Onderwijskansenbeleid voor- en vroegschoolse educatie 2026-2029

  • 1.

    Het Onderwijskansenbeleid voor- en vroegschoolse educatie 2026-2029 vast te stellen;

     

    Deze regeling treedt in werking 1 dag na bekendmaking en heeft terugwerkende kracht tot en met 1 april 2026.

Voorwoord

 

“Naar een goede start voor alle kinderen in Vijfheerenlanden”

 

Ieder kind heeft recht op een goede start. Onderwijs speelt daarin een sleutelrol: het biedt kinderen kennis, vaardigheden en waarden die hen helpen om hun potentieel te benutten en zich voor te bereiden op een betekenisvolle toekomst. Maar gelijke kansen ontstaan niet vanzelf. Ze vragen om samenwerking, visie en betrokkenheid van iedereen die een rol speelt in het leven van kinderen.

 

Met dit onderwijskansenbeleid geven we als gemeente invulling aan onze wettelijke opdracht én aan onze eigen ambitie om preventief te investeren in de ontwikkeling van kinderen. We doen dit samen met scholen, kinderopvangorganisaties en andere maatschappelijke partners. Door vroegtijdige ondersteuning willen we bijdragen aan een gezonde, veilige en kansrijke jeugd.

 

Dit onderwijskansenbeleid is méér dan een onderwijsdocument. Het raakt alle onderdelen van ons sociaal beleid en past bij onze brede kijk op hoe kinderen opgroeien in Vijfheerenlanden. Door kennis te bundelen en samen op te trekken, creëren we een stevige sociale basis waarin kinderen zich veilig, gezond en volwaardig kunnen ontwikkelen. In lijn met de kadernota 2026–2029 leggen we de focus op het bouwen aan een inclusieve samenleving waarin iedereen mee kan doen, ongeacht achtergrond of kwetsbaarheid. Dit beleid is een concrete stap in die richting: een gezamenlijke investering in gelijke kansen voor ieder kind.

 

Voor dit nieuwe beleidskader hebben wij dankbaar gebruikgemaakt van de kennis en ervaring van onze onderwijspartners. Hun inzichten vanuit de uitvoering leverden een belangrijke bijdrage aan de inhoud en richting van dit beleid. Ik bedank iedereen die hieraan heeft bijgedragen en zie uit naar de voortzetting van onze samenwerking in de uitvoering.

 

De jeugd heeft de toekomst. Laten we er samen voor zorgen dat die toekomst begint met een goede start voor alle kinderen in Vijfheerenlanden.

 

Kees Bel

(wethouder onderwijs)

 

1. Inleiding

1.1 Aanleiding

De gemeente is verantwoordelijk voor het organiseren van voor- en vroegschoolse educatie (VVE) voor kinderen van 2,5 tot 6 jaar die risico lopen op een onderwijsachterstand. VVE is gericht op het stimuleren van de ontwikkeling van jonge kinderen, zodat zij met een stevige basis kunnen starten in groep 3 van de basisschool.

 

Om dit mogelijk te maken ontvangen gemeenten jaarlijks rijksmiddelen. Met die middelen moet de gemeente ervoor zorgen dat alle kinderen van 2,5 tot 4 jaar met (een risico op) een onderwijsachterstand 960 uur gebruik kunnen maken van voorschoolse educatie. Daarnaast is de gemeente verantwoordelijk voor de coördinatie van het beleid en de afstemming tussen de betrokken partijen in het veld. Dit is essentieel om een doorgaande ontwikkelingslijn tussen de voor- en vroegschoolse educatie te realiseren.

 

In maart 2021 stelde de gemeenteraad de beleidsnota voor- en vroegschoolse educatie vast: ‘Naar een goede start voor alle kinderen in Vijfheerenlanden’. In 2024 is dit beleid geëvalueerd in samenwerking met alle betrokken partijen. Deze evaluatie heeft geleid tot nieuwe doelstellingen, die in dit beleidsdocument worden gepresenteerd.

 

Dit beleid is tot stand gekomen in nauwe samenwerking met de gemeentelijke gezondheidsdienst (GGD), kinderopvangorganisaties, scholen, samenwerkingsverbanden, de bibliotheek en de gemeente Vijfheerenlanden.

 

1.2 Onderwijskansenbeleid

Tot voor kort werd er gesproken over Onderwijsachterstandenbeleid (OAB), maar hierbij introduceren we ons nieuwe Onderwijskansenbeleid (OKB).

 

Onderwijskansen gaan over het verkleinen van achterstanden op de basisschool, achterstanden die ontstaan door verschillen in de thuissituatie, bijvoorbeeld door geldzorgen, een taalarme omgeving en/of het opleidingsniveau van ouders. Kinderen met deze achtergrond lopen het meeste risico op onderwijsachterstanden. Ons doel is om deze kinderen te ondersteunen in het waarmaken van hun eigen potentie. Wij geloven daarbij in het investeren in kansen in plaats van achterstanden.

 

1.3 Terugblik op vorige beleidsperiode

In de periode 2021–2025 werkte de gemeente Vijfheerenlanden aan het uitvoeren van plannen en doelen binnen het toenmalige onderwijsachterstandenbeleid. We werkten aan doelen op het basisniveau (wettelijke taak), zodat er kwalitatief goede voorzieningen beschikbaar en toegankelijk zijn voor alle kinderen. Daarnaast stelden we ambities op voor het plusniveau (bovenwettelijke taak). Daarbij richtten we ons op extra ondersteuning voor kinderen die dat nodig hebben of waarbij dat wenselijk is.

 

Er gebeurt veel in Vijfheerenlanden op het gebied van onderwijskansen. Er is een uitgebreid aanbod aan voorschoolse voorzieningen en voorzieningen voor kinderen in de basisschoolleeftijd, aanvullend op wat de scholen zelf al doen. Er zijn lokale afspraken gemaakt over hoe kinderen met (een risico op) een achterstand op tijd herkend worden en hoe ze worden doorverwezen naar passende ondersteuning. Ook is afgesproken hoe de overgang tussen voorschoolse voorzieningen en basisscholen goed geregeld wordt, zodat kinderen zich zonder onderbreking kunnen blijven ontwikkelen.

 

Sinds 2022 wordt gewerkt met de Peutermonitor, die waardevolle inzichten biedt in het aantal kinderen met een (risico op) een onderwijsachterstand en het aantal peuters dat daadwerkelijk gebruikmaakt van voorschoolse educatie. Nu deze cijfers beschikbaar zijn, blijkt dat het percentage kinderen dat deelneemt aan de voorschoolse educatie de afgelopen jaren stabiel is gebleven. Dit staat in contrast met de ambitie om álle kinderen met een indicatie deze start te geven. Uit de evaluatie blijkt ook dat verdere versterking nodig is op het gebied van de overdracht van de kinderopvang naar de basisschool, evenals bij het maken van meetbare resultaatafspraken.

 

1.4 Proces en participatie

Gelijke kansen voor kinderen realiseer je samen, op alle niveaus. Als gemeente sluiten we aan bij landelijke ontwikkelingen, stemmen we af met regiogemeenten en maken we lokaal en regionaal afspraken en keuzes rondom gelijke kansen. Deze samenwerking draagt bij aan een gedeelde visie en een consistente aanpak over gemeentegrenzen heen.

 

Dit onderwijskansenbeleid is tot stand gekomen in nauwe samenwerking met het lokale onderwijsveld en maatschappelijke partners. Vanaf de start kozen we voor een participatief proces, waarin ruimte was voor dialoog, reflectie en gezamenlijke besluitvorming. In verschillende samenstellingen zijn vijf overlegmomenten georganiseerd, waarin diverse onderdelen van het beleid zijn besproken en waarvan de uitkomsten zijn terug te lezen in dit beleidsdocument. Aan deze bijeenkomsten namen vertegenwoordigers deel uit het primair onderwijs, de kinderopvang, jeugdgezondheidszorg, samenwerkingsverbanden en de bibliotheek. Samen hebben we het bestaande beleid geëvalueerd en input opgehaald over thema’s als toeleiding, doelgroepdefinitie, de doorgaande lijn, kwaliteit van de VVE en resultaatafspraken. De variatie in samenstelling per bijeenkomst maakte het mogelijk om gericht en verdiepend te werken aan de inhoud en uitvoerbaarheid van het nieuwe beleidskader.

 

Voor het komende jaar zijn opnieuw overlegmomenten ingepland, waarin we samen met onze partners – kinderopvangorganisaties, basisscholen, samenwerkingsverbanden, de bibliotheek en de GGD – verder werken aan het versterken van de kwaliteit en het vergroten van het bereik van de ondersteuning. Door de samenwerking voort te zetten, laten we zien dat het beleid breed is opgezet en dat we samen verantwoordelijk zijn voor gelijke onderwijskansen voor alle kinderen in Vijfheerenlanden.

2. Visie

We streven ernaar dat ieder kind de kans krijgt om zich te ontwikkelen en zijn of haar talenten te gebruiken. Daarom investeren wij in het creëren van kansen, talent te stimuleren en het bieden van een gezonde basis.

 

De eerste levensjaren zijn bepalend voor de ontwikkeling van een kind. In deze periode worden de fundamenten gelegd voor taalvaardigheid, sociaal-emotionele ontwikkeling en leervermogen. Door juist in deze fase extra ondersteuning te bieden, vergroten we de ontwikkelkansen van kinderen en verkleinen we het risico op achterstanden.

 

In ons beleid staat het kind centraal. Wij kijken niet alleen naar wat een kind nodig heeft, maar ook naar wat het kind kan. Alle kinderen – ongeacht hun achtergrond – verdienen de ruimte om zich te ontwikkelen. Dit vraagt om samenwerking tussen onderwijs, kinderopvang, ouders en andere partners in een doorgaande ontwikkelingslijn.

 

Ons doel is helder: bij doelgroepkinderen willen wij, waar mogelijk, een achterstand voorkomen of verkleinen. Zo zorgen we ervoor dat ieder kind goed voorbereid aan de basisschool begint, en later ook met vertrouwen de overstap maakt naar het voortgezet onderwijs. Door te investeren in kansen creëren we voor ieder kind ruimte om zich te ontwikkelen op basis van eigen talenten en mogelijkheden.

3. Huidige situatie

3.1 Kengetallen: indicatie, toeleiding en bereik

In het eerste kwartaal van 2025 telde de gemeente Vijfheerenlanden in totaal 1.781 kinderen in de leeftijd van twee tot vier jaar.1 Van deze groep behoorden 377 peuters tot de doelgroep en ontvingen daarom een VVE-indicatie. Uiteindelijk maakten 260 van hen gebruik van voorschoolse educatie, de overige 117 kinderen werden niet aangemeld. Dit komt neer op een bereik van 69%.2

 

De meest genoemde reden van ouders om geen gebruik te maken van een voorschoolse voorziening was dat hun kind al naar een andere vorm van kinderopvang ging waar geen VVE aangeboden werd.

 

Van de in totaal 377 peuters met een VVE-indicatie woont iets minder dan de helft (156 kinderen) in Leerdam, ruim een kwart (101 kinderen) in Vianen en 57 kinderen in Hoef en Haag. De overige 63 peuters zijn verspreid over de overige kernen binnen de gemeente.

 

Figuur 1: Spreiding van peuters met een VVE-indicatie in gemeente Vijfheerenlanden (Q1 2025)

 

3.2 Voorschoolse educatie

Op dit moment zijn er in gemeente Vijfheerenlanden drie verschillende voorschoolse aanbieders actief: Dichtbij Kinderopvang (17 locaties), Peuterhuis Klimop (1 locatie) en Kibeo Kinderopvang (1 locatie).

 

Figuur 2: Spreiding van VE-locaties in gemeente Vijfheerenlanden (Q1 2025)

 

In het eerste kwartaal van 2025 telde Vijfheerenlanden drie zware doelgroep-locaties; hier zitten gemiddeld meer dan 50% VE-geïndiceerde peuters. Dit zijn:

  • -

    Klimop in Vianen (78% geïndiceerde peuters)

  • -

    Moos in Leerdam (74% geïndiceerde peuters)

  • -

    Emma in Leerdam (50% geïndiceerde peuters)3

Huidig aanbod

Basisniveau

De afgelopen jaren werkten we hard aan de ambities op basisniveau, zoals goede voorschoolse voorzieningen, tijdige signalering, sluitende toeleiding en een doorgaande leerlijn. Dit alles valt binnen de wettelijke taak van de gemeente: het organiseren van een kwalitatief dekkend aanbod VVE.

 

Kinderopvang & peuteropvang

Vijfheerenlanden kent een groot aantal kinderdagverblijven en peuteropvang-locaties, waar veel kinderen gebruik van maken. Een beperkt aantal kinderen wordt daarnaast opgevangen door een gastouder.

 

De kinderdagopvang wordt primair gebruikt door kinderen van ouders die recht hebben op een kinderopvangtoeslag. Via de Wet kinderopvang is de kwaliteit van die voorzieningen geborgd. Omdat alle kinderen voor hun ontwikkeling baat hebben bij een voorschoolse voorziening heeft het Rijk de gemeenten verplicht om ook voor de kinderen, waarvan de ouders/verzorgers geen recht hebben op kinderopvangtoeslag, een voorschoolse voorziening beschikbaar te maken. Dat doen we in de vorm van peuteropvang.

 

Daar waar kinderdagopvang (en gastouderopvang) in zijn geheel gefinancierd wordt door ouders (en indirect door het Rijk via kinderopvangtoeslag), wordt de peuteropvang grotendeels gefinancierd door ouders en gemeente. De ouders betalen een inkomensafhankelijke ouderbijdrage en de gemeente financiert de rest. Een gesubsidieerde plek in de peuteropvang bestaat uit twee dagdelen van vier uur. Een groep bestaat uit maximaal 16 kinderen.

 

Voorschoolse educatie (VE)

Peuters met een VVE-indicatie kunnen vanaf 2,5 jaar oud terecht op VVE-locaties van de peuteropvang en kinderdagverblijven. Deze locaties hebben VVE-opgeleide pedagogisch professionals en gebruiken een erkend VVE-programma. Deze locaties worden daar ook specifiek op gecontroleerd door de toezichthouder wet kinderopvang.

 

Deze kinderen komen in aanmerking voor opvang voor vier dagdelen van vier uur per week, zoals wettelijk is vastgelegd. In gemeente Vijfheerenlanden geldt daarnaast een extra regeling: kinderen van 2 tot 2,5 kunnen gebruik maken van een ingroeiregeling waarbij zij twee dagdelen per week vier uur naar de opvang mogen.

 

Om de toegang tot deze voorziening laag te houden betalen de ouders/verzorgers voor de deelname hetzelfde als bij deelname aan reguliere peuteropvang. Dat wil zeggen: de extra 2 dagdelen worden geheel vanuit gemeentelijk subsidie bekostigd. We proberen met elkaar een dekkend netwerk te realiseren van locaties met een VE-registratie. In dorpen/wijken waar dat niet het geval is, proberen we voor de kinderen met een VVE-indicatie een maatwerkoplossing te vinden, zoals het bieden van zorgvervoer.

 

Vanaf 1 januari 2022 is het wettelijk verplicht om voor elk kind met een VVE-indicatie tien uur per jaar ondersteuning en advisering van een HBO-beleidsmedewerker beschikbaar te hebben. Dit is ook verwerkt in het uurtarief voor een VE-plaats.

 

Plusniveau

Naast het reguliere voorschoolse aanbod is in Vijfheerenlanden de afgelopen jaren actief geïnvesteerd in aanvullend aanbod voor peuters met een verhoogde ondersteuningsbehoefte. Dit bovenwettelijke aanbod richt zich onder andere op kinderen vanaf 18 maanden, peuters die extra ondersteuning nodig hebben en het versterken van ouderbetrokkenheid. Met deze inzet wordt vroegtijdige ontwikkeling gestimuleerd en krijgen meer kinderen de kans op een goede start.

 

Opstapje

In Leerdam en Vianen wordt het programma “Opstapje” aangeboden. Al bij de eerste bezoeken aan de jeugdgezondheidszorg wordt vaak duidelijk welke kinderen een risico lopen op achterstanden. Het is in die gevallen niet wenselijk om hulp uit te stellen tot een kind naar de peuteropvang kan, maar om eerder steun te organiseren. Bij Opstapje komen ouders met kinderen (vanaf 16 maanden) bijeen om gezamenlijk te leren spelen als voorbereiding op de peuteropvang. Hierdoor begrijpen ouders beter het belang van de peuteropvang en is deelname daaraan hoger.

 

Instroomplaats

In Vijfheerenlanden krijgen kinderen vanaf twee jaar de kans om te starten op de voorschoolse voorziening. Dit gebeurt via een VE-instroomplaats: een aanbod van 8 uur opvang per week, verdeeld over minimaal twee dagdelen. Het is bedoeld voor kinderen van 2 tot 2,5 jaar die door de jeugdverpleegkundige of jeugdarts zijn geïndiceerd. De instroomplaats bereidt hen voor op een volledige VE-peuterplaats en draagt bij aan een goede start en optimale ontwikkelkansen.

 

Ouderkamer

Op locaties met een zeer hoog percentage doelgroepkinderen (80-100%) wordt extra ingezet op ouderbetrokkenheid. De ouders van deze kinderen krijgen via de Ouderkamer opvoedtips en professionele handvatten om hun kind(eren) ook in de thuissituatie ontwikkelingsstimulering te bieden. De bijeenkomsten sluiten aan bij de activiteiten van het VVE-thema, zodat er een doorgaande lijn is tussen het aanbod op de peuteropvang en in de thuissituatie. Het doel van dit aanbod is de basis te leggen voor een goede ouderbetrokkenheid, als aanvulling op het VVE-aanbod. Zodat kinderen optimaal ondersteund worden in hun ontwikkeling, gebaseerd op een gelijkwaardige samenwerking tussen professionele pedagogisch professionals en ouders.

 

Extra inzet pedagoog

De afgelopen beleidsperiode is met extra inzet van een pedagoog gewerkt om snel en laagdrempelig ondersteuning bij zorgvragen op de voorschoolse voorzieningen te bieden. Deze inzet maakt het mogelijk om vroegtijdig te signaleren en direct passende begeleiding te bieden aan kinderen die dat nodig hebben. Dit gaat verder dan de wettelijke norm, die uitgaat van 8 gesubsidieerde uren per VE-peuter per jaar.

 

Peuterplus

Voor kinderen die vanwege een complexere ondersteuningsvraag niet op de kinderdagverblijven of de peuteropvang terecht komen, maar waarvoor een medisch kinderdagverblijf te zwaar is, is er de Peuterplus. In deze voorziening worden hiervoor geïndiceerde peuters opgevangen in kleine groepen onder leiding van een pedagogisch professional en een jeugdzorgmedewerker.

 

Bibliotheek

De bibliotheek speelt een belangrijke rol in het bevorderen van taalontwikkeling bij jonge kinderen en hun ouders. Met een breed aanbod aan programma’s draagt de bibliotheek bij aan het voorkomen van taalachterstanden en het stimuleren van leesplezier bij jonge kinderen. Zo is er het BoekStart-programma, dat ouders en baby’s op de vestigingen verwelkomt met onder meer het BoekStart-koffertje. Ook bij het consultatiebureau is BoekStart zichtbaar, met een collectie in de wachtkamers en deskundigheidsbevordering voor GGD-teams.

 

Binnen de kinderopvang wordt BoekStart in de Kinderopvang ingezet, waarbij pedagogisch professionals worden geholpen om een taalrijke omgeving te creëren. Voor kinderen in de basisschoolleeftijd is er de Bibliotheek op school (dBos), een structurele samenwerking tussen bibliotheek en school gericht op taalontwikkeling, leesbevordering en mediawijsheid. Daarnaast is er de VoorleesExpress. Hierbij biedt een vrijwilliger twintig weken lang wekelijks gerichte ondersteuning aan kinderen van 2 tot 12 jaar met een taalachterstand door bij het gezin thuis voor te lezen. Met dit samenhangende aanbod levert de bibliotheek een waardevolle bijdrage aan de doorgaande ontwikkelingslijn en het vergroten van kansengelijkheid.

 

3.3 Vroegschoolse educatie

In de gemeente Vijfheerenlanden zijn 33 basisscholen gevestigd, verdeeld over negen verschillende schoolbesturen.

 

Naast de reguliere onderwijsmiddelen ontvangen basisscholen aanvullende middelen van de Rijksoverheid voor leerlingen met (een risico op) onderwijsachterstanden. Deze middelen worden jaarlijks toegekend op basis van de onderwijsachterstandenindicator van het CBS. De financiering vindt plaats op bestuursniveau; het is aan de afzonderlijke schoolbesturen om te bepalen op welke wijze zij deze middelen inzetten. Die bedragen kunnen elk jaar veranderen.

 

In Vijfheerenlanden ontvangen vijftien basisscholen aanvullende middelen van het Rijk om onderwijsachterstanden aan te pakken. Deze scholen en hun achterstandsscores (peildatum 2024), zijn opgenomen in tabel 3. Scholen die niet in deze tabel zijn vermeld, hebben een achterstandsscore van 0 en komen daarmee niet in aanmerking voor extra Rijksmiddelen.

 

Tabel 1: Basisscholen met achterstandsscore in Vijfheerenlanden 2024 (Bron: CBS)

BRIN

Basisschool

AS 2024

24ZE

IBS El Boukhari

383.37

06KD

Basisschool Het Mozaiek

374.74

11FL

OBS De Sterrenkijker

205.93

04UU

Basisschool Tijl Uilenspiegel

199.66

03JE

Openbare Basisschool De Springplank

105.47

06FO

Basisschool De Rank

104.61

07AF

Basisschool De Wilgenhoek

60.12

08DI

Basisschool Floris Radewijnsz

55.16

09HC

Basisschool De Ark

55.09

09ZO

Openbare Basisschool Prinses Wilhelmina

41.76

10CU

Christelijke Basisschool Klim Op

39.62

10UK

Basisschool Hobbitstee

37.98

18KP

Kindcentrum Werelds

11.91

18LZ

Samenwerkingsschool De Regenboog

5.73

06KO

CBS Herédium

4.85

Huidig aanbod

Op basis van de Wet Primair Onderwijs (WPO) artikel 165 mogen gemeenten ook (mede)financier zijn van activiteiten tegen onderwijsachterstanden in scholen, zoals schakelklassen, zomerscholen en verlengde schooldagen. Dit is geen wettelijke verplichting, maar biedt wel mogelijkheden om bij te dragen aan gelijke kansen voor alle kinderen.

 

Schakelklas: de Taaltuin

De Taaltuin zet zich in voor jonge leerlingen van 4 tot 7 jaar met een forse achterstand op taal. Het gaat hier om kinderen met een doorsnee intelligentie die geen gedragsstoornis hebben. Met één jaar schakelonderwijs kunnen leerlingen hun taalachterstand meestal goed inhalen. Daarna zijn ze klaar om succesvol mee te doen in het gewone basisonderwijs. Door in een vroeg stadium (groep 2 en 3 van de basisschool) directe en effectieve hulp te bieden wordt hun taalachterstand ingelopen. De leerlingen komen van basisscholen in Leerdam, Schoonrewoerd en Kedichem.

 

Nieuwkomers onderwijs

Voor jonge (4-12 jaar) kinderen van nieuwkomers (asielzoekers, statushouders, arbeidsmigranten en expats) wordt taalonderwijs gegeven in de bestaande Taalklassen, Gorinchem, Taalatelier in Nieuwegein (voltijd), deeltijd in Leerdam, Meerkerk .

 

Voor oudere (12-18 jaar) kinderen van nieuwkomers (asielzoekers, statushouders, arbeidsmigranten en expats) zijn er internationale schakelklassen. Deze zijn georganiseerd in Gorinchem en Utrecht. Indien nodig kan er opgeschaald worden in onze eigen gemeente. Schoolbesturen, samenwerkingsverbanden en de gemeente hebben hier al afspraken over gemaakt, vooralsnog is de vraag hier niet voldoende voor.

 

Het uiteindelijke doel is dat de leerlingen na hun jaar in het nieuwkomersonderwijs voldoende taalvaardigheid en zelfvertrouwen hebben, zodat ze succesvol kunnen deelnemen aan het reguliere onderwijs.

 

3.4 Vooruitblik

Ook de komende beleidsperiode blijven we inzetten op passend aanbod ter bevordering van onderwijskansen. Het aanbod op basisniveau wordt voortgezet, mede vanwege de bewezen effectiviteit en het fundament in wet- en regelgeving. Voor het aanvullende aanbod op plusniveau geldt dat wij kritisch blijven kijken naar de meerwaarde en effectiviteit ervan. We wegen zorgvuldig af wat we voortzetten, aanpassen of beëindigen. Dit doen we in voortdurende afstemming met onze partners, waarbij we blijven toetsen of het aanbod aansluit bij onze visie en bij maatschappelijke ontwikkelingen. Zo blijven we flexibel inspelen op wat nodig is én doelgericht binnen de beschikbare middelen.

4. Beleidsafspraken 2026-2029

4.1 Doelgroepdefinitie

De jeugdverpleegkundige of jeugdarts van de jeugdgezondheidszorg (JGZ) signaleert of een kind een (risico op een) onderwijsachterstand heeft. Peuters die tot de doelgroep behoren hebben recht op extra ondersteuning en dus een VVE-indicatie. Deze toekenning wordt gebaseerd op de onderstaande indicatoren:

  • Beide ouders/verzorgers of één van beide ouders/verzorgers heeft geen diploma of heeft maximaal vmbo kaderberoepsgerichte leerweg afgerond.

  • Het kind heeft een risico op een taalachterstand in het Nederlands, dat verkleind kan worden door het gebruik van een voorschoolse voorziening. Om dit risico te bepalen wordt rekening gehouden met:

    • -

      De sociaal-emotionele omgeving van het kind

    • -

      De taal die thuis wordt gesproken door ouders/verzorgers

    • -

      Schuldenproblematiek binnen het gezin

  • Het kind heeft een vastgestelde ontwikkelingsachterstand, die een belemmering is voor de Nederlandse taalontwikkeling van het kind, waarbij een voorschoolse voorziening kan bijdragen aan de optimale ontwikkeling van een kind.

4.2 Indicatie en toeleiding

In Vijfheerenlanden zijn afspraken gemaakt met de JGZ-GGDrU over het indiceren van kinderen voor de voorschoolse educatie en toeleiden van deze kinderen naar de peuteropvang. De JGZ heeft in het basispakket de taak om te signaleren of een kind een (risico op een) onderwijsachterstand heeft, verwijst ouders zo nodig naar VVE en geeft daartoe de indicatie af.

 

Vervolgens is het belangrijk dat geïndiceerde kinderen ook echt bij de kinderopvang aankomen. Het is soms nodig ouders te motiveren het kind aan te melden voor de VVE. Daarnaast zijn er regelmatig kinderen aangemeld voor VVE maar haken ouders alsnog voortijdig af. Ook wordt er gestopt tijdens de VVE periode of is het kind te weinig aanwezig. Hiervoor worden verschillende activiteiten uitgevoerd, waaronder het nabellen van ouders, thuisbezoeken en uitwisselingen met de pedagogisch professional van de kinderopvang.

 

Het betrekken van ouders bij onderwijs en opvoeding is van cruciaal belang voor het vergroten van de onderwijskansen van kinderen. De betrokkenheid thuis levert een grote bijdrage aan de ontwikkeling en leersucces van kinderen. Ook hier voert de jeugdverpleegkundige activiteiten uit, zoals: themabijeenkomsten en cursussen op het gebied van opvoeden, taal en spelstimulering.

 

Elk kwartaal worden de VVE-indicaties door de JGZ geüpload naar de Peutermonitor. Zo krijgen we inzicht in de VVE-indicaties per wijk en in hoeverre hier gebruik van wordt gemaakt. Deze gegevens zijn geanonimiseerd.

 

4.3 Bereik

De gemeente is verantwoordelijk voor voldoende voorschoolse voorzieningen, in aantal en spreiding. JGZ zorgt voor de indicering en toeleiding van kinderen met een (risico op een) achterstand. De feitelijke verantwoordelijkheid voor inschrijving en deelname aan voorschoolse educatie ligt bij de ouder(s). Het is voor de ontwikkeling van de doelgroepkinderen van belang dat zij ook daadwerkelijk op een (VVE-geregistreerde) kinderopvang geplaatst worden.

 

Het is allereerst belangrijk om het aantal VVE-doelgroepkinderen in beeld te hebben. We maken sinds 2022 gebruik van de Peutermonitor om zo meer inzicht te krijgen in het aantal en type indicaties, de toeleiding van VVE-doelgroepkinderen en de daadwerkelijke afname van VVE-aanbod. Met de Peutermonitor krijgen wij inzicht in het aantal peuters in de gemeente, in welke wijken zij wonen en of VVE-peuters gebruikmaken van één van de beschikbare voorschoolse voorzieningen. Zowel de gemeente, JGZ als de kinderopvangorganisaties leveren hiervoor gegevens aan.

 

Met de Peutermonitor is het ook mogelijk om informatie te verkrijgen over peuters die een VVE-toekenning hebben, maar (nog) geen plek hebben in de kinderopvang. Als de redenen voor het niet gebruik van de VVE-toekenning bekend zijn, kunnen medewerkers van de JGZ, en/of gemeente hier gericht actie op ondernemen om zo het bereik van de VVE-peuters zo hoog mogelijk te krijgen. Ook wachtlijstproblematiek blijft door de Peutermonitor goed in beeld, zodat hierop gericht actie kan worden ondernomen.

 

Uit de Peutermonitor is te halen dat het bereik van doelgroepkinderen in de leeftijd twee tot vier in 2023 en 2024 op 71% en 69% zat. Voor peuters van 2,5 tot 4 jaar (waar onze wettelijke taak daadwerkelijk ligt) was het bereik beide jaren 74%. Dit percentage is voor ons al jaren redelijk constant. Landelijk is er juist een daling te zien van het bereik. In 2021 werd 83% van de doelgroepkinderen bereikt en in 2023 nog maar op 75%4. De voornaamste reden (zowel landelijk als in Vijfheerenlanden) dat de doelgroepkinderen niet bereikt worden is dat deze kinderen naar een opvang gaan die geen VE aanbiedt.

 

Het meetbare resultaat dat wij willen behalen in deze beleidsperiode is:

80% van de VVE-geïndiceerde peuters tussen de 2,5 en 4 jaar oud gaat naar een VVE-geregistreerde opvang.

 

Deze meetbare resultaatafspraak wordt verder uitgewerkt in hoofdstuk 5.

 

4.5 Kwaliteitskader

Wij streven naar een inclusieve en stimulerende leeromgeving waarin kinderen zich veilig, geborgen en gewaardeerd voelen. Het VVE-aanbod is gericht op het bevorderen van de brede ontwikkeling van jonge kinderen. Daarbij is er niet alleen aandacht voor cognitieve vaardigheden, maar ook voor sociale, emotionele, fysieke en creatieve ontwikkeling.

 

De kwaliteit van de voorschoolse educatie wordt geborgd door middel van de jaarlijkse inspectie door de GGD. Tijdens deze inspectie wordt beoordeeld in hoeverre VE-aanbieders voldoen aan de volgende kwaliteitscriteria:

  • 1.

    Er is een heldere visie op voorschoolse educatie, zichtbaar in het pedagogisch en educatief aanbod.

  • 2.

    De ontwikkeling van het jonge kind wordt gestimuleerd op het gebied van taal, rekenen, motoriek en sociaal-emotionele vaardigheden.

  • 3.

    De ontwikkeling van peuters wordt gevolgd en het aanbod wordt afgestemd op de individuele behoeften.

  • 4.

    Ouders worden actief betrokken bij de ontwikkeling van hun kind.

  • 5.

    De fysieke omgeving is passend ingericht en er is voldoende educatief materiaal beschikbaar.

  • 6.

    Er is sprake van een zorgvuldige overgang van voor- naar vroegschoolse educatie, met aandacht voor inhoudelijke aansluiting.

  • 7.

    Ieder kind met een VE-indicatie ontvangt vanaf de leeftijd van 2,5 jaar ten minste 960 uur voorschoolse educatie, verspreid over een periode van anderhalf jaar.

  • 8.

    VE-aanbieders evalueren jaarlijks hun beleid en stellen dit waar nodig bij.

  • 9.

    Groepen bestaan uit maximaal 16 aanwezige kinderen, met ten minste één beroepskracht per acht kinderen.

  • 10.

    Alle beroepskrachten beschikken over de vereiste diploma’s en voldoen aantoonbaar aan de 3F-taaleis.

  • 11.

    Er wordt gewerkt met een erkend VE-programma.

We willen de komende jaren toewerken naar ambitieuzere kaders op het gebied van kwaliteit en het pedagogisch en educatief/didactisch handelen bij zowel de voorschoolse- als de vroegschoolse educatie. Het doel van zo’n kwaliteitskader is om kwaliteitseisen implementeerbaar en zichtbaar te maken. Door te werken met een kwaliteitskader, creëren we gezamenlijk een groeimodel.

 

Via zelfevaluatie monitoren we de kwaliteit van VVE, om zo een goed beeld te krijgen waar eventueel een volgende verbeterslag gemaakt dient te worden. Het kwaliteitskader zal als instrument gebruikt worden voor de zelfevaluatie. Zo krijgen we zicht op het resultaat van handelen ten behoeve van de ontwikkeling van VVE-peuters en -kleuters.

 

Het meetbare resultaat dat wij willen behalen in deze beleidsperiode is:

90% van de VVE-leerlingen in groep 3 kan starten met het basisaanbod en heeft geen extra aanbod nodig om mee te kunnen komen met het reguliere aanbod.

 

Deze resultaatafspraak wordt verder uitgewerkt in hoofdstuk 5.

 

4.6 Doorgaande lijn

Een soepele overgang van de voorschool (educatie voor leerlingen van 2,5 jaar tot 4 jaar) naar de vroegschool (educatie voor leerlingen van groep 1 en 2) is van groot belang voor het vergroten van onderwijskansen. Professionals uit zowel de kinderopvang als het basisonderwijs dragen gezamenlijk de verantwoordelijkheid voor het overgangsproces. Een belangrijk onderdeel hiervan is de (warme) overdracht. Deze overdracht moet inzicht geven in de ondersteuningsbehoeften van het kind voor een soepele overgang naar de basisschool. Dit is met name van belang voor kinderen die extra ondersteuning nodig hebben om zich optimaal te kunnen ontwikkelen.

 

Uit gesprekken met scholen en kinderopvangorganisaties komt naar voren dat de doorgaande lijn in de praktijk nog verder versterkt kan worden. Hoewel er veelal warme overdrachten plaatsvinden, worden er nog te weinig structurele gesprekken gevoerd over aansluitend aanbod. Ook tussen de gemeente en de VVE-aanbieders (kinderopvangorganisaties en scholen) is verdere afstemming nodig om de samenwerking te verbeteren.

 

Er is al eens een poging gedaan om een centraal overdrachtsformulier te ontwikkelen. Dit traject is echter niet voortgezet, waardoor er geen conclusies zijn over het gebruik van een uniform formulier. Naast het gebruik van een overdrachtsformulier streven wij naar een warme overdracht voor ieder kind – en in elk geval voor iedere doelgroeppeuter. Door personeelstekorten in zowel de kinderopvang als het onderwijs blijkt dit in de praktijk niet altijd makkelijk uitvoerbaar.

 

Verder is het een wens van kinderopvangorganisaties om een terugkoppeling te ontvangen over de ontwikkeling van doelgroepkinderen na het eerste schooljaar. Op deze manier ontstaat een lerende cyclus tussen voor- en vroegschool, waarin partijen van en met elkaar leren.

 

De komende periode blijven we inzetten op het versterken van de doorgaande lijn en de samenwerking tussen kinderopvang en onderwijs. Door samen in gesprek te blijven over knelpunten en oplossingen, bouwen we aan een stevige start voor ieder kind.

 

4.7 Ouderbetrokkenheid

Ouders/verzorgers zijn een van de belangrijkste componenten bij de ontwikkeling van een kind. De omstandigheden thuis bepalen voor een groot deel de effectiviteit van het VVE-aanbod en andere ondersteunende programma’s. Daarmee vormt ouderbetrokkenheid een belangrijk aspect van het slagen van onze inspanningen om de kansen van kinderen te maximaliseren. Het is tevens een van de meest gevoelige aspecten: want verplichten van ouderbetrokkenheid kan betekenen dat kinderen ook niet deelnemen. Het is dus zaak ouderbetrokkenheid vanuit zowel het belang van het kind als van de ouder/verzorger te stimuleren en zo vroeg mogelijk.

 

Iedere VE-locatie geeft uitvoering aan het ouderbetrokkenheidsbeleid dat binnen de normale (wettelijke) taak hoort. Daarnaast hebben wij in de gemeente initiatieven als de Ouderkamer en de VoorleesExpress. Het blijft hierin belangrijk met elkaar te evalueren en waar nodig bij te sturen als aanbod onvoldoende aansluit bij de vraag.

 

4.8 Naar de basisschool

Vanaf het moment dat kinderen de basisschool bezoeken is in principe het onderwijs aan zet: zij zorgen nu voor de leerontwikkeling van het kind. Scholen geven hieraan invulling vanuit hun eigen onderwijskundige visie, met oog voor de ontwikkeling van het kind én de bredere context van de wijk of buurt waarin zij actief zijn. Scholen met een hogere achterstandsscore ontvangen aanvullende middelen van het Rijk, waarmee zij gericht kunnen investeren in het versterken van gelijke kansen. De gemeente kan zorgdragen voor aanbod dat niet door de scholen zelf kan worden georganiseerd.

5. Resultaatafspraken 2026-2029

De inspectie van het onderwijs houdt toezicht op de wijze waarop gemeenten verplichtingen nakomen aangaande het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid (GOAB), waaronder het beleid gericht op de voor- en vroegschoolse educatie. Een van die wettelijke verplichtingen is het maken van meetbare resultaatafspraken met het onderwijs. Het is belangrijk dat we de gewenste invloed van voor- en vroegschoolse educatie vastleggen. De meerwaarde hiervan is dat we op basis van resultaatafspraken met elkaar in gesprek kunnen gaan over de opbrengsten van VVE en waar eventueel nog verbeteringen nodig zijn.

 

In Vijfheerenlanden onderschrijven gemeente, kinderopvang en het primair onderwijs volledig het nut en de noodzaak van VVE, maar kijken we met enige nuance naar de wijze waarop de opbrengsten van VVE te interpreteren zijn. Het heeft de voorkeur om met elkaar in kwaliteitsdialoog te gaan over de inbreng die professionals (pedagogisch professionals van de kinderopvang en leerkrachten in het basisonderwijs) hebben als het gaat over de opbrengsten van VVE. Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat de educatieve/didactische kwaliteit van handelen bepalend is voor goede opbrengsten van VVE. Het gaat dus niet zo zeer om het bereiken van onderstaande meetbare doelstelling, maar over hoe we daar gezamenlijk willen komen.

 

5.1 Resultaatafspraak bereik

80% van de VVE-geïndiceerde peuters tussen de 2,5 en 4 jaar oud gaat naar een VVE-geregistreerde opvang.

 

Dit doel gaat in op de output van dit beleid; Hoeveel kinderen hebben daadwerkelijk gebruik gemaakt van VVE?

 

Het is voor de ontwikkeling van de doelgroeppeuters van belang dat zij ook daadwerkelijk op een (VVE-geregistreerde) kinderopvang geplaatst worden. Daarom zullen wij ons de komende beleidsperiode inzetten op een groei van het aantal VVE-geïndiceerde peuters die ook daadwerkelijk bereikt worden en starten op de opvang.

 

5.2 Resultaatafspraak kwaliteit voor- en vroegschool

90% van de VVE-leerlingen in groep 3 kan starten met het basisaanbod en heeft geen extra aanbod nodig om mee te kunnen komen met het reguliere aanbod.

 

Dit doel gaat in op de outcome van dit beleid; Wat is het effect van voor- en vroegschoolse educatie op de ontwikkeling van kinderen?

 

De bovenstaande resultaatafspraak is bewust vrij breed geformuleerd. Dit is gedaan zodat het mogelijk is om per toets-/observatiesysteem een vertaling te maken naar de resultaatafspraken toe. Hierbij is leidend dat met elkaar afgestemd dient te worden hoe deze conversie naar de resultaatafspraken gemaakt wordt. Hier zijn geen landelijke richtlijnen voor. Wij zullen gezamenlijk tot randvoorwaarden moeten komen om bovenstaand resultaat te gaan monitoren.

 

5.3 Evaluatie & kennis delen

Via een kwaliteitscyclus VVE werken we toe aan het systematisch evalueren en verbeteren van de VVE op gemeentelijk niveau. Als gemeente voeren we dit VVE-beleid uit volgens de beleidscyclus. Om de beleidsdoelen te halen, zijn afspraken gemaakt met de GGD, VVE-aanbieders, bibliotheek en basisscholen. Het maken van de afspraken, deze monitoren en evalueren is de kwaliteitscyclus. De kwaliteitscyclus heeft tot doel om de uitvoering en kwaliteit van VVE te monitoren en te evalueren en tegelijkertijd inzicht te bieden in de voortgang van de beleidsdoelen. We gebruiken hierbij de PDCA cyclus, de Plan-Do-Check-Act cyclus.

 

Figuur 3: Kwaliteitscyclus

 

Plan: afspraken maken

In afstemming met lokale partners, worden de doelen uit dit beleidsstuk vertaald naar concrete afspraken. Gezien het groot aantal partners, kiezen we ervoor om dit te doen met een aantal vertegenwoordigers in twee werkgroepen.

 

Do: uitvoering

Subsidies worden verstrekt voor de uitvoering van het actuele beleid van de gemeente. Om als gemeente ook te kunnen verantwoorden wat er met de publieke middelen is gedaan, is informatie over de uitvoering nodig. Met het nog verder uit te werken kwaliteitskader kan gestuurd worden op de vorm van uitvoering.

 

Check: monitoring

Zicht in bereik krijgen we via de Peutermonitor. Zicht op kwaliteit van de voorschool krijgen we via de subsidieverantwoordingen en de kwaliteitsdialoog. Zicht op de resultaten krijgen we aan de hand van data van het onderwijs en de kwaliteitsdialoog gericht op de kwaliteit van het handelen.

 

Act: evalueren

Op basis van de monitor en verantwoording van de partners kan de balans worden opgemaakt over welke resultaten zijn behaald en wat de succesfactoren en knelpunten hierbij waren. De uitkomsten van de monitor worden besproken met betrokken partijen en tijdens het LEA; Lokale Educatieve Agenda.

6. Begroting

Vanuit het Rijk ontvangt de gemeente jaarlijks een geoormerkte bijdrage voor de bestrijding van onderwijsachterstanden: OAB-middelen. Hoewel de bijdrage jaarlijks wordt vastgesteld, vindt afrekening plaats in vierjaarlijkse periodes. De huidige OAB-periode loopt van 2023-2026.

 

Voor Vijfheerenlanden ziet de Rijksbijdrage over de huidige periode er als volgt uit:

 

Tabel 2: Rijksbijdrage Vijfheerenlanden periode 2023-2026

Jaar

Rijksbijdrage

Status

2023

€ 1.902.406,00

Vastgesteld

2024

€ 2.158.925,00

Vastgesteld

2025

€ 2.109.337,00

Voorlopige toekenning

2026

€ 1.882.909,00

Prognose

Daarnaast hebben we jaarlijks een bedrag van ruim € 300.000 op de gemeentelijke begroting staan voor reguliere peuteropvang (geen KOT, geen VE).

 

Er zijn enkele ontwikkelingen waar rekening mee gehouden moet worden voor de beleidsperiode van dit stuk:

  • -

    Voor 2026 geldt dat alle SPUK’s met ingang van 2026 met 10% worden gekort. Deze korting geldt ook voor de SPUK GOAB. Eind september 2025 ontvangen gemeenten van DUO een brief met daarin het voorlopige bedrag OAB voor het jaar 2026.

  • -

    Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft op 21 mei 2025 een brief naar de Kamer gestuurd waarin staat dat de SPUK GOAB per 2027 zal worden omgezet naar een Bijzondere Fondsuitkering. De huidige SPUK GOAB loopt t/m 2026, dus dat zou mooi aansluiten. Echter, voor omzetting naar een Bijzondere Fondsuitkering is een wetswijziging nodig en dat kent een doorlooptijd. Het is nog onzeker of 2027 haalbaar is.

De wettelijke verplichtingen – spreiding en kwaliteit van de voorschoolse educatie, coördinatie van bereik, de doorgaande lijn en evalueren op resultaatafspraken - hebben prioriteit binnen het uitgeven van de beschikbare middelen. Voor 2026 kunnen we gebruikmaken van overschotten uit voorgaande jaren. Deze reserve bedraagt naar schatting nog € 230.000,- en komt bovenop het bedrag dat is opgenomen in tabel 2.

Bijlage: Wettelijk kader

 

WPO, WKO en AMvB

 

Het onderwijsachterstandenbeleid (OAB) wordt gekaderd door de eisen uit de wet op het Primair Onderwijs (WPO, artikelen 165 - 168), (aanpassingen op) de wet Kinderopvang (WKO) en Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB). Gemeenten in Nederland zijn wettelijk verantwoordelijk voor het organiseren van voldoende en een gespreid aanbod aan voorschoolse educatie.5 Om de voor- en vroegschool goed op elkaar aan te laten sluiten zijn de kinderopvang, het onderwijs en de gemeente gezamenlijk aan zet. In overleg met schoolbesturen en kinderopvangpartners maken gemeenten afspraken over deelname, aanbod, segregatie, resultaten etc.6 Daarnaast kunnen gemeenten het onderwijs (financieel) ondersteunen om onderwijsachterstanden in de schoolse periode te verminderen.7 Het tegengaan van (taal)achterstanden vraagt dus samenwerking van meerdere partijen die betrokken zijn bij kinderen met een (risico op) (taal)achterstand. De financiering van het onderwijsachterstandenbeleid loopt langs twee wegen: de gemeenten ontvangen een budget en de schoolbesturen ontvangen een budget. Dit budget wordt sinds 2019 vastgesteld op basis van een nieuwe verdeelsystematiek.8

 

Recente landelijke ontwikkelingen die vragen om mogelijke aanpassingen in het gemeentelijke beleid:

  • De nieuwe verdeelsystematiek voor het vaststellen van OAB-budgetten voor gemeenten en onderwijs (van gewichtenregeling naar CBS-rekenmodel) vanaf 1 januari/1 augustus 2019

  • De aangescherpte kwaliteitseisen voor de voorschoolse educatie/kinderopvang (o.a. wet IKK)

  • De urenuitbreiding naar 960 uur voorschoolse educatie vanaf 1 augustus 2020

  • De inzet van de pedagogisch beleidsmedewerker/coach in de voorschoolse educatie vanaf 1 januari 2022

  • De extra aandacht voor resultaatafspraken vanuit de Onderwijsinspectie en het verdwijnen van de CITO- kleutertoetsen

  • Het Nationaal Programma Onderwijs en de rol van de gemeente daarin.9

  • Zaken die mogelijk voortkomen vanuit het nieuwe regeerakkoord

AVG

Sinds de invoering van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) in mei 2018 is het verzamelen en delen van gegevens zorgvuldiger en transparanter geworden. Een belangrijk uitgangspunt voor professionals blijft van kracht: het belang van het kind staat altijd voorop. Deze opdracht is vastgelegd in artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK):

 

“Bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, vormen de belangen van het kind de eerste overweging.”

 

In het kader van de overgang naar het basisonderwijs vindt gegevensuitwisseling plaats op basis van het transparantiebeginsel, en niet op basis van expliciete toestemming. Deze werkwijze sluit aan bij de systematiek van de AVG. In tegenstelling tot wat soms wordt gedacht, vormt de AVG geen belemmering voor het delen van persoonsgegevens. Integendeel: de AVG is juist bedoeld om gegevensuitwisseling op een verantwoorde en zorgvuldige manier mogelijk te maken.

 

Het is van belang dat ouders vanaf het begin op de hoogte zijn van het doel van de voorschoolse voorziening: het bevorderen van een soepele en doorgaande ontwikkeling van hun kind. Door hen tijdig te informeren over het beleid rondom een kind- en oudervriendelijke overdracht, wordt het vanzelfsprekend dat er op termijn informatie wordt gedeeld. Wanneer een kind drie jaar wordt, is het raadzaam om het overdrachtsproces en de bijbehorende afspraken opnieuw met ouders te bespreken.

Bijlage: Kwaliteitseisen GGDru voorschoolse opvang

 

Er is een visie op de voorschoolse educatie en deze is te herkennen in het aanbod

De houder van een kindercentrum waar voorschoolse educatie wordt aangeboden beschrijft in het pedagogisch beleidsplan, zo concreet en toetsbaar mogelijk, de voor het kindercentrum kenmerkende visie op de voorschoolse educatie en de wijze waarop deze visie is te herkennen in het aanbod van activiteiten.

(art 1.50b Wet kinderopvang; art 4a lid 1 onder a Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie)

 

De ontwikkeling van het jonge kind wordt gestimuleerd op het gebied van taal, rekenen, motoriek en sociaal-emotionele ontwikkeling

De houder van een kindercentrum waar voorschoolse educatie wordt aangeboden beschrijft in het pedagogisch beleidsplan, zo concreet en toetsbaar mogelijk, de wijze waarop de ontwikkeling van het jonge kind wordt gestimuleerd, in het bijzonder op de gebieden taal, rekenen, motoriek en sociaal-emotionele ontwikkeling.

(art 1.50b Wet kinderopvang; art 4a lid 1 onder b Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie)

 

De ontwikkeling van de peuters wordt gevolgd en aanbod wordt individueel afgestemd

De houder van een kindercentrum waar voorschoolse educatie wordt aangeboden beschrijft in het pedagogisch beleidsplan, zo concreet en toetsbaar mogelijk, de wijze waarop de ontwikkeling van peuters wordt gevolgd en de wijze waarop het aanbod van voorschoolse educatie hierop wordt afgestemd.

(art 1.50b Wet kinderopvang; art 4a lid 1 onder c Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie)

 

Ouders worden betrokken bij het stimuleren van de ontwikkeling van kinderen

De houder van een kindercentrum waar voorschoolse educatie wordt aangeboden beschrijft in het pedagogisch beleidsplan, zo concreet en toetsbaar mogelijk, de wijze waarop de ouders worden betrokken bij het stimuleren van de ontwikkeling van kinderen.

(art 1.50b Wet kinderopvang; art 4a lid 1 onder d Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie)

 

De ruimte is passend ingericht en er is materiaal voor voorschoolse educatie beschikbaar

De houder van een kindercentrum waar voorschoolse educatie wordt aangeboden beschrijft in het pedagogisch beleidsplan, op zo concreet en toetsbaar mogelijke wijze, de inrichting van een passende ruimte waarin voorschoolse educatie wordt verzorgd en de wijze waarop passend materiaal voor voorschoolse educatie beschikbaar wordt gesteld.

(art 1.50b Wet kinderopvang; art 4a lid 1 onder e Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie)

 

Er vindt een zorgvuldige overgang van voor- naar vroegschoolse educatie plaats, waarbij wordt gewerkt aan inhoudelijke aansluiting

De houder van een kindercentrum waar voorschoolse educatie wordt aangeboden beschrijft in het pedagogisch beleidsplan, zo concreet en toetsbaar mogelijk, de wijze waarop vorm wordt gegeven aan de inhoudelijke aansluiting tussen voor- en vroegschoolse educatie en aan een zorgvuldige overgang van het kind van voor- naar vroegschoolse educatie.

(art 1.50b Wet kinderopvang; art 4a lid 1 onder f Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie)

 

Het kind in anderhalf jaar ten minste 960 uur voorschoolse educatie, vanaf de dag dat het tweeëneenhalf jaar oud is

De houder van een kindercentrum waar voorschoolse educatie wordt aangeboden beschrijft in het pedagogisch beleidsplan, zo concreet en toetsbaar mogelijk, hoe het aanbod voorschoolse educatie zodanig is ingericht dat een kind vanaf de dag dat het tweeëneenhalf jaar oud wordt in anderhalf jaar ten minste 960 uur voorschoolse educatie kan ontvangen.

(art 1.50b Wet kinderopvang; art 4a lid 1 onder g Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie)

 

De voorschoolse opvang evalueert zijn beleid jaarlijks en stelt waar nodig bij

De houder van een kindercentrum waar voorschoolse educatie wordt aangeboden geeft uitvoering aan het pedagogisch beleidsplan wat de aanvullende onderwerpen voor voorschoolse educatie betreft, evalueert de uitvoering jaarlijks, en stelt het plan zo nodig aan de hand hiervan bij.

(art 1.50b Wet kinderopvang; art 4a lid 2 Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie)

 

Een groep bestaat uit hoogstens 16 aanwezige kinderen, waarbij er ten minste één beroepskracht voorschoolse educatie per acht kinderen aanwezig is

De verhouding tussen het aantal beroepskrachten voorschoolse educatie en het feitelijk aantal aanwezige kinderen in de groep bedraagt ten minste één beroepskracht voorschoolse educatie per acht kinderen.

(art 1.50b Wet kinderopvang; art 3 lid 1 en 3 Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie)

 

De groep bestaat uit ten hoogste 16 feitelijk aanwezige kinderen.

(art 1.50b Wet kinderopvang; art 3 lid 2 Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie)

 

Alle beroepsgrachten zijn in het bezit van de juiste diploma’s en voldoen aantoonbaar aan de 3F taaleis

De houder van een kindercentrum waar voorschoolse educatie wordt geboden draagt er zorg voor dat beroepskrachten voorschoolse educatie in het bezit zijn van:

Een getuigschrift van een opleiding zoals opgenomen in de meest recent aangevangen cao Kinderopvang.

 

OF

 

Een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties, verleend ten aanzien van de door hen te verrichten beroepswerkzaamheden.

(art 1.50b Wet kinderopvang; art 4 lid 1, 5 en 7 Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie; art 10c Regeling Wet kinderopvang)

 

Onderdeel van een beroepsopleiding vormt ten minste een met gunstig gevolg afgesloten keuzedeel dat is gericht op het ontwikkelingsgericht werken in de voorschoolse educatie en dat ten minste kennis en vaardigheden omvat met betrekking tot:

  • a.

    het werken met programma’s voor voor- en vroegschoolse educatie,

  • b.

    het stimuleren van de ontwikkeling van het jonge kind, in het bijzonder op de gebieden taal, rekenen, motoriek en sociaal-emotionele ontwikkeling,

  • c.

    het volgen van de ontwikkeling van peuters en het hierop afstemmen van het aanbod van voorschoolse educatie,

  • d.

    het betrekken van de ouders bij het stimuleren van de ontwikkeling van kinderen, en

  • e.

    het vormgeven aan de inhoudelijke aansluiting tussen voor- en vroegschoolse educatie en aan een zorgvuldige overgang van het kind van voor- naar vroegschoolse educatie.

In afwijking hiervan is het keuzedeel niet vereist indien de genoemde kennis en vaardigheden al onderdeel zijn van de beroepsopleiding waarop de kwalificatie is gericht.

(art 1.50b Wet kinderopvang; art 4 lid 2 en 3 onder a Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie)

 

OF

 

De bezitter van een getuigschrift dat niet een keuzedeel voorschoolse educatie in de beroepsopleiding omvat, maakt aantoonbaar dat met gunstig gevolg scholing is afgerond, bestaande uit ten minste 12 dagdelen, die specifiek is gericht op het verwerven van kennis en vaardigheden met betrekking tot voorschoolse educatie als genoemd in het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie.

(art 1.50b Wet kinderopvang; art 4 lid 3 onder b Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie)

 

De beroepskracht voorschoolse educatie beheerst aantoonbaar ten minste niveau 3F op de onderdelen Mondelinge Taalvaardigheid en Lezen.

(art 1.50b Wet kinderopvang; art 4 lid 3a Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie)

De houder van een kindercentrum waar voorschoolse educatie wordt aangeboden, stelt jaarlijks voor elke locatie voorschoolse educatie een opleidingsplan vast dat in elk geval tot uitdrukking brengt op welke wijze de kennis en vaardigheden (als genoemd in het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie) van de beroepskracht voorschoolse educatie worden onderhouden. De houder geeft op concrete en toetsbare wijze uitvoering aan het opleidingsplan, evalueert het plan jaarlijks en stelt het plan aan de hand van de evaluatie zo nodig bij.

(art 1.50b Wet kinderopvang; art 4 lid 4 Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie)

 

Er wordt een VE-erkend programma gebruikt

Voor de voorschoolse educatie wordt een programma gebruikt waarin op gestructureerde en samenhangende wijze de ontwikkeling wordt gestimuleerd op het gebied van taal, rekenen, motoriek en sociaal-emotionele ontwikkeling.

(art 1.50b Wet kinderopvang; art 5 Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie)


1

De wettelijke taak voor deelname aan voorschoolse educatie begint bij de leeftijd van 2,5 jaar oud. Echter werken wij in Vijfheerenlanden met instroomplaatsen vanaf 2 jaar oud. Daarom geven we de cijfers van de gehele leeftijdsgroep 2 tot 4 jaar oud.

2

Cijfers afkomstig uit de Peutermonitor, gebaseerd op de data vanuit de Basisregistratie Personen (BRP), GGD en kinderopvang gedurende het hele kwartaal.

3

Cijfers afkomstig uit de Peutermonitor, gebaseerd op data van de kinderopvangorganisaties.

4

Inspectie van het Onderwijs (december 2024). Landelijk Rapport LEA/vve 2023-2024.

5

Wet op Primair Onderwijs (Wpo), artikel 166.

6

Wpo, artikel 167.

7

Wpo, artikel 165.

Naar boven