Gemeenteblad van Berg en Dal
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Berg en Dal | Gemeenteblad 2026, 287916 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Berg en Dal | Gemeenteblad 2026, 287916 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Berg en Dal 2026
De raad van de gemeente Berg en Dal;
gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders;
gelet op artikel 229 van de Gemeentewet;
gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4, 2.1.4a, 2.1.4b, tweede lid, 2.1.5, eerste lid, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6, vierde lid en 2.6.6, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015);
gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.11, eerste en tweede lid, 2.12 en 8.1.1 derde lid van de Jeugdwet;
verwijzend naar de bepalingen over beschermd wonen en maatschappelijke opvang in de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp van de gemeente Nijmegen, die op de uitvoering van beschermd wonen en maatschappelijke opvang voor gemeente Berg en Dal van toepassing zijn;
gezien het advies van de Adviesgroep Wmo;
besluit vast te stellen de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Berg en Dal 2026 (hierna: Verordening 2026 of deze Verordening).
Dit deel van de verordening gaat over zowel de Wmo 2015 als de Jeugdwet. Daar waar ‘maatwerkvoorziening’ en ‘cliënt’ staat, worden ook een individuele voorziening en jeugdige in de zin van de Jeugdwet bedoeld, tenzij dit expliciet anders wordt aangegeven. We vinden het wenselijk regels op het gebied van maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp zoveel mogelijk op elkaar af te stemmen in één verordening.
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Gebruikelijke hulp in relatie tot jeugdhulp: de dagelijkse verzorging en/of opvoeding die (pleeg)ouders/wettelijk vertegenwoordigers aan kinderen geacht worden te bieden. Gebruikelijke hulp is hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders. Zij zijn namelijk verplicht de tot hun gezin behorende minderjarige jeugdigen te verzorgen, op te voeden, te begeleiden en toezicht op hen te houden. Dit geldt ook als de jeugdige een ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek heeft;
Mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep;
Voorliggende voorziening in relatie tot de jeugdwet: algemene voorziening of andere voorziening, al dan niet op grond van een andere wettelijke bepaling, waarmee geheel of gedeeltelijk aan de hulpvraag wordt tegemoetgekomen en waardoor een maatwerkvoorziening (geheel of gedeeltelijk) achterwege kan blijven;
Voor zover de hulpvraag betrekking heeft op jeugdhulp kan de hulpvraag ook worden gemeld bij de huisarts, de medisch specialist en de jeugdarts, die elk kan verwijzen naar gecontracteerde jeugdhulp. De gecontracteerde jeugdhulpaanbieder beoordeelt welke maatwerkvoorziening nodig is. Als de aanbieder niet gecontracteerd is door het college of geen subsidie ontvangt van het college, wordt er geen vergoeding voor deze hulp verstrekt. Dit geldt alleen wanneer het college soortgelijke jeugdhulp kan laten leveren door een gecontracteerde of gesubsidieerde aanbieder.
De cliënt verschaft het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Op verzoek van het college verstrekt hij ook een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage.
Het college onderzoekt in samenspraak met de cliënt, diens mantelzorger(s) en/of vertegenwoordiger(s):
de mogelijkheden om een oplossing voor de hulpvraag te vinden samen met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en andere partijen op het gebied van publieke gezondheid, maatschappelijke ondersteuning, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen en een mogelijk toe te kennen maatwerkvoorziening af te stemmen op andere voorzieningen op deze domeinen;
Een aanvraag om een maatwerkvoorziening wordt niet ingediend voordat het onderzoek is afgerond, tenzij het onderzoek niet is afgerond binnen de daarvoor geldende termijn. Als de cliënt op het verslag heeft aangegeven dat hij daarmee ook gelijk een aanvraag volgens lid 1 wil doen, dan merkt het college het ondertekende onderzoeksverslag aan als zodanig.
Hoofdstuk 3: Maatwerkvoorziening
Artikel 7. Criteria voor een maatwerkvoorziening
Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015:
ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen
De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 4 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven, of een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zo zich snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving.
Een jeugdige komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening indien naar het oordeel van het college een jeugdige of een ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedproblemen, psychische problemen en stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn. Het college betrekt daarbij in ieder geval de mate waarin de jeugdige een oplossing kan vinden voor de hulpvraag:
De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 4 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waardoor de jeugdige in staat wordt gesteld:
Voor alle woonvoorzieningen geldt bovendien dat geen woonvoorziening wordt verstrekt:
voor zover het gaat om voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten van woongebouwen die niet specifiek gericht zijn op personen met beperkingen en/of ouderen, behalve automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte;
Artikel 10. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering
Als het college een beslissing heeft ingetrokken en de cliënt redelijkerwijs kon begrijpen dat hij ten onrechte een maatwerkvoorziening of daaraan gekoppeld pgb ontving, kan het college geheel of gedeeltelijk de geldwaarde vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten pgb.
Hoofdstuk 4: Persoonsgebonden budget
Artikel 11. Algemene regels voor pgb
De cliënt die een pgb wenst, motiveert schriftelijk in het pgb-plan (artikel 1 onder bb), rekening houdend met het bepaalde in de artikelen 12 tot en met 17:
hoe naar zijn mening gewaarborgd is dat de maatwerkvoorziening veilig, doeltreffend, van goede kwaliteit en cliëntgericht is. Als de beoogde voorziening niet voldoet aan de door het college gestelde veiligheids- en kwaliteitseisen, dan motiveert cliënt in het pgb-plan waarom de voorziening van gelijkwaardig niveau is. In geval van diensten, waarbij de dienstverlener in contact kan komen met personen jonger dan achttien jaar, moet degene die de diensten verleent voor aanvang van de dienstverlening over een actuele verklaring omtrent het gedrag beschikken (artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens), met uitzondering van familieleden in de eerste en tweede graad en degenen die incidentele ondersteuning bieden;
hoe naar zijn inzicht met het pgb invulling wordt gegeven aan de onderdelen van de in het onderzoeksverslag (artikel 5) geformuleerde doelen, te behalen resultaten en daaraan verbonden activiteiten en evaluatiemomenten. Hierbij maakt hij inzichtelijk wie wat in de activiteiten kan doen (sociaal netwerk, school, algemene voorziening) en voor welke activiteiten een maatwerkvoorziening nodig is. Deze activiteiten kunnen vervolgens worden gespecificeerd in tijd en frequentie per week. De activiteiten en doelen zijn dan ook de basis voor de (periodieke) evaluatie met de budgethouder;
Artikel 12. Hoogte van het pgb
De omvang van een pgb voor een vervoersvoorziening in de vorm van een jaarlijks bedrag voor het gebruik van een (eigen) auto of (rolstoel) taxi is gelijk aan het maximaal aantal kilometers waarin de Wmo compenseert (2000 km) vermenigvuldigd met een kilometervergoeding van € 0,23 per kilometer bij gebruik van een auto of de op dat moment geldende maximale kosten per kilometer bij gebruik van een taxi of rolstoeltaxi. De kilometervergoeding is een forfaitair bedrag voor gebruik van eigen auto of vervoer, bedoeld voor kosten zoals brandstof, afschrijving, verzekering en onderhoud.
Artikel 13. Regels voor pgb-beheer
Pgb-beheer is het regie voeren over de (ingekochte) ondersteuning. De cliënt doet het pgb-beheer in beginsel zelf. Als de cliënt het pgb-beheer niet zelf uit kan voeren, kan dat gedaan worden met de hulp van iemand uit het sociaal netwerk of een professional. Voor beschermd wonen geldt dat er altijd sprake moet zijn van pgb-beheer door een ander dan de budgethouder.
Artikel 14. Regels voor pgb professional/aanbieder
Naast de verantwoording over het bestede bedrag aan de SVB, verplicht het college de budgethouder om bij een (tussen)evaluatie van het pgb-plan ook aan te geven wat de behaalde resultaten zijn met het pgb en de daaraan verbonden voorwaarden, waaronder de vraag of de ingekochte ondersteuning aan de kwaliteitseisen voldoet.
Het college kan een aanbieder in een aanbestedingstraject al op kwaliteit beoordeeld hebben. Wanneer het college de kwaliteit van die aanbieder negatief beoordeelde, worden 1 jaar na die beoordeling geen pgb’s aan een client toegekend voor deze aanbieder. Als na afloop van dat jaar de kwaliteit van de aanbieder zodanig verbeterd is of aan de kwaliteitseisen voldaan wordt, kan de aanbieder bij het college het verzoek indienen om opnieuw beoordeeld te worden.
Artikel 15. Regels voor pgb informele hulp
De cliënt die in aanmerking komt voor een pgb, kan alleen diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen betrekken van een persoon die behoort tot zijn sociale netwerk als dat aantoonbaar tot betere, efficiëntere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is. Het college kan bij nadere regeling voorwaarden stellen aan de verstrekking van een pgb aan een persoon die behoort tot zijn sociale netwerk.
De persoon uit het sociaal netwerk moet minstens 18 jaar oud zijn en beschikken over een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) screeningsprofiel ‘gezondheidszorg en welzijn van mens en dier’ of ‘screeningsprofiel 75’ of ‘screening nummers 12, 41, 43, 84 en 85’. Deze VOG is bij de start van de hulp nooit ouder dan drie maanden.
Artikel 16. Weigeringsgronden pgb
Artikel 17. Besteding en verantwoording van het pgb
De budgethouder verantwoordt zijn uitgaven in het pgb aan de SVB. Wanneer sprake is van maandbedragen, moeten de budgethouder en de pgb-aanbieder de geleverde zorg kunnen verantwoorden in uren en/of dagdelen. Bij een eenmalige pgb voor een hulpmiddel, woningaanpassing of vervoersmiddelen verantwoordt de budgethouder de uitgaven door op verzoek een factuur te overleggen aan het college of de andere organisatie.
Artikel 18. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning
Het college kan bepalen welke verdere eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen in het kader van maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. Het college kan, met uitzondering van aanbieders die hulpmiddelen of woningaanpassingen leveren, eisen dat de beroepskracht die maatschappelijke ondersteuning biedt voor aanvang van de dienstverlening over een actuele verklaring omtrent het gedrag beschikt als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.
Een aanbieder heeft toestemming van het college nodig voor het inschakelen van een onderaannemer. De onderaannemer wordt getoetst aan de criteria opgenomen in bijlage 2. Als de kwaliteitscriteria bij een zorgaanbieder zijn beoordeeld door het college en het college is van oordeel dat die zorgaanbieder niet voldoet aan de kwaliteitstoets, dan mag de betreffende zorgaanbieder slechts als onderaannemer gecontracteerd worden door de hoofdaannemer als de hoofdaannemer zich garant stelt voor de kwaliteit van de door onderaannemer geleverde ondersteuning. De onderaannemer moet in ieder geval zelfstandig voldoen aan de wettelijke kwaliteitskaders zoals opgenomen in bijlage 2.
Hoofdstuk 6: Controle, toezicht en handhaving
De volgende typen onderzoek kunnen worden onderscheiden:
fraudeonderzoek, onderzoek waarbij nagegaan wordt of degene die bij het college of de SVB een bedrag in rekening brengt voor maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp, valsheid in geschrifte, bedrog, benadeling van rechthebbenden of verduistering pleegt of probeert te plegen ten nadele van het college, met het doel een betaling of een ander voordeel te verkrijgen waarop hij geen recht heeft of kan hebben.
De toezichthouder kan namens het college een schriftelijk bevel geven aan een aanbieder als hij oordeelt dat het nemen van maatregelen redelijkerwijs geen uitstel kan lijden. Betreft het een aanbieder, betaald vanuit een pgb, dan wordt de budgethouder onverwijld door de toezichthouder in kennis gesteld van het gegeven bevel.
Voordat het rapport definitief wordt, stelt de toezichthouder de aanbieder in de gelegenheid van het ontwerprapport kennis te nemen en feitelijke onjuistheden daarover binnen 14 dagen kenbaar te maken. De toezichthouder vermeldt de reactie van de aanbieder in een bijlage bij het rapport of past het rapport hierop aan.
Het hersteltraject start met een schriftelijke aanwijzing, tenzij de aard en omvang van de onrechtmatigheid zich daartegen verzet. Met name bij fraude kan het college, gelet op de ernst, direct overgaan tot het opleggen van sancties of het ontbinden van de overeenkomst of intrekken van het subsidiebesluit.
Hoofdstuk 7: Rechtspositie inwoners
Artikel 37. Betrekken van inwoners bij het beleid
Het college betrekt inwoners van de gemeente, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid over maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp, overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels over de wijze waarop inspraak wordt verleend.
Het college stelt inwoners vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid over maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.
Het is niet toegestaan een overeenkomst te sluiten met een aanbieder of een derde (in geval van een pgb) waarin het bieden van de geïndiceerde ondersteuning mede afhankelijk is van de woonruimte die door de aanbieder of de derde wordt geboden, tenzij het verblijf onderdeel is van de indicatie. Er is sprake van verblijf als onderdeel van de indicatie bij Beschermd Wonen intramuraal en Trainingshuis. In alle andere gevallen is een gemengde huur- /ondersteuningsovereenkomst niet toegestaan.
In afwijking van artikel 2.1.4a, vierde lid, van de wet geldt voor een maatwerkvoorziening voor vervoer in de vorm van vraagafhankelijk vervoer via Avan een bijdrage per rit, waarbij deze bijdrage is opgebouwd uit een bedrag per kilometer en een opstaptarief. De hoogte van het bedrag per kilometer en het opstaptarief is gelijk aan de tarieven zoals het bestuur van de Bedrijfsvoeringsorganisatie Doelgroepenvervoer Regio Arnhem-Nijmegen (BVO DRAN) deze vaststelt voor het vraagafhankelijk vervoer.
Hoofdstuk 10: Waardering en Tegemoetkoming
Artikel 41. Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen
Het college kan een eenmalige tegemoetkoming voor tijdelijke huisvesting verstrekken aan inwoners die meerkosten hebben voor hun huisvesting tijdens de realisatie van een verstrekte of te verstrekken woningaanpassing. De tegemoetkoming voor meerkosten voor tijdelijke huisvesting wordt verstrekt voor een periode van maximaal zes maanden. De vergoeding vindt plaats op basis van de werkelijk gemaakte kosten tot een maximum van de kosten per maand van een sociale huurwoning met een maandelijkse huur van maximaal de huurgrens zoals vastgesteld door de Rijksoverheid.
Artikel 42. Eigen kracht in de Jeugdwet
Het college verstrekt geen maatwerkvoorziening indien en voor zover de eigen kracht van de jeugdige en zijn ouders, al dan niet met behulp van het sociaal netwerk of andere voorzieningen, voldoende is om in de behoefte aan hulp en ondersteuning te voorzien. Dit vraagt een zorgvuldige individuele beoordeling die rekening houdt met de achtergrond van de specifieke problematiek van de jeugdige en zijn ouders.
De wettelijke verzorgings- en opvoedingsplicht die ouders in relatie tot de jeugdige hebben, vormt het uitgangspunt voor de beoordeling. Deze plicht omvat de verantwoordelijkheid tot:
Het bieden van een bij de leeftijd van de jeugdige passende opvoeding en verzorging die bijdraagt aan de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid en de persoonlijkheid van de jeugdige, ook rekening houdend met de toenemende mondigheid van de jeugdige om zichzelf naar eigen inzicht te ontwikkelen, en;
Als er sprake is van bovengebruikelijke hulp, neemt het college in haar onderzoek de balans tussen draagkracht en draaglast mee. De draagkracht van de ouders moet groot genoeg zijn om de draaglast aan te kunnen. Bij het vaststellen van die balans maakt het college een onderscheid tussen kortdurende en langdurende situaties.
Van een kortdurende situatie is sprake wanneer uitzicht op herstel van het probleem bestaat en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de jeugdige. Dit gaat over een aaneengesloten periode van maximaal drie maanden in één kalenderjaar. Het college gaat er in dit geval vanuit dat ouders alle hulp zelf bieden en dat de draagkracht en draaglast in balans zijn.
Van een langdurende situatie is sprake wanneer het een chronische situatie betreft. Hierbij is de verwachting dat de jeugdhulp langer dan drie maanden nodig zal zijn of meerdere periodes van drie maanden in één kalenderjaar. Het college gaat er in dit geval vanuit dat, als zij vaststelt dat draagkracht en draaglast naar algemene opvattingen in balans zijn, ouders alle hulp zelf bieden.
Artikel 44. Vervoer van en naar jeugdhulpaanbieder
Het college beoordeelt, overeenkomstig artikel 42, in elke individuele situatie of er specifieke omstandigheden zijn waardoor de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouder(s) onvoldoende zijn om de eigen verantwoordelijkheid voor het vervoer op zich te nemen.
Toelichting Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Berg en Dal 2026
Deze verordening geeft uitvoering aan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015) en de Jeugdwet. Bekeken wordt wat redelijkerwijs verwacht mag worden van de cliënt en zijn sociaal netwerk. Vervolgens zal waar nodig de gemeente in aanvulling hierop hem in staat stellen gebruik te maken van een algemene voorziening of – als dat niet volstaat – een maatwerkvoorziening, waarmee een bijdrage wordt geleverd aan zijn mogelijkheden om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer en zelfstandig te functioneren in de maatschappij.
Jeugdigen en hun ouders krijgen waar nodig tijdig bij hun situatie passende hulp met als beoogd doel ervoor te zorgen de eigen kracht van de jeugdige en het zorgend en probleemoplossend vermogen van het gezin te versterken. Voor het werkproces voor de beoordeling van de behoefte aan jeugdhulp is aansluiting gezocht bij dat uit de Wmo 2015.
Er dient telkens een zorgvuldige toegangsprocedure doorlopen te worden om de hulpvraag van de cliënt, zijn behoeften en de gewenste resultaten helder te krijgen, om te achterhalen wat de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, mantelzorg of met hulp van zijn sociaal netwerk dan wel door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten kan doen om zijn zelfredzaamheid en participatie te handhaven of verbeteren, om te bepalen of zo nodig met gebruikmaking van een algemene voorziening kan worden volstaan, of dat een maatwerkvoorziening nodig is, en of sprake is van een voorliggende voorziening die niet onder de reikwijdte van de Wmo 2015 of de Jeugdwet valt. De Wmo 2015 en deze verordening leggen deze toegangsprocedure daarom vast. Een dergelijke procedure die bovendien goed wordt uitgevoerd, zal telkens tot een juist eindoordeel moeten leiden: ondersteuning waar ondersteuning nodig is.
De toeleiding naar jeugdhulp kan op verschillende manieren plaatsvinden.
In de verordening is onderscheid gemaakt tussen algemene (vrij-toegankelijke) en (niet vrij-toegankelijke) maatwerkvoorzieningen op het gebied van jeugdhulp. Voor een deel van de hulpvragen kan volstaan worden met een vrij-toegankelijke voorziening. Hier kunnen de jeugdige en zijn ouders gebruik van maken zonder dat zij daarvoor een verwijzing of een besluit van de gemeente nodig hebben. De jeugdige en zijn ouders kunnen zich voor deze jeugdhulp dus rechtstreeks tot de jeugdhulpaanbieder wenden.
Toegang jeugdhulp via de gemeente
Ook kan een hulpvraag van een jeugdige of zijn ouder binnenkomen bij de gemeente. De beslissing door de gemeente welke zorg een jeugdige of zijn ouder precies nodig heeft, komt vervolgens tot stand in overleg met die jeugdige en zijn ouders. In een gesprek tussen een door de gemeente ingezette deskundige en de jeugdige en zijn ouders zal gekeken worden wat de jeugdige en zijn ouders eventueel zelf of met behulp van hun netwerk kunnen doen aan het probleem. Als aanvullend daarop een voorziening op het gebied van jeugdhulp nodig is, dan wordt eerst gekeken of dit een vrij-toegankelijke voorziening is of een niet vrij-toegankelijke voorziening. Is het laatste het geval dan neemt deze deskundige dat in het verslag op. Vervolgens kunnen de jeugdige of zijn ouders een aanvraag indienen bij het college. Het college neemt een besluit en verwijst de jeugdige door naar de jeugdhulpaanbieder die volgens de deskundige de aangewezene is om de betreffende problematiek aan te pakken. Deze verordening ziet met name op de toegang tot jeugdhulp via de gemeente.
Toegang via de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist
De Jeugdwet regelt daarnaast dat de jeugdhulp toegankelijk is na een verwijzing door de huisarts, de jeugdarts of de medisch specialist. Na een dergelijke verwijzing staat echter nog niet vast welke specifieke behandelvorm van jeugdhulp (dus bijvoorbeeld welke therapie) een jeugdige of zijn ouder(s) precies nodig heeft (hebben). Een jeugdige kan op dat moment terecht bij de jeugdhulpaanbieders (zorg in natura) die de gemeente heeft ingekocht. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder zelf zijn die op basis van zijn professionele autonomie na de verwijzing beoordeelt welke voorziening precies nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur). Bij deze beoordeling dient de jeugdhulpaanbieder zich te houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie. Deze afspraken zien op hoe de gemeente haar regierol kan waarmaken en op de omvang van het pakket. Deze afspraken gaan verder ook in op hoe de artsen en de gemeentelijke toegang goed van elkaar op de hoogte zijn van de doorverwijzing of behandeling van een kind, zodat de integrale benadering rond het kind en het principe van 1 gezin – 1 regisseur – 1 plan, met name bij multiproblematiek, wordt geborgd en er geen nieuwe ‘verkokering’ plaatsvindt, waarbij professionals niet goed van elkaar weten dat zij bij het gezin betrokken zijn. Daarnaast zal de jeugdhulpaanbieder rekening moeten houden met de regels die de gemeente bij of krachtens verordening heeft gesteld. Deze verordening regelt welk aanbod van de gemeente alleen via verwijzing of met een besluit van de gemeente toegankelijk is. Omdat de gemeente verder geen nadrukkelijke rol speelt in bij de toegang via de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist, regelt deze verordening slechts een enkel aspect met betrekking tot het proces (zie artikel 2, vijfde lid).
Toegang via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting.
Een andere ingang tot de jeugdhulp is via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter (via een kinderbeschermingsmaatregel of een maatregel tot jeugdreclassering), het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting. De gecertificeerde instelling is verplicht om bij de bepaling van de in te zetten jeugdhulp in het kader van een door de rechter opgelegde kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering te overleggen met de gemeente. Uiteraard kan bij dit overleg een kostenafweging plaatsvinden. De gemeente is op haar beurt vervolgens gehouden de jeugdhulp in te zetten die deze partijen nodig achten ter uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel of de jeugdreclassering. Deze leveringsplicht van de gemeente vloeit voort uit het feit dat uitspraken van rechters te allen tijde moeten worden uitgevoerd om rechtsgelijkheid en rechtszekerheid te kunnen garanderen. Ook hier geldt dat de gecertificeerde instelling in beginsel gebonden is aan de jeugdhulp die de gemeente heeft ingekocht. Als de kinderrechter een ondertoezichtstelling of gezag beëindiging uitspreekt, wijst hij gelijktijdig in de beschikking de gecertificeerde instelling aan die de maatregel gaat uitvoeren. Dit kan de rechter juist omdat de raad voor de kinderbescherming in zijn verzoekschrift een concreet advies geeft over welke gecertificeerde instelling de maatregel zou moeten uitvoeren. De raad voor de kinderbescherming neemt een gecertificeerde instelling in zijn verzoekschrift op die na overleg met de gemeente en gezien de concrete omstandigheden van het geval hiervoor het meest geschikt lijkt. De raad voor de kinderbescherming is verplicht om hierover met de gemeente te overleggen. Deze toegang wordt al in de Jeugdwet zelf geregeld en komt verder dus niet terug in deze verordening.
Ten slotte vormt ook Veilig Thuis een toegang tot onder andere jeugdhulp. Veilig Thuis geeft advies over vermoedens en gevallen van huiselijk geweld en kindermishandeling, onderzoekt indien nodig op basis van een melding of er sprake is van kindermishandeling, motiveert zo nodig ouders tot accepteren van jeugdhulp en legt daartoe contacten met de hulpverlening. Deze toegang wordt al in de Jeugdwet zelf geregeld en komt verder dus niet terug in deze verordening.
Als de cliënt van mening is dat het college hem ten onrechte geen maatwerkvoorziening verstrekt of dat de maatwerkvoorziening onvoldoende bijdraagt aan de zelfredzaamheid of participatie, of dat hem opvang, beschermd wonen of jeugdhulp ten onrechte wordt onthouden, kan cliënt daartegen vanzelfsprekend bezwaar maken bij het college en daarna eventueel in beroep gaan bij de rechter tegen de beslissing op zijn bezwaar. De rechter zal toetsen of de gemeente zich heeft gehouden aan de voorgeschreven procedures, het onderzoek naar de omstandigheden van cliënt op adequate wijze heeft verricht en of de ondersteuning een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven, ofwel in staat wordt gesteld gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid, en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren.
De Wmo 2015, de Jeugdwet en deze Verordening leggen veel bevoegdheden bij het college. De uitvoering hiervan zal echter in de regel namens het college gedaan worden (in mandaat) door deskundige consulenten, ambtenaren of bijvoorbeeld aanbieders. Waar in deze Verordening en in de wet ‘het college’ staat, kan het college deze bevoegdheid namelijk mandateren aan ondergeschikten dan wel niet-ondergeschikten op grond van de algemene regels van de Awb. Op grond van artikel 2.6.3 van de Wmo 2015 kan het college de vaststelling van rechten en plichten van de cliënt echter alleen mandateren aan een aanbieder. De toelichting bij artikel 2.11, eerste lid van de Jeugdwet spreekt ook van mandaat aan een aanbieder. Zie voor de definitie van ‘aanbieder’ de toelichting onder artikel 1. Deze beperking geldt alleen voor mandatering aan niet-ondergeschikten. Het college kan de vaststelling van rechten en plichten ook aan ondergeschikten mandateren.
De Wmo 2015 schrijft in artikel 2.1.3, eerste lid, voor dat de gemeente per verordening de regels dient vast te stellen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het verplichte gemeentelijk beleidsplan met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning. In de verordening dient overeenkomstig de artikelen 2.1.3, tweede tot en met vierde lid, 2.1.4, derde en zevende lid, en 2.1.6 van de Wmo 2015 in ieder geval bepaald te worden:
op welke wijze inwoners, waaronder cliënten of hun vertegenwoordigers, worden betrokken bij de uitvoering van de wet, voorstellen voor beleid kunnen doen, gevraagd en ongevraagd advies kunnen uitbrengen over verordeningen en beleidsvoorstellen, worden voorzien van ondersteuning en deel kunnen nemen aan periodiek overleg;
Ook dient de gemeente overeenkomstig de artikelen 2.1.3, derde lid, en 2.6.6, eerste lid, van de Wmo 2015 per verordening regels te stellen:
ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van de voorziening, waar het college ten aanzien daarvan de uitvoering van de Wmo 2015 door derden laat verrichten. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden.
Daarnaast kan de gemeente op grond van de artikelen 2.1.4, eerste en tweede lid, 2.1.5, eerste lid, 2.1.7 en 2.3.6, derde lid, van de Wmo 2015:
de hoogte van de bijdrage voor de verschillende soorten van voorzieningen, ook wanneer de cliënt de ondersteuning zelf inkoopt met een pgb, in de verordening verschillend vaststellen. Hierbij kan tevens worden bepaald dat op de bijdrage een korting wordt gegeven voor personen die behoren tot daarbij aan te wijzen groepen en dat de bijdrage afhankelijk is van het inkomen en het vermogen van de cliënt en zijn echtgenoot;
bepalen dat aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming wordt verstrekt ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie, en vaststellen welke de toepasselijke grenzen zijn met betrekking tot de financiële draagkracht;
De Jeugdwet schrijft in de artikelen 2.9, 2.10 en 2.12 voor dat de gemeenteraad per verordening in ieder geval regels opstelt:
ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, waar het college ten aanzien daarvan de uitvoering van de Jeugdwet door derden laat verrichten. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden.
Daarnaast kan op grond van artikel 8.1.1, vierde lid van de Jeugdwet, bij verordening bepaald worden onder welke voorwaarden de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot zijn sociale netwerk.
Artikel 2.1.3, tweede lid, van de Wmo 2015 en artikel 2.9 van de Jeugdwet bieden verder ruimte om met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wmo 2015, en de Jeugdwet andere regels te stellen. Deze verordening maakt hier spaarzaam gebruik van om een meer compleet beeld te geven van de rechten en plichten van ingezetenen en de gemeente.
Niet iedere bepaling behoeft toelichting, vandaar een beperkte toelichting op enkele begrippen.
HOOFDSTUK 1. Algemene bepalingen
In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
c) Algemeen gebruikelijke voorziening
Het college onderzoekt of een voorziening algemeen gebruikelijk is voor de cliënt. Hierbij staat de vraag centraal of de cliënt ook over de voorziening zou (hebben kunnen) beschikken zonder beperkingen. Uit jurisprudentie blijkt dat bij die beoordeling de volgende criteria moeten worden getoetst:
Als op basis van deze toets de conclusie is dat de voorziening algemeen gebruikelijk is, dan wordt de voorziening niet vanuit de Wmo 2015 verstrekt.
Gebruikelijke hulp is gedefinieerd in de Wmo 2015. Het idee achter het begrip is dat de gemeente geen ondersteuning hoeft te bieden als de betreffende ondersteuning normaal gesproken binnen de huiselijke kring wordt opgelost. Er is geen reden waarom deze logica niet ook zou opgaan voor jeugdhulp. Omdat het begrip in de Jeugdwet niet voorkomt, is het in deze verordening opgenomen.
De hulpvraag is de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp. Als iemand die behoefte heeft aan maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp zich tot het college wendt, is het van belang dat allereerst wordt onderzocht wat de hulpvraag van betrokkene is. Wanneer de betrokkene zich voor het eerst meldt, is in veel gevallen niet op voorhand duidelijk of en in welke vorm het college in actie moet komen. Een zorgvuldig onderzoek is noodzakelijk.
De cliënt kan als hij inwoner is van een gemeente in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening in het kader van de Wmo 2015 (artikel 1.2.1 Wmo). Om voor een maatwerkvoorziening gericht op beschermd wonen en opvang in aanmerking te komen moet de cliënt in ieder geval ingezetene van Nederland zijn, maar niet per se van de gemeente. Uit de Memorie van Toelichting volgt dat een ingezetene zich, voor een maatwerkvoorziening, moet wenden tot het college van de gemeente waar hij woont. De term 'wonen' is niet verder uitgelegd. Uit de jurisprudentie bij de (oude) Wmo (CRvB 22-09-2010, nr. 09/1743 WMO ) volgt dat het gaat om de feitelijke verblijfplaats, waarbij een inschrijving de Basisregistratie personen (Brp) een belangrijke aanwijzing is, maar niet doorslaggevend.
De definitie maakt duidelijk dat het begrip inwoner hier wordt gebruikt in relatie tot maatschappelijke ondersteuning. De Jeugdwet kent zijn eigen woonplaatsbeginsel.
Eenieder kan zich melden bij zijn gemeente met een hulpvraag. Door het melden maakt de cliënt de hulpvraag aan het college kenbaar. In vervolg op deze melding zal het college in samenspraak met de cliënt zo spoedig mogelijk een onderzoek (laten) instellen. Als een ingezetene alleen informeert naar bijvoorbeeld de beschikbaarheid van een algemene voorziening of kenbaar maakt gebruik te willen maken van een algemene voorziening, is er geen aanleiding om een onderzoek in te stellen.
Ook de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kent een aantal (definitie)bepalingen die voor deze verordening van belang zijn, zoals: ‘aanvraag’ (artikel 1:3, derde lid, van de Awb): een verzoek van een belanghebbende om een besluit te nemen, en ‘beschikking’ (artikel 1:2 van de Awb): een besluit dat niet van algemene strekking is, met inbegrip van de afwijzing van de aanvraag daarvan.
In artikel 2.3.2 lid 1 van de Wmo 2015 staat dat het college de melding naar de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning onderzoekt. Ook in artikel 2.3 lid 1 van de Jeugdwet staat zo’n opdracht. De melding kan door of namens de cliënt worden gedaan. Dat betekent dat de cliënt zelf een melding kan doen, maar ook een andere persoon uit het netwerk van de cliënt.
De melding hoeft niet in een bepaalde vorm gedaan te worden: dit kan schriftelijk, mondeling of telefonisch. In Berg en Dal kan de melding worden gedaan bij het Sociaal Team. De melding kan ‘door of namens de cliënt’ worden gedaan. Dit kan ruim worden opgevat. Naast de cliënt kan bijvoorbeeld diens vertegenwoordiger, mantelzorger, partner, familielid, buurman of andere betrokkenen de melding doen.
In het tweede lid is de verplichte schriftelijke ontvangstbevestiging verankerd (artikel 2.3.2, eerste lid, slotzin, van de Wmo 2015). Conform artikel 4:3a van de Awb is het bestuursorgaan gehouden een elektronisch ingediende aanvraag te bevestigen. Dat kan dan – en ligt voor de hand – ook elektronisch. Als de melding mondeling of telefonisch is gedaan, kan dit ook worden afgesproken.
Registratie en ontvangstbevestiging van de melding is ook in het kader van de gestelde termijn van het onderzoek na een melding van belang (maximaal zes weken, art. 2.3.2 eerste lid Wmo 2015).
In de Jeugdwet is niet de procedure beschreven zoals de Wmo 2015 die beschrijft. Omdat het gewenst is om hetzelfde werkproces en dezelfde termijnen voor de afhandeling van meldingen jeugdhulp te hanteren als voor de afhandeling van meldingen maatschappelijke ondersteuning, is in het derde lid de termijn van 6 weken uitdrukkelijk genoemd. Voor de Jeugdwet geldt, en dat blijft hiermee onveranderd, dat de melding ook gelijk een aanvraag is. Om in het proces ook op dit punt zoveel mogelijk eenduidig te zijn, wordt dit ook voor jeugdhulp een melding genoemd.
In het vierde lid is overeenkomstig artikel 2.3.3 van de Wmo 2015 en ter uitvoering van artikel 2.6, eerste lid onder b van de Jeugdwet een uitzondering opgenomen voor spoedeisende gevallen. Het college is op grond van de wet verplicht in dergelijke gevallen een passende tijdelijke maatwerkvoorziening te verstrekken in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek dat volgt na de melding. Het gaat om spoed als de inwoner in een situatie verkeert waarin uitstel van een maatregel niet mogelijk is in verband met veiligheidsrisico's.
In het vijfde lid is overeenkomstig artikel 2.6, eerste lid, onderdeel g, van de Jeugdwet opgenomen dat, naast de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp, ook de directe verwijzingsmogelijkheid door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar de jeugdhulp blijft bestaan. Dit laatste geldt zowel voor de vrij-toegankelijke (overige) voorzieningen als de niet vrij-toegankelijke (individuele) voorzieningen. Met een dergelijke verwijzing kan de jeugdige rechtstreeks aankloppen bij de jeugdhulpaanbieder. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder (bijvoorbeeld de jeugdpsychiater, de gezinswerker of orthopedagoog) zijn die na de verwijzing (stap 1) beoordeelt welke jeugdhulp precies nodig is. Deze jeugdhulpaanbieder bepaalt in overleg met de jeugdige of ouder daadwerkelijk de concrete inhoud, vorm, omvang en duur van de benodigde jeugdhulp. Deze aanbieder stelt dus feitelijk vast wat naar zijn oordeel de inhoud van de benodigde voorziening dient te zijn en hij zal zijn oordeel mede baseren op de protocollen en richtlijnen die voor een professional de basis van zijn handelen vormen (stap 2). Zie ook de algemene toelichting.
Deze bepaling is hier opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen. Het eerste lid dient als voorbereiding van het gesprek op basis van de melding waarbij in samenspraak met de cliënt bekende gegevens in kaart worden gebracht en cliënten niet worden belast met vragen over zaken die bij het college al bekend zijn en, indien van toepassing, een goede afstemming mogelijk is met eventuele andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen. Dit vooronderzoek kan afhankelijk van de inhoud van de melding meer of minder uitgebreid zijn en omvat ook het in samenspraak met de cliënt afspreken van een datum, tijd en plaats voor het gesprek. Tijdens het gesprek kunnen op basis van dit vooronderzoek ook al wat concrete vragen worden gesteld of aan de cliënt worden verzocht om nog een aantal stukken over te leggen.
De verplichting tot het overleggen van stukken, zoals vermeld in het tweede lid, is opgenomen overeenkomstig artikel 2.3.2, zevende lid, van de Wmo 2015 en artikel 8.1.2, derde lid van de Jeugdwet. In het kader van de rechtmatigheid is het op grond van artikel 2.3.4 van de Wmo 2015 en deze verordening in ieder geval verplicht om de identiteit van de cliënt vast te stellen aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht en is de cliënt die een aanvraag doet voor een maatwerkvoorziening ook verplicht dat document ter inzage te geven. Bij de gegevensverzameling op grond van het eerste en tweede lid zullen de privacybepalingen uit de Wmo 2015, de Jeugdwet en de Wet bescherming persoonsgegevens in acht genomen moeten worden.
In spoedeisende gevallen, bijvoorbeeld bij de vrouwenopvang, is het niet altijd mogelijk een identiteitsdocument te overleggen, terwijl het college de cliënt wel opvang wil bieden. Voor dit soort gevallen geldt een uitzondering op de identificatieplicht.
Op grond van het derde lid kan worden afgezien van het vooronderzoek als dat een onnodige herhaling van zetten betekent.
Dit artikel is een uitwerking van verplichtingen in de wet waarmee we een zorgvuldige procedure waarborgen. In de verordening wordt gesproken over het gesprek en het onderzoek. Het onderzoek is een term uit de wet. Met het gesprek of het onderzoek wordt hetzelfde bedoeld.
Het gesprek wordt waar mogelijk ook gehouden met de mantelzorger(s) of de vertegenwoordiger van de cliënt. Het is aan de professional van het college of de andere organisatie om te bepalen wie bij het gesprek nodig zijn.
Het gesprek vindt indien mogelijk bij de cliënt thuis plaats. Vooral bij gevraagde woningaanpassingen kan de thuissituatie zo goed beoordeeld worden en kan worden bepaald welke oplossingen of aanpassingen nodig zijn. Het gewenste resultaat wordt specifiek besproken tijdens het gesprek. Daaraan kan namelijk later worden beoordeeld of een voorziening passend geweest is.
Het gesprek hoeft niet plaats te vinden als dit niet nodig is. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer de cliënt al bekend is bij het college en een eenvoudige ‘vervolgvraag’ heeft. In het tweede lid, onderdeel b is als onderwerp van gesprek ‘het gewenste resultaat van de hulpvraag’ opgenomen. Dit is belangrijk, omdat in de woorden van de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34, blz. 183) “de ultieme toetssteen of de maatschappelijke ondersteuning effectief is geweest, ligt in de beantwoording van de vraag of de cliënt zelf vindt dat de verleende maatschappelijke ondersteuning heeft bijgedragen aan een verbetering van zijn zelfredzaamheid of participatie.”
In het derde lid is overeenkomstig artikel 2.3.2, vijfde lid, van de Wmo 2015 verankerd dat het college een door of namens de cliënt ingediend persoonlijk plan betrekt bij het onderzoek. Nu de gemeente een vergelijkbare beschrijving ook voor jeugdhulpvragen heeft opgenomen in artikel 3, vierde lid, dient zij een ingediende beschrijving ook bij het onderzoek te betrekken.
Voor het doen van zorgvuldig onderzoek en goede dossiervorming is het nodig dat een verslag wordt opgesteld. De verplichting tot het opstellen van een verslag volgt ook uit de wet. Het verslag wordt in principe schriftelijk opgesteld. Het verslag vormt de basis voor de aanvraag. Bij eenvoudige onderzoeken kan het verslag kort zijn. Bij complexere onderzoeken is een uitgebreider verslag noodzakelijk.
De Wmo 2015 bepaalt dat het college binnen twee weken na de ontvangst van de aanvraag de beschikking moet geven (artikel 2.3.5, tweede lid, van de Wmo 2015). Voor aanvragen betreffende jeugdhulp is aansluiting gezocht bij de termijn uit de Wmo 2015.
In de Awb worden regels gegeven omtrent de aanvraag. Deze verordening wijkt daarvan niet af. Op grond van artikel 4:1 van de Awb wordt een aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk ingediend bij het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. In artikel 2:15 van de Awb is bepaald dat een aanvraag elektronisch (onder meer per email) kan worden gedaan als het bestuursorgaan kenbaar heeft gemaakt dat deze weg geopend is. In de gemeente Berg en Dal kan een aanvraag ook elektronisch worden gedaan. Het college legt de te verlenen maatwerkvoorziening, dan wel het afwijzen daarvan, in alle gevallen vast in een beschikking.
In artikel 2.3.2, negende lid, van de Wmo 2015 is vervolgens bepaald dat een aanvraag niet kan worden gedaan dan nadat (naar aanleiding van de melding) onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd (voltooid) binnen de gestelde termijn van zes weken. Voor jeugdhulp geldt dat de melding van de hulpvraag ook gelijk de aanvraag is.
In het eerste lid is aangegeven dat naast de cliënt alleen een daartoe door hem gemachtigd persoon of een vertegenwoordiger (zie voor een definitie van vertegenwoordiger de toelichting onder artikel 1) een aanvraag kan indienen. Zie hiervoor artikel 2 en de toelichting daarbij. Aangezien het hier gaat om de formele aanvraag om een beschikking in de zin van de Awb is hier de formele eis van machtiging of vertegenwoordiging gesteld.
Het college heeft de bevoegdheid om een ondertekend verslag aan te merken als aanvraag. Reden om in het individuele geval het verslag niet aan te merken als aanvraag kan zijn het tijdsverloop tussen de datum van opmaken van het verslag en de aanvraagdatum. Dit kan het geval zijn als het college het aannemelijk acht dat door het tijdsverloop het verslag niet meer (volledig) van toepassing is op de actuele situatie van de cliënt.
In bepaalde gevallen kan zonder het indienen van een formele aanvraag, of een formeel ondertekend verslag bij wijze van een aanvraag, een besluit worden genomen om een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 toe te kennen. Dit kan als het college dit in de Verordening heeft aangegeven. Het vierde lid regelt dat dit kan en in welke gevallen.
Deze bepaling voorziet in de behoefte om de formele, vooral administratieve en soms hinderlijke procedure minder star te maken voor de gevallen die zich daar in de praktijk voor lenen. Dit zijn gevallen waarbij de formele procedure een onnodige herhaling van zetten zou betekenen, omdat het voor zowel college als cliënt al duidelijk is wat er nodig is als vervolg op de eerder verstrekte en nog actieve indicatie. In al deze gevallen betekent dit dat het college, voordat de indicatie wordt verlengd of aangepast, contact heeft gehad met de cliënt en dit heeft afgestemd. De mogelijkheid om de aanvraagprocedure te vereenvoudigen ontslaat het college niet van de verplichting om dusdanig onderzoek te doen dat de beslissing gemotiveerd en zorgvuldig kan worden genomen. De zinsnede ‘en bij het college al bekend is’ duidt hier op. Een versoberde vorm van het onderzoek zal volstaan, omdat het uitgangspunt in dit geval een bekende cliënt en nog lopende indicatie is. Belangrijk is dat mondeling gemaakte afspraken zorgvuldig worden gedocumenteerd.
HOOFDSTUK 3. Maatwerkvoorziening
Artikel 7. Criteria voor maatwerkvoorziening
In dit artikel is het algemene afwegingskader dat centraal staat nogmaals uiteengezet. De nadruk ligt op de eigen kracht en hulp van anderen. De maatwerkvoorziening vormt slechts het sluitstuk van de maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp.
In artikel 2.1.3 lid 2 onderdeel a. van de Wmo 2015 en artikel 2.9, onderdeel a, van de Jeugdwet is bepaald dat de raad bij verordening moet aangeven op basis van welke criteria het college kan vaststellen of een cliënt voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt. In de memorie van toelichting op deze bepaling in de Wmo 2015 (TK 2013-2014, 33 841, nr. 3, blz. 134) en in de memorie van toelichting bij de Jeugdwet (TK 2012/2013, 33684, nr. 3, blz. 3 en 7) wordt aangegeven dat het bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening op maatwerk aankomt. Gemeentelijke vrijheid is nodig, omdat de behoeften van inwoners per gemeente kunnen verschillen en de sociale en fysieke infrastructuur per gemeente anders is. Ook het aanbod van algemene voorzieningen is niet in iedere gemeente gelijk.
Het is daarom niet mogelijk of wenselijk dat in de verordening limitatief wordt geregeld welke maatwerkvoorzieningen zullen worden verstrekt. De gemeente moet wel aan de hand van geschikte en toepasbare criteria meer in detail en concreet nader afbakenen in welke gevallen iemand een maatwerkvoorziening kan krijgen. In dit artikel is deze verplichting uitgewerkt.
In het zesde lid wordt ingegaan op de situatie waar een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder verstrekte maatwerkvoorziening. Deze bepaling ziet op materiële Wmo-voorzieningen.
In de wet is een verplichting opgenomen om afwijzingsgronden in de verordening op te nemen. Dit is herhaald in verschillende uitspraken van de rechter. Zonder opname in de verordening kan het college hier geen beroep op doen. Dit versterkt de rechtspositie van de cliënt.
In lid 1 zijn de afwijzingsgronden opgenomen. Om volledig te zijn over alle mogelijke afwijzingsgronden, zitten hier ook afwijzingsgronden uit de wet bij.
Het eerste lid onder c: een algemene voorziening gaat voor op verstrekking van een maatwerkvoorziening. Ook dit is een uitvloeisel van het algemene toetsingskader van de wet. Het is hier opgenomen om dienst te doen als afwijzingsgrond. Indien naar het oordeel van het college met betrekking tot de problematiek aanspraak bestaat op een andere voorziening, hoeft, met inachtneming van de uitzonderingen genoemd in artikel 1.2 van de Jeugdwet, geen maatwerkvoorziening te worden verstrekt.
Het eerste lid onder d: het is niet de bedoeling dat het college voorzieningen verstrekt waarvan aannemelijk is te achten dat deze cliënt daarover, ook als hij of zij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken. Dit moet het college steeds onderzoeken. Zie hiervoor ook de toelichting op artikel 1 voor het begrip ‘algemeen gebruikelijke voorziening’.
Lid 1 onderdeel e: om voor een maatwerkvoorziening gericht op beschermd wonen en maatschappelijke opvang in aanmerking te komen moet de cliënt in ieder geval inwoner van Nederland zijn, maar niet per se van de gemeente Nijmegen. Waar iemand inwoner is, hangt af van de concrete feiten en omstandigheden. De inschrijving in de Basisregistratie Personen is daarbij een belangrijke indicatie.
Het eerste lid onder f: hier wordt de situatie bedoeld dat de cliënt zelf al vóór de beschikking een maatwerkvoorziening heeft gerealiseerd of geaccepteerd. In dat geval wordt geen voorziening verstrekt. De enige uitzondering hierop is wanneer de cliënt dit heeft gedaan in de periode tussen de melding en de beschikking, als het college hiervoor schriftelijk goedkeuring heeft verleend of achteraf over die periode de noodzaak nog kan worden vastgesteld. Een voorziening die de cliënt vóór de datum van de melding zelf al heeft gerealiseerd of geaccepteerd, wordt beschouwd als een voorziening die op basis van de eigen kracht heeft getroffen. De hiervoor genoemde uitzondering geldt daarom niet voor voorzieningen die zijn getroffen vóór de melding. Door deze regeling wordt voorkomen dat een voorziening waar vroegtijdig mee is begonnen uiteindelijk niet overeenstemt met hetgeen het college als goedkoopst-adequate voorziening beschouwt.
Het eerste lid onder g: in dit onderdeel wordt aangegeven dat de aanvraag geweigerd kan worden als het gaat om een vergoeding of verstrekking die reeds eerder heeft plaatsgehad, terwijl het de cliënt verwijtbaar is dat het middel verloren is gegaan of onherstelbaar beschadigd, bijvoorbeeld door roekeloosheid of verwijtbare onachtzaamheid. Het gaat uitdrukkelijk niet om de situatie waarin de cliënt geen schuld heeft. Ook hier kan de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt een rol spelen. Indien bijvoorbeeld in een woning een verstelbare keuken of een andere dure voorziening is aangebracht, heeft dit gevolgen voor de te verzekeren waarde van de opstal. Dit risico dient in de opstalverzekering gedekt te worden. Indien vervolgens bij brand blijkt dat de woning onvoldoende verzekerd is, dan kan op dat moment geen beroep op deze Verordening worden gedaan.
Het eerste lid onder h: binnen de gekantelde aanpak wordt een sterker beroep gedaan op de eigen kracht en eigen verantwoordelijkheid van een belanghebbende. Cliënt wordt wat betreft de bevordering van zelfredzaamheid en participatie geacht eerst eigen oplossingen en oplossingen vanuit zijn netwerk in te zetten. Eventuele ondersteuning vanuit de gemeente vormt slechts het sluitstuk. Bij het compenseren van beperkingen die een ondersteuningsvrager ondervindt in zijn maatschappelijke participatie wordt dus rekening gehouden met de keuzes die de cliënt maakt in het leven, waarbij verwacht mag worden dat een ondersteuningsvrager geschikte keuzes maakt rekening houdend met de beperkingen die horen bij de individuele omstandigheden van de cliënt. Onder ‘geschikte keuzes’ wordt verstaan dat cliënt keuzes maakt die de zelfredzaamheid en participatie bevorderen en niet doen afnemen.
Deze afwijzingsgrond kan niet in het geval van jeugdhulp worden gebruikt.
Lid 1 onderdeel j: een van de gronden is dat het college de goedkoopst passende voorziening verstrekt. Dit geeft het college de mogelijkheid te sturen in beleid. Een duurdere voorziening die niet per se passender is, wordt in principe niet vergoed. Bruikbaarheid, technische en functionele aspecten en kwaliteitsaspecten wegen mee in het bepalen of iets het goedkoopst passende is. Als de cliënt bereid is het prijsverschil te betalen, is het uiteraard mogelijk een duurdere dan de goedkoopst passende voorziening te verstrekken.
Lid 2 onderdeel b benadrukt dat de woning waar de aanpassing zou moeten plaatsvinden het duurzaam hoofdverblijf van de cliënt is. De woning moet daar ook voor bestemd zijn. Bij de beoordeling van het duurzaam hoofdverblijf zijn de feitelijke omstandigheden leidend. Inschrijving in het BRP geldt daarvoor als een indicatie.
Het tweede lid onder c en d: deze afwijzingsgronden kunnen naast elkaar bestaan. De eerste afwijzingsgrond is ruimer en ontslaat het college niet van de compensatieplicht. Als de afwijzingsgrond onder d valt dan komt het college niet meer aan c toe maar is hiermee de afwijzing rond.
Bij lid 4 onderdeel a kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het vertonen van geweld en agressief gedrag.
Bij lid 4 onderdeel d kan bijvoorbeeld gedacht worden aan ernstige verslaving of acute psychische problematiek. Hiervoor is mogelijk behandeling met opname in een instelling of kliniek noodzakelijk.
In het vijfde lid is bepaald dat het college kan beoordelen of een cliënt die pgb wenst voldoet aan de voorwaarden genoemd in deze verordening. Het college heeft daartoe informatie van de cliënt nodig. Het door de cliënt ingediende plan dient als basis voor de beoordeling. Zonder een volledig plan kan het college deze beoordeling niet maken.
Uitgangspunt van de wet is dat de cliënt een maatwerkvoorziening in ‘natura’ krijgt. De mogelijkheid van het toekennen van een pgb bestaat als de cliënt dit wenst, voldoet aan de criteria en in het kader van een voorziening in de zin van de Jeugdwet kan motiveren waarom een voorziening in natura niet passend is.
In de beschikking wordt het beoogde resultaat opgenomen. Het beoogde resultaat is bijvoorbeeld ‘mobiliteit’ en niet ‘een scootmobiel’. Zie ook de toelichting op artikel 4, tweede lid, onder b. Voor jeugdhulp is het resultaat bijvoorbeeld gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid, voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau. Onder ‘duur’ valt ook de termijn waarop een voorziening technisch is afgeschreven.
als het college een voorziening beschermd wonen of beschermd thuis in natura verstrekt, de gecontracteerde aanbieder vervolgens gedurende de verstrekking de individuele begeleiding en dagbesteding verstrekt waar de cliënt volgens het herstelplan, opgesteld door cliënt en gecontracteerde aanbieder, behoefte aan heeft. Gedurende de looptijd van de verstrekking kan de gecontracteerde aanbieder, samen met de cliënt, bepalen dat de mate van individuele begeleiding en dagbesteding wordt op- of afgeschaald binnen de categorieën, als de behoefte van de cliënt hiertoe aanleiding geeft c.q. mogelijkheden biedt. Hiervoor is geen nieuwe beschikking nodig;
Tijdens het onderzoek, bedoeld in artikel 3, tweede lid, wordt beoordeeld of er andere voorzieningen zijn waar de maatwerkvoorziening mee moet worden afgestemd. In de beschikking wordt vervolgens vastgelegd welke andere voorziening dat is. Dit is opgenomen om uitvoering te geven aan art. 2.9 Jeugdwet: ”de gemeenteraad stelt bij verordening en met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet in ieder geval regels over de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen.”
Het vierde lid dient uitsluitend ter informatie aan de cliënt. Het college neemt niet de hoogte van de bijdrage in de kosten in de beschikking op. Dat loopt immers via het CAK, evenals de mogelijkheid van bezwaar en beroep daartegen.
Artikel 10. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering
Volgens de wet moeten in de verordening regels opgenomen worden die gaan over het onterecht ontvangen van een voorziening of pgb. Hieronder valt ook misbruik of oneigenlijk gebruik van een voorziening of pgb.
Voor wat betreft de Jeugdwet is het eerste lid een herhaling van artikel 8.1.2, eerste lid, maar het tweede en derde lid betreffen een uitbreiding ten opzichte van de Jeugdwet.
Artikel 8.1.4, eerste lid, van de Jeugdwet regelt de herziening en intrekking van een beslissing aangaande een pgb. De verordening bepaalt dat het college een beslissing tot het verstrekken van jeugdhulp (dus zowel in natura als in de vorm van pgb) kan beëindigen, herzien dan wel intrekken.
Artikel 8.1.4, derde lid, van de Jeugdwet bepaalt dat indien een beslissing aangaande een pgb met toepassing van het eerste lid, onderdeel a, heeft herzien dan wel ingetrokken, het college bij dwangbevel geheel of gedeeltelijk het ten onrechte genoten pgb kan invorderen. De verordening regelt in het derde lid dat als het college een beslissing heeft ingetrokken, het college onder omstandigheden de geldswaarde kan vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of pgb.
Met opname van deze wettekst en uitbreidingen in de verordening wordt beoogd een compleet beeld te geven van de regels voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet.
In artikel 2.4.1 van de Wmo 2015 zijn regels voor het verhaal van kosten opgenomen en is de bevoegdheid aan het college gegeven tot het (in geldswaarde) terugvorderen van een ten onrechte verstrekte maatwerkvoorziening of pgb. Hierbij is tevens bepaald dat het college het terug te vorderen bedrag bij dwangbevel kan invorderen.
Uit de memorie van toelichting op artikel 2.4.1 van de wet (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 157) wordt duidelijk dat daarnaast de mogelijkheid blijft bestaan om maatwerkvoorzieningen terug te vorderen; ‘omdat het niet in alle gevallen mogelijk is een al genoten maatwerkvoorziening terug te vorderen, kan het college de waarde van de genoten maatwerkvoorziening uitdrukken in een bedrag dat voor terugvordering in aanmerking komt.’ In het vierde lid zijn dan ook bepalingen opgenomen die het college de bevoegdheid geven tot terugvordering van in eigendom en in bruikleen verstrekte voorzieningen.
HOOFDSTUK 4. Persoonsgebonden budget
Artikel 11. Algemene regels voor pgb
Het college kan op grond van de wet een pgb verstrekken. Belangrijk is dat een pgb alleen wordt verstrekt wanneer de cliënt dit (gemotiveerd) vraagt. Met de motivatie wordt verzekerd dat het verkrijgen van een pgb de wens van de cliënt zelf is. Voor jeugdhulp geldt aanvullend hierop dat de cliënt motiveert dat de voorziening in natura niet passend is. Dit is een eis uit de wet (artikel 8.1.1 lid 2 onderdeel b Jeugdwet). De eis van het pgb-plan (lid 1)/offerte (lid 2) maakt ook duidelijk dat het in principe niet mogelijk is om achteraf kosten te declareren.
Artikel 12. Hoogte van het pgb
In de wet is opgenomen dat een pgb-aanvraag geweigerd kan worden als de kosten voor een pgb hoger zijn dan de kosten van de goedkoopst passende maatwerkvoorziening (in natura). Dat het pgb geweigerd kan worden, betekent niet dat het pgb altijd of volledig geweigerd wordt of moet worden. De cliënt kan bijvoorbeeld zelf bijbetalen wanneer de kosten van zijn gewenste aanbieder hoger zijn dan het tarief. De maximale hoogte van een pgb is in de verordening begrensd op de kostprijs van de goedkoopst passende ingekochte maatwerkvoorziening door het college.
De professionele tarieven zijn afgeleid van de tarieven van gecontracteerde aanbieders. Pgb-aanbieders moeten aan minder eisen voldoen dan gecontracteerde aanbieders. Hierbij valt te denken aan werken met berichtenverkeer, deelname aan aanbestedingsprocedures, contractmanagement- en netwerkgesprekken en het door een accountant laten controleren van de financiële productieverantwoording. Ook heeft de pgb-beheerder verantwoordelijkheden die, bij sommige gecontracteerde inzet, gedeeltelijk door de aanbieder moeten worden uitgevoerd (bijv. afspraken maken met andere organisaties over de aansluiting van hulp). Voor beschermd wonen intramuraal geldt bovendien dat de huisvestingskosten, die bij gecontracteerd aanbod worden vergoed vanuit het tarief, in pgb géén onderdeel zijn van het tarief. Huur mag namelijk niet betaald worden vanuit een pgb. Bovengenoemde verschillen hebben effect op de overhead en productiviteit en daarmee ook het pgb-tarief. Dit effect kent enige variatie, omdat het aandeel van de overhead en productiviteit in de tarieven van maatwerkvoorzieningen ook verschilt.
De volgende productomschrijvingen die in dit artikel worden genoemd, zijn ook van belang:
Beschermd Thuis: een vorm van Beschermd Wonen waarbij de inwoner woont in zijn eigen (al of niet gedeelde) woning, eveneens met de benodigde begeleiding en een vorm van 24-uurs toezicht of bereikbaarheid en beschikbaarheid. Er kan sprake zijn van het wonen in een groep (waarin men voorzieningen deelt) of (zelfstandig) geclusterd wonen (waarbij men zodanig geclusterd woont dat inzet van groepsbegeleiding mogelijk is). In deze gevallen is er ook een component groepsbegeleiding die door de zorginstelling geleverd wordt. De inwoner woont zelfstandig en is dus zelf verantwoordelijk voor de huur, vaste lasten en alle kosten van het levensonderhoud.
Beschermd Wonen intramuraal: een vorm van Beschermd Wonen waarbij sprake is verblijf in een accommodatie met toezicht en een op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden afgestemd geheel van diensten die worden geleverd met 24-uurs bereikbaarheid en beschikbaarheid. Wonen en zorg zijn gekoppeld.
Trainingshuis: de inwoner woont in een (al of niet gedeelde) woning, met de benodigde begeleiding en een vorm van 24-uurs bereikbaarheid en beschikbaarheid. Er kan sprake zijn van het wonen in een groep (waarin men voorzieningen deelt) of (zelfstandig) geclusterd wonen (waarbij men zodanig geclusterd woont dat inzet van groepsbegeleiding mogelijk is). Er is sprake van een component groepsbegeleiding die door de zorginstelling geleverd wordt. De inwoner woont zelfstandig en is dus zelf verantwoordelijk voor de huur, vaste lasten en alle kosten van het levensonderhoud. Wonen en zorg zijn gekoppeld.
Artikel 13. Regels voor pgb-beheer
In de praktijk komt het regelmatig voor dat cliënten ondersteuning krijgen bij het beheren van het pgb. In dit artikel zijn enkele nadere eisen opgenomen waar pgb-beheer aan moet voldoen. Als de cliënt in het geheel geen regie kan voeren, is het pgb niet de aangewezen verstrekkingsvorm.
Artikel 14. Regels voor de pgb-professional/aanbieder
Het is niet de bedoeling dat pgb-aanbieders zich niet aan kwaliteitskaders hoeven te houden. We willen namelijk dat cliënten ook via het pgb kwalitatief goede zorg en ondersteuning ontvangen. Het college moet op de hoogte zijn van deze kwaliteit. Daarom worden in deze verordening kwaliteitseisen opgenomen voor de pgb-aanbieder.
Artikel 15. Regels voor pgb informele hulp
Dit artikel ziet op de situatie waar het pgb wordt besteed in het sociaal netwerk. Het sociaal netwerk bestaat uit personen uit de huiselijke kring en andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt. Bij deze laatste groep kan gedacht worden aan familieleden die niet in hetzelfde huis wonen, buren, vrienden, kennissen, etc. Dit kunnen ook mantelzorgers zijn.
Wel is de regering van mening dat de beloning van het sociale netwerk in elk geval beperkt moet blijven tot die gevallen waarin het de gebruikelijke hulp overstijgt en dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is. De cliënt legt een schriftelijk document over waarin het voorgaande gemotiveerd wordt.
Overeenkomstig de huidige praktijk met betrekking tot informele hulp wordt hierbij in ieder geval gedacht aan diensten (zorg van mantelzorgers bijvoorbeeld). Informele hulp bij hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen is minder goed denkbaar, maar niet per definitie uitgesloten. Ingeval ook hiervoor een pgb wordt aangevraagd is voor gemeenten van belang dat slechts een pgb wordt verstrekt als naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de in te kopen diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt.
Mantelzorg is informele zorg die door het eigen netwerk wordt geboden en dit gaat dus voor op een maatwerkvoorziening. Aan de keuze tussen zorg in natura en een pgb gaat vooraf of naast de bijdrage van het eigen netwerk aanvullend extra ondersteuning nodig is in de vorm van een maatwerkvoorziening. Als dat het geval is, heeft de cliënt de keuze tussen zorg in natura of een pgb.
In beginsel is het gezien de volgorde niet logisch dat iemand uit het eigen netwerk de ondersteuning in het kader van het pgb gaat uitvoeren als in een eerder stadium al is afgesproken wat mensen uit het eigen netwerk (onbetaald) willen betekenen voor de cliënt. Waar echter toch reden is voor een maatwerkvoorziening (als sluitstuk), waarbij (dus) al is geconcludeerd dat het aan de daarvoor geldende eisen voldoet en hierin het sociaal netwerk (inclusief mantelzorgers) dusdanige intensieve hulp zou moeten leveren die een dusdanige mate van verplichting inhoudt dat niet meer van vrijwilligheid en gebruikelijke hulp of mantelzorg gesproken kan worden, kan deze hulp vanuit het sociaal netwerk met een pgb worden bekostigd. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als de mantelzorger zijn baan moet opzeggen om te kunnen (blijven) zorgen voor een naaste. Het is echter niet mogelijk om al deze situaties te vangen in algemene, voor iedereen geldende voorwaarden. Niet voor iedereen die zijn baan opzegt om te kunnen zorgen voor een naaste komt in aanmerking voor een pgb. Het blijft dus altijd om maatwerk gaan.
Voor gezinsleden binnen hetzelfde huishouden als de aanvrager kan de gemeente gebruik maken van de bepalingen rond gebruikelijke zorg die zijn vastgelegd in het protocol Gebruikelijke Zorg.
Artikel 16. Weigeringsgronden pgb
In dit artikel is opgenomen wanneer een pgb geweigerd kan worden.
In lid 1b is bepaald dat een pgb niet verleend wordt bij maatschappelijke opvang. Dit is vanwege de lage zelfredzaamheid van de doelgroep voor maatschappelijke opvang.
Lid 2b: Mantelzorg is onbetaald en gaat in principe voor op een maatwerkvoorziening. Vanuit die gedachte is het niet logisch dat iemand uit het sociaal netwerk pgb-zorg gaat leveren. Uitzonderingen hierop zijn mogelijk. Bijvoorbeeld als de mantelzorger zijn baan opzegt om te kunnen zorgen voor een naaste. Dit blijft echter altijd maatwerk.
Lid 2d: hulp bij de ontwikkeling van de zelfstandigheid en autonomie, en ruimte om zelf te doen en ontdekken is onderdeel van de gebruikelijke hulp die ouders verwacht worden te bieden, al dan niet met behulp van het sociale netwerk. Uitgangspunt is dat kinderen moeten loskomen van de afhankelijkheid van ouders en een niveau van autonomie moeten ontwikkelen dat past bij hun ontwikkeling. Soms kan dit ook betekenen dat het in het belang van de ontwikkeling van het kind is dat hulp niet wordt geboden door een naaste. In het onderzoek moet daarom goed beoordeeld worden of professionele distantie gewenst is.
Artikel 17. Besteding en verantwoording van het pgb
Dit artikel heeft geen toelichting nodig.
Artikel 18. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning
Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de Wmo 2015, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen.
De regering legt de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van Wmo voorzieningen bij de gemeente en de aanbieder. Het is aan de gemeente om in de verordening te bepalen welke kwaliteitseisen worden gesteld aan aanbieders van voorzieningen. Die eisen zullen ook betrekking kunnen hebben op de deskundigheid van het in te schakelen personeel. De regering benadrukt in de memorie van toelichting op artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de Wmo 2015 (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3) dat de kwaliteitseisen die zijn vervat in de artikelen 3.1 e.v. van de Wmo 2015 en die zich rechtstreeks tot aanbieders richten, daarbij uitgangspunt zijn. De eis dat een voorziening van goede kwaliteit wordt verleend, biedt veel ruimte voor de gemeenten om in overleg met organisaties van cliënten en aanbieders te werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning.
In het vijfde lid zijn een aantal voor de hand liggende kwaliteitseisen uitgewerkt.
Dit artikel ziet alleen op maatschappelijke ondersteuning. De kwaliteitseisen voor jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen zijn opgenomen in paragraaf 4.1 van de Jeugdwet.
Het in het zevende lid genoemde jaarlijkse cliëntervaringsonderzoek is verplicht op grond van artikel 2.5.1, eerste lid, van de Wmo 2015. Artikel 2.10 van de Jeugdwet verklaart dit artikel van overeenkomstige toepassing, dus deze verplichting geldt ook voor de Jeugdwet.
Artikel 19. Meldingsregeling calamiteiten en geweld
In artikel 3.4, eerste lid, van de Wmo 2015 is bepaald dat de aanbieder bij de toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de Wmo 2015 onverwijld melding doet van iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft plaatsgevonden en van geweld bij de verstrekking van een voorziening. In artikel 6.1 van de Wmo 2015 is bepaald dat het college personen aanwijst die zijn belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet.
In aanvulling op het bovenstaande regelt artikel 18 dat er door het college een regeling wordt opgesteld over het doen van meldingen en dat de toezichthoudend ambtenaar deze meldingen onderzoekt en het college adviseert over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. Overeenkomstig het zesde lid kan het college bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening.
De melding van calamiteiten en geweld in de jeugdhulp, jeugdbescherming en jeugdreclassering is landelijk uniform geregeld in de Jeugdwet. Als toezichthouder is de inspectie jeugdzorg aangewezen. In aanvulling daarop is in de verordening ook de bevoegdheid opgenomen voor het college om een toezichthouder in het kader van de Jeugdwet aan te wijzen.
Artikel 20. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorzieningen
De wet bepaalt dat de verordening regels moet bevatten over de waarborging van een goede verhouding tussen de prijs en kwaliteit van een voorziening. Om te voorkomen dat alleen gekeken wordt naar de laagste prijs, bevat dit artikel een aantal andere aspecten waar het college rekening mee dient te houden. Daarbij moet voor diensten zoals begeleiding rekening gehouden worden met de deskundigheid van het personeel. Het uitgangspunt is dat aanbieders kundig personeel inzetten met arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Om flexibel te blijven bij de inkoop is niet opgenomen welke kosten precies een rol moeten spelen. Reizen, opleidingen en administratie vallen onder ‘overheadkosten’.
Artikel 21. Klachtregeling volgens de Wmo 2015 en de Jeugdwet
De gemeente is al op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van personen en bestuursorganen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn. Gelet op het van toepassing zijnde hoofdstuk 9 van de Awb, waarin een uitvoerige regeling omtrent klachtbehandeling is gegeven, en ook het recht is neergelegd om na de afhandeling van de klacht de bevoegde ombudsman te verzoeken een onderzoek in te stellen, kan in deze verordening met een enkele bepaling worden volstaan.
In het tweede lid is een bepaling over klachten ten aanzien van aanbieders opgenomen. Een dergelijke bepaling is verplicht op grond van artikel 2.1.3, tweede lid, onder e, van de Wmo 2015, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten is vereist. De aanbieder is ten aanzien van de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een klachtregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder a, van de Wmo 2015). In de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 57-58) staat dat cliënten in beginsel moeten kunnen klagen over alles wat hen niet aanstaat in de manier waarop zij zich bejegend voelen.
De cliënt kan ontevreden zijn over het gedrag van een gemeenteambtenaar, bijvoorbeeld over de wijze waarop een gesprek is gevoerd of over diens (vermeende) gebrek aan deskundigheid. Is de cliënt niet tevreden over een gedraging van de aanbieder, dan kan het ook gaan om bijvoorbeeld de kwaliteit van de geleverde maatschappelijke ondersteuning (in verband met de deskundigheid van de medewerker of een bepaalde houding of uitlating, gebrekkige communicatie of (on)bereikbaarheid van de aanbieder).
Het ligt voor de hand dat cliënten die zich benadeeld voelen zo veel mogelijk deze klacht eerst bij de betreffende aanbieder deponeren. Zij moeten erop kunnen vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel in behandeling neemt en de klacht ook snel afhandelt. Daar waar de afhandeling niet naar wens is, staat de weg naar de gemeente voor het indienen van de klacht open.
De Jeugdwet kent deze verordenende verplichting voor de gemeente aangaande de aanbieders niet, maar beschrijft in paragraaf 4.2a het klachtrecht betreffende jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen. In de regel zal eerst de aanbieder worden aangesproken bij klachten over de wijze van behandeling, op grond van de Jeugdwet. Pas wanneer dit klachtrecht niet bevredigend is, komt de gemeentelijke klachtmogelijkheid in zicht.
De gemeente heeft geen toezichthoudende functie voor de klachtregelingen van de jeugdhulpaanbieders.
Artikel 22. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning
Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder f, van de Wmo 2015, waarin is bepaald dat in ieder geval moet worden bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn, vereist is.
In dit artikel gaat het dus om medezeggenschap van cliënten tegenover de aanbieder. Voorheen moest de aanbieder voldoen aan de in de Wet klachtrecht cliënten en de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz) gestelde regels. Onder de Wmcz werd inspraak tegenover de aanbieder reeds verwezenlijkt via de cliëntenraad. Onder de Wmo 2015 is het stellen van regels geheel aan gemeenten overgelaten.
In het eerste lid is dit uitgewerkt door te bepalen dat aanbieders een regeling voor medezeggenschap dienen vast te stellen. De aanbieder is ten aanzien van de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een medezeggenschapsregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder b, van de Wmo 2015).
In het tweede lid is een aantal instrumenten voor het college aangegeven om te zorgen dat de verplichting tot medezeggenschap door aanbieders goed wordt uitgevoerd.
De medezeggenschap bij aanbieders van jeugdhulp en gecertificeerde instellingen is in de Jeugdwet geregeld (zie paragraaf 4.2.b).
HOOFDSTUK 6. Controle, Toezicht en Handhaving
Artikel 23. Controle en onderzoek
Op grond van artikel 2.3.6, vierde lid, van de Wmo 2015 en artikel 2.9, onderdeel d, van de Jeugdwet dienen in de verordening regels te worden gesteld over de bestrijding van ten onrechte ontvangen van maatwerkvoorzieningen (natura of pgb), alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Essentieel daarbij is dat het college periodiek controles uitvoert naar het gebruik en de besteding van voorzieningen op grond van de wet. De grondslag om toezichthouders aan te wijzen op grond van de Wmo 2015, vloeit voort uit artikel 6.1 van die wet. In dit artikel van de verordening wordt de basis gevormd voor de aanwijzing van toezichthouders rechtmatigheid op grond van de Jeugdwet. Toezicht op de kwaliteit van jeugdhulp is belegd bij de IGJ.
De gemeente is verantwoordelijk voor toezicht en handhaving op het bij of krachtens de Wmo 2015 gestelde en de Jeugdwet voor zover het rechtmatigheid betreft. In dit artikel wordt ondubbelzinnig weergegeven hoe de gemeente de reikwijdte van deze verantwoordelijkheid ziet. Toezicht en handhaving strekt zich uit tot zorg in natura als ook pgb-gefinancierde zorg. Het strekt zich uit tot de wettelijke bepalingen, de onderliggende landelijke en lokale regelgeving en de afgesloten overeenkomsten en subsidierelaties.
In dit artikel worden allerlei verschillende typen onderzoek uiteengezet. Ook dit heeft te maken met de reikwijdte van de toezicht- en handhavingsbevoegdheid van het college. Uiteraard dient bij de inzet van de verschillende typen onderzoek in het oog te worden gehouden dat deze proportioneel moeten worden ingezet. Om dit te borgen wordt een controleplan opgesteld dat de escalatieladder in kaart zal brengen.
Het bevel is een zwaar middel dat niet lichtzinnig moet worden ingezet. De door de toezichthouder aangetroffen situatie is dermate ernstig dat het treffen van maatregelen geen uitstel kan lijden. Bij zorg in natura zal het bevel zich richten tot de zorgaanbieder. Bij pgb-gefinancierde zorg zal het bevel zich richten tot de budgethouder, omdat we als gemeente daar de juridische relatie mee hebben. De budgethouder zal de aanbieder moeten aansporen om de noodzakelijke veranderingen onverwijld door te voeren.
De geconstateerde bevindingen worden door de toezichthouder vastgelegd in een inspectierapport. Bij fraudesignalen zal dit een frauderapport zijn. Dit rapport zal doorgezet worden naar de gemeente. Daarna zal het in de regel, tenzij zwaarwegende redenen zich daartegen verzetten, openbaar worden gemaakt door publicatie.
In het derde lid is verduidelijkt dat de reactiemogelijkheid zich beperkt tot feitelijke onjuistheden. Dit is nog geen hoor-wederhoor in het kader van een voorgenomen besluit. Dat zal immers plaatsvinden vanuit de gemeente. Dat is ook de reden dat de budgethouder in deze reactiemogelijkheid nog niet betrokken wordt. De budgethouder wordt gehoord in de voorbereiding van een besluit.
In het vijfde lid is opgenomen dat de hoofdregel openbaarmaking van het rapport is. Zwaarwegende redenen kunnen maken dat openbaarmaking achterwege blijft. Dit zal zich vooral kunnen voordoen bij fraudeonderzoeken, waar het onderzoek zich meer richt op het handelen (en daarmee verdenkingen tegen) van individuen.
De aanwijzing is een eerste stap om te beogen de situatie terug te brengen in de rechtmatige toestand. Bij fraude zal er niet gauw sprake van een aanwijzing, vanwege het doelbewuste onrechtmatig handelen.
Tijdens de looptijd van de aanwijzing kunnen al andere maatregelen genomen worden als de situatie daartoe aanleiding geeft.
De genoemde hersteltermijn is een uitgangspunt. In de praktijk zal deze afgestemd worden op de aangetroffen situatie, houding en gedrag van de aanbieder, eventuele eerdere constateringen bij deze aanbieder en de veiligheid van cliënten.
Artikel 30. Cliëntenstop en verscherpt toezicht
Een cliëntenstop dient een dubbel doel. In de eerste plaats is het een middel om de situatie te bevriezen. Het is onwenselijk dat er nieuwe cliënten blijven instromen in een situatie die we als ondermaats of onrechtmatig beschouwen. Het moet prioriteit hebben om de huidige situatie te herstellen, voordat er sprake kan zijn van nieuwe cliënten. In de tweede plaats is een cliëntenstop ook een financiële prikkel voor de aanbieder om vaart te maken met het doorvoeren van de noodzakelijke wijzigingen.
In het artikel zijn verschillende vormen van een cliëntenstop opgenomen, die afhankelijk van de situatie kunnen worden opgelegd.
Verscherpt toezicht zal in de regel aan de orde zijn als het noodzakelijk is om tussentijdse voortgang te monitoren.
Artikel 31. Vervolgonderzoeksrapport
Het ligt in de lijn dat de toezichthouder na afloop van een hersteltermijn de aanbieder opnieuw zal bezoeken en een nieuw rapport zal opmaken.
Artikel 32. Handhavingsmaatregelen
Bij geconstateerde misstanden volgt handhaving. Dit artikel is de kern van de mogelijkheden die het college daarbij heeft. De rechter heeft eerder in een zaak van de gemeente Almelo geoordeeld dat er een concrete wettelijke basis moet zijn om in het kader van de Wmo 2015 en Jeugdwet een last onder dwangsom op te mogen leggen. Om die reden is deze mogelijkheden opgenomen in deze verordening.
Artikel 33. Privaatrechtelijke maatregelen en opschorting betaling
De maatregelen van artikel 32 zijn bestuursrechtelijk van aard. Met de aanbieders van zorg in natura hebben we daarnaast veelal een contractuele relatie. In lid 1 is nog eens benadrukt dat ook civielrechtelijk tegen misstanden kan worden opgetreden. Deze keuze is aan het college en is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval.
De handhavingsmaatregelen kunnen ook samengaan met het (verzoek tot) opschorten van betalingen zoals opgenomen in het vierde lid.
Cliënten die zorg of ondersteuning krijgen op grond van de Wmo 2015 of de Jeugdwet mogen een voorkeur aangeven voor een bepaalde aanbieder. Bij een persoonsgebonden budget zijn ze zelfs verantwoordelijk voor de inkoop bij een bepaalde aanbieder. Goede informatie is daarbij essentieel. Om die reden worden inspectierapport bij hoofdregel ook openbaar gemaakt. Op de website van het ROB zal het genoemde overzicht worden bijgehouden.
Bij toezicht hebben we te maken met schaarse capaciteit. Dit betekent dat in 2015 de keuze is gemaakt om signaalgestuurd te gaan werken. Signalen kunnen afkomstig zijn van (oud-)cliënten, (oud-)werknemers en ook de aanbieder zelf. Als een aanbieder ziet aankomen dat hij niet langer aan de afspraken met de gemeente kan voldoen, is het primair zijn verplichting om dit proactief bij het college te melden. Op die manier kunnen partijen vroegtijdig met elkaar in gesprek gaan om passende afspraken te maken.
HOOFDSTUK 7. Rechtspositie inwoners
Artikel 36. Cliëntondersteuning en vertrouwenspersoon
Het eerste lid is een uitwerking van de wettelijke verplichting van het college in artikel 2.2.4, eerste lid, onder a, en tweede lid, van de Wmo 2015. Deze verplichting geldt ook voor cliënten die onder de Jeugdwet vallen. De Wmo 2015 adresseert het college rechtstreeks en vraagt niet om hierover bij verordening een regeling op te stellen. De bepaling uit de Wmo 2015 is toch in de verordening opgenomen vanwege het belang om in de verordening een compleet overzicht van rechten en plichten van cliënten te geven.
Hierbij is benadrukt dat de cliëntondersteuning op grond van de wet voor de cliënt kosteloos is. In de memorie van toelichting bij artikel 2.2.4 van de Wmo 2015 (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3) is vermeld dat gemeenten hiermee de opdracht hebben in ieder geval een algemene voorziening voor cliëntondersteuning te realiseren, waar inwoners informatie en advies over vraagstukken van maatschappelijke ondersteuning en hulp bij het verkrijgen daarvan kunnen krijgen. Ook uitgebreide vraagverheldering alsmede kortdurende en kortcyclische ondersteuning bij het maken van keuzes op diverse levensterreinen maken daarvan deel uit.
Het tweede lid is de uitwerking van artikel 2.6, eerste lid, onder f, van de Jeugdwet, waarin is bepaald dat het college ervoor verantwoordelijk is dat jeugdigen, hun ouders of pleegouders een beroep kunnen doen op een vertrouwenspersoon. Met de vertrouwenspersoon wordt een functionaris bedoeld zoals deze voor 2015 werkzaam was binnen de jeugdzorg. Onafhankelijkheid, beschikbaarheid en toegankelijkheid zijn belangrijke factoren (wettelijke vereisten) voor een goede invulling van deze functie. Er is een regionale vertrouwenspersoon ingesteld. Het Advies- en Klachtenbureau Jeugdzorg (AKJ) en de Zorgbelangorganisaties voeren de functie van vertrouwenspersoon in samenwerking met elkaar uit.
De Jeugdwet adresseert het college rechtstreeks en vraagt niet om hierover bij verordening een regeling op te stellen. De bepaling uit de wet is toch in de verordening opgenomen vanwege het in het belang om in de verordening een compleet overzicht van rechten en plichten van jeugdigen en ouders te geven. Bij algemene maatregel van bestuur (het Besluit Jeugdwet) is een nadere uitwerking gegeven van de taken en bevoegdheden van de vertrouwenspersoon.
Artikel 37. Betrekken van inwoners bij het beleid
Deze bepaling geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo 2015 en artikel 2.10 van de Jeugdwet.
In het eerste lid is verwezen naar de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde inspraakverordening. Op deze manier wordt gewaarborgd dat er eenzelfde inspraakprocedure geldt voor het Wmo- en Jeugdbeleid als op andere terreinen. De inspraak geldt voor alle inwoners. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op ondersteuning.
Met het vierde lid wordt het aan het college overgelaten om de exacte invulling van de medezeggenschap vorm te geven.
Op grond van artikel 2.1.3 lid 4 van de Wmo 2015 en artikel 2.9 sub d van de Jeugdwet worden in de verordening regels gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Een van deze regels is dat gemengde huur-/ondersteuningsovereenkomsten niet worden geaccepteerd. De gemeente of de cliënt moeten de aanbieder of de derde kunnen aanspreken op de geleverde ondersteuning, zonder te moeten vrezen voor verlies van de huisvesting van de cliënt. Ook moet het de cliënt vrij blijven staan te wisselen van aanbieder dan wel derde aan wie hij zijn pgb wenst te besteden. Dit ook gelet op mogelijke wijziging van de indicatie bij een verlengingsverzoek of heroverweging. Het contractueel samenbrengen van ondersteuning en huisvesting vertroebelt het toezicht op kwaliteit van ondersteuning en bemoeilijkt adequate handhaving. De aanbieder dan wel derde aan wie het pgb zal worden besteed, hebben dubbele financiële belangen die als oneigenlijk gebruik van de wet moeten worden aangemerkt. Het belang van de cliënt dient altijd voorop te staan, ongeacht de leveringsvorm van de ondersteuning.
De gemeente mag van cliënten een bijdrage in de kosten vragen voor maatwerkvoorzieningen op het terrein van maatschappelijke ondersteuning in natura en in de vorm van een pgb alsmede voor algemene voorzieningen. In de financiële bijlage worden een aantal maatwerkvoorzieningen genoemd die uitgesloten zijn van een bijdrage in de kosten.
In het vijfde lid is de mogelijkheid benut om de maatwerkvoorziening vervoer uit te zonderen van het abonnementstarief.
In het zesde en zevende lid is de mogelijkheid van artikel 2.1.5 van de Wmo 2015, om de bijdrage ook aan de ouders van minderjarige cliënten op te leggen, benut.
Artikel 39a. Berekening en hoogte
In het eerste lid is het uitgangspunt benadrukt dat de bijdrage de kostprijs van de voorziening niet mag overstijgen: de gemeente mag geen winst maken op de bijdragen.
In het tweede en derde lid is uiteengezet hoe de kostprijs tot stand komt.
HOOFDSTUK 10. Waardering en Tegemoetkoming
Artikel 40. Jaarlijkse waardering
Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.6 van de Wmo 2015. Hierin is opgenomen dat bij verordening wordt bepaald op welke wijze het college zorg draagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente.
Artikel 2.1.6 stelt dat het moet gaan om mantelzorgers van cliënten in de gemeente. Artikel 1.1.1 van de Wmo 2015 definieert een cliënt als een persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening, maatwerkvoorziening of pgb, of door of namens wie een melding is gedaan. Het gaat dus ook om mantelzorgers van cliënten die een hulpvraag hebben aangemeld, ook al is daar geen voorziening op basis van deze wet uitgekomen. Voorts is de woonplaats van de cliënt bepalend, zodat het dus ook mantelzorgers kan betreffen die in andere gemeenten wonen.
Daarnaast is er de mogelijkheid voor het college om een jaarlijkse blijk van waardering voor pleegouders te bepalen.
Artikel 41. Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen
Deze bepaling betreft een uitwerking van artikel 2.1.7 van de Wmo 2015. Daarin is opgenomen dat bij verordening kan worden bepaald dat door het college aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming wordt verstrekt ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie.
Deze tegemoetkoming is niet kostendekkend maar geeft de cliënt wel het voordeel dat hij zelf een bedrag in handen krijgt waarmee meer eigen regie heeft bij de inkoop van de gewenste voorziening. Indien hij het geld niet aanwendt voor dit doel, kan op grond van de subsidietitel van de Awb worden gehandhaafd. Indien hij later wederom een aanvraag zou doen voor maatschappelijke ondersteuning, zonder dat er nieuwe feiten of omstandigheden in zijn situatie zijn, kan deze aanvraag worden afgewezen op grond van de Awb onder verwijzing naar de eerdere beschikking ter verstrekking van de tegemoetkoming.
Op grond van het zevende lid kan het college bij besluit bepalen in welke gevallen een tegemoetkoming wordt verstrekt en wat de hoogte daarvan is. Door het vastleggen bij besluit is voor de client op voorhand duidelijk op welke tegemoetkoming hij recht heeft.
Artikel 42. Eigen kracht in de Jeugdwet
Dit artikel is opgenomen naar aanleiding van uitspraken van de rechter. Het college moet ‘eigen kracht’ en wat daaronder valt in de Jeugdwet regelen in de verordening. Zo niet, dan kan het daar geen beroep op doen.
Artikel 43. Deskundig oordeel en advies
Het college is op grond van artikel, 2.3 eerste lid, van de wet verantwoordelijk voor het waarborgen van een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen jeugdhulpvoorziening. Voor iedere stap in artikel 5 geldt dat het college de deskundigheid inzet die nodig is om de stap goed af te kunnen ronden. Ook kan (medisch) advies worden ingezet om bepaalde medische stukken te laten beoordelen. Als dit noodzakelijk is voor het onderzoek, zal de jeugdige of zijn ouder(s) hier aan mee moeten werken, omdat anders niet vastgesteld kan worden hoe een hulpvraag opgelost kan worden. De verschillende stadia van onderzoek vragen op die stadia aangepaste deskundigheid.
In artikel 2.1, van het Besluit Jeugdwet is nader uitgewerkt dat het gaat om relevante deskundigheid met betrekking tot:
Het college moet ervoor zorgen dat die deskundigheid gewaarborgd is en dat deze naar discipline van deskundigheid concreet kenbaar is voor de hulpvrager. De rechtspraak over de wet vereist dat adviseurs beschikken over de voor het uitbrengen van hun adviezen noodzakelijke deskundigheid en dat dit vereiste wordt vastgelegd in de verordening (CRvB 29 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1097, rov. 4.9 (slot)). Daartoe bepaalt artikel 6, tweede lid, van de verordening dat adviezen worden uitgebracht door of onder verantwoordelijkheid van een adviseur die beschikt over een registratie bij Stichting Kwaliteitsregister Jeugd in het kwaliteitsregister jeugd, een registratie bij het Nederlands Instituut van Psychologen in het register Kinder- en Jeugdpsychologen, of een registratie op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in het BIG-register. Daarmee is vastgesteld welke vakbekwaamheid van hen verwacht mag worden en is gezekerd dat de (eindverantwoordelijke) adviseur zich toetsbaar opstelt. Geregistreerden in de betreffende registers vallen namelijk onder het tuchtrecht.
Artikel 44. Vervoer van en naar jeugdhulpaanbieder
In artikel 2.3, tweede lid, van de wet is bepaald dat voorzieningen op het gebied van jeugdhulp ook het vervoer van een jeugdige naar en van de locatie waar de jeugdhulp geboden wordt, omvatten. In deze bepaling worden de uitgangspunten voor verstrekking van vervoer geregeld.
Als uitgangspunt geldt dat de ouders in beginsel zelf verantwoordelijk zijn voor het vervoer (lid 1). Dat vervoer moet dan wel noodzakelijk zijn in verband met een medische noodzaak of met beperkingen in de zelfredzaamheid van de jeugdige. Dit betekent dat het vervoer noodzakelijk moet zijn om de locatie van de jeugdhulp te kunnen bereiken (lid 2). Of daarvan sprake is staat ter beoordeling van het college (lid 3). Om te benadrukken dat het college daarbij de eigen verantwoordelijkheid van ouders als uitgangspunt neemt, wordt in het vierde lid expliciet gemaakt dat het college in elke individuele situatie een afweging moet maken of er specifieke omstandigheden zijn waardoor er (ondanks de eigen verantwoordelijkheid van de ouders) een vervoersvoorziening moet worden verstrekt. Wanneer de ouders in staat zijn de jeugdige zelf te vervoeren, is er sprake van ‘eigen kracht’ die aan de toekenning van een vervoersvoorziening in de weg staat (CRvB, 5 april 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:655).
HOOFDSTUK 13. Overige bepalingen
Artikel 45. Nadere regels en hardheidsclausule
Juist omdat het in de Wmo 2015 en Jeugdwet om maatwerk gaat zal het college er niet aan ontkomen om, ook al is er een zorgvuldige afweging gemaakt, uiteindelijk toch te beoordelen of deze afweging niet leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. Deze afweging zal minder vaak voorkomen dan in normale omstandigheden te verwachten is. Immers, bij de afwegingen gaat het al om een zeer persoonlijke beoordeling.
Als ondanks die zeer persoonlijke afweging er toch nog sprake is van een niet billijke situatie is de hardheidsclausule een vangnet. Daarbij kan de aanvrager ook een beroep doen op deze clausule. Wordt de hardheidsclausule vaker voor één onderwerp gebruikt, dan kan men zich afvragen of het beleid terzake aangepast moet worden.
Artikel 46. Evaluatie en bijstelling
Dit artikel maakt duidelijk dat zowel de Verordening als de uitvoering van het Wmo- en Jeugdhulpbeleid jaarlijks kwantitatief en kwalitatief moet worden geëvalueerd. Dit gebeurt op basis van prestatie-indicatoren die in het beleidsplan zijn opgenomen. Als de resultaten van deze evaluatie aanleiding geven tot aanpassing van de Verordening of de processen die voor de uitvoering ervan zijn ingericht, dan worden die bijgesteld. Ook wordt de Verordening en de daarop ingerichte processen bijgesteld als nieuwe jurisprudentie daartoe aanleiding geeft.
Bijlage 1 Protocol gebruikelijke hulp in het kader van de Wmo
In deze bijlage wordt nader uitgelegd wat de gemeente verstaat onder gebruikelijke hulp in het onderzoek van maatschappelijke ondersteuning (Wmo). In elk individueel geval past het college de richtlijnen zoals opgenomen in dit document toe afgestemd op de individuele situatie.
Gebruikelijke hulp is hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de inwonende echtgenoot, inwonende ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Het is de normale, dagelijkse hulp die huisgenoten elkaar onderling moeten bieden, omdat ze samen een duurzaam huishouden voeren en op die grond een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor het functioneren van dat huishouden en voor elkaar.
Criteria voor gebruikelijke hulp
Bij de beoordeling of en in welke mate er sprake is van gebruikelijke hulp worden in ieder geval de volgende aspecten gewogen:
Verwachting naar leeftijd en rol van de huisgenoot
In de gebruikelijke hulp die wordt verwacht van huisgenoten wordt onderscheid gemaakt tussen kinderen en volwassen huisgenoten. De hulp die van kinderen wordt gevraagd is afhankelijk van de leeftijd. Daarbij geldt:
Het voeren van een eenpersoonshuishouden betekent huishoudelijke taken (zoals schoonmaken, koken en boodschappen doen) en financiële taken (zoals het betalen rekeningen en doen van administratie) uitvoeren en regie voeren op het dagelijks leven. Het voeren van een meerpersoonshuishouden betekent daarnaast ook organiseren dat leden van het huishouden voor elkaar zorgen.
Ook het ondersteunen van de cliënt bij ‘het normaal maatschappelijk verkeer binnen de persoonlijke levenssfeer’ (bijvoorbeeld het bezoeken van familie, vrienden of huisarts) en maatschappelijke participatie (zoals deelnemen aan activiteiten of samen naar de film gaan) is gebruikelijke hulp. Dit geldt ook voor het een paar per maand vervoeren hier naartoe. Tot slot is een ander (familie/vrienden/sportcoach) aanleren om met de cliënt om te gaan ook gebruikelijke hulp.
Het hebben van een fulltimebaan of het volgen van een voltijdsopleiding staat het leveren van gebruikelijke hulp niet in de weg. Fysieke afwezigheid van een huisgenoot belemmert het bieden van gebruikelijke hulp in principe niet. Van iedere volwassene wordt verwacht een volledige school- of werkweek (inclusief overwerk en reistijden) te kunnen combineren met huishoudelijke taken.
Afwezigheid vanwege school- of arbeid gerelateerde activiteiten kan er wel toe leiden dat de huisgenoot de uitvoering van de taken moet plannen op momenten waarop hij wel thuis is. Dit is anders bij langdurige fysieke afwezigheid in verband met werkzaamheden (zie uitzonderingen).
Uitzonderingen bij factoren huisgenoten
Gebruikelijke hulp wordt niet verwacht in de volgende situaties.
Langdurige fysieke afwezigheid
Er is sprake van langdurige fysieke afwezigheid door werk. In dergelijke situaties is het niet redelijk te verlangen dat de huisgenoot van baan verandert. De afwezigheid moet verplicht zijn en horen bij het werk (bijvoorbeeld als internationaal vrachtwagenchauffeur en bij defensie). We spreken van langdurige afwezigheid als de afwezigheid minimaal 7 dagen achter elkaar is.
Beperking of beperkte leerbaarheid
Huisgenoten zijn aantoonbaar niet in staat tot het bieden van gebruikelijke hulp door beperking, ouderdom of beperkte leerbaarheid. Als een huisgenoot 75 jaar of ouder is, wordt niet verwacht dat deze zware huishoudelijke taken overneemt of nieuwe taken aanleert.
Als (dreigende) overbelasting van de huisgenoot is vastgesteld, kan tijdelijk een maatwerkvoorziening worden ingezet. Bij de beoordeling van dreigende overbelasting wordt ook rekening gehouden met de mantelzorg die de huisgenoot biedt. Wanneer de dreigende overbelasting wordt veroorzaakt door een combinatie van werk, gebruikelijke hulp en andere activiteiten, gaan werk en gebruikelijke hulp voor. Het beoefenen van vrijetijdsbesteding kan het bieden van gebruikelijke hulp in principe niet in de weg staan. Bij (dreigende) overbelasting kan de indicatie voor de maatwerkvoorziening van korte duur zijn om de huisgenoten de gelegenheid te geven de onderlinge taakverdeling aan te passen of oorzaken van overbelasting te verminderen.
De cliënt of een huisgenoot bevindt zich in de terminale levensfase en kan daardoor de gebruikelijke hulp niet uitvoeren.
Bij de belastbaarheid en bij (dreigende) overbelasting geldt bovendien het volgende:
Als sprake is van (dreigende) overbelasting, wordt geen pgb voor het verlenen van hulp aan cliënt door een huisgenoot verstrekt. Een al eerder hiervoor verleend pgb wordt ingetrokken. Een andere zorgverlener wordt ingezet voor de benodigde hulp.
Mogelijke signalen van overbelasting kunnen zijn: gespannen spieren, gewrichtspijn, spierkrampen, spiertrekkingen in het gezicht; hoge bloeddruk; slapeloosheid, rusteloosheid; concentratieproblemen, dwangmatig denken, geen beslissingen kunnen nemen, denkblokkades; migraine, duizeligheid; verminderde weerstand; ademnood en gevoelens van beklemming op de borst; plotseling hevig zweten; gevoelens van beklemming in de hals; verhoogde algemene prikkelbaarheid, boosheid, (verbale) agressie, zwijgen, neerslachtigheid, vaak huilen, verbittering.
Uitzonderingen bij bijzondere typen leefsituaties
Bij een aantal leefsituaties zien wij personen die een huis delen niet (volledig) als onderdeel van de leefeenheid of als huisgenoten.
Als een cliënt een kamer verhuurt aan een huurder op basis van een huurcontract, wordt deze huurder niet tot de leefeenheid gerekend. De huurder wordt niet beschouwd als een huisgenoot die gebruikelijke hulp moet bieden. Ook wordt de huurder in staat geacht de gehuurde ruimte(n) schoon te houden en een evenredige bijdrage te leveren aan gezamenlijke ruimten. In de berekening van de omvang van hulp bij het huishouden wordt het schoonmaken van gehuurde ruimte(n) dus niet meegerekend
Een cliënt woont zelfstandig, met meerdere mensen in een huis zonder hiermee een leefeenheid te vormen. Met andere woorden: de cliënt vormt geen duurzaam huishouden met de huisgenoten en zodoende is er ook geen sprake van gebruikelijke hulp. In dergelijke situaties heeft men in ieder geval wel een eigen woon-/slaapkamer en worden de overige ruimten in meer of mindere mate gemeenschappelijk gebruikt.
In de berekening van de omvang van hulp bij het huishouden wordt het schoonmaken van de eigen woonruimte(n) en slechts een evenredig deel van de gemeenschappelijke ruimten meegerekend.
Een cliënt woont zelfstandig met meerdere mensen in een gebouw en vormt hiermee een leefeenheid. Met andere woorden: cliënt vormt een duurzaam huishouden met de huisgenoten. Vrijwel alle leefgemeenschappen kennen een of meer gezamenlijke bindende factoren, meestal met een religieuze- of spirituele inhoud. Een voorbeeld hiervan zijn kloostergemeenschappen waarbij sprake is van een leefeenheid, maar de taakverdeling zich niet leent voor overname. Er is geen sprake van gebruikelijke hulp.
In die situaties kan een cliënt hulp krijgen voor het schoonmaken van de eigen kamer en voor een evenredig deel van het schoonmaken van de gemeenschappelijke ruimten die vallen binnen het niveau van de sociale woningbouw. Bibliotheken, gebedsruimten etc. vallen buiten het niveau van de sociale woningbouw en behoren daardoor tot de eigen verantwoordelijkheid van de gemeenschap.
Bijlage 2 Kwaliteitseisen pgb-aanbieders
Het college is eindverantwoordelijk voor de kwaliteit van jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning geboden aan cliënten, ook als deze wordt geboden via een pgb. Daarom stelt het college ook kwaliteitseisen aan pgb-aanbieders. Deze eisen sluiten aan op wet- en regelgeving en kwaliteitseisen gesteld aan gecontracteerde aanbieders.
Er wordt, voor zover relevant, onderscheid gemaakt tussen kwaliteitseisen die voor alle vormen van jeugdhulp en/of maatschappelijke ondersteuningen gelden en kwaliteitseisen die voor specifieke vormen van jeugdhulp en/of maatschappelijke ondersteuning gelden.
De eisen 20 t/m 25, gelden niet voor hulp bij het huishouden, woningaanpassingen, hulpmiddelen en vervoersvoorzieningen.
De pgb-aanbieder is integer. Er is in de afgelopen drie jaar geen sprake geweest van een ernstige fout in de uitoefening van het beroep ofwel gedragingen en omstandigheden met een kwade opzet of nalatigheid van een zekere ernst. Er is geen gevaar dat het pgb zal worden gebruikt om (i) uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of (ii) strafbare feiten te plegen.
De pgb-aanbieder draagt zorg voor de systematische bewaking, beheersing en verbetering van de kwaliteit door aantoonbaar met een kwaliteitsmanagementsysteem te werken. De pgb-aanbieder kan dit aantonen door te overleggen
een voor de maatwerkvoorziening relevant keurmerk/certificaat. Onder een relevant/keurmerk wordt in ieder geval verstaan een voor de maatwerkvoorziening relevant HKZ (voor zzp’ers), ISO 9001, Prezo, ISO 9001 voor de zorg (NEN-EN 15224) certificaat of een ter zake relevant keurmerk zoals het Keurmerk Kwaliteitskompas Gehandicaptenzorg 2023-2028; of
De pgb-aanbieder zet continu in op de ontwikkeling van het vakmanschap van zijn beroepskrachten. De pgb-aanbieder maakt ten behoeve van de doorontwikkeling van beroepskrachten gebruik van de kennis/richtlijnen/instrumenten die door diverse beroepsverenigingen, brancheverenigingen en kennisinstituten worden ontwikkeld en maakt gebruik van methoden (denk aan casusbesprekingen, actieleergroepen, coaching, intervisie en supervisie, beroepscertificering, training en scholing). De pgb-aanbieder draagt in ieder geval zorg voor een professionele en werkbare kennisbank voor beroepskrachten.
De pgb-aanbieder beschikt over een klachtenregeling die ook voorziet in de toegang tot een onafhankelijke klachtencommissie om de onafhankelijke afhandeling van klachten in tweede aanleg mogelijk te maken. Hiertoe kan de pgb-aanbieder zich aansluiten bij een geschillencommissie. De leden van de geschillencommissie zijn in de afgelopen drie jaar op geen enkele manier betrokken geweest bij de pgb-aanbieder of personen die invloed of financieel belang hebben in/bij de pgb-aanbieder. De waarborgen die de onafhankelijke afhandeling borgen liggen vast (bijv. in klachtenregeling of reglement).
De pgb-aanbieder doet periodiek, minstens 1 keer per drie jaar, onderzoek naar de tevredenheid en ervaringen van cliënten en beroepskrachten. De pgb-aanbieder richt dit onderzoek zodanig in dat de afhankelijkheidsrelatie tussen de cliënt en de pgb-aanbieder de uitkomsten van het onderzoek niet beïnvloed. De pgb-aanbieder gebruikt de resultaten van dit onderzoek aantoonbaar om de hulp/dienstverlening aan cliënten te verbeteren.
De pgb-aanbieder beschikt over voor de hulp/dienstverlening relevante ervaring. Bijvoorbeeld als (voormalig) werknemer of opdrachtnemer van een andere aanbieder. De pgb-aanbieder heeft in het afgelopen jaar naar tevredenheid van de werkgever c.q. opdrachtgever vergelijkbare hulp/diensten geboden aan ten minste drie cliënten.
De pgb-aanbieder werkt conform het “Protocol Meldingen calamiteiten/geweld Jeugdhulp Gelderland-Zuid en Mook en Middelaar'' en het ‘’Protocol Meldingen calamiteiten/geweld Wmo 2015 Gelderland-Zuid en Mook en Middelaar’’ (zie actuele versie website). Naast de verplichte melding aan de gemeente informeert de pgb-aanbieder ook de betrokken verwijzer over de calamiteit en de eventuele effecten hiervan op de zorgvraag van de betreffende cliënt.
De pgb-aanbieder beschikt over een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) screeningsprofiel ‘gezondheidszorg en welzijn van mens en dier’ OF ‘screeningsprofiel 75’ OF ‘screening nummers 12, 41, 43, 84 en 85’ van alle personen die beroepsmatig of als vrijwilliger in contact kunnen komen met cliënten. Deze VOG is bij de start van de hulp (zzp'er) dan wel het dienstverband (medewerker organisatie) nooit ouder dan 3 maanden. Als de pgb-aanbieder een zzp’er is (al dan niet onderdeel van een samenwerkingsverband van meerdere zzp’ers), mag de VOG tijdens de hulp nooit ouder zijn dan drie (3) jaar. Indien een persoon over een registratie bij een beroepsregister (o.a. BIG/SKJ) beschikt waarvoor een VOG een registratie-vereiste is, geldt deze eis niet.
De pgb-aanbieder doet geen intake met de cliënt of inzet van hulp voordat een maatwerkvoorziening is toegekend. Ook is de pgb-aanbieder niet betrokken bij het onderzoek, tenzij het college of de andere organisatie daarom verzoekt. Het onderzoek moet onafhankelijk, zonder invloed van de pgb-aanbieder, kunnen worden uitgevoerd.
Eisen die niet gelden voor hulp bij het huishouden, woningaanpassingen, hulpmiddelen en vervoersvoorzieningen
Het college kent een specifieke maatwerkvoorziening toe, omdat deze specifieke maatwerkvoorziening het beste past bij het te bereiken resultaat. De hulp geboden middels het pgb dient te voldoen aan de eisen zoals geformuleerd in de productbeschrijving van deze maatwerkvoorziening. Alle productbeschrijvingen zijn te vinden via de website. In de productbeschrijvingen kan ook zijn opgenomen dat de hulp gelijktijdig aan een bepaald aantal cliënten moet worden geboden en/of dat er gelijktijdig meerdere hulpverleners de hulp moeten bieden. In geval van beschermd wonen, dient de pgb-aanbieder ook nadrukkelijk te voldoen aan de beschikbaarheids- en bereikbaarheidseisen zoals opgenomen in de productbeschrijvingen.
Het college of de andere organisatie bepaalt in het onderzoek wat het te bereiken resultaat is van de inzet van de maatwerkvoorziening. De pgb-aanbieder en pgb-beheerder stellen binnen drie maanden na de start van de hulp het hulpverleningsplan in lijn met deze afspraken op. De pgb-aanbieder vraagt het onderzoeksverslag op bij de cliënt. Er worden alleen doelen geformuleerd die zijn opgenomen in het verslag van het onderzoek of anderszins zijn afgesproken met het college of de andere organisatie.
Het hulpverleningsplan zoals genoemd in eis 17 is perspectiefgericht en afgestemd op de specifieke situatie van de cliënt. In het hulpverleningsplan staat vermeld wat de (verhelderde) hulpvraag is van de cliënt, aan welke SMART-doelen wordt gewerkt, en hoe, met welke activiteiten en door wie wordt gewerkt aan het realiseren van deze doelen. Hierbij staat beschreven op welke wijze wordt aangesloten bij, gebruik gemaakt van of toegewerkt naar eigen kracht, het sociale netwerk en algemene (voorliggende) voorzieningen, hoe er met andere betrokkenen wordt samengewerkt en wie regie voert op het plan. Ook wordt beschreven wanneer het plan wordt geëvalueerd. Indien er aanleiding bestaat een veiligheidsplan of (jeugd) signaleringsplan op te stellen, maakt dit integraal onderdeel uit van het hulpverleningsplan.
Het hulpverleningsplan wordt periodiek (minimaal jaarlijks), bij beëindiging van de hulp en voorafgaand aan een melding tot vervolg van de maatwerkvoorziening geëvalueerd. Bij de evaluatie wordt in ieder geval gekeken naar het effect van de ontvangen hulp voor de cliënt, de mening van de cliënt daarover en de mate waarin de doelen zijn gerealiseerd. Er wordt gezamenlijk met de pgb-beheerder en cliënt beoordeeld of de gekozen aanpak nog steeds de best passende is. Hierbij wordt expliciet gekeken of de hulp goed verankerd is in de directe leefomgeving. De uitkomsten van de evaluatie resulteren in een bijgesteld hulpverleningsplan, waarin de doelen en activiteiten zijn aangepast aan de uitkomsten van de evaluatie, of afsluiting van de hulp. De pgb-aanbieder en pgb-beheerder plannen de evaluatie van het hulpverleningsplan tijdig, zodat uiterlijk 8 weken voor einddatum van de indicatie de laatste evaluatie en het bijgestelde hulpverleningsplan beschikbaar zijn voor het college of de andere organisatie.
De pgb-aanbieder biedt verantwoorde hulp van goede kwaliteit. Dit betekent in ieder geval dat (in) de hulp:
normaliserend is en gericht op het versterken van de veerkracht, mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de cliënt en zijn sociale netwerk, zodat de zelfregie, zelf- en samenredzaamheid groter wordt. De cliënt is eigenaar van de hulpvraag en wordt geholpen zichzelf te helpen en de eigen krachtbronnen in te zetten om de eigen doelen in stapjes te bereiken;
bestaat uit evidence-based en practice-based methodieken. Als de pgb-aanbieder kan aantonen dat deze niet aanwezig zijn of dat deze, gezien de gestelde doelen, niet afdoende zijn, dan maakt de pgb-aanbieder gebruik van historisch en in de branche gangbare methodieken. Als de pgb-aanbieder eveneens kan aantonen dat deze niet aanwezig zijn of dat deze, gezien de gestelde doelen, niet afdoende zijn, dan dient de pgb-aanbieder aan te tonen dat de gebruikte methodieken gelijkwaardig zijn aan evidence-based, practice-based of historisch en in de branche gangbare methodieken.
De hulp wordt geboden door beroepskrachten die voldoen aan de deskundigheidsvereisten. Deze vereisten zijn afhankelijk van de te leveren hulp als volgt:
Specifiek jeugdhulp: beroepskrachten worden ingezet in overeenstemming met het Kwaliteitskader Jeugd ofwel de norm van verantwoorde werktoedeling. De pgb-aanbieder vertaalt de norm naar de rol, taak en verantwoordelijkheidsverdeling tussen personen werkzaam voor de aanbieder. De pgb-aanbieder, zijnde een zzp'er, is geregistreerd bij het SKJ of een register dat naar het oordeel va het SKJ gelijkwaardig is.
Specifiek jeugdhulp – behandeling: behandeling wordt uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van een geregistreerde behandelaar. Een behandelaar beschikt over een registratie bij het SKJ/BIG/NVRG of als er sprake is van ggz registratie bij het NVO/NIP/KNMG. De behandelaar bewaakt de continuïteit en samenhang van de zorgverlening en zorgt dat waar nodig een aanpassing van de gezamenlijke behandeling in gang wordt gezet. Hij/zij zorgt voor voldoende overleg en afstemming tussen betrokken zorgverleners en ziet erop toe dat er één vast aanspreekpunt is voor de inwoner/jeugdige.
Specifiek Wmo-Beschermd Wonen, Trainingshuis of Beschermd Thuis:
Slaapdienst dient te worden uitgevoerd door een professional met minimaal een mbo 4 zorg-gerelateerde opleiding. Indien Opdrachtnemer aanvullend gebruik maakt van een Wakende wacht mag dit ook worden uitgevoerd door een beveiliger met mbo 3-4, of een MBO2 opleiding, aangevuld met MBO-3 niveau gewaarde opleidingen vanuit het Kenniscentrum Gedrag en Veiligheid, ontwikkeld en ondersteund vanuit de GGZ.
Bijlage 3 Protocol (boven)gebruikelijke hulp en eigen kracht in het kader van de Jeugdwet
In deze bijlage wordt nader gedefinieerd wat het college verstaat onder het benutten van de eigen kracht en gebruikelijke hulp zoals bedoeld in artikel 42. In elk individueel geval past een deskundige de richtlijnen zoals opgenomen in dit document toe afgestemd op de individuele situatie.
Van jeugdigen en ouders wordt, voor zover binnen hun mogelijkheden, verwacht dat zij hun eigen kracht benutten om te voorzien in de behoefte aan hulp en ondersteuning door:
Gebruik te maken van informele en professionele- voorzieningen die mogelijkheden bieden tot opvang (zoals de Wet kinderopvang), vrijetijdsbesteding (zoals sporten) of ontlasting (zoals buurtgezinnen of de logeervoorziening (het Respijt) van Ixta Noa), voor de jeugdige met een hulpvraag, voor andere kinderen en de ouder(s);
De eigen problematiek te verminderen en eigen vaardigheden te vergroten, bijvoorbeeld door informatie of steun te zoeken, het deelnemen aan oudergroepen of coaching trajecten vanuit het voorliggende aanbod, hulp te accepteren bij financiële problemen of door een beroep te doen op de Zorgverzekeringswet voor behandeling.
Zaken die op ouderniveau tot conflicten leiden zo goed als mogelijk buiten de interactie met de jeugdige te houden, zich in te spannen voor het maken van afspraken over de omgang met de jeugdige en zich in te zetten voor het staken van eventuele inter-ouderstrijd, ook buiten de aanwezigheid van het kind om. Ook van gescheiden ouders wordt verwacht dat zij, in het belang van het kind, communiceren of ondersteuning zoeken via bijvoorbeeld mediation.
Gebruikelijke hulp is de hulp waarvan wij verwachten dat ouders deze aan hun kinderen geven en die past bij de leeftijd en ontwikkeling van het kind. Ouders zijn verplicht deze hulp te bieden vanuit hun verzorgings- en opvoedingsplicht. Ouders zijn eerstverantwoordelijken voor de opvoeding van hun kinderen. Dit betekent niet per definitie dat de ouder alle gebruikelijke hulp zelf moet bieden. De ouder kan ook organiseren dat een andere persoon deze hulp gedeeltelijk biedt.
Voor de definitie van wat gebruikelijk is, maken wij gebruik van het rapport 'Opgroeien en opvoeden: normale uitdagingen voor kinderen, jongeren en ouders' van het Nederlands Jeugdinstituut (NJI). In dit rapport (pagina 26 t/m 29) weergeeft het NJI vanuit het levensloopmodel per leeftijdsgroep een overzicht van belangrijke gebruikelijke ontwikkelingstaken, gebruikelijke opvoedingsopgaven en uitdagingen. De hulp van de ouder die hiervoor nodig is, begrijpen wij als gebruikelijke hulp.
Gebruikelijke hulp kan daarbij zowel bestaan uit handelingen gericht op 'ondersteunen en stimuleren' als op 'structureren en begrenzen'. Dit in lijn met de twee pijlers voor opvoeding die het NJI schetst in het eerdergenoemde rapport (pagina 11):
'De eerste pijler betreft de affectieve band tussen ouders en kinderen, de mate waarin ouders betrokken zijn bij hun kind, de emotionele ondersteuning die zij hun kind bieden en de ruimte die zij hun kind geven om eigen initiatieven te ontplooien. Bij de eerste pijler hoort ook het ondersteunen en stimuleren van de ontwikkeling van het kind: samen praten, uitleg geven, spelen, voorlezen. De tweede pijler betreft het bieden van structuur en houvast en de noodzaak om ongewenst gedrag tijdig te corrigeren. Het gaat dan om het stellen van regels en grenzen aan het gedrag van kinderen en het toezicht houden op wat ze doen. Het evenwicht tussen ondersteunen en structureren wordt als belangrijk kenmerk genoemd voor het beoordelen van een opvoedingssituatie'
Voor de beoordeling van de omvang van de gebruikelijke hulp wordt verder rekening gehouden met:
De aard van de (zorg)handelingen
Gebruikelijke hulp kan ook bestaan uit handelingen die niet standaard zijn bij alle jeugdigen, maar wel andere gebruikelijke handelingen vervangen. Voorbeelden hiervan zijn het geven van medicijnen of het geven van sondevoeding in plaats van eten, het legen van een katheterzakje in plaats van verschonen of het oefenen met pictogrammen in plaats van topografie.
De samenloop, ofwel de frequentie en het patroon, van (zorg)handelingen
Handelingen die plaatsvinden binnen de normale dagelijkse hulp aan een kind kunnen gebruikelijke hulp zijn. Voorbeeld hiervan is het aanreiken van spullen of speelgoed na een maaltijd of drinkmoment bij jeugdigen met een lichamelijke beperking.
Definitie gebruikelijke hulp per ontwikkelingsfase
Hieronder zijn per ontwikkelingsfase richtlijnen opgenomen die aangeven wat gebruikelijke hulp is.
Gebruikelijke hulp (afhankelijk van de omvang) ongeacht de ontwikkelingsfase van het kind:
De handelingen behorend bij bovengenoemde hulp veranderen wanneer een kind ouder wordt en zich ontwikkelt.
Gebruikelijke hulp voor jeugdigen van 0 t/m 2 jaar
Deze jeugdigen hebben aanvullend nodig:
Gebruikelijke hulp voor jeugdigen van 2 t/m 4 jaar
Deze jeugdigen hebben aanvullend nodig:
Gebruikelijke hulp voor jeugdigen van 4 t/m 6 jaar
Deze jeugdigen hebben aanvullend nodig:
Gebruikelijke hulp voor jeugdigen van 6 t/m 12 jaar
Deze jeugdigen hebben aanvullend nodig:
Gebruikelijke hulp voor jeugdigen vanaf 12 jaar
Deze jeugdigen hebben aanvullend nodig:
Hulp bij normale uitdagingen: onzekerheid over bijvoorbeeld uiterlijk; onderschatting of soms overschatting van zichzelf; wisselend humeur; incidenteel spijbelen; incidenteel gebruik van alcohol en drugs; twijfels over identiteit of toekomst; problemen met autoriteiten; overmatig gamen/mediagebruik, cyberpesten, sexting (dader en slachtoffer).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-287916.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.