Gemeenteblad van Midden-Delfland
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Midden-Delfland | Gemeenteblad 2026, 219287 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Midden-Delfland | Gemeenteblad 2026, 219287 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Verordening jeugdhulp Midden-Delfland 2026
De raad van de gemeente Midden-Delfland;
gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 18 november 2025;
gelet op artikel 108 Gemeentewet en gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1, derde lid van de Jeugdwet,
het uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouder(s) en de jeugdige zelf ligt; ouders worden geacht de tot hun gezin behorende jeugdige(n) dagelijkse hulp, zorg en ondersteuning te bieden ook als er sprake is van een jeugdige met een ziekte, aandoening of beperking;
het op grond van de Jeugdwet noodzakelijk is hieromtrent regels vast te stellen:
ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan. Daarbij wordt rekening gehouden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden;
gehoord de beraadslagingen van de Commissie d.d. 13 januari 2026;
de Verordening jeugdhulp Midden-Delfland 2026 vast te stellen
In deze verordening wordt verstaan onder:
onafhankelijk clientondersteuner: dit is een persoon die, zonder belangenverstrengeling met gemeente of zorgaanbieders, informatie, advies en ondersteuning biedt aan inwoners bij het verhelderen van hun hulpvraag, het voorbereiden en voeren van gesprekken met de gemeente of zorgaanbieders, en het maken van keuzes over passende zorg of ondersteuning.
onderzoek: als bedoeld in artikel 4 van deze verordening waaronder het gesprek/ de gesprekken die worden gevoerd om de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige en/of de ouders vast te stellen inclusief de raadpleging van bij de gemeente bekende informatie en/of inclusief eventueel benodigde advisering;
plan van aanpak: als bedoeld in artikel 1.1. van de Jeugdwet, een integraal intake document waarin de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige en/of zijn ouders is vastgelegd, samen met de beoogde resultaten en hoe deze te bereiken, evenals de bijdragen die zowel het college als de hulpvrager en het sociale netwerk hieraan kunnen leveren;
regiebehandelaar: Afhankelijk van de zorginstelling en de aard van de behandeling kan een regiebehandelaar een psychiater, klinisch psycholoog, GZ-psycholoog, psychotherapeut of een andere BIG-geregistreerde zorgverlener zijn, die de voortgang en samenhang van de ingezette hulpverlening bewaakt, waar nodig de ingezette hulpverlening bijstelt en de eindverantwoordelijkheid draagt;
sociaal team: team van professionele hulpverleners met veel kennis en ervaring op het gebied van jeugd en gezin. Het sociaal team verzorgt de toeleiding naar jeugdhulp binnen de gemeente Midden-Delfland en vormt het eerste aanspreekpunt voor jeugdigen en ouders met een hulpvraag. Ook kan het sociaal team zelf hulp bieden;
Artikel 2 Vormen van jeugdhulp
Beschikbare algemene voorzieningen
De volgende vormen van overige/algemene voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar:
Artikel 2.1 Beschikbare individuele voorzieningen
De gemeente voorziet in de volgende beschikbare individuele voorzieningen:
crisishulp: acute hulp aan jeugdigen en ouders bij urgente veiligheidsrisico’s en bij het stabiliseren van spoedeisende opvoedproblemen, zodat de veiligheid wordt hersteld en gewaarborgd, en ook de begeleiding naar passende vervolghulp. Deze wordt zo nodig afgestemd met Veilig Thuis of andere crisisinterventieteams;
gezinsbegeleiding: hulp in de thuissituatie aan ouder(s) en/of de jeugdige gericht op het bieden van een veilig opvoedklimaat voor de jeugdige, waarbij ouder(s) inzicht en hulp krijgen in de beperking of problematiek van hun kind of zichzelf, in de interactie tussen gezinsleden en de invloed daarvan op hun kind(eren), en kan systeemgericht worden ingezet;
Het Servicebureau Jeugdhulp Haaglanden maakt op www.sbjh.nl bekend welke aanbieders individuele voorzieningen in welke categorie uitvoeren.
Het college kan bij nadere regeling vaststellen welke extra algemene, andere en individuele voorzieningen beschikbaar zijn, waaronder voorzieningen in samenwerking met (passend) onderwijsinstellingen.
Artikel 3 Toegang tot jeugdhulp
Toegang jeugdhulp via het medisch domein
Ook als een verwijzing zoals genoemd in het eerste lid aanwezig is, is het college niet verplicht jeugdhulp te vergoeden, geleverd door een jeugdhulpaanbieder waarmee de gemeente geen contract- of subsidierelatie heeft. Wel kan het college dan jeugdhulp inzetten van jeugdhulpaanbieders waarmee de gemeente wel een contract heeft.
Artikel 3.1 Toegang via justitieel kader
Het college is bij verwijzing van een jeugdige en/of de ouders voor hulp via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter (via een kinderbeschermingsmaatregel of een maatregel tot jeugdreclassering), het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting alleen verantwoordelijk voor de financiering van de Jeugdhulp binnen de met de jeugdhulpaanbieders gemaakte contractafspraken dan wel subsidie-bepalingen.
Bij verwijzing van een jeugdige en/of de ouders voor hulp via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter (via een kinderbeschermingsmaatregel of een maatregel tot jeugdreclassering), het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting, overlegt de gecertificeerde instelling in het kader van een door de rechter opgelegde kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering met het sociaal team.
Artikel 3.2 Toegang jeugdhulp via de gemeente
Een jeugdige en/of de ouder(s) kunnen de hulpvraag rechtstreeks indienen bij het sociaal team met een daartoe vastgesteld (elektronisch) aanvraagformulier. Het sociaal team draagt namens het college zorg voor de toeleiding naar adequate hulp. In één of meerdere gesprek(ken) wordt gekeken welke hulp de jeugdige en de ouders nodig hebben en wat zij eventueel zelf of met behulp van hun netwerk kunnen doen aan het probleem.
Als aanvullend daarop een voorziening op het gebied van jeugdhulp nodig is, dan wordt eerst gekeken of dit een algemene jeugdhulpvoorziening kan zijn of een individuele jeugd-hulpvoorziening. In het laatste het geval neemt het maatschappelijke team namens het college het besluit en verwijst deze de jeugdige door naar de jeugdhulpaanbieder die volgens de deskundige, in samenspraak met ouders en jeugdige, het beste antwoord heeft op de hulpvraag. Het sociaal team bepaalt vervolgens aard en omvang van een ambulante voorziening via de maximaal in te zetten behandelduur en het volume van de in te zetten jeugdhulp.
Heeft de aanvraag betrekking op:
Een minderjarige die de leeftijd van 12 jaar, maar nog niet die van 16 jaar heeft bereikt, dan behoeft de aanvraag de toestemming van zowel de minderjarige als de wettelijke vertegenwoordiger(s). Is de minderjarige niet in staat tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, dan behoeft de aanvraag de toestemming van de wettelijk vertegenwoordiger(s).
Een minderjarige die ouder is dan 16 jaar, dan behoeft de aanvraag de toestemming van de minderjarige, mits de minderjarige in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake en geen sprake is van jeugdhulp met verblijf. Het is essentieel met de wettelijk vertegenwoordiger(s) af te stemmen wanneer sprake is van jeugdhulp met verblijf.
Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren
Het college treft voorzieningen waarmee is gewaarborgd dat het onderzoek en de voorbereiding van de besluitvorming op zorgvuldige wijze plaatsvindt, in het bijzonder door te voorkomen dat (medewerkers van) de organisatie die de jeugdhulp uitvoert, ook het advies geeft over het al dan niet toekennen van jeugdhulp en het daarop betrekking hebbende besluit neemt.
Artikel 4.2 Draaglast en draagkracht (eigen kracht)
Ouder(s) zijn verplicht de tot hun gezin behorende minderjarige kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht op hen te houden. Dit geldt ook als sprake is van een minderjarig kind met een ziekte, aandoening of beperking. Het college onderzoekt of er bij de ouders sprake is van voldoende draagkracht en of de ouders of andere huisgenoten onderling zorg kunnen dragen voor de benodigde (dagelijkse) hulp.
Als de noodzakelijke hulp op het gebied van persoonlijke verzorging, begeleiding en verblijf van ouders voor hun kinderen voor wat betreft de aard, frequentie en benodigde tijd voor deze handelingen zwaarder is dan de zorg die kinderen van dezelfde leeftijd redelijkerwijs nodig hebben, neemt het sociaal team in haar onderzoek (als bedoeld in artikel 4 van deze verordening), de balans tussen draaglast en draagkracht mee. Het sociaal team bepaalt of de draagkracht van het gezin om zelf de nodige ondersteuning, hulp en zorg te kunnen bieden in overeenstemming is met de draaglast, op basis van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouders, samen met de personen die tot hun sociale omgeving behoren en beschikbare voorliggende voorzieningen.
In kortdurende situaties neemt het sociaal team aan dat draagkracht en draaglast in balans zijn en bieden ouder(s) of huisgenoten alle vormen van hulp op het gebied van persoonlijke verzorging, begeleiding en verblijf zelf, tenzij dit gezien de aard van de benodigde hulp (geheel of gedeeltelijk) niet van ouder(s) of huisgenoten mag worden verwacht.
In langdurende situaties bieden ouder(s) of huisgenoten alle vormen van hulp op het gebied van persoonlijke verzorging, begeleiding en verblijf zelf als het college op basis van algemeen aanvaarde maatstaven vaststelt dat draaglast en draagkracht in balans zijn, tenzij dit gezien de aard van de benodigde hulp (geheel of gedeeltelijk) niet van ouder(s) of huisgenoten mag worden verwacht.
Artikel 4.3 Niet meewerken ouder(s) of jeugdige
Als de ouder(s) en/of jeugdige naar het oordeel van het college niet of onvoldoende meewerken, kan de omvang van de benodigde ondersteuning niet worden vastgesteld en kan door het college worden besloten geen individuele voorziening te verstrekken, een lagere omvang vast te stellen of een eerder toegekende individuele voorziening in te trekken.
Na afloop van het onderzoek stelt het college een plan van aanpak op. Dit plan bevat een schriftelijke weergave van het uitgevoerde onderzoek en het bijbehorende gesprek. Het college verstrekt het plan van aanpak aan de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger. Opmerkingen of latere aanvullingen van hun kant worden als bijlage aan het plan toegevoegd.
Artikel 6 Criteria voor toekenning van een individuele voorziening
Een jeugdige en/of zijn ouders kunnen slechts in aanmerking komen voor een door het college verleende individuele voorziening als het college van oordeel is dat:
De jeugdige en/of zijn ouders jeugdhulp nodig hebben in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen van de jeugdige, tenzij de jeugdige naar het oordeel van het college gezond en veilig kan opgroeien naar zelfstandigheid, voldoende zelfredzaam is en voldoende kan participeren en;
Als een individuele voorziening noodzakelijk is, verstrekt het college in het kader van doelmatigheid de goedkoopst adequate tijdig beschikbare voorziening. Daarbij houdt het college rekening met de prijs, kwaliteit, nabijheid en beschikbaarheid. Als jeugdige of ouders zelf kiezen voor een duurdere, maar ook passende voorziening, komen de meerkosten voor hun eigen rekening.
Een individuele voorziening jeugdhulp wordt toegekend als de inzet van de voorziening doeltreffend geacht kan worden. De doeltreffendheid beoordeelt het college door vast te stellen of de individuele voorziening of interventie wezenlijk bijdraagt aan het oplossen van de hulpvraag en wordt gewerkt met een bewezen effectieve interventie en nooit met een bewezen niet effectieve interventie. Het college kan hiervoor gebruik maken van de NJI Databank Effectieve jeugdinterventies, Richtlijnen Jeugdhulp en GGZ standaarden.
In situaties waarbij ouders begeleiding, behandeling of ondersteuning ten gevolge van maatschappelijke of eigen psychische of relationele problemen nodig hebben en er naar het oordeel van het college geen sprake is van een hulpvraag als bedoeld in deze verordening, komt een jeugdige of ouder niet in aanmerking voor een door het college te verlenen individuele voorziening als bedoeld in deze verordening.
Artikel 6.1 Specifieke criteria voor Vervoer
Alleen als de afstand van een enkele reis tussen het woon- of verblijfadres van de jeugdige en de locatie van de jeugdhulpaanbieder meer dan zes kilometer bedraagt, komt een vervoersvoorziening in aanmerking. De afstand wordt berekend via de kortste, veilige route op basis van de ANWB-routeplanner, ongeacht het daadwerkelijk gebruikte vervoermiddel of route.
Artikel 6.2 Specifieke criteria voor dyslexie
Er is sprake van ernstige dyslexie als volgens het meest actuele Protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling (PDDB) een diagnose is gesteld, waarbij er geen andere oorzaken zijn gevonden die de hardnekkige en ernstige lees- en eventueel spellingsproblematiek kunnen verklaren. Deze problematiek belemmert het dagelijks functioneren en kan alleen met specialistische hulp worden verbeterd.
Artikel 6.3 Specifieke criteria voor vaktherapie
De noodzaak voor vaktherapie moet blijken uit een inhoudelijk onderbouwd advies van een behandelaar van de jeugdhulpaanbieder of een medewerker van het sociaal team. Dit advies maakt onderdeel uit van het plan van aanpak of behandelplan en komt tot stand in samenspraak met de jeugdige en/of zijn ouder(s).
Het maximaal aan uren behandeling dat vergoed wordt door de gemeente is 15. Als de jeugdige of zijn ouder(s) aanvullend verzekerd zijn, wordt het maximaal aantal uren behandeling dat via de aanvullende zorgverzekering wordt vergoed, afgetrokken van het aantal benodigde uren dat via de gemeente wordt vergoed. De jeugdige of zijn ouder(s) zijn verplicht deze informatie aan het college te verstrekken.
Artikel 6.4 Kinderopvang en buitenschoolse opvang
Reguliere kinderopvang en reguliere buitenschoolse opvang is geen vorm van jeugdhulp.
Artikel 6.5 Behandeling bij complexe scheidingsproblematiek
Het college kan een individuele voorziening toekennen voor behandeling van complexe scheidingsproblematiek, wanneer uit onderzoek blijkt dat de ontwikkeling van het tot het gezin behorende minderjarige kind ernstig wordt belemmerd of bedreigd als gevolg van de scheidingssituatie. Dit moet zich uiten in psychische problematiek of een aanmerkelijke kans daarop.
De behandeling is niet bedoeld als omgangsbemiddeling tussen ouders. De focus ligt op het verbeteren van het welzijn van het kind en het verminderen van de ontwikkelingsbelemmeringen die voortkomen uit de scheidingsproblematiek. Verbetering van de onderlinge omgang tussen ouders kan onderdeel zijn van de aanpak, maar mag niet het primaire doel van de behandeling vormen.
Wanneer een rechtbank in het kader van een procedure over gezag of omgang het wenselijk acht dat een behandeling wordt ingezet, kan zij – in overleg met ouders en zorgaanbieder – het college verzoeken een dergelijke voorziening toe te kennen. Het college beoordeelt dit verzoek op inhoud en passendheid. Alleen als beide ouders of, waar relevant, het kind instemt en het college van oordeel is dat de behandeling passend is, kan een individuele voorziening worden toegekend.
Artikel 6.6 Afstemming met andere voorzieningen en wettelijke kaders
Het college stemt de jeugdhulp die een jeugdige of ouder nodig heeft af op voorzieningen, ondersteuning en wettelijke kaders die geboden worden op grond van:
Het college voorkomt tegenstrijdige inzet van voorzieningen, ondersteunt jeugdigen en ouders actief bij toegang tot andere voorzieningen en waarborgt de continuïteit van zorg wanneer meerdere voorzieningen tegelijk noodzakelijk zijn.
Artikel 8 Persoonsgebonden budget (pgb)
Als een jeugdige en/of ouders in aanmerking komen voor een individuele voorziening en de ondersteuning zelf wenst in te kopen door middel van een pgb, toetst het college of voldaan wordt aan de in de wet opgenomen voorwaarden. De jeugdige en/of ouders dient daarvoor een budgetplan in. In het budgetplan is in elk geval opgenomen:
De persoon aan wie een pgb wordt verstrekt kan de jeugdhulp betrekken van een persoon die behoort tot het sociaal netwerk voor zover:
De persoon die met het pgb betaald wordt, beschikt over een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) die niet ouder is dan drie maanden bij aanvang van de zorgovereenkomst en gedurende de hulpverlening niet ouder dan drie jaar, waaruit blijkt dat er geen bezwaren zijn voor de uitoefening van diens functie. Ouder(s) zijn uitgesloten van deze eis.
Het college acht de budgethouder of budgetbeheerder in beginsel niet pgb-vaardig als:
Hij niet tevens uitvoerder is van de ondersteuning die met het pgb wordt ingekocht of geen financiële relatie heeft met de uitvoerder van de ondersteuning, tenzij dit gezien de situatie van de cliënt of jeugdige, de aard van de ingekochte ondersteuning en de waarborgen waarmee een verantwoorde besteding en verantwoording van het pgb is omgeven, naar het oordeel van het college passend wordt bevonden;
Artikel 8.2 Onderscheid formele en informele hulp
Formele hulp betreft jeugdhulp verleend door personen die:
Werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de uit het pgb te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) als zijnde beroepsmatig werkzaam op het terrein van de Jeugdwet, die voldoet aan kwaliteitseisen zoals die ook gelden voor door de gemeente gecontracteerde aanbieders en artikel 8.4 van deze verordening en die beschikt over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken;
Aangemerkt zijn als zelfstandige zonder personeel en de beschikking hebben over een Beschikking geen loonheffingen (BGL). Daarnaast moeten ze ten aanzien van de uit het pgb te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) als zijnde beroepsmatig werkzaam op het terrein van de Jeugdwet, voldoen aan de kwaliteitseisen opgenomen in hoofdstuk 4 van de Jeugdwet en artikel 8.4 van deze verordening en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken.
Artikel 9.1 Herziening, intrekking en terugvordering
Degene aan wie krachtens deze verordening een individuele voorziening is verstrekt, is verplicht op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling te doen van feiten en omstandigheden waarvan hen redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een individuele voorziening.
Indien het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a, heeft ingetrokken of herzien en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van degene die opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens heeft verschaft geheel of gedeeltelijk de ten onrechte genoten individuele voorziening of het ten onrechte genoten pgb vorderen.
Artikel 9.3 Rechtmatigheid en doelmatigheid
Artikel 10 Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering
Het college bedingt bij de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde aanbieders van preventie, jeugdhulpaanbieders of Gecertificeerde Instellingen dat zij het verlenen van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering alleen aan derden uitbesteden als zij die derden daarvoor een reële prijs betalen, die tot stand is gekomen met gebruikmaking van de kostprijselementen bedoeld in het eerste lid.
Het college stelt een regeling vast voor de afhandeling van klachten van jeugdigen, ouders en hun wettelijk vertegenwoordigers die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen, verzoeken en aanvragen zoals bedoeld in deze verordening.
Artikel 11.1 Inspraak en medezeggenschap
Het college stelt cliënten en vertegenwoordigers van cliëntgroepen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.
Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt jaarlijks geëvalueerd door eenmaal per jaar de uitkomsten van de monitoring van het beleid met de gemeenteraad te delen. Het streven is om dit ieder tweede kwartaal te delen na afloop van het kalenderjaar waarop de evaluatie betrekking heeft.
Het college kan jaarlijks per 1 januari de in het kader van deze verordening geldende bedragen verhogen of verlagen.
Artikel 12.2 Hardheidsclausule
Het college kan van de bepalingen in deze verordening afwijken voor zover de toepassing ervan, gelet op het belang dat deze regeling beoogt te beschermen, leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Bezwaarschriften gericht tegen besluiten die zijn genomen vóór de inwerkingtreding van deze verordening, worden behandeld volgens de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Midden-Delfland 2024, die voor de betreffende zaak haar rechtskracht behoudt. Indien toepassing van deze verordening leidt tot een gunstiger uitkomst voor de jeugdige of zijn ouder(s), wordt dit in heroverweging meegenomen.
Aldus besloten door de raad in zijn openbare vergadering van 27 januari 2026,
de griffier,
Arjan de Vos
de burgemeester,
Fenna Noordermeer-van Slageren
Bijlage 1 Overzicht van ontwikkelingstaken, opvoedingsopgaven en ‘normale’ uitdagingen.
Onderstaand levensloopmodel uit ‘Opgroeien en opvoeden’ van het NJI, is niet uitputtend maar geeft voorbeelden van ontwikkelingstaken en opvoedingsopgaven die kenmerkend zijn voor de verschillende leeftijdsgroepen. Vaak begint de ontwikkeling al in een eerdere fase, maar staat het in het schema in de fase waarin dit het meeste speelt.
Toelichting Verordening jeugdhulp Midden-Delfland 2026
Deze verordening geeft uitvoering aan de Jeugdwet. Er wordt bekeken wat redelijkerwijs verwacht mag worden van de jeugdige en zijn sociale netwerk, vervolgens zal waar nodig de gemeente in aanvulling hierop hem in staat stellen gebruik te maken van een algemene voorziening of – als dat niet volstaat – een individuele voorziening. Voor de Jeugdwet geldt dat de ondersteuning niet alleen de jeugdige zelf ondersteunt maar er ook zorg voor draagt dat het probleemoplossend vermogen van het gezin wordt versterkt.
De Jeugdwet en deze verordening leggen veel bevoegdheden bij het college. De uitvoering hiervan zal echter in de regel namens het college gedaan worden (in mandaat) door deskundige consulenten, ambtenaren of bijvoorbeeld aanbieders. Waar in deze verordening en in de Jeugdwet ‘het college’ staat, kan het college deze bevoegdheid namelijk mandateren aan ondergeschikten dan wel niet-ondergeschikten op grond van de algemene regels van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).
Artikel 2 Vormen van jeugdhulp
Allereerst komen de algemene voorzieningen aan bod. Dit zijn laagdrempelige vormen van ondersteuning waarvoor geen beschikking nodig is. Ze zijn bedoeld om problemen vroegtijdig te signaleren, lichtere hulp te bieden en zo mogelijk te voorkomen dat zwaardere jeugdhulp nodig is. Voorbeelden hiervan zijn de jeugdgezondheidszorg, opvoedcursussen, trainingen en advies. Ook scholen spelen een rol, doordat de gemeente soms collectieve ondersteuning organiseert binnen het onderwijs. Verder is er onafhankelijke clientondersteuning, zodat ouders en jongeren hulp krijgen bij het vinden van de juiste zorg. Deze voorzieningen zijn breed toegankelijk, gericht op preventie en het versterken van gezinnen, en vormen vaak de eerste stap voordat er overgegaan wordt op een individuele voorziening.
Artikel 2.1 regelt de individuele voorzieningen wanneer algemene voorzieningen niet toereikend zijn. Dit zijn vormen van jeugdhulp die speciaal worden afgestemd op de situatie van een jeugdige en/of gezin en waarvoor altijd een besluit van de gemeente nodig is. Het gaat bijvoorbeeld om (hoog)specialistische hulp bij complexe problemen of om ambulante begeleiding en opvoedondersteuning thuis en in de omgeving. Daarnaast zijn er voorzieningen die ingrijpen in acute of ernstige situaties, zoals crisishulp, crisisopvang en intramurale voorzieningen. Ook worden meer specialistische of aanvullende vormen van zorg geboden, zoals vaktherapie, dyslexiezorg en, via landelijke afspraken, landelijke specialistische jeugdhulp. Voor toegang tot dyslexiezorg is er een Poortwachter die de dossiers beoordeelt.
Artikel 3 Toegang tot jeugdhulp
In artikel 2.6, eerste lid, onderdeel g, van de Jeugdwet is geregeld dat, naast de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp, ook de directe verwijzingsmogelijkheid door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar de jeugdhulp blijft bestaan. Dit laatste geldt zowel voor de vrij- toegankelijke (overige) voorzieningen als de niet vrij- toegankelijke (individuele) voorzieningen. Met een dergelijke verwijzing kan de jeugdige rechtstreeks aankloppen bij de jeugdhulpaanbieder. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder (bijvoorbeeld de jeugdpsychiater, de gezinswerker of orthopedagoog) zijn die na de verwijzing (stap 1) beoordeelt welke jeugdhulp precies nodig is. Deze bepaalt in overleg met de jeugdige of ouder daadwerkelijk de concrete inhoud, vorm, omvang en duur van de benodigde jeugdhulp. Deze aanbieder stelt dus feitelijk vast wat naar zijn oordeel de inhoud van de benodigde voorziening dient te zijn en hij zal zijn oordeel mede baseren op de protocollen en richtlijnen die voor een professional de basis van zijn handelen vormen (stap 2). Als de jeugdige of zijn ouders dit wensen òf in het uitzonderlijke geval dat het college een besluit neemt dat afwijkt van het oordeel van de jeugdhulpaanbieder, legt het college de te verlenen maatwerkvoorziening (in de Jeugdwet genoemd: individuele voorziening), dan wel het afwijzen daarvan, vast in een beschikking aan de jeugdige of zijn ouders. Op die manier wordt de jeugdige en zijn ouders de benodigde rechtsbescherming geboden en wordt voorkomen dat het college talloze beschikkingen moet afgeven die hetzelfde luiden als hetgeen de jeugdige of zijn ouders naar het oordeel van de jeugdhulpaanbieder nodig hebben.
Verder kan verwezen worden naar jeugdhulp via een besluit van de rechter of een andere justitiële instantie (bijvoorbeeld bij een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering). In die gevallen is de gemeente alleen verantwoordelijk voor de financiering van de hulp die valt binnen de contracten of subsidies die met jeugdhulpaanbieders zijn afgesproken. De Gecertificeerde Instelling (GI) overlegt in alle gevallen samen met het sociaal team om de uitvoering van de hulp goed af te stemmen. Bij spoedhulp (via het Crisis Interventie Team) legt het maatschappelijke team het besluit over de hulp binnen maximaal vier weken vast in een beschikking.
Tot slot kunnen ouders en/of jeugdigen zich zelf melden bij de gemeente voor jeugdhulp. Zij kunnen dit doen via een vast aanvraagformulier (ook digitaal). Het sociaal team onderzoekt dan samen met het gezin wat er speelt, welke hulp nodig is en wat ouders en jeugdige zelf of met hun netwerk kunnen doen. Als er professionele hulp nodig blijkt, wordt eerst gekeken of een algemene voorziening voldoende is. Mocht zwaardere hulp nodig zijn, dan beslist het sociaal team namens de gemeente over een individuele voorziening. Zij bepalen de aard, de duur en de omvang van de hulp en verwijzen door naar een passende jeugdhulpaanbieder. Dit besluit wordt altijd vastgelegd in een beschikking.
Wanneer een jeugdige of ouder een hulpvraag heeft, doet het sociaal team onderzoek. Dit gebeurt in gesprekken waarin samen met het gezin wordt gekeken: wat is precies de hulpvraag, wat is de onderliggende problematiek, welke hulp is nodig en in welke omvang? Daarbij wordt ook bekeken wat het gezin zelf kan doen (eigen kracht), of er algemene voorzieningen passend zijn, of dat een individuele voorziening nodig is.
Tijdens het onderzoek wijst de gemeente op de mogelijkheid van een vertrouwenspersoon en gratis cliëntondersteuning. Ook wordt uitgelegd hoe het proces verloopt, welke rechten en plichten er zijn en of de hulp in natura of met een persoonsgebonden budget (pgb) kan worden geleverd. Soms kan de gemeente een deskundige om advies vragen. Belangrijk is dat degene die de hulp uitvoert, nooit ook beslist of de hulp moet worden toegekend.
Daarnaast geldt dat eerst gekeken wordt naar de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van ouders en jeugdigen. Ouders hebben een wettelijke zorgplicht en worden geacht zoveel mogelijk zelf voor hun kinderen te zorgen, ook bij ziekte of beperkingen. Van ouders wordt verwacht dat zij hun mogelijkheden benutten, bijvoorbeeld door werktijden aan te passen, verlof op te nemen, kinderopvang te gebruiken of het sociale netwerk in te zetten.
Een individuele voorziening wordt alleen verstrekt als eigen kracht onvoldoende is. Dat kan bijvoorbeeld als ouders overbelast raken. Overbelasting kan zich uiten in klachten zoals spanning, depressie, lichamelijke of emotionele klachten of gedragsproblemen. De gemeente onderzoekt dan of de overbelasting vooral te maken heeft met de zwaarte van de zorg of met de draagkracht van de ouder zelf. Soms kan kortdurende hulp worden ingezet om overbelasting te voorkomen of te verminderen.
Artikel 6 Criteria voor een individuele voorziening
Artikel 6 beschrijft de voorwaarden waaronder een jeugdige of ouder(s) in aanmerking kunnen komen voor een individuele voorziening. De kern is dat individuele jeugdhulp alleen wordt ingezet wanneer lichtere vormen van hulp (zoals eigen mogelijkheden, sociaal netwerk of algemene voorzieningen) onvoldoende zijn. Het college beoordeelt steeds of de hulp noodzakelijk, passend en effectief is.
Artikel 6.1 bepaalt dat een voorziening alleen wordt toegekend als er daadwerkelijk jeugdhulp nodig is, andere voorzieningen niet passend zijn, en de gekozen hulp effectief bijdraagt aan de oplossing. Daarbij kiest het college voor de goedkoopst adequate voorziening. Kosten voorafgaand aan een melding worden niet vergoed, behalve bij spoed. Verder bepaalt artikel 6.2 dat ouders in principe zelf verantwoordelijk zijn voor het vervoer van hun kind. Alleen als dit door medische of psychosociale redenen echt niet mogelijk is en het netwerk dit niet kan overnemen, kan het college een vervoersvoorziening toekennen, onder voorwaarden (zoals afstand en beschikbaarheid OV).
Artikel 6.3 gaat in op de voorwaarden voor dyslexie behandeling. Bij ernstige dyslexie, vastgesteld volgens het landelijke protocol, vergoedt de gemeente diagnostiek en behandeling via gecontracteerde aanbieders, mits aan alle voorwaarden is voldaan. Als geen ernstige dyslexie blijkt, worden alleen de onderzoekskosten vergoed. In artikel 6.4 gaat het over vaktherapie en wanneer dit ingezet kan worden. Dit is alleen wanneer ze aantoonbaar bijdragen aan de behandeling en geen alternatief beschikbaar is. Verder moet vaktherapie altijd plaatsvinden onder verantwoordelijkheid van een regiebehandelaar en door een gekwalificeerd therapeut.
Artikel 6.6 gaat in op jeugdhulp bij complexe scheidingsproblematiek. Deze behandeling kan worden toegekend als de ontwikkeling van een kind ernstig wordt bedreigd door een scheiding. Alleen erkende of evidence-informed programma’s komen in aanmerking, met als doel het verminderen van de problemen bij het kind, niet omgangsbemiddeling tussen ouders.
Tot slot wordt het afstemmen met andere voorzieningen geregeld in artikel 6.7. Het college zorgt dat jeugdhulp goed aansluit op andere wettelijke regelingen (zoals Wmo, passend onderwijs, Zvw, Wlz). Daarbij staat continuïteit van zorg en het voorkomen van overlap centraal. Ook wordt nadrukkelijk gekeken naar de overgang naar volwassenenzorg rond de 18e verjaardag.
Dit artikel beschrijft wat er altijd in een beschikking moet staan wanneer een jeugdige of ouder(s) een individuele voorziening krijgen toegewezen. Een beschikking geeft duidelijkheid over de vorm, inhoud en voorwaarden van de hulp.
Artikel 8 Persoonsgebonden budget (pgb)
Het persoonsgebonden budget (pgb) geeft jeugdigen en ouders de mogelijkheid om zelf jeugdhulp in te kopen in plaats van gebruik te maken van zorg in natura via een aanbieder die door de gemeente is gecontracteerd. Het biedt keuzevrijheid en maatwerk, maar vraagt ook verantwoordelijkheid.
Artikel 8.1 regelt welke voorwaarden verbonden zijn aan een pgb. Zo moet er een budgetplan opgesteld worden waar duidelijk in moet staan hoe de taken rond het pgb verantwoord worden uitgevoerd, welke hulp wordt ingekocht, bij wie en tegen welke kosten, en hoe de kwaliteit is gewaarborgd. Hierin is ook opgenomen dat bepaalde kosten uitgesloten zijn uit het pgb zoals bemiddeling, administratie, reiskosten van de hulpverlener en crisishulp. Verder kan de hulp ook bij iemand worden ingekocht uit het sociaal netwerk (informele hulp), maar daarbij gelden extra voorwaarden, zoals een VOG en de garantie dat de hulpverlener niet overbelast raakt.
Artikel 8.2 gaat in op de pgb-vaardigheden. Het pgb vraagt van de budgethouder (jeugdige/ouders) dat hij of zij in staat is het pgb goed te beheren. Dat betekent onder meer dat er overzicht is van de hulpvraag, dat men de administratie kan voeren, afspraken kan vastleggen, kwaliteit kan beoordelen en zorgverleners kan aansturen. Wanneer er sprake is van bijvoorbeeld schulden, verslaving, fraude, ernstige psychische of verstandelijke problematiek, of onvoldoende taalvaardigheid, dan kan het college besluiten dat iemand niet pgb-vaardig is. Het uitgangspunt is dat het pgb alleen verstrekt wordt als de budgethouder het verantwoord kan beheren, eventueel met hulp vanuit het netwerk of via een budgetbeheerder.
Artikel 8.4 regelt de kwaliteitseisen bij een pgb. Iedere uitvoerder van jeugdhulp via een pgb moet voldoen aan basis-kwaliteitseisen: juiste deskundigheid, administratie, respecteren van privacy, werken volgens een plan, melding van incidenten en samenwerking met toezicht. Voor formele hulpverleners gelden daarnaast extra eisen zoals het werken volgens professionele standaarden, kwaliteitsbewaking en de meldcode huiselijk geweld/kindermishandeling. Informele hulp mag alleen worden ingezet als deze verantwoord en passend is, en niet als de situatie vraagt om formele professionele hulp.
Tot slot regelt artikel 8.5 de hoogte van het pgb voor formele en informele hulp. Voor formele hulp: 100% van het laagste passende tarief dat de gemeente in natura betaalt. Voor informele hulp: vergoeding op basis van het wettelijk minimumloon inclusief vakantiegeld. De tarieven worden jaarlijks geïndexeerd (meestal met loon- en prijsontwikkeling) en kunnen worden aangepast als de hulp goedkoper kan worden ingekocht. De gemeente legt de tarieven jaarlijks vast in nadere regels en maakt ze openbaar.
Artikel 9 Herziening en bestrijding misbruik
Het college van houdt toezicht op het gebruik van individuele voorzieningen en persoonsgebonden budgetten (pgb) om te zorgen dat deze rechtmatig, doelmatig en kwalitatief goed worden ingezet. Zowel formele als informele zorgverleners moeten meewerken aan aangekondigde en onaangekondigde controles.
Gebruikers van voorzieningen of pgb’s zijn verplicht om het college te informeren over feiten of omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de toekenning. Het college kan een beschikking wijzigen, herzien of intrekken als blijkt dat onjuiste of onvolledige informatie is verstrekt, de voorziening niet langer nodig of toereikend is, de jeugdige in een zorginstelling verblijft, of de voorwaarden niet worden nageleefd. Bij opzettelijk verkeerd gebruik kan het ten onrechte ontvangen budget geheel of gedeeltelijk worden teruggevorderd, en betalingen via de Sociale Verzekeringsbank tijdelijk worden opgeschort.
Daarnaast neemt het college maatregelen om fraude te voorkomen en de kwaliteit van voorzieningen en pgb’s te waarborgen. Dit omvat samenwerking met andere organisaties, onderzoek bij aanbieders, afspraken over facturatie en accountantscontroles, periodieke controles van indicaties, bezoeken aan cliënten, monitoring van pgb-gebruik en een grondige toetsing vooraf bij de verstrekking van een pgb.
Artikel 10 Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering
Dit artikel borgt dat de gemeente bij de inkoop en subsidiering van voorzieningen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Jeugdwet zorgt voor een goede verhouding tussen prijs en kwaliteit, en dat de geleverde ondersteuning voldoet aan duidelijke en toetsbare kwaliteitseisen.
Een reële prijs is een wettelijke verplichting en volgt uit artikel 2.12 Jeugdwet en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Tarieven moeten zodanig worden vastgesteld dat aanbieders in staat zijn om kwalitatief goede ondersteuning te leveren en aan alle wettelijke en contractuele eisen te voldoen. Bij de bepaling van tarieven houdt het college daarom rekening met de aard en omvang van de te verrichten taken, cao-schalen, overheadkosten, non-productieve uren (zoals ziekte, scholing en verlof), bijscholing, cliëntgebonden en niet-cliëntgebonden kosten en indexering. Door deze kostprijselementen structureel mee te wegen, wordt voorkomen dat tarieven worden vastgesteld onder de feitelijke kostprijs. Dit is cruciaal voor het waarborgen van continuïteit, stabiliteit en professionaliteit van de ondersteuning.
Het college verlangt daarnaast dat aanbieders bij onderaanneming of uitbesteding eveneens een reële prijs hanteren. Hiermee wordt voorkomen dat werkzaamheden worden doorgelegd tegen onrealistisch lage tarieven die de kwaliteit en arbeidsvoorwaarden onder druk zetten. Deze bepaling sluit aan bij landelijke inkoopkaders en de jurisprudentie over reële tarieven.
Naast de prijs-kwaliteitverhouding bevat dit artikel ook bepalingen over de kwaliteitseisen waaraan aanbieders en voorzieningen moeten voldoen. Het college contracteert of subsidieert alleen aanbieders die voldoen aan de wettelijke en sectorspecifieke kwaliteitseisen en, waar van toepassing, beschikken over een keurmerk of certificering. Wanneer aanbieders onderaannemers inzetten, blijft de hoofdaanbieder volledig verantwoordelijk voor de naleving van deze eisen. Ook moet de aanbieder ervoor zorgen dat personeel en vrijwilligers over de vereiste deskundigheid, vaardigheden en bevoegdheden beschikken.
Het college houdt actief toezicht op de naleving van deze kwaliteitseisen, onder andere via periodieke en steekproefsgewijze onderzoeken. Zo kan tijdig worden ingegrepen wanneer de kwaliteit onder de norm dreigt te komen. Daarnaast kan het college kwaliteitseisen stellen aan hulpverleners die ondersteuning leveren via een pgb, zodat ook daar veiligheid, doelmatigheid en kwaliteit worden geborgd.
Met dit artikel wordt uitvoering gegeven aan de gemeentelijke verantwoordelijkheid voor het borgen van kwalitatief verantwoorde, doelmatige en duurzame ondersteuning, en wordt invulling gegeven aan de wettelijke verplichting tot het hanteren van reële tarieven. De bepalingen dragen bij aan een stabiele en transparante zorgmarkt, eerlijke arbeidsvoorwaarden en betrouwbare ondersteuning voor inwoners.
Artikel 11 Klachten en medezeggenschap
Artikel 12 Overgangsrecht en slotbepalingen
Het gemeentebestuur evalueert jaarlijks het gevoerde beleid door de uitkomsten van de monitoring te delen met de gemeenteraad, bij voorkeur ieder tweede kwartaal na afloop van het betreffende kalenderjaar. Daarnaast kan het college jaarlijks per 1 januari de in deze verordening genoemde bedragen aanpassen door indexering.
Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de verordening als strikte toepassing zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Tot slot behouden jeugdigen en ouders hun lopende voorzieningen die waren toegekend op basis van de vorige verordening (2024) totdat het college een nieuw besluit heeft genomen.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-219287.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.