U bekijkt een publicatie met

Toon versie van document

Ontwerpbesluit "Omgevingsplanwijziging - project IKC Het Veen"

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nieuwkoop heeft het ontwerp van het "Omgevingsplan gemeente Nieuwkoop"vrijgegeven voor de terinzagelegging. 

Artikel I

"Omgevingsplan gemeente Nieuwkoop" opgenomen in Bijlage A wordt als ontwerp vrijgegeven.

Artikel II

Van de terinzagelegging, de termijn voor terinzagelegging en de mogelijkheid om te reageren wordt kennis gegeven in het gemeenteblad.

Artikel III

"Omgevingsplanwijziging - project IKC Het Veen" heeft betrekking op de locaties van sporthal De Ringkant (Hazeweg 1-1A) en de voormalige basisschool De Wegwijzer (Ambroziolaan 32) in Nieuwveen. 

De voorgenomen wijziging van het omgevingsplan is bedoeld om de bouw van een integraal kindcentrum (IKC) met bijbehorende buitenruimte mogelijk te maken. In een IKC werken organisaties samen aan onderwijs, opvang, opvoeding en ondersteuning voor kinderen van 0 tot 13 jaar. Ook functioneert het IKC als een ontmoetingsplek voor inwoners uit het dorp.

Aldus besloten door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nieuwkoop op 4 mei 2026.

College van burgemeester en wethouders van de gemeente Nieuwkoop

Bijlage A Bijlage bij artikel I

A

Na hoofdstuk 20 wordt een hoofdstuk ingevoegd, luidende:

Hoofdstuk 21 PROJECTGEBONDEN REGELS

Titel 21.1 GENERIEKE BEPALINGEN

Afdeling 21.1.1 ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 21.1 Activiteiten

Dit hoofdstuk gaat over:

  • a.

    het gebruiken van gronden en bouwwerken;

  • b.

    het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken;

  • c.

    milieubelastende activiteiten als bedoeld in de bijlage bij de Omgevingswet;

  • d.

    het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden;

  • e.

    het slopen van gebouwen en andere bouwwerken;

binnen de projecten in de gemeente Nieuwkoop die benoemd zijn in de titels van dit hoofdstuk van het omgevingsplan. 

Artikel 21.2 Waar deze titel geldt

De regels van deze titel gelden in het 'Gebied projectgebonden regels Gemeente Nieuwkoop', bestaande uit alle gebieden waar de titels uit dit hoofdstuk gelden.

Artikel 21.3 Toepasselijkheid regels van rijkswege

Op de titels uit dit hoofdstuk zijn de regels uit hoofdstuk 22 van toepassing, tenzij in de regels van dit hoofdstuk anders is bepaald.

Artikel 21.4 Voorrangsbepaling regels van rijkswege
  • 1.

    De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van subparagraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing, voor zover die regels in strijd zijn met regels in titel 21.2 en volgende titels van dit hoofdstuk. 

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid is subparagraaf 22.2.7.3 niet van toepassing, als in titel 21.2 en volgende titels van dit hoofdstuk expliciet is bepaald dat subparagraaf 22.2.7.3niet van toepassing is.

  • 3.

    De regels in afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan:

    • a.

      een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet onherroepelijke omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit;

    • b.

      een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en na de inwerkingtreding van die wet onherroepelijk wordt.

     

Artikel 21.5 Voorrangsbepaling ten opzichte van tijdelijk deel omgevingsplan

De besluiten als bedoeld in artikel 22.1, onder a van de Omgevingswet, voor zover het gaat om de besluiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m van de Invoeringswet Omgevingswet, zijn niet van toepassing.

Artikel 21.6 Aanvraagvereisten omgevingsplanactiviteit: uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid op grond van een regel in dit hoofdstuk

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of een werkzaamheid worden gegevens en bescheiden verstrekt over:

  • a.

    de te gebruiken materialen;

  • b.

    de mate waarin sprake is van afvoer van grond naar een andere locatie;

  • c.

    de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan aan het verrichten van de activiteit; en

  • d.

    voor zover dat in dit hoofdstuk is bepaald: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld.

Artikel 21.7 Beoordelingsregels
  • 1.

    Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

  • 2.

    In afwijking van artikel 22.29  eerste lid, kan de omgevingsvergunning, bedoeld in dat lid, ook worden verleend, als de activiteit in strijd is met de in dit hoofdstuk gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, mits voldaan wordt aan de voorwaarden voor toepassing van dit lid.

Afdeling 21.1.2 OVERGANGSRECHT
Artikel 21.8 Nieuwe vergunningplicht

Als een activiteit zonder ontheffing of vergunning onafgebroken rechtmatig is verricht en als gevolg van een wijziging van dit omgevingsplan voor die activiteit een verbod als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet van toepassing wordt, geldt voor die activiteit bij de inwerkingtreding van die wijziging van het omgevingsplan een omgevingsvergunning van rechtswege, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals die werd verricht voor de inwerkingtreding van die wijziging van het omgevingsplan.

Artikel 21.9 Overgangsrecht gebruik
  • 1.

    Het gebruik van grond en bouwwerken dat als gevolg van een wijziging van het omgevingsplan in strijd is met het plan en bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van die wijziging, mag worden voortgezet.

  • 2.

    Het is verboden het met het omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, als door deze verandering de afwijking naar aard of omvang wordt vergroot.

  • 3.

    Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip als bedoeld in het eerste lid voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

  • 4.

    Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het omgevingsplan zoals dat luidde voorafgaand aan het tijdstip, bedoeld in het eerste lid, met inbegrip van de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 21.10 Overgangsrecht bestaande bouwwerken
  • 1.

    Een bouwwerk dat als gevolg van een wijziging van het omgevingsplan afwijkt van het plan en op het tijdstip van inwerkingtreding van die wijziging aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit 'bouwwerken', mag, mits deze afwijking naar aard of omvang niet wordt vergroot:

    • a.

      in stand worden gehouden;

    • b.

      gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;

    • c.

      na het tenietgaan als gevolg van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit 'bouwwerken' wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar aanwezig of in uitvoering zijn op het tijdstip, bedoeld in het eerste lid, maar die zijn gebouwd zonder de daarvoor benodigde vergunning en in strijd met het omgevingsplan zoals dat luidde voorafgaand aan het tijdstip, bedoeld in het eerste lid, met inbegrip van de overgangsbepalingen van dat plan.

Afdeling 21.1.3 GERESERVEERD
Artikel 21.11 Gereserveerd

De gereserveerde artikelen zijn gekoppeld aan de Locatie 'Gereserveerd'

Artikel 21.12 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.13 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.14 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.15 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.16 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.17 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.18 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.19 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.20 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.21 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.22 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.23 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.24 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.25 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.26 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.27 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.28 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.29 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.30 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.31 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.32 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.33 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.34 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.35 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.36 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.37 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.38 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.39 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.40 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.41 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.42 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.43 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.44 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.45 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.46 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.47 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.48 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.49 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.50 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.51 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.52 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.53 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.54 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.55 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.56 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.57 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.58 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.59 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.60 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.61 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.62 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.63 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.64 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.65 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.66 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.67 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.68 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.69 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.70 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.71 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.72 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.73 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.74 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.75 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.76 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.77 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.78 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.79 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.80 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.81 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.82 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.83 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.84 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.85 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.86 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.87 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.88 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.89 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.90 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.91 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.92 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.93 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.94 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.95 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.96 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.97 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.98 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.99 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.100 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Titel 21.2 IKC HET VEEN

Afdeling 21.2.1 GENERIEKE BEPALINGEN
Artikel 21.101 Waar deze titel geldt

De regels van deze titel gelden ter plaatse van het Projectgebied - IKC Het Veen, tenzij is bepaald dat een regel slechts in een gedeelte van dat gebied geldt.

Artikel 21.102 Begripsbepalingen IKC Het Veen
  • 1.

    Begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet,  zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op titel 21.2 van dit omgevingsplan.

  • 2.

    Voor de toepassing van titel 21.2 wordt verstaan onder:

    • a.

      ondergeschikte bouwdelen: delen van het gebouw die niet behoren tot de hoofdmassa en ten opzichte van de hoofdmassa van mindere betekenis zijn, zoals plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, luchtkokers, wolfseinden, dakkapellen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken;

    • b.

      peil: het peil voor dit specifieke project is 4,12 m onder NAP;

    • c.

      sportactiviteiten: alle activiteiten binnen een recreatief of professioneel kader, die fysieke kracht of vaardigheid vereisen en worden gespeeld of uitgeoefend volgens regels.

Artikel 21.103 Meet- en rekenbepalingen IKC Het Veen

Voor de toepassing van titel 21.2 gelden de volgende meet- en rekenbepalingen:

  • a.

    de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of ander bouwwerk, met uitzondering van ondergeschikte bouwdelen en luchtbehandelingsinstallaties;

  • b.

    de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken dan wel de beëindiging van een overkapping of in voorkomend geval het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;

  • c.

    de afstand tot de bouwperceelsgrens: tussen de grens van het bouwperceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kleinst is;

  • d.

    luchtbehandelingsinstallaties: luchtbehandelingsinstallaties met een oppervlakte van maximaal 5% van het dakoppervlak van het gebouw worden buiten beschouwing gelaten, tenzij sprake is van een hoogteoverschrijding van meer dan 1,50 m;

  • e.

    ondergeschikte bouwdelen: ondergeschikte bouwdelen worden buiten beschouwing gelaten, tenzij sprake is van een overschrijding van meer dan 0,75 m.

Afdeling 21.2.2 GEBRUIK VAN GRONDEN EN BOUWWERKEN
Artikel 21.104 Toegestaan gebruik
  • 1.

    In het gebied 'Maatschappelijk - IKC Het Veen' mogen gronden en bouwwerken alleen worden gebruikt voor:

    • a.

      onderwijs en kinderopvang;

    • b.

      het verenigingsleven en andere sociaal-maatschappelijke voorzieningen; en

    • c.

      het uitoefenen van sportactiviteiten.

  • 2.

    In het gebied 'Verkeer - IKC Het Veen' mogen gronden alleen worden gebruikt voor wegen, straten, pleinen, voet- en fietspaden en parkeerterreinen en mogen bouwwerken een functie hebben die hiermee in overeenstemming is.

  • 3.

    Voorzieningen die horen bij de in het eerste en tweede lid genoemde gebruiksdoeleinden, zoals groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen en wegen en paden zijn ook toegestaan.

Afdeling 21.2.3 BOUWEN VAN BOUWWERKEN
Artikel 21.105 Hoofdgebouw

Voor het bouwen van het hoofdgebouw gelden de volgende regels:

  • a.

    het hoofdgebouw wordt alleen gebouwd binnen het Bouwvlak - IKC Het Veen;

  • b.

    de bouwhoogte van het hoofdgebouw bedraagt niet meer dan 9 m.

Artikel 21.106 Bijgebouwen

Voor het bouwen van bijgebouwen gelden de volgende regels:

  • a.

    per bouwperceel bedraagt de totale oppervlakte van alle bijgebouwen gezamenlijk maximaal 150 m2;

  • b.

    de bouwhoogte van bijgebouwen bedraagt niet meer dan 3 m.

Artikel 21.107 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a.

    per bouwperceel bedraagt de totale oppervlakte van alle overkappingen gezamenlijk maximaal 100 m2;

  • b.

    de bouwhoogte bedraagt niet meer dan:

    • 1.

      2 m voor erf- en perceelsafscheidingen;

    • 2.

      3 m voor overkappingen;

    • 3.

      8 m voor licht- en vlaggenmasten;

    • 4.

      4 m voor overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Artikel 21.108 Voldoende parkeergelegenheid

Er wordt voorzien in de aanleg van minimaal 73 parkeerplaatsen, waarvan 30 ingericht kunnen worden als parkeerplaats enkel bedoeld voor gebruik tijdens piekmomenten.

Artikel 21.109 Vergunningvoorschriften

Aan de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 22.26, kunnen voorschriften worden verbonden over de plaats en afmeting van de bebouwing, indien dit noodzakelijk is:

  • a.

    ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken;

  • b.

    ter waarborging van de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving;

  • c.

    ter waarborging van de verkeersveiligheid en de parkeergelegenheid;

  • d.

    ter waarborging van de sociale veiligheid;

  • e.

    ter waarborging van de brandveiligheid en rampenbestrijding.

Artikel 21.110 Aanvraagvereisten archeologie
  • 1.

    Tot de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 22.35, behoort in elk geval een rapport waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.

  • 3.

    Het eerste lid is alleen van toepassing op bouwwerken die:

    • a.

      een oppervlakte hebben van meer dan 2.500 m2; en

    • b.

      de bodem verstoren tot een diepte van meer dan 50 cm.

Artikel 21.111 Beoordelingsregel archeologie
  • 1.

    De omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 22.26, wordt alleen verleend, als:

    • a.

      de archeologische waarde niet wordt geschaad;

    • b.

      schade kan worden voorkomen of beperkt door aan de omgevingsvergunning voorschriften te verbinden als bedoeld in artikel 21.112.

  • 2.

    Bij de beoordeling of wordt voldaan aan de voorwaarden bedoeld in het eerste lid, betrekt het bevoegd gezag het rapport bedoeld in artikel 21.110eerste lid.

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.

  • 4.

    Het eerste lid alleen van toepassing op bouwwerken die:

    • a.

      een oppervlakte hebben van meer dan 2.500 m2; en

    • b.

      de bodem verstoren tot een diepte van meer dan 50 cm.

Artikel 21.112 Vergunningvoorschriften archeologie
  • 1.

    Aan een omgevingsvergunning die wordt verleend met toepassing van artikel 21.111eerste lid, onder b, worden in ieder geval voorschriften verbonden met het oog op het voorkomen of beperken van schade aan de archeologische waarde.

  • 2.

    Deze voorschriften kunnen gericht zijn op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door een archeologisch deskundige.

Afdeling 21.2.4 UITVOEREN VAN EEN WERK, GEEN BOUWWERK ZIJNDE, OF VAN WERKZAAMHEDEN
Artikel 21.113 Aanwijzing activiteiten

Deze afdeling gaat over de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden:

  • a.

    het verlagen van de bodem of het afgraven van gronden;

  • b.

    het aanleggen, vergraven, verruimen, baggeren of dempen van sloten, vijvers en andere wateren;

  • c.

    grondbewerkingen, waaronder het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen;

  • d.

    het aanleggen van oppervlakteverhardingen;

  • e.

    het planten of rooien van bomen en diepwortelende struiken;

  • f.

    het verrichten van grondophogingen tot een hoogte van ten minste 2 m;

  • g.

    het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het anderszins indrijven van voorwerpen;

  • h.

    het aanbrengen van ondergrondse kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.

  • i.

    het verlagen of verhogen van het waterpeil.

Artikel 21.114 Vergunningplicht
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning de activiteiten bedoeld in artikel 21.113 te verrichten.

  • 2.

    Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor:

    • a.

      werken en werkzaamheden die op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit artikel reeds rechtmatig in uitvoering zijn;

    • b.

      werken en werkzaamheden die ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd;

    • c.

      werken en werkzaamheden die gerekend worden tot onderhoud en vervanging van bestaande bestratingen en beplantingen;

    • d.

      werken en werkzaamheden binnen de tracés van bestaande kabels en leidingen.

  • 3.

    Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt alleen voor werken en werkzaamheden die:

    • a.

      worden uitgevoerd over een oppervlakte van meer dan 2.500 m2; en

    • b.

      de bodem verstoren tot een diepte van meer dan 50 cm.

  • 4.

    Voor zover het gaat om werken en werkzaamheden als bedoeld in artikel 21.113, onderdeel f of i, is onderdeel b van het derde lid niet van toepassing.

Artikel 21.115 Aanvraagvereisten archeologie

Tot de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 21.6, behoort in elk geval een rapport waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld.

Artikel 21.116 Beoordelingsregels
  • 1.

    De omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 21.114, wordt verleend, als:

    • a.

      de archeologische waarde niet wordt geschaad;

    • b.

      schade kan worden voorkomen of beperkt door aan de omgevingsvergunning voorschriften te verbinden als bedoeld in artikel 21.117.

  • 2.

    Bij de beoordeling of wordt voldaan aan de voorwaarden bedoeld in het eerste lid, betrekt het bevoegd gezag het rapport, bedoeld in artikel 21.115.

Artikel 21.117 Vergunningvoorschriften archeologie
  • 1.

    Aan een omgevingsvergunning die wordt verleend met toepassing van artikel 21.116eerste lid, onder b, worden in ieder geval voorschriften verbonden met het oog op het voorkomen of beperken van schade aan de archeologische waarde. 

  • 2.

    De voorschriften kunnen gericht zijn op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de werkzaamheden door een archeologisch deskundige.

Afdeling 21.2.5 GERESERVEERD
Artikel 21.118 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.119 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.120 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.121 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.122 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.123 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.124 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.125 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.126 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.127 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.128 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.129 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.130 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.131 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.132 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.133 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.134 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.135 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.136 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.137 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.138 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.139 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.140 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.141 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.142 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.143 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.144 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.145 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.146 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.147 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.148 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.149 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.150 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.151 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.152 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.153 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.154 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.155 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.156 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.157 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.158 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.159 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.160 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.161 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.162 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.163 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.164 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.165 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.166 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.167 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.168 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.169 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.170 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.171 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.172 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.173 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.174 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.175 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.176 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.177 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.178 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.179 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.180 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.181 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.182 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.183 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.184 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.185 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.186 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.187 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.188 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.189 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.190 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.191 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.192 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.193 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.194 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.195 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.196 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.197 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.198 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.199 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 21.200 Gereserveerd

[Gereserveerd]

B

Hoofdstuk 21 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 21

[Gereserveerd]

[Vervallen]

C

Na het lichaam wordt een bijlage ingevoegd, luidende:

D

Na sectie ' Begripsbepalingen' worden 57 secties ingevoegd, luidende:

Titel 21.1 GENERIEKE BEPALINGEN

Titel 21.1 van het projecthoofdstuk bevat een aantal algemene regels die van toepassing zijn op alle andere (inhoudelijke) titels die in dit hoofdstuk staan. Elk van de titels 21.2 en verder bevat de regels voor een specifiek project.

Voor een aantal onderwerpen is het wenselijk dat deze op een uniforme manier geregeld worden en niet in elke titel afzonderlijk worden opgenomen om het risico op fouten te verminderen en eenduidigheid in de regels te houden.

De artikelen worden per titel uitgegeven in blokken van 100 artikelen, beginnend bij 21.1 tot en met 21.100 voor de eerste titel. Ongebruikte artikelen staan op ‘gereserveerd’ om nummering in andere titels op een logische manier door te laten lopen en vernummeringen van procedures te voorkomen. De nog niet gebruikte artikelnummers aan het eind van een titel worden telkens ondergebracht in één afzonderlijke afdeling, die dus uitsluitend gereserveerde artikelnummers bevat.

Artikel 21.1 Activiteiten

Dit artikel bevat een opsomming van alle (tot nu toe) relevante activiteiten uit de voormalige bestemmingsplannen. Hier kunnen in de toekomst activiteiten aan toegevoegd worden, als dat voor een project nodig blijkt.

Artikel 21.2 Waar deze titel geldt

Het werkingsgebied van dit hoofdstuk bestaat uit de samengestelde werkingsgebieden van de verschillende titels.  

Artikel 21.3 Toepasselijkheid regels van rijkswege

De regels van de bruidsschat zijn van toepassing, tenzij anders bepaald.

Artikel 21.4 Voorrangsbepaling regels van rijkswege

Dit artikel geeft duidelijkheid over de verhouding van de regels van dit hoofdstuk met andere regels.

Artikel 21.4 lid 1

De bruidsschatregels uit afdelingen 22.2 en 22.3 zijn NIET van toepassing als in de betreffende titels van hoofdstuk 21 iets anders geregeld is. In die gevallen gaan de regels van hoofdstuk 21 dus voor op de bruidsschat. 

Artikel 21.4 lid 2

De algemene voorrang van de titels in dit hoofdstuk geldt niet voor subparagraaf 22.2.7.3 die het vergunningvrij bouwen regelt. Die regels blijven gelden naast / boven de bepalingen uit de regels uit hoofdstuk 21, titel 2 en verder, tenzij expliciet is opgenomen dat deze regels niet van toepassing zijn. Dit laatste kan zich voordoen in gebieden die functioneel tot een erf zouden kunnen behoren, maar waar vergunningvrije bebouwing uitgesloten is (vergelijkbaar met ‘tuin – onbebouwd’ in bestemmingsplannen).

Artikel 21.4 lid 3

Het derde lid regelt dat de regels over milieubelastende activiteiten uit de bruidsschat niet van toepassing zijn, wanneer een omgevingsvergunning voor het onderdeel milieu is verleend of is aangevraagd vóór 1 januari 2024.  

Artikel 21.5 Voorrangsbepaling ten opzichte van tijdelijk deel omgevingsplan

Deze bepaling regelt (voor zover noodzakelijk) dat het nieuwe deel van het omgevingsplan voorrang heeft op het tijdelijk deel van het omgevingsplan (voormalige bestemmingsplannen).

Artikel 21.6 Aanvraagvereisten omgevingsplanactiviteit: uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid op grond van een regel in dit hoofdstuk

Dit artikel bevat de aanvraagvereisten voor aanlegvergunningen op basis van het nieuwe deel van het omgevingsplan. Deze regels zijn inhoudelijk gelijk aan de aanvraagvereisten die zijn opgenomen in de bruidsschat. De bruidsschatregels verwijzen echter expliciet naar aanlegvergunningenstelsels die zijn opgenomen in het tijdelijk deel van het omgevingsplan (voormalige bestemmingsplannen). In dit artikel zijn zowel de algemene aanvraagvereisten voor een aanlegvergunning geregeld, als ook de specifieke vereisten voor aanlegvergunningen vanwege archeologische waarden.

Artikel 21.7 Beoordelingsregels

In dit artikel staat naast de anti-dubbeltelbepaling alleen een tijdelijke regel voor een extra mogelijkheid om een omgevingsvergunning te kunnen verlenen.

Artikel 21.7 lid 1

Het eerste lid bevat de anti-dubbeltelbepaling, zoals die in de voormalige bestemmingsplannen was opgenomen. Kort gezegd voorkomt deze regel dat het bebouwde oppervlak groter wordt dan beoogd als gevolg van het in aanmerking nemen van dezelfde stukken grond bij achtereenvolgende aanvragen om omgevingsvergunning.

Artikel 21.7 lid 2

In artikel 22.29eerste lid, aanhef en onder a, is bepaald dat voor zover de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, de omgevingsvergunning alleen wordt verleend als de activiteit niet in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken. De andere titels van dit hoofdstuk bevatten laatstgenoemde regels, die bijvoorbeeld een maximum stellen aan de bouwhoogte en de oppervlakte van het bouwwerk of het gebruik van het bouwwerk. Dit tweede lid regelt dat ook bij strijd met die regels een omgevingsvergunning kan worden verleend. In tegenstelling tot artikel 22.29eerste lid, gaat het hierbij niet om een gebonden beschikking, maar is er een mogelijkheid voor het bevoegd gezag om een omgevingsvergunning te verlenen. Dit is vergelijkbaar met de mogelijkheid om af te wijken van de regels van bestemmingsplannen op grond van artikel 2.12, eerste lid, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Het college van burgemeester en wethouders kan slechts in vooraf door de gemeenteraad bepaalde gevallen een omgevingsvergunning verlenen met toepassing van dit lid. Die gevallen zijn omschreven in andere regels in de andere titels van dit hoofdstuk van het omgevingsplan. In die regels wordt verwezen naar dit lid.

Artikel 21.8 Nieuwe vergunningplicht

Dit artikel regelt dat voor activiteiten, waarvoor een nieuwe vergunningplicht wordt ingevoerd, van rechtswege een vergunning ontstaat, voor zover deze activiteiten rechtmatig worden uitgevoerd en ongewijzigd worden voortgezet.

Artikel 21.9 Overgangsrecht gebruik

Dit artikel regelt het overgangsrecht voor het gebruik. Dit overgangsrecht is niet persoonsgebonden en illegaal gebruik is uitgesloten van het overgangsrecht (geen legaliserende werking). Deze regeling is inhoudelijk gelijk aan de regeling die nu is opgenomen in het tijdelijk deel van het omgevingsplan.

Artikel 21.9 lid 1

De regel in het eerste lid zorgt ervoor dat iemand die rechtmatig zijn gronden en bouwwerken gebruikt voor bepaalde gebruiksdoelen, niet ineens in overtreding is als gevolg van een nieuw verbod op die gebruiksdoelen. Het bestaande gebruik blijft toegestaan.

Artikel 21.9 lid 2

Ander strijdig gebruik is alleen aanvaardbaar als de strijdigheid niet wordt vergroot.

Artikel 21.9 lid 3

De nieuwe regels over het gebruik van gronden en bouwwerken beogen een overgang naar andere gebruiksdoelen. Als de gronden en bouwwerken langer dan een jaar niet meer worden gebruikt voor de verboden doeleinden, dan vervalt het recht op voortzetting van het bestaande gebruik. Enige leegstand bij bijvoorbeeld een verhuizing of verbouwing is vaak onvermijdelijk en geen reden om het recht op het rechtmatige bestaande gebruik te verliezen. Bij langdurige en structurele stopzetting van de activiteiten kan moeilijk nog gesproken worden over bestaande activiteiten en is het redelijk om te verwachten dat de nieuwe regels over het gebruik van gronden en bouwwerken worden toegepast.

Artikel 21.9 lid 4

Er gaat geen legaliserende werking uit van dit artikel. Als het al verboden was om de gronden en bouwwerken te gebruiken voor de bestaande doeleinden, dan is er niet ineens toestemming door het eerste lid. Of de bestaande gebruiksactiviteiten rechtmatig worden verricht, blijkt niet altijd uit de voorgaande gebruiksregels. Het kan zijn dat het voorgaande overgangsrecht van toepassing was op de bestaande activiteiten en die activiteiten op grond van dat overgangsrecht rechtmatig worden verricht.

Artikel 21.10 Overgangsrecht bestaande bouwwerken

Dit artikel regelt het overgangsrecht voor bouwwerken en heeft alleen betrekking op legale bouwwerken (geen legaliserende werking). Deze regeling is inhoudelijk gelijk aan de regeling die nu is opgenomen in het tijdelijk deel van het omgevingsplan, met de expliciete toevoeging dat de betreffende bebouwing in stand mag worden gehouden. Deze toevoeging is gedaan naar aanleiding van rechterlijke uitspraken, waarin werd vastgesteld dat dit niet expliciet geregeld was.

Ten opzichte van de bestaande regelingen in het tijdelijk deel omgevingsplan is de regeling voor eenmalige afwijkingen tot 10% geschrapt. Juist bij projectmatige ontwikkelingen is er sprake van een overgangssituatie, waarbij de intentie en verwachting is dat deze maar kort zal duren. De hele planvorming is juist gericht op het mogelijk maken van een nieuwe ontwikkeling. Om die reden is het ook niet wenselijk dat er via de overgangsbepalingen ruimte geboden zou worden aan het vergroten of intensiveren van de bestaande situatie.

Artikel 21.10 lid 1

Het gaat zowel om bestaande bouwwerken als om bouwwerken in aanbouw of bouwwerken die nog gebouwd kunnen worden vanwege een reeds verleende vergunning. Die bouwwerken mogen blijven staan en ook verbouwd worden. In geval van een calamiteit (bijvoorbeeld brand of overstroming) is ook herbouw toegestaan, waarbij wel de voorwaarde wordt gesteld dat binnen twee jaar na de calamiteit een aanvraag om omgevingsvergunning wordt gedaan. Na afloop van die termijn is het redelijk om te verwachten dat de nieuwe bouwregels worden toegepast.

Artikel 21.10 lid 2

Er gaat geen legaliserende werking uit van dit artikel. Als het al verboden was om de bouwwerken te bouwen en in stand te houden, dan is er niet ineens toestemming door het eerste lid. Of de bestaande bouwwerken rechtmatig bestonden, blijkt niet altijd uit de voorgaande bouwregels. Het kan zijn dat het voorgaande overgangsrecht van toepassing was op de bestaande bouwwerken en die bouwwerken op grond van dat overgangsrecht rechtmatig aanwezig zijn.

Artikel 21.11 Gereserveerd

De Locatie 'Gereserveerd' is de locatie waar de gereserveerde artikelen aan gekoppeld worden. Hiermee wordt voorkomen dat bij het raadplegen van plekinfo ook alle gereserveerde artikelen in het overzicht zichtbaar worden. 

Artikel 21.101 Waar deze titel geldt

De regels in titel 'IKC Het Veen' gelden alleen in het afgebakende projectgebied. Ze hebben geen werking buiten dit gebied.

Artikel 21.102 Begripsbepalingen IKC Het Veen

De begripsbepalingen van deze titel staan in dit artikel en niet in hoofdstuk 1.

Artikel 21.102 lid 1

In het eerste lid van dit artikel zijn de begripsbepalingen van de Omgevingswet en het Omgevingsbesluit, het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en de Omgevingsregeling van toepassing verklaard op titel 21.2 van dit omgevingsplan. Het gaat om een zogenaamde statische verwijzing. Dat betekent dat latere wijzigingen van de begrippen in de Omgevingswet of de AMvB’s geen invloed hebben op de betekenis van de begrippen in titel 21.2.

Artikel 21.102 lid 2

Het tweede lid van dit artikel bevat een uitleg van een drietal begrippen die voorkomen in de regels van titel 21.2. Voor de definitie van peil is voor een vaste maat gekozen van 4,12 meter onder NAP. Deze maat komt overeen met de hoogte van het gemiddelde afgewerkte maaiveld in de nieuwe situatie. 

Artikel 21.103 Meet- en rekenbepalingen IKC Het Veen

Dit artikel legt een aantal meet- en rekenbepalingen vast voor de toepassing van de regels van titel 21.2

In sub d is voor dit specifieke project een regeling opgenomen voor luchtbehandelingsinstallaties. Deze tellen niet mee voor de bouwhoogte van een bouwwerk, mits aan de gestelde voorwaarden wordt voldaan.

Artikel 21.104 Toegestaan gebruik

Dit is een rechtstreeks werkende regel. Het gebruik van gronden en bouwwerken voor andere planologische doeleinden is niet toegestaan.

Deze afdeling bevat bovendien regels over het gebruik van bouwwerken, waarnaar wordt verwezen in artikel 22.29, eerste lid, onder a. Bij de beoordeling van een aanvraag om omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit, zoals bedoeld in artikel 22.26, wordt dus getoetst aan de regels in deze afdeling.

Voor sportactiviteiten is een begripsbepaling opgenomen. Zie hiervoor artikel 21.102 met begripsbepalingen.

Het primaire gebruiksdoel vormen de maatschappelijke voorzieningen (school, kinderopvang) en de sportvoorzieningen. Het gebruik door de jeugdarts en de eigen bibliotheek van de school behoren tot de school en vallen dus onder onderdeel a. Het terrein naast de school kan passend worden ingericht met een speelplaats, perken, pleinen, parkeerplaatsen, voetpaden, bosjes, sloten en dergelijke. De Hazeweg en het Hazepad hebben hoofdzakelijk een verkeersfunctie.

Artikel 21.105 Hoofdgebouw

Het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken is vergunningplichtig gesteld in artikel 22.26. Bij de beoordelingsregels in artikel 22.29 wordt in het eerste lid, onder a, verwezen naar regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken in dit omgevingsplan. Deze afdeling bevat dergelijke regels.

Dit artikel stelt regels aan de situering van het hoofdgebouw op het perceel en aan de hoogte van dit gebouw. Deze regels zijn gebaseerd op de bouwenvelop in het stedenbouwkundig kader dat is vastgesteld voor de ontwikkeling van IKC Het Veen. Ze zijn afgestemd op de recentste bouwplannen voor het IKC.

Artikel 21.106 Bijgebouwen

Dit artikel gaat over bijgebouwen. De totale oppervlakte van de bijgebouwen van het IKC mag niet meer bedragen dan 150 m2. Er kunnen meerdere bijgebouwen met een kleinere oppervlakte worden gerealiseerd op het terrein van het IKC.

Artikel 21.107 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Dit artikel stelt regels aan bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Aan overkappingen, bijvoorbeeld boven fietsenstallingen, is een maximale oppervlaktemaat gekoppeld. Er kunnen meerdere overkappingen met een kleinere oppervlakte worden gerealiseerd op het terrein van het IKC.

Artikel 21.108 Voldoende parkeergelegenheid

Uit de inrichtingstekening behorende bij de vergunningsaanvraag moet blijken dat minimaal 73 parkeerplaatsen worden aangelegd. Zie paragraaf 4.3.4 van de motivering voor de berekening van dit aantal en de geplande wijze van uitvoering van deze parkeerplaatsen.

Artikel 21.109 Vergunningvoorschriften

Er kunnen specifieke situaties aan de orde zijn, waarin de regels over bouwwerken in artikel 21.105 en artikel 21.107 onvoldoende bescherming bieden aan de belangen waarvoor de regels zijn ingesteld. Daarom wordt een mogelijkheid geboden om zo nodig extra voorwaarden op te leggen aan de plaats en afmeting van de bebouwing. De regeling is vergelijkbaar met de mogelijkheid tot het stellen van nadere eisen als bedoeld in artikel 11.3 van het bestemmingsplan Kern Nieuwveen, Zevenhoven en Noordeinde. 

Artikel 21.110 Aanvraagvereisten archeologie

In dit artikel wordt nader gespecificeerd welke informatie aangeleverd moet worden in verband met toetsing aan de regels in het belang van de archeologische monumentenzorg. Om te kunnen beoordelen of de omgevingsvergunning kan worden verleend, moet kennis aanwezig zijn over de archeologische waarde van het betrokken terrein. Daarom moet bij een aanvraag om omgevingsvergunning informatie daarover worden aangeleverd. Het is aan het bevoegd gezag om te beoordelen of die informatie voldoende is voor het beoordelen van de aanvraag. Zo niet, dan wordt de aanvrager in de gelegenheid gesteld de gegevens en bescheiden aan te vullen, zie artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Het bevoegd gezag moet op basis van het rapport voldoende inzicht krijgen in de impact van de activiteit op de archeologische waarde van de betrokken locatie. Het is niet nodig dat de aanvrager altijd een nieuw rapport laat opstellen op basis van een archeologisch onderzoek. Het kan ook gaan om bestaande rapporten of een verklaring van een archeologisch deskundige namens de gemeente waaruit blijkt dat het opstellen van een nieuw rapport met daarin een beschrijving van de archeologische waarden van de betrokken locatie, niet nodig is. De gemeentelijke archeologische dienst kan deze eerste toets uitvoeren.

In een aantal gevallen hoeft de beoordeling in verband met de archeologische monumentenzorg niet te gebeuren. Het zijn gevallen waarbij op voorhand vaststaat dat de archeologische waarde niet kan worden geschaad, ofwel waarbij de lasten niet opwegen tegen de baten. De grenzen aan de oppervlakte en de diepte in de bodem zijn bepaald in het beleid voor de archeologische monumentenzorg.

Artikel 21.110 lid 2

Dit is een algemene uitzondering op de verplichting een archeologisch rapport aan te leveren. Zolang in de grond niets verandert, is op voorhand duidelijk dat er geen risico is voor (mogelijk) aanwezige archeologische resten. Een toetsing op het belang van de archeologische monumentenzorg kan dan achterwege blijven.

Artikel 21.110 lid 3

Alleen als het bouwwerk zowel een diepe bodemverstoring tot gevolg heeft als een zekere oppervlakte heeft, geldt de verplichting om een archeologisch rapport aan te leveren. Gelet op de archeologische verwachtingswaarde kan op voorhand worden gesteld dat kleinere bouwwerken of ondiepe verstoringen verenigbaar zijn met het belang van de archeologische monumentenzorg.

Artikel 21.111 Beoordelingsregel archeologie

Dit artikel bevat een beoordelingsregeling in verband met de archeologische monumentenzorg. In een aantal gevallen hoeft deze beoordeling niet te gebeuren. Het zijn gevallen waarbij op voorhand vaststaat dat de archeologische waarde niet kan worden geschaad, ofwel waarbij de lasten niet opwegen tegen de baten. De grenzen aan de oppervlakte en de diepte in de bodem zijn bepaald in het beleid voor de archeologische monumentenzorg.

Artikel 21.111 lid 1

De omgevingsvergunning kan in twee gevallen worden verleend. Als voor het bevoegd gezag vaststaat dat de archeologische waarde niet wordt geschaad, dan kan de bouw van het bouwwerk worden toegelaten. Ook als dit niet op voorhand vaststaat, is het mogelijk om de omgevingsvergunning te verlenen. In dat geval moeten voorschriften aan de omgevingsvergunning worden verbonden die ervoor zorgen dat schade wordt voorkomen of beperkt. Mogelijk kan door het stellen van eisen aan de locatie van het bouwwerk of aan wijze van bouwen schade worden voorkomen. Er wordt in het eerste lid gesproken over archeologische waarde en niet over afzonderlijke archeologische resten. Het kan voorkomen dat de vernietiging van bepaalde archeologische sporen niet of nauwelijks afbreuk doet aan de archeologische waarde en om die reden aanvaardbaar is, bijvoorbeeld omdat bepaalde archeologische resten veelvoorkomend zijn en het behoud ervan (in de bodem of daarbuiten na een opgraving) niet van wetenschappelijke betekenis is. Het kan ook voorkomen dat de bouw van het bouwwerk niet te verenigen is met het behoud van waardevolle resten in de bodem. Ook in dat geval kan de omgevingsvergunning worden verleend op grond van onderdeel b. In dat geval moet een opgraving opgelegd worden.

Artikel 21.111 lid 2

De archeologische waarde staat beschreven in het rapport dat bij de vergunningsaanvraag wordt gevoegd. Het tweede lid zorgt ervoor dat het bevoegd gezag expliciet moet aangeven hoe zijn beslissing zich verhoudt tot het archeologisch rapport.

Artikel 21.111 lid 3

Volgens het derde lid kan een toetsing op het belang van de archeologische monumentenzorg achterwege blijven bij bouwwerkzaamheden die niet gepaard gaan met verstoring van de bodem. Zolang in de grond niets verandert, is op voorhand duidelijk dat er geen risico is voor (mogelijk) aanwezige archeologische resten.

Artikel 21.111 lid 4

Alleen als het bouwwerk zowel een diepe bodemverstoring tot gevolg heeft als een zekere oppervlakte heeft, moet het belang van de archeologische monumentenzorg worden afgewogen. Gelet op de archeologische verwachtingswaarde kan op voorhand worden gesteld dat kleinere bouwwerken of ondiepe verstoringen verenigbaar zijn met het belang van de archeologische monumentenzorg.

Artikel 21.112 Vergunningvoorschriften archeologie

Deze regel maakt duidelijk dat het bevoegd gezag de belangen van de archeologische monumentenzorg zo nodig veiligstelt door voorschriften aan de omgevingsvergunning te verbinden.

Artikel 21.112 lid 1

Het eerste lid bevat de verplichting om voorschriften te verbinden aan de omgevingsvergunning, als dit nodig is om schade aan de archeologische waarde te voorkomen of te beperken. Alleen als uit het archeologisch rapport blijkt dat de bouw van het voorgenomen bouwwerk de archeologische waarde niet schaadt, kunnen voorschriften achterwege blijven. Zie voor uitleg over de archeologische waarde de toelichting bij artikel 21.111eerste lid. Hieruit volgt dat het kan voorkomen dat als gevolg van de bouw archeologische resten worden vernietigd en dit aanvaardbaar wordt geacht.

Artikel 21.112 lid 2

De voorschriften kunnen allerlei vormen aannemen. Per geval kunnen de voorschriften gericht zijn op behoud van archeologische resten in de bodem of juist op het doen van opgravingen. Zowel bij vastgestelde als bij te verwachten archeologische resten kan het nodig zijn de bouwwerkzaamheden te laten begeleiden door een archeologisch deskundige, zodat zo nodig de aanpak voor het behoud van de archeologische waarde kan worden bijgesteld.

Artikel 21.113 Aanwijzing activiteiten

In dit artikel worden de werken en werkzaamheden benoemd waarop deze afdeling van toepassing is. Het gaat om werken en werkzaamheden die de archeologische resten in de bodem kunnen beschadigen. Hiertoe worden in elk geval allerlei grondroerende werkzaamheden gerekend. Maar ook ophogingen kunnen door de verhoogde druk een negatief effect hebben op het behoud van archeologische resten. Hetzelfde geldt voor aanpassingen van het waterpeil. Verdroging of vernatting kan het behoud in gevaar brengen. In dit verband worden ook alle werkzaamheden rond watergangen aangewezen, naast het feit dat die werkzaamheden vaak gepaard gaan met het vergraven van de bodem. Heiwerkzaamheden en het slaan van damwanden hebben een bodemverstorend effect en zijn expliciet benoemd. Ten slotte kunnen bomen door hun wortels schade toebrengen aan archeologische resten, net als het aanleggen van allerhande ondergrondse infrastructuur.

De opsomming in dit artikel geeft aan welke werken en werkzaamheden in beginsel onder de werking van deze afdeling vallen. Dat betekent niet dat altijd een omgevingsvergunning benodigd is voor het realiseren van deze werken of uitvoeren van deze werkzaamheden.

Artikel 21.114 Vergunningplicht

Dit artikel bevat de vergunningplicht in verband met de archeologische monumentenzorg. In een aantal gevallen hoeft geen beoordeling te gebeuren. Het zijn gevallen waarbij op voorhand vaststaat dat de archeologische waarde niet kan worden geschaad, ofwel waarbij de lasten niet opwegen tegen de baten. De grenzen aan de oppervlakte en de diepte in de bodem zijn bepaald in het beleid voor de archeologische monumentenzorg.

Artikel 21.114 lid 1

Er is gekozen voor de vergunningplicht om het bevoegd gezag de situatie te kunnen laten beoordelen, voordat de werken en werkzaamheden worden uitgevoerd. De gevolgen kunnen onomkeerbaar zijn. Schade moet worden voorkomen. Vaak is extra onderzoek nodig om te kunnen bepalen of de werken en werkzaamheden aanvaardbaar zijn en zo ja, onder welke voorwaarden. Rechtstreeks werkende regels zijn hiervoor niet toereikend. Daarom stelt het eerste lid de uitvoering van de aangewezen werken en werkzaamheden vergunningplichtig.

Artikel 21.114 lid 2

Er geldt in een aantal gevallen altijd een vrijstelling van de vergunningplicht. Het eerste onderdeel zorgt ervoor dat werken in uitvoering niet ineens stilgelegd moeten worden op het moment van inwerkingtreding van de vergunningplicht. Dit is overigens alleen van belang voor werken en werkzaamheden die op grond van de voorgaande regeling nog niet vergunningplichtig waren. Werken en werkzaamheden die op grond van de voorgaande regeling vergunningplichtig waren en waarvoor een omgevingsvergunning is verleend, mogen worden uitgevoerd op grond van die vergunning. Dat hoeft hier niet expliciet in de regels gesteld te worden. Het tweede onderdeel stelt de werkzaamheden ten dienste van archeologisch onderzoek vrij van de vergunningplicht. Gelet op het oogmerk van de regels is het niet nodig die werken nog eens apart aan een beoordeling te onderwerpen. Bij onderhoud en vervanging van bestaande verhardingen en beplatingen is in principe alleen reeds geroerde grond betrokken. Hetzelfde geldt voor werken en werkzaamheden in bestaande leidingtracés. Daarom zijn die werkzaamheden uitgezonderd.

Artikel 21.114 lid 3

Alleen als de werken en werkzaamheden zowel een diepe bodemverstoring tot gevolg hebben als een zekere oppervlakte hebben, moet het belang van de archeologische monumentenzorg worden afgewogen. Gelet op de archeologische verwachtingswaarde kan op voorhand worden gesteld dat kleinere werken of ondiepe verstoringen verenigbaar zijn met het belang van de archeologische monumentenzorg.

Artikel 21.114 lid 4

Als het gaat om grondophogingen of het verlagen of verhogen van het waterpeil is geen sprake van een bodemverstoring gerelateerd aan een bepaalde diepte. Daarom geldt de vergunningplicht voor die werken altijd als de oppervlaktegrens wordt overschreden.

Artikel 21.115 Aanvraagvereisten archeologie

Om te kunnen beoordelen of de omgevingsvergunning kan worden verleend, moet kennis aanwezig zijn over de archeologische waarde van het betrokken terrein. Daarom moet bij een aanvraag om omgevingsvergunning informatie daarover worden aangeleverd. Het is aan het bevoegd gezag om te beoordelen of die informatie voldoende is voor het beoordelen van de aanvraag. Zo niet, dan wordt de aanvrager in de gelegenheid gesteld de gegevens en bescheiden aan te vullen, zie artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Het bevoegd gezag moet op basis van het rapport voldoende inzicht krijgen in de impact van de activiteit op de archeologische waarde van de betrokken locatie. Het is niet nodig dat de aanvrager altijd een nieuw rapport laat opstellen op basis van een archeologisch onderzoek. Het kan ook gaan om bestaande rapporten of een verklaring van een archeologisch deskundige namens de gemeente waaruit blijkt dat het opstellen van een nieuw rapport met daarin een beschrijving van de archeologische waarden van de betrokken locatie, niet nodig is. De gemeentelijke archeologische dienst kan deze eerste toets uitvoeren.

Artikel 21.116 lid 1

De omgevingsvergunning kan in twee gevallen worden verleend. Als voor het bevoegd gezag vaststaat dat de archeologische waarde niet wordt geschaad, dan kunnen de werken of werkzaamheden worden toegelaten. Ook als dit niet op voorhand vaststaat, is het mogelijk om de omgevingsvergunning te verlenen. In dat geval moeten voorschriften aan de omgevingsvergunning worden verbonden die ervoor zorgen dat schade wordt voorkomen of beperkt. Mogelijk kan door het stellen van eisen aan de locatie of wijze van uitvoering van de werken schade worden voorkomen. Er wordt in het eerste lid gesproken over archeologische waarde en niet over afzonderlijke archeologische resten. Het kan voorkomen dat de vernietiging van bepaalde archeologische sporen niet of nauwelijks afbreuk doet aan de archeologische waarde en om die reden aanvaardbaar is, bijvoorbeeld omdat bepaalde archeologische resten veelvoorkomend zijn en het behoud ervan (in de bodem of daarbuiten na een opgraving) niet van wetenschappelijke betekenis is. Het kan ook voorkomen dat de uitvoering van de werken of werkzaamheden niet te verenigen is met het behoud van waardevolle resten in de bodem. Ook in dat geval kan de omgevingsvergunning worden verleend op grond van onderdeel b. In dat geval moet een opgraving opgelegd worden.

Artikel 21.116 lid 2

De archeologische waarde staat beschreven in het rapport dat bij de vergunningsaanvraag wordt gevoegd. Het tweede lid zorgt ervoor dat het bevoegd gezag expliciet moet aangeven hoe zijn beslissing zich verhoudt tot het archeologisch rapport.

Artikel 21.117 Vergunningvoorschriften archeologie

Deze regel maakt duidelijk dat het bevoegd gezag de belangen van de archeologische monumentenzorg zo nodig veiligstelt door voorschriften aan de omgevingsvergunning te verbinden.

Artikel 21.117 lid 1

Het eerste lid bevat de verplichting om voorschriften te verbinden aan de omgevingsvergunning, als dit nodig is om schade aan de archeologische waarde te voorkomen of te beperken. Alleen als uit het archeologisch rapport blijkt dat de uitvoering van de voorgenomen werken of werkzaamheden de archeologische waarde niet schaadt, kunnen voorschriften achterwege blijven. Zie voor uitleg over de archeologische waarde de toelichting bij artikel 21.116eerste lid. Hieruit volgt dat het kan voorkomen dat als gevolg van de uitvoering van de werken archeologische resten worden vernietigd en dit aanvaardbaar wordt geacht.

Artikel 21.117 lid 2

De voorschriften kunnen allerlei vormen aannemen. Per geval kunnen de voorschriften gericht zijn op behoud van archeologische resten in de bodem of juist op het doen van opgravingen. Zowel bij vastgestelde als bij te verwachten archeologische resten kan het nodig zijn de uitvoering van de werkzaamheden te laten begeleiden door een archeologisch deskundige, zodat zo nodig de aanpak voor het behoud van de archeologische waarde kan worden bijgesteld.

Motivering

1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doel

Voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van een Integraal Kindcentrum (IKC) in Nieuwveen. In een IKC werken organisaties samen aan onderwijs, opvang, opvoeding en ondersteuning voor kinderen van 0 tot 13 jaar. Ook functioneert het IKC als een ontmoetingsplek voor inwoners uit het dorp. Per 1 augustus 2019 zijn de openbare basisschool De Tamboerijn en de katholieke basisschool St. Nicolaas na een fusietraject officieel samen een nieuwe school geworden: de samenwerkingsschool De Veenvogel. Nu zit De Veenvogel nog in twee gebouwen: van de oude basisschool Sint Nicolaas en de oude Wegwijzer. Basisschool de Veenvogel en Stichting Kinderopvang Liemeer krijgen een plek in het IKC en daarbij komt er een sportzaal en multifunctionele ruimte waar verschillende verenigingen gebruik van kunnen maken. 

De ontwikkeling van het IKC past niet binnen het omgevingsplan van rechtswege van de gemeente Nieuwkoop. Met deze wijziging van het omgevingsplan wordt de ontwikkeling in juridisch-planologische zin mogelijk gemaakt. 

1.2 Ligging plangebied

De locatie van het plangebied ligt in het woongebied van Nieuwveen, dat is gelegen in de gemeente Nieuwkoop. Het IKC zal gebouwd worden op de plek van sporthal De Ringkant en de voormalige Wegwijzer, ten noorden van het gebouw van de oude basisschool Sint Nicolaas. Het plangebied wordt ontsloten via de Hazeweg. Deze weg is verbonden met omliggende gemeentewegen, die via N-wegen zijn verbonden met omliggende dorpen van de gemeente. In zuidelijke richting leiden deze N-wegen naar De A12 richting Gouda-Utrecht. In noordwestelijke richting naar De A44-A4 richting Amsterdam en Den Haag. De gemeente Nieuwkoop ligt in het polderlandschap binnen de Randstad. 

afbeelding binnen de regeling
Afbeelding 1.1: Ligging van het plangebied. Voor de exacte begrenzing wordt verwezen naar het gebied 'IKC Nieuwveen' in het Omgevingsloket. Bron: Google Maps
afbeelding binnen de regeling
Afbeelding 1.2: Globale ligging van het plangebied. Het plangebied is rood omcirkeld. Bron: Google Maps

 

1.3 Omgevingsplan Gemeente Nieuwkoop

1.3.1 Algemeen

De huidige regels staan in het omgevingsplan van de gemeente Nieuwkoop, zoals dat van rechtswege tot stand is gekomen op 1 januari 2024. Op die datum trad de Omgevingswet in werking. In het omgevingsplan komen alle gemeentelijke regels over de fysieke leefomgeving bijeen te staan. Alle gemeenten werken toe naar één omgevingsplan. Daarvoor hebben ze de tijd tot 2032. Tot die tijd bestaat het omgevingsplan uit de voormalige bestemmingsplannen, kaarten en regels over bodem en een verzameling voormalige rijksregels. Daarnaast zijn er nog gemeentelijke verordeningen met regels over de fysieke leefomgeving.

1.3.2 Voormalig bestemmingsplan

Ter plaatse van het plangebied vigeert het bestemmingsplan ‘Kern Nieuwveen, Zevenhoven en Noordeinde’, vastgesteld op 15 december 2016 dat per 1 januari 2024 automatisch onderdeel is van het tijdelijk omgevingsplan van de gemeente Nieuwkoop.

Bestemmingsplan Kern Nieuwveen, Zevenhoven en Noordeinde

Op grond van het vigerende bestemmingsplan kent het plangebied de bestemming ‘sport’ met specifieke functieaanduiding ‘kinderdagverblijf’ en de bestemming ‘maatschappelijk’.  Het plangebied kent een algehele dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2'. Dit betekent dat er een verbod bestaat op het uitvoeren van (grond)werkzaamheden die dieper dan 50 cm en groter dan een totale oppervlakte van 2.500 m2 zijn. Ook geldt er voor het rechter bouwvlak een maximum bebouwingspercentage van 70%, een maximale bouwhoogte van 8 meter en een maximale goothoogte van 4 meter. Het linker bouwvlak met de functieaanduiding 'kinderdagverblijf' heeft een maximale bouwhoogte van 9 meter. De openbare ruimte van het plangebied kent de bestemmingen 'verkeer' en 'groen'.

Gebiedsaanduiding Luchtvaartverkeerszone - 20ke

Ook geldt op het gehele plangebied de Gebiedsaanduiding 'Luchtvaartverkeerszone - 20ke'. Per 1 januari 2018 wordt dit aangeduid als 'LIB5'. Op gronden binnen deze contour gelden richtlijnen voor woningbouw die onderhevig zijn aan geluidsoverlast van de luchthaven Schiphol. Voorliggend planvoornemen voorziet niet in de realisatie van geluidgevoelige gebouwen in de vorm van woningen. In paragraaf 4.5 wordt het benodigd onderzoek naar Geluid uitgevoerd. 

afbeelding binnen de regeling
Afbeelding 1.3: Uitsnede bestemmingsplan 'Kern Nieuwveen, Zevenhoven en Noordeinde'.Bron: Omgevingsloket, regels op de kaart.
1.3.3 Voormalige rijksregels

Met het in werking treden van de Omgevingswet zijn veel regels uit onder meer het Activiteitenbesluit, Besluit omgevingsrecht, Bouwbesluit 2012 en de Woningwet in het tijdelijke omgevingsplan opgenomen. Deze voormalige rijksregels zijn opgenomen in hoofdstuk 1 (begripsbepalingen) en hoofdstuk 22 (inhoudelijke regels, ook aangeduid als de bruidsschat) van het omgevingsplan. De regels blijven van kracht, totdat de gemeente besluit deze te laten vervallen of te wijzigen.

1.3.4 Verordeningen met regels over de fysieke leefomgeving

In de gemeente Nieuwkoop is in de Algemene Plaatselijke Verordening een aantal regels opgenomen die gaan over de fysieke leefomgeving. Dit gaat bijvoorbeeld over standplaatsen voor marktkramen, geluidvoorschriften en behoudenswaardige bomen. In deze omgevingsplanwijziging blijven de regels uit de APV van toepassing. 

1.4 Aard van de omgevingsplanwijziging

Voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van IKC Het Veen. Voor de aanvraag van de omgevingsvergunning is een wijziging in het omgevingsplan van rechtswege noodzakelijk. De omgevingsplanwijziging maakt het mogelijk om één integraal centrum te realiseren met onderwijs, sport, opvang en recreatie. Door deze wijziging van het omgevingsplan komen de voormalige bestemmingsplannen binnen het plangebied 'IKC Het Veen' te vervallen. Ze worden vervangen door de regels in de titel 'IKC Het Veen' van het hoofdstuk 'Projectgebonden regels' van het omgevingsplan. De regels van de bruidsschat blijven intact. Ook de regels in de verordeningen blijven van toepassing naast het omgevingsplan. Deze wijziging van het omgevingsplan brengt daarin geen verandering.

1.5 Leeswijzer

De opzet en het vervolg van deze motivering is als volgt. In hoofdstuk 2 wordt de huidige en toekomstige situatie beschreven. Hoofdstuk 3 gaat in op het ruimtelijk beleidskader. In hoofdstuk 4 komen de verschillende milieu- en omgevingsaspecten aan bod. Hierbij worden per thema de relevante juridische en beleidskaders beknopt weergegeven, waarna vervolgens de effecten in relatie tot de beoogde toekomstige situatie worden beoordeeld (inclusief alle bijbehorende onderzoeken). In het vijfde hoofdstuk komt de regelmethodiek aan de orde. De wijze waarop met kostenverhaal en participatie is omgegaan komen in het laatste hoofdstuk aan de orde.  

2 Planbeschrijving

2.1 Bestaande situatie

Het plangebied ligt in het dorp Nieuwveen in de gemeente Nieuwkoop. Aan het Hazepad, de Hazeweg en het Rugstreeppad staan op dit moment drie gebouwen: Sportzaal De Ringkant, het gebouw van de voormalige basisschool De Wegwijzer en het gebouw van de voormalige  basisschool Sint Nicolaas. Ten noorden van het plangebied bevindt zich de Hogendijk. Vanaf deze weg bevindt zich de oude lintbebouwing van Nieuwveen. Het plangebied bevindt zich in een rustige woonwijk met woningen die tussen de jaren '60 en '90 zijn gebouwd. Het plangebied grenst aan de oostzijde aan de achtertuinen van de rij woningen Ambroziolaan 20 tot en met 30. In het zuidoosten sluit het plan aan op de zijkant van de woningen Ambroziolaan 27 en Mollerit 26.

De bebouwing van de basisscholen bestaat uit één bouwlaag met een verharde buiten(speel)plaats. De voormalige Wegwijzer heeft een oppervlakte van 776 m2 en de voormalige Sint Nicolaas heeft een oppervlakte van 1117 m2.  Op de pleinen staan speeltoestellen en ze zijn groen ingericht met beplantingen en bomen. De sportzaal bestaat uit één hoge bouwlaag en bedraagt circa 1400 m2. De zaal beschikt over kleedruimtes en 36 parkeerplaatsen. Deze worden gebruikt door onder andere personeel van de basisschool. Vrijwel alle bebouwing heeft een verouderde uitstraling en dateert uit de jaren '70.

Op onderstaande afbeeldingen wordt de bestaande situatie van het plangebied weergegeven. Op afbeelding 2.1 tot en met 2.4 zijn de gebouwen in de huidige situatie van het plangebied weergegeven.

afbeelding binnen de regeling
Afbeelding 2.1: Bestaande situatie basisschool de Veenvogel (vml. St. Nicolaas) vanaf de HazewegBron: Google Maps
afbeelding binnen de regeling
Afbeelding 2.2: Bestaande situatie basisschool de Veenvogel (vml. St. Nicolaas) vanaf de HazewegBron: Google Maps
afbeelding binnen de regeling
Afbeelding 2.3: Bestaande situatie Zalencentrum de Ringkant vanaf de Hazeweg.Bron: Google Maps
afbeelding binnen de regeling
Afbeelding 2.4: Bestaande situatie basisschool de Veenvogel (vml. Wegwijzer) vanaf de Ambroziolaan.Bron: Google Maps

2.2 Planvoornemen

2.2.1 Inleiding

Voorgenomen ontwikkeling bestaat uit de realisatie van een integraal kindcentrum (IKC) dat bestaat uit een basisschool, opvang, ontmoetingsplek, sportzaal en multifunctionele ruimte voor o.a. verenigingen uit de omgeving. Op afbeelding 2.5 is de stedenbouwkundige invulling weergegeven. Te zien is op welke manier de bebouwing en de openbare ruimte worden gesitueerd. Het IKC wordt met een wandelpad aangesloten op de Hazeweg. Dit pad leidt naar het schoolplein van het IKC. Er wordt een parkeerplaats gerealiseerd ter vervanging van de huidige parkeerplaatsen aan de Ringkant. Dit parkeerterrein kan op drukke momenten worden uitgebreid met een flexibel parkeerterrein. 

Vanaf de andere kant is het IKC bereikbaar via de Ambroziolaan. Deze route is gericht op fietsende en wandelende kinderen van en naar school en beperkt met de auto toegankelijk. 

afbeelding binnen de regeling
Afbeelding 2.5: Inrichtingstekening IKC Het Veenmarnix tavenier mxt landschappen, april 2026
2.2.2

Uitgangspunten programma

Het programma voor het IKC bestaat uit een gebouw voor een basisschool, peuter- en kinderopvang, sportzaal, multifunctionele ruimte met buitenruimte, ruimte voor fietsparkeerplaatsen en parkeerplaatsen. Op afbeelding 2.6 is de indeling van het programma weergegeven. 

afbeelding binnen de regeling
Afbeelding 2.6: Programma bebouwing IKC Het Veen

Parkeren

Samen met het nieuwe gebouw wordt de buitenruimte opnieuw ingericht. Er komt een parkeerplaats met 22 parkeerplaatsen in betontegels. Voor de piekmomenten komt er gelegenheid om te parkeren in het verlengde van de parkeerplaats op het sport- en speelterrein. De vier parkeerplaatsen aan het einde van de Ambrozialaan worden verplaatst. Ook langs de Hazeweg komt nieuwe parkeergelegenheid.

Groen, water en landschap

Circa 35% van het plangebied heeft een groene invulling. Deze invulling wordt gezien als waardevol. In het plangebied staat een beschermwaardige boom, die niet zonder ontheffingen en alleen bij aantoonbaar gevaar voor de omgeving gekapt kan worden. Er is een Bomen Effect Analyse (BEA) opgesteld, waaruit is gebleken dat de boom op deze locatie behouden blijft. 

In de grasstrook van het fietspad (zie afbeelding 2.7) staan bloembollen. Deze worden behouden in de voorgenomen ontwikkeling, of teruggebracht op een andere locatie in het plangebied. Aan de achterzijde van het gebied ligt een sloot. Deze staat in verbinding met het water langs de Hazeweg. De sloot wordt iets verlengd en verbreed.

afbeelding binnen de regeling
Afbeelding 2.7: Groenstructuur plangebied

Ontsluiting

Het plangebied is vanaf verschillende kanten bereikbaar. Voor auto’s is de meest voor de hand liggende ontsluitingsweg de Hazeweg naar het noorden (Oude Nieuwveenseweg) via de N231 richting Amsterdam en naar het zuiden (Roggeveldweg/Laan der Verwondering) via de N231 richting Nieuwkoop. Daarnaast loopt er door het plangebied een fietsverbinding.

3 Ruimtelijk beleidskader

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Omgevingswet

Zoals eerder is aangegeven, is de Omgevingswet de grondslag voor het opstellen van voorliggende motivering bij de omgevingsplanwijziging. De Omgevingswet bundelt en moderniseert de wetten voor de fysieke leefomgeving. Hierbij gaat het onder andere om wet- en regelgeving over bouwen, milieu, water, ruimtelijke ordening en natuur. De Omgevingswet werkt door in vier algemene maatregelen van bestuur: 

  • Omgevingsbesluit: hierin staan regels over het bevoegd gezag voor omgevingsvergunningen, procedures, handhaving en uitvoering evenals over het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO).

  • Besluit activiteiten leefomgeving (Bal): hierin stelt het Rijk algemene regels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving. In het Bal staat ook of voor die activiteiten een melding of omgevingsvergunning nodig is. Algemene rijksregels die gelden voor diverse activiteiten zijn in dit besluit opgenomen. Het Bal is direct gericht op burgers en bedrijven. 

  • Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl): dit besluit bevat regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. Het Bkl geldt voor gemeenten, provincies en waterschappen voor het vaststellen van onder meer omgevingsplannen en verordeningen. 

  • Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl): dit besluit bevat met name regels over veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid van bouwwerken. Daarnaast bevat het Bbl regels over de staat en het gebruik van een bouwwerk en over het uitvoeren van bouw- en sloopwerkzaamheden. Het Bbl is vooral gericht op burgers of bedrijven.

 

Hieronder wordt ingegaan op de inhoud van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Nagegaan wordt welke omgevingswaarden, instructie- en beoordelingsregels relevant zijn voor voorgenomen ontwikkeling. 

Besluit activiteiten leefomgeving (Bal)

De regels van het Bal zijn afkomstig uit een tiental AMvB's en wetten. In het Bal stelt het Rijk algemene regels voor de volgende activiteiten: 

  • Milieubelastende activiteiten;

  • Activiteiten in of bij waterstaatswerken in beheer bij het Rijk;

  • Activiteiten rond rijkswegen, spoorwegen en luchthavens;

  • Activiteiten die de natuur raken;

  • Activiteiten die cultureel erfgoed of werelderfgoed raken;

  • Landinrichtingsactiviteiten;

  • Gelegenheid bieden tot zwemmen en baden in badwaterbassin;

  • Wateronttrekking voor industriële toepassingen en voor de drinkwatervoorziening;

  • Ontgrondingsactiviteit op land en regionale wateren;

  • Lozingsactiviteit van schepen.

 

In het Bal wordt in hoofdstuk 2 voor de bovengenoemde activiteiten het bevoegd gezag aangewezen. In hoofdstuk 3 worden de hoofdcategorieën van de milieubelastende activiteiten benoemd en worden de procedureregels vastgesteld. In hoofdstuk 4 worden voor deze hoofdcategorieën en daarbij behorende nevengeschikte milieubelastende activiteiten de gedragsregels vastgesteld. Daarnaast zijn in het Bal regels opgenomen over thematische onderwerpen, zoals bodem, luchtkwaliteit en industrielawaai, activiteiten bij rijkswaterstaatswerken en -infrastructuur, activiteiten die de natuur beïnvloeden en overige activiteiten van nationaal belang.  

Het omgevingsplan kan een aanvulling vormen op het Bal. Hoofdregel daarbij is dat deze decentrale regels geen verruiming mogen inhouden ten opzichte van het beschermingsniveau dat het Bal biedt. In het Bal wordt aangegeven aan welke regels met name de zwaardere milieubelastende activiteiten moeten voldoen en bevat regels voor locatiespecifieke en onderwerpspecifieke activiteiten. Onder voorwaarden is het toegestaan aanvullend regels (decentraal) in het omgevingsplan te regelen. Het Bal bepaalt voor welke activiteiten een melding of een omgevingsvergunning (op grond van het Bal) nodig is. Afwijken van of aanvullen op het Bal is alleen mogelijk als dit uitdrukkelijk in het Bal is opgenomen (via maatwerkregels, maatwerkvoorschriften of een gelijkwaardige maatregel). 

Met voorgenomen ontwikkeling wordt niet afgeweken en worden geen aanvullende regels gesteld ten aanzien van de regels uit het Bal. 

Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) 

Het Bkl richt zich op bestuursorganen en geeft inhoudelijke normen waaraan zij hun taken en bevoegdheden ontlenen, onder andere bij het opstellen van omgevingsplannen, omgevingsverordeningen, waterschapsverordeningen en het vaststellen van omgevingsvergunningen en projectbesluiten. In hoofdstuk 5 van het Bkl zijn instructieregels opgenomen die de gemeente in acht moet nemen. Deze instructieregels kunnen worden opgevat als de minimale vereisten waaraan een omgevingsplan of omgevingsvergunning in het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet voldoen.

Met voorgenomen ontwikkeling wordt niet afgeweken van de standaardregels en worden geen aanvullende regels gesteld ten aanzien van de standaardregels uit het Bkl. De toetsing aan de verschillende milieuthema’s is verder uitgewerkt in hoofdstuk 4 van deze motivering.

Besluit Bouwwerken leefomgeving (Bbl) 

De regels uit het Bbl komen veelal overeen met regels uit het Bouwbesluit 2012. Het Bbl bevat rechtstreeks werkende, algemene rijksregels over activiteiten die betrekking hebben op bouwwerken, zoals gebruik, bouwen en slopen van bouwwerken, maar ook over aspecten als veiligheid, duurzaamheid en gezondheid. Het Bbl regelt met name de technische aspecten van een bouwwerk. Het ruimtelijke deel van het bouwen wordt met name in het omgevingsplan geregeld. De onderwerpen waarover rijksregels gesteld zijn, zijn uitputtend geregeld. Dit betekent dat alleen indien over een onderwerp geen rijksregels gesteld zijn, de gemeente de bevoegdheid heeft om daar regels over te stellen. 

Met de Omgevingswet wordt de omgevingsvergunning voor bouwen in een technisch en ruimtelijk deel opgedeeld. Dit is de zogenoemde knip, wat maakt dat de activiteit voor bouwen juridisch uit twee afzonderlijke activiteiten bestaat: de technische bouwactiviteit en de omgevingsplanactiviteit voor een bouwwerk.

3.1.2 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Ook in de toekomst moet Nederland een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving bieden en economisch kunnen floreren. Daarom is het van belang om inzicht te hebben in de opgaven waar Nederland voor staat. De druk op de ruimte, de leefomgeving, vraagt voortdurend om afweging van verschillende belangen. Ook internationale ontwikkelingen, de invloed van technologie en de groeiende verschillen tussen regio's vragen om snellere, creatieve en integrale afwegingen. Het klimaat verandert en er moet zorgvuldiger worden omgegaan met energiebronnen en grondstoffen. Ook daaruit vloeien nieuwe opgaven. In aanloop naar de Omgevingswet is er één rijksvisie op de leefomgeving opgesteld: de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. De eerste Nationale Omgevingsvisie is in september 2020 vastgesteld. De NOVI vervangt op nationaal niveau de Structuurvisie infrastructuur en ruimte (SVIR) en de strategische ruimtelijke delen van het verkeers- en vervoerplan, het nationale waterplan, de natuurvisie en het milieubeleidsplan. Bij inwerkingtreding van de Omgevingswet geldt de NOVI als nationale visie onder de Omgevingswet.

Toetsing

Voorliggend projectgebied plangebied wordt niet specifiek benoemd in de NOVI.

3.1.3 Luchthavenindelingbesluit Schiphol

Het LIB is het luchthavenindelingsbesluit (Schiphol). Dit besluit staat voor veiligheid- en gezondheidsregels over de bestemming en het gebruik van de gronden, zowel in het luchthavengebied als de beperkingsgebieden rondom de luchthaven. Per zone gelden andere beperkingen. Deze beperkingen hebben te maken met geluidhinder, externe veiligheid of vliegveiligheid (vanwege de hoogte of vogelaantrekkende werking). De beperkingen gelden voor gebouwen, en ook voor bouwwerken, zoals windturbines en vaste laserinstallaties. De kaarten, waarop per zone is aangegeven welke beperkingen gelden, zijn te vinden als bijlage bij het LIB Schiphol. 

Gemeenten moeten zich aan de beperkingen van het LIB houden en die vastleggen in het omgevingsplan. Op termijn wordt dit geregeld met instructieregels in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Totdat de beperkingen rond Schiphol zijn verwerkt in instructieregels, verplicht de Wet luchtvaart dat bij wijziging van het omgevingsplan het luchthavenindelingbesluit in acht genomen wordt genomen.

Toetsing

Ter hoogte van het plangebied geldt wat betreft geluid alleen de beperking dat buiten bestaand stedelijk gebied geen nieuwe woningbouwlocaties zijn toegestaan. Wat betreft veiligheid geldt een motiveringsplicht. De hoogtebeperking geldt pas vanaf 146 meter. De ontwikkeling van het IKC is niet in strijd met het LIB.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsbeleid Zuid-Holland

Het omgevingsbeleid Zuid-Holland is op 1 april 2019 in werking getreden. De laatste update (herziening 2024) dateert van 11 december 2024. Het omgevingsbeleid omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving in Zuid-Holland. Het bestaat uit drie hoofdinstrumenten: de omgevingsvisie, het omgevingsprogramma en de omgevingsverordening. De omgevingsvisie schetst de beleidskaders; de strategische ambities, beleidsdoelen en -keuzes voor de toekomst van de fysieke leefomgeving van Zuid-Holland. In het omgevingsprogramma zijn deze nader uitgewerkt in maatregelen die de provincie treft. De omgevingsverordening stelt de juridische kaders; instructieregels voor andere overheden en direct werkende regels voor burgers en bedrijven. De provincie wijzigt de verschillende onderdelen wanneer daartoe aanleiding is; de laatste herziening van het beleid is op 18 februari 2025 in werking getreden. Per 1 juli 2025 is een technische verbetering geconsolideerd in werking getreden.

Omgevingsvisie Zuid-Holland

De omgevingsvisie van Zuid-Holland biedt een strategische blik op de lange(re) termijn en bevat de hoofdzaken van het te voeren integrale beleid voor de gehele fysieke leefomgeving van de provincie Zuid-Holland.

Ambities, beleidsdoelen en beleidskeuzes

Naast de algemene sturingsfilosofie en een analyse van de huidige situatie van Zuid-Holland, schetst de provincie in de omgevingsvisie haar toekomstgerichte beleid in zeven provinciale vernieuwingsambities: 

1. Samen werken aan Zuid-Holland: inwoners, organisaties en bedrijven in een vroeg stadium betrekken bij besluiten. 

2. Bereikbaar Zuid‐Holland: efficiënt, veilig en duurzaam over weg, water en spoor. 

3. Schone energie voor iedereen: op zoek naar schone energie, haalbaar en betaalbaar voor iedereen.

4. Een concurrerend Zuid‐Holland: diversiteit, de economische kracht van Zuid‐Holland. 

5. Versterken natuur in Zuid‐Holland: een aantrekkelijk landelijk gebied draagt bij aan de kwaliteit van de leefomgeving. 

6. Sterke steden en dorpen in Zuid‐Holland: versnellen van de woningbouw met behoud van ruimtelijke en sociale kwaliteit. 

7. Gezond en veilig Zuid‐Holland: beschermen en bevorderen van een gezonde, veilige leefomgeving. 

Deze zeven vernieuwingsambities zijn geconcretiseerd in 18 beleidsdoelen, die omschrijven aan welke maatschappelijke opgaven de provincie werkt. De beleidsdoelen zijn vervolgens uitgewerkt in beleidskeuzes.

Ruimtelijke hoofdstructuur

De essentie en samenhang van de verschillende ruimtelijke keuzes uit de omgevingsvisie, is gevat in de ruimtelijke hoofdstructuur. Opgebouwd uit verschillende kaartbeelden, vormt de ruimtelijke hoofdstructuur een integraal kaartbeeld dat inzichtelijk maakt hoe de strategische beleidskeuzes van de provincie ruimtelijk samenkomen. Afbeelding 3.1 geeft de ruimtelijke hoofdstructuur van Zuid-Holland weer.

afbeelding binnen de regeling
Afbeelding 3.1: Omgevingsvisie Zuid-Holland, ruimtelijke hoofdstructuur

Uitgangspunten en kaders voor de fysieke leefomgeving

Bij het vormgeven en uitvoeren van de ambities hanteert de provincie de volgende uitgangspunten en kaders voor de fysieke leefomgeving: 

  • Streven naar het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit;

  • Gebruik van een kwaliteitskaart met richtpunten en gebiedsprofielen, waarin is beschreven welke kwaliteiten in welke gebieden de provincie nastreeft;

  • Handvatten voor passende ruimtelijke ontwikkeling, om te beoordelen of bepaalde ruimtelijke ontwikkelingen wenselijk zijn. 

 

Kwaliteitskaart, richtpunten en gebiedsprofielen

De provincie Zuid-Holland geeft richting en ruimte aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en omgevingskwaliteit. Uitgangspunt van het kwaliteitsbeleid is een ‘ja, mits’-beleid: ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid van Zuid-Holland bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengebracht in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten, gebiedsprofielen en enkele bepalingen in de omgevingsverordening. 

De kwaliteitskaart toont de kwaliteitsambities van de provincie. De belangrijke gebiedskenmerken en kwaliteiten van Zuid-Holland zijn weergegeven in vier lagen: de laag van de ondergrond, laag van de cultuur- en natuurlandschappen, laag van de stedelijke occupatie en laag van de beleving. De integrale kwaliteitskaart vat de vier lagen in één kaartbeeld samen. Met behulp van de kwaliteitskaart houden betrokken partijen bij ruimtelijke ingrepen rekening met de gebruikswaarde, toekomstwaarde en belevingswaarde van een gebied. De kwaliteitskaart biedt randvoorwaarden voor het maken van integrale afwegingen, die nader zijn geconcretiseerd in richtpunten. De richtpunten beschrijven de bestaande kenmerken en waarden, en de wijze waarop ruimtelijke ontwikkelingen daarmee rekening kunnen houden. De kwaliteitskaart en bijbehorende richtpunten zijn regionaal vertaald in verschillende gebiedsprofielen. Deze gebiedsprofielen fungeren niet als toetsingskader, maar als handreiking voor het gebiedsspecifiek omgaan met ruimtelijke kwaliteit.

Passende ruimtelijke ontwikkeling

Om te bepalen of een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling passend is, is de ruimtelijke impact van belang. In de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen is het uitgangspunt dat de aard en schaal van een gebied bepalen of een ontwikkeling in meer of mindere mate passend is. Hoe meer een ontwikkeling afwijkt van de aard en schaal van een gebied, des te groter in beginsel de ruimtelijke impact en des te eerder deze raakt aan provinciale belangen. Ook de waarde en kwetsbaarheid van de kwaliteit van het gebied speelt daarbij een rol. De gebiedsprofielen bieden handvatten om te bepalen hoe groot de ruimtelijke impact van een ontwikkeling in een bepaald gebied is. 

In dit kader maakt de provincie onderscheid in drie typen ontwikkeling: inpassing, aanpassing en transformatie. Daarbij spelen de schaalniveaus van de kavel, de structuur en de gebiedsidentiteit een rol. Wanneer een plan aansluit bij de gebiedsidentiteit en zich voegt in de bestaande structuur, is sprake van inpassing. Een ontwikkeling die aansluit bij de gebiedsidentiteit maar op structuurniveau wijzigingen voorziet, betekent een aanpassing. Bij transformatie zorgen de aard en omvang van een ontwikkeling voor een verandering van de gebiedsidentiteit. Deze indeling van ontwikkelingen is ook doorvertaald in de instructieregels met betrekking tot ruimtelijke kwaliteit in de omgevingsverordening. Voorliggend plangebied komt in alle vier de kwaliteitskaarten voor.

Laag van de ondergrond

In de laag van de ondergrond is het plangebied aangeduid als 'bijzonder reliëf met aardkundige waarden'. Richtpunt is dat ontwikkelingen de patronen van het landschap herkenbaar in stand en waar mogelijk worden de archeologische waarden van deze structuren meer herkenbaar gemaakt. 

Laag van de cultuur en natuurlandschappen

In de laag van cultuur en natuurlandschappen is het plangebied aangeduid als ‘Droogmakerijlandschap (klein en veen)’. Deze zijn ontstaan uit natuurlijke meren en verveningen en hebben een duidelijke begrenzing. Het richtpunt bij ontwikkelingen is de droogmakerij herkenbaar en beleefbaar te houden met de (ring)dijk en/of vaart als herkenbare structuurdrager en begrenzing van de droogmakerijpolders. 

Laag van stedelijke occupatie

Steden en dorpen

Voorliggend plangebied ligt in de laag van stedelijke occupatie in twee gebieden. Een deel van het plangebied ligt in ‘Steden en dorpen’. Kenmerken als de identiteit van de plek, geografische en strategische ligging in het stedelijk netwerk geven ieder gebied een eigen karakteristiek. Ook elk dorp ontwikkelt zijn eigen identiteit en bouwt voort op haar eigen karakteristieke structuur en ligging in het landschap. 

Hoogbouw

Hoogbouw kent talloze verschijningsvormen: kerktorens, watertorens, torenflats en wooncomplexen. Hoogbouw hoort veelal bij concentratie: de grond is schaars, dan maar de lucht in. Hoogbouw kan ook een vorm van expressie zijn: “laten zien dat je er bent” zoals sommige kantoortorens als hoofdzetel van een bedrijf of kerktorens.

Historische centra en kernen

De historische centra en kernen met hun compacte bebouwingsstructuur zijn waardevolle woon- en vestigingsmilieus in Zuid-Holland en dragen bij aan de toeristische kwaliteit. Als ontwikkelingen plaatsvinden in of in de nabijheid van het historisch centrum dan dragen deze bij aan behoud en versterking van de vitale stads- en dorpscentra met een gevarieerd functioneel en ruimtelijk beeld. Relevante richtpunten voor de voorgenomen ontwikkeling zijn:

  • Ontwikkelingen dragen bij aan de karakteristieke kenmerken/identiteit van stad, kern of dorp.

  • Daar waar hoogbouw niet samenvalt met “zwaartepunten” in de stedelijke structuur geeft een beeldkwaliteitsparagraaf inzicht in de effecten, invloed en aanvaardbaarheid van hoogbouw op de (wijde) omgeving.

  • Cultuurhistorische waardevolle gebouwen en stedenbouwkundige patronen worden behouden door ze waar mogelijk een functie te geven die aansluit bij de behoefte van deze tijd. 

  • Ontwikkelingen dragen bij aan versterking van de stedelijke groen- en waterstructuur.

  • Het eigen karakter van het historisch centrum wordt versterkt.

  • Historische centra en kernen blijven ervaarbaar vanuit het omringende gebied.



Stads- en dorpsranden

Een klein deel van het plangebied, de locatie van Basisschool de Veenvogel, bevindt zich in de laag van stedelijke occupatie in ‘Stads- en dorpsranden’. Echter dit deel van het plangebied niet aan te merken als dorpsrand, doordat het zich in een bebouwde omgeving bevindt. Dit gebied wordt niet onder deze term beschouwd.

Omgevingsprogramma Zuid-Holland

Het Omgevingsprogramma Zuid-Holland is parallel aan de omgevingsvisie en omgevingsverordening opgesteld. Het omgevingsprogramma bevat een nadere invulling en operationalisering van ruimtelijk relevante onderdelen van de omgevingsvisie. Het is enerzijds een beleidsdocument, namelijk uitwerking van de beleidsbeslissingen, en anderzijds gericht op uitvoering. Ten aanzien van het voorliggende plangebied worden geen specifieke uitspraken gedaan in het omgevingsprogramma. 

Zuid-Hollandse omgevingsverordening

De provincie Zuid-Holland heeft op 15 december 2021 de Zuid-Hollandse omgevingsverordening vastgesteld. Sindsdien zijn verschillende (partiële) herzieningen doorgevoerd. De instructieregels hebben een directe doorwerking in omgevingsplannen en bij ruimtelijke ontwikkelingen.

Toetsing

Voorliggend plangebied bevindt zich binnen de LiB-5 contour van luchthaven Schiphol. Dit betekent dat voorliggend plangebied in een afwegingsgebied voor geluid valt. Dit heeft geen effecten voor de realisatie van de voorgenomen ontwikkeling. Het toelaten van nieuwe woningen is aan regels gebonden. De voorgenomen ontwikkeling gaat niet om nieuwe woningen. De Zuid-Hollandse omgevingsverordening stelt verder geen instructieregels over omgevingsplannen in het plangebied. 

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Omgevingsvisie gemeente Nieuwkoop

De gemeente Nieuwkoop heeft op 8 juli 2021 de omgevingsvisie vastgesteld. Deze toekomstvisie beschrijft de ambities en doelen van de gemeente die betrekking hebben op de (fysieke) leefomgeving met betrekking tot wonen, recreatie, duurzaamheid, bereikbaarheid, erfgoed en gezondheid en veiligheid. De omgevingsvisie beschrijft zeven drijfveren die de gemeente wil behouden en versterken in de toekomst:

1. Rust en ruimte

- Mensen waarderen het leven in onze gemeente vanwege de ontspanning en rust.

- Vergezichten over het landschap geven een goed gevoel van ruimte en vrijheid.

- Onze leefomgeving draagt bij aan het geluk en de gezondheid van inwoners en bezoekers.

2. Weids landschap

- We maken deel uit van het typisch Hollandse ‘Groene Hart’ landschap met droogmakerijen, veenweidegebied, polders met sloten, koeien en schapen.

- Het agrarische grondgebruik heeft een belangrijke betekenis voor ons gebied.

3. Bijzondere natuur

- Duizend hectaren unieke landschappen binnen de Randstad: laagveenmoeras, graslanden, waterrijke natuur.

- Leefgebied voor bijzondere planten en dieren, zoals otters en weidevogels.

- Beleefbare natuur geeft kwaliteit aan onze omgeving.

4. Centrale ligging

- Onze gemeente is centraal gelegen, midden in de Randstad.

- De grote steden en Schiphol liggen 'om de hoek'.

- Onze tuinbouw is onderdeel van de Greenport Aalsmeer, wereldhandelscentrum voor bloemen en planten. 

5. Dorps karakter

- Dertien dorpskernen met een eigen historie en karakter.

- Ruimtelijke kenmerken van de kernen zijn kleinschaligheid en overzichtelijkheid: een dorpse leefomgeving.

- Een mix van historische en nieuwe bebouwing.

6. Levendige dorpen

- De winkels en voorzieningen in onze dorpen worden gewaardeerd.

- Onze bedrijven zorgen voor werkgelegenheid en hebben een sterke binding met het dorpsleven.

- Er is een sterk verenigingsleven en er wordt veel georganiseerd.

7. Saamhorigheid

- Ons kent ons - mensen kijken naar elkaar om en het is gezellig. 

- Veel actieve vrijwilligers en een goede samenwerking.

- Een prettige leefomgeving met een groot gevoel van veiligheid.

De omgevingsvisie beschrijft hoe de gemeente Nieuwkoop er in 2040 uit moet zien en hoe zij aansluit op landelijk, regionaal en lokaal niveau. Om antwoord te geven op de belangrijkste opgaven waar de gemeente de komende jaren mee te maken krijgt zijn, deze opgedeeld in drie ambities:

1. Gelukkige mensen

Mensen wonen, werken en recreëren in de gemeente. Geluk, gezondheid en eigen initiatief staan centraal. De gemeente wil samenwerken met de inwoners aan een sociale en gezonde leefomgeving

2. Sterke dorpen

Samenwerken met ondernemers, organisaties en verenigingen aan toekomstbestendige kernen en plekken met een eigen karakter en gevarieerd woon-, winkel- en voorzieningenaanbod dat goed is verbonden met de regio.  

3. Groene toekomst

Een vitaal en waardevol landschap waarin landbouw, tuinbouw, natuur, energietransitie en recreatie een geheel vormen. Samen met diverse partijen naar een duurzame en groene toekomst. 

Toetsing

De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van een integraal kindcentrum (IKC). Het programma en de activiteiten in het IKC leveren een bijdrage aan de gemeentelijke ambitie voor goed onderwijs en voldoende ruimte om te bewegen en te ontmoeten. Dit beïnvloedt en draagt bij aan een gezonde en sociale leefomgeving met kansen voor iedereen. Daarbij wordt in de omgevingsvisie specifiek ingegaan op het initiëren en realiseren van IKC’s in de gemeente, waarbij verschillende functies integraal worden gecombineerd, efficiënt met ruimte wordt omgegaan en de voorzieningen in de dorpen en gemeente worden versterkt. Voorgenomen ontwikkeling sluit daarom aan op de ambities van de omgevingsvisie. 

3.4 Conclusie

Zoals uit het voorgaande blijkt, past de ontwikkeling in het plangebied binnen het rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. 

4 Aspecten van de fysieke leefomgeving

4.1 Milieueffectrapportage

4.1.1 Kader

Onder de Omgevingswet geldt een plan-m.e.r.-plicht wanneer een besluit wordt voorbereid dat het kader schept voor een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit of wanneer een besluit wordt voorbereid waarvoor een zogenaamde passende beoordeling is vereist. Het plan-MER brengt de milieugevolgen van een plan in beeld voordat er een besluit over is genomen en onderzoekt verschillende alternatieve oplossingen en maatregelen met het oog op het beperken van effecten op de leefomgeving. Hiermee draagt het plan-MER ook bij aan de onderbouwing en transparantie van de effecten van een besluit en kan het als hulpmiddel worden gebruikt bij de participatie.

Of sprake is van een kaderstellend plan voor een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit blijkt uit bijlage V van het Omgevingsbesluit. Voorgenomen ontwikkeling valt als stedelijk ontwikkelingsproject onder categorie J11.

De wijziging van het omgevingsplan vormt het kader voor een vergunning voor een m.e.r.-beoordelingsplichtig project. De wijziging van het omgevingsplan heeft echter betrekking op een klein gebied in verhouding met het totale grondgebied van de gemeente. Het plangebied bestaat uit een sportzaal en een basisschool inclusief een aantal parkeerplaatsen. Na de wijziging is een vergelijkbare invulling mogelijk als op grond van het huidige (tijdelijke) omgevingsplan, de ontwikkeling van het IKC. Dit betreft daarom een kleine wijziging van de regels van het ‘gemeentebrede’ omgevingsplan. In dit geval wordt er dan ook eerst een plan-mer-beoordeling uitgevoerd. Hiermee wordt beoordeeld of er sprake kan zijn van aanzienlijke milieueffecten. Bij deze beoordeling dient rekening te worden gehouden met de criteria van bijlage II bij de SMB-richtlijn. De regels over het uitvoeren van een plan-mer-beoordeling staan in artikel 16.36, lid 5 Omgevingswet en artikel 11.1 Omgevingsbesluit.

4.1.2 Kenmerken van het plan

De ontwikkeling ziet op de realisatie van een Integraal Kindcentrum (IKC), bestaande uit een school, kinderopvang, sportzaal en ontmoetingsplek voor verenigingen uit de buurt. De beoogde ontwikkeling voorziet in een nieuw gebouw van circa 3900 m2 bruto vloeroppervlak. In de omgeving van het plangebied zijn geen concrete activiteiten gepland of in uitvoering die in samenhang met de realisatie van het IKC moeten worden bekeken.  

4.1.3 Plaats van het object

De locatie van het IKC betreft drie bestaande bebouwde percelen binnen de bebouwde kom van het dorp Nieuwveen. De bestaande bebouwing wordt (gedeeltelijk) gesloopt en er wordt een nieuw gebouw gerealiseerd. De planlocatie is gelegen in een rustige woonwijk en wordt ontsloten door N-wegen richting de grote steden Amsterdam (in noordelijke richting) en Alphen aan den Rijn (in zuidelijke richting). Op de huidige locatie bevindt zich ook een sportzaal en twee scholen, waardoor het een geschikte locatie is voor de voorgenomen ontwikkeling. Het betreft geen bijzonder kwetsbaar gebied.

4.1.4 Kenmerken van de effecten

In de volgende paragrafen van dit hoofdstuk wordt per milieuaspect een beschrijving gegeven van de huidige situatie en de verwachte effecten van de ontwikkeling van het IKC. Voor verschillende milieuaspecten is systematisch nagegaan wat de situatie is – ook in relatie tot de kwetsbaarheid van de omgeving – en wat voor gevolgen het project kan hebben. Het gaat om de (milieu)aspecten mobiliteit, luchtkwaliteit, geluid, geur, trillingen, bodem, omgevingsveiligheid, water, natuur en ecologie, archeologie en cultuurhistorie en duurzaamheid en klimaat. Hierbij wordt rekening gehouden met de ligging van de planlocatie en de directe omgeving. Indien relevant worden er maatregelen getroffen om de eventuele nadelige gevolgen voor het milieu te vermijden of voorkomen. Uit het geheel kan worden afgeleid of de realisatie van het IKC belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. 

4.1.5 Conclusie

Op grond van het bovenstaande komt het gemeentebestuur tot de conclusie dat de wijziging van het omgevingsplan voor het IKC Nieuwveen geen aanzienlijke milieueffecten kan hebben. Er wordt daarom geen apart milieueffectrapport gemaakt.

4.2 Laddertoets

4.2.1 Kader

Onder de Omgevingswet is in het Besluit kwaliteit leefomgeving de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van het nut en de noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing, met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Hierbij wordt gebruikgemaakt van de Ladder voor duurzame verstedelijking.   

In artikel 5.129g van het Bkl wordt de Ladder als volgt omschreven:

1. Dit artikel is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is.  

2. Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met:  

  • a.

    de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en

  • b.

    als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien.  

3. Voor de toepassing van het tweede lid, onder b, wordt tot het stedelijk gebied niet gerekend een stedelijke ontwikkeling waarvoor:  a. op grond van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist; en b. nog geen toepassing is gegeven aan het tweede lid. 

4. Als een omgevingsplan voorziet in de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en de beoordeling van de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, heeft die beoordeling alleen tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 

4.2.2 Onderzoek

Locatiekeuze

De voorgenomen ontwikkeling vindt plaats binnen het bestaand bebouwd gebied van Nieuwveen, op een locatie waar de huidige functies van de bebouwing terugkomen in het IKC. De locatie is vastgesteld door de gemeenteraad en behoeft geen nadere onderbouwing in het kader van de Ladder voor duurzame verstedelijking.

Behoefte

Voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van het IKC. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling is er sprake van een stedelijke ontwikkeling. Echter is de ontwikkeling niet nieuw, en komt er op de beoogde locatie een soortgelijke invulling als in de huidige situatie. Om deze reden is er geen nadere onderbouwing van de behoeftevraag in het kader van de Ladder voor duurzame verstedelijking benodigd. 

Conclusie

Op basis van de locatie en de gelijkaardige invulling van daarvan ten opzichte van de huidige situatie kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. 

4.3 Mobiliteit

4.3.1 Kader

Op basis van de Omgevingswet dient de aanvaardbaarheid van het effect van nieuwe ontwikkelingen op de verkeersafwikkeling, bereikbaarheid, leefbaarheid en verkeersveiligheid te worden onderbouwd. 

Parkeernormen worden gebruikt om vast te stellen hoeveel parkeerplaatsen voor auto's en fietsen nodig zijn bij nieuw- en verbouwinitiatieven. Ter waarborging van voldoende parkeervoorzieningen bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wordt door de gemeente Nieuwkoop de parkeerbehoefte vastgesteld aan de hand van de ‘Nota Parkeernormen gemeente Nieuwkoop 2021', vastgesteld op 8 juli 2021. In deze nota zijn de parkeernormen gebaseerd op de kencijfers van het CROW uit 2018. Het CROW is het nationaal kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte. Er is nu gebruik gemaakt van de op 10 december 2018 uitgegeven publicatie, met nummer 381, met de titel "Toekomstbestendig parkeren, Van parkeerkencijfers naar parkeernormen".

4.3.2 Verkeersstructuur en ontsluiting

Voorliggend plangebied is via de Hazeweg bereikbaar. Dit is zowel op verzoek van de inwoners uit de omgeving en is de meest voor de hand liggende route voor autoverkeer. De Hazeweg leidt in noordelijke richting  naar omliggende woongebieden in Nieuwveen (via de Oude Nieuwveenseweg en Anne Hendrik Kooistrastraat) en het zuiden via de Laan der Verwondering. Deze zuidelijke richting is verbonden met de N462 en N231 richting Nieuwkoop. De N-wegen van en naar Nieuwveen zijn uiteindelijk verbonden met de snelwegen A2, A4 en A12, die leiden naar grote steden zoals Amsterdam, Den Haag, Gouda en Utrecht.  Binnen het plangebied ligt een fietsverbinding die de woongebieden met elkaar verbindt. Ook is er bushalte aanwezig in de Kerkstraat, gelegen op circa 10 minuten lopen van het toekomstige IKC. Bus 147 rijdt tussen Uithoorn en Alphen aan den Rijn. Bus 727 rijdt een cirkelroute tussen Ter Aar en Woubrugge. 

Ten behoeve van de toegang tot het schoolplein en de entree van het IKC wordt er vanaf de Hazeweg een wandelpad aangelegd (zie afbeelding 2.5). Dit pad loopt door tot aan de Ambroziolaan, zodat het schoolplein vanaf twee kanten bereikbaar is. Fietsen op dit pad is toegestaan omdat de fietsenstalling zich bevindt op het schoolplein, maar fietsers zijn hier wel te gast. 

4.3.3 Verkeersgeneratie

Het CROW geeft kengetallen om de toekomstige verkeersgeneratie van het kinderdagverblijf en de basisschool te bepalen. Voor Nieuwkoop moet worden uitgegaan van het getal dat ligt tussen het gemiddelde en het maximum voor ‘rest bebouwde kom’ van de categorie ‘niet stedelijk’. In de Nota parkeernormen gebeurt dit ook voor het bepalen van de parkeerbehoefte. Er zijn cijfers voor kinderdagverblijf (crèche) en sportzaal. Voor deze functies is de verwachte verkeersgeneratie per 100 m2 bvo respectievelijk 36,9 en 13,7. Voor basisonderwijs wordt aangesloten bij de verwachte verkeersgeneratie bij IKC De Vaart in Ter Aar: 11,2 per 100 m2 brutovloeroppervlakte. De oppervlakte voor de multifunctionele ruimte wordt opgeteld bij die van de sportzaal, aangezien daarvoor geen aparte cijfers beschikbaar zijn. Voor de totale verkeersgeneratie levert dit de cijfers op die zijn weergegeven in tabel 1. 

Tabel 1: Verkeersgeneratie IKC Het Veen

functie

kencijfer

oppervlakte (bvo)

verkeersbewegingen

kinderopvang

36,9

490

181

basisonderwijs

11,2

2160

242

sportzaal

13,7

1250

171

Totaal

 

 

594

 

Opgemerkt moet worden dat deze cijfers waarschijnlijk een overschatting geven, omdat de functies bij elkaar gehuisvest zullen worden. Kinderen blijven bijvoorbeeld na school in de kinderopvang en worden daarna door hun ouders opgehaald. Bovendien moet vermeld worden dat een groot deel van deze functies nu ook al aanwezig zijn aan de Hazeweg, met uitzondering van de kinderopvang op deze locatie. 

4.3.4 Parkeren

In de huidige situatie is er een openbaar toegankelijk parkeerterrein aanwezig voor de sportzaal. Er zijn hier 33 parkeerplaatsen, waarvan een invalidenparkeerplaats en twee voor elektrische voertuigen. Ook andere openbaar toegankelijke parkeerplaatsen in de directe omgeving vervullen nu een functie voor de huidige onderwijs- en sportfuncties, zoals de parkeerplaatsen aan het einde van de Ambroziolaan (14) en naast de woning Mollerit 15 (12).

Ten behoeve van de ontwikkeling is door SOAB WURX in 2024 een parkeerduuronderzoek uitgevoerd (Parkeerduuronderzoek IKC Het Veen). Op basis van de tellingen is de parkeerdruk in de omgeving van het toekomstige IKC gemeten. Op basis van de berekende bezettingsgraad kan worden geconcludeerd dat er voldoende parkeerplaatsen aanwezig zijn in de huidige situatie.

Het drukste moment is de nachttelling. Daarmee is de nacht ook het maatgevende moment. Op dat moment waren er 118 parkeerplaatsen bezet. De bezettingsgraad is 74% en zijn er nog 42 vrije parkeerplaatsen in het gebied. De twee drukste avondtellingen komen in de buurt van het drukste moment met om 20.00 uur en om 21.00 uur een bezettingsgraad van 72%. Tijdens de drukste uren valt op dat het merendeel van de geparkeerde voertuigen van bewoners zijn. Daarnaast valt op dat pas na 20.00 uur er kortparkeerders komen. Dit betreft bezoekers van de sporthal. Die zorgen ervoor dat de laatste twee uren van de telling de drukste uren van de dag zijn. Het gaat om 20-25 auto’s. In de avond is het parkeerterrein voor de sporthal bijna helemaal vol. Tijdens de nacht is hier juist volop parkeergelegenheid en zijn de overige parkeerplaatsen in de directe omgeving voller.

Voor de toekomstige situatie is de ‘Nota Parkeernormen gemeente Nieuwkoop 2021' het uitgangspunt. Op basis van de toekomstige functies zijn volgens de vastgestelde normen 75 parkeerplaatsen op het maatgevende moment (werkdagochtend) nodig. Het aanleggen van dit aantal parkeerplaatsen zou een overaanbod zijn en ten koste gaan van de gewenste groene invulling van het terrein rond het IKC. Dit blijkt uit het uitgevoerde parkeerduuronderzoek. Zouden de normen worden toegepast op de huidige oppervlaktes van de sport- en onderwijsfuncties, dan zouden 52 parkeerplaatsen benodigd zijn. Op basis van het parkeerduuronderzoek is de daadwerkelijke parkeerbehoefte in de bestaande situatie lager dan vastgesteld op basis van de normen. 

Daarom worden de parkeernormen alleen toegepast op de toename van de vloeroppervlakte van de sport- en onderwijsfuncties. Op basis van de normen zouden er 35 parkeerplaatsen extra moeten komen.  Het type parkeerplaats is ook belangrijk: voor personeel en het halen en brengen van kinderen in groep 1-3 en de dagopvang zijn parkeerplaatsen nodig waar je makkelijk langer kan staan (haaksparkeren). Bij de bovenbouw is kort stoppen en de kinderen uit de auto laten voldoende. Hier werken langsparkeerplaatsen juist goed voor. De parkeerplaatsen voor het gebruik van de sporthal kan goed samengaan met dubbelgebruik van het schoolplein. De basisschool, kinderopvang en de naschoolse opvang zijn dan immers gesloten.

Afbeelding 4.1 geeft een weergave van het aantal parkeerplaatsen voor het IKC. Op de kaart zijn 22 parkeerplaatsen getekend. Indien situaties voordoen waarbij meer parkeerplaatsen benodigd zijn, kan gebruik worden gemaakt van het naastgelegen multicourt sportveld, dat voorziet in 30 (flexibele) parkeerplaatsen. Bovendien worden er langs de Hazeweg in totaal 17 extra parkeerplaatsen gerealiseerd. De vier parkeerplaatsen naast Ambroziolaan 25 worden verplaatst en blijven in aantal behouden. Het totaal is dus 22 + 30 + 17 + 4 - 33 - 4 = 36 extra parkeerplaatsen. Voor de scholieren worden in totaal 180 fietsparkeerplaatsen gerealiseerd. Voor het personeel komen er 16 overdekte fietsparkeerplaatsen.

In de regels van het omgevingsplan wordt opgenomen dat in het projectgebied 73 parkeerplaatsen gerealiseerd moeten worden, waarvan 30 ingericht kunnen worden als parkeerplaats enkel bedoeld voor gebruik tijdens piekmomenten. Gelet op de bezettingsgraad van de huidige parkeerplaatsen wordt dit aantal in de toekomstige situatie aanvaardbaar gevonden. 

afbeelding binnen de regeling
Afbeelding 4.1: Inrichtingsplan buitenruimte (de parkeerplaatsen zijn rood omkaderd). 
4.3.5 Conclusie

De toekomstige situatie wat betreft verkeersstructuur en ontsluiting verschilt weinig ten opzichte van de huidige situatie. Het aantal parkeerplaatsen neemt ten opzichte van de huidige situatie flink toe. Gelet op de bezettingsgraad van de huidige parkeerplaatsen is de verwachting dat er voldoende parkeerplaatsen zijn, passend bij de verwachte vraag. De situatie ten aanzien van verkeer en parkeren is aanvaardbaar.

4.4 Luchtkwaliteit

4.4.1 Kader

Luchtverontreiniging kan effect hebben op de gezondheid van mensen en op de natuur. Daarom zijn er regels om de kwaliteit van de buitenlucht te beschermen. Voor diverse stoffen zijn ten hoogst toelaatbare concentraties vastgelegd. Stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) zijn algemeen aanwezig in de buitenlucht, onder meer als gevolg van het wegverkeer, de landbouw en de verwarming van gebouwen.

De afgelopen decennia is de luchtkwaliteit in Nederland aanzienlijk verbeterd. In grote delen van Nederland liggen de concentraties van deze stoffen ruim onder de norm. Alleen in de agglomeraties van de grootste steden en enkele gebieden met veel veehouderijen is extra aandacht nodig voor de verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarnaast moet altijd beoordeeld worden of de luchtkwaliteit ter plekke aanvaardbaar is vanuit het belang van het beschermen van de gezondheid. 

4.4.2 Onderzoek

De gemeente Nieuwkoop behoort niet tot één van de aandachtsgebieden voor luchtkwaliteit. Het dichtstbijzijnde aandachtsgebied is de agglomeratie Amsterdam/Haarlem met de gemeenten Haarlemmermeer, Aalsmeer en Uithoorn. De uitvoering van het plan voor het IKC heeft geen gevolgen voor de luchtkwaliteit in deze gemeenten. Toetsing aan de omgevingswaarden voor luchtkwaliteit kan daarom achterwege blijven. 

Volgens de kaarten van het RIVM in de Atlas leefomgeving bedragen de concentratie NO2 ter plaatse van het plangebied en de directe omgeving minder dan 14 μg/m3 en de concentratie PM10 minder dan 16 μg/m3 per jaar (2021). Dit ligt onder de wettelijke grenswaarden van 40 μg/m3 per jaar. Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van de grenswaarde.

afbeelding binnen de regeling
Afbeelding 4.2: Concentratie fijnstof (PM10) in het plangebiedBron: Atlas Leefomgeving
afbeelding binnen de regeling
Afbeelding 4.3: Concentratie NO2in het plangebiedBron: Atlas Leefomgeving

Conclusie

Er wordt voldaan aan de instructieregels met betrekking tot luchtkwaliteit uit het Besluit kwaliteit leefomgeving. De gemeente beoordeelt de kwaliteit van de buitenlucht in het plangebied als voldoende. De toekomstige situatie ten aanzien van de luchtkwaliteit is aanvaardbaar.

4.5 Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen

4.5.1 Kader

Op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) moet in het omgevingsplan rekening worden gehouden met geluid dat door wegen, spoorwegen en activiteiten op een industrieterrein. Voor de wegen wordt een onderscheid gemaakt in gemeentewegen, waterschapswegen, provinciale wegen, rijkswegen en spoorwegen. In de deze paragraaf wordt ingegaan op de wijze waarop met deze omgevingplanwijziging rekening wordt gehouden met het geluid van deze bronnen.

Wegverkeerslawaai

De instructieregel over lawaaibeheersing wordt in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) meer in detail uitgewerkt voor de geluidbelasting door het wegverkeer. Deze instructieregel richt zich daarbij op wegen waarop de intensiteit van het wegverkeer gemiddeld over een jaar, groter is dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal.  De instructieregel stelt beperkingen aan het aanleggen of wijzigen van wegen én het mogelijk maken van nieuwe geluidgevoelige gebouwen die worden belast met het geluid van het wegverkeer. Daarbij beperkt de instructieregel zich tot het zogenoemde geluidaandachtsgebied rond deze wegen. De geluidbelasting door het wegverkeer buiten dit aandachtsgebied onttrekt zich aan de beperkingen van de instructieregel.  

Op grond van de instructieregel gelden er voor de geluidbelasting door gemeentewegen ter hoogte van geluidgevoelige gebouwen binnen het geluidaandachtsgebied een standaardwaarde van 53 dB voor het Lden en een grenswaarde van 70 dB voor het Lden. Een geluidbelasting tot de standaardwaarde is altijd toelaatbaar. Een geluidbelasting tot de grenswaarde is alleen toelaatbaar, als er geen mogelijkheden bestaan om de geluidbelasting gelijk of lager dan de standaardwaarde te laten zijn. In de motivering van het besluit tot wijzigen van het omgevingsplan (waarmee de geluidbelasting door het verkeer op de gemeentewegen ter hoogte van de geluidgevoelige gebouwen voor het eerst wordt toegestaan) moet dit worden gemotiveerd. Daarnaast moet in het omgevingsplan de waarde van het gezamenlijke geluid ter hoogte van deze geluidgevoelige gebouwen worden vastgesteld. Dit is de gesommeerde geluidbelasting door alle geluidbronnen (wegverkeer, industrie en railverkeer).  

In de motivering moet worden aangegeven in hoeverre het gecumuleerde geluid aanvaardbaar is. Dit gecumuleerde geluid is niet hetzelfde als het gezamenlijke geluid. Bij het berekenen van het gecumuleerde geluid wordt ook de geluidbelasting van het industrielawaai, wegverkeerslawaai en railverkeerslawaai gesommeerd, maar deze deelbijdragen worden dan éérst gecorrigeerd voor de verschillende mate van hinderbeleving tussen deze verschillende geluidsoorten. Tot slot moeten ook de akoestische gevolgen door het veranderen van de verkeersintensiteit of de geluidoverdracht binnen het aandachtsgebied door het bouwen of slopen van gebouwen of bouwwerken bij het vaststellen van de wijziging van het omgevingsplan worden gemotiveerd.

Industrielawaai 

Op grond van hoofdstuk 3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) wordt de geluidproductie door industrieterreinen beperkt met geluidproductieplafonds (GeluidProductiePlafonds IndustrieLawaai of GPPIL). Rond het industrieterrein geldt op grond van het Bkl een aandachtsgebied dat zich uitstrekt tot de afstand waarop, rekening houdende met de beperking van de geluidemissie door de geluidproductieplafonds, de geluidbelasting gelijk is aan de standaardwaarden. Het projecteren van geluidgevoelige gebouwen binnen dit aandachtsgebied is aan voorwaarden verbonden. Voorliggende wijziging van het omgevingsplan voorziet niet in de realisatie van een industrieterrein waarvoor een geluidproductieplafond geldt, waardoor deze instructieregel niet van toepassing is. 

4.5.2 Onderzoek

Om te bepalen wat de geluidbelasting is ten gevolge van het wegverkeer zijn berekeningen uitgevoerd door KuiperCompagnons. Van dit onderzoek is een afzonderlijk rapport beschikbaar (Akoestisch onderzoek IKC Het Veen). Er is gebruik gemaakt van de verkeersgegevens van het regionale verkeersmodel. Er wordt geen verkeerstoename verwacht van het plan zelf, omdat het gaat om de vervanging van de huidige school en sportzaal. Met behulp van het verkeersmodel zijn de verwachte verkeersintensiteiten in 2040 cijfermatig bepaald. De geluidbelasting is berekend op de bouwgrens uit het omgevingsplan. Dat is de plek waar de gevel van de school mag komen. Voor elke verdieping is met behulp van een rekenmodel cijfermatig bepaald wat de verwachte geluidbelasting is ten gevolge van het wegverkeer. De maximale waarde is 49 dB. Dat is minder dan de standaardwaarde. De geluidbelasting is dus zo laag dat het nieuwe geluidgevoelige gebouw zonder meer toelaatbaar is.

Er is ook onderzocht of het nieuwe gebouw negatieve effecten kan hebben voor de geluidbelasting van de bestaande woningen in de omgeving. Er is sprake van een klein verschil waardoor geen sprake is van een significante toename.

Conclusie

De geluidbelasting van het nieuwe gebouw van het IKC is lager dan de standaardwaarde uit het Besluit kwaliteit leefomgeving. Er wordt voldaan aan de instructieregels. Het aspect geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen wordt als aanvaardbaar beoordeeld. 

4.6 Geluid door activiteiten

4.6.1 Kader

Te veel geluid heeft een negatief effect op het welzijn en de gezondheid van mensen. Daarom worden er regels gesteld over het geluid dat gepaard gaat met activiteiten in de fysieke leefomgeving. Er geldt een regeling voor het geluid van activiteiten (zoals o.a. bedrijven) anders dan industrie en geluid afkomstig van (spoor)wegen. Deze paragraaf gaat over het geluid veroorzaakt door activiteiten. 

Instructieregels Besluit kwaliteit leefomgeving

Bij het toelaten van activiteiten op een locatie moet een gemeente rekening houden met het geluid door die activiteiten op geluidgevoelige gebouwen. Het omgevingsplan moet erin voorzien dat het geluid door een activiteit op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Het omgevingsplan kan ervoor zorgen dat er voldoende afstand zit tussen activiteiten die geluid veroorzaken en geluidgevoelige gebouwen. Door voldoende afstand te bewaren kan een hoog geluidsniveau op de gevel van geluidgevoelige gebouwen worden voorkomen. Ook kan het omgevingsplan normen bevatten voor het maximale geluid, waardoor eventueel maatregelen aan de bron kunnen worden afgedwongen. Ten slotte kan het omgevingsplan ook gerichte regels bevatten die ervoor zorgen dat er minder geluid wordt gemaakt. In ieder geval moet beoordeeld worden of sprake is van een aanvaardbaar geluidniveau ter plaatse van geluidgevoelige gebouwen.

4.6.2 Huidige situatie

Het omgevingsplan van de gemeente Nieuwkoop bevat normen voor het maximale geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen (artikel 22.63). Voor geluidgevoelige ruimten in hetzelfde gebouw of een aangebouwd gebouw gelden ook normen. Met die normen wordt verzekerd dat het geluid van een activiteit op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. 

De woningen rond het plangebied zijn geluidgevoelige gebouwen. De huidige schoolgebouwen zijn ook geluidgevoelige gebouwen. Daarnaast veroorzaken de sporthal en de schoolgebouwen zelf ook geluid, bijvoorbeeld door installaties op het dak, maar ook door auto's van het personeel en spelende kinderen op de speelpleinen. Tussen de meeste woningen en de sporthal en schoolgebouwen zit enige afstand door een tuin, pad of groenstrook. In de omgeving zijn er enkele activiteiten die geluid veroorzaken, zoals de paardenbak aan de Hazeweg of het bedrijfspand aan het Conradpark. Die liggen op grotere afstand van de schoolgebouwen (meer dan 50 meter). 

4.6.3 Toekomstige situatie

De nieuwe invulling is vergelijkbaar met de huidige situatie waarin een school en een sporthal voorkomen. Gezien de huidige en toekomstige situatie blijft de geluidssituatie vrijwel onveranderd. Het IKC is passend in de woonwijk. Er wordt voldoende afstand aangehouden ten opzichte van woningen en andere activiteiten. Voor een deel van het geluid volstaan de regels uit het omgevingsplan om een aanvaardbaar geluidsniveau te waarborgen. Voor het overige worden geen wijzigingen ten opzichte van de huidige situatie voorzien. Het aspect geluid door activiteiten wordt als aanvaardbaar beoordeeld. 

4.7 Geur

4.7.1 Kader

De kwaliteit van de fysieke leefomgeving kan worden beïnvloed door de geuruitstoot die samenhangt met activiteiten die in of om het plangebied zijn toegestaan. In het omgevingsplan moet daarom rekening worden gehouden met de geurbelasting die door activiteiten binnen en buiten het plangebied, ter hoogte van geurgevoelige gebouwen binnen en buiten het plangebied, optreedt. In hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is een instructieregel opgenomen, op grond waarvan in het omgevingsplan regels moeten worden opgenomen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat het geurhinderniveau binnen het plangebied aanvaardbaar is. In deze instructieregel zijn voor dat doel aanwijzingen opgenomen waaraan regels voor waterzuiveringsinstallaties en het houden van landbouwhuisdieren moeten voldoen. Voor het overige is het aan de gemeente om te beslissen of en welke aanvullende regels nodig zijn om de geurbelasting door actviteiten in het plangebied aanvaardbaar te laten zijn.

4.7.2 Toekomstige situatie

In de directe omgeving van de voorgenomen ontwikkeling komen geen geurbronnen voor. Het plangebied is niet gelegen in een gebied waar geurhinder bestaat of wordt verwacht. In de omgeving van het plangebied is een paardenbak aanwezig. Voor zover relevant staan er regels ter voorkoming van geurhinder voor het opslaan van vaste mest en kuilvoer in het omgevingsplan. De nieuwe invulling is vergelijkbaar met de huidige situatie waarin een school en een sporthal voorkomen. Gezien de huidige en toekomstige situatie blijft de geursituatie vrijwel onveranderd. Het aspect geur wordt als aanvaardbaar beoordeeld.

4.8 Trillingen

4.8.1 Kader

Op grond van artikel 5.83. van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) moet bij het wijzigen van een omgevingsplan rekening worden gehouden met trillingen door activiteiten in trillingsgevoelige ruimten van trillingsgevoelige gebouwen; het plan moet erin voorzien dat deze trillingen aanvaardbaar zijn. Het toepassingsbereik van deze instructieregel omvat alle activiteiten die met het omgevingsplan zijn toegestaan, met uitzondering van de activiteit wonen. In artikel 5.86. van het Bkl is aangegeven dat hieraan wordt voldaan als aan het omgevingsplan standaardwaarden voor continue trillingen en herhaald voorkomende trillingen worden verbonden. 

4.8.2 Toekomstige situatie

Met de wijziging van het omgevingsplan worden geen trillingveroorzakende activiteiten toegestaan. Voorliggende ontwikkeling veroorzaakt geen trilling die de huidige regels in het omgevingsplan overschrijden. De nieuwe invulling is vergelijkbaar met de huidige situatie waarin een school en een sporthal voorkomen. Gezien de huidige en toekomstige situatie blijft de situatie ten aanzien van trillingen onveranderd. Die situatie is aanvaardbaar.

4.9 Bodemkwaliteit

4.9.1 Kader

Op grond van de instructieregels uit paragraaf 5.1.4.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) moeten in het omgevingsplan regels worden opgenomen die eisen stellen aan de kwaliteit van de bodem waaraan moet worden voldaan om bouwactiviteiten op een bodemgevoelige locatie toe te kunnen staan. Een omgevingsplan kan deze bouwactiviteit toestaan als op een locatie deze grenswaarden worden overschreden, als daarbij wordt voorgeschreven dat sanerende of andere beschermende maatregelen getroffen worden. Daarnaast moet in het omgevingsplan op zijn minst een meldingsplicht worden ingesteld voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. Ook moeten er regels in het omgevingsplan worden opgenomen die het in stand houden van de sanerings- en andere beschermende maatregelen borgen. Naast regels over het bouwen van een bodemgevoelig gebouw kunnen er aanvullend op het Bal regels in het plan worden opgenomen over het op of in de grond brengen van grond en baggerspecie. Zo kan er in het omgevingsplan een zogenoemd bodembeheergebied worden aangewezen en moet in het omgevingsplan de landbodem worden ingedeeld in bodemfunctieklassen. 

4.9.2 Onderzoek

Verkennend bodemonderzoek

Door ABO Milieuconsult B.V. is in november 2023 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd voor het plangebied van de voorgenomen ontwikkeling. Het onderzoek is uitgevoerd conform de eisen uit de normen NEN 5725 en NEN 5740. Onderstaand worden de belangrijkste resultaten uit het onderzoek beschreven. Het uitgebreide onderzoek is te raadplegen via Verkennend bodemonderzoek IKC Het Veen).

Op basis van de verkregen resultaten uit het verkennend bodemonderzoek kan worden geconcludeerd dat de bodemkwaliteit voor het realiseren van de voorgenomen ontwikkeling geschikt is. In de grond zijn plaatselijk bijmengingen aangetroffen en de boven- en ondergrond is licht verontreinigd. In de gedempte watergangen zijn geen bijmengingen aangetroffen en het grondwater is niet verontreinigd. Zowel op het maaiveld als in het opgeboorde materiaal is (visueel) geen asbest aangetroffen. De aangetroffen bijmengingen en verontreinigingen zijn dermate gering dat het uitvoeren van een nader bodemonderzoek niet nodig is. De vastgestelde bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de aanvraag van de omgevingsvergunning en realisatie van de voorgenomen ontwikkeling. Wel dient er te worden voldaan aan het Besluit activiteiten leefomgeving. 

Conclusie

De kwaliteit van de bodem voldoet voor het toelaten van het IKC op de beoogde locatie. In de regels van het omgevingsplan staat een vergunningplicht voor de bouw van het gebouw. Bij het verlenen van de vergunning wordt getoetst of de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden. De situatie ten aanzien van de bodemkwaliteit is aanvaardbaar.

4.10 Omgevingsveiligheid

4.10.1 Kader

Op grond van artikel 5.2. van het Besluit kwaliteit leefomgeving moet in het omgevingsplan rekening worden gehouden met het belang van het voorkomen, beperken, bestrijden, vluchten en geneeskundige hulpverlening van of in geval van branden, rampen en crises. In de instructieregel is voor zover deze branden, rampen en crises samenhangen met de opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen, vuurwerk, explosieven en windturbines een gedetailleerde uitwerking gegeven. Voor de nadelige gevolgen voor de externe veiligheid, die met deze activiteiten binnen het plangebied kunnen samenhangen, wordt in de instructieregel een norm voor het plaatsgebonden risico gehanteerd en een motiveringsplicht opgenomen voor het groepsrisico en voor bouwkundige maatregelen in aandachtsgebieden.

Bij het wijzigen van het omgevingsplan moet voor het plaatsgebonden risico een norm van 10-6 in acht worden genomen. Dit houdt in dat met de regels in het omgevingsplan moet worden geborgd dat het risico op het overlijden van een onbeschermd persoon wordt beperkt tot één op een miljoen per jaar. 

Daarnaast moet in het omgevingsplan rekening worden gehouden met het overlijden van een groep van tien personen of meer door een ongewenste gebeurtenis binnen een aandachtsgebied. Aandachtsgebieden maken inzichtelijk in welk gebied zich bij een ongeval bij een activiteit met gevaarlijke stoffen nog levensbedreigende gevolgen voor personen in gebouwen kunnen voordoen. Binnen de aandachtsgebieden is extra aandacht nodig om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen. 

Voor de bepaling van de aandachtsgebieden is uitgegaan van de bescherming die nieuwbouw en reguliere rampenbestrijding bieden. De gemeente beoordeelt of, en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om mensen in aandachtsgebieden voldoende te beschermen. Het beleidsdoel van het 'aandachtsgebied' is dat voorafgaand aan de besluitvorming wordt nagedacht over de risico's en de mogelijke effecten van een incident bij de (vergunde) activiteit met gevaarlijke stoffen. Onderdeel daarvan is het overwegen van maatregelen die nodig zijn om de veiligheid voldoende te waarborgen en de fysieke leefomgeving en omgevingskwaliteit (milieu en gezondheid) voldoende te beschermen. 

De aandachtgebieden zijn onder te verdelen in brandaandachtsgebieden (BAG), explosieaandachtsgebieden (EAG) en gifwolkaandachtsgebieden (GAG). Aandachtsgebieden kunnen leiden tot voorschriftengebieden indien er sprake is van nieuwbouw, voor bestaande gebouwen gelden voorschriftengebieden niet. Indien men zeer kwetsbare gebouwen wil toestaan in een aandachtsgebied wordt dat aandachtsgebied of het gedeelte met nieuwbouw automatisch een voorschriftengebied. Aanvullende bouweisen gelden voor de nieuwbouw zoals opgenomen in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Bij het toestaan van nieuwe (beperkt) kwetsbare gebouwen kan de gemeente afzien van een voorschriftengebied, mits goed gemotiveerd. Het bepalen van voorschriftengebieden en de motivatie voor de te nemen maatregelen en dergelijke is een verantwoordelijkheid van de gemeente. 

4.10.2 Toekomstige situatie

De bouw van het IKC introduceert geen nieuwe risicobron. In de regels wordt expliciet opgenomen dat activiteiten met risico's voor de omgeving (zoals opgenomen in bijlage VII van het Besluit kwaliteit leefomgeving) niet zijn toegestaan. Bijzondere aandacht voor veiligheid rond opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen is daarom niet nodig. De toekomstige situatie verschilt in die zin niet van de huidige situatie.

Bij de bouwkundige uitwerking van de plannen voor de afzonderlijke gebouwen moet voldaan worden aan de regels in het omgevingsplan over veiligheid. Daarmee wordt onder andere geborgd dat ambulances gebruik kunnen maken van een geschikte verbindingsweg. Ook moet er een toereikende bluswatervoorziening zijn. 

Er wordt voldaan aan de instructieregels ter waarborging van de veiligheid. Er is sprake van een aanvaardbare situatie.

4.11 Water

4.11.1 Kader

Op grond van artikel 5.37. van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) moet bij het wijzigen van het omgevingsplan rekening worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij is aangegeven dat daarbij de opvattingen van de beheerder van deze watersystemen moeten worden betrokken. Daarnaast is er een groot aantal beleidsstukken dat betrekking heeft op de waterhuishouding. Hieronder wordt een en ander uiteengezet.

Europees en rijksbeleid

Het Nationaal Water Programma 2022-2027

Het Nationaal Water Programma 2022-2027 is vastgesteld op 18 maart 2022. In het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. De ministeries van Infrastructuur en Waterstaat, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit hadden de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het opstellen van het NWP. Zij ontwikkelden dit samen met medeoverheden, drinkwaterbedrijven, maatschappelijke organisaties en branche- en sectorpartijen. Om de uitdagingen rondom water het hoofd te bieden is samenwerking cruciaal.

Op grond van Europese regelgeving en de nationale Waterwet zijn iedere 6 jaar nationale plannen voor water nodig. In het NWP komen het oude Nationaal Waterplan (voor beleid) en het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren (voor beheer) samen. Zo wordt al in de geest van de Omgevingswet gewerkt. Daarnaast zijn het Programma Noordzee, de stroomgebiedbeheerplannen en de overstromingsrisicobeheerplannen onderdeel van het NWP. Hiermee geeft het programma invulling aan de Europese richtlijnen voor water.

Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater en waterverdeling, waterkwaliteit en natuur scheepvaart en de functies van de rijkswateren. Denk aan het omgaan met droogte, onze dijken, en het borgen van de drinkwatervoorziening en de bevaarbaarheid van onze rivieren en kanalen. Hierbij wordt gekeken naar de raakvlakken binnen en tussen de verschillende waterthema’s, ook in de verschillende ‘water’ gebieden (dit zijn: Noordzee, Zuidwestelijke Delta, Waddengebied, IJsselmeergebied, Rivieren, Kanalen en Rijnmond-Drechtsteden). Dat brengt samenhang in het waterbeleid aan. Daarnaast worden de raakvlakken laten zien tussen water en andere thema’s als landbouw, landschap, bodem en het energie- en klimaatbeleid. Het programma biedt daarmee overzicht en inzicht van wat Nederland nu en in de toekomst te wachten staat.

Omgevingswet

De voormalige Waterwet is opgenomen in de Omgevingswet en regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen.

De waterschappen hebben een bevoegdheid voor het verlenen van vergunningen voor grondwateronttrekkingen, bemalingen en infiltraties, met uitzondering van onttrekkingen voor drinkwater, koude en warmteopslag en grote industriële onttrekkingen van meer dan 150.000 m3/jaar. Gemeenten hebben verdergaande taken en bevoegdheden in het kader van de zorgplicht voor het inzamelen van afvalwater in de riolering en voor hemelwater en grondwater.

Nationaal Bestuursakkoord Water

In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen. 

In het NBW is ook de watertoets (grondslag in het Bro) als procesinstrument opgenomen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 heet de watertoets nu officieel de ‘weging van het waterbelang’. Deze weging is wettelijk vastgelegd in artikel 5.37. Bkl. Het is een motiveringsplicht voor gemeenten om bij ruimtelijke plannen (zoals het omgevingsplan) rekening te houden met waterhuishoudkundige aspecten, zoals waterveiligheid, wateroverlast en waterkwaliteit. Het heeft tot doel dat waterbeheerders (waterschappen) in een vroeg stadium betrokken worden bij ruimtelijke ontwikkelingen, om zo waterneutraal en toekomstbestendig bouwen te garanderen. In 2008 is het NBW geactualiseerd met als doel de watersystemen op orde te krijgen, met name op het gebied van wateroverlast en watertekort. Hoewel de wettelijke basis nu in het Bkl ligt, blijven de inhoudelijke principes uit het NBW (zoals de watertoets) gelden.

Kaderrichtlijn water

De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) geeft een kader voor de bescherming van de ecologische en chemische kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater. Zo dienen alle waterlichamen in 2027 een “goede ecologische toestand” (GET) te hebben bereikt en dienen sterk veranderende c.q. kunstmatige wateren in 2027 een “goed ecologisch potentieel” (GEP) te hebben bereikt. De chemische toestand dient in 2027 voor alle wateren (natuurlijk en kunstmatig) goed te zijn.

Waterbeheer 21e eeuw 

In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw (WB21) advies uitgebracht over het toekomstig waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatshebben; berging moet binnen het stroomgebied plaatshebben. Dit betekent onder andere het aanwijzen en in stand houden van waterbergingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd.

4.11.2 Situatie plangebied

Bestaande en toekomstige situatie oppervlaktewatersysteem

In de huidige situatie bestaat het plangebied voornamelijk uit verharding en groenstroken. Ten noorden van de voormalige Wegwijzer loopt een sloot. Deze watergang is met een duiker verbonden met de sloot aan de westzijde van de Hazeweg. Het betreft een watergang aan de voet van een dijk. Het maaiveld van de dijk ligt op circa -1,2 NAP, het plangebied op ca. -4,6 NAP. Het waterpeil ligt op -5,3 NAP. In de toekomstige situatie wordt een deel van de sloot aangepast. Een gedeelte wordt versmald en een gedeelte van de duiker wordt verwijderd. 

afbeelding binnen de regeling
Afbeelding 4.4: Uitsnede leggerkaart oppervlaktewateren.Bron: Hoogheemraadschap van Rijnland

Waterkwaliteit

In de huidige situatie is een gemengd rioolstelsel aanwezig. Bij de nieuwbouw wordt een gescheiden stelsel aangelegd. Het afstromende hemelwater wordt geloosd in het oppervlaktewater. Het tegengaan van riooloverstorten door de afkoppeling van hemelwater komt de waterkwaliteit (in de omgeving) ten goede. Het ontstaan van (nieuwe) vervuilingsbronnen dient zoveel mogelijk te worden voorkomen om vervuiling van grond- en oppervlaktewater te beletten. Door het aanleggen van het gescheiden stelsel wordt geen hemelwater vervuild.

Watercompensatie

Een deel van de sloot wordt gedempt ten behoeve van de nieuwbouw. Dit verlies aan oppervlaktewater dient te worden gecompenseerd. In onderstaande tabel is het verschil in verharding ten opzichte van de huidige situatie weergegeven. Voor de afname dient 15% gecompenseerd te worden. Daarnaast wordt er 32 m2 aan water gedempt. 

afbeelding binnen de regeling
Afbeelding 4.5: Tabel watercompensatie IKC Het Veen. Bron: Gemeente Nieuwkoop

 

Het is niet mogelijk de genoemde 298 m2 binnen het plangebied te compenseren. In overleg met het Hoogheemraadschap van Rijnland is daarom besloten dat de watercompensatie in de naastgelegen polder Nieuwkoop wordt gerealiseerd. 

Veiligheid en wateroverlast

Voorliggend plangebied is gelegen nabij een regionale waterkering met beschermingszone. Hiervoor geldt dat in het belang van de bescherming van de waterkering op de aangewezen gronden niet mag worden gebouwd. Het plangebied is niet gelegen in de kernzone of beschermingszone. Het is wel gelegen in de buitenbeschermingszone. Zie onderstaande afbeelding voor een uitsnede uit de legger voor waterkeringen. Dit is geen belemmering voor de bouw van het IKC.

afbeelding binnen de regeling
Afbeelding 4.6: Uitsnede legger regionale waterkeringenBron: Hoogheemraadschap van Rijnland

Volksgezondheid

Doordat regenwater gescheiden wordt afgevoerd van het afvalwater, worden (gemengde) riooloverstorten voorkomen en zullen bestaande gemengde overstorten niet verergeren. De risico’s van watergerelateerde ziekten en plagen worden hierdoor geminimaliseerd.

Beheer en onderhoud 

Het beheer en onderhoud van het inzamelings- en transportstelsel van afvalwater, kortom de riolering, ligt bij de gemeente. Het waterschap is verantwoordelijk voor de zuivering van het aangeleverde afvalwater. Daarnaast moet de gemeentelijke riolering bereikbaar zijn voor beheer en onderhoud.

Conclusie

Voorgenomen ontwikkeling van het IKC leidt niet tot nadelige effecten op het oppervlaktewatersysteem. De watercompensatie wordt in de naastgelegen polder Nieuwkoop gerealiseerd. Bovendien wordt door de aanleg van een gescheiden rioolstelsel minder hemelwater gemengd met afvalwater. De afvalwaterzuivering kan daardoor efficiënter verlopen en de kans op vervuiling van het oppervlaktewater neemt af. De watersituatie verbetert en is in de toekomstige situatie aanvaardbaar. In het kader van het vooroverleg is een concept van deze motivering bij de omgevingsplanwijziging aan het Hoogheemraadschap van Rijnland toegestuurd.

4.12 Natuur en ecologie

4.12.1 Kader

Een van de thema's die op grond van de Omgevingswet onderdeel uitmaakt van de fysieke leefomgeving, is logischerwijs de natuur. Op grond van de Omgevingswet moeten bestuursorganen dan ook bij het uitoefenen van hun taken zorg dragen voor de bescherming van natuurwaarden. Als uitwerking van Europese richtlijnen richt deze waarborg voor de kwaliteit en integriteit van natuurwaarden zich op de bescherming van (kwetsbare) soorten en gebieden, onder andere door het beperken van de uitstoot en neerslag van stikstof in de natuur. De soortenbescherming richt zich in het nationale beleid op de soorten die in de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de Nationaal beschermde soorten zijn aangewezen. De gebiedsbescherming richt zich op de Natura 2000-gebieden, de gebieden aangewezen als Natuur Netwerk Nederland en houtopstanden. Tot slot richt de natuurbescherming zich in het kader van de Omgevingswet op het thema faunabeheer. 

De opdracht om bij het uitvoeren van taken en bevoegdheden op grond van de Omgevingswet zorg te dragen voor de natuur, is in hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving opgenomen. In hoofdstuk 11 van het Bal zijn hiervoor regels opgenomen over activiteiten met mogelijke gevolgen voor Natura 2000-gebieden, activiteiten met betrekking tot dieren of planten in het wild en activiteiten die houtopstanden, hout en houtproducten betreffen. Het Bal biedt ruimte om in afwijking van deze regels maatwerkregels op te nemen in het omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn in hoofdstuk 3 instructieregels opgenomen over de uitwerking van het beschermen van habitats en soorten. Hierbij is het provinciebestuur aangewezen als bevoegd bestuursorgaan voor het treffen van maatregelen voor het behoud of herstel van habitats en soorten, het vaststellen van maatregelen om de Natura 2000-gebieden in stand te houden en het uitvoeren van uitroeiingsmaatregelen, beheersmaatregelen en herstelmaatregelen om invasieve exoten en verwilderde dieren tegen te gaan. Op grond van het Bkl dient ook een programma te worden opgesteld om tot een reductie van uitstoot en neerslag van stikstof en natuurverbetering te komen. Dit programma kan gevolgen hebben voor het opstellen van omgevingsplannen door gemeenten. Daarnaast biedt het Bkl de mogelijkheid om een gemeentelijk programma voor de aanpak van stikstof vast te stellen. De provincie kan haar beschermingsdoelstellingen in haar omgevingsverordening in de vorm van instructieregels opleggen aan gemeenten. De gemeenten moeten dan bij het opstellen van het omgevingsplan deze instructieregels in acht nemen. 

4.12.2 Situatie plangebied

In april 2023 is door Blom Ecologie een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd voor voorliggend plangebied aan de Ambroziolaan 32 en Hazeweg 1. Het rapport van deze quickscan is te raadplegen via Quickscan Wnb IKC Het Veen. Op basis van de resultaten is door Blom Ecologie een Aanvullend onderzoek ecologie Ambroziolaan 32 en Hazeweg 1 te Nieuwveen uitgevoerd. Dit rapport is te raadplegen (Aanvullend onderzoek ecologie IKC Het Veen). Onderstaand zijn de belangrijkste resultaten weergegeven. 

Soortenbescherming

Tijdens het veldonderzoek zijn verblijfsplaatsen van vleermuizen aangetroffen. Aanvullend onderzoek naar vleermuizen is daarom benodigd. Tevens dienen er enkele maatregelen te worden getroffen om de kolonisatie door de rugstreeppad te voorkomen. Voorliggend plangebied is mogelijk geschikt voor soorten die niet beschermd zijn en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen. Voor algemeen aanwezige soorten geldt de algemene wettelijke zorgplicht zoals weergegeven in artikel 11.27 van Besluit activiteiten leefomgeving.

Aanvullend onderzoek naar vleermuizen

Op basis van de waarnemingen ten behoeve van het aanvullende onderzoek naar vleermuizen kan worden geconcludeerd dat er een viertal soorten vleermuizen aanwezig is in de omgeving van het plangebied. Echter zijn er geen essentiële vliegroutes en/of foerageergebieden of vleermuisverblijfplaatsen aangetroffen op de locatie van het planvoornemen. Uitgesloten kan worden dat het planvoornemen nadelige gevolgen heeft op de aanwezigheid van vleermuizen. De wettelijke Specifieke zorgplicht betreft de Vrl art. 4.2 en bijlage 1-soorten, Rode Lijst-soorten, Hrl bijlage II, IV en V soorten en nationaal beschermde soorten blijft gelden. Er zijn geen preventieve maatregelen benodigd. 

Gebiedsbescherming

Voorliggend plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermd gebied. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake (zie figuur 4.7). Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie dienen de effecten van stikstofemissie inzichtelijk gemaakt te worden. 

afbeelding binnen de regeling
Afbeelding 4.7: Tabel gebiedsbescherming, overzicht beschermde gebieden 

 

Stikstof

Wegens de algemene hoge stikstofdepositie in Nederland is middels rekenprogramma Aerius de verwachte stikstofdepositie berekend in de aanleg- en gebruiksfase. De Aerius-berekeningen zijn te raadplegen via AERIUS-berekening aanlegfase IKC Het Veen en AERIUS-berekening gebruiksfase IKC Het Veen. De berekeningen naar de effecten van stikstof in de aanleg- en gebruiksfase dienen zekerheid te bieden dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet worden aangetast en dat een verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten, dan wel een verstoring niet optreedt. 

Het resultaat is dat geen bijdrage aan de stikstofdepositie wordt berekend. De stikstofemissie heeft geen invloed op de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden. Er kan gesteld worden dat op voorhand valt uit te sluiten dat het plan significante effecten kan hebben op Natura 2000-gebieden. De motivering hiervan is opgenomen in het  Stikstofdepositie-onderzoek IKC Het Veen.

Conclusie

Met het realiseren van het IKC is er geen negatieve invloed op de flora en fauna binnen het plangebied en beschermde natuurgebieden in de omgeving. De situatie ten aanzien van natuur en ecologie wordt aanvaardbaar geacht.

4.13 Archeologie en cultuurhistorie

4.13.1 Kader

Landschap

Onder de Omgevingswet zijn instructieregels opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) in paragraaf 5.1.5: 'Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed'. Daarnaast zijn er beleidskaders vastgelegd, zowel in de provinciale omgevingsvisie als in de gemeentelijke bestemmingsplannen. Op basis van deze documenten is een beschermingsregime opgenomen voor het behoud en versterken van kenmerkende landschapsstructuren en cultureel erfgoed.

Rijksbeleid 

De Erfgoedwet bevat het wettelijk kader voor de omgang met erfgoed. Het beschermen en beheren van cultureel erfgoed is ook een van de belangen van de Omgevingswet (art 1.2 Ow). De Erfgoedwet is voor een deel opgenomen in de Omgevingswet, namelijk de regels die met de fysieke leefomgeving zijn geïntegreerd. Hieronder vallen onderdelen uit de Monumentenwet van 1988 die voorheen in het overgangsrecht van de Erfgoedwet waren opgenomen. Daarbij blijven de bevoegdheden en beschermingsniveaus op grote lijnen gehandhaafd. De vuistregel voor de verdeling tussen Erfgoedwet en Omgevingswet is als volgt: de duiding van cultureel erfgoed en de zorg voor cultuurgoederen in overheidsbezit staat in de Erfgoedwet, de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving is geregeld in de Omgevingswet. Voor gebouwde of aangelegde monumenten betekent dit dat de vergunningverlening voor het wijzigen van rijksmonumenten is geregeld in de Omgevingswet. Ook aanwijzing en omgang met beschermde stads- en dorpsgezichten gebeurt op grond van de Omgevingswet. Datzelfde geldt voor de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving (vergunningverlening en integratie in de planvorming). In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn regels opgenomen voor de bescherming van rijksmonumenten en archeologische monumenten. In het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) zijn regels over het bouwen, verbouwen, gebruiken en slopen van bouwwerken opgenomen.

Provinciaal beleid

De cultuurhistorische waardenkaart (CHW-kaart) van de provincie Zuid-Holland laat zien welke cultuurhistorische interessante en waardevolle patronen en objecten zich in het projectgebied bevinden. Elke tijdsperiode heeft haar weerslag gehad op de vorming van de gebouwde omgeving. Lijnen, punten en vlakken uit het verleden zijn soms nog afleesbaar in het huidige landschap. De CHW-kaart brengt deze cultuurhistorische waardevolle patronen en objecten in beeld.

Gemeentelijk beleid

Nieuwkoop is een erfgoedrijke gemeente, met verschillende cultuurhistorische clusters zoals de veenlandschappen, veenplassen, droogmakerijen, polders en lintbebouwing. Dan zijn er verder nog de bijzondere monumenten als de Russische boerderijen, het veelzijdig religieus erfgoed en andere gebouwde monumenten. In de Nota erfgoed gemeente Nieuwkoop 2020 is het gemeentelijke beleid ten aanzien van erfgoed beschreven. Het is van belang dat het erfgoed van de gemeente bewaard blijft voor toekomstige generaties,  zodat onze toekomst voorzien is van een verleden. Erfgoed moet de verbinding zoeken met andere beleidsvelden, en gezamenlijk een pad naar de toekomst uitstippelen, in onder andere de omgevingsvisies en omgevingsplannen. Samen staan we sterk, met een gedegen kennis van het verleden, nu en in de toekomst.

4.13.2 Onderzoek

Uit de Cultuurhistorische kaart van de provincie Zuid-Holland valt af te leiden dat het plangebied gelegen is in een gebied met hoge kans op archeologische sporen. Het gaat hierbij om oude stroomgordels en geulafzettingen tussen 0 en 5 meter beneden het maaiveld. Het plangebied is verder niet gelegen in een gebied met kans op overige archeologische sporen. Verder is de nabijgelegen dijk aangeduid als historisch landschappelijke lijn van redelijke hoge waarde. De dijk blijft intact.

In het vigerend bestemmingsplan kent het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2'. Dit betekent dat de aangewezen gronden, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd zijn voor behoud en bescherming van archeologische waarden. Dit houdt in dat bij een aanvraag van de omgevingsvergunning voor het oprichten van een bouwwerk met een oppervlakte groter dan 2.500 m2 of werkzaamheden die dieper reiken dan 50 cm een rapport opgesteld dient te worden dat voldoet aan de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie. De oppervlakte van de bebouwing wordt ongeveer 3.000 m2

Door Vestigia is een archeologische vooronderzoek uitgevoerd om een gespecificeerde archeologische verwachting te verkrijgen. Het afzonderlijke rapport is te raadplegen via Archeologisch vooronderzoek IKC Het Veen. Uit het onderzoek blijkt dat het plangebied gelegen is in het Zuid-Hollands veengebied, naar verwachting op de rand van een mariene geul. Vanwege de verhoogde ligging in het landschap door reliëf-inversie kan deze geul in de periode Mesolithicum, Vroeg- en Midden-Neolithicum een aantrekkelijke locatie zijn geweest voor bewoning. Opgemerkt dient te worden dat bewoning gedurende deze periode in deze contreien schaars was, en dat het bewoonbare oppervlak door vervening en recente en subrecente bewerkingen vaak danig is verstoord. Niettemin bestaat er voor deze periode een lage tot middelhoge kans op het aantreffen van archeologische resten van bewoning en menselijke activiteit. Na vernatting van het landschap vanaf het Midden-Neolithicum werd het gebied een ontoegankelijk veenmoeras dat pas in de Late Middeleeuwen werd ontgonnen. Het plangebied ligt net buiten de oude kern en historische ontginingsassen van Nieuwveen. De historische kern van Nieuwveen is omstreeks de 13e eeuw rondom de kruising van de Dorpsstraat en de Kerkstraat als een lineair bebouwingslint ontstaan. De naam Nieuwveen geeft aan dat het een relatief nieuw ontgonnen gebied moet zijn geweest in verhouding tot de dorpen in de omgeving. Het plangebied ligt in een zone die in het verleden is verveend, waarbij door de veenwinning de mariene afzettingen van het Laagpakket van Wormer weer aan het oppervlak zijn gekomen. Het plangebied ligt in een polder die aan het begin van de 19e eeuw is drooggelegd. Op basis van het beschikbare kaartmateriaal zijn er geen aanwijzingen voor historische bebouwing in het plangebied tot de jaren 70 van de vorige eeuw.

Conclusie

Op basis van de lage tot middelhoge archeologische verwachting en de oppervlakte van de nieuwbouw wordt besloten een vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een verkennend booronderzoek. Dit onderzoek wordt momenteel uitgevoerd. In het omgevingsplan wordt opgenomen dat bij het verlenen van de omgevingsvergunning aan de hand van het onderzoeksrapport wordt beoordeeld of de archeologische waarde wordt geschaad. Zo nodig worden aan de omgevingsvergunning voorschriften verbonden gericht op het voorkomen of beperken van schade aan de archeologische waarde.

4.14 Duurzaamheid en klimaatadaptatie

4.14.1 Kader

Er is geen wettelijk kader voor ruimtelijke plannen op het gebied van energie, klimaatadaptatie en circulariteit, maar er zijn wel nationale, regionale en lokale doestellingen waarmee aan de doelbijdrage kan worden getoetst.

Nationaal klimaatbeleid

De afgelopen jaren heeft de nationale overheid haar duurzaamheidsdoelen en de benodigde acties in verschillende documenten en afspraken vastgelegd. In 2013 zijn er afspraken gemaakt met het bedrijfsleven over onder andere besparing en meer duurzame opwekking in het Energieakkoord. In 2015 is er tijdens een VN-klimaattop in Parijs een nieuw internationaal klimaatakkoord opgesteld. Het doel hiervan is om de opwarming van de aarde te beperken tot ruim onder de 2 graden Celsius en minimaal 1,5 graden. In 2016 heeft de overheid vervolgens in de Energie-agenda vastgelegd hoe een CO2-arme energievoorziening in 2050 gerealiseerd kan worden. In 2018 zijn deze afspraken verder uitgebreid met een nationale Klimaatwet. Deze stelt dat in 2030 een CO2-reductie van 49% ten opzichte van 1990 gerealiseerd moet zijn. In 2050 moet dit minimaal 95% zijn. In een nationaal klimaatakkoord worden afspraken gemaakt hoe deze doelen gehaald gaan worden. Op 28 juni 2019 heeft het kabinet het klimaatakkoord gepubliceerd.

Als onderdeel van het nationale klimaatakkoord is ook afgesproken om op regionaal niveau samen te werken aan de energietransitie. Daarbij gaat het specifiek over lokale duurzame opwekking, besparing en de warmtetransitie. Dit resulteert in dertig regionale energiestrategieën (de RES). De regio's krijgen ondersteuning van het Nationaal Programma RES. Via de RES kan de besluitvorming omtrent de ruimtelijke inpassing van de duurzame energieopwekking en de energie-infrastructuur worden voorbereid in goed overleg met alle maatschappelijke partners en betrokkenen binnen de regio.

Wet Voortgang Energie Transitie

Op 1 juli 2018 is de Wet Voortgang Energie Transitie (VET) in werking getreden. Deze Wijzigingswet heeft een aantal aanpassingen doorgevoerd in de Gaswet en de Elektriciteitswet. Door de wijziging van de Gaswet mag een netbeheerder geen aardgasaansluiting meer verzorgen voor nieuwbouw. De aansluitplicht is dus vervallen, waarmee nieuwbouw niet meer aangesloten kan worden op het aardgasnet. Een belangrijk aandachtspunt is dat dit alleen geldt voor kleinverbruikers. Kleinverbruikers hebben een gasmeter tot en met G25 (een doorlaatwaarde tot en met 40 m³ per uur). Veel grotere kantoorpanden en bedrijven hebben een grotere aansluiting en hebben dus nog steeds recht op een aardgasaansluiting. Daarnaast biedt de Wet VET het college de ruimte om gebieden aan te wijzen waar netbeheerders geen nieuwe aardgasaansluitingen meer mogen verzorgen. Van deze bevoegdheid mag alleen gebruik worden gemaakt als er is voorzien in alternatieve voorzieningen. Dit heeft echter alleen invloed op kleingebruikers. Voor grootverbruikers vervalt het recht op een gasaansluiting hiermee dus niet. De wetgeving biedt ook ruimte aan het college van B&W om bij zwaarwegende redenen van algemeen belang uitzonderingen te maken en toch in een gasaansluiting te voorzien.

Energiezuinig bouwen

De energiezuinigheid van woningen en utiliteitsgebouwen wordt uitgedrukt in de Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC). Het Besluit bouwwerken leefomgeving stelt bepaalde eisen aan de energiezuinigheid van gebouwen en daarmee de EPC-waarde van een gebouw. Voor een woning geldt een eis van 0,4 terwijl voor utiliteitsbouw een variatie aan normen wordt gehanteerd op basis van de functie. De EPC-eisen zijn vanaf 2021 vervangen door de eisen voor Bijna EnergieNeutrale Gebouwen (BENG). In het Nationaal Plan voor het bevorderen van bijna-energieneutrale gebouwen wordt een strategie geschetst om te komen tot bijna-energieneutrale gebouwen, zowel bij nieuwbouw als transformatie van bestaande gebouwen. Het grote verschil tussen EPC en BENG is dat bij deze nieuwe eis energiebesparing belangrijker is dan energieopwekking. Waar bij de EPC-eis het nog mogelijk was om energieverliezen met bijvoorbeeld zonnepanelen te compenseren, kan dit met de nieuwe BENG-eisen niet meer. Vergunningaanvragen die na 1 januari 2021 worden ingediend moeten voldoen aan deze BENG-norm.

4.14.2 Onderzoek

Voorliggende ontwikkeling voorziet in de realisatie van IKC Het Veen. Dit gebouw wordt voor minstens 30 tot 60 jaar geplaatst, waarbij rekening wordt gehouden met het toekomstige klimaat. Er wordt rekening gehouden met meer neerslag, hitte en droogte. De toekomstige bebouwing voldoet aan de BENG-eisen op het gebied van energieprestatie. 

Conclusie

Het plan voldoet in ieder geval aan de wettelijke normen en vereisten op het gebied van duurzaamheid en geeft waar mogelijk invulling aan de verschillende duurzaamheidskaders, zoals het realiseren van extra oppervlaktewater. Bezien vanuit dit aspect is daarom sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5 Regelmethodiek

5.1 Wijzigen van het omgevingsplan

Bij inwerkingtreding van de Omgevingswet (Ow) hebben gemeenten een omgevingsplan van rechtswege. Dit bestaat uit de bestaande bestemmingsplannen en de regels van rijkswege (zie ook paragraaf 1.3). Als er nieuwe initiatieven worden mogelijk gemaakt waarvoor het omgevingsplan moet worden aangepast, wordt er dus niet een nieuw omgevingsplan gemaakt, maar wordt er een deel van het omgevingsplan gewijzigd. 

De gemeente werkt aan een nieuwe structuur voor het omgevingsplan. Op dit moment staan alleen de regels van rijkswege in de planregels van het omgevingsplan (in de hoofdstukken 1 en 22). Om de opbouw van de nieuwe structuur niet te hinderen, worden met deze wijziging van het omgevingsplan alleen nieuwe regels toegevoegd in een apart hoofdstuk met projectgebonden regels. Deze regels gaan specifiek over de ontwikkeling van het IKC en zijn alleen van toepassing in het plangebied voor het IKC. 

5.2 Nieuwe regels in plaats van bestemmingsplan, in aanvulling op regels van rijkswege

Er worden alleen nieuwe regels opgenomen die noodzakelijk zijn om het IKC te kunnen realiseren. De bestemmingsregels van het voormalige bestemmingsplan Kern Nieuwveen, Zevenhoven en Noordeinde laten de bouw van het IKC in de gewenste vorm niet toe. Er is daarom behoefte aan nieuwe regels over het bouwen van gebouwen en andere bouwwerken en over het gebruik van die bouwwerken en gronden. 

Hoofdstuk 22 blijft in tact. De vergunningplicht van artikel 22.26 en de beoordelingsregels in artikel 22.29 kunnen onveranderd blijven voor de ontwikkeling van het IKC. In de beoordelingsregels wordt verwezen naar in het omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken. Ter plaatse van het plangebied staan die regels dan niet langer in het voormalige bestemmingsplan Kern Nieuwveen, Zevenhoven en Noordeinde, maar in titel 'IKC Nieuwveen' van het hoofdstuk 'Projectgebonden regels'. 

De regels uit de voormalige bestemmingsplannen kunnen voor een bepaalde locatie alleen in zijn geheel komen te vervallen. Het voormalige bestemmingsplan Kern Nieuwveen, Zevenhoven en Noordeinde komt daarom ter plaatse van het plangebied voor het IKC in zijn totaliteit te vervallen. Dus niet alleen de bestemmingsregels, maar ook de algemene bouwregels en de begripsbepalingen. Voor zover noodzakelijk bevatten de nieuwe regels in het omgevingsplan daarom alle regels uit het voormalige bestemmingsplan die op de locatie van het IKC nodig zijn.

De nieuwe regels zijn opgedeeld in regels over gebruik van gronden en bouwwerken (afdeling 21.2.2), regels over het bouwen van bouwwerken (afdeling 21.2.3) en regels over het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden. De regels van afdeling 21.2.2 en 21.2.3 zijn van belang bij het beoordelen van een aanvraag om omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26. De regels van afdeling 21.2.2 over het gebruik van gronden en bouwwerken zijn bovendien direct werkende regels.

Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting. 

6 Maatschappelijke en financiële haalbaarheid

6.1 Kostenverhaal

Ook de Omgevingswet kent een verplichting voor gemeenten om kosten te verhalen op de initiatiefnemer. Het verhaal van de gemaakte kosten is aan de orde indien een nieuwe (gebieds)ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt met daarin kostenverhaalplichtige activiteiten. De volgende activiteiten zijn kostenverhaalplichtig:

 

  • a.

    de bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie;

  • b.

    de bouw van een of meer hoofdgebouwen anders dan gebouwen met een woonfunctie;

  • c.

    de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte of met een of meer gebouwen met een woonfunctie; 

  • d.

    de bouw van een gebouw dat geen hoofdgebouw als bedoeld onder b is, met ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte; 

  • e.

    de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen met andere gebruiksfuncties dan een woonfunctie tot gebouwen met een woonfunctie, mits het ten minste tien woonfuncties betreft; of 

  • f.

    de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen met andere gebruiksfuncties dan een kantoorfunctie, een winkelfunctie of een bijeenkomstfunctie voor het verstrekken van consumpties voor het gebruik ter plaatse tot gebouwen met een of meer van deze gebruiksfuncties, mits de cumulatieve bruto-vloeroppervlakte van de nieuwe gebruiksfuncties ten minste 1.500 m2 bedraagt. 

Indien de wijziging van het omgevingsplan nieuwe kostenverhaalplichtige activiteiten mogelijk maakt, dient het kostenverhaal via een van de onderstaande opties te worden verzekerd:

 

  • a.

    anderszins, via een overeenkomst, bijvoorbeeld:

    • 1.

      een anterieure overeenkomst met de initatiefnemer van de kostenverhaalplichtige activiteit; of

    • 2.

      via de gronduitgifte-overeenkomst tussen gemeente en een toekomstige eigenaar, indien de gemeente het volledige kostenverhaalsgebied in eigendom heeft.

  • b.

    via regels kostenverhaal in het omgevingsplan, waarbij gekozen wordt tussen:

    • 1.

      een systeem met tijdvlak: vergelijkbaar met het systeem uit de Wro, waarbij plannen een duidelijk eindbeeld, een fasering en een einddatum hebben, zodat kosten en opbrengsten op voorhand goed te berekenen zijn;

    • 2.

      of zonder tijdvak: een nieuw systeem voor gebiedsontwikkelingen zonder een duidelijk eindbeeld, zonder fasering en zonder einddatum, waardoor kosten en opbrengsten op voorhand moeilijker te berekenen zijn en er gewerkt wordt met scenario's. 

Ongeacht de systeemkeuze hebben de regels kostenverhaal in ieder geval betrekking op het verhalen van kosten (gekoppeld aan een kostenverhaalsgebied). Net als in een exploitatieplan (onder de Wro) kunnen in dit verband ook regels in het omgevingsplan worden opgenomen over:

  • fasering van en koppelingen tussen werkzaamheden en/of activiteiten;

  • locatie-eisen;

  • woningbouwcategorieën (artikel 5.161c Bkl). 

 

Bij het wijzigingsbesluit van het omgevingsplan moet de keuze voor een van de opties voor het kostenverhaal gemotiveerd worden. Het kostenverhaal dient te worden verzekerd voor elke wijziging van het omgevingsplan.

De gronden waarop het IKC gerealiseerd wordt zijn in eigendom van de gemeente Nieuwkoop. Verhaal van kosten is daardoor niet aan de orde. 

6.2 Financiële haalbaarheid

Ten behoeve van de realisatie van het IKC gelden de uitgangspunten uit de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Nieuwkoop 2015, dat door de gemeenteraad is vastgesteld op 9 juli 2015. De verordening regelt de bekostiging van voorzieningen zoals scholen in de gemeente Nieuwkoop. Door het college worden jaarlijks normbedragen vastgesteld voor de vergoeding hiervan, op basis van de in bijlage IV opgenomen systematiek van prijsbijstelling. Het schoolbestuur dient voor de bekostiging een aanvraag in te dienen bij de gemeente, die aan de criteria uit de verordening dient te voldoen. De school dient ten slotte jaarlijks verantwoording af te leggen over de besteding van de beschikbaar gestelde middelen. 

6.3 Participatie

De gemeente heeft in de afgelopen jaren onderzoek gedaan naar verschillende potentiële locaties voor het IKC. Hieruit zijn vier mogelijke locaties gekomen, waarna uitgebreid onderzoek is uitgevoerd naar de voor- en nadelen van deze locaties, door middel van een maatschappelijke kosten baten analyse (MKBA). Op 20 april 2022 heeft de gemeente Nieuwkoop een informatieavond georganiseerd voor de inwoners van Nieuwveen voor de toekomstige locatie van het IKC. Via het platform Denk Mee Nieuwkoop op de website van de gemeente Nieuwkoop hebben inwoners de gelegenheid gekregen een reactie te plaatsen op de locatie.

In het proces naar het stedenbouwkundig ontwerp van het IKC zijn de vaste gebruikers en toekomstige gebruikers van de sportzaal en multifunctionele ruimte en omwonenden van het IKC betrokken. In verschillende sessies en middels meerdere inloopavonden zijn zij en overige belangstellenden geïnformeerd over hoe het gebouw eruit komt te zien. Ook worden inwoners en belangstellenden geïnformeerd over het project middels een huis-aan-huis nieuwsbrief en de website. Tot slot worden ook ouders van leerlingen van de huidige scholen regelmatig geïnformeerd. Bovendien wordt informatie gepubliceerd op de website van de gemeente Nieuwkoop.

Ook bij de wijziging van het omgevingsplan krijgen omwonenden en andere belanghebbenden de mogelijkheid om hun mening te geven over de plannen. Het ontwerp van het wijzigingsbesluit wordt zes weken ter inzage gelegd. Een ieder kan in die periode zijn zienswijze kenbaar maken. Maar ook bij de totstandkoming van het ontwerpbesluit wordende de wettelijke overlegpartners en organisaties die zich hebben aangemeld actief benaderd om mee te denken over de plannen, zoals het hoogheemraadschap van Rijnland en de provincie Zuid-Holland.

I Overzicht Documentenbijlagen

Parkeerduuronderzoek IKC Het Veen

/join/id/pubdata/gm0569/2026/67622d3127184c599e983f06e8f576db/nld@2026‑05‑06;08022779

Akoestisch onderzoek IKC Het Veen

/join/id/pubdata/gm0569/2026/a19ef72a8dc84932a103cff053782f4c/nld@2026‑05‑06;08022779

Verkennend bodemonderzoek IKC Het Veen

/join/id/pubdata/gm0569/2026/58c07106f5a249568fdd84d3602f3a9e/nld@2026‑05‑06;08022779

Quickscan Wnb IKC Het Veen

/join/id/pubdata/gm0569/2026/75a5289e3259482987d5ba84d2ba9db7/nld@2026‑05‑06;08022779

Aanvullend onderzoek ecologie IKC Het Veen

/join/id/pubdata/gm0569/2026/b9cdc051ac224180a2ff74f8d7c3df7c/nld@2026‑05‑06;08022779

AERIUS-berekening aanlegfase IKC Het Veen

/join/id/pubdata/gm0569/2026/d7b1f0368c70431ea6bc58375cc57faf/nld@2026‑05‑06;08022779

AERIUS-berekening gebruiksfase IKC Het Veen

/join/id/pubdata/gm0569/2026/297c02cae0484a01a7eb52fd21f46665/nld@2026‑05‑06;08022779

Stikstofdepositie-onderzoek IKC Het Veen

/join/id/pubdata/gm0569/2026/62c7a2d1a38e42338e06c4499dfc0c1f/nld@2026‑05‑06;08022779

Archeologisch vooronderzoek IKC Het Veen

/join/id/pubdata/gm0569/2026/146b159174df472daf1695f8552be33e/nld@2026‑05‑06;08022779

Naar boven