Gemeenteblad van Alphen aan den Rijn
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Alphen aan den Rijn | Gemeenteblad 2026, 195433 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Alphen aan den Rijn | Gemeenteblad 2026, 195433 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Deze publicatie bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst. Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
De publicatie wordt standaard getoond met verschilmarkering. Door te kiezen voor ‘Was’ of ‘Wordt’ kunt u de voormalige of vernieuwde tekst op zichzelf bekijken.
Toon versie van document
Dit document bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst.
Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
De gemeenteraad van gemeente Alphen aan den Rijn,
gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van [DATUM WORDT TOEGEVOEGD BIJ DEFINITIEF BESLUIT],
gelet op:
artikel 2.4 van de Omgevingswet, dat bepaalt dat de gemeenteraad voor het gehele grondgebied van de gemeente één omgevingsplan vaststelt waarin regels over de fysieke leefomgeving worden opgenomen;
artikel 16.30 en artikel 16.23, eerste lid, Omgevingswet, die bepalen dat:
op de voorbereiding van een omgevingsplan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is, met dien verstande dat een ieder een zienswijze bij de gemeenteraad mag indienen omtrent het ontwerp wijzigingsbesluit;
de artikelen 3:43 tot en met 3:45 en afdeling 3.7 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing zijn op een omgevingsplan;
[WORDT EVENTUEEL VERWIJDERD BIJ DEFINITIEF BESLUIT] de binnengekomen zienswijze[N] en de beantwoording daarvan, zoals opgenomen in bijlage [PM];
[WORDT EVENTUEEL VERWIJDERD BIJ DEFINITIEF BESLUIT] de wijzigingen die ten opzichte van het ontwerpbesluit zijn aangebracht, zoals opgenomen in bijlage [PM];
artikel 16.78, eerste lid, Omgevingswet, dat bepaalt dat een wijziging van een omgevingsplan in werking treedt met ingang van de dag waarop vier weken zijn verstreken sinds de dag waarop het besluit is bekend gemaakt;
besluit;
Het Omgevingsplan gemeente Alphen aan den Rijn te wijzigen zoals aangegeven in Bijlage A.
Door dit besluit vervallen de ruimtelijke regels van het omgevingsplan van rechtswege, voorheen gepubliceerd op ruimtelijkeplannen.nl, binnen de bij dit besluit behorende pons met identificatie [IDENTIFICATIE WORDT TOEGEVOEGD BIJ DEFINITIEF BESLUIT, DE PONS WORDT GELIJK AAN LOCATIE OMGEVINGSPLAN - NIEUW DEEL]
Dit besluit wordt aangehaald als Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Alphen aan den Rijn - wijziging 2026-A - Gnephoek.
Bijlagen:
Motivering Wijzigingbesluit Omgevingsplan Alphen aan den Rijn - wijziging 2026-A - Gnephoek
Bijlage 1: MER met deelrapporten
Bijlage 2: Ladderonderbouwing Wonen
Bijlage 3: Ladderonderbouwing excl. Wonen (DPO)
Bijlage 4: Weging van het waterbelang
Bijlage 5: Verkennend natuuronderzoek (VNO) Gnephoek
Bijlage 6: Stikstofonderzoek AERIUS-berekening
Bijlage 7: Passende beoordeling
Bijlage 8: Akoestisch onderzoek
Bijlage 9: Weidevogelcompensatieplan
Aldus vastgesteld door de gemeenteraad van gemeente Alphen aan den Rijn, [DATUM WORDT TOEGEVOEGD BIJ DEFINITIEF BESLUIT].
Niet getekend ontwerp-exemplaar.
A
Hoofdstuk 1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Red: Artikel 1.1 verplaatst van hoofdstuk 1 naar afdeling 1.1. ]
Begripsbepalingen
Binnen omgevingsplan - nieuw deel en omgevingsplan - tijdelijk deel zijn de begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan.
Bijlage II bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan.
Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling zijn van toepassing op dit omgevingsplan, met uitzondering van hoofdstuk 22.
Bijlage III bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van dit omgevingsplan, met uitzondering van hoofdstuk 22.
Tenzij anders bepaald zijn de hoofdstukken 1 tot en met 11 van toepassing binnen omgevingsplan - nieuw deel.
Tenzij anders bepaald is hoofdstuk 22 van toepassing binnen omgevingsplan - tijdelijk deel en omgevingsplan - nieuw deel.
Aan de regels van dit omgevingsplan wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij anders is bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.
Voor de toepassing van dit omgevingsplan worden de waarden in m, m2 of m3 op de volgende manier gemeten, tenzij anders is bepaald:
afstanden loodrecht (kortste afstand);
hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven; en
maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot ten hoogste 1,0 m buiten beschouwing blijven.
Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef onder b, wordt een bouwwerk, voor zover dit zich bevindt op een erf- of perceelgrens, gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is.
Voor de toepassing van dit omgevingsplan wordt op de volgende manier gemeten:
bouwdiepte van een bouwwerk: vanaf peil tot aan het laagste punt van het bouwwerk, met uitzondering van de fundering of uitstekende delen van ondergeschikte aard;
hoogte van een woonschip: vanaf het laagste waterpeil (zomerpeil) tot aan het hoogste punt van het woonschip, met uitzondering van uitstekende delen van ondergeschikte aard;
breedte van een woonschip: op de plaats waar het vaste deel van de romp van het woonschip het breedst is;
lengte van een woonschip: op de plaats waar het vaste deel van de romp het langst is;
bruto-oppervlakte van een woonschip: tussen de buitenzijde van de zijwanden, neerwaarts geprojecteerd op het niveau van het laagste waterpeil (zomerpeil);
hoogte van een windturbine: vanaf peil tot aan de (wieken)as van de windturbine;
tiphoogte van een windturbine: vanaf peil tot aan het hoogste punt van een wiek, als deze zich in de hoogste stand bevindt;
hoogte van een molen: vanaf peil tot het hoogste punt van een verticaal staande wiek; en
hoogte van een wiekenkruis: vanaf peil tot de as van het wiekenkruis.
Tenzij anders bepaald kan een maatwerkvoorschrift worden gesteld over de regels of een vergunningvoorschrift aan een omgevingsvergunning worden verbonden in dit omgevingsplan, met uitzondering van bepalingen:
Met een maatwerkvoorschrift of een vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in dit omgevingsplan.
Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning kan worden verbonden.
Op het stellen van een maatwerkvoorschrift over bepalingen in dit omgevingsplan zijn de oogmerken, beoordelingsregels en de bepalingen over vergunningvoorschriften van overeenkomstige toepassing.
Op het stellen van een maatwerkvoorschrift over een milieubelastende activiteit zijn de instructieregels in paragraaf 5.1.4 en artikel 5.165 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing.
Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders, worden die ondertekend en voorzien van:
Voordat de naam of het adres, bedoeld in artikel 1.8, of 1.9 wijzigen, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Op verzoek van het college van burgemeester en wethouders worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels uit dit omgevingsplan en maatwerkvoorschriften op grond van dit omgevingsplan voor de activiteit toereikend zijn.
Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.
B
Hoofdstuk 2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Tenzij anders bepaald is deze afdeling van toepassing binnen functie bedrijf, functie cultuur en ontspanning, functie detailhandel, functie dienstverlening, functie groen, functie horeca, functie kantoor, functie maatschappelijk, functie natuur, functie recreatie, functie sport, functie verkeer, functie water en functie wonen.
De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op een evenwichtige stedenbouwkundige samenstelling.
Een locatie voor een bedrijfsverzamelcomplex heeft de functie bedrijf - bedrijfsverzamelcomplex.
Een locatie voor culturele en ontspannende vrijetijdsbesteding in de vorm van een dansschool heeft de functie cultuur en ontspanning - dansschool.
Een locatie voor een op de begane grond gevestigd detailhandelsbedrijf heeft de functie detailhandel - grondgebonden - 2.
Een locatie voor een detailhandelsbedrijf in de vorm van landwinkel heeft de functie detailhandel - landwinkel.
Een locatie voor een op de begane grond gevestigde supermarkt heeft de functie detailhandel - supermarkt - grondgebonden.
Een locatie voor dienstverlening op de begane grond heeft de functie dienstverlening - grondgebonden.
Een locatie voor groen-, water-, speel- en nutsvoorzieningen en water heeft de functie groen - algemeen.
Een locatie voor een op de begane grond gevestigd horecabedrijf uit categorie 1 en 2, als bedoeld in bijlage V heeft de functie horeca - categorie 1 en 2 grondgebonden.
Een locatie voor kantoren heeft de functie kantoor - algemeen.
Een locatie voor maatschappelijke voorzieningen heeft de functie maatschappelijk - algemeen - 2.
Een locatie voor een gemaal heeft de functie maatschappelijk - gemaal.
Een locatie voor een maatschappelijk voorziening in de vorm van een scoutingterrein heeft de functie maatschappelijk - scouting.
Een locatie voor bloemrijke graslanden, ruigten, struwelen, groen-, nuts-, speel-, watervoorzieningen, voorzieningen voor langzaam verkeer en extensief recreatief medegebruik heeft de functie natuur - openbaar.
Een locatie voor dagrecreatie heeft de functie recreatie - dagrecreatie.
Een locatie voor sportvoorzieningen op de begane grond heeft de functie sport - grondgebonden.
Een locatie voor ontmoetingsplaatsen, geluidbeperkende voorzieningen, groen-, nuts-, parkeer-, speel-, verkeer- en watervoorzieningen heeft de functie verkeer - verblijfsgebied.
Een locatie voor wegen, geluidbeperkende voorzieningen, groen- en nutsvoorzieningen heeft de functie verkeer - wegen.
Een locatie voor water, watervoorzieningen, voorzieningen voor watersport en verkeer te water heeft de functie water - algemeen.
Een locatie voor wonen en beroep of bedrijf aan huis heeft de functie wonen - algemeen.
Deze paragraaf is van toepassing op het indelen van de landbodem in bodemfunctieklassen, bedoeld in artikel 5.89p van het Besluit kwaliteit leefomgeving, voor het toepassen van grond of baggerspecie, bedoeld in artikel 4.1265 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
De landbodem heeft de bodemfunctieklasse landbouw/natuur.
De landbodem heeft de bodemfunctieklasse wonen.
Deze regels zijn gesteld met het oog op het beschermen van de gezondheid en het milieu bij de volgende activiteiten:
In aanvulling op artikel 5.89h van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn ook de volgende locaties bodemgevoelig:
De toelaatbare kwaliteit van de bodem voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie of een bodemgevoelige locatie is de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving
Er is sprake van overschrijding van de toelaatbare kwaliteit van de bodem als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit.
Het zinsdeel 'in meer dan 25 m3 bodemvolume' in het tweede lid is niet van toepassing voor zover het gaat om aanwezigheid van asbest.
Een sanerende of andere beschermende maatregel bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit van de bodem, bedoeld in artikel 2.28, is in ieder geval een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Deze paragraaf is van toepassing binnen het aandachtsgebied zetting, waar de bodem zettingsgevoelig is.
Deze paragraaf is van toepassing op geluidgevoelige gebouwen die geheel of gedeeltelijk binnen een geluidaandachtsgebied van een weg, spoorweg en industrieterrein liggen.
Deze regels zijn gesteld met het oog op het beschermen van de gezondheid en het milieu.
Tenzij anders is bepaald, gelden de waarden voor het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen:
Voor een hogere waarde voor het geluid door een weg op de gevel van een geluidgevoelig gebouw, die is vastgesteld op grond van de Wet geluidhinder, wordt:
de aftrek opgeteld die bij het vaststellen van die hogere waarde is toegepast op grond van artikel 110g van de Wet geluidhinder; en
een hogere waarde in dB(A) omgerekend tot een waarde in dB, door de getalswaarde van die hogere waarde te verminderen met het verschil tussen de heersende waarde in dB(A) en de heersende waarde in dB, waarbij het verschil op een geheel getal wordt afgerond en waarbij een halve eenheid wordt afgerond naar het meest dichtbijgelegen even getal.
De standaardwaarde voor het geluid op een geluidgevoelig gebouw is de waarde, bedoeld in onderstaande tabel:
Voor een onderwijsfunctie en een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties van beide, waarvan het gebruik in de nachtperiode in het omgevingsplan is uitgesloten:
Voor een geluidgevoelig gebouw, als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, onder b of d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarvan het gebruik in de avondperiode en de nachtperiode in dit omgevingsplan is uitgesloten:
De grenswaarde voor het geluid op een geluidgevoelig gebouw is de waarde, bedoeld in onderstaande tabel:
Voor een onderwijsfunctie en een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties van beide, waarvan het gebruik in de nachtperiode in het omgevingsplan is uitgesloten:
Voor een geluidgevoelig gebouw, als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, onder b of d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarvan het gebruik in de avondperiode en de nachtperiode in dit omgevingsplan is uitgesloten:
Als op grond van dit omgevingsplan de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid op een geluidgevoelig gebouw moet worden beoordeeld dan zijn de waarden:
In aanvulling op artikel 5.91, eerste tot en met derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt voor de toepassing van dit omgevingsplan onder geurgevoelig gebouw of gedeelte daarvan ook een gebouw verstaan waar op grond van dit omgevingsplan of een buitenplanse omgevingsplanactiviteit hoofdzakelijk sprake is van (langdurig) verblijf van mensen.
Het stedelijk gebied, bedoeld in artikel 5.97 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, zijn de locaties binnen een bebouwingscontour geur.
Deze paragraaf is van toepassing binnen het aandachtsgebied natuur- en landschapswaarden, waar gronden aanwezig zijn met natuur- en landschapswaarden in de vorm open weidevogelgebieden en kenmerkende verkavelingspatronen.
Deze regels zijn gesteld met het oog op het behouden van de aanwezige natuur- en landschapswaarden bij het verrichten van werken, niet zijnde bouwwerken, en werkzaamheden.
Er is een bebouwingscontour houtkap, als bedoeld in artikel 5.165b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Deze paragraaf is van toepassing binnen het aandachtsgebied provinciale vaarweg, waar zich een vrijwaringszone provinciale vaarwegen bevindt, als bedoeld in artikel 2.7 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening.
Bij het bouwen van bouwwerken wordt voorkomen dat er belemmeringen ontstaan voor:
de vlotte en veilige doorvaart van de scheepvaart in de breedte, hoogte en diepte;
de zichtlijnen van de bemanning en de op het schip aanwezige navigatieapparatuur voor de scheepvaart;
het contact van de scheepvaart met bedienings- en begeleidingsobjecten;
de toegankelijkheid van de provinciale vaarweg voor hulpdiensten; en
het uitvoeren van beheer en onderhoud aan de provinciale vaarweg.
Deze paragraaf is van toepassing binnen het aandachtsgebied straalpad, waar zich een straalverbinding bevindt.
Deze regels zijn gesteld met het oog op het beschermen van de werking en integriteit van de straalverbinding van antennes bij het bouwen van bouwwerken.
Een te bouwen bouwwerk inclusief ondergeschikte onderdelen is niet hoger 50 meter gemeten vanaf NAP.
Deze paragraaf is van toepassing binnen het aandachtsgebied waterstaat - waterkering, waar zich een waterkering bevindt.
Deze regels zijn gesteld met het oog op het behoeden van de staat en werking van de waterkering bij het bouwen van bouwwerken.
Artikel 2.51 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op bouwwerken bij de volgende activiteiten:
Deze regels zijn gesteld met het oog op het beschermen van stedenbouwkundige waarden in de vorm van aantal, maatvoering, massa en positionering.
Artikel 2.53 Aantal woningen per hectare
Het aantal woningen per hectare is niet meer dan het de op de locatie weergegeven aantal woningen per hectare.
Artikel 2.54 Gebouw: bouwhoogte
De bouwhoogte van een gebouw is niet hoger dan de op de locatie weergegeven bouwhoogte gebouw.
Een gebouw is gesitueerd binnen het op de locatie weergegeven bouwvlak gebouw.
Artikel 2.56 Gebouw: goothoogte
De goothoogte van een gebouw is niet hoger dan op de locatie weergegeven goothoogte gebouw.
Artikel 2.57 Hoofdgebouw: bouwhoogte
De bouwhoogte van een hoofdgebouw is niet hoger dan de op de locatie weergegeven bouwhoogte hoofdgebouw.
Artikel 2.58 Hoofdgebouw: bouwvlak
Een hoofdgebouw is gesitueerd binnen het op de locatie weergegeven bouwvlak hoofdgebouw.
Artikel 2.59 Hoofdgebouw: goothoogte
De goothoogte van een hoofdgebouw is niet hoger dan de op de locatie weergegeven goothoogte hoofdgebouw.
Artikel 2.60 Hoogteaccent Gnephoek - L-2
In afwijking van artikel 2.57 is de bouwhoogte van een hoofdgebouw voor maximaal 10% van de oppervlakte van hoogteaccent - Gnephoek L-2 niet hoger dan 19 meter.
Artikel 2.61 Hoogteaccent Gnephoek - D-7
In afwijking van artikel 2.57 is de bouwhoogte van een hoofdgebouw voor maximaal 10% van de oppervlakte van hoogteaccent - Gnephoek D-7 niet hoger dan 19 meter.
Artikel 2.62 Hoogteaccent Gnephoek - D-8
In afwijking van artikel 2.57 is de bouwhoogte van een hoofdgebouw voor maximaal 10% van de oppervlakte van hoogteaccent - Gnephoek D-8 niet hoger dan 29 meter.
Artikel 2.63 Hoogteaccent Gnephoek - S-8
In afwijking van artikel 2.57 is de bouwhoogte van een hoofdgebouw voor maximaal 10% van de oppervlakte van hoogteaccent - Gnephoek S-8 niet hoger dan 40 meter.
Artikel 2.64 Hoogteaccent Gnephoek - HS-1
In afwijking van artikel 2.57 is de bouwhoogte van een hoofdgebouw voor maximaal 10% van de oppervlakte van hoogteaccent - Gnephoek HS-1 niet hoger dan 55 meter.
Artikel 2.65 Hoogteaccent Gnephoek - D-9B
In afwijking van artikel 2.57 is de bouwhoogte van een hoofdgebouw voor maximaal 20% van de oppervlakte van hoogteaccent - Gnephoek D-9B niet hoger dan 29 meter.
Artikel 2.66 Hoogteaccent Gnephoek - S-4/S-5
In afwijking van artikel 2.57 is de bouwhoogte van een hoofdgebouw voor maximaal 10% van de oppervlakte van hoogteaccent - Gnephoek S-4/S-5 niet hoger dan 40 meter.
Artikel 2.67 Hoogteaccent Gnephoek - S-2
In afwijking van artikel 2.57 is de bouwhoogte van een hoofdgebouw voor maximaal 10% van de oppervlakte van hoogteaccent - Gnephoek S-2 niet hoger dan 40 meter.
Artikel 2.68 Hoogteaccent Gnephoek - S-3
In afwijking van artikel 2.57 is de bouwhoogte van een hoofdgebouw voor maximaal 10% van de oppervlakte van hoogteaccent - Gnephoek S-3 niet hoger dan 55 meter.
Artikel 2.69 Ander bouwwerk, geen gebouw zijnde: bouwhoogte
Een ander bouwwerk, geen gebouw zijnde, is niet hoger dan op de locatie weergegeven bouwhoogte ander bouwwerk, geen gebouw zijnde.
Een bouwwerk, geen gebouw zijnde, als het gaat om een brug, is niet hoger dan op de locatie weergegeven bouwhoogte brug.
Artikel 2.71 Erf- of perceelafscheiding in achtererfgebied
Een bouwwerk, geen gebouw zijnde, als het gaat om een erf- of perceelafscheiding in het achtererfgebied, is niet hoger dan de op de locatie weergegeven bouwhoogte erf- of perceelafscheiding achtererfgebied.
Artikel 2.72 Erf- of perceelafscheiding in voorerfgebied
Een bouwwerk, geen gebouw zijnde, als het gaat om een erf- of perceelafscheiding in het voorerfgebied, is niet hoger dan de op de locatie weergegeven bouwhoogte erf- of perceelafscheiding voorerfgebied.
Artikel 2.73 Longeercirkel, stap- of trainingsmolen: verbod
Op de locaties met de aanduiding wonen - algemeen is een bouwwerk, geen gebouw zijnde als het gaat om een longeercirkel en stap- of trainingsmolen niet toegestaan.
Artikel 2.74 Steiger of vlonder
Voor een bouwwerk, geen gebouw zijnde in de vorm van een steiger of vlonder binnen water - algemeen geldt dat:
Deze paragraaf is van toepassing binnen het aandachtsgebied parkeren waar voor het bepalen van de parkeerbehoefte de voorwaarden, maatvoeringseisen en ontwerpcriteria van de Parkeernota van gemeente Alphen aan den Rijn (2025) en diens rechtsopvolgers gelden.
Deze regels zijn gesteld met het oog op het beschermen van stedenbouwkundige waarden in de vorm van voldoende parkeergelegenheid, laad- en losvoorzieningen bij de volgende activiteiten:
Tenzij anders bepaald is deze paragraaf van toepassing binnen het aandachtsgebied welstand waar de redelijke eisen van welstand voor het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk de criteria zijn van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Binnen welstandsvrij zijn de redelijke eisen van welstand niet van toepassing zijn op het uiterlijk van bouwwerken.
Deze regels zijn gesteld met het oog op het waarborgen van de kwaliteit van bouwwerken bij de volgende activiteiten:
Binnen welstand - bijzonder wordt de goothoogte van een bouwwerk op de volgende manier gemeten:
vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, bedoeld in artikel 1.5 tot aan de bovenkant van de goot of de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel, met uitzondering van dakkappelen, die niet meer dan 50% van het dakvlak beslaan in horizontale richting; of
vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, bedoeld in artikel 1.5 tot aan de bovenkant van de dakkapel als deze in horizontale richting meer dan 50% van het dakvlak beslaat.
Binnen welstand - regulier en welstand - soepel wordt de goothoogte van een bouwwerk gemeten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, bedoeld in artikel 1.5 tot aan de bovenkant van de goot of de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
Het uiterlijk van de volgende bouwwerken is niet in ernstige mate in strijd met de redelijke eisen van welstand:
Deze paragraaf is van toepassing op bouwwerken bij de volgende activiteiten:
In een bouwwerk is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van drinkwater aangesloten op het distributienet voor drinkwater als:
Een ondergrondse doorvoer van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater door een uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk ligt zoveel mogelijk haaks op de scheidingsconstructie.
De gebouwaansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater op de riolering, die op het eigen erf of terrein ligt, of een andere voorziening voor afvoer van afvalwater zorgt ervoor dat bij zetting de dichtheid van de aansluiting en de afvoer gehandhaafd blijft.
Een terreinleiding waardoor huishoudelijk afvalwater wordt geleid:
Bij maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 1.7 kan in ieder geval worden bepaald:
als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een ander passend systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet aanwezig is waarop kan worden aangesloten: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater op dat riool of systeem noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd;
als voor de afvoer van hemelwater een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is waarop kan worden aangesloten, en hemelwater op dat stelsel of riool mag worden gebracht: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van hemelwater op dat stelsel of riool noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; en
of, en zo ja welke voorzieningen in de afvoervoorziening of de op het erf of terrein gelegen riolering moeten worden aangebracht om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen.
Deze paragraaf is van toepassing op bouwwerken bij de volgende activiteiten:
Tussen een toegang van een bouwwerk voor het verblijven van personen en de openbare weg ligt een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van hulpverleningsdiensten.
Het eerste lid is niet van toepassing:
op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090;
op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2;
op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090;
als de toegang van het bouwwerk op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt; of
als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen verbindingsweg vereist.
Een verbindingsweg heeft:
Een bouwwerk heeft een toereikende bluswatervoorziening, tenzij de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk dat niet vereist.
De afstand tussen de bluswatervoorziening en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is niet groter dan 40 m.
Bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zijn opstelplaatsen voor brandweervoertuigen aanwezig die ervoor zorgen dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.
Het eerste lid is niet van toepassing:
op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090;
op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2;
op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; of
als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen verbindingsweg vereist.
De afstand tussen een opstelplaats en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is niet groter dan 40 m.
Deze paragraaf is van toepassing op te realiseren categorieën woningen binnen Gnephoek - bebouwingsgebied.
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder:
een sociale huurwoning: huurwoning, bedoeld in artikel 5.161c, eerste lid, onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
een sociale koopwoning: koopwoning, bedoeld in artikel 5.161c, eerste lid, onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en
een middenhuurwoning: huurwoning, bedoeld in artikel 5.161c, eerste lid, onder c, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Deze regels zijn gesteld met het oog op een evenwichtige samenstelling van de woningvoorraad.
De doelgroep voor een sociale huurwoning is een huishouden dat op het moment van de start van de inschrijfprocedure voor de betreffende woning een gezamenlijk huishoudinkomen heeft tot maximaal de inkomensgrens voor sociale huur.
De doelgroep voor een sociale koopwoning is een huishouden dat op het moment van de start van de inschrijfprocedure voor de betreffende woning een gezamenlijk huishoudinkomen heeft tot een maximum van € 80.000,- bruto per jaar.
De doelgroep voor een middenhuurwoning is een huishouden dat op het moment van de start van de inschrijfprocedure voor de betreffende woning een gezamenlijk huishoudinkomen heeft tot een maximum van € 60.000,- bruto per jaar.
Het in het tweede en derde lid bedoelde maximale gezamenlijke huishoudinkomen wordt jaarlijks per 1 januari geïndexeerd door Regio Holland Rijnland.
Het te realiseren percentage sociale huurwoningen is minimaal 30%.
Het te realiseren percentage middenhuurwoningen of sociale koopwoningen is minimaal 30%.
Deze paragraaf is van toepassing binnen het aandachtsgebied archeologie, waar gronden aanwezig zijn met archeologische waarden en verwachtingswaarden.
Deze regels zijn gesteld met het oog op op het beschermen en behouden van archeologische waarden bij het verrichten van werken, niet zijnde bouwwerken, en werkzaamheden.
Deze paragraaf is van toepassing binnen het aandachtsgebied molenbiotopen, waar zich een traditionele windmolen, als bedoeld in artikel 7.71 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, bevindt.
Deze regels zijn gesteld met het oog op het waarborgen van de vrije windgang van molens en het beschermen van het zicht op de molen bij de volgende activiteiten:
Bouwwerken en hoog opgaande beplanting zijn niet hoger dan:
1/100ste van de afstand tussen bouwwerk of beplanting en het middelpunt van de molen, gerekend met de hoogtemaat van de onderste punt van de verticaal staande wiek, als de locatie buiten bestaand stads- en dorpsgebied ligt;
1/30ste van de afstand tussen bouwwerk of beplanting en het middelpunt van de molen, gerekend met de hoogtemaat van de onderste punt van de verticaal staande wiek, als de locatie binnen bestaand stads- en dorpsgebied ligt.
Tenzij anders bepaald is deze paragraaf is van toepassing binnen functie cultuurlandschap of landschapsobject, functie gemeentelijk ensemble, functie gemeentelijk monument, functie karakteristiek bouwwerk en functie omgeving van een monument.
Binnen gemeentelijk monument - buitenkant bevindt zich een gemeentelijk monument, waarvan de buitenkant wordt beschermd, met een zeer hoge cultuurhistorische waardering zoals beschreven in de cultuurhistorische waardenkaart, waaronder begrepen:
het karakteristieke bouwtype;
de bouwstijl, verschijningsvorm, gevelindeling of typerende architectuur van het bouwwerk;
de karakteristieke hoofdvorm en massa-opbouw van het bouwwerk;
de bijdrage van het bouwwerk aan het omringende cultuurlandschap;
de aanwezigheid van authentieke constructies, technieken, details, materialen of kleuren van het bouwwerk;
de herkenbaarheid van de oorspronkelijke functionaliteit;
de beeldbepalende waarde;
de directe omgeving van het bouwwerk; en
de bijdrage van het bouwwerk aan de ensemblewaarde.
De omgeving van een monument heeft de functie omgeving van een monument.
Binnen de functie karakteristiek bouwwerk bevindt zich een karakteristiek bouwwerk, met een hoge of gemiddelde cultuurhistorische waardering zoals beschreven in de cultuurhistorische waardenkaart, waaronder begrepen:
het karakteristieke bouwtype;
de bouwstijl, verschijningsvorm, gevelindeling of typerende architectuur van het bouwwerk;
de karakteristieke hoofdvorm en massa-opbouw van het bouwwerk;
de bijdrage van het bouwwerk aan het omringende cultuurlandschap;
de aanwezigheid van authentieke constructies, technieken, details, materialen of kleuren van het bouwwerk;
de herkenbaarheid van de oorspronkelijke functionaliteit;
de beeldbepalende of beeldondersteunende waarde;
de directe omgeving van het bouwwerk; en
de bijdrage van het bouwwerk aan de ensemblewaarde.
Binnen de functie gemeentelijk ensemble bevindt zich een samenstel van bouwwerken, landschappelijke en/of stedenbouwkundige elementen die door hun onderlinge relatie een zekere ruimtelijke samenhang vertonen, waardoor de cultuurhistorische waarde van de samenstellende fragmenten verhoogd wordt, zoals beschreven in de cultuurhistorische waardenkaart, waaronder begrepen:
de karakteristieke inrichting van het ensemble;
de karakteristieke structuren, patronen en inrichting van het ensemble;
de beeldbepalende waarde;
de directe omgeving van het bouwwerk;
de bijdrage van het bouwwerk aan de ensemblewaarde;
de bijdrage van het bouwwerk aan het omringende cultuurlandschap;
de herkenbaarheid van de oorspronkelijke functionaliteit;
de situering van de bouwwerken;
de karakteristieke hoofdvorm en massa-opbouw van het bouwwerk;
de bouwstijl, verschijningsvorm, gevelindeling of typerende architectuur van het bouwwerk; en
de aanwezigheid van authentieke constructies, technieken, details, materialen of kleuren van het bouwwerk.
Binnen de functie cultuurlandschap of landschapsobject is het landschap een cultuurlandschap of het object een cultuurlandschapsobject, zoals beschreven in de cultuurhistorische waardenkaart, waaronder begrepen:
Artikel 2.111 Toepassingsbereik
Tenzij anders bepaald is deze paragraaf is van toepassing binnen ontwikkelgebied Gnephoek.
Deze regels zijn gesteld met het oog op het reserveren van ruimte voor de ontwikkeling van woningen, (commerciële) voorzieningen, infrastructuur, water, groen en natuur.
Artikel 2.113 Commerciële sportvoorzieningen
Binnen Gnephoek - bebouwingsgebied is de bruto-vloeroppervlakte aan commerciële sportvoorzieningen maximaal 2.625 m².
Artikel 2.114 Detailhandelsbedrijven
Binnen Gnephoek - centrumgebied is de bruto-vloeroppervlakte aan detailhandelsbedrijven maximaal 3.105 m², met de volgende verdeling per type:
Artikel 2.115 Dienstverleningsbedrijven
Binnen Gnephoek - bebouwingsgebied is de bruto-vloeroppervlakte aan dienstverleningsbedrijven maximaal 760 m², waarvan minimaal 50% binnen Gnephoek - centrumgebied.
Artikel 2.116 Groenvoorzieningen
Binnen Gnephoek - bebouwingsgebied en Gnephoek - groenraamwerk is de gezamenlijke oppervlakte aan groen- en watervoorzieningen minimaal 30 hectare.
Het minimumpercentage aan groen- en watervoorzieningen is de op de locatie weergegeven minimum oppervlakte groen en water.
Binnen Gnephoek - bebouwingsgebied is de bruto-vloeroppervlakte aan horecabedrijven maximaal 1.270 m², waarvan minimaal 50% binnen Gnephoek - centrumgebied.
Binnen Gnephoek - bebouwingsgebied is de bruto-vloeroppervlakte aan zelfstandige kantoren maximaal 2.000 m², waarbij per locatie de bruto-vloeroppervlakte maximaal 1.000 m² is.
Artikel 2.119 Maatschappelijke voorzieningen
Binnen Gnephoek - bebouwingsgebied is de bruto-vloeroppervlakte aan maatschappelijke voorzieningen maximaal 30.225 m², met de volgende verdeling per type:
Binnen Gnephoek - natuurgebied is de oppervlakte van het natuurgebied minimaal 59 hectare en bestaat uit de volgende natuurtypen:
zoetwaterplas: een groot open water met enkele grotere en kleinere eilandjes, natuurvriendelijke oevers en verschil in waterdieptes;
natte natuur: moeras, water, rietvelden en afwisselend jonge bomen en open plekken;
vochtig hooiland: kleurrijke bloemenweides en in de winter plas-dras zones;
overgangsgebied met (droge) rietvelden, struweel en ruigtevegetatie; en
kruiden- en faunarijk grasland: droge bloemrijke vegetatie.
Artikel 2.121 Bedrijf - nutsvoorziening
Binnen Gnephoek - nutsvoorziening is de oppervlakte van een nutsvoorziening in de vorm van een 50 kV-onderstation maximaal 4.900 m².
Binnen Gnephoek - bebouwingsgebied is het aantal woningen maximaal 5.600.
C
Hoofdstuk 3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit is verleend wordt, onverminderd de aan de vergunning verbonden voorschriften, niet begonnen voordat voor zover nodig:
Artikel 3.4 Vergunningplichtige bouwactiviteit
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.
Artikel 3.5 Afbakening uitzonderingen vergunningplichtige bouwactiviteit
Deze subparagraaf is niet van toepassing als de activiteit wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd, in stand wordt gehouden of wordt gebruikt zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.
Bij de toepassing van deze subparagraaf blijft het aantal woningen gelijk, tenzij het gaat om huisvesting in verband met mantelzorg.
Artikel 3.6 Bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan
Het verbod, bedoeld in artikel 3.4, geldt niet binnen bijbehorend bouwwerk binnen bebouwde kom voor een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan in het achtererfgebied, dat:
op de grond staat;
geplaatst is op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied;
niet voorzien is van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte;
bij meer dan één bouwlaag, niet voorzien van een verblijfsgebied op een andere bouwlaag dan de eerste;
op een afstand van niet meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw, niet hoger dan:
op een afstand van meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw:
voor zover het gaat om de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied, niet meer dan 50% van het bebouwingsgebied;
alleen een uitbreiding van of gelegen aan of bij een hoofdgebouw, anders dan:
een woonwagen;
een woonschip;
een hoofdgebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit of omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit is bepaald dat de vergunninghouder na het verstrijken van een bij die vergunning gestelde termijn verplicht is de voor de verlening van de vergunning bestaande toestand te hebben hersteld; of
een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf door één huishouden.
Artikel 3.7 Bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan
Het verbod, bedoeld in artikel 3.4, geldt niet binnen bijbehorend bouwwerk buiten bebouwde kom voor een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan in het achtererfgebied, dat:
op de grond staat;
geplaatst is op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied;
niet voorzien is van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte;
bij meer dan één bouwlaag, niet voorzien van een verblijfsgebied op een andere bouwlaag dan de eerste;
op een afstand van niet meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw, niet hoger dan:
op een afstand van meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw:
voor zover het gaat om de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied, niet meer dan:
bij een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m2: 50% van dat bebouwingsgebied;
bij een bebouwingsgebied groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2: 50 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2; en
bij een bebouwingsgebied groter dan 300 m2: 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van 150 m2; en
alleen een uitbreiding van of gelegen aan of bij een hoofdgebouw, anders dan:
een woonwagen;
een woonschip;
een hoofdgebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit of omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit is bepaald dat de vergunninghouder na het verstrijken van een bij die vergunning gestelde termijn verplicht is de voor de verlening van de vergunning bestaande toestand te hebben hersteld; of
een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf door één huishouden.
Artikel 3.8 Bijbehorend bouwwerk: mantelzorg buiten de bebouwde kom
Als een bijbehorend bouwwerk binnen bijbehorend bouwwerk buiten bebouwde kom als bedoeld in artikel 3.7, wordt gebruikt voor huisvesting in verband met mantelzorg, gelden in plaats van de oppervlaktevoorwaarden uit dat artikel, de volgende voorwaarden:
Artikel 3.9 Bijbehorend bouwwerk: op minder en meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw
Binnen uitzonderingen vergunningplichtige bouwactiviteit is een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw, tenzij het gaat om huisvesting in verband met mantelzorg, als:
Artikel 3.10 Dakkapel in voordakvlak of naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak
Het verbod, bedoeld in artikel 3.4, geldt niet binnen dakkapel in voordakvlak of naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak voor een dakkapel in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak van een woning als deze voldoet aan de volgende voorwaarden:
voorzien van een plat dak;
gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75 m;
geplaatst met de onderzijde meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet;
geplaatst met de bovenzijde meer dan 0,5 onder de daknok; en
geplaatst met de zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak.
Artikel 3.11 Erf- of perceelafscheiding
Het verbod, bedoeld in artikel 3.4, geldt niet binnen erf- of perceelafscheiding achtererfgebied voor het bouwen van een erf- of perceelafscheiding, die:
functioneel verbonden met een op het erf of perceel aanwezig hoofdgebouw;
geplaatst is achter de lijn die langs de voorkant van dat hoofdgebouw en vanaf daar evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied zonder het hoofdgebouw te doorkruisen of in het gebouwerf achter het hoofdgebouw te komen; en
hoger is dan 1 m maar niet hoger dan de op de locatie weergegeven bouwhoogte erf- of perceelafscheiding achtererfgebied.
Artikel 3.12 Erf- of perceelafscheiding voorerfgebied
Het verbod, bedoeld in artikel 3.4, geldt niet binnen erf- of perceelafscheiding voorerfgebied voor het bouwen van een erf- of perceelafscheiding, die:
functioneel verbonden met een op het erf of perceel aanwezig hoofdgebouw;
geplaatst is in het voorerfgebied; en
hoger is dan 1 m maar niet hoger dan de op de locatie weergegeven bouwhoogte erf- of perceelafscheiding voorerfgebied.
Het verbod, bedoeld in artikel 3.4, geldt niet voor een speeltoestel anders dan voor alleen particulier gebruik, dat
Artikel 3.14 Verandering bouwwerk
Het verbod, bedoeld in artikel 3.4, geldt niet binnen verandering bouwwerk voor een te veranderen bouwwerk, dat voldoet aan de volgende voorwaarden
Artikel 3.15 Zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of een vijver
Het verbod, bedoeld in artikel 3.4, geldt niet binnen wonen - algemeen voor een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of een vijver, dat:
Artikel 3.16 Melding nieuw bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie
Het is verboden een nieuw bodemgevoelig gebouw te bouwen op een bodemgevoelige locatie zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
Een melding bevat ten minste:
de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en
bij overschrijding van een waarde, als bedoeld in artikel 2.28: die gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende maatregel of andere beschermende maatregel wordt getroffen.
Dit artikel is niet van toepassing als het gaat om het bouwen van een nieuw bodemgevoelige gebouw waarvoor op grond van subparagraaf 3.2.2.1 een omgevingsvergunning is vereist.
Een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 3.4, wordt alleen verleend als:
Binnen Gnephoek - bebouwingsgebied wordt een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 3.4, alleen verleend als aannemelijk is dat wordt voldaan aan subparagraaf 2.8.1.2.
Binnen het aandachtsgebied welstand wordt een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 3.4, alleen verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het te bouwen bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de welstandnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Binnen het aandachtsgebied waterstaat - waterkering wordt een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 3.4, waarbij de bebouwde oppervlakte toeneemt of waarvoor een nieuwe fundering nodig is, alleen verleend als geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de werking van de waterkering.
Binnen het aandachtsgebied parkeren wordt een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 3.4, voor zover het gaat om het bouwen van een gebouw, alleen verleend als:
voor het bouwwerk waar de aanvraag betrekking op heeft voldoende parkeergelegenheid voor auto's en fietsen, laad- en losvoorzieningen op eigen terrein worden gerealiseerd; en
de te realiseren parkeerplaatsen, laad- en losvoorzieningen voldoen aan de maatvoerings- en ontwerpcriteria; of
bij onvoldoende parkeergelegenheid en/of laad- en losvoorzieningen op eigen terrein: als door de aanvrager is aangetoond dat op andere wijze wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid en/of laad- en losvoorzieningen om de toename van de parkeerbehoefte op te vangen.
De voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, worden beoordeeld volgens de nota, bedoeld in artikel 2.75.
Een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 3.4, die betrekking heeft op het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie wordt alleen verleend als:
de toelaatbare kwaliteit van de bodem, bedoeld in artikel 2.28, niet wordt overschreden; of
bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit van de bodem, bedoeld in artikel 2.28: als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregel, als bedoeld in artikel 2.29 wordt getroffen.
Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid, die niet in strijd is met die regels, kunnen, wanneer de bodem zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar voor de gezondheid van de gebruikers van het gebouw te verwachten is, voorschriften worden verbonden die ertoe strekken dat de bodem alsnog geschikt wordt gemaakt voor het beoogde doel.
Dit artikel is van toepassing binnen functie omgeving van een monument, functie karakteristiek bouwwerk en functie gemeentelijk ensemble.
Een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 3.4, wordt alleen verleend als:
de cultuurhistorische waarden, zoals beschreven in de cultuurhistorische waardenkaart, behouden blijven; en
directe of indirecte te verwachten gevolgen van de bouwactiviteit de cultuurhistorische waarden en doeleinden niet onevenredig aantasten; en
de mogelijkheden voor het herstel van de cultuurhistorische waarden niet wezenlijk worden verkleind; of
bij het verstoren of vernietigen van cultuurhistorische waarden:
aangetoond is dat bijzonder zwaarwegende belangen aanwezig zijn die rechtvaardigen dat de cultuurhistorische waarden worden verstoord of vernietigd; en
aangetoond is dat het te bouwen bouwwerk past binnen de karakteristiek zoals deze blijkt uit de cultuurhistorische waardenkaart.
Bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met de volgende beginselen:
het behouden, onderhouden en versterken van cultuurhistorische waarden gaan vóór vernieuwen en ontwikkelen; en
het vernieuwen en ontwikkelen gebeurt vanuit bouwhistorische en/of cultuurhistorische waarden, zoals beschreven in de cultuurhistorische waardenkaart.
Binnen Gnephoek - bebouwingsgebied wordt een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 3.4, die betrekking heeft op het bouwen van een nieuw geluidgevoelig gebouw binnen een geluidaandachtsgebied, alleen verleend als:
de standaardwaarde, bedoeld in tabel 2.36, op het geluidgevoelig gebouw niet wordt overschreden; of
bij overschrijding van de standaardwaarde, bedoeld in het tweede lid, onder a: als aannemelijk is dat:
geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarde te voldoen;
de overschrijding van de standaardwaarde door het treffen van geluidbeperkende zoveel mogelijk wordt beperkt; en
het geluid op het geluidgevoelige gebouw niet hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in tabel 2.37.
Bij de beoordeling aan het criterium, bedoeld in het eerste lid, onder b, worden geluidbeperkende maatregelen in aanmerking genomen als die financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan.
Bij de beoordeling aan het eerste lid, onder b, wordt het belang van een geluidluwe gevel en buitenruimte betrokken.
Als sprake is van geluid op het geluidgevoelig gebouw door geluidbronsoorten en andere activiteiten tegelijk, dan wordt:
Aan de omgevingsvergunning, bedoeld in het eerste lid, kunnen voorschriften worden verbonden die verplichten tot:
Binnen Gnephoek - bebouwingsgebied wordt een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 3.4, die betrekking heeft op het bouwen van een nieuw geluidgevoelig, geurgevoelig, trillinggevoelig of slagschaduwgevoelig gebouw en het in stand houden en gebruiken van dat gebouw, waarop geluid, geur, trillingen of slagschaduw wordt veroorzaakt door een milieubelastende activiteit, gereguleerd in hoofdstuk 5 of afdeling 22.3 van dit omgevingsplan, alleen verleend als wordt voldaan aan de waarden en afstanden in dat hoofdstuk of in die afdeling die voor dat gebouw zijn gesteld.
Binnen het aandachtsgebied molenbiotopen wordt een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 3.4, die in strijd is met artikel 2.103 alleen verleend als:
de vrije windgang en het zicht op de traditionele molen al beperkt is door bebouwing en deze niet verder worden beperkt; of
bij verdere beperking van de vrije windgang en het zicht op de traditionele molen: als aannemelijk is gemaakt dat compenserende maatregelen worden getroffen op de locatie.
Binnen het aandachtsgebied provinciale vaarweg wordt een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 3.4, alleen verleend als er door het te bouwen bouwwerk geen belemmeringen ontstaan voor de belangen genoemd in artikel 2.45.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, die betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, worden voor de beoordeling de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een opgave van de bouwkosten;
het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft;
een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft; en
een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:
de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;
de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;
de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;
de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en
het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bouwwerk;
de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het (water)peil en het aantal bouwlagen; en
overige gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan dit omgevingsplan.
Voor de beoordeling aan artikel 3.22 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
Binnen functie omgeving van een monument, functie karakteristiek bouwwerk en functie gemeentelijk ensemble worden voor de beoordeling aan artikel 3.23 de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
de opgave van het huidige gebruik en het voorgenomen gebruik, als dat afwijkt van het huidige gebruik;
de motivering voor het verrichten van de activiteit en een omschrijving van de gevolgen ervan voor de cultuurhistorische waarden; en
zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: een nadere bepaling van de cultuurhistorische waarde aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie, tuinhistorie of over de relatie van het bouwwerk of het object tot zijn historische omgeving.
Binnen Gnephoek - bebouwingsgebied worden voor de beoordeling aan artikel 3.24 de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
akoestisch onderzoek naar het geluid dat geluidgevoelige gebouwen zullen ondervinden zonder de invloed van maatregelen;
bij overschrijding van de standaardwaarde zonder de invloed van maatregelen:
akoestisch onderzoek naar de in aanmerking komende geluidbeperkende maatregelen die kunnen worden getroffen om aan de waarden te voldoen of waardoor deze zoveel mogelijk kunnen worden beperkt;
een beschrijving van de voorgenomen geluidbeperkende maatregelen; en
een onderbouwing waaruit blijkt dat het belang van een geluidluwe gevel en buitenruimte zijn betrokken.
Binnen aandachtsgebied molenbiotopen worden voor de beoordeling aan artikel 3.26 de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
Binnen het aandachtsgebied parkeren worden voor de beoordeling aan artikel 3.21 de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
de inrichting van parkeervoorzieningen voor auto's en fietsen op het eigen terrein inclusief maatvoering;
bij onvoldoende parkeergelegenheid en/of laad- en losvoorzieningen op eigen terrein: gegevens en bescheiden die aantonen dat op andere wijze wordt voldaan aan de criteria van de nota, bedoeld in artikel 2.75.
Binnen het aandachtsgebied waterstaat - waterkering worden voor de beoordeling aan artikel 3.20 de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
Binnen het aandachtsgebied welstand worden voor de beoordeling aan artikel 3.19 de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past;
principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk;
kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en
een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking.
D
Hoofdstuk 4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze hoofdstuk is van toepassing op het gebruiken van locaties en bouwwerken.
Locaties en bouwwerken worden gebruikt met het doel dat in afdeling 2.1 als functie of nevenfunctie aan de locatie is toegedeeld, dat verenigbaar is met dit doel en de overige regels van dit hoofdstuk die gaan over het gebruiken van locaties en bouwwerken.
Het is verboden een nieuw bodemgevoelig gebouw te gebruiken op een bodemgevoelige locatie of een nieuwe bodemgevoelige locatie te gebruiken zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
Een melding bevat ten minste:
de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en
bij overschrijding van een waarde, als bedoeld in artikel 2.28: die gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel, als bedoeld in artikel 2.29, wordt getroffen.
Dit artikel is niet van toepassing als het gaat om het bouwen van een nieuw bodemgevoelige gebouw en op grond van hoofdstuk 3 een omgevingsvergunning of een melding is vereist.
Bij overschrijding van een waarde, als bedoeld in artikel 2.28, wordt een nieuw bodemgevoelig gebouw, of een gedeelte daarvan op een bodemgevoelige locatie of een nieuwe bodemgevoelige locatie alleen in gebruik genomen als het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop de sanerende of andere beschermende maatregel, bedoeld in artikel 2.29, is getroffen.
Degene die een bouwwerk gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten in, op of aan een bouwwerk overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door:
Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik van bouwwerken, bedoeld in afdeling 6.2, van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
Een bouwwerk wordt niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat het gebruik in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is.
Binnen wonen - algemeen wordt een bouwwerk alleen gebruikt voor beroep of bedrijf aan huis als:
Een woning wordt bewoond door één afzonderlijk huishouden, tenzij het gaat om:
Tenzij sprake is van woonruimte waarin door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers opvang aan asielzoekers wordt geboden, wordt:
Binnen Gnephoek - bebouwingsgebied wordt het gebruik van een op grond van paragraaf 2.6.6 gerealiseerde woning, bedoeld in artikel 2.94, tweede lid, voor de in artikel 2.96 aangewezen doelgroep gedurende de volgende termijn in stand gehouden:
Aan de instandhoudingsverplichting, bedoeld in het eerste lid, wordt voldaan door de eigenaar van de woning.
Deze paragraaf is van toepassing op het gebruiken van open erven of terreinen.
De eigenaar of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen aan het open erf of terrein en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de staat van het open erf of terrein tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
Degene die een open erf of terrein gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten op een open erf of terrein overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door:
het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal;
het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en
het nalaten van het normale onderhoud waardoor het open erf of terrein zich niet in een zindelijke staat bevindt.
Een open erf of terrein wordt niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat het gebruik in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is.
Een verbindingsweg voor hulpverleningsdiensten of een opstelplaats voor brandweervoertuigen is vrijgehouden:
Hekwerken die een verbindingsweg of opstelplaats afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.
Een bluswatervoorziening is onbeperkt toegankelijk voor bluswerkzaamheden.
Op een open erf of terrein nabij een bouwwerk is geen brandgevaarlijke stof als bedoeld in tabel 4.45 aanwezig.
|
ADR-klasse1 |
Omschrijving |
Verpakkingsgroep |
Toegestane maximum hoeveelheid |
|
2 UN 1950 spuitbussen & UN 2037 houders, klein, gas |
Gassen zoals propaan, zuurstof, acetyleen, aerosolen (spuitbussen) |
n.v.t. |
50 kg |
|
3 |
Brandbare vloeistoffen zoals bepaalde oplosmiddelen en aceton |
II |
25 liter |
|
3 excl. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen 61°C en 100°C |
Brandbare vloeistoffen zoals terpentine en bepaalde inkten |
III |
50 liter |
|
4.1, 4.2, 4.3 |
4.1: brandbare vaste stoffen, zelfontledende vaste stoffen en vaste ontplofbare stoffen in niet-explosieve toestand zoals wrijvingslucifers, zwavel en metaalpoeders 4.2: voor zelfontbranding vatbare stoffen zoals fosfor (wit of geel) en diethylzink 4.3: stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen zoals magnesiumpoeder, natrium en calciumcarbide |
II en III |
50 kg |
|
5.1 |
Brandbevorderende stoffen zoals waterstofperoxide |
II en III |
50 liter |
|
5.2 |
Organische peroxiden zoals dicumyl peroxide en di-propionyl peroxide |
n.v.t. |
1 liter |
Het eerste lid is niet van toepassing als:
Het eerste lid is niet van toepassing op:
brandstof in het reservoir van een verbrandingsmotor;
brandstof in een verlichtings-, verwarmings- of ander warmteontwikkelend toestel;
voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken;
gasflessen tot een totale waterinhoud van 115 liter;
dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen de 61 °C en 100 °C tot een totale hoeveelheid van 1.000 liter; en
brandgevaarlijke stoffen voor zover de aanwezigheid daarvan op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving of een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is toegestaan.
Bij het berekenen van de toegestane hoeveelheid, bedoeld in het tweede lid, onder a, wordt een aangebroken verpakking als een volle meegerekend.
In afwijking van het derde lid, aanhef en onder e, is de aanwezigheid van meer dan 1.000 liter van een oliesoort als bedoeld in dat onderdeel toegestaan als die oliesoort op zodanige wijze wordt opgeslagen en gebruikt dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie en de ontwikkeling van brand voldoende worden voorkomen.
E
Hoofdstuk 5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
F
Na hoofdstuk 5 wordt een hoofdstuk ingevoegd, luidende:
Dit hoofdstuk is van toepassing op een milieubelastende activiteit.
Dit hoofdstuk is niet van toepassing op:
wonen;
het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein;
een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht;
verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen;
een evenement:
het verrichten van werkzaamheden met een mobiele installatie op een weiland, akker of bos die geen verplaatsbaar mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en
bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen.
Het tweede lid geldt niet voor milieubelastende activiteiten die bestaan uit het lozen op of in de bodem of op de riolering, voor zover het gaat om de gevolgen van het lozen voor de bodem, voor de voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater of voor het zuiveringtechnisch werk.
Het tweede lid geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in afdeling 5.2.
De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op:
Als resultaten van een bodemonderzoek, als bedoeld in paragraaf 5.2.1 en 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, aan het bevoegd gezag moeten worden verstrekt, dan gebeurt dit in het bestandsformaat XML volgens de vigerende versie van het protocol SIKB0101.
De regels in dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan:
Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 5.2, is verplicht:
alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en
als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
Deze plicht houdt in ieder geval in dat:
alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen;
alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen;
de beste beschikbare technieken worden toegepast;
geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt;
alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet;
afvalwater dat wordt geloosd en gekanaliseerde emissies van stoffen in de lucht doelmatig kunnen worden bemonsterd;
metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund;
meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt, en gepresenteerd;
voor zover verontreiniging van de bodem ontstaat, herstel van de bodem redelijkerwijs mogelijk blijft; en
afvalstoffen worden afgevoerd na beëindiging van een activiteit.
De plicht, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval ook in dat de nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van personen en goederen van en naar de activiteit zo veel mogelijk worden voorkomen of beperkt.
Het eerste lid, voor zover het ziet op het tweede lid, en het tweede lid, zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders:
informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan;
informatie over de vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen;
andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en
informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet.
Het eerste lid geldt niet voor:
Deze paragraaf is van toepassing op het graven in bodem, bedoeld in artikel 3.48d en artikel 3.48f van het Besluit activiteiten leefomgeving, bij werkzaamheden voor kabels en leidingen tot een diepte van 2 m beneden het maaiveld.
In afwijking van artikel 4.1222 en artikel 4.1230, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving hoeven bij het graven, terugplaatsen of afvoeren van grond, partijen grond van verschillende kwaliteitsklassen, waarin de partijen op grond van artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit zijn ingedeeld niet gescheiden te worden gehouden.
In afwijking van artikel 4.1222, eerste lid, en artikel 4.1230a, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving hoeft grond na het tijdelijk uitnemen niet in hetzelfde ontgravingsprofiel te worden teruggebracht.
In afwijking van artikel 4.1223, tweede lid, en artikel 4.1231, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving hoeft grond bij het tijdelijk opslaan bij de ontgravingslocatie niet gescheiden te worden opgeslagen.
Deze afdeling is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Deze afdeling is niet van toepassing op:
of in een geluidgevoelig gebouw, dat geheel of gedeeltelijk ligt op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;
of in een geluidgevoelig gebouw dat op grond van dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is toegelaten voor de duur van niet meer dan tien jaar; en
het geluid op een niet-geluidgevoelige gevel.
Deze afdeling is niet van toepassing op het geluid door:
activiteiten die worden verricht op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld, met uitzondering van windturbines, windparken, civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen;
spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen die onderdeel zijn van een hoofdspoorweg of een bij omgevingsverordening aangewezen lokale spoorweg;
het opwekken van elektriciteit met een windpark van 3 of meer windturbines;
het met een verplaatsbaar mijnbouwwerk aanleggen, aanpassen, testen, onderhouden, repareren en buiten gebruik stellen van een boorgat of stimuleren van een voorkomen via een boorgat, bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
bovengrondse hoogspanningsverbindingen met een spanning van ten minste 110 kV; en
activiteiten bij detailhandel als:
De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder.
Voor de toepassing van deze afdeling wordt als één activiteit beschouwd:
Tenzij anders is bepaald, gelden de waarden voor het geluid door een activiteit:
De waarden voor geluid zijn niet van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit.
De waarden voor geluid zijn niet van toepassing op:
geluid door de inzet van motorvoertuigen of helikopters voor spoedeisende medische hulpverlening, ongevallenbestrijding, brandbestrijding, gladheidbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval;
onversterkt menselijk stemgeluid, tenzij het muziekgeluid is of daarmee is vermengd; en
onversterkt muziekgeluid, als het gaat om repetities van muziekgezelschappen, voor de duur van drie uur per week in de periode tussen 07.00 en 23.00 uur.
In de volgende gevallen wordt er een geluidonderzoek verricht:
als tussen 19.00 en 7.00 uur per dag gemiddeld meer dan vier transportbewegingen plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn, tenzij het gaat om het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden of een activiteit waarvan horeca-activiteiten de kern vormen;
bij het opwekken van elektriciteit met een windturbine met een rotordiameter van meer dan 2 m, bedoeld in artikel 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
als in de buitenlucht metalen in bulk worden overgeslagen of in de buitenlucht metalen mechanisch worden bewerkt;
bij het reinigen van afvalwater door waterstraal- of oppervlaktebeluchters met een capaciteit van 120.000 of meer vervuilingseenheden;
bij het neutraliseren van airbags of gordelspanners door deze te ontsteken;
bij het vervaardigen van betonmortel of betonwaren;
bij een binnenschietbaan als de afstand van de binnenschietbaan tot het dichtstbijzijnde geluidgevoelige gebouw kleiner is dan 50 m; en
als op basis van de aard van de activiteit aannemelijk is dat:
Het gemiddelde aantal transportbewegingen is een gemiddelde gemeten over de periode van een jaar.
In afwijking van het eerste lid, onder a, geldt voor een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen het aantal transportbewegingen tussen 19.00 en 6.00 uur.
Uit het rapport van een geluidonderzoek, als bedoeld in het eerste lid, blijkt op grond van verrichte geluidsmetingen of geluidberekeningen of wordt voldaan aan:
Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit wordt het rapport van het geluidonderzoek, bedoeld in artikel 5.18, verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan op grond van de gegevens in het rapport van het geluidonderzoek, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Deze paragraaf is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw, met uitzondering van:
een activiteit als bedoeld in paragraaf 5.3.3; en
geluid waarvoor bij maatwerkvoorschrift of maatwerkregel is bepaald dat het niet representatief is voor een activiteit.
Het geluid door een activiteit op een geluidgevoelig gebouw is niet hoger dan de standaardwaarden, bedoeld onderstaande tabel.
|
|
07.00 – 19.00 uur |
19.00 – 23.00 uur |
23.00 – 07.00 uur |
|
Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten |
50 dB(A) |
45 dB(A) |
40 dB(A) |
|
Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen |
70 dB(A) |
65 dB(A) |
60 dB(A) |
|
Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden |
70 dB(A) |
65 dB(A) |
60 dB(A) |
Het geluid in een geluidgevoelige ruimte binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen is niet hoger dan de grenswaarden, bedoeld in onderstaande tabel.
|
|
07.00 – 19.00 uur |
19.00 – 23.00 uur |
23.00 – 07.00 uur |
|
Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten |
35 dB(A) |
30 dB(A) |
25 dB(A) |
|
Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen |
55 dB(A) |
50 dB(A) |
45 dB(A) |
|
Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden |
55 dB(A) |
45 dB(A) |
45 dB(A) |
De in het eerste en tweede lid opgenomen maximale geluidniveaus LAmax zijn niet van toepassing op het laden en lossen in de periode tussen 07.00 en 19.00 uur.
Dit artikel is van toepassing op een activiteit die op het moment van inwerkingtreding van deze bepaling rechtmatig wordt verricht en naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals die werd verricht voor inwerkingtreding van deze bepaling.
In afwijking van artikel 5.21, tweede lid, is het maximale geluidniveau LAmax in een geluidgevoelige ruimte binnen een in- en aanpandig geluidgevoelig gebouw veroorzaakt door andere piekgeluiden niet hoger dan 50 dB(A) tussen 19.00 en 23.00 uur.
Dit artikel is van toepassing op het geluid door het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden dat op het moment van inwerkingtreding van deze bepaling rechtmatig wordt verricht en naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals die werd verricht voor inwerkingtreding van deze bepaling.
In afwijking van artikel 5.21, eerste en derde lid, is het geluid door het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden op een geluidgevoelig gebouw niet hoger dan de waarde, bedoeld in onderstaande tabel.
|
|
07.00 – 21.00 uur |
21.00 – 07.00 uur |
|
Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten |
50 dB(A) |
40 dB(A) |
|
Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen |
70 dB(A) |
60 dB(A) |
|
Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden |
70 dB(A) |
60 dB(A) |
De in het tweede lid opgenomen maximale geluidniveaus LAmax zijn niet van toepassing op het laden en lossen in de periode tussen 07.00 en 21.00 uur.
In afwijking van artikel 5.21, eerste lid, is het geluid door een activiteit die wordt verricht op een bedrijventerrein op een geluidgevoelig gebouw op dat terrein, niet hoger dan de waarde, bedoeld in onderstaande tabel.
|
|
07.00 – 19.00 uur |
19.00 – 23.00 uur |
23.00 – 07.00 uur |
|
Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten |
55 dB(A) |
50 dB(A) |
45 dB(A) |
|
Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen |
75 dB(A) |
70 dB(A) |
65 dB(A) |
|
Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden |
75 dB(A) |
70 dB(A) |
65 dB(A) |
De in het eerste lid opgenomen maximale geluidniveaus LAmax zijn niet van toepassing op het laden en lossen in de periode tussen 07.00 en 19.00 uur.
In afwijking van artikel 5.21, eerste lid, is het geluid door een activiteit, waarvan agrarische activiteiten de kern vormen, maar dat geen glastuinbouwbedrijf is dat is gelegen in een glastuinbouwgebied, op een geluidgevoelig gebouw niet hoger is dan de waarde, bedoeld in onderstaande tabel.
|
|
07.00 – 19.00 uur |
19.00 – 23.00 uur |
23.00 – 07.00 uur |
|
Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten |
45 dB(A) |
40 dB(A) |
35 dB(A) |
|
Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen |
70 dB(A) |
65 dB(A) |
60 dB(A) |
|
Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden |
70 dB(A) |
65 dB(A) |
60 dB(A) |
In afwijking van artikel 5.21, tweede lid, is het maximaal geluidniveau LAmax in een geluidgevoelige ruimte binnen een in- en aanpandig geluidgevoelig gebouw veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen door een activiteit, waarvan agrarische activiteiten de kern vormen, maar dat geen glastuinbouwbedrijf is dat is gelegen in een glastuinbouwgebied, niet hoger dan 55 dB(A) tussen 06.00 en 07.00 uur.
De in het eerste en tweede lid opgenomen maximale geluidniveaus LAmax zijn niet van toepassing op:
het laden en lossen en het in- en uitrijden van landbouwtractoren of motorvoertuigen met beperkte snelheid, in de periode tussen 06.00 uur en 19.00 uur;
het laden en lossen in de periode tussen 19.00 uur en 06.00 uur, voor zover dat ten hoogste één keer in die periode plaatsvindt; en
het wassen van kasdekken in de periode tussen 19.00 uur en 06.00 uur.
Dit artikel is van toepassing op het geluid door een activiteit, waarvan agrarische activiteiten de kern vormen, maar dat geen glastuinbouwbedrijf is dat is gelegen in een glastuinbouwgebied, die op het moment van inwerkingtreding van deze bepaling rechtmatig wordt verricht en naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals die werd verricht voor inwerkingtreding van deze bepaling.
In afwijking van artikel 5.25, eerste lid, is het geluid door een activiteit, waarvan agrarische activiteiten de kern vormen, maar dat geen glastuinbouwbedrijf is dat is gelegen in een glastuinbouwgebied, op een geluidgevoelig gebouw niet hoger dan de waarde, bedoeld in onderstaande tabel.
|
|
06.00 – 19.00 uur |
19.00 – 22.00 uur |
22.00 – 06.00 uur |
|
Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten |
45 dB(A) |
40 dB(A) |
35 dB(A) |
|
Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen |
70 dB(A) |
65 dB(A) |
60 dB(A) |
|
Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden |
70 dB(A) |
65 dB(A) |
60 dB(A) |
In afwijking van artikel 5.21, tweede lid, is het geluid in een geluidgevoelige ruimte binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen niet hoger dan de grenswaarden, bedoeld in onderstaande tabel.
|
|
06.00 – 19.00 uur |
19.00 – 22.00 uur |
22.00 – 06.00 uur |
|
Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten |
35 dB(A) |
30 dB(A) |
25 dB(A) |
|
Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen |
55 dB(A) |
50 dB(A) |
45 dB(A) |
|
Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden |
55 dB(A) |
50 dB(A) |
45 dB(A) |
De in het tweede en derde lid opgenomen maximale geluidniveaus LAmax zijn niet van toepassing op:
het laden en lossen en het in- en uitrijden van landbouwtractoren of motorvoertuigen met beperkte snelheid, in de periode tussen 06.00 uur en 19.00 uur;
het laden en lossen in de periode tussen 19.00 uur en 06.00 uur, voor zover dat ten hoogste één keer in die periode plaatsvindt; en
het wassen van kasdekken in de periode tussen 19.00 uur en 06.00 uur.
In afwijking van artikel 5.21, eerste lid, is het geluid door een glastuinbouwbedrijf, dat in een glastuinbouwgebied ligt, op een geluidgevoelig gebouw niet hoger dan de waarde, bedoeld in onderstaande tabel.
|
|
07.00 – 19.00 uur |
19.00 – 23.00 uur |
23.00 – 07.00 uur |
|
Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten |
50 dB(A) |
45 dB(A) |
40 dB(A) |
|
Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen |
70 dB(A) |
65 dB(A) |
60 dB(A) |
|
Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden |
70 dB(A) |
65 dB(A) |
60 dB(A) |
De in het eerste lid opgenomen maximale geluidniveaus LAmax zijn niet van toepassing op:
het laden en lossen en het in- en uitrijden van landbouwtractoren of motorvoertuigen met beperkte snelheid, in de periode tussen 06.00 uur en 19.00 uur;
het laden en lossen in de periode tussen 19.00 uur en 06.00 uur, voor zover dat ten hoogste één keer in die periode plaatsvindt; en
het wassen van kasdekken in de periode tussen 19.00 uur en 06.00 uur.
Dit artikel is van toepassing op het geluid door een glastuinbouwbedrijf in een glastuinbouwgebied, dat op het moment van inwerkingtreding van deze bepaling rechtmatig wordt verricht en naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals die werd verricht voor inwerkingtreding van deze bepaling.
In afwijking van artikel 5.27, eerste lid, is het geluid door een glastuinbouwbedrijf binnen glastuinbouwgebied, op een geluidgevoelig gebouw niet hoger dan de waarde, bedoeld in onderstaande tabel.
|
|
06.00 – 19.00 uur |
19.00 – 22.00 uur |
22.00 – 06.00 uur |
|
Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten |
50 dB(A) |
45 dB(A) |
40 dB(A) |
|
Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen |
70 dB(A) |
65 dB(A) |
60 dB(A) |
|
Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden |
70 dB(A) |
65 dB(A) |
60 dB(A) |
In afwijking van artikel 5.21, tweede lid, is het geluid in een geluidgevoelige ruimte binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen niet hoger dan de grenswaarden, bedoeld in onderstaande tabel.
|
|
06.00 – 19.00 uur |
19.00 – 22.00 uur |
22.00 – 06.00 uur |
|
Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten |
35 dB(A) |
30 dB(A) |
25 dB(A) |
|
Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen |
55 dB(A) |
50 dB(A) |
45 dB(A) |
|
Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden |
55 dB(A) |
50 dB(A) |
45 dB(A) |
|
|
|
|
|
De in het tweede en derde lid opgenomen maximale geluidniveaus LAmax zijn niet van toepassing op:
het laden en lossen en het in- en uitrijden van landbouwtractoren of motorvoertuigen met beperkte snelheid, in de periode tussen 06.00 uur en 19.00 uur;
het laden en lossen in de periode tussen 19.00 uur en 06.00 uur, voor zover dat ten hoogste één keer in die periode plaatsvindt; en
het wassen van kasdekken in de periode tussen 19.00 uur en 06.00 uur.
Als de activiteit, als bedoeld in artikel 5.78b, eerste lid, onder b en c, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, wordt verricht buiten een gezoneerd industrieterrein gelden de waarden van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr, LT), bedoeld in artikel 5.21 op een afstand van 50 m vanaf de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht.
De waarden in deze paragraaf zijn, voor zover de naleving van deze normen redelijkerwijs niet kan worden gevergd, niet van toepassing op dagen of dagdelen in verband met de viering van:
festiviteiten die bij of krachtens gemeentelijke verordening zijn aangewezen, in de gebieden in de gemeente waarvoor die verordening geldt; en
andere festiviteiten die plaatsvinden op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het aantal bij of krachtens die verordening aan te wijzen dagen of dagdelen per gebied of categorie van bedrijfssector kan verschillen en niet meer bedraagt dan twaalf per kalenderjaar.
Een festiviteit die ten hoogste een etmaal duurt, maar die zowel voor als na 00.00 uur plaatsvindt, wordt beschouwd als plaatshebbende op één dag.
Deze paragraaf is van toepassing op het geluid op een geluidgevoelig gebouw door het opwekken van elektriciteit met een windturbine met een rotordiameter van meer dan 2 m, bedoeld in artikel 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Het geluid door het opwekken van elektriciteit met een windturbine of windpark op een geluidgevoelig gebouw is ten hoogste 47 Lden en 41 Lnight.
De volgende gegevens worden geregistreerd:
de emissieterm LE, bedoeld in onderdeel 3.1 van bijlage IVi bij de Omgevingsregeling, gebaseerd op de effectieve werking gedurende het afgelopen kalenderjaar; en
de voor de duur van een handhavingsmeting benodigde gegevens ter bepaling van de windsnelheid op ashoogte, bedoeld in paragraaf 1.6 van bijlage IVi bij de Omgevingsregeling.
De gegevens worden gedurende vijf jaar bewaard.
Deze afdeling is van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Deze afdeling is niet van toepassing op een geurgevoelig gebouw dat op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is toegelaten voor de duur van niet meer dan tien jaar.
In afwijking van artikel 5.34, tweede lid, zijn de waarden en de afstanden voor geur in dit hoofdstuk ook van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw dat voor een duur van niet meer dan tien jaar is toegelaten:
In afwijking van artikel 5.34, eerste lid, zijn de waarden en afstanden voor geur in dit hoofdstuk niet van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is maar mag worden gebouwd op grond van:
De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder.
De waarden en de afstanden voor de geur door een activiteit gelden:
De waarden en afstanden voor geur zijn niet van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit.
Bij de waarden en afstanden voor geur door een activiteit is geen rekening gehouden met de cumulatie van geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen.
Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk, als bedoeld in artikel 3.173 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
De geur door het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk op een geurgevoelig gebouw is niet hoger dan de grenswaarde, bedoeld onderstaande tabel.
|
Activiteit |
Geurgevoelig gebouw |
Grenswaarde |
|
Het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk |
Gelegen binnen de bebouwingscontour geur, anders dan op een gezoneerd industrieterrein, een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld, of een bedrijventerrein |
0,5 ouE/m3 |
|
|
Gelegen: |
1 ouE/m3 |
In afwijking van artikel 5.41 is de geur door het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk, dat is opgericht voor 1 februari 1996 en waarvoor op 1 februari 1996 een vergunning op grond van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer in werking en onherroepelijk was, op een geurgevoelig gebouw niet hoger dan de grenswaarde, bedoeld in onderstaande tabel.
|
Activiteit |
Geurgevoelig gebouw |
Grenswaarde |
|
Het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk, opgericht voor 1 februari 1996 |
Gelegen binnen de bebouwingscontour geur, anders dan op een gezoneerd industrieterrein, een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld, of een bedrijventerrein |
1,5 ouE/m3 |
|
|
Gelegen: |
3,5 ouE/m3 |
De waarden, bedoeld in artikelen 5.41 en 5.42, zijn niet van toepassing op de geur door het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk waarvoor tot 1 januari 2011 een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in werking en onherroepelijk was, op geurgevoelige gebouwen die:
Bij het wijzigen van een zuiveringtechnisch werk als bedoeld in de artikelen 5.42 en 5.43, is de waarde op een geurgevoelig gebouw als gevolg van dat zuiveringtechnisch werk niet hoger dan de waarde voor geur op een geurgevoelig gebouw, voorafgaand aan de verandering, tenzij de waarden, bedoeld in artikel 5.41 niet worden overschreden.
Deze paragraaf is van toepassing op het beginnen met of het wijzigen of uitbreiden van het in een dierenverblijf houden van:
Deze paragraaf is niet van toepassing op het houden van minder dan 10 schapen, 5 paarden en pony's, 10 geiten, 25 stuks pluimvee, 25 konijnen en 10 overige landbouwhuisdieren.
Een afstand als bedoeld in deze paragraaf geldt vanaf het emissiepunt van een dierenverblijf, bedoeld in artikel 4.806, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving
De geur door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op een geurgevoelig gebouw is niet hoger dan de waarde, bedoeld in onderstaande tabel.
Als onmiddellijk voor 1 januari 2024 de geur op een locatie rechtmatig meer bedraagt dan de waarde, bedoeld in artikel 5.47, mag, in afwijking van dat artikel bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor:
Voor gevallen als bedoeld in het eerste lid mag het aantal landbouwhuisdieren van een of meer diercategorieën met geuremissiefactor alleen toenemen als:
een geurbelastingreducerende maatregel wordt getroffen; en
de totale geur na het uitbreiden niet meer bedraagt dan het gemiddelde van de waarde, bedoeld in artikel 5.47, en de waarde van de geur die de activiteit onmiddellijk voorafgaand aan het treffen van de maatregel rechtmatig mocht veroorzaken.
Artikel 5.47 is niet van toepassing bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor, als de afstand op een locatie gelijk of groter is dan de afstand, bedoeld in onderstaande tabel, tot de volgende geurgevoelige gebouwen:
een geurgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met een dierenverblijf in de directe omgeving daarvan;
een geurgevoelig gebouw dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden een functionele binding te hebben met een dierenverblijf in de directe omgeving daarvan;
een geurgevoelig gebouw met een woonfunctie dat op of na 19 maart 2000 is gebouwd:
op een locatie die op dat tijdstip werd gebruikt voor het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf;
in samenhang met het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen van het dierenverblijf; en
in samenhang met de sloop van een dierenverblijf of bedrijfsgebouw dat onderdeel heeft uitgemaakt van een gebouw voor het houden van landbouwhuisdieren of voor functioneel ondersteunende activiteiten; en
een geurgevoelig gebouw dat aanwezig is op een locatie waar een geurgevoelig gebouw met een woonfunctie als bedoeld onder c is gebouwd.
Bij het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony's die gehouden worden voor het berijden is de afstand binnen geur landbouwhuisdieren halvering tot een geurgevoelig gebouw niet kleiner dan de afstand, bedoeld in onderstaande tabel.
Artikel 5.50 is niet van toepassing als op een locatie onmiddellijk voor 1 januari 2024 rechtmatig niet wordt voldaan aan de afstand, bedoeld in dat artikel.
In een geval als bedoeld in het eerste lid mag het aantal landbouwhuisdieren per diercategorie zonder geuremissiefactor of het aantal paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden, niet toenemen en de afstand tot een geurgevoelig geurgevoelig gebouw niet afnemen.
Onverminderd de artikelen 5.47 tot en met 5.51 is bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor of zonder geuremissiefactor of paarden en pony's die gehouden worden voor het berijden de afstand tot een geurgevoelig gebouw niet kleiner dan de afstand, bedoeld in onderstaande tabel.
In afwijking van artikel 5.46, geldt de afstand, bedoeld in het eerste lid, vanaf de gevel van een dierenverblijf.
Als voor 1 januari 2024 voor het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op een locatie rechtmatig niet wordt voldaan aan de afstand, bedoeld in artikel 5.52, mag, in afwijking van dat artikel bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor:
Als voor 1 januari 2024 voor het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden of pony's die gehouden worden voor het berijden op een locatie rechtmatig niet wordt voldaan aan de afstand, bedoeld in artikel 5.52, mag, in afwijking van dat artikel bij het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden of pony's die gehouden worden het berijden:
Dit artikel is van toepassing op het opslaan van:
Dit artikel is niet van toepassing op het opslaan van:
Bij het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie is de afstand voor geur vanaf het dichtstbijzijnde punt van de opslagplaats tot een geurgevoelig gebouw niet kleiner dan de afstand, bedoeld in onderstaande tabel.
Dit artikel is van toepassing op het opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong met een totaal volume van meer dan 3 m3.
Bij het opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong is de afstand voor geur vanaf het dichtstbijzijnde punt van de opslagplaats tot een geurgevoelig gebouw niet kleiner dan de afstand, bedoeld in onderstaande tabel.
|
Opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong |
Afstand |
|
Geurgevoelig gebouw gelegen binnen de bebouwingscontour geur |
100 m |
|
Geurgevoelig gebouw gelegen buiten de bebouwingscontour geur |
50 m |
Dit artikel is van toepassing op het opslaan van:
Dit artikel is niet van toepassing op in plasticfolie verpakte veevoederbalen.
Bij het opslaan van kuilvoer en vaste bijvoedermiddelen is de afstand voor geur vanaf het dichtstbijzijnde punt van de opslagplaats tot een geurgevoelig gebouw niet kleiner dan de afstand, bedoeld in onderstaande tabel.
Dit artikel is van toepassing op het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een of meer mestbassins met een gezamenlijke oppervlakte van ten hoogste 750 m2 of een gezamenlijke inhoud van ten hoogste 2.500 m3.
Bij het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een of meer mestbassins is de afstand voor geur vanaf het dichtstbijzijnde punt van het mestbassin tot een geurgevoelig gebouw niet kleiner dan de afstand, bedoeld in onderstaande tabel.
|
Opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een mestbassin |
Afstand tot geurgevoelig gevoelig gebouw |
|
|
|
Zonder functionele binding met dierenverblijf in directe omgeving |
Met functionele binding met dierenverblijf in directe omgeving |
|
Gezamenlijke oppervlakte minder dan 350 m2 |
50 m |
25 m |
|
Gezamenlijke oppervlakte 350 m2 tot en met 750 m2 |
100 m |
50 m |
Dit artikel is van toepassing op het exploiteren van een voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten van dierlijke meststoffen, bedoeld in artikel 4.864 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Dit artikel is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Bij het exploiteren van een voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten is de afstand voor geur vanaf het dichtstbijzijnde punt van de voorziening tot een geurgevoelig gebouw niet kleiner dan de afstand, bedoeld in onderstaande tabel.
|
Voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten |
Afstand |
|
Geurgevoelig gebouw gelegen binnen de bebouwingscontour geur |
100 m |
|
Geurgevoelig gebouw gelegen buiten de bebouwingscontour geur |
50 m |
Dit artikel is van toepassing op het composteren of opslaan van groenafval met een volume van 3 m3 tot en met 600 m3.
Dit artikel is niet van toepassing op groenafval dat een gevaarlijke afvalstof of gebruikt substraatmateriaal is.
Bij het composteren of opslaan van groenafval is de afstand voor geur vanaf het dichtstbijzijnde punt de composteringshoop of de opslagplaats voor groenafval tot een geurgevoelig gebouw niet kleiner dan de afstand, bedoeld in onderstaande tabel.
Dit artikel is van toepassing op het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie, bedoeld in artikel 5.55, het opslaan van substraatmateriaal van plantaardige oorsprong, bedoeld in artikel 5.56, het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen, bedoeld in artikel 5.57, en het composteren of opslaan van groenafval, bedoeld in artikel 5.60, als:
het opslaan al voor 1 januari 2013 plaatsvond;
de afstand tussen de activiteit en een geurgevoelig gebouw op 1 januari 2013 rechtmatig kleiner was dan de afstand, bedoeld in artikel 5.55, derde lid, artikel 5.56, tweede lid, artikel 5.57, derde lid, of artikel 5.60, derde lid; en
verplaatsing van de opslagplaats of composteringshoop redelijkerwijs niet kan worden gevergd.
Dit artikel is ook van toepassing op het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een of meer mestbassins, bedoeld in artikel 5.58, eerste lid, als:
de afstand tussen de activiteit, bedoeld in artikel 5.58, eerste lid, en een geurgevoelig gebouw op 1 januari 2013 rechtmatig kleiner was dan de afstand, bedoeld in artikel 5.58, tweede lid;
het mestbassin voor 1 januari 2013 is opgericht; en
verplaatsing van het mestbassin redelijkerwijs niet kan worden gevergd.
In een geval als bedoeld in het eerste of tweede lid is artikel 5.55, derde lid, artikel 5.56, tweede lid, artikel 5.57, derde lid, artikel 5.58, tweede lid, of artikel 5.60, derde lid, niet van toepassing en neemt de afstand tot een geurgevoelig gebouw niet af.
Deze afdeling is van toepassing op het bereiden van voedingsmiddelen met:
Deze afdeling is niet van toepassing op de voedingsmiddelenindustrie zoals bedoeld in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving, tenzij daar ook voedingsmiddelen worden bereid voor personen die werken op de locatie waarop de activiteit wordt verricht.
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen geloosd in een vuilwaterriool.
Als niet in een vuilwaterriool kan worden geloosd, kan het afvalwater op de bodem worden geloosd, als het afvalwater gezamenlijk met huishoudelijk afvalwater wordt geloosd en de voorzieningen voor het zuiveren van huishoudelijk afvalwater zijn berekend op het zuiveren van het afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen.
Afvalwater dat afvalstoffen bevat, die door versnijdende of vermalende apparatuur zijn versneden of vermalen, wordt niet geloosd.
Afvalwater, dat afkomstig is van het bereiden van voedingsmiddelen in een voertuig of andere mobiele installatie, wordt niet geloosd.
Vethoudend afvalwater dat wordt geloosd, wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door:
In afwijking van NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2 kan met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan daar vermeld worden volstaan als dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider.
Bewijzen van het legen en reinigen van de vetafscheider en slibvangput worden gedurende ten minste 5 jaar bewaard.
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder worden afgezogen dampen en gassen die naar de buitenlucht worden geëmitteerd:
Dampen die vrijkomen bij het bereiden van voedingsmiddelen met grootkeukenapparatuur door frituren, bakken in olie of vet of grillen, anders dan met houtskool, worden afgezogen en geleid door een vetvangend filter.
Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing:
op het bereiden van voedingsmiddelen met keukenapparatuur; en
als het mogelijke effect van de geuremissie van de uittredende lucht van een afzuiginstallatie beperkt blijft tot een gezoneerd industrieterrein, op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld of een bedrijventerrein met minder dan één geurgevoelig gebouw per hectare.
Voor zover er geen verandering van de activiteit plaatsvindt die leidt tot een toename van de geurbelasting op een geurgevoelig gebouw, is het eerste lid niet van toepassing als voor 1 januari 2008 voor die activiteit:
Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 5.62 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;
gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:
een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en
gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.
Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op het bereiden van voedingsmiddelen voor personen die wonen of werken op de locatie waarop de activiteit wordt verricht.
Het eerste lid, onder b, onder 4° en 5°, zijn niet van toepassing op voertuigen of andere mobiele installaties waaruit geen afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen wordt geloosd.
Bij maatwerkvoorschrift kan, in afwijking van artikel 5.63, vierde lid, toegestaan worden dat afvalwater dat afkomstig is van een voertuig of andere mobiele installatie waarin voedsel wordt bereid, wordt geloosd op het vuilwaterriool.
Bij maatwerkvoorschrift kan, in afwijking van artikel 5.63, vijfde lid, toegestaan worden dat afvalwater wordt geloosd zonder een vetafscheider en slibvangput, indien gelet op het vetgehalte in het te lozen afvalwater in combinatie met de hoeveelheid te lozen afvalwater, het lozen geen nadelige gevolgen heeft voor de doelmatige werking van de voorzieningen voor het beheer van afvalwater.
Deze afdeling is van toepassing als afvalwater wordt geleid door een olieafscheider binnen het aandachtsgebied zetting.
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater en het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt een olieafscheider onderhouden en geïnspecteerd volgens NEN-EN 858-2:2003.
Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt bij een olieafscheider, als bedoeld in artikel 5.67, een peilbuis geïnstalleerd.
De peilbuis wordt geïnstalleerd door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie-instantie of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.
De positie van de peilbuis wordt bepaald aan de hand van:
De peilbuis is horizontaal op een afstand van minder dan 2 m gelegen van de influentzijde van de olieafscheider, of op de kortste redelijkerwijze afstand.
De peilbuis wordt snijdend met de grondwaterspiegel geïnstalleerd.
Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt een geïnstalleerde peilbuis uiterlijk binnen twee maanden voor de eerste keer bemonsterd, daarna vindt bemonstering ten minste eenmaal per twee jaar plaats.
De bemonsteringen worden verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie-instantie of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.
De monsters worden onderzocht door een laboratorium met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 3000.
De monsters worden onderzocht op aanwezigheid van:
Het bevoegd gezag ontvangt uiterlijk binnen een maand na de bemonstering een rapportage.
De rapportage voldoet aan een verslag als bedoeld in NEN 5740.
De resultaten van de bemonstering worden ook verstrekt in het bestandsformaat XML volgens de vigerende versie van het protocol SIKB0101.
Als uit de resultaten van het onderzoek, bedoeld in artikel 5.70, vierde lid, blijkt dat één van de waarden in onderstaande tabel voor de daarin opgenomen stoffen in het grondwater wordt overschreden, wordt nader onderzoek verricht naar de omvang van de verontreiniging.
Het nader onderzoek voldoet aan NTA 5755.
Het veldwerk wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie-instantie of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.
De laboratoriumanalyse wordt verricht door een laboratorium of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS 3000.
Het bevoegd gezag ontvangt uiterlijk binnen een maand na het nader onderzoek een rapportage, die voldoet aan NTA 5755.
De resultaten van de bemonstering worden ook verstrekt in het bestandsformaat XML volgens de vigerende versie van het protocol SIKB0101.
Als de bodem is verontreinigd, wordt uiterlijk zes maanden na het toezenden van de rapportage nader onderzoek, bedoeld in artikel 5.71, de bodemkwaliteit hersteld tot:
de bodemkwaliteit en grondwaterkwaliteit, die is vastgesteld in een rapport volgens NEN 5740 dat is opgesteld voor het begin van de activiteit;
de bodemkwaliteit van de locatie waarop de activiteit is verricht, zoals die is vastgesteld op een bodemkwaliteitskaart als bedoeld in artikel 25c, derde lid, van het Besluit bodemkwaliteit; of
de kwaliteitsklasse landbouw/natuur, bedoeld in artikel 25d, van het Besluit bodemkwaliteit.
Het herstel wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000.
Het bevoegd gezag wordt ten minste vijf dagen voor het begin van de herstelwerkzaamheden geïnformeerd over de begindatum.
Het bevoegd gezag wordt ten hoogste vijf dagen na beëindiging van de herstelwerkzaamheden geïnformeerd over de einddatum.
Ten hoogste vier weken na beëindiging van de herstelwerkzaamheden worden aan het bevoegd gezag gegevens en bescheiden verstrekt in de vorm van een evaluatieverslag volgens BRL SIKB 6000 dat in ieder geval de volgende gegevens bevat:
de resultaten van de milieukundige begeleiding, bestaande uit het onderdeel processturing met daarbij in ieder geval een opsomming van bijzondere omstandigheden die zich hebben voorgedaan tijdens de herstelwerkzaamheden; en
de resultaten van de milieukundige begeleiding, bestaande uit het onderdeel verificatie van het eindresultaat van de herstelwerkzaamheden.
Deze afdeling is van toepassing op de trillingen door een activiteit in een frequentie van 1 tot 80 Hz in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Deze afdeling is niet van toepassing op een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, dat:
geheel of gedeeltelijk is gelegen op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld; en
is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar.
De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het voorkomen of het beperken van hinder door trillingen.
Voor de toepassing van deze afdeling wordt als één activiteit beschouwd:
De waarden voor trillingen zijn niet van toepassing op trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van een trillinggevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit.
Bij het verrichten van een activiteit zijn de continue trillingen in een trillinggevoelige ruimte niet hoger dan de waarde A1 trillingssterkte Vmax, bedoeld in onderstaande tabel.
Als niet voldaan wordt aan de waarde, bedoeld in het eerste lid, zijn bij het verrichten van een activiteit de continue trillingen in een trillinggevoelige ruimte niet hoger dan de waarden onder A2 trillingssterkte Vmax en A3 trillingssterkte Vper, bedoeld in onderstaande tabel.
Bij het verrichten van een activiteit zijn de herhaald voorkomende trillingen in een trillinggevoelige ruimte niet hoger dan de waarde A1 trillingssterkte Vmax, bedoeld in onderstaande tabel.
Als niet voldaan wordt aan de waarde, bedoeld in het eerste lid, zijn bij het verrichten van een activiteit de herhaald voorkomende trillingen in een trillinggevoelige ruimte niet hoger dan de waarden onder A2 trillingssterkte Vmax en A3 trillingssterkte Vper, bedoeld in onderstaande tabel.
Dit artikel is van toepassing op de herhaald voorkomende trillingen van een activiteit die op het moment van inwerkingtreding van deze bepaling rechtmatig wordt verricht en naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals die werd verricht voor inwerkingtreding van deze bepaling.
In afwijking van artikel 5.77 zijn bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in het eerste lid, de herhaald voorkomende trillingen in een trillinggevoelige ruimte niet hoger dan de waarde A1 trillingssterkte Vmax, bedoeld in onderstaande tabel.
Als niet voldaan wordt aan de waarde, bedoeld in het tweede lid, zijn bij het verrichten van de activiteit de herhaald voorkomende trillingen in een trillinggevoelige ruimte niet hoger dan de waarden onder A2 trillingssterkte Vmax en A3 trillingssterkte Vper, bedoeld in het tweede lid.
G
Hoofdstuk 6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit hoofdstuk is van toepassing op het uitvoeren van werken, niet zijnde bouwwerken, of werkzaamheden.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een werk, niet zijnde een bouwwerk, of een werkzaamheid te verrichten als het gaat om een in dit hoofdstuk aangewezen geval.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 6.2, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een omschrijving van de aard van de activiteit, met vermelding van:
een topografische kaart voorzien van noordpijl en ten minste twee coördinatieparen, met de exacte locatie en omvang van de activiteit;
doorsnedetekeningen met de exacte locatie, omvang en diepte van de afzonderlijke ingrepen ten opzichte van het maaiveld.
Deze afdeling is van toepassing op het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of werkzaamheid binnen het aandachtsgebied archeologie.
Deze paragraaf is niet van toepassing op het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of werkzaamheid, die worden verricht:
Het verbod, bedoeld in artikel 6.2, geldt voor de volgende werken en werkzaamheden als deze dieper gaan dan de op de locatie weergegeven diepte archeologie en groter zijn dan de op de locatie weergegeven oppervlakte archeologie:
grondwerkzaamheden, waartoe wordt gerekend het verwijderen van oude funderingen, woelen en mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden alsmede het vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage;
het aanleggen of rooien van bomen en diepwortelende struiken waarbij stobben worden verwijderd;
het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
het verlagen van het waterpeil;
het werken met opsporingsapparatuur (waaronder vallen metaaldetectoren, grondradar en ander detectieapparatuur), gevolgd door het opgraven van archeologische vondsten en relicten; en
het heien van palen en slaan van damwanden.
Het verbod, bedoeld in artikel 6.2, geldt voor de volgende werken en werkzaamheden als deze groter zijn dan de op de locatie weergegeven oppervlakte archeologie:
Een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 6.2, wordt alleen verleend als op basis van archeologisch onderzoek blijkt dat:
er geen archeologische waarden te verwachten zijn; of
door de activiteiten geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische waarden; of
schade door de activiteiten kan worden voorkomen of voldoende kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning te verbinden voorschriften.
Een vergunningvoorschrift, als bedoeld in artikel 6.7, aanhef en onder c, kan inhouden:
de verplichting tot het doen van archeologisch bureauonderzoek;
de verplichting tot het doen van inventariserend en/of waarderend archeologisch onderzoek zoals boringen, proefsleuven en non-destructief onderzoek (zoals grondradar- en weerstandsonderzoek);
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden kunnen worden behouden (behoud in situ);
de verplichting tot definitief archeologisch onderzoek (opgraven) en het conserveren van de archeologische resten en het opstellen van een eindrapportage;
de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg, die voldoet aan door het bevoegd gezag te stellen kwalificaties (archeologische begeleiding).
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 6.2, worden worden voor de beoordeling aan artikel 6.7 de volgende gegevens en bescheiden verstrekt
bij een opgraving, ook als deze alleen bestaat uit een proefsleuvenonderzoek of proefputtenonderzoek: een programma van eisen voor de opgraving dat voldoet aan de Kwaliteitsnorm Nederlandse archeologie;
bij een booronderzoek met een diameter groter dan 10 cm: een plan van aanpak voor een booronderzoek;
de motivering voor het verrichten van de activiteit en een omschrijving van de gevolgen ervan voor de archeologische waarden.
Zo nodig wordt een rapport verstrekt waarin de gevolgen van de activiteit voor de archeologische waarden in voldoende mate inzichtelijk zijn gemaakt.
Deze afdeling is van toepassing op het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of werkzaamheid binnen het aandachtsgebied natuur- en landschapswaarden.
Deze afdeling is niet van toepassing op het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of werkzaamheid, als het gaat om;
Het verbod, bedoeld in artikel 6.2, geldt voor de volgende werken en werkzaamheden:
het aanleggen van oppervlakteverhardingen groter dan 100 m2;
het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van watergangen;
het aanleggen of aanbrengen van kaden of aanlegplaatsen;
het verlagen van de bodem en het afgraven, ophogen en egaliseren van de gronden inclusief kaden, dijken of taluds;
het omzetten van grasland in land voor teelt van voedergewassen;
het kappen of rooien van een boom;
het planten van houtopstanden, waaronder de aanleg van boomgaarden als kleine landschapselementen; en
het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur.
Een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 6.2, wordt alleen verleend als het belang van de activiteit wordt aangetoond en verenigbaar is met het belang van het behouden van de aanwezige natuur- en landschapswaarden.
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 6.2, wordt voor de beoordeling aan artikel 6.12 een motivering voor het verrichten van de activiteit en een omschrijving van de directe en indirecte gevolgen ervan voor de aanwezige natuur- en landschapswaarden verstrekt.
Tenzij anders bepaald is deze afdeling van toepassing op het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of werkzaamheid binnen functie karakteristiek bouwwerk, functie cultuurlandschap of landschapsobject en functie gemeentelijk ensemble.
Deze paragraaf is niet van toepassing op het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of werkzaamheid, als het gaat om:
cultuurhistorisch onderzoek;
onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestrating, beplanting en tracés van kabels en leidingen; en
de uitvoering van normaal onderhoud, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur niet wijzigen, en voor zover de aanleg van een tuin, park of andere aanleg niet wijzigt.
Binnen functie gemeentelijk ensemble en functie cultuurlandschap of landschapsobject geldt het verbod, bedoeld in artikel 6.2, voor de volgende werken en werkzaamheden:
aanleggen, wijzigen en verharden van wegen en paden en het aanleggen, wijzigen of aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
aanleggen, verleggen en dempen van watergangen, sloten en andere waterpartijen;
verlagen van de bodem en het afgraven, ophogen en egaliseren van de gronden, waaronder begrepen het vergraven of ontgraven van bestaande kaden, dijken of taluds;
aanleggen of aanbrengen van kaden of aanlegplaatsen;
vellen en rooien van bomen, hakhout en andere houtopstanden en het verrichten van handelingen, die de dood of ernstige beschadiging daarvan ten gevolge hebben of kunnen hebben;
bebossen of anderszins beplanten met houtopstanden, waaronder begrepen de aanleg van boomgaarden als kleine landschapselementen;
geheel of gedeeltelijk wijzigen, aantasten, vernietigen van waardevolle cultuurhistorische elementen; en
al dan niet tijdelijk opslaan en/of storten van bouw- en/of afvalmaterialen.
Binnen functie gemeentelijk ensemble en functie karakteristiek bouwwerk geldt het verbod, bedoeld in artikel 6.2, ook voor het schilderen, sauzen, pleisteren of ontpleisteren van gevels die zichtbaar zijn vanaf het openbaar toegankelijk gebied, voor zover hiermee wordt afgeweken van de authentieke kleurstelling of gevelafwerking.
Een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 6.2, wordt alleen verleend als:
de cultuurhistorische waarden, zoals beschreven in de cultuurhistorische waardenkaart, behouden blijven; en
directe of indirecte te verwachten gevolgen van het werk en/of de werkzaamheid de cultuurhistorische waarden en doeleinden niet onevenredig aantasten; en
de mogelijkheden voor het herstel van de cultuurhistorische waarden niet wezenlijk worden verkleind; of
bij het verstoren of vernietigen van cultuurhistorische waarden:
aangetoond is dat bijzonder zwaarwegende belangen aanwezig zijn die rechtvaardigen dat de cultuurhistorische waarden worden verstoord of vernietigd; en
aangetoond is dat de werken en/of werkzaamheden plaatsvinden voor een nieuwe ontwikkeling, die past binnen de karakteristiek zoals deze blijkt uit de cultuurhistorische waardenkaart.
Bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met de volgende beginselen:
het behouden, onderhouden en versterken van cultuurhistorische waarden gaan vóór vernieuwen en ontwikkelen; en
het vernieuwen en ontwikkelen gebeurt vanuit bouwhistorische en/of cultuurhistorische waarden, zoals beschreven in de cultuurhistorische waardenkaart.
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 6.2, worden voor de beoordeling aan artikel 6.17 de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
de opgave van het huidige gebruik en het voorgenomen gebruik, als dat afwijkt van het huidige gebruik;
de motivering voor het verrichten van de activiteit en een omschrijving van de gevolgen ervan voor de cultuurhistorische waarden; en
zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: een nadere bepaling van de cultuurhistorische waarde aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie, tuinhistorie of over de relatie van het bouwwerk of het object tot zijn historische omgeving.
Deze afdeling is van toepassing op het verrichten van werkzaamheden, gericht op de transformatie van ontwikkelgebied Gnephoek, die bestaan uit:
Met het oog op het voorkomen van restzetting van de bodem worden bij het ontgraven, ophogen, egaliseren en voorbelasten de in onderstaande tabel opgenomen weg- en vloerpeilen aangehouden, waarbij gedurende een periode van 30 jaar niet meer dan 0,10 m restzetting plaatsvindt.
Met het oog op het verbeteren van de waterkwaliteit wordt bij de inrichting van de openbare ruimte:
een voldoende en gevarieerde waterdiepte van oppervlaktewater gerealiseerd;
100% van de oevers buiten de woonmilieugebieden natuurvriendelijk ingericht met een minimale taludhelling van 1:5 ; en
50% van de oevers binnen de woonmilieugebieden natuurvriendelijk ingericht met een minimale taludhelling van 1:3.
Van een natuurvriendelijke inrichting van een oever, als bedoeld in het eerste lid, is sprake als er geen harde beschoeiing wordt gebruikt.
Met het oog op het voorkomen van wateroverlast en waterschade worden maatregelen getroffen die ervoor zorgen dat:
Het is verboden de activiteit, bedoeld in artikel 6.19, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
Een melding wordt ondertekend en bevat ten minste:
H
Hoofdstuk 7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
I
Hoofdstuk 8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
J
Hoofdstuk 9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
K
Hoofdstuk 10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
L
Hoofdstuk 11 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
M
Na hoofdstuk 11 worden vijf hoofdstukken ingevoegd, luidende:
Tenzij anders bepaald is deze paragraaf van toepassing op activiteiten binnen de functie gemeentelijk monument, die bestaan uit:
het slopen, verstoren, verplaatsen of wijzigen van een gemeentelijk monument of een voorbeschermd gemeentelijk monument;
het herstellen of gebruiken van een gemeentelijk monument of een voorbeschermd gemeentelijk monument waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht; en
andere activiteiten met betrekking tot een gemeentelijk monument of een voorbeschermd gemeentelijk monument.
Degene die een activiteit met betrekking tot een gemeentelijk monument of een voorbeschermd gemeentelijk monument verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit kan leiden tot het beschadigen of vernielen van een gemeentelijk monument of een voorbeschermd gemeentelijk monument, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om deze beschadiging of vernieling te voorkomen.
Over artikel 7.2 kan een maatwerkvoorschrift worden gesteld als het gaat om een andere activiteit met betrekking tot een gemeentelijk monument of een voorbeschermd gemeentelijk monument.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een gemeentelijk monument of een voorbeschermd gemeentelijk monument te slopen, te verstoren, te verplaatsen of te wijzigen, te herstellen of te gebruiken waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.
Het verbod, bedoeld in artikel 7.4, geldt niet voor een activiteit met betrekking tot een gemeentelijk monument binnen gemeentelijk monument - buitenkant, als het gaat om:
Een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 7.4, wordt alleen verleend als de activiteit in overeenstemming is met het belang van de monumentenzorg.
Bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met de volgende beginselen:
het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van monumenten en archeologische monumenten;
het voorkomen van verplaatsing van monumenten of een deel daarvan, tenzij dit dringend is vereist voor het behoud van die monumenten;
het bevorderen van het gebruik van monumenten, zo nodig door wijziging van die monumenten, rekening houdend met de monumentale waarden; en
het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur in situ.
Aan de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 7.4, die betrekking heeft op een gedeeltelijke of volledige verplaatsing van een gemeentelijk monument dat een bouwwerk is, worden voorschriften verbonden over het treffen van voorzorgsmaatregelen voor het demonteren, het overbrengen en de herbouw van dat bouwwerk op de nieuwe locatie.
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 7.4, worden voor de beoordeling de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het monumentnummer en, voor zover van toepassing, de naam van het monument of de plaatselijke aanduiding van het archeologisch monument;
de opgave van het huidige gebruik van het gemeentelijk monument en het voorgenomen gebruik, als dat afwijkt van het huidige gebruik; en
de motivering voor het verrichten van de activiteit en een omschrijving van de gevolgen ervan voor het gemeentelijk monument.
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 7.4, die betrekking heeft op het slopen van het monument, worden voor de beoordeling de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
de volgende kleurenfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen sloop:
de volgende tekeningen:
een omschrijving van de sloopmethode en de aard van en bestemming voor het vrijkomend materiaal.
Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie of tuinhistorie;
als sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van de bodem onder het te slopen bouwwerk in voldoende mate is vastgesteld;
een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft; of
een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische en constructieve aspecten.
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 7.4, die betrekking heeft op het gedeeltelijk of volledig verplaatsen van het monument, worden voor de beoordeling de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft;
de volgende kleurenfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen verplaatsing:
de volgende tekeningen:
een bestek of werkomschrijving van de wijze van demonteren, van het verplaatsen naar de nieuwe locatie en de herbouw; en
als de activiteit bestaat uit het verplaatsen van een molen; een rapport over de molenbiotoop van de bestaande en de nieuwe situatie.
Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie, tuinhistorie of over de relatie van het monument tot zijn historische omgeving;
als op de bestaande of op de nieuwe locatie sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van het terrein dat volgens de aanvraag door de activiteit zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld
een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische, constructieve, materiaaltechnische of preventieve aspecten;
aanvullende tekeningen van de bestaande en nieuwe toestand, met inbegrip van detailtekeningen; of
een opgave van de bij de voorbereiding en het verrichten van de activiteit te hanteren uitvoeringsrichtlijnen.
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 7.4, die betrekking heeft op het wijzigen van een monument of het herstellen daarvan waardoor het kan worden ontsierd of in gevaar kan worden gebracht, worden voor de beoordeling de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
de volgende kleurenfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen activiteit:
de volgende tekeningen:
een situatietekening van de bestaande situatie, en als de nieuwe situatie daarvan afwijkt: een situatietekening van de nieuwe situatie;
opnametekeningen van de bestaande toestand met voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag:
als er gebreken worden hersteld: gebrekentekeningen;
plantekeningen van de nieuwe toestand en van de voorgenomen werkzaamheden, met inbegrip van de te vervangen of te veranderen onderdelen en de te verhelpen gebreken, met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag:
als sprake is van verwijdering van materiaal: slooptekeningen; en
een omschrijving van de aard en omvang van de activiteit in de vorm van een bestek of werkomschrijving, met:
Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie of tuinhistorie;
als sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld;
een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft;
een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische, constructieve, materiaaltechnische of preventieve aspecten;
aanvullende tekeningen van de bestaande en nieuwe toestand, met inbegrip van detailtekeningen;
voor zover er algemene kwaliteitsnormen of uitvoeringsrichtlijnen voor de instandhouding van monumenten op de activiteit van toepassing zijn: een opgave of de voorgenomen activiteit hierop is afgestemd; of
als de activiteit een monument betreft dat een tuinaanleg, parkaanleg of andere groenaanleg is: een beheervisie.
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 7.4, die betrekking heeft op het gebruiken van een monument waardoor het kan worden ontsierd of in gevaar gebracht, wordt voor de beoordeling een opgave verstrekt van de maatregelen die worden getroffen om deze nadelige gevolgen te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.
De artikelen 7.5 tot en met 7.12 zijn van overeenkomstige toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning, die betrekking heeft op een voorbeschermd gemeentelijk monument.
Deze paragraaf is van toepassing op het geheel of gedeeltelijk slopen van een bouwwerk binnen functie karakteristiek bouwwerk en functie gemeentelijk ensemble.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk geheel of gedeeltelijk te slopen.
Dit artikel is niet van toepassing als op dezelfde locatie een omgevingsvergunning op grond van hoofdstuk 3 voor een nieuw te bouwen bouwwerk is verleend.
Een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 7.16, wordt alleen verleend als:
de cultuurhistorische waarden, zoals beschreven in de cultuurhistorische waardenkaart, behouden blijven; en
directe of indirecte te verwachten gevolgen van de sloopactiviteit de cultuurhistorische waarden en doeleinden niet onevenredig aantasten; en
de mogelijkheden voor het herstel van de cultuurhistorische waarden niet wezenlijk worden verkleind; of
bij het verstoren of vernietigen van cultuurhistorische waarden:
aangetoond is dat bijzonder zwaarwegende belangen aanwezig zijn die rechtvaardigen dat de cultuurhistorische waarden worden verstoord of vernietigd; en
aangetoond is dat het slopen plaatsvindt voor een nieuwe ontwikkeling, die past binnen de karakteristiek zoals deze blijkt uit de cultuurhistorische waardenkaart.
Bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met de volgende beginselen:
het behouden, onderhouden en versterken van cultuurhistorische waarden gaan vóór vernieuwen en ontwikkelen; en
het vernieuwen en ontwikkelen gebeurt vanuit bouwhistorische en/of cultuurhistorische waarden, zoals beschreven in de cultuurhistorische waardenkaart.
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 7.16, worden voor de beoordeling de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
de opgave van het huidige gebruik en het voorgenomen gebruik, als dat afwijkt van het huidige gebruik;
de motivering voor het verrichten van de activiteit en een omschrijving van de gevolgen ervan voor de cultuurhistorische waarden; en
zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: een nadere bepaling van de cultuurhistorische waarde aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie, tuinhistorie of over de relatie van het bouwwerk of het object tot zijn historische omgeving.
Deze afdeling is van toepassing binnen ontwikkelgebied Gnephoek op het aanleggen of wijzigen van een verharde gemeenteweg, niet zijnde een erf in de zin van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met een verkeersintensiteit van meer dan 2.500 motorvoertuigen per etmaal als kalenderjaargemiddelde als op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit een geluidgevoelig gebouw is toegelaten binnen het aandachtsgebied van die weg.
Deze afdeling is niet toepassing op:
de aanleg of wijziging van een verharde gemeenteweg waaraan een besluit tot wijziging van dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit ten grondslag ligt;
een geluidgevoelig gebouw dat op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar; of
het geluid op een niet-geluidgevoelige gevel.
Voor toepassing van deze afdeling wordt onder een wijziging van een verharde gemeenteweg verstaan:
het verplaatsen van een of meer rijstroken met meer dan 2 m;
het verhogen of verlagen van de rijstroken met meer dan 1 m;
een toename van het aantal rijstroken, niet zijnde voorsorteerstroken en in- en uitvoegstroken;
het vervangen van een wegdek door een minder stil wegdek; of
het verwijderen van geluidbeperkende maatregelen bestaande uit werken of bouwwerken langs de weg.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een verharde gemeenteweg aan te leggen of te wijzigen.
Het eerste lid is niet van toepassing op het aanleggen van een verharde gemeenteweg, gerekend zonder te treffen maatregelen, als het aanleggen niet leidt tot overschrijding van:
de standaardwaarde, bedoeld in tabel 2.36, op een geluidgevoelig gebouw; of
als een hogere waarde is vastgesteld op grond van de Wet geluidhinder: niet meer dan 1 dB meer geluid op een geluidgevoelig gebouw.
Het eerste lid is niet van toepassing op het wijzigen van een verharde gemeenteweg, gerekend zonder te treffen maatregelen, als het wijzigen niet leidt tot overschrijden van de hoogste van de volgende waarden:
de standaardwaarde, bedoeld in tabel 2.36, op een geluidgevoelig gebouw; en
het geluid op die geluidgevoelige gebouwen onmiddellijk voorafgaand aan de wijziging van de verharde gemeenteweg; of
als een hogere waarde is vastgesteld op grond van de Wet geluidhinder: niet meer dan 1 dB meer geluid op een geluidgevoelig gebouw.
Een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 7.21, wordt alleen verleend als:
geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de waarden in artikel 7.21, tweede of derde lid, te voldoen;
de overschrijding van de waarden in artikel 7.21, tweede of derde lid, door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk worden beperkt; en
het geluid op gevoelige gebouwen niet hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in tabel 2.37.
Bij de beoordeling aan het criterium, bedoeld in het eerste lid worden geluidbeperkende maatregelen in aanmerking genomen als die financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan.
Als bij de aanleg of wijziging van de verharde gemeenteweg sprake is van geluid op een geluidgevoelig gebouw door geluidbronsoorten en andere activiteiten tegelijk, wordt:
Aan de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 7.21, worden voorschriften verbonden die verplichten tot het treffen van geluidbeperkende maatregelen bedoeld in artikel 7.22.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 7.21, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een akoestisch onderzoek naar:
het geluid dat geluidgevoelige gebouwen onmiddellijk voorafgaand aan de aanleg of wijziging van de verharde gemeenteweg ondervinden;
het geluid dat geluidgevoelige gebouwen door de aanleg of wijziging van de verharde gemeenteweg zullen ondervinden zonder de invloed van maatregelen;
de op grond van artikel 7.22, eerste lid, onder a en b, in aanmerking komende geluidbeperkende maatregelen die kunnen worden getroffen om aan de waarden en voorwaarden in dat lid te voldoen.
een beschrijving van de voorgenomen geluidbeperkende maatregelen, bedoeld onder a, onder 3.
Deze afdeling is van toepassing binnen het kostenverhaalsgebied.
Voor de toepassing van de regels is het kostenverhaalsgebied ingedeeld in openbare ruimte en woongebieden in de ruimtegebruikskaart kostenverhaal Gnephoek, als opgenomen in bijlage IV onder nummer 1.
Bij een aanvraag om een kostenverhaalsbeschikking worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een lijst met soorten kostenverhaalplichtige activiteiten die zullen worden uitgevoerd;
een aanduiding van de gronden waar de kostenverhaalplichtige activiteiten worden uitgevoerd met een opgave van het aantal m2 uitgeefbare grond;
een opgave van de kosten van zelf verrichte werkzaamheden, ingedeeld volgens bijlage VI, inclusief facturen.
Degene die in het kostenverhaalsgebied werken, werkzaamheden en maatregelen verricht nadat de aanvraag voor een kostenverhaalsbeschikking voor het geheel van zijn eigendommen is ingediend, kan verzoeken om een vergoeding voor de kosten van die werken, werkzaamheden en maatregelen voor zover die kosten niet reeds in mindering zijn gebracht op de kostenverhaalsbijdrage in de kostenverhaalsbeschikking.
De vergoeding wordt geweigerd als:
de werken, werkzaamheden en maatregelen betrekking hebben op de inrichting van openbare ruimte en de gemeente de oplevering van de ingerichte openbare ruimte niet heeft goedgekeurd; en
tussen gemeente en aanvrager geen overeenkomst tot stand is gekomen over het beheer of de koop en verkoop van de grond van die openbare ruimte.
Bij het verzoek om vergoeding wordt een opgave van de kosten van de verrichte werken, werkzaamheden en maatregelen gevoegd, zoals deze uit facturen blijken. De opgave wordt ingedeeld volgens bijlage VI.
De vergoeding is niet hoger dan de bedragen die voor de betreffende werken, werkzaamheden en maatregelen zijn opgenomen.
Binnen twaalf weken na het uitvoeren van de in een kostenverhaalsgebied voorziene werken, werkzaamheden en maatregelen stelt het college van burgemeester en wethouders bij beschikking een eindafrekening van het kostenverhaal in het kostenverhaalsgebied vast.
Bij de eindafrekening wordt de kostenverhaalsbijdrage, zoals betaald op basis van de kostenverhaalsbeschikking, herberekend op grond van de totale werkelijk gerealiseerde kosten na uitvoering van de voorziene werken, werkzaamheden en maatregelen.
Als een aanvrager van een kostenverhaalsbeschikking op basis van artikel 13.20, tweede lid, van de Omgevingswet recht heeft op terugbetaling, wordt het percentage van de disconteringsvoet, bedoeld in artikel 8.10 toegepast, waarmee rente wordt vergoed vanaf de datum van de afgifte van de kostenverhaalsbeschikking.
Als na de vaststelling van de eindafrekening, bedoeld in het eerste lid, aanvragen om kostenverhaalsbeschikkingen voor bouwactiviteiten worden gedaan, valt de verschuldigde geldsom samen met het bedrag, bedoeld in het tweede lid en ontstaat er geen recht op terugbetaling.
Op eindafrekeningen op verzoek als bedoeld in artikel 13.20, vierde lid, van de Omgevingswet wordt jaarlijks op 15 december door het college van burgemeester en wethouders beslist, als de verzoeken ten minste acht weken voor die datum zijn ontvangen.
Bij een verzoek om een eindafrekening worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een kopie van de kostenverhaalsbeschikking;
een opgave van de kosten van zelf verrichte werkzaamheden, ingedeeld volgens bijlage VI, inclusief facturen;
als het verzoek wordt ingediend door een andere belanghebbende dan degene op wiens naam is betaald: een bewijs dat de verzoeker recht heeft op de terugbetaling; en
naam, adres, telefoonnummer en rekeningnummer van verzoeker.
Artikel 8.4 is van toepassing op een eindafrekening op verzoek.
Met ingang van de prijspeildatum 1 januari 2026 geldt een tijdvak voor het kostenverhaal van 17 jaar.
Voor het berekenen van de opbrengsten van de gronden worden de in tabel 8.7.1 genoemde vastgoedsoorten onderscheiden.
|
Woonmilieu |
Hoogstedelijk |
Stedelijk |
Dorps |
Landelijk |
Totaal |
|
Bruto oppervlakte woonvelden in m2 |
85.576 |
433.035 |
520.212 |
181.762 |
1.220.585 |
|
Netto uitgeefbaar terrein in m2 |
35.550 |
249.300 |
309.943 |
114.943 |
709.736 |
|
Woningtype |
|
|
|
|
|
|
Sociaal grondgebonden huur |
0 |
410 |
120 |
30 |
560 |
|
Sociaal appartementen huur |
530 |
355 |
235 |
0 |
1.120 |
|
Betaalbaar grondgebonden koop |
0 |
440 |
135 |
60 |
635 |
|
Betaalbaar grondgebonden huur |
0 |
200 |
0 |
0 |
200 |
|
Betaalbaar appartementen koop |
70 |
115 |
210 |
0 |
395 |
|
Betaalbaar appartementen huur |
265 |
130 |
55 |
0 |
450 |
|
Vrije sector rijwoningen koop |
0 |
300 |
420 |
20 |
740 |
|
Vrije sector herenhuizen koop |
0 |
150 |
240 |
10 |
400 |
|
Vrije sector tweekapper koop |
0 |
105 |
265 |
180 |
550 |
|
Vrije sector vrijstaand koop |
0 |
0 |
155 |
120 |
275 |
|
Vrije sector appartementen koop |
60 |
45 |
110 |
60 |
275 |
|
Totaal |
925 |
2.250 |
1.945 |
480 |
5.600 |
|
Dichtheid won/ha bruto woonveld |
108,09 |
51,96 |
37,39 |
26,41 |
45,88 |
|
Voorzieningen (m2 bvo) |
|
|
|
|
|
|
Onderwijs |
0 |
5.500 |
11.000 |
0 |
16.500 |
|
Maatschappelijk overig |
2.285 |
2.285 |
4.570 |
2.285 |
11.425 |
|
BSO & KDV |
0 |
852 |
1.704 |
0 |
2.556 |
|
Supermarkt |
2.000 |
0 |
0 |
0 |
2.000 |
|
Commercieel overig |
5.025 |
1.750 |
0 |
0 |
6.775 |
|
Totaal (m2 bvo) |
9.310 |
10.387 |
17.274 |
2.285 |
39.256 |
|
Dichtheid m2bvo/ha bruto woonveld |
1.087,92 |
239,87 |
332,06 |
125,71 |
321,62 |
De opbrengsten worden geraamd volgens de nominale bedragen zoals opgenomen in tabel 8.7.2 en 8.7.3 aan de hand van de tabellen 8.7.4 tot en met 8.7.11.
|
Woningtype |
Aantal |
Grondwaarde |
Grondopbrengst |
|
|
|
per woning |
totaal |
|
Sociaal grondgebonden huur |
560 |
€ 25.000 |
€ 14.000.000 |
|
Sociaal appartementen huur |
1.120 |
€ 20.000 |
€ 22.400.000 |
|
Betaalbaar grondgebonden koop |
635 |
€ 105.641 |
€ 67.081.732 |
|
Betaalbaar grondgebonden huur |
200 |
€ 70.171 |
€ 14.034.279 |
|
Betaalbaar appartementen koop |
395 |
€ 67.198 |
€ 26.543.180 |
|
Betaalbaar appartementen huur |
450 |
€ 50.646 |
€ 22.790.559 |
|
Vrije sector rijwoningen koop |
740 |
€ 147.090 |
€ 108.846.468 |
|
Vrije sector herenhuizen koop |
400 |
€ 183.077 |
€ 73.230.771 |
|
Vrije sector tweekapper koop |
550 |
€ 165.616 |
€ 91.088.891 |
|
Vrije sector vrijstaand koop |
275 |
€ 239.882 |
€ 65.967.493 |
|
Vrije sector appartementen koop |
275 |
€ 97.351 |
€ 26.771.480 |
|
Totaal exclusief gebouwd parkeren |
5.600 |
€ 95.135 |
€ 532.754.853 |
|
Gebouwd parkeren koopappartementen |
319 |
-€ 17.191 |
-€ 5.480.822 |
|
Totaal inclusief gebouwd parkeren |
|
|
€ 527.274.031 |
|
Gemiddelde grondprijs per woning |
5.600 |
|
€ 94.156,08 |
|
Gemiddelde grondprijs per m² uitgeefbaar |
685.350 |
|
€ 769,35 |
|
Voorzieningen |
m2 |
Grondprijs |
Grondprijs |
|
|
|
per m2 |
totaal |
|
Onderwijs |
20.625 |
€ 190 |
€ 3.918.750 |
|
Maatschappelijk overig |
11.425 |
€ 190 |
€ 2.170.750 |
|
BSO & KDV |
2.556 |
€ 436 |
€ 1.113.832 |
|
Supermarkt |
2.000 |
€ 985 |
€ 1.970.978 |
|
Commercieel overig |
6.775 |
€ 680 |
€ 4.607.387 |
|
Totaal m2 |
43.381 |
|
€ 13.781.697 |
|
Grondprijs per m2 bvo |
39.256 |
|
€ 351,07 |
|
Transactieprijs / m² gbo |
Min |
Max |
Aanname |
|
Betaalbaar grondgebonden koop |
€ 4.452 |
€ 6.628 |
€ 4.800 |
|
Vrije sector rijwoningen koop |
€ 4.120 |
€ 6.339 |
€ 4.500 |
|
Vrije sector herenhuizen koop |
€ 3.899 |
€ 6.383 |
€ 4.650 |
|
Vrije sector tweekapper koop |
€ 4.156 |
€ 5.987 |
€ 4.850 |
|
Vrije sector vrijstaand koop |
€ 4.171 |
€ 6.892 |
€ 5.200 |
|
Betaalbaar appartementen koop |
€ 4.114 |
€ 7.951 |
€ 5.200 |
|
Vrije sector appartementen koop |
€ 3.670 |
€ 8.333 |
€ 5.400 |
|
Woningtype |
m2 gbo |
vormfactor |
m2 bvo |
VON/huur |
VON/bel.waarde |
|
|
|
|
|
per m2 gbo |
per woning |
|
Betaalbaar grondgebonden koop |
80 |
0,79 |
101 |
€ 4.800 |
€ 384.000 |
|
Betaalbaar grondgebonden huur |
80 |
0,79 |
101 |
€ 15 |
€ 338.824 |
|
Betaalbaar appartementen koop |
70 |
0,75 |
93 |
€ 5.200 |
€ 364.000 |
|
Betaalbaar appartementen huur |
60 |
0,75 |
80 |
€ 19 |
€ 304.000 |
|
Vrije sector rijwoningen koop |
120 |
0,79 |
152 |
€ 4.500 |
€ 540.000 |
|
Vrije sector herenhuizen koop |
150 |
0,80 |
188 |
€ 4.650 |
€ 697.500 |
|
Vrije sector tweekapper koop |
150 |
0,74 |
203 |
€ 4.850 |
€ 727.500 |
|
Vrije sector vrijstaand koop |
180 |
0,77 |
234 |
€ 5.200 |
€ 936.000 |
|
Vrije sector appartementen koop |
110 |
0,70 |
157 |
€ 5.400 |
€ 594.000 |
|
Bouwkosten |
Laag |
Hoog |
Aanname |
|
Betaalbaar grondgebonden |
€ 1.197 |
€ 1.794 |
€ 1.650 |
|
Vrije sector rijwoningen |
€ 1.154 |
€ 1.593 |
€ 1.550 |
|
Vrije sector herenhuizen |
€ 1.536 |
€ 2.160 |
€ 1.650 |
|
Vrije sector tweekapper |
€ 1.440 |
€ 2.042 |
€ 1.700 |
|
Vrije sector vrijstaand |
€ 1.561 |
€ 2.210 |
€ 1.800 |
|
Betaalbaar appartementen |
€ 1.718 |
€ 2.232 |
€ 2.000 |
|
Vrije sector appartementen |
€ 1.718 |
€ 2.232 |
€ 2.000 |
|
Woningtype |
m2 bvo |
Bouwkosten |
Bouwkosten |
Bijkomende kosten |
Algemene kosten |
Winst en risico |
Stichtingskosten |
|
|
|
per m2 bvo |
per woning |
|
|
|
per woning |
|
Betaalbaar grondgebonden koop |
101 |
€ 1.650 |
€ 166.650 |
€ 21.665 |
€ 7.533 |
€ 15.868 |
€ 211.715 |
|
Betaalbaar grondgebonden huur |
101 |
€ 1.650 |
€ 166.650 |
€ 21.665 |
€ 7.533 |
€ 14.001 |
€ 209.848 |
|
Betaalbaar appartementen koop |
93 |
€ 2.000 |
€ 186.000 |
€ 24.180 |
€ 8.407 |
€ 15.041 |
€ 233.629 |
|
Betaalbaar appartementen huur |
80 |
€ 2.000 |
€ 160.000 |
€ 20.800 |
€ 7.232 |
€ 12.562 |
€ 200.594 |
|
Vrije sector rijwoningen koop |
152 |
€ 1.550 |
€ 235.600 |
€ 30.628 |
€ 10.649 |
€ 22.314 |
€ 299.191 |
|
Vrije sector herenhuizen koop |
188 |
€ 1.650 |
€ 310.200 |
€ 40.326 |
€ 14.021 |
€ 28.822 |
€ 393.369 |
|
Vrije sector tweekapper koop |
203 |
€ 1.700 |
€ 345.100 |
€ 44.863 |
€ 15.599 |
€ 30.062 |
€ 435.624 |
|
Vrije sector vrijstaand koop |
234 |
€ 1.800 |
€ 421.200 |
€ 54.756 |
€ 19.038 |
€ 38.678 |
€ 533.672 |
|
Vrije sector appartementen koop |
157 |
€ 2.000 |
€ 314.000 |
€ 40.820 |
€ 14.193 |
€ 24.545 |
€ 393.558 |
|
Woningtype |
VON/bel.waarde |
Stichtingskosten |
Grondwaarde |
|
|
ex BTW |
|
|
|
Sociaal grondgebonden huur |
|
|
€ 25.000 |
|
Sociaal appartementen huur |
|
|
€ 20.000 |
|
Betaalbaar grondgebonden koop |
€ 317.355 |
€ 211.715 |
€ 105.641 |
|
Betaalbaar grondgebonden huur |
€ 280.019 |
€ 209.848 |
€ 70.171 |
|
Betaalbaar appartementen koop |
€ 300.826 |
€ 233.629 |
€ 67.198 |
|
Betaalbaar appartementen huur |
€ 251.240 |
€ 200.594 |
€ 50.646 |
|
Vrije sector rijwoningen koop |
€ 446.281 |
€ 299.191 |
€ 147.090 |
|
Vrije sector herenhuizen koop |
€ 576.446 |
€ 393.369 |
€ 183.077 |
|
Vrije sector tweekapper koop |
€ 601.240 |
€ 435.624 |
€ 165.616 |
|
Vrije sector vrijstaand koop |
€ 773.554 |
€ 533.672 |
€ 239.882 |
|
Vrije sector appartementen koop |
€ 490.909 |
€ 393.558 |
€ 97.351 |
|
Voorzieningen |
m2 vvo |
vormfactor |
m2 bvo |
Huurprijs |
Beleggingswaarde |
|
|
|
|
|
per m² vvo |
|
|
BSO & KDV |
2.300 |
0,9 |
2.556 |
€ 180 |
€ 5.915.314 |
|
Supermarkt |
1.800 |
0,9 |
2.000 |
€ 200 |
€ 5.538.462 |
|
Commercieel overig |
6.098 |
0,9 |
6.775 |
€ 200 |
€ 17.421.429 |
|
Voorzieningen |
m2 bvo |
Bouwkosten |
Bouwkosten totaal |
Bijkomende kosten |
Algemene kosten |
Winst en risico |
Stichtingskosten |
|
|
|
per m2 bvo |
|
|
|
|
totaal |
|
BSO & KDV |
2.556 |
€ 1.500 |
€ 3.834.000 |
€ 498.420 |
€ 173.297 |
€ 295.766 |
€ 4.801.483 |
|
Supermarkt |
2.000 |
€ 1.400 |
€ 2.800.000 |
€ 364.000 |
€ 126.560 |
€ 276.923 |
€ 3.567.483 |
|
Commercieel overig |
6.775 |
€ 1.500 |
€ 10.162.500 |
€ 1.321.125 |
€ 459.345 |
€ 871.071 |
€ 12.814.041 |
|
Voorzieningen |
Beleggingswaarde |
Stichtingskosten |
Grondwaarde |
Grondprijs |
|
|
totaal |
totaal |
totaal |
per m2 bvo |
|
Onderwijs |
|
|
|
€ 190 |
|
Maatschappelijk overig |
|
|
|
€ 190 |
|
BSO & KDV |
€ 5.915.314 |
€ 4.801.483 |
€ 1.113.832 |
€ 436 |
|
Supermarkt |
€ 5.538.462 |
€ 3.567.483 |
€ 1.970.978 |
€ 985 |
|
Commercieel overig |
€ 17.421.429 |
€ 12.814.041 |
€ 4.607.387 |
€ 680 |
De totale nominale grondopbrengsten, bedoeld in het tweede lid, worden verdeeld over de woonmilieus volgens tabellen 8.7.12 tot en met 8.7.19.
|
Hoogstedelijk |
Aantal |
Grondwaarde |
Grondopbrengst |
|
Woningtype |
|
per woning |
totaal |
|
Sociaal grondgebonden huur |
0 |
€ 25.000 |
€ 0 |
|
Sociaal appartementen huur |
530 |
€ 20.000 |
€ 10.600.000 |
|
Betaalbaar grondgebonden koop |
0 |
€ 105.641 |
€ 0 |
|
Betaalbaar grondgebonden huur |
0 |
€ 70.171 |
€ 0 |
|
Betaalbaar appartementen koop |
70 |
€ 67.198 |
€ 4.703.855 |
|
Betaalbaar appartementen huur |
265 |
€ 50.646 |
€ 13.421.107 |
|
Vrije sector rijwoningen koop |
0 |
€ 147.090 |
€ 0 |
|
Vrije sector herenhuizen koop |
0 |
€ 183.077 |
€ 0 |
|
Vrije sector tweekapper koop |
0 |
€ 165.616 |
€ 0 |
|
Vrije sector vrijstaand koop |
0 |
€ 239.882 |
€ 0 |
|
Vrije sector appartementen koop |
60 |
€ 97.351 |
€ 5.841.050 |
|
Totaal exclusief gebouwd parkeren |
925 |
€ 37.369 |
€ 34.566.012 |
|
Gebouwd parkeren koopappartementen |
66 |
-€ 17.191 |
-€ 1.139.743 |
|
Totaal inclusief gebouwd parkeren |
|
|
€ 33.426.269 |
|
Gemiddelde grondprijs per woning |
925 |
|
€ 36.136,51 |
|
Gemiddelde grondprijs per m² uitgeefbaar |
35.550 |
|
€ 940,26 |
|
Hoogstedelijk |
m2 |
Grondprijs |
Grondprijs |
|
Voorzieningen |
|
per m2 |
totaal |
|
Onderwijs (grond) |
0 |
€ 190 |
€ 0 |
|
Maatschappelijk overig (bvo) |
2.285 |
€ 190 |
€ 434.150 |
|
BSO & KDV (bvo) |
0 |
€ 436 |
€ 0 |
|
Supermarkt (bvo) |
2.000 |
€ 985 |
€ 1.970.978 |
|
Commercieel overig (bvo) |
5.025 |
€ 680 |
€ 3.417.287 |
|
Totaal |
9.310 |
|
€ 5.822.416 |
|
Grondprijs per m2 bvo |
|
|
€ 625,39 |
|
Stedelijk |
Aantal |
Grondwaarde |
Grondopbrengst |
|
Woningtype |
|
per woning |
totaal |
|
Sociaal grondgebonden huur |
410 |
€ 0 |
€ 10.250.000 |
|
Sociaal appartementen huur |
355 |
€ 10.600.000 |
€ 7.100.000 |
|
Betaalbaar grondgebonden koop |
440 |
€ 0 |
€ 46.481.830 |
|
Betaalbaar grondgebonden huur |
200 |
€ 0 |
€ 14.034.279 |
|
Betaalbaar appartementen koop |
115 |
€ 4.703.855 |
€ 7.727.761 |
|
Betaalbaar appartementen huur |
130 |
€ 13.421.107 |
€ 6.583.939 |
|
Vrije sector rijwoningen koop |
300 |
€ 0 |
€ 44.126.947 |
|
Vrije sector herenhuizen koop |
150 |
€ 0 |
€ 27.461.539 |
|
Vrije sector tweekapper koop |
105 |
€ 0 |
€ 17.389.697 |
|
Vrije sector vrijstaand koop |
0 |
€ 0 |
€ 0 |
|
Vrije sector appartementen koop |
45 |
€ 5.841.050 |
€ 4.380.788 |
|
Totaal exclusief gebouwd parkeren |
2.250 |
€ 82.461 |
€ 185.536.780 |
|
Gebouwd parkeren koopappartementen |
50 |
-€ 17.191 |
-€ 854.807 |
|
Totaal inclusief gebouwd parkeren |
|
|
€ 184.681.973 |
|
Gemiddelde grondprijs per woning |
2.250 |
|
€ 82.080,88 |
|
Gemiddelde grondprijs per m² uitgeefbaar |
242.425 |
|
€ 761,81 |
|
Stedelijk |
m2 |
Grondprijs |
Grondprijs |
|
Voorzieningen |
|
per m2 |
totaal |
|
Onderwijs (grond) |
6.875 |
€ 190 |
€ 1.306.250 |
|
Maatschappelijk overig (bvo) |
2.285 |
€ 190 |
€ 434.150 |
|
BSO & KDV (bvo) |
852 |
€ 436 |
€ 371.277 |
|
Supermarkt (bvo) |
0 |
€ 985 |
€ 0 |
|
Commercieel overig (bvo) |
1.750 |
€ 680 |
€ 1.190.100 |
|
Totaal |
11.762 |
|
€ 3.301.777 |
|
Grondprijs per m2 bvo |
|
|
€ 317,88 |
|
Dorps |
Aantal |
Grondwaarde |
Grondopbrengst |
|
Woningtype |
|
per woning |
totaal |
|
Sociaal grondgebonden huur |
120 |
€ 10.250.000 |
€ 3.000.000 |
|
Sociaal appartementen huur |
235 |
€ 7.100.000 |
€ 4.700.000 |
|
Betaalbaar grondgebonden koop |
135 |
€ 46.481.830 |
€ 14.261.471 |
|
Betaalbaar grondgebonden huur |
0 |
€ 14.034.279 |
€ 0 |
|
Betaalbaar appartementen koop |
210 |
€ 7.727.761 |
€ 14.111.564 |
|
Betaalbaar appartementen huur |
55 |
€ 6.583.939 |
€ 2.785.513 |
|
Vrije sector rijwoningen koop |
420 |
€ 44.126.947 |
€ 61.777.725 |
|
Vrije sector herenhuizen koop |
240 |
€ 27.461.539 |
€ 43.938.462 |
|
Vrije sector tweekapper koop |
265 |
€ 17.389.697 |
€ 43.888.284 |
|
Vrije sector vrijstaand koop |
155 |
€ 0 |
€ 37.181.678 |
|
Vrije sector appartementen koop |
110 |
€ 4.380.788 |
€ 10.708.592 |
|
Totaal exclusief gebouwd parkeren |
1.945 |
€ 121.518 |
€ 236.353.289 |
|
Gebouwd parkeren koopappartementen |
129 |
-€ 17.191 |
-€ 2.212.442 |
|
Totaal inclusief gebouwd parkeren |
|
|
€ 234.140.847 |
|
Gemiddelde grondprijs per woning |
1.945 |
|
€ 120.380,90 |
|
Gemiddelde grondprijs per m² uitgeefbaar |
293.575 |
|
€ 797,55 |
|
Dorps |
m2 |
Grondprijs |
Grondprijs |
|
Voorzieningen |
|
per m2 |
totaal |
|
Onderwijs (grond) |
13.750 |
€ 190 |
€ 2.612.500 |
|
Maatschappelijk overig (bvo) |
4.570 |
€ 190 |
€ 868.300 |
|
BSO & KDV (bvo) |
1.704 |
€ 436 |
€ 742.555 |
|
Supermarkt (bvo) |
0 |
€ 985 |
€ 0 |
|
Commercieel overig (bvo) |
0 |
€ 680 |
€ 0 |
|
Totaal |
20.024 |
|
€ 4.223.355 |
|
Grondprijs per m2 bvo |
|
|
€ 244,49 |
|
Landelijk |
Aantal |
Grondwaarde |
Grondopbrengst |
|
Woningtype |
|
per woning |
totaal |
|
Sociaal grondgebonden huur |
30 |
€ 3.000.000 |
€ 750.000 |
|
Sociaal appartementen huur |
0 |
€ 4.700.000 |
€ 0 |
|
Betaalbaar grondgebonden koop |
60 |
€ 14.261.471 |
€ 6.338.431 |
|
Betaalbaar grondgebonden huur |
0 |
€ 0 |
€ 0 |
|
Betaalbaar appartementen koop |
0 |
€ 14.111.564 |
€ 0 |
|
Betaalbaar appartementen huur |
0 |
€ 2.785.513 |
€ 0 |
|
Vrije sector rijwoningen koop |
20 |
€ 61.777.725 |
€ 2.941.796 |
|
Vrije sector herenhuizen koop |
10 |
€ 43.938.462 |
€ 1.830.769 |
|
Vrije sector tweekapper koop |
180 |
€ 43.888.284 |
€ 29.810.910 |
|
Vrije sector vrijstaand koop |
120 |
€ 37.181.678 |
€ 28.785.815 |
|
Vrije sector appartementen koop |
60 |
€ 10.708.592 |
€ 5.841.050 |
|
Totaal exclusief gebouwd parkeren |
480 |
€ 158.956 |
€ 76.298.772 |
|
Gebouwd parkeren koopappartementen |
74 |
-€ 17.191 |
-€ 1.273.830 |
|
Totaal inclusief gebouwd parkeren |
|
|
€ 75.024.942 |
|
Gemiddelde grondprijs per woning |
480 |
|
€ 156.301,96 |
|
Gemiddelde grondprijs per m² uitgeefbaar |
113.800 |
|
€ 659,27 |
|
Landelijk |
m2 |
Grondprijs |
Grondprijs |
|
Voorzieningen |
|
per m2 |
totaal |
|
Onderwijs (grond) |
0 |
€ 190 |
€ 0 |
|
Maatschappelijk overig (bvo) |
2.285 |
€ 190 |
€ 434.150 |
|
BSO & KDV (bvo) |
0 |
€ 436 |
€ 0 |
|
Supermarkt (bvo) |
0 |
€ 985 |
€ 0 |
|
Commercieel overig (bvo) |
0 |
€ 680 |
€ 0 |
|
Totaal |
2.285 |
|
€ 434.150 |
|
Grondprijs per m2 bvo |
|
|
€ 190,00 |
Voor het berekenen van de overige opbrengsten worden de te ontvangen subsidies geraamd op €100.000,-.
De raming van de inbrengwaarden van de gronden, inclusief eventueel te slopen opstallen, is opgenomen in tabel 8.8.
|
Omschrijving |
Totaal |
|
Waarde te slopen opstallen met grond (Kostensoort A2 + B1 bijlage IV Ob) |
€ 22.545.119 |
|
Waarde ruwe bouwgrond (Kostensoort A2+ B1 bijlage IV Ob) |
€ 99.666.555 |
|
Vrijmaken gronden van persoonlijke rechten, beperkte rechten etc. (Kostensoortenlijst A3 + B2 bijlage IV Ob) |
€ 0 |
|
Bijkomende schaden ingeval van onteigeningsschadeloos-stelling (Art 8.17 Ob) |
€ 0 |
|
Kosten van sloop etc. (Kostensoortenlijst A5 + B3 bijlage IV Ob) |
€ 1.287.994 |
|
Kosten van bodemsanering, grondwerken, dempen van oppervlaktewater (Kostensoortenlijst B4 bijlage IV Ob) |
€ 54.050.742 |
|
Totaal inbrengwaarde |
€ 177.550.410 |
De raming van de overige kosten is opgenomen in tabel 8.9.
|
Omschrijving |
Totaal |
|
A1 Planontwikkelingskosten |
€ 11.733.774 |
|
A4 Tijdelijk beheer |
€ 300.000 |
|
A6 Grondwerk en saneringskosten openbaar gebied |
€ 65.405.290 |
|
A7 Natuur-, groen- en watercompensatie |
€ 0 |
|
A8 Civiele kosten inrichting openbare ruimte |
€ 260.299.659 |
|
A9 Maatregelen fysieke leefomgeving en omgevingskwaliteit |
€ 0 |
|
A10 Voorbereiding & toezicht op de uitvoering (VTU) |
€ 25.045.071 |
|
A11 Nadeelcompensatie |
€ 0 |
|
A12 Niet-verrekenbare belastingen |
€ 0 |
|
A13 Financieringskosten |
€ 0 |
|
A14 Overige kosten |
€ 0 |
|
Totaal overige kosten |
€ 362.783.794 |
Voor het toerekenen van rente, discontering en indexering van de kosten en opbrengsten zijn de parameters gehanteerd, uitgaande van een prijspeil van 1 januari 2026 en een einde van het in artikel 17.6 bedoelde tijdvak op 31 december 2042, opgenomen in tabel 8.10.
Met toepassing van de kosten- en opbrengstenparameters, als bedoeld in artikel 8.10, zijn de kosten en opbrengsten in de tijd uitgezet en contant gemaakt volgens de volgende fasering:
Voor wat betreft de grondopbrengsten van de woonvelden, en de kosten van de openbare parkeervoorzieningen in de vorm van hubs in de openbare ruimte binnen deze woonvelden, zoals deze woonvelden zijn aangegeven in tabel 8.11.1, waarbij de aanduidingen van de woonvelden in de tabel corresponderen met de aanduiding ervan op de Ruimtegebruikskaart, bijlage IV-1 - Ruimtegebruikskaart kostenverhaal Gnephoek;
Voor wat betreft het bouw- en woonrijp maken van de openbare ruimte binnen deze woonvelden eveneens zoals aangegeven in de tabel 8.11.1, met dien verstande dat a) deze werkzaamheden jaarlijks gelijkmatig zijn gefaseerd en b) de kosten van bouwrijp maken een jaar voorafgaand aan en de kosten van woonrijp maken een jaar na realisatie van de grondopbrengst in het betreffende woonveld gefaseerd zijn;
Voor wat betreft de kosten van de hoofdinfrastructuur en de bovenwijkse voorzieningen zoals aangegeven in tabel 8.11.2.
|
Woonveld |
Begin |
Eind |
|
HS |
1‑1‑2033 |
31‑12‑2037 |
|
S2 |
1‑1‑2038 |
31‑12‑2041 |
|
S3 |
1‑1‑2038 |
31‑12‑2041 |
|
S4/S5 |
1‑1‑2033 |
31‑12‑2037 |
|
S6A |
1‑1‑2029 |
31‑12‑2032 |
|
S7 |
1‑1‑2029 |
31‑12‑2032 |
|
S8 |
1‑1‑2033 |
31‑12‑2037 |
|
S9 |
1‑1‑2033 |
31‑12‑2037 |
|
D1 |
1‑1‑2029 |
31‑12‑2032 |
|
D2 |
1‑1‑2029 |
31‑12‑2032 |
|
D3 |
1‑1‑2029 |
31‑12‑2032 |
|
D4 |
1‑1‑2029 |
31‑12‑2032 |
|
D5 |
1‑1‑2033 |
31‑12‑2037 |
|
D6 |
1‑1‑2033 |
31‑12‑2037 |
|
D7 |
1‑1‑2038 |
31‑12‑2041 |
|
D8 |
1‑1‑2038 |
31‑12‑2041 |
|
D9 |
1‑1‑2038 |
31‑12‑2041 |
|
D10 |
1‑1‑2038 |
31‑12‑2041 |
|
L1A-B |
1‑1‑2029 |
31‑12‑2032 |
|
L1C |
1‑1‑2033 |
31‑12‑2037 |
|
L2 |
1‑1‑2038 |
31‑12‑2041 |
|
Kostenpost |
Start |
Gereed |
|
Bodemsanering |
1‑1‑2028 |
31‑12‑2038 |
|
Grootschalig grondwerk en voorbelasting |
1‑1‑2028 |
31‑12‑2038 |
|
Ontgraven waterpartijen hoofdstructuur |
1‑1‑2028 |
31‑12‑2038 |
|
Ophogen polderkade |
1‑1‑2033 |
31‑12‑2034 |
|
Voorbelasten huidige watergangen |
1‑1‑2028 |
31‑12‑2038 |
|
Tijdelijke loswal voor aanvoer zand en/of afvoer grond |
1‑1‑2028 |
31‑12‑2029 |
|
Opruimen verharding bestaande percelen |
1‑1‑2028 |
31‑12‑2038 |
|
Aanleg bypass |
1‑1‑2029 |
31‑12‑2032 |
|
Toeslag rotondes bypass |
1‑1‑2031 |
31‑12‑2032 |
|
Aanleg hoofdfietsroute |
1‑1‑2030 |
31‑12‑2033 |
|
Hoofdstructuur groen |
1‑1‑2030 |
31‑12‑2042 |
|
Fietspaden in groenstructuur |
1‑1‑2030 |
31‑12‑2042 |
|
Fietspad polderkade |
1‑1‑2035 |
31‑12‑2036 |
|
Extra ontsluiting naar rotonde bij Maximabrug |
1‑1‑2030 |
31‑12‑2031 |
|
Inrichting grond natuurgebied |
1‑1‑2029 |
31‑12‑2042 |
|
Inrichting water natuurgebied |
1‑1‑2029 |
31‑12‑2042 |
|
Ecoducten |
1‑1‑2032 |
31‑12‑2033 |
|
Verkeersbrug wijkontsluiting (6*14) doorvaarbaar |
1‑1‑2030 |
31‑12‑2041 |
|
Verkeersbrug buurtontsluiting (6*10) doorvaarbaar |
1‑1‑2030 |
31‑12‑2041 |
|
Verkeersbruggen woongebied |
1‑1‑2030 |
31‑12‑2041 |
|
Voetgangersbrug woongebied |
1‑1‑2030 |
31‑12‑2041 |
|
Toeslag damwanden in woongebied (hardhout) |
1‑1‑2030 |
31‑12‑2041 |
|
Tijdelijke voorzieningen / faseringskosten |
1‑1‑2028 |
31‑12‑2041 |
|
Inlaatconstructie vanaf Oude Rijn |
1‑1‑2032 |
31‑12‑2033 |
|
Gemalen/persleiding |
1‑1‑2032 |
31‑12‑2033 |
|
Realisatie aquaduct |
1‑1‑2032 |
31‑12‑2034 |
|
Realisatie fietsbrug |
1‑1‑2032 |
31‑12‑2034 |
|
Speelplekken in hoofdstructuur (12-18) |
1‑1‑2030 |
31‑12‑2042 |
|
Herstelkosten nieuw openbaar gebied tot overdracht |
1‑1‑2031 |
31‑12‑2042 |
|
Maatregelen ruimtelijke inpassing bestaande woningen |
1‑1‑2030 |
31‑12‑2041 |
|
Engineeringskosten, directievoering en toezicht aquaduct |
1‑1‑2026 |
31‑12‑2034 |
|
Engineeringskosten, directievoering en toezicht fietsbrug |
1‑1‑2026 |
31‑12‑2034 |
De kostenverhaalsbijdrage wordt berekend aan de hand van de contant gemaakte kosten en opbrengsten zoals opgenomen in tabellen 8.11.3 en 8.11.4:
|
Omschrijving |
Nominaal |
NCW 1‑1‑2026 |
|
A1 Planontwikkelingskosten |
€ 11.733.774 |
€ 12.749.216 |
|
A2 Waarde gronden en opstallen openbaar gebied |
€ 78.820.031 |
€ 85.652.372 |
|
A3 Vrijmaken van rechten openbaar gebied |
€ 0 |
€ 0 |
|
A4 Tijdelijk beheer |
€ 300.000 |
€ 327.448 |
|
A5 Sloopkosten openbaar gebied |
€ 643.636 |
€ 699.428 |
|
A6 Grondwerk en saneringskosten openbaar gebied |
€ 65.405.290 |
€ 71.128.796 |
|
A7 Natuur-, groen- en watercompensatie |
€ 0 |
€ 0 |
|
A8 Civiele kosten inrichting openbare ruimte |
€ 260.299.659 |
€ 281.760.770 |
|
A9 Maatregelen fysieke leefomgeving en omgevingskwaliteit |
€ 0 |
€ 0 |
|
A10 Voorbereiding & toezicht op de uitvoering (VTU) |
€ 25.045.071 |
€ 27.256.231 |
|
A11 Nadeelcompensatie |
€ 0 |
€ 0 |
|
A12 Niet-verrekenbare belastingen |
€ 0 |
€ 0 |
|
A13 Financieringskosten |
€ 0 |
€ 0 |
|
A14 Overige kosten |
€ 0 |
€ 0 |
|
B1 Waarde gronden en opstallen |
€ 43.391.643 |
€ 47.152.951 |
|
B2 Vrijmaken van rechten |
€ 0 |
€ 0 |
|
B3 Sloopkosten |
€ 644.358 |
€ 700.213 |
|
B4 Grondwerk en saneringskosten |
€ 54.050.742 |
€ 58.736.012 |
|
Totaal |
€ 540.334.205 |
€ 586.163.438 |
Het maximum aan te verhalen kosten na toepassing van macro-aftopping bedraagt € 554.450.571,-, zoals berekend in tabel 8.12:
|
Macro aftopping |
NCW per 1‑1‑2026 |
|
Totaal inbrengwaarde van de gronden |
€ 192.940.976 |
|
Totaal andere kosten |
€ 393.222.462 |
|
Bruto te verhalen kosten |
€ 586.163.438 |
|
Totaal van overige opbrengsten |
€ 108.668 |
|
Netto te verhalen kosten |
€ 586.054.770 |
|
Totale opbrengsten uitgiften |
€ 554.450.571 |
|
Maximaal te verhalen kosten |
€ 554.450.571 |
De bruto kostenverhaalsbijdrage in de kostenverhaalbeschikking wordt bepaald op een bedrag per m2 uitgeefbaar gebied per woonmilieu, zoals opgenomen in tabel 8.13 en aangeduid op de Ruimtegebruikskaart, bijlage IV-1 - Ruimtegebruikskaart kostenverhaal Gnephoek.
|
|
Oppervlakte |
A |
B |
Woningen |
Voorzieningen |
Woningen |
Voorzieningen |
Totaal |
Contante waarde |
Gewogen |
Kostenverhaal |
|
Woonmilieu |
Totaal |
Openbaar |
Uitgeefbaar |
Aantal |
m2 BVO |
grondopbrengst |
grondopbrengst |
grondopbrengst |
grondopbrengst |
eenheden |
per m2 uitgeefbaar |
|
Hoogstedelijk |
85.576 |
50.026 |
35.550 |
925 |
9.310 |
€ 33.426.268,83 |
€ 5.822.415,60 |
€ 39.248.684,43 |
€ 40.216.221,09 |
245,65 |
€ 1.131,26 |
|
Stedelijk |
433.035 |
183.735 |
249.300 |
2.250 |
10.387 |
€ 184.681.973,03 |
€ 3.301.777,26 |
€ 187.983.750,28 |
€ 192.899.624,80 |
1.178,25 |
€ 773,77 |
|
Dorps |
520.212 |
210.269 |
309.943 |
1.945 |
17.274 |
€ 234.140.847,16 |
€ 4.223.354,51 |
€ 238.364.201,67 |
€ 244.106.173,07 |
1.491,03 |
€ 787,58 |
|
Landelijk |
181.762 |
66.819 |
114.943 |
480 |
2.285 |
€ 75.024.942,13 |
€ 434.150,00 |
€ 75.459.092,13 |
€ 77.228.551,96 |
471,72 |
€ 671,89 |
|
Totaal |
1.220.585 |
510.849 |
709.736 |
5.600 |
39.256 |
€ 527.274.031,15 |
€ 13.781.697,38 |
€ 541.055.728,52 |
€ 554.450.570,91 |
3.386,64 |
|
Het bedrag van deze bijdrage wordt, tot de datum van verlening van de kostenverhaalbeschikking, vermeerderd met het percentage van de disconteringsvoet zoals genoemd in de tabel van artikel 8.10.
Om in de kostenverhaalsbeschikking tot de netto-kostenverhaalsbijdrage te komen wordt een aftrek toegepast van de inbrengwaarden en van kosten, die voorafgaand aan de aanvraag van de kostenverhaalsbeschikking, gemaakt zijn voor de betreffende kavel. Het gaat om onderdelen B1, B2, B3 en B4 van de kostensoortenlijst, opgenomen in bijlage IV bij het Omgevingsbesluit.
Binnen aandachtsgebied provinciale vaarweg is de beheerder van de provinciale vaarweg adviseur voor een aanvraag om een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 3.4.
Binnen aandachtsgebied straalpad is de beheerder van de antennes adviseur voor een aanvraag om een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 3.4, als de aanvraag betrekking heeft op het bouwen van een bouwwerk hoger dan 55 m.
Binnen aandachtsgebied waterstaat - waterkering is de beheerder van de waterkering adviseur voor een aanvraag om een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 3.4.
De commissie, bedoeld in artikel 17.9 van de wet, is binnen aandachtsgebied welstand en functie gemeentelijk monument, functie omgeving van een monument, functie karakteristiek bouwwerk, functie gemeentelijk ensemble en functie cultuurlandschap of landschapsobject adviseur voor een aanvraag om een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikelen 3.4, 6.2, 7.4 of 7.16.
Deze afdeling is van toepassing binnen indirecte akoestische effecten, waar ten gevolge van een wijziging van dit omgevingsplan het geluid door de verharde gemeenteweg toeneemt op geluidgevoelige gebouwen in het aandachtsgebied van die weg door toename van de verkeersintensiteit.
Deze afdeling is niet van toepassing op:
Voordat het aquaduct onder de Heimanswetering in gebruik wordt genomen, wordt door het college van burgemeester en wethouders de toename van het geluid onderzocht.
Als de toename van het geluid, bedoeld in het eerste lid, meer is dan 1,5 dB op geluidgevoelige gebouwen, dan:
worden geluidbeperkende maatregelen getroffen om die toename te voorkomen;
wordt de toename van het geluid door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk beperkt; en
is het geluid op geluidgevoelige gebouwen niet hoger dan de grenswaarde, bedoeld in artikel 2.37.
Geluidbeperkende maatregelen, als bedoeld in het tweede lid, worden in aanmerking genomen als die financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan.
Als het tweede lid wordt toegepast dan wordt de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid op het geluidgevoelig gebouw beoordeeld.
De op grond van artikel 10.2 in aanmerking komende geluidbeperkende maatregelen worden getroffen binnen een jaar na ingebruikname van het aquaduct onder de Heimanswetering.
Als voor de inwerkingtreding van de hoofdstukken 3 tot en met 7 een aanvraag om een besluit is ingediend, blijft het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1 van de Omgevingswet, van toepassing:
Als voor de inwerkingtreding van de hoofdstukken 3 tot en met 7 voor een ambtshalve te nemen besluit toepassing is gegeven aan artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht of het besluit is bekendgemaakt, blijft het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1 van de Omgevingswet, van toepassing:
Als voor de inwerkingtreding van de hoofdstukken 3 tot en met 7 voor een ambtshalve te nemen besluit een ontwerp ter inzage is gelegd van een besluit op de voorbereiding waarvan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is, blijft het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1 van de Omgevingswet, van toepassing:
Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, die op het tijdstip van inwerkingtreding van een verbodsbepaling, als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder a van de Omgevingswet in hoofdstukken 3 tot en met 7, onherroepelijk is geldt als een omgevingsvergunning voor die activiteit.
Tenzij anders bepaald is deze paragraaf is van toepassing binnen specifiek overgangsrecht.
Het verrichten van milieubelastende activiteiten, het gebruiken van gronden en bouwwerken binnen eerbiedigend overgangsrecht - 3 jaar - Gnephoek 24a en eerbiedigend overgangsrecht - 3 jaar - Gnephoek 26-28a dat op grond van het tijdelijk deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1 van de Omgevingswet, was toegestaan en onmiddellijk voor inwerkingtreding van deze bepaling aanwezig was, mag worden voortgezet tot uiterlijk drie jaar na inwerkingtreding van deze bepaling.
Het verrichten van milieubelastende activiteiten, gebruik van gronden en bouwwerken binnen eerbiedigend overgangsrecht - 5 jaar - Gnephoek 18-20, eerbiedigend overgangsrecht - 5 jaar - Gnephoek 4, eerbiedigend overgangsrecht - 5 jaar - Ringdijk 1 en eerbiedigend overgangsrecht - 5 jaar - Zaagmolenweg 2-8 dat op grond van het tijdelijk deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1 van de Omgevingswet, was toegestaan en onmiddellijk voor inwerkingtreding van deze bepaling aanwezig was, mag worden voortgezet tot uiterlijk vijf jaar na inwerkingtreding van deze bepaling.
Het opslaan van propaan in een opslagtank, bedoeld in artikel 4.896 van het Besluit activiteiten leefomgeving, binnen eerbiedigend overgangsrecht - 5 jaar - propaantank, dat op grond van het tijdelijk deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1 van de Omgevingswet, was toegestaan en onmiddellijk voor inwerkingtreding van deze bepaling aanwezig was, mag worden voortgezet tot uiterlijk vijf jaar na inwerkingtreding van deze bepaling.
Tot het moment dat de werkzaamheden voor de transformatie van ontwikkelgebied Gnephoek, bedoeld in afdeling 6.5, worden verricht mag het gebruik van gronden en bouwwerken binnen eerbiedigend overgangsrecht - ontwikkelgebied Gnephoek, dat op grond van het tijdelijk deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet, was toegestaan en onmiddellijk voor inwerkingtreding van deze bepaling aanwezig was, worden voortgezet.
N
Afdeling 22.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De
Binnen omgevingsplan - tijdelijk deel zijn de regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.
De regels in afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan:
een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet onherroepelijke omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit;
een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en na de inwerkingtreding van die wet onherroepelijk wordt.
Voor
Binnen omgevingsplan - tijdelijk deel wordt voor de toepassing van de artikelen 22.28, eerste en tweede lid, 22.38, 22.287, 22.288, 22.290 tot en met 22.293 en 22.295 wordt onder gemeentelijk monument respectievelijk voorbeschermd gemeentelijk monument ook verstaan een monument of archeologisch monument dat op grond van een gemeentelijke verordening is aangewezen respectievelijk waarop, voordat het is aangewezen, die verordening van overeenkomstige toepassing is.
Het eerste lid is van toepassing:
als het gaat om een aangewezen monument of archeologisch monument: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven; en
als het gaat om een monument of archeologisch monument waarop voordat het is aangewezen de verordening van overeenkomstige toepassing is: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of dit omgevingsplan geen voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om die functie-aanduiding te geven.
De
Binnen omgevingsplan - tijdelijk deel zijn de artikelen 22.28, derde lid, en 22.38, aanhef en onder b, zijn van overeenkomstige toepassing op een activiteit als bedoeld in die artikelonderdelen die wordt verricht op een locatie waarvoor een op grond van artikel 4.35, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet als instructie geldende aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet van kracht is, zolang in dit omgevingsplan aan die locatie nog niet de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven.
O
Voor artikel 22.4 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Deze afdeling is van toepassing binnen omgevingsplan - tijdelijk deel.
P
Het opschrift van artikel 22.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Q
Het opschrift van artikel 22.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
R
Artikel 22.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
S
Artikel 22.12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Met het oog op het beschermen van de gezondheid ligt een ondergrondse doorvoer van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater door een uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk zoveel mogelijk haaks op de scheidingsconstructie.
De gebouwaansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater op de op het eigen erf of terrein gelegen riolering of een andere voorziening voor afvoer van afvalwater is zodanig dat bij zetting de dichtheid van de aansluiting en de afvoer gehandhaafd blijft.
Een terreinleiding waardoor huishoudelijk afvalwater wordt geleid:
Bij maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 22.422.5 kan in ieder geval worden bepaald:
als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een ander passend systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet aanwezig is waarop kan worden aangesloten: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater op dat riool of systeem noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd;
als voor de afvoer van hemelwater een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is waarop kan worden aangesloten, en hemelwater op dat stelsel of riool mag worden gebracht: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van hemelwater op dat stelsel of riool noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; en
of, en zo ja welke voorzieningen in de afvoervoorziening of de op het erf of terrein gelegen riolering moeten worden aangebracht om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen.
T
Artikel 22.54 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Paragraaf 22.3.4 is van toepassing binnen omgevingsplan - tijdelijk deel op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit
In afwijking van het eerste lid is deze paragraaf niet van toepassing op geluid door een activiteit:
op of in een geluidgevoelig gebouw, dat geheel of gedeeltelijk ligt op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;
op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar; en
op een niet-geluidgevoelige gevel.
Deze paragraaf is niet van toepassing op het geluid van:
het met een verplaatsbaar mijnbouwwerk aanleggen, aanpassen, testen, onderhouden, repareren en buiten gebruik stellen van een boorgat of stimuleren van een voorkomen via een boorgat, bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of
spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen.
Deze paragraaf is alleen van toepassing op het geluid door activiteiten bij detailhandel als:
U
Artikel 22.83 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf is van toepassing binnen omgevingsplan - tijdelijk deel op de trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit.
Deze paragraaf is niet van toepassing op trillingen door een activiteit:
in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat geheel of gedeeltelijk ligt op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld; en
in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar.
V
Artikel 22.90 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf is van toepassing binnen omgevingsplan - tijdelijk deel op de geur door een activiteit op een geurgevoelig object.
In afwijking van het eerste lid zijn de waarden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.4 en artikel 22.245, niet van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig object dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar.
W
Artikel 22.196 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf is van toepassing binnen omgevingsplan - tijdelijk deel op het bereiden van voedingsmiddelen met:
Deze paragraaf is niet van toepassing als een activiteit als bedoeld in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat, met uitzondering van het bereiden van voedingsmiddelen voor personen die werken op de locatie waarop de activiteit wordt verricht.
X
Artikel 22.271 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze afdeling is van toepassing binnen omgevingsplan - tijdelijk deel op het aanleggen of wijzigen van een weg of spoorweg, tenzij:
Y
Artikel 22.277 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf is van toepassing binnen omgevingsplan - tijdelijk deel op een regel in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet, op grond waarvan:
het is verboden zonder omgevingsvergunning werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren;
het is verboden zonder omgevingsvergunning een sloopactiviteit te verrichten; of
bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van daarbij aangegeven regels in dat tijdelijke deel van dit omgevingsplan.
Z
Subparagraaf 22.5.2.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij
Binnen omgevingsplan - tijdelijk deel worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of een werkzaamheid worden gegevens en bescheiden verstrekt over:
Voor zover dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning binnen omgevingsplan - tijdelijk deel wordt voor een sloopactiviteit wordt aannemelijk gemaakt dat op de locatie van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.
AA
Artikel 22.286 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning binnen omgevingsplan - tijdelijk deel worden voor een activiteit als bedoeld in artikel 22.280 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het beoogde en het huidige gebruik van de locaties en bouwwerken waarop de aanvraag betrekking heeft;
een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:
de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;
de situering van bouwwerken ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;
de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;
de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en
het beoogd gebruik van de locatie behorende bij het voorgenomen bouwwerk.
Zo nodig wordt een rapport verstrekt waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld.
BB
Artikel 22.287 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning binnen omgevingsplan - tijdelijk deel worden voor een activiteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het monumentnummer en, voor zover van toepassing, de naam van het monument of de plaatselijke aanduiding van het archeologisch monument;
de opgave van het huidige gebruik van het gemeentelijk monument en het voorgenomen gebruik, als dat afwijkt van het huidige gebruik; en
de motivering voor het verrichten van de activiteit en een omschrijving van de gevolgen ervan voor het gemeentelijk monument.
CC
Artikel 22.296 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning binnen omgevingsplan - tijdelijk deel wordt voor een sloopactiviteit in een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht wordt aannemelijk gemaakt dat op de locatie van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.
Zo nodig wordt een rapport verstrekt waarin de archeologische waarde van de bodem onder het te slopen bouwwerk in voldoende mate is vastgesteld.
DD
Artikel 22.302 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning binnen omgevingsplan - tijdelijk deel wordt voor een sloopactiviteit in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht wordt aannemelijk gemaakt dat op de locatie van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.
Zo nodig wordt een rapport verstrekt waarin de archeologische waarde van de bodem onder het te slopen bouwwerk in voldoende mate is vastgesteld.
EE
Na het lichaam worden vijf bijlagen ingevoegd, luidende:
/join/id/regdata/gm0484/2026/d03d21ee524344f29426e12196c7a44d/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/5744a2683f78432d8d36301c4ac3dd44/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/9ed8d10897634511b18d57b484cc262b/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/7168240de9f3425aadf6afd4f3e45e5b/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/ac7a18b3a6a84b03b57d1e4ef83dd7a6/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/37a51afcf70a43deb5e5bbc443fa209d/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/073e2cdc13b5451394c126f354b4e935/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/353ed60b64af4d449c2bd8ae0b1c86a7/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/20ecd5161a154068881b1b41eabdbc98/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/6acd5e58a7fa485c80de8d2f0f260837/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/1d67407c50cb4f76960f959125e7f059/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/f8c5f5cd66504c54bef2aa34db00778e/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/acec5840cbd34baea7d4012bcf43d9ca/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/f9572195d6ee44dbb3b47bd68d73c1cb/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/c4485ed5aa9143fe9fd624f0884b86ff/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/8c6e9c34d32b44988b38d9262f4b0b5a/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/9ce4e59cc01249bbb230a4124718b709/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/bace49eba5144dde8fcec5fc63cdb2f8/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/06e5d74d6b4845caa114dd0dec51f720/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/0ff438e951c44ef39a8a29d1688652b7/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/db17704a02424d32b4366784148025fa/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/535709c1693140f9917a4cc07bfe448c/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/68a1db17228b4bc3b7fcf594720950e1/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/bf939c0cac00499faa8235a119b79960/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/1ad72d85988640e98648964ae0d27d0e/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/5f1faafa14f54debab77fc845de748c0/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/66ed53a38f02421cac00b8d20b642c16/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/be7d43e0e3d641d59352175d2b344ad3/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/cafacf60a03d4fa98964a9a779662d3a/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/d615c6767887487d87334342d57ba7af/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/659a94ff844d452ab9265723f685df68/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/065300d450a949d88ff9d9ac79216815/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/3f54e697b6f34c94af5e06b0dfe92b78/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/b235e619cd374ccf8774155114bd4e39/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/6bd723a1e6584433a5e6561f8638ccbf/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/1f59022a5f7d4cffbe1475e9ba24a7dd/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/c4d2ee1e7f59471f9d41e6764800cd12/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/a9753c9068484e4fa803c538a1fd76c1/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/f536d39b00bc4bcf8b2da0236452d434/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/5e4d6fce7cd844f8a847d75cd57aaaac/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/5e202d59713d427fbef21e8d3c521b66/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/72534dca735442c28979ee31fa0c71f5/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/0e8f085e312846489462cbb9d07a2fd7/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/c24a72a706de434783c970ce175e00c9/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/d80f91d077df4deb8a17f78ea6d28010/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/5fe147f99a7547429bbd79f2f8318027/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/3b9288019f8e45bcab42af4643ade16a/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/0c69c150d7e5427ba82202d65afb39bb/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/691fd2390bcb4fc7b4358f5d02a6b214/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/241d7472db4e4f25bde9c89150cc4a39/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/b630dca5b7ab429595361b12cbbe4263/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/f57c5704bc334744867e7a72e0df40ce/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/e6e9d6984b1647638049026deeaf3b62/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/ef4c4968a01c4a599d0b633119cfa7d5/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/dbb423dbc59640359bf51f277b2a3573/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/74569f4efd264928bbd006416efb91a4/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/369da84710c241eba6c7e725fd4abe72/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/e3115577cee2405b8d2eab0ac2255ac4/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/080b8f3b6461404c9dbfc1550c0c37d6/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/192bd0453c9248e6bed8370bcbdcfa7a/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/1de2e839911c4478aa6ce8654a06fe04/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/8cdf598a984c4fb497ff1239b40fa31a/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/44b7bb464d4a4a35b0df231147989de3/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/098ad2631ba9442486a020a3403644f2/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/9112f9544abf40e78e150b82e7586ca1/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/e83539bd7e05412d8472fb5fd45d984a/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/76fef277e3124d5aac7171b8489fdd14/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/03b0c66246644ad2983465cbeac0e939/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/1863202e3a2645c4a4b8f582c00ab30e/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/956975f30f3348aa9715692e3cbf0130/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/29644522bc3244a79a53754612012271/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/06436c04fe234b32b736cdf9ec8e13fb/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/42750d240858401791a673858319bb12/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/3250e85d18e044c2864920bf52d5418b/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/1c8d225e3fc6416e895f9e85fb18d713/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/27c3e4a67eea46709229e342e5c464d8/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/a69e1974af4740bd8c507295db1457f0/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/5279f452e51642b7abb46ddb2b378705/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/2114226255b94efc9cce733904f9be02/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/9991e7b11db64d2d9455508fd216cd1e/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/a5e25dd573aa43e6b90d3719b66a7f1e/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/b5824ca53273490f81becc38dbab8fc3/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/836ef57049074d5eb7e1542fdaae7a60/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/de60ed76d7664fcab356f875658c664e/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/2f84fe36772846b6a70c175d0825275a/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/ed2b1f8b28da4a1baae037f19964c3bc/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/822fdc30827c45dd947adfd475109fd8/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/035a64d792684e97838a2dc16784aa85/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/b03b96e4daca4fa5a4e0b8d735e9b3c0/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/497cac3797c14a39ba7a61e80093a722/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/b6e692c4c31548e4bee1b886f4d46e76/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/82f66c711da74f7caccd0aa105a1b050/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/6c159dd8d3864f138ca51146bd35fc94/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/ddc7186cc2eb4a9d8c76c4dd9d67466b/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/8efb1b0ebc2947868e4d85e94ae203ed/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/ab5a08768d094a388fee7e8ef93077a4/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/8a5056d1a7ea4eda97ac6b4f44268d90/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/76606869ea394b2784b5c8f3ab4f56b4/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/e07c9aa5242b43018b235218b250689d/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/485eea1f5f4f48558493610c745f2c55/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/cf77994f71e64957a9b39a634e526aa4/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/aacbc3f7696e4a02a7e889e54808012e/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/ad6c538c22ca40958ffd91116564336c/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/48ff896accd742c9914c003f23ce045f/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/eae29224e8734d6bae452180686b96b2/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/regdata/gm0484/2026/c9a97b58167c4e4397442d4cc8f5706e/nld@2026‑04‑17;12254407
Voor de toepassing van dit omgevingsplan, met uitzondering van hoofdstuk 22, wordt verstaan onder:
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid waarnaar in de regels wordt verwezen en waarmee in samenhang met die regeltekst regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;
de afstand tussen een leiding van het distributienet en het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij die leiding bevindt, gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt;
activiteiten/gedragingen die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving;
een bedrijf dat uitsluitend of in hoofdzaak gericht is op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van en/of het fokken van dieren;
een door burgemeester en wethouders aan te wijzen deskundige of commissie van deskundigen inzake land- en tuinbouw;
een bedrijf gericht op het verlenen van diensten en/of het leveren van dieren of goederen aan agrarische bedrijven of dan wel op het verwerken, het opslaan en/of het verhandelen van dieren of producten die afkomstig zijn van agrarische bedrijven;
een bedrijf waarbij het accent ligt op het in handwerk vervaardigen, bewerken of herstellen en het installeren van goederen alsmde het verkopen en leveren van goederedn die verband houden met het ambacht als niet zelfstandig onderdeel van de onderneming;
het in procenten uitgedrukte deel van een bouwwerkperceel dat ten hoogste mag worden bebouwd;
het bieden van de ten opzichte van het hoofdgebruik ondergeschikte mogelijkheid tot recreatief nachtverblijf en ontbijt aan personen die hun hoofdverblijf elders hebben;
een onderneming waarbij het accent ligt op het vervaardigen, bewerken, installeren en verhandelen van goederen, waarbij eventueel detailhandel uitsluitend plaatsvindt als ondergeschikt onderdeel van de onderneming in de vorm van verkoop c.q. levering van ter plaatse vervaardigde, bewerkte of herstelde goederen, dan wel goederen die in rechtstreeks verband staan met de uitgeoefende handelingen;
een onderneming gericht op het produceren, bewerken, herstellen, installeren of inzamelen van goederen, evenals verhuur, opslag en distributie van goederen en eventueel ondergeschikte detailhandel;
een gebouw op een onverdeeld bouwperceel, dat dient voor de huisvesting van drie of meer verschillende bedrijven, waarbij eventueel faciliteiten, zoals ICT-voorzieningen, parkeervoorzieningen, vergaderruimtes en/of horeca/kantine gedeeld worden of kunnen worden en waarbij de ruimtelijke uitstraling in overeenstemming is met die van een bedrijf;
een woning in of bij een gebouw of op een terrein kennelijk slechts bedoeld voor het huishouden van een persoon wiens huisvesting daar gelet op de functie van het gebouw of het terrein noodzakelijk is;
een terrein dat bestemd en geschikt is voor gebruik door handel, nijverheid, commerciële en niet- commerciële dienstverlening en industrie;
beroeps- of bedrijfsactiviteit waarvan de activiteiten niet specifiek publiekgericht zijn en die op kleine schaal in een woning en/of in het bijbehorend bouwwerk wordt uitgeoefend;
een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van <een wijziging van> dit omgevingsplan legaal aanwezig is of mag worden gebouwd op grond van een omgevingsvergunning. Daaronder wordt niet begrepen een bouwwerk dat weliswaar bestaat op het tijdstip dat <een wijziging van> dit omgevingsplan in werking is getreden, maar is gebouwd zonder vergunning en in strijd met de voorheen geldende regels over bouwwerken in dit omgevingsplan en de daarvoor geldende plannen die krachtens de Omgevingswet of Wet ruimtelijke ordening tot stand zijn gekomen, daaronder begrepen de overgangsbepalingen daarvan;
het gebruik dat op het tijdstip van inwerkingtreding van <een wijziging van> dit omgevingsplan rechtens mag bestaan. Daaronder wordt niet begrepen het gebruik dat voorafgaand aan <een wijziging van> dit omgevingsplan reeds in strijd was met de voorheen geldende regels over gebruik in dit omgevingsplan en de daarvoor geldende plannen die krachtens de Omgevingswet of Wet ruimtelijke ordening tot stand zijn gekomen, daaronder begrepen de overgangsbepalingen daarvan;
afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktenormen, die op het tijdstip van inwerkingtreding van <een wijziging van> dit omgevingsplan ontstaan zijn, ontstaan zijn onder de daarvoor geldende plannen die krachtens de Omgevingswet of Wet ruimtelijke ordening tot stand zijn gekomen ofwel zullen ontstaan met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet;
de teelt van bomen ten behoeve van houtproductie;
een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begande grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder;
een uitgaansgelegenheid waar de bezoekers kunnen gokken door hun geld in te zetten op roulette, blackjack, fruitautomaten en andere spellen in een poging hun inzet te vergroten;
een niet voor bewoning bestemd gebouw bedoeld voor bijeenkomsten en opslagruimten in het kader van hobby en sport en daar aan ondergeschikte nevenactiviteiten;
evenementen die worden georganiseerd vanuit het collectief belang en waar maatschappelijk draagvlak voor is, dus voor iedereen toegankelijk, zoals Koningsdag, de Sinterklaasintocht, sportwedstrijden op grootscherm, schaatstochten, dodenherdenking en 5 mei-vieringen;
culturele en ontspannende vrijetijdsbesteding zoals een bioscoop, bowlingbaan, museum, muziekschool en congrescentrum;
vorm van recreatie die niet langer duurt dan een dag. Er is dus geen sprake van overnachting;
een constructie ter vergroting van een gebouw die zich tussen de dakvoet en de daknok van een dakvlak bevindt, waarbij deze constructie onder de daknok is gelegen en de onderzijde van de constructie in het dakvlak is geplaatst;
een constructie ter vergroting van een gebouw die zich boven de dakvoet bevindt waarbij deze constructie deels boven de oorspronkelijke daknok uitkomt en de onderzijden van de constructie in een of beide dakvlakken is zijn geplaatst;
detailhandel die vanwege de omvang van de gevoerde artikelen een groot oppervlak nodig heeft voor de uitstalling zoals verkoop van auto`s, boten, caravans, tuininrichting artikelen, grove bouwmaterialen, keukens, meubels en woninginrichting en sanitair;
het bedrijfsmatig te koop aanbieden waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop het verkopen en of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;
het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen;
een openbaar of voor publiek zichtbaar terrein in de open lucht waar (landbouw)huisdieren worden gehouden ten behoeve van recreatie, educatie of ontmoeting, zonder dat sprake is van een volwaardige kinderboerderij;
terreindeel dat bij een pand of overig bouwwerk hoort dat niet nader wordt ingewonnen en dat bestaat uit een mengvorm van begroeiing verharding en of water;
recreatie met weinig dynamiek die nauwelijks druk uitoefent op de omgeving;
een functie geeft aan wat er op een locatie mogelijk is aan gebruik, waarvoor een bepaalde locatie is bedoeld of wat een locatie is;
een inrichting voor het verpompen van oppervlaktewater in en/of uit een bepaald gebied (ten behoeve van het regelen van de waterstand in respectievelijk wateroverschot- en watertekort situaties);
industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet;
het geheel van aanplant in een gebied - veelal in openbaar gebied - danwel het aanbrengen of voorzien van groen;
het bedrijfsmatig te koop aanbieden waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen met uitzondering van detailhandel;
het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse te nuttigen voedsel en dranken, het bedrijfsmatig exploiteren van zaalaccommodatie en of het bedrijfsmatig verstrekken van nachtverblijf;
een bedrijf gericht op de aanleg, de inrichting en het onderhoud van tuinen en groen, met gebruikmaking van de daarbij behorende materialen en gereedschappen, zonder dat detailhandel wordt uitgeoefend;
persoon of groep personen die een huishouden voert waarbij sprake is van een onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan, die binnen een woning gebruik maakt van dezelfde voorzieningen;
rekeninkomen als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder i van de Wet op de huurtoeslag;
een vondst, structuur of historisch element op of in de oorspronkelijk vindplaats bewaren, zonder opgraving, verplaatsing of verwijdering;
een woonfunctie voor het verschaffen van een (tijdelijk) nachtverblijf aan meer dan één huishouden, waarbij de bewoners samen één voordeur delen. Inwoning van één huishouden (bestaande uit één persoon) bij een hoofdhuishouden (hospes/hospita) valt niet binnen de reikwijdte van het begrip kamerverhuur;
een agrarisch gebouw dat aan zijn oorspronkelijke functie onttrokken is of een nieuw gebouw op een voormalig agrarisch bouwvlak dat geschikt is gemaakt voor recreatief nachtverblijf van groepen;
een tent, een tentwagen, een kampeerauto, een caravan of stacaravan danwel enig ander daarmee vergelijkbaar voertuig of onderkomen dat geheel of ten dele is bestemd of opgericht danwel wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf;
een terrein met voorzieningen t.b.v. verblijfsrecreatie voornamelijk voor tenten en caravans;
een gebouw of een gedeelte daarvan met alleen een of meer kantoorfunctie (zoals bedoeld in het Besluit bouwwerken leefomgeving) en nevengebruiksfuncties daarvan;
bouwwerken van glas of ander lichtdoorlatend materiaal (ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering) met een hoogte van 2 meter of meer, trek-, tunnel-, schaduw-, boog- en gaaskassen daaronder begrepen, niet zijnde schaduwhallen;
een voorzieningen ten behoeve van onder meer wandelen, fietsen, vissen, kanoën en natuurobservatie, zoals aanlegsteigers, picknickplaatsen, observatiepunten, informatieborden en banken;
een civieltechnisch werk voor de infrastructuur van wegen, water, spoorbanen, waterkeringen en/of leidingen en niet bedoeld voor permanent menselijk verblijf;
een ruimte in de vorm van een cirkel waar paarden onder begeleiding getraind worden (al dan niet overdekt);
het niveau van de omliggende grond;
voorzieningen inzake welzijn, volksgezondheid, religie, onderwijs en opvoeding, openbare orde en veiligheid en daarmee gelijk te stellen sectoren;
een bedrijf dat gericht is op het lesgeven in paardrijden en daarvoor paarden en/of pony's houdt, in combinatie met een of meer van de volgende hiermee samenhangende activiteiten of voorzieningen: het in pension houden van paarden en/of pony's, horeca (kantine, foyer en dergelijke), verenigingsaccommodatie en het houden van wedstrijden of andere evenementen;
fysieke objecten die door mensen zijn gemaakt, gebruikt of achtergelaten, en die ons helpen begrijpen hoe mensen vroeger leefden, dachten en werkten;
de omgeving van de molen, voor zover die van belang is voor de werking van de molen;
functie die gezamenlijk minder dan 50% van het inkomen van het betreffende, volwaardige, bedrijf genereren en in ruimtelijk opzicht ondergeschikt zijn aan de hoofdfunctie op de locatie;
noodzakelijke reguliere werkzaamheden die gericht zijn op het behoud van cultuurhistorische waarde;
een voorziening ten behoeve van het openbare nut zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van ondergrondse afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie;
een zelfstandige functie die in functioneel en ruimtelijk opzicht ondergeschikt is aan de ingevolge het omgevingsplan toegestane hoofdfunctie. De ondergeschikte functie dient van beperkte functionele en/of ruimtelijke omvang te zijn, zodat de hoofdfunctie qua aard, omvang en verschijningsvorm, overwegend of nagenoeg geheel als hoofdfunctie herkenbaar blijft;
een functie die noodzakelijk is voor of direct verband houdt met de uitoefening van de hoofdfunctie, functioneel daarvan afhankelijk is en die geen zelfstandige functionele of ruimtelijke uitstraling heeft;
een bouwwerk, geen gebouw zijnde voorzien van een gesloten dak;
een agrarisch bedrijf dat uitsluitend is gericht op het fokken van paarden, de verkoop van gefokte paarden en het houden van paarden ten behoeve van de fokkerij;
een bedrijf dat uitsluitend is gericht op het houden, stallen of africhten van paarden, alsmede de handel in paarden;
een voorziening ten behoeve van het parkeren van voertuigen;
detailhandel in woninginrichting en meubels, bouwmarkten, keukencentra, sanitaircentra, tuincentra alsmede land- en tuinbouwcentra, en daarmee vergelijkbare vormen van detailhandel, die vanwege de omvang en aard van de gevoerde artikelen een groot uitstallingsoppervlak nodig hebben en zich daardoor niet lenen voor vestiging in een traditioneel winkelgebied;
een (voormalige) agrarische bedrijfswoning die (tevens) door derden mag worden bewoond en die niet wordt beschermd tegen de milieugevolgen van het (voorheen) bijbehorende bedrijf;
een verzameling sportieve en recreatieve activiteiten die in teamverband worden uitgevoerd in het polderlandschap, waarbij gebruik wordt gemaakt van natuurlijke en agrarische elementen zoals weilanden, sloten en waterhindernissen;
de teelt van gewassen zoals gras, maïs, voederbieten die in de volle grond worden geteeld en waarvan de opbrengst bestemd is als voer voor landbouwhuisdieren;
een aan weerszijden afsluitbaar kunstwerk waarin door aanpassing van het waterpeil, schepen van het ene op het andere niveau worden gebracht;
een bedrijf en/of andere functies die een directe binding hebben met de sierteelt;
de aanwijzing en begrenzing van het boom- en sierteeltgebied zoals vastgelegd in de Zuidhollandse omgevingsverordening;
een voorziening die bestemd is voor vermaak of ontspanning, waarbij uitsluitend van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens gebruik wordt gemaakt;
een overdekte danwel onoverdekte voorziening ten behoeve van sportactiviteiten zoals een zwembad, sportvelden, ijsbaan of tennisbaan;
a. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
b. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;
bouwwerken en voorzieningen (niet zijnde teeltondersteunende kassen of boomteelthekken), die ten behoeve van het verbeteren van de productie- en arbeidsomstandigheden en het matigen van weersinvloeden worden geplaatst ter ondersteuning van de teelt waaronder begrepen folies, insectengaas, acryldoek, vraatnetten, hagelnetten, wandelkappen en schaduwhallen;
een bedrijf gericht op de teelt en/ of verhandeling van bomen, heesters, planten, bloemen en andere siergewassen en in samenhang daarmee op de verkoop van artikelen die met de tuinbewerking of de inrichting van tuinen verband houden, zoals tuingereedschap, tuinmeubilair, tuingrond, tuinhout en sierbestrating;
een vorm van recreatie waarbij minimaal één overnachting plaatsvindt, zoals een hotel, bed & breakfast of met gebruikmaking van toeristische kampeermiddelen;
de wijze waarop het landschap van oorsprong in kavels/percelen is opgedeeld;
verzameling van objecten in het beheer van de infrastructuur voor de geleiding van het verkeer;
een perceel grond dat zich niet in de onmiddellijke nabijheid van de woning van de gebruiker bevindt, waarop de gebruiker voedings- en/of siergewassen teelt voor (hoofdzakelijk) eigen gebruik;
een agrarisch bedrijf dat voldoet aan de geldende milieueisen en ook op lange termijn aan deze eisen kan blijven voldoen en waarvan redelijkerwijs is aan te nemen dat dit gedurende de planperiode een omvang zal hebben van: hetzij tenminste één volledige arbeidskracht met een daarbij passende bedrijfsomvang, hetzij ten minste een halve tot een volledige arbeidskracht indien sprake is van een reëel perspectief op continuïteit op langere termijn en waarbij het hoofdinkomen afkomstig is van het agrarisch bedrijf;
de gevel van het hoofdgebouw die door zijn aard, functie, ligging, constructie dan wel gelet op uitstraling ervan als belangrijkste gevel kan worden aangemerkt;
de denkbeeldige lijn gevormd door het verlengde van de voorgevel;
een plek om water te bergen. In een waterberging wordt neerslag tijdelijk vastgehouden. Door het water geleidelijk af te voeren, kan nieuwe neerslag weer worden opgevangen;
een waterkering houdt water tegen en beschermt tegen een overstroming. Het zijn waterscheidingen, kunstmatige hoogten en (gedeelten van) natuurlijke hoogten of hooggelegen gronden. Vaak wordt dit een dijk genoemd. Bij de waterkering horen ook sommige kunstwerken die daarin of daaraan zijn gemaakt. Het gaat om kunstwerken die (ook) een waterkerende functie hebben. Bijvoorbeeld een sluis;
een installatie bestaande uit een mechanisch aangedreven kabelsysteem boven het water, waarmee waterskiërs of wakeboarders in een vaste baan over het water worden voortgetrokken;
voorzieningen die verband houden met de waterhuishouding, de aanvoer en afvoer van water en de doorstroming van water;
activiteit inhoudende de bewoning van een woonruimte;
een ruimte of complex van ruimten, bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden;
besloten ruimte die, al dan niet tezamen met en of meer andere ruimten, bestemd of geschikt is voor bewoning door een huishouden, met inbegrip van een standplaats voor een woonwagen en een ligplaats voor een woonschip;
een schip dat uitsluitend of in hoofdzaak gebruikt wordt of bestemd is voor bewoning;
een kavel, bestemd voor het plaatsen van een woonwagen, waarop voorzieningen aanwezig zijn die op het leidingnet van de openbare nutsbedrijven, andere instellingen of van gemeenten kunnen worden aangesloten;
de periode van 15 maart tot en met 31 oktober ;
een instelling voor dagbesteding voor mensen die zorg of begeleiding nodig hebben;
een gebouw of zelfstandig gedeelte van een gebouw dat bedoeld is voor de huisvesting van personen die niet zelfstandig kunnen wonen en die geestelijke en of lichamelijke verzorging behoeven. Verzorging kan voortdurend of nagenoeg voortdurend plaatsvinden en in het gebouw kan afzonderlijke ruimte ten behoeve van de verzorging aanwezig zijn.
/join/id/regdata/gm0484/2026/fdc5c60293c740af8481d5c05944585a/nld@2026‑04‑17;12254407
Voor de begrippen wordt aangesloten op hetgeen in normaal /taalspraakgebruik onder deze begrippen wordt verstaan.
Planologische kenmerken: overdag geopend, vaak een functionele relatie met andere activiteiten (zoals winkelbezoek), waardoor meestal sprake is van een beperkte verkeers- en parkeerdruk, kans op geur- of geluidshinder voor de omgeving is beperkt.
Voorbeelden:
Planologische kenmerken: overdag en in de avond geopend, zelfstandige functie, variabele verkeers- en parkeerdruk, kans op geluidshinder voor de omgeving is beperkt, kans op geurhinder voor de omgeving is aanwezig. Achtergrondmuziek in het gebouw van de inrichting is mogelijk.
Voorbeelden:
Planologische kenmerken: overdag, in de avond en in de nacht geopend (in nacht geen horeca), zelfstandige functie, beperkte verkeersdruk en variabele parkeerdruk, kans op geur- of geluidshinder voor de omgeving is beperkt.
Voorbeelden:
Planologische kenmerken: overdag en in de avond geopend, zelfstandige functie, variabele verkeersdruk, door korte bezoekduur meestal een beperkte parkeerdruk, kans op geluidshinder voor de omgeving is beperkt, kans op geurhinder voor de omgeving is aanwezig, de aanwezigheid van een bezorgfunctie kan tot extra hinder voor de omgeving leiden.
Voorbeelden:
Planologische kenmerken: overdag en in de avond geopend (latere openingstijden), zelfstandige functie met relatief gering volume, relatief hoge verkeersdruk, beperkte parkeerdruk omdat veel bezoekers niet met eigen auto komen, kans op geurhinder is beperkt, aanzienlijke kans op (geluids)hinder voor omgeving vanwege piekmomenten in het bezoek doorgaans 's avonds in combinatie met het nuttigen van alcoholische dranken. Achtergrondmuziek in het gebouw van de inrichting is mogelijk.
Voorbeelden:
Planologische kenmerken: doorgaans in de avond en/of in de nacht geopend (latere openingstijden), zelfstandige functie met een fors volume, hoge verkeersdruk en variabele parkeerdruk, kans op geurhinder is beperkt, aanzienlijke kans op (geluids)hinder voor omgeving vanwege piekmomenten in het bezoek 's avonds of 's nachts in combinatie met het nuttigen van alcoholische dranken en het ten gehore brengen van muziek.
Voorbeelden:
|
Kostenpost |
Aandeel in |
Hoeveelheid |
Eenheid |
Prijs per eenheid |
Raming |
Raming |
|
|
kostenverhaal |
|
|
|
pp 2025 |
pp 2026 |
|
Bodemsanering |
100,00% |
1.420.156 |
m2 |
€ 0,50 |
€ 710.078 |
€ 737.132 |
|
Grootschalig grondwerk en voorbelasting |
100,00% |
731.065 |
m2 |
€ 71,83 |
€ 52.513.686 |
€ 54.514.457 |
|
Ontgraven waterpartijen hoofdstructuur |
100,00% |
75.000 |
m2 |
€ 75,90 |
€ 5.692.500 |
€ 5.909.384 |
|
Ophogen polderkade |
100,00% |
1.800 |
m1 |
€ 188,23 |
€ 338.818 |
€ 351.727 |
|
Voorbelasten huidige watergangen |
100,00% |
13.200 |
m1 |
€ 113,85 |
€ 1.502.820 |
€ 1.560.077 |
|
Tijdelijke loswal voor aanvoer zand en/of afvoer grond |
100,00% |
1 |
post |
€ 759.000,00 |
€ 759.000 |
€ 787.918 |
|
Opruimen verharding bestaande percelen |
100,00% |
77.230 |
m2 |
€ 20,00 |
|
€ 1.544.595 |
|
Subtotaal A6 Grondwerk en saneringskosten openbaar gebied |
|
|
|
|
|
€ 65.405.290 |
|
Aanleg bypass |
54,89% |
2.225 |
m1 |
€ 6.420,96 |
€ 7.842.410 |
€ 8.141.206 |
|
Toeslag rotondes bypass |
54,89% |
2 |
stuks |
€ 455.400,00 |
€ 499.969 |
€ 519.017 |
|
Aanleg hoofdfietsroute |
100,00% |
1.750 |
m1 |
€ 1.275,12 |
€ 2.231.460 |
€ 2.316.479 |
|
Hoofdstructuur groen |
100,00% |
150.900 |
m2 |
€ 41,75 |
€ 6.299.338 |
€ 6.539.342 |
|
Fietspaden in groenstructuur |
100,00% |
20.000 |
m2 |
€ 72,42 |
€ 1.448.476 |
€ 1.503.663 |
|
Fietspad polderkade |
100,00% |
1.800 |
m1 |
€ 250,47 |
€ 450.846 |
€ 468.023 |
|
Extra ontsluiting naar rotonde bij Maximabrug |
100,00% |
300 |
m1 |
€ 2.929,74 |
€ 878.922 |
€ 912.409 |
|
Inrichting grond natuurgebied |
100,00% |
32 |
ha |
€ 142.335,27 |
€ 4.603.084 |
€ 4.778.462 |
|
Inrichting water natuurgebied |
100,00% |
28 |
ha |
€ 75.900,00 |
€ 2.087.250 |
€ 2.166.774 |
|
Riolering hoogstedelijk |
100,00% |
1.793 |
m1 |
€ 865,26 |
€ 1.551.411 |
€ 1.610.520 |
|
Bouwweg hoogstedelijk |
100,00% |
10.759 |
m2 |
€ 72,11 |
€ 775.778 |
€ 805.335 |
|
Rijbaan hoogstedelijk |
100,00% |
8.966 |
m2 |
€ 159,39 |
€ 1.429.091 |
€ 1.483.539 |
|
Groen woonstraat hoogstedelijk |
100,00% |
4.483 |
m2 |
€ 37,95 |
€ 170.140 |
€ 176.622 |
|
Trottoir hoogstedelijk |
100,00% |
4.483 |
m2 |
€ 113,85 |
€ 510.419 |
€ 529.866 |
|
Groen/wadi hoogstedelijk |
100,00% |
17.358 |
m2 |
€ 45,54 |
€ 790.471 |
€ 820.588 |
|
Parkeren hoogstedelijk |
100,00% |
7.273 |
m2 |
€ 144,21 |
€ 1.048.868 |
€ 1.088.830 |
|
Fietspaden hoogstedelijk |
100,00% |
1.284 |
m2 |
€ 125,99 |
€ 161.776 |
€ 167.940 |
|
Water hoogstedelijk |
100,00% |
3.509 |
m2 |
€ 87,29 |
€ 306.250 |
€ 317.918 |
|
Bomen hoogstedelijk |
100,00% |
179 |
stuks |
€ 3.036,00 |
€ 543.444 |
€ 564.149 |
|
Lichtmasten hoogstedelijk |
100,00% |
126 |
stuks |
€ 4.554,00 |
€ 573.804 |
€ 595.666 |
|
Te water laat plaatsen hoogstedelijk |
100,00% |
1 |
stuks |
€ 22.770,00 |
€ 22.770 |
€ 23.638 |
|
Speelplekken hoogstedelijk |
100,00% |
925 |
stuks |
€ 759,00 |
€ 702.075 |
€ 728.824 |
|
Straatmeubilair/milieustraat/laadpalen hoogstedelijk |
100,00% |
925 |
stuks |
€ 607,20 |
€ 561.660 |
€ 583.059 |
|
Riolering stedelijk |
100,00% |
12.170 |
m1 |
€ 865,26 |
€ 10.530.214 |
€ 10.931.415 |
|
Bouwweg stedelijk |
100,00% |
73.021 |
m2 |
€ 72,11 |
€ 5.265.179 |
€ 5.465.783 |
|
Rijbaan stedelijk |
100,00% |
60.851 |
m2 |
€ 141,17 |
€ 8.590.579 |
€ 8.917.880 |
|
Groen woonstraat stedelijk |
100,00% |
30.425 |
m2 |
€ 30,36 |
€ 923.716 |
€ 958.910 |
|
Trottoir stedelijk |
100,00% |
30.425 |
m2 |
€ 83,49 |
€ 2.540.219 |
€ 2.637.002 |
|
Groen/wadi stedelijk |
100,00% |
8.079 |
m2 |
€ 45,54 |
€ 367.898 |
€ 381.915 |
|
Parkeren stedelijk |
100,00% |
21.998 |
m2 |
€ 125,99 |
€ 2.771.666 |
€ 2.877.267 |
|
Fietspaden stedelijk |
100,00% |
6.496 |
m2 |
€ 125,99 |
€ 818.457 |
€ 849.640 |
|
Water stedelijk |
100,00% |
17.754 |
m2 |
€ 87,29 |
€ 1.549.696 |
€ 1.608.740 |
|
Bomen stedelijk |
100,00% |
1.217 |
stuks |
€ 2.618,55 |
€ 3.186.775 |
€ 3.308.191 |
|
Lichtmasten stedelijk |
100,00% |
852 |
stuks |
€ 4.364,25 |
€ 3.718.341 |
€ 3.860.010 |
|
Te water laat plaatsen stedelijk |
100,00% |
5 |
stuks |
€ 22.770,00 |
€ 113.850 |
€ 118.188 |
|
Speelplekken stedelijk |
100,00% |
2.250 |
stuks |
€ 759,00 |
€ 1.707.750 |
€ 1.772.815 |
|
Straatmeubilair/milieustraat/laadpalen stedelijk |
100,00% |
2.250 |
stuks |
€ 607,20 |
€ 1.366.200 |
€ 1.418.252 |
|
Riolering dorps |
100,00% |
13.953 |
m1 |
€ 865,26 |
€ 12.072.973 |
€ 12.532.953 |
|
Bouwweg dorps |
100,00% |
83.720 |
m2 |
€ 72,11 |
€ 6.036.631 |
€ 6.266.626 |
|
Rijbaan dorps |
100,00% |
69.767 |
m2 |
€ 130,55 |
€ 9.107.942 |
€ 9.454.955 |
|
Groen woonstraat dorps |
100,00% |
34.883 |
m2 |
€ 22,77 |
€ 794.287 |
€ 824.550 |
|
Trottoir dorps |
100,00% |
34.883 |
m2 |
€ 75,90 |
€ 2.647.625 |
€ 2.748.499 |
|
Groen/wadi dorps |
100,00% |
14.810 |
m2 |
€ 45,54 |
€ 674.442 |
€ 700.138 |
|
Parkeren dorps |
100,00% |
21.937 |
m2 |
€ 115,37 |
€ 2.530.851 |
€ 2.627.276 |
|
Fietspaden dorps |
100,00% |
7.803 |
m2 |
€ 125,99 |
€ 983.131 |
€ 1.020.588 |
|
Water dorps |
100,00% |
21.329 |
m2 |
€ 87,29 |
€ 1.861.674 |
€ 1.932.604 |
|
Bomen dorps |
100,00% |
1.395 |
stuks |
€ 2.277,00 |
€ 3.176.415 |
€ 3.297.436 |
|
Lichtmasten dorps |
100,00% |
977 |
stuks |
€ 3.795,00 |
€ 3.707.715 |
€ 3.848.979 |
|
Te water laat plaatsen dorps |
100,00% |
7 |
stuks |
€ 22.770,00 |
€ 159.390 |
€ 165.463 |
|
Speelplekken dorps |
100,00% |
1.945 |
stuks |
€ 759,00 |
€ 1.476.255 |
€ 1.532.500 |
|
Straatmeubilair/milieustraat/laadpalen dorps |
100,00% |
1.945 |
stuks |
€ 607,20 |
€ 1.181.004 |
€ 1.226.000 |
|
Riolering landelijk |
100,00% |
4.922 |
m1 |
€ 865,26 |
€ 4.258.810 |
€ 4.421.070 |
|
Bouwweg landelijk |
100,00% |
29.532 |
m2 |
€ 72,11 |
€ 2.129.405 |
€ 2.210.535 |
|
Rijbaan landelijk |
100,00% |
24.610 |
m2 |
€ 130,55 |
€ 3.212.786 |
€ 3.335.193 |
|
Groen woonstraat landelijk |
100,00% |
12.305 |
m2 |
€ 22,77 |
€ 280.179 |
€ 290.854 |
|
Trottoir landelijk |
100,00% |
12.305 |
m2 |
€ 75,90 |
€ 933.932 |
€ 969.514 |
|
Groen/wadi landelijk |
100,00% |
4.169 |
m2 |
€ 45,54 |
€ 189.867 |
€ 197.101 |
|
Parkeren landelijk |
100,00% |
2.791 |
m2 |
€ 115,37 |
€ 322.015 |
€ 334.284 |
|
Fietspaden landelijk |
100,00% |
2.726 |
m2 |
€ 125,99 |
€ 343.460 |
€ 356.545 |
|
Water landelijk |
100,00% |
7.452 |
m2 |
€ 87,29 |
€ 650.468 |
€ 675.251 |
|
Bomen landelijk |
100,00% |
492 |
stuks |
€ 2.277,00 |
€ 1.120.284 |
€ 1.162.967 |
|
Lichtmasten landelijk |
100,00% |
345 |
stuks |
€ 3.795,00 |
€ 1.309.275 |
€ 1.359.158 |
|
Te water laat plaatsen landelijk |
100,00% |
2 |
stuks |
€ 22.770,00 |
€ 45.540 |
€ 47.275 |
|
Speelplekken landelijk |
100,00% |
480 |
stuks |
€ 759,00 |
€ 364.320 |
€ 378.201 |
|
Straatmeubilair/milieustraat/laadpalen landelijk |
100,00% |
480 |
stuks |
€ 607,20 |
€ 291.456 |
€ 302.560 |
|
Ecoducten |
100,00% |
2 |
stuks |
€ 1.335.840,00 |
€ 2.671.680 |
€ 2.773.471 |
|
Verkeersbrug wijkontsluiting (6*14) doorvaarbaar |
100,00% |
5 |
stuks |
€ 318.780,00 |
€ 1.593.900 |
€ 1.654.628 |
|
Verkeersbrug buurtontsluiting (6*10) doorvaarbaar |
100,00% |
6 |
stuks |
€ 227.700,00 |
€ 1.366.200 |
€ 1.418.252 |
|
Verkeersbruggen woongebied |
100,00% |
31 |
stuks |
€ 151.800,00 |
€ 4.705.800 |
€ 4.885.091 |
|
Voetgangsbrug woongebied |
100,00% |
14 |
stuks |
€ 75.900,00 |
€ 1.062.600 |
€ 1.103.085 |
|
Toeslag damwanden in woongebied (hardhout) |
100,00% |
3.336 |
post |
€ 2.542,65 |
€ 8.482.280 |
€ 8.805.455 |
|
Tijdelijke voorzieningen / faseringskosten |
100,00% |
1 |
post |
€ 2.875.000,00 |
€ 2.875.000 |
€ 2.984.538 |
|
Inlaatconstructie vanaf Oude Rijn |
100,00% |
1 |
post |
€ 1.138.500,00 |
€ 1.138.500 |
€ 1.181.877 |
|
Gemalen/persleiding |
100,00% |
1 |
post |
€ 3.855.720,00 |
€ 3.855.720 |
€ 4.002.623 |
|
Onrendabele top gebouwde parkeerhubs hoogstedeiijk |
100,00% |
305 |
stuks |
€ 12.423,53 |
|
€ 3.789.175 |
|
Onrendabele top gebouwde parkeerhubs stedelijk |
100,00% |
1.142 |
stuks |
€ 12.401,89 |
|
€ 14.162.962 |
|
Onrendabele top gebouwde parkeerhubs dorps |
100,00% |
720 |
stuks |
€ 12.398,48 |
|
€ 8.926.909 |
|
Onrendabele top gebouwde parkeerhubs landelijk |
100,00% |
68 |
stuks |
€ 12.460,97 |
|
€ 847.346 |
|
Realisatie aquaduct |
54,89% |
1 |
post |
€ 56.073.183,00 |
€ 30.780.447 |
€ 31.953.183 |
|
Realisatie fietsbrug |
72,44% |
1 |
post |
€ 27.639.915,00 |
€ 20.022.616 |
€ 20.785.477 |
|
Speelplekken in hoofdstructuur (12-18) |
100,00% |
4 |
post |
€ 227.700,00 |
€ 910.800 |
€ 945.501 |
|
Herstelkosten nieuw openbaar gebied tot overdracht |
100,00% |
761.458 |
post |
€ 1,00 |
|
€ 761.458 |
|
Maatregelen ruimtelijke inpassing bestaande woningen |
100,00% |
1 |
post |
€ 3.036.000,00 |
€ 3.036.000 |
€ 3.151.672 |
|
Subtotaal A8 Civiele kosten inrichting openbare ruimte |
|
|
|
|
|
€ 260.299.659 |
|
Totaal A6 en A8 |
|
|
|
|
|
€ 325.704.949 |
FF
Het opschrift van toelichting 'Toelichting' wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
GG
Voor artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze Toelichting' wordt een algemenetoelichting ingevoegd, luidende:
Gemeenten hebben in de Omgevingswet veel vrijheid gekregen bij het kiezen van de basisstructuur van het nieuwe omgevingsplan. De technische standaard hiervoor is de TPOD-omgevingsplan. Deze standaard geeft aan hoe het omgevingsplan gemodelleerd moet worden maar laat veel ruimte aan gemeenten om daarin eigen keuzes te maken.
Voor een goed begrip van de door Alphen aan den Rijn gekozen plansystematiek is het daarom nodig om een aantal door het nieuwe stelsel geïntroduceerde begrippen en uitgangspunten te beschrijven en de daaraan gegeven interpretatie en doorwerking ervan te verduidelijken.
Wat een activiteit is wordt in het Omgevingswetstelsel niet gedefinieerd. De Dikke Van Dale geeft er de volgende betekenis aan: een werkzaamheid, een verrichting. In de Memorie van toelichting op de ontwerp-Omgevingswet werd het verwoord als ‘alle handelingen die door de Omgevingswet worden gereguleerd’. De definitie houdt in dat er iets daadwerkelijk gebeurt.
In het stelsel van de Omgevingswet zijn verschillende nieuwe activiteiten geïntroduceerd zoals de omgevingsplanactiviteit, milieubelastende activiteit en een beperkingengebiedactiviteit. Ook zijn er veranderingen doorgevoerd met betrekking tot de werkingssfeer van activiteiten die al bestonden onder ‘oud’ recht, zoals de bouwactiviteit.
Iemand wil een gebouw bouwen voor een nutsvoorziening met een oppervlakte van 20 m2 en een hoogte van 5 meter. Dan is er niet alleen sprake van een bouwactiviteit maar kan er ook sprake zijn allerlei andere activiteiten (afhankelijk van de locatie of het gebied waar deze activiteit wordt verricht).
Hieronder een overzicht:
bouwactiviteit (technisch): het bouwen van een bouwwerk
bouwactiviteit (ruimtelijk): het bouwen van een bouwwerk waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het verboden is deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die niet in strijd is met het omgevingsplan (omgevingsplanactiviteit, onder a)
natura-2000 activiteit: activiteit, inhoudende het realiseren van een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied
flora- en fauna-activiteit: activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten
beperkingengebiedactiviteit: activiteit binnen een beperkingengebied
rijksmonumentenactiviteit: activiteit inhoudende het slopen, verstoren, verplaatsen of wijzigen van een rijksmonument of een voorbeschermd rijksmonument of het herstellen of gebruiken daarvan waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht
Aan activiteiten die in het omgevingsplan worden gereguleerd, kunnen verschillende betekenissen worden gegeven. Hieronder wordt uiteengezet wat de definities in de Omgevingswet zijn, hoe wij deze afkorten en wat wij verstaan onder activiteit gereguleerd in het omgevingsplan.
Een omgevingsplanactiviteit wordt in de Omgevingswet gedefinieerd als:
Activiteit, inhoudende:
een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die niet in strijd is met het omgevingsplan,
een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan, of
een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan;
Een buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt in de Omgevingswet gedefinieerd als:
Activiteit, inhoudende:
een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan, of
een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan;
De definitie van buitenplanse omgevingsplanactiviteit omvat dus een deel van de definitie van een omgevingsplanactiviteit. Door deze overlap gebruiken wij de volgende afkortingen:
Een activiteit die in het omgevingsplan wordt gereguleerd en die niet onder één van de genoemde activiteiten van de definitie van omgevingsplanactiviteit valt, wordt binnen onze systematiek gezien als een activiteit gereguleerdin hetomgevingsplan (AGO). Dit gaat dus om een activiteit waarvoor regels zijn opgenomen in het omgevingsplan maar waarvoor géén verbod is opgenomen om deze zonder vergunning te verrichten én die niet in strijd is met het omgevingsplan.
Het bouwen van een gebouw, geschetst in het eerder genoemde voorbeeld kan dus verschillende, al door het stelsel gedefinieerde, activiteiten inhouden. Dit is belangrijk voor de context van de plansystematiek.
De systematiek van het omgevingsplan is erop gericht om zo min mogelijk verschillende activiteiten te introduceren én aan te sluiten bij bekende en voor de hand liggende activiteiten. Dit komt het gebruiksgemak ten goede. Er wordt dus bijvoorbeeld geen welstandsgebiedactiviteit geïntroduceerd, maar het onderwerp welstand wordt gereguleerd via een AGO. Als voor het bouwen van een gebouw een vergunningplicht is opgenomen in het omgevingsplan en het gebouw bevindt zich in een welstandsgebied, dan wordt het welstandsaspect mede beoordeeld in het aanvraagproces van de vergunning voor de binnenplanse omgevingsplanactiviteit (BIPA).
Daarnaast is er in het plan een splitsing gemaakt in wat daadwerkelijk een werkzaamheid, een verrichting of een handeling is en wat in feite een bepaalde staat of kwaliteit in de fysieke leefomgeving bepaalt. Zo komen we uiteindelijk tot een compacte en overzichtelijke set van regels in het omgevingsplan, waarbij de indeling als volgt is opgebouwd:
|
Hoofdstuk |
Titel |
|
1 |
Algemene bepalingen |
|
2 |
Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving |
|
3 |
Bouwactiviteiten |
|
4 |
Gebruiksactiviteiten |
|
5 |
Milieubelastende activiteiten |
|
6 |
Uitvoeren van werken of werkzaamheden |
|
7 |
Overige activiteiten (cultureel erfgoed) |
|
8 |
Kostenverhaal |
|
9 |
Procedures |
|
10 |
Monitoring |
|
11 |
Overgangsrecht |
Is er een regel die gaat om een staat of kwaliteit van de fysieke leefomgeving, dan wordt de regel in hoofdstuk 2 geplaatst. De reden waarom de betreffende staat of kwaliteit wordt aangewezen, wordt vastgelegd in de vorm van oogmerken.
Mocht de activiteit een werkzaamheid of handeling betreffen, dan worden regels via een herkenbare activiteit vastgelegd in de hoofdstukken 3 tot en met 7.
Onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) bestond de verplichting om activiteiten tegelijkertijd aan te vragen, als de aanvraag een handeling betrof die juridisch gezien bestond uit meerdere activiteiten en deze onlosmakelijk met elkaar samenhingen. Dit vereiste van onlosmakelijkheid is niet teruggekeerd onder de Omgevingswet. De wetgever beschrijft onlosmakelijkheid in de Memorie van Toelichting bij de Omgevingswet als volgt:
“nu in het voorliggende wetsvoorstel meer vergunningplichtige activiteiten aan het stelsel van de omgevingsvergunning zijn toegevoegd, wordt het aantal combinaties van onlosmakelijke activiteiten dat zich kan voordoen groter. Hierdoor zou de regeling voor onlosmakelijke samenhang bewerkelijker, de flexibiliteit minder en de praktische toepassing ingewikkelder worden. Vandaar dat het vereiste van onlosmakelijke samenhang vanuit de Wabo niet is overgenomen in de Omgevingswet.
Een aanvrager is er zelf verantwoordelijk voor dat hij voor alle activiteiten die hij verricht beschikt over de vereiste vergunningen. De initiatiefnemer kan er vervolgens zelf voor kiezen om alle activiteiten tegelijk of afzonderlijk en gespreid in de tijd aan te vragen. Zo heeft de initiatiefnemer het zelf in de hand om een fasering aan te brengen in het traject van aanvragen en verkrijgen van de vergunningen. Het is de verantwoordelijkheid van een initiatiefnemer om zich te laten informeren over de geldende wet- en regelgeving en dat hij beschikt over de vereiste vergunning voor alle activiteiten die hij gaat verrichten. Eveneens is het de verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer dat hij activiteiten tegelijk aanvraagt in gevallen waarin een gelijktijdige beoordeling van activiteiten voordelen biedt.
Uiteindelijk is het aan de initiatiefnemer om te voorkomen dat hij een vergunning vraagt voor bijvoorbeeld een bouwplan dat hij, naar later eventueel blijkt, nog moet aanpassen vanwege eisen die voorvloeien uit algemene regels of een later aangevraagde vergunning voor een andere activiteit waaruit eisen voortvloeien voor dat bouwwerk”.
Als een initiatiefnemer bijvoorbeeld een bedrijfsgebouw wil oprichten kan het nodig zijn hiervoor een vergunning aan te vragen voor een technische bouwactiviteit (Bbl), een ruimtelijke bouwactiviteit (omgevingsplan) en een vergunning of melding voor een milieubelastende activiteit (Bal). Deze drie activiteiten mogen onder de Omgevingswet los van elkaar worden aangevraagd.
Het loslaten van de onlosmakelijkheid geldt niet alleen voor de samenhang tussen de bouwactiviteit en de milieubelastende activiteit, maar ook tussen bijvoorbeeld de bouwactiviteit en de gemeentelijke monumentenactiviteit/provinciale monumentenactiviteit/rijksmonumentenactiviteit. Het plaatsen van een dakopbouw op een gemeentelijk monument is een binnenplanse omgevingsplanactiviteit voor het bouwen van dat bouwwerk, maar ook een binnenplanse omgevingsplanactiviteit voor het wijzigen van een gemeentelijk monument. Als de initiatiefnemer alleen de bouwactiviteit aanvraagt en de omgevingsvergunning moet worden verleend op grond van de beoordelingsregels die gelden voor die activiteit, dan heeft hij toestemming om te bouwen, maar nog niet om dat monument te wijzigen. Het uitvoeren van de activiteit blijft verboden tot alle toestemmingen zijn verkregen.
Belangrijk om bij bovenstaande op te merken is dat vanuit Europese richtlijnen en/of reflexwerking van regels het wel noodzakelijk kan zijn om vergunningvrije bouwactiviteiten in te perken.
De gemeente heeft veel vrijheid bij het stellen van regels over activiteiten.
Het stellen van regels mag alleen met het oog op de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet. Daarnaast moet duidelijk zijn met welk oogmerk (doel) de gemeente de regels over activiteiten stelt. Een voorbeeld van zo’n oogmerk is het waarborgen van de veiligheid, beschermen van de gezondheid, het milieu, de landschappelijke en stedenbouwkundige waarden en de natuurbescherming.
De gemeente mag geen eigen regels stellen over een activiteit met een bepaald oogmerk als het Rijk of de provincie met datzelfde oogmerk al regels heeft gesteld over die activiteit.
Dit betekent dat de gemeente geen regels kan stellen over de activiteiten die door het Rijk worden geregeld in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) of Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). In ieder geval niet met de oogmerken waarmee het Rijk die regels stelt. Hetzelfde geldt voor activiteiten waarvoor de provincie in de omgevingsverordening regels stelt.
De door het Rijk gestelde regels over bouwactiviteiten in het Bbl mogen op grond van de wet alleen gesteld worden met het oog op het waarborgen van de veiligheid, het beschermen van de gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid. Dit betekent dat in het omgevingsplan geen regels gesteld mogen worden over bouwwerken die met het oog op die specifieke belangen zijn gesteld. Het stellen van regels mag wel als in het Bbl de mogelijkheid is geopend om bij maatwerkregel nadere invulling te geven aan een regel uit het Bbl en/of daarvan af te wijken. Aspecten voor bouwwerken die het Bbl niet uitputtend regelt kunnen wel een plaats krijgen in het omgevingsplan. Zoals bijvoorbeeld een bepaalde parkeerbehoefte die het gebruik van een bouwwerk met zich meebrengt of de positionering, massa of hoogte van een bouwwerk vanuit stedenbouwkundig oogpunt. Hieronder volgt een voorbeeld om dit te verduidelijken.
Bedrijfsmatige opslag van stoffen die brandgevaarlijk zijn wordt geregeld in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). De huishoudelijke opslag van brandgevaarlijke stoffen in of op een bouwwerk wordt gereguleerd in het Bbl. De regels voor huishoudelijke opslag van brandgevaarlijke stoffen nabij een bouwwerk worden in het omgevingsplan vastgelegd. Hoewel het hier dus om hetzelfde oogmerk gaat - waarborgen van de veiligheid - wordt de huishoudelijke opslag van brandgevaarlijke stoffen niet uitputtend geregeld in het Bal en het Bbl als het gaat over de opslag in de buurt van een bouwwerk.
Oogmerken worden binnen het nieuwe deel van het omgevingsplan geplaatst in hoofdstuk 2 ‘Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving’. De oogmerken hebben daarbij een dubbelfunctie. Enerzijds wordt ermee aangegeven wat het doel is van de aanwijzing en welk aspect van de fysieke leefomgeving wordt gereguleerd. Anderzijds wordt daarbij ook aangegeven bij welke activiteit die aanwijzing daadwerkelijk wordt betrokken.
Dit werkt door in de beoordelingsregels voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit.
Binnen het omgevingsplan is het verboden om zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het bouwwerk in stand te houden en te gebruiken. De omgevingsvergunning voor deze binnenplanse omgevingsplanactiviteit (BIPA) wordt – op grond van artikel 8.0a van het Bkl – verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning (beoordelingsregels). Bij die beoordeling mogen alleen die regels in het omgevingsplan betrokken worden die ook daadwerkelijk zien op het bouwen van dat bouwwerk. Het bouwwerk in stand houden en gebruiken op die locatie kan alleen met het oog op de omgevingsrechtelijke aspecten die bij de aanwijzing zijn benoemd.
De werkingssfeer van de binnenplanse omgevingsplanactiviteit wordt dus begrensd door het oogmerk (belang). Als voldaan wordt aan de gestelde voorwaarden, dan moet de omgevingsvergunning worden verleend.
Als er, naast de beoordelingsregels voor deze binnenplanse omgevingsplanactiviteit voor de bouwactiviteit, andere regels zijn die gelden voor het bouwen van een bouwwerk, kunnen deze er niet toe leiden dat de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit wordt geweigerd.
De initiatiefnemer heeft met de vergunning alleen maar toestemming om de ruimtelijke bouwactiviteit te verrichten. De bouwactiviteit zelf of een andere activiteit die ervoor verricht moet worden kan ook een vergunningplichtige activiteit zijn op een andere grond. Die grondslag kan gereguleerd zijn in het Bbl, Bal, de provinciale Omgevingsverordening, de Waterschapsverordening of het omgevingsplan. Bij bouwen is er bijvoorbeeld ook vaak sprake van een technische bouwactiviteit, gereguleerd in het Bbl. Die technische bouwactiviteit blijft verboden totdat daar een vergunning voor is verleend of een melding is ingediend. Als het bouwen valt binnen de voorwaarden die in het Bbl zijn gesteld voor vergunningsvrij bouwen kan die vergunning of melding achterwege blijven.
Voor de verschillende omgevingsdocumenten, zoals het omgevingsplan, de omgevingsvisie, en het projectbesluit, zijn toepassingsprofielen vastgelegd, de TPOD’s (ToepassingsProfielen voor OmgevingsDocumenten). Deze toepassingsprofielen geven richtlijnen over de manier waarop de tekst binnen die omgevingsdocumenten moet worden ingedeeld en geannoteerd, hoe een tekst aan een locatie kan worden gekoppeld en welke waardenlijsten er zijn. Zo kan worden getoond welke regels gelden op een locatie en kan er worden gefilterd op kenmerken.
Het werkingsgebied wordt in het stelsel van de Omgevingswet gebruikt voor het gebied waar een regel zijn werking heeft. Vanuit TPOD-omgevingsplan is het werkingsgebied de relatie tussen de regeltekst en de locatie(s) van die regeltekst. Die relatie wordt in het DSO afgeleid; het bevoegd gezag hoeft geen afzonderlijke geometrie voor het werkingsgebied aan te leveren. Dat betekent dus dat er niet ergens in de regels expliciet moet worden gemaakt wat het werkingsgebied is van bijvoorbeeld een bouwhoogte. Deze wordt afgeleid door aan de juridische regel (een hoofdgebouw is niet hoger dan de op de locatie weergeven bouwhoogte: hoofdgebouw) locaties toe te voegen via annotaties.
Hoewel er feitelijk van het hele omgevingsplan een PDF-uitdraai gemaakt zou kunnen worden, is het niet zo dat dit document door het van boven naar beneden te lezen kan worden begrepen. Dat komt doordat er informatie in wordt vastgelegd die niet op een begrijpelijke manier in tekst te beschrijven is. Deze informatie wordt een geografisch informatieobject (GIO) genoemd en legt de geometrische begrenzing van één of meer locaties vast. Het is volgens de TPOD-omgevingsplan een technische voorziening voor het accuraat specificeren en juridisch borgen van een gebied. Het is onderdeel van het besluit als informatie die niet uit tekst bestaat.
Iemand die het DSO gebruikt hoeft niet zelf te interpreteren welke adressen of locaties bij een GIO horen. Voor een goede interpretatie van het werkingsgebied is het wel belangrijk dat de regeltekst een duidelijke en herkenbare naam geeft voor het gebied waar de regel geldt.
Die naam maakt het voor mensen begrijpelijk, maakt het werkingsgebied ‘leesbaar’.
De GIO zorgt alleen voor de digitale koppeling. Het is daarom niet nodig om in de regeltekst expliciet te zeggen dat een bepaalde locatie het werkingsgebied is. Het DSO leidt automatisch af welke locatie bij welke regel hoort, doordat de locatie digitaal aan de regel is gekoppeld. Ook hoeft de locatie niet in elk afzonderlijk artikel opnieuw te worden genoemd. Als het duidelijk genoeg is als dit in het toepassingsbereik van een paragraaf of afdeling is opgenomen, is dat voldoende.
HH
Na sectie ' Begripsbepalingen' worden 236 secties ingevoegd, luidende:
In dit artikel staan de begripsbepalingen. Het doel van begripsbepalingen is om eenduidig vast te leggen wat wordt bedoeld met een term die in een regeling wordt gebruikt. In de bestemmingsplannen, zoals we ze kenden voor de Omgevingswet, werd in ieder plan een eigen lijst met begrippen gebruikt. Hierdoor is er in de loop der jaren een grote diversiteit een begrippen ontstaan. Niet altijd werd een begrip op dezelfde wijze gedefinieerd. Voor het nieuwe omgevingsplan zijn alle bestaande begrippen geanalyseerd en is een nieuwe lijst met begrippen samengesteld, aan de hand van de regels die het omgevingsplan voorkomen. Hierbij zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:
Begripsbepalingen die al in de wet (of de onderliggende besluiten en regelingen) staan worden niet in de begrippenlijst meegenomen.
Waar mogelijk wordt aangesloten bij de Stelselcatalogus van de VNG.
Als een betekenis duidelijk genoeg is in het dagelijks gebruik of duidelijk blijkt uit de Dikke van Dale wordt het begrip niet opgenomen.
Als de verwachting is dat een begrip in de praktijk tot interpretatieverschillen kan leiden wordt het toch opgenomen.
Begripsbepalingen zijn uitsluitend opgenomen in hoofdstuk 1 en meer specifiek in een aparte bijlage, waarnaar wordt verwezen. Dit zorgt ervoor dat de begrippen goed vindbaar zijn en draagt bij aan de eenduidigheid van regels: voorkomen wordt dat eenzelfde begrip op meerdere plaatsen wordt gedefinieerd en dat voor eenzelfde begrip onbedoeld verschillende definities worden gebruikt. Ook wordt op deze manier voorkomen dat er onduidelijkheid ontstaat over bij welke locatie een begripsdefinitie hoort.
Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 heeft de gemeente Alphen aan den Rijn een tijdelijk omgevingsplan. Dat tijdelijk omgevingsplan bestaat uit de ruimtelijke besluiten zoals we ze kenden onder de Wet ruimtelijke ordening (bestemmingsplannen, wijzigingsplannen, postzegelplannen, parapluplannen en beheersverordeningen), de Nota bodembeheer en daarbij horende bodemkwaliteits- en bodemfunctiekaarten, de overgedragen rijksregels (voorheen Bruidsschat genoemd) en eventuele door het Rijk, de provincie en de gemeente gestelde voorbeschermingsregels.
Op 1 januari 2032 moet dit tijdelijk omgevingsplan helemaal zijn omgezet in een nieuw omgevingsplan, dat voldoet aan alle aspecten van de Omgevingswet.
Het omzetten van het tijdelijke omgevingsplan naar een nieuw omgevingsplan is een omvangrijke operatie. Daarom is er in de overgang naar een compleet nieuw omgevingsplan een fasering aangebracht. Die fasering ziet enerzijds op de inhoud van het plan. Anderzijds wordt er ook gebiedsgericht, in sommige delen van de gemeente, een fasering aangebracht in de omzetting naar een nieuw plan. Dat heeft vooral te maken met bestemmingsplannen die nog voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet in procedure zijn gebracht en met de zogenaamde TAM-IMRO plannen.
STOP/TPOD vs TAM-IMRO
Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet werken we met het Digitaal Stelsel Omgevingswet. Een omgevingsplan moet daarin worden opgesteld volgens een bepaalde (technische) standaard. Voor wat betreft de modellering van het omgevingsplan wordt die standaard TPOD-omgevingsplan genoemd, het Toepassingsprofiel omgevingsdocumenten omgevingsplan. Het besluit tot wijziging van het omgevingsplan wordt opgesteld volgens STOP, de Standaard officiële publicaties. Het publiceren gebeurt in de Landelijke Voorziening Bekendmaken en Beschikbaar stellen, de LVBB. Het nieuwe omgevingsplan en wijzigingen die daarop volgen zijn daarmee volgens de standaard STOP/TPOD opgesteld en vastgesteld.
Omdat het in de jaren 2024 en 2025 nog niet mogelijk was om voor gebiedsontwikkelingen te werken met STOP/TPOD is er een Tijdelijke Alternatieve Maatregel ingevoerd, TAM. In deze tijdelijke situatie maakten gemeenten wijzigingsbesluiten van het omgevingsplan bekend met de oude techniek en de standaard van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), de IMRO-standaard. IMRO staat voor Informatiemodel Ruimtelijke Odening.
Deze plannen noemen we TAM-IMRO plannen. De plannen werken dus met een oude standaard maar zijn wel opgesteld volgens de inhoudelijke eisen van de Omgevingswet.
Bekendmaking vond niet plaats via de publicatie naar de LVBB, maar gemeenten publiceerden het vaststellingsbesluit in het Gemeenteblad via DROP, Decentrale Regelgeving en Officiële Publicaties. Het plandeel werd dus vormgegeven met IMRO en gepubliceerd op ruimtelijkeplannen.nl. Via de overbruggingsfunctie zijn deze plannen ook in het Omgevingsloket te vinden, bij het onderdeel Regels op de kaart.
Nieuw deel vs tijdelijk deel omgevingsplan
Als in dit omgevingsplan iets wordt aangegeven als ‘tijdelijk deel omgevingsplan’ betekent dit dat het een gat is in het grote omgevingsplan van Alphen aan den Rijn (STOP/TPOD, fase 1). De gaten worden zoals vermeld gecreëerd door de bestemmingsplannen die nog in procedure waren op het moment dat het STOP/TPOD plan is opgesteld. Ter plaatse gelden dus nog de oude ruimtelijke plannen. Dit grote omgevingsplan is het ‘nieuwe deel omgevingsplan’. Bij elke volgende fase in de doorontwikkeling van het nieuwe omgevingsplan zullen plannen die daarvoor in aanmerking komen worden meegenomen in het wijzigingsbesluit. Daarmee worden de gaten in het omgevingsplan steeds verder gedicht.
Voor de volledigheid wordt vermeld dat het omgevingsplan voor de gebiedsontwikkeling Gnephoek het eerste nieuwe deel omgevingsplan is dat via STOP/TPOD is opgesteld.
Hoofdstuk 22
Naast de gaten in het omgevingsplan is er nog een ander deel dat onder het tijdelijke omgevingsplan valt. Dat is Hoofstuk 22. In Hoofdstuk 22 staan de overgedragen rijksregels, de bruidsschat. Niet alle regels uit de bruidsschat zijn in de eerste fase van het omgevingsplan overgezet naar het nieuwe deel. De regels uit de bruidsschat blijven onderdeel van het tijdelijke omgevingsplan totdat ze (eventueel aangepast) worden overgenomen in het nieuwe deel of vervallen.
Dit artikel regelt voor wie een regel bedoeld is, de normadressaat. Hier wordt vastgelegd wie verantwoordelijk is voor het naleven van de regels, bijvoorbeeld initiatiefnemers, eigenaren of gebruikers van gronden of bouwwerken. Door dit vooraf te bepalen, is duidelijk wie moet handelen of nalaten wanneer een regel van toepassing is.
Dit artikel regelt hoe maten en afstanden moeten worden gelezen. Veel regels en normen in het omgevingsplan verwijzen naar afstanden, hoogtes, oppervlakten of andere meetbare waarden. Hoofdstuk 1 bevat daarom algemene meet- en rekenregels. Deze bepalen bijvoorbeeld hoe bouwhoogte wordt gemeten, vanaf welk punt een afstand wordt bepaald, hoe oppervlakten worden berekend.
Door deze regels centraal vast te leggen, worden interpretatieverschillen voorkomen. Een voorbeeld van een meetvoorschrift betreft het bepalen van de tiphoogte van een windturbine. Dat wordt met bijgevoegde afbeelding nog verder geïllustreerd.
Dit artikel regelt op welke wijze de gemeente maatwerkvoorschriften en vergunningvoorschriften kan stellen binnen het kader van het omgevingsplan. De algemene regels in het omgevingsplan zijn voor de meeste situaties voldoende. Soms is een activiteit echter net iets anders, ligt een perceel op een gevoelige locatie, of zijn er cumulatieve effecten die extra aandacht vragen. Maatwerkvoorschriften of vergunningvoorschriften bieden de mogelijkheid om bijvoorbeeld strengere eisen te stellen wanneer dat nodig is voor gezondheid, veiligheid of leefkwaliteit of soepelere eisen toe te staan wanneer de impact beperkt is en de doelen van de leefomgeving niet in gevaar komen. Het biedt de mogelijkheid om beter aan te sluiten bij de specifieke omstandigheden van een locatie, activiteit of initiatiefnemer.
Dit artikel regelt welke gegevens en documenten moeten worden aangeleverd bij élke aanvraag die er wordt ingediend, ongeacht de aard van de aanvraag of de omstandigheden die zich op een locatie voordoen.
Dit artikel regelt welke gegevens en documenten moeten worden aangeleverd bij élke aanvraag die er wordt ingediend, ongeacht de aard van de aanvraag of de omstandigheden die zich op een locatie voordoen.
Dit artikel regelt welke gegevens een initiatiefnemer of normadressaat moet verstrekken wanneer een wijziging optreedt in naam, adres of in de persoon/organisatie die verantwoordelijk is voor het naleven van voorschriften (de normadressaat).
Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om aanvullende gegevens en documenten op te vragen. De technische mogelijkheden om emissies te beperken, installaties te optimaliseren of milieubelasting te reduceren ontwikkelen zich voortdurend. Tegelijkertijd kunnen lokale omstandigheden veranderen, bijvoorbeeld door bijvoorbeeld veranderende mileukwaliteit of nieuwe gevoelige functies in de omgeving. Om te kunnen beoordelen of de bestaande regels nog voldoende bescherming bieden, moet het college van burgemeester en wethouders kunnen beschikken over actuele en relevante informatie van de initiatiefnemer.
Deze paragraaf gaat over het aandachtsgebied zetting. Dit is een gebied waar de bodem gevoelig is voor zetting: het langzaam zakken of inklinken van de grond door een hierop rustende belasting. Door de ligging in het Groene Hart, een gebied met slappe veen- en kleibodems, is de gemeente Alphen aan den Rijn gevoelig voor bodemdaling. In het aandachtsgebied zetting moet de gemeente extra letten op de gevolgen van zetting voor gebouwen, infrastructuur en de leefomgeving.
Dit artikel regelt dat er een aandachtsgebied is voor zetting. In gebieden met slappe bodemlagen zoals veengrond en klei kunnen bodemdaling en verzakking optreden door bijvoorbeeld grondwaterverlaging of bouwwerkzaamheden. De zettingsgevoelige gebieden zijn zichtbaar gemaakt door aandachtsgebieden te markeren.
Afvalwater moet aan de hand van regels voor milieubelastende activiteiten in het aandachtsgebied doelmatig worden beheerd en verontreiniging van de bodem moet worden voorkomen.
Dit artikel geeft aan waarom er regels zijn voor gebieden waar de bodem zettingsgevoelig is. De regels binnen het aandachtsgebied zien op de bescherming van de bodemkwaliteit en het doelmatig beheer van afvalwater.
De regels in deze paragraaf gaan over geluid bij huizen en andere gebouwen waar mensen rustig moeten kunnen verblijven, zoals woningen, scholen of ziekenhuizen. De regels zijn gesteld met het oog op het beschermen van de gezondheid en het milieu.
Deze paragraaf legt uit waar de regels gelden en voor welke gebouwen.
Het gebied waar deze regels gelden heet: geluidaandachtsgebied. Het geluidaandachtsgebied betreft het gebied waar een overschrijding van de standaardwaarde van een geluidbronsoort verwacht kan worden. De standaardwaarden die gelden zijn opgenomen in een tabel.
Deze regels gelden op de buitenkant (gevel) van geluidgevoelige gebouwen (zoals huizen, scholen en ziekenhuizen) die helemaal of voor een deel in een geluidaandachtsgebied van een weg, spoorweg of industrieterrein liggen.
Deze regels gelden ook in een geluidzone rond een industrieterrein, zolang er nog geen vaste afspraken zijn gemaakt over hoeveel geluid de bedrijven daar precies mogen maken, of zolang in het omgevingsplan niet is gezegd dat een bepaalde lawaaiige activiteit daar niet mag gebeuren. Bij een nieuw gebouw wordt gekeken naar het geluid op de plek waar de gevel komt. Bij een woonschip of een woonwagen wordt gekeken naar het geluid op de rand van de plek waar dat woonschip of die woonwagen mag staan.
Als eerder een hogere toegestane geluidswaarde is vastgesteld voor een weg op de gevel van een gebouw waar mensen rustig moeten kunnen leven (op basis van de oude Wet geluidhinder), dan wordt daar rekening mee gehouden.
In de tabel zijn de grenswaarden voor het geluid op een geluidgevoelig gebouw opgenomen.
Voor de cumulatie van geluid bij een gebouw zijn normen benoemd.
Dit artikel regelt wat er wordt verstaan onder geurgevoelige gebouwen. Het betreft een aanvulling op wat artikel 5.91, lid 1 tot en met 3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bepaalt. Er is gebruik gemaakt van de leden 4 en 5 van artikel 5.91 van het Bkl om andere gebouwen als geurgevoelig aan te wijzen en geurregels op toe te passen. Deze extra aanwijzing ziet alleen op wat voorheen een geurgevoelig object was.
Dit artikel regelt dat er een bebouwingscontour geur is. Een bebouwingscontour geur moet worden opgenomen als er in het omgevingsplan regels staan over geur door rioolwaterzuiveringen (rwzi's) of agrarische activiteiten. Binnen de bebouwingscontour geldt een 'hoge bescherming', daarbuiten een 'lage bescherming'. Dit is bepaald in artikel 5.97 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
De artikelen 22.72 tot en met 22.105 van de Bruidsschat zijn overgenomen, met dien verstande dat in overeenstemming met het Bkl niet meer gesproken wordt over bebouwde kom maar bebouwingscontour geur.
Deze paragraaf gaat over het aandachtsgebied natuur- en landschapswaarden. Het gaat in dit aandachtsgebied om weidevogelgebieden en om de herkenbare verkavelingspatronen in het landschap. In dit gebied moet de gemeente extra zorgvuldig omgaan met nieuwe plannen en activiteiten, omdat de natuur en het landschap hier kwetsbaar zijn.
Weidevogelgebieden zijn open graslanden waar vogels leven en broeden. Deze vogels hebben rust, openheid en een natte bodem nodig. Ze zijn gevoelig voor verstoring door mensen, verkeer, honden en landbouwactiviteiten. Ook bebouwing of beplanting kan het gebied minder geschikt maken, omdat het de openheid aantast of roofdieren aantrekt. Veel weidevogelsoorten gaan al jaren achteruit. Daarom is het belangrijk om hun leefgebied te beschermen en te versterken.
Verkavelingspatronen zijn de vormen en indelingen van percelen in het landschap. Ze bestaan bijvoorbeeld uit lange, smalle kavels, sloten in een vast ritme en open zichtlijnen. Deze patronen zijn belangrijk voor de herkenbaarheid van het landschap en voor de natuur.
Dit artikel regelt dat er een aandachtsgebied is voor natuur- en landschapswaarden. Deze gebieden hebben specifieke uiterlijke kenmerken voor wat betreft de natuur en het landschap, waarvan behoud waardevol wordt geacht. Natuur-en landschapswaarden waren eerder vervlochten met de bestemmingen Natuur en Agrarisch in de voormalige bestemmingsplannen. Door de loskoppeling van deze bestemmingen hebben natuur- en landschapswaarden een zelfstandige betekenis gekregen in het omgevingsplan.
Dit artikel geeft aan waarom er regels zijn gesteld voor gebieden met natuur- en landschapswaarden. Het aandachtsgebied natuur- en landschapswaarden is erop gericht om aanwezige natuur- en landschapswaarden te behouden door voorwaarden te stellen aan het uitvoeren van werken en werkzaamheden in dit aandachtsgebied.
In deze paragraaf is de bebouwingscontour voor houtkap van de gemeente Alphen aan den Rijn vastgelegd.
Dit artikel regelt dat er een bebouwingscontour houtkap is. De vastlegging van de bebouwingscontour houtkap volgt uit artikel 5.165b van het Besluit kwaliteit leefomgeving. In dit artikel is bepaald dat gemeenten een bebouwingscontour voor houtkap moeten aanwijzen in hun omgevingsplan. De contour geeft aan waar de regels van het Rijk gelden die gaan over het vellen van houtopstanden en over herbeplanten. Het is een gebied dat grenst aan het stedelijk gebied. Binnen de contour gelden andere regels voor het vellen van bomen dan erbuiten. Buiten de contour gelden landelijke regels.
Deze paragraaf gaat over het aandachtsgebied rond de provinciale vaarwegen. Dit zijn gebieden langs en rondom vaarwegen die door de provincie worden beheerd. De Zuid Hollandse omgevingsverordening bevat instructieregels over wat gemeenten op moeten nemen in het omgevingsplan over deze vaarwegen. In de toelichting op de verordening is hierover onder andere het volgende opgenomen:
“Om een vlotte en veilige doorvaart van de scheepvaart te waarborgen, moet worden gegarandeerd dat nieuwe ontwikkelingen langs de provinciale vaarwegen de doorvaart van de scheepvaart niet belemmeren en de zichtlijnen voor de scheepvaart en voor bedienings- en begeleidingsobjecten alsmede de toegankelijkheid voor hulpdiensten vanaf de wal niet hinderen. Vanwege de provinciale verantwoordelijkheid voor de veiligheid op de provinciale vaarwegen wordt daarom ook de ruimte langs die vaarwegen in deze omgevingsverordening proactief geregeld”.
Dit artikel regelt dat er een aandachtsgebied is voor provinciale vaarwegen. Voor een vlotte en veilige doorvaart van het scheepvaartverkeer zijn in de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening vrijwaringszones voor provinciale vaarwegen opgenomen. Daaraan zijn instructieregels verbonden waarmee in het omgevingsplan rekening moet worden gehouden. Als gevolg hiervan is in het omgevingsplan de geometrische begrenzing van provinciale vaarwegen binnen de gemeente Alphen aan den Rijn, met de bijbehorende vrijwaringszones, vastgelegd. Het gaat om de volgende provinciale vaarwegen: de Oude Rijn, de Gouwe, de Otweg Wetering en de Heimanswetering. Voor de vrijwaringszones van deze vaarwegen zijn in het omgevingsplan regels gesteld die bij eventuele (bouw)ontwikkelingen in acht moeten worden genomen om belemmeringen eraan te voorkomen.
Deze specifiek te beschermen waarden voor de provinciale vaarwegen zijn één op één overgenomen uit de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening.
Deze paragraaf gaat over het aandachtsgebied rond een straalpad. Straalpaden zijn bundels radiosignalen tussen twee antennes voor een draadloze telecommunicatieverbinding (straalverbinding). Deze verbindingen zijn essentieel voor het verzenden van data (beeld, geluid, internet) over lange afstanden. Hoge bouwwerken kunnen deze verbindingen verstoren, wat leidt tot signaalverlies of verminderde kwaliteit van het signaal.
Dit artikel regelt dat er een aandachtsgebied is voor straalpaden. Om verstoring of kwaliteitsverlies van de straalverbinding te voorkomen, is een aandachtsgebied straalpad opgenomen in het omgevingsplan. Binnen het aandachtsgebied geldt een maximale bouwhoogte. Hiermee is de bescherming van de straalverbinding van antennes geborgd, bij bouwinitiatieven in de buurt van een straalverbinding is hiermee geborgd.
Dit artikel geeft aan waarom er regels zijn gesteld voor gebieden rondom straalpaden. De regels zijn gericht op het beschermen van de werking en de integriteit van de straalverbinding van antennes bij het bouwen van bouwwerken in de buurt van een straalverbinding.
Dit artikel regelt een maximale bouwhoogte voor bouwwerken binnen een straalpad. Om de straalverbinding te beschermen is het binnen het aandachtsgebied niet toegestaan hoger te bouwen dan 50 meter boven NAP.
Deze paragraaf gaat over het aandachtsgebied rond een waterkering. Een waterkering houdt water tegen en beschermt tegen overstromingen. Het aandachtsgebied is het gebied rondom de waterkering waar extra aandacht nodig is voor veiligheid, stabiliteit en onderhoud. Waterkeringen zijn van groot belang voor de veiligheid van inwoners en bedrijven. Ze moeten sterk genoeg blijven om water tegen te houden, ook bij extreme omstandigheden.
Dit artikel regelt dat er een aandachtsgebied is voor waterkeringen. De locaties met het aandachtsgebied waterkering betreffen locaties met (bestaande) regionale waterkeringen met een daarbij behorende beschermingszone. De waterkeringen maken onderdeel uit van het waterbeheer en beschermen de fysieke leefomgeving tegen overstroming en ander wateroverlast. De geometrische vastlegging van de beschermingszones is afgestemd met de beheerder van de waterkering.
Dit artikel geeft aan waarom er regels zijn gesteld voor waterkeringen. Het opnemen van de waterkeringen in het omgevingsplan is erop gericht om het behoud en de werking van de waterkeringen te waarborgen.
In deze afdeling staan de regels die gelden voor bouwwerken. Er zijn regels opgenomen die gaan over de bescherming van de stedenbouwkundige structuur en de stedenbouwkundige waarden voor bouwwerken zoals positionering, oppervlakte en hoogte. De afdeling bevat daarnaast nog regels over aansluitingen; in bepaalde gevallen moet bijvoorbeeld zijn voorzien in een aansluiting op het distributienet voor elektriciteit of water. Tot slot zijn in deze afdeling regels opgenomen die verzekeren dat bouwwerken bereikbaar blijven voor hulpverleningsdiensten en dat bluswatervoorzieningen toereikend zijn.
In deze paragraaf zijn regels opgenomen die gaan over stedenbouwkundige waarden. Regels over bijvoorbeeld aantallen bouwwerken per locatie, de positionering van bouwwerken en de bouw- en goothoogte. Deze regels zijn losgekoppeld van de functie die aan een locatie is toegekend. Niet alle regels gelden op alle locaties. Uitgangspunt in dit omgevingsplan zijn de waarden die in de voormalige bestemmingsplannen zijn toegekend. Per regel is in kaart gebracht op welke locatie en in welk bestemmingsplan deze geldend was. Vervolgens zijn de regels aan de locaties gekoppeld. Op deze manier wordt per locatie inzichtelijk welke specifieke bouwregels er van toepassing zijn, welke normen er in acht moeten worden genomen bij het bouwen en in stand houden van bouwwerken.
Stedenbouwkundige waarden zijn belangrijk omdat zij de ruimtelijke kwaliteit, identiteit en samenhang van een gebied borgen. Met het vastleggen van de waarden wordt de stedenbouwkundige structuur van gebieden en locaties beschermd.
Deze paragraaf gaat over het aandachtsgebied parkeren. Het gaat zowel over autoparkeren als over fietsparkeren. Het is een gebied waar de gemeente extra goed moet letten op de parkeerdruk, de bereikbaarheid en de kwaliteit van de openbare ruimte. In dit gebied kunnen parkeerproblemen ontstaan of is de ruimte schaars, waardoor nieuwe ontwikkelingen zorgvuldig moeten worden beoordeeld.
Het aandachtsgebied helpt de gemeente om te zorgen dat parkeren goed geregeld blijft, zonder dat dit ten koste gaat van leefbaarheid, veiligheid of doorstroming.
Dit artikel regelt dat er een aandachtsgebied is voor parkeren. Het omgevingsplan verwijst voor de te hanteren parkeernormen naar de ‘Parkeernota van Gemeente Alphen aan den Rijn (2025)”, zoals door de gemeenteraad op 10 juli 2025 is vastgesteld. De normen in deze parkeernota zijn niet beperkt tot autoparkeren, maar hebben ook betrekking op fietsparkeren. De normen uit de parkeernota worden regelmatig bijgesteld. Dat biedt de nodige flexibiliteit in het parkeerbeleid, zonder dat het omgevingsplan hierop hoeft te worden gewijzigd. De parkeernota bevat het te doorlopen stappenplan rondom het bepalen van de parkeerbehoefte, de te hanteren parkeernormen en de spelregels over parkeren op eigen terrein. Uitgangspunt is dat het parkeren op eigen terrein wordt opgelost. Daarnaast bevat de parkeernota spelregels voor de afmetingen van parkeerplaatsen die afgestemd moeten zijn op gangbare motorvoertuigen.
Dit artikel geeft aan waarom er in bepaalde gebieden regels zijn gesteld voor het parkeren. De regels over parkeren zijn gericht op het beschermen van stedenbouwkundige waarden in de vorm van voldoende parkeergelegenheid en laad- en losvoorzieningen op eigen terrein.
Deze paragraaf gaat over het aandachtsgebied welstand. Dit is een gebied waar de gemeente extra aandacht geeft aan de ruimtelijke kwaliteit en aan het uiterlijk en de plaatsing van gebouwen en bouwwerken. In dit gebied is het belangrijk dat nieuwe ontwikkelingen passen bij het karakter van de omgeving en bijdragen aan een samenhangend straat- en landschapsbeeld.
Dit artikel regelt dat er een aandachtsgebied is voor welstand. Binnen het aandachtsgebied welstand gelden de criteria voor de redelijke eisen van welstand zoals die zijn opgenomen in de Welstandsnota van de gemeente. Om de gewenste kwaliteit van de omgeving te regelen heeft de gemeente drie welstandsniveaus: een bijzonder, regulier en soepel welstandsgebied. In het aandachtsgebied welstand geldt een van deze drie niveaus, waarbij elk niveau zijn eigen regels heeft.
Binnen het aandachtsgebied welstand gelden de criteria voor de redelijke eisen van welstand zoals die zijn opgenomen in de Welstandsnota van de gemeente. Om de gewenste kwaliteit van de omgeving te regelen heeft de gemeente drie welstandsniveaus: een bijzonder, regulier en soepel welstandsgebied. In het aandachtsgebied welstand geldt een van deze drie niveaus, waarbij elk niveau zijn eigen regels heeft.
Dit artikel geeft aan waarom er in bepaalde gebieden regels zijn gesteld voor redelijke eisen van welstand. De regels over welstand zijn gericht op het beschermen van de kwaliteit van bouwwerken bij het bouwen en in stand houden daarvan.
Dit artikel regelt hoe de goothoogte binnen het aandachtsgebied welstand moet worden gemeten. De manier waarop van de goothoogte van een bouwwerk moet worden bepaald is niet specifiek opgenomen in de algemene meetbepalingen van hoofdstuk 1. Deze is opgenomen in het aandachtsgebied welstand, omdat welstand het verschil maakt bij de wijze van meten.
De goothoogte wordt gemeten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, zoals bedoeld in de algemene meetbepalingen van hoofdstuk 1, tot aan de bovenkant van de goot of de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
In soepel welstandsgebied geldt een uitzondering hierop voor dakkappellen, die niet breder zijn dan 50% van het dakvlak. Als de dakkapel wel breder is dan 50% van het dakvlak, dan wordt de goothoogte gemeten tot aan de bovenkant van de dakkapel.
Dit artikel regelt hoe de goothoogte binnen het aandachtsgebied welstand moet worden gemeten. De manier waarop van de goothoogte van een bouwwerk moet worden bepaald is niet specifiek opgenomen in de algemene meetbepalingen van hoofdstuk 1. Deze is opgenomen in het aandachtsgebied welstand, omdat welstand het verschil maakt bij de wijze van meten.
De goothoogte wordt gemeten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, zoals bedoeld in de algemene meetbepalingen van hoofdstuk 1, tot aan de bovenkant van de goot of de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
In soepel welstandsgebied geldt een uitzondering hierop voor dakkappellen, die niet breder zijn dan 50% van het dakvlak. Als de dakkapel wel breder is dan 50% van het dakvlak, dan wordt de goothoogte gemeten tot aan de bovenkant van de dakkapel.
Dit artikel regelt welke bouwwerken niet in ernstige mate in strijd mogen zijn met redelijke eisen van welstand. Repressief welstand is toezicht van de gemeente op het uiterlijk van bestaande bouwwerken. Dit toezicht vindt dus plaats na de bouw, in tegenstelling tot het (preventief) toezicht dat vooraf bij vergunningaanvragen plaatsvindt. Repressief toezicht is met name van belang als handhavingsinstrument en niet zozeer bij het daadwerkelijk verrichten van activiteiten.
In de bepaling is opgenomen dat het uiterlijk van de volgende bouwwerken niet in ernstige mate in strijd mag zijn met de redelijke eisen van welstand:
Deze paragraaf gaat over het aandachtsgebied met betrekking tot archeologische waarden. Archeologische resten zijn een belangrijke informatiebron over het verleden. Voor veel perioden zijn ze zelfs de enige informatiebron. Alleen de bodem kan ons vertellen hoe de mensen leefden en werkten voordat er geschreven bronnen waren. Maar ook over latere periodes, waarover wel historische bronnen beschikbaar zijn, kunnen archeologische resten ons veel duidelijk maken. In die zin is ook de bodem een archief waaruit geput kan worden om de geschiedenis van een plek te vertellen. Vanwege de wetenschappelijke waarde en/of belevingswaarde worden archeologische resten beschermd. Dat is nodig omdat het bodemarchief meestal onzichtbaar is en dus kwetsbaar. Bij graafwerkzaamheden kunnen archeologische resten onbedoeld worden vernield.
Dit artikel regelt dat er een aandachtsgebied is voor archeologie. Op bepaalde locaties is er sprake van bijzondere omstandigheden die zich in de bodem bevinden. Die locaties worden beschermd door het aandachtsgebied archeologie. In het aandachtsgebied zijn alle locaties meegenomen waar archeologische waarden van belang zijn. Deze locaties komen voort uit een gemeentelijke inventarisatie naar bekende en te verwachten archeologische waarden in de bodem.
In het aandachtsgebied worden de volgende soorten locaties onderscheiden:
Archeologie - terreinen van provinciaal belang
Deze categorie betreft de terreinen van provinciaal belang. De grenzen van deze terreinen zijn vastgesteld door Provincie Zuid-Holland. De gemeente telt meerdere terreinen van provinciaal belang met een hoge archeologische waarde. Van alle vindplaatsen zijn vondsten bekend maar niet van elke vindplaats is duidelijk wat de exacte aard is en of naast de vondsten ook nog (grond)sporen te verwachten zijn.
Archeologie - hoge verwachtingswaarde
Deze categorie is een verzameling van verschillende typen archeologische vindplaatsen en landschappelijke zones waaraan een hoge verwachtingswaarde is toegekend. De ouderdom tussen deze type vindplaatsen en zones varieert van de vroege prehistorie tot en met de Tweede Wereldoorlog. De daadwerkelijke trefkans op archeologische resten varieert van een hoge trefkans tot daadwerkelijk aanwezige sporen.
Archeologie - hoge verwachtingswaarde in opgehoogd gebied
Voor deze categorie geldt hetzelfde als voor categorie Archeologie – hoge verwachtingswaarde. Het is bekend dat binnen de Alphen aan den Rijn gebieden zijn opgehoogd bij herontwikkeling. Het is niet altijd duidelijk wat de dikte van het ophogingspakket is.
Archeologie - middelhoge verwachtingswaarde
Het veenweidegebied is in principe een laaggelegen komgebied dat dooraderd is door smalle (crevasse)geulen. Dit gebied heeft potentie voor archeologische sporen, maar deze zijn tot op heden niet aangetroffen. Bewoning kan hebben plaatsgevonden op hoog gelegen veenkussens in de komgebieden en op smalle (crevasse)geulen in het veen/kleigebied. De dichtheid van bewoning is echter heel laag en ook de vindplaatsen waren waarschijnlijk zeer klein van omvang. Dit gebied heeft daarom een gematigde verwachting vanwege de beperkte archeologische potentie en de lage trefkans.
Archeologie - middelhoge verwachtingswaarde in opgehoogd gebied
Voor deze categorie geldt hetzelfde als voor categorie Archeologie - middelhoge verwachtingswaarde. Het is bekend dat binnen Alphen aan den Rijn gebieden zijn opgehoogd bij herontwikkeling. Het is niet altijd duidelijk wat de dikte van het ophogingspakket is.
Archeologie - lage verwachtingswaarde
In de droogmakerijen is veel afgegraven. Hierdoor liggen er nu oude wadafzettingen aan het oppervlak uit de periode 6000-3000 voor Christus. De verwachting dat er intacte archeologische resten aanwezig zijn is zeer laag. Dit komt doordat de wadafzettingen in het verleden te nat waren om als geschikte bewoningslocaties te dienen. Op enkele plaatsen liggen hogere kreekruggen die in principe bewoond kunnen zijn geweest. Ook hierbij is sprake van lage gaafheid en een lage dichtheid. De droogmakerijen hebben hierdoor een lage verwachting.
Archeologie - lage verwachtingswaarde in opgehoogd gebied
Voor deze categorie geldt hetzelfde als voor categorie Archeologie – lage verwachtingswaarde. Het is bekend dat binnen de Alphen aan den Rijn gebieden zijn opgehoogd bij herontwikkeling. Het is niet altijd duidelijk wat de dikte van het ophogingspakket is.
Archeologie - middelhoge verwachtingswaarde stroomgordel
Onder deze categorie vallen de afzettingen van de stroomgordel Waddinxveen, binnen de droogmakerij. Op deze afzettingen kunnen resten van prehistorische bewoning voorkomen op een diepte vanaf 2,5 meter onder het maaiveld.
Dit artikel geeft aan waarom er regels zijn gesteld voor gebieden met archeologische waarden. In het omgevingsplan wordt rekening gehouden met het belang van cultureel erfgoed. Hieronder worden bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten verstaan. Er worden in het omgevingsplan ieder geval regels gesteld over het beschermen van daarvoor in aanmerking komend cultureel erfgoed. Het uitgangspunt hierbij is het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur in situ. In situ betekent dat de archeologische objecten bewaard blijven liggen of staan op die plek waar ze in het verleden zijn achtergelaten. Zo worden ze beschikbaar gehouden voor toekomstige generaties. De regels in het omgevingsplan zien op het beschermen en behouden van de archeologische waarden.
Deze paragraaf gaat over het aandachtsgebied voor molenbiotopen. Een molenbiotoop is het gebied rond een windmolen dat nodig is om de molen goed te laten werken en zichtbaar te houden. In dit gebied mag de wind niet te veel worden tegengehouden door hoge gebouwen, bomen of andere obstakels. Als de wind wordt geblokkeerd, kan de molen minder goed draaien. Ook kan de molen zijn cultuurhistorische waarde verliezen als hij niet meer goed te zien is.
Dit artikel regelt dat er een aandachtsgebied is voor molenbiotopen. Een molen heeft een vrije windgang nodig om in werking te kunnen blijven. Daarom is het belangrijk dat het gebied rondom een windmolen vrij blijft van hoge gebouwen, bomen of andere obstakels. Daarnaast zijn molens belangrijke cultuurhistorische objecten en dient en het zicht op de molen vrij te blijven. De omgeving van een molen wordt daarom beschermd door het aandachtsgebied molenbiotopen. In het geval van bouwplannen in de nabijheid van molens, worden de molens door de regels die gelden binnen het aandachtsgebied voldoende beschermd.
Dit artikel geeft aan waarom er regels zijn gesteld voor molenbiotopen. De regels over molenbiotopen zijn gericht op het waarborgen van de vrije windgang van molens en het beschermen van het zicht op cultureel erfgoed.
Dit artikel regelt dat binnen een straal van 100 meter tot 400 meter rondom een molen twee verschillende regels gelden, afhankelijk van de locatie van de molen. Ligt de molen buiten bestaand stads- en dorpsgebied, dan mogen bouwwerken en opgaande beplanting niet hoger zijn dan 1/100ste van de afstand tussen bouwwerk en beplanting en het middelpunt van de molen, gerekend met de hoogtemaat van de onderste punt van de verticaal staande wiek. Als de molen zich binnen bestaand stads- en dorpsgebied bevindt mogen bouwwerken en hoog opgaande beplanting niet hoger zijn dan 1/30ste van de afstand tussen bouwwerk of beplanting en het middelpunt van de molen, gerekend met de hoogtemaat van de onderste punt van de verticaal staande wiek.
Onderstaande afbeelding is behulpzaam bij het beschouwen van de elementen zoals genoemd in dit voorschrift.
In deze paragraaf staan regels die gelden voor monumenten, karakteristieke bouwwerken, ensembles, cultuurlandschappen en landschapsobjecten, met het oog op het behoud van cultureel erfgoed. De basis voor de regels is gelegd in de themabeschrijvingen van de cultuurhistorische waardenkaart van Alphen aan den Rijn, met de daarbij behorende rapportages (bijlagen bij regels) en aanvullende casestudies. Uit de themabeschrijvingen van de cultuurhistorische waardenkaart blijkt wat voor bescherming in aanmerking komt en waarom.
Deze regels, inclusief de verwijzing naar de Cultuurhistorische Waardenkaart, zijn overgenomen uit het voormalige parapluplan voor cultuurhistorie (bestemmingsplan en beheersverordening ‘Cultuurhistorie’), dat door de gemeenteraad is vastgesteld op 27 januari 2022. Wel hebben verschillende cultuurhistorische objecten en elementen een andere benaming gekregen. Enerzijds ter verduidelijking van de eerdere, minder herkenbare begrippen. Anderzijds omdat de benaming voortkomt uit de Omgevingswet.
Het gaan om de volgende cultuurhistorische objecten en elementen:
De bouwwerken met een zeer hoge cultuurhistorische waardering zijn onderverdeeld in:
De bouwwerken met een hoge en gemiddelde cultuurhistorische waardering hebben de functiebenaming ‘karakteristiek bouwwerk’ gekregen.
Ensembles (gebouwde en niet-gebouwde objecten) met een zeer hoge, hoge en gemiddelde cultuurhistorische waardering hebben de functiebenaming ‘gemeentelijk ensemble’ gekregen om verwarring met het ensemble (rijksmonument met cultuurgoederen) dat is aangewezen op grond van de Erfgoedwet te voorkomen.
Niet-gebouwde objecten met een zeer hoge, hoge en gemiddelde cultuurhistorische waardering hebben de functiebenaming ‘cultuurlandschap of landschapsobject’ gekregen.
De omgeving van (voorbeschermde) gemeentelijk monumenten en rijksmonumenten hebben de functiebenaming ‘omgeving van een monument’ gekregen. Deze regels zijn gesteld om ontsiering en beschadiging van die monumenten te voorkomen. Deze regels zijn nieuw en komen voort uit de Omgevingswet.
Dit artikel regelt wanneer er sprake is van een bouwwerk waarvan alleen de buitenkant beschermd wordt. De bouwwerken binnen deze categorie hebben een zeer hoge cultuurhistorische waardering. Ze zijn vergelijkbaar met de status van een gemeentelijk monument. Bij bouwwerken die vergelijkbaar zijn met de status van een gemeentelijk monument is alleen de buitenkant beschermd (exterieur). De zeer hoge waardering van deze bouwwerken staat beschreven in de cultuurhistorische waardenkaart.
Dit artikel regelt dat de omgeving van een monument beschermd wordt. Ter bescherming van de cultuurhistorische waarden is rondom een rijksmonument of gemeentelijk monument een cirkel met een straal van 200 meter opgenomen met de functiebenaming ‘omgeving van een monument’. Binnen deze cirkel is het niet toegestaan om zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten.
Dit artikel regelt wanneer er sprake is van een karakteristiek bouwwerk. De bouwwerken binnen deze categorie hebben een hoge of gemiddelde cultuurhistorische waardering. Deze waardering staat beschreven in de cultuurhistorische waardenkaart.
Dit artikel regelt wanneer er sprake is van een gemeentelijk ensemble. Binnen de categorie gemeentelijk ensembles vallen de ensembles (gebouwde en niet-gebouwde objecten) met een zeer hoge, hoge en gemiddelde cultuurhistorische waardering. Een ensemble is een samenstel van bouwwerken, landschappelijke en/of stedenbouwkundige elementen die door hun onderlinge relatie een zekere ruimtelijke samenhang vertonen, waardoor de cultuurhistorische waarde van de samenstellende fragmenten verhoogd wordt. Deze waardering staat beschreven in de cultuurhistorische waardenkaart.
Dit artikel regelt wanneer er sprake is van een cultuurlandschap of landschapsobject. Binnen de categorie cultuurlandschap of landschapsobject vallen de landschappen en (niet-gebouwde) landschapsobjecten met een zeer hoge, hoge en gemiddelde cultuurhistorische waardering. Deze waardering staat beschreven in de cultuurhistorische waardenkaart.
Dit artikel regelt wanneer deze paragraaf van toepassing is. De regels die hierin zijn opgenomen hebben betrekking op het ontwikkelgebied Gnephoek.
Dit artikel geeft aan waarom de regels voor het ontwikkelgebied Gnephoek gelden. Ze zijn opgenomen om ruimte te reserveren voor de ontwikkeling van wonen, voorzieningen, infrastructuur, water, groen en natuur in de Gnephoek.
In deze subparagraaf wordt geregeld wat voor functies er in het ontwikkelgebied Gnephoek voorzien zijn en wat voor oppervlakte daarvoor geprogrammeerd is.
Dit artikel bepaalt het maximale aantal vierkante meters bruto-vloeroppervlakte aan commerciële sportvoorzieningen toegestaan is in het bebouwingsgebied van de Gnephoekontwikkeling.
Dit artikel bepaalt de maximale bruto-vloeroppervlakte aan detailhandelsbedrijven met een onderverdeling per type detailhandel. Dagelijkse goederen, overige dagelijkse goederen en recreatieve detailhandel worden daarbij onderscheiden. De maximale bruto-vloeroppervlaktes per type detailhandel zijn getoetst aan de toekomstige behoefte binnen het ontwikkelgebied met als conclusie dat de maximale bruto-vloeroppervlaktes voorzien in deze behoefte. De resultaten zijn te vinden in het Distributie Planologisch Onderzoek (DPO) dat als bijlage van het omgevingsplan is opgenomen. In het DPO is ook gekeken naar de duurzaamheid van de ontwikkeling en of de ontwikkeling niet tot onaanvaardbare concurrentie voor bestaande ondernemers leidt.
In dit artikel is het bruto-vloeroppervlakte aan dienstverleningsbedrijven gelijkelijk verdeeld over het Gnephoek-bebouwingsgebied en het centrumgebied van de ontwikkeling. Deze verdeling komt voort uit het Distributie Planologisch Onderzoek (DPO).
Dit artikel regelt de hoeveel vierkante meter groenvoorzieningen is geprogrammeerd binnen het ontwikkelgebied Gnephoek. Het gebied bevat een hoofdstructuur voor groen van 12,9 hectare. Deze groene-blauwe ‘lopers’, waarin ook water toegestaan is, zijn een vorm van hoogwaardige natuur in een stedelijke omgeving. De groenvoorzieningen buiten deze hoofdstructuur omvatten minimaal 17,1 hectare.
In dit artikel is het bruto-vloeroppervlakte aan horecabedrijven gelijkelijk verdeeld over het Gnephoek-bebouwingsgebied en het centrumgebied van de ontwikkeling. Deze verdeling komt voort uit het Distributie Planologisch Onderzoek (DPO).
Dit artikel bepaalt dat er in het Gnephoek-bebouwingsgebied een maximaal aantal bruto-vloeroppervlakte aan zelfstandige kantoren mag komen met een maximering van 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte per locatie.
Dit artikel regelt dat maatschappelijke voorzieningen is geprogrammeerd over het ontwikkelgebied Gnephoek en heeft een maximaal 30.225 m2 aan bruto-vloeroppervlakte van is onderverdeeld in Onderwijs en kinderopvang, zorg, sport en cultuur.
Dit artikel regelt hoeveel vierkante meter natuurgebied er is geprogrammeerd binnen het ontwikkelgebied Gnephoek. Het natuurgebied is met een oppervlakte van circa 60 ha een belangrijk onderdeel van de Gnephoekontwikkeling. Het gaat hier om een toegankelijk water- en bodemgestuurd landschap langs lange lijnen, met een vloeiende overgang tussen natuur en stad. Het natuurgebied is een leefomgeving voor een rijkheid aan planten en dieren. Het heeft een zoetwaterplas met natuurvriendelijke oevers, natte natuur, vochtig hooiland en kruiden- en faunarijk grasland.
Een groot deel van het natuurgebied is stiltegebied en uitsluitend bestemd voor flora en fauna. In beperkte mate is er daar ruimte voor extensieve vormen van recreatie. Het overige deel is bedoeld voor recreatief gebruik.
Dit artikel regelt hoeveel vierkante meter er is geprogrammeerd voor nutsvoorzieningen binnen het ontwikkelgebied Gnephoek. Binnen het gebied is ruimte gereserveerd voor een 50 kV-onderstation. De functie Bedrijf – nutvoorziening maakt een dergelijk station planologisch mogelijk. De ruimtereservering zorgt ervoor dat de kavel qua positionering en oriëntatie flexibel kan worden ingericht. Dit station wordt naderhand landschappelijk ingepast.
Het maximale aantal toegestane woningen in het Gnephoek-bebouwingsgebied is in dit artikel bepaald op 5.600.
Dit artikel zorg ervoor dat een detailhandelsbedrijf in de vorm van een supermarkt zich pas kan vestigen, als minimaal de helft van het aantal voorziene woningen is gerealiseerd. Deze fasering draagt bij aan de balans tussen de duurzaamheid van de ontwikkeling en de nabijheid van een supermarkt voor de nieuwe bewoners.
In deze afdeling is een aantal algemene regels opgenomen die voor het hele hoofdstuk gelden. Het gaat om het toepassingsbereik van de afdeling en er is een anti-dubbeltelbepaling opgenomen.
In deze afdeling staan regels over de vergunningplichten en meldingsplichten die er gelden voor bouwactiviteiten. Ook zijn er beoordelingsregels opgenomen en wordt aangegeven welke gegevens en stukken er moeten worden aangeleverd bij het indienen van een aanvraag.
Dit artikel regelt dat de rooilijnen of bebouwingsgrenzen en het straatpeil moeten worden uitgezet voordat met de bouw kan worden begonnen. Dit is nodig om ervoor te zorgen dat nieuwe gebouwen op de juiste plaats worden gebouwd en dat de hoogte op de juiste manier kan worden bepaald.
In deze paragraaf is aangegeven wanneer er in de gemeente Alphen aan den Rijn een vergunning moet worden aangevraagd of een melding moeten worden ingediend voor een omgevingsplanactiviteit voor het bouwen. Ook wordt aangegeven voor welke bouwwerken gen vergunning hoeft worden aangevraagd, met andere woorden, wanneer bouwwerken vergunningsvrij zijn in dit omgevingsplan.
Voor de volledigheid wordt vermeld dat het wel nodig kan zijn om voor andere activiteiten een vergunning aan te vragen of een melding in te dienen, zoals bijvoorbeeld voor de bouwtechnische activiteit.
Dit artikel regelt dat het niet is toegestaan om zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit uit te voeren. Ook het in stand houden en gebruiken van een bouwwerk dat zonder vergunning is gebouwd, is verboden. Deze regels zijn nodig om te zorgen dat bouwwerken volgens de geldende ruimtelijke regels worden gerealiseerd.
De vergunningplicht maakt het mogelijk om vooraf te beoordelen of een bouwplan voldoet aan de eisen van het omgevingsplan, zoals de toegestane functies, de bouwhoogte, de situering en de uitstraling van het gebouw. Door ook het in stand houden en gebruiken van een zonder vergunning gebouwd bouwwerk te verbieden, wordt voorkomen dat illegale bouw blijft bestaan of alsnog in gebruik wordt genomen.
Deze paragraaf regelt in welke gevallen er geen vergunning nodig is voor het bouwen van een bouwwerk. In het omgevingsplan worden bepaalde activiteiten aan een vergunningplicht gekoppeld. Er zijn echter ook situaties waarin die vergunningplicht niet geldt. In het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) is een landelijke regeling opgenomen voor het vergunningsvrij bouwen van bouwwerken. Daarnaast kan de gemeente aanvullende regels stellen in het omgevingsplan. De aanvullende regels voor het vergunningsvrij bouwen zijn in deze paragraaf beschreven. De overige regels uit het omgevingsplan blijven onverminderd van kracht. In de eerste fase van de overgang naar een volledig nieuw omgevingsplan zijn de regels overgenomen uit de bruidsschat: de algemene rijksregels die gemeenten automatisch hebben gekregen bij de invoering van de Omgevingswet.
Voor de volledigheid wordt vermeld dat het hier alleen de vergunningsvrije omgevingsplanactiviteit betreft en niet de vergunningsvrije bouwtechnische activiteit. Deze is ook opgenomen in het Besluit bouwwerken leefomgeving.
Dit artikel geeft aan in welke situaties de uitzonderingen op de vergunningplicht niet gelden. De regels voor vergunningsvrij bouwen, zoals opgenomen in deze paragraaf, zijn niet van toepassing als het oorspronkelijke bouwwerk waarin, waaraan, waarop of waarbij gebouwd wordt, zonder de daarvoor vereiste vergunning is gebouwd of wordt gebruikt. Als het bouwwerk geheel of gedeeltelijk illegaal is gebouwd of wordt gebruikt is het niet wenselijk dat eventuele aanpassingen van of uitbreidingen aan of bij dat gebouw vergunningsvrij en daarmee legaal zouden kunnen zijn. De mogelijkheid tot vergunningsvrij bouwen is daarom hier uitgesloten.
Daarnaast maakt het artikel duidelijk dat bij de toepassing van de paragraaf het aantal woningen gelijk blijft. Dit betekent dat een activiteit zonder vergunning niet mag leiden tot het toevoegen van extra woningen. Een uitzondering geldt alleen voor huisvesting in verband met mantelzorg.
Dit artikel geeft de concrete situaties weer wanneer er geen vergunning hoeft te worden aangevraagd voor het bouwen of het uitbreiden van een bijbehorend bouwwerk, binnen de bebouwde kom.
Dit artikel geeft de concrete situaties weer wanneer er geen vergunning hoeft te worden aangevraagd voor het bouwen of het uitbreiden van een bijbehorend bouwwerk, buiten de bebouwde kom.
Dit artikel gaat over het gebruik van een bijbehorend bouwwerk voor mantelzorg. Het maakt duidelijk welke regels er gelden als iemand een extra gebouw bij een woning wil gebruiken om een hulpbehoevende te laten wonen die mantelzorg nodig heeft.
Dit artikel geeft aan dat een bijbehorend bouwwerk functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw moet zijn. Dat betekent dat het gebouw hoort bij de woning en geen zelfstandige functie heeft. De regels gelden alleen op locaties die in het plan zijn aangewezen als bijbehorend bouwwerk binnen of buiten de bebouwde kom. Dit geldt niet voor een bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg gelden, als wordt voldaan aan de genoemde voorwaarden.
Dit artikel regelt wanneer je zonder omgevingsvergunning een dakkapel aan de voorzijde of een naar openbaar gebied gerichte zijkant van een gebouw mag bouwen, instandhouden en gebruiken. In artikel 2.29, onder b van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) zijn dakkapellen op een achterdakvlak vergunningsvrij als zij voldoen aan bepaalde randvoorwaarden. In dit artikel van het omgevingsplan wordt bepaald dat de dakkapel ook op een voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak vergunningsvrij kan worden gebouwd. Hierbij gelden dezelfde voorwaarden als in het Bbl (voor het achterdakvlak). Redelijke eisen van welstand zijn niet van toepassing op deze dakkapellen.
Dit artikel regelt wanneer je zonder omgevingsvergunning een erf- of perceelafscheiding mag bouwen, instandhouden en gebruiken. Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet was dit artikel opgenomen in artikel 2 van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. Hierdoor was de erf- en perceelafscheiding achter de voorgevelrooilijn, die hoger was dan 1 meter en lager dan 2 meter, altijd vergunningsvrij, ook wanneer niet werd voldaan aan de regels uit het bestemmingsplan. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is dit artikel verplaatst naar de bruidsschat (algemene rijksregels), in plaats van naar het Besluit bouwwerken leefomgeving. Met dit artikel in het omgevingsplan wordt bepaald onder welke voorwaarden een erf- of perceelafscheiding hoger dan 1 meter vergunningsvrij kan worden gebouwd in een achtererfgebied. Of dat kan hangt af van de norm die op de locatie geldt. Er moet in ieder geval sprake zijn van een hoofdgebouw waarmee de erf- of terreinafscheiding functioneel is verbonden.
In dit artikel wordt geregeld onder welke voorwaarden een erf- of perceelafscheiding hoger dan 1 meter vergunningsvrij kan worden gebouwd in een voorerfgebied. Of dat kan hangt af van de norm die op een locatie geldt. Er moet in ieder geval sprake zijn van een hoofdgebouw waarmee de erf- of terreinafscheiding functioneel is verbonden.
Dit artikel regelt wanneer je een speeltoestel zonder omgevingsvergunning mag bouwen, instandhouden en gebruiken. Voor speeltoestellen die alleen voor particulier gebruik zijn is het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) geregeld wanneer deze zonder vergunning mogen worden gebouwd. Aanvullend daaraan zijn speeltoestellen in de openbare ruimte vergunningsvrij als wordt voldaan aan de voorwaarden die worden gesteld in dit artikel. Hoe hoog het bouwwerk mag zijn hangt af van de norm die op de locatie geldt.
Dit artikel regelt wanneer je een bouwwerk mag veranderen zonder dat je daarvoor een omgevingsvergunning nodig hebt. Het gaat alleen om veranderingen die het gebouw niet groter maken. Uitstekende onderdelen van ondergeschikte aard kunnen daarbij buiten beschouwing worden gelaten, zoals is geregeld in de meetbepalingen.
De verandering is vergunningvrij als aan drie voorwaarden wordt voldaan.
Het artikel is niet van toepassing op een bouwwerk dat niet voldoet aan een van de voorwaarden uit artikel 2.29 Bbl, onder b tot en met r. Het moet daarnaast gaan om veranderen van een al bestaand bouwwerk. Het bouwen van een op zichzelf staand bouwwerk valt niet onder de toepassing van dit artikel.
Dit artikel regelt wanneer je een zwembad, bubbelbad, vijver etc. zonder omgevingsvergunning mag bouwen, instandhouden en gebruiken. Het moet gaan om een zwembad of iets dergelijks bij een woning of woongebouw en het mag niet overkapt worden. Er gelden geen aanvullende regels voor de maatvoering. Het moet hierbij wel gaan om een bouwwerk (en dus niet om een zwembad dat tijdelijk geplaatst wordt of een uitgegraven gat waarin zeil is aangebracht). Wanneer er geen sprake is van een bouwwerk geldt er überhaupt geen vergunningplicht en kan daar ook niet op uitgezonderd worden.
In dit artikel is een meldplicht opgenomen voor het bouwen van een nieuw bodemgevoelig gebouw op een nieuwe bodemgevoelige locatie. Daarbij is bepaald dat de meldplicht niet van toepassing is als er voor de bouw van het nieuwe bodemgevoelige gebouw op grond van hoofdstuk 3 (bouwactiviteiten) al een omgevingsvergunning is vereist. Met deze regels wordt voorkomen dat er zonder voorbereiding wordt gebouwd op locaties waar de bodem mogelijk vervuild of kwetsbaar is. Zo blijft de gezondheid van gebruikers en de kwaliteit van de leefomgeving beschermd.
In deze paragraaf staan de regels die worden gebruikt om bouwactiviteiten te beoordelen. In de eerste fase van de overgang naar een volledig nieuw omgevingsplan zijn de regels overgenomen uit de bruidsschat: de algemene rijksregels die gemeenten automatisch hebben gekregen bij de invoering van de Omgevingswet.
De beoordelingsregels helpen om aanvragen voor bouwactiviteiten op een zorgvuldige en gelijke manier te behandelen. Ze geven aan waar een bouwwerk aan moet voldoen en welke aspecten moeten worden meegewogen. Als aan de beoordelingsregels wordt voldaan, wordt de vergunning verleend.
In de fase 1van de overgang naar een nieuw omgevingsplan is ervoor gekozen de regels uit de bruidsschat te gebruiken. In fase 2 zal gekeken worden of het nodig is eigen keuzes te maken en de regels aan te passen aan lokale omstandigheden. Tot die tijd zorgen de overgenomen regels voor duidelijkheid en continuïteit, zodat inwoners en initiatiefnemers weten waar zij aan toe zijn bij het uitvoeren van bouwactiviteiten.
In dit artikel staan de beoordelingsregels die te maken hebben met de bodemkwaliteit. Artikel 22.30 van de bruidsschat is in het omgevingsplan overgenomen. In aansluiting op artikel 1.10 lid 2 van de Vangnetregeling Omgevingswet is het tweede lid voor dit artikel opgenomen. Hiermee blijft het mogelijk om voorschriften aan de vergunning te verbinden om de bodem geschikt te maken voor het gebruik, ook als de waarde onder de toelaatbare kwaliteit ligt of het gaat om een stof waarvoor nog geen waarde is bepaald, maar wel schade of gevaar voor de gezondheid te verwachten is.
In dit artikel staan beoordelingsregels die te maken hebben met bouwactiviteiten op locaties binnen het ontwikkelgebied Gnephoek.
Als een vergunning wordt aangevraagd om een nieuw gebouw te bouwen (zoals een huis, school of zorggebouw), dan wordt die vergunning alleen verleend als het geluid bij het gebouw niet hoger is dan de standaardwaarde. Als die standaardgrens toch wordt overschreden, kan de vergunning alleen worden verleend als het aannemelijk is dat er geen extra maatregelen meer mogelijk zijn om het geluid genoeg te verlagen, als het geluid met maatregelen wél zoveel mogelijk wordt beperkt en als het geluid bij het gebouw niet hoger is dan de grenswaarde.
Bij het beoordelen worden alleen maatregelen meegerekend die betaalbaar zijn en waar geen grote bezwaren tegen zijn vanuit stedenbouwkunde, verkeerskunde, landschap of de techniek. Ook wordt gekeken of het gebouw een rustige kant heeft (een geluidluwe gevel) en of er een rustige buitenruimte is, zoals een tuin of balkon.
Als er verschillende soorten geluid tegelijk op het gebouw terechtkomen, bijvoorbeeld van wegen, industrie en andere activiteiten, dan wordt eerst het totale geluid samen bepaald en wordt beoordeeld of dit totale geluid nog acceptabel is.
In de vergunning kunnen verplichtingen worden opgenomen om maatregelen te nemen die het geluid verder verminderen en om te zorgen voor een rustige gevel en een rustige buitenruimte bij het gebouw.
De beoordelingsregels zijn ook van toepassing bij situaties binnen de invloedsfeer van omliggende milieubelastende activiteiten van omliggende bedrijven.
Voor de beoordeling moet de aanvrager bepaalde informatie aanleveren. Eerst is een akoestisch onderzoek nodig naar het geluid dat de geluidgevoelige gebouwen krijgen zonder dat er maatregelen zijn genomen.
Indien de standaardwaarde wordt overschreden is een akoestisch onderzoek nodig naar welke geluidbeperkende maatregelen mogelijk zijn om wél aan de waarden te voldoen, of om het geluid in elk geval zoveel mogelijk te verlagen. Ook moet worden beschreven welke maatregelen men wil nemen en moet worden uitgelegd dat er is gekeken naar het belang van een rustige gevel en een rustige buitenruimte, en hoe daarmee rekening is gehouden.
In deze paragraaf staan de regels die bepalen welke informatie moet worden aangeleverd bij een aanvraag voor een bouwactiviteit. In de eerste fase van de overgang naar een volledig nieuw omgevingsplan zijn de regels overgenomen uit de bruidsschat: de algemene rijksregels die gemeenten automatisch hebben gekregen bij de invoering van de Omgevingswet. De aanvraagvereisten zorgen ervoor dat de gemeente voldoende informatie ontvangt om te kunnen bepalen of een bouwactiviteit past binnen de regels van het omgevingsplan en andere wetgeving. Denk daarbij aan gegevens over het ontwerp, de ligging en de gevolgen voor de omgeving. Door vooraf vast te leggen welke informatie verplicht is, weten initiatiefnemers precies wat zij moeten aanleveren. Als de informatie goed en volledig wordt aangeleverd kan de gemeente aanvragen sneller en zorgvuldiger behandelen. Het gebruik van de aanvraagvereisten uit de bruidsschat zorgt voor continuïteit en het biedt duidelijkheid voor iedereen die een bouwactiviteit wil uitvoeren.
In deze afdeling is een aantal algemene regels opgenomen over het gebruiken van locaties en bouwwerken.
Dit artikel regelt hoe locaties en bouwwerken gebruikt mogen worden. Voor alle gebruiksactiviteiten van locaties en bouwwerken geldt als uitgangspunt dat deze verenigbaar moeten zijn met het doel van de functie of nevenfunctie die aan de locatie is toebedeeld. Verder gelden ook de overige regels in dit hoofdstuk.
Dat het gebruik verenigbaar moet zijn met het doel van de geldende functie of nevenfunctie biedt een zekere, maar zeker niet onbegrensde, mate van flexibiliteit. De gebruiksactiviteit moet zich in ruimtelijke zin evenwichtig verhouden tot de functie of nevenfunctie.
In deze afdeling zijn regels opgenomen over het gebruiken van locaties en bouwwerken voor een aantal specifieke situaties. Zo zijn er regels voor agrarisch gebruik, voor evenementen en voor kamerverhuur.
In deze paragraaf is een aantal regels gesteld over het gebruiken van een nieuw bouwgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie of voor een nieuwe bodemgevoelige locatie. Zo is er een meldingsplicht voor het gebruiken van een nieuw gebouw of een nieuwe locatie (zoals er voor het bouwen van zo een gebouw een meldingsplicht is opgenomen in Hoofdstuk 3). Ook is er een informatieplicht voor ingebruikname van een gebouw of locatie wanneer er maatregelen zijn uitgevoerd op een verontreinigde bodem, zoals bijvoorbeeld een sanering.
In deze paragraaf is een aantal regels opgenomen over het gebruik van bouwwerken.
In dit artikel is de algemene zorgplicht opgenomen voor het gebruik van bouwwerken. Er zijn onderdelen terug te vinden die voorheen waren opgenomen in artikel 1a, tweede lid, van de Woningwet, en de artikelen 7.21 en 7.22 van het Bouwbesluit 2012.
Deze zorgplicht ('kapstokartikel') heeft betrekking op het gebruik van bouwwerken waarin niet is voorzien door de andere voorschriften van dit omgevingsplan en het Besluit bouwwerken leefomgeving. Hiermee heeft de gemeente een 'kapstok' om in een specifiek geval in te grijpen. Dat kan nodig zijn wanneer het gebruik van een bouwwerk leidt tot hinder, overlast, gezondheidsrisico’s en veiligheidsrisico’s anders dan de brandveiligheidsrisico’s die al in het Besluit bouwwerken leefomgeving zijn geregeld.
De zorgplicht voor eenieder die een bouwwerk gebruikt. De term gebruiken moet ruim worden uitgelegd en omvat zowel het zelf gebruiken als het door een ander laten gebruiken. De zorgplicht heeft dus enerzijds betrekking op degene die (als eigenaar, beheerder, verhuurder of anders) het gebouw laat gebruiken door een ander. Anderzijds is het gericht op degene die (zelf) gebruik maakt van een bouwwerk. Al deze personen zijn gehouden het noodzakelijke te doen, voor zover dat in hun vermogen ligt, om het ontstaan of voortduren van gevaar voor de gezondheid of veiligheid te voorkomen of te beëindigen. Dit vereist adequaat en tijdig optreden waarbij zowel (tijdelijke) beheersmaatregelen als (permanente) eindmaatregelen noodzakelijk kunnen zijn, afhankelijk van de aard en omvang van een bepaald gevaar.
De zorgplicht is steeds van toepassing, ook in het kader van vergund of op een andere manier toegestaan handelen. In de regel zal het naleven van de reguliere veiligheids- en gezondheidsbepalingen ertoe leiden dat geen gevaar voor de gezondheid of de veiligheid ontstaat of voortduurt.
Enkele voorbeelden van situaties waarin een beroep op dit zorgplichtartikel gerechtvaardigd kan zijn:
Als sprake is van geluidhinder.
Als sprake is van ernstige rookhinder door het stoken van hout of andere stoffen.
Als stankverwekkende stoffen zijn opgeslagen.
Als sprake is van een illegale hennepkwekerij.
Als op gevaarlijke wijze materiaal is gestapeld (bijvoorbeeld voor kinderen bereikbare vaten die kunnen gaan rollen).
Als asbestbevattende materialen of restanten hiervan zich in een zodanige staat bevinden dat het risico van verspreiding van asbestvezels te vrezen valt. Het Asbestverwijderingsbesluit 2005 ziet op de situatie van sloop en is niet toepasbaar op de situatie van verweren of slijtage.
De geëiste maatregelen op grond van dit artikel moeten altijd in verhouding staan tot het te bestrijden risico. De gemeente zal de noodzaak hiervan in het concrete geval moeten kunnen onderbouwen.
Onderdelen a en c van het tweede lid spreken voor zich. Voor wat betreft onderdeel c van dit lid is beoogd dat een bouwwerk in een dusdanig nette staat is dat daardoor geen hinder voor personen ontstaat en dat er geen gevaar voor de veiligheid of gezondheid ontstaat. Op grond van dit artikel kan bijvoorbeeld worden opgetreden wanneer in een woning overmatig veel last is van schadelijk of hinderlijk gedierte of wanneer van algemene reinheid geen sprake meer is. Het moet gaan om ernstige gevallen.
Het derde lid geeft aan dat dit artikel niet gaat over gebruik van bouwwerken dat al geregeld is in afdeling 6.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (zie ook hierboven). Die regels zijn namelijk uitputtend en er bestaat geen ruimte dat gebruik daarnaast in dit omgevingsplan te regelen.
In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen die gaan over activiteiten met mogelijke gevolgen voor het milieu, de gezondheid en/of de veiligheid in onze leefomgeving. Denk hierbij aan activiteiten die geluid, geur, trillingen of afval kunnen veroorzaken. Het doel van deze regels is om negatieve effecten te beperken en tegelijkertijd ruimte te bieden voor (economische) activiteiten.
Via de algemene bepalingen komt tot uitdrukking dat deze regels gelden voor milieubelastende activiteiten, maar bijvoorbeeld niet voor normaal gebruik van woningen, regulier onderhoud aan gebouwen, evenementen of verkeer. De regels richten zich vooral op bedrijven of activiteiten met een structureel karakter, zoals productiebedrijven, agrarische activiteiten of bepaalde vormen van dienstverlening.
Voor alle activiteiten geldt een specifieke zorgplicht. Dit betekent dat iedereen die een activiteit uitvoert die mogelijk negatieve gevolgen heeft voor het milieu, de gezondheid of de veiligheid verplicht is om passende maatregelen te nemen om deze gevolgen te voorkomen of te verminderen. Zo is een bedrijf dat geur verspreidt, verplicht maatregelen te treffen om geurhinder te beperken.
Specifieke regels gaan dieper in op bepaalde vormen van hinder, zoals geluid of trillingen. Bijvoorbeeld, activiteiten die veel geluid produceren, zoals laden en lossen met zware voertuigen of het gebruik van bepaalde machines. Dat gebruik moet voldoen aan specifieke geluidnormen om te voorkomen dat bewoners overlast ervaren.
Voor bepaalde activiteiten zijn maatwerkvoorschriften mogelijk. Dit houdt in dat per specifieke situatie extra voorwaarden kunnen worden opgelegd of juist ruimte kan worden geboden om af te wijken van algemene regels, afhankelijk van de lokale omstandigheden.
In dit artikel is een zorgplicht opgenomen voor milieubelastende activiteiten. De specifieke zorgplicht zorgt ervoor dat degene die een activiteit uitvoert, alles moet doen en laten om negatieve gevolgen voor de veiligheid, het milieu en de gezondheid te voorkomen. Soms lukt voorkomen niet. Dan moet hij ervoor zorgen dat er zo min mogelijk negatieve gevolgen voor het milieu en de gezondheid zijn.
De specifieke zorgplicht, zoals deze was opgenomen in de overgedragen milieuregels (artikel 22.44 bruidsschat), is in het omgevingsplan overgenomen, met uitzondering van het derde lid onder b. Voor deze uitzondering is gekozen omdat er door het Rijk geen instructieregels zijn gesteld over de bescherming van de duisternis en het donkere landschap en binnen de gemeente geen te beschermen gebieden zijn aangewezen.
De specifieke zorgplichten die in dit artikel zijn opgenomen gelden naast de algemene regels van dit omgevingsplan, eventuele maatwerkvoorschriften en vergunningplichten.
Tegen een overtreding van de specifieke zorgplicht kan handhavend worden opgetreden.
Dit artikel gaat over het melden van een ongewoon voorval. Het artikel, zoals het was opgenomen in de overgedragen milieuregels (art 22.49 bruidsschat), is overgenomen.
Een ongewoon voorval is een situatie die anders is dan normaal en die risico’s kan geven voor de omgeving, bijvoorbeeld een storing, lekkage of ander incident. Zodra vastgesteld is dat er sprake is van een ongewoon voorval moet het bevoegd gezag direct worden geïnformeerd; vertraging is gezien de gevolgen voor de gezondheid en het milieu niet wenselijk. Het gaat hier om voorvallen met een duidelijk negatief gevolg voor het milieu. Voor deze ongewone voorvallen bevat de Omgevingswet in hoofdstuk 19 regels gericht tot bestuursorganen.
De definitie in de Omgevingswet beperkt ongewone voorvallen tot afwijkende gebeurtenissen die significante nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving kunnen hebben. In navolging daarvan verplicht de regeling in dit omgevingsplan er niet toe om het bevoegd gezag te informeren over gebeurtenissen die afwijken van het normale verloop van een activiteit maar die geen significante nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving hebben. Zie voor verdere uitleg over ongewone voorvallen afdeling 3.6 van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).
Dit artikel regelt welke gegevens en documenten er moeten worden aangeleverd bij een ongewoon voorval. Het artikel, zoals het was opgenomen in de overgedragen milieuregels (art 22.50 bruidsschat), is overgenomen.
Dit artikel regelt wanneer de afdeling over geluid van toepassing is. In het algemeen is de afdeling van toepassing op geluid door een activiteit of in een geluidgevoelig gebouw dat is toegelaten op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Er zijn ook gevallen waarin de regels niet van toepassing zijn. Die zijn ook opgesomd in dit artikel.
Dit artikel geeft aan waarom er regels gelden voor geluid. Deze regels zijn bedoeld om te zorgen dat mensen zo min mogelijk last hebben van geluid. Geluid kan hinderlijk zijn wanneer het te hard is of te lang duurt. Daarom staan zijn deze afdeling regels opgenomen die helpen om geluidhinder te voorkomen of te verminderen.
Dit artikel regelt wanneer verschillende activiteiten toch worden gezien als één activiteit. Soms worden verschillende activiteiten samen uitgevoerd en horen ze duidelijk bij elkaar. In dat geval is het logisch om deze activiteiten als één geheel te beoordelen. Dat maakt het makkelijker om te bepalen welke regels gelden en hoe de gevolgen voor de omgeving moeten worden beoordeeld.
In deze afdeling geldt daarom dat specifiek in het Besluit activteiten leefomgeving opgenomen activiteiten als één worden gezien. Ook activiteiten die technisch of functioneel met elkaar verbonden zijn en activiteiten die op dezelfde plek plaatsvinden en elkaar ondersteunen, worden gezien als één activiteit.
Dit artikel regelt op welke plek waarden voor geluid gelden en worden gemeten.
Bij geluidgevoelige gebouwen, zoals woningen, scholen of ziekenhuizen, wordt het geluid gemeten op de gevel. Voor nieuwe gebouwen wordt het geluid beoordeeld op de plek waar later een gevel mag komen. Zo kan vooraf worden bepaald of de locatie geschikt is.
Voor woonwagens en woonschepen wordt het geluid beoordeeld op de grens van de locatie waar deze mogen staan.
Gaat het om een geluidgevoelige ruimte binnen een gebouw, zoals een slaapkamer of een leslokaal, dan wordt het geluid in die ruimte zelf gemeten.
Dit artikel regelt dat de geluidwaarden niet gelden voor activiteiten die een duidelijke functionele binding hebben met het geluidgevoelige gebouw waarin of waarop ze plaatsvinden. Het gebouw hoort dan bij de activiteit. Het geluid dat bij de activiteit ontstaat, wordt gezien als onderdeel van de normale werking van die activiteit.
Dit artikel regelt wanneer de waarden voor geluid niet gelden.
In sommige situaties is het niet passend om geluid te beoordelen volgens de gewone geluidwaarden. Dat geldt vooral wanneer het gaat om geluid dat noodzakelijk is voor veiligheid, hulpverlening of bepaalde vormen van menselijk geluid.
Geluid van motorvoertuigen en helikopters, die worden ingezet voor noodsituaties, gladheidsbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval, valt buiten de geluidwaarden. Dit geluid is onvermijdelijk en hoort bij het uitvoeren van deze taken.
Ook onversterkt stemgeluid valt in principe buiten de geluidwaarden. Een uitzondering geldt wanneer het stemgeluid muziekgeluid is of daarmee is vermengd.
Daarnaast gelden de geluidwaarden niet voor onversterkt muziekgeluid tijdens repetities van muziekgezelschappen. Dit mag maximaal drie uur per week plaatsvinden, tussen 07.00 en 23.00 uur. Hiermee wordt ruimte geboden voor het oefenen, zonder dat dit direct als geluidhinder wordt beoordeeld.
Dit artikel regelt in welke gevallen een geluidonderzoek moet worden uitgevoerd. Van dat onderzoek moet een rapport worden opgesteld. Uit het rapport moet blijken of aan de geldende geluidwaarden wordt voldaan.
Dit artikel bevat een informatieplicht. Voordat een activiteit begint, moet duidelijk zijn welk geluid daarbij hoort en of dit binnen de regels past. Daarom moet het rapport van het geluidonderzoek op tijd worden ingediend, in dit geval 4 weken van tevoren. De gemeente kan het rapport dan beoordelen voordat de activiteit start.
Als de activiteit later op een andere manier wordt uitgevoerd dan in het geluidrapport staat, moeten de nieuwe of aangepaste gegevens opnieuw worden aangeleverd. Ook dit moet minstens 4 weken van tevoren gebeuren.
Dit artikel regelt wanneer de paragraaf over geluid door andere activiteiten van toepassing is. Het gaat om geluid dat ontstaat door een activiteit die plaatsvindt in of op een geluidgevoelig gebouw, zoals een woning, school of zorggebouw. In zulke gebouwen is bescherming tegen geluid extra belangrijk. Er zijn ook 2 uitzonderingen.
In dit artikel zijn geluidnormen opgenomen voor geluidgevoelige gebouwen.
Het gaat om standaardwaarden voor het geluid dat een activiteit mag veroorzaken bij geluidgevoelige gebouwen, zoals woningen, scholen en zorggebouwen. Ook zijn er aparte grenswaarden opgenomen voor geluid binnen geluidgevoelige ruimten in in- en aanpandige gebouwen, zoals slaapkamers of leslokalen. Deze waarden liggen lager, omdat mensen binnen een gebouw extra bescherming nodig hebben tegen geluid.
De waarden verschillen per tijdsperiode van de dag, omdat mensen op sommige momenten meer hinder kunnen ervaren. Overdag zijn hogere waarden toegestaan dan in de avond en nacht. Er wordt onderscheid gemaakt tussen twee soorten geluid: het gemiddelde geluid over een langere periode en piekgeluiden. Piekgeluiden kunnen bijvoorbeeld ontstaan door transportbewegingen of andere korte, harde geluiden. Voor beide soorten geluid gelden maximale waarden.
Hoewel de dagperiode minder beschermingsniveau kent dan de avond- en nachtperiode, blijft het noodzakelijk om ook overdag grenswaarden voor piekniveaus (LAmax) te hanteren. Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) geeft namelijk onvoldoende bescherming tegen hinder door incidentele, maar sterk hoorbare geluidpieken. Dergelijke piekniveaus – bijvoorbeeld door metaalcontact, vallende voorwerpen of het dichtklappen van containers – worden door omwonenden vaak als onevenredig storend ervaren. Zelfs als het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau binnen de normen blijft, kunnen deze korte, hoge pieken leiden tot schrikreacties, stress en ervaren overlast. Een aanvullende LAmax‑norm zorgt ervoor dat extreme geluidgebeurtenissen worden voorkomen en dat de feitelijke beleving van geluid adequaat wordt beschermd.
Het opnemen van een pieknorm draagt ook bij aan consistentie en voorspelbaarheid binnen de vergunningverlening. Het voorkomt situaties waarin een activiteit formeel voldoet aan het gemiddelde geluidsniveau, maar in de praktijk toch tot onaanvaardbare hinder leidt. Kortom, door ook in de dagperiode een norm voor piekniveaus op te nemen, wordt een evenwichtige en realistische bescherming van de leefomgeving geboden, die recht doet aan zowel akoestische kwaliteit als aan praktische uitvoerbaarheid voor bedrijven.
De maximale piekgeluiden gelden niet voor het laden en lossen tussen 07.00 en 19.00 uur.
Uit de praktijk blijkt de overschrijdingen van piekwaarden door laad- en losactiviteiten gedurende de dagperiode in het algemeen niet tot hinder leiden. Onder de laad- en losactiviteiten worden overigens tevens aanverwante activiteiten verstaan zoals het slaan van autoportieren en het starten, aanrijden, manoeuvreren en wegrijden van de voertuigen.
Dit artikel regelt dat voor activiteiten die rechtmatig plaatsvonden ten tijde van inwerkingtreding van artikel, en de activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals die werd verricht voor de inwerkingtreding daarvan, een waarde van 50 dB(A) geldt in de periode 19:00 – 23:00 voor de LAmax door andere piekgeluiden.
Dit artikel gaat over bestaande tankstations die al rechtmatig in gebruik waren op het moment dat deze regels in werking traden. Voor deze tankstations geldt een zogenoemde eerbiedigende werking. Dat betekent dat zij mogen blijven functioneren zoals zij dat al deden, zolang de aard en omvang van de activiteit niet veranderen.
Deze geluidwaarden zijn anders dan de standaardwaarden, in de periode tussen 19.00 en 23.00 uur.
De maximale piekgeluiden gelden niet voor het laden en lossen tussen 07.00 en 21.00 uur. Laden en lossen is een noodzakelijk onderdeel van de bedrijfsvoering en vindt meestal overdag plaats, wanneer de hinder voor de omgeving minder groot is.
Dit artikel regelt de geluidwaarden voor activiteiten die worden verricht op een bedrijventerrein. Het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer kende in artikel 2.17, derde lid, de regeling dat voor geluidgevoelige gebouwen op Activiteitenbesluit-bedrijventerreinen (geen gezoneerde industrieterreinen zijnde) het beschermingsniveau op de gevel 5 dB(A) lager ligt. Om te voorkomen dat activiteiten opeens niet meer aan de geluidwaarden voldoen, is deze regeling ook weer in het omgevingsplan opgenomen. Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) biedt in artikel 5.65, tweede lid, voor zulke bedrijventerreinen de mogelijkheid om een 5 dB(A) hogere waarde te stellen.
In dit artikel zijn geluidnormen opgenomen voor agrarische activiteiten, behalve voor glastuinbouwbedrijven in een glastuinbouwgebied. Agrarische bedrijven hebben vaak andere werkpatronen en machines dan andere soorten bedrijven. Daarom zijn voor deze activiteiten aparte geluidwaarden vastgesteld.
Het gaat om activiteiten die betrekking hebben op gewassen of landbouwhuisdieren voor zover deze geteeld of gekweekt respectievelijk gefokt, gemest, gehouden of verhandeld worden. Daaronder wordt ook verstaan agrarisch gemechaniseerd loonwerk zoals het uitvoeren van cultuurtechnische werken, mestdistributie, grondverzet of soortgelijke dienstverlening.
Dit artikel geldt alleen voor bedrijven of andere locaties waar uitsluitend of in hoofdzaak agrarische activiteiten of activiteiten die daarmee verband houden worden verricht. Het artikel gold ook al voor inwerkingtreding van de Omgevingswet. Door het vervangen van het Wet milieubeheer begrip inrichting door activiteiten is het nu niet meer mogelijk gebruik te maken van dit zogenoemde hoofdzaakcriterium. Daarvoor in de plaats wordt gesteld dat het moet gaan om een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen. Hiermee is geen inhoudelijke wijziging beoogd ten opzichte van de eerdere regeling.
De categorisering van artikel 5.67 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is overgenomen maar voor LAmax door aandrijfgeluid transportmiddelen en LAmax door andere piekgeluiden zijn de standaardwaarden van de bruidsschat gehanteerd.
De waarden verschillen per tijdsperiode van de dag, omdat mensen op sommige momenten meer hinder kunnen ervaren. Overdag zijn hogere waarden toegestaan dan in de avond en nacht. Er wordt onderscheid gemaakt tussen twee soorten geluid: het gemiddelde geluid over een langere periode en piekgeluiden. Piekgeluiden kunnen bijvoorbeeld ontstaan door transportbewegingen of andere korte, harde geluiden. Voor beide soorten geluid gelden maximale waarden.
Hoewel de dagperiode minder beschermingsniveau kent dan de avond- en nachtperiode, blijft het noodzakelijk om ook overdag grenswaarden voor piekniveaus (LAmax) te hanteren. Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) geeft namelijk onvoldoende bescherming tegen hinder door incidentele, maar sterk hoorbare geluidpieken. Dergelijke piekniveaus – bijvoorbeeld door metaalcontact, vallende voorwerpen of het dichtklappen van containers – worden door omwonenden vaak als onevenredig storend ervaren. Zelfs als het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau binnen de normen blijft, kunnen deze korte, hoge pieken leiden tot schrikreacties, stress en ervaren overlast. Een aanvullende LAmax‑norm zorgt ervoor dat extreme geluidgebeurtenissen worden voorkomen en dat de feitelijke beleving van geluid adequaat wordt beschermd.
Op dit moment zijn daarnaast nog geen agrarische gebieden aan te wijzen als bedoeld in artikel 5.65 lid 3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Voor deze aanwijzing is een beleidswijziging nodig welke pas in een latere fase van het Omgevingsplan zal worden onderzocht. Op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving is wel een bepaling opgenomen voor de eerbiedigende werking van bestaande agrarische activiteiten.
Dit artikel gaat over agrarische activiteiten die al rechtmatig plaatsvonden op het moment dat deze regels in werking traden. Voor deze bestaande bedrijven geldt een eerbiedigende werking. Dat betekent dat zij hun activiteiten mogen voortzetten zoals zij dat al deden, zolang de aard en omvang van het bedrijf niet veranderen. Zo worden bestaande situaties beschermd tegen strengere regels die anders mogelijk niet haalbaar zouden zijn.
Voor agrarische activiteiten die onder de eerbiedigende werking vallen gelden andere tijdblokken dan bij de standaard geluidwaarden.
Dit artikel gaat over de geluidwaarden die gelden voor glastuinbouwbedrijven die liggen binnen een glastuinbouwgebied. De begrippen glastuinbouwbedrijf en glastuinbouwgebied worden in dit omgevingsplan niet meer specifiek gedefinieerd. Het gaat dan respectievelijk om een activiteit die in de kern bestaat uit het in een kas telen van gewassen en een cluster aaneengesloten percelen voor glastuinbouwbedrijven.
De tabel geeft aan hoeveel geluid een glastuinbouwbedrijf mag veroorzaken bij geluidgevoelige gebouwen, zoals woningen. De waarden verschillen per tijdsperiode van de dag, omdat mensen op sommige momenten meer hinder kunnen ervaren. Overdag zijn hogere waarden toegestaan dan in de avond en nacht. Er wordt onderscheid gemaakt tussen twee soorten geluid: het gemiddelde geluid over een langere periode en piekgeluiden. Piekgeluiden kunnen bijvoorbeeld ontstaan door transportbewegingen of andere korte, harde geluiden. Voor beide soorten geluid gelden maximale waarden.
Hoewel de dagperiode minder beschermingsniveau kent dan de avond- en nachtperiode, blijft het noodzakelijk om ook overdag grenswaarden voor piekniveaus (LAmax) te hanteren. Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) geeft namelijk onvoldoende bescherming tegen hinder door incidentele, maar sterk hoorbare geluidpieken. Dergelijke piekniveaus – bijvoorbeeld door metaalcontact, vallende voorwerpen of het dichtklappen van containers – worden door omwonenden vaak als onevenredig storend ervaren. Zelfs als het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau binnen de normen blijft, kunnen deze korte, hoge pieken leiden tot schrikreacties, stress en ervaren overlast. Een aanvullende LAmax‑norm zorgt ervoor dat extreme geluidgebeurtenissen worden voorkomen en dat de feitelijke beleving van geluid adequaat wordt beschermd.
Dit artikel gaat over glastuinbouwbedrijven binnen glastuinbouwgebied die al rechtmatig aanwezig waren op het moment dat deze regels in werking traden. Voor deze bestaande bedrijven geldt een eerbiedigende werking. Dat betekent dat zij hun activiteiten mogen voortzetten zoals zij dat al deden, zolang de aard en omvang van het bedrijf niet veranderen. Zo worden bestaande situaties beschermd tegen strengere regels die anders mogelijk niet haalbaar zouden zijn.
Voor bedrijven die onder de eerbiedigende werking vallen gelden andere tijdblokken dan bij de standaard geluidwaarden.
Dit artikel regelt dat de waarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau ook gelden op een afstand van 50 meter vanaf de grens van de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd, als de activiteit wordt uitgevoerd buiten een gezoneerd industrieterrein.
Sommige activiteiten buiten een gezoneerd industrieterrein kunnen veel geluid veroorzaken. Voor deze activiteiten gelden extra regels om de omgeving goed te beschermen. Het gaat om activiteiten die in het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn aangewezen als activiteiten die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken.
Dit artikel bepaalt dat de regels uit deze paragraaf niet van toepassing zijn op collectieve evenementen (festiviteiten). De regels sluiten aan bij Afdeling 4.1 van de Algemene plaatselijke verordening over collectieve festiviteiten.
Dit artikel geeft aan wanneer de regels in de paragraaf over geluid van windturbines van toepassing is. De paragraaf gaat over het geluid dat ontstaat bij het opwekken van elektriciteit met een windturbine. Het gaat alleen om windturbines met een rotordiameter van meer dan 2 meter. Kleinere windmolens vallen hier dus niet onder.
De regels gelden voor het geluid dat een windturbine veroorzaakt op geluidgevoelige gebouwen, zoals woningen, scholen of zorggebouwen. Het Besluit activiteiten leefomgeving bepaalt wanneer een windturbine onder deze regels valt en welke eisen daarbij horen.
Dit artikel geeft de maximale hoeveelheid geluid aan die een windturbine of een windpark mag veroorzaken bij geluidgevoelige gebouwen, zoals woningen, scholen of zorggebouwen.
De waarde Lden geeft het gemiddelde geluid over een etmaal weer, waarbij avond en nacht zwaarder meetellen omdat mensen dan meer hinder kunnen ervaren. De waarde Lnight gaat specifiek over het geluid in de nachtperiode. Voor windturbines zijn deze waarden vastgesteld op maximaal 47 Lden en 41 Lnight.
Dit artikel regelt welke gegevens er moeten worden vastgelegd bij het gebruik van een windturbine. Voor windturbines is het belangrijk dat er kan worden gecontroleerd of de geluidsnormen worden nageleefd. Daarom moeten bepaalde gegevens worden geregistreerd en bewaard. Het gaat om twee soorten gegevens. Ten eerste moet de emissieterm worden vastgelegd. Dit is een technische waarde die aangeeft hoeveel geluid de windturbine in werkelijkheid heeft geproduceerd in het afgelopen kalenderjaar. Deze waarde wordt berekend volgens de regels in de Omgevingsregeling.
Daarnaast moeten de gegevens worden bewaard die nodig zijn om tijdens een handhavingsmeting de windsnelheid op ashoogte te kunnen bepalen. De windsnelheid is namelijk belangrijk om het geluid van een windturbine goed te kunnen beoordelen.
Alle gegevens moeten vijf jaar worden bewaard. Dit maakt het mogelijk om terug te kijken en te controleren of de windturbine gedurende langere tijd aan de regels heeft voldaan.
Dit artikel geeft aan wanneer de regels in de afdeling Geur van toepassing zijn. De afdeling gaat over de regels voor geur die ontstaat door activiteiten in de buurt van geurgevoelige gebouwen, zoals woningen, scholen of zorggebouwen. De regels gelden alleen voor gebouwen die volgens het omgevingsplan of een omgevingsvergunning zijn toegestaan om daar te staan.
De afdeling geldt niet voor geurgevoelige gebouwen die slechts tijdelijk zijn toegestaan, namelijk voor een periode van maximaal tien jaar.
Dit artikel regelt in welke situaties de geurwaarden en afstanden uit dit hoofdstuk toch gelden voor tijdelijke geurgevoelige gebouwen, die er staan voor de duur van niet meer dan 10 jaar. Het gaat om situaties die al bestonden vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Dit wordt ook wel eerbiedigende werking genoemd.
De geurregels uit dit hoofdstuk gelden wél voor tijdelijke geurgevoelige gebouwen die al vóór de inwerkingtreding van het nieuwe omgevingsplan waren toegestaan. Dit kan op twee manieren: het gebouw stond in het oude tijdelijke deel van het omgevingsplan, of er was al een vergunning aangevraagd vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
De geurregels gelden niet voor geurgevoelige gebouwen die nog niet zijn gebouwd, maar die wel mochten worden gebouwd op basis van het oude tijdelijke deel van het omgevingsplan of op basis van een vergunning die vóór de Omgevingswet is aangevraagd.
Dit artikel geeft aan waarom er regels gelden voor geur. De regels zijn bedoeld om te zorgen dat mensen zo min mogelijk last hebben van geur. Geur kan hinderlijk zijn. Daarom staan zijn deze afdeling regels opgenomen die helpen om geurhinder te voorkomen of te verminderen.
Dit artikel regelt op welke plek de geurwaarden en afstanden moeten worden beoordeeld. Dat is belangrijk, omdat geurhinder vooral wordt bepaald door de afstand tussen een activiteit en een geurgevoelig gebouw.
Voor gewone geurgevoelige gebouwen, zoals woningen, scholen of zorginstellingen, geldt dat de beoordeling plaatsvindt op of tot de gevel. Als het gaat om een nieuw gebouw dat nog moet worden gebouwd, wordt gekeken tot de plek waar de gevel mag komen. Zo wordt voorkomen dat een nieuwe bouwmogelijkheid te dicht bij een geurbron komt te liggen.
Voor woonschepen en woonwagens werkt dit anders. Daarbij wordt niet gekeken naar de gevel, maar naar de begrenzing van de locatie waar het woonschip of de woonwagen mag staan.
Dit artikel regelt dat de geurwaarden niet gelden voor activiteiten die een duidelijke functionele binding hebben met het geurgevoelige gebouw waarin of waarop ze plaatsvinden. Het gebouw hoort dan bij de activiteit. De geur die bij de activiteit ontstaat, wordt gezien als onderdeel van de normale werking van die activiteit.
Dit artikel regelt dat cumulatie van geur door activiteiten niet is meegewogen bij waarden en afstanden in het omgevingsplan. Cumulatie betekent dat geur van meerdere activiteiten bij elkaar kan optellen. In dit artikel staat dat de genoemde waarden en afstanden voor geur zijn berekend per afzonderlijke activiteit. Er is dus niet gekeken naar het totaal van alle geurbronnen samen. Dit betekent dat in een gebied waar meerdere geur veroorzakende activiteiten dicht bij elkaar liggen, de werkelijke geurbelasting hoger kan zijn dan de waarde die per activiteit is aangegeven. Cumulatie kan een reden zijn om strengere eisen te stellen dan de waarden of afstanden die afgeleid zij van een individuele activiteit. Op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) is het houden van landbouwhuisdieren in veel gevallen vergunningplichtig. Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit moet bij het beoordelen van de significante milieuverontreiniging, bedoeld in artikel 8.9 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), rekening worden gehouden met cumulatie van geur. Dat kan leiden tot strengere vergunningvoorschriften dan de regels in het omgevingsplan.
Dit artikel geeft aan wanneer de regels in deze paragraaf van toepassing zijn. De regels gelden alleen voor activiteiten als bedoeld in art. 3.173 van het Bal. Dit betekent dat ze gaan over het exploiteren van een zuiveringstechnisch werk.
Dit artikel gaat over de geur die kan ontstaan bij het gebruik van een zuiveringtechnisch werk, zoals een rioolwaterzuivering. De regels geven aan hoeveel geur maximaal is toegestaan op een geurgevoelig gebouw, zoals een woning, school of zorggebouw.
De grenswaarden in de tabel laten zien welke maximale geurbelasting is toegestaan. Geurbelasting wordt uitgedrukt in Europese odour units per kubieke meter lucht. De waarden in de tabel zijn uitgedrukt in ouE/m³ als 98percentiel. Dat betekent dat de geurbelasting op 98 procent van de tijd onder deze waarde moet blijven. De grenswaarden zijn overgenomen uit tabel 5.100.1, behorend bij artikel 5.100 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Er wordt hierbij onderscheid gemaakt tussen locaties binnen of buiten de bebouwingscontour geur.
Dit artikel gaat over de geurregels voor zuiveringtechnische werken die al vóór 1 februari 1996 zijn gebouwd en op die datum een geldige en onherroepelijke milieuvergunning hadden. Voor deze oudere installaties gelden andere, ruimere grenswaarden dan voor nieuwere zuiveringtechnische werken. De grenswaarden in de tabel laten zien welke maximale geurbelasting is toegestaan. Geurbelasting wordt uitgedrukt in Europese odour units per kubieke meter lucht. De waarden in de tabel zijn uitgedrukt in ouE/m³ als 98percentiel. Dat betekent dat de geurbelasting op 98 procent van de tijd onder deze waarde moet blijven. De grenswaarden zijn overgenomen uit tabel 5.100.2, behorend bij artikel 5.100 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Er wordt hierbij onderscheid gemaakt tussen locaties binnen of buiten de bebouwingscontour geur.
Dit artikel regelt dat in bepaalde situaties de standaardgeurwaarden niet gelden. Het gaat om zuiveringtechnische werken waarvoor vóór 1 januari 2011 al een omgevingsvergunning was verleend en die onherroepelijk was. Het gaat daarbij om geurgevoelige gebouwen die op het moment van verlening van de omgevingsvergunning op grond van de Wabo niet aanwezig waren en voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn gebouwd. Het gaat ook om geurgevoelige gebouwen die in de omgevingsvergunning op grond van de Wabo niet als geurgevoelig object werden beschouwd. De regel is overgenomen uit artikel 5.103 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
Dit artikel gaat over situaties waarin een zuiveringtechnisch werk wordt gewijzigd. Het doel van deze regel is om te voorkomen dat een verandering aan het zuiveringtechnisch werk leidt tot meer geurhinder voor geurgevoelige gebouwen, zoals woningen, scholen of zorginstellingen. De hoofdregel is dat de geurbelasting op een geurgevoelig gebouw na de wijziging niet hoger mag zijn dan vóór de wijziging. De bestaande situatie vormt dus het uitgangspunt. Alleen wanneer de standaardgeurwaarden niet worden overschreden, mag de geurbelasting hoger worden dan voor de wijziging.
Dit artikel geeft aan wanneer de regels in deze paragraaf van toepassing zijn. De regels gaan over het beginnen, wijzigen of uitbreiden van het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf en van paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden.
Paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden zijn specifiek benoemd omdat ze niet vallen onder het begrip landbouwhuisdieren in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Het begrip landbouwhuisdieren in het Bal is op grond van artikel 1.2 van dit omgevingsplan van toepassing.
Het gaat in deze paragraaf dus om landbouwhuisdieren zoals bedoeld in Bijlage I bij het Bal, zijnde:
zoogdieren of vogels voor de productie van vlees, eieren, melk, wol, pels of veren of paarden of pony’s voor het fokken; en
paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden.
Er geldt een uitzondering. De regels gelden niet voor kleine aantallen dieren. Als iemand minder dieren houdt dan de genoemde aantallen, vallen zij buiten deze paragraaf. Deze uitzondering is bedoeld om kleinschalig hobbymatig houden van dieren niet onnodig te belasten met dezelfde regels als grotere bedrijven.
Dit artikel regelt vanaf welk punt de afstand moet worden gemeten wanneer geurregels gelden voor dierenverblijven. De afstand wordt gemeten vanaf het emissiepunt van het dierenverblijf. Het emissiepunt is de plek waar de geur uit het dierenverblijf naar buiten komt. In artikel 4.806, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) staat precies beschreven wat onder een emissiepunt wordt verstaan:
het punt waar een relevante hoeveelheid emissie buiten het dierenverblijf treedt of wordt gebracht; of
bij een gedeeltelijk overdekt dierenverblijf: het punt waar een relevante hoeveelheid emissie buiten het overdekte gedeelte van het dierenverblijf treedt of wordt gebracht
Dit artikel regelt de maximale geurbelasting die is toegestaan bij het houden van landbouwhuisdieren waarvoor een geuremissiefactor bestaat.
De tabel laat zien hoeveel geur op een geurgevoelig gebouw, zoals een woning, school of zorggebouw, maximaal is toegestaan. Geurbelasting wordt uitgedrukt in Europese odour units per kubieke meter lucht. De waarden zijn uitgedrukt in ouE/m³ als 98percentiel. Dat betekent dat de geurbelasting op 98 procent van de tijd onder deze waarde moet blijven. Er wordt onderscheid gemaakt tussen twee soorten locaties:
Geurgevoelige gebouwen binnen de bebouwingscontour geur. Hier geldt een strengere standaardwaarde van 2,0 ouE/m³. Dit komt doordat deze gebieden meestal dichter bebouwd zijn en bewoners meer bescherming nodig hebben.
Geurgevoelige gebouwen buiten de bebouwingscontour geur. Hier geldt een hogere standaardwaarde van 8,0 ouE/m³. In deze gebieden is vaak meer ruimte en zijn minder geurgevoelige functies aanwezig.
De grenswaarden zijn overgenomen uit tabel 5.109.1, behorend bij artikel 5.109 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
Dit artikel gaat over situaties waarin de geurbelasting op een locatie op 1 januari 2024 al hoger was dan de standaardwaarden. Het doel is om bestaande, rechtmatige situaties te beschermen, maar tegelijk te voorkomen dat de geurhinder verder toeneemt.
Een veehouderij die op 1 januari 2024 rechtmatig meer geur veroorzaakte dan volgens de nieuwe standaardwaarden is toegestaan, mag niet verder uitbreiden als dat leidt tot meer geurbelasting. Het aantal dieren per diercategorie met een geuremissiefactor mag niet toenemen, en de totale geurbelasting op de locatie mag niet hoger worden dan die al rechtmatig aanwezig was.
Er is een beperkte mogelijkheid om toch het aantal dieren uit te breiden. Dat mag alleen als er een maatregel wordt genomen die de geur vermindert, zoals een ander stalsysteem of een luchtwasser. Daarnaast mag de totale geur na de uitbreiding niet hoger zijn dan het gemiddelde van twee waarden: de standaardwaarde en de geur die vóór de maatregel rechtmatig mocht worden veroorzaakt.
Deze regeling zorgt ervoor dat bedrijven die al langer bestaan niet worden benadeeld door nieuwe normen, maar dat de geurbelasting wel stap voor stap kan worden verminderd.
Dit artikel regelt situaties waarin de standaard geurwaarden niet gelden. In plaats daarvan wordt gewerkt met vaste minimale afstanden tot bepaalde geurgevoelige gebouwen. Deze gebouwen worden in dit artikel “specifieke geurgevoelige gebouwen” genoemd. Het gaat om minimumafstanden tussen een dierenverblijf met landbouwhuisdieren waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld en een geurgevoelig gebouw dat hoort of heeft gehoord bij een andere veehouderij of een ruimte-voor-ruimtewoning. Het gaat hier om woningen bij omliggende veehouderijen, woningen bij omliggende veehouderijen die na 19 maart 2000 zijn gestopt of woningen die zijn gebouwd na 19 maart 2000 tegelijk met het (deels) beëindigen van een omliggende veehouderij. De genoemde geurgevoelige gebouwen krijgen minder bescherming dan andere geurgevoelige gebouwen, maar er moet wel sprake zijn van een minimaal beschermingsniveau. Dit minimale beschermingsniveau wordt bereikt door een afstand aan te houden van 100 meter tot een gebouw binnen de bebouwingscontour geur en 50 meter tot een gebouw buiten de bebouwingscontour geur.
De afstanden zijn overgenomen uit tabel 5.110, behorend bij artikel 5.110 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
Dit artikel regelt de minimale afstand die moet worden aangehouden wanneer landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor worden gehouden, of wanneer paarden en pony’s worden gehouden voor het berijden. Voor landbouwhuisdieren waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld gelden geen waarden, maar is het uitgangspunt dat afstanden worden aangehouden. Deze afstanden zijn in dit artikel opgenomen. Het gaat hierbij om vaste afstanden: de afstand is niet gekoppeld aan het aantal landbouwdieren.
De afstanden zijn overgenomen uit tabel 5.112.1, behorend bij artikel 5.112 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het betreft de standaard afstanden, die zijn gekoppeld aan in het omgevingsplan aangewezen locaties.
In dit artikel is een regeling opgenomen voor situaties waar op de dag van inwerkingtreding van de Omgevingswet niet voldaan wordt aan de vereiste standaardafstanden.
In dat geval is uitbreiden toegestaan als het aantal landbouwhuisdieren per diercategorie zonder geuremissiefactor of het aantal paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden, niet toeneemt en de afstand tot een geurgevoelig gebouw niet kleiner wordt.
Dit artikel regelt welke minimale afstand moet worden aangehouden tussen een dierenverblijf en een geurgevoelig gebouw. Deze regel geldt voor alle soorten landbouwhuisdieren, zowel mét als zonder geuremissiefactor, en voor paarden en pony’s die worden gehouden voor het berijden. Het gaat om afstanden gemeten vanaf (de buitenzijde van) de gevel van het dierenverblijf tot de gevel van een geurgevoelig gebouw, de zogenaamde gevel tot gevelafstanden. De afstanden, bedoeld in dit artikel, gelden naast de standaardwaarden. Door dit artikel wordt geborgd dat er altijd een zekere afstand is tussen een geurgevoelig gebouw en een dierenverblijf.
De afstanden zijn overgenomen uit tabel 5.116, behorend bij artikel 5.116 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
Dit artikel gaat over het veranderen of uitbreiden van een dierenverblijf voor landbouwhuisdieren met een geuremissiefactor. De regel geldt voor locaties waar de afstand tussen de gevel van het dierenverblijf en een geurgevoelig gebouw al rechtmatig kleiner is dan de standaard afstand. Deze drie genoemde eisen gelden zijn cumulatief. Dat betekent dat aan alle voorwaarden moet worden voldaan.
Dit artikel gaat over het veranderen of uitbreiden van een dierenverblijf voor landbouwhuisdieren zonder een geuremissiefactor of paarden en pony’s voor het berijden. De regel geldt voor locaties waar de afstand tussen de gevel van het dierenverblijf en een geurgevoelig gebouw al rechtmatig kleiner is dan de standaard afstand. Deze twee genoemde eisen gelden zijn cumulatief. Dat betekent dat aan beide voorwaarden moet worden voldaan.
Dit artikel regelt het opslaan van vaste mest, champost en dikke fractie, afkomstig van landbouwhuisdieren of paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden. Deze stoffen kunnen geur veroorzaken. Daarom gelden er minimale afstanden tot geurgevoelige gebouwen, zoals woningen, scholen of zorggebouwen. Dit artikel regelt welke afstanden er moeten worden aangehouden. Ook wordt er een aantal voor waarden opgesomd waaraan moet worden voldaan.
De afstanden zijn overgenomen uit tabel 5.120, behorend bij artikel 5.120 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
Dit artikel regelt het opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong. Deze opslag kan geur veroorzaken. Daarom gelden er minimale afstanden tot geurgevoelige gebouwen, zoals woningen, scholen of zorggebouwen.
Dit artikel regelt welke afstanden er moeten worden aangehouden. Ook moet het gaan om opslag van meer dan 3 m³. De afstanden zijn overgenomen uit tabel 5.121, behorend bij artikel 5.121 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
Dit artikel regelt het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen. Kuilvoer is veevoer dat door inkuilen als wintervoorraad opgeslagen wordt. Kuilgras en snijmaïs kunnen onder meer als kuilvoer gebruikt worden. In bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) worden vaste bijvoedermiddelen omschreven als plantaardige restproducten uit de landbouw en tuinbouw. Ook de plantaardige restproducten afkomstig van voedselbereiding en voedselverwerking vallen onder vaste bijvoedermiddelen. Dat geldt niet voor voedselresten afkomstig van restaurants, cateringfaciliteiten en keukens.
Dit artikel regelt welke afstanden er moeten worden aangehouden bij de opslag. Ook moet het gaan om opslag van meer dan 3 m³. De afstanden zijn overgenomen uit tabel 5.122, behorend bij artikel 5.122 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
Dit artikel gaat over de opslag van drijfmest, digestaat en dunne fractie in mestbassins. Deze materialen kunnen geur veroorzaken. Daarom gelden er minimale afstanden tot geurgevoelige gebouwen, zoals woningen, scholen of zorggebouwen.
Wat er onder drijfmest, digestaat en dunne fractie wordt verstaan wordt uitgelegd in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).
Het mestbassin waarin wordt opgeslagen is bovengronds gelegen en kan ook uit een mestzak of foliebassin bestaan. Voor de berekening van de gezamenlijke oppervlakte en de gezamenlijke inhoud worden de oppervlakte en inhoud van mestkelders en ondergrondse mestbassins die zijn voorzien van een afdekking die als vloer fungeert niet meegerekend.
Is sprake van meerdere bassins, dan worden deze voor de oppervlakte- of inhoudsbepaling bij elkaar opgeteld. Een uitgebreide toelichting over het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie is te lezen in de artikelsgewijze toelichting bij artikel 4.855 van het Bal.
De afstanden zijn overgenomen uit tabel 5.123, behorend bij artikel 5.123 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
Dit artikel gaat over de regels voor een voorziening waar dierlijke meststoffen biologisch worden behandeld, vóór of na het vergisten. Het gaat om een voorziening als bedoeld in artikel 4.864 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Bij het exploiteren van een mestvergistingsinstallatie zoals in artikel 4.864 bedoeld, moeten afstanden in acht worden genomen. De afstanden zijn overgenomen uit tabel 5.124, behorend bij artikel 5.124 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
Dit artikel gaat over regels voor het composteren van groenafval. Het gaat hierbij om composteren of opslaan als bedoeld in artikel 4.879 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Bij het composteren en opslaan moeten afstanden in acht worden genomen. De afstanden zijn overgenomen uit tabel 5.125, behorend bij artikel 5.125 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
Dit artikel gaat over bestaande situaties waarbij bepaalde agrarische activiteiten al vóór 1 januari 2013 dichter bij een geurgevoelig gebouw lagen dan volgens de huidige afstandsregels is toegestaan. Het doel van dit artikel is om deze oudere, rechtmatige situaties te beschermen, maar tegelijk te voorkomen dat de geurhinder groter wordt.
Van een rechtmatig overbelaste situatie als bedoeld in dit artikel is sprake als de bestaande afstand tussen de genoemde activiteit en een bestaand geurgevoelig gebouw op 1 januari 2013 rechtmatig kleiner was dan de afstand, genoemd in de artikelen, en nog steeds kleiner is. Voor die situaties geldt dat de afstand in acht moet worden genomen die op 1 januari 2013 was toegelaten.
In deze afdeling zijn regels opgenomen die gaan over (kleinschalige) voedselbereiding. Het betreft bijvoorbeeld bedrijfskantines of de horeca.
Dit artikel regelt wanneer de regels uit de afdeling over niet-industriële voedselbereiding van toepassing zijn. De afdeling is van toepassing op (kleinschalige) voedselbereiding. Het betreft bijvoorbeeld bedrijfskantines of de horeca. De afdeling is niet van toepassing op de voedingsmiddelenindustrie als bedoeld in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving, met uitzondering van de kantine van de bedrijven die daar genoemd worden.
Grootkeukenapparatuur is apparatuur die wordt gebruikt voor professionele keukens in de horeca en bij andere bedrijven. De apparatuur die in professionele keukens wordt gebruikt, is een slag groter dan huishoudelijke apparatuur en wordt gekocht bij gespecialiseerde leveranciers.
Grootkeukenapparatuur komt zowel in elektrische als gasgestookte varianten voor. Het maximale vermogen van grootkeukenapparatuur is ongeveer 80 kW. Zware grootkeukenapparaten zijn bijvoorbeeld pastakokers voor een mensa of instelling of de bakwand van een snackbar.
Dit artikel regelt hoe er moet worden omgegaan met afvalwater van niet-industriële voedselbereiding. Vethoudend afvalwater wordt in beginsel altijd op het vuilwaterriool geloosd.
Het is niet toegestaan om afvalwater via een voedselrestvermaler te lozen op het vuilwaterriool. Een voedselrestvermaler vermaalt verteerbare etensresten met toevoeging van water tot een vloeibare afvalstof. Deze vloeibare afvalstof wordt vervolgens met het afvalwater geloosd. De vermalen stoffen kunnen leiden tot verstopping, maar zorgen ook voor een ongewenste toename van organisch afval in het afvalwater.
Bij het lozen van vethoudend afvalwater is het toepassen van een vetafscheider en slibvangput verplicht. Deze moeten voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2. Op grond van het vijfde lid kan in afwijking van NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2, met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan daar vermeld worden volstaan als dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider. Een slibvangput en vetafscheider die vóór 14 september 2004 zijn geplaatst, hoeven niet te voldoen aan de NEN-EN-normen. In plaats daarvan is volstaan met de voorwaarde ‘afgestemd op de hoeveelheid water’.
Dit artikel regelt wat er moet worden gedaan met geur afkomstig van niet-industriële voedselbereiding.
Een ontgeuringsinstallatie zoals voorgeschreven in dit artikel moet uiteraard doelmatig zijn. Op grond van de specifieke zorgplichten uit afdeling 5.1 van dit omgevingsplan of artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet bijvoorbeeld de capaciteit van de ontgeuringsinstallatie groot genoeg zijn en moet de installatie voldoende vaak worden gereinigd.
Grootkeukens die grillen, frituren of bakken in olie of vet, moeten de hierbij vrijkomende dampen afzuigen. Bovendien moeten de afgezogen dampen via een doelmatig verwisselbaar of reinigbaar vetvangend filter worden afgevoerd naar de buitenlucht. Dit geldt niet voor het grillen met houtskool.
Net als in de voormalige Activiteitenregeling milieubeheer, gelden de regels voor het voorkomen van geurhinder niet voor het koken met keukenapparatuur. De specifieke zorgplicht is voldoende.
Het vierde lid betreft overgangsrecht dat overgenomen is uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
Dit artikel bevat een informatieplicht. Het regelt welke gegevens en documenten er moeten worden aangeleverd aan de gemeente als er sprake is van niet-industriële voedselbereiding.
De te verstrekken gegevens en documenten zijn nodig om een beeld te verschaffen van:
Dit artikel regelt dat er maatwerkvoorschriften kunnen worden vastgesteld als afvalwater niet op de voorgeschreven manier kan worden geloosd.
Dit artikel regelt wanneer de afdeling over trillingen van toepassing is.
De afdeling is van toepassing op de trillingen door een activiteit, in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw en is alleen van toepassing op activiteiten die trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaken.
Dit artikel regelt in welke gevallen er sprake is van één activiteit, wanneer er op een locatie meerdere, samenhangende activiteiten plaatsvinden.
Onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer golden de trillingnormen voor de gehele inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Dus voor het samenstel van activiteiten die binnen de inrichting plaatsvonden. Deze regel beoogt hetzelfde. Wanneer op een locatie meerdere, onderling samenhangende activiteiten worden verricht, gelden de waarden voor trillingen voor dit samenstel van activiteiten. Dit is bijvoorbeeld aan de orde als de activiteiten behoren tot een bedrijf. Dit artikel geeft aan welke clustering van activiteiten als één activiteit beschouwd moet worden. Dit kunnen twee milieubelastende activiteiten zijn die elkaar functioneel ondersteunen. Uit de systematiek van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) volgt al dat een milieubelastende activiteit die is aangewezen in de paragrafen 3.3 tot en met 3.11, bestaat uit de kernactiviteit, inclusief functioneel ondersteunende activiteiten. Dit is ook zo als die functioneel ondersteunende activiteiten zelf ook als milieubelastende activiteit in hoofdstuk 3 aangewezen zijn. Ook twee of meer milieubelastende activiteiten op één locatie die rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan worden op grond van dit artikel beschouwd als één activiteit.
Dit artikel regelt aan welke waarden continue trillingen in een trillinggevoelige ruimte moeten voldoen.
Over de verhouding tussen de standaardwaarde A1 enerzijds en standaardwaarden A2 en A3 anderzijds wordt het volgende opgemerkt. Bij de continue trillingen moet in eerste instantie worden voldaan aan waarde A1 wat betreft het maximaal optredende trillingniveau (uitgedrukt als trillingssterkte Vmax). Als daar niet aan kan worden voldaan, mag het maximaal optredende trillingniveau weliswaar hoger zijn dan waarde A1, namelijk A2, maar dan moet het gemiddelde trillingniveau (uitgedrukt als trillingssterkte Vper) wel onder een bepaalde waarde (A3) blijven. Met andere woorden: er wordt voldaan aan de waarden als:
de waarde van de maximale trillingssterkte in een ruimte (Vmax) kleiner is dan A1, of als
de waarde van de maximale trillingssterkte in een ruimte (Vmax) kleiner is dan A2 waarbij de trillingssterkte over de beoordelingsperiode voor deze ruimte (Vper) kleiner is dan A3.
Deze systematiek is een voortzetting van die onder het voorheen geldende recht. In artikel 2.23 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer werd verwezen naar tabel 2 van de Meet- en beoordelingsrichtlijn voor trillingen, deel B. Dat is de richtlijn Meet- en beoordelingsrichtlijnen voor trillingen, deel B ‘Hinder voor personen in gebouwen’ van de Stichting Bouwresearch Rotterdam. De waarden voor continue trillingen zijn ontleend aan tabel 2 van deze richtlijn. Degene die de activiteit verricht waardoor continue trillingen worden veroorzaakt, heeft dus de keuze tussen voldoen aan de waarden onder A1, of aan de waarden onder A2 én A3 zoals opgenomen in dit omgevingsplan.
Dit hoofdstuk bevat regels die van toepassing zijn op het uitvoeren van werken of werkzaamheden die géén bouwwerk zijn, maar die wel invloed kunnen hebben op de omgeving. Het gaat bijvoorbeeld om grondwerkzaamheden, graafwerk, het aanleggen van kabels of leidingen, of werkzaamheden die invloed hebben op archeologische of cultuurhistorische waarden. Deze regels helpen om waardevolle elementen in onze leefomgeving te beschermen.
Algemene regels bepalen dat het voor bepaalde werkzaamheden nodig is om vooraf een omgevingsvergunning aan te vragen. Bijvoorbeeld wanneer grondwerkzaamheden worden uitgevoerd in een gebied met een hoge archeologische verwachting, zoals het uitgraven van een vijver of het aanleggen van een nieuwe riolering. Bij de aanvraag wordt aangegeven waar, hoe diep en hoe groot de werkzaamheden zullen zijn, zodat duidelijk wordt wat de invloed ervan is op de omgeving.
Specifieke regels gelden in gebieden die extra aandacht verdienen vanwege bijvoorbeeld archeologische waarden of buisleidingen. Zo is voor grondwerkzaamheden zoals diepploegen, graven of het aanleggen van kabels en leidingen binnen aangewezen archeologische gebieden vaak een vergunning nodig. De vergunning wordt alleen verleend als na onderzoek blijkt dat archeologische vondsten niet worden aangetast, of als eventuele schade aan deze vondsten kan worden voorkomen of beperkt. Soms betekent dit dat de werkzaamheden onder begeleiding van een archeoloog moeten worden uitgevoerd, of dat voorafgaand een archeologisch onderzoek noodzakelijk is.
Verder gelden specifieke regels binnen gebieden rond belangrijke buisleidingen en hoogspanningsverbindingen. Werkzaamheden zoals het planten of rooien van diepwortelende bomen, het wijzigen van het maaiveld of het aanleggen van vijvers kunnen risico’s opleveren voor de veiligheid en werking van deze infrastructuur. Daarom is hier extra aandacht voor nodig en wordt een vergunning alleen verleend als duidelijk is dat de werkzaamheden veilig kunnen worden uitgevoerd.
Daarnaast kunnen in dit hoofdstuk regels worden opgenomen om waardevolle cultuurhistorische landschappen en ensembles te beschermen. Denk aan historische landgoederen, karakteristieke lanen of bijzondere landschapselementen. Werkzaamheden zoals het kappen van bomen, het wijzigen van sloten of het aanleggen van nieuwe paden mogen alleen worden uitgevoerd als deze passen binnen het historische karakter en de cultuurhistorische waarde van het gebied niet aantasten.
In deze afdeling is een aantal algemene regels opgenomen voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden. Het gaat om het toepassingsbereik, een vergunningplicht en algemene aanvraagvereisten.
Dit artikel regelt wanneer de regels over het uitvoeren van werken, niet zijnde bouwwerken, en werkzaamheden in van toepassing zijn.
Dit artikel regelt de algemene vergunningplicht die geldt voor het uitvoeren van werken, niet zijnde bouwwerken, en werkzaamheden. Voor bepaalde gebieden zijn specifieke regels opgenomen voor de vergunningplicht.
Dit artikel regelt welke gegevens en documenten er moeten worden aangeleverd bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden.
Deze gegevens moeten altijd worden aangeleverd, ongeacht welk gebied of welk soort aanvraag voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden het betreft.
In deze afdeling is een aantal regels opgenomen die specifiek zien op werken en werkzaamheden in het aandachtsgebied archeologie. Het gaat om het toepassingsbereik van de afdeling, een specificatie van de vergunningplicht en eventuele vergunningvoorschriften. Ook zijn er beoordelingsregels en aanvraagvereisten opgenomen. De regels zijn in lijn met het op 28 maart 2019 door de gemeenteraad vastgestelde Parapluplan Archeologie.
Dit artikel regelt wanneer de afdeling over werken en werkzaamheden in het aandachtsgebied archeologie van toepassing is. Het bestaat uit twee onderdelen. Het specificeert het gebied waarbinnen de regels van toepassing zijn - als dit nodig is - en beschrijft de activiteiten die geregeld worden. Er is een logische en herkenbare naam aan het gebied gegeven. Het vormt de basis voor de toepassing van alle verdere regels binnen de paragraaf.
Het werkingsgebied van deze paragraaf is het aandachtsgebied: archeologie. Er wordt gebruik gemaakt van een gebiedsaanwijzing om binnen het DSO en op de kaart aan te geven dat sprake is van een bijzondere omstandigheid die zich in dit geval in de grond bevindt. Het aandachtsgebied is een optelsom van alle onderliggende locaties, die voortvloeien uit een gemeentelijke inventarisatie naar bekende en te verwachten archeologische waarden in de bodem.
Uitzonderingen
Er zijn ook uitzonderingen waarop deze paragraaf geen betrekking heeft. Dit geldt voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of werkzaamheid, dat wordt verricht in het kader van archeologisch onderzoek en in het kader van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestrating, beplanting en tracés van kabels en leidingen.
Dit artikel regelt in welke gevallen en op welke locaties er een vergunningplicht geldt voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden in het aandachtsgebied.
Op grond van de gedane inventarisatie en de archeologische beleidskaart is per locatie onderzocht op welke manier het evenwicht tussen beschermen en faciliteren het beste tot uitdrukking kan worden gebracht. Dat heeft geresulteerd in een beschermingsregime, waarbij de grootte en diepte van de bodemingreep in relatie tot de mate waarin zich bekende of aantoonbaar te verwachten waarden in de bodem bevinden, gelijk met elkaar oplopen. Bijvoorbeeld, op een locatie waar uit de inventarisatie blijkt dat er een lage verwachtingswaarde is, zijn de activiteiten vergunningplichtig gesteld vanaf 30 centimeter onder het maaiveld én met een oppervlakte groter dan 10.000 m2. Zo worden initiatiefnemers niet nodeloos geconfronteerd met extra onderzoekslasten die vertragend of beperkend kunnen werken.
In dit artikel staan de beoordelingsregels op basis waarvan een aanvraag om omgevingsvergunning wordt beoordeeld. Hierbij wordt nagegaan of de aanwezige archeologische waarden worden aangetast en op welke wijze.
In dit artikel staan de beoordelingsregels op basis waarvan een aanvraag om omgevingsvergunning wordt beoordeeld. Hierbij wordt nagegaan of de aanwezige archeologische waarden worden aangetast en op welke wijze.
Om schade aan de archeologische waarden te voorkomen of in afdoende mate te beperken, kunnen aan de omgevingsvergunning ook voorschriften verbonden worden. Voorschriften zijn alleen mogelijk als dit in het omgevingsplan is bepaald. Voldoet de aanvraag aan de beoordelingsregels, dan kan de omgevingsvergunning ten aanzien van archeologie verleend worden, eventueel met toepassing van voorschriften in de omgevingsvergunning.
In dit artikel zijn de aanvraagvereisten opgenomen voor een aanvraag om omgevingsvergunning met betrekking tot archeologie. Deze aanvraagvereisten gelden naast de algemene aanvraagvereisten. Als sprake is van een opgraving, wordt dit bijvoorbeeld uitgevoerd op basis van een programma van eisen dat voldoet aan de Kwaliteitsnorm Nederlandse archeologie. Indien dit noodzakelijk is, wordt een archeologisch rapport ingediend waarin de gevolgen van de ingreep voor de archeologische waarden worden beschreven.
In deze afdeling is een aantal regels opgenomen die die specifiek zien op werken en werkzaamheden in het aandachtsgebied natuur- en landschapswaarden. Het gaat om het toepassingsbereik van de afdeling, een specificatie van de vergunningplicht, beoordelingsregels en aanvraagvereisten.
Dit artikel regelt wanneer de afdeling over werken en werkzaamheden in het aandachtsgebied natuur- en landschapswaarden van toepassing is. Ook wordt een aantal situaties vastgelegd waarin de regels niet van toepassing zijn. Dit is het geval wanneer er een omgevingsvergunning voor een ontgrondingenactiviteit is verleend en voor onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande voorzieningen.
Dit artikel regelt in welke gevallen er een vergunningplicht geldt voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden in het aandachtsgebied natuur- en landschapswaarden.
De vergunningplicht is opgenomen om de aanwezige natuur- en landschapswaarden binnen het gebied te beschermen. De in het artikel genoemde werken en werkzaamheden houden een direct verband met het te beschermen belang binnen het aandachtsgebied: open weidevogelgebieden en kenmerkende verkavelingspatronen.
In dit artikel staan de beoordelingsregels op basis waarvan een aanvraag om omgevingsvergunning wordt beoordeeld. Een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor werken of werkzaamheden kan alleen worden verleend als het belang van de activiteit wordt aangetoond en deze verenigbaar is met het belang van het behouden van aanwezige natuur- en landschapswaarden.
In dit artikel zijn de aanvraagvereisten opgenomen voor een aanvraag om omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden in het aandachtsgebied natuur- en landschapswaarden. Deze aanvraagvereisten gelden naast de algemene aanvraagvereisten. Het gaat om een motivering voor het verrichten van de activiteit en een omschrijving van de directe en indirecte gevolgen van de werken en werkzaamheden voor de aanwezige natuur- en landschapswaarden.
In deze afdeling is een aantal regels opgenomen die die specifiek zien op werken en werkzaamheden met invloed op cultureel erfgoed. Het gaat om het toepassingsbereik van de afdeling, een specificatie van de vergunningplicht, beoordelingsregels en aanvraagvereisten.
Dit artikel regelt wanneer de afdeling over werken en werkzaamheden met invloed op cultureel erfgoed van toepassing is. De afdeling is van toepassing op een locatie met de aanduiding functie ‘karakteristiek bouwwerk’, functie ‘gemeentelijk ensemble’ en functie ‘cultuurlandschap of landschapsobject’.
Dit artikel regelt in welke gevallen er een vergunningplicht geldt voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden met invloed op cultureel erfgoed op locaties met de functie ‘gemeentelijk ensemble’ of de functie ‘cultuurlandschap of landschapsobject’. Een concreet aantal situaties is opgesomd.
Het verbod geldt niet als het gaat om cultuurhistorisch onderzoek. Ook geldt het verbod niet als het gaat om de uitvoering van normaal onderhoud, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur niet wijzigen, en voor zover de aanleg van een tuin, park of andere aanleg niet wijzigt. Ook als het gaat om onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestrating, beplanting en tracés van kabels en leidingen geldt er geen vergunningplicht.
Dit artikel regelt in welke gevallen er een vergunningplicht geldt voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden met invloed op cultureel erfgoed met de functie ‘gemeentelijk ensemble’ of de functie ‘karakteristiek landschap’. Op deze locaties is het verboden zonder omgevingsvergunning een werk, niet zijnde een bouwwerk, of een werkzaamheid te verrichten als het gaat om het schilderen, sauzen, pleisteren of ontpleisteren van gevels die zichtbaar zijn vanaf het openbaar toegankelijk gebied, voor zover hiermee wordt afgeweken van de authentieke kleurstelling of gevelafwerking.
Het verbod geldt niet als het gaat om cultuurhistorisch onderzoek. Ook geldt het verbod niet als het gaat om de uitvoering van normaal onderhoud, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur niet wijzigen, en voor zover de aanleg van een tuin, park of andere aanleg niet wijzigt. Ook als het gaat om onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestrating, beplanting en tracés van kabels en leidingen geldt er geen vergunningplicht.
In dit artikel staan de beoordelingsregels op basis waarvan een aanvraag om omgevingsvergunning wordt beoordeeld. Hierbij wordt nagegaan of de aanwezige cultuurhistorische waarden worden aangetast en op welke wijze.
Als er sprake is van verstoring of vernietiging van de cultuurhistorische waarden dan wordt de vergunning alleen verleend als aangetoond is dat bijzonder zwaarwegende belangen aanwezig zijn. Die belangen moeten rechtvaardigen dat de cultuurhistorische waarden worden verstoord of vernietigd. Ook moet worden aangetoond dat de werken en/of werkzaamheden plaatsvinden voor een nieuwe ontwikkeling, die past binnen de karakteristiek zoals deze blijkt uit de cultuurhistorische waardenkaart.
Uitgangspunt bij de beoordeling van de aanvraag is dat het behouden, onderhouden en versterken van de cultuurhistorische waarden vóór vernieuwen en ontwikkelen gaan. Ook moet het vernieuwen en ontwikkelen vanuit bouwhistorische en/of cultuurhistorische waarden gebeuren, zoals beschreven in de cultuurhistorische waardenkaart.
In dit artikel zijn de aanvraagvereisten opgenomen voor een aanvraag om omgevingsvergunning met betrekking tot cultureel erfgoed. Deze aanvraagvereisten gelden naast de algemene aanvraagvereisten.
Een motivering voor het verrichten van de activiteit en een omschrijving van de gevolgen ervan voor de cultuurhistorische waarden moeten worden aangeleverd. Als het nodig is moeten ook een of meer cultuurhistorische rapporten worden verstrekt ten behoeve van een nadere bepaling van de cultuurhistorische waarde, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie, tuinhistorie of over de relatie van het bouwwerk of het object tot zijn historische omgeving.
In dit hoofdstuk wordt een aantal specifieke activiteiten geregeld. Het gaat om activiteiten met betrekking tot cultureel erfgoed. Ook zijn er regels opgenomen over activiteiten met betrekking tot gemeentewegen. In de toekomst worden bepaalde activiteiten die nu nog zijn geregeld via verordeningen, ook in dit hoofdstuk ondergebracht.
In deze afdeling is vastgelegd hoe moet worden omgegaan met monumenten, karakteristieke panden of ensembles en andere cultuurhistorisch waardevolle onderdelen van de fysieke leefomgeving. Hier staat wanneer bij een sloop-, wijzigings- of herstellingsactiviteit aan erfgoed een vergunning is vereist en hoe wordt getoetst of de karakteristieke waarden behouden blijven. Soms geldt dat een monument alleen mag worden aangepast als de zogeheten monumentale elementen niet onevenredig worden aangetast. Voor archeologisch erfgoed kan worden verlangd dat de initiatiefnemer onderzoek doet naar de bodem, voordat met werkzaamheden wordt begonnen. Door deze erfgoedregels in één hoofdstuk te concentreren, is duidelijk welke stappen en voorwaarden van kracht zijn voor elke activiteit die plaatsvindt op een locatie met een monumentale of historische kwaliteit.
In deze paragraaf zijn regels opgenomen die gaan over gemeentelijke monumenten.
De regels zijn op dezelfde manier opgebouwd als bij rijksmonumentenactiviteit (specifieke zorgplicht, maatwerkvoorschrift, vergunningplicht, uitzonderingen vergunningplicht, beoordelingsregels, vergunningvoorschriften, aanvraagvereisten, specifieke aanvraagvereisten en verboden activiteiten). In de uitzondering op de vergunningplicht zit een verschil. Bij de exterieur beschermde monumenten zijn inpandige wijzigingen altijd toegestaan. Bij de volledig beschermde monumenten zijn inpandige wijzigingen alleen toegestaan als het gaat om een onderdeel dat vanuit het oogpunt van monumentenzorg geen betekenis heeft.
Dit artikel regelt wanneer de paragraaf over gemeentelijke monumenten van toepassing is. In de paragraaf zitten alle regels die voor gemeentelijke monumenten gelden, zowel de monumenten die qua binnenkant én buitenkant (interieur en exterieur) worden beschermd als die waarvan alleen de buitenkant (het exterieur) is beschermd. De regels zijn van toepassing bij activiteiten die bestaan uit het slopen, verstoren, verplaatsen of wijzigen van een (voorbeschermd) gemeentelijk monument. Ook gelden ze bij het herstellen of gebruiken van een (voorbeschermd) gemeentelijk monument, waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht, en bij andere activiteiten met betrekking tot een (voorbeschermd) gemeentelijk monument.
In dit artikel is een zorgplicht opgenomen voor gemeentelijke monumenten. Deze specifieke zorgplicht is opgenomen om eigenaren van een gemeentelijk monument te verplichten maatregelen te nemen die nodig zijn om nadelige gevolgen voor het monument te voorkomen of beperken. Bij ernstig verval kan de gemeente handhavend optreden om het monumentale karakter te behouden. Deze zorgplicht zorgt er dus voor dat eigenaren er alles aan doen wat redelijkerwijs mogelijk is om de monumentale waarden te beschermen.
Dit artikel regelt dat er maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld voor gemeentelijke monumenten. De gemeente kan met betrekking tot de in het toepassingsbereik opgenomen andere activiteiten een maatwerkvoorschrift stellen over de specifieke zorgplicht voor gemeentelijk monumenten, zodat die concreter wordt. Zo kan de zorgplicht in individuele situaties worden verduidelijkt, lokaal maatwerk worden geleverd of kunnen onvoorziene omstandigheden worden aangepakt.
In dit artikel is geregeld dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een gemeentelijk monument of een voorbeschermd gemeentelijk monument te slopen, te verstoren, te verplaatsen of te wijzigen, te herstellen of te gebruiken waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.
Dit artikel regelt wanneer de vergunningplicht voor gemeentelijke monumenten niet geldt. Op de vergunningplicht voor het slopen, verstoren, verplaatsen, wijzigen, herstellen of gebruiken waardoor het monument wordt ontsierd of in gevaar gebracht, zijn twee uitzonderingen. Een omgevingsvergunning is niet vereist als het gaat om de uitvoering van normaal onderhoud, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het monument niet wijzigen, en voor zover de aanleg van een tuin, park of andere aanleg, niet wijzigt. Voor inpandige veranderingen van gemeentelijke monumenten, waarvan alleen de buitenkant wordt beschermd, is geen vergunning vereist.
In dit artikel staan de regels op basis waarvan een aanvraag om omgevingsvergunning wordt beoordeeld. Bij de beoordeling wordt nagegaan of de aanwezige cultuurhistorische waarden worden aangetast en op welke wijze. De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als de activiteit in overeenstemming is met het belang van de monumentenzorg.
Uitgangspunt bij de beoordeling van de aanvraag is om ontsiering, beschadiging, sloop en verplaatsing van (archeologische) monumenten te voorkomen. Verplaatsing van monumenten (of een deel daarvan), is alleen mogelijk als dit dringend is vereist voor het behoud ervan. Verder wordt bij de beoordeling rekening gehouden met het bevorderen van het gebruik van monumenten, zo nodig door wijziging van die monumenten, waarbij rekening wordt gehouden met de monumentale waarden. Bij archeologische monumenten is het uitgangspunt deze te conserveren en in stand te houden, bij voorkeur in de grond (in situ), omdat dat de beste bescherming biedt voor toekomstig onderzoek.
Om schade aan de waarden van een gemeentelijk monument te voorkomen of in voldoende mate te beperken, worden aan de omgevingsvergunning voor het verplaatsen (gedeeltelijk of volledig) van een gebouwd monument voorschriften verbonden. Voorschriften zijn alleen mogelijk als dit in het omgevingsplan is bepaald. Voldoet de aanvraag aan de beoordelingsregels, dan kan de omgevingsvergunning ten aanzien van deze activiteit, verleend worden met toepassing van voorschriften in de omgevingsvergunning. Deze voorschriften gaan over het treffen van voorzorgsmaatregelen voor het demonteren, het overbrengen en de herbouw van het bouwwerk op de nieuwe locatie.
In dit artikel zijn de aanvraagvereisten opgenomen voor een aanvraag om omgevingsvergunning voor een activiteit met betrekking tot een gemeentelijk monument. Zo moet bijvoorbeeld het monumentnummer worden verstrekt, een opgave van het voorgenomen gebruik, als dat afwijkt van het huidige, een motivering voor het verrichten van de activiteit en een omschrijving van de gevolgen ervan voor het gemeentelijk monument.
In dit artikel zijn de gegevens en documenten opgenomen, die moeten worden ingediend bij een aanvraag om omgevingsvergunning voor een activiteit die betrekking heeft op het slopen van een monument.
In dit artikel zijn de gegevens en documenten opgenomen, die moeten worden ingediend bij een aanvraag om omgevingsvergunning voor een activiteit die betrekking heeft op het gedeeltelijk of volledig verplaatsen van een monument.
In dit artikel zijn de gegevens en documenten opgenomen, die moeten worden ingediend bij een aanvraag om omgevingsvergunning voor een activiteit die betrekking heeft op het wijzigen van een monument of het herstellen daarvan, waardoor het kan worden ontsierd of in gevaar kan worden gebracht.
Dit artikel regelt dat bij een aanvraag om omgevingsvergunning voor een activiteit, die betrekking heeft op het gebruiken van een monument, moet worden aangegeven welke maatregelen getroffen worden om nadelige gevolgen voor het monument te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Het moet gaan om gebruik waardoor het monument kan worden ontsierd of in gevaar kan worden gebracht.
In dit artikel staat dat de regels die zijn opgenomen voor gemeentelijke monumenten óók gelden voor een aanvraag voor een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een voorbeschermd gemeentelijk monument.
Dit artikel regelt dat het verboden is een monument of voorbeschermd monument te beschadigen of te vernielen. Ook is het verboden aan gemeentelijke monumenten onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is.
In deze paragraaf zijn regels opgenomen die gaan over sloopactiviteiten die invloed hebben op cultureel erfgoed. Het gaat onder andere om een vergunningplicht voor het slopen van bouwwerken met de aanduidingen ‘functie karakteristiek bouwwerk’ en ‘functie gemeentelijk ensemble’.
Dit artikel regelt wanneer de paragraaf over sloopactiviteiten met invloed op cultureel erfgoed van toepassing is. De regels gelden voor het geheel of gedeeltelijk slopen van een bouwwerk op een locatie met de aanduiding ‘functie karakteristiek bouwwerk’ of met de aanduiding ‘functie gemeentelijk ensemble’.
In dit artikel staat dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een bouwwerk geheel of gedeeltelijk te slopen. Dit geldt niet als op dezelfde locatie een omgevingsvergunning op grond van hoofdstuk 3 voor een nieuw te bouwen bouwwerk is verleend.
In dit artikel staan de beoordelingsregels op basis waarvan een aanvraag om omgevingsvergunning wordt beoordeeld. Bij de beoordeling wordt nagegaan of de aanwezige cultuurhistorische waarden worden aangetast en op welke wijze.
In geval van het verstoren of vernietigen van de cultuurhistorische waarden moet worden aangetoond dat er bijzonder zwaarwegende belangen aanwezig zijn die rechtvaardigen dat de cultuurhistorische waarden worden verstoord of vernietigd. Daarnaast moet worden aangetoond dat het slopen plaatsvindt voor een nieuwe ontwikkeling, die past binnen de karakteristiek zoals deze blijkt uit de cultuurhistorische waardenkaart.
Uitgangspunt bij de beoordeling van de aanvraag is dat het behouden, onderhouden en versterken van de cultuurhistorische waarden vóór vernieuwen en ontwikkelen gaan. In geval van vernieuwen en ontwikkelen gebeurt dit vanuit bouwhistorische en/of cultuurhistorische waarden, zoals beschreven in de cultuurhistorische waardenkaart.
In dit artikel zijn de gegevens en documenten opgenomen, die moeten worden ingediend bij een aanvraag om omgevingsvergunning voor het geheel of gedeeltelijk slopen van een bouwwerk op een locatie met de aanduiding ‘functie karakteristiek bouwwerk’ of met de aanduiding ‘functie gemeentelijk ensemble’.
Dit artikel beschrijft wanner de regels met betrekking tot gemeentewegen van toepassing zijn. In de afdeling staan regels die gelden voor het aanleggen of veranderen van een verharde gemeenteweg in het ontwikkelgebied Gnephoek, waar gemiddeld per jaar meer dan 2.500 motorvoertuigen per dag overheen rijden. Daarnaast moet er volgens het omgevingsplan of een vergunning een gebouw toegestaan zijn dichtbij deze weg dat gevoelig is voor geluid, zoals een woning, school of zorggebouw.
De regels gelden niet als de aanleg of wijziging van de weg zelf al wordt geregeld in een besluit om het omgevingsplan te wijzigen of in een vergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Ze gelden ook niet voor een geluidgevoelig gebouw dat maar tijdelijk is toegestaan, voor maximaal tien jaar.
Dit artikel beschrijft wanneer er sprake is van een wijziging van een verharde gemeenteweg.
Dit artikel regelt dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een verharde gemeenteweg aan te leggen of te wijzigen. De vergunning is niet nodig indien, zonder maatregelen mee te rekenen, het geluid op een geluidgevoelig gebouw niet hoger wordt dan de standaardwaarde. Als er al eerder een hogere waarde is toegestaan op grond van de Wet geluidhinder, dan mag het geluid bij het aanleggen niet meer dan 1 dB extra toenemen ten opzichte van die hogere waarde.
In dit artikel staan beoordelingsregels. Die regels beschrijven wanneer een omgevingsvergunning voor het aanleggen of wijzigen van een verharde gemeenteweg kan worden verleend. Bij de beoordeling telt alleen mee welke geluidbeperkende maatregelen financieel doelmatig zijn en waarvoor geen grote bezwaren bestaan vanuit stedenbouw, verkeer en vervoer, landschap of techniek.
Als er bij de aanleg of wijziging van de weg meerdere geluidsbronnen tegelijk een geluidgevoelig gebouw belasten, bijvoorbeeld wegverkeer samen met andere activiteiten, wordt eerst het totale (gezamenlijke) geluid op het gebouw bepaald. Daarna wordt beoordeeld of dat gecumuleerde geluid nog aanvaardbaar is.
Dit artikel regelt dat er bij de omgevingsvergunning verplicht voorschriften worden opgenomen met betrekking tot geluidwerende maatregelen. Die voorschriften zorgen ervoor dat de aanvrager geluidwerende maatregelen moet treffen. Met andere woorden: als de vergunning wordt verleend, gaat dat altijd samen met de plicht om bepaalde maatregelen tegen geluidsoverlast uit te voeren.
Dit artikel regelt welke gegevens en documenten een initiatiefnemer moet indienen bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een gemeenteweg. Er moet een akoestisch onderzoek gedaan worden naar het geluid dat de geluidgevoelige gebouwen (zoals woningen, scholen en zorggebouwen) direct vóór de aanleg of wijziging van de verharde gemeenteweg ondervinden, naar het geluid dat deze gebouwen zullen ondervinden als gevolg van de aanleg of wijziging van de verharde gemeenteweg zonder dat er maatregelen worden genomen, en naar de geluidbeperkende maatregelen die in aanmerking komen om aan de waarden en voorwaarden te voldoen.
Daarnaast moet er een beschrijving worden aangeleverd van de geluidbeperkende maatregelen die men daadwerkelijk wil uitvoeren, zoals genoemd in het akoestisch onderzoek.
In dit hoofdstuk zijn regels over kostenverhaal opgenomen.
Bij wijzigingen van het omgevingsplan waarbij kostenverhaalplichtige activiteiten mogelijk worden gemaakt is de gemeente verplicht om de kosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen voor het aanleggen van openbare voorzieningen naar evenredigheid te verhalen op initiatiefnemers van kostenverhaalplichtige activiteiten die profijt hebben hiervan.
Kostenverhaalplichtige activiteiten zijn gedefinieerd in artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit. Het betreffen:
de bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie.
de bouw van een of meer hoofdgebouwen anders dan gebouwen met een woonfunctie.
de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte of met een of meer gebouwen met een woonfunctie.
de bouw van een gebouw dat geen hoofdgebouw als bedoeld onder b is, met ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte.
de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen met andere gebruiksfuncties dan een woonfunctie tot gebouwen met een woonfunctie, mits het ten minste tien woonfuncties betreft, of
de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen met andere gebruiksfuncties dan een kantoorfunctie, een winkelfunctie of een bijeenkomstfunctie voor het verstrekken van consumpties voor het gebruik ter plaatse tot gebouwen met een of meer van deze gebruiksfuncties, mits de cumulatieve bruto-vloeroppervlakte van de nieuwe gebruiksfuncties ten minste 1.500 m2 bedraagt.
Op grond van artikel 13.12 Omgevingswet is het verboden een kostenverhaalplichtige activiteit uit te voeren voordat de kostenverhaalbijdrage betaald is. Betaling vindt plaats op grond van een kostenverhaalbeschikking, die aangevraagd moet worden door degene die een bouwactiviteit wil starten. Dit geldt wanneer er geen overeenkomst met de gemeente is gesloten waarin het kostenverhaal verzekerd is of als er geen bouwgrond van de gemeente is gekocht.
Als het kostenverhaal voor het gehele betreffende kostenverhaalgebied niet verzekerd is door gemeentelijke gronduitgifte of door anterieure overeenkomsten met private partijen die zeggenschap hebben over de grond (hierna: eigenaren), moet de gemeente in het omgevingsplan het kostenverhaalgebied aanwijzen en daar kostenverhaalregels aan verbinden. Deze kostenverhaalregels leiden tot een berekening van kostenverhaalbijdragen voor eigenaren in het betreffende gebied. Die bijdrage wordt bruto bepaald. Als een eigenaar de bouwactiviteit wil starten moet hij een kostenverhaalbeschikking vragen. De gemeente bepaalt de bijdrage dan netto, zie verder de toelichting op het artikel Aanvraagvereisten kostenverhaalbeschikking.
Voor de ontwikkellocatie Gnephoek is het kostenverhaal niet in zijn geheel verzekerd. Om die reden zijn in het omgevingsplan kostenverhaalregels specifiek voor dat gebied opgenomen.
Het kostenverhaalgebied Gnephoek bestaat uit de gronden waar bouwactiviteiten mogelijk zijn gemaakt (als bedoeld in artikel 8.13 Omgevingsbesluit). De bouwactiviteiten binnen dit gebied noemen we ‘kostenverhaalplichtige activiteiten’. De gronden worden samen ook wel uitgeefbaar gebied genoemd. Daarnaast bestaat het gebied uit de gronden voor aanleg of aanpassing van het openbaar gebied. De gronden waarvoor wel het omgevingsplan wordt gewijzigd, maar waar geen bouwactiviteiten worden aangewezen of geen inrichting van openbare ruimte wordt voorzien zijn buiten het kostenverhaalgebied gelaten.
Een aantal gronden is buiten het kostenverhaalgebied gelaten. Zo zijn de gronden met de functie Wonen erbuiten gelaten. Het betreft hier bestaande woningen. Hier is geen ontwikkelmogelijkheid toegedeeld (zoals wel het geval is bij de gronden met de functie Woongebied). Dat geldt ook voor gronden waar een bedrijfsfunctie aan is toegedeeld. Ook daar is geen ontwikkelmogelijkheid toegedeeld.
Het kostenverhaalgebied omvat ook gronden van het gebied Rijnhaven-Oost. Voor Rijnhaven-Oost heeft de gemeente een bestemmingsplan verbrede reikwijdte vastgesteld. Voor het kostenverhaal in dat gebied is gebruikt gemaakt van een experimenteerbepaling uit de Crisis- en herstelwet (Chw) en uit het Besluit uitvoering Chw. In dat verband is er een exploitatiegebied Rijnhaven-Oost bepaald. Van dat exploitatiegebied wordt nu een deel overgenomen in het kostenverhaalgebied van de Gnephoek.
Voor de toepassing van de regels is het kostenverhaalgebied ingedeeld in enerzijds openbare ruimte, onderscheiden naar hoofdstructuurelementen en anderzijds in woongebied onderscheiden naar woonmilieugebieden
Dit artikel regelt dat de regels uit deze afdeling specifiek van toepassing zijn op het kostenverhaalgebied Gnephoek.
In dit artikel zijn de aanvraagvereisten opgenomen voor een aanvraag om kostenverhaalbeschikking. Iemand die wil bouwen op een locatie die in de kostenverhaalregel van het kostenverhaalgebied is aangewezen als een kostenverhaalplichtige activiteit, dient voordat wordt gestart met de uitvoering de kostenverhaalbijdrage (anders gezegd: de verschuldigde geldsom) betaald te hebben aan de gemeente. Als die initiatiefnemer geen kostenverhaalovereenkomst met de gemeente heeft gesloten, moet de initiatiefnemer, volgens artikel 13.18 lid 1 Omgevingswet, een kostenverhaalbeschikking aanvragen. Om die aanvraag te kunnen behandelen heeft de gemeente tenminste de gegevens nodig die genoemd zijn.
Een lijst met soort en aantal van de kostenverhaalplichtige activiteiten is nodig zodat de gemeente kan bijhouden hoeveel van de aantallen er benut zijn die het omgevingsplan mogelijk maakt. Dit is voor de gemeente nodig om te kunnen nagaan of de kostenverhaalregel voor het betreffende kostenverhaalgebied nog actueel is.
De gemeente moet ook weten om welke locatie het gaat. Op grond van het artikel ‘Verdeling van de verhaalbare kosten over de activiteiten’ wordt er een kostenverhaalbijdrage per m2 uitgeefbare grond per woonmilieu berekend. Per woonmilieu verschillen de veronderstelde dichtheden voor bebouwing en ook de procentuele verdeling over de prijscategorieën van de woningen. Dat leidt per woonmilieu tot verschillen in potentiële grondopbrengst. Daar is in de berekening van de kostenverhaalbijdragen rekening mee gehouden. Om die reden is het nodig dat de gemeente weet voor welke locatie (binnen welk woonmilieu en welk woonveld conform de Ruimtegebruikskaart) de kostenverhaalbeschikking wordt gevraagd. Omdat de kostenverhaalbijdrage wordt berekend op het aantal m2 uitgeefbaar gebied (per woonmilieu) moet de aanvraag ook het aantal m2 uitgeefbare grond bevatten aangeven.
Op grond van artikel 13.18 lid 2 sub b Omgevingswet berekent de gemeente een bruto-kostenverhaalbijdrage. Op het bedrag daarvan worden de kosten in mindering gebracht die de aanvrager van de kostenverhaalbeschikking heeft gemaakt. Het gaat om de kosten die op uitgeefbare gronden zijn gemaakt tot het moment van de aanvraag van de beschikking.
Het kan alleen gaan om kosten voor werkzaamheden die de aanvrager zelf heeft verricht, in aansluiting met de werken, werkzaamheden en maatregelen die in de kostenverhaalregel van het betreffende kostenverhaalgebied zijn opgenomen voor de raming van de kosten.
Het bedrag dat in mindering wordt gebracht kan niet hoger zijn dan de bedoelde raming ervan. Om te bepalen of dat het geval is, en om te bepalen of er niet teveel kosten in mindering worden gebracht, moet de aanvrager de facturen ervan overleggen bij de aanvraag. Om die facturen te kunnen controleren moeten de opgevoerde kosten passen bij de indeling van de kostenraming.
Dit artikel regelt wanneer een aanvrager van een kostenverhaalbeschikking aanspraak kan maken op vergoeding van bepaalde kosten.
Kosten die een aanvrager zelf heeft gemaakt voor de voorziene werken, werkzaamheden en maatregelen worden afgetrokken van de bruto-kostenverhaalbijdrage. Veelal zullen dat kosten zijn die gemaakt zijn om de uitgeefbare gebieden, anders gezegd de kavel(s) waarvoor de kostenverhaalbeschikking wordt aangevraagd, bouwrijp te maken. Dat wil nog niet zeggen dat in alle gevallen op die kavel(s) dan alle kosten steeds al gemaakt zullen zijn op het moment dat de kostenverhaalbeschikking wordt aangevraagd. Het is denkbaar dat dit (voor een deel) na dat aanvraagmoment plaatsvindt. De kosten zijn wel verdisconteerd in de raming van de kostenverhaalregel en daarmee verdisconteerd in de kostenverhaalbijdrage. Als dit latere deel niet wordt gecorrigeerd met een aftrek van de bruto-kostenverhaalbijdrage, dient er later nog een correctie plaats te vinden. Dat kan op basis van deze vergoedingsregeling.
Het is ook mogelijk dat een aanvrager, behalve kosten op de eigen bouwkavel(s), ook kosten maakt voor de inrichting van (delen van) de openbare ruimte. De praktijk laat zien dat het inrichten van de openbare ruimte meestal plaatsvindt nadat de kavels bouwrijp zijn gemaakt en bebouwd worden. Op dat moment bestaat er geen recht meer op aftrek van de bruto-kostenverhaalbijdrage. Want die beschikking is dan al verleend. Ook hiervan geldt dat de kosten van de inrichting van de openbare ruimte wel zijn geraamd in de kostenverhaalregel en daarmee verdisconteerd in de kostenverhaalbijdrage.
Als er geen mogelijkheid van vergoeding zou worden geboden, zou de aanvrager de bedoelde kosten van bouwrijp van de eigen bouwkavel)s) en/of van de inrichting van de openbare ruimte tweemaal betalen. Eenmaal via de kostenverhaalbijdrage en eenmaal als opdrachtgever. Dat is niet de bedoeling. Daarom is in dit artikel een regeling opgenomen voor vergoeding van die kosten. Om dezelfde reden dienen de kosten waarvoor het verzoek om vergoeding wordt gedaan, te passen bij de indeling van de kostenraming.
Dit artikel regelt wanneer de gemeente de eindafrekening van het kostenverhaal vaststelt en hoe de eindafrekening wordt berekend.
In lid 1 wordt de termijn bepaald waarop de gemeente de eindafrekening vaststelt voor houders van kostenverhaalbeschikkingen. Dit betreft een andere kwestie dan de behandeling van verzoeken om tussentijdse afrekening (eindafrekening op verzoek). Dit artikel over eindafrekeningen gaat over ambtshalve eindafrekeningen.
Het opstellen van een eindafrekening is bedoeld om vast te stellen of de ontvanger van een kostenverhaalbeschikking niet teveel heeft betaald. Hij betaalt in een stadium dat niet alle werken, werkzaamheden en maatregelen zijn uitgevoerd en (minstens een deel van) de kosten dus nog een raming betreffen. Als de werken, werkzaamheden en maatregelen zijn uitgevoerd kan zich de situatie voordoen dat sommige ervan goedkoper blijken te zijn uitgevallen en andere duurder.
De Omgevingswet bepaalt dat, als het saldo van de totale werkelijk kosten lager is, de ontvanger van de kostenverhaalsbeschikking recht heeft op terugbetaling. Dat is althans het geval wanneer het herberekende bedrag meer dan 5% lager blijkt te zijn dan het betaalde bedrag. Dan krijgt de houder van de beschikking het meerdere boven die 5%-meevaller terugbetaald met rente.
De in dit artikel genoemde rente betreft de disconteringsvoet, zoals bedoeld in het artikel ‘Parameters voor rente, discontering en indexering van kosten en opbrengsten’. Met andere woorden: als er in totaalopzicht een meevaller is komt die tot een marge van 5% ten gunste van de gemeente. Blijken de werkelijke kosten hoger te zijn dan hoeft volgens de Omgevingswet de houder van de kostenverhaalbeschikking geen bedrag bij te betalen.
Om een herberekening te kunnen maken vanuit de werkelijke kosten kiest de gemeente ervoor om de eindafrekening op te stellen als alle werken, werkzaamheden en maatregelen zijn voltooid. Vervolgens is rekening gehouden met een bepaalde periode voor ontvangst en verzameling van de facturen.
De situatie kan zich voordoen dat weliswaar alle werken, werkzaamheden en maatregelen zijn voltooid, maar dat nog niet voor alle bouwactiviteiten kostenverhaalbeschikkingen zijn aangevraagd. Dan doet zich de vraag voor hoe kan worden omgegaan met een eindafrekening voor degenen die na het moment van eindafrekening een kostenverhaalbeschikking vragen. Omdat de gemeente er met lid 1 van dit artikel van uit gaat dat deze eindafrekening plaatsvindt als alle voorziene werken, werkzaamheden en maatregelen voltooid zijn, worden de werkelijke kosten dan geacht bekend te zijn.
Dat betekent dat er geen verschil meer kan zijn tussen geraamde en werkelijke kosten. De kostenverhaalbeschikkingen van degenen die deze aanvragen na de eindafrekening gaan per definitie uit van de werkelijke kosten. Omdat er geen verschil kan zijn, kan een recht op terugbetaling ook niet aan de orde zijn. Om die reden is in lid 4 op voorhand duidelijk gemaakt dat er geen sprake kan zijn van zo’n terugbetaling.
Dit artikel regelt wanneer eindafrekeningen op verzoek worden afgehandeld.
Op grond van artikel 13.20 lid 4 van de Omgevingswet kan een belanghebbende de gemeente verzoeken om een eindafrekening, als er minstens vijf jaren zijn verstreken na betaling van de verschuldigde geldsom (het bedrag van de kostenverhaalbeschikking). Dit wordt ook wel tussentijdse afrekening genoemd. Voor de betreffende belanghebbende geldt dit alsdan als eindafrekening. Een ambtshalve eindafrekening wordt voor hen dan niet meer opgesteld.
Op de verzoeken wordt jaarlijks op 15 december beslist. Zo hoeft de gemeente, als de verzoeken om een tussentijdse afrekening verspreid over een kalenderjaar worden ontvangen, niet steeds per verzoek herberekeningen te maken. De gemeente bundelt deze verzoeken en behandelt ze daarom op één gezamenlijk moment in het jaar. Om dat goed te kunnen doen is vereist dat de verzoeken binnen 8 weken voor dat behandelmoment zijn ingediend. Worden ze later ingediend dan schuift de behandeling ervan dus door naar het volgende jaar.
Dit artikel regelt welk tijdvak voor het kostenverhaal geldt.
De gemeente wil met de gronden van de Gnephoek een nieuwe woonwijk realiseren. Daarvoor is een Masterplan opgesteld. Binnen de locatie Gnephoek hebben diverse projectontwikkelaars grondposities ingenomen. Voor de ontwikkeling van de locatie werkt de gemeente samen met een deel van die projectontwikkelaars. Die samenwerking wordt vormgegeven in een Gemeenschappelijke Exploitatie Maatschappij (hierna: ‘de GEM’). De gemeente beoogt met enkel projectontwikkelaars grondverwerving met bouwclaimafspraken en wenst de overige gronden te verwerven. Dit alles met het doel dat de GEM de hele ontwikkeling op zich neemt. De gemeente streeft daarbij actief naar de realisatie van een aantal woningen met bijbehorende commerciële en maatschappelijke voorzieningen en in de bijbehorende hoofdinfrastructuur. De gemeente beschouwt de ontwikkeling met andere woorden als een integrale ontwikkeling en stuurt daarbij ook op tijdige realisatie. Om die reden kiest de gemeente voor de toepassing van het kostenverhaal voor het model met tijdvak, op grond van artikel 13.14 Omgevingswet.
Voor het kostenverhaalgebied gaat de gemeente uit van een periode van 17 jaren tot afronding, gerekend vanaf 1 januari 2026. De gemeente is voor 1 januari 2026 al enkele jaren bezig geweest met de voorbereiding van deze bouwontwikkeling. Deze jaren zijn niet meegerekend bij de vaststelling van het tijdvak van de ontwikkeling. Er is gerekend met een peildatum die is vastgesteld op 1 januari van het jaar waarin het besluit is genomen tot wijziging van het omgevingsplan (voor de Gnephoek). Gerekend is met een afzet van circa 430 woningen per jaar, een jaar voorafgaand aan de afzet voor het bouwrijp maken van gronden en een jaar voor het woonrijp maken van gronden na de afzet van woningen.
Voor de looptijd en de fasering is gerekend met de jaren zoals opgenomen in de faseringstabellen van het artikel Fasering, parameters en contante kosten en opbrengsten.
Grondexploitatie is een dynamisch geheel. De raming van kosten kan veranderen (bijvoorbeeld door een afwijkende stijging of daling van arbeidsloon of prijzen van grondstoffen ten opzichte van de aanname in de berekening). Ook de periode kan veranderen. Veranderingen in de markt kunnen ertoe leiden dat de ontwikkeling sneller of juist langzamer verloopt. Het is daarom denkbaar dat het tijdvak onderhevig is aan aanpassing. Om een meetmoment te hebben moet duidelijk zijn wanneer de gemeente voor het eerst heeft besloten voor dit gebied een kostenverhaalregel in het omgevingsplan op te nemen. Het werken met een prijspeildatum werkt door in de hoogte van de kostenverhaalbijdragen. De reden daarvan is dat de kosten en opbrengsten in de tijd worden uitgezet en er over die tijd rekening wordt gehouden met rente (over kosten en opbrengsten die al gerealiseerd zijn) en indexeringen (over kosten en opbrengsten waarvan de realisering nog verwacht wordt). Door de prijspeildatum te koppelen aan het jaar waarin dat eerste besluit wordt genomen ontstaat er een meetmoment dat doorwerkt in de eindafrekening.
Dit artikel geeft weer hoe de opbrengsten van de gronden worden berekend.
De opbouw van de opbrengstenraming start met het bouwprogramma zoals dat voor de locatie Gnephoek wordt voorzien.
Dit artikel geeft aan wat de inbrengwaarde is van gronden en eventueel te slopen opstallen.
De inbrengwaarde is de waarde van de grond, opstallen of andere zaken die een initiatiefnemer inbrengt in het projectgebied.
In dit artikel zijn de overige kosten in verband met het kostenverhaal opgenomen. Het gaat over de volgende kostensoorten.
In dit artikel zijn de parameters opgenomen waarmee wordt gerekend bij het kostenverhaal.
In dit artikel zijn, met toepassing van de kosten- en opbrengstenparameters als bedoeld in het artikel Parameters voor rente, discontering en indexering van kosten en opbrengsten’, de kosten en opbrengsten in de tijd uitgezet en contant gemaakt, volgens de perioden van de faseringstabel.
De kosten van bouwrijp- en woonrijp maken van het openbaar gebied binnen de woonvelden zijn gelijkmatig gefaseerd, waarbij de kosten van bouwrijp maken een jaar voorafgaand aan en de kosten van woonrijp maken een jaar na grondverkoop gefaseerd staan. De kosten (onrendabele top) van de openbare parkeervoorzieningen in de vorm van hubs in het openbaar gebied staan gefaseerd gelijk aan de fasering van de grondverkoop. Voor de fasering van de kosten met betrekking tot de hoofdinfrastructuur en bovenwijkse kosten is de volgende fasering aangehouden.
Dit artikel geeft het maximum te verhalen kosten weer.
Het bedrag aan totaal te verhalen kosten, na toepassing van de macroaftopping bedraagt € 554.450.571. Dit is berekend door het totale niveau van de contant gemaakte kosten te nemen na aftrek van subsidie, als overige opbrengstpost, en het totale niveau van de contant gemaakte kosten.
In het kostenverhaalgebied worden woonmilieugebieden onderscheiden. De gemeente gaat, in lijn met het Masterplan Gnephoek, uit van verschillen in dichtheden van bebouwing in het kostenverhaalgebied. Daartoe is een indeling in zogenaamde woonmilieus gemaakt: landelijk, dorps, stedelijk en centrum.
Behalve verschillen in dichtheden speelt ook de verdeling van het totale woningbouwprogramma over de verschillende prijscategorieën een rol. In het omgevingsplan voor de locatie Gnephoek zijn percentageregels opgenomen over sociale huurwoningen, geliberaliseerde woningen voor middenhuur (hierna: middenhuurwoningen) en sociale koopwoningen. Het percentage dat dan overblijft mag worden benut voor woningen in andere prijscategorieën, zoals woningen met prijzen die uitgaan boven de prijsgrenzen van middenhuurwoningen en sociale koop. De gemeente heeft, voor de toerekening van de verhaalbare kosten, dit uitgangspunt verfijnd door per woonmilieugebied een percentageverdeling naar alle onderscheiden uitgiftecategorieën aan te nemen. Dit in relatie tot de al genoemde verschillen in dichtheden. Behalve prijscategorieën van woningen horen daar ook uitgiftecategorieën bij zoals commerciële en maatschappelijke functies. Daarbij valt te denken aan (een) supermarkt(en), scholen c.q. kindcentra.
Als gevolg van die aannames ontstaat voor elk van de onderscheiden woonmilieugebieden een totale grondopbrengst. Uit het ruimtegebruik, zoals weergegeven op de Ruimtegebruikskaart, is het aantal bruto m2 uitgeefbaar gebied afgeleid. Met het aantal bruto m2 uitgeefbaar gebied wordt gedoeld op de uitgeefbare delen die resteren als de gronden voor de hoofdinfrastructuur er buiten worden gelaten. Daarbinnen zal uiteraard secundaire infrastructuur moeten worden aangelegd.
Het bedrag van deze bijdrage wordt, tot de datum van verlening van de kostenverhaalbeschikking, vermeerderd met de disconteringsvoet zoals genoemd in de tabel van artikel Parameters voor rente, discontering en indexering van kosten en opbrengsten.
Om in de kostenverhaalbeschikking tot de netto-kostenverhaalbijdrage te komen wordt een aftrek toegepast van de inbrengwaarden en van kosten die (voorafgaande aan de aanvraag van de kostenverhaalsbeschikking) gemaakt zijn voor de betreffende kavel. Het betreft de onderdelen B1, B2, B3 en B4 van de kostensoortenlijst, bijlage IV van het Omgevingsbesluit.
Dit inzicht is bij wijze van service bijgevoegd. Deze bruto kostenverhaalsbijdragen zijn van toepassing als een eigenaar voor al zijn gronden kostenverhaalsbeschikking vraagt overeenkomstig de programmering, verdeling in woonmilieus en fasering zoals gehanteerd in de kostenverhaalsberekening.
In dit hoofdstuk staan de procedurele bepalingen, het overgangsrecht en de datum waarop het plan in werking treedt. In dit gedeelte is bijvoorbeeld geregeld met welke adviseurs er moet worden afgestemd en in welke gevallen handhaving mogelijk is. Het overgangsrecht borgt dat bestaande, legaal ontstane situaties niet ineens onrechtmatig worden.
Dit artikel regelt wie advies moet geven bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning op locaties binnen het aandachtsgebied van een provinciale vaarweg. In dit gebied moet extra rekening worden gehouden met de veiligheid en het functioneren van de vaarweg.
Wanneer iemand een vergunning aanvraagt voor het bouwen van een bouwwerk, of voor het in stand houden en gebruiken van dat bouwwerk, moet de gemeente advies vragen aan de beheerder van de provinciale vaarweg. Deze beheerder kan beoordelen of het bouwplan gevolgen heeft voor de vaarweg.
Dit artikel regelt wie advies moet geven bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning op locaties binnen het aandachtsgebied van een straalpad. Een straalpad is een zone waar radiosignalen tussen antennes vrij moeten kunnen worden uitgezonden en ontvangen. Hoge bouwwerken kunnen deze verbinding verstoren. Daarom moet de gemeente bij bepaalde vergunningaanvragen advies vragen aan de beheerder van de antennes. De beheerder van de straalverbinding kan beoordelen of het hoge bouwwerk de radiosignalen belemmert of risico’s oplevert voor de werking van de verbinding.
Dit artikel regelt wie advies moet geven bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning op locaties binnen het aandachtsgebied waterstaat – waterkering. In dit gebied moet extra rekening worden gehouden met de veiligheid van de waterkering, zoals een dijk of kade. Bouwwerken kunnen invloed hebben op de stabiliteit of het onderhoud van de waterkering.
Daarom moet de gemeente bij bepaalde vergunningaanvragen advies vragen aan de beheerder van de waterkering. De beheerder van de waterkering kan beoordelen of het bouwwerk risico’s oplevert voor bijvoorbeeld de veiligheid, het onderhoud of de werking van de waterkering.
Dit artikel regelt wanneer de gemeentelijke adviescommissie moet worden betrokken bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning. Het gaat om een commissie zoals bedoeld in artikel 17.9 van de Omgevingswet. In Alphen aan den Rijn gaat dat om de Gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit. De Verordening op de gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit Alphen aan den Rijn is hierop van toepassing.
Dit artikel geeft aan wanneer de regels in de afdeling over indirecte akoestische effecten van veranderd verkeer van toepassing zijn. Deze afdeling geldt als door een wijziging van het omgevingsplan de verkeersintensiteit op een verharde gemeenteweg toeneemt en daardoor het geluid op geluidgevoelige gebouwen in het aandachtsgebied van die weg toeneemt.
De afdeling is niet van toepassing op het geluid op een niet‑gevoelige gevel en evenmin op een geluidgevoelig gebouw dat op basis van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit slechts voor maximaal tien jaar is toegestaan.
Dit artikel regelt dat het college van burgemeester en wethouders, voor ingebruikname van het aquaduct over de Heimanswetering, eerst onderzoekt of en hoeveel het geluid toeneemt.
Als de toename van het geluid meer is dan 1,5 dB op geluidgevoelige gebouwen, moeten maatregelen worden getroffen om die toename zo veel mogelijk te voorkomen en te beperken. Het geluid mag op die gebouwen niet hoger zijn dan de grenswaarde uit artikel 2.249. Bij het kiezen van geluidbeperkende maatregelen wordt alleen gekeken naar maatregelen die financieel doelmatig zijn en waarvoor geen zwaarwegende stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische bezwaren bestaan. Als deze regels worden toegepast, wordt ook de aanvaardbaarheid van het totale (gecumuleerde) geluid op het geluidgevoelige gebouw beoordeeld.
Dit artikel regelt dat de geluidbeperkende maatregelen binnen een jaar na de ingebruikname van het aquaduct over de Heimanswetering uitgevoerd worden.
In deze afdeling wordt geregeld op welke besluiten en omgevingsvergunningen het tijdelijk deel van het omgevingsplan als bedoeld in artikel 22.1 van de Omgevingswet van toepassing blijft. Hiermee wordt rechtszekerheid gewaarborgd. Lopende procedures, die nog niet onherroepelijk zijn, worden volgens de regels in het tijdelijk deel van het omgevingsplan afgehandeld.
Voor de Gnephoek is specifiek overgangsrecht op perceelniveau opgenomen. Er gelden twee overgangsperiodes: één van drie en één van vijf jaar. Gedurende deze overgangsperiodes kunnen de bestaande milieubelastende activiteiten, gebruik van gronden en bouwwerken worden voortgezet zoals deze vlak voor inwerkingtreding van de betreffende bepaling was toegestaan. Uitbreiding van de activiteiten is niet toegestaan.
II
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In dit artikel wordt de mogelijkheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften breed opengesteld voor alle artikelen in deze afdeling. Aangezien alle onderwerpen in deze afdeling van landelijke regelgeving zijn overgeheveld naar de gemeente is het onnodig om de maatwerkmogelijkheid te clausuleren. Voorheen bevatten verschillende artikelen van het Bouwbesluit 2012 een uitdrukkelijke mogelijkheid voor het bevoegd gezag om anders te besluiten dan opgenomen in de in het betrokken artikel opgenomen eis. In deze afdeling wordt die mogelijkheid niet voor afzonderlijke artikelen opgenomen, aangezien maatwerk met dit artikel breed openstaat. Het bevoegd gezag kan dus altijd bepalen of in het concrete geval met een gemotiveerd maatwerkvoorschrift kan worden gewerkt. Een uitzondering op het niet meer specifiek benoemen van afwijkmogelijkheden in het artikel zelf is artikel 22.12 over de aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater. De voorheen in het Bouwbesluit opgenomen mogelijkheid voor het bevoegd gezag om aanwijzingen te geven is voor de duidelijkheid van bevoegd gezag en de gebruiker wel in dit artikel overgenomen. Het is op basis van de brede bevoegdheid om maatwerk te stellen op grond van artikel 22.422.5 echter ook mogelijk dat het maatwerkvoorschrift in een concreet geval anders moet komen te luiden.
JJ
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
KK
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel heeft betrekking op het repressief welstandstoezicht en was voorheen opgenomen in artikel 12 van de Woningwet. Het uiterlijk van bestaande bouwwerken of te bouwen bouwwerken waar op grond van dit plan geen omgevingsvergunning voor nodig is, mogen niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold. Op grond van artikel 4.114 van de Invoeringswet Omgevingswet geldt die welstandsnota als een beleidsregel als bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet. In het voormalige artikel 13a van de Woningwet was opgenomen dat bij een overtreding van artikel 12, eerste lid, het bevoegd gezag de eigenaar kon verplichten zodanige door het bevoegd gezag aan te geven voorzieningen te treffen, dat daarmee werd voldaan aan artikel 12 van die wet. In de systematiek van de Omgevingswet is dit een maatwerkvoorschrift. Op grond van artikel 22.422.5 kan het bevoegd gezag zo’n maatwerkvoorschrift ook stellen voor het onderwerp welstand. Omdat de vraag of artikel 22.7 overtreden is, beantwoord moet worden door de criteria van de welstandsnota te beoordelen, ligt het voor de hand dat het bevoegd gezag door middel van een maatwerkvoorschrift aan de eigenaar van een gebouw duidelijk maakt op welke punten aanpassing nodig is om de ernstige strijd met redelijke eisen van welstand op te heffen.
Als de gemeente geen welstandsnota heeft vastgesteld, gelden er voor de gehele gemeente geen welstandsregels waaraan het uiterlijk van bestaande bouwwerken moet voldoen. Optreden tegen welstandsexcessen is dan niet mogelijk. Op grond van het tweede lid is welstandstoezicht evenmin aan de orde voor door de gemeenteraad aangewezen bouwwerken in daarbij aangewezen (zogenoemde welstandsvrije) gebieden. Op grond artikel 12, tweede lid, van de Woningwet, kon de gemeenteraad die welstandsvrije bouwwerken en gebieden aanwijzen. Deze besluiten zijn in artikel 4.6 van de Invoeringswet Omgevingswet, toegevoegd aan het tijdelijke deel van het omgevingsplan waar zowel voor het repressieve welstandstoezicht (in artikel 22.7, tweede lid) als voor de beoordeling van een nieuw te bouwen vergunningplichtig bouwwerk aan redelijke eisen van welstand (in artikel 22.29, tweede lid, onderdeel a.), een uitzondering is gemaakt. Het repressieve welstandsvereiste is niet van toepassing op tijdelijke bouwwerken, met uitzondering van seizoensgebonden bouwwerken zoals strandtenten.
De vraag of het uiterlijk van nieuw te bouwen bouwwerken waarvoor wel een omgevingsvergunning op grond van het omgevingsplan nodig is aan daarop van toepassing zijnde welstandseisen voldoet, wordt tijdens het proces van vergunningverlening getoetst. Zie hiervoor artikel 22.29.
LL
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In het eerste en tweede lid zijn technische eisen over de aansluiting van de gebouwriolering op de buitenriolering opgenomen. Het derde lid bevat technische eisen aan de uitvoering van een eventueel aanwezige buitenriolering. De eerste drie leden gelden ongeacht de vraag of het bouwwerk aangesloten is op een openbare voorziening voor het beheer van afvalwater. Het vierde lid is alleen van toepassing als er een openbare voorziening voor de afvoer van afvalwater (huishoudelijk afvalwater of hemelwater) aanwezig is waarop kan worden aangesloten. Onderdeel a heeft betrekking op het geval dat er voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet aanwezig is. Onderdeel b heeft betrekking op het geval dat er een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is. In die gevallen bepaalt het bevoegd gezag op welke plaats, op welke hoogte en met welke middellijn de voor de aansluiting van de afvoervoorziening noodzakelijke aansluiting bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd. Op grond van onderdeel c kan het bevoegd gezag voorzieningen eisen om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen. Dit kan met een maatwerkvoorschrift op grond van artikel 22.422.5. Voor de duidelijkheid is de formulering die voorheen in het Bouwbesluit 2012 was opgenomen over deze aanwijzing overgenomen in dit artikel, omdat een maatwerkvoorschrift over dit onderwerp naar verwachting in de meeste gevallen deze inhoud zal krijgen. Het is echter op grond van artikel 22.422.5 ook mogelijk dat er in gevallen door het bevoegd gezag op een andere manier invulling zal worden gegeven aan het maatwerk.
In paragraaf 2.4.1 van de Omgevingswet zijn de overheidszorgplichten voor stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater beschreven. Onder stedelijk afvalwater wordt verstaan huishoudelijk afvalwater of een mengsel daarvan met bedrijfsafvalwater, afvloeiend hemelwater, grondwater of ander afvalwater. De regels over het lozen van huishoudelijk afvalwater, afstromend hemelwater en overtollig grondwater in de openbare riolering staan elders in dit omgevingsplan (en eventueel in het deel van dit omgevingsplan dat is voortgekomen uit de voormalige verordening over afvoer van hemel- en grondwater op grond van artikel 10.32a van de Wet milieubeheer). In dit artikel zijn vervolgens de bouw- en installatietechnische eisen opgenomen die gelden voor de afvoer vanuit of vanaf bouwwerken die aangesloten worden op de perceelaansluiting en in het verlengde daarvan op de openbare voorzieningen voor het beheer van afvalwater.
Die overheidszorgplicht voor afvalwater is zowel bij huishoudelijk afvalwater als bij hemelwater niet absoluut. Wanneer de aanleg van voorzieningen voor huishoudelijk afvalwater in het buitengebied niet doelmatig is, moeten burgers en bedrijven zelf in de afvoer of zuivering van huishoudelijk afvalwater voorzien.
De zorgplicht voor hemelwater gaat ervan uit dat gemeenten ook in stedelijk gebied niet hoeven in te zamelen als burgers en bedrijven zelf in afvoer van hemelwater kunnen voorzien.
Waar wel wordt ingezameld, kan de gemeente bij de invulling van haar zorgplicht kiezen tussen de gemengde of afzonderlijke inzameling.
/join/id/pubdata/gm0484/2026/7a70a12946644c9c9ee2055103204310/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/pubdata/gm0484/2026/b5a68d70eb444e208ff6b44d7bed874e/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/pubdata/gm0484/2026/fb10a22e5dde4ef38e172f793eaf1d95/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/pubdata/gm0484/2026/0cbf0f42ba4547ecbb7ea11cec510444/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/pubdata/gm0484/2026/cf8bc97dec944c14add8298df61ebaf6/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/pubdata/gm0484/2026/19ae635aae084551a49bd761f73c29df/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/pubdata/gm0484/2026/e517339d8de94147bbaa06cca5a42dd2/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/pubdata/gm0484/2026/e2a696dc244c4716ac9b5d377d267371/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/pubdata/gm0484/2026/e17f7d89a8c94e759efdb73ae47a9ee5/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/pubdata/gm0484/2026/a33a5e8d4c1a4647b573c8e1a3982ba7/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/pubdata/gm0484/2026/41ef42f4f9674a1b95426c82f2677d01/nld@2026‑04‑17;12254407
/join/id/pubdata/gm0484/2026/26237c3adac541b299d0b14b2b23f174/nld@2026‑04‑17;12254407
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-195433.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.