.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.