U bekijkt een publicatie met

Toon versie van document

Wijziging omgevingsplan gemeente Epe 002 (Emst, Oene, archeologie, Koeweg 49 en diverse kleine wijzigingen)

De gemeenteraad van Gemeente Epe

gelezen de tekstinhoud van ”Omgevingsplan gemeente Epe” d.d. DATUM WORDT TOEGEVOEGD BIJ DEFINITIEF BESLUIT,

Overwegende dat:

  • a.

    artikel 2.4 van de Omgevingswet bepaalt dat de gemeenteraad voor het gehele grondgebied van de gemeente één omgevingsplan vaststelt waarin regels over de fysieke leefomgeving worden opgenomen;

  • b.

    artikel 16.30 en artikel 16.23, eerste lid, Omgevingswet bepalen dat:

    • 1.

      op de voorbereiding van een omgevingsplan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is, met dien verstande dat een ieder een zienswijze bij de gemeenteraad mag indienen omtrent het ontwerp wijzigingsbesluit;

    • 2.

      de artikelen 3:43 tot en met 3:45 en afdeling 3.7 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing zijn op een omgevingsplan;

  • c.

    artikel 16.78, eerste lid, Omgevingswet bepalen dat een wijziging van een omgevingsplan in werking treedt met ingang van de dag waarop vier weken zijn verstreken sinds de dag waarop het besluit is bekend gemaakt;

  • d.

    de Motivering van het wijzigingsbesluit inclusief bijbehorende bijlagen aantoont dat het besluit bijdraagt aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en uit de volgende documenten bestaat:

  • e.

    VOOR ZOVER RELEVANT: er XXX zienswijzen zijn ingediend op het ontwerp wijzigingsbesluit;

  • f.

    VOOR ZOVER RELEVANT: deze zienswijzen aanleiding hebben gegeven om het wijzigingsbesluit en motivering bij het wijzigingsbesluit op enkele onderdelen aan te passen;

Besluit;

Artikel I Wijziging Omgevingsplan gemeente Epe

Het Omgevingsplan gemeente Epe wordt gewijzigd conform de wijzigingen zoals opgenomen in Bijlage A.

Artikel IV Te vervallen bestemmingsplannen

Door dit besluit vervallen de volgende bestemmingsplannen die zijn aangegeven in de bij dit besluit behorende Pons met de identificatie WORDT TOEGEVOEGD BIJ DEFINITIEF BESLUIT,

  • a.

    Kernen Emst en Oene met IMRO-idn NL.IMRO.0232.EMOE001KernenEmOe-VBP1;

  • b.

    Kernen Emst en Oene gerechtelijke uitspraak met IMRO-idn NL.IMRO.0232.EMOE001KernenEmOe-GU01;

  • c.

    Kernen Emst en Oene, herstelplan Hanendorperweg 23a Emst met IMRO-idn NL.IMRO.0232.EMOE002Hanend23A-VBP1; en

  • d.

    Kloosterhof Oene met IMRO-idn NL.IMRO.0232.OENE004Kloosterhof-VBP1

Artikel V Te vervallen paraplubestemmingsplannen

Door dit besluit vervallen de volgende bestemmingsplannen: 

  • a.

    Parapluplan Mantelzorg met IMRO-idn NL.IMRO.0232.ALG001Mantelz-VBP1; en

  • b.

    Parapluplan Parkeren met IMRO-idn NL.IMRO.0232.ALGparkeren-VBP1

Artikel II Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking per DATUM WORDT TOEGEVOEGD BIJ DEFINITIEF BESLUIT,

Artikel III Aanhaaltitel

Dit besluit wordt aangehaald als Wijziging omgevingsplan gemeente Epe 002

Aldus vastgesteld door de gemeenteraad van Epe, DATUM WORDT TOEGEVOEGD BIJ DEFINITIEF BESLUIT

BEROEPSCLAUSULE WORDT TOEGEVOEGD BIJ DEFINITIEF BESLUIT

Niet getekend ontwerp-exemplaar 

Bijlage A Bijlage bij artikel I

A

Na artikel 1.3 worden vijf artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 1.4 Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden

Gereserveerd

Artikel 1.5 Gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat

Gereserveerd

Artikel 1.6 Gegevens en bescheiden op verzoek van het bevoegd gezag

Gereserveerd

Artikel 1.7 Algemene voorrangsbepalingen

Gereserveerd

Artikel 1.8 Anti-dubbeltelbepaling

  • 1.

    In het werkingsgebied tijdelijk deel nog niet vervallen is de anti-dubbeltelbepaling zoals die is opgenomen in het ter plaatse geldende tijdelijk deel van het omgevingsplan van toepassing.

  • 2.

    Dit artikel is van toepassing op alle regels in dit omgevingsplan die betrekking hebben op:

    • a.

      het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken;

    • b.

      de gebiedsgerichte activiteiten in titel 5.3 van dit omgevingsplan;

    • c.

      de regels voor gebieden met beperkingen en inperkingen in titel 5.4 van dit omgevingsplan; en 

    • d.

      de berekening van oppervlakten, afstanden of percentages die in dit plan zijn voorgeschreven.

  • 3.

    Grond die eenmaal is betrokken bij:

    • a.

      het toestaan van een bouwwerk, of

    • b.

      het voldoen aan een regel uit dit omgevingsplan over gebruik, oppervlakte, afstand of percentage, mag niet nogmaals worden meegeteld of gebruikt voor een ander bouwplan of gebruiksactiviteit op hetzelfde of een ander perceel.

  • 4.

    Het bevoegd gezag kan toestaan dat grond opnieuw wordt meegenomen, als:

    • a.

      dit uitdrukkelijk in dit omgevingsplan is bepaald, of

    • b.

      in de omgevingsvergunning is aangetoond dat de dubbele toerekening geen onevenredige gevolgen heeft voor het beoogde gebruik of de omgevingskwaliteit.

B

Artikel 2.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.1 Doelen omgevingsplan

Dit omgevingsplan is, met het oog op de doelen van artikel 1.3 van de Omgevingswet, gericht op:

  • a.

    een evenwichtige toedeling van functies aan locaties;

  • b.

    het beschermen van een goed woon- en leefklimaat;

  • c.

    het waarborgen van de veiligheid;

  • d.

    het beschermen van de gezondheid;

  • e.

    het beschermen van het milieu;

  • f.

    het duurzaam veiligstellen van de openbare drinkwatervoorziening;

  • g.

    het beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden;

  • h.

    het behoud van cultureel erfgoed;

  • i.

    het behoud van de uitzonderlijke universele waarde van werelderfgoed;

  • j.

    de natuurbescherming;

  • k.

    de instandhouding van het bosareaal binnen de gemeente;

  • l.

    het tegengaan van klimaatverandering;

  • m.

    het aanpassen van de fysieke ruimte aan de gevolgen van klimaatverandering, waaronder wateroverlast en hittestress;

  • n.

    het waarborgen van een goede kwaliteit van bouwwerken;

  • o.

    het behoeden van de staat en werking van infrastructuur voor nadelige gevolgen van activiteiten;

  • p.

    het beheren van infrastructuur;

  • q.

    het beheren van watersystemen;

  • r.

    het beheren van geobiologische en geothermische systemen en ecosystemen;

  • s.

    het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen;

  • t.

    het beheren van natuurlijke hulpbronnen;

  • u.

    het beheren van natuurgebieden;

  • v.

    het gebruiken van bouwwerken;

  • w.

    het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen;

  • x.

    het realiseren van een gemeentelijk natuurnetwerk;

  • y.

    het doelmatig gebruiken van energie en grondstoffen;

  • z.

    het bevorderen van een duurzame ruimtelijke en economische ontwikkeling van gebieden;

  • aa.

    het waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat;

  • ab.

    het bieden van voldoende fysieke en milieuruimte voor milieubelastende bedrijven en andere activiteiten, anders dan woonactiviteiten;

  • ac.

    het bevorderen van een duurzame ontwikkeling;

  • ad.

    het kunnen overschakelen van fossiele energie naar hernieuwbare energie;

  • ae.

    het kunnen produceren binnen gesloten kringlopen;

  • af.

    het kunnen benutten van de openbare ruimte voor verkeer, parkeren en afvalinzameling;

  • ag.

    het bieden van voldoende woonruimte;

  • ah.

    het bereikbaar en toegankelijk maken van gebieden;

  • ai.

    het doelmatig beheren van afvalstoffen;

  • aj.

    het beschermen van grondgebonden veehouderij als drager van het landschap;

  • ak.

    het bevorderen van kringlooplandbouw en duurzame veehouderij;

  • al.

    het verlagen of voorkomen van emissies van geur van agrarische activiteiten;

  • am.

    het bevorderen van een grotere variatie in de bedrijfsvoering van grondgebonden veehouderijbedrijven;

  • an.

    het voorkomen van leegstand van voormalige agrarische bebouwing;

  • ao.

    het bevorderen van extensief recreatief medegebruik;

  • ap.

    het beschermen en waar mogelijk vergroten van de openheid van het landschap;

  • aq.

    het tegengaan van verrommeling van erven en terreinen en behoud van beeldkwaliteit van bebouwing;

  • ar.

    het voorkomen en beschermen van mensen tegen infecties door het houden van landbouwhuisdieren;

  • as.

    het behouden en herstellen van waardevolle bouwwerken en landschappelijke elementen;

  • at.

    het behouden en waar mogelijk versterken van het natuurdoeltype overstromingsgrasland;

  • au.

    het vergroten van de natuurbeleving en recreatieve waarde, zonder afbreuk te doen aan natuurwaarden;

  • av.

    het behouden van een klimaatbestendig watersysteem;

  • aw.

    het realiseren van een suburbaan woonmilieu in een groen-blauwe setting;

  • ax.

    het realiseren van een hoge architectonische kwaliteit van het openbaar gebied en van bebouwing;

  • ay.

    het realiseren van een fietsvriendelijk woongebied;

  • az.

    het realiseren van een woongebied dat goed ontsloten is met openbaar vervoer;

  • ba.

    het realiseren van een akoestisch aanvaardbaar woongebied;

  • bb.

    het realiseren van een woongebied met een aanvaardbaar geurniveau;

  • bc.

    het realiseren van een veilig woongebied;

  • bd.

    een realiseren van een energieneutraal woongebied;

  • be.

    het realiseren van een klimaatbestendig woongebied;

  • bf.

    het realiseren van een speel- en beweegvriendelijk woongebied;

  • bg.

    realiseren van een natuurnetwerk;

  • bh.

    het beschermen van natuurgebieden;

  • bi.

    een hoge kwaliteit van het openbaar gebied;

  • bj.

    voorkomen van geluidhinder; en

  • bk.

    het waarborgen van de veiligheid van het publiek van natuurgebieden en recreatieterreinen.; en 

  • bl.

    het instandhouden van het voorzieningenniveau.

C

Artikel 4.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.3 Hoofdgebouw bouwen

  • 1.

    Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.2, wordt bij het bouwen, in stand houden en gebruiken van een hoofdgebouw binnen het ambtsgebied voldaan aan:

    • a.

      afdeling 5.1 - algemene bepalingen en activiteitoverstijgende regels;

    • a b.

      paragraaf 5.2.9.1 - bouwen - algemene bepalingen;

    • b c.

      paragraaf 5.2.9.2 - bouwen - algemene regels bouwwerkenbouwwerken uitgezonderd van de vergunningplicht;

    • c d.

      paragraaf 5.2.9.4 - bouwen - vergunningplicht voor het bouwen van een bouwwerk;

      paragraaf 5.2.9.3 - bouwen - bouwwerken uitgezonderd van de vergunningplicht, mits in overeenstemming met het omgevingsplan;

    • e.

      subparagraaf 5.2.9.4.2 - bouwen - algemene bouwregels hoofdgebouwen;

    • d f.

      paragraaf 5.2.9.55.2.9.6 - bouwen - beoordelingsregelsvergunningplicht voor het bouwen van een bouwwerk;

    • e.

      paragraaf 5.2.9.6 - bouwen - beoordelingsregels voor welstand;

    • f g.

      paragraaf 5.2.9.7 - bouwen - nadere invulling beoordelingsregels voor het bouwen van een hoofdgebouwbouwwerk; 

    • g h.

      afdeling 5.2.1 - algemene bepalingen en activiteitoverstijgende regels - algemeen; en

      paragraaf 5.2.9.8 - bouwen - beoordelingsregels voor welstand; en

    • h i.

      titel 5.4 - gebieden met beperkingen en inperkingen.

  • 2.

    Dit artikel is niet van toepassing op:

    • a.

      het bouwen, in stand houden en gebruiken van bedrijfsgebouwen;

    • b.

      het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken op een volkstuinencomplex; en

    • c.

      het bouwen, in stand houden en gebruiken van agrarische gebouwen.

D

Artikel 4.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.4 Bedrijfsgebouw bouwen

  • 1.

    Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.2, wordt bij het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bedrijfsgebouw binnen het ambtsgebied voldaan aan:

    • a.

      afdeling 5.1 - algemene bepalingen en activiteitoverstijgende regels;

    • a b.

      paragraaf 5.2.9.1 - bouwen - algemene bepalingen;

    • b c.

      paragraaf 5.2.9.2 - bouwen - algemene regels bouwwerkenbouwwerken uitgezonderd van de vergunningplicht;

    • c d.

      paragraaf 5.2.9.4 - bouwen - vergunningplicht voor het bouwen van een bouwwerk;

      paragraaf 5.2.9.3 - bouwen - bouwwerken uitgezonderd van de vergunningplicht, mits in overeenstemming met het omgevingsplan;

    • e.

      subparagraaf 5.2.9.4.4 - bouwen - algemene bouwregels bedrijfsgebouwen;

    • d f.

      paragraaf 5.2.9.55.2.9.6 - bouwen - beoordelingsregelsvergunningplicht voor het bouwen van een bouwwerk;

    • e g.

      paragraaf 5.2.9.65.2.9.7 - bouwen - beoordelingsregels voor welstandhet bouwen van een bouwwerk;

    • f h.

      paragraaf 5.2.9.10 - bouwen - nadere invulling beoordelingsregels voor het bouwen van bedrijfsgebouwen; 

      paragraaf 5.2.9.8 - bouwen - beoordelingsregels voor welstand; en

    • g.

      afdeling 5.2.1 - algemene bepalingen en activiteitoverstijgende regels - algemeen; en

    • h i.

      titel 5.4 - gebieden met beperkingen en inperkingen.

  • 2.

    Dit artikel is niet van toepassing op het bouwen, in stand houden en gebruiken van hoofdgebouwen.

E

Artikel 4.6 wordt geplaatst na artikel 4.4. Artikel 4.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.6 4.5 Agrarische gebouwen bouwen

Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.2, wordt bij het bouwen, in stand houden en gebruiken van een agrarische gebouwen binnen het ambtsgebied voldaan aan:

  • a.

    afdeling 5.1 - algemene bepalingen en activiteitoverstijgende regels;

  • a b.

    paragraaf 5.2.9.1 - bouwen - algemene bepalingen;

  • b c.

    paragraaf 5.2.9.2 - bouwen - algemene regels bouwwerkenbouwwerken uitgezonderd van de vergunningplicht;

  • c d.

    paragraaf 5.2.9.4 - bouwen - vergunningplicht voor het bouwen van een bouwwerk;

    paragraaf 5.2.9.3 - bouwen - bouwwerken uitgezonderd van de vergunningplicht, mits in overeenstemming met het omgevingsplan;

  • e.

    subparagraaf 5.2.9.4.7 - bouwen - algemene bouwregels agrarische gebouwen;

  • d f.

    paragraaf 5.2.9.55.2.9.6 - bouwen - beoordelingsregelsvergunningplicht voor het bouwen van een bouwwerk;

  • e g.

    paragraaf 5.2.9.65.2.9.7 - bouwen - beoordelingsregels voor welstandhet bouwen van een bouwwerk;

  • f h.

    paragraaf 5.2.9.12 - bouwen - nadere invulling beoordelingsregels voor het bouwen van agrarische gebouwen; 

    paragraaf 5.2.9.8 - bouwen - beoordelingsregels voor welstand; en

  • g.

    afdeling 5.2.1 - algemene bepalingen en activiteitoverstijgende regels - algemeen; en

  • h i.

    titel 5.4 - gebieden met beperkingen en inperkingen.

F

Artikel 4.7 wordt geplaatst na artikel 4.6. Artikel 4.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.7 4.6 Bijbehorende bouwwerken bouwen

Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.2, wordt bij het bouwen, in stand houden en gebruiken van bijbehorende bouwwerken, niet zijnde een bijbehorend bouwwerk ten behoeve van mantelzorg, binnen het ambtsgebied voldaan aan:

  • a.

    afdeling 5.1 - algemene bepalingen en activiteitoverstijgende regels;

  • a b.

    paragraaf 5.2.9.1 - bouwen - algemene bepalingen;

  • b c.

    paragraaf 5.2.9.2 - bouwen - algemene regels bouwwerkenbouwwerken uitgezonderd van de vergunningplicht;

  • c d.

    paragraaf 5.2.9.4 - bouwen - vergunningplicht voor het bouwen van een bouwwerk;

    paragraaf 5.2.9.3 - bouwen - bouwwerken uitgezonderd van de vergunningplicht, mits in overeenstemming met het omgevingsplan;

  • e.

    subparagraaf 5.2.9.4.3 - bouwen - algemene bouwregels bijbehorende bouwwerken;

  • d f.

    paragraaf 5.2.9.55.2.9.6 - bouwen - beoordelingsregelsvergunningplicht voor het bouwen van een bouwwerk;

  • e g.

    paragraaf 5.2.9.65.2.9.7 - bouwen - beoordelingsregels voor welstandhet bouwen van een bouwwerk;

  • f h.

    paragraaf 5.2.9.8 - bouwen - nadere invulling beoordelingsregels voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk; 

    paragraaf 5.2.9.8 - bouwen - beoordelingsregels voor welstand; en

  • g.

    afdeling 5.2.1 - algemene bepalingen en activiteitoverstijgende regels - algemeen; en

  • h i.

    titel 5.4 - gebieden met beperkingen en inperkingen.

G

Artikel 4.8 wordt geplaatst na artikel 4.7. Artikel 4.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.8 4.7 Bouwen ten behoeve van mantelzorg

Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.2, wordt bij het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk ten behoeve van mantelzorg voldaan aan:

  • a.

    paragraaf 5.2.9.1 - bouwen - algemene bepalingen;

  • b.

    paragraaf 5.2.9.2 - bouwen - algemene regels bouwwerkenbouwwerken uitgezonderd van de vergunningplicht;

  • c.

    paragraaf 5.2.9.45.2.9.6 - bouwen - vergunningplicht voor het bouwen van een bouwwerk;

  • d.

    afdeling 5.2.1 - algemene bepalingen en activiteitoverstijgende regels - algemeen; en

  • e.

    titel 5.4 - gebieden met beperkingen en inperkingen.

H

Artikel 4.5 wordt geplaatst na artikel 4.8. Artikel 4.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.5 4.8 Bouwwerken op een volkstuinencomplex bouwen

  • 1.

    Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.2, wordt bij het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk op een volkstuinencomplex binnen het ambtsgebied voldaan aan:

    • a.

      afdeling 5.1 - algemene bepalingen en activiteitoverstijgende regels;

    • a b.

      paragraaf 5.2.9.1 - bouwen - algemene bepalingen;

    • b c.

      paragraaf 5.2.9.2 - bouwen - algemene regels bouwwerkenbouwwerken uitgezonderd van de vergunningplicht;

    • c.

      paragraaf 5.2.9.4 - bouwen - vergunningplicht voor het bouwen van een bouwwerk;

    • d.

      paragraaf 5.2.9.5 - bouwen - beoordelingsregels voor het bouwen van een bouwwerk;

      paragraaf 5.2.9.3 - bouwen - bouwwerken uitgezonderd van de vergunningplicht, mits in overeenstemming met het omgevingsplan;

    • e.

      paragraaf 5.2.9.11 - bouwen - nadere invulling beoordelingsregels voor het bouwen van bouwwerken op een volkstuinencomplex; 

      subparagraaf 5.2.9.4.6 - bouwen - algemene bouwregels bouwwerken op een volkstuinencomplex; 

    • f.

      afdeling 5.2.1 - algemene bepalingen en activiteitoverstijgende regels - algemeen; en

      paragraaf 5.2.9.6 - bouwen - vergunningplicht voor het bouwen van een bouwwerk;

    • g.

      paragraaf 5.2.9.7 - bouwen - beoordelingsregels voor het bouwen van een bouwwerk; en

    • g h.

      titel 5.4 - gebieden met beperkingen en inperkingen.

  • 2.

    Dit artikel is niet van toepassing op:

    • a.

       het bouwen, in stand houden en gebruiken van hoofdgebouwen op een volkstuinencomplex; en

    • b.

      het bouwen, in stand houden en gebruiken van bijbehorende bouwwerken op een volkstuinencomplex.

I

Artikel 4.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.9 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde bouwen

Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.2, wordt bij het bouwen, in stand houden en gebruiken van  bouwwerken, geen gebouwen zijnde binnen het ambtsgebied voldaan aan:

  • a.

    afdeling 5.1 - algemene bepalingen en activiteitoverstijgende regels;

  • a b.

    paragraaf 5.2.9.1 - bouwen - algemene bepalingen;

  • b c.

    paragraaf 5.2.9.2 - bouwen - algemene regels bouwwerkenbouwwerken uitgezonderd van de vergunningplicht;

  • c d.

    paragraaf 5.2.9.4 - bouwen - vergunningplicht voor het bouwen van een bouwwerk;

    paragraaf 5.2.9.3 - bouwen - bouwwerken uitgezonderd van de vergunningplicht, mits in overeenstemming met het omgevingsplan;

  • e.

    subparagraaf 5.2.9.4.10 - bouwen - algemene bouwregels bouwwerken geen gebouw zijnde; 

  • d f.

    paragraaf 5.2.9.55.2.9.6 - bouwen - beoordelingsregelsvergunningplicht voor het bouwen van een bouwwerk;

  • e g.

    paragraaf 5.2.9.65.2.9.7 - bouwen - beoordelingsregels voor welstandhet bouwen van een bouwwerk;

  • f.

    paragraaf 5.2.9.9 - bouwen - nadere invulling beoordelingsregels voor het bouwen van een bouwwerk geen gebouw zijnde; 

  • g h.

    afdeling 5.2.1 - algemene bepalingen en activiteitoverstijgende regels - algemeen; en

    paragraaf 5.2.9.8 - bouwen - beoordelingsregels voor welstand; en

  • h i.

    titel 5.4 - gebieden met beperkingen en inperkingen.

J

Artikel 4.10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.10 Bouwwerken veranderen

Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.2, wordt bij het bouwen, in stand houden en gebruiken van  bouwwerken, geen gebouwen zijnde binnen het ambtsgebied voldaan aan:

  • a.

    afdeling 5.1 - algemene bepalingen en activiteitoverstijgende regels;

  • a b.

    paragraaf 5.2.9.1 - bouwen - algemene bepalingen;

  • b c.

    paragraaf 5.2.9.2.45.2.9.2 - bouwen - algemene regels een te veranderen bouwwerkbouwwerken uitgezonderd van de vergunningplicht;

  • d.

    paragraaf 5.2.9.3 - bouwen - bouwwerken uitgezonderd van de vergunningplicht, mits in overeenstemming met het omgevingsplan;

  • c e.

    paragraaf subparagraaf 5.2.9.2.5 - bouwen - algemene regels bouwwerken in beschermd stads- of dorpsgezicht;

  • d f.

    paragraaf 5.2.9.45.2.9.6 - bouwen - vergunningplicht voor het bouwen van een bouwwerk;

  • e g.

    paragraaf 5.2.9.65.2.9.7 - bouwen - beoordelingsregels voor welstandhet bouwen van een bouwwerk;

  • f.

    paragraaf 5.2.9.5 - bouwen - nadere invulling beoordelingsregels voor het bouwen van een bouwwerk;

  • g h.

    afdeling 5.2.1 - algemene bepalingen en activiteitoverstijgende regels - algemeen; en

    paragraaf 5.2.9.8 - bouwen - beoordelingsregels voor welstand; en

  • h i.

    titel 5.4 - gebieden met beperkingen en inperkingen.

K

Artikel 4.14 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.14 Woonruimte gebruiken

Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.13, wordt bij het gebruiken van woonruimte voldaan aan de regels in afdeling 5.2.405.2.41 - woonruimte gebruiken.

L

Na artikel 4.14 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 4.15 Beroep of bedrijf aan huis uitoefenen

Met het oog op de doelen bedoeld,in artikel 4.13, wordt bij het uitoefenen van een beroep of bedrijf aan huis in het werkingsgebied nieuwe deel omgevingsplan voldaan aan paragraaf 5.2.22.1 - beroep of bedrijf aan huis uitoefenen.

Artikel 4.16 Aanbieden van bed and breakfast

Met het oog op de doelen bedoeld,in artikel 4.13, wordt bij het aanbieden van bed and breakfast in het werkingsgebied nieuwe deel omgevingsplan voldaan aan paragraaf 5.2.22.2 - aanbieden van bed and breakfast.

M

Paragraaf 4.1.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 4.1.4 Natuur, bos en landschap

[Gereserveerd]

Artikel 4.17 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over activiteiten met betrekking tot natuur, bos en landschap.

Artikel 4.18 Doelen natuur, bos en landschap

Voor activiteiten met betrekking tot natuur, bos en landschap gelden de volgende doelen, bedoeld in artikel 2.1.

  • a.

    de natuurbescherming;

  • b.

    de instandhouding van het bosareaal binnen de gemeente;

  • c.

    het beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden;

  • d.

    het realiseren van een gemeentelijk natuurnetwerk;

  • e.

    het beschermen en waar mogelijk vergroten van de openheid van het landschap;

  • f.

    het behouden en herstellen van waardevolle bouwwerken en landschappelijke elementen;

  • g.

    het behouden en waar mogelijk versterken van het natuurdoeltype overstromingsgrasland;

  • h.

    realiseren van een natuurnetwerk; en

  • i.

    het beschermen van natuurgebieden.

Artikel 4.19 Activiteiten in de beschermingszone natte landnatuur

  • 1.

    De beschermingszones natuur landnatuur zijn aangewezen als beschermingszone natte landnatuur.

  • 2.

    Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.18, wordt bij het verrichten van activiteiten in de beschermingszone natte landnatuur voldaan aan paragraaf 5.4.3.1 - activiteiten in de beschermingszone natte landnatuur.

N

Paragraaf 4.1.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 4.1.7 Cultureel erfgoed

[Gereserveerd]

Artikel 4.20 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over activiteiten met betrekking tot cultureel erfgoed

Artikel 4.21 Doelen cultureel erfgoed

Voor activiteiten met betrekking tot cultureel erfgoed gelden de volgende doelen, bedoeld in artikel 2.1.

  • a.

    het behoud van cultureel erfgoed.

Artikel 4.22 Activiteiten op archeologische rijksmonumententerreinen

Artikel 4.23 Activiteiten op overige archeologische monumententerreinen

Artikel 4.24 Activiteiten in een zone met archeologische waarden

Artikel 4.25 Activiteiten in een zone met hoge archeologische verwachting

Artikel 4.26 Activiteiten in een zone met middelhoge archeologische verwachting

Artikel 4.27 Activiteiten in een zone met lage archeologische verwachting

Artikel 4.28 Activiteiten in een zone met waterbodemgerelateerde archeologische verwachting

Artikel 4.29 Activiteiten in een zone met onbekende archeologische verwachting

Artikel 4.30 Activiteiten in een molenbiotoop

  • 1.

    Er is een molenbiotoop.

  • 2.

    Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.21, wordt bij het verrichten van activiteiten in een molenbiotoop voldaan aan afdeling 5.4.9 - activiteiten in een molenbiotoop

O

Na paragraaf 4.1.8 wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:

Paragraaf 4.1.9 Economie

Artikel 4.31 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op activiteiten met betrekking tot economie.

Artikel 4.32 Doelen economie

Voor activiteiten met betrekking tot economie gelden de volgende doelen, bedoeld in artikel 2.1:

  • a.

    het beschermen van een goed woon- en leefklimaat;

  • b.

    het instandhouden van het voorzieningenniveau

Artikel 4.33 Webwinkel exploiteren

Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.32, wordt bij het exploiteren van een webwinkel voldaan aan de regels in afdeling 5.2.39 - webwinkel exploiteren.

P

Paragraaf 4.2.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 4.2.2 Dorps wonen

[Gereserveerd]

Artikel 4.34 Aanwijzing

Er is een gebiedstype dorps wonen.

Artikel 4.35 Doelen en waarden

In het gebiedstype dorps wonen gelden de volgende doelen als bedoeld in artikel 2.1:

  • a.

    het beschermen van een goed woon- en leefklimaat;

  • b.

    het instandhouden van het voorzieningenniveau;

  • c.

    het waarborgen van de veiligheid

  • d.

    het beschermen van de gezondheid;

  • e.

    de instandhouding van het bosareaal binnen de gemeente;

  • f.

    het beheren van infrastructuur; en

  • g.

    het kunnen benutten van de openbare ruimte voor verkeer, parkeren en afvalinzameling.

Artikel 4.36 Insluiten activiteiten

Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden binnen het gebiedstype dorps wonen, voor zover het gaat om gebiedsgerichte activiteiten als bedoeld in titel 5.3, alleen de volgende activiteiten verricht:

  • a.

    agrarische activiteiten;

  • b.

    bedrijfsmatige activiteiten;

  • c.

    bosactiviteiten;

  • d.

    culturele en ontspanningsactiviteiten;

  • e.

    detailhandelsactiviteiten;

  • f.

    dienstverleningsactiviteiten;

  • g.

    groenactiviteiten;

  • h.

    horeca-activiteiten;

  • i.

    kantooractiviteiten;

  • j.

    maatschappelijke activiteiten;

  • k.

    nutsbedrijfsactiviteiten;

  • l.

    ondergeschikte gebruiksactiviteiten;

  • m.

    sportactiviteiten;

  • n.

    verkeers- en parkeeractiviteiten; en

  • o.

    woonactiviteiten.

Artikel 4.37 Agrarische activiteiten

  • 1.

    Bij agrarische activiteiten wordt voldaan aan:

    • a.

      subparagraaf 5.3.2.2.1 - agrarische activiteiten binnen dorps wonen en de Veluwe; 

    • b.

      subparagraaf 5.3.2.2.2 - bewonen bedrijfswoning door twee huishoudens; en

    • c.

      paragraaf 5.3.2.3 - bewonen bedrijfswoning door twee huishoudens.

Artikel 4.38 Bedrijfsmatige activiteiten

  • 1.

    Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden binnen het gebiedstype dorps wonen alleen bedrijfsactiviteiten verricht voor zover het gaat om bestaande bedrijfsactiviteiten. 

  • 2.

    Bij bedrijfsactiviteiten wordt voldaan aan:

    • a.

      paragraaf 5.3.3.1 - algemene bepalingen;

    • b.

      paragraaf 5.3.3.2 - huidige bedrijfsactiviteiten toegestaan;

    • c.

      paragraaf 5.3.3.4 - toegestane bedrijven in verband met milieuhinder; en

    • d.

      paragraaf 5.3.3.5 - wonen in een bedrijfswoning.

Artikel 4.39 Bosactiviteiten

  • 1.

    Bij bosactiviteiten wordt voldaan aan:

    • a.

      afdeling 5.3.4 - bosactiviteiten.

Artikel 4.40 Culturele en ontspanningsactiviteiten

  • 1.

    Bij culturele en ontspanningsactiviteiten wordt voldaan aan:

    • a.

      afdeling 5.3.5 - culturele en ontspanningsactiviteiten.

Artikel 4.41 Detailhandelsactiviteiten

  • 1.

    Bij reguliere detailhandelsactiviteiten wordt voldaan aan:

    • a.

      paragraaf 5.3.6.1 - reguliere detailhandelsactiviteiten; en

    • b.

      paragraaf 5.3.6.2 - detailhandelsactiviteiten in volumineuze goederen.

Artikel 4.42 Dienstverleningsactiviteiten

  • 1.

    Bij dienstverleningsactiviteiten wordt voldaan aan:

    • a.

      afdeling 5.3.7 - dienstverleningsactiviteiten.

Artikel 4.43 Groenactiviteiten

  • 1.

    Bij groenactiviteiten wordt voldaan aan:

    • a.

      afdeling 5.3.9 - groenactiviteiten.

Artikel 4.44 Horeca-activiteiten

  • 1.

    Bij horeca-activiteiten wordt voldaan aan:

    • a.

      paragraaf 5.3.10.1 - horeca-activiteiten categorie 1 verrichten;

    • b.

      paragraaf 5.3.10.2 - horeca-activiteiten categorie 2 verrichten; 

    • c.

      paragraaf 5.3.10.3 - horeca-activiteiten categorie 3 verrichten; en

    • d.

      paragraaf 5.3.10.4 - horeca-activiteiten categorie 4 verrichten.

Artikel 4.45 Kantooractiviteiten

  • 1.

    Bij kantooractiviteiten wordt voldaan aan:

    • a.

      afdeling 5.3.11 - kantooractiviteiten.

Artikel 4.46 Maatschappelijke activiteiten

  • 1.

    Bij maatschappelijke activiteiten wordt voldaan aan:

    • a.

      afdeling 5.3.12 - maatschappelijke activiteiten.

Artikel 4.47 Nutsbedrijfsactiviteiten

  • 1.

    Bij nutsbedrijfsactiviteiten wordt voldaan aan:

    • a.

      afdeling 5.3.13 - nutsbedrijfsactiviteiten.

Artikel 4.48 Ondergeschikte gebruiksactiviteiten

  • 1.

    Bij ondergeschikte gebruiksactiviteiten wordt voldaan aan:

    • a.

      afdeling 4.48 - ondergeschikte gebruiksactiviteiten.

Artikel 4.49 Sportactiviteiten

  • 1.

    Bij sportactiviteiten wordt voldaan aan:

    • a.

      afdeling 5.3.16 - sportactiviteiten.

Artikel 4.50 Verkeers- en parkeeractiviteiten

  • 1.

    Bij verkeers- en parkeeractiviteiten wordt voldaan aan:

    • a.

      afdeling 5.3.18 - verkeers- en parkeeractiviteiten.

Artikel 4.51 Woonactiviteiten

  • 1.

    Bij woonactiviteiten wordt voldaan aan:

    • a.

      paragraaf 5.3.20.1 - wonen in een woning;

    • b.

      paragraaf 5.3.20.2 - zorgwonen;

    • c.

      paragraaf 5.3.20.4 - bewonen woning door twee huishoudens;

    • d.

      paragraaf 5.3.20.5 - nevenactiviteiten in een woning; en

    • e.

      paragraaf 5.3.20.6 - verboden activiteiten.

Q

Na paragraaf 4.2.2 wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:

Paragraaf 4.2.3 Wonen in het bos

[Gereserveerd]

R

Paragraaf 4.2.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 4.2.3 Landelijk wonen

[Gereserveerd]

[Vervallen]

S

Paragraaf 4.2.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 4.2.6 Buitengebied Veluwe

[Gereserveerd]

Artikel 4.52 Aanwijzing

Er is een gebiedstype Veluwe.

Artikel 4.53 Doelen en waarden

In het gebiedstype Veluwe gelden de volgende doelen als bedoeld in artikel 2.1:

  • a.

    het beschermen van een goed woon- en leefklimaat;

  • b.

    het waarborgen van de veiligheid

  • c.

    het beschermen van de gezondheid;

  • d.

    het beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden;

  • e.

    de natuurbescherming;

  • f.

    de instandhouding van het bosareaal binnen de gemeente;

  • g.

    het bevorderen van kringlooplandbouw en duurzame veehouderij;

  • h.

    het vergroten van de natuurbeleving en recreatieve waarde, zonder afbreuk te doen aan natuurwaarden;

  • i.

    het waarborgen van de veiligheid van het publiek van natuurgebieden en recreatieterreinen; 

  • j.

    het beheren van infrastructuur; en

  • k.

    het kunnen benutten van de openbare ruimte voor verkeer, parkeren en afvalinzameling.

Artikel 4.54 Insluiten activiteiten

Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden binnen het gebiedstype Veluwe, voor zover het gaat om gebiedsgerichte activiteiten als bedoeld in titel 5.3, alleen de volgende activiteiten verricht:

  • a.

    agrarische activiteiten; en

  • b.

    woonactiviteiten.

Artikel 4.55 Agrarische activiteiten

  • 1.

    Bij agrarische activiteiten wordt voldaan aan:

    • a.

      subparagraaf 5.3.2.2.1 - agrarische activiteiten binnen dorps wonen en de Veluwe.

Artikel 4.56 Woonactiviteiten

  • 1.

    Bij woonactiviteiten wordt voldaan aan:

    • a.

      paragraaf 5.3.20.1 - wonen in een woning;

    • b.

      paragraaf 5.3.20.4 - bewonen woning door twee huishoudens; en

    • c.

      paragraaf 5.3.20.6 - verboden activiteiten.

T

Na paragraaf 4.2.6 worden twee paragrafen ingevoegd, luidende:

Paragraaf 4.2.7 Veluweflank

[Gereserveerd]

Paragraaf 4.2.8 IJsselvallei

[Gereserveerd]

U

Afdeling 5.1.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 5.1.2 PARKEERNORMERING EN NORMERING LADEN EN LOSSEN

[Gereserveerd]

Paragraaf 5.1.2.1 Parkeernormering

Artikel 5.3 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen van een gebouw of wijzigen van het gebruik waarvoor op grond van dit omgevingsplan een omgevingsvergunning is vereist.

Artikel 5.4 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het waarborgen van voldoende parkeergelegenheid.

Artikel 5.5 Voldoende parkeergelegenheid
  • 1.

    Bij een gebouw wordt in de juiste mate ruimte aangebracht en in stand gehouden ten behoeve van het parkeren en het stallen van motorvoertuigen en fietsen. 

  • 2.

    Een omgevingsvergunning voor het bouwen van een gebouw of wijzigen van het gebruik waarvoor op grond van dit omgevingsplan een omgevingsvergunning is vereist wordt uitsluitend verleend, mits wordt voldaan aan het eerste lid. 

  • 3.

    Bij de toets of wordt voldaan aan het eerste lid wordt nader invulling gegeven op basis van de Nota parkeernormen gemeente Epe of de opvolger daarvan, met dien verstande dat indien voornoemde Nota parkeernormen gemeente Epe wordt gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging.

  • 4.

    Het bevoegd gezag past de Nota parkeernormen gemeente Epe toe zoals deze geldt op het moment van indiening van de aanvraag om omgevingsvergunning.

Paragraaf 5.1.2.2 Laden en lossen

Artikel 5.6 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen van een gebouw of wijzigen van het gebruik waarvoor op grond van dit omgevingsplan een omgevingsvergunning is vereist.

Artikel 5.7 Voldoende ruimte voor laden en lossen
  • 1.

    Bij een gebouw wordt in de juiste mate ruimte aangebracht en in stand gehouden in, op of onder dat gebouw dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort ten behoeve van het laden en lossen van goederen met bijbehorende voorzieningen.

  • 2.

    Een omgevingsvergunning voor het bouwen van een gebouw of wijzigen van het gebruik waarvoor op grond van dit omgevingsplan een omgevingsvergunning is vereist wordt uitsluitend verleend, mits wordt voldaan aan het eerste lid. 

V

Het opschrift van artikel 5.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.3 5.8 Maatwerkvoorschriften

W

Na artikel 5.3 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 5.9 Verboden activiteiten

De volgende activiteiten zijn in ieder geval verboden:

  • a.

    het bouwen van een hyperscale datacentrum of bouwwerken of gronden gebruiken ten behoeve van een hyperscale datacentrum.

X

Het opschrift van artikel 5.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.4 5.10 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk op open erven en terreinen 

Y

Het opschrift van artikel 5.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.5 5.11 Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken

Z

Het opschrift van artikel 5.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.6 5.12 Specifieke zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen

AA

Afdeling 5.2.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 5.2.9 BOUWEN VAN EEN BOUWWERK

Paragraaf 5.2.9.1 Algemene bepalingen

Artikel 5.7 5.13 Toepassingsbereik

De regels in deze afdeling gaan overzijn van toepassing op:

  • a.

    het bouwen van een bouwwerk; en

  • b.

    het veranderen van een bouwwerk.

Artikel 5.8 5.14 Oogmerken

De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het waarborgen van de veiligheid;

  • b.

    het waarborgen van de energiezuinigheid;

  • c.

    het beschermen van het milieu;

  • d.

    het beschermen, behouden, herstellen en ontwikkelen van stedenbouwkundige waarden;

  • e.

    het beschermen, behouden, herstellen en ontwikkelen van de architectonische kwaliteit van bouwwerken;

  • f.

    het beschermen, behouden, herstellen en ontwikkelen van het woon- en leefklimaat; en 

  • g.

    het beschermen van de gezondheid. 

Artikel 5.9 5.15 Voorrangsbepaling 

De regels in deze afdeling , met uitzondering van paragraaf 5.2.9.2 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet. 

Artikel 5.10 5.16 Algemene afbakeningseisen
  • 1.

    De artikelen 22.8, 22.9, in paragrafen 22.105.2.9.2 en 5.2.9.3 en de artikelen 22.85.2422.9 en, 22.10 5.36 zijn niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.

  • 2.

    Bij de toepassing van de artikelen in paragraaf 5.2.9.2, blijft het aantal woningen gelijk, tenzij het bij een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan zoals bedoeld in artikel 5.245.31, of een bestaand bouwwerk als bedoeld in artikel 5.265.32tweede lid, gaat om huisvesting in verband met mantelzorg.

Artikel 5.11 5.17 Meetbepalingen
  • 1.

    Voor de toepassing van paragraaf 5.2.9.2 worden de waarden die daarin in meter of m2 zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten:

    • a.

      afstanden loodrecht;

    • b.

      hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven; en

    • c.

      maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot ten hoogste 0,75 meter buiten beschouwing blijven.

  • 2.

    Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder b, wordt een bouwwerk, voor zover dit zich bevindt op een erf- of perceelgrens, gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is.

Artikel 5.12 5.18 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil

Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit is verleend wordt, onverminderd de aan de vergunning verbonden voorschriften, niet begonnen voordat voor zover nodig:

  • a.

    de rooilijnen of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet; en

  • b.

    het straatpeil is uitgezet.

Artikel 5.13 5.19 Bouwen in overeenstemming met de locatie 
  • 1.

    Het is verboden om een bouwwerk te bouwen, in stand te houden en te gebruiken in strijd met de aan de locatie toebedeelde gebruiksactiviteitregels in titel 5.3 en 5.4 en hoofdstuk 7 in dit omgevingsplan. 

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op de volgende bouwwerken:

    • a.

      een bijbehorend bouwwerk zoals bedoeld in artikel 5.24; 

    • b.

      een sport- of speeltoestel zoals bedoeld in artikel 5.31; en

    • c.

      een erf- of perceelafscheiding zoals bedoeld in artikelen 5.36 en 5.37. 

    • d.

      een silo of ander bouwwerk niet hoger dan 2 meter zoals bedoeld in artikel 5.39

    Het eerste lid is niet van toepassing op de bouwwerken uitgezonderd van de vergunningplicht in paragraaf 5.2.9.2.

Artikel 5.14 5.20 Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk
  • 1.

    Degene die een bouwwerk gebruikt en weet – of had kunnen weten – dat dit gevaar kan opleveren voor de gezondheid of veiligheid, moet alle redelijke maatregelen nemen om dat gevaar te voorkomen of te stoppen.

  • 2.

    Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten in, op of aan een bouwwerk overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door:

    • a.

      het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal;

    • b.

      het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en

    • c.

      het nalaten van het normale onderhoud waardoor het bouwwerk zich niet in een zindelijke staat bevindt.

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik van bouwwerken, bedoeld in afdeling 6.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Artikel 5.15 5.21 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een bouwwerk niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat het gebruik in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is.

Artikel 5.16 5.22 Aansluiting op distributienet voor drinkwater

Met het oog op het beschermen van de gezondheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van drinkwater in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor drinkwater als de aansluitafstand niet groter is dan 40 meter of groter is dan 40 meter en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 meter.

Artikel 5.17 5.23 Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater
  • 1.

    Met het oog op het beschermen van de gezondheid ligt een ondergrondse doorvoer van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater door een uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk zoveel mogelijk haaks op de scheidingsconstructie.

  • 2.

    De gebouwaansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater op de op het eigen erf of terrein gelegen riolering of een andere voorziening voor afvoer van afvalwater is zodanig dat bij zetting de dichtheid van de aansluiting en de afvoer gehandhaafd blijft.

  • 3.

    Een terreinleiding waardoor huishoudelijk afvalwater wordt geleid:

    • a.

      heeft geen vernauwing in de stroomrichting;

    • b.

      heeft een vloeiend beloop;

    • c.

      is waterdicht;

    • d.

      heeft een voldoende inwendige middellijn; en

    • e.

      bevat geen beer- of rottingput.

  • 4.

    Bij maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 5.35.8 kan in ieder geval worden bepaald:

    • a.

      als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een ander passend systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet aanwezig is waarop kan worden aangesloten: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater op dat riool of systeem noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd;

    • b.

      als voor de afvoer van hemelwater een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is waarop kan worden aangesloten, en hemelwater op dat stelsel of riool mag worden gebracht: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van hemelwater op dat stelsel of riool noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; en

    • c.

      of, en zo ja welke voorzieningen in de afvoervoorziening of de op het erf of terrein gelegen riolering moeten worden aangebracht om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen.

Artikel 5.18 5.24 Bluswatervoorziening
  • 1.

    Met het oog op het waarborgen van de veiligheid heeft een bouwwerk een toereikende bluswatervoorziening, tenzij de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk dat niet vereist.

  • 2.

    De afstand tussen de bluswatervoorziening en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 meter.

  • 3.

    De bluswatervoorziening is onbeperkt toegankelijk voor bluswerkzaamheden.

Artikel 5.19 5.25 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten
  • 1.

    Met het oog op het waarborgen van de veiligheid ligt er een verbindingsweg tussen de openbare weg en ten minste één toegang van een bouwwerk voor het verblijven van personen.

  • 2.

    De verbindingsweg is geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing:

    • a.

      op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090;

    • b.

      op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2;

    • c.

      op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090;

    • d.

      als de toegang van het bouwwerk op ten hoogste 10 meter van een openbare weg ligt; of

    • e.

      als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen verbindingsweg vereist.

  • 4.

    Tenzij elders in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening anders is bepaald, heeft een verbindingsweg:

    • a.

      een breedte van ten minste 4,5 meter;

    • b.

      een verharding over een breedte van ten minste 3,25 meter die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 15.000 kilogram;

    • c.

      een vrijgehouden hoogte boven de kruin van de weg van ten minste 4,2 meter; en

    • d.

      een doeltreffende afwatering.

  • 5.

    Een verbindingsweg is over de voorgeschreven hoogte en breedte, bedoeld in het vierde lid, vrijgehouden voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.

  • 6.

    Hekwerken die een verbindingsweg afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.

Artikel 5.20 5.26 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen
  • 1.

    Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zodanige opstelplaatsen voor brandweervoertuigen dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing:

    • a.

      op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090;

    • b.

      op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2;

    • c.

      op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; of

    • d.

      als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen opstelplaatsen vereist.

  • 3.

    De afstand tussen een opstelplaats en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 meter.

  • 4.

    Een opstelplaats voor brandweervoertuigen is over de hoogte en breedte, bedoeld in artikel 5.195.25, vierde lid, vrijgehouden voor brandweervoertuigen.

  • 5.

    Hekwerken die een opstelplaats afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.

Artikel 5.21 5.27 Overgangsrecht bestaande bouwwerken

Een bouwwerk waarop het overgangsrecht voor bestaande bouwwerken in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, van toepassing is, mag in stand worden gehouden.

Artikel 5.22 5.28 Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten
  • 1.

    Voor de toepassing van paragraaf 5.2.9.2 en de artikelen 8.11, 8.12, 8.14 tot en met 8.17 en 8.19 wordt onder gemeentelijk monument respectievelijk voorbeschermd gemeentelijk monument ook verstaan een monument of archeologisch monument dat op grond van een gemeentelijke verordening is aangewezen respectievelijk waarop, voordat het is aangewezen, die verordening van overeenkomstige toepassing is.

  • 2.

    Het eerste lid is van toepassing:

    • a.

      als het gaat om een aangewezen monument of archeologisch monument: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven; en

    • b.

      als het gaat om een monument of archeologisch monument waarop voordat het is aangewezen de verordening van overeenkomstige toepassing is: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of dit omgevingsplan geen voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om die functie-aanduiding te geven.

Paragraaf 5.2.9.2 Algemene regels Bouwwerken uitgezonderd van de vergunningplicht omgevingsplanactiviteit bouwwerken 

Subparagraaf 5.2.9.2.1 Algemene regels Uitzondering vergunningplicht omgevingsplanactiviteit bijbehorend bouwwerk 
Artikel 5.23 5.29 Toepassingsbereik 
  • 1.

    De regels in deze subparagraaf gaan overzijn van toepassing op de algemene regels voor het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan. 

  • 2.

    De regels in deze subparagraaf gaan niet over het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan bij een

    • a.

      een woonwagen; 

    • b.

      een hoofdgebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit of de omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit is bepaald dat de vergunninghouder na het verstrijken van een bij die vergunning gestelde termijn verplicht is de voor de verlening van de vergunning bestaande toestand te hebben hersteld; of

    • c.

      een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf door één huishouden.

  • 3.

    De regels in deze subparagraaf gaan ook niet over het bouwen, in stand houden en gebruiken van: 

    • a.

      een erker. Hiervoor geldt subparagraaf 5.2.9.2.2;

    • b.

      een dakkapel in het voordakvlak of naar een openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak, hiervoor geldt subparagraaf 5.2.9.2.3; en

    • c.

      een luifel. Hiervoor geldt subsubparagraaf  5.2.9.2.4.1

  • 4.

    In afwijking van de regels in deze subparagraaf wordt in het werkingsgebied bouwwerken verboden geen bijbehorend bouwwerk gebouwd, in stand gehouden of gebruikt.

Artikel 5.30 Oogmerken

 

De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    stedenbouwkundige waarden;

  • b.

    de architectonische kwaliteit van bouwwerken;

  • c.

    een goed woon- en leefklimaat;

  • d.

    de gezondheid.

Artikel 5.24 5.31 Algemene regels Uitzondering vergunningplicht omgevingsplanactiviteit bijbehorend bouwwerk 
  • 1.

    Onverminderd de overige bepalingen van afdelingen 5.2.9 en 22.3 mag in uitzondering op artikel 5.475.116 een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan worden gebouwd, in stand worden gehouden en gebruikt zonder omgevingsvergunning als wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • a.

      op de grond staand;

    • b.

      gelegen in het achtererfgebied;

    • c.

      op een afstand van meer dan 1 meter vanaf openbaar toegankelijk gebied;

    • d.

      niet hoger dan 5 meter; 

    • e.

      de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag;  

    • f.

      niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte;  

    • g.

      voor zover op een afstand van niet meer dan 4 meter van het oorspronkelijk hoofdgebouw, niet hoger dan:

      • 1.

        5 meter;

      • 2.

        0,3 meter boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw; en

      • 3.

        het hoofdgebouw;

    • h.

      voor zover op een afstand van meer dan 4 meter van het oorspronkelijk hoofdgebouw:

      • 1.

        als het bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding daarvan hoger is dan 3 meter: 

        • I.

          voorzien van een schuin dak; 

        • II.

          de dakvoet niet hoger dan 3 meter;

        • III.

          de daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken; 

        • IV.

          met een hellingshoek van niet meer dan 55°; 

        • V.

          waarbij de hoogte van de daknok niet meer is dan 5 meter;  

        • VI.

          verder wordt begrensd door de volgende formule: maximale daknokhoogte [m] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3; en

      • 2.

        functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw, tenzij het gaat om huisvesting in verband met mantelzorg;

    • i.

      de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied niet meer dan:

      • 1.

        bij een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m2: 50% van dat bebouwingsgebied; 

      • 2.

        bij een bebouwingsgebied groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2: 50 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2; en

      • 3.

        bij een bebouwingsgebied groter dan 300 m2: 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m2; en

    • j.

      uitbreiding van of gelegen aan of bij een hoofdgebouw, anders dan:

      • 1.

        een woonwagen;

      • 2.

        een hoofdgebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit of de omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit is bepaald dat de vergunninghouder na het verstrijken van een bij die vergunning gestelde termijn verplicht is de voor de verlening van de vergunning bestaande toestand te hebben hersteld; of

      • 3.

        een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf door één huishouden.

  • 2.

    Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in het eerste lid bestaat uit een deel dat op meer, en een deel dat op minder dan 4 meter van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen zonder een inwendige scheidingsconstructie tussen beide delen, is op het deel dat op minder dan 4 meter van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen artikel 5.245.31, eerste lid, onder h, onder 2, van overeenkomstige toepassing.

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht:

    • a.

      in, aan, op of bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument; of

    • b.

      binnen het werkingsgebied rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht.

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument.

Artikel 5.25 Algemene regels bijbehorend bouwwerk mits in overeenstemming met het omgevingsplan
  • 1.

    In uitzondering op artikel 5.47 mag een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan worden gebouwd, in stand worden gehouden en gebruikt zonder omgevingsvergunning als wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • a.

      op de grond staand;

    • b.

      gelegen in het achtererfgebied;

    • c.

      op een afstand van meer dan 1 meter vanaf openbaar toegankelijk gebied;

    • d.

      niet hoger dan 5 meter;

    • e.

      de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, allen op de eerste bouwlaag; en 

    • f.

      niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte.

  • 2.

    In aanvulling op het eerste lid mag een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan alleen worden gebouwd, in stand worden gehouden en gebruikt zonder omgevingsvergunning als dit in overeenstemming is met de overige regels gesteld in dit omgevingsplan.

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument.

  • 4.

    Het eerste lid is niet van toepassing als in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, voor de locatie waarop de bouwactiviteit wordt verricht, regels zijn gesteld als bedoeld in artikel 5.69 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit, tenzij:

    • a.

      het bouwwerk waarop de activiteit betrekking heeft een oppervlakte heeft van minder dan 50 m2; of

    • b.

      het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een verbod bevat om grondwerkzaamheden die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit zonder omgevingsvergunning te verrichten waarop regels als bedoeld in artikel 5.69 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, van toepassing zijn.

Artikel 5.26 5.32 Mantelzorg Uitzondering vergunningplicht omgevingsplanactiviteit huisvesting in verband met mantelzorg
  • 1.

    Voor de toepassing van deze subparagraaf wordt huisvesting in verband met mantelzorg aangemerkt als functioneel verbonden met het hoofdgebouw.

  • 2.

    In uitzondering op artikel 5.475.116 mag een bestaand bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg worden gebruikt zonder omgevingsvergunning.

  • 3.

    Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 5.245.31eerste lid wordt gebruikt voor huisvesting in verband met mantelzorg, gelden in plaats van en niet voldoet aan de in artikel 5.245.31eerste lid, onder i, gestelde eisen, gelden de volgende eisen:

    • a.

      in zijn geheel of in delen verplaatsbaar;

    • b.

      de oppervlakte niet meer dan 100 m2; en

    • c.

      buiten de bebouwde kom.

Artikel 5.27 5.33 Artikel 5.245.31 en 5.265.32, tweede lid, niet van toepassing vanwege externe veiligheid 
  • 1.

    Artikelen 5.245.31 en 5.265.32tweede lid, zijn niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht:

    • a.

      op een locatie in een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, opgenomen veiligheidszone, getypeerd als A-zone of B-zone, rondom een munitieopslag of een locatie voor activiteiten met ontplofbare stoffen;

    • b.

      op een locatie waarop de activiteit op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, niet is toegestaan vanwege het overschrijden van het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar als gevolg van de aanwezigheid van een locatie voor een vergunningplichtige milieubelastende activiteit, transportroute of buisleiding of vanwege de ligging in een belemmeringenstrook voor het onderhoud van een buisleiding; of

    • c.

      op een locatie binnen een afstand als bedoeld in:

      • 1.

        artikel 4.421, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, van dat artikel van toepassing is;

      • 2.

        artikel 4.472c, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;

      • 3.

        artikel 4.484, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;

      • 4.

        artikel 4.524, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is;

      • 5.

        artikel 4.532, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;

      • 6.

        artikel 4.542, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;

      • 7.

        artikel 4.866, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is;

      • 8.

        artikel 4.899, eerste lid, onder b, of derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;

      • 9.

        artikel 4.905, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is;

      • 10.

        artikel 4.914, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;

      • 11.

        artikel 4.962, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;

      • 12.

        artikel 4.1008, eerste lid, onder b, of tweede lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, het tweede lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is; of

      • 13.

        artikel 4.1101, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is.

  • 2.

    In aanvulling op het eerste lid zijn de artikelen 5.245.31 en 5.265.32tweede lid ook niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht op een locatie binnen een afstand als bedoeld in artikel 4.963, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van laatstbedoeld artikel van toepassing is.

Subparagraaf 5.2.9.2.2 Uitzondering vergunningplicht omgevingsplanactiviteit erker
Artikel 5.34 Toepassingsbereik

De regels in deze subparagraaf zijn van toepassing op het bouwen, in stand houden en gebruiken van een erker aan een niet in een woongebouw gelegen grondgebonden woning.

Artikel 5.35 Uitzondering vergunningplicht omgevingsplanactiviteit erker
  • 1.

    In uitzondering op artikel 5.116 mag een erker aan een grondgebonden woning worden gebouwd, in stand worden gehouden en gebruikt zonder omgevingsvergunning als wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • a.

      horizontaal niet dieper dan 1,5 meter;

    • b.

      de diepte van de overblijvende, niet met gebouwen bebouwde gronden minimaal 2,5 meter;

    • c.

      voor zover de erker wordt gebouwd tegen een gevel van het hoofdgebouw: niet breder dan 2/3 van de breedte van die gevel;

    • d.

      niet hoger dan 3 meter dan wel niet hoger dan de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw + 0,3 meter.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht:

    • a.

      in, aan of op of bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument; of

    • b.

      binnen het werkingsgebied rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht.

     

Subparagraaf 5.2.9.2.3 Uitzondering vergunningplicht omgevingsplanactiviteit dakkapel in het voordakvlak of naar een openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak
Artikel 5.36 Toepassingsbereik

De regels in deze subsubparagraaf zijn van toepassing op het bouwen, in stand houden en gebruiken van een dakkapel in het voordakvlak of naar een openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak. 

Artikel 5.37 Uitzondering vergunningplicht omgevingsplanactiviteit dakkapel in het voordakvlak of naar een openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak
  • 1.

    In uitzondering op artikel 5.116 mag een dakkapel in het voordakvlak of naar een openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak worden gebouwd, in stand worden gehouden en gebruikt zonder omgevingsvergunning als wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • a.

      voorzien van een plat dak;

    • b.

      gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75 meter;

    • c.

      onderzijde meer dan 0,5 meter en minder dan 1 meter boven de dakvoet;

    • d.

      bovenzijde meer dan 0,5 meter onder de daknok; 

    • e.

      zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak; en

    • f.

      niet breder dan de helft van het dakvlak.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht

    • a.

      in, aan, op of bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument; of

    • b.

      binnen het werkingsgebied rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht.

     

Subparagraaf 5.2.9.2.2 Algemene regels recreatief nachtverblijf 
Artikel 5.28 Toepassingsbereik

De regels in deze subparagraaf gaan over het bouwen, in stand houden en gebruiken van een recreatief nachtverblijf. 

Artikel 5.29 Algemene regels bouwwerk voor recreatief nachtverblijf mits in overeenstemming met het omgevingsplan
  • 1.

    In uitzondering op artikel 5.47 mag een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf worden gebouwd, in stand worden gehouden en gebruikt zonder omgevingsvergunning als wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • a.

      op de grond staand;

    • b.

      niet hoger dan 5 m; en

    • c.

      de oppervlakte niet meer dan 70 m2

  • 2.

    In aanvulling op het eerste lid mag een recreatief nachtverblijf alleen worden gebouwd, in stand worden gehouden en gebruikt zonder omgevingsvergunning als dit in overeenstemming is met de overige regels gesteld in dit omgevingsplan.

  • 3.

    Dit artikel is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument.

  • 4.

    Dit artikel is niet van toepassing als in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, voor de locatie waarop de bouwactiviteit wordt verricht, regels zijn gesteld als bedoeld in artikel 5.69 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit, tenzij:

    • a.

      het bouwwerk waarop de activiteit betrekking heeft een oppervlakte heeft van minder dan 50 m2; of

    • b.

      het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een verbod bevat om grondwerkzaamheden die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit zonder omgevingsvergunning te verrichten waarop regels als bedoeld in artikel 5.69 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, van toepassing zijn.

Subparagraaf 5.2.9.2.3 5.2.9.2.4 Algemene regels bouwwerken Uitzondering vergunningplicht omgevingsplanactiviteit bouwwerk, geen gebouw zijnde 
Subsubparagraaf 5.2.9.2.4.1 Uitzondering vergunningplicht omgevingsplanactiviteit luifel

Artikel 5.38 Toepassingsbereik

De regels in deze subparagraaf zijn van toepassing op het bouwen, in stand houden en gebruiken van een luifel aan een niet in een woongebouw gelegen grondgebonden woning.

Artikel 5.39 Uitzondering vergunningplicht omgevingsplanactiviteit luifel

  • 1.

    In uitzondering op artikel 5.116 mag een luifel aan een grondgebonden woning worden gebouwd, in stand worden gehouden en gebruikt zonder omgevingsvergunning als wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • a.

      uitsluitend boven de hoofdentree van een hoofdgebouw;

    • b.

      niet breder dan 1,2 meter;

    • c.

      in afwijking van onder b, breder dan 1,2 meter als de luifel verbonden is met een erker;

    • d.

      afstand tot de gevel niet meer dan 1,2 meter;

    • e.

      in afwijking van onder d is de afstand tot de gevel niet meer dan 1,5 meter als de luifel verbonden is met een erker;

    • f.

      geen op de grond staande ondersteuning; 

    • g.

      niet hoger dan 0,3 meter boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw; en

    • h.

      niet hoger dan het hoofdgebouw.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht:

    • a.

      in, aan, op of bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument;

    • b.

      binnen het werkingsgebied rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht.

     

Subsubparagraaf 5.2.9.2.3.1 5.2.9.2.4.2 Algemene regels Uitzondering vergunningplicht omgevingsplanactiviteit sport- of speeltoestel 

Artikel 5.30 5.40 Toepassingsbereik

De regels in deze subsubparagraaf gaan overzijn van toepassing op het bouwen, in stand houden en gebruiken van een sport- of speeltoestel. 

Artikel 5.31 5.41 Algemene regels Uitzondering vergunningplicht omgevingsplanactiviteit sport- of speeltoestel 

  • 1.

    In uitzondering op artikel 5.475.116 mag een sport- of speeltoestel anders dan voor alleen particulier gebruik, worden gebouwd, in stand worden gehouden en gebruikt zonder omgevingsvergunning als wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • a.

      niet hoger dan 4 meter; en

    • b.

      alleen functionerend met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument.:

    • a.

      in, aan op of bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument; of

    • b.

      binnen het werkingsgebied rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht.

     

Subsubparagraaf 5.2.9.2.3.2 Algemene regels zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening 

Artikel 5.32 Toepassingsbereik 

De regels in deze subsubparagraaf gaan over het bouwen, in stand houden en gebruiken van een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of een vijver op het gebouwerf bij een woning of woongebouw.  

Artikel 5.33 Algemene regels zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening mits in overeenstemming met het omgevingsplan

  • 1.

    In uitzondering op artikel 5.47 mag een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of een vijver op het gebouwerf bij een woning of woongebouw, als deze niet van een overkapping is voorzien, worden gebouwd, in stand worden gehouden en gebruikt zonder omgevingsvergunning.

  • 2.

    In aanvulling op het eerste lid mag een bouwwerk, zoals bedoeld in artikel 5.32, alleen worden gebouwd, in stand worden gehouden en gebruikt zonder omgevingsvergunning als deze in overeenstemming is met de overige regels over bouwen, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk gesteld in dit omgevingsplan. 

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument.

Subsubparagraaf 5.2.9.2.3.3 5.2.9.2.4.3 Algemene regels Uitzondering vergunningplicht omgevingsplanactiviteit erf- of perceelafscheiding 

Artikel 5.34 5.42 Toepassingsbereik

De regels in deze subsubparagraaf gaan overzijn van toepassing op het bouwen, in stand houden en gebruiken van een erf- of perceelafscheiding.

Artikel 5.35 Voorrangsbepaling erf- of perceelafscheiding

In uitzondering op artikel 5.9 gaan de regels in deze subparagraaf voor op de regels over het bouwen van een erf- of perceelafscheiding in het tijdelijk deel van het omgevingsplan.

Artikel 5.36 5.43 Algemene regels Uitzondering vergunningplicht omgevingsplanactiviteit erf- of perceelafscheiding in de kernen

  • 1.

    In uitzondering op artikel 5.475.116 mag in het werkingsgebied kernen een erf- of perceelafscheiding voor de voorgevelrooilijn worden gebouwd, in stand worden gehouden en gebruikt zonder omgevingsvergunning als wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • a.

      voor bedrijfs- en sportactiviteiten; en

    • b.

      op een erf of perceel met een hoofdgebouw waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; en

    • c.

      niet hoger dan 2,5 meter.; en

    • d.

      niet binnen het werkingsgebied rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht; of

    • e.

      niet hoger dan 1 meter in overige gevallen.

  • 2.

    In uitzondering op artikel 5.475.116 mag in werkingsgebied kernen een erf- of perceelafscheiding achter de voorgevelrooilijn worden gebouwgebouwd, in stand worden gehouden en gebruikt zonder omgevingsvergunning als wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • a.

      op een erf of perceel met een hoofdgebouw waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; en

    • b.

      niet hoger dan 2 meter voor woonactiviteiten of niet hoger dan 2,5 meter voor overige activiteiten; of

    • c.

      niet hoger dan 2 meter op een perceel zonder hoofdgebouw.; of

    • d.

      niet hoger dan 1 meter in overige gevallen.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument.

     

Artikel 5.37 5.44 Algemene regels Uitzondering vergunningplicht omgevingsplanactiviteit erf- of perceelafscheiding in het buitengebied

  • 1.

    In uitzondering op artikel 5.475.116 mag in het werkingsgebied buitengebied een erf- of perceelafscheiding voor de voorgevelrooilijn worden gebouwd, in stand worden gehouden en gebruikt zonder omgevingsvergunning als wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • a.

      voor agrarische, bedrijfs- en sportactiviteiten; en

    • b.

      op een erf of perceel met een hoofdgebouw waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; en

    • c.

      niet hoger dan 2,5 meter indien binnen een bouwvlak of niet hoger dan 1,5 meter indien buiten een bouwvlak.; en

    • d.

      niet binnen het werkingsgebied rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht; of

    • e.

      niet hoger dan 1 meter in overige gevallen.

  • 2.

    In uitzondering op artikel 5.475.116 mag in werkingsgebied buitengebied een erf- of perceelafscheiding achter de voorgevelrooilijn worden gebouwd, in stand worden gehouden en gebruikt zonder omgevingsvergunning als wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • a.

      op een erf of perceel met een hoofdgebouw waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; en

    • b.

      niet hoger dan 2,5 meter; of

    • c.

      niet hoger dan 2 meter op een perceel zonder hoofdgebouw.; of

    • d.

      niet hoger dan 1 meter in overige gevallen.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument.

     

Subsubparagraaf 5.2.9.2.3.4 5.2.9.2.4.4 Algemene regels Uitzondering vergunningplicht omgevingsplanactiviteit bouwwerk, geen gebouw zijnde, in achtererfgebied voor agrarische bedrijfsvoering 

Artikel 5.38 5.45 Toepassingsbereik

  • 1.

     De regels in deze subsubparagraaf gaan overzijn van toepassing op het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, in achtererfgebied voor agrarische bedrijfsvoering. 

  • 2.

    De regels in deze subsubparagraaf gaan niet over het bouwen, in stand houden en gebruiken van een erf- of perceelafscheiding. 

Artikel 5.39 5.46 Algemene regels Uitzondering vergunningplicht omgevingsplanactiviteit bouwwerk, geen gebouw zijnde, in achtererfgebied voor agrarische bedrijfsvoering 

  • 1.

    In uitzondering op artikel 5.475.116 mag een bouwwerk, geen gebouw zijnde, in achtererfgebied voor agrarische bedrijfsvoering worden gebouwd, in stand worden gehouden en gebruikt zonder omgevingsvergunning voor zover het gaat om:

    • a.

      een silo; of

    • b.

      een ander bouwwerk niet hoger dan 2 meter. 

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument.

Subsubparagraaf 5.2.9.2.4.5 Uitzondering vergunningplicht omgevingsplanactiviteit bouwwerk, geen gebouwen zijnde op het gebouwerf

Artikel 5.47 Toepassingsbereik

  • 1.

    De regels in deze subsubparagraaf zijn van toepassing op het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk, geen gebouwen zijnde op het gebouwerf.

  • 2.

    De regels in deze subsubparagraaf gaan niet over:

    • a.

       het bouwen, in stand houden en gebruiken van een luifel. Hiervoor geldt subsubparagraaf 5.2.9.2.4.1;

    • b.

       het bouwen, in stand houden en gebruiken van een sport- en speeltoestel. Hiervoor geldt subsubparagraaf 5.2.9.2.4.2;

    • c.

       het bouwen, in stand houden en gebruiken van een erf- of perceelafscheiding. Hiervoor geldt subsubparagraaf 5.2.9.2.4.3; en

    • d.

       het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, in het achtererfgebied voor agrarische bedrijfsvoering. Hiervoor geldt subsubparagraaf 5.2.9.2.4.4.

Artikel 5.48 Uitzondering vergunningplicht omgevingsplanactiviteit bouwwerk, geen gebouwen zijnde op het gebouwerf

  • 1.

    In uitzondering op artikel 5.116 mag een bouwwerk, geen gebouwen zijnde op het gebouwerf worden gebouwd, in stand worden gehouden en gebruikt zonder omgevingsvergunning als wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • a.

      op de grond staand;

    • b.

      niet hoger dan 1,3 meter; en

    • c.

      de oppervlakte niet meer dan 4 m2.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht:

    • a.

       in, aan, op of bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument; of

    • b.

      binnen het werkingsgebied rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht.

     

Subsubparagraaf 5.2.9.2.3.5 Algemene regels buisleiding 

Artikel 5.40 Toepassingsbereik 

De regels in deze subsubparagraaf gaan over het bouwen, in stand houden en gebruiken van een buisleiding anders dan een buisleiding waarop artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4°, van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is.

Artikel 5.41 Algemene regels buisleiding mits in overeenstemming met het omgevingsplan 

  • 1.

    In uitzondering op artikel 5.47 mag een buisleiding, zoals bedoeld in artikel 5.40, worden gebouwd, in stand worden gehouden en gebruikt zonder omgevingsvergunning.

  • 2.

    In aanvulling op het eerste lid mag een buisleiding, zoals bedoeld in artikel 5.40, alleen worden gebouwd, in stand worden gehouden en gebruikt zonder omgevingsvergunning als deze in overeenstemming is met de overige regels over bouwen, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk gesteld in dit omgevingsplan. 

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument.

Subparagraaf 5.2.9.2.4 Algemene regels een te veranderen bouwwerk 
Artikel 5.42 Toepassingsbereik 

De regels in deze subsubparagraaf gaan over een te veranderen bouwwerk.

Artikel 5.43 Algemene regels een te veranderen bouwwerk mits in overeenstemming met het omgevingsplan 
  • 1.

    In uitzondering op artikel 5.47 mag een bouwwerk worden veranderd zonder omgevingsvergunning als wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • a.

      geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte;

    • b.

      geen uitbreiding van het bouwvolume; en 

    • c.

      geen bouwwerk als bedoeld in artikel 2.29, onder b tot en met r, van het Besluit bouwwerken leefomgeving dat niet voldoet aan de voor dat bouwwerk in die onderdelen gestelde eisen.

  • 2.

    In aanvulling op het eerste lid mag een bouwwerk alleen worden veranderd zonder omgevingsvergunning als dit in overeenstemming is met de overige regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken gesteld in dit omgevingsplan. 

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument.

Subparagraaf 5.2.9.2.5 Algemene regels bouwwerken in beschermd stads- of dorpsgezicht
Artikel 5.44 5.49 Toepassingsbereik 

De regels in deze subparagraaf gaan overzijn van toepassing op bouwen, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk in beschermd stads- of dorpsgezicht. 

Artikel 5.45 5.50 Algemene regels bouwwerken in rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht
  • 1.

    Op een activiteit die wordt verricht op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduidingbinnen het werkingsgebied rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven, is de uitzondering op de vergunningplicht van artikel 5.475.116 alleen van toepassing voor zover het gaat om:

    • a.

      inpandige wijzigingen;

    • b.

      een wijziging van een achtergevel of achterdakvlak, als die gevel of dat dakvlak niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd;

    • c.

      een bouwwerk op een gebouwerf aan de achterkant van een hoofdgebouw, als dat gebouwerf niet ook deel uitmaakt van het gebouwerf aan de zijkant van dat gebouw en niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; of

    • d.

      een bouwwerk op een locatie die onderdeel is van openbaar toegankelijk gebied.

  • 2.

    Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een activiteit als bedoeld in die artikelonderdelen die wordt verricht op een locatie waarvoor een op grond van artikel 4.35, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet als instructie geldende aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet van kracht is, zolang in dit omgevingsplan aan die locatie nog niet de functie-aanduiding stads- of rijksbeschermd dorpsgezicht is gegeven.

Paragraaf 5.2.9.3 Bouwwerken uitgezonderd van de vergunningplicht omgevingsplanactiviteit bouwwerken, mits in overeenstemming met het omgevingsplan

Subparagraaf 5.2.9.3.1 Uitzondering vergunningplicht omgevingsplanactiviteit bijbehorend bouwwerk, mits in overeenstemming met het omgevingsplan
Artikel 5.51 Toepassingsbereik 
  • 1.

    De regels in deze subparagraaf zijn van toepassing op de algemene regels voor het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan. 

  • 2.

    De regels in deze subparagraaf gaan niet over het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan bij een: 

    • a.

      een woonwagen; 

    • b.

      een hoofdgebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit of de omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit is bepaald dat de vergunninghouder na het verstrijken van een bij die vergunning gestelde termijn verplicht is de voor de verlening van de vergunning bestaande toestand te hebben hersteld; of

    • c.

      een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf.

Artikel 5.52 Oogmerken

 

De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    stedenbouwkundige waarden;

  • b.

    de architectonische kwaliteit van bouwwerken;

  • c.

    een goed woon- en leefklimaat; de

  • d.

    de gezondheid.

Artikel 5.53 Uitzondering vergunningplicht omgevingsplanactiviteit bijbehorend bouwwerk mits in overeenstemming met het omgevingsplan
  • 1.

    In uitzondering op artikel 5.116 mag een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan worden gebouwd, in stand worden gehouden en gebruikt zonder omgevingsvergunning als wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • a.

      op de grond staand;

    • b.

      gelegen in het achtererfgebied;

    • c.

      op een afstand van meer dan 1 meter vanaf openbaar toegankelijk gebied;

    • d.

      niet hoger dan 5 meter;

    • e.

      de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag; en 

    • f.

      niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte.

  • 2.

    In aanvulling op het eerste lid mag een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan alleen worden gebouwd, in stand worden gehouden en gebruikt zonder omgevingsvergunning als dit in overeenstemming is met de overige regels gesteld in dit omgevingsplan.

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument.

Subparagraaf 5.2.9.3.2 Uitzondering vergunningplicht omgevingsplanactiviteit bouwwerken, geen gebouw zijnde, mits in overeenstemming met het omgevingsplan
Subsubparagraaf 5.2.9.3.2.1 Uitzondering vergunningplicht omgevingsplanactiviteit zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening, mits in overeenstemming met het omgevingsplan

Artikel 5.54 Toepassingsbereik 

De regels in deze subsubparagraaf zijn van toepassing op het bouwen, in stand houden en gebruiken van een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of een vijver op het gebouwerf bij een woning of woongebouw.  

Artikel 5.55 Uitzondering vergunningplicht omgevingsplanactiviteit zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening mits in overeenstemming met het omgevingsplan

  • 1.

    In uitzondering op artikel 5.116 mag een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of een vijver op het gebouwerf bij een woning of woongebouw, als deze niet van een overkapping is voorzien, worden gebouwd, in stand worden gehouden en gebruikt zonder omgevingsvergunning.

  • 2.

    In aanvulling op het eerste lid mag een bouwwerk, zoals bedoeld in artikel 5.54, alleen worden gebouwd, in stand worden gehouden en gebruikt zonder omgevingsvergunning als deze in overeenstemming is met de overige regels over bouwen, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk gesteld in dit omgevingsplan. 

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument.

Subsubparagraaf 5.2.9.3.2.2 Uitzondering vergunningplicht omgevingsplanactiviteit buisleiding, mits in overeenstemming met het omgevingsplan

Artikel 5.56 Toepassingsbereik 

De regels in deze subsubparagraaf zijn van toepassing op het bouwen, in stand houden en gebruiken van een buisleiding anders dan een buisleiding waarop artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4°, van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is.

Artikel 5.57 Uitzondering vergunningplicht omgevingsplanactiviteit buisleiding mits in overeenstemming met het omgevingsplan 

  • 1.

    In uitzondering op artikel 5.116 mag een buisleiding, zoals bedoeld in artikel 5.56, worden gebouwd, in stand worden gehouden en gebruikt zonder omgevingsvergunning.

  • 2.

    In aanvulling op het eerste lid mag een buisleiding, zoals bedoeld in artikel 5.56, alleen worden gebouwd, in stand worden gehouden en gebruikt zonder omgevingsvergunning als deze in overeenstemming is met de overige regels over bouwen, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk gesteld in dit omgevingsplan. 

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument.

Subparagraaf 5.2.9.3.3 Uitzondering vergunningplicht omgevingsplanactiviteit bouwwerk voor recreatief nachtverblijf, mits in overeenstemming met het omgevingsplan
Artikel 5.58 Toepassingsbereik

De regels in deze subparagraaf zijn van toepassing op het bouwen, in stand houden en gebruiken van een recreatief nachtverblijf voor één huishouden.

Artikel 5.59 Uitzondering vergunningplicht omgevingsplanactiviteit bouwwerk voor recreatief nachtverblijf mits in overeenstemming met het omgevingsplan
  • 1.

    In uitzondering op artikel 5.116 mag een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf worden gebouwd, in stand worden gehouden en gebruikt zonder omgevingsvergunning als wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • a.

      op de grond staand;

    • b.

      niet hoger dan 5 m; en

    • c.

      de oppervlakte niet meer dan 70 m2

  • 2.

    In aanvulling op het eerste lid mag een recreatief nachtverblijf alleen worden gebouwd, in stand worden gehouden en gebruikt zonder omgevingsvergunning als dit in overeenstemming is met de overige regels gesteld in dit omgevingsplan.

  • 3.

    Dit artikel is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument.

Subparagraaf 5.2.9.3.4 Uitzondering vergunningplicht omgevingsplanactiviteit een te veranderen bouwwerk, mits in overeenstemming met het omgevingsplan
Artikel 5.60 Toepassingsbereik 

De regels in deze subparagraaf zijn van toepassing op een te veranderen bouwwerk.

Artikel 5.61 Uitzondering vergunningplicht omgevingsplanactiviteit een te veranderen bouwwerk mits in overeenstemming met het omgevingsplan 
  • 1.

    In uitzondering op artikel 5.116 mag een bouwwerk worden veranderd zonder omgevingsvergunning als wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • a.

      geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte;

    • b.

      geen uitbreiding van het bouwvolume; en 

    • c.

      geen bouwwerk als bedoeld in artikel 2.29, onder b tot en met r, van het Besluit bouwwerken leefomgeving dat niet voldoet aan de voor dat bouwwerk in die onderdelen gestelde eisen.

  • 2.

    In aanvulling op het eerste lid mag een bouwwerk alleen worden veranderd zonder omgevingsvergunning als dit in overeenstemming is met de overige regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken gesteld in dit omgevingsplan. 

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument.

Subparagraaf 5.2.9.3.5 Algemene regels bouwwerken in beschermd stads- of dorpsgezicht
Artikel 5.62 Toepassingsbereik 

De regels in deze subparagraaf zijn van toepassing op bouwen, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk in beschermd stads- of dorpsgezicht. 

Artikel 5.63 Algemene regels bouwwerken in rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht
  • 1.

    Op een activiteit die wordt verricht binnen het werkingsgebied rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is de uitzondering op de vergunningplicht van artikel 5.116 alleen van toepassing voor zover het gaat om:

    • a.

      inpandige wijzigingen;

    • b.

      een wijziging van een achtergevel of achterdakvlak, als die gevel of dat dakvlak niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd;

    • c.

      een bouwwerk op een gebouwerf aan de achterkant van een hoofdgebouw, als dat gebouwerf niet ook deel uitmaakt van het gebouwerf aan de zijkant van dat gebouw en niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; of

    • d.

      een bouwwerk op een locatie die onderdeel is van openbaar toegankelijk gebied.

  • 2.

    Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een activiteit als bedoeld in die artikelonderdelen die wordt verricht op een locatie waarvoor een op grond van artikel 4.35, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet als instructie geldende aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet van kracht is, zolang in dit omgevingsplan aan die locatie nog niet de functie-aanduiding stads- of rijksbeschermd dorpsgezicht is gegeven.

Paragraaf 5.2.9.4 Algemene bouwregels

Subparagraaf 5.2.9.4.1 Algemeen
Artikel 5.64 Toepassingsbereik
Artikel 5.65 Geen weigeringsgrond omgevingsvergunning voor het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk
  • 1.

    Een omgevingsvergunning voor het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk, bedoeld in artikel 5.116, wordt niet geweigerd als:

    • a.

      afgeweken wordt van de regels voor het plaatsen van vlucht- of noodtrappen; 

    • b.

      afgeweken wordt van bouwgrenzen in deze paragraaf ten behoeve van:

      • 1.

        plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen en schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, overstekende daken en andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen;

      • 2.

        ingangspartijen en luifels, mits de overschrijding niet meer is dan 1,5 meter; 

      • 3.

        balkons en galerijen, mits mits de overschrijding niet meer is dan 1,5 meter; of

    • c.

      afgeweken wordt van bouwgrenzen in deze paragraaf tot maximaal 0,5 meter, mits deze noodzakelijk is in verband met de uitmeting van het terrein of uit een oogpunt van doelmatig gebruik van de gronden en/of de bebouwing.

    • d.

      afgeweken wordt van de maximale bouwhoogte van gebouwen ten behoeve van plaatselijke verhogingen zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers en lichtkappen.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing als de afwijking een onevenredige afbreuk veroorzaakt aan het straat- en bebouwingsbeeld, een goede woonsituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid, de externe veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen. 

Subparagraaf 5.2.9.4.2 Algemene bouwregels hoofdgebouwen

[Red: Artikel 5.58 verplaatst van paragraaf 5.2.9.7 naar subparagraaf 5.2.9.4.2. ]

Artikel 5.58 5.66 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraafsubparagraaf is van toepassing op het bouwen, in stand houden en gebruiken van een hoofdgebouw.

  • 2.

    Deze subparagraaf is niet van toepassing op:

    • a.

      het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bedrijfsgebouw. Hiervoor geldt subparagraaf 5.2.9.4.4;

    • b.

      het bouwen, in stand houden en gebruiken van een agrarische bedrijfsgebouw. Hiervoor geldt subparagraaf 5.2.9.4.7; en 

    • c.

      het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bedrijfswoning. Hiervoor geldt subparagraaf 5.2.9.4.8.

     

Artikel 5.67 Hoofdgebouw binnen bouwvlak
  • 1.

    Een hoofdgebouw wordt alleen gebouwd, gebruikt en in stand gehouden binnen het werkingsgebied bouwvlak.

Artikel 5.68 Goothoogte van een hoofdgebouw
  • 1.

    De goothoogte van een hoofdgebouw is niet meer dan aangegeven met de omgevingsnorm maximum goothoogte.

  • 2.

    Een omgevingsvergunning voor het bouwen, in stand houden en gebruiken van een hoofdgebouw, bedoeld in artikel 5.116, wordt niet geweigerd als:

    • a.

      afgeweken wordt van de maximale goothoogte in het eerste lid, voor zover de afwijking niet leidt tot een extra bouwlaag.

  • 3.

    Het tweede lid is niet van toepassing als de afwijking een onevenredige afbreuk veroorzaakt aan het straat- en bebouwingsbeeld, een goede woonsituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid, de externe veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen.

Artikel 5.69 Bouwhoogte van een hoofdgebouw
Artikel 5.70 Bebouwingspercentage
  • 1.

    Het bebouwingspercentage per bouwvlak is niet meer dan aangegeven met de omgevingsnorm maximum bebouwingspercentage.

  • 2.

    Als geen bebouwingspercentage is aangegeven, is het bebouwingspercentage van het bouwvlak maximaal 100%.

Artikel 5.71 Dakhelling van een hoofdgebouw
  • 1.

    De regels in dit artikel zijn alleen van toepassing voor zover een hoofdgebouw als woning wordt gebouwd, gebruikt en in stand gehouden.

  • 2.

    De minimale dakhelling van een woning is niet minder dan 25°.

  • 3.

    De maximale dakhelling van een woning is niet meer dan 60°.

  • 4.

    In afwijking van het derde lid is de maximale dakhelling niet meer dan aangegeven met de omgevingsnorm maximum dakhelling.

  • 5.

    Een omgevingsvergunning voor het bouwen, in stand houden en gebruiken van een woning, bedoeld in artikel 5.116, wordt niet geweigerd als:

    • a.

      afgeweken wordt van de minimale dakhelling in het tweede lid tot minimaal 0° dan wel als een woning (gedeeltelijk) wordt voorzien van een plat dak; of

    • b.

      afgeweken wordt van de maximale dakhelling in het derde lid ten behoeve van afwijkende dakvormen.

  • 6.

    Het vijfde lid is niet van toepassing als de afwijking een onevenredige afbreuk veroorzaakt aan het straat- en bebouwingsbeeld, een goede woonsituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid, de externe veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen.

Artikel 5.72 Afstand tot de zijdelingse perceelsgrens van woningen
  • 1.

    De regels in dit artikel zijn alleen van toepassing voor zover een hoofdgebouw als woning wordt gebouwd, gebruikt en in stand gehouden.

  • 2.

    De afstand tot de zijdelingse perceelsgrens is niet minder dan:

    • a.

      voor vrijstaande woningen: 3 meter;

    • b.

      voor halfvrijstaande woningen: alleen aan de vrijstaande zijde 3 meter.

  • 3.

    In afwijking van het tweede lid is de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens minimaal de bestaande afstand, voor zover deze minder is dan de in het tweede lid aangegeven minimale afstand.

Artikel 5.73 Bebouwingstypologie van woningen
  • 1.

    De regels in dit artikel zijn alleen van toepassing voor zover een hoofdgebouw als woning wordt gebouwd, gebruikt en in stand wordt gehouden.

  • 2.

    Een woning wordt gebouwd, gebruikt en in stand gehouden volgens de woningtypologie die is aangegeven met de omgevingsnorm woningtypologie.

Artikel 5.74 Breedte van woningen
  • 1.

    De regels in dit artikel zijn alleen van toepassing voor zover een hoofdgebouw als woning wordt gebouwd, gebruikt en in stand gehouden.

  • 2.

    De breedte van een woning is minimaal 5 meter, tenzij een bestaande woning een breedte heeft die minder dan 5 meter is.

Artikel 5.75 Inhoud van een woning
  • 1.

    De regels in dit artikel zijn alleen van toepassing voor zover een hoofdgebouw als woning wordt gebouwd, gebruikt en in stand gehouden.

  • 2.

    De inhoud van een woning is niet meer dan aangegeven met de omgevingsnorm maximum volume woning.

  • 3.

    In afwijking van het tweede lid is de inhoud van een woning maximaal de bestaande inhoud indien deze meer bedraagt dan aangegeven met de in het tweede lid aangegeven omgevingsnorm.

Artikel 5.76 Bouwen in voorgevelrooilijn
Subparagraaf 5.2.9.4.3 Algemene bouwregels bijbehorende bouwwerken

[Red: Artikel 5.61 verplaatst van paragraaf 5.2.9.8 naar subparagraaf 5.2.9.4.3. ]

Artikel 5.61 5.77 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraafsubparagraaf is van toepassing op het bouwen, gebruiken en in stand houden van een bijbehorend bouwwerk

  • 2.

    In uitzondering op het eerste lid is deze subparagraaf niet van toepassing op:

    • a.

      een woonwagen;

    • b.

      een hoofdgebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit of de omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit is bepaald dat de vergunninghouder na het verstrijken van een bij die vergunning gestelde termijn verplicht is de voor de verlening van de vergunning bestaande toestand te hebben hersteld; 

    • c.

      een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf door één huishouden;

    • d.

      een agrarische bedrijfsgebouw;

    • e.

      een bedrijfsgebouw;

    • f.

      een (agrarische) bedrijfswoning;

    • g.

      een gebouw ten behoeve van een maatschappelijke activiteit; en

    • h.

      een gebouw ten behoeve van een sportactiviteit.

Artikel 5.78 Algemene bouwregels bijbehorende bouwwerken
  • 1.

    Een bijbehorend bouwwerk ligt op een afstand van: 

    • a.

      meer dan 1 meter vanaf openbaar toegankelijk gebied; of

    • b.

      meer dan 1 meter vanaf de zijdelingse perceelsgrens, tenzij in de perceelsgrens wordt gebouwd, mits de perceelsgrens niet is gekeerd naar openbaar toegankelijk gebied.

  • 2.

    Een bijbehorend bouwwerk wordt minimaal 1 meter achter de voorgevelrooilijn gebouwd.

  • 3.

    De goothoogte van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk is maximaal:

    • a.

      3,5 meter; of

    • b.

      0,3 meter boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw. 

  • 4.

    De bouwhoogte van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk is maximaal:

    • a.

      5,5 meter; of

    • b.

      0,3 meter boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw; en

    • c.

      de bouwhoogte van het hoofdgebouw.

  • 5.

    De goothoogte van een vrijstaand bijbehorend bouwwerk is maximaal 3,5 meter.

  • 6.

    De bouwhoogte van een vrijstaand bijbehorend bouwwerk is maximaal 5,5 meter.

  • 7.

    Een vrijstaand bijbehorend bouwwerk met een kap heeft een minimale dakhelling van 25° en maximale dakhelling van 75°. 

  • 8.

    De gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken is maximaal:

    • a.

      bij een gebouwerf kleiner dan of gelijk aan 300 m2: 60 m2

    • b.

      bij een gebouwerf groter dan 300 m2 en kleiner dan of gelijk aan 500 m2: 80 m2;

    • c.

      bij een gebouwerf groter dan 500 m2 en kleiner dan of gelijk aan 750 m2: 90 m2;

    • d.

      bij een gebouwerf groter dan 750 m2 en kleiner dan of gelijk aan 1.000 m2: 100 m2;

    • e.

      bij een gebouwerf groter dan 1.000 m2: 150 m2.

  • 9.

    In aanvulling op het achtste lid gelden de volgende bepalingen:

    • a.

      de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken is maximaal 50% van het achter de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw gelegen gebouwerf;

    • b.

      in afwijking van onder a mag de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken meer bedragen dan 50%, mits de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken maximaal 15 m2 is; en

    • c.

      bij de berekening van de gezamenlijke oppervlakte wordt de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken voor zover gelegen binnen het bouwvlak tussen het verlengde van de zijgevels van het hoofdgebouw niet meegerekend.

Subparagraaf 5.2.9.4.4 Algemene bouwregels bedrijfsgebouwen

[Red: Artikel 5.65 verplaatst van paragraaf 5.2.9.10 naar subparagraaf 5.2.9.4.4. ]

Artikel 5.65 5.79 Toepassingsbereik

[Gereserveerd]

  • 1.

    Deze subparagraaf is van toepassing op het bouwen, gebruiken en in stand houden van een bedrijfsgebouw.

  • 2.

    Deze subparagraaf is niet van toepassing op:

    • a.

      het bouwen, gebruiken en in stand houden van een nutsbedrijfsgebouw. Hiervoor geldt subparagraaf 5.2.9.4.5;

    • b.

      het bouwen, gebruiken en in stand houden van een agrarisch bedrijfsgebouw. Hiervoor geldt subparagraaf 5.2.9.4.7; en

    • c.

      het bouwen, gebruiken en in stand houden van een bedrijfswoning. Hiervoor geldt subparagraaf 5.2.9.4.8.

Artikel 5.80 Bedrijfsgebouw binnen bouwvlak
  • 1.

    Een bedrijfsgebouw worden alleen gebouwd, gebruikt en in stand gehouden binnen het werkingsgebied bouwvlak.

Artikel 5.81 Goothoogte van een bedrijfsgebouw
Artikel 5.82 Bouwhoogte van een bedrijfsgebouw
Artikel 5.83 Bebouwingspercentage
  • 1.

    Het bebouwingspercentage per bouwvlak is niet meer dan aangegeven met de omgevingsnorm maximum bebouwingspercentage.

  • 2.

    Als geen bebouwingspercentage is aangegeven, is het bebouwingspercentage van het bouwvlak maximaal 100%.

Subparagraaf 5.2.9.4.5 Algemene bouwregels nutsbedrijfsgebouwen
Artikel 5.84 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen, gebruiken en in stand houden van een nutsbedrijfsgebouw.

  • 2.

    Deze subparagraaf is niet van toepassing op:

    • a.

      het bouwen, gebruiken en in stand houden van een bedrijfsgebouw. Hiervoor geldt subparagraaf 5.2.9.4.4;

    • b.

      het bouwen, gebruiken en in stand houden van nutsvoorzieningen waarop artikel 2.29, van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is.

Artikel 5.85 Nutsbedrijfsgebouw binnen bouwvlak
  • 1.

    Een nutsbedrijfsgebouw worden alleen gebouwd, gebruikt en in stand gehouden binnen het werkingsgebied bouwvlak.

Artikel 5.86 Goothoogte van een nutsbedrijfsgebouw
Artikel 5.87 Bouwhoogte van een nutsbedrijfsgebouw
Subparagraaf 5.2.9.4.6 Algemene bouwregels bouwwerken op een volkstuinencomplex

[Red: Artikel 5.66 verplaatst van paragraaf 5.2.9.11 naar subparagraaf 5.2.9.4.6. ]

Artikel 5.66 5.88 Toepassingsbereik

[Gereserveerd]

Gereserveerd

Subparagraaf 5.2.9.4.7 Algemene bouwregels agrarische bedrijfsgebouwen

[Red: Artikel 5.67 verplaatst van paragraaf 5.2.9.12 naar subparagraaf 5.2.9.4.7. ]

Artikel 5.67 5.89 Toepassingsbereik

[Gereserveerd]

  • 1.

    Deze subparagraaf is van toepassing op het bouwen, gebruiken en in stand houden van een agrarisch bedrijfsgebouw.

  • 2.

    Deze subparagraaf is niet van toepassing op:

    • a.

      het bouwen, gebruiken en in stand houden van een bedrijfswoning. Hiervoor geldt subparagraaf 5.2.9.4.8.

  • 3.

    In aanvulling op de beoordelingsregels in paragraaf 5.2.9.7 wordt een aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen van een agrarisch bedrijfsgebouw alleen verleend, als wordt voldaan aan de regels in deze paragraaf.

Artikel 5.90 Algemene bouwregels agrarische bedrijfsgebouwen
  • 1.

    Een agrarisch bedrijfsgebouw wordt alleen gebouwd, gebruikt en in stand gehouden ten behoeve van een agrarisch bedrijf.

  • 2.

    Een agrarisch bedrijfsgebouw wordt alleen gebouwd, gebruikt en in stand gehouden binnen het werkingsgebied agrarisch bouwvlak.

  • 3.

    De goothoogte is maximaal 7 meter.

  • 4.

    De bouwhoogte is maximaal 12 meter.

  • 5.

    De dakhelling is minimaal 18°.

  • 6.

    De oppervlakte van teeltondersteunende kassen is maximaal 500 m2.

  • 7.

    Stallen worden gebouwd in maximaal één bouwlaag.

  • 8.

    Het zevende lid geldt niet voor stallen waarvan het bestaande aantal bouwlagen meer bedraagt.

Subparagraaf 5.2.9.4.8 Algemene bouwregels bedrijfswoningen
Artikel 5.91 Toepassingsbereik
  • 1.

    De regels in deze subparagraaf zijn van toepassing op het bouwen, gebruiken en in stand houden van een bedrijfswoning.

  • 2.

    In aanvulling op de beoordelingsregels in paragraaf 5.2.9.7 wordt een aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen van een bedrijfswoning alleen verleend, als wordt voldaan aan de regels in deze paragraaf.

Artikel 5.92 Algemene bouwregels bedrijfswoningen in het werkingsgebied kernen
  • 1.

    Een bedrijfswoning in het werkingsgebied kernen - nieuwe deel wordt alleen gebouwd, gebruikt en in stand gehouden als deze voldoet aan de volgende regels:

    • a.

      gebouwd, gebruikt en in stand gehouden binnen het werkingsgebied bedrijfswoning;

    • b.

      de goothoogte van de bedrijfswoning is maximaal 3,5 meter;

    • c.

      de bouwhoogte van bedrijfswoningen is maximaal 10 meter;

    • d.

      de inhoud van de bedrijfswoning is maximaal 750 m3;

    • e.

      de dakhelling is:

      • 1.

        minimaal 30°;

      • 2.

        maximaal 60°.

    • f.

      de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken bij de bedrijfswoning is maximaal 60 m2;

    • g.

      de goothoogte van bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen is maximaal 3,5 meter;

    • h.

      de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen is maximaal 5,5 meter;

    • i.

      de afstand van bijbehorende bouwwerken bij de bedrijfswoning tot de voorgevelrooilijn van de bedrijfswoning is minimaal 3 meter.

  • 2.

    In uitzondering op het eerste lid gelden voor bedrijfswoningen en bijbehorende bouwwerken bij de bedrijfswoning de bestaande maten, als: 

    • a.

      deze minder bedragen dan is bepaald onder e onder 1; of

    • b.

      deze meer bedragen dan is bepaald onder b, c, d, e onder 2, f, g, h en i.

Subparagraaf 5.2.9.4.9 Algemene bouwregels overige gebouwen
Artikel 5.93 Toepassingsbereik
  • 1.

    De regels in deze subparagraaf zijn van toepassing op het bouwen, gebruiken en in stand houden van overige gebouwen.

  • 2.

    De regels in deze paragraaf zijn niet van toepassing op:

    • a.

      het bouwen, in stand houden en gebruiken van een hoofdgebouw. Hiervoor geldt subparagraaf 5.2.9.4.2;

    • b.

      het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bebehorend bouwwerk. Hiervoor geldt subparagraaf 5.2.9.4.3;

    • c.

      het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bedrijfsgebouw. Hiervoor geldt subparagraaf 5.2.9.4.4;

    • d.

      het bouwen, gebruiken en in stand houden van een nutsbedrijfsgebouw. Hiervoor geldt subparagraaf 5.2.9.4.5;

    • e.

      het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk op een volkstuinencomplex. Hiervoor geldt subparagraaf 5.2.9.4.6;

    • f.

      het bouwen, in stand houden en gebruiken van een agrarische bedrijfsgebouw. Hiervoor geldt subparagraaf 5.2.9.4.7

    • g.

      het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bedrijfswoning. Hiervoor geldt subparagraaf 5.2.9.4.8.

Artikel 5.94 Gebouwen binnen bouwvlak
  • 1.

    Gebouwen worden alleen gebouwd, gebruikt en in stand gehouden binnen het werkingsgebied bouwvlak.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid worden tribunes ten behoeve van sport zowel binnen als buiten het bouwvlak gebouwd, gebruikt en in stand gehouden.

Artikel 5.95 Maximum oppervlakte gebouwen
  • 1.

    De maximale gezamenlijke oppervlakte aan gebouwen binnen het bouwvlak is niet meer dan aangegeven met de omgevingsnorm maximum oppervlakte gebouwen.

Artikel 5.96 Maximale bouwhoogte gebouwen
  • 1.

    De bouwhoogte van gebouwen is niet meer dan aangegeven met de omgevingsnorm maximum bouwhoogte.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid is de bouwhoogte van tribunes ten behoeve van sport niet meer dan 6 meter.

Subparagraaf 5.2.9.4.10 Algemene bouwregels bouwwerken, geen gebouw zijnde
Subsubparagraaf 5.2.9.4.10.1 Algemene bouwregels bouwwerken, geen gebouw zijnde voor bos- en groenactiviteiten

Artikel 5.97 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze subsubparagraaf is van toepassing op het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk, geen gebouw zijnde voor bos- en groenactiviteiten.

  • 2.

    Deze subsubparagraaf is niet van toepassing op:

    • a.

      het bouwen, in stand houden en gebruiken van een sport- of speeltoestel. Hiervoor geldt subsubparagraaf 5.2.9.2.4.2.

    • b.

      het bouwen, in stand houden en gebruiken van een erf- of perceelafscheiding. Hiervoor geldt subsubparagraaf 5.2.9.2.4.3.

     

Artikel 5.98 Algemene bouwregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde bij bos- en groenactiviteiten

Subsubparagraaf 5.2.9.4.10.2 Algemene bouwregels agrarische bouwwerken, geen gebouw zijnde

Artikel 5.99 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze subparagraaf is van toepassing op het bouwen, in stand houden en gebruiken van agrarische bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor zover het bouwen van deze bouwwerken niet past de regels in artikel 5.46.

Artikel 5.100 Algemene bouwregels agrarische bouwwerken, geen gebouwen zijnde

  • 1.

    Voor het bouwen van agrarische bouwwerken, geen gebouwen zijnde binnen het werkingsgebied agrarisch bouwvlak gelden de volgende eisen:

    • a.

      de bouwhoogte van silo's is maximaal 15 meter;

    • b.

      de bouwhoogte van sleufsilo's is maximaal 3 meter; en

    • c.

      de bouwhoogte van overige agrarische bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet zijnde silo's, is maximaal 2,5 meter.

  • 2.

    Voor het bouwen van agrarische bouwwerken, geen gebouwen zijnde buiten het werkingsgebied agrarisch bouwvlak gelden de volgende eisen:

    • a.

      er worden alleen kuilvoerplaten en sleufsilo's gebouwd;

    • b.

      kuilvoerplaten en sleufsilo's worden binnen een zone van 50 meter rondom het agrarisch bouwvlak gebouwd;

    • c.

      de bouwhoogte van kuilvoerplaten en sleufsilo's is maximaal 5 meter; en

    • d.

      de kuilvoerplaten en sleufsilo's worden voldoende landschappelijk ingepast.

  • 3.

    Een omgevingsvergunning voor het bouwen, in stand houden en gebruiken van een hoofdgebouw, bedoeld in artikel 5.116, wordt niet geweigerd als:

    • a.

      afgeweken wordt van de maximale bouwhoogte in het eerste lid onder b en c en het tweede lid onder c, mits de bouwhoogte niet meer dan 10 meter is.

  • 4.

    Het derde lid is niet van toepassing als de afwijking een onevenredige afbreuk veroorzaakt aan het straat- en bebouwingsbeeld, een goede woonsituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid, de externe veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen. 

Subsubparagraaf 5.2.9.4.10.3 Algemene bouwregels bouwwerken, geen gebouw zijnde voor bedrijfsactiviteiten

Artikel 5.101 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze subparagraaf is van toepassing op het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, geen gebouwen zijnde voor bedrijfsactiviteiten.

  • 2.

    Deze subparagraaf is niet van toepassing op:

    • a.

      het bouwen, in stand houden en gebruiken van een sport- of speeltoestel. Hiervoor geldt subsubparagraaf 5.2.9.2.4.2.

    • b.

      het bouwen, in stand houden en gebruiken van een erf- of perceelafscheiding. Hiervoor geldt subsubparagraaf 5.2.9.2.4.3.

Artikel 5.102 Algemene bouwregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde voor bedrijfsactiviteiten

  • 1.

    Voor het bouwen van vlaggenmasten ten behoeve van bedrijfsactiviteiten gelden de volgende eisen:

    • a.

      het aantal vlaggenmasten is maximaal 3; en

    • b.

      de bouwhoogte is maximaal 6 meter.

  • 2.

    De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van bedrijfsactiviteiten is maximaal 5 meter.

  • 3.

    Een omgevingsvergunning voor het bouwen, in stand houden en gebruiken van een hoofdgebouw, bedoeld in artikel 5.116, wordt niet geweigerd als:

    • a.

      afgeweken wordt van de maximale bouwhoogte in het tweede lid, mits de bouwhoogte niet meer dan 10 meter is.

  • 4.

    Het derde lid is niet van toepassing als de afwijking een onevenredige afbreuk veroorzaakt aan het straat- en bebouwingsbeeld, een goede woonsituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid, de externe veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen. 

Subsubparagraaf 5.2.9.4.10.4 Algemene bouwregels bouwwerken, geen gebouw zijnde voor sportactiviteiten

Artikel 5.103 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze subparagraaf is van toepassing op het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, geen gebouwen zijnde voor sportactiviteiten.

  • 2.

    Deze subparagraaf is niet van toepassing op:

    • a.

      het bouwen, in stand houden en gebruiken van een sport- of speeltoestel. Hiervoor geldt subsubparagraaf 5.2.9.2.4.2.

    • b.

      het bouwen, in stand houden en gebruiken van een erf- of perceelafscheiding. Hiervoor geldt subsubparagraaf 5.2.9.2.4.3.

Artikel 5.104 Algemene bouwregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde voor sportactiviteiten

  • 1.

    Voor het bouwen van lichtmasten voor sportactiviteiten gelden de volgende eisen:

  • 2.

    De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde voor sportactiviteiten is maximaal 8 meter.

Subsubparagraaf 5.2.9.4.10.5 Algemene bouwregels bouwwerken geen gebouw zijnde voor maatschappelijke activiteiten

Artikel 5.105 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze subparagraaf is van toepassing op het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, geen gebouwen zijnde voor maatschappelijke activiteiten.

  • 2.

    Deze subparagraaf is niet van toepassing op:

    • a.

      het bouwen, in stand houden en gebruiken van een sport- of speeltoestel. Hiervoor geldt subsubparagraaf 5.2.9.2.4.2.

    • b.

      het bouwen, in stand houden en gebruiken van een erf- of perceelafscheiding. Hiervoor geldt subsubparagraaf 5.2.9.2.4.3.

Artikel 5.106 Algemene bouwregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde bij maatschappelijke activiteiten

Subsubparagraaf 5.2.9.4.10.6 Algemene bouwregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde bij detailhandelsactiviteiten

Artikel 5.107 Algemene bouwregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde bij detailhandelsactiviteiten

  • 1.

    Voor het bouwen van vlaggenmasten ten behoeve van detailhandelsactiviteiten gelden de volgende eisen:

    • a.

      het aantal vlaggenmasten is maximaal 3; en

    • b.

      de bouwhoogte is maximaal 6 meter.

Subsubparagraaf 5.2.9.4.10.7 Algemene bouwregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde bij horeca-activiteiten

Artikel 5.108 Algemene bouwregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde bij horeca-activiteiten

  • 1.

    Voor het bouwen van vlaggenmasten ten behoeve van horeca-activiteiten gelden de volgende eisen:

    • a.

      het aantal vlaggenmasten is maximaal 3; en

    • b.

      de bouwhoogte is maximaal 6 meter.

Subsubparagraaf 5.2.9.4.10.8 Algemene bouwregels tuinverlichting

Artikel 5.109 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze subparagraaf is van toepassing op het bouwen, gebruiken en in stand houden van bouwwerken, geen gebouwen zijnde voor tuinverlichting.

Artikel 5.110 Algemene bouwregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde voor tuinverlichting

  • 1.

    De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde voor tuinverlichting is maximaal 5 meter.

Subsubparagraaf 5.2.9.4.10.9 Algemene bouwregels overige bouwwerken, geen gebouw zijnde 

Artikel 5.111 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze subparagraaf is van toepassing op het bouwen, gebruiken en in stand houden van een ander bouwwerk, geen gebouwen zijnde.

  • 2.

    Onder een ander bouwwerk, geen gebouwen zijnde wordt verstaan een bouwwerk, geen gebouwen zijnde waarvoor elders in dit omgevingsplan nog geen regels zijn gesteld.

Artikel 5.112 Algemene bouwregels overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde

  • 1.

    Voor het bouwen van een ander bouwwerk, geen gebouw zijnde gelden de volgende eisen:

    • a.

      voor zover gebouwd voor de voorgevelrooilijn:

      • 1.

        niet hoger dan 1 meter;

    • b.

      voor zover gebouwd achter de voorgevelrooilijn:

      • 1.

        niet hoger dan 2,5 meter;

    • c.

      voor zover gebouwd op een perceel zonder gebouwen: 

      • 1.

        niet hoger dan 1 meter; en

      • 2.

        voldoende landschappelijk ingepast.

Subparagraaf 5.2.9.4.11 Algemene bouwregels ondergronds bouwen
Artikel 5.113 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze subparagraaf is van toepassing op het bouwen, gebruiken en in stand houden van een ondergronds gelegen deel van een bouwwerk.

  • 2.

    Deze subparagraaf is niet van toepassing bij recreatiewoningen en recreatieve nachtverblijven.

Artikel 5.114 Algemene bouwregels ondergrond bouwen
  • 1.

    De diepte van een ondergronds gelegen deel van een bouwwerk is maximaal 3,5 meter onder straatpeil.

Paragraaf 5.2.9.3 5.2.9.5 Meldingsplicht of informatieplicht voor het bouwen van een bouwwerk 

[Gereserveerd]

Paragraaf 5.2.9.4 5.2.9.6 Vergunningplicht voor het bouwen van een bouwwerk 

Subparagraaf 5.2.9.4.1 5.2.9.6.1 Aanwijzing vergunningplicht
Artikel 5.46 5.115 Toepassingsbereik

Deze subparagraaf gaat over de vergunningplicht voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken. 

Artikel 5.47 5.116 Aanwijzing vergunningplicht omgevingsplanactiviteit bouwwerken

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.

Subparagraaf 5.2.9.4.2 5.2.9.6.2 Aanvraagvereisten 
Artikel 5.48 5.117 Toepassingsbereik

Deze paragraaf bevat de aanvraagvereisten voor de omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken.

Artikel 5.49 5.118 Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    een opgave van de bouwkosten;

  • b.

    het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft;

  • c.

    een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft;

  • d.

    een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:

    • 1.

      de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;

    • 2.

      de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;

    • 3.

      de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;

    • 4.

      de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en

    • 5.

      het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bouwwerk;

  • e.

    de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil in relatie tot omliggende bebouwing of de bestaande grondslag en het aantal bouwlagen;

  • f.

    de inrichting van parkeervoorzieningen op het eigen terrein;

  • g.

    voor zover dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld;

  • h.

    de volgende gegevens en bescheiden voor de toetsing aan de regels over redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet:

    • 1.

      tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past;

    • 2.

      principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk;

    • 3.

      kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en

    • 4.

      een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking;

  • i.

    andere relevante gegevens en bescheiden voor het beoordelen van de aanvraag bedoeld in dit artikel. 

Paragraaf 5.2.9.5 5.2.9.7 Beoordelingsregels voor het bouwen van een bouwwerk

Artikel 5.50 5.119 Toepassingsbereik 

Deze paragraaf bevat beoordelingsregels voor de aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen, gebruiken en in stand houden van een bouwwerk bedoeld in artikel 5.475.116

Artikel 5.51 5.120 Beoordelingsregels aanvraag omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken 
  • 1.

    Een aanvraag om omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 5.475.116 wordt alleen verleend als de aanvraagde activiteit niet in strijd is met de in deze afdeling gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, met uitzondering van de artikelen 5.685.205.155.21 en 5.145.150.

  • 2.

    In het werkingsgebied tijdelijk deel nog niet vervallen wordt in aanvulling op het eerste lid een aanvraag omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 5.475.116 alleen verleend als de aangevraagde activiteit niet in strijd is met de regels over bouwen, in stand houden en gebruiken in het tijdelijk deel van het omgevingsplan bedoeld in artikel 22.1 onder a Omgevingswet. 

[Red: Artikel 5.60 verplaatst van paragraaf 5.2.9.7 naar paragraaf 5.2.9.5. ]

Artikel 5.60 5.121 Nadere invulling Specifieke beoordelingsregels voor het isoleren van de buitenzijde van een bestaand hoofdgebouw  of bijbehorend bouwwerk
  • 1.

    De regels in dit artikel zijn gesteld met het oog op:

    • a.

      het verduurzamen van een hoofdgebouw of bijbehorend bouwwerk; en

    • b.

      het verbeteren van de energieprestatie van een hoofdgebouw of bijbehorend bouwwerk.

  • 2.

    In aanvulling op de beoordelingsregels in paragraaf 5.2.9.5 kan voor een aanvraag om een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 5.47 voor het isoleren van de buitenzijde van een bestaand hoofdgebouw tot maximaal 10% wordt afgeweken van de omgevingsnormen, elders in dit hoofdstuk of het tijdelijk deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, bepaald.

    In aanvulling op de beoordelingsregels in deze paragraaf wordt een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 5.116 voor het isoleren van de buitenzijde van een bestaand hoofdgebouw of bestaand bijbehorend bouwwerk alleen verleend als:

    • a.

      tot maximaal 10% wordt afgeweken van de omgevingsnormen zoals bepaald elders in dit hoofdstuk of in het tijdelijk deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.

    • b.

      tot maximaal 0,5 meter buiten het bouwvlak worden gebouwd.

     

  • 3.

    In aanvulling op de beoordelingsregels in paragraaf 5.2.9.5 kan voor de aanvraag bedoeld in het tweede lid tot maximaal 0,5 meter buiten het bouwvlak worden gebouwd.

Artikel 5.122 Specifieke beoordelingsregel voor het bouwen van een schuilgelegenheid ten behoeve van dieren
  • 1.

    In aanvulling op de beoordelingsregels in deze paragraaf wordt een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 5.116 voor het bouwen, in stand houden en gebruiken van een schuilgelegenheid ten behoeve van dieren buiten een agrarisch bouwvlak of bouwvlak alleen verleend als:

    • a.

      de oppervlakte van de bij de schuilgelegenheid behorende en daaraan grenzende agrarische gronden ten minste 5 hectare is;

    • b.

      de oppervlakte van een schuilgelegenheid maximaal 25 m2 is;

    • c.

      het aantal schuilgelegenheden maximaal is:

      • 1.

        per bedrijf, instelling of woning: 1;

      • 2.

        per agrarisch bedrijf: 2;

    • d.

      de goothoogte maximaal 2,5 meter is;

    • e.

      de bouwhoogte maximaal 3,5 meter is;

    • f.

      de afstand tussen het agrarisch bouwvlak of bouwvlak en de schuilgelegenheid maximaal 50 meter is;

    • g.

      er sprake is van een zorgvuldige landschappelijke en stedenbouwkundige inpassing door middel van een inrichtings- en beheersplan;

    • h.

      de schuilgelegenheid aan minimaal 1 zijde niet is voorzien van een wand;

    • i.

      de belangen van de gebruikers en eigenaren van de aangrenzende gronden en nabijgelegen agrarische bedrijven niet onevenredig worden geschaad; en

    • j.

      de cultuurhistorische, landschappelijke en natuurlijk waarden niet onevenredig worden geschaad. 

Artikel 5.123 Specifieke beoordelingsregel voor het bouwen van een paardenbak en stapmolen
  • 1.

    In aanvulling op de beoordelingsregels in deze paragraaf wordt een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 5.116 voor het bouwen, in stand houden en gebruiken van een paardenbak alleen verleend als:

    • a.

      de paardenbak wordt gebouwd achter de voorgevelrooilijn van de bedrijfswoning, recreatiewoning of woning en aansluitend aan de bestaande bebouwing of als dit ruimtelijk gezien onmogelijk is, direct aansluitend aan de achterzijde van het gebouwerf of achter de voorgevelrooilijn van de bedrijfswoning, recreatiewoning of woning;

    • b.

      de afstand tussen de paardenbak en een bedrijfswoning, recreatiewoning of woning van derden is minimaal 25 meter;

    • c.

      per bedrijfswoning, recreatiewoning of woning maximaal 1 paardenbak wordt gebouwd;

    • d.

      de oppervlakte maximaal is:

      • 1.

        800 m2 bij een gebouwerf van meer dan 0,5 hectare; of 

      • 2.

        1.200 m bij een gebouwerf van meer dan 1 hectare;

    • e.

      de bouwhoogte van de omheining maximaal 1,80 meter is;

    • f.

      de bouwhoogte van lichtmasten maximaal 8 meter is;

    • g.

      er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de landschappelijke en natuurlijke waarden;

    • h.

      de belangen van gebruikers dan wel eigenaren van aangrenzende gronden niet onevenredig worden geschaad;

    • i.

      er geen sprake is van onaanvaardbare geurhinder, geluidshinder, lichthinder of hinder door stof;

    • j.

      er sprake is van een goede landschappelijke inpassing, waarbij aandacht wordt besteed aan kleurstelling (donker) en materiaalgebruik (zo mogelijk hout) van de omheining alsmede aan de beplantingssoorten (inheems);

    • k.

      er sprake is van een goede drainage; 

    • l.

      er geen sprake is van onevenredige aantasting van:

      • 1.

        het straat- en bebouwingsbeeld;

      • 2.

        de woonsituatie;

      • 3.

        de milieusituatie;

      • 4.

        de verkeersveiligheid; en

      • 5.

        de sociale veiligheid.

  • 2.

    In aanvulling op de beoordelingsregels in deze paragraaf wordt een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 5.116 voor het bouwen, in stand houden en gebruiken van een stapmolen bij een paardenbak alleen verleend als:

    • a.

      het gebouwerf een minimale oppervlakte van 0,5 hectare heeft;

    • b.

      de buitendiameter maximaal is:

      • 1.

        14 meter; of

      • 2.

        20 meter als sprake is van het bedrijfsmatig houden van paarden; 

    • c.

      de spilhoogte maximaal 3 meter is; en

    • d.

      wordt voldaan aan het eerste lid.

Artikel 5.54 Voorschriften over archeologische monumentenzorg binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
  • 1.

    Als dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald, kunnen aan een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in het belang van de archeologische monumentenzorg voorschriften worden verbonden.

  • 2.

    Artikel 8.27, eerste lid, is op het verbinden van die voorschriften van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5.52 5.124 Specifieke beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij voorbereidingsbesluit of aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht
  • 1.

    In afwijking van artikel 5.515.120 wordt de omgevingsvergunning geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft van kracht is:

    • a.

      een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.103 of 4.104 van de Invoeringswet Omgevingswet, een als voorbereidingsbesluit geldend tracébesluit als bedoeld in artikel 4.49 van de Invoeringswet Omgevingswet of een als voorbereidingsbesluit geldend besluit krachtens de Wet luchtvaart als bedoeld in artikel 4.104a van de Invoeringswet Omgevingswet; of

    • b.

      een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet waarvoor het omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht nog niet in werking is getreden.

  • 2.

    In aanvulling op het eerste lid wordt de omgevingsvergunning ook geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft voor de dag van ontvangst van de aanvraag:

    • a.

      een bestemmingsplan of inpassingsplan is vastgesteld en de termijn voor de bekendmaking van het bestemmingsplan of inpassingsplan na de vaststelling ingevolge artikel 3.8, derde, vierde of zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden; of

    • b.

      een bestemmingsplan of inpassingsplan na vaststelling is bekendgemaakt, en het bestemmingsplan of inpassingsplan op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag nog niet in werking is getreden of in beroep is vernietigd.

  • 3.

    In afwijking van het eerste lid kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan respectievelijk het in voorbereiding zijnde omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht.

Artikel 5.53 5.125 Specifieke beoordelingsregel aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht
  • 1.

    In afwijking van artikel 5.515.120 kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regels toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.

  • 2.

    Op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend, zijn van overeenkomstige toepassing:

    • a.

      artikel 8.0b, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving;

    • b.

      artikel 8.0c, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en

    • c.

      artikel 8.0d, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Paragraaf 5.2.9.7 Nadere invulling beoordelingsregels voor het bouwen van een hoofdgebouw

Artikel 5.59 Nadere invulling beoordelingsregels voor het bouwen van een hoofdgebouw

[Gereserveerd]

Paragraaf 5.2.9.8 Nadere invulling beoordelingsregels voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk

Artikel 5.62 Nadere invulling beoordelingsregels voor het bouwen van een dakkapel in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak

Een aanvraag om omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 5.47 voor het bouwen van een dakkapel in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak wordt alleen verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de Welstandsnota Epe of de rechtsopvolger(s) daarvan zoals bedoeld in artikel 5.56, eerste lid. 

Artikel 5.63 Nadere invulling beoordelingsregels voor het isoleren van de buitenzijde van een bestaand bijbehorend bouwwerk
  • 1.

    De regels in dit artikel zijn gesteld met het oog op:

    • a.

      het verduurzamen van een bijbehorend bouwwerk; en

    • b.

      het verbeteren van de energieprestatie van een bijbehorend bouwwerk.

  • 2.

    In aanvulling op de beoordelingsregels in paragraaf 5.2.9.5 kan voor een aanvraag om een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 5.47 voor het isoleren van de buitenzijde van een bestaand bijbehorend bouwwerk tot maximaal 10% wordt afgeweken van de omgevingsnormen, elders in dit hoofdstuk of het tijdelijk deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, bepaald.

  • 3.

    In aanvulling op de beoordelingsregels in paragraaf 5.2.9.5 kan voor de aanvraag bedoeld in het tweede lid tot maximaal 0,5 meter buiten het bouwvlak worden gebouwd.

Paragraaf 5.2.9.9 Nadere invulling beoordelingsregels voor het bouwen van een bouwwerk geen gebouw zijnde

Artikel 5.64 Toepassingsbereik

[Gereserveerd]

Paragraaf 5.2.9.10 Nadere invulling beoordelingsregels voor het bouwen van bedrijfsgebouwen

[Vervallen]

Paragraaf 5.2.9.11 Nadere invulling beoordelingsregels voor het bouwen van bouwwerken op een volkstuinencomplex

[Vervallen]

Paragraaf 5.2.9.12 Nadere invulling beoordelingsregels voor het bouwen van agrarische gebouwen

[Vervallen]

Paragraaf 5.2.9.6 5.2.9.8 Beoordelingsregels voor welstand

Artikel 5.55 5.126 Toepassingsbereik

Deze paragraaf bevat beoordelingsregels voor welstand.

Artikel 5.56 5.127 Beoordelingsregels welstand
  • 1.

    Een aanvraag om omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 5.475.116 wordt alleen verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de Welstandsnota Epe of de rechtsopvolger(s) daarvan.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing als:

    • a.

      het gaat om een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is;

    • b.

      het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn; of

    • c.

      het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning in afwijking van het eerste lid toch moet worden verleend.

Artikel 5.57 5.128 Repressief welstand
  • 1.

    Het uiterlijk van de volgende bouwwerken mag niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold:

    • a.

      een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is; en

    • b.

      een te bouwen bouwwerk waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing als het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn.

Paragraaf 5.2.9.9 Verboden

Artikel 5.129 Verboden gebouwen te bouwen
  • 1.

    In het werkingsgebied gebouwen verboden worden geen gebouwen gebouwd, gebruikt en in stand gehouden.

  • 2.

    Het verbod in het eerste lid geldt niet voor bouwwerken, bedoeld in paragraaf 5.2.9.2.

Artikel 5.130 Bouwwerken verboden
  • 1.

    In het werkingsgebied bouwwerken verboden worden geen gebouwen gebouwd, gebruikt en in stand gehouden.

BB

Afdeling 5.2.22 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 5.2.22 NEVENACTIVITEITEN BIJ EEN WOONRUIMTE UITOEFENEN

[Gereserveerd]

Paragraaf 5.2.22.1 Beroep of bedrijf aan huis uitoefenen

Artikel 5.131 Toepassingsbereik
Artikel 5.132 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het ruimte bieden aan kleinschalige economische activiteiten;

  • b.

    het waarborgen van een gezonde en veilige woonsituatie;

  • c.

    het voorkomen van onaanvaardbare geluid-, geur en trillinghinder;

  • d.

    het voorkomen van een overbelasting van de parkeervoorzieningen; en

  • e.

    het waarborgen van een aanvaardbare verkeersdrukte in woongebieden.

Artikel 5.133 Algemene regels beroep of bedrijf aan huis uitoefenen
  • 1.

    Een beroep of bedrijf aan huis wordt door de hoofdbewoner van de woning zelf uitgeoefend.

  • 2.

    De oppervlakte waarop het beroep of bedrijf aan huis wordt uitgeoefend is ten hoogste 50 m2 met een maximum van 40% van het gezamenlijk vloeroppervlak van het hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken.

  • 3.

    De uitstraling als woning blijft in tact.

  • 4.

    Er worden geen detailhandelsactiviteiten verricht.

Artikel 5.134 Specifieke zorgplicht

Op degene die een beroep of bedrijf aan huis uitoefent berust de specifieke zorgplicht datgene in het werk te stellen wat redelijkerwijze kan worden verlangd om hinder op de woonomgeving als gevolg van de uitoefening van het beroep of bedrijf aan huis te voorkomen. 

Artikel 5.135 Maatwerkvoorschriften

Het bevoegd gezag kan een maatwerkvoorschrift stellen over de uitoefening van een beroep of bedrijf aan huis om onaanvaardbare hinder voor het woon- en leefklimaat tegen te gaan.

Paragraaf 5.2.22.2 Aanbieden van bed and breakfast

Artikel 5.136 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het gebruik van een woning voor het aanbieden van bed and breakfast in het werkingsgebied nieuwe deel omgevingsplan.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op het bieden van overnachting voor het verrichten van tijdelijke of seizoensgebonden werkzaamheden, arbeid of permanente kamerverhuur.

Artikel 5.137 Aanwijzing vergunningplicht bed and breakfast

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een woning of bedrijfswoning te gebruiken voor een bed and breakfast.

Artikel 5.138 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning bed and breakfast

Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het toestaan van een bed and breakfast in een woning of bedrijfswoning als bedoeld in artikel 5.137 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    plattegronden van de bestaande woningindeling en plattegronden van de nieuwe woningindeling, waarop in ieder geval het aantal slaapplaatsen is vermeld;

  • b.

    tekeningen van alle gevels van het bouwwerk;

  • c.

    een situatietekening, waarop in ieder geval het aantal parkeerplaatsen is vermeld; en

  • d.

    een onderbouwing waaruit blijkt dat het gebruik van een bed and breakfast in een woning of bedrijfswoning geen nadelige gevolgen heeft op de normale ontwikkeling van het verkeer.

Artikel 5.139 Beoordelingsregels omgevingsvergunning bed and breakfast

De omgevingsvergunning voor het toestaan van een bed and breakfast in een woning of bedrijfswoning als bedoeld in artikel 5.137 wordt alleen verleend als:

  • a.

    de bed and breakfast ondergeschikt is aan de woonfunctie;

  • b.

    het aantal slaapplaatsen niet meer bedraagt dan 4;

  • c.

    de uiterlijke verschijningsvorm van de woning gehandhaafd blijft;

  • d.

    het gebruik geen nadelige gevolgen heeft op de normale ontwikkeling van het verkeer; en

  • e.

    parkeren op eigen terrein plaatsvindt.

CC

Na afdeling 5.2.25 wordt een afdeling ingevoegd, luidende:

Afdeling 5.2.26 PAARDENBAK AANLEGGEN EN GEBRUIKEN

Artikel 5.140 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze afdeling is van toepassing op het aanleggen en gebruiken van een paardenbak.

  • 2.

    Deze afdeling is niet van toepassing op het bouwen van een paardenbak. Hiervoor geldt afdeling 5.2.9.

Artikel 5.141 Aanwijzen vergunningplicht paardenbak aanleggen en gebruiken

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een paardenbak aan te leggen en te gebruiken.

Artikel 5.142 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning paardenbak aanleggen en gebruiken

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 5.141 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    een situatietekening van de bestaande toestand en de nieuwe toestand met daarop:

    • 1.

      de situering van de paardenbak ten opzichte van: 

      • I.

        de woning, bedrijfswoning of recreatiewoning inclusief afstanden;

      • II.

        de perceelsgrenzen;

      • III.

        de wegzijde;

    • 2.

      de afmetingen van de paardenbak;

    • 3.

      de afmetingen van het gebouwerf;

    • 4.

      aangrenzende locaties met daarop voorkomende bebouwing; en

  • b.

    een onderbouwing waarin wordt aangetoond dat wordt voldaan aan de in artikel 5.143, onder e tot en met j genoemde criteria.

Artikel 5.143 Beoordelingsregels omgevingsvergunning paardenbak aanleggen en gebruiken

  • 1.

    De omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 5.141 voor het aanleggen en gebruiken van een paardenbak wordt alleen verleend als:

    • a.

      de paardenbak wordt aangelegd achter de voorgevelrooilijn van de bedrijfswoning, recreatiewoning of woning en aansluitend aan de bestaande bebouwing of als dit ruimtelijk gezien onmogelijk is, direct aansluitend aan de achterzijde van het gebouwerf of achter de voorgevelrooilijn van de bedrijfswoning, recreatiewoning of woning;

    • b.

      de afstand tussen de paardenbak en een bedrijfswoning, recreatiewoning of woning van derden is minimaal 25 meter;

    • c.

      per bedrijfswoning, recreatiewoning of woning maximaal 1 paardenbak wordt aangelegd;

    • d.

      de oppervlakte maximaal is:

      • 1.

        800 m2 bij een gebouwerf van meer dan 0,5 hectare; of 

      • 2.

        1.200 m bij een gebouwerf van meer dan 1 hectare;

    • e.

      er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de landschappelijke en natuurlijke waarden;

    • f.

      de belangen van gebruikers dan wel eigenaren van aangrenzende gronden niet onevenredig worden geschaad;

    • g.

      er geen sprake is van onaanvaardbare geurhinder, geluidshinder, lichthinder of hinder door stof;

    • h.

      er sprake is van een goede landschappelijke inpassing, waarbij aandacht wordt besteed aan de beplantingssoorten (inheems);

    • i.

      er sprake is van een goede drainage; 

    • j.

      er geen sprake is van onevenredige aantasting van:

      • 1.

        het straat- en bebouwingsbeeld;

      • 2.

        de woonsituatie;

      • 3.

        de milieusituatie;

      • 4.

        de verkeersveiligheid; en

      • 5.

        de sociale veiligheid.

DD

Het opschrift van afdeling 5.2.26 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 5.2.26 5.2.27 PARKEERGELEGENHEID IN EEN PARKEERGARAGE BIEDEN

EE

Het opschrift van afdeling 5.2.27 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 5.2.27 5.2.28 POLYESTERHARS VERWERKEN

FF

Het opschrift van afdeling 5.2.28 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 5.2.28 5.2.29 PROPAAN OF PROPEEN OPSLAAN

GG

Het opschrift van afdeling 5.2.29 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 5.2.29 5.2.30 RECLAME PLAATSEN

HH

Het opschrift van afdeling 5.2.30 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 5.2.30 5.2.31 ROERENDE ZAKEN OPSLAAN

II

Het opschrift van afdeling 5.2.31 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 5.2.31 5.2.32 SLACHTEN VAN DIEREN EN BEWERKEN VAN DIERLIJKE BIJPRODUCTEN OF UITSNIJDEN VAN VLEES, VIS OF ORGANEN

JJ

Het opschrift van afdeling 5.2.32 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 5.2.32 5.2.33 SLOPEN VAN EEN BOUWWERK

KK

Het opschrift van afdeling 5.2.33 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 5.2.33 5.2.34 STANDPLAATS OP EEN WARENMARKT OF VOOR AMBULANTE HANDEL INNEMEN EN VENTEN

LL

Het opschrift van afdeling 5.2.34 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 5.2.34 5.2.35 TRADITIONEEL SCHIETEN

MM

Het opschrift van afdeling 5.2.35 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 5.2.35 5.2.36 UITWEG MAKEN, HEBBEN OF VERANDEREN VAN UITWEGEN

NN

Het opschrift van afdeling 5.2.36 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 5.2.36 5.2.37 VASTE MEST OPSLAAN

OO

Het opschrift van afdeling 5.2.37 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 5.2.37 5.2.38 VOEDINGSMIDDELENINDUSTRIE

PP

Afdeling 5.2.38 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 5.2.38 5.2.39 WEBWINKEL EXPLOITEREN

[Gereserveerd]

Artikel 5.144 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze afdeling is van toepassing op het exploiteren van een webwinkel.

  • 2.

    Onder een webwinkel wordt verstaan: een bedrijfsruimte bestemd voor de distributie van goederen die door particulieren via een website zijn besteld en betaald en die ter plaatse ter verzending worden aangeboden.

Artikel 5.145 Oogmerken

De regels in deze afdeling zijn gesteld met oog op: 

  • a.

    ruimte bieden aan kleinschalige economische activiteiten;

  • b.

    het tegengaan van onaanvaardbare leegstand;

  • c.

    het waarborgen van een gezonde en veilige woonsituatie;

  • d.

    het voorkomen van hinder;

  • e.

    het voorkomen van een overbelasting van de parkeervoorzieningen; 

  • f.

    het waarborgen van een aanvaardbare verkeersdrukte in woongebieden. 

Artikel 5.146 Algemene regels exploiteren van een webwinkel binnen een woonruimte

  • 1.

    Goederen worden alleen via het internet ter verkoop aangeboden aan particulieren.

  • 2.

    De oppervlakte van een webwinkel binnen een woonruimte is maximaal 50 m2 met een maximum van 40% van het gezamenlijk vloeroppervlak van het hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken.

  • 3.

    Er is geen showroom(functie) aanwezig in of bij de betreffende woonruimte.

  • 4.

    Er worden geen afhaal- en/of betaalmogelijkheden in of bij de betreffende woonruimte geboden.

  • 5.

    De ruimtelijke uitstraling van deze activiteiten wijkt niet af van andere activiteiten die in of bij een woonruimte mogelijk zijn.

Artikel 5.147 Algemene regels exploiteren van een webwinkel binnen een bedrijf

  • 1.

    Goederen worden alleen via het internet ter verkoop aangeboden aan particulieren.

  • 2.

    Er is geen showroom(functie) aanwezig in of bij de betreffende bedrijfsruimte.

  • 3.

    Er worden geen afhaal- en/of betaalmogelijkheden in of bij de betreffende bedrijfsruimte geboden.

  • 4.

    De ruimtelijke uitstraling van deze activiteiten wijkt niet af van andere activiteiten die in of bij een bedrijfsruimte mogelijk zijn.

QQ

Het opschrift van afdeling 5.2.39 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 5.2.39 5.2.40 WERKEN MET BIOLOGISCHE AGENS

RR

Het opschrift van afdeling 5.2.40 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 5.2.40 5.2.41 WOONRUIMTE GEBRUIKEN

SS

Voor artikel 5.68 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 5.148 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op wonen.

Artikel 5.149 Algemene regels woonruimte gebruiken

  • 1.

    Er wordt alleen gewoond in een woonruimte.

  • 2.

    Er wordt alleen gewoond in een hoofdgebouw of niet vrijstaand bijbehorende bouwwerken voor zover de afstand tot het oorspronkelijk hoofdgebouw niet meer is dan 4 meter.

  • 3.

    In een woonruimte woont slechts één huishouden.

TT

Het opschrift van artikel 5.68 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.68 5.150 Overbewoning woonruimte

UU

Het opschrift van afdeling 5.2.41 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 5.2.41 5.2.42 WOONRUIMTE TOEVOEGEN

VV

Het opschrift van afdeling 5.2.42 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 5.2.42 5.2.43 WOONRUIMTE WIJZIGEN

WW

Het opschrift van afdeling 5.2.43 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 5.2.43 5.2.44 ZUIVERINGSTECHNISCH WERK EXPLOITEREN

XX

Het opschrift van afdeling 5.2.44 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 5.2.44 5.2.45 ZWERFAFVAL OPRUIMEN

YY

Afdeling 5.3.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 5.3.1 ALGEMENE BEPALINGEN

[Gereserveerd]

Artikel 5.151 Toepassingsbereik

De regels in deze titel zijn van toepassing op gebiedsgerichte activiteiten in het werkingsgebied nieuwe deel omgevingsplan.

Artikel 5.152 Verboden activiteiten

  • 1.

    Het is verboden om een activiteit te verrichten in strijd met de aan de locatie toebedeelde gebiedsgerichte activiteit in titel 5.3 en 5.4 van dit omgevingsplan. 

  • 2.

    De volgende activiteiten zijn in ieder geval verboden:

    • a.

      het opslaan en verkopen van consumentenvuurwerk.

ZZ

Afdeling 5.3.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 5.3.2 AGRARISCHE ACTIVITEITEN

[Gereserveerd]

Paragraaf 5.3.2.1 Algemene bepalingen

[Gereserveerd]

Paragraaf 5.3.2.2 Agrarische activiteiten

Subparagraaf 5.3.2.2.1 Agrarische activiteiten binnen dorps wonen en de Veluwe
Artikel 5.153 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van agrarische activiteiten binnen het gebiedstype dorps wonen en Veluwe.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op

    • a.

      agrarische nevenactiviteiten. Hiervoor geldt paragraaf 5.3.2.3

  • 3.

    Tot een gebruik dat in overeenstemming is met de activiteit, bedoeld in het eerste lid, behoren ook:

    • a.

      agrarische bedrijfsgebouwen;

    • b.

      agrarische bedrijfswoningen met bijbehorende bouwwerken;

    • c.

      bouwwerken geen gebouwen zijnde;

    • d.

      het hobbymatig houden van dieren en telen van gewassen;

    • e.

      toegangswegen en paden;

    • f.

      parkeervoorzieningen;

    • g.

      groenvoorzieningen;

    • h.

      waterhuishoudkundige voorzieningen, zoals voorzieningen ten behoeve van het vasthouden van water, bergen, aan- en afvoeren van water en natuurvriendelijke oeverzones langs watergangen;

    • i.

      sloten, sprengen, beken en andere watergangen;

    • j.

      erven en tuinen behorende bij bedrijfswoningen tot maximaal 50 meter uit de grens van het bouwvlak; en

    • k.

      extensief recreatief medegebruik.

Artikel 5.154 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het beschermen van een gezonde en veilige woonsituatie;

  • b.

    het beschermen van de gezondheid;

  • c.

    het beschermen van het milieu;

  • d.

    de natuurbescherming;

  • e.

    het bevorderen van kringlooplandbouw en duurzame veehouderij;

  • f.

    het voorkomen en beschermen van mensen tegen infecties door het houden van landbouwhuisdieren;

  • g.

    het waarborgen van noodzakelijke huisvesting van personen voor de uitoefening van hun beroep of bedrijf;

  • h.

    het doelmatig gebruiken van gebouwen;

  • i.

    het beschermen van bedrijfsmatige agrarische activiteiten; 

  • j.

    het waarborgen van noodzakelijke huisvesting van personen voor de uitoefening van hun beroep of bedrijf; en 

  • k.

    het voorkomen van en beschermen tegen overlast als gevolg van geur, geluid en trillingen van activiteiten anders dan wonen.

Artikel 5.155 Algemene regels agrarische activiteiten
  • 1.

    Agrarische activiteiten worden alleen verricht in het werkingsgebied agrarisch.

  • 2.

    Binnen het werkingsgebied agrarisch bouwvlak wordt maximaal één agrarisch bedrijf geëxploiteerd.

Artikel 5.156 Algemene regels agrarische bedrijfswoning
  • 1.

    In het werkingsgebied agrarisch wordt alleen gewoond in een agrarische bedrijfswoning.

  • 2.

    In het werkingsgebied agrarisch bouwvlak bevindt zich maximaal één agrarische bedrijfswoning.

  • 3.

    Een bedrijfswoning wordt alleen bewoond door een persoon of een huishouden van een persoon die een functionele binding heeft met de activiteit waarvan agrarische activiteiten of andere bedrijfsmatige activiteiten de kern vormen.

Artikel 5.157 Verboden

Het is verboden:

  • a.

    een nieuw grondgebonden veehouderijbedrijf te vestigen; 

  • b.

    een nieuw niet-grondgebonden veehouderijbedrijf te vestigen;

  • c.

    een nieuwe paardenhouderij te vestigen;

  • d.

    het wijzigen van een grondgebonden veehouderijbedrijf naar een niet-grondgebonden veehouderijbedrijf; 

  • e.

    binnen het werkingsgebied gewasbeschermingsmiddelen verboden gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken;

  • f.

    gebouwen en overkappingen te gebruiken ten behoeve van de uitbreiding van de bestaande veestapel waarbij een toename plaatsvindt van de ammoniakemissie vanaf het betreffende agrarische bedrijf; en

  • g.

    voorwerpen, stoffen en materialen te storten of op te slaan, met uitzondering van opslag ten behoeve van de normale agrarische bedrijfsvoering.

Subparagraaf 5.3.2.2.2 Bewonen bedrijfswoning door twee huishoudens
Artikel 5.158 Aanwijzing vergunningplicht bewonen agrarische bedrijfswoning door twee huishoudens

Het is verboden zonder omgevingsvergunning om twee huishoudens in een agrarische bedrijfswoning te huisvesten.

Artikel 5.159 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning bewonen agrarische bedrijfswoning door twee huishoudens

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 5.158 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    plattegronden van de bestaande bedrijfswoningindeling en plattegronden van de nieuwe bedrijfswoningindeling; en

  • b.

    een onderbouwing waarin wordt aangetoond dat wordt voldaan aan de in artikel 5.160 genoemde criteria.

Artikel 5.160 Beoordelingsregels bewonen agrarische bedrijfswoning door twee huishoudens

De omgevingsvergunning wordt verleend als:

  • a.

    het aantal woningen niet wordt vergroot; 

  • b.

    de belangen van gebruikers en eigenaren van aangrenzende gronden en nabijgelegen bedrijven niet onevenredig worden geschaad;

  • c.

    wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein; en

  • d.

    de cultuurhistorische, landschappelijke en natuurlijke waarden niet onevenredig worden geschaad.

Paragraaf 5.3.2.3 Agrarische nevenactiviteiten

Subparagraaf 5.3.2.3.1 Algemeen
Artikel 5.161 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op agrarische nevenactiviteiten.

Subparagraaf 5.3.2.3.2 Intensief recreatief medegebruik
Artikel 5.162 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze subparagraaf is van toepassing op intensief recreatief medegebruik.

  • 2.

    Onder intensief recreatief medegebruik wordt verstaan: recreatief gebruik van gronden dat ondergeschikt is aan de agrarische activiteiten en dat een potentieel aanzienlijke verkeersaantrekkende werking heeft, zoals paintball, boerengolf en een maïsdoolhof.

Artikel 5.163 Aanwijzing vergunningplicht intensief recreatief medegebruik

Het is verboden zonder omgevingsvergunning activiteiten voor intensief recreatief medegebruik te verrichten.

Artikel 5.164 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning intensief recreatief medegebruik

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 5.163 wordt een onderbouwing verstrekt waarin wordt aangetoond dat wordt voldaan aan de in artikel 5.165 genoemde criteria.

Artikel 5.165 Beoordelingsregels intensief recreatief medegebruik

De omgevingsvergunning wordt verleend als:

  • a.

    er geen sprake is van onevenredige toename van verkeersbewegingen;

  • b.

    de landschappelijke inpassing is gewaarborgd;

  • c.

    nabijgelegen agrarische bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden belemmerd;

  • d.

    geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden;

  • e.

    wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein; en

  • f.

    de cultuurhistorische, landschappelijke en natuurlijke waarden niet onevenredig worden geschaad.

AAA

Afdeling 5.3.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 5.3.3 BEDRIJFSMATIGE ACTIVITEITEN

[Gereserveerd]

Paragraaf 5.3.3.1 Algemene bepalingen

Artikel 5.166 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze afdeling is van toepassing op het verrichten van bedrijfsmatige activiteiten.

  • 2.

    In deze afdeling wordt onder bedrijfsmatige activiteiten verstaan activiteiten gericht op het bedrijfsmatig produceren, bewerken, verwerken, herstellen, opslaan, verhuren, distributie van en groothandel in goederen.

  • 3.

    Tot een gebruik dat in overeenstemming is met de activiteit, bedoeld in het eerste lid, behoren ook:

    • a.

      bedrijfsgebouwen;

    • b.

      bestaande bedrijfswoningen;

    • c.

      bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

    • d.

      parkeervoorzieningen;

    • e.

      groenvoorzieningen; en

    • f.

      tuinen, erven en terreinen.

Artikel 5.167 Oogmerken

De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het beschermen van een goed woon- en leefklimaat;

  • b.

    het waarborgen van de veiligheid;

  • c.

    het waarborgen van de veiligheid;

  • d.

    het beschermen van het milieu;

  • e.

    het waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat; 

  • f.

    het bieden van voldoende fysieke en milieuruimte voor milieubelastende bedrijven; en 

  • g.

    het waarborgen van noodzakelijke huisvesting van personen voor de uitoefening van hun beroep of bedrijf.

Artikel 5.168 Algemene regels bedrijfsactiviteiten verrichten
  • 1.

    Bedrijfsmatige activiteiten worden alleen verricht in het werkingsgebied bedrijf

Paragraaf 5.3.3.2 Huidige bedrijfsactiviteiten toegestaan

Artikel 5.169 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze subparagraaf is van toepassing op het exploiteren van een bestaand bedrijf.

Artikel 5.170 Algemene regels huidige bedrijfsactiviteiten 
Artikel 5.171 Toestaan bedrijven met maatwerkvoorschrift
  • 1.

    In afwijking van artikel 5.170 kan per maatwerkvoorschrift op verzoek of ambtshalve een ander bedrijf worden toegestaan indien dat bedrijf niet meer geluid, geur en stof uitstoot en gevaar veroorzaakt dan bedrijven die op grond van artikel 5.170 zijn toegestaan.

  • 2.

    Bij de aanvraag om een maatwerkvoorschrift worden de volgende gegevens verstrekt:

    • a.

      een beschrijving van de voorgenomen activiteit;

    • b.

      een beschrijving van de te verwachten uitstoot van geluid, geur en stof en te verwachten gevaar; en

    • c.

      een beschrijving van de voorzieningen en maatregelen om de uitstoot van geluid, geur en stof en te veroorzaken gevaar in de omgeving te beperken. 

  • 3.

    Om te borgen dat er wordt voldaan aan het eerste lid kan het bevoegd gezag in het maatwerkvoorschrift onder meer: 

    • a.

      het treffen van maatregelen of voorzieningen verplichten;

    • b.

      aan de bedrijfsactiviteit beperkingen stellen; en

    • c.

      aanwijzingen geven. 

Paragraaf 5.3.3.3 Nieuwe bedrijfsactiviteiten

[Gereserveerd]

Paragraaf 5.3.3.4 Toegestane bedrijven in verband met milieuhinder

Artikel 5.172 Toegestane bedrijven: milieuhindercategorieën

Paragraaf 5.3.3.5 Wonen in een bedrijfswoning

Artikel 5.173 Algemene regels bedrijfswoningen
  • 1.

    Wonen in een bedrijfswoning vindt alleen plaats in het werkingsgebied bedrijfswoning.

  • 2.

    Per bedrijf is maximaal één bestaande bedrijfswoning toegestaan.

  • 3.

    Nieuwe bedrijfswoningen zijn niet toegestaan.

  • 4.

    Een bedrijfswoning wordt alleen bewoond door een persoon of een huishouden van een persoon die een functionele binding heeft met de activiteit waarvan agrarische activiteiten of andere bedrijfsmatige activiteiten de kern vormen.

BBB

Na afdeling 5.3.3 wordt een afdeling ingevoegd, luidende:

Afdeling 5.3.4 BOSACTIVITEITEN

Artikel 5.174 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze afdeling is van toepassing op bosactiviteiten 

  • 2.

    Onder bosactiviteiten als bedoeld in deze afdeling wordt verstaan:

    • a.

      de aanleg, instandhouding en ontwikkeling van bosbeplanting mede ten behoeve van de houtproductie;

    • b.

      het behoud, beheer en herstel van de landschappelijke waarden, zoals deze tot uitdrukking komen in de hoogopgaande beplanting en het (micro-)reliëf; en

    • c.

      het behoud, beheer en herstel van de natuurlijke waarden van het bosecosysteem.

  • 3.

    Tot een gebruik dat in overeenstemming is met de activiteit, bedoeld in het eerste lid, behoren ook:

    • a.

      bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

    • b.

      voet- en fietspaden;

    • c.

      waterhuishoudkundige voorzieningen, zoals voorzieningen ten behoeve van het vasthouden van water, bergen, aan- en afvoeren van water en natuurvriendelijke oeverzones langs watergangen; en

    • d.

      sloten, sprengen, beken en andere watergangen.

Artikel 5.175 Oogmerken

De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden;

  • b.

    de bescherming en het beheer van natuurgebieden;

  • c.

    de instandhouding van het bosareaal binnen de gemeente;

  • d.

    het tegengaan van klimaatverandering; en

  • e.

    het realiseren van een gemeentelijk natuurnetwerk.

Artikel 5.176 Algemene regels bosactiviteiten

Bosactiviteiten worden alleen verricht in het werkingsgebied bos.

CCC

Afdeling 5.3.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 5.3.4 5.3.5 CULTURELE EN ONTSPANNINGSACTIVITEITEN

[Gereserveerd]

Artikel 5.177 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze afdeling is van toepassing op het verrichten van culturele en ontspanningsactiviteiten.

  • 2.

    Onder culturele en ontspanningsactiviteiten wordt verstaan: het verrichten van activiteiten op het gebied van kunst, cultuur, educatie, vermaak en ontspanning, zoals theaters, schouwburgen, concertzalen, ruimten voor het beoefenen van muziek of andere kunstuitingen, muziekscholen, bioscopen, filmhuizen, musea, bowlingbanen, lasergamen en sauna's met inbegrip van bijbehorende voorzieningen, alsmede tentoonstellingsruimten en werk- en presentatieruimten ten behoeve van kunstenaars en naar de aard daarbij behorende ondergeschikte horeca, toeristische, recreatieve en culturele activiteiten.

Artikel 5.178 Oogmerken

De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het voorkomen en beperken van hinder;

  • b.

    het bereiken en in stand houden van een goed woon- en leefklimaat; en

  • c.

    het aanbieden van een gedifferentieerd en passend voorzieningenaanbod in de gemeente.

Artikel 5.179 Algemene regels culturele en ontspanningsactiviteiten

  • 1.

    Culturele en ontspanningsactiviteiten worden alleen verricht in het werkingsgebied cultuur en ontspanning.

  • 2.

    In het werkingsgebied bowling wordt alleen een bowling geëxploiteerd. 

DDD

Afdeling 5.3.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 5.3.5 5.3.6 DETAILHANDELSACTIVITEITEN

[Gereserveerd]

Paragraaf 5.3.6.1 Reguliere detailhandelsactiviteiten

Artikel 5.180 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op reguliere detailhandelsactiviteiten

  • 2.

    Onder reguliere detailhandelsactiviteiten wordt verstaan: het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ter verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen, die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. Onder reguliere detailhandelsactiviteiten vallen geen afhaalzaken en maaltijdbezorgdiensten.

  • 3.

    Tot een gebruik dat in overeenstemming is met de activiteit, bedoeld in het eerste lid, behoren ook:

    • a.

      gebouwen;

    • b.

      bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

    • c.

      bestaande bedrijfswoningen;

    • d.

      parkeervoorzieningen;

    • e.

      groenvoorzieningen; 

    • f.

      tuinen, erven en terreinen; en

    • g.

      watervoorzieningen.

  • 4.

    Deze paragraaf gaat niet over:

    • a.

      detailhandelsactiviteiten in volumineuze goederen.

Artikel 5.181 Oogmerken

De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het voorkomen en beperken van hinder;

  • b.

    het bereiken en in stand houden van een goed woon- en leefklimaat; en

  • c.

    het aanbieden van een gedifferentieerd en passend detailhandelsaanbod in de gemeente.

Artikel 5.182 Algemene regels detailhandelsactiviteiten
  • 1.

    Reguliere detailhandelsactiviteiten worden alleen verricht in het werkingsgebied detailhandel.

  • 2.

    Een supermarkt wordt alleen op de locatie supermarkt geëxploiteerd.

Artikel 5.183 Verboden

Het is in ieder geval verboden:

  • a.

    motorbrandstoffen te verkopen.

Paragraaf 5.3.6.2 Detailhandelsactiviteiten in volumineuze goederen

Artikel 5.184 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op detailhandelsactiviteiten in volumineuze goederen.

  • 2.

    Onder detailhandelsactiviteiten in volumineuze goederen wordt verstaan: het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ter verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen die vanwege de omvang van de gevoerde artikelen een groot oppervlak nodig heeft voor de uitstalling zoals verkoop van auto`s, boten, caravans, tuininrichting artikelen, grove bouwmaterialen, keukens, meubels en woninginrichting en sanitair.

  • 3.

    Tot een gebruik dat in overeenstemming is met de activiteit, bedoeld in het eerste lid, behoren ook:

    • a.

      gebouwen;

    • b.

      bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

    • c.

      parkeervoorzieningen;

    • d.

      groenvoorzieningen; 

    • e.

      tuinen, erven en terreinen; en

    • f.

      watervoorzieningen.

  • 4.

    Deze paragraaf gaat niet over:

    • a.

      reguliere detailhandelsactiviteiten.

Artikel 5.185 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het ruimte bieden aan detailhandelsactiviteiten die vanwege specifieke ruimtelijke eisen binnenstedelijk moeilijk inpasbaar zijn;

  • b.

    het aanbieden van een gedifferentieerd en passend detailhandelsaanbod in de gemeente;

  • c.

    het voorkomen en beperken van hinder; en

  • d.

    het bereiken en in stand houden van een goed woon- en leefklimaat.

Artikel 5.186 Algemene regels
  • 1.

    Detailhandelsactiviteiten in volumineuze goederen worden alleen verricht in het werkingsgebied volumineuze detailhandel.

Paragraaf 5.3.6.3 Wonen in een bedrijfswoning

Artikel 5.187 Algemene regels bedrijfswoningen
  • 1.

    Per detailhandelsvestiging is maximaal één bestaande bedrijfswoning toegestaan.

  • 2.

    Nieuwe bedrijfswoningen zijn niet toegestaan.

  • 3.

    Een bedrijfswoning wordt alleen bewoond door een persoon of een huishouden van een persoon die een functionele binding heeft met de detailhandelsactiviteit.

EEE

Afdeling 5.3.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 5.3.6 5.3.7 DIENSTVERLENINGSACTIVITEITEN

[Gereserveerd]

Artikel 5.188 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze afdeling is van toepassing op het verrichten van dienstverleningsactiviteiten.

  • 2.

    Onder dienstverleningsactiviteiten wordt verstaan: het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen, zoals reis- en uitzendbureaus, kapsalons, pedicures, wasserettes, makelaarskantoren en bankfilialen.

  • 3.

    Tot een gebruik dat in overeenstemming is met de activiteit, bedoeld in het eerste lid, behoren ook:

    • a.

      gebouwen;

    • b.

      bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

    • c.

      bestaande bedrijfswoningen;

    • d.

      parkeervoorzieningen;

    • e.

      groenvoorzieningen; 

    • f.

      tuinen, erven en terreinen; en

    • g.

      watervoorzieningen.

Artikel 5.189 Oogmerken

De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het bereiken en in stand houden van een goed woon-, werk-, leef-, en ondernemersklimaat; en

  • b.

    het voorzien in de behoefte aan diensten van inwoners, bedrijven, andere organisaties en bezoekers van de gemeente.

Artikel 5.190 Algemene regels dienstverleningsactiviteiten

  • 1.

    Dienstverleningsactiviteiten worden alleen verricht in het werkingsgebied dienstverlening.

  • 2.

    Dienstverleningsactiviteiten worden alleen verricht op de begane grond.

Artikel 5.191 Algemene regels bedrijfswoningen

  • 1.

    Per dienstverleningsbedrijf is maximaal één bestaande bedrijfswoning toegestaan.

  • 2.

    Nieuwe bedrijfswoningen zijn niet toegestaan.

  • 3.

    Een bedrijfswoning wordt alleen bewoond door een persoon of een huishouden van een persoon die een functionele binding heeft met de dienstverleningsactiviteit.

FFF

Het opschrift van afdeling 5.3.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 5.3.7 5.3.8 EVENEMENTENACTIVITEITEN

GGG

Na afdeling 5.3.7 wordt een afdeling ingevoegd, luidende:

Afdeling 5.3.9 GROENACTIVITEITEN

Artikel 5.192 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze afdeling is van toepassing op groenactiviteiten.

  • 2.

    Onder groenactiviteiten als bedoeld in deze afdeling wordt verstaan:

    • a.

      de aanleg en het onderhoud van groenvoorzieningen;

    • b.

      de aanleg en het onderhoud van bermen en (aanwezige) beplanting;

    • c.

      de aanleg, onderhoud en gebruik van parken en plantsoenen; en

    • d.

      het weiden van dieren.

  • 3.

    Tot een gebruik dat in overeenstemming is met de activiteit, bedoeld in het eerste lid, behoren ook:

    • a.

      bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

    • b.

      speelvoorzieningen en speelterreinen;

    • c.

      watervoorzieningen;

    • d.

      ongebouwde parkeervoorzieningen;

    • e.

      voet- en fietspaden;

    • f.

      nutsvoorzieningen; en

    • g.

      kleinschalige dagrecreatieve voorzieningen.

Artikel 5.193 Oogmerken

De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het beschermen van een goed woon- en leefklimaat;

  • b.

    het beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden;

  • c.

    het aanpassen van de fysieke ruimte aan de gevolgen van klimaatverandering, waaronder wateroverlast en hittestress;

  • d.

    het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen; en

  • e.

    het realiseren van een speel- en beweegvriendelijk woongebied.

Artikel 5.194 Algemene regels groenactiviteiten

  • 1.

    Groenactiviteiten worden alleen verricht in het werkingsgebied groen.

  • 2.

    Het weiden van dieren vindt alleen plaats in het werkingsgebied weiden van dieren.

  • 3.

    Speelterreinen worden alleen gebruikt in het werkingsgebied speelterrein.

  • 4.

    In het werkingsgebied wandelpad is alleen een wandelpad met bijbehorende beplantingen en groenvoorzieningen toegestaan.

HHH

Afdeling 5.3.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 5.3.8 5.3.10 HORECA-ACTIVITEITEN

[Gereserveerd]

Paragraaf 5.3.10.1 Horeca-activiteiten categorie 1 verrichten

Artikel 5.195 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het verrichten van horeca-activiteiten in categorie 1.

  • 2.

    Onder horeca-activiteiten in categorie 1 worden verstaan:

    • a.

      vormen van horeca die wat betreft exploitatievorm aansluiten bij winkelvoorzieningen en daarmee qua openingstijden nagenoeg sporen en waar naast kleinere etenswaren alsmede alcoholvrije dranken wordt verstrekt, zoals een lunchroom, koffiehuis, ijssalon, broodjeszaak, croissanterie patisserie of een crêperie;

    • b.

      vormen van horeca die wat betreft de exploitatievormen behoren bij en ondergeschikt zijn aan een sociaal/culturele hoofdfunctie, zoals kerkelijke centra;

    • c.

      vormen van horeca waar in hoofdzaak maaltijden worden verstrekt, die ter plaatse worden geconsumeerd, zoals een restaurant, bistro, poffertjeszaak, pannenkoekenhuis, hotel-restaurant of pension; en

    • d.

      vormen van horeca waar in hoofdzaak maaltijden worden verstrekt, die deels ter plaatse worden geconsumeerd maar voor een belangrijk deel ook elders, zoals pizzeria's of (afhaal)restaurants.

  • 3.

    Deze paragraaf gaat niet over het verrichten van:

    • a.

      het verrichten van horeca-activiteiten in categorie 2, 3 of 4;

    • b.

      het verrichten van ondersteunende horeca-activiteiten; en

    • c.

      het exploiteren van een terras.

  • 4.

    Tot een gebruik dat in overeenstemming is met de activiteit, bedoeld in het eerste lid, behoren ook:

    • a.

      gebouwen;

    • b.

      bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

    • c.

      bestaande bedrijfswoningen;

    • d.

      parkeervoorzieningen;

    • e.

      groenvoorzieningen; 

    • f.

      tuinen, erven en terreinen; en

    • g.

      watervoorzieningen.

Artikel 5.196 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het beschermen van een goed woon- en leefklimaat; 

  • b.

    het aanbieden van een gedifferentieerd en passend horeca-aanbod in de gemeente; en

  • c.

    het waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat.

Artikel 5.197 Algemene regels horeca-activiteiten categorie 1 verrichten

Paragraaf 5.3.10.2 Horeca-activiteiten categorie 2 verrichten

Artikel 5.198 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het verrichten van horeca-activiteiten in categorie 2.

  • 2.

    Onder horeca-activiteiten in categorie 2 worden verstaan:

    • a.

      vormen van horeca die wat betreft exploitatievorm aansluiten bij winkelvoorzieningen, maar qua openingstijden daarvan afwijken in die zin, dat ze ook in (een deel) van de avonduren geopend zijn en waar naast kleinere etenswaren in hoofdzaak alcoholvrije drank wordt verstrekt. Voorbeelden van dergelijke voorzieningen zijn een cafetaria, snackbar of een shoarmazaak; en

    • b.

      vormen van horeca waarin hoofdzaak al dan niet alcoholhoudende drank wordt verstrekt. Voorbeelden zijn een café, bar, eetcafé, pub of een café-restaurant.

  • 3.

    Deze paragraaf gaat niet over het verrichten van:

    • a.

      het verrichten van horeca-aciviteiten in categorie 1, 3 of 4;

    • b.

      het verrichten van ondersteunende horeca-activiteiten; en

    • c.

      het exploiteren van een terras.

  • 4.

    Tot een gebruik dat in overeenstemming is met de activiteit, bedoeld in het eerste lid, behoren ook:

    • a.

      gebouwen;

    • b.

      bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

    • c.

      bestaande bedrijfswoningen;

    • d.

      parkeervoorzieningen;

    • e.

      groenvoorzieningen; 

    • f.

      tuinen, erven en terreinen; en

    • g.

      watervoorzieningen.

Artikel 5.199 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het beschermen van een goed woon- en leefklimaat; 

  • b.

    het aanbieden van een gedifferentieerd en passend horeca-aanbod in de gemeente; en

  • c.

    het waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat.

Artikel 5.200 Algemene regels horeca-activiteiten categorie 2 verrichten

Paragraaf 5.3.10.3 Horeca-activiteiten categorie 3 verrichten

Artikel 5.201 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het verrichten van horeca-activiteiten in categorie 3.

  • 2.

    Onder horeca-activiteiten in categorie 3 worden verstaan vormen van horeca waar zaalaccommodatie ter beschikking wordt gesteld ten behoeve van het organiseren van bijeenkomsten en partijen, en waar als nevenactiviteit wordt voorzien in het verstrekken van kleine etenswaren en al dan niet alcoholhoudende dranken.

  • 3.

    Deze paragraaf gaat niet over het verrichten van:

    • a.

      het verrichten van horeca-aciviteiten in categorie 1, 2 of 4;

    • b.

      het verrichten van ondersteunende horeca-activiteiten; en

    • c.

      het exploiteren van een terras.

  • 4.

    Tot een gebruik dat in overeenstemming is met de activiteit, bedoeld in het eerste lid, behoren ook:

    • a.

      gebouwen;

    • b.

      bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

    • c.

      bestaande bedrijfswoningen;

    • d.

      parkeervoorzieningen;

    • e.

      groenvoorzieningen; 

    • f.

      tuinen, erven en terreinen; en

    • g.

      watervoorzieningen.

Artikel 5.202 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het beschermen van een goed woon- en leefklimaat; 

  • b.

    het aanbieden van een gedifferentieerd en passend horeca-aanbod in de gemeente; en

  • c.

    het waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat.

Artikel 5.203 Algemene regels horeca-activiteiten categorie 3 verrichten

Paragraaf 5.3.10.4 Horeca-activiteiten categorie 4 verrichten

Artikel 5.204 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het verrichten van horeca-activiteiten in categorie 4.

  • 2.

    Onder horeca-activiteiten in categorie 4 worden verstaan vormen van horeca zoals een discotheek en een dancing met een dansvloeroppervlak groter dan 10 m² en buurthuizen.

  • 3.

    Deze paragraaf gaat niet over het verrichten van:

    • a.

      het verrichten van horeca-activiteiten in categorie 1, 2 of 3;

    • b.

      het verrichten van ondersteunende horeca-activiteiten; en

    • c.

      het exploiteren van een terras.

  • 4.

    Tot een gebruik dat in overeenstemming is met de activiteit, bedoeld in het eerste lid, behoren ook:

    • a.

      gebouwen;

    • b.

      bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

    • c.

      bestaande bedrijfswoningen;

    • d.

      parkeervoorzieningen;

    • e.

      groenvoorzieningen; 

    • f.

      tuinen, erven en terreinen; en

    • g.

      watervoorzieningen.

Artikel 5.205 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het beschermen van een goed woon- en leefklimaat; 

  • b.

    het aanbieden van een gedifferentieerd en passend horeca-aanbod in de gemeente; en

  • c.

    het waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat.

Artikel 5.206 Algemene regels

Paragraaf 5.3.10.5 Wonen in een bedrijfswoning

Artikel 5.207 Algemene regels bedrijfswoningen
  • 1.

    Per horecavestiging is maximaal één bestaande bedrijfswoning toegestaan.

  • 2.

    Nieuwe bedrijfswoningen zijn niet toegestaan.

  • 3.

    Een bedrijfswoning wordt alleen bewoond door een persoon of een huishouden van een persoon die een functionele binding heeft met de horeca-activiteit.

III

Afdeling 5.3.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 5.3.9 5.3.11 KANTOORACTIVITEITEN

[Gereserveerd]

Artikel 5.208 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze afdeling is van toepassing op het verrichten van kantooractiviteiten.

  • 2.

    Onder kantooractiviteiten wordt verstaan: de uitoefening van administratieve werkzaamheden en werkzaamheden die verband houden met het in administratieve zin doen functioneren van een instelling.

  • 3.

    Tot een gebruik dat in overeenstemming is met de activiteit, bedoeld in het eerste lid, behoren ook:

    • a.

      gebouwen;

    • b.

      bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

    • c.

      parkeervoorzieningen;

    • d.

      groenvoorzieningen; 

    • e.

      tuinen, erven en terreinen; en

    • f.

      watervoorzieningen.

Artikel 5.209 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het voorkomen en beperken van hinder;

  • b.

    het bereiken en in stand houden van een goed woon- en leefklimaat; en

  • c.

    het aanbieden van een gedifferentieerd en passend kantooraanbod in de gemeente.

Artikel 5.210 Algemene regels kantooractiviteiten

  • 1.

    Kantooractiviteiten worden alleen verricht in het werkingsgebied kantoor.

  • 2.

    [Gereserveerd]

  • 3.

    [Gereserveerd]

JJJ

Afdeling 5.3.10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 5.3.10 5.3.12 MAATSCHAPPELIJKE ACTIVITEITEN

[Gereserveerd]

Artikel 5.211 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze afdeling is van toepassing op het verrichten van maatschappelijke activiteiten.

  • 2.

    Onder maatschappelijke activiteiten wordt verstaan: uitoefenen van activiteiten gericht op de sociale, maatschappelijke, educatieve en openbare dienstverlening, waaronder begrepen: gezondheidszorg, zorg- en welzijn, jeugd/kinderopvang, onderwijs, levensbeschouwelijke voorzieningen, bibliotheken, openbare dienstverlening en verenigingsleven.

  • 3.

    Tot een gebruik dat in overeenstemming is met de activiteit, bedoeld in het eerste lid, behoren ook:

    • a.

      hoofdgebouwen;

    • b.

      bijbehorende bouwwerken;

    • c.

      bedrijfswoningen met bijbehorende bouwwerken;

    • d.

      bouwwerken geen gebouwen zijnde;

    • e.

      ondergeschikte horeca;

    • f.

      wegen en paden;

    • g.

      speelvoorzieningen;

    • h.

      parkeervoorzieningen;

    • i.

      groenvoorzieningen;

    • j.

      watervoorzieningen; en

    • k.

      tuinen, erven en terreinen.

Artikel 5.212 Oogmerken

De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: 

  • a.

    het beschermen van een goed woon- en leefklimaat; 

  • b.

    het waarborgen van noodzakelijke huisvesting van personen voor de uitoefening van hun beroep of bedrijf; 

  • c.

    het doelmatig gebruiken van gebouwen; en

  • d.

    het instandhouden van het voorzieningenniveau.

Artikel 5.213 Algemene regels maatschappelijke activiteiten

  • 1.

    Maatschappelijke activiteiten worden alleen verricht in het werkingsgebied maatschappelijk.

  • 2.

    In het werkingsgebied begraafplaats is alleen een begraafplaats toegestaan.

  • 3.

    In het werkingsgebied gezondheidscentrum wordt alleen een gezondheidscentrum geëxploiteerd. 

  • 4.

    Wonen in een bedrijfswoning vindt alleen plaats in het werkingsgebied bedrijfswoning.

  • 5.

    In het werkingsgebied bedrijfswoning bevindt zich maximaal één bedrijfswoning.

  • 6.

    Een bedrijfswoning wordt alleen bewoond door een persoon of een huishouden van een persoon die een functionele binding heeft met de activiteit waarvan agrarische activiteiten of andere bedrijfsmatige activiteiten de kern vormen.

KKK

Na afdeling 5.3.10 wordt een afdeling ingevoegd, luidende:

Afdeling 5.3.13 NUTSBEDRIJFACTIVITEITEN

Artikel 5.214 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze afdeling is van toepassing op nutsbedrijfsactiviteiten.

  • 2.

    Onder nutsbedrijfsactiviteiten wordt verstaan: activiteiten gericht op voorzieningen ten behoeve van het openbare nut zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, voorzieningen ten behoeve van ondergrondse afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie.

  • 3.

    Deze afdeling is niet van toepassing op nutsvoorzieningen waarop artikel 2.29, van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is.

Artikel 5.215 Oogmerken

De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: 

  • a.

    het beschermen van een goed woon- en leefklimaat; 

  • b.

    het duurzaam veiligstellen van de openbare drinkwatervoorziening;

  • c.

    het behoeden van de staat en werking van infrastructuur voor nadelige gevolgen van activiteiten;

  • d.

    het beheren van infrastructuur;

  • e.

    het beheren van watersystemen;

  • f.

    het kunnen overschakelen van fossiele energie naar hernieuwbare energie;

  • g.

    het kunnen benutten van de openbare ruimte voor afvalinzameling; en

  • h.

    het doelmatig beheren van afvalstoffen.

Artikel 5.216 Algemene regels nutsbedrijfsactiviteiten

  • 1.

    Nutsbedrijfsactiviteiten worden alleen verricht in het werkingsgebied nutsbedrijf.

LLL

Afdeling 5.3.11 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 5.3.11 5.3.14 ONDERGESCHIKTE GEBRUIKSACTIVITEITEN

[Gereserveerd]

Paragraaf 5.3.14.1 Algemene bepalingen ondergeschikte gebruiksactiviteiten

[Gereserveerd]

Paragraaf 5.3.14.2 Ondergeschikte horeca

Artikel 5.217 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op ondergeschikte horeca-activiteiten.

  • 2.

    Onder ondergeschikte horeca wordt verstaan: horeca waarbij de horeca-activiteit ondersteunend is aan de hoofdactiviteit maar daaraan ondergeschikt is.

Artikel 5.218 Algemene regels ondergeschikte horeca
  • 1.

    De ruimtelijke uitstraling is ondergeschikt aan de hoofdactiviteit.

  • 2.

    De oppervlakte waarop de ondergeschikte horeca-activiteiten plaatsvinden is maximaal 30% van het gezamenlijk vloeroppervlak waarop de hoofdactiviteit plaatsvindt.

  • 3.

    Ondergeschikte horeca-activiteiten worden alleen verricht bij de volgende hoofdactiviteiten: detailhandelsactiviteiten, maatschappelijke activiteiten en sportactiviteiten.

Paragraaf 5.3.14.3 Ondergeschikte detailhandel

Artikel 5.219 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op ondergeschikte detailhandelsactiviteiten.

  • 2.

    Onder ondergeschikte detailhandel wordt verstaan: detailhandel waarbij de detailhandelsactiviteit ondersteunend is aan de hoofdactiviteit maar daaraan ondergeschikt is.

Artikel 5.220 Algemene regels ondergeschikte detailhandel
  • 1.

    De ruimtelijke uitstraling is ondergeschikt aan de hoofdactiviteit.

  • 2.

    De oppervlakte waarop de ondergeschikte detailhandelsactiviteiten plaatsvinden is maximaal 30% van het gezamenlijk vloeroppervlak waarop de hoofdactiviteit plaatsvindt.

  • 3.

    Ondergeschikte detailhandelsactiviteiten worden alleen verricht bij maatschappelijke activiteiten.

MMM

Afdeling 5.3.12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 5.3.12 5.3.15 RECREATIEVE ACTIVITEITEN

[Gereserveerd]

Paragraaf 5.3.15.1 Dagrecreatieve activiteiten

[Gereserveerd]

Paragraaf 5.3.15.2 Verblijfsrecreatieve activiteiten

[Gereserveerd]

Paragraaf 5.3.15.3 Extensieve recreatieve activiteiten

[Gereserveerd]

NNN

Afdeling 5.3.13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 5.3.13 5.3.16 SPORTACTIVITEITEN

[Gereserveerd]

Artikel 5.221 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op:

    • a.

      het in een gebouw bieden van gelegenheid tot sportbeoefening; 

    • b.

      het bieden van gelegenheid tot sportbeoefening van een veld-/buitensport op een terrein, al dan niet in competitie-/verenigingsverband, zoals voetbalvelden, tennisbanen, terreinen ten behoeve van honkbal en softbal; en

    • c.

      het exploiteren van een manege.

  • 2.

    Tot een gebruik dat in overeenstemming is met de activiteit, bedoeld in het eerste lid onder a en b, behoren ook:

    • a.

      clubgebouwen;

    • b.

      ondergeschikte horeca;

    • c.

      kleedruimten; 

    • d.

      tribunes;

    • e.

      bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

    • f.

      wegen en paden;

    • g.

      parkeervoorzieningen;

    • h.

      watervoorzieningen; en

    • i.

      groenvoorzieningen.

  • 3.

    Tot een gebruik dat in overeenstemming is met de activiteit, bedoeld in het eerste lid onder c, behoren ook:

    • a.

       het inrichten en/of gebruiken van de locatie en bouwwerken voor bij een manege behorende voorzieningen, zoals een stapmolen, longeercirkel, één of meer binnenrijbanen en één of meer buitenrijbanen;

    • b.

      gebouwen;

    • c.

      ondergeschikte horeca

    • d.

      bedrijfswoningen met bijbehorende bouwwerken;

    • e.

      bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

    • f.

      wegen en paden;

    • g.

      erven en terreinen;

    • h.

      parkeervoorzieningen;

    • i.

      watervoorzieningen; en 

    • j.

      groenvoorzieningen.

  • 4.

    Deze paragraaf gaat niet over het uitoefenen van individuele sportactiviteiten in de fysieke leefomgeving.

Artikel 5.222 Oogmerken

De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het beschermen van een goed woon- en leefklimaat;

  • b.

    het beschermen van de gezondheid;

  • c.

    het realiseren van een speel- en beweegvriendelijk woongebied; 

  • d.

    het waarborgen van noodzakelijke huisvesting van personen voor de uitoefening van hun beroep of bedrijf; 

  • e.

    het doelmatig gebruiken van gebouwen; 

  • f.

    het voorkomen van en beschermen tegen overlast als gevolg van geluid van activiteiten anders dan wonen; en

  • g.

    het instandhouden van het voorzieningenniveau.

Artikel 5.223 Algemene regels sportactiviteiten

  • 1.

    Gelegenheid tot sportbeoefening in een gebouw, bedoeld in artikel 5.221eerste lid, onder a, wordt alleen geboden in het werkingsgebied sport-binnenaccommodatie

  • 2.

    Gelegenheid tot sportbeoefening op een terrein, bedoeld in artikel 5.221eerste lid, onder b, wordt alleen geboden in het werkingsgebied sport-buitenaccommodatie

  • 3.

    Een manege, bedoeld in artikel 5.221eerste lid, onder c, wordt alleen geëxploiteerd in het werkingsgebied manege.

  • 4.

    Wonen in een bedrijfswoning vindt alleen plaats in het werkingsgebied bedrijfswoning.

  • 5.

    In het werkingsgebied bedrijfswoning bevindt zich maximaal één bedrijfswoning.

  • 6.

    Een bedrijfswoning wordt alleen bewoond door een persoon of een huishouden van een persoon die een functionele binding heeft met de activiteit waarvan agrarische activiteiten of andere bedrijfsmatige activiteiten de kern vormen.

  • 7.

    Alleen in het werkingsgebied schietbaan wordt een binnenschietbaan geëxploiteerd. 

Artikel 5.224 Verbod sportactiviteiten

De volgende sportactiviteiten zijn in ieder geval verboden:

  • a.

    gemotoriseerde en gemechaniseerde sporten; 

  • b.

    sporten met dieren, met uitzondering van maneges in het werkingsgebied manege; en

  • c.

    gebouwen en overkappingen te gebruiken ten behoeve van de uitbreiding van de bestaande veestapel waarbij een toename plaatsvindt van de ammoniakemissie vanaf de desbetreffende manege.

OOO

Het opschrift van afdeling 5.3.14 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 5.3.14 5.3.17 STANDPLAATS  OP EEN WARENMARKT OF VOOR AMBULANTE HANDEL INNEMEN EN VENTEN

PPP

Afdeling 5.3.15 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 5.3.15 5.3.18 VERKEERS- EN PARKEERACTIVITEITEN

[Gereserveerd]

Paragraaf 5.3.18.1 Verkeersactiviteiten

Artikel 5.225 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op:

    • a.

      het verkeersgerelateerd gebruik van wegen;

    • b.

      het verkeersgerelateerd gebruik van fiets en voetpaden; en

    • c.

      het verkeersgerelateerd gebruik van civieltechnische (kunst)werken.

  • 2.

    Tot een gebruik dat in overeenstemming is met de activiteit, bedoeld in het eerste lid, behoren:

    • a.

      wegen, straten en paden;

    • b.

      voet- en fietspaden;

    • c.

      parkeervoorzieningen;

    • d.

      speelvoorzieningen;

    • e.

      de aanleg, het onderhoud en gebruik van overige voorzieningen,

    • f.

      nutsvoorzieningen;

    • g.

      bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

    • h.

      watervoorzieningen;

    • i.

      groenvoorzieningen.

  • 3.

    Deze afdeling is niet van toepassing op parkeren in parkeergarages. Hiervoor geldt paragraaf 5.3.18.2.

Artikel 5.226 Oogmerken

De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het beschermen van een goed woon- en leefklimaat;

  • b.

    het beschermen van de gezondheid;

  • c.

    het behoeden van de staat en werking van infrastructuur voor nadelige gevolgen van activiteiten;

  • d.

    het beheren van infrastructuur;

  • e.

    het gebruiken van bouwwerken;

  • f.

    het kunnen benutten van de openbare ruimte voor verkeer, parkeren en afvalinzameling;

  • g.

    het bereikbaar en toegankelijk maken van gebieden; en

  • h.

    het voorkomen van geluidhinder.

Artikel 5.227 Algemene regels verkeersactiviteiten
  • 1.

    Verkeersactiviteiten worden alleen verricht in het werkingsgebied verkeer.

Paragraaf 5.3.18.2 Parkeren in parkeergarages

Artikel 5.228 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op parkeren in parkeergarages.

  • 2.

    Tot een gebruik dat in overeenstemming is met de activiteit, bedoeld in het eerste lid behoren ook:

    • a.

      de aanleg, het onderhoud en gebruik van overige voorzieningen,

    • b.

      nutsvoorzieningen;

    • c.

      bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

    • d.

      wegen en paden;

    • e.

      waterhuishoudkundige voorzieningen en bergbezinkbassins; en

    • f.

      groenvoorzieningen.

Artikel 5.229 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 5.230 Gereserveerd

[Gereserveerd]

QQQ

Na afdeling 5.3.15 wordt een afdeling ingevoegd, luidende:

Afdeling 5.3.19 WATERACTIVITEITEN

[Gereserveerd]

RRR

Afdeling 5.3.16 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 5.3.16 5.3.20 WOONACTIVITEITEN

[Gereserveerd]

Paragraaf 5.3.20.1 Wonen in een woning

Artikel 5.231 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op wonen in een woning.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op:

  • 3.

    Tot een gebruik dat in overeenstemming is met de activiteit, bedoeld in het eerste lid, behoren ook:

    • a.

      nevenactiviteiten bij wonen in een woning, bedoeld in paragraaf 5.3.20.5;

    • b.

      hoofdgebouwen;

    • c.

      bijbehorende bouwwerken;

    • d.

      bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

    • e.

      parkeervoorzieningen;

    • f.

      groenvoorzieningen; 

    • g.

      watervoorzieningen; en

    • h.

      tuinen, erven en terreinen.

Artikel 5.232 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het bereiken en in stand houden van een goed woon- en leefklimaat; 

  • b.

    het voorkomen en beperken van hinder;

  • c.

    het beschermen van de gezondheid; en

  • d.

    het behoud en samenstelling van de woningvoorraad.

Artikel 5.233 Algemene regels wonen in een woning

Paragraaf 5.3.20.2 Zorgwonen

Artikel 5.234 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op zorgwonen

  • 2.

    Onder zorgwonen wordt verstaan:

    • a.

      een geheel van ruimten voor in principe onzelfstandig wonen, onplanbare zorg en 24-uurs toezicht en zorg, permanent of tijdelijk, waarbij er allerlei variaties mogelijk zijn; en

    • b.

      het geheel van diensten en voorzieningen op het terrein wonen en zorg, waarbij wordt uitgegaan van wonen in een zelfstandige woning met aanvullende zorginfrastructuur voor mensen met een zorgvraag waar desgewenst gebruik van kan worden gemaakt.

  • 3.

    Tot een gebruik dat in overeenstemming is met de activiteit, bedoeld in het eerste lid, behoren ook:

    • a.

      gebouwen;

    • b.

      bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

    • c.

      parkeervoorzieningen;

    • d.

      groenvoorzieningen; 

    • e.

      watervoorzieningen; en

    • f.

      tuinen, erven en terreinen.

Artikel 5.235 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het efficiënt organiseren van zorg;

  • b.

    het strategisch plaatsen van zorgwoningen in de buurt van voorzieningen;

  • c.

    het mede bevorderen van zelfstandig wonen; en

  • d.

    het beschermen van de gezondheid van kwetsbare doelgroepen.

Artikel 5.236 Algemene regels zorgwonen

Paragraaf 5.3.20.3 Wonen in een woonwagen

[Gereserveerd]

Paragraaf 5.3.20.4 Bewonen woning door twee huishoudens

Artikel 5.237 Aanwijzing vergunningplicht bewonen woning door twee huishoudens

Het is verboden zonder omgevingsvergunning om twee huishoudens in een woning te huisvesten.

Artikel 5.238 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning bewonen woning door twee huishoudens

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 5.237 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    plattegronden van de bestaande woningindeling en plattegronden van de nieuwe woningindeling;

  • b.

    tekeningen van alle gevels van het bouwwerk;

  • c.

    een opgave van de bruto inhoud in m3 van de bestaande woning; en

  • d.

    een onderbouwing waarin wordt aangetoond dat wordt voldaan aan de in artikel 5.239 genoemde criteria.

Artikel 5.239 Beoordelingsregels omgevingsvergunning bewonen woning door twee huishoudens

De omgevingsvergunning wordt verleend als:

  • a.

    het aantal woningen niet wordt vergroot; 

  • b.

    de inhoud van de woning is minimaal 500 m3;

  • c.

    de uiterlijke verschijningsvorm blijft gehandhaafd;

  • d.

    er is geen onevenredige aantasting van: 

    • 1.

      het straat- en bebouwingsbeeld;

    • 2.

      de milieusituatie;

    • 3.

      de verkeersveiligheid;

    • 4.

      de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;

    • 5.

      de sociale veiligheid;

    • 6.

      de externe veiligheid.

Paragraaf 5.3.20.5 Nevenactiviteiten in een woning

Artikel 5.240 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op nevenactiviteiten bij wonen in een woning.

Artikel 5.241 Algemene regels nevenactiviteiten in een woning 

Paragraaf 5.3.20.6 Verboden activiteiten

Artikel 5.242 Verboden activiteiten

De volgende activiteiten zijn in ieder geval verboden:

  • a.

    het recreatief verblijven in hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken;

  • b.

    het gebruik van gronden voor de opslag van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijk gebruik onttrokken voertuigen, schroot, afbraak- en bouwmaterialen, vuil en afvalstoffen, behoudens deze opslag geschiedt in het kader van het normale gebruik; en

  • c.

    het gebruik van gronden voor de opslag van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijk gebruik onttrokken voertuigen, schroot, afbraak- en bouwmaterialen, vuil- en afvalstoffen, behoudens de opslag die geschiedt in het kader van het normale gebruik.

SSS

Paragraaf 5.4.1.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 5.4.1.1 Algemene bepalingen ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 5.243 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op de volgende activiteiten:

  • a.

    het bouwen van bouwwerken waarvoor werkzaamheden beneden het maaiveld plaatsvinden, dan wel beneden de waterbodem;

  • b.

    het aanleggen van wegen, paden, banen en andere oppervlakteverhardingen;

  • c.

    het uitvoeren van grondbewerkingen;

  • d.

    het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en/of bomen of het rooien van diepwortelende beplantingen en/of bomen waarbij stobben worden verwijderd;

  • e.

    het aanleggen van watergangen of het vergraven, verruimen of dempen van reeds bestaande watergangen;

  • f.

    het verlagen en verhogen van het waterpeil; 

  • g.

    het slopen van bouwwerken waarvoor werkzaamheden beneden het maaiveld plaatsvinden, dan wel beneden de waterbodem; en

  • h.

    het aanbrengen van ondergrondse kabels en leidingen, waarbij de breedte van deze activiteiten ten minste 1,25 meter bedraagt.

Artikel 5.69 Vrijstelling van archeologisch onderzoek

  • 1.

    Als er in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, regels worden gesteld over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, zijn die regels niet van toepassing als die activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van minder dan 100 m2.

  • 2.

    Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor zover er met betrekking tot die regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een andere oppervlakte dan 100 m2 geldt. In dat geval geldt die afwijkende andere oppervlakte.

Artikel 5.244 Oogmerken

De regels van deze afdeling zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het beschermen en behouden van archeologische waarden die in de grond behouden blijven; en

  • b.

    het beschermen en behouden van archeologische waarden welke opgegraven en geconserveerd worden.

TTT

Na paragraaf 5.4.1.1 worden acht paragrafen ingevoegd, luidende:

Paragraaf 5.4.1.2 ACTIVITEITEN OP ARCHEOLOGISCHE RIJKSMONUMENTENTERREINEN

Artikel 5.245 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning binnen het werkingsgebied archeologische rijksmonumententerreinen de activiteiten als bedoeld in artikel 5.243 te verrichten.

  • 2.

    Het verbod in het eerste lid geldt niet:

    • a.

      voor activiteiten die betrekking hebben op normaal beheer en onderhoud;

    • b.

      op activiteiten die uit een oogpunt van bescherming van de archeologische waarde van niet ingrijpende betekenis zijn; 

    • c.

      in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een daartoe bevoegde instantie; of

    • d.

      als uit archeologisch onderzoek is komen vast te staan dat er geen sprake is van te beschermen archeologische waarden.

Artikel 5.246 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning archeologie

Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt een rapport overlegd, waarin de archeologische waarde van de gronden, waarop de aanvraag betrekking heeft, in voldoende mate is vastgesteld.

Artikel 5.247 Beoordelingsregels omgevingsvergunning archeologie

De omgevingsvergunning wordt verleend als:

  • a.

    er op de plaats van de uit te voeren activiteiten geen archeologische waarden aanwezig zijn;

  • b.

    het belang van de archeologische waarden hierdoor niet of niet onevenredig wordt geschaad; of

  • c.

    de archeologische waarden kunnen worden behouden door voorschriften, bedoeld in artikel 5.249, te verbinden aan de omgevingsvergunning.

Artikel 5.248 Advies deskundige archeologie

Het bevoegd gezag wint voorafgaand aan het verlenen van de omgevingsvergunning schriftelijk advies in bij de deskundige inzake archeologie of voldaan wordt aan de beoordelingsregels in artikel 5.247.

Artikel 5.249 Voorschriften

Aan de omgevingsvergunning kunnen de volgende voorschriften worden verbonden:

  • a.

    de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; 

  • b.

    de verplichting tot het doen van opgravingen; of

  • c.

    de verplichting de uitvoering van de activiteiten te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.

Paragraaf 5.4.1.3 ACTIVITEITEN OP OVERIGE ARCHEOLOGISCHE MONUMENTENTERREINEN

Artikel 5.250 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning binnen het werkingsgebied overige archeologische monumententerreinen de activiteiten als bedoeld in artikel 5.243 te verrichten op een plangebied dat groter is dan 25 m2 en de activiteit verricht wordt dieper dan 35 cm beneden het maaiveld.

  • 2.

    Het verbod in het eerste lid geldt niet:

    • a.

      voor activiteiten die betrekking hebben op normaal beheer en onderhoud;

    • b.

      op activiteiten die uit een oogpunt van bescherming van de archeologische waarde van niet ingrijpende betekenis zijn; 

    • c.

      in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een daartoe bevoegde instantie; of

    • d.

      als uit archeologisch onderzoek is komen vast te staan dat er geen sprake is van te beschermen archeologische waarden.

Artikel 5.251 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning archeologie

Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt een rapport overlegd, waarin de archeologische waarde van de gronden, waarop de aanvraag betrekking heeft, in voldoende mate is vastgesteld.

Artikel 5.252 Beoordelingsregels omgevingsvergunning archeologie

De omgevingsvergunning wordt verleend als:

  • a.

    er op de plaats van de uit te voeren activiteiten geen archeologische waarden aanwezig zijn;

  • b.

    het belang van de archeologische waarden hierdoor niet of niet onevenredig wordt geschaad; of

  • c.

    de archeologische waarden kunnen worden behouden door voorschriften, bedoeld in artikel 5.254, te verbinden aan de omgevingsvergunning. 

Artikel 5.253 Advies deskundige archeologie

Het bevoegd gezag wint voorafgaand aan het verlenen van de omgevingsvergunning schriftelijk advies in bij de deskundige inzake archeologie of voldaan wordt aan de beoordelingsregels in artikel 5.252.

Artikel 5.254 Voorschriften

Aan de omgevingsvergunning kunnen de volgende voorschriften worden verbonden:

  • a.

    de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; 

  • b.

    de verplichting tot het doen van opgravingen; of

  • c.

    de verplichting de uitvoering van de activiteiten te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.

Paragraaf 5.4.1.4 ACTIVITEITEN IN EEN ZONE MET ARCHEOLOGISCHE WAARDEN

Artikel 5.255 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning binnen het werkingsgebied zone met archeologische waarden de activiteiten als bedoeld in artikel 5.243 te verrichten op een plangebied dat groter is dan 100 m2 en de activiteit verricht wordt dieper dan 35 cm beneden het maaiveld.

  • 2.

    Het verbod in het eerste lid geldt niet:

    • a.

      voor activiteiten die betrekking hebben op normaal beheer en onderhoud;

    • b.

      op activiteiten die uit een oogpunt van bescherming van de archeologische waarde van niet ingrijpende betekenis zijn; 

    • c.

      in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een daartoe bevoegde instantie; of

    • d.

      als uit archeologisch onderzoek is komen vast te staan dat er geen sprake is van te beschermen archeologische waarden.

Artikel 5.256 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning archeologie

Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt een rapport overlegd, waarin de archeologische waarde van de gronden, waarop de aanvraag betrekking heeft, in voldoende mate is vastgesteld.

Artikel 5.257 Beoordelingsregels omgevingsvergunning archeologie

De omgevingsvergunning wordt verleend als:

  • a.

    er op de plaats van de uit te voeren activiteiten geen archeologische waarden aanwezig zijn;

  • b.

    het belang van de archeologische waarden hierdoor niet of niet onevenredig wordt geschaad; of

  • c.

    de archeologische waarden kunnen worden behouden door voorschriften, bedoeld in artikel 5.259, te verbinden aan de omgevingsvergunning.

Artikel 5.258 Advies deskundige archeologie

Het bevoegd gezag wint voorafgaand aan het verlenen van de omgevingsvergunning schriftelijk advies in bij de deskundige inzake archeologie of voldaan wordt aan de beoordelingsregels in artikel 5.257.

Artikel 5.259 Voorschriften

Aan de omgevingsvergunning kunnen de volgende voorschriften worden verbonden:

  • a.

    de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; 

  • b.

    de verplichting tot het doen van opgravingen; of

  • c.

    de verplichting de uitvoering van de activiteiten te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.

Paragraaf 5.4.1.5 ACTIVITEITEN IN EEN ZONE MET HOGE ARCHEOLOGISCHE VERWACHTING

Artikel 5.260 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning binnen het werkingsgebied zone met hoge archeologische verwachting de activiteiten als bedoeld in artikel 5.243 te verrichten op een plangebied dat groter is dan 250 m2 en de activiteit verricht wordt dieper dan 35 cm beneden het maaiveld.

  • 2.

    Het verbod in het eerste lid geldt niet:

    • a.

      voor activiteiten die betrekking hebben op normaal beheer en onderhoud;

    • b.

      op activiteiten die uit een oogpunt van bescherming van de archeologische waarde van niet ingrijpende betekenis zijn; 

    • c.

      in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een daartoe bevoegde instantie; of

    • d.

      als uit archeologisch onderzoek is komen vast te staan dat er geen sprake is van te beschermen archeologische waarden.

Artikel 5.261 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning archeologie

Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt een rapport overlegd, waarin de archeologische waarde van de gronden, waarop de aanvraag betrekking heeft, in voldoende mate is vastgesteld.

Artikel 5.262 Beoordelingsregels omgevingsvergunning archeologie

De omgevingsvergunning wordt verleend als:

  • a.

    er op de plaats van de uit te voeren activiteiten geen archeologische waarden aanwezig zijn;

  • b.

    het belang van de archeologische waarden hierdoor niet of niet onevenredig wordt geschaad; of

  • c.

    de archeologische waarden kunnen worden behouden door voorschriften, bedoeld in artikel 5.264, te verbinden aan de omgevingsvergunning.

Artikel 5.263 Advies deskundige archeologie

Het bevoegd gezag wint voorafgaand aan het verlenen van de omgevingsvergunning schriftelijk advies in bij de deskundige inzake archeologie of voldaan wordt aan de beoordelingsregels in artikel 5.262.

Artikel 5.264 Voorschriften

Aan de omgevingsvergunning kunnen de volgende voorschriften worden verbonden:

  • a.

    de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; 

  • b.

    de verplichting tot het doen van opgravingen; of

  • c.

    de verplichting de uitvoering van de activiteiten te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.

Paragraaf 5.4.1.6 ACTIVITEITEN IN EEN ZONE MET MIDDELHOGE ARCHEOLOGISCHE VERWACHTING

Artikel 5.265 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning binnen het werkingsgebied zone met middelhoge archeologische verwachting de activiteiten als bedoeld in artikel 5.243 te verrichten op een plangebied dat groter is dan 1.000 m2 en de activiteit verricht wordt dieper dan 35 cm beneden het maaiveld.

  • 2.

    Het verbod in het eerste lid geldt niet:

    • a.

      voor activiteiten die betrekking hebben op normaal beheer en onderhoud;

    • b.

      op activiteiten die uit een oogpunt van bescherming van de archeologische waarde van niet ingrijpende betekenis zijn; 

    • c.

      in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een daartoe bevoegde instantie; of

    • d.

      als uit archeologisch onderzoek is komen vast te staan dat er geen sprake is van te beschermen archeologische waarden.

Artikel 5.266 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning archeologie

Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt een rapport overlegd, waarin de archeologische waarde van de gronden, waarop de aanvraag betrekking heeft, in voldoende mate is vastgesteld.

Artikel 5.267 Beoordelingsregels omgevingsvergunning archeologie

De omgevingsvergunning wordt verleend als:

  • a.

    er op de plaats van de uit te voeren activiteiten geen archeologische waarden aanwezig zijn;

  • b.

    het belang van de archeologische waarden hierdoor niet of niet onevenredig wordt geschaad; of

  • c.

    de archeologische waarden kunnen worden behouden door voorschriften, bedoeld in artikel 5.269, te verbinden aan de omgevingsvergunning.

Artikel 5.268 Advies deskundige archeologie

Het bevoegd gezag wint voorafgaand aan het verlenen van de omgevingsvergunning schriftelijk advies in bij de deskundige inzake archeologie of voldaan wordt aan de beoordelingsregels in artikel 5.267.

Artikel 5.269 Voorschriften

Aan de omgevingsvergunning kunnen de volgende voorschriften worden verbonden:

  • a.

    de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; 

  • b.

    de verplichting tot het doen van opgravingen; of

  • c.

    de verplichting de uitvoering van de activiteiten te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.

Paragraaf 5.4.1.7 ACTIVITEITEN IN EEN ZONE MET LAGE ARCHEOLOGISCHE VERWACHTING

Artikel 5.270 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning binnen het werkingsgebied zone met lage archeologische verwachting de activiteiten als bedoeld in artikel 5.243 te verrichten op een plangebied dat groter is dan 2.500 m2 en de activiteit verricht wordt dieper dan 35 cm beneden het maaiveld.

  • 2.

    Het verbod in het eerste lid geldt niet:

    • a.

      voor activiteiten die betrekking hebben op normaal beheer en onderhoud;

    • b.

      op activiteiten die uit een oogpunt van bescherming van de archeologische waarde van niet ingrijpende betekenis zijn; 

    • c.

      in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een daartoe bevoegde instantie; of

    • d.

      als uit archeologisch onderzoek is komen vast te staan dat er geen sprake is van te beschermen archeologische waarden.

Artikel 5.271 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning archeologie

Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt een rapport overlegd, waarin de archeologische waarde van de gronden, waarop de aanvraag betrekking heeft, in voldoende mate is vastgesteld.

Artikel 5.272 Beoordelingsregels omgevingsvergunning archeologie

De omgevingsvergunning wordt verleend als:

  • a.

    er op de plaats van de uit te voeren activiteiten geen archeologische waarden aanwezig zijn;

  • b.

    het belang van de archeologische waarden hierdoor niet of niet onevenredig wordt geschaad; of

  • c.

    de archeologische waarden kunnen worden behouden door voorschriften, bedoeld in artikel 5.274, te verbinden aan de omgevingsvergunning.

Artikel 5.273 Advies deskundige archeologie

Het bevoegd gezag wint voorafgaand aan het verlenen van de omgevingsvergunning schriftelijk advies in bij de deskundige inzake archeologie of voldaan wordt aan de beoordelingsregels in artikel 5.272.

Artikel 5.274 Voorschriften

Aan de omgevingsvergunning kunnen de volgende voorschriften worden verbonden:

  • a.

    de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; 

  • b.

    de verplichting tot het doen van opgravingen; of

  • c.

    de verplichting de uitvoering van de activiteiten te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.

Paragraaf 5.4.1.8 ACTIVITEITEN IN EEN ZONE MET WATERBODEMGERELATEERDE ARCHEOLOGISCHE VERWACHTING

Artikel 5.275 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning binnen het werkingsgebied zone met waterbodemgerelateerde archeologische verwachting de activiteiten als bedoeld in artikel 5.243 te verrichten op een plangebied dat groter is dan 2.500 m2 en de activiteit verricht wordt dieper dan 35 cm beneden de waterbodem.

  • 2.

    Het verbod in het eerste lid geldt niet:

    • a.

      voor activiteiten die betrekking hebben op normaal beheer en onderhoud;

    • b.

      op activiteiten die uit een oogpunt van bescherming van de archeologische waarde van niet ingrijpende betekenis zijn; 

    • c.

      in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een daartoe bevoegde instantie; of

    • d.

      als uit archeologisch onderzoek is komen vast te staan dat er geen sprake is van te beschermen archeologische waarden.

Artikel 5.276 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning archeologie

Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt een rapport overlegd, waarin de archeologische waarde van de gronden, waarop de aanvraag betrekking heeft, in voldoende mate is vastgesteld.

Artikel 5.277 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning wordt verleend als:

  • a.

    er op de plaats van de uit te voeren activiteiten geen archeologische waarden aanwezig zijn;

  • b.

    het belang van de archeologische waarden hierdoor niet of niet onevenredig wordt geschaad; of

  • c.

    de archeologische waarden kunnen worden behouden door voorschriften, bedoeld in artikel 5.279, te verbinden aan de omgevingsvergunning.

Artikel 5.278 Advies deskundige archeologie

Het bevoegd gezag wint voorafgaand aan het verlenen van de omgevingsvergunning schriftelijk advies in bij de deskundige inzake archeologie of voldaan wordt aan de beoordelingsregels in artikel 5.277.

Artikel 5.279 Voorschriften

Aan de omgevingsvergunning kunnen de volgende voorschriften worden verbonden:

  • a.

    de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; 

  • b.

    de verplichting tot het doen van opgravingen; of

  • c.

    de verplichting de uitvoering van de activiteiten te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.

Paragraaf 5.4.1.9 ACTIVITEITEN IN EEN ZONE MET ONBEKENDE ARCHEOLOGISCHE VERWACHTING

Artikel 5.280 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning binnen het werkingsgebied zone met onbekende archeologische verwachting de activiteiten als bedoeld in artikel 5.243 te verrichten op een plangebied dat groter is dan 10.000 m2 en de activiteit verricht wordt dieper dan 35 cm beneden de waterbodem.

  • 2.

    Het verbod in het eerste lid geldt niet:

    • a.

      voor activiteiten die betrekking hebben op normaal beheer en onderhoud;

    • b.

      op activiteiten die uit een oogpunt van bescherming van de archeologische waarde van niet ingrijpende betekenis zijn; 

    • c.

      in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een daartoe bevoegde instantie; of

    • d.

      als uit archeologisch onderzoek is komen vast te staan dat er geen sprake is van te beschermen archeologische waarden.

Artikel 5.281 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning archeologie

Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt een rapport overlegd, waarin de archeologische waarde van de gronden, waarop de aanvraag betrekking heeft, in voldoende mate is vastgesteld.

Artikel 5.282 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning wordt verleend als:

  • a.

    er op de plaats van de uit te voeren activiteiten geen archeologische waarden aanwezig zijn;

  • b.

    het belang van de archeologische waarden hierdoor niet of niet onevenredig wordt geschaad; of

  • c.

    de archeologische waarden kunnen worden behouden door voorschriften, bedoeld in artikel 5.284, te verbinden aan de omgevingsvergunning.

Artikel 5.283 Advies deskundige archeologie

Het bevoegd gezag wint voorafgaand aan het verlenen van de omgevingsvergunning schriftelijk advies in bij de deskundige inzake archeologie of voldaan wordt aan de beoordelingsregels in artikel 5.282.

Artikel 5.284 Voorschriften

Aan de omgevingsvergunning kunnen de volgende voorschriften worden verbonden:

  • a.

    de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; 

  • b.

    de verplichting tot het doen van opgravingen; of

  • c.

    de verplichting de uitvoering van de activiteiten te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.

UUU

Afdeling 5.4.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 5.4.3 ACTIVITEITEN IN EEN LANDSCHAP, NATUUR- OF BOSGEBIED VERRICHTEN

[Gereserveerd]

Paragraaf 5.4.3.1 Activiteiten in de beschermingszone natte landnatuur

Artikel 5.285 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op de volgende activiteiten in het werkingsgebied beschermingszone natte landnatuur:

  • a.

    aanleggen en verharden van wegen en paden en het aanleggen of aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;

  • b.

    verlagen van de bodem en afgraven van gronden;

  • c.

    ophogen en egaliseren van de gronden, waaronder het aanbrengen van kaden en dijken

  • d.

    aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur, het ingraven of indrijven van voorwerpen dieper dan 3 meter;

  • e.

    diepploegen, zijnde het meer dan 40 centimeter diep omploegen, en het (chemisch) scheuren van grasland, anders dan voor graslandverbetering; en

  • f.

    het vellen of rooien van houtsingels of houtwallen.

Artikel 5.286 Oogmerken

 

De regels van deze afdeling zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    bescherming van de vochtgebonden natuurlijke waarden.

Artikel 5.287 Aanwijziging vergunningplichtige gevallen
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het werkingsgebied beschermingszone natte landnatuur de activiteiten als bedoeld in artikel 5.285 te verrichten.

  • 2.

    Het verbod in het eerste lid geldt niet:

    • a.

      voor activiteiten die betrekking hebben op normaal gebruik, beheer en onderhoud;

    • b.

      reeds rechtmatig in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning of een vastgesteld beheerplan reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit besluit;

    • c.

      binnen het werkingsgebied bouwvlak en agrarisch bouwvlak.

Artikel 5.288 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning activiteiten in de beschermingszone natte landnatuur

Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden overlegd:

  • a.

    een rapport waaruit blijkt dat de overlast door steekmuggen en knutten als gevolg van de voorgenomen maatregel zoveel als mogelijk wordt beperkt; en

  • b.

    een onderbouwing waaruit blijkt dat wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.289.

Artikel 5.289 Beoordelingsregels omgevingsvergunning activiteiten in de beschermingszone natte landnatuur

De omgevingsvergunning wordt verleend als:

  • a.

    de activiteiten als bedoeld in artikel 5.285 of de directe of indirecte gevolgen van deze activiteiten niet blijvend leiden tot een onevenredige afbreuk aan de waarden van het gebied, bedoeld in artikel 5.286; of

  • b.

    de waarden van het gebied, bedoeld in artikel 5.286, kunnen worden behouden of niet onevenredig worden aangetast door voorschriften, bedoeld in artikel 5.291, te verbinden aan de omgevingsvergunning; en

  • c.

    door de werken, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden of de direct of indirect te verwachten gevolgen daarvan de natuurlijke en/of waterhuishoudkundige waarden van de met deze bestemming te beschermen vochtgebonden natuurwaarden, alsmede de kwaliteit, de waterstand en de stroming van het oppervlakte- en grondwater niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind;

  • d.

    het woongenot van nabij gelegen woningen, recreatiewoningen en recreatieve nachtverblijven niet onevenredig wordt of kan worden geschaad als gevolg van plaagvorming van steekmuggen en/of knutten en de overlast door steekmuggen en knutten zoveel als mogelijk wordt beperkt;

  • e.

    bij de uitvoering van de activiteiten als bedoeld in artikel 5.285 onder b, d en e, uit onderzoek is gebleken dat de directe dan wel indirecte gevolgen van de werkzaamheden niet zullen leiden tot een aantasting van de mogelijk aanwezige kleischotten en daarmee de waterhuishouding beïnvloeden.

Artikel 5.290 Advies waterbeheerder

Het bevoegd gezag wint voorafgaand aan het verlenen van de omgevingsvergunning schriftelijk advies in bij de waterbeheerder of voldaan wordt aan de beoordelingsregels in artikel 5.289.

Artikel 5.291 Voorschriften

Aan de omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden om de waarden bedoeld in artikel 5.286 te behouden of niet onevenredig aan te tasten.

VVV

Na afdeling 5.4.8 wordt een afdeling ingevoegd, luidende:

Afdeling 5.4.9 ACTIVITEITEN IN EEN MOLENBIOTOOP

Artikel 5.292 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op de volgende activiteiten in het werkingsgebied molenbiotoop:

  • a.

    bouwen van bouwwerken; en

  • b.

    aanbrengen of planten van bomen, heesters en andere opgaande beplantingen.

Artikel 5.293 Oogmerken

De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het belang van het behoud van de windmolen;

  • b.

    de bescherming van de functie als werktuig gelet op de windvang;

  • c.

    de bescherming van de waarde van de molen als landschappelijk element.

Artikel 5.294 Aanwijziging vergunningplichtige gevallen

  • 1.

    Gereserveerd voor toekomstige regels over molenbiotoop waarbij de afstand tot het middelpunt van de molen minder dan 100 meter is.

  • 2.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het werkingsgebied molenbiotoop Korenmolen Werklust Oene 100 - 400 meter de activiteiten als bedoeld in artikel 5.292 te verrichten als:

    • a.

      de afstand tot het middelpunt van de molen tussen de 100 en 400 meter is; en

    • b.

      een bouwwerk, boom, heester of andere opgaande beplanting inclusief uitgroeihoogte hoger is dan X / 75 + 2,96 meter, waarin X de afstand in meters vanaf het gebouw tot aan de wieken van de molen is.

  • 3.

    Het verbod in het tweede lid geldt niet:

    • a.

      voor bestaande aanwezige bouwwerken, planten van bomen, heesters en andere opgaande beplantingen met een hogere hoogte dan is bepaald in het tweede lid; of

    • b.

      voor activiteiten die reeds rechtmatig in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning of een vastgesteld beheerplan reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit besluit.

Artikel 5.295 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden overlegd:

  • a.

    een rapport waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de beoordelingsregels in artikel 5.296.

Artikel 5.296 Beoordelingsregels omgevingsvergunning activiteiten in een molenbiotoop

De omgevingsvergunning wordt verleend als:

  • a.

    binnen een molenbiotoop de vrije windvang en het zicht op de molen al zijn beperkt door bebouwing , zolang de vrije windvang en het zicht op de molen door de nieuwe ontwikkeling niet verder worden beperkt, of zeker is gesteld dat de belemmering van de windvang en het zicht op de molen door maatregelen elders in de molenbeschermingszone worden gecompenseerd; of

  • b.

    binnen een bijzondere molenbiotoop als bedoeld in artikel 7.71, tweede lid, van de provinciale omgevingsverordening de nieuwe ontwikkeling op een goede manier ruimtelijke wordt ingepast ten opzichte van de molen en de molenbiotoop.

WWW

Hoofdstuk 6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 6 REGELS GEBIEDSONTWIKKELING EN TRANSFORMATIE

[Gereserveerd]

Titel 6.1 ALGEMENE BEPALINGEN

[Gereserveerd]

XXX

Hoofdstuk 7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 7 LOCATIESPECIFIEKE REGELINGEN

[Gereserveerd]

Afdeling 7.1 ALGEMENE BEPALINGEN

[Gereserveerd]

Afdeling 7.2 VOORRANGSBEPALINGEN VOOR SPECIFIEKE LOCATIES WAARBIJ HET TIJDELIJK DEEL NOG NIET IS VERVALLEN

Paragraaf 7.2.1 Voorrangsbepaling perceel nabij Klaverkamp 43 Epe
Artikel 7.1 Voorrangsbepaling perceel nabij Klaverkamp 43 Epe
  • 1.

    In het werkingsgebied perceel EPE00-T-6112 zijn de regels van de bestemming Groen van het bestemmingsplan 'Epe Zuid' met IMRO-idn NL.IMRO.0232.EPE008EpeZuid-VBP1 als onderdeel van het tijdelijk deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, niet van toepassing.

Paragraaf 7.2.2 Voorrangsbepaling perceel nabij Hoofdstraat 39 en 41 Epe
Artikel 7.2 Voorrangsbepaling perceel nabij Hoofdstraat 39 en 41 Epe

In het werkingsgebied perceel EPE00-U-7852 zijn de regels van de bestemming Tuin van het bestemmingsplan 'Centrum Epe' met IMRO-idn NL.IMRO.0232.EPE015CentrumEpe-VBP2 als onderdeel van het tijdelijk deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, niet van toepassing.

Paragraaf 7.2.3 Voorrangsbepaling perceel nabij Oenerweg 9 en 15 Epe 
Artikel 7.3 Voorrangsbepaling perceel nabij Oenerweg 9 en 15 Epe 

In het werkingsgebied perceel EPE00-U-9067 zijn de regels van de bestemming Wonen van het bestemmingsplan 'Bedrijventerrein Kweekweg' met IMRO-idn NL.IMRO.02320000BTKweekweg als onderdeel van het tijdelijk deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, niet van toepassing.

Paragraaf 7.2.4 Voorrangsbepaling landbouwhuisdieren uitgesloten i.v.m. LBV-plus
Artikel 7.4 Voorrangsbepaling landbouwhuisdieren uitgesloten i.v.m. LBV-plus

In afwijking van artikel 3.1 van het bestemmingsplan 'Buitengebied Epe' met IMRO-idn NL.IMRO.0232.BG028Buitengebied-VBP1 als onderdeel van het tijdelijk deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is in het werkingsgebied landbouwhuisdieren uitgesloten het houden van landbouwhuisdieren verboden.

Paragraaf 7.2.5 Voorrangsbepaling verkoop groenstrook Molenbeek Vaassen
Artikel 7.5 Voorrangsbepaling verkoop groenstrook Molenbeek Vaassen

In het werkingsgebied verkoop groenstrook Molenbeek Vaassen zijn de regels van de bestemming Bos van het bestemmingsplan 'Vaassen Zuid en West' met IMRO-idn NL.IMRO.0232.VAA006VaaZuidWest-VBP1 als onderdeel van het tijdelijk deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, niet van toepassing.

Afdeling 7.3 REGELS DIE ALLEEN OP SPECIFIEKE LOCATIES GELDEN WAARVOOR HET TIJDELIJK DEEL IS VERVALLEN

Paragraaf 7.3.1 Oranjeweg 43, Emst
Artikel 7.6 Algemene regels Oranjeweg 43, Emst
Paragraaf 7.3.2 Dokter van Gelderweg 1-35, Emst
Artikel 7.7 Algemene regels Dokter van Gelderweg 1-35, Emst
  • 1.

    In het werkingsgebied  Dokter van Gelderweg 1-35, Emst mogen, in afwijking van afdeling 5.2.9, bijbehorende bouwwerken buiten het bouwvlak worden gebouwd, gebruikt en in stand gehouden, mits:

    • a.

      de oppervlakte maximaal 175 m2 is;

    • b.

      de bouwhoogte maximaal 3 meter is.

Paragraaf 7.3.3 Hoofdweg 7A-7M, Oene
Artikel 7.8 Algemene regels Hoofdweg 7A-7M, Oene
  • 1.

    In het werkingsgebied Horthoekerweg 7A-7M, Oene mogen, in afwijking van afdeling 5.2.9, bijbehorende bouwwerken buiten het bouwvlak worden gebouwd, gebruikt en in stand gehouden, mits:

    • a.

      de oppervlakte maximaal 175 m2 is;

    • b.

      de bouwhoogte maximaal 3 meter is.

YYY

Afdeling 9.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 9.1 ONDERHOUDS- EN INSTANDHOUDINGSVERPLICHTINGEN

[Gereserveerd]

Paragraaf 9.1.1 Beplantingsstroken

Artikel 9.1 Instandhouding beplantingsstrook Oranjeweg 43, Emst

In het werkingsgebied beplantingsstrook Oranjeweg 43 Emst wordt een beplantingsstrook met een minimale hoogte van 2 meter in stand gehouden.

Artikel 9.2 Instandhouding beplantingsstrook Brinkerweg 5, Emst

In het werkingsgebied beplantingsstrook Brinkerweg 5 Emst wordt een beplantingsstrook met een minimale hoogte van 2 meter in stand gehouden.

Artikel 9.3 Instandhouding beplantingsstrook Hoofdweg 20-22, Emst

In het werkingsgebied beplantingsstrook Hoofdweg 20-22 Emst wordt een beplantingsstrook met een minimale hoogte van 2 meter in stand gehouden.

ZZZ

Artikel 14.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 14.6 Overgangsrecht met betrekking tot het gebruiksdoel van gronden en bouwwerken en regels over gebruiksactiviteiten

  • 1.

    In afwijking van artikel 14.5, eerste lid, geldt dat het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van de wijziging van het omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip waarop een wijziging van dit omgevingsplan in werking is getreden, voor zover met die  wijziging expliciet is voorzien in een verbod om zonder omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit een bepaalde activiteit te verrichten. In dat geval is artikel 14.5 onverkort van toepassing.

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat voorafgaand aanweliswaar bestaat op het tijdstip dat een wijziging van dit omgevingsplan in werking is getreden, maar reeds in strijd was met de voorheen geldende regels over gebruik in dit omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen daarvan.

  • 4.

    Het is verboden het strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen in een ander met het omgevingsplan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot.

  • 5.

    Indien het strijdig gebruik, bedoeld in het eerste lid, na inwerkingtreding van de in het eerste lid bedoelde wijziging voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

AAAA

Artikel 22.54 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.54 Toepassingsbereik

  • 1.

    Paragraaf 22.3.4 is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid is deze paragraaf niet van toepassing op geluid door een activiteit:

    • a.

      op of in een geluidgevoelig gebouw, dat geheel of gedeeltelijk ligt op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;

    • b.

      op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar; en

    • c.

      op een niet-geluidgevoelige gevel.

  • 3.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op het geluid van:

    • a.

      het met een verplaatsbaar mijnbouwwerk aanleggen, aanpassen, testen, onderhouden, repareren en buiten gebruik stellen van een boorgat of stimuleren van een voorkomen via een boorgat, bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of

    • b.

      spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen.

  • 4.

    Deze paragraaf is alleen van toepassing op het geluid door activiteiten bij detailhandel als:

    • a.

      een of meer elektromotoren aanwezig zijn met een gezamenlijk vermogen van meer dan 1,5 kW, met uitzondering van elektromotoren met een vermogen van 0,25 kW of minder; of

    • b.

      een of meer stookinstallaties aanwezig zijn met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 130 kW.

  • 5.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op

    • a.

      een bouwkundige constructie die op grond van artikel 1b, vierde lid, van de Wet geluidhinder niet als gevel werd beschouwd; en

    • b.

      een gevel waarvoor met toepassing van de Interimwet stad-en-milieubenadering is afgeweken van de wettelijke normen voor geluid.

BBBB

Artikel 22.55 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.55 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

  • 1.

    In afwijking van artikel 22.54, tweede lid, onder b, is deze paragraaf ook van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar:

    • a.

      in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

    • b.

      in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

  • 2.

    In afwijking van artikel 22.54 is deze paragraaf niet van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is als:

    • a.

      de activiteit al werd verricht voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en op een locatie is toegelaten op grond van:

      • 1.

        het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

      • 2.

        een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en

    • b.

      het geluidgevoelig gebouw mag worden gebouwd op grond van:

      • 1.

        het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

      • 2.

        een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

  • 3.

    In afwijking van artikel 22.54 is deze paragraaf niet van toepassing op het geluid door bovengrondse hoogspanningsverbindingen met een spanning van ten minste 110 kV.

  • 3.

    In afwijking van artikel 22.54 is deze paragraaf niet van toepassing op het geluid door bovengrondse hoogspanningsverbindingen met een spanning van ten minste 110 kV.

  • 4.

    In afwijking van artikel 22.54 is deze paragraaf niet van toepassing op het geluid door een activiteit op een geluidgevoelig gebouw waarin huisvesting in verband met mantelzorg alleen is toegelaten op grond van artikel 5.31 en 5.32tweede lid.  

CCCC

Artikel 22.61 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.61 Gegevens en bescheiden: rapport geluidonderzoek

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit wordt het rapport van het geluidonderzoek, bedoeld in artikel 22.60, verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan op grond van de gegevens in het rapport van het geluidonderzoek, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 3.

    Het zesde en zevende lid zijn van toepassing op een activiteit:

    • a.

       op een gezoneerd industrieterrein; en

    • b.

      op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld.

     

  • 4.

    Het zesde en zevende lid van dit artikel zijn niet van toepassing op een activiteit waar:

    • a.

      tussen 19.00 en 7.00 uur gemiddeld niet meer dan vier transportbewegingen per dag plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn;

    • b.

      het mede op basis van de aard van de activiteit, niet aannemelijk is dat in enige ruimte op de locatie waarop de activiteit wordt verricht het equivalente geluidsniveau (LAeq) veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan:

      • 1.

        70 dB(A), als deze ruimte in- of aanpandig is gelegen met geluidgevoelige gebouwen;

      • 2.

        80 dB(A), in andere gevallen dan bedoeld onder 1;

    • c.

      in de buitenlucht of op een open terrein geen muziek ten gehore wordt gebracht;

    • d.

      in de buitenlucht geen oefenterrein voor motorvoertuigen aanwezig is;

    • e.

      geen koelinstallatie aanwezig is die volgens de gebruiksaanwijzing behoort te zijn gevuld met meer dan 30 kg synthetisch koudemiddel;

    • f.

      geen gemotoriseerde modelvliegtuigen, modelvaartuigen of modelvoertuigen in de open lucht worden gebruikt;

    • g.

      geen parkeergelegenheid wordt geboden in een parkeergarage voor meer dan 30 personenauto’s;

    • h.

      geen noodstroomaggregaat aanwezig is dat meer dan 50 uren per jaar in werking is; en

    • i.

      geen transformatoren met een maximaal gelijktijdig in te schakelen elektrisch vermogen van 200 MVA of meer, die zijn ondergebracht in een gesloten gebouw, worden gebruikt;

  • 5.

    Het zesde en zevende lid van dit artikel zijn ook niet van toepassing op een activiteit waarvoor op grond van hoofdstuk 2, 3, 4 of 5 van het Besluit activiteiten leefomgeving, artikel 22.61 of een ander artikel in deze afdeling een verplichting geldt om gegevens en bescheiden te verstrekken of een omgevingsvergunning aan te vragen voor het beginnen of wijzigen van die activiteit.

  • 6.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit op een gezoneerd industrieterrein, zoals bedoeld in het derde lid wijzigt, worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein; en

      • 2.

        de ligging van de gebouwen;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 7.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit op een gezoneerd industrieterrein, zoals bedoeld in het derde lid, wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

DDDD

Artikel 22.84 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.84 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

  • 1.

    In afwijking van artikel 22.83, tweede lid, onder b, is deze paragraaf ook van toepassing op trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar:

    • a.

      in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

    • b.

      in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

  • 2.

    In aanvulling op artikel 22.83, tweede lid, onder b, is deze paragraaf ook niet van toepassing op trillingen door een activiteit op een trillinggevoelig gebouw waarin huisvesting in verband met mantelzorg alleen is toegelaten op grond van artikel 5.31 en 5.32tweede lid.  

EEEE

Artikel 22.91 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.91 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

  • 1.

    In afwijking van artikel 22.90, tweede lid, zijn de waarden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.4 en artikel 22.245, ook van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig object dat voor een duur van niet meer dan tien jaar is toegelaten:

    • a.

      in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

    • b.

      in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

  • 2.

    In afwijking van artikel 22.90, eerste lid, zijn de waarden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.4 en artikel 22.245, niet van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is maar mag worden gebouwd op grond van:

    • a.

      het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

    • b.

      een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

  • 3.

    In afwijking van artikel 22.90, eerste lid, zijn de waarden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.4 en artikel 22.245, niet van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw of geurgevoelig object waarin huisvesting in verband met mantelzorg alleen is toegelaten op grond van artikel 5.31 en 5.32tweede lid.  

FFFF

Artikel 22.200 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.200 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.129, eerste lid, 3.130 of 3.131 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

  • 3.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw waarin huisvesting in verband met mantelzorg alleen is toegelaten op grond van artikel 5.31 en 5.32tweede lid.  

GGGG

Artikel 22.215 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.215 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

  • 1.

    In afwijking van artikel 22.214, tweede lid, is deze paragraaf ook van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar:

    • a.

      in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

    • b.

      in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

  • 2.

    In afwijking van artikel 22.214, eerste lid, is deze paragraaf niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is maar mag worden gebouwd op grond van:

    • a.

      het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

    • b.

      een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

  • 3.

    In afwijking van artikel 22.214, eerste lid, is deze paragraaf niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw waarin huisvesting in verband met mantelzorg alleen is toegelaten op grond van artikel 5.31 en 5.32tweede lid.  

HHHH

Artikel 22.271 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.271 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze afdeling is van toepassing op het aanleggen of wijzigen van een weg of spoorweg, tenzij:

    • a.

      aan de aanleg of wijziging een besluit tot vaststelling van dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit ten grondslag ligt; of

    • b.

      het een rijksweg, provinciale weg of bij omgevingsverordening aangewezen lokale spoorweg betreft.

  • 2.

    In aanvulling op deze afdeling gelden de volgende regels bij het bepalen en het beoordelen van het geluid door een weg of spoorweg als bedoeld in die afdeling:

    • a.

      Onder het geluid door een weg of spoorweg wordt verstaan: het geluid door de aan te leggen of te wijzigen weg of spoorweg;

    • b.

      Het geluid door een weg of spoorweg wordt bepaald;

      • 1.

        voor het geluid door een gemeenteweg of waterschapsweg op een geluidsgevoelig gebouw: volgens bijlage IVe bij de Omgevingsregeling; en

      • 2.

        voor het geluid door een lokale spoorweg die niet bij omgevingsverordening is aangewezen op een geluidgevoelig gebouw: volgens bijlage IVf bij de Omgevingsregeling;

    • c.

      voor een hogere waarde voor het geluid door een weg op de gevel van een geluidgevoelig gebouw die is vastgesteld op grond van de Wet geluidhinder, de Experimentenwet Stad en Milieu, de Interimwet stad-en-milieubenadering of de Spoedwet wegverbreding, wordt:

      • 1.

        de aftrek opgeteld die bij het vaststellen van die hogere waarde is toegepast op grond van artikel 110g van de Wet geluidhinder; en

      • 2.

        een hogere waarde in dB(A) omgerekend tot een waarde in dB, door de getalswaarde van die hogere waarde te verminderen met het verschil tussen de heersende waarde in dB(A) en de heersende waarde in dB, waarbij het verschil op een geheel getal wordt afgerond en waarbij een halve eenheid wordt afgerond naar het meest dichtbijgelegen even getal.

IIII

Artikel 22.272 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.272 Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit geluid weg of spoorweg

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een weg of spoorweg aan te leggen of te wijzigen als op grond van een omgevingsplan of bij omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit een geluidgevoelig gebouw is toegelaten binnen het aandachtsgebied van die weg of spoorweg.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing als het gaat om een geluidgevoelig gebouw:

    • a.

      waarin huisvesting in verband met mantelzorg alleen is toegelaten op grond van artikel 5.31 en 5.32tweede lid; of

    • b.

      dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar: 

      • 1.

        op grond van dit omgevingsplan, met uitzondering van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of 

      • 2.

        op grond van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd na de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

  • 2 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing op een weg als:

    • a.

      deze is gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied;

    • b.

      een maximumsnelheid van 30 km per uur geldt;

    • c.

      de snelheid wordt verlaagd;

    • d.

      een wegdeklaag wordt vervangen door een wegdeklaag met dezelfde of een grotere geluidsreducerende werking;

    • e.

      de snelheid wordt verhoogd tot ten hoogste de maximumsnelheid, zoals die gold voor een tijdelijke snelheidsverlaging die als maatregel is opgenomen in een programma als bedoeld in artikel 5.12 van de Wet milieubeheer, zoals dat luidde voor inwerkingtreding van de Omgevingswet; of

    • f.

      het wijzigen, gerekend zonder het treffen van maatregelen, leidt tot:

      • 1.

        niet meer dan 5052 dB op de gevel van een geluidgevoelig gebouw;

      • 2.

        als een hogere waarde is vastgesteld op grond van de Wet geluidhinder, de Experimentenwet Stad en Milieu, de Interimwet stad-en-milieubenadering of de Spoedwet wegverbreding: niet meer dan 21 dB meer geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw dan die hogere waarde of, als de heersende waarde lager is, de heersende waarde; of

      • 3.

        als de weg en het geluidgevoelige gebouw op 1 januari 2007 waren toegelaten, niet eerder een hogere waarde is vastgesteld dan 48 dB en de heersende waarde hoger is dan 4851 dB: niet meer dan 21 dB meer dan de heersende waarde.

  • 3 4.

    Het eerste lid is niet van toepassing op een spoorweg als:

    • a.

      de intensiteit, de verkeerssnelheid of een combinatie van beide wordt gewijzigd waardoor het geluid onafgerond niet meer dan 1,0 dB toeneemt ten opzichte van het geluid gedurende de drie jaren voorafgaand aan de wijziging;

    • b.

      spoorstaven horizontaal worden verplaatst over een afstand van minder dan 2 m;

    • c.

      spoorstaven verticaal worden verplaatst over een afstand van minder dan 1 m;

    • d.

      de baanconstructie wordt vervangen door een baanconstructie die niet meer geluid emitteert dan de te vervangen constructie; of

    • e.

      het wijzigen, gerekend zonder het treffen van maatregelen, leidt tot:

      • 1.

        niet meer dan 3 dB meer geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw dan de heersende waarde; en

      • 2.

        niet meer dan 63 dB op de gevel van een geluidgevoelig gebouw.

JJJJ

Artikel 22.274 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.274 Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit geluid weg of spoorweg

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 22.272eerste lid, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    een akoestisch onderzoek naar:

    • 1.

      het geluid dat geluidgevoelige gebouwen binnen het aandachtsgebied onmiddellijk voorafgaand aan de wijziging of aanleg van de weg of spoorweg ondervinden;

    • 2.

      het geluid dat geluidgevoelige gebouwen binnen het aandachtsgebied in de toekomst door de weg of spoorweg zouden ondervinden zonder de invloed van maatregelen die de geluidsbelasting beperken;

    • 3.

      het geluid door andere wegen of niet te wijzigen delen van de weg, als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de wijziging van een weg zal leiden tot een toename van meer dan 21 dB van het geluid op geluidgevoelige gebouwen door die wegen of delen;

    • 4.

      de doeltreffendheid van de in aanmerking komende verkeersmaatregelen en andere maatregelen om te voorkomen dat het in de toekomst door de weg optredende geluid op de gebouwen, bedoeld onder 1, de standaardwaarde, zijnde 53 Lden voor een weg en 55 Lden voor een spoorweg, te boven zou gaan of om te voorkomen dat het geluid op geluidgevoelige gebouwen toeneemt ten opzichte van het geluid onmiddellijk voorafgaand aan de wijziging;

  • b.

    een beschrijving van de voorgenomen maatregelen, bedoeld onder a, onder 4; en

  • c.

    een beschrijving van te treffen geluidwerende maatregelen aan gevels van gebouwen waarvoor het toekomstige geluid hoger wordt dan de standaardwaarde en toeneemt ten opzichte van de situatie voor de wijziging of aanleg, voor zover nodig om te voldoen aan de grenswaarde, bedoeld in tabel 3.53 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

KKKK

Artikel 22.275 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.275 Beoordelingsregel aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit geluid weg of spoorweg

  • 1.

    Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.272eerste lid, wordt alleen verleend als de activiteit er niet toe leidt dat de grenswaarde 70 Lden wordt overschreden.

  • 2.

    Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.272eerste lid, wordt ook verleend als de grenswaarde 70 Lden alleen wordt overschreden  op:

    • a.

      een niet-geluidgevoelige gevel;

    • b.

      een bouwkundige constructie die op grond van artikel 1b, vierde lid, van de Wet geluidhinder niet als gevel werd beschouwd; of

    • c.

      een gevel waarvoor met toepassing van de Interimwet stad-en-milieubenadering is afgeweken van de wettelijke normen voor geluid.

LLLL

Bijlage I wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage I Begripsbepalingen bij artikel 1.1eerste lid, van dit omgevingsplan

aansluitafstand:

afstand tussen een leiding van het distributienet en het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij die leiding bevindt, gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt;

bebouwingsgebied:

achtererfgebied en de grond onder het hoofdgebouw, uitgezonderd de grond onder het oorspronkelijk hoofdgebouw;

bed and breakfast

het bieden van de ten opzichte van het hoofdgebruik ondergeschikte mogelijkheid tot recreatief nachtverblijf en ontbijt aan personen die hun hoofdverblijf elders hebben.

bedrijfswoning

een woning in of bij een gebouw of op een terrein kennelijk slechts bedoeld voor het huishouden van een persoon wiens huisvesting daar gelet op de functie van het gebouw of het terrein noodzakelijk is

beroep of bedrijf aan huis

beroeps- of bedrijfsactiviteit waarvan de activiteiten niet specifiek publiekgericht zijn en dat op kleine schaal in een woning en of in het bijbehorend bouwwerk wordt uitgeoefend;

bouwhoogte:

de afstand vanaf het straatpeil tot aan het hoogste punt van het gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

bouwlaag

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder;

breedte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of de harten van de scheidingsmuren

dakhelling

de hoek die het dakvlak maakt ten opzichte van het horizontale vlak;

dakkapel

een constructie ter vergroting van een gebouw die zich tussen de dakvoet en de daknok van een dakvlak bevindt, waarbij deze constructie onder de daknok is gelegen en de onderzijde van de constructie in het dakvlak is geplaatst.

dakopbouw

een constructie ter vergroting van een gebouw die zich boven de dakvoet bevindt waarbij deze constructie deels boven de oorspronkelijke daknok uitkomt en de onderzijden van de constructie in een of beide dakvlakken is zijn geplaatst.

de afstand van een bouwwerk tot de zijdelingse perceelsgrens

vanaf de buitenwerkse gevelvlakken dan wel, indien sprake is van overstekende daken met een overstekend gedeelte van meer dan 0,75 m, respectievelijk overstekken van meer dan 0,75 m, vanaf de buitenrand van het overstekende dak/de overstek, neerwaarts geprojecteerd, tot de kadastrale zijgrens van het perceel

extensief recreatief medegebruik

een vorm van recreatief medegebruik dat in hoofdzaak is gericht op natuur- en landschapsbeleving, zoals wandelen en fietsen, en dat slechts beperkt beslag op de ruimte legt. Voor het extensieve recreatief medegebruik is geen specifieke inrichting van het gebied noodzakelijk, maar kan worden volstaan met de voorzieningen die reeds ten behoeve van de hoofdactiviteit aanwezig zijn en ondergeschikte voorzieningen zoals bewegwijzeringsbordjes. Onder extensief recreatief medegebruik wordt in elk geval niet verstaan intensief recreatief medegebruik en gemotoriseerde sporten.

goothoogte:

vanaf het straatpeil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;

grondgebonden

de in een veehouderijbedrijf of veehouderijtak gehouden landbouwhuisdieren worden voor meer dan de helft voorzien van voer dat is geteeld op gronden die in de nabijheid van het dierenverblijf zijn gelegen en waarop de veehouder rechten heeft;

huishouden

persoon of groep personen die een huishouden voert waarbij sprake is van een onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan, die binnen een woning gebruik maakt van dezelfde voorzieningen.

hyperscale datacentrum

het exploiteren van een rekencentrum of datacentrum, als bedoeld in artikel 3.235 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om een bebouwd vloeroppervlakte van meer dan 10 ha en een elektrisch aansluitvermogen van 70 MW of meer.

Een hyperscale datacentrum omvat ook andere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die het hyperscale datacentrum functioneel ondersteunen.

inhoud van een bouwwerk

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen

ondergeschikte bouwdelen

ondergeschikte delen aan een gebouw zoals trappen, bordessen, funderingen, kelderingangen, overstekende daken, goten, luifels, balkons, balkonhekken, schoorstenen, liftopbouwen en andere ondergeschikte dakopbouwen.

oppervlakte van een bouwwerk

de oppervlakte, gemeten tussen de buitenwerkse gevelvlakken of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;

straatpeil:

 

  • a.

    voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;

  • b.

    voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;

    voor overige gevallen: de gemiddelde hoogte van het oorspronkelijke aansluitende terrein.

voorgevelrooilijn 

de lijn die horizontaal loopt door het buitenwerks vlak van de voorgevel tot aan de perceelsgrenzen;

woning

een ruimte of complex van ruimten, bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden;

woonruimte

besloten ruimte die, al dan niet tezamen met een of meer andere ruimten, bestemd of geschikt is voor bewoning door een huishouden, met inbegrip van een standplaats voor een woonwagen en de ligplaats voor een woonschip

MMMM

Bijlage III wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage III Overzicht Informatieobjecten

buitengebied

/join/id/regdata/gm0232/2025/55318b34041941e6bb502218e8f4d6e5/nld@2025‑12‑16;11305966

kernen

/join/id/regdata/gm0232/2025/73753cb848bb48f3b013070a36b22d63/nld@2025‑12‑16;11305966

tijdelijk deel nog niet vervallen

/join/id/regdata/gm0232/2025/01bd97d979444c44887c9e458c1d3d76/nld@2025‑12‑16;11305966

 Dokter van Gelderweg 1-35, Emst

/join/id/regdata/gm0232/2026/3a7e64858f1e48f482fe3f61a6d8cf30/nld@2026‑05‑21;08461117

 zorgwonen

/join/id/regdata/gm0232/2026/09a3430262a744a4bd8f764f483df6e4/nld@2026‑05‑21;08461117

agrarisch

/join/id/regdata/gm0232/2026/6c365e20922e4536842a3bc08183fa9e/nld@2026‑05‑21;08461117

agrarisch bouwvlak

/join/id/regdata/gm0232/2026/fc09f4caea2346fb81391eea66e26216/nld@2026‑05‑21;08461117

archeologische rijksmonumententerreinen

/join/id/regdata/gm0232/2026/82f86d6c6d754c6b8c3b3fae7e2df333/nld@2026‑05‑21;08461117

bedrijf

/join/id/regdata/gm0232/2026/5d772c1531a7475f910f46d6c841f4a3/nld@2026‑05‑21;08461117

bedrijfswoning

/join/id/regdata/gm0232/2026/6f8624fae3c94a9ba6bd9369c168502f/nld@2026‑05‑21;08461117

begraafplaats

/join/id/regdata/gm0232/2026/578b3bf3add443278babcc6b213c73f1/nld@2026‑05‑21;08461117

beplantingsstrook Brinkerweg 5 Emst

/join/id/regdata/gm0232/2026/39c83861ba7d4168ab5150a4b49d5b41/nld@2026‑05‑21;08461117

beplantingsstrook Hoofdweg 20-22 Emst

/join/id/regdata/gm0232/2026/c46e10e76f114ba4a39292a9c114e75e/nld@2026‑05‑21;08461117

beplantingsstrook Oranjeweg 43 Emst

/join/id/regdata/gm0232/2026/bfdea16c05ef49e2bea64da1f51534cd/nld@2026‑05‑21;08461117

beschermingszone natte landnatuur

/join/id/regdata/gm0232/2026/669fd432c15f4d2cb0c099bda08c3369/nld@2026‑05‑21;08461117

bestaande aantal woningen

/join/id/regdata/gm0232/2026/fcdb867b74cf4351b82825eeca22eab5/nld@2026‑05‑21;08461117

bestaande bedrijfsactiviteit Brinkerweg 5 Emst

/join/id/regdata/gm0232/2026/5f1fb93e0f4a4888beef180a2799ba8d/nld@2026‑05‑21;08461117

bestaande bedrijfsactiviteit Eperweg 16-18 Oene

/join/id/regdata/gm0232/2026/204c21e53cba4630abca692f9d0918b6/nld@2026‑05‑21;08461117

bestaande bedrijfsactiviteit Hanendorperweg 29 Emst

/join/id/regdata/gm0232/2026/9dfd07b1e85f46fe91579bb992558b8c/nld@2026‑05‑21;08461117

bestaande bedrijfsactiviteit Horthoekerweg 4 Oene

/join/id/regdata/gm0232/2026/6e649f69f1ad4baa85a621fb703b8cec/nld@2026‑05‑21;08461117

bestaande bedrijfsactiviteit Houtweg 8 Oene

/join/id/regdata/gm0232/2026/3c5143c0533c4b30aa9bdc0180fd53c5/nld@2026‑05‑21;08461117

bestaande bedrijfsactiviteit Oranjeweg 38 Emst

/join/id/regdata/gm0232/2026/6764b04897fa480eb6fe761a1e47441c/nld@2026‑05‑21;08461117

bestaande bedrijfsactiviteit Oranjeweg 43 Emst

/join/id/regdata/gm0232/2026/876b69304c4f41cb8908cba6a3c843d1/nld@2026‑05‑21;08461117

bestaande bedrijfsactiviteit Vaassenseweg 19 Emst

/join/id/regdata/gm0232/2026/615fb049b5954b488d9d5a9694f28046/nld@2026‑05‑21;08461117

bos

/join/id/regdata/gm0232/2026/8128998bfd6f48c9af7aadd6e497541d/nld@2026‑05‑21;08461117

bouwvlak

/join/id/regdata/gm0232/2026/55a5e0ca8b65428187bd15e18d9d278b/nld@2026‑05‑21;08461117

bouwwerken verboden

/join/id/regdata/gm0232/2026/a9afae7f7ddd41e880053f8e51fc6092/nld@2026‑05‑21;08461117

bowling

/join/id/regdata/gm0232/2026/d146f6c702374828a69b6dda3822e26e/nld@2026‑05‑21;08461117

buitengebied

/join/id/regdata/gm0232/2025/55318b34041941e6bb502218e8f4d6e5/nld@2025‑12‑16;11305966

cultuur en ontspanning

/join/id/regdata/gm0232/2026/47910072cef24f30983561fcf8b8159c/nld@2026‑05‑21;08461117

detailhandel

/join/id/regdata/gm0232/2026/3a8b0b2e0b60488b8c9b33aaa9c226f0/nld@2026‑05‑21;08461117

dienstverlening

/join/id/regdata/gm0232/2026/fb702eb7134f4b02b1eb62a248bd5278/nld@2026‑05‑21;08461117

discotheek

/join/id/regdata/gm0232/2026/cb71699ee3b84eb4bf1a17bc7fc35274/nld@2026‑05‑21;08461117

dorps wonen

/join/id/regdata/gm0232/2026/c10ac8369cf64cfb9dbd9fa9208d7b94/nld@2026‑05‑21;08461117

gebouwen verboden

/join/id/regdata/gm0232/2026/b755c0d3e2ad4ac4b1ee794e8bb65a36/nld@2026‑05‑21;08461117

gewasbeschermingsmiddelen verboden

/join/id/regdata/gm0232/2026/1449e0019c69408ab4aa58176a1a5f21/nld@2026‑05‑21;08461117

gezondheidscentrum

/join/id/regdata/gm0232/2026/2795dbc7705141de9cf32570725449b3/nld@2026‑05‑21;08461117

groen

/join/id/regdata/gm0232/2026/b1f71dc17d8747ce88876f3b0ec4a00a/nld@2026‑05‑21;08461117

horeca-activiteiten categorie 1

/join/id/regdata/gm0232/2026/f4cf7c41bf6a4c7888fea7d13409ac9c/nld@2026‑05‑21;08461117

horeca-activiteiten categorie 2

/join/id/regdata/gm0232/2026/f3b4b606d25543d29b948c87bb5851b9/nld@2026‑05‑21;08461117

horeca-activiteiten categorie 3

/join/id/regdata/gm0232/2026/ec128082d127473dad7236c1e6059ec6/nld@2026‑05‑21;08461117

horeca-activiteiten categorie 4

/join/id/regdata/gm0232/2026/b7d7ab8e4e874b859bd51c7ea8ab1990/nld@2026‑05‑21;08461117

Horthoekerweg 7A-7M, Oene

/join/id/regdata/gm0232/2026/50372f121a5c4bc0a0a3216461009aca/nld@2026‑05‑21;08461117

kantoor

/join/id/regdata/gm0232/2026/3836af9b39094220b18595c0f070cd82/nld@2026‑05‑21;08461117

kernen

/join/id/regdata/gm0232/2025/73753cb848bb48f3b013070a36b22d63/nld@2025‑12‑16;11305966

kernen - nieuwe deel

/join/id/regdata/gm0232/2026/ccdb7fb8af194ab1a01e8c7ac501d365/nld@2026‑05‑21;08461117

landbouwhuisdieren uitgesloten

/join/id/regdata/gm0232/2026/b1269f758a1345feae8580b03f0c535d/nld@2026‑05‑21;08461117

maatschappelijk

/join/id/regdata/gm0232/2026/1018bde322f5429f829303dd07cc6a12/nld@2026‑05‑21;08461117

manege

/join/id/regdata/gm0232/2026/864f6f2eeae3463aa0e55bac500b3c18/nld@2026‑05‑21;08461117

maximale milieuhindercategorie 1

/join/id/regdata/gm0232/2026/c218aaa0d6fa4a6ca7653a0c24ecc8a6/nld@2026‑05‑21;08461117

maximale milieuhindercategorie 2

/join/id/regdata/gm0232/2026/d3776da5969c4c148d4aee24c2354dc4/nld@2026‑05‑21;08461117

maximum aantal woningen

/join/id/regdata/gm0232/2026/654f056407844f24b7a894e0de6044e3/nld@2026‑05‑21;08461117

maximum aantal zorgwoningen

/join/id/regdata/gm0232/2026/af0ed9cbeab74083beae97af3471cfb4/nld@2026‑05‑21;08461117

maximum bebouwingspercentage

/join/id/regdata/gm0232/2026/915acf398980450597d45623c1ec7438/nld@2026‑05‑21;08461117

maximum bouwhoogte

/join/id/regdata/gm0232/2026/45363799083546d88cc9720ec48823cb/nld@2026‑05‑21;08461117

maximum dakhelling

/join/id/regdata/gm0232/2026/a1d4384e361145808726726c09b7275d/nld@2026‑05‑21;08461117

maximum goothoogte

/join/id/regdata/gm0232/2026/f1342fad166342ba9b90136d16ea935d/nld@2026‑05‑21;08461117

maximum oppervlakte gebouwen

/join/id/regdata/gm0232/2026/02c542d550824ff3a5b0cc5d39dbe04d/nld@2026‑05‑21;08461117

maximum volume woning

/join/id/regdata/gm0232/2026/6f7ffca0244d4c6a93fe61ca3ff135bb/nld@2026‑05‑21;08461117

molenbiotoop

/join/id/regdata/gm0232/2026/0aec57a09f164184ae6a3878fa9696f4/nld@2026‑05‑21;08461117

molenbiotoop Korenmolen Werklust Oene 100 - 400 meter

/join/id/regdata/gm0232/2026/315bf566064b4afaaf385bc1e1f3cc6b/nld@2026‑05‑21;08461117

nevenactiviteit Hanendorperweg 23 Emst

/join/id/regdata/gm0232/2026/a444b459304e4fa59ec670c6fd54cc9c/nld@2026‑05‑21;08461117

nevenactiviteit Hezeweg 27-29 Emst

/join/id/regdata/gm0232/2026/f684b9a018a44c95bf87c07040789420/nld@2026‑05‑21;08461117

nevenactiviteit Horthoekerweg 17 Oene

/join/id/regdata/gm0232/2026/57af5ff38ab144fd80fd23d4830fe096/nld@2026‑05‑21;08461117

nevenactiviteit Vaassenseweg 17 Emst

/join/id/regdata/gm0232/2026/8b674f81691e4c61a07091b392c31cae/nld@2026‑05‑21;08461117

nieuwe deel omgevingsplan

/join/id/regdata/gm0232/2026/2fd7830f00c844eda251fa2faa6fcb74/nld@2026‑05‑21;08461117

nutsbedrijf

/join/id/regdata/gm0232/2026/41d6f66a52fc44988639fcf62de4f746/nld@2026‑05‑21;08461117

Oranjeweg 43, Emst

/join/id/regdata/gm0232/2026/d465bfd6654e42f38e9264604134d742/nld@2026‑05‑21;08461117

overige archeologische monumententerreinen

/join/id/regdata/gm0232/2026/6cbbad7e268c4607b8d0a47e03bab938/nld@2026‑05‑21;08461117

parkeervoorziening bij wonen

/join/id/regdata/gm0232/2026/dd4032de552d4c3cb4c41f7f922f4bd4/nld@2026‑05‑21;08461117

perceel EPE00-T-6112

/join/id/regdata/gm0232/2026/97265b4490994a748c18eec48f964557/nld@2026‑05‑21;08461117

perceel EPE00-U-7852

/join/id/regdata/gm0232/2026/dee0543fae83412eaff0715c08bd37a4/nld@2026‑05‑21;08461117

perceel EPE00-U-9067

/join/id/regdata/gm0232/2026/27fb21e7b64943c7a3fd810885e8bb91/nld@2026‑05‑21;08461117

schietbaan

/join/id/regdata/gm0232/2026/572b6377897745d2912638acfb7c08b6/nld@2026‑05‑21;08461117

speelterrein

/join/id/regdata/gm0232/2026/0acfb6adf8b24020a67393c993ee8d28/nld@2026‑05‑21;08461117

sport-binnenaccommodatie

/join/id/regdata/gm0232/2026/341b8604eec943848aee39e2664788b6/nld@2026‑05‑21;08461117

sport-buitenaccommodatie

/join/id/regdata/gm0232/2026/9d2ece67f59f479fabf6891288f35cc0/nld@2026‑05‑21;08461117

stalling motorvoertuigen

/join/id/regdata/gm0232/2026/d3d02e65fe9846a7ae89b06acc22db5d/nld@2026‑05‑21;08461117

supermarkt

/join/id/regdata/gm0232/2026/8f0a615ecbb34d02834c75f8f42cacbb/nld@2026‑05‑21;08461117

tijdelijk deel nog niet vervallen

/join/id/regdata/gm0232/2025/01bd97d979444c44887c9e458c1d3d76/nld@2026‑05‑21;08461117

Veluwe

/join/id/regdata/gm0232/2026/2fee4dbf550c441db396d0f23fddbf7d/nld@2026‑05‑21;08461117

verkeer

/join/id/regdata/gm0232/2026/4b7ad3ce15eb4289bddc6e9065545f98/nld@2026‑05‑21;08461117

verkoop groenstrook Molenbeek Vaassen

/join/id/regdata/gm0232/2026/e156673ea6924d9e9694b1a5bf38eeb2/nld@2026‑05‑21;08461117

verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg

/join/id/regdata/gm0232/2026/f27e0c43dfd04b0f93bd62f21ad7ebd3/nld@2026‑05‑21;08461117

volumineuze detailhandel

/join/id/regdata/gm0232/2026/d067107bea0c442d9d20132be2cfd3a9/nld@2026‑05‑21;08461117

voorgevelrooilijn

/join/id/regdata/gm0232/2026/ec42b893e2924b54b269effa81fbd0ec/nld@2026‑05‑21;08461117

wandelpad

/join/id/regdata/gm0232/2026/0a83f4fa1702460fb5a22477df2df52c/nld@2026‑05‑21;08461117

weiden van dieren

/join/id/regdata/gm0232/2026/d7994869a8704c0a994ce5534769ef8f/nld@2026‑05‑21;08461117

wonen

/join/id/regdata/gm0232/2026/7147392910be43689fd3905f6a3a0b0b/nld@2026‑05‑21;08461117

wonen op begane grond verboden

/join/id/regdata/gm0232/2026/19ba2224b1f34b2dbca40dd8a1784fc6/nld@2026‑05‑21;08461117

woningtypologie

/join/id/regdata/gm0232/2026/74545e57e7e8430a9cc11e6455f52454/nld@2026‑05‑21;08461117

zone met archeologische waarden

/join/id/regdata/gm0232/2026/8e7ca3cb11be49e1ab057de1c3e0321c/nld@2026‑05‑21;08461117

zone met hoge archeologische verwachting

/join/id/regdata/gm0232/2026/096601137985400a8bbfb35d882b986a/nld@2026‑05‑21;08461117

zone met lage archeologische verwachting

/join/id/regdata/gm0232/2026/d3aa0a8f676841a5922b4d56462a361e/nld@2026‑05‑21;08461117

zone met middelhoge archeologische verwachting

/join/id/regdata/gm0232/2026/2a769c47ac284913b2637d6a1f003746/nld@2026‑05‑21;08461117

zone met onbekende archeologische verwachting

/join/id/regdata/gm0232/2026/41652a5c66e0424ebe4a63dc07d13d8f/nld@2026‑05‑21;08461117

zone met waterbodemgerelateerde archeologische verwachting

/join/id/regdata/gm0232/2026/bfa8d28a56ba43d6aaba6de51d702b89/nld@2026‑05‑21;08461117

NNNN

Na bijlage III wordt een bijlage ingevoegd, luidende:

Bijlage IV Overzicht Documentenbijlagen

Lijst van bedrijfsactiviteiten

/join/id/regdata/gm0232/2026/0405321bb20445a29459ab72f4201883/nld@2026‑05‑21;08461117

OOOO

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

2.3 Van tijdelijk naar nieuw  

Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft iedere gemeente voor haar gehele grondgebied een omgevingsplan van rechtswege, dat bestaat uit een tijdelijk deel en een nieuw deel. Het tijdelijk deel van het omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke regels uit verschillende vervallen instrumenten zoals bestemmingsplannen en beheersverordeningen. Daarnaast staan in het tijdelijk deel van het omgevingsplan de regels van de bruidsschat. De bruidsschatregels zijn voormalig regels van het Rijk. Iedere gemeente mag haar eigen afweging maken ten aanzien van deze regels en ervoor kiezen om de regels over te nemen, te schrappen of aan te passen. De regels uit de bruidsschat gaan onder andere over activiteiten met gevolgen voor het milieu, maar ook over vergunningvrij bouwen en geluid.  

Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het nieuwe deel van het omgevingsplan leeg. Iedere gemeente heeft tot 1 januari 2032 de tijd om het nieuwe deel van het omgevingsplan te vullen zodat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In het nieuwe deel komen niet alleen regels uit de voormalig bestemmingsplannen en de bruidsschat, maar ook regels uit gemeentelijke verordeningen die zien op de fysieke leefomgeving moeten worden opgenomen in het omgevingsplan. Denk hierbij aan regels over het kappen van bomen en regels over erfgoed. Daarnaast moet het nieuwe deel van het omgevingsplan voldoen aan instructieregels van het Rijk uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).  

Opbouw omgevingsplan
afbeelding binnen de regeling
Deze figuur illustreert de opbouw van het omgevingsplanBron: www.vng.nl

 

PPPP

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

4.5 Hoofdstuk 4: Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving

Hoofdstuk 4 geeft aan welke regels over activiteiten uit hoofdstuk 5 op welke locatie gelden. Belangrijk hierbij is dat de regels over activiteiten uit hoofdstuk 5 dus alleen op een locatie gelden wanneer hoofdstuk 4 dit aangeeft.  

In hoofdstuk 4 maken we onderscheid in thema’s en gebiedstypen. Een thema kan bijvoorbeeld zijn: (Bouw)werken, milieu of cultureel erfgoed. Voor het thema (bouw)werken geven we vervolgens aan welke activiteiten uit hoofdstuk 5 gelden: bijvoorbeeld het bouwen van een hoofdgebouw en een bijbehorend bouwwerk, zoals een aanbouw of schuur. Dit zijn regels die overal in de gemeente gelden. Oftewel: voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk gelden overal in de gemeente dezelfde regels. 

Voor gebiedstypen is dat anders. De gehele gemeente is onderverdeeld in gebiedstypen.  Dit is een afgebakend gebied met gebiedsspecifieke kenmerken. Een gebiedstype is bijvoorbeeld ‘rustige woonwijkdorps wonen’ of een 'bedrijventerrein'. Gebiedstypen gelden daarmee maar in een bepaald deel van de gemeente. Per gebiedstype geven we aan welke activiteiten daar zijn toegestaan. De hoofdactiviteit in een rustige woonwijkhet gebiedstype dorps wonen is ‘wonen’. Maar in een rustige woonwijkIn dit gebied is het niet wenselijk dat zich daar discotheken of  bedrijven die veel geluid maken kunnen vestigen. Die activiteiten zijn daarom uitgesloten in de rustige woonwijkdit gebiedstype.   

Bijvoorbeeld in de paragraaf over het gebiedstype ‘rustige woonwijk’ wordt ten eerste een locatiebepaling opgenomen om te bepalen waar de rustige woonwijk zich bevind. Daarna worden de doelen opgenomen die binnen dit gebiedstype worden nageleefd, zoals het beschermen van een goed woon- en leefklimaat en het beperken van hinder. Vervolgens bepaal je welke activiteiten mogen plaatsvinden in de rustige woonwijk en aan welke regels daarbij men daarbij moet voldoen. Zo mag men in een rustige woonwijk uiteraard wonen, maar mogen er – voor zover dat wenselijk is – ook kantooractiviteiten verricht worden. Grote bedrijvigheid is dan bijvoorbeeld weer niet toegestaan.  

Het bepalen van welke activiteiten wel en niet mogen plaatsvinden binnen een gebiedstype, noemen we in- of uitsluiten. In hoofdstuk 4 is het mogelijk om per gebiedstype alleen regels: 

  • In te sluiten: hierbij geef je explicitiet aan welke activiteiten met bijbehorende regels mogen plaatsvinden. Activiteiten die niet genoemd zijn, vinden dan ook niet plaats. 

  • Uit te sluiten: hierbij geef je aan welke activiteiten niet zijn toegestaan in een gebiedstype of binnen een soort activiteit. Binnen een gebiedstype ‘gemengd gebied’ is het gewenst om bedrijfsactiviteiten toe te staan. Niet alle bedrijfsactiveiten wil je je hier echter toe staan. Daarom kan je per activiteit zoals de bedrijfsactiviteit uitsluiten welke soorten bedrijven je niet wil toestaan, bijvoorbeeld een ‘seveso-inrichting’.  

Het enkel ‘uitsluiten’ van activiteiten kan ook handig zijn om te gebruiken binnen gebiedstypen waarin je meer flexibiliteit wil en kan inbouwen in de fysieke leefomgeving. Bijvoorbeeld in het geval van een ontwikkelingsgebied. 

  • Combinatie van in- en uitsluiten: het is ook mogelijk om van zowel in- als uitsluiten gebruik te maken. 

QQQQ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

4.8 Hoofdstuk 7: Locatiespecifieke regelingen

Hoofdstuk 7 is gereserveerd voorbevat locatiespecifieke regelingen die afwijken van de standaardregelingen zoals opgenomen in dit omgevingsplan.

RRRR

Na sectie ' Normadressaat' wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Artikel 1.8 Anti-dubbeltelbepaling

De anti-dubbeltelbepaling voorkomt dat dezelfde grond meer dan één keer meetelt bij het toepassen van de regels van dit omgevingsplan. Dit zorgt voor een rechtvaardige en ruimtelijk consistente toepassing van de regels. Bijvoorbeeld: een deel van een perceel dat nodig is om aan een maximale bebouwingspercentage te voldoen, kan niet nogmaals worden gebruikt om een ander bouwwerk op te baseren. 

SSSS

Na sectie ' Toepassingsbereik' worden twee secties ingevoegd, luidende:

Artikel 4.22 Activiteiten op archeologische rijksmonumententerreinen

Eerste lid: Dit lid voorziet in de aanwijzing van bekende archeologische rijksmonumenten als archeologisch rijksmonumentterrein.

Artikel 4.30 Activiteiten in een molenbiotoop

Historische molens spelen een belangrijke rol in het cultuurlandschap, maar kunnen alleen blijven functioneren als ze de daarvoor noodzakelijke windvang hebben. Artikel 5.130, tweede lid, onder d, van het Bkl implementeert (deels) artikel 4 van het verdrag van Granada. Onderdeel 1° van dit tweede lid, onder d, vraagt gemeenten om in het omgevingsplan regels te stellen om aantasting van de omgeving van (voor)beschermde monumenten te voorkomen, voor zover die monumenten door die aantasting worden ontsierd of beschadigd. Deze bescherming ziet ook toe op het voorkomen van het tenietgaan van een historische windmolen door het toestaan van dusdanige bebouwing of beplanting in de omgeving ervan dat deze molen onvoldoende wind vangt. Gemeenten zullen dus in het omgevingsplan rekening moeten houden met een aanvaardbare hoogte van obstakels door bebouwing rond een historische windmolen, zodanig dat de molen de noodzakelijke windvang houdt. Ook (te hoge of dichte) beplanting kan windvang overigens beperken. Om die reden is in dit omgevingsplan een molenbiotoop aangewezen, waarvoor de regels in afdeling 5.4.9 gelden.

TTTT

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.35.8 Maatwerkvoorschriften

In dit artikel wordt de mogelijkheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften breed opengesteld voor alle artikelen in deze afdeling. Aangezien alle onderwerpen in deze afdeling van landelijke regelgeving zijn overgeheveld naar de gemeente is het onnodig om de maatwerkmogelijkheid te clausuleren. Voorheen bevatten verschillende artikelen van het Bouwbesluit 2012 een uitdrukkelijke mogelijkheid voor het bevoegd gezag om anders te besluiten dan opgenomen in de in het betrokken artikel opgenomen eis. In deze afdeling wordt die mogelijkheid niet voor afzonderlijke artikelen opgenomen, aangezien maatwerk met dit artikel breed openstaat. Het bevoegd gezag kan dus altijd bepalen of in het concrete geval met een gemotiveerd maatwerkvoorschrift kan worden gewerkt. Een uitzondering op het niet meer specifiek benoemen van afwijkmogelijkheden in het artikel zelf is artikel 5.175.23 over de aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater. De voorheen in het Bouwbesluit opgenomen mogelijkheid voor het bevoegd gezag om aanwijzingen te geven is voor de duidelijkheid van bevoegd gezag en de gebruiker wel in dit artikel overgenomen. Het is op basis van de brede bevoegdheid om maatwerk te stellen op grond van artikel 5.35.8 echter ook mogelijk dat het maatwerkvoorschrift in een concreet geval anders moet komen te luiden.

Dit artikel is een voortzetting van artikel 22.4, hoofdstuk 22, tijdelijk deel van het omgevingsplan

UUUU

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.45.10 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk op open erven en terreinen 

VVVV

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.55.11 Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken

WWWW

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.65.12 Specifieke zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen

XXXX

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.75.13 Toepassingsbereik

YYYY

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.85.14 Oogmerken

ZZZZ

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.95.15 Voorrangsbepaling 

AAAAA

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.105.16 Algemene afbakeningseisen

BBBBB

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.115.17 Meetbepalingen

CCCCC

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.125.18 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil

DDDDD

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.135.19 Bouwen in overeenstemming met de locatie 

Eerste lid

De verschillende bouwwerken die gebouwd, in stand gehouden en gebruikt mogen worden zonder omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 5.475.116 moeten nog wel in overeenstemming zijn met de aan de locatie toebedeelde gebruiksactiviteit. 

EEEEE

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.145.20 Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk

FFFFF

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.155.21 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk

GGGGG

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.165.22 Aansluiting op distributienet voor drinkwater

HHHHH

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.175.23 Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater

In het eerste en tweede lid zijn technische eisen over de aansluiting van de gebouwriolering op de buitenriolering opgenomen. Het derde lid bevat technische eisen aan de uitvoering van een eventueel aanwezige buitenriolering. De eerste drie leden gelden ongeacht de vraag of het bouwwerk aangesloten is op een openbare voorziening voor het beheer van afvalwater. Het vierde lid is alleen van toepassing als er een openbare voorziening voor de afvoer van afvalwater (huishoudelijk afvalwater of hemelwater) aanwezig is waarop kan worden aangesloten. Onderdeel a heeft betrekking op het geval dat er voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet aanwezig is. Onderdeel b heeft betrekking op het geval dat er een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is. In die gevallen bepaalt het bevoegd gezag op welke plaats, op welke hoogte en met welke middellijn de voor de aansluiting van de afvoervoorziening noodzakelijke aansluiting bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd. Op grond van onderdeel c kan het bevoegd gezag voorzieningen eisen om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen. Dit kan met een maatwerkvoorschrift op grond van artikel 5.35.8. Voor de duidelijkheid is de formulering die voorheen in het Bouwbesluit 2012 was opgenomen over deze aanwijzing overgenomen in dit artikel, omdat een maatwerkvoorschrift over dit onderwerp naar verwachting in de meeste gevallen deze inhoud zal krijgen. Het is echter op grond van artikel 5.35.8 ook mogelijk dat er in gevallen door het bevoegd gezag op een andere manier invulling zal worden gegeven aan het maatwerk.

In paragraaf 2.4.1 van de Omgevingswet zijn de overheidszorgplichten voor stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater beschreven. Onder stedelijk afvalwater wordt verstaan huishoudelijk afvalwater of een mengsel daarvan met bedrijfsafvalwater, afvloeiend hemelwater, grondwater of ander afvalwater. De regels over het lozen van huishoudelijk afvalwater, afstromend hemelwater en overtollig grondwater in de openbare riolering staan elders in dit omgevingsplan (en eventueel in het deel van dit omgevingsplan dat is voortgekomen uit de voormalige verordening over afvoer van hemel- en grondwater op grond van artikel 10.32a van de Wet milieubeheer). In dit artikel zijn vervolgens de bouw- en installatietechnische eisen opgenomen die gelden voor de afvoer vanuit of vanaf bouwwerken die aangesloten worden op de perceelaansluiting en in het verlengde daarvan op de openbare voorzieningen voor het beheer van afvalwater.

Die overheidszorgplicht voor afvalwater is zowel bij huishoudelijk afvalwater als bij hemelwater niet absoluut. Wanneer de aanleg van voorzieningen voor huishoudelijk afvalwater in het buitengebied niet doelmatig is, moeten burgers en bedrijven zelf in de afvoer of zuivering van huishoudelijk afvalwater voorzien.

De zorgplicht voor hemelwater gaat ervan uit dat gemeenten ook in stedelijk gebied niet hoeven in te zamelen als burgers en bedrijven zelf in afvoer van hemelwater kunnen voorzien.

Waar wel wordt ingezameld, kan de gemeente bij de invulling van haar zorgplicht kiezen tussen de gemengde of afzonderlijke inzameling.

Dit artikel is een voortzetting van artikel 22.12, hoofdstuk 22, tijdelijk deel van het omgevingsplan

IIIII

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.185.24 Bluswatervoorziening

JJJJJ

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.195.25 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten

KKKKK

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.205.26 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen

LLLLL

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.215.27 Overgangsrecht bestaande bouwwerken

MMMMM

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.225.28 Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten

Bijlage I bij het Bbl bevat de begrippen «gemeentelijk monument» en «voorbeschermd gemeentelijk monument». Deze begrippen gelden op grond van artikel 1.1, eerste lid, van dit omgevingsplan ook voor dit plan. Deze begrippen worden gebruikt in de artikelen paragraaf 5.2.9.2 en de artikelen 8.11, 8.12, 8.14 tot en met 8.17 en 8.19. 

De begripsomschrijvingen van bovengenoemde begrippen zijn toegesneden op de wijze waarop de bescherming van monumenten en archeologische monumenten op gemeentelijk niveau via het toekennen van een beschermde status en daardoor het van toepassing worden van bepaalde regels onder het nieuwe recht van de Omgevingswet vorm krijgt. Dit gebeurt door aan het monument of archeologisch monument in dit omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven en, als het gaat om een voorbeschermd monument of archeologisch monument, door het voor de locatie van het monument of archeologisch monument toevoegen van een voorbeschermingsregel aan dit omgevingsplan via een voorbereidingsbesluit vanwege het voornemen om aan dat monument of archeologisch monument in dit omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven.

Daarmee zouden buiten de reikwijdte van bovengenoemde begrippen vallen monumenten en archeologische monumenten op gemeentelijk niveau die onder het voor de Omgevingswet geldende recht als gemeentelijk monument of archeologisch monument zijn aangewezen op grond van een gemeentelijke verordening of een voorbeschermde status hebben verkregen op grond van een zodanige verordening, en waaraan nog niet direct bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet in dit omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of waarvoor op dat moment in het omgevingsplan nog geen voorbeschermingsregel is opgenomen. In de praktijk werden onder het voormalige recht onder de begrippen «gemeentelijk monument» en «voorbeschermd gemeentelijk monument» dergelijke monumenten en archeologische monumenten verstaan (hierna samen te noemen: gemeentelijke monumenten «oude stijl»).

Dit gevolg, dat niet is beoogd, kan zich voordoen tot het bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip waarop gemeenten over een omgevingsplan moeten beschikken dat voldoet aan alle eisen van de Omgevingswet. Uiteraard moeten de hier bedoelde gemeentelijke monumenten «oude stijl» gedurende deze overgangsfase wel adequaat worden beschermd. Dit is het geval zolang deze in dit omgevingsplan nog niet zijn voorzien van de functie-aanduiding gemeentelijk monument in het omgevingsplan of, voor zover het gaat om voorbeschermde monumenten of archeologische monumenten, ter zake een voorbeschermingsregel in dit omgevingsplan is opgenomen. Daarbij wordt er voor zover het gaat om voorbeschermde monumenten en archeologische monumenten op gewezen dat die onder de Omgevingswet niet per se eerst via een door een voorbereidingsbesluit toe te voegen voorbeschermingsregel aan het omgevingsplan hoeven te worden omgezet naar een voorbeschermd gemeentelijk monument in de zin van de begripsomschrijving uit bijlage I bij het Bbl. Afhankelijk van het tijdsverloop van de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening en van de procedure om tot vaststelling van een nieuw omgevingsplan te komen, kan er voor deze voorbeschermde monumenten en archeologische monumenten ook voor worden gekozen om deze direct, dus zonder hiervoor eerst een voorbeschermingsregel aan het omgevingsplan toe te voegen, in het nieuwe deel van het omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven. Dit zal zich met name voordoen als de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening gedurende hetzelfde tijdvak gaande is als de procedure tot vaststelling van het omgevingsplan. In dat geval kan het zo zijn dat die procedure tot aanwijzing voldoende voorziet in de benodigde voorbescherming en hoeft die voorbescherming niet afzonderlijk met voorbeschermingsregels in het omgevingsplan te worden gecreëerd.

Voor zover het gaat om de continuering van de gelding van de gemeentelijke verordeningen zelf en een eventueel daarin opgenomen vergunningplicht wordt in de bescherming van de hier bedoelde gemeentelijke monumenten «oude stijl» al voorzien door de artikelen 22.4 en 22.8 van de Omgevingswet, zoals die artikelen bij de Invoeringswet Omgevingswet worden toegevoegd. Maar voor een adequate bescherming van deze gemeentelijke monumenten «oude stijl» is ook vereist dat de onderdelen van de artikelen in paragraaf 5.2.9.2 en de artikelen 8.1 tot en met 8.6 en 8.8 die betrekking hebben op gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten in overeenstemming met de daarvoor geldende begripsomschrijvingen, ook op deze gemeentelijke monumenten «oude stijl» van toepassing zijn. Artikel 5.225.28 van dit omgevingsplan voorziet hierin. Daarbij is het uiteraard zo dat als bij voorbeschermde monumenten en archeologische monumenten de uitkomst van de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening is dat wordt afgezien van de aanwijzing, op dat moment de voorbescherming vervalt en niet langer sprake is van een «monument of archeologisch monument waarop die verordening van overeenkomstige toepassing is» als bedoeld in artikel 5.225.28 eerste lid. Het van toepassing zijn van dit artikel op de hier bedoelde gemeentelijke monumenten «oude stijl» kan dus niet alleen worden beëindigd doordat gedurende de overgangsfase daaraan in het omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument wordt gegeven of ter zake in het omgevingsplan een voorbeschermingsregel wordt opgenomen (de situaties beschreven in artikel 5.225.28 eerste lid, waardoor de desbetreffende monumenten en archeologische monumenten rechtstreeks onder de begrippen gemeentelijk monument en voorbeschermd gemeentelijk monument komen te vallen, maar ook doordat de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening uiteindelijk niet tot een aanwijzing leidt.

Dit artikel is een voortzetting van artikel 22.2, hoofdstuk 22, tijdelijk deel van het omgevingsplan

NNNNN

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.235.29 Toepassingsbereik 

OOOOO

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.24 lid 3

Dit lid is een voortzetting van artikel 22.28, eerste en tweede lid van hoofdstuk 22, tijdelijk deel van het omgevingsplan

[Vervallen]

PPPPP

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.25 Algemene regels bijbehorend bouwwerk mits in overeenstemming met het omgevingsplan

In dit artikel is geregeld dat de het bouwen van een bijbehorend bouwwerk onder voorwaarden vergunningvrij is. Met deze categorie van bouwwerken wordt artikel 3 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht, met enkele ondergeschikte aanpassingen, voortgezet.

Voor deze bouwwerken geldt weliswaar niet de vergunningplicht uit artikel 5.47, maar de overige regels uit het omgevingsplan blijven onverminderd van kracht, zoals ook volgt uit het tweede lid van dit artikel. Dat betekent dat een bouwwerk onverminderd aan de materiële regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van het bouwwerk moet voldoen. Onderdeel van die regels kan ook een bepaling zijn dat daarvan bij omgevingsvergunning van kan worden afgeweken. Deze binnenplanse vergunningplichten kunnen bijvoorbeeld op grond van artikel 3.6, eerste lid, onder c, van de voormalige Wet ruimtelijke ordening, in een van het tijdelijk deel uitmakend bestemmingsplan zijn opgenomen. Ook deze binnenplanse vergunningplichten blijven onverminderd van kracht, met als gevolg dat er toch een binnenplanse vergunning nodig kan zijn voor de betrokken bouwwerken. Als zo’n binnenplanse vergunning niet kan worden verleend of als het bouwwerk of het voorgenomen gebruik daarvan, niet voldoet aan andere in het omgevingsplan gestelde materiële regels, is sprake van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. In dat geval is er voor het bouwwerk een buitenplanse vergunning nodig op grond artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet. Net als bij de werking van artikel 3 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht, zijn de betrokken bouwwerken dus alleen maar vergunningvrij als aan alle overige regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken uit dit omgevingsplan wordt voldaan. Als op grond van die andere regels een vergunning nodig is, of als het bouwwerk of het voorgenomen gebruik in strijd is met andere regels uit dit omgevingsplan, moet toch een vergunning worden aangevraagd.

Het eerste lid is een voortzetting van artikel 22.27 onder a, hoofdstuk 22, tijdelijk deel van het omgevingsplan

[Vervallen]

QQQQQ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.25 lid 3

Dit lid is een voortzetting van artikel 22.28, eerste en tweede lid van hoofdstuk 22, tijdelijk deel van het omgevingsplan

[Vervallen]

RRRRR

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.25 lid 4

Artikel 5.25, vierde lid, is een voortzetting van artikel 5, vierde lid, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht, waarbij op basis van de jurisprudentie één wijziging is aangebracht. Artikel 5.25, vierde lid, aanhef, verklaart als hoofdregel de op grond van artikel 5.25, eerste lid, van dit omgevingsplan bestaande mogelijkheden om een bijbehorend bouwwerk te bouwen zonder de op grond van artikel 5.47 van dit omgevingsplan vereiste omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit buiten toepassing, als er op de locatie van het bouwwerk regels gelden als bedoeld in artikel 5.69 van dit omgevingsplan over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit. In artikel 5.25, vierde lid, onder a, is de al onder het Besluit omgevingsrecht bestaande uitzondering op deze hoofdregel opgenomen dat deze niet geldt als de oppervlakte van het bouwwerk minder dan 50 m2 bedraagt. Op basis van de jurisprudentie is aan de regeling in dit omgevingsplan een subonderdeel toegevoegd (artikel 5.25, vierde lid, onder b). Per saldo leidt dit nieuwe subonderdeel ertoe dat de vergunningvrije bouwmogelijkheden voor een bijbehorend bouwwerk op grond van artikel 5.25, eerste lid, van dit omgevingsplan in een groter aantal gevallen van toepassing blijven, ook al gelden er op de locatie van het bouwwerk regels als bedoeld in artikel 5.69 van dit omgevingsplan over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit. Het nieuwe subonderdeel regelt namelijk dat die vergunningvrije bouwmogelijkheden in dat geval ook van toepassing blijven als het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een verbod bevat om zonder omgevingsvergunning grondwerkzaamheden te verrichten die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit en daarop regels als bedoeld in artikel  5.69 van dit omgevingsplan over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, van toepassing zijn. Op het moment dat sprake is van een dergelijk verbod met daarop betrekking hebbende regels over het verrichten van archeologisch onderzoek, is er geen reden om de desbetreffende vergunningvrije gevallen uit artikel  5.25, eerste lid te beperken. In dat geval is de bescherming van de archeologische waarden op de locatie voldoende verzekerd. De uitzondering op de vergunningplicht uit artikel 5.47 kan dan blijven gelden. De toevoeging van dit nieuwe subonderdeel is een uitvloeisel van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State met nummer ECLI:NL:RVS:2014:2066. Bij deze uitspraak heeft de Afdeling kort samengevat geoordeeld dat het bestaan van een vergunningplicht voor een bouwactiviteit een eventuele vergunningplicht voor het uitvoeren van grondwerkzaamheden die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit onverlet laat. Om die reden is het niet langer meer nodig om de bescherming van archeologische waarden die gevolgen kunnen ondervinden van grondwerkzaamheden in het kader van een bouwactiviteit, te laten plaatsvinden via regels die betrekking hebben op die bouwactiviteit. Het zijn twee zelfstandige kaders. In de voormalige planologische regelingen die onderdeel uitmaken van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is dit uiteraard nog niet tot uitdrukking gebracht. Om die reden gebeurt dit nu in het nieuwe subonderdeel. Het is aan gemeenten om dit bij het vaststellen van het omgevingsplan verder te regelen en de regels die met het oog op de bescherming van archeologische waarden op een locatie worden gesteld aan het bouwen en het uitvoeren van grondwerkzaamheden in onderlinge samenhang te bezien en desgewenst aan te passen.

Dit lid is een voortzetting van artikel 22.28, vierde lid van hoofdstuk 22, tijdelijk deel van het omgevingsplan

[Vervallen]

SSSSS

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.245.31 Algemene regels Uitzondering vergunningplicht omgevingsplanactiviteit bijbehorend bouwwerk 

In dit artikel is geregeld dat de het bouwen van een bijbehorend bouwwerk onder voorwaarden vergunningvrij is. Met dit artikel wordt geregeld dat het bouwen, in stand houden en gebruiken van deze bouwwerken, mits voldaan wordt aan de hierbij gegeven randvoorwaarden, van rechtswege in overeenstemming is met het omgevingsplan. Er is geen binnenplanse vergunning en ook geen buitenplanse vergunning voor deze bouwwerken nodig. Evenmin is een andere binnenplanse vergunningplicht of een buitenplanse vergunningplicht aan de orde, omdat hier wordt bepaald dat de aangewezen bouwwerken van rechtswege in overeenstemming zijn met het omgevingsplan. Dit betekent ook dat een omgevingsvergunning die is vereist op grond van een eventuele in het tijdelijke deel van het omgevingsplan opgenomen bepaling dat voor een activiteit van een bepaalde regel (zoals bijvoorbeeld een toegelaten bouwhoogte) bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken, niet nodig is.

Een uitzondering geldt voor de in de aanhef van het artikel opgenomen regels van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan. Dit betreft regels uit afdeling 5.2.9 en omgevingsplanregels van rijkswege, afkomstig uit onder meer het Bouwbesluit 2012, de Woningwet en het Activiteitenbesluit milieubeheer. Deze regels, die ook betrekking kunnen hebben op het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, zijn onverminderd van toepassing. Zo geldt voor deze bouwwerken bijvoorbeeld onverminderd het repressieve welstandsvereiste uit artikel 5.575.128. Als een bouwwerk in strijd zou zijn met één of meer van deze regels, is sprake van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit en dus een omgevingsvergunning vereist.

Het eerste lid is een voortzetting van artikel 22.36 onder a, hoofdstuk 22, tijdelijk deel van het omgevingsplan

TTTTT

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

UUUUU

Na sectie '' wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Artikel 5.31 lid 3

Dit artikellid bevat uitzonderingen en randvoorwaarden voor het vergunningvrij bouwen als bedoeld in het eerste lid. Deze uitzonderingen waren in artikel 4a van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht opgenomen. Het gaat om uitzonderingen voor (voor)beschermde monumenten en archeologische monumenten en rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten.

Het tweede lid is een voortzetting van artikel 22.38, hoofdstuk 22, tijdelijk deel van het omgevingsplan

VVVVV

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.26 Mantelzorg Artikel 5.32 Uitzondering vergunningplicht omgevingsplanactiviteit huisvesting in verband met mantelzorg

WWWWW

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

XXXXX

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

YYYYY

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.275.33 Artikel 5.245.31 en 5.265.32, tweede lid, niet van toepassing vanwege externe veiligheid 

Dit artikel bevat uitzonderingen op de mogelijkheden om vergunningvrije activiteiten als bedoeld in artikelen 5.245.31 en 5.265.32tweede lid, te verrichten vanwege het belang van de externe veiligheid. Deze uitzonderingen waren opgenomen in artikel 5, derde lid, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. Hieraan ligt ten grondslag de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico van ten hoogste een op de miljoen per jaar voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties die op grond van artikel 5.7 van het Bkl in een omgevingsplan in acht moet worden genomen. Voor zover artikelen 5.245.31 en 5.265.32tweede lid, betrekking heeft op die gebouwen is het niet wenselijk dat op locaties waar door de in die onderdelen bedoelde activiteiten overschrijding van de norm voor het plaatsgebonden risico aan de orde zou kunnen zijn, vergunningvrij de in die onderdelen bedoelde activiteiten zouden kunnen worden verricht. De locaties waar deze activiteiten niet mogelijk zijn, zijn in de eerste plaats de locaties waarvoor het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, zelf al vanwege de overschrijding van het plaatsgebonden risico bouwmogelijkheden die kunnen leiden tot kwetsbare of zeer kwetsbare gebouwen niet toelaat. Het gaat hier om dit artikel onder a en b, dat een omzetting is van artikel 5, derde lid, onder a en b, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. De verwijzing naar dit omgevingsplan is hier uitdrukkelijk beperkt tot het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, dat kort samengevat bestaat uit de onder het voormalige recht geldende planologische regelingen. Dit omdat die regelingen uitgaan van de in de desbetreffende onderdelen van artikel 5, derde lid, gehanteerde begrippen en systematiek, die onder de Omgevingswet anders zijn. Het is aan gemeenten om daar bij het vaststellen van het omgevingsplan toepassing aan te geven. Hierop kan niet in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder c, van de Omgevingswet worden vooruitgelopen. Sub c zondert daarnaast ook vergunningvrije activiteiten als bedoeld in artikelen 5.245.31 en 5.265.32tweede lid, uit, als de beoogde locatie voor die activiteiten is gelegen binnen afstanden die degene die een vergunningvrije milieubelastende activiteit verricht op grond van het Bal in verband met het plaatsgebonden risico in acht moet nemen. Het gaat dan om de afstanden tussen bepaalde installaties of opslagvoorzieningen waar met stoffen wordt gewerkt die een veiligheidsrisico voor de omgeving met zich kunnen brengen en te beschermen gebouwen en locaties. Op grond van het Bal geldt als hoofdregel dat veiligheidsafstanden zoals hier bedoeld gelden tot de begrenzing van de locatie waarop de milieubelastende activiteit wordt verricht. Hierdoor zijn er ook geen beperkingen aan de gebruiksruimte buiten die begrenzing. Maar het Bal staat in een aantal situaties afwijking van deze regel toe. Onderdeel c is alleen voor die gevallen van praktisch belang. De zinsnede ‘voor zover … van toepassing is’ in de verschillende subonderdelen van sub c brengt dat tot uitdrukking. Degene die een milieubelastende activiteit als hier bedoeld verricht, moet op grond van het Bal op het moment dat de veiligheidsafstanden van toepassing worden buiten de locatie waar hij zijn activiteit verricht, het bevoegd gezag daarover informeren. Het bevoegd gezag moet ervoor zorgen dat deze gegevens terecht komen in het landelijk register externe veiligheidsrisico’s en aldus voor eenieder kenbaar zijn. Bij de opsomming van activiteiten in artikel sub c is aangesloten bij de opsomming van activiteiten in bijlage VII, onder A, bij het Bkl. Dat onderdeel van die bijlage geeft voor de daarin genoemde vergunningvrije milieubelastende activiteiten uit het Bal vastgestelde afstanden waarbij wordt voldaan aan de norm voor het plaatsgebonden risico. De opgesomde activiteiten, zoals die in artikel 22.39, onder c, onder verwijzing naar de desbetreffende artikelen uit het Bal zijn overgenomen, omvatten zes activiteiten die niet worden genoemd in artikel 5, derde lid, onder c, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. Het gaat hier om de subonderdelen 2°, 5°, 6°, 7°, 12° en 13°. Voor de activiteit, bedoeld in subonderdeel 2° (het tanken van voertuigen of werktuigen met LPG), heeft dat als achtergrond dat deze activiteit onder het recht voor de Omgevingswet nog vergunningplichtig was. Door de verschuiving van vergunningplichtig naar vergunningvrij moet de activiteit nu aan de opsomming in sub c, worden toegevoegd. Voor de overige toegevoegde activiteiten is gelet op het belang van de externe veiligheid evenmin aanleiding om deze voor de toepassing van sub c buiten beschouwing te laten. 

Het tweede lid is een aanvulling van art. 2.3 Vangnetregeling Omgevingswet. 

Dit artikellid is een voortzetting van artikel 22.39, hoofdstuk 22, tijdelijk deel van het omgevingsplan

ZZZZZ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.28 Toepassingsbereik

Dit artikel bepaalt het toepassingsbereik van deze subparagraaf. De regels in deze subparagraaf gaan over het bouwen, in stand houden en gebruiken van een recreatief nachtverblijf voor één huishouden.

[Vervallen]

AAAAAA

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.29 Algemene regels bouwwerk voor recreatief nachtverblijf mits in overeenstemming met het omgevingsplan

In dit artikel zijn de bouwwerken aangewezen waarvoor de vergunningplicht, bedoeld in artikel 5.47, niet van toepassing is. Met deze categorie van bouwwerken wordt artikel 3 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht, met enkele ondergeschikte aanpassingen voortgezet. Zoals ook in afdeling 3.2 van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Invoeringsbesluit Omgevingswet toegelicht, geldt voor deze bouwwerken weliswaar niet de vergunningplicht uit artikel 5.47, maar de overige regels uit het omgevingsplan blijven onverminderd van kracht. Dat betekent dat een bouwwerk onverminderd aan de materiële regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van het bouwwerk moet voldoen. Onderdeel van die regels kan ook een bepaling zijn dat daarvan bij omgevingsvergunning van kan worden afgeweken. Deze binnenplanse vergunningplichten kunnen bijvoorbeeld op grond van artikel 3.6, eerste lid, onder c, van de voormalige Wet ruimtelijke ordening, in een van het tijdelijk deel uitmakend bestemmingsplan zijn opgenomen. Ook deze binnenplanse vergunningplichten blijven onverminderd van kracht, met als gevolg dat er toch een binnenplanse vergunning nodig kan zijn voor de betrokken bouwwerken. Als zo’n binnenplanse vergunning niet kan worden verleend of als het bouwwerk of het voorgenomen gebruik daarvan, niet voldoet aan andere in het omgevingsplan gestelde materiële regels, is sprake van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. In dat geval is er voor het bouwwerk een buitenplanse vergunning nodig op grond artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet. Net als bij de werking van artikel 3 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht, zijn de betrokken bouwwerken dus alleen maar vergunningvrij als aan alle overige regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken uit dit omgevingsplan wordt voldaan. Als op grond van die andere regels een vergunning nodig is, of als het bouwwerk of het voorgenomen gebruik in strijd is met andere regels uit dit omgevingsplan, moet toch een vergunning worden aangevraagd.

Het eerste lid is een voortzetting van artikel 22.27 onder b, hoofdstuk 22, tijdelijk deel van het omgevingsplan

[Vervallen]

BBBBBB

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.29 lid 3

Het tweede lid bevat randvoorwaarden voor het in het eerste lid aangewezen geval. Gevolg is dat, als uitzondering op de uitzondering, de vergunningplicht uit artikel 5.47 toch blijft gelden voor die gevallen (als niet aan de aanvullende randvoorwaarden wordt voldaan). Deze systematiek is overgenomen uit de artikelen 4a en 5, vierde lid, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. De vergunningvrije mogelijkheden zijn in het kader van de bescherming van cultureel erfgoed beperkt in geval van (voor)beschermde monumenten en archeologische monumenten en rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten.

Het tweede lid is een voortzetting van artikel 22.28 lid 1 en 2, hoofdstuk 22, tijdelijk deel van het omgevingsplan

[Vervallen]

CCCCCC

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.29 lid 4

Artikel 5.29, vierde lid, is een voortzetting van artikel 5, vierde lid, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht, waarbij op basis van de jurisprudentie één wijziging is aangebracht. Artikel 5.29, vierde lid, aanhef, verklaart als hoofdregel de op grond van artikel 5.29, eerste lid, van dit omgevingsplan bestaande mogelijkheden om een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf te bouwen zonder de op grond van artikel 5.47 van dit omgevingsplan vereiste omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit buiten toepassing, als er op de locatie van het bouwwerk regels gelden als bedoeld in artikel 5.69 van dit omgevingsplan over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit. In artikel 5.29, vierde lid, onder a, is de al onder het Besluit omgevingsrecht bestaande uitzondering op deze hoofdregel opgenomen dat deze niet geldt als de oppervlakte van het bouwwerk minder dan 50 m2 bedraagt. Op basis van de jurisprudentie is aan de regeling in dit omgevingsplan een subonderdeel toegevoegd (artikel 5.29, vierde lid, onder b). Per saldo leidt dit nieuwe subonderdeel ertoe dat de vergunningvrije bouwmogelijkheden voor een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf op grond van artikel 5.29, eerste lid, van dit omgevingsplan in een groter aantal gevallen van toepassing blijven, ook al gelden er op de locatie van het bouwwerk regels als bedoeld in artikel 5.69 van dit omgevingsplan over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit. Het nieuwe subonderdeel regelt namelijk dat die vergunningvrije bouwmogelijkheden in dat geval ook van toepassing blijven als het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een verbod bevat om zonder omgevingsvergunning grondwerkzaamheden te verrichten die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit en daarop regels als bedoeld in artikel  5.69 van dit omgevingsplan over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, van toepassing zijn. Op het moment dat sprake is van een dergelijk verbod met daarop betrekking hebbende regels over het verrichten van archeologisch onderzoek, is er geen reden om de desbetreffende vergunningvrije gevallen uit artikel  5.29, eerste lid te beperken. In dat geval is de bescherming van de archeologische waarden op de locatie voldoende verzekerd. De uitzondering op de vergunningplicht uit artikel 5.47 kan dan blijven gelden. De toevoeging van dit nieuwe subonderdeel is een uitvloeisel van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State met nummer ECLI:NL:RVS:2014:2066. Bij deze uitspraak heeft de Afdeling kort samengevat geoordeeld dat het bestaan van een vergunningplicht voor een bouwactiviteit een eventuele vergunningplicht voor het uitvoeren van grondwerkzaamheden die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit onverlet laat. Om die reden is het niet langer meer nodig om de bescherming van archeologische waarden die gevolgen kunnen ondervinden van grondwerkzaamheden in het kader van een bouwactiviteit, te laten plaatsvinden via regels die betrekking hebben op die bouwactiviteit. Het zijn twee zelfstandige kaders. In de voormalige planologische regelingen die onderdeel uitmaken van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is dit uiteraard nog niet tot uitdrukking gebracht. Om die reden gebeurt dit nu in het nieuwe subonderdeel. Het is aan gemeenten om dit bij het vaststellen van het omgevingsplan verder te regelen en de regels die met het oog op de bescherming van archeologische waarden op een locatie worden gesteld aan het bouwen en het uitvoeren van grondwerkzaamheden in onderlinge samenhang te bezien en desgewenst aan te passen.

Dit lid is een voortzetting van artikel 22.28, vierde lid van hoofdstuk 22, tijdelijk deel van het omgevingsplan

[Vervallen]

DDDDDD

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.305.40 Toepassingsbereik

EEEEEE

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.315.41 Algemene regels Uitzondering vergunningplicht omgevingsplanactiviteit sport- of speeltoestel 

In dit artikel zijn de bouwwerken aangewezen waarvoor de vergunningplicht, bedoeld in artikel 5.475.116, niet van toepassing is. 

Het eerste lid is een voortzetting van artikel 22.27 onder d, hoofdstuk 22, tijdelijk deel van het omgevingsplan

FFFFFF

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.345.42 Toepassingsbereik

GGGGGG

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.365.43 Algemene regels Uitzondering vergunningplicht omgevingsplanactiviteit erf- of perceelafscheiding in de kernen

In dit artikel is geregeld dat de het bouwen van een erf- of perceelafscheiding in de kernen onder voorwaarden vergunningvrij is. Met dit artikel wordt geregeld dat het bouwen, in stand houden en gebruiken van deze bouwwerken, mits voldaan wordt aan de hierbij gegeven randvoorwaarden, van rechtswege in overeenstemming is met het omgevingsplan. Er is geen binnenplanse vergunning en ook geen buitenplanse vergunning voor deze bouwwerken nodig. Evenmin is een andere binnenplanse vergunningplicht of een buitenplanse vergunningplicht aan de orde, omdat hier wordt bepaald dat de aangewezen bouwwerken van rechtswege in overeenstemming zijn met het omgevingsplan. Dit betekent ook dat een omgevingsvergunning die is vereist op grond van een eventuele in het tijdelijke deel van het omgevingsplan opgenomen bepaling dat voor een activiteit van een bepaalde regel (zoals bijvoorbeeld een toegelaten bouwhoogte) bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken, niet nodig is.

Overige regels, die ook betrekking kunnen hebben op het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, zijn onverminderd van toepassing. Zo geldt voor deze bouwwerken bijvoorbeeld onverminderd het repressieve welstandsvereiste uit artikel 5.575.128. Als een bouwwerk in strijd zou zijn met één of meer van deze regels, is sprake van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit en dus een omgevingsvergunning vereist.

Het eerste en tweede lid zijn een voortzetting van artikel 22.27 onder f, hoofdstuk 22, tijdelijk deel van het omgevingsplan

HHHHHH

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.375.44 Algemene regels Uitzondering vergunningplicht omgevingsplanactiviteit erf- of perceelafscheiding in het buitengebied

In dit artikel is geregeld dat de het bouwen van een erf- of perceelafscheiding in het buitengebied onder voorwaarden vergunningvrij is. Met dit artikel wordt geregeld dat het bouwen, in stand houden en gebruiken van deze bouwwerken, mits voldaan wordt aan de hierbij gegeven randvoorwaarden, van rechtswege in overeenstemming is met het omgevingsplan. Er is geen binnenplanse vergunning en ook geen buitenplanse vergunning voor deze bouwwerken nodig. Evenmin is een andere binnenplanse vergunningplicht of een buitenplanse vergunningplicht aan de orde, omdat hier wordt bepaald dat de aangewezen bouwwerken van rechtswege in overeenstemming zijn met het omgevingsplan. Dit betekent ook dat een omgevingsvergunning die is vereist op grond van een eventuele in het tijdelijke deel van het omgevingsplan opgenomen bepaling dat voor een activiteit van een bepaalde regel (zoals bijvoorbeeld een toegelaten bouwhoogte) bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken, niet nodig is.

Overige regels, die ook betrekking kunnen hebben op het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, zijn onverminderd van toepassing. Zo geldt voor deze bouwwerken bijvoorbeeld onverminderd het repressieve welstandsvereiste uit artikel 5.575.128. Als een bouwwerk in strijd zou zijn met één of meer van deze regels, is sprake van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit en dus een omgevingsvergunning vereist.

Het eerste en tweede lid zijn een voortzetting van artikel 22.27 onder f, hoofdstuk 22, tijdelijk deel van het omgevingsplan

IIIIII

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.385.45 Toepassingsbereik

JJJJJJ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.32 Toepassingsbereik 

Dit artikel bepaalt het toepassingsbereik van deze subparagraaf. De regels in deze subparagraaf gaan over het bouwen, in stand houden en gebruiken van een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of een vijver op het gebouwerf bij een woning of woongebouw.  

[Vervallen]

KKKKKK

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.33 Algemene regels zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening mits in overeenstemming met het omgevingsplan

In dit artikel zijn de bouwwerken aangewezen waarvoor de vergunningplicht, bedoeld in artikel 5.47, niet van toepassing is. Met deze categorie van bouwwerken wordt artikel 3 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht, met enkele ondergeschikte aanpassingen voortgezet. Zoals ook in afdeling 3.2 van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Invoeringsbesluit Omgevingswet toegelicht, geldt voor deze bouwwerken weliswaar niet de vergunningplicht uit artikel 5.47, maar de overige regels uit het omgevingsplan blijven onverminderd van kracht. Dat betekent dat een bouwwerk onverminderd aan de materiële regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van het bouwwerk moet voldoen. Onderdeel van die regels kan ook een bepaling zijn dat daarvan bij omgevingsvergunning van kan worden afgeweken. Deze binnenplanse vergunningplichten kunnen bijvoorbeeld op grond van artikel 3.6, eerste lid, onder c, van de voormalige Wet ruimtelijke ordening, in een van het tijdelijk deel uitmakend bestemmingsplan zijn opgenomen. Ook deze binnenplanse vergunningplichten blijven onverminderd van kracht, met als gevolg dat er toch een binnenplanse vergunning nodig kan zijn voor de betrokken bouwwerken. Als zo’n binnenplanse vergunning niet kan worden verleend of als het bouwwerk of het voorgenomen gebruik daarvan, niet voldoet aan andere in het omgevingsplan gestelde materiële regels, is sprake van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. In dat geval is er voor het bouwwerk een buitenplanse vergunning nodig op grond artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet. Net als bij de werking van artikel 3 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht, zijn de betrokken bouwwerken dus alleen maar vergunningvrij als aan alle overige regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken uit dit omgevingsplan wordt voldaan. Als op grond van die andere regels een vergunning nodig is, of als het bouwwerk of het voorgenomen gebruik in strijd is met andere regels uit dit omgevingsplan, moet toch een vergunning worden aangevraagd.

Het eerste lid is een voortzetting van artikel 22.27 onder e, hoofdstuk 22, tijdelijk deel van het omgevingsplan

[Vervallen]

LLLLLL

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.33 lid 2

Voor een activiteit waarbij wordt gegraven in de grond spelen aspecten als archeologische waarden en landschappelijke waarden een belangrijke rol. Om deze reden is de vrijstelling op de vergunningplicht van artikel 5.47 niet zonder meer van toepassing en moet er nog getoetst worden aan de regels over bouwen, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk in het tijdelijk deel van dit omgevingsplan. 

[Vervallen]

MMMMMM

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.33 lid 3

Het derde lid bevat randvoorwaarden voor het in het eerste lid aangewezen geval. Gevolg is dat, als uitzondering op de uitzondering, de vergunningplicht uit artikel 5.47 toch blijft gelden voor die gevallen (als niet aan de aanvullende randvoorwaarden wordt voldaan). Deze systematiek is overgenomen uit de artikelen 4a en 5, vierde lid, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. De vergunningvrije mogelijkheden zijn in het kader van de bescherming van cultureel erfgoed beperkt in geval van (voor)beschermde monumenten en archeologische monumenten en rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten.

Het derde lid is een voortzetting van artikel 22.28 lid 1, hoofdstuk 22, tijdelijk deel van het omgevingsplan

[Vervallen]

NNNNNN

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.395.46 Algemene regels Uitzondering vergunningplicht omgevingsplanactiviteit bouwwerk, geen gebouw zijnde, in achtererfgebied voor agrarische bedrijfsvoering 

In het eerste lid is bepaald dat voor het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, in achtererfgebied voor agrarische bedrijfsvoering de vergunningplicht, bedoeld in artikel 5.475.116, niet van toepassing is. 

Het eerste lid is een voortzetting van artikel 22.27 onder g, hoofdstuk 22, tijdelijk deel van het omgevingsplan

OOOOOO

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.395.46 lid 2

Het derde lid bevat randvoorwaarden voor het in het eerste lid aangewezen geval. Gevolg is dat, als uitzondering op de uitzondering, de vergunningplicht uit artikel 5.475.116 toch blijft gelden voor die gevallen (als niet aan de aanvullende randvoorwaarden wordt voldaan). Deze systematiek is overgenomen uit de artikelen 4a en 5, vierde lid, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. De vergunningvrije mogelijkheden zijn in het kader van de bescherming van cultureel erfgoed beperkt in geval van (voor)beschermde monumenten en archeologische monumenten en rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten.

Het derde lid is een voortzetting van artikel 22.28 lid 1, hoofdstuk 22, tijdelijk deel van het omgevingsplan

PPPPPP

Na sectie '' worden twee secties ingevoegd, luidende:

Artikel 5.47 Toepassingsbereik

Deze subsubparagraaf is van toepassing op het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk, geen gebouwen zijnde op een gebouwerf. Hieronder vallen onder meer vuilcontainerombouwen, buitenunits van warmtepompen en airco's en fietsenhokken. Wat een gebouwerf is, is gedefinieerd in het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Artikel 5.48 Uitzondering vergunningplicht omgevingsplanactiviteit bouwwerk, geen gebouwen zijnde op het gebouwerf

Het zonder omgevingsvergunning bouwen, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk, geen gebouwen zijnde op een gebouwerf (zoals vuilcontainerombouwen, buitenunits van warmtepompen en airco's en fietsenhokken) is toegestaan als deze op de grond staan, niet hoger zijn dan 1,3 meter en niet groter dan 4 m2. Vanzelfsprekend moeten deze wel voldoen aan overige relevante regelgeving. Voor de buitenunits van warmtepompen en airco's moet bijvoorbeeld worden voldaan aan de geluidseisen in het het Besluit bouwwerken leefomgeving.

QQQQQQ

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.445.49 Toepassingsbereik 

RRRRRR

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.35 Voorrangsbepaling erf- of perceelafscheiding

Dit artikel regelt dat de regels in deze paragraaf voorrang hebben op de regels in het tijdelijk deel van het omgevingsplan die gaan over het bouwen van een erf- of perceelafscheiding. Een dergelijke bepaling is nodig omdat de regels uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan niet per regel of onderwerp kunnen vervallen maar enkel alle regels op een locatie. Dat is bij de vaststelling van deze wijziging nog niet aan de orde. In dat geval kan er strijdigheid ontstaan met de regels in deze paragraaf in het nieuwe deel van het omgevingsplan en de regels uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan. 

[Vervallen]

SSSSSS

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

TTTTTT

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.455.50 lid 2

Dit artikel bevat voor rijksbeschermde stads- en dorpgezichten vergelijkbaar overgangsrecht als artikel 5.225.28 voor gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten. Bij onder het oud recht aangewezen rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten doet zich in relatie tot de toepassing van dit artikel de situatie voor dat deze bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet buiten de bescherming vallen die deze artikelonderdelen bieden aan rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten. Deze artikelonderdelen koppelen de bescherming namelijk aan de in het omgevingsplan aan een locatie gegeven functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht maar deze functie-aanduiding zal er op het moment van de inwerkingtreding van de Omgevingswet veelal niet zijn. Dit omdat de systematiek van bescherming van rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten naar oud recht, anders dan onder de Omgevingswet, niet alleen via het bestemmingsplan en welstandseisen in de gemeentelijke welstandsnota verliep, maar ook via het rechtstreeks werkend sloopvergunningenstelsel in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder h, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Onder de Omgevingswet is het sloopvergunningenregime voor rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten een onderwerp dat als onderdeel van het omgevingsplan wordt geregeld. Direct bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet is in het algemeen nog niet in een adequaat sloopvergunningenregime in het omgevingsplan voorzien, omdat in bestemmingsplannen nog is uitgegaan van het bestaan van de wettelijke vergunningplicht uit artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder h, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Om te voorkomen dat door het wegvallen van die rechtstreeks uit de wet voortvloeiende vergunningplicht een hiaat in de bescherming van een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht ontstaat, is in artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet bepaald dat totdat het omgevingsplan voorziet in een adequaat beschermingsregime dat voldoet aan de in dat artikellid gestelde eisen, voor het slopen in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist. Artikel 4.35, tweede lid, van die wet verklaart op deze vergunningplicht de op de vergunningplicht uit artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder h, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht betrekking hebbende weigeringsgrond uit artikel 2.16 van die wet van overeenkomstige toepassing.

Voor de toepassing van dit artikel zou het ontbreken in het omgevingsplan van de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht met zich brengen dat – zolang in dit omgevingsplan aan een locatie waarvoor een op grond van het oude recht gegeven aanwijzing als rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht geldt – die functie-aanduiding nog niet is gegeven, op die locatie zonder beperking op grond van de de uitzondering op de vergunningplicht van artikel 5.475.116 vergunningvrij mogen worden gebouwd. Dit is uiteraard onwenselijk. Dit artikellid zorgt dat dit gevolg zich niet voordoet door te bepalen dat de artikelen het eerste lid van dit artikel van overeenkomstige toepassing is op deze locaties tot aan het moment waarop daaraan in dit omgevingsplan wel de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven.

Hoewel de achtergrond van de artikelen over overgangsrecht vergelijkbaar zijn, heeft dit artikel een iets andere opzet dan artikel 5.225.28. Dit komt door het feit dat voor de begrippen «gemeentelijk monument» en «voorbeschermd gemeentelijk monument» in bijlage I bij het Bbl in begripsomschrijvingen is voorzien. Maar er is binnen het stelsel van de Omgevingswet geen begripsomschrijving voor «rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht». Om die reden is er in dit artikel voor gekozen om het eerste lid van dit artikel van overeenkomstige toepassing te verklaren.

Dit artikellid is een voortzetting van artikel 22.3, hoofdstuk 22, tijdelijk deel van het omgevingsplan

UUUUUU

Na sectie '' worden 24 secties ingevoegd, luidende:

Artikel 5.51 Toepassingsbereik 

Dit artikel bepaalt het toepassingsbereik van deze subparagraaf. De regels in deze subparagraaf gaan over de algemene regels voor het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan. 

Artikel 5.53 Uitzondering vergunningplicht omgevingsplanactiviteit bijbehorend bouwwerk mits in overeenstemming met het omgevingsplan

In dit artikel is geregeld dat de het bouwen van een bijbehorend bouwwerk onder voorwaarden vergunningvrij is. Met deze categorie van bouwwerken wordt artikel 3 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht, met enkele ondergeschikte aanpassingen, voortgezet.

Voor deze bouwwerken geldt weliswaar niet de vergunningplicht uit artikel 5.116, maar de overige regels uit het omgevingsplan blijven onverminderd van kracht, zoals ook volgt uit het tweede lid van dit artikel. Dat betekent dat een bouwwerk onverminderd aan de materiële regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van het bouwwerk moet voldoen. Onderdeel van die regels kan ook een bepaling zijn dat daarvan bij omgevingsvergunning van kan worden afgeweken. Deze binnenplanse vergunningplichten kunnen bijvoorbeeld op grond van artikel 3.6, eerste lid, onder c, van de voormalige Wet ruimtelijke ordening, in een van het tijdelijk deel uitmakend bestemmingsplan zijn opgenomen. Ook deze binnenplanse vergunningplichten blijven onverminderd van kracht, met als gevolg dat er toch een binnenplanse vergunning nodig kan zijn voor de betrokken bouwwerken. Als zo’n binnenplanse vergunning niet kan worden verleend of als het bouwwerk of het voorgenomen gebruik daarvan, niet voldoet aan andere in het omgevingsplan gestelde materiële regels, is sprake van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. In dat geval is er voor het bouwwerk een buitenplanse vergunning nodig op grond artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet. Net als bij de werking van artikel 3 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht, zijn de betrokken bouwwerken dus alleen maar vergunningvrij als aan alle overige regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken uit dit omgevingsplan wordt voldaan. Als op grond van die andere regels een vergunning nodig is, of als het bouwwerk of het voorgenomen gebruik in strijd is met andere regels uit dit omgevingsplan, moet toch een vergunning worden aangevraagd.

Het eerste lid is een voortzetting van artikel 22.27 onder a, hoofdstuk 22, tijdelijk deel van het omgevingsplan

Artikel 5.53 lid 3

Dit lid is een voortzetting van artikel 22.28, eerste en tweede lid van hoofdstuk 22, tijdelijk deel van het omgevingsplan

Artikel 5.54 Toepassingsbereik 

Dit artikel bepaalt het toepassingsbereik van deze subparagraaf. De regels in deze subparagraaf gaan over het bouwen, in stand houden en gebruiken van een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of een vijver op het gebouwerf bij een woning of woongebouw.  

Artikel 5.55 Uitzondering vergunningplicht omgevingsplanactiviteit zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening mits in overeenstemming met het omgevingsplan

In dit artikel zijn de bouwwerken aangewezen waarvoor de vergunningplicht, bedoeld in artikel 5.116, niet van toepassing is. Met deze categorie van bouwwerken wordt artikel 3 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht, met enkele ondergeschikte aanpassingen voortgezet. Zoals ook in afdeling 3.2 van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Invoeringsbesluit Omgevingswet toegelicht, geldt voor deze bouwwerken weliswaar niet de vergunningplicht uit artikel 5.116, maar de overige regels uit het omgevingsplan blijven onverminderd van kracht. Dat betekent dat een bouwwerk onverminderd aan de materiële regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van het bouwwerk moet voldoen. Onderdeel van die regels kan ook een bepaling zijn dat daarvan bij omgevingsvergunning van kan worden afgeweken. Deze binnenplanse vergunningplichten kunnen bijvoorbeeld op grond van artikel 3.6, eerste lid, onder c, van de voormalige Wet ruimtelijke ordening, in een van het tijdelijk deel uitmakend bestemmingsplan zijn opgenomen. Ook deze binnenplanse vergunningplichten blijven onverminderd van kracht, met als gevolg dat er toch een binnenplanse vergunning nodig kan zijn voor de betrokken bouwwerken. Als zo’n binnenplanse vergunning niet kan worden verleend of als het bouwwerk of het voorgenomen gebruik daarvan, niet voldoet aan andere in het omgevingsplan gestelde materiële regels, is sprake van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. In dat geval is er voor het bouwwerk een buitenplanse vergunning nodig op grond artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet. Net als bij de werking van artikel 3 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht, zijn de betrokken bouwwerken dus alleen maar vergunningvrij als aan alle overige regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken uit dit omgevingsplan wordt voldaan. Als op grond van die andere regels een vergunning nodig is, of als het bouwwerk of het voorgenomen gebruik in strijd is met andere regels uit dit omgevingsplan, moet toch een vergunning worden aangevraagd.

Het eerste lid is een voortzetting van artikel 22.27 onder e, hoofdstuk 22, tijdelijk deel van het omgevingsplan

Artikel 5.55 lid 2

Voor een activiteit waarbij wordt gegraven in de grond spelen aspecten als archeologische waarden en landschappelijke waarden een belangrijke rol. Om deze reden is de vrijstelling op de vergunningplicht van artikel 5.116 niet zonder meer van toepassing en moet er nog getoetst worden aan de regels over bouwen, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk in het tijdelijk deel van dit omgevingsplan. 

Artikel 5.55 lid 3

Het derde lid bevat randvoorwaarden voor het in het eerste lid aangewezen geval. Gevolg is dat, als uitzondering op de uitzondering, de vergunningplicht uit artikel 5.116 toch blijft gelden voor die gevallen (als niet aan de aanvullende randvoorwaarden wordt voldaan). Deze systematiek is overgenomen uit de artikelen 4a en 5, vierde lid, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. De vergunningvrije mogelijkheden zijn in het kader van de bescherming van cultureel erfgoed beperkt in geval van (voor)beschermde monumenten en archeologische monumenten en rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten.

Het derde lid is een voortzetting van artikel 22.28 lid 1, hoofdstuk 22, tijdelijk deel van het omgevingsplan

Artikel 5.56 Toepassingsbereik 

Dit artikel bepaalt het toepassingsbereik van deze subparagraaf. De regels in deze subparagraaf gaan over het bouwen, in stand houden en gebruiken van een buisleiding anders dan een buisleiding waarop artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4°, van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is.

Artikel 5.57 Uitzondering vergunningplicht omgevingsplanactiviteit buisleiding mits in overeenstemming met het omgevingsplan 

In het eerste lid is bepaald dat voor het bouwen, in stand houden en gebruiken van een buisleiding anders dan een buisleiding waarop artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4°, van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is de vergunningplicht, bedoeld in artikel 5.116, niet van toepassing is. Hierdoor ontstaat een vergelijkbare samenhang tussen dit artikelonderdeel en het genoemde artikelonderdeel uit het Bbl als de samenhang tussen de onderdelen in de artikelen 2 en 3 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. Met deze categorie van bouwwerken wordt artikel 3 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht voortgezet. Zoals ook in afdeling 3.2 van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Invoeringsbesluit Omgevingswet toegelicht, geldt voor deze bouwwerken weliswaar niet de vergunningplicht uit artikel 5.116, maar de overige regels uit het omgevingsplan blijven onverminderd van kracht. Dat betekent dat een bouwwerk onverminderd aan de materiële regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van het bouwwerk moet voldoen. Onderdeel van die regels kan ook een bepaling zijn dat daarvan bij omgevingsvergunning van kan worden afgeweken. Deze binnenplanse vergunningplichten kunnen bijvoorbeeld op grond van artikel 3.6, eerste lid, onder c, van de voormalige Wet ruimtelijke ordening, in een van het tijdelijk deel uitmakend bestemmingsplan zijn opgenomen. Ook deze binnenplanse vergunningplichten blijven onverminderd van kracht, met als gevolg dat er toch een binnenplanse vergunning nodig kan zijn voor de betrokken bouwwerken. Als zo’n binnenplanse vergunning niet kan worden verleend of als het bouwwerk of het voorgenomen gebruik daarvan, niet voldoet aan andere in het omgevingsplan gestelde materiële regels, is sprake van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. In dat geval is er voor het bouwwerk een buitenplanse vergunning nodig op grond artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet. Net als bij de werking van artikel 3 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht, zijn de betrokken bouwwerken dus alleen maar vergunningvrij als aan alle overige regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken uit dit omgevingsplan wordt voldaan. Als op grond van die andere regels een vergunning nodig is, of als het bouwwerk of het voorgenomen gebruik in strijd is met andere regels uit dit omgevingsplan, moet toch een vergunning worden aangevraagd.

Het eerste lid is een voortzetting van artikel 22.27 onder h, hoofdstuk 22, tijdelijk deel van het omgevingsplan

Artikel 5.57 lid 2

Voor een activiteit waarbij wordt gegraven in de grond spelen aspecten als archeologische waarden en landschappelijke waarden een belangrijke rol. Om deze reden is de vrijstelling op de vergunningplicht van artikel 5.116 niet zonder meer van toepassing en moet er nog getoetst worden aan de regels over bouwen, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk in het tijdelijk deel van dit omgevingsplan. 

Artikel 5.57 lid 3

Het derde lid bevat randvoorwaarden voor het in het eerste lid aangewezen geval. Gevolg is dat, als uitzondering op de uitzondering, de vergunningplicht uit artikel 5.116 toch blijft gelden voor die gevallen (als niet aan de aanvullende randvoorwaarden wordt voldaan). Deze systematiek is overgenomen uit de artikelen 4a en 5, vierde lid, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. De vergunningvrije mogelijkheden zijn in het kader van de bescherming van cultureel erfgoed beperkt in geval van (voor)beschermde monumenten en archeologische monumenten en rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten.

Het derde lid is een voortzetting van artikel 22.28 lid 1, hoofdstuk 22, tijdelijk deel van het omgevingsplan

Artikel 5.58 Toepassingsbereik

Dit artikel bepaalt het toepassingsbereik van deze subparagraaf. De regels in deze subparagraaf gaan over het bouwen, in stand houden en gebruiken van een recreatief nachtverblijf voor één huishouden.

Artikel 5.59 Uitzondering vergunningplicht omgevingsplanactiviteit bouwwerk voor recreatief nachtverblijf mits in overeenstemming met het omgevingsplan

In dit artikel zijn de bouwwerken aangewezen waarvoor de vergunningplicht, bedoeld in artikel 5.116, niet van toepassing is. Met deze categorie van bouwwerken wordt artikel 3 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht, met enkele ondergeschikte aanpassingen voortgezet. Zoals ook in afdeling 3.2 van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Invoeringsbesluit Omgevingswet toegelicht, geldt voor deze bouwwerken weliswaar niet de vergunningplicht uit artikel 5.116, maar de overige regels uit het omgevingsplan blijven onverminderd van kracht. Dat betekent dat een bouwwerk onverminderd aan de materiële regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van het bouwwerk moet voldoen. Onderdeel van die regels kan ook een bepaling zijn dat daarvan bij omgevingsvergunning van kan worden afgeweken. Deze binnenplanse vergunningplichten kunnen bijvoorbeeld op grond van artikel 3.6, eerste lid, onder c, van de voormalige Wet ruimtelijke ordening, in een van het tijdelijk deel uitmakend bestemmingsplan zijn opgenomen. Ook deze binnenplanse vergunningplichten blijven onverminderd van kracht, met als gevolg dat er toch een binnenplanse vergunning nodig kan zijn voor de betrokken bouwwerken. Als zo’n binnenplanse vergunning niet kan worden verleend of als het bouwwerk of het voorgenomen gebruik daarvan, niet voldoet aan andere in het omgevingsplan gestelde materiële regels, is sprake van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. In dat geval is er voor het bouwwerk een buitenplanse vergunning nodig op grond artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet. Net als bij de werking van artikel 3 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht, zijn de betrokken bouwwerken dus alleen maar vergunningvrij als aan alle overige regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken uit dit omgevingsplan wordt voldaan. Als op grond van die andere regels een vergunning nodig is, of als het bouwwerk of het voorgenomen gebruik in strijd is met andere regels uit dit omgevingsplan, moet toch een vergunning worden aangevraagd.

Het eerste lid is een voortzetting van artikel 22.27 onder b, hoofdstuk 22, tijdelijk deel van het omgevingsplan

Artikel 5.59 lid 3

Het tweede lid bevat randvoorwaarden voor het in het eerste lid aangewezen geval. Gevolg is dat, als uitzondering op de uitzondering, de vergunningplicht uit artikel 5.116 toch blijft gelden voor die gevallen (als niet aan de aanvullende randvoorwaarden wordt voldaan). Deze systematiek is overgenomen uit de artikelen 4a en 5, vierde lid, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. De vergunningvrije mogelijkheden zijn in het kader van de bescherming van cultureel erfgoed beperkt in geval van (voor)beschermde monumenten en archeologische monumenten en rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten.

Het tweede lid is een voortzetting van artikel 22.28 lid 1 en 2, hoofdstuk 22, tijdelijk deel van het omgevingsplan

Artikel 5.60 Toepassingsbereik 

Dit artikel bepaalt het toepassingsbereik van deze subparagraaf. De regels in deze subparagraaf gaan over een te veranderen bouwwerk.

Artikel 5.61 Uitzondering vergunningplicht omgevingsplanactiviteit een te veranderen bouwwerk mits in overeenstemming met het omgevingsplan 

In het eerste lid is bepaald dat een te veranderen bouwwerk wanneer wordt voldaan aan de genoemde eisen, de vergunningplicht, bedoeld in artikel 5.116, niet van toepassing is. Enkele voorwaarden zijn geschrapt (geen verandering van de draagconstructie of (sub)brandcompartimentering), aangezien die om bouwtechnische redenen gesteld werden en geen invloed hebben op de ruimtelijke kwaliteit van het bouwen zoals die door een omgevingsplan wordt gereguleerd. Met deze categorie van bouwwerken wordt artikel 3 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht voortgezet. Zoals ook in afdeling 3.2 van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Invoeringsbesluit Omgevingswet toegelicht, geldt voor deze bouwwerken weliswaar niet de vergunningplicht uit artikel 5.116, maar de overige regels uit het omgevingsplan blijven onverminderd van kracht. Dat betekent dat een bouwwerk onverminderd aan de materiële regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van het bouwwerk moet voldoen. Onderdeel van die regels kan ook een bepaling zijn dat daarvan bij omgevingsvergunning van kan worden afgeweken. Deze binnenplanse vergunningplichten kunnen bijvoorbeeld op grond van artikel 3.6, eerste lid, onder c, van de voormalige Wet ruimtelijke ordening, in een van het tijdelijk deel uitmakend bestemmingsplan zijn opgenomen. Ook deze binnenplanse vergunningplichten blijven onverminderd van kracht, met als gevolg dat er toch een binnenplanse vergunning nodig kan zijn voor de betrokken bouwwerken. Als zo’n binnenplanse vergunning niet kan worden verleend of als het bouwwerk of het voorgenomen gebruik daarvan, niet voldoet aan andere in het omgevingsplan gestelde materiële regels, is sprake van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. In dat geval is er voor het bouwwerk een buitenplanse vergunning nodig op grond artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet. Net als bij de werking van artikel 3 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht, zijn de betrokken bouwwerken dus alleen maar vergunningvrij als aan alle overige regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken uit dit omgevingsplan wordt voldaan. Als op grond van die andere regels een vergunning nodig is, of als het bouwwerk of het voorgenomen gebruik in strijd is met andere regels uit dit omgevingsplan, moet toch een vergunning worden aangevraagd.

In het Besluit bouwwerken leefomgeving is bepaald dat voor gewoon onderhoud, waarbij detaillering, profilering en vormgeving niet wijzigen, geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken is vereist.

Het eerste lid is een voortzetting van artikel 22.27 onder i, hoofdstuk 22, tijdelijk deel van het omgevingsplan

Artikel 5.61 lid 3

Het derde lid bevat randvoorwaarden voor het in het eerste lid aangewezen geval. Gevolg is dat, als uitzondering op de uitzondering, de vergunningplicht uit artikel 5.116 toch blijft gelden voor die gevallen (als niet aan de aanvullende randvoorwaarden wordt voldaan). Deze systematiek is overgenomen uit de artikelen 4a en 5, vierde lid, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. De vergunningvrije mogelijkheden zijn in het kader van de bescherming van cultureel erfgoed beperkt in geval van (voor)beschermde monumenten en archeologische monumenten en rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten.

Het derde lid is een voortzetting van artikel 22.28 lid 1, hoofdstuk 22, tijdelijk deel van het omgevingsplan

Artikel 5.62 Toepassingsbereik 

Dit artikel bepaalt het toepassingsbereik van deze subparagraaf. De regels in deze subparagraaf gaan over bouwen, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk in beschermd stads- of dorpsgezicht. 

Artikel 5.63 lid 1

Dit artikellid is een voortzetting van artikel 22.28 lid 3, hoofdstuk 22, tijdelijk deel van het omgevingsplan

Artikel 5.63 lid 2

Dit artikel bevat voor rijksbeschermde stads- en dorpgezichten vergelijkbaar overgangsrecht als artikel 5.28 voor gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten. Bij onder het oud recht aangewezen rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten doet zich in relatie tot de toepassing van dit artikel de situatie voor dat deze bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet buiten de bescherming vallen die deze artikelonderdelen bieden aan rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten. Deze artikelonderdelen koppelen de bescherming namelijk aan de in het omgevingsplan aan een locatie gegeven functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht maar deze functie-aanduiding zal er op het moment van de inwerkingtreding van de Omgevingswet veelal niet zijn. Dit omdat de systematiek van bescherming van rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten naar oud recht, anders dan onder de Omgevingswet, niet alleen via het bestemmingsplan en welstandseisen in de gemeentelijke welstandsnota verliep, maar ook via het rechtstreeks werkend sloopvergunningenstelsel in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder h, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Onder de Omgevingswet is het sloopvergunningenregime voor rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten een onderwerp dat als onderdeel van het omgevingsplan wordt geregeld. Direct bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet is in het algemeen nog niet in een adequaat sloopvergunningenregime in het omgevingsplan voorzien, omdat in bestemmingsplannen nog is uitgegaan van het bestaan van de wettelijke vergunningplicht uit artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder h, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Om te voorkomen dat door het wegvallen van die rechtstreeks uit de wet voortvloeiende vergunningplicht een hiaat in de bescherming van een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht ontstaat, is in artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet bepaald dat totdat het omgevingsplan voorziet in een adequaat beschermingsregime dat voldoet aan de in dat artikellid gestelde eisen, voor het slopen in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist. Artikel 4.35, tweede lid, van die wet verklaart op deze vergunningplicht de op de vergunningplicht uit artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder h, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht betrekking hebbende weigeringsgrond uit artikel 2.16 van die wet van overeenkomstige toepassing.

Voor de toepassing van dit artikel zou het ontbreken in het omgevingsplan van de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht met zich brengen dat – zolang in dit omgevingsplan aan een locatie waarvoor een op grond van het oude recht gegeven aanwijzing als rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht geldt – die functie-aanduiding nog niet is gegeven, op die locatie zonder beperking op grond van de de uitzondering op de vergunningplicht van artikel 5.116 vergunningvrij mogen worden gebouwd. Dit is uiteraard onwenselijk. Dit artikellid zorgt dat dit gevolg zich niet voordoet door te bepalen dat de artikelen het eerste lid van dit artikel van overeenkomstige toepassing is op deze locaties tot aan het moment waarop daaraan in dit omgevingsplan wel de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven.

Hoewel de achtergrond van de artikelen over overgangsrecht vergelijkbaar zijn, heeft dit artikel een iets andere opzet dan artikel 5.28. Dit komt door het feit dat voor de begrippen «gemeentelijk monument» en «voorbeschermd gemeentelijk monument» in bijlage I bij het Bbl in begripsomschrijvingen is voorzien. Maar er is binnen het stelsel van de Omgevingswet geen begripsomschrijving voor «rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht». Om die reden is er in dit artikel voor gekozen om het eerste lid van dit artikel van overeenkomstige toepassing te verklaren.

Dit artikellid is een voortzetting van artikel 22.3, hoofdstuk 22, tijdelijk deel van het omgevingsplan

Artikel 5.78 lid 7

Dit artikel bevat een specifieke bepaling voor bijbehorende bouwwerken, zoals die was opgenomen in artikel 7 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. Inhoudelijk zijn deze bepalingen ongewijzigd.

Dit  lid is een voortzetting van artikel 22.37, hoofdstuk 22, tijdelijk deel van het omgevingsplan

Artikel 5.92 Algemene bouwregels bedrijfswoningen in het werkingsgebied kernen

In dit artikel zijn de beoordelingsregels opgenomen voor het bouwen van bedrijfswoningen en bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen bedrijfswoningen binnen de kernen, zoals Emst en Oene en in het buitengebied. In het eerste lid zijn de beoordelingsregels opgenomen voor bedrijfswoningen binnen de kernen. in de toekomst zal een nieuw lid worden toegevoegd voor bedrijfswoningen in het buitengebied. 

Tweede lid: Er zijn bedrijfswoningen en bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen die niet voldoen aan de beoordelingsregels in het eerste lid. Bijvoorbeeld omdat de bestaande goothoogte hoger is of de inhoud groter is dan in het eerste lid is toegestaan. Voor die bedrijfswoningen en bijbehorende bouwwerken bij de bedrijfswoning is in het tweede lid een uitzondering opgenomen. In dat geval is de toegestane goothoogte, bouwhoogte, inhoud, dakhelling en afstand van bijbehorende bouwwerken bij de bedrijfswoning tot de voorgevelrooilijn van de bedrijfswoning de bestaande maat. Dit is uiteraard alleen het geval als de bedrijfswoning of bijbehorende bouwwerken bij de bedrijfswoning legaal aanwezig zijn.

Artikel 5.95 Maximum oppervlakte gebouwen

In dit artikel zijn de beoordelingsregels opgenomen voor het bouwen van bedrijfswoningen en bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen bedrijfswoningen binnen de kernen, zoals Emst en Oene en in het buitengebied. In het eerste lid zijn de beoordelingsregels opgenomen voor bedrijfswoningen binnen de kernen. in de toekomst zal een nieuw lid worden toegevoegd voor bedrijfswoningen in het buitengebied. 

Tweede lid: Er zijn bedrijfswoningen en bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen die niet voldoen aan de beoordelingsregels in het eerste lid. Bijvoorbeeld omdat de bestaande goothoogte hoger is of de inhoud groter is dan in het eerste lid is toegestaan. Voor die bedrijfswoningen en bijbehorende bouwwerken bij de bedrijfswoning is in het tweede lid een uitzondering opgenomen. In dat geval is de toegestane goothoogte, bouwhoogte, inhoud, dakhelling en afstand van bijbehorende bouwwerken bij de bedrijfswoning tot de voorgevelrooilijn van de bedrijfswoning de bestaande maat. Dit is uiteraard alleen het geval als de bedrijfswoning of bijbehorende bouwwerken bij de bedrijfswoning legaal aanwezig zijn.

Artikel 5.112 Algemene bouwregels overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde

In dit artikel zijn algemene regels opgenomen voor het bouwen van een ander bouwwerk, geen gebouwen zijnde. Dit is een restcategorie van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waarvoor elders in dit omgevingsplan nog geen regels zijn opgenomen. 

In dit artikel wordt onderscheid gemaakt tussen bouwwerken, geen gebouwen zijnde achter de voorgevelrooilijn en percelen zonder gebouwen. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde voor de voorgevelrooilijn voorziet artikel 2.29, onderdeel r, van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Hierin is geregeld dat geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit nodig is voor het bouwen van een ander bouwwerk in het voorerfgebied, mits het bouwwerk niet hoger is dan 1 meter en de oppervlakte niet meer is dan 2 m2. Voor een bouwwerk, geen gebouwen zijnde dat hoger of groter is, is een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit vereist. 

VVVVVV

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.40 Toepassingsbereik 

Dit artikel bepaalt het toepassingsbereik van deze subparagraaf. De regels in deze subparagraaf gaan over het bouwen, in stand houden en gebruiken van een buisleiding anders dan een buisleiding waarop artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4°, van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is.

[Vervallen]

WWWWWW

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.41 Algemene regels buisleiding mits in overeenstemming met het omgevingsplan 

In het eerste lid is bepaald dat voor het bouwen, in stand houden en gebruiken van een buisleiding anders dan een buisleiding waarop artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4°, van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is de vergunningplicht, bedoeld in artikel 5.47, niet van toepassing is. Hierdoor ontstaat een vergelijkbare samenhang tussen dit artikelonderdeel en het genoemde artikelonderdeel uit het Bbl als de samenhang tussen de onderdelen in de artikelen 2 en 3 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. Met deze categorie van bouwwerken wordt artikel 3 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht voortgezet. Zoals ook in afdeling 3.2 van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Invoeringsbesluit Omgevingswet toegelicht, geldt voor deze bouwwerken weliswaar niet de vergunningplicht uit artikel 5.47, maar de overige regels uit het omgevingsplan blijven onverminderd van kracht. Dat betekent dat een bouwwerk onverminderd aan de materiële regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van het bouwwerk moet voldoen. Onderdeel van die regels kan ook een bepaling zijn dat daarvan bij omgevingsvergunning van kan worden afgeweken. Deze binnenplanse vergunningplichten kunnen bijvoorbeeld op grond van artikel 3.6, eerste lid, onder c, van de voormalige Wet ruimtelijke ordening, in een van het tijdelijk deel uitmakend bestemmingsplan zijn opgenomen. Ook deze binnenplanse vergunningplichten blijven onverminderd van kracht, met als gevolg dat er toch een binnenplanse vergunning nodig kan zijn voor de betrokken bouwwerken. Als zo’n binnenplanse vergunning niet kan worden verleend of als het bouwwerk of het voorgenomen gebruik daarvan, niet voldoet aan andere in het omgevingsplan gestelde materiële regels, is sprake van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. In dat geval is er voor het bouwwerk een buitenplanse vergunning nodig op grond artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet. Net als bij de werking van artikel 3 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht, zijn de betrokken bouwwerken dus alleen maar vergunningvrij als aan alle overige regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken uit dit omgevingsplan wordt voldaan. Als op grond van die andere regels een vergunning nodig is, of als het bouwwerk of het voorgenomen gebruik in strijd is met andere regels uit dit omgevingsplan, moet toch een vergunning worden aangevraagd.

Het eerste lid is een voortzetting van artikel 22.27 onder h, hoofdstuk 22, tijdelijk deel van het omgevingsplan

[Vervallen]

XXXXXX

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.41 lid 2

Voor een activiteit waarbij wordt gegraven in de grond spelen aspecten als archeologische waarden en landschappelijke waarden een belangrijke rol. Om deze reden is de vrijstelling op de vergunningplicht van artikel 5.47 niet zonder meer van toepassing en moet er nog getoetst worden aan de regels over bouwen, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk in het tijdelijk deel van dit omgevingsplan. 

[Vervallen]

YYYYYY

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.41 lid 3

Het derde lid bevat randvoorwaarden voor het in het eerste lid aangewezen geval. Gevolg is dat, als uitzondering op de uitzondering, de vergunningplicht uit artikel 5.47 toch blijft gelden voor die gevallen (als niet aan de aanvullende randvoorwaarden wordt voldaan). Deze systematiek is overgenomen uit de artikelen 4a en 5, vierde lid, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. De vergunningvrije mogelijkheden zijn in het kader van de bescherming van cultureel erfgoed beperkt in geval van (voor)beschermde monumenten en archeologische monumenten en rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten.

Het derde lid is een voortzetting van artikel 22.28 lid 1, hoofdstuk 22, tijdelijk deel van het omgevingsplan

[Vervallen]

ZZZZZZ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.42 Toepassingsbereik 

Dit artikel bepaalt het toepassingsbereik van deze subparagraaf. De regels in deze subparagraaf gaan over een te veranderen bouwwerk.

[Vervallen]

AAAAAAA

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.43 Algemene regels een te veranderen bouwwerk mits in overeenstemming met het omgevingsplan 

In het eerste lid is bepaald dat een te veranderen bouwwerk wanneer wordt voldaan aan de genoemde eisen, de vergunningplicht, bedoeld in artikel 5.47, niet van toepassing is. Enkele voorwaarden zijn geschrapt (geen verandering van de draagconstructie of (sub)brandcompartimentering), aangezien die om bouwtechnische redenen gesteld werden en geen invloed hebben op de ruimtelijke kwaliteit van het bouwen zoals die door een omgevingsplan wordt gereguleerd. Met deze categorie van bouwwerken wordt artikel 3 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht voortgezet. Zoals ook in afdeling 3.2 van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Invoeringsbesluit Omgevingswet toegelicht, geldt voor deze bouwwerken weliswaar niet de vergunningplicht uit artikel 5.47, maar de overige regels uit het omgevingsplan blijven onverminderd van kracht. Dat betekent dat een bouwwerk onverminderd aan de materiële regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van het bouwwerk moet voldoen. Onderdeel van die regels kan ook een bepaling zijn dat daarvan bij omgevingsvergunning van kan worden afgeweken. Deze binnenplanse vergunningplichten kunnen bijvoorbeeld op grond van artikel 3.6, eerste lid, onder c, van de voormalige Wet ruimtelijke ordening, in een van het tijdelijk deel uitmakend bestemmingsplan zijn opgenomen. Ook deze binnenplanse vergunningplichten blijven onverminderd van kracht, met als gevolg dat er toch een binnenplanse vergunning nodig kan zijn voor de betrokken bouwwerken. Als zo’n binnenplanse vergunning niet kan worden verleend of als het bouwwerk of het voorgenomen gebruik daarvan, niet voldoet aan andere in het omgevingsplan gestelde materiële regels, is sprake van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. In dat geval is er voor het bouwwerk een buitenplanse vergunning nodig op grond artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet. Net als bij de werking van artikel 3 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht, zijn de betrokken bouwwerken dus alleen maar vergunningvrij als aan alle overige regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken uit dit omgevingsplan wordt voldaan. Als op grond van die andere regels een vergunning nodig is, of als het bouwwerk of het voorgenomen gebruik in strijd is met andere regels uit dit omgevingsplan, moet toch een vergunning worden aangevraagd.

Het eerste lid is een voortzetting van artikel 22.27 onder i, hoofdstuk 22, tijdelijk deel van het omgevingsplan

[Vervallen]

BBBBBBB

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.43 lid 3

Het derde lid bevat randvoorwaarden voor het in het eerste lid aangewezen geval. Gevolg is dat, als uitzondering op de uitzondering, de vergunningplicht uit artikel 5.47 toch blijft gelden voor die gevallen (als niet aan de aanvullende randvoorwaarden wordt voldaan). Deze systematiek is overgenomen uit de artikelen 4a en 5, vierde lid, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. De vergunningvrije mogelijkheden zijn in het kader van de bescherming van cultureel erfgoed beperkt in geval van (voor)beschermde monumenten en archeologische monumenten en rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten.

Het derde lid is een voortzetting van artikel 22.28 lid 1, hoofdstuk 22, tijdelijk deel van het omgevingsplan

[Vervallen]

CCCCCCC

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.54 Voorschriften over archeologische monumentenzorg binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken

Dit artikel is voor de omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit de voortzetting van de regeling in artikel 2.22, tweede lid, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.2, eerste lid, van het voormalige Besluit omgevingsrecht. Het gaat hier om de gevallen, bedoeld in artikel 5.47. Deze bepaling vloeit voort uit artikel 5.2, eerste lid, van het voormalige Besluit omgevingsrecht, waarin de mogelijkheid tot het verbinden van voorschriften aan de omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in het belang van de archeologische monumentenzorg afhankelijk was gesteld van een expliciete regeling in het bestemmingsplan.

Op het verbinden van deze voorschriften is artikel 8.27, eerste lid, van overeenkomstige toepassing. Dat artikellid omschrijft nader welke voorschriften in het belang van de archeologische monumentenzorg in ieder geval kunnen worden verbonden aan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of een werkzaamheid als bedoeld in artikel 8.8, eerste lid, die van invloed is op een archeologisch monument. Gelet op deze van overeenkomstige toepassing verklaring wordt hier verder volstaan met een verwijzing naar artikel 8.27 en de toelichting daarop.

Dit artikel is een voortzetting van artikel 22.34, hoofdstuk 22, tijdelijk deel van het omgevingsplan

[Vervallen]

DDDDDDD

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.465.115 Toepassingsbereik

EEEEEEE

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.475.116 Aanwijzing vergunningplicht omgevingsplanactiviteit bouwwerken

FFFFFFF

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.495.118 Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken

Dit artikel bevat de aanvraagvereisten voor de aanvraag van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een bouwwerk. De aanvraagvereisten zijn grotendeels ontleend aan de artikelen uit de voormalige Regeling omgevingsrecht met aanvraagvereisten vanwege planologische voorschriften en stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening en vanwege redelijke eisen van welstand, voor zover deze eisen onder de Omgevingswet nog relevant zijn voor in het omgevingsplan geregelde bouwactiviteiten. Anders dan in de Regeling omgevingsrecht zijn deze aanvraagvereisten in artikel 5.495.118 geregeld in één artikel, omdat alle genoemde aspecten, inclusief de redelijke eisen van welstand, onder de Omgevingswet worden geregeld in het omgevingsplan. Voor de redelijke eisen van welstand wordt in dit verband verwezen naar de beoordelingsregel in artikel 5.565.127 van dit omgevingsplan. Aan de aanvraagvereisten is verder toegevoegd de eis dat een opgave van de bouwkosten wordt gedaan. De bouwkosten vormen doorgaans de grondslag voor de legesberekening voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit. In de voormalige Regeling omgevingsrecht was in de algemene aanvraagvereisten geregeld dat van de kosten van de werkzaamheden van de te verrichten activiteiten opgave wordt gedaan. In de Omgevingsregeling komt dit als algemeen aanvraagvereiste niet meer voor. Daarom moet dit bij een activiteit waarvoor dit van belang is, zoals de in dit artikel bedoelde omgevingsplanactiviteit, bij de specifieke aanvraagvereisten voor die activiteit worden geregeld.

Dit is een voortzetting van artikel 8 van de Woningwet in samenhang met de lokale bouwverordening.

Dit artikel is een voortzetting van artikel 22.35, hoofdstuk 22, tijdelijk deel van het omgevingsplan

GGGGGGG

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.62 Nadere invulling beoordelingsregels voor het bouwen van een dakkapel in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak

Dit artikel bevat een nadere invulling van artikel 5.51, eerste lid voor het bouwen van een dakkapel in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak.

[Vervallen]

HHHHHHH

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.63 Nadere invulling beoordelingsregels voor het isoleren van de buitenzijde van een bestaand bijbehorend bouwwerk

Dit artikel bevat een nadere invulling van artikel 5.51, eerste lid voor het isoleren van de buitenzijde van bestaande bijbehorende bouwwerken. Het artikel regelt dat het mogelijk is om met een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 5.47 af te wijken van de toegestane bouwhoogte of bouwvlak om een bestaand bijbehorend bouwwerk te verduurzamen. 

Het eerste lid bevat de oogmerken van de regeling. Er kan alleen een vergunning worden verleend voor bijvoorbeeld bouwen buiten het bouwvlak als dit gebeurt met het oog op het verduurzamen van een bestaand bijbehorend bouwwerk.

Het tweede lid bevat de regel om af te wijken tot maximaal 10% van de in dit omgevingsplan opgenomen omgevingsnormen. Daarbij moet gedacht worden aan maatvoeringen zoals bouwhoogten of percentages zoals bebouwingsoppervlakten. Voor de volledigheid is hieraan toegevoegd dat het gaat om zowel de omgevingsnormen opgenomen in dit hoofdstuk als de omgevingsnormen die nog in het tijdelijk deel van het omgevingsplan zijn opgenomen.

Het derde lid regelt dat tot maximaal 0,5 meter buiten het bouwvlak kan worden gebouwd. 

[Vervallen]

IIIIIII

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.505.119 Toepassingsbereik 

Deze paragraaf gaat over de beoordelingsregels voor de vergunningplicht in artikel 5.475.116

JJJJJJJ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.515.120 Beoordelingsregels aanvraag omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken 

Dit artikel regelt wanneer een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een bouwwerk wordt verleend. Het artikel is een voortzetting van artikel 2.10, eerste lid, onder c en d, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Op grond van artikel 5.515.120, wordt de vergunning alleen verleend als het bouwplan niet in strijd is met de regels die in dit omgevingsplan zijn gesteld over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken (onderdeel a) en dat het uiterlijk en de plaatsing van het bouwwerk, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota (onderdeel b). In onderdeel a zijn de artikelen 5.685.1505.155.21 en 5.145.20 expliciet uitgezonderd omdat het hier om voormalige rijksregels gaat waar op grond van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht ook niet aan getoetst werd bij de vergunningverlening. Daarnaast zijn er in dit omgevingsplan (als onderdeel van de omgevingsplanregels van rijkswege) tal van regels opgenomen die niet over bouwwerken gaan, maar bijvoorbeeld over open erven en terreinen. Deze regels vallen alle buiten het beoordelingskader voor de omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op bouwwerken. Het tweede lid bevat een aantal uitzonderingen op de eis dat het bouwwerk niet in strijd mag zijn met redelijke eisen van welstand. Ook deze uitzonderingen zijn een voortzetting van het recht zoals dat gold onder de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Woningwet.

De redactie van het eerste lid sluit aan bij artikel 8.0a, eerste lid, van het Bkl. Het imperatieve karakter («wordt verleend») houdt in dat de vergunning moet worden verleend als het bouwplan niet in strijd is met de daarvoor gestelde regels in het omgevingsplan. Er kunnen buiten het omgevingsplan om dus geen aanvullende redenen worden gehanteerd om een vergunning toch te weigeren. Het limitatieve karakter komt tot uiting doordat «alleen» op grondslag van de in het omgevingsplan gestelde regels het «binnenplans» verlenen van een vergunning mogelijk is. Als het bevoegd gezag op basis van de regels in het omgevingsplan tot het oordeel komt dat vergunningverlening niet mogelijk of (bij beslissingsruimte) niet wenselijk is, moet de activiteit als strijdig met het omgevingsplan worden aangemerkt. In dat geval is sprake van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit geldt dat op grond van artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl, de vergunning alleen wordt verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor een verdere toelichting hierover wordt verwezen naar de nota van toelichting bij artikel 8.0a van het Bkl.

In verband met de vangnetregeling (verwijzen naar vangnetregeling) is het voormalig artikel 22.29 deels opgenomen in hoofdstuk 5 en deels blijven staan in hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan. Het gaat om de beoordelingsregels voor bodemgevoelig bouwen op een bodemgevoelige locatie zoals bedoeld in artikel 22.29 lid sub c. 

Dit artikel is een voortzetting van artikel 22.29 lid 1 sub a en b en lid 2, hoofdstuk 22, tijdelijk deel van het omgevingsplan

KKKKKKK

Sectie ' Nadere invulling beoordelingsregels voor het isoleren van de buitenzijde van een bestaand hoofdgebouw ' wordt geplaatst na sectie ' Beoordelingsregels aanvraag omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken '. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.605.121 Nadere invulling Specifieke beoordelingsregels voor het isoleren van de buitenzijde van een bestaand hoofdgebouw  of bijbehorend bouwwerk

Dit artikel bevat een nadere invulling van artikel 5.51, eerste lid aanvullende beoordelingsregels voor het isoleren van de buitenzijde van bestaande hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken. Het artikel regelt dat het mogelijk is om met een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 5.475.116 af te wijken van de toegestane bouwhoogte of bouwvlak om een bestaandebestaand woning of ander hoofdgebouw of bijbehorend bouwwerk te verduurzamen. 

Het eerste lid bevat de oogmerken van de regeling. Er kan alleen een vergunning worden verleend voor bijvoorbeeld bouwen buiten het bouwvlak als dit gebeurt met het oog op het verduurzamen van een bestaand hoofdgebouw of bijbehorend bouwwerk.

Het tweede lid bevat de regel om af te wijken tot maximaal 10% van de in dit omgevingsplan opgenomen omgevingsnormen. Daarbij moet gedacht worden aan maatvoeringen zoals bouwhoogten of percentages zoals bebouwingsoppervlakten. Voor de volledigheid is hieraan toegevoegd dat het gaat om zowel de omgevingsnormen opgenomen in dit hoofdstuk als de omgevingsnormen die nog in het tijdelijk deel van het omgevingsplan zijn opgenomen.

Het derde lid regelt dat tot maximaal 0,5 meter buiten het bouwvlak kan worden gebouwd. 

LLLLLLL

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.69 Vrijstelling van archeologisch onderzoek

Dit artikel is een voortzetting van artikel 41a van de Monumentenwet 1988, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet, dat een vrijstelling van de archeologische onderzoeksplicht bevatte. Dit artikel voorkomt dat er in dit omgevingsplan een lacune zou ontstaan door het wegvallen van artikel 41a. Het gaat hierbij om bodemverstoringen op huis-tuin-en-keukenniveau. Er worden geen grootschalige projecten mee vrijgesteld. Zie ook de toelichting bij artikel 5.130 van het Bkl.

Het eerste lid bepaalt dat als er in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, regels zijn gesteld over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid (ook wel: aanlegactiviteit), deze regels niet gelden als de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van minder dan 100 m2. Deze activiteiten zijn vrijgesteld van het vereiste om bij de aanvraag om een omgevingsvergunning een archeologisch rapport aan te leveren en van eventuele vergunningvoorschriften in het belang van de archeologische monumentenzorg.

In het tweede lid is bepaald dat als er in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, (voor een locatie) voor bodemverstorende activiteiten een grotere of kleinere oppervlakte dan 100 m2 is vastgesteld voor de vrijstelling van de archeologische onderzoeksplicht, die afwijkende andere oppervlakte geldt. In dat verband wordt erop gewezen dat aan een vastgestelde afwijkende andere oppervlakte, voor zover die minder dan 50 m2 bedraagt, geen praktische betekenis toekomt als het gaat om het vergunningvrij bouwen een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf dat voldoet aan de in de artikel 5.29 van dit omgevingsplan gestelde eisen. De vergunningplicht voor een bouwactiviteit op grond van artikel 5.47 van dit omgevingsplan geldt dan immers niet. Een archeologische onderzoeksplicht zal voor die gevallen overigens wel kunnen worden opgelegd via andere omgevingsvergunningen die op grond van dit omgevingsplan kunnen zijn vereist, bijvoorbeeld voor het uitvoeren van graafwerkzaamheden ter voorbereiding van de bouwactiviteit. Hiervoor wordt nader verwezen naar artikel 5.29, zesde lid van dit omgevingsplan en de toelichting daarop.

Dit artikel is een voortzetting van artikel 22.22, hoofdstuk 22, tijdelijk deel van het omgevingsplan

[Vervallen]

MMMMMMM

Na sectie ' Nadere invulling beoordelingsregels voor het isoleren van de buitenzijde van een bestaand hoofdgebouw ' wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Artikel 5.123 Specifieke beoordelingsregel voor het bouwen van een paardenbak en stapmolen

In dit artikel zijn de specifieke beoordelingsregels opgenomen voor een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 5.116 voor het bouwen, in stand houden en gebruiken van een paardenbak en stapmolen. Naast deze beoordelingsregels gelden ook de andere beoordelingsregels in deze paragraaf. Daarnaast moet ook worden voldaan aan de overige regels in dit omgevingsplan, zoals de regels over het aanleggen en gebruiken van een paardenbak in afdeling 5.2.26 en eventuele relevante beperkingen en inperkingen in titel 5.4, zoals bijvoorbeeld regels voor het beschermen van archeologische en cultuurhistorische waarden.

NNNNNNN

Sectie ' Specifieke beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij voorbereidingsbesluit of aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht' wordt geplaatst na sectie ' Specifieke beoordelingsregel voor het bouwen van een paardenbak en stapmolen'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.525.124 Specifieke beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij voorbereidingsbesluit of aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht

Ook in dit artikel zijn aanvullende beoordelingsregels gegeven. Deze aanvullende beoordelingsregels zien op twee specifieke overgangsrechtelijke situaties die verband houden met het feit dat de Omgevingswet niet langer een aanhoudingsplicht kent zoals die was geregeld in artikel 3.3 van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Die aanhoudingsplicht kon gelden vanwege een voorbereidingsbesluit dat was genomen ter voorbereiding van een nieuw bestemmingsplan of vanwege een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht waarvoor nog geen tot bescherming daarvan strekkend bestemmingsplan gold.

Toepassing van deze beoordelingsregels leidt ertoe dat, ondanks dat aan de beoordelingsregels uit artikel 5.515.120 wordt voldaan, de vergunning toch moet worden geweigerd als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft op grond van de in artikel 5.525.124eerste lid, genoemde bepalingen van de Invoeringswet Omgevingswet een nog onder oud recht genomen voorbereidingsbesluit van kracht is, of een tracébesluit of een besluit krachtens de Wet luchtvaart dat op grond van het oude recht gold als een zodanig voorbereidingsbesluit, of een onder oud recht gedane aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht waarvoor nog geen tot bescherming daarvan strekkend omgevingsplan geldt. Op de plicht om in zo’n geval de vergunning te weigeren bestaat een uitzondering in het geval het bouwplan niet in strijd is met het omgevingsplan dat in voorbereiding is. Dit is vergelijkbaar met de situatie onder oud recht, waarin artikel 3.3, derde en zesde lid, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht de mogelijkheid bood de onder oud recht toepasselijke aanhoudingsplicht te doorbreken.

In praktische zin betekent de regeling dat onder nieuw recht aangevraagde omgevingsvergunningen voor het verrichten van een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk in een gebied waar een nog onder oud recht tot stand gekomen regime van voorbereidingsbescherming van toepassing is, respectievelijk dat onder oud recht als beschermd stads- of dorpsgezicht is aangewezen maar waarop nog geen voldragen beschermingsregime van toepassing is, in beginsel moeten worden geweigerd. Zo kan de vergunning dus worden geweigerd voor activiteiten die in de toekomst niet meer wenselijk worden geacht en onmogelijk zullen worden gemaakt met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan. De vergunning kan ook worden geweigerd voor activiteiten waarvan het nog onvoldoende zeker is om te kunnen vaststellen of deze met het toekomstige omgevingsplan aanvaardbaar zullen blijven. Ten tijde van de te nemen beslissing op de aanvraag is het besluit tot wijziging van het omgevingsplan immers nog in voorbereiding en is het mogelijk nog onvoldoende vastomlijnd om te kunnen vaststellen of bepaalde activiteiten daarin uiteindelijk zullen worden toegestaan. Een andere mogelijkheid in zo’n geval kan overigens ook zijn om met instemming van de aanvrager, met toepassing van artikel 4:15, tweede lid, onder a, van de Algemene wet bestuursrecht, de beslistermijn op te schorten tot een moment waarop de voorbereiding zich in een zodanig stadium bevindt dat wel kan worden vastgesteld hoe het bouwplan zich verhoudt tot het in voorbereiding zijnde omgevingsplan. Gewezen wordt in dat verband op het tweede lid, dat de mogelijkheid biedt om de vergunning toch te verlenen als kan worden vastgesteld dat de betrokken activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan respectievelijk het in voorbereiding zijnde omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht. In het laatste geval zal een dergelijk omgevingsplan onder meer moeten voorzien in op de karakteristieken van het beschermde stads- of dorpsgezicht afgestemde beoordelingsregels voor een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Zie ook artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet. Met dit tweede lid wordt een vergelijkbare voorziening getroffen als in het al eerder genoemde artikel 3.3, derde en zesde lid, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Verschil is echter dat met het tweede lid niet de toepasselijke aanhoudingsplicht wordt doorbroken maar dat in plaats van de vergunning te moeten weigeren, de mogelijkheid is gegeven om de vergunning, onder de vergelijkbare condities dat de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan, toch te verlenen.

Voor een meer uitgebreide toelichting op de gevolgen van het vervallen van de aanhoudingsplicht op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt verwezen naar de toelichting bij de tweede nota van wijziging van het wetsvoorstel Invoeringswet Omgevingswet (Kamerstukken II 2018/19, 34 986, nr. 9, p. 35–42).

Dit artikel is een voortzetting van artikel 22.33, hoofdstuk 22, tijdelijk deel van het omgevingsplan

OOOOOOO

Sectie '' wordt geplaatst na sectie ' Specifieke beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij voorbereidingsbesluit of aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

PPPPPPP

Sectie ' Specifieke beoordelingsregel aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht' wordt geplaatst na sectie ''. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.535.125 Specifieke beoordelingsregel aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht

In het eerste lid van dit artikel wordt, in aanvulling op de beoordelingsregels uit artikel 5.515.120, de mogelijkheid gegeven om een omgevingsvergunning toch te verlenen als de activiteit waarop de aanvraag betrekking heeft in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, maar niet in strijd is met de regels die zijn gesteld voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht. Dit betreft regels die in (van het tijdelijke deel van het omgevingsplan deel uitmakende) bestemmingsplannen of inpassingsplannen kunnen zijn opgenomen op grond van artikel 3.6, eerste lid, onder a en b, van de voormalige Wet ruimtelijke ordening. Voor het voortzetten van de figuren van wijzigingsplannen en uitwerkingsplannen is niet in overgangsrecht voorzien. Het college van burgemeester en wethouders kan na inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook geen toepassing meer geven aan deze bepalingen. In plaats van deze specifieke wijzigingsbevoegdheden of uitwerkingsplichten, kan toepassing worden gegeven aan de generieke delegatiemogelijkheid op grond van artikel 2.8 van de Omgevingswet. Als vergunningverlening op grond van artikel 5.515.120, niet mogelijk is, maar een bouwplan niet in strijd is met de regels die zijn gegeven voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht, kan de vergunning echter toch binnenplans worden verleend. Hierbij bestaat overigens beslissingsruimte. Onder de werking van de voormalige Wet ruimtelijke ordening moest bij de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of een uitwerkingsplicht (voor zover de bij een uitwerkingsplicht in acht te nemen regels daarvoor de ruimte laten) ook nog zelfstandig beoordeeld worden of het wijzigings- of uitwerkingsplan, los van de daarbij in acht te nemen regels, in overeenstemming was met een goede ruimtelijke ordening. Om die reden is geen imperatief karakter gegeven aan deze aanvullende mogelijkheid om een vergunning voor een bouwplan, dat niet in strijd is met die voor een wijziging- of uitwerking gegeven regels, toch te kunnen verlenen. Het gevolg hiervan is dat, ook al is een bouwplan met de regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht niet in strijd, ook nog een zelfstandige beoordeling moet plaatsvinden of het bouwplan uit een oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aanvaardbaar kan worden geacht.

In het tweede lid van dit artikel worden alle instructieregels en instructies waaraan moet worden getoetst bij de beslissing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit van overeenkomstige toepassing verklaard op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend. Ook dit vindt zijn oorsprong in de voormalige Wet ruimtelijke ordening. Bij de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of een uitwerkingsplicht moesten, los van de daarbij in acht te nemen regels uit het moederplan, ook de regels uit het voormalige Besluit algemene regels ruimtelijke ordening en de provinciale ruimtelijke verordening in acht worden genomen. Met het tweede lid wordt verzekerd dat ook bij de in het eerste lid geïntroduceerde mogelijkheid om binnenplans een vergunning te verlenen met toepassing van de regels die zijn gesteld voor een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht, geen situatie ontstaat die niet is toegelaten op grond van een onder nieuw recht gestelde instructieregel of gegeven instructie.

Dit artikel is een voortzetting van artikel 22.32, hoofdstuk 22, tijdelijk deel van het omgevingsplan

QQQQQQQ

Sectie ' Toepassingsbereik' wordt geplaatst na sectie ' Specifieke beoordelingsregel aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.555.126 Toepassingsbereik

RRRRRRR

Sectie ' Repressief welstand' wordt geplaatst na sectie ' Toepassingsbereik'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.575.128 Repressief welstand

Dit artikel heeft betrekking op het repressief welstandstoezicht en was voorheen opgenomen in artikel 12 van de Woningwet. Het uiterlijk van bestaande bouwwerken of te bouwen bouwwerken waar op grond van dit plan geen omgevingsvergunning voor nodig is, mogen niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold. Op grond van artikel 4.114 van de Invoeringswet Omgevingswet geldt die welstandsnota als een beleidsregel als bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet. In het voormalige artikel 13a van de Woningwet was opgenomen dat bij een overtreding van artikel 12, eerste lid, het bevoegd gezag de eigenaar kon verplichten zodanige door het bevoegd gezag aan te geven voorzieningen te treffen, dat daarmee werd voldaan aan artikel 12 van die wet. In de systematiek van de Omgevingswet is dit een maatwerkvoorschrift. Op grond van artikel 5.35.8 kan het bevoegd gezag zo’n maatwerkvoorschrift ook stellen voor het onderwerp welstand. Omdat de vraag of artikel dit artikel overtreden is, beantwoord moet worden door de criteria van de welstandsnota te beoordelen, ligt het voor de hand dat het bevoegd gezag door middel van een maatwerkvoorschrift aan de eigenaar van een gebouw duidelijk maakt op welke punten aanpassing nodig is om de ernstige strijd met redelijke eisen van welstand op te heffen.

Als de gemeente geen welstandsnota heeft vastgesteld, gelden er voor de gehele gemeente geen welstandsregels waaraan het uiterlijk van bestaande bouwwerken moet voldoen. Optreden tegen welstandsexcessen is dan niet mogelijk. Op grond van het tweede lid is welstandstoezicht evenmin aan de orde voor door de gemeenteraad aangewezen bouwwerken in daarbij aangewezen (zogenoemde welstandsvrije) gebieden. Op grond artikel 12, tweede lid, van de Woningwet, kon de gemeenteraad die welstandsvrije bouwwerken en gebieden aanwijzen. Deze besluiten zijn in artikel 4.6 van de Invoeringswet Omgevingswet, toegevoegd aan het tijdelijke deel van het omgevingsplan waar zowel voor het repressieve welstandstoezicht (in het tweede lid) als voor de beoordeling van een nieuw te bouwen vergunningplichtig bouwwerk aan redelijke eisen van welstand (in artikel 5.565.127tweede lid, onderdeel a.), een uitzondering is gemaakt. Het repressieve welstandsvereiste is niet van toepassing op tijdelijke bouwwerken, met uitzondering van seizoensgebonden bouwwerken zoals strandtenten.

De vraag of het uiterlijk van nieuw te bouwen bouwwerken waarvoor wel een omgevingsvergunning op grond van het omgevingsplan nodig is aan daarop van toepassing zijnde welstandseisen voldoet, wordt tijdens het proces van vergunningverlening getoetst.

Dit artikel is een voortzetting van artikel 22.7, hoofdstuk 22, tijdelijk deel van het omgevingsplan

SSSSSSS

Na sectie ' Repressief welstand' worden twee secties ingevoegd, luidende:

Artikel 5.134 Specifieke zorgplicht

In dit artikel is een specifieke zorgplicht opgenomen voor degene die een beroep of bedrijf aan huis uitoefent, namelijk datgene in het werk te stellen wat redelijkerwijze kan worden verlangd om hinder op de woonomgeving als gevolg van de uitoefening van het beroep of bedrijf aan huis, te voorkomen. In artikel 5.135 is de mogelijkheid opgenomen tot het geven van een maatwerkvoorschrift om onaanvaardbare hinder voor het woon- en leefklimaat tegen te gaan.  

Overigens wordt opgemerkt wordt dat de milieuregels zoals opgenomen in hoofdstuk 22 ook van toepassing zijn op beroep en bedrijf aan huis. 

Artikel 5.140 Toepassingsbereik

In dit artikel zijn de regels opgenomen voor  het aanleggen en gebruiken van een paardenbak. Voor het bouwen van een paardenbak, bijvoorbeeld de omheining, lichtmasten of een stapmolen gelden de regels voor bouwen, in stand houden en gebruiken in afdeling 5.2.9. Daarnaast moet ook worden voldaan aan de overige regels in dit omgevingsplan, zoals eventuele relevante beperkingen en inperkingen in titel 5.4, zoals bijvoorbeeld regels voor het beschermen van archeologische en cultuurhistorische waarden.

TTTTTTT

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.685.150 Overbewoning woonruimte

UUUUUUU

Na sectie ' Overbewoning woonruimte' worden zes secties ingevoegd, luidende:

Artikel 5.152 Verboden activiteiten

Dit artikel regelt in samenhang met de regels in titel 5.3 en 5.4 welk gebruik op welke locatie is toegestaan. Met het artikel wordt de basis gelegd voor een voortzetting van de systematiek zoals die ook onder oud recht bestond. Die hield in dat in bestemmingsplannen werd bepaald welke bestemming op een locatie gold, waarbij in de bestemmingsomschrijving werd bepaald welk gebruik daar was beoogd, en waarbij tevens specifieke gebruiksregels over dat gebruik konden worden gesteld. Daarboven hing als het ware artikel 2.1, eerste lid, onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, dat een verbod bevatte om gronden en bouwwerken te gebruiken in strijd met die ruimtelijke regelingen. Die 'vangnetfunctie' wordt nu overgenomen door dit artikel. 

Een voorbeeld: het gebruik van een bouwwerk of gronden ten behoeve van een seksinrichting of prostitutie is in strijd met de toebedeelde gebiedsgerichte activiteiten en daarmee niet toegestaan.

Eerste lid: Het eerste lid bepaalt dat het verboden is om een activiteit te verrichten op een wijze die niet in overeenstemming is met een aan de locatie toebedeelde gebiedsgerichte activiteit in titel 5.3 en 5.4 van dit omgevingsplan. Op een locatie kunnen meerdere gebiedsgerichte activiteiten mogelijk zijn. Overigens geldt dit ook voor regels elders gesteld in dit omgevingsplan, die in ruimere zin ook betrekking hebben op het gebruik van gronden en bouwwerken, zoals bijvoorbeeld de regels over milieubelastende activiteiten.

Artikel 5.160 Beoordelingsregels bewonen agrarische bedrijfswoning door twee huishoudens

Van het bewonen van een woning door twee huishoudens is alleen sprake als het aantal woningen niet wordt vergroot en er dus sprake is en blijft van een (1) woning. Op grond van het Bbl is daarvan geen sprake als er geen tussendeur aanwezig is. 

Artikel 5.166 Toepassingsbereik

In titel 5.3 zijn regels opgenomen voor gebiedsgerichte activiteiten. In deze titel wordt bepaald welke activiteiten op welke locaties zijn toegestaan, en worden regels over het gebruik gegeven. Deze afdeling bevat regels over bedrijven. Artikel 5.166 bepaalt het toepassingsbereik van de regels in dit onderdeel. 

Tweede lid: 

In het tweede lid is bepaald wat onder bedrijf in deze afdeling moet worden verstaan. Het begrip bedrijf heeft in algemeen spraakgebruik een bredere betekenis dan in deze afdeling. In het algemeen spraakgebruik wordt onder bedrijf een onderneming of zaak verstaan. Deze afdeling gaat echter alleen over bedrijf in engere zin, namelijk een bedrijf gericht op het bedrijfsmatig produceren, bewerken, verwerken, herstellen, opslaan, distributie en groothandel van goederen. 

Artikel 5.171 Toestaan bedrijven met maatwerkvoorschrift

Eerste lid: Andere bedrijven dan de in artikel 5.170 genoemde bedrijven kunnen met een maatwerkvoorschrift alsnog toegestaan worden. Het maatwerkvoorschrift kan zowel ambtshalve als op aanvraag genomen worden. Op dat moment wordt beoordeeld of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies op locaties. Dat is het geval als een ander bedrijf dan genoemd in artikel 5.170 niet meer geluid, geur en stof uitstoot dan de in artikel 5.170 toegestane bedrijven. Als het bedrijf meer uitstoot veroorzaakt, dan kan het alleen door middel van een buitenplanse vergunning worden toegelaten. Hiervoor wordt beoordeeld of bij de zwaardere milieugevolgen toch nog sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Tweede lid: In het tweede lid zijn de aanvraagvereisten voor het maatwerkvoorschrift vastgelegd indien vaststelling op verzoek gebeurt. Deze zijn globaal omschreven. In een vooroverleg tussen initiatiefnemer en de behandelende ambtenaar kan besproken hoe gedetailleerde informatie benodigd is. In sommige gevallen zal volstaan kunnen worden met een kwalitatieve beschrijving, in andere gevallen zal een uitgebreid onderzoek nodig zijn.

Derde lid: Om te borgen dat de milieueffecten van een bedrijf daadwerkelijk beperkt blijven tot die van de rechtstreeks toegestane bedrijven, kunnen in het maatwerkvoorschrift verplichtingen worden opgenomen, zoals:

  • het treffen van maatregelen, zoals het toepassen van geluidarme apparatuur of het realiseren van een geluidscherm; 

  • beperken van de bedrijfsactiviteit, bijvoorbeeld kortere openingstijden of beperking van duur of frequentie van bepaalde hindergevende processen; 

  • uitvoeren van aanwijzingen, zoals de verplichte situering van bepaalde geluidbronnen. 

Artikel 5.239 Beoordelingsregels omgevingsvergunning bewonen woning door twee huishoudens

Van het bewonen van een woning door twee huishoudens is alleen sprake als het aantal woningen niet wordt vergroot en er dus sprake is en blijft van een (1) woning. Op grond van het Bbl is daarvan geen sprake als er geen tussendeur aanwezig is. 

Artikel 7.4 Voorrangsbepaling landbouwhuisdieren uitgesloten i.v.m. LBV-plus

Ter bescherming van de kwetsbare natuur in Natura 2000‑gebieden geldt op grond van Europese natuurbeschermingsregelgeving de verplichting om de neerslag (depositie) van stikstofverbindingen, met name ammoniak afkomstig uit de veehouderij, te verminderen. Ter uitvoering hiervan heeft de Rijksoverheid onder meer de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijbedrijven (Lbv) en de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijbedrijven met piekbelasting (Lbv‑plus) vastgesteld. Deze regelingen zijn gericht op het vrijwillig beëindigen van veehouderijbedrijven met een relatief hoge stikstofdepositie op nabijgelegen Natura 2000‑gebieden. Een noodzakelijke voorwaarde voor deelname aan deze regelingen is dat de stallen voor het houden van vee worden gesloopt en dat planologisch wordt geborgd dat ter plaatse niet opnieuw landbouwhuisdieren kunnen worden gehouden.

Diverse veehouderijbedrijven binnen de gemeente Epe nemen deel aan de Lbv‑plus‑regeling. Met dit artikel wordt voor deze locaties planologisch vastgelegd dat het houden van landbouwhuisdieren niet langer is toegestaan. Daarmee wordt geborgd dat wordt voldaan aan de voorwaarden van de beëindigingsregeling en wordt bijgedragen aan het verminderen van stikstofdepositie op nabijgelegen Natura 2000‑gebieden.

VVVVVVV

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 8.2 Omgevingsplanactiviteit: specifieke beoordelingsregel omgevingsvergunning uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid, bij voorbereidingsbesluit of aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht

Wat in artikel 5.525.124 van dit omgevingsplan is geregeld voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, is in artikel 8.2 op vergelijkbare wijze geregeld voor de omgevingsplanactiviteit bestaande uit het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of werkzaamheid (ook wel de aanlegvergunning of aanlegactiviteit genoemd). Net als voor bouwactiviteiten regelde de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in artikel 3.3 een voorbeschermingsregime in de vorm van een aanhoudingsplicht voor de beslissing op aanvragen om een omgevingsvergunning voor de hier bedoelde aanlegactiviteiten. Voor aanvragen om een omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteiten bestaande uit dergelijke aanlegactiviteiten komt artikel 8.2 voor de regeling uit artikel 3.3 van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in de plaats. Voor zijn verdere werking is artikel 8.2 identiek aan de werking van artikel 5.525.124. Voor de toelichting op die werking wordt dan ook verwezen naar de toelichting op artikel 5.525.124.

Dit artikel is een voortzetting van artikel 22.278 hoofdstuk 22, tijdelijk deel van het omgevingsplan

WWWWWWW

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 8.6 Omgevingsplanactiviteit: specifieke beoordelingsregel omgevingsvergunning afwijking van regels van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht

Artikel 8.6 biedt voor aanvragen om een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 8.4 een aanvullende mogelijkheid de omgevingsvergunning te verlenen als de activiteit waarop de aanvraag betrekking heeft in strijd is met de in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan gestelde regels over afwijking, waardoor vergunningverlening op grond van die regels niet mogelijk is, maar niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht in dat tijdelijke deel. Hiermee wordt een vergelijkbare mogelijkheid geboden zoals artikel 5.535.125 van dit omgevingsplan biedt voor aanvragen om een omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteiten bestaande uit bouwactiviteiten en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk. Omdat de werking identiek is wordt voor de toepassing van deze bepaling verder verwezen naar de toelichting bij artikel 5.535.125.

Dit artikel is een voortzetting van artikel 22.282, hoofdstuk 22, tijdelijk deel van het omgevingsplan

XXXXXXX

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 8.7 Toepassingsbereik

Onder de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht waren de indieningsvereisten voor omgevingsvergunningen op rijksniveau geregeld, ook als de vergunningplicht was ingesteld in een bestemmingsplan of gemeentelijke verordening. Deze indieningsvereisten waren opgenomen in de voormalige Regeling omgevingsrecht en komen, voor zover het gaat om die laatste vergunningen, niet meer terug op rijksniveau. Daarom worden deze opgenomen in deze paragraaf. Voor zover het gaat om vergunningplichten die onder de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht waren ingesteld in een bestemmingsplan, maken die vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel uit van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van die wet. Voor zover het gaat om vergunningplichten die onder de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht waren ingesteld in gemeentelijke verordeningen (artikel 2.2 van die wet) houden de aanvraagvereisten verband met artikel 22.8 van de Omgevingswet. Artikel 22.8 van de Omgevingswet brengt met zich dat zolang deze vergunningenstelsels nog niet zijn overgeheveld naar het omgevingsplan, de regeling van artikel 2.2 van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht feitelijk wordt gecontinueerd. Een in een autonome verordening opgenomen vergunningplicht, die krachtens artikel 2.2 van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht werd aangemerkt als een Wabo-omgevingsvergunningplicht, wordt na inwerkingtreding van de Omgevingswet aangemerkt als een omgevingsvergunningplicht op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet.

In deze afdeling zijn daarnaast nog de aanvraagvereisten voor een omgevingsvergunning voor twee andere activiteiten opgenomen. In de eerste plaats de activiteit die strekt tot het afwijken van regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, waarvoor in dat tijdelijke deel is bepaald dat daarvan bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken. De hiermee samenhangende vergunningplicht die onder de gelding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht volgde uit artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van die wet, is opgenomen in artikel 8.4 van dit omgevingsplan. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar de hiervoor gegeven toelichting op dat artikel.

De tweede activiteit waarvoor deze afdeling nog aanvraagvereisten voor een omgevingsvergunning bevat, is het slopen van een bouwwerk in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht waarvoor op grond van artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist. Ook dat artikel is een overgangsrechtelijke bepaling.

In artikel 2.1, eerste lid, onder h, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht was een vergunningplicht opgenomen voor het slopen van een bouwwerk in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht. Onder de Omgevingswet is dit geen afzonderlijke, in artikel 5.1 van die wet geregelde vergunningplicht meer, maar wordt het sloopvergunningenregime voor rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten onderdeel van het omgevingsplan. Direct bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet is in het algemeen nog niet in een adequaat sloopvergunningenregime in het omgevingsplan voorzien, omdat bestemmingsplannen nog uitgingen van het bestaan van de wettelijke vergunningplicht uit artikel 2.1, eerste lid, onder h, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Om te voorkomen dat door het wegvallen van die rechtstreeks uit de wet voortvloeiende vergunningplicht een hiaat in de bescherming van een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht ontstaat, is in artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet bepaald dat totdat het omgevingsplan voorziet in een adequaat beschermingsregime dat voldoet aan de in dat artikellid gestelde eisen, voor het slopen in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist. Artikel 4.35, tweede lid, van die wet verklaart op deze vergunningplicht de op de vergunningplicht uit artikel 2.1, eerste lid, onder h, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht betrekking hebbende weigeringsgrond uit artikel 2.16 van die wet van overeenkomstige toepassing. Vanwege dit beschermingsregime zijn ook de indieningsvereisten voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder h, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht zoals die waren opgenomen in artikel 6.2 van de voormalige Regeling omgevingsrecht naar deze afdeling overgeheveld.

De vier categorieën activiteiten waarop de aanvraagvereisten in deze afdeling betrekking hebben, komen terug in de nadere onderverdeling van paragraaf 8.2 van dit hoofdstuk in een viertal subparagrafen.

De indieningsvereisten uit de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht komen niet allemaal in identieke bewoordingen als aanvraagvereisten terug. Dat kan alleen al niet vanwege de begrippen uit het oude recht die in die regels voorkomen. In de artikelen 22.2 en 22.14 van de Omgevingswet is bepaald dat de bruidsschat bestaat uit rijksregels of daaraan gelijkwaardige regels. Door aan te sluiten op de terminologie van het nieuwe stelsel wordt invulling gegeven aan het opstellen van gelijkwaardige regels. Dat betekent bijvoorbeeld dat het begrip locatie wordt gehanteerd en niet het begrip grond. Wat betreft de aanvraagvereisten voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een gemeentelijk monument is aangesloten bij de formulering van de aanvraagvereisten voor een rijksmonumentenactiviteit die in de Omgevingsregeling zijn opgenomen.

De artikelen 8.11 tot en met 8.19 voorzien in specifieke aanvraagvereisten voor omgevingsplanactiviteiten die betrekking hebben op een gemeentelijk monument. Bij een gemeentelijk monument gaat het op grond van bijlage I bij het Bbl om een monument of archeologisch monument als bedoeld in de Erfgoedwet waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven. Op grond van artikel 8.19 zijn deze aanvraagvereisten van overeenkomstige toepassing op eventuele voorbeschermde gemeentelijke monumenten in dit omgevingsplan. Bijlage I bij het Bbl definieert een voorbeschermd gemeentelijk monument voor zover in het kader van het omgevingsplan van belang als een monument of archeologisch monument waarvoor het omgevingsplan een voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om aan dat monument of archeologisch monument in het omgevingsplan de functie-aanduiding van gemeentelijk monument te geven. De artikelen 8.11 tot en met 8.19 zijn ook van toepassing op monumenten en archeologische momenten die een (voor)beschermde status hebben op grond van een gemeentelijke verordening en nog niet via een voorbeschermingsregel of functie-aanduiding in het omgevingsplan zijn overgezet. Dit volgt uit artikel 5.225.28 van dit omgevingsplan.

Voor de leesbaarheid wordt hierna alleen van gemeentelijk monument gesproken, maar kan steeds ook voorbeschermd gemeentelijk monument worden gelezen.

Omgevingsplanactiviteiten die betrekking hebben op een gemeentelijk monument komen overeen met de activiteiten die op grond van de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet onder de «rijksmonumentenactiviteit» vallen: het slopen, verstoren, verplaatsen of wijzigen van een monument of een archeologisch monument of het herstellen of gebruiken daarvan waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. Waar in deze begripsomschrijving gesproken wordt van «monument» wordt alleen op gebouwde en aangelegde (groene) monumenten gedoeld. Waar gesproken wordt van «archeologisch monument» wordt gedoeld op een terrein dat deel uitmaakt van cultureel erfgoed vanwege de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen (zie de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet en artikel 1.1 van de Erfgoedwet).

Voor deze aanvraagvereisten hebben, zoals hierboven al aangegeven, de indieningsvereisten in de voormalige Regeling omgevingsrecht onder de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht als basis gediend, aangevuld met indieningsvereisten voor archeologische rijksmonumenten op grond van de Monumentenwet 1988. De redactie is daarbij wel aangepast aan voortschrijdend inzicht en aan de stelselkeuzes van de Omgevingswet.

In artikel 22.276 zijn de algemene aanvraagvereisten voor omgevingsplanactiviteiten die betrekking hebben op een gemeentelijk monument opgenomen, die bij iedere aanvraag van toepassing zijn. Voor het overige zijn de aanvraagvereisten in verschillende artikelen gespecificeerd voor de volgende activiteiten:

  • a.

    activiteiten die betrekking hebben op archeologische monumenten;

  • b.

    het slopen (= geheel of gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen) van monumenten;

  • c.

    het gedeeltelijk of volledig verplaatsen van monumenten;

  • d.

    het wijzigen van een monument (restauratie, verbouw, reconstructie of op een andere manier wijzigen) of het door herstel ontsieren of in gevaar brengen van een monument;

  • e.

    het gebruiken van een monument waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.

Ook zijn er twee artikelen opgenomen met eisen aan tekeningen, een voor monumenten en een voor archeologische monumenten.

Met deze uitsplitsing in activiteiten wordt voorkomen dat initiatiefnemers (vergunningaanvragers) worden geconfronteerd met aanvraagvereisten die niet relevant voor hen zijn. Deze insteek bestond al in de voormalige Regeling omgevingsrecht, maar is nu verder vereenvoudigd. Bij een aantal artikelen is ook een splitsing aangebracht in aanvraagvereisten die in beginsel altijd noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de voorgenomen activiteit in relatie tot het monument of archeologisch monument en zijn monumentale waarde (eerste lid), en aanvraagvereisten die niet in alle gevallen nodig zijn of die alleen voor bepaalde soorten gemeentelijke monumenten van toepassing zijn (tweede lid).

De aard en de omvang van de activiteit en het soort gemeentelijk monument bepalen welke aanvraagvereisten in een concreet geval van toepassing zijn. Zo zijn voor de beoordeling van een vergunningaanvraag voor uitvoering van een restauratie- of (ver)bouwplan meer gegevens en bescheiden noodzakelijk dan voor het beoordelen van een vergunningaanvraag voor het aanbrengen van gevelreclame. Voorafgaand aan ingrijpende restauraties is het uitvoeren van een bouwhistorisch onderzoek vaak wenselijk, terwijl dit voor kleinere herstelwerkzaamheden meestal niet aan de orde zal zijn. Ook de locatie van de activiteiten is voor de aanvraagvereisten van belang. Als er werkzaamheden in het interieur worden uitgevoerd, zijn interieurfoto’s nodig, maar deze zijn doorgaans niet relevant als de ingrepen alleen de buitenkant van het monument betreffen.

Door de grote verscheidenheid aan activiteiten die van invloed kunnen zijn op de monumentale waarde van een monument of archeologisch monument is geen volledig dekkend beeld te geven van alle mogelijke aanvraagvereisten. Het bevoegd gezag kan in specifieke gevallen, naast de genoemde aanvraagvereisten, op grond van artikel 4:2, tweede lid, in samenhang met artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht ook nog andere aanvraagvereisten formuleren. De gevraagde informatie moet uiteraard wel noodzakelijk zijn voor, en in directe relatie te staan tot, de beoordeling van de aanvraag. Het is dan ook in het algemeen bij voorgenomen omgevingsplanactiviteiten die betrekking hebben op een gemeentelijk monument raadzaam voor een aanvrager om eerst in vooroverleg te treden met het bevoegd gezag en daarna pas over te gaan tot het maken van definitieve plannen. Zo krijgt hij vroegtijdig inzicht in welke aanvullende aanvraagvereisten in het concrete geval nodig worden geacht en kan rekening worden gehouden met eventuele toepasselijke kwaliteitsnormen of uitvoeringsrichtlijnen voor de instandhouding van monumenten.

Bij de beoordeling van de vergunningaanvraag zal het belang van de (archeologische) monumentenzorg bij het behoud van het monument of archeologisch monument in redelijkheid moeten worden afgewogen tegen de belangen van de aanvrager (eigenaar/gebruiker) en die van derde belanghebbenden. Bij die belangenafweging staat het voorkomen van nadelige gevolgen van de aangevraagde activiteiten voor het monument of archeologisch monument en de monumentale waarden ervan voorop. Ook zal er bij de beoordeling van een aanvraag voor een omgevingsvergunning rekening moeten worden gehouden met de volgende beginselen uit het verdrag van Granada (de op 3 oktober 1985 te Granada tot stand gekomen Overeenkomst inzake het behoud van het architectonische erfgoed van Europa; Trb. 1985, 163) en het verdrag van Valletta (het op 16 januari 1992 te Valletta tot stand gekomen herziene Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed; Trb. 1992, 32):

  • a.

    het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van monumenten en archeologische monumenten,

  • b.

    het voorkomen van verplaatsing van monumenten of een deel daarvan, tenzij dit dringend vereist is voor het behoud van die monumenten,

  • c.

    het bevorderen van het gebruik van monumenten, zo nodig door wijziging van die monumenten, rekening houdend met de monumentale waarden, en

  • d.

    het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur in situ.

Een aanvraag moet dus voldoende inzicht geven in de reden, aard en omvang van de activiteit, de impact op het monument of archeologisch monument en de monumentale waarde ervan, en het (voorgenomen) gebruik van het monument of archeologisch monument.

Dit artikel is een voortzetting van artikel 22.283, hoofdstuk 22, tijdelijk deel van het omgevingsplan

YYYYYYY

Na sectie '' wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Artikel 14.6 Overgangsrecht met betrekking tot het gebruiksdoel van gronden en bouwwerken en regels over gebruiksactiviteiten

In dit artikel is overgangsrecht opgenomen met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken en regels over gebruiksactiviteiten, gesteld in titel 5.3 en 5.4 alsmede in hoofdstuk 21. Het overgangsrecht heeft betrekking op het gebruik van gronden en bouwwerken dat legaal bestond op het tijdstip dat een wijziging van dit omgevingsplan in werking is getreden, maar waarbij het gebruik als gevolg van die wijziging in strijd is gekomen met de regels in titel 5.3 en 5.4 en hoofdstuk 21. Bestaande gebruiksactiviteiten die niet legaal bestonden, bijvoorbeeld omdat deze zonder de daarvoor benodigde vergunning tot stand zijn gekomen, zijn en blijven dus in strijd met de regels van dit omgevingsplan.

Met deze regeling wordt het uitgangspunt van eerbiedigend overgangsrecht zoals dat voorheen in bestemmingsplannen moest worden opgenomen, voortgezet. Het artikel beoogt in de daarop betrekking hebbende rechtspraktijk geen inhoudelijke verandering te brengen. Dit laat onverlet dat er op enig moment voor een bepaald gebied een uitzondering kan worden gemaakt. 

Met deze regeling wordt als uitgangspunt genomen een wijziging van het omgevingsplan, waarmee er op grond van titel 5.3 en 5.4 beperkingen zijn gaan gelden ten opzichte van de situatie voordat het wijzigingsbesluit in werking was getreden. Dat kan bijvoorbeeld zijn de situatie dat een nog onder oud recht vastgesteld bestemmingsplan wordt vervangen, en titel 5.3 en 5.4 en hoofdstuk 21 een beperking meebrengt ten opzichte van de mogelijkheden die dat onder oud recht vastgestelde bestemmingsplan bood. Het kan ook betrekking hebben op een wijziging van de regels in titel 5.3 en 5.4 en hoofdstuk 21 op een moment later in de tijd.  

ZZZZZZZ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.4 Maatwerkvoorschriften

In dit artikel wordt de mogelijkheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften breed opengesteld voor alle artikelen in deze afdeling. Aangezien alle onderwerpen in deze afdeling van landelijke regelgeving zijn overgeheveld naar de gemeente is het onnodig om de maatwerkmogelijkheid te clausuleren. Voorheen bevatten verschillende artikelen van het Bouwbesluit 2012 een uitdrukkelijke mogelijkheid voor het bevoegd gezag om anders te besluiten dan opgenomen in de in het betrokken artikel opgenomen eis. In deze afdeling wordt die mogelijkheid niet voor afzonderlijke artikelen opgenomen, aangezien maatwerk met dit artikel breed openstaat. Het bevoegd gezag kan dus altijd bepalen of in het concrete geval met een gemotiveerd maatwerkvoorschrift kan worden gewerkt. Een uitzondering op het niet meer specifiek benoemen van afwijkmogelijkheden in het artikel zelf is artikel 5.175.23 over de aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater. De voorheen in het Bouwbesluit opgenomen mogelijkheid voor het bevoegd gezag om aanwijzingen te geven is voor de duidelijkheid van bevoegd gezag en de gebruiker wel in dit artikel overgenomen. Het is op basis van de brede bevoegdheid om maatwerk te stellen op grond van artikel 22.4 echter ook mogelijk dat het maatwerkvoorschrift in een concreet geval anders moet komen te luiden.

AAAAAAAA

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.29 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken algemeen

Dit artikel regelt wanneer een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een bouwwerk wordt verleend. Het artikel is een voortzetting van artikel 2.10, eerste lid, onder c en d, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Op grond van artikel 22.29, eerste lid, wordt de vergunning alleen verleend als het bouwplan niet in strijd is met de regels die in dit omgevingsplan zijn gesteld over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken (onderdeel a) en dat het uiterlijk en de plaatsing van het bouwwerk, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota (onderdeel b). In onderdeel a is paragraaf 22.2.4 expliciet uitgezonderd omdat het hier om voormalige rijksregels gaat waar op grond van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht ook niet aan getoetst werd bij de vergunningverlening. Daarnaast zijn er in dit omgevingsplan (als onderdeel van de omgevingsplanregels van rijkswege) tal van regels opgenomen die niet over bouwwerken gaan, maar bijvoorbeeld over open erven en terreinen. Deze regels vallen alle buiten het beoordelingskader voor de omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op bouwwerken. Het tweede lid bevat een aantal uitzonderingen op de eis dat het bouwwerk niet in strijd mag zijn met redelijke eisen van welstand. Ook deze uitzonderingen zijn een voortzetting van het recht zoals dat gold onder de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Woningwet.

De redactie van het eerste lid sluit aan bij artikel 8.0a, eerste lid, van het Bkl. Het imperatieve karakter («wordt verleend») houdt in dat de vergunning moet worden verleend als het bouwplan niet in strijd is met de daarvoor gestelde regels in het omgevingsplan. Er kunnen buiten het omgevingsplan om dus geen aanvullende redenen worden gehanteerd om een vergunning toch te weigeren. Het limitatieve karakter komt tot uiting doordat «alleen» op grondslag van de in het omgevingsplan gestelde regels het «binnenplans» verlenen van een vergunning mogelijk is. Als het bevoegd gezag op basis van de regels in het omgevingsplan tot het oordeel komt dat vergunningverlening niet mogelijk of (bij beslissingsruimte) niet wenselijk is, moet de activiteit als strijdig met het omgevingsplan worden aangemerkt. In dat geval is sprake van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit geldt dat op grond van artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl, de vergunning alleen wordt verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor een verdere toelichting hierover wordt verwezen naar de nota van toelichting bij artikel 8.0a van het Bkl.

Onderdeel c

Op grond van artikel 5.475.116 is het verboden om zonder vergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.

Dit onderdeel bevat de aanvullende beoordelingsregels waaraan een aanvraag om een binnenplanse omgevingsplanactiviteit wordt getoetst.

Wanneer de bodemkwaliteit de waarde voor de toelaatbare kwaliteit overschrijdt, is bouwen alleen mogelijk na het uitvoeren van sanerende of andere beschermende maatregelen, mits die technisch mogelijk zijn. De vraag is louter of het technisch mogelijk is om het geschikt te maken. Het antwoord op die vraag is niet afhankelijk van de goede wil van de initiatiefnemer maar alleen of het objectief, technisch, milieuhygiënisch mogelijk is.

Saneringsmaatregelen worden uitgevoerd in overeenstemming met de milieubelastende activiteit saneren van de bodem, zoals opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving. Hierin staan twee standaardaanpakken beschreven. Indien deze aanpakken niet voldoen, kan degene die saneert een maatwerkvoorschrift aanvragen bij het bevoegd gezag. In het omgevingsplan van de gemeenten die vallen in het zinkassengebied De Kempen staan maatwerkregels ten opzichte van de voorschriften in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

BBBBBBBB

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.41 lid 2

De onderdelen a tot en met f van het tweede lid sluiten bepaalde milieubelastende activiteiten uit van het algemene toepassingsbereik van deze afdeling.

Op grond van artikel 22.2, eerste lid, van de Omgevingswet mogen de omgevingsplanregels van rijkswege alleen gaan over regels die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet bij of krachtens de wet waren gesteld of daaraan gelijkwaardige regels. Het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de voormalige Wet geurhinder en veehouderij waren alleen van toepassing op inrichtingen als bedoeld in artikel 1, derde lid, van de Wet milieubeheer. Omdat het begrip milieubelastende activiteit in de Omgevingswet breder is dan dat begrip inrichting, is in dit lid een afbakening van het toepassingsbereik opgenomen.

Bij de overgang naar een nieuwe wetsystematiek en begrippenkader is het niet te voorkomen dat er enkele verschuivingen in de uitvoering van de regelgeving optreden. Aanmerkelijke verschuivingen in het toepassingsbereik zijn niet beoogd. Desondanks zullen er op kleine schaal wel enige verschuivingen optreden, omdat de oude criteria van het begrip inrichting niet één op één zijn overgenomen. De omschrijving van het toepassingsbereik in dit artikel vraagt enige mate van interpretatie. Ook de criteria van het begrip inrichting uit de Wet milieubeheer vroegen om interpretatie, en werden door verschillende bevoegde instanties enigszins verschillend geïnterpreteerd.

Bij de interpretatie van het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, is het raadzaam om aan te sluiten bij de praktijk van de voormalige regelgeving. Als een activiteit als Wet milieubeheer-inrichting werd beschouwd, kan deze ook onder de regels voor milieubelastende activiteiten van deze afdeling vallen.

Een beperkte verschuiving is op zich niet bezwaarlijk, als dit er niet toe leidt dat:

  • a.

    activiteiten die eerst niet onder rijksregels vielen door de regels van deze afdeling van dit omgevingsplan worden beperkt;

  • b.

    activiteiten die wel onder de regels vielen en reële risico’s voor de fysieke leefomgeving inhouden ongeregeld blijven.

Situaties als bedoeld onder a zullen niet snel voorkomen. Juist aan de «onderkant» van het inrichtingenbegrip golden er naast de regels van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer ook andere regels die ervoor zorgen dat ook activiteiten die geen inrichting waren toch aan regels ter bescherming van de leefomgeving waren gebonden. Denk bijvoorbeeld aan de regels van de Algemene Plaatselijke Verordening, maar ook het restrisico-artikel van het Bouwbesluit 2012 (artikel 7.22). Deze regels van de Algemene Plaatselijke Verordening blijven op het moment van de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van het algemeen overgangsrecht (artikel 22.4 van de Omgevingswet bepaalt namelijk dat artikel 122 van de Gemeentewet tijdelijk niet van toepassing is) gelden. Het restrisico-artikel van het Bouwbesluit 2012 is ook opgenomen als regel van rijkswege in het omgevingsplan. Bovendien zijn de regels van deze afdeling voor activiteiten waarop ze van toepassing zouden worden zelden feitelijk beperkend, omdat bij het op gebruikelijke wijze uitvoeren van de activiteit aan de regels wordt voldaan.

Ook voor situaties als bedoeld onder b hoeft in zijn algemeenheid niet te worden gevreesd. Veelal gold voor de activiteiten aan de onderkant van het inrichtingenbegrip naast de zorgplicht van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 2.1) alleen een beperkt aantal regels, zoals de geluidregels. Een eventuele overtreding van de zorgplicht van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer zal in veel gevallen ook als overtreding van de algemene zorgplicht van de Omgevingswet kunnen worden aangemerkt. En omdat de rijksregels niet gelden, zal ook de Algemene Plaatselijke Verordening veelal een deel van de bescherming overnemen.

Het algemene overgangsrecht in artikel 22.4 van de Omgevingswet en de mogelijkheden voor maatwerk op grond van deze afdeling zullen eventuele nadelige gevolgen van de beperkte verschuivingen voldoende ondervangen.

Bij het voorbereiden van deze afdeling zijn al verschillende mogelijke verschuivingen in het toepassingsbereik geïdentificeerd. Belangrijke aandachtspunten worden hieronder benoemd.

De onderdelen in dit tweede lid beogen de criteria «een omvang alsof zij bedrijfsmatig is», «binnen een zekere begrenzing» en «pleegt te worden verricht» binnen de omschrijving van het begrip inrichting in de Wet milieubeheer te vervangen. De categorieën uit bijlage I bij het Besluit omgevingsrecht zijn niet overgenomen. Sommige ondergrenzen in die categorieën kunnen eventueel terugkomen in het toepassingsbereik van de paragrafen in deze afdeling.

Kleine winkels waar geen installaties met meer dan 1,5 kW elektromotorisch vermogen aanwezig zijn, waren bijvoorbeeld meestal geen Wet milieubeheer-inrichting, maar vallen nu wel onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling in het omgevingsplan. Alhoewel er geen specifieke voorschriften voor gelden, moeten deze activiteiten wel voldoen aan de specifieke zorgplicht.

Onderdeel a

De omgevingsplanregels van rijkswege voor de milieubelastende activiteit zijn alleen van toepassing op milieubelastende activiteiten, anders dan wonen. Hiermee wordt aangesloten op het toepassingsbereik voor de instructieregels voor geluid, trillingen en geur in het Bkl.

Als een hobby een bepaalde omvang overstijgt kan dit ertoe leiden dat het verrichten van een activiteit niet meer onder wonen valt. Denk hierbij aan het in een bepaalde omvang houden van dieren, sleutelen aan auto’s, meubels maken of bereiden van voedingsmiddelen. Waar de grens ligt, is een grijs gebied. Hetzelfde geldt voor bedrijven aan huis. De gemeente mag hier ook zelf invulling aan geven in het omgevingsplan. Overigens was bij de toetsing of er sprake was van een Wet milieubeheer-inrichting het criterium «een omvang alsof zij bedrijfsmatig is» ook altijd een grijs gebied.

Een ander bekend voorbeeld van onduidelijkheid over de vraag of een activiteit een Wet milieubeheer-inrichting was, is het opslaan van huisbrandolie of propaan in tanks bij particulieren. Onder het regime van de Omgevingswet wordt dit afgedekt door het Bal.

Onderdeel b

Het feitelijk verrichten van bouw- en sloopactiviteiten of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein, vallen niet onder deze afdeling. Ook in het Bbl zijn eisen opgenomen voor zowel geluid als trillingen bij bouw- en sloopactiviteiten. Het Bbl bevat voor het verrichten van die activiteiten ook een specifieke zorgplicht. Verder bevat de Algemene Plaatselijke Verordening vaak regels ter voorkoming van hinder door bouw- en sloopgerelateerde activiteiten. Het algemene overgangsrecht van de Omgevingswet in artikel 22.4 van de Omgevingswet zorgt ervoor dat deze regels van de Algemene Plaatselijke Verordening bij de inwerkingtreding van de wet blijven gelden. Naast deze regels bevat dit omgevingsplan een specifieke zorgplicht voor het gebruik van een bouwwerk (artikel 5.145.20). Het is dus niet zo dat er, door de uitzondering in dit onderdeel, voor deze activiteiten geen regels gelden.

Onder het regime van de Wet milieubeheer gebeurde het in bijzondere gevallen wel dat bouwwerkzaamheden die langer duurden dan zes maanden, als een Wet milieubeheer-inrichting werden gezien. Deze activiteiten vallen buiten het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, maar ook daarvoor geldt dat de hiervoor genoemde regels van toepassing zijn.

Onderdeel c

Deze uitzondering beoogt de activiteiten die in de openbare buitenruimte plaatsvinden uit te sluiten. Voorbeelden zijn kermissen en andere evenementen, weekmarkten, mobiele installaties/activiteiten zoals draaiorgels, ophalen van vuilnis en gevelreiniging (met uitzondering van lozen). Het voor korte periode bezetten van een stukje openbaar toegankelijk terrein, maakt het daarmee niet ontoegankelijk. Activiteiten in een openbaar toegankelijk gebouw, zoals een publieke parkeergarage of het stadhuis, vallen wel onder het toepassingsbereik. Ook het laden en lossen op de openbare weg in de onmiddellijke nabijheid van een winkel, of het verkeer van en naar het bedrijf valt wel onder het toepassingsbereik van deze afdeling.

Voor enkele activiteiten zoals het exploiteren van een mobiele vis-, friet-, oliebollen- of marktkraam of het exploiteren van een terras, was het afhankelijk van de situatie en de interpretatie van het bevoegd gezag of ze gezien werden als een Wet milieubeheer-inrichting. Deze interpretatieverschillen kunnen zich ook nu weer voordoen. Zoals al aangegeven in de inleiding van de toelichting op dit artikel is er in principe geen verschuiving in het toepassingsbereik van deze afdeling in het omgevingsplan ten opzichte van het oude begrip Wet milieubeheer-inrichting beoogd.

Onderdeel d

Doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen valt niet onder deze afdeling van dit omgevingsplan.

Onderdeel e

Dit onderdeel sluit evenementen, waarover geluidregels zijn gesteld in bijvoorbeeld de Algemene Plaatselijke Verordening of een evenementenverordening uit van het toepassingsbereik van deze afdeling over milieubelastende activiteiten. Deels gebeurt dit al met onderdeel c, omdat evenementen vaak plaatsvinden in de openbare buitenruimte. Maar regelmatig zijn evenementen ook besloten of vinden ze plaats in een tijdelijk leegstaand gebouw. Deze uitzondering geldt niet voor activiteiten waarvoor geen geluidregels gelden bij of krachtens een gemeentelijke verordening, maar waarvoor geluidregels waren opgenomen in een omgevingsvergunning voor een inrichting op grond van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Voorbeelden hiervan kunnen zijn permanente evenemententerreinen of evenementenhallen.

Onderdeel f

Deze uitzondering beoogt vooral het gebruik van landbouwvoertuigen op weilanden en akkers uit te sluiten van het algemene toepassingsbereik voor deze afdeling. De opslag van vaste mest op een weiland of akker valt wel onder dit algemene toepassingsbereik. Een installatie die verplaatsbaar is maar gedurende een langere periode achtereen op een weiland of akkers wordt gebruikt, wordt niet gezien als mobiele installatie en valt ook onder de regels voor de milieubelastende activiteiten in dit omgevingsplan. Bijvoorbeeld een antihagelkanon. Ook verplaatsbare mijnbouwwerken vallen onder het toepassingsbereik van deze afdeling.

Onderdeel g

Vaste objecten zoals bruggen, sluizen en tunnels kunnen door de aanwezigheid van elektromotorisch vermogen gezien worden als milieubelastende activiteiten. Bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen vallen niet onder het toepassingsbereik van afdeling 22.3 van dit omgevingsplan.

Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet bleven elektromotoren van bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen buiten beschouwing bij het bepalen of sprake was van een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Dit was bepaald in categorie 1, 1.2, onder c, van bijlage I, onderdeel C, bij het Besluit omgevingsrecht, zoals dat gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

I Overzicht Documentenbijlagen

Motivering 002_Onderdeel A_Omzetten bestemmingsplannen

/join/id/pubdata/gm0232/2026/6457d75ddcbc452e9c443892ecd788e1/nld@2026‑05‑21;08461117

Motivering 002_Onderdeel B_Vergunningvrij bouwen

/join/id/pubdata/gm0232/2026/6576d67a34f74279a78806cc53850a76/nld@2026‑05‑21;08461117

Motivering 002_Onderdeel C_Koeweg 49 Emst

/join/id/pubdata/gm0232/2026/999ac327f9db42f99d060f4ab5b65424/nld@2026‑05‑21;08461117

Motivering 002_Onderdeel D_Achterenkweg 2 Emst

/join/id/pubdata/gm0232/2026/6406fd84f51e4b8ea3f91c3c12bc3d26/nld@2026‑05‑21;08461117

Motivering 002_Onderdeel E_Gatherweg 40 Vaassen

/join/id/pubdata/gm0232/2026/c47a62d32e3c46ac93eb5d86b9e4fc48/nld@2026‑05‑21;08461117

Motivering 002_Onderdeel F_Wiemanstraat 20 Emst

/join/id/pubdata/gm0232/2026/c2cf59d8f99642448ac93a757f8ecd1d/nld@2026‑05‑21;08461117

Motivering 002_Onderdeel G_Overige wijzigingen

/join/id/pubdata/gm0232/2026/fdddccc073434e8d90b5eff26246c1e7/nld@2026‑05‑21;08461117

Naar boven