U bekijkt een publicatie met

Toon versie van document

Technisch in beheer nemen Omgevingsplan gemeente Enschede

Door middel van deze publicatie neemt de gemeente het omgevingsplan technisch in beheer. Met dit document worden uitsluitend enige technische aanpassingen doorgevoerd in de bruidsschat.

Het bevat geen wijzigingen in de juridische inhoud van de bruidsschatregels en de aanpassingen hebben geen rechtsgevolg. Dit document is daarom geen besluit in de zin van de Awb en tegen deze technische aanpassingen staat geen beroep open.

Artikel I

"Omgevingsplan gemeente Enschede" opgenomen in Bijlage A wordt technisch in beheer genomen.

Artikel II

Deze technische aanpassing is doorgevoerd op 20‑04‑2026 treedt in werking per 04‑05‑2026.

Aldus uitgevoerd door Gemeente Enschede.

Bijlage A Bijlage bij artikel I

A

Artikel 1.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

B

Artikel 1.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 1.7 Meet- en rekenbepalingen

  • 1.

    Tenzij anders aangegeven, worden voor de toepassing van de regels in dit omgevingsplan de waarden die daarin in m (meter) of m2 (vierkante meter) zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten:

    • a.

      Afstanden: loodrecht.

    • b.

      Maten: buitenwerks.

    • c.

      Hoogten: vanaf het aansluitend afgewerkt terrein. Daarbij geldt:

      • 1.

        Plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, blijven buiten beschouwing.

      • 2.

        Voor zover een bouwwerk zich bevindt op een erf- of perceelgrens, wordt gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is.

  • 2.

    In aanvulling op artikel Artikel 1.7, eerste lid eerste lid worden de volgende specifieke waarden in dit omgevingsplan als volgt gemeten of berekend:

    • a.

      Afstand tot de  perceelsgrens: de kortste afstand van enig punt van een bouwwerk tot de perceelsscheiding van het bouwperceel.

    • b.

      Afstand tussen gebouwen: de kortste afstand tussen de buitenwerks gevelvlakken van de gebouwen.

    • c.

      Bebouwingspercentage bebouwingspercentage : het percentage moet worden berekend over het gehele bouwperceel, met inbegrip van de buiten de bouwgrens gelegen gronden. Voor de berekening blijven bouwwerken gelegen beneden straatpeil buiten beschouwing.

    • d.

      Bouwdiepte van de bouwwerk: tussen de voorgevel en de achtergevel, gemeten ter hoogte van het straatpeil.

    • e.

      Bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het straatpeil tot aan het hoogste punt van een bouwwerk met uitzondering van een ondergeschikt bouwdeel, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

    • f.

      Dakhelling: de hoek van het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.

    • g.

      Goothoogte van een bouwwerk: vanaf het straatpeil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

    • h.

      Hoogte van een windturbine: vanaf het straatpeil tot aan de as van de windturbine.

    • i.

      Inhoud minimum bergingsopgave hemelwater: het grondoppervlak van het verhard oppervlak vermenigvuldigd met het aantal millimeters bergingseis per m2, uitgedrukt in kubieke meters.

    • j.

      Inhoud van een bouwwerk (volume; m3): tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

    • k.

      Ondergeschikte bouwdelen: bij de toepassing van bouwregels wordt een ondergeschikt bouwdeel buiten beschouwing gelaten, mits de horizontale overschrijding van bouw- en functiegrenzen en de verticale overschrijding van maximale bouwhoogtes niet meer dan 1 meter bedraagt.

    • l.

      Oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerks gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

    • m.

      Plafondhoogte van de benedenverdieping van een gebouw: de kleinste afstand tussen de begane grondvloer en de bovenliggende bouwkundige constructie van de betreffende ruimte(n). Als de bovenkant van de begane grondvloer lager ligt dan het straatpeil, dan wordt de hoogte van de benedenverdieping gemeten vanaf het straatpeil.

C

Artikel 1.10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 1.10 Maatwerkvoorschriften

  • 1.

    Over de regels over activiteiten in dit Omgevingsplan kan, tenzij anders is bepaald:

    • a.

      Een maatwerkvoorschrift worden gesteld, of

    • b.

      Een vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 4.5 van de Omgevingswet aan een omgevingsvergunning als bedoeld in dit omgevingsplan worden verbonden.

  • 2.

    Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de regels over activiteiten in dit omgevingsplan, tenzij anders is bepaald of hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving zich daar tegen verzet.

  • 3.

    Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in dit omgevingsplan kan worden verbonden.

  • 4.

    Het artikel Artikel 1.10, eerste lid eerste lid en artikel Artikel 1.10, tweede lid tweede lid gelden niet voor zover het stellen van maatwerkvoorschriften is uitgesloten in het Besluit activiteiten leefomgeving.

D

Artikel 1.16 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 1.16 Algemene gegevens bij een melding

Een melding op grond van dit omgevingsplan bevat ten minste:

  • de aanduiding van de activiteit;

  • de naam en het adres van degene die de activiteit verricht;

  • het adres waarop de activiteit wordt verricht;

  • de dagtekening;

  • een ondertekening of handtekening.

  • a.

    de aanduiding van de activiteit;

  • b.

    de naam en het adres van degene die de activiteit verricht;

  • c.

    het adres waarop de activiteit wordt verricht;

  • d.

    de dagtekening;

  • e.

    een ondertekening of handtekening.

E

Artikel 1.19 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 1.19 Archeologisch gemeentelijk monument

  • 1.

    Bij een aanvraag als bedoeld in artikel Artikel 1.18 , worden, voor zover het gaat om een archeologisch monument, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een omschrijving van de aard van de activiteit, met vermelding van:

      • 1.

        de omvang in vierkante meters; en

      • 2.

        de diepte, in centimeters ten opzichte van het maaiveld;

    • b.

      een topografische kaart voorzien van een noordpijl en minimaal twee coördinatieparen, met de exacte locatie en omvang van de activiteit;

    • c.

      doorsnedetekeningen met de exacte locatie, omvang en diepte van de afzonderlijke ingrepen ten opzichte van het maaiveld;

    • d.

      als sprake is van een opgraving, ook als deze alleen bestaat uit een proefsleuvenonderzoek of een proefputtenonderzoek: een programma van eisen voor de opgraving;

    • e.

      als sprake is van een booronderzoek met boren met een diameter groter dan 10 cm: een plan van aanpak voor een booronderzoek;

    • f.

      als sprake is van een zichtbaar archeologisch monument: overzichtsfoto's van de bestaande situatie en plantekeningen van de nieuwe toestand; en

    • g.

      voor zover de activiteit bestaat uit een bouwactiviteit: funderingstekeningen.

  • 2.

    Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een rapport waarin de archeologische waarde van dat deel van het archeologisch monument waarop de activiteit van invloed is, in voldoende mate nader is vastgesteld;

    • b.

      een rapport waarin de gevolgen van de activiteit op de archeologische waarden in voldoende mate inzichtelijk zijn gemaakt;

    • c.

      detailtekeningen met van de afzonderlijke ingrepen:

      • 1.

        de exacte locatie;

      • 2.

        de omvang; en

      • 3.

        diepte ten opzichte van het maaiveld;

    • d.

      voor zover de activiteit bestaat uit aanlegwerkzaamheden of een ontgrondingsactiviteit:

      • 1.

        een bestek met bijbehorende tekeningen; of

      • 2.

        een werkomschrijving met bijbehorende tekeningen;

    • e.

      als sprake is van een sloopactiviteit: bestaande funderingstekeningen; of

    • f.

      als sprake is van een archeologisch monument onder water: een vlakdekkende hoge resolutie sonaropname van de waterbodem en ultrahoge resolutie sonaropnamen van details.

  • 3.

    Minimale schaal van tekeningen

    Tekeningen als bedoeld in het eerste en tweede lid hebben een schaal die niet kleiner is dan:

    • a.

      1:2000, als het gaat om een topografische kaart;

    • b.

      1:100, als het gaat om een funderingstekening of doorsnedetekening; en

    • c.

      1:50, als het gaat om een detailtekening.

F

Artikel 1.20 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 1.20 Slopen van een gemeentelijk monument

  • 1.

    Bij de aanvraag, bedoeld in artikel Artikel 1.18 , worden, voor zover het gaat om het slopen van een monument, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      de volgende kleurenfoto's die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen sloop:

      • 1.

        overzichtsfoto's van de bestaande situatie; en

      • 2.

        foto's van de bestaande toestand;

    • b.

      de volgende tekeningen:

      • 1.

        als sprake is van het slopen van een deel van het monument waarbij de omvang van het monument wijzigt: situatietekeningen van de bestaande en de nieuwe situatie;

      • 2.

        opnametekeningen van de bestaande toestand met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag:

        • I.

          plattegronden;

        • II.

          doorsneden;

        • III.

          gevelaanzichten; of

        • IV.

          een dakaanzicht; en

      • 3.

        slooptekeningen; en

    • c.

      een omschrijving van de sloopmethode en de aard van en bestemming voor het vrijkomend materiaal.

  • 2.

    Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie of tuinhistorie;

    • b.

      als sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van de bodem onder het te slopen bouwwerk in voldoende mate is vastgesteld;

    • c.

      een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft; of

    • d.

      een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische en constructieve aspecten.

G

Artikel 1.21 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 1.21 Verplaatsen van een gemeentelijk monument

  • 1.

    Bij de aanvraag, bedoeld in artikel Artikel 1.18 , worden, voor zover het gaat om het gedeeltelijk of volledig verplaatsen van een monument, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft;

    • b.

      de volgende kleurenfoto's die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen verplaatsing:

      • 1.

        overzichtsfoto's van de bestaande situatie;

      • 2.

        foto's van de bestaande toestand; en

      • 3.

        overzichtsfoto's van de nieuwe locatie;

    • c.

      de volgende tekeningen:

      • 1.

        situatietekeningen van de bestaande en nieuwe situatie;

      • 2.

        opnametekeningen van de bestaande toestand met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag:

        • I.

          plattegronden;

        • II.

          doorsneden;

        • III.

          gevelaanzichten; of

        • IV.

          een dakaanzicht; en

      • 3.

        plantekeningen van de nieuwe toestand met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag:

        • I.

          plattegronden;

        • II.

          doorsneden;

        • III.

          gevelaanzichten; of

        • IV.

          een dakaanzicht;

    • d.

      een bestek of werkomschrijving van de wijze van demonteren, van het verplaatsen naar de nieuwe locatie en de herbouw; en

    • e.

      als de activiteit bestaat uit het verplaatsen van een molen; een rapport over de molenbiotoop van de bestaande en de nieuwe situatie.

  • 2.

    Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie, tuinhistorie of over de relatie van het monument tot zijn historische omgeving;

    • b.

      als op de bestaande of op de nieuwe locatie sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van het terrein dat volgens de aanvraag door de activiteit zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld;

    • c.

      een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische, constructieve, materiaaltechnische of preventieve aspecten;

    • d.

      aanvullende tekeningen van de bestaande en nieuwe toestand, met inbegrip van detailtekeningen; of

    • e.

      een opgave van de bij de voorbereiding en het verrichten van de activiteit te hanteren uitvoeringsrichtlijnen.

H

Artikel 1.22 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 1.22 Wijzigen, door herstel ontsieren of in gevaar brengen van een gemeentelijk monument

  • 1.

    Bij de aanvraag, bedoeld in artikel Artikel 1.18 , worden, voor zover het gaat om het wijzigen van een monument of het herstellen daarvan waardoor het kan worden ontsierd of in gevaar kan worden gebracht, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      de volgende kleurenfoto's die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen activiteit:

      • 1.

        overzichtsfoto's van de bestaande situatie; en

      • 2.

        detailfoto's van de bestaande toestand, die een duidelijke indruk geven van het onderdeel van het monument waar de voorgenomen activiteit zal worden verricht;

    • b.

      de volgende tekeningen:

      • 1.

        een situatietekening van de bestaande situatie, en als de nieuwe situatie daarvan afwijkt: een situatietekening van de nieuwe situatie;

      • 2.

        opnametekeningen van de bestaande toestand met voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag:

        • I.

          plattegronden;

        • II.

          doorsneden;

        • III.

          gevelaanzichten; of

        • IV.

          een dakaanzicht;

      • 3.

        als er gebreken worden hersteld: gebrekentekeningen;

      • 4.

        plantekeningen van de nieuwe toestand en van de voorgenomen werkzaamheden, met inbegrip van de te vervangen of te veranderen onderdelen en de te verhelpen gebreken, met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag:

        • I.

          plattegronden;

        • II.

          doorsneden;

        • III.

          gevelaanzichten; of

        • IV.

          een dakaanzicht; en

      • 5.

        als sprake is van verwijdering van materiaal: slooptekeningen; en

    • c.

      een omschrijving van de aard en omvang van de activiteit in de vorm van een bestek of werkomschrijving, met:

      • 1.

        de te gebruiken en de te vervangen materialen, de toe te passen constructies, afwerkingen en kleuren, en de wijze van uitvoering of verwerking; en

      • 2.

        als sprake is van verwijdering van materiaal: de sloopmethode en de aard van en bestemming voor het vrijkomend materiaal.

  • 2.

    Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie of tuinhistorie;

    • b.

      als sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld;

    • c.

      een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft;

    • d.

      een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische, constructieve, materiaaltechnische of preventieve aspecten;

    • e.

      aanvullende tekeningen van de bestaande en nieuwe toestand, met inbegrip van detailtekeningen;

    • f.

      voor zover er algemene kwaliteitsnormen of uitvoeringsrichtlijnen voor de instandhouding van monumenten op de activiteit van toepassing zijn: een opgave of de voorgenomen activiteit hierop is afgestemd; of

    • g.

      als de activiteit een monument betreft dat een tuinaanleg, parkaanleg of andere groenaanleg is: een beheervisie.

I

Artikel 1.23 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 1.23 Door gebruik ontsieren of in gevaar brengen van een gemeentelijk monument

Bij een aanvraag als bedoeld in artikel Artikel 1.18  wordt, voor zover het gaat om het gebruiken van een monument waardoor het kan worden ontsierd of in gevaar gebracht, een opgave verstrekt van de maatregelen die worden getroffen om deze nadelige gevolgen te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.

J

Artikel 1.24 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 1.24 Eisen aan tekeningen bij slopen, verplaatsen, wijzigen of herstel van een gemeentelijk monument

  • 1.

    Bij een aanvraag als bedoeld in Artikel 1.20artikelen 1.20,  Artikel 1.21  en  Artikel 1.22  hebben tekeningen een schaal die niet kleiner is dan:

    • a.

      1:1000, als het gaat om een situatietekening;

    • b.

      1:100, als het gaat om een algemene geveltekening;

    • c.

      1:20 of 1:50, als het gaat om een geveltekening voor een ingrijpende wijziging; en

    • d.

      1:100, als het gaat om een plattegrondtekening, doorsnedetekening of een tekening van het dakaanzicht.

  • 2.

    Een detailtekening heeft een schaal van 1:1, 1:2 of 1:5 en is voorzien van een omschrijving van de materiaaltoepassing en de maatvoering.

  • 3.

    Uit een situatietekening die is voorzien van een noordpijl blijkt de oriëntatie van het monument op het perceel en ten opzichte van omliggende bebouwing en wegen.

  • 4.

    Een plattegrondtekening en een doorsnedetekening bevatten de volgende historische gegevens:

    • a.

      balklagen:

      • 1.

        gestippeld aangegeven in plattegronden van ruimten onder de balklagen; en

      • 2.

        getekend aangegeven in doorsneden met aanduiding van de afmetingen;

    • b.

      geornamenteerde plafonds, gestippeld aangegeven in plattegronden van de ruimten waar deze zich bevinden;

    • c.

      houtafmeting, balklagen en kapconstructie, aangegeven in doorsneden van de bestaande en van de nieuwe toestand; en

    • d.

      bijzondere ruimten of bouwdelen, direct of indirect betrokken bij de activiteit, aangegeven in plattegronden en doorsneden.

K

Artikel 1.39 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 1.39 Overgangsbepaling

 

  • a.

    Voor de toepassing van het artikel Artikel 2.6, eerste lid,  eerste lid, artikel Artikel 2.6, tweede lid,  tweede lid, artikel Artikel 2.9, artikel Artikel 1.18  tot en met artikel Artikel 1.23  en artikel Artikel 1.25  wordt onder gemeentelijk monument respectievelijk voorbeschermd gemeentelijk monument ook verstaan een monument of archeologisch monument dat op grond van een gemeentelijke verordening is aangewezen respectievelijk waarop, voordat het is aangewezen, die verordening van overeenkomstige toepassing is.

  • b.

    Het bepaalde onder a is van toepassing:

    • 1.

      als het gaat om een aangewezen monument of archeologisch monument: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven; en

    • 2.

      als het gaat om een monument of archeologisch monument waarop voordat het is aangewezen de verordening van overeenkomstige toepassing is: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of dit omgevingsplan geen voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om die functie-aanduiding te geven.

L

Artikel 2.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.4 Algemene afbakeningseisen

  • 1.

    Artikel 2.5 en artikel Artikel 2.7  zijn niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.

  • 2.

    Bij de toepassing van artikel Artikel 2.5  en artikel Artikel 2.7  blijft het aantal woningen gelijk, tenzij het bij een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in artikel Artikel 2.5 , onder a, of artikel Artikel 2.7 , onder a, of een bestaand bouwwerk als bedoeld in artikel Artikel 2.7 , onder c, gaat om huisvesting in verband met mantelzorg.

  • 3.

    De regels in artikel Artikel 2.5  en artikel Artikel 2.6  zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met een TAM-omgevingsplan of met regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1 onder a van de Omgevingswet.

M

Artikel 2.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.5 Uitzonderingen op vergunningplicht omgevingsplanactiviteit bouwwerken - omgevingsplan onverminderd van toepassing

Het verbod, bedoeld in artikel Artikel 2.1, geldt niet voor de bouwactiviteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op één van de volgende bouwwerken en ook passen binnen de overige regels van dit omgevingsplan:

  • a.

    een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan, als wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • 1.

      op de grond staand;

    • 2.

      gelegen in achtererfgebied;

    • 3.

      op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied;

    • 4.

      niet hoger dan 5 m;

    • 5.

      de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag; en

    • 6.

      niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte;

  • b.

    een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf, als wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • 1.

      op de grond staand;

    • 2.

      niet hoger dan 5 m; en

    • 3.

      de oppervlakte niet meer dan 70 m2;

  • c.

    een dakkapel in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak, als wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • 1.

      gelegen in een gebied dat of een bouwwerk dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is aangewezen als gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn;

    • 2.

      voorzien van een plat dak;

    • 3.

      gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75 m;

    • 4.

      onderzijde meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet;

    • 5.

      bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok; en

    • 6.

      zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak;

  • d.

    een sport- of speeltoestel anders dan voor alleen particulier gebruik, als wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • 1.

      niet hoger dan 4 m; en

    • 2.

      alleen functionerend met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens;

  • e.

    een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of een vijver op het gebouwerf bij een woning of woongebouw, als deze niet van een overkapping is voorzien;

  • f.

    een erf- of perceelafscheiding, als wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • 1.

      hoger dan 1 m maar niet hoger dan 2 m;

    • 2.

      op een erf of perceel waarop al een hoofdgebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; en

    • 3.

      achter de lijn die loopt langs de voorkant van dat hoofdgebouw en vanaf daar evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied zonder het hoofdgebouw te doorkruisen of in het gebouwerf achter het hoofdgebouw te komen;

  • g.

    een bouwwerk, geen gebouw zijnde, in achtererfgebied voor agrarische bedrijfsvoering, voor zover het gaat om:

    • 1.

      een silo; of

    • 2.

      een ander bouwwerk niet hoger dan 2 m;

  • h.

    een buisleiding anders dan een buisleiding waarop artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4, van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is; of

  • i.

    een te veranderen bouwwerk, als wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • 1.

      geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte;

    • 2.

      geen uitbreiding van het bouwvolume; en

    • 3.

      geen bouwwerk als bedoeld in artikel 2.29, onder b tot en met r, van het Besluit bouwwerken leefomgeving dat niet voldoet aan de voor dat bouwwerk in die onderdelen gestelde eisen.

N

Artikel 2.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.6 Inperkingen uitzonderingen vanwege cultureel erfgoed

  • 1.

    Op een activiteit die wordt verricht in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is artikel Artikel 2.5  niet van toepassing.

  • 2.

    Op een activiteit die wordt verricht bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is alleen artikel Artikel 2.5 , aanhef en onder d tot en met i, van toepassing.

  • 3.

    Op een activiteit die wordt verricht op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functieaanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven, is artikel Artikel 2.5  alleen van toepassing voor zover het gaat om:

    • a.

      inpandige wijzigingen;

    • b.

      een wijziging van een achtergevel of achterdakvlak, als die gevel of dat dakvlak niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd;

    • c.

      een bouwwerk op een gebouwerf aan de achterkant van een hoofdgebouw, als dat gebouwerf niet ook deel uitmaakt van het gebouwerf aan de zijkant van dat gebouw en niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; of

    • d.

      een bouwwerk op een locatie die onderdeel is van openbaar toegankelijk gebied.

  • 4.

    Artikel 2.5, aanhef en onder a en b, is ook niet van toepassing als in het omgevingsplan voor de locatie waarop de bouwactiviteit wordt verricht, regels zijn gesteld over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit, tenzij:

    • a.

      het bouwwerk waarop de activiteit betrekking heeft een oppervlakte heeft van minder dan 50 m 2 of een oppervlakte minder dan de oppervlakte waarvoor op basis van het omgevingsplan een archeologisch onderzoek noodzakelijk is; of

    • b.

      het omgevingsplan ook een verbod bevat om grondwerkzaamheden die voor de betreffende bouwactiviteit nodig zijn te verrichten zonder omgevingsvergunning waarvoor regels over een archeologisch onderzoek zijn gesteld. In dit geval is het belang van de archeologische waarde al geborgd via deze vergunning voor een werk, geen bouwwerk zijnde, en is de uitzondering in de aanhef van dit artikel niet nodig voor het bouwen.

O

Artikel 2.11 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.11 Beoordelingsregels aanvraag omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken algemeen

  • 1.

    Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk (de vergunning als bedoeld in Artikel 2.1), wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als:

    • a.

      de activiteit niet in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, met uitzondering van Artikel 2.47, Artikel 2.49 en Artikel 3.79, of

    • b.

      de activiteit weliswaar in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels, maar voor die strijdigheden eerder een omgevingsvergunning is verleend met toepassing van artikel 2.12, lid 1 onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (zoals deze gold tot en met 31 december 2023) dan wel artikel 5.1, lid 1 onder a van de Omgevingswet.

  • 2.

    In afwijking van Artikel Artikel 2.11, eerste lid,eerste lid wordt de omgevingsvergunning geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft voor de dag van ontvangst van de aanvraag:

    • a.

      een bestemmingsplan of inpassingsplan is vastgesteld en de termijn voor de bekendmaking van het bestemmingsplan of inpassingsplan na de vaststelling ingevolge artikel 3.8, derde, vierde of zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden; of

    • b.

      een bestemmingsplan of inpassingsplan na vaststelling is bekendgemaakt, en het bestemmingsplan of inpassingsplan op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag nog niet in werking is getreden of in beroep is vernietigd.

  • 3.

    In afwijking van Artikel Artikel 2.11, tweede lid,tweede lid kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan.

P

Artikel 2.34 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.34 Uiterlijk van bestaande en vergunningvrije bouwwerken (repressief welstand)

 

  • a.

    Het uiterlijk van de volgende bouwwerken mag niet in ernstige mate in strijd zijn met een voldoende beeldkwaliteit (voorheen 'redelijke eisen van welstand'), beoordeeld volgens de criteria voor het uiterlijk van bouwwerken in de voor de betreffende locatie geldende beleidsregels als bedoeld in artikel 4.19 Omgevingswet:

    • 1.

      een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is; en

    • 2.

      een te bouwen bouwwerk waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist.

  • b.

    Als beleidsregels als bedoeld onder a nog niet beschikbaar zijn op de betreffende locatie, dan wordt het uiterlijk van bouwwerken beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a eerste lid van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Q

Artikel 2.41 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.41 Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater

  • 1.

    Met het oog op het beschermen van de gezondheid ligt een ondergrondse doorvoer van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater door een uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk zoveel mogelijk haaks op de scheidingsconstructie.

  • 2.

    De gebouwaansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater op de op het eigen erf of terrein gelegen riolering of een andere voorziening voor afvoer van afvalwater is zodanig dat bij zetting de dichtheid van de aansluiting en de afvoer gehandhaafd blijft.

  • 3.

    Een terreinleiding waardoor huishoudelijk afvalwater wordt geleid:

    • a.

      heeft geen vernauwing in de stroomrichting;

    • b.

      heeft een vloeiend beloop;

    • c.

      is waterdicht;

    • d.

      heeft een voldoende inwendige middellijn; en

    • e.

      bevat geen beer- of rottingput.

  • 4.

    Bij maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel Artikel 1.10  kan in ieder geval worden bepaald:

    • a.

      als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een ander passend systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet aanwezig is waarop kan worden aangesloten: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater op dat riool of systeem noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd;

    • b.

      als voor de afvoer van hemelwater een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is waarop kan worden aangesloten, en hemelwater op dat stelsel of riool mag worden gebracht: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van hemelwater op dat stelsel of riool noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; en

    • c.

      of, en zo ja welke voorzieningen in de afvoervoorziening of de op het erf of terrein gelegen riolering moeten worden aangebracht om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen.

R

Artikel 2.43 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.43 Algemeen toegestaan gebruik

Binnen het werkingsgebied Omgevingsplan nieuw deel is het volgende gebruik overal toegestaan, tenzij expliciet anders bepaald in de regels van dit omgevingsplan, rekening houdend met ter plaatse geldende omgevingsvergunningplichten voor bijvoorbeeld bouwwerken, aanleggen en graven:

  • a.

    Groenvoorzieningen.

  • b.

    Uit- en inritten.

  • c.

    Wandel- en fietspaden.

  • d.

    Extensieve extensieve recreatie.

  • e.

    Voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, zoals sloten, beken, vijvers, poelen, wadi's en andere voorzieningen ten behoeve van het vasthouden, bergen, aan- en afvoeren van water.

  • f.

    Openbare nutsvoorzieningen.

  • g.

    Bescherming, instandhouding en verbetering van landschaps-, natuur- en cultuurhistorische waarden.

S

Artikel 2.46 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.46 Omgevingsplanactiviteit verkoop met opslag consumentenvuurwerk

  • 1.

    In afwijking van het bepaalde onder Artikel 2.45 is detailhandel met opslag van consumentenvuurwerk wel toegestaan op gronden met de werkingsgebieden Detailhandel, Detailhandel bg en Tuincentrum op voorwaarde van een omgevingsvergunning.

    Bij een aanvraag om deze vergunning zijn de in Artikel 1.27 bedoelde aanvraagvereisten van toepassing.

  • 2.

    Binnen de werkingsgebieden Detailhandel, Detailhandel bg en Tuincentrum gelden voor een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel Artikel 2.46, eerste lid,eerste lid de volgende beoordelingsregels:

    • a.

      voor de opslag van consumentenvuurwerk geldt een maximum van 10.000 kg;

    • b.

      er wordt voldaan aan de minimale veiligheidsafstanden tot (geprojecteerde) kwetsbare objecten die genoemd zijn in het Vuurwerkbesluit.

T

Artikel 2.48 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.48 Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken

  • 1.

    Op een open erf of terrein nabij een bouwwerk is geen brandgevaarlijke stof als bedoeld in de tabel in Artikel Artikel 2.48, vijfde lid,vijfde lid aanwezig.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing als:

    • a.

      de in Artikel Artikel 2.48, vijfde lid,vijfde lid aangegeven toegestane hoeveelheid per stof niet wordt overschreden, waarbij de totale toegestane hoeveelheid stoffen 100 kilogram of liter is;

    • b.

      de stof deugdelijk is verpakt, waarbij:

      • 1.

        de verpakking tegen normale behandeling bestand is;

      • 2.

        de verpakking is voorzien van een adequate gevaarsaanduiding; en

      • 3.

        geen inhoud onvoorzien uit de verpakking kan ontsnappen; en

    • c.

      de stof wordt gebruikt met inachtneming van de op de verpakking aangegeven gevaarsaanduidingen.

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing op:

    • a.

      brandstof in het reservoir van een verbrandingsmotor;

    • b.

      brandstof in een verlichtings-, verwarmings- of ander warmteontwikkelend toestel;

    • c.

      voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken;

    • d.

      gasflessen tot een totale waterinhoud van 115 liter;

    • e.

      dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen de 61 °C en 100 °C tot een totale hoeveelheid van 1.000 liter; en

    • f.

      brandgevaarlijke stoffen voor zover de aanwezigheid daarvan op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving of een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is toegestaan.

  • 4.

    Bij het berekenen van de toegestane hoeveelheid, bedoeld in Artikel Artikel 2.48, tweede lid,tweede lid , onder a, wordt een aangebroken verpakking als een volle meegerekend.

  • 5.

    In afwijking van Artikel Artikel 2.48, derde lid,derde lid , aanhef en onder e, is de aanwezigheid van meer dan 1.000 liter van een oliesoort als bedoeld in dat onderdeel toegestaan als die oliesoort op zodanige wijze wordt opgeslagen en gebruikt dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie en de ontwikkeling van brand voldoende worden voorkomen.

    Tabel Brandgevaarlijke stoffen Artikel 2.48, vijfde lid

    ADR-klasse 1

    Omschrijving

    Verpakkingsgroep

    Toegestane maximum hoeveelheid

    2

    UN 1950 spuitbussen & UN 2037 houders, klein, gas

    Gassen zoals propaan, zuurstof, acetyleen, aerosolen (spuitbussen)

    n.v.t.

    50 kg

    3

    Brandbare vloeistoffen zoals bepaalde oplosmiddelen en aceton

    II

    25 liter

    3 excl. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen 61°C en 100°C

    Brandbare vloeistoffen zoals terpentine en bepaalde inkten

    III

    50 liter

    4.1, 4.2, 4.3

    4.1: brandbare vaste stoffen, zelfontledende vaste stoffen en vaste ontplofbare stoffen in niet-explosieve toestand zoals wrijvingslucifers, zwavel en metaalpoeders

    4.2: voor zelfontbranding vatbare stoffen zoals fosfor (wit of geel) en diethylzink

    4.3: stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen zoals magnesiumpoeder, natrium en calciumcarbide

    II en III

    50 kg

    5.1

    Brandbevorderende stoffen zoals waterstofperoxide

    II en III

    50 liter

    5.2

    Organische peroxiden zoals dicumyl peroxide en dipropionyl peroxide

    n.v.t.

    1 liter

    1 Classificatie volgens de Europese overeenkomst van 30 september 1957 betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg (Trb. 1959, 171).

U

Artikel 2.52 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.52 Algemeen: Beroep of bedrijf aan huis

  • 1.

     

    • a.

      De uitoefening van een beroep of bedrijf aan huis (zoals ambachtelijke bedrijvigheid) is in samenhang met (bedrijfs)wonen toegestaan als daarbij ook wordt voldaan aan de overige voorwaarden in dit artikel.

    • b.

      In afwijking van a gelden voor een bed and breakfast de regels in Artikel 2.54.

  • 2.

    Het maximum vloeroppervlak voor de uitoefening van een beroep of bedrijf aan huis 30% van het totale vloeroppervlak van de woning, met inbegrip van de daarbij behorende bergruimten en bijgebouwen en met een maximum van 100 m2.

  • 3.

    Buitenopslag van goederen en bedrijfsmatige activiteiten in het openbaar toegankelijk gebied, anders dan laden en lossen, is niet toegestaan.

  • 4.

    Horeca horeca en detailhandel zijn niet toegestaan.

  • 5.

    Er is geen sprake van bedrijfsactiviteiten die geheel of grotendeels zijn gebaseerd op het ontvangen van groepen klanten, tenzij wordt voldaan aan deze criteria

    • a.

      tijdens de reguliere kantooruren is het ontvangen van groepen klanten van maximaal 5 personen gelijktijdig toegestaan;

    • b.

      buiten de reguliere kantooruren is het ontvangen van groepen klanten van maximaal 2 personen gelijktijdig toegestaan.

V

Artikel 2.53 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.53 Groter vloeroppervlak beroep of bedrijf aan huis

  • 1.

    In afwijking van Artikel Artikel 2.52, tweede lid,tweede lid is een groter vloeroppervlak voor de uitoefening van een beroep of bedrijf aan huis mogelijk op voorwaarde van een omgevingsvergunning.

  • 2.

    Voor een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel Artikel 2.53, eerste lid,eerste lid gelden de volgende beoordelingsregels:

    • a.

      het gaat om maximaal 49% van het totale vloeroppervlak als bedoeld in Artikel Artikel 2.52, tweede lid,tweede lid (woning inclusief bijbehorende bergruimten en bijgebouwen) en

    • b.

      daarbij wordt voldaan aan de beoordelingsregels in Artikel 1.14.

W

Artikel 2.54 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.54 Bed and breakfast

X

Artikel 3.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.2 Opslag buiten een bouwvlak

  • 1.

     

    • a.

      Zand, stenen en naar aard daarmee gelijk te stellen materialen mogen binnen het werkingsgebied Agrarisch buiten een bouwvlak maximaal zes maanden achter elkaar opgeslagen worden, met een maximum van 6 maanden per kalenderjaar.

    • b.

      Mest, hooibalen en andere agrarische producten mogen binnen het werkingsgebied Agrarisch buiten een bouwvlak maximaal zes maanden achter elkaar opgeslagen worden, met een maximum van 6 maanden per kalenderjaar.

  • 2.

    Binnen het werkingsgebied Agrarische schuur geldt voor de opslag van de materialen bedoeld in Artikel Artikel 3.2, eerste lid,eerste lid geen maximale termijn.

Y

Artikel 3.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.3 Behorend bij agrarische activiteiten

Binnen het werkingsgebied Agrarisch mogen de gronden gebruikt worden voor bij de activiteit behorende bouwwerken, erven, terreinen, voorzieningen en activiteiten, zoals:

  • parkeervoorzieningen;

  • toegangswegen;

  • voorzieningen ten behoeve van warmte-koude-opslag;

  • nutsvoorzieningen;

  • afrastering.

  • a.

    parkeervoorzieningen;

  • b.

    toegangswegen;

  • c.

    voorzieningen ten behoeve van warmte-koude-opslag;

  • d.

    nutsvoorzieningen;

  • e.

    afrastering.

Z

Artikel 3.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.6 Omgevingsplanactiviteit

 

  • a.

    Binnen het werkingsgebied Agrarisch is het verboden zonder een omgevingsvergunning, een werk, niet zijnde een bouwwerk, of werkzaamheid uit te (laten) voeren als bedoeld in:

    • 1.

      het ontginnen, bodemverlagen, afgraven, ophogen en egaliseren van gronden;

    • 2.

      het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;

    • 3.

      het aanleggen of verharden van wegen, paden, of parkeergelegenheid en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen en met een oppervlakte van meer dan 50 m2;

    • 4.

      het verrichten van onderzoeks- en exploitatieboringen ten behoeve van de winning van delfstoffen, water en andere bodemschatten;

    • 5.

      het graven en/of dempen van sloten en het door afwateren, ontwateren of afdammen wijzigen van de grondwaterstand;

    • 6.

      het leggen van drainagebuizen;

    • 7.

      het vellen, rooien, of verwijderen van houtwallen, boomsingels en houtopstanden.

  • b.

    Het onder a bedoelde verbod is niet van toepassing op werken of werkzaamheden, die het normaal onderhoud en gebruik betreffen of die reeds in uitvoering waren op het tijdstip van het van kracht worden van het in werking zijnde omgevingsplan.

AA

Artikel 3.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.8 Bedrijfsactiviteit

 

  • a.

    Binnen de werkingsgebieden BedrijfBedrijf gebruik en Bedrijf bg zijn bedrijven toegestaan van de categorie die van toepassing is.

  • b.

    Binnen het werkingsgebied Bedrijf bg is het bepaalde onder a alleen toegestaan op de begane grond.

BB

Artikel 3.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.9 Bedrijfsactiviteit categorie 1 en 2

Binnen de werkingsgebieden Bedrijf, Bedrijf gebruik en Bedrijf bg zijn bedrijven toegestaan, die zijn genoemd in de categorieën 1 en 2 uit de hoofdgroep Bedrijven van de bij deze regels behorende Bijlage Bijlage III Lijst van BedrijfstypenIV Lijst van Bedrijfstypen, met uitzondering van een risicovolle milieubelastende activiteit, garagebedrijf, geluidzoneringsplichtige inrichting (zoals bedoeld onder de voormalige Wet geluidhinder) en een vuurwerkbedrijf.

CC

Artikel 3.12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.12 Behorende bij bedrijfsactiviteiten

Binnen de werkingsgebieden BedrijfBedrijf gebruik en Bedrijf bg mogen de gronden gebruikt worden voor bij de activiteit behorende bouwwerken, erven, terreinen, voorzieningen en activiteiten, zoals:

  • parkeervoorzieningen en laden en lossen;

  • voorzieningen ten behoeve van warmte-koude-opslag;

  • niet zelfstandige kantooractiviteiten als integraal onderdeel van de bedrijfsactiviteiten en/of voorkomende functie.

  • nutsvoorzieningen;

  • toegangswegen.

  • a.

    parkeervoorzieningen en laden en lossen;

  • b.

    voorzieningen ten behoeve van warmte-koude-opslag;

  • c.

    niet zelfstandige kantooractiviteiten als integraal onderdeel van de bedrijfsactiviteiten en/of voorkomende functie.

  • d.

    nutsvoorzieningen;

  • e.

    toegangswegen.

DD

Artikel 3.13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.13 Omgevingsplanactiviteit gebruik Bedrijf

  • 1.

    In afwijking van Artikel 3.9 is binnen de werkingsgebieden Bedrijf, Bedrijf gebruik en Bedrijf bg een ander bedrijf mogelijk op voorwaarde van een omgevingsvergunning.

  • 2.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 1 zijn de in Artikel 1.27 bedoelde aanvraagvereisten van toepassing.

  • 3.

    Binnen de werkingsgebieden Bedrijf, Bedrijf gebruik en Bedrijf bg gelden voor een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 1 de volgende beoordelingsregels:

    • a.

      het bedrijf is niet genoemd in de hoofdgroep Bedrijven van Bijlage III Lijst van BedrijfstypenBijlageIV Lijst van Bedrijfstypen of is genoemd in maximaal één categorie hoger van die hoofdgroep en

    • b.

      het bedrijf kan, gelet op de milieubelasting, naar aard en invloed op de omgeving gelijkgesteld worden met de volgens Artikel 3.9 op die locatie toegestane bedrijven en

    • c.

      daarbij wordt voldaan aan de beoordelingsregels in Artikel 1.14.

EE

Artikel 3.19 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.19 Behorende bij detailhandelsactiviteiten

Binnen de werkingsgebieden DetailhandelDetailhandel bg en Detailhandel bg gebruik mogen de gronden gebruikt worden voor bij de activiteit behorende bouwwerken, erven, terreinen, voorzieningen en activiteiten, zoals:

  • parkeervoorzieningen en laden en lossen;

  • voorzieningen ten behoeve van warmte-koude-opslag;groenvoorzieningen;

  • nutsvoorzieningen;

  • toegangswegen.

  • a.

    parkeervoorzieningen en laden en lossen;

  • b.

    voorzieningen ten behoeve van warmte-koude-opslag;groenvoorzieningen;

  • c.

    nutsvoorzieningen;

  • d.

    toegangswegen.

FF

Artikel 3.23 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.23 Behorende bij dienstverlening

Binnen de werkingsgebieden DienstverleningDienstverlening gebruik en Dienstverlening bg mogen de gronden gebruikt worden voor bij de activiteit behorende bouwwerken, erven, terreinen, voorzieningen en activiteiten, zoals:

  • parkeervoorzieningen en laden en lossen;

  • voorzieningen ten behoeve van warmte-koude-opslag;

  • nutsvoorzieningen;

  • toegangswegen.

  • a.

    parkeervoorzieningen en laden en lossen;

  • b.

    voorzieningen ten behoeve van warmte-koude-opslag;

  • c.

    nutsvoorzieningen;

  • d.

    toegangswegen.

GG

Paragraaf 3.5.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 3.5.1 Gebruiksactiviteiten horeca

Artikel 3.24 Horeca

Binnen de werkingsgebieden Horeca en Horeca gebruik mogen de gronden gebruikt worden voor horeca. Daarbij moet ook voldaan worden aan Artikel 3.26 .

Artikel 3.25 Horeca bg

Binnen het werkingsgebied Horeca bg mogen de gronden gebruikt worden voor horeca, met dien verstande dat deze functie uitsluitend is toegestaan op de begane grond. Daarbij moet ook voldaan worden aan Artikel 3.26 .

Artikel 3.26 Horeca categorie 1

Binnen het werkingsgebied Horeca categorie 1 mogen de gronden gebruikt worden voor horecabedrijven die zijn genoemd in categorie 1 uit de hoofdgroep "Horeca" van de bij deze regels behorende Bijlage Bijlage III Lijst van BedrijfstypenIV Lijst van Bedrijfstypen, met uitzondering van hotels en/of congrescentra.

Artikel 3.27 Behorende bij horeca

Binnen de werkingsgebieden HorecaHoreca gebruik en Horeca bg mogen de gronden gebruikt worden voor bij de toegestane activiteit behorende bouwwerken, erven, terreinen, voorzieningen en activiteiten, zoals:

  • parkeervoorzieningen en laden en lossen;

  • bergingen en trappenhuizen;

  • voorzieningen ten behoeve van warmte-koude-opslag;

  • nutsvoorzieningen;

  • toegangswegen.

  • a.

    parkeervoorzieningen en laden en lossen;

  • b.

    bergingen en trappenhuizen;

  • c.

    voorzieningen ten behoeve van warmte-koude-opslag;

  • d.

    nutsvoorzieningen;

  • e.

    toegangswegen.

Artikel 3.28 Omgevingsplanactiviteit gebruik Horeca

  • 1.

    In afwijking van artikel Artikel 3.26  is binnen het werkingsgebied Horeca categorie 1 een ander horecabedrijf mogelijk op voorwaarde van een omgevingsvergunning.

  • 2.

    Binnen het werkingsgebied Horeca categorie 1 gelden voor een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 1 de volgende beoordelingsregels:

    • a.

      het horecabedrijf is niet genoemd in de hoofdgroep Horeca van Bijlage III Lijst van BedrijfstypenBijlage IV Lijst van Bedrijfstypen of is genoemd in maximaal één categorie hoger van die hoofdgroep en

    • b.

      het horecabedrijf kan, gelet op de milieubelasting, naar aard en invloed op de omgeving gelijkgesteld worden met de volgens artikel Artikel 3.26  op die locatie toegestane horecabedrijven en

    • c.

      daarbij wordt voldaan aan de beoordelingsregels in artikel Artikel 1.14.

  • 3.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in dit artikel zijn de in artikel Artikel 1.27  bedoelde aanvraagvereisten van toepassing binnen het werkingsgebied Horeca categorie 1.

HH

Artikel 3.30 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.30 Behorende bij kantooractiviteiten

Binnen de werkingsgebieden Kantoor en Kantoor gebruik mogen de gronden gebruikt worden voor bij de activiteit behorende bouwwerken, erven, terreinen, voorzieningen en activiteiten, zoals:

  • parkeervoorzieningen en laden en lossen;

  • voorzieningen ten behoeve van warmte-koude-opslag;

  • nutsvoorzieningen;

  • toegangswegen.

  • a.

    parkeervoorzieningen en laden en lossen;

  • b.

    voorzieningen ten behoeve van warmte-koude-opslag;

  • c.

    nutsvoorzieningen;

  • d.

    toegangswegen.

II

Artikel 3.35 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.35 Behorende bij maatschappelijke activiteiten

Binnen de werkingsgebieden MaatschappelijkMaatschappelijk gebruikOpenbare dienstverleningPraktijkruimte gebruik en Maatschappelijk bg mogen de gronden gebruikt worden voor bij de toegestane activiteit behorende bouwwerken, erven, terreinen, voorzieningen en activiteiten, zoals:

  • parkeervoorzieningen en laden en lossen;

  • voorzieningen ten behoeve van warmte-koude-opslag;

  • nutsvoorzieningen;

  • toegangswegen.

  • a.

    parkeervoorzieningen en laden en lossen;

  • b.

    voorzieningen ten behoeve van warmte-koude-opslag;

  • c.

    nutsvoorzieningen;

  • d.

    toegangswegen.

JJ

Artikel 3.36 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.36 Omgevingsplanactiviteit gebruik maatschappelijke basisfuncties

  • 1.

    Dit artikel is van toepassing binnen de werkingsgebieden Maatschappelijk, Maatschappelijk bg en Maatschappelijk gebruik.

  • 2.

    Op voorwaarde van een omgevingsvergunning zijn andere maatschappelijke functies mogelijk dan bedoeld in artikel Artikel 3.31  en  Artikel 3.32 .

  • 3.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in het tweede lid zijn de in artikel Artikel 1.27  bedoelde aanvraagvereisten van toepassing.

  • 4.

    Voor de omgevingsvergunning als bedoeld in lid 1 gelden de volgende beoordelingsregels:

    • a.

      de maatschappelijke functie moet naar aard en invloed op de omgeving, gelet op de milieubelasting en het woon- en leefklimaat, gelijk kunnen worden gelijkgesteld met maatschappelijke basisfuncties en

    • b.

      daarbij moet voldaan worden aan de beoordelingsregel in artikel Artikel 1.14.

KK

Artikel 3.39 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.39 Kantine

Binnen het werkingsgebied Manege is, aanvullend op het bepaalde onder artikel Artikel 3.37 , niet zelfstandige horeca toegestaan in de vorm van één kantine per bouwvlak, onder de voorwaarde dat de oppervlakte - inclusief bijbehorende voorzieningen, zoals een keuken, vergaderruimte en een theorielokaal - ten hoogste 100 m2 is.

LL

Artikel 3.40 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.40 Behorend bij Manege

Binnen het werkingsgebied Manege mogen de gronden gebruikt worden voor bij de activiteit behorende bouwwerken, erven, terreinen, voorzieningen en activiteiten, zoals:

  • parkeervoorzieningen en laden en lossen;

  • kleedruimtes;

  • paardrijbakken;

  • voorzieningen ten behoeve van warmte-koude-opslag;

  • nutsvoorzieningen;

  • toegangswegen.

  • a.

    parkeervoorzieningen en laden en lossen;

  • b.

    kleedruimtes;

  • c.

    paardrijbakken;

  • d.

    voorzieningen ten behoeve van warmte-koude-opslag;

  • e.

    nutsvoorzieningen;

  • f.

    toegangswegen.

MM

Artikel 3.42 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.42 Stalling van campers en caravans

  • 1.

    Binnen het werkingsgebied Manege is in afwijking van artikel Artikel 3.37  stalling van campers en caravans mogelijk op voorwaarde van een omgevingsvergunning.

  • 2.

    Binnen het werkingsgebied Manege gelden voor een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 1 de volgende beoordelingsregels:

    • a.

      de stalling vindt alleen inpandig plaats en

    • b.

      daarbij wordt voldaan aan de beoordelingsregels in Artikel 1.14.

NN

Artikel 3.43 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.43 Kantine

  • 1.

    Binnen het werkingsgebied Manege is in afwijking van artikel Artikel 3.39  een grotere kantine mogelijk op voorwaarde van een omgevingsvergunning.

  • 2.

    Binnen het werkingsgebied Manege gelden voor een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 1 de volgende beoordelingsregels:

    • a.

      de kantine heeft een oppervlakte van maximaal 200 m2 en

    • b.

      daarbij wordt voldaan aan de beoordelingsregels in artikel Artikel 1.14.

OO

Artikel 3.48 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.48 Behorende bij onderwijs

Binnen het werkingsgebied Onderwijs mogen de gronden gebruikt worden voor bij de activiteit behorende bouwwerken, erven, terreinen, voorzieningen en activiteiten, zoals:

  • parkeervoorzieningen en laden en lossen;

  • niet zelfstandige horeca in de vorm van een kantine;

  • voorzieningen ten behoeve van warmte-koude-opslag;

  • speelvoorzieningen;

  • nutsvoorzieningen;

  • toegangswegen.

  • a.

    parkeervoorzieningen en laden en lossen;

  • b.

    niet zelfstandige horeca in de vorm van een kantine;

  • c.

    voorzieningen ten behoeve van warmte-koude-opslag;

  • d.

    speelvoorzieningen;

  • e.

    nutsvoorzieningen;

  • f.

    toegangswegen.

PP

Artikel 3.50 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.50 Verkeer

Binnen het werkingsgebied Verkeer mogen aanvullend op het bepaalde in artikel Artikel 3.49  de gronden gebruikt worden voor:

  • a.

    busbanen en -sluizen;

  • b.

    laad- en losactiviteiten;

  • c.

    parkeren en parkeervoorzieningen;

  • d.

    wegen, woonerven en pleinen.

QQ

Artikel 3.55 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.55 Behorende bij religie

Binnen het werkingsgebied Religie mogen de gronden gebruikt worden voor bij de activiteit behorende bouwwerken, erven, terreinen, voorzieningen en activiteiten, zoals:

  • parkeervoorzieningen en laden en lossen;

  • voorzieningen ten behoeve van warmte-koude-opslag;

  • nutsvoorzieningen;

  • toegangswegen.

  • a.

    parkeervoorzieningen en laden en lossen;

  • b.

    voorzieningen ten behoeve van warmte-koude-opslag;

  • c.

    nutsvoorzieningen;

  • d.

    toegangswegen.

RR

Artikel 3.57 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.57 Behorende bij speeltuin

Binnen het werkingsgebied Speeltuin mogen de gronden gebruikt worden voor bij de activiteit behorende bouwwerken, erven, terreinen, voorzieningen en activiteiten, zoals:

  • parkeervoorzieningen en laden en lossen;

  • ondergeschikte, niet zelfstandige horeca;

  • voorzieningen ten behoeve van warmte-koude-opslag;

  • nutsvoorzieningen;

  • toegangswegen.

  • a.

    parkeervoorzieningen en laden en lossen;

  • b.

    ondergeschikte, niet zelfstandige horeca;

  • c.

    voorzieningen ten behoeve van warmte-koude-opslag;

  • d.

    nutsvoorzieningen;

  • e.

    toegangswegen.

SS

Paragraaf 3.13.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 3.13.1 Gebruiksactiviteiten Sport

Artikel 3.58 Sport

Binnen het werkingsgebied Sport mogen de gronden gebruikt worden voor sportactiviteiten, die zijn genoemd in de categorieën 1 en 2 uit de hoofdgroep Sport van de bij deze regels behorende Bijlage Bijlage III Lijst van BedrijfstypenIV Lijst van Bedrijfstypen.

Artikel 3.59 Veldsportcomplex met verlichting

Binnen het werkingsgebied Veldsportcomplex met verlichting mogen in aanvulling op het bepaalde in artikel Artikel 3.58  de gronden gebruikt worden voor een veldsportcomplex met verlichting.

Artikel 3.60 Sporthal

Binnen het werkingsgebied Sporthal mogen in aanvulling op het bepaalde in artikel Artikel 3.58  de gronden gebruikt worden voor een sporthal.

Artikel 3.61 Behorend bij sport

Binnen het werkingsgebied Sport mogen de gronden gebruikt worden voor bij de activiteit behorende bouwwerken, erven, terreinen, voorzieningen en activiteiten, zoals:

  • parkeervoorzieningen en laden en lossen;

  • kantine en kleedruimtes;

  • niet zelfstandige horeca in de vorm van een kantine;

  • niet zelfstandige detailhandel die naar aard, omvang en openingstijden ondergeschikt en ondersteunend is aan de hoofdfunctie sport;

  • voorzieningen ten behoeve van warmte-koude-opslag;

  • nutsvoorzieningen;

  • toegangswegen.

  • a.

    parkeervoorzieningen en laden en lossen;

  • b.

    kantine en kleedruimtes;

  • c.

    niet zelfstandige horeca in de vorm van een kantine;

  • d.

    niet zelfstandige detailhandel die naar aard, omvang en openingstijden ondergeschikt en ondersteunend is aan de hoofdfunctie sport;

  • e.

    voorzieningen ten behoeve van warmte-koude-opslag;

  • f.

    nutsvoorzieningen;

  • g.

    toegangswegen.

Artikel 3.62 Omgevingsplanactiviteit gebruik Sport

  • 1.

    Binnen het werkingsgebied Sport is in afwijking van artikel Artikel 3.58  een andere sportactiviteit of -voorziening mogelijk op voorwaarde van een omgevingsvergunning.

  • 2.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid zijn de in Artikel 1.27 bedoelde aanvraagvereisten van toepassing binnen het werkingsgebied Sport.

  • 3.

    Binnen het werkingsgebied Sport gelden voor een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 1 de volgende beoordelingsregels:

    • a.

      de sportactiviteit of -voorziening is niet genoemd in de hoofdgroep Sport van Bijlage III Lijst van BedrijfstypenBijlage IV Lijst van Bedrijfstypen of is genoemd in maximaal één categorie hoger van die hoofdgroep en

    • b.

      de sportactiviteit of -voorziening kan, gelet op de milieubelasting, naar aard en invloed op de omgeving gelijkgesteld worden met de volgens artikel Artikel 3.58  op die locatie toegestane sportactiviteiten en -voorzieningen en

    • c.

      daarbij wordt voldaan aan de beoordelingsregels in artikel Artikel 1.14.

TT

Artikel 3.67 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.67 Bijbehorend bij tuincentrum

Binnen het werkingsgebied Tuincentrum mogen de gronden gebruikt worden voor bij de activiteit behorende bouwwerken, erven, terreinen, voorzieningen en activiteiten, zoals:

  • parkeervoorzieningen en laden en lossen;

  • niet zelfstandige horeca met een maximum oppervlakte van 3% van de verkoopvloeroppervlakte:

  • voorzieningen ten behoeve van warmte-koude-opslag;

  • nutsvoorzieningen;

  • toegangswegen.

  • a.

    parkeervoorzieningen en laden en lossen;

  • b.

    niet zelfstandige horeca met een maximum oppervlakte van 3% van de verkoopvloeroppervlakte:

  • c.

    voorzieningen ten behoeve van warmte-koude-opslag;

  • d.

    nutsvoorzieningen;

  • e.

    toegangswegen.

UU

Artikel 3.69 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.69 Behorende bij verenigingsleven

Binnen het werkingsgebied Verenigingsleven mogen de gronden gebruikt worden voor bij de activiteit behorende bouwwerken, erven, terreinen, voorzieningen en activiteiten, zoals:

  • parkeervoorzieningen en laden en lossen;

  • voorzieningen ten behoeve van warmte-koude-opslag;

  • nutsvoorzieningen;

  • toegangswegen.

  • a.

    parkeervoorzieningen en laden en lossen;

  • b.

    voorzieningen ten behoeve van warmte-koude-opslag;

  • c.

    nutsvoorzieningen;

  • d.

    toegangswegen.

VV

Artikel 3.71 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.71 Behorend bij verkooppunt motorbrandstoffen met lpg

Binnen het werkingsgebied Verkooppunt motorbrandstoffen met lpg mogen de gronden gebruikt worden voor bij de activiteit behorende bouwwerken, erven, terreinen, voorzieningen en activiteiten, zoals:

  • parkeervoorzieningen en laden en lossen;

  • voorzieningen ten behoeve van warmte-koude-opslag;

  • nutsvoorzieningen;

  • toegangswegen.

  • a.

    parkeervoorzieningen en laden en lossen;

  • b.

    voorzieningen ten behoeve van warmte-koude-opslag;

  • c.

    nutsvoorzieningen;

  • d.

    toegangswegen.

WW

Artikel 3.76 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.76 Behorende bij wonen

Binnen de werkingsgebieden Wonen algemeenWonen op de verdieping en Wonen op de bovenste verdieping mogen de gronden gebruikt worden voor bij de activiteit behorende bouwwerken, erven, terreinen, voorzieningen en activiteiten, zoals:

  • woningen, bergingen en trappenhuizen;

  • parkeervoorzieningen en laden en lossen;

  • voorzieningen ten behoeve van warmte-koude-opslag;

  • nutsvoorzieningen;

  • toegangswegen.

  • a.

    woningen, bergingen en trappenhuizen;

  • b.

    parkeervoorzieningen en laden en lossen;

  • c.

    voorzieningen ten behoeve van warmte-koude-opslag;

  • d.

    nutsvoorzieningen;

  • e.

    toegangswegen.

XX

Artikel 3.77 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.77 Bijgebouw ten behoeve van het wonen

Binnen het werkingsgebied Bijgebouw wonen mogen de gronden gebruikt worden voor de opslag ten behoeve van de functie Wonenwonen.

YY

Artikel 3.79 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.79 Overbewoning woonruimte

  • 1.

    Met het oog op het beschermen van de gezondheid van de bewoners:

    • a.

      wordt een woning niet bewoond door meer dan een persoon per 12 m2gebruiksoppervlakte; en

    • b.

      wordt een woonwagen niet bewoond door meer dan een persoon per 6 m2gebruiksoppervlakte.

  • 2.

    Artikel Artikel 3.79, eerste lid , eerste lid is niet van toepassing op woonruimte waarin door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers opvang aan asielzoekers wordt geboden.

ZZ

Artikel 3.82 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.82 Maximum bebouwingspercentage per bouwperceel

  • 1.

    Binnen het werkingsgebied Wonen algemeen bedraagt het maximum bebouwingspercentage per bouwperceel:

    • a.

      80% voor percelen met een oppervlakte tot 150 m2;

    • b.

      60% voor percelen met een oppervlakte van 150 m2 tot 300 m2, waarbij in ieder geval een oppervlakte van 120 m2 mag worden bebouwd;

    • c.

      50% voor percelen met een oppervlakte van 300 m2 tot 500 m2, waarbij in ieder geval een oppervlakte van 180 m2 mag worden bebouwd;

    • d.

      40% voor percelen met een oppervlakte groter dan 500 m2, waarbij in ieder geval een oppervlakte van 250 m2 mag worden bebouwd en maximaal een oppervlakte van 300 m2 mag worden bebouwd.

  • 2.

    Binnen het werkingsgebied Wonen algemeen is het bepaalde onder Artikel Artikel 3.82, eerste lid,eerste lid niet van toepassing op bouwpercelen met gebouwen met gestapelde appartementen.

AAA

Artikel 3.83 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.83 Gebouwen binnen het bouwvlak

 

  • a.

    Binnen het werkingsgebied Wonen algemeen is, in afwijking van de ter plekke geldende norm als bedoeld in Artikel 2.14, de maximum bouwhoogte van vrijstaande bijgebouwen 5 meter, met dien verstande dat de bouwhoogte niet hoger mag zijn dan de bouwhoogte van het hoofdgebouw.

  • b.

    In afwijking van het bepaalde onder a mag een vrijstaand bijgebouw meer dan 5 meter hoog zijn als wordt voldaan aan de volgende specifieke beoordelingsregels:

    • 1.

      de bouwhoogte van het vrijstaand bijgebouw lager is dan de bouwhoogte van het hoofdgebouw en

    • 2.

      daarbij wordt voldaan aan de beoordelingsregels in Artikel 1.14.

BBB

Artikel 3.88 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.88 Algemeen: Woning gebruiken voor kamerverhuur

  • 1.

    Het gebruik van een woning voor kamerverhuur is, in afwijking van artikelen Artikel 3.73 ,  Artikel 3.74  en  Artikel 3.75 , uitsluitend toegestaan in een bestaand of vergund kamerverhuurpand.

  • 2.

    Het is niet toegestaan het aantal kamers in een bestaand of vergund kamerverhuurpand te vergroten.

CCC

Artikel 3.89 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.89 Uitsterfbepaling

Het is verboden een bestaand of vergund kamerverhuurpand of een kamerverhuurpand dat vergund is middels artikel Artikel 3.91  opnieuw te gebruiken als kamerverhuurpand als het gebruik als kamerverhuurpand één jaar of meer is onderbroken.

DDD

Subparagraaf 3.17.3.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Subparagraaf 3.17.3.2 Omgevingsplanactiviteit Woning gebruiken voor kamerverhuur

Artikel 3.90 Toepassingsbereik

De artikelen in deze subparagraaf, met uitzondering van Artikel 3.94 , zijn alleen van toepassing in de werkingsgebieden: Wonen algemeen, Wonen op de verdieping, Wonen op de bovenste verdieping.

Artikel 3.91 Nieuw kamerverhuurpand

Het gebruik van een woning als nieuw kamerverhuurpand is in afwijking van Artikel Artikel 3.88, eerste lid,eerste lid mogelijk op voorwaarde van een omgevingsvergunning.

Artikel 3.92 Vergroten kamerverhuurpand

Het vergroten van het aantal kamers in een bestaand of vergund kamerverhuurpand is in afwijking van Artikel Artikel 3.88, tweede lid,tweede lid mogelijk op voorwaarde van een omgevingsvergunning.

Artikel 3.93 Beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit kamerverhuurpand

  • 1.

    De omgevingsvergunning als bedoeld in artikelen Artikel 3.91  en  Artikel 3.92  wordt alleen verleend als wordt voldaan aan alle volgende voorwaarden:

    • a.

      De omgevingsvergunning moet worden geweigerd als er:

      • 1.

        Binnen een afstand van 50 meter van het aangevraagde kamerverhuurpand een bestaand of vergund kamerverhuurpand aanwezig is.

      • 2.

        Binnen een afstand van 50 meter van het aangevraagde kamerverhuurpand reeds een omgevingsvergunningaanvraag is ingediend (en nog niet is verleend of geweigerd) voor het realiseren van een kamerverhuurpand.

      • 3.

        Binnen een afstand van 50 meter van het aangevraagde kamerverhuurpand een rechtens aanwezige woning aanwezig is met een oppervlakte van kleiner of gelijk aan 50 m².

      • 4.

        Een bestaand of vergund kamerverhuurpand aanwezig is in het gebouw waar de omgevingsvergunning wordt aangevraagd;

    • b.

      Het aantal afzonderlijk te verhuren kamers bedraagt niet meer dan 7;

    • c.

      Het aangevraagde kamerverhuurpand voldoet aan de volgende minimale gebruiksoppervlakte kamerverhuur:

      • 1.

        minimaal 75 m2 bij 3 kamers

      • 2.

        minimaal 100 m2 bij 4 kamers

      • 3.

        minimaal 120 m2 bij 5 kamers

      • 4.

        minimaal 140 m2 bij 6 kamers

      • 5.

        minimaal 160 m2 bij 7 kamers

    • d.

      Op eigen terrein is een bereikbare in- of uitpandige bergingsruimte aanwezig voor de stalling van fietsen, afvalcontainer(s) of afvalzakken met een oppervlakte van:

      • 1.

        Bij 4 kamers of minder: Tenminste 6 m² bergruimte;

      • 2.

        Bij 5 kamers of meer: Tenminste 7 m² bergruimte en 1m² extra bergruimte voor iedere extra kamer.

    • e.

      Er wordt voldaan het bepaalde in Artikel 1.14.

    • f.

      Naar het oordeel van burgemeester en wethouders is er geen sprake van een kwetsbaar beeld van het woon- en leefklimaat in de omgeving. De beoordeling hiervan vindt plaats aan de hand van de beleidsregel 'Onzelfstandige bewoning Enschede 2022' dan wel, als deze tussentijds wordt gewijzigd of vervangen door een andere beleidsregel, aan deze gewijzigde respectievelijk vervangende beleidsregel.

    • g.

      Bij het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel Artikel 3.91  (nieuw kamerverhuurpand), is in een periode van 10 jaar daaraan voorafgaand geen omgevingsvergunning verleend voor een appartement (of meerdere) in de betreffende woning op grond van:

      • 1.

        artikel  Artikel 3.99 ; of

      • 2.

        Bestemmingsplan 'Kwalitatief sturen op appartementen 2022'.

  • 2.

    Bij een omgevingsvergunning als bedoeld in artikelen Artikel 3.91  en  Artikel 3.92  voor aantoonbare huisvesting van een doelgroep van beleid uit de gemeentelijke Woonvisie (en diens rechtsopvolgers), door woningbouwcorporaties waarmee prestatieafspraken zijn gemaakt, zijn de beoordelingsregels in artikel Artikel 3.93, eerste lid eerste lid van overeenkomstige toepassing. Daarbij kunnen burgemeester en wethouders gemotiveerd afwijken van het bepaalde onder sub a, b, c, f en g.

  • 3.

    De afstand van een kamerverhuurpand tot een bestaand of vergund kamerverhuurpand, zoals genoemd in artikel Artikel Artikel 3.93, eerste lid,eerste lid sub a, wordt als volgt gemeten:

    • a.

      De afstand wordt gemeten tussen ieder mogelijk punt op de perceelsgrenzen van het bouwperceel waarop het beoogde kamerverhuurpand gelegen is en ieder mogelijk punt op de perceelsgrenzen van het bouwperceel waarop de panden genoemd in Artikel Artikel 3.93, eerste lid,eerste lid sub a gelegen zijn;

    • b.

      Bij een beoogd kamerverhuurpand in een gebouw met gestapelde appartementen wordt, ongeacht de locatie van het beoogde kamerverhuurpand in het gebouw met gestapelde appartementen, de afstand ook gemeten vanaf ieder mogelijk punt vanaf de perceelsgrenzen van het bouwperceel waarop het gebouw met gestapelde appartementen gelegen is.

Artikel 3.94 Aanvraagvereisten Woning gebruiken voor kamerverhuur

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikelen Artikel 3.91  en  Artikel 3.92  worden de volgende gegevens verstrekt:

  • a.

    Het totaal aantal afzonderlijk te verhuren kamers.

  • b.

    Indien het een bestaand of vergund kamerverhuurpand betreft: het aantal kamers dat in de bestaande situatie afzonderlijk wordt verhuurd.

  • c.

    Een plattegrond waarop is aangegeven:

    • 1.

      De totale gebruiksoppervlakte kamerverhuur in de nieuwe situatie;

    • 2.

      Het aantal te verhuren kamers, genummerd per kamer en met vermelding van de oppervlakte per kamer.

    • 3.

      De in- of uitpandige bergingsruimte, met vermelding van de oppervlakte.

    • 4.

      De overige ruimtes, met vermelding van de oppervlakte per ruimte.

  • d.

    Gegevens ten behoeve van de toets op basis van de Wet Bibob.

Toepassingsbereik

Dit artikel is van toepassing in de in artikel Artikel 3.90  bedoelde werkingsgebieden.

Aanvullend zijn de aanvraagvereisten in dit artikel, binnen het werkingsgebied Omgevingsplan tijdelijk deel - onzelfstandige bewoning, overeenkomstig van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning op grond van het bestemmingsplan "Onzelfstandige bewoning Enschede 2022".

EEE

Artikel 3.97 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.97 Uitzondering voor vergunde appartementen

Het in artikel Artikel 3.96  bedoelde verbod geldt niet voor een appartement, waarvoor een omgevingsvergunning is verleend voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit omgevingsplan op de betreffende locatie van de appartementen.

FFF

Artikel 3.98 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.98 Gebruiksregels en specifieke bouwregels voor appartementen

Voor zover in afwijking van artikel Artikel 3.96  het realiseren en gebruik van appartementen is of kan worden toegestaan, gelden daarvoor de volgende voorwaarden:

  • a.

    Het minimum gebruiksoppervlak per appartement bedraagt 75 m2;

  • b.

    De hoofdtoegang van het appartement, dan wel de toegang tot de gemeenschappelijke verkeersruimte van meerdere appartementen, is gesitueerd op maximaal 5 meter vanaf de openbare weg;

  • c.

    Appartementen moeten beschikken over een fietsenberging die niet rechtstreeks toegankelijk is vanuit het appartement en buitenruimte van voldoende omvang. Daarvan is sprake indien elk appartement beschikt over:

    • 1.

      een eigen fietsenberging van 5 m2 of een collectieve fietsenberging, waarbij wordt voldaan aan de geldende normen voor fietsparkeren in de beleidsregel 'Nota Parkeernormen gemeente Enschede 2025', of in een beleidsregel die deze Nota wijzigt of vervangt.

    • 2.

      een eigen buitenruimte met een oppervlak van tenminste 6 m2 of een collectieve buitenruimte van tenminste 6 m2 per appartement, bijvoorbeeld in de vorm van een dakterras, balkon of loggia;

  • d.

    Er is geen sprake van het realiseren van appartementen in bestaande bebouwing buiten het bouwvlak;

  • e.

    Het is niet toegestaan om appartementen te splitsen in kleinere appartementen.

GGG

Artikel 3.99 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.99 Omgevingsplanactiviteit realiseren en gebruiken appartementen

  • 1.

    In afwijking van artikel Artikel 3.96  kan in de volgende situaties een omgevingsvergunning worden verleend voor realisatie en/of gebruik van een appartement:

    • a.

      in of bij een monument of een in het geldende omgevingsplan als 'karakteristiek' aangewezen cultuurhistorisch waardevol gebouw;

    • b.

      dat de aantoonbare huisvesting betreft van een doelgroep van programmering als genoemd in de gemeentelijke Woonvisie betreft, dan wel diens rechtsopvolger;

    • c.

      dat een sociale huurwoning betreft voor huisvesting door woningbouwcorporaties waarmee prestatieafspraken zijn gemaakt.

  • 2.

    Voor (een aanvraag om) een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel Artikel 3.99, eerste lid,eerste lid zijn, voor wat de omgevingsplanactiviteit bouwwerken betreft, de vergunningplicht en aanvraagvereisten opgenomen in Paragraaf 2.1.1.

    Daarnaast zijn voor wat het gebruik betreft de in Artikel 1.27 bedoelde aanvraagvereisten van toepassing.

HHH

Artikel 3.100 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.100 Beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit realiseren en gebruiken appartementen

  • 1.

    Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel Artikel 3.99, eerste lid eerste lid wordt alleen verleend als wordt voldaan aan het bepaalde in artikelen Artikel 1.14  en  Artikel 3.98 .

    Aanvullend geldt per onderdeel van artikel Artikel 3.99, eerste lideerste lid:

    • onderdeel a: het toevoegen van een appartement dient aantoonbaar bij te dragen aan het behoud van de karakteristieke waarden.

    • onderdeel b: er kan worden afgeweken van Artikel 3.98 onderdeel a.

    • onderdeel c:

      • er kan worden afgeweken van Artikel 3.98 onderdeel a en c sub 2; en

      • voor de sociale huurwoning geldt de minimale instandhoudingstermijn als bedoeld in de 'Doelgroepenverordening sociale huur en middenhuur Enschede 2021' (of diens rechtsopvolger).

    • a.

      onderdeel a: het toevoegen van een appartement dient aantoonbaar bij te dragen aan het behoud van de karakteristieke waarden.

    • b.

      onderdeel b: er kan worden afgeweken van artikel 3.98onderdeel a.

    • c.

      onderdeel c:

      • 1.

        er kan worden afgeweken van artikel 3.98 onderdeel a en c sub 2; en

      • 2.

        voor de sociale huurwoning geldt de minimale instandhoudingstermijn als bedoeld in de 'Doelgroepenverordening sociale huur en middenhuur Enschede 2021' (of diens rechtsopvolger).

III

Artikel 3.102 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.102 Behorende bij zorginstelling

Binnen het werkingsgebied Zorginstelling mogen de gronden gebruikt worden voor bij de activiteit behorende bouwwerken, erven, terreinen, voorzieningen en activiteiten, zoals:

  • parkeervoorzieningen en laden en lossen;

  • voorzieningen ten behoeve van warmte-koude-opslag;

  • nutsvoorzieningen;

  • toegangswegen.

  • a.

    parkeervoorzieningen en laden en lossen;

  • b.

    voorzieningen ten behoeve van warmte-koude-opslag;

  • c.

    nutsvoorzieningen;

  • d.

    toegangswegen.

JJJ

Artikel 5.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.1 (Nadere) Beoordelingsregels bodemkwaliteit bij omgevingsplanactiviteit bouwwerken

  • 1.

    Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk (de vergunning als bedoeld in Artikel 2.1), wordt de omgevingsvergunning, als deze betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, alleen verleend als ook:

    • a.

      de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden; of

    • b.

      aannemelijk is dat sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen als er wel een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit van de bodem is. Een sanerende of andere beschermende maatregel is in ieder geval een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

  • 2.

    Van het overschrijden van de toelaatbare kwaliteit van de bodem, als bedoeld in artikel Artikel 5.1, eerste lid eerste lid onder a, is sprake als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving.

  • 3.

    Het zinsdeel “in meer dan 25 m3 bodemvolume” in artikel Artikel 5.1, tweede lid tweede lid is niet van toepassing voor zover het gaat om aanwezigheid van asbest.

KKK

Artikel 5.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.3 Voorschrift omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: na einde activiteit

Aan een omgevingsvergunning voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie die is verleend met toepassing van artikel Artikel 5.1, eerste lideerste lid, aanhef en onder b, wordt in ieder geval het voorschrift verbonden dat het gebouw, of een gedeelte daarvan, alleen in gebruik wordt genomen nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop er een of meer sanerende of andere beschermende maatregelen zijn getroffen als bedoeld in artikel Artikel 5.1 .

LLL

Artikel 5.18 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.18 Risicogebied lpg

  • 1.

    Binnen het werkingsgebied Risicogebied lpg zijn geen kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten toegestaan.

  • 2.

    Binnen het werkingsgebied Risicogebied lpg geldt het onder artikel Artikel 5.18, eerste lid eerste lid genoemde verbod niet indien er sprake is van functionele binding conform artikel 5.5. Besluit kwaliteit leefomgeving.

  • 3.

    Binnen het werkingsgebied Risicogebied lpg geldt het onder artikel Artikel 5.18, eerste lid eerste lid genoemde verbod niet indien er sprake is van eerbiedigende werking conform artikel 5.3a. Besluit kwaliteit leefomgeving.

MMM

Artikel 5.26 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.26 Algemene regels parkeren

 

  • a.

    Binnen het werkingsgebied Omgevingsplan nieuw deel moet bij het (ver)bouwen van bouwwerken en/of het wijzigen van het gebruik van bouwwerken en/of gronden, gelet op de omvang en het gebruik daarvan, in voldoende mate worden voorzien in ruimte voor:

    • 1.

      het parkeren van auto's;

    • 2.

      het stallen van fietsen;

    • 3.

      het stallen van brommers, scooters en andere soortgelijke vervoersmiddelen.

  • b.

    De onder a genoemde voorzieningen worden gerealiseerd en in stand gehouden op eigen terrein.

  • c.

    In afwijking van b is het mogelijk om de voorzieningen als bedoeld onder a niet (geheel) op eigen terrein te realiseren, onder de volgende voorwaarden:

    • 1.

      Er wordt aantoonbaar op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingsruimte voorzien;

    • 2.

      In het geval van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken en/of voor het wijzigen van het gebruik van bouwwerken en/of gronden wordt voldaan aan de algemene beoordelingsregel in Artikel 1.14.

    • 3.

      Stallingsplaatsen voor fietsen van bewoners en gebruikers van appartementen dienen inpandig (in een gebouw of onder een overkapping) te worden gerealiseerd.

  • d.

    Bij de beoordeling of er wordt voldaan aan het genoemde onder a gelden de parkeernormen en andere richtlijnen (zoals afmetingen van parkeerplaatsen) in de beleidsregel 'Nota Parkeernormen gemeente Enschede 2025' of in een beleidsregel die deze Nota wijzigt of vervangt.

NNN

Artikel 5.34 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.34 Omgevingsplanactiviteit uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

  • 1.

    Binnen het werkingsgebied Watersystemen Enschede is het verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende werken, niet zijnde bouwwerken, of werkzaamheden uit te (laten) voeren als deze niet ten dienste staan van essentiële onderdelen van de waterhuishouding van Enschede:

    • a.

      het graven en/of dempen van watergangen/waterpartijen;

    • b.

      het door afwateren, ontwateren of afdammen wijzigen van de grondwaterstand;

    • c.

      het aanleggen van drainagebuizen;

    • d.

      het ontginnen, bodemverlagen, afgraven, ophogen en egaliseren van gronden;

    • e.

      het aanbrengen van ondergrondse leidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;

    • f.

      het aanbrengen van oppervlakteverharding;

    • g.

      het vellen, rooien, of verwijderen van houtwallen, boomsingels en houtopstanden.

  • 2.

    Binnen het werkingsgebied Watersystemen Enschede zijn de onder Artikel Artikel 5.34, eerste lid,eerste lid bedoelde verboden niet van toepassing op werken of werkzaamheden, die van geringe omvang zijn dan wel het normale gebruik of het beheer van watersystemen betreffen.

  • 3.

    Binnen het werkingsgebied Watersystemen Enschede worden de omgevingsvergunningen, zoals genoemd onder Artikel 5.34, eerste lid, alleen verleend als direct of indirect geen permanente belemmering ontstaat voor de aanleg, de werking of het onderhoud van de waterhuishoudkundige functie.

OOO

Artikel 22.29 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.29 (verplaatst en vervallen)

PPP

Lid 1. wordt verplaatst van artikel 22.52a naar artikel 22.52. Lid 2. wordt verplaatst van artikel 22.52a naar artikel 22.52. Artikel 22.52 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.52 Energie: maatregelen, overgangsrecht  en informatieplicht

  • 1.

    Alle energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van ten hoogste vijf jaar worden getroffen.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing:

    • a.

      als het energieverbruik van de activiteit en andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die de activiteit functioneel ondersteunen, in het voorafgaande jaar kleiner is dan 50.000 kWh aan elektriciteit en 25.000 m3 aardgasequivalenten aan brandstoffen;

    • b.

      als artikel 15.51 of 16.5 van de Wet milieubeheer van toepassing is; of

    • c.

      op energiebesparende maatregelen aan een gebouw of gedeelte daarvan als bedoeld in artikel 3.84 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

  • 3.

    Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan door het treffen van de maatregelen die zijn opgenomen in bijlage VII, onderdeel 16, bij de Omgevingsregeling.

  • 4.

    Dit artikel is van toepassing tot 1 december 2023.

  • [Red: Lid 1. verplaatst van artikel 22.52a naar artikel 22.52. ]

  • 1 5.

    Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 2.15, tweede, tiende of elfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer gegevens en bescheiden zijn verstrekt of hadden moeten worden verstrekt, blijven de uit artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, volgende verplichtingen en de verplichtingen volgend uit de regels die bij of krachtens dat artikel in samenhang met artikel 1.7, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn gesteld, tot 1 december 2023 van toepassing.

  • [Red: Lid 2. verplaatst van artikel 22.52a naar artikel 22.52. ]

  • 2 6.

    Op een activiteit waarop het eerste  vijfde lid van toepassing is, is gedurende de periode, bedoeld in dat lid, Artikel Artikel 22.52  eerste tot en met vierde lid niet van toepassing.

QQQ

Artikel 22.52a wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.52a Energie: overgangsrecht maatregelen en informatieplicht

[Vervallen]

[Vervallen]

RRR

Lid 1. wordt verplaatst van artikel 22.61a naar artikel 22.61. Lid 2. wordt verplaatst van artikel 22.61a naar artikel 22.61. Lid 3. wordt verplaatst van artikel 22.61a naar artikel 22.61. Lid 4. wordt verplaatst van artikel 22.61a naar artikel 22.61. Lid 5. wordt verplaatst van artikel 22.61a naar artikel 22.61. Artikel 22.61 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.61 Gegevens en bescheiden: rapport geluidonderzoek

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit wordt het rapport van het geluidonderzoek, bedoeld in Artikel 22.60, verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan op grond van de gegevens in het rapport van het geluidonderzoek, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • [Red: Lid 1. verplaatst van artikel 22.61a naar artikel 22.61. ]

  • 1 3.

    Dit artikel is Het derde lid t/m zevende lid zijn van toepassing op een activiteit op een gezoneerd industrieterrein en op een activiteit op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld.

  • [Red: Lid 2. verplaatst van artikel 22.61a naar artikel 22.61. ]

  • 2 4.

    Dit artikel is Het derde lid t/m zevende lid zijn niet van toepassing op een activiteit waar:

    • a.

      tussen 19.00 en 7.00 uur gemiddeld niet meer dan vier transportbewegingen per dag plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn;

    • b.

      het mede op basis van de aard van de activiteit, niet aannemelijk is dat in enige ruimte op de locatie waarop de activiteit wordt verricht het equivalente geluidsniveau (LAeq) veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan:

      • 1.

        70 dB(A), als deze ruimte in- of aanpandig is gelegen met geluidgevoelige gebouwen;

      • 2.

        80 dB(A), in andere gevallen dan bedoeld onder 1;

    • c.

      in de buitenlucht of op een open terrein geen muziek ten gehore wordt gebracht;

    • d.

      in de buitenlucht geen oefenterrein voor motorvoertuigen aanwezig is;

    • e.

      geen koelinstallatie aanwezig is die volgens de gebruiksaanwijzing behoort te zijn gevuld met meer dan 30 kg synthetisch koudemiddel;

    • f.

      geen gemotoriseerde modelvliegtuigen, modelvaartuigen of modelvoertuigen in de open lucht worden gebruikt;

    • g.

      geen parkeergelegenheid wordt geboden in een parkeergarage voor meer dan 30 personenauto’s;

    • h.

      geen noodstroomaggregaat aanwezig is dat meer dan 50 uren per jaar in werking is; en

    • i.

      geen transformatoren met een maximaal gelijktijdig in te schakelen elektrisch vermogen van 200 MVA of meer, die zijn ondergebracht in een gesloten gebouw, worden gebruikt;

  • [Red: Lid 3. verplaatst van artikel 22.61a naar artikel 22.61. ]

  • 3 5.

    Dit artikel is Het derde lid t/m zevende lid zijn ook niet van toepassing op een activiteit waarvoor op grond van hoofdstuk 2, 3, 4 of 5 van het Besluit activiteiten leefomgeving, Artikel 22.61 of een ander artikel in deze afdeling een verplichting geldt om gegevens en bescheiden te verstrekken of een omgevingsvergunning aan te vragen voor het beginnen of wijzigen van die activiteit.

  • [Red: Lid 4. verplaatst van artikel 22.61a naar artikel 22.61. ]

  • 4 6.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein; en

      • 2.

        de ligging van de gebouwen;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • [Red: Lid 5. verplaatst van artikel 22.61a naar artikel 22.61. ]

  • 5 7.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

SSS

Artikel 22.61a wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.61a Gegevens en bescheiden

[Vervallen]

[Vervallen]

TTT

Artikel 22.62 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.62 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw, met uitzondering van een activiteit als bedoeld in Subparagraaf 22.3.4.3 en Subparagraaf 22.3.4.4.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op het geluid waarvoor bij maatwerkvoorschrift of maatwerkregel is bepaald dat het niet representatief is voor een activiteit.

  • 3.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op een windpark met 3 of meer windturbines.

UUU

Artikel 22.62a wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.62a (tijdelijke uitzondering windparken)

Deze paragraaf is niet van toepassing op een windpark met 3 of meer windturbines.

[Vervallen]

VVV

Artikel 22.64 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.64 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen: tankstation

  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van Artikel 22.63, eerste lidArtikel22.63, eerste lid , Artikel Artikel 22.63, derde lid,derde lid en Artikel 22.63, vierde lid, het geluid door het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden, op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.4.

    Tabel 22.3.4 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw door het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden

     

    07.00 - 21.00 uur

    21.00 - 07.00 uur

    Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten

    50 dB(A)

    40 dB(A)

    Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten

    70 dB(A)

    60 dB(A)

  • 2.

    De in het eerste lid opgenomen maximale geluidniveaus LAmax zijn niet van toepassing op laden en lossen in de periode tussen 07.00 en 21.00 uur.

WWW

Artikel 22.68 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.68 Geluid: waarden op drijvende woonfunctie voor 1 juli 2012

Voor een drijvende woonfunctie is de waarde 5 dB(A) hoger dan de waarden, bedoeld in Artikel Artikel 22.63, eerste lid, eerste lid, Artikel Artikel 22.64, eerste lid, eerste lid, Artikel Artikel 22.65, eerste lid,eerste lid en Artikel 22.66, eerste lid, als de locatie van de drijvende woonfunctie voor 1 juli 2012:

  • a.

    voor een woonschip was bestemd; of

  • b.

    in een gemeentelijke verordening is aangewezen om door een drijvende woonfunctie te worden ingenomen en:

    • 1.

      voor 1 juli 2022 voor een woonschip is bestemd; of

    • 2.

      de aanwezigheid van een woonschip voor 1 juli 2022 in dit omgevingsplan is toegelaten.

XXX

Artikel 22.98 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.98 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: waarden

  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor de geur op een geurgevoelig object door de activiteit niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.10.

    Tabel 22.3.10 Waarde voor geur ouE/m3als 98-percentiel op eengeurgevoelig object bij geur door het houden vanlandbouwhuisdieren met geuremissiefactor

    Geurgevoelig geurgevoelig object

    Waarde

    Gelegen binnen de bebouwde kom en buiten een concentratiegebied geurhinder en veehouderij

    2,0 ouE/m3

    Gelegen binnen de bebouwde kom en binnen een concentratiegebied geurhinder en veehouderij

    3,0 ouE/m3

    Gelegen buiten de bebouwde kom en buiten een concentratiegebied geurhinder en veehouderij

    8,0 ouE/m3

    Gelegen buiten de bebouwde kom en binnen een concentratiegebied geurhinder en veehouderij

    14,0 ouE/m3

  • 2.

    Op het berekenen van de geur, bedoeld in het eerste lid, is artikel 6.14 van de Omgevingsregeling van toepassing.

YYY

Artikel 22.100 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.100 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: afstand tot bijzondere geurgevoelige objecten

Artikel 22.98, eerste lid, is niet van toepassing bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor, als de afstand op een locatie gelijk of groter is dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.11, tot de volgende geurgevoelige objecten:

  • a.

    een geurgevoelig object dat een functionele binding heeft met een dierenverblijf in de directe omgeving daarvan;

  • b.

    een geurgevoelig object dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden een functionele binding te hebben met een dierenverblijf in de directe omgeving daarvan;

  • c.

    een geurgevoelig object met een woonfunctie dat op of na 19 maart 2000 is gebouwd:

    • 1.

      op een locatie die op dat tijdstip werd gebruikt voor het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf;

    • 2.

      in samenhang met het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen van het dierenverblijf; en

    • 3.

      in samenhang met de sloop van een dierenverblijf of bedrijfsgebouw dat onderdeel heeft uitgemaakt van een gebouw voor het houden van landbouwhuisdieren of voor functioneel ondersteunende activiteiten; en

  • d.

    een geurgevoelig object dat aanwezig is op een locatie waar een geurgevoelig object met een woonfunctie als bedoeld onder c is gebouwd.

Tabel 22.3.11 Afstand tot eengeurgevoelig object met functionele binding of geen functionele binding meer op of na 19 maart 2000 en ruimte-voor-ruimtewoning bij geur door het houden vanlandbouwhuisdieren met geuremissiefactor

Geurgevoelig geurgevoelig objectmet functionele binding of functionele binding tot 19 maart 2000

Afstand

Gelegen binnen de bebouwde kom

100 m

Gelegen buiten de bebouwde kom

50 m

ZZZ

Artikel 22.101 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.101 Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s voor het berijden: afstand

Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is bij het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony's die gehouden worden voor het berijden, de afstand tot een geurgevoelig object, niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.12.

Tabel 22.3.12 Afstand tot een geurgevoelig object bij geur door het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony's die gehouden worden voor het berijden

Geurgevoelig geurgevoelig object

Afstand

Gelegen binnen de bebouwde kom

100 m

Gelegen buiten de bebouwde kom

50 m

AAAA

Artikel 22.103 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.103 Geur landbouwhuisdieren en paarden of pony’s voor het berijden: afstand vanaf de gevel dierenverblijf

  • 1.

    Onverminderd Artikel 22.98 tot en met Artikel 22.102 is bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor of zonder geuremissiefactor of paarden en pony's die gehouden worden voor het berijden, de afstand niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.13.



    Tabel 22.3.13 Afstand gevel dierenverblijf tot een geurgevoelig object bij geur door het houden van landbouwhuisdieren of paarden en pony's die gehouden worden voor het berijden

    Geurgevoelig geurgevoelig object

    Afstand

    Gelegen binnen de bebouwde kom

    50 m

    Gelegen buiten de bebouwde kom

    25 m

  • 2.

    In afwijking van Artikel 22.97 geldt de afstand, bedoeld in het eerste lid, vanaf de gevel van een dierenverblijf.

BBBB

Artikel 22.114 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.114 Geur opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie: afstand

  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op het opslaan van:

    • a.

      vaste mest die afkomstig is van landbouwhuisdieren of paarden en pony's die gehouden worden voor het berijden;

    • b.

      champost; of

    • c.

      dikke fractie.

  • 2.

    Dit artikel is niet van toepassing op:

    • a.

      het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie met een totaal volume van 3 m3 of minder;

    • b.

      het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie korter dan twee weken op een plek; en

    • c.

      het opslaan van meer dan 600 m3 vaste mest.

  • 3.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de afstand voor geur door het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie vanaf het dichtstbijzijnde punt van de opslagplaats tot een geurgevoelig object niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.17

    Tabel22.3.17 Afstand tot een geurgevoelig objectbij geur door het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie

    Opslaan van vaste mest, champost en dikke fractie

    Afstand

    Geurgevoelig geurgevoelig object gelegen binnen de bebouwde kom

    100 m

    Geurgevoelig geurgevoelig object gelegen buiten de bebouwde kom

    50 m

CCCC

Artikel 22.115 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.115 Geur opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong: afstand

  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op het opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong met een totaal volume van meer dan 3 m3.

  • 2.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de afstand voor geur door het opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong vanaf het dichtstbijzijnde punt van de opslagplaats tot een geurgevoelig object niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.18.

    Tabel 22.3.18 Afstand tot een geurgevoelig object bij geur door het opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong

    Opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong

    Afstand

    Geurgevoelig geurgevoelig object gelegen binnen de bebouwde kom

    100 m

    Geurgevoelig geurgevoelig object gelegen buiten de bebouwde kom

    50 m

DDDD

Artikel 22.118 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.118 Geur voorziening biologisch behandelen dierlijke meststoffen voor of na vergisten: afstand

  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op het exploiteren van een voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten van dierlijke meststoffen, bedoeld in artikel 4.864 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

  • 2.

    Dit artikel is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

  • 3.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de afstand vanaf het dichtstbijzijnde punt van de voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten tot een geurgevoelig object niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.21.

    Tabel 22.3.21 Afstand tot een geurgevoelig object bij geur door een voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten

    Voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten

    Afstand

    Geurgevoelig geurgevoelig object, gelegen binnen de bebouwde kom

    100 m

    Geurgevoelig geurgevoelig object, gelegen buiten de bebouwde kom

    50 m

EEEE

Artikel 22.119 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.119 Geur composteren of opslaan van groenafval: afstand

  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op het composteren of opslaan van groenafval met een volume van 3 m3 tot en met 600 m3.

  • 2.

    Dit artikel is niet van toepassing op groenafval dat een gevaarlijke afvalstof of gebruikt substraatmateriaal is.

  • 3.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de afstand vanaf het dichtstbijzijnde punt van de composteringshoop of de opslagplaats voor groenafval tot een geurgevoelig object niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.22.

    Tabel 22.3.22 Afstand tot een geurgevoelig object bij geur door het composteren of opslaan van groenafval

    Composteren of opslaan van groenafval

    Afstand

    Geurgevoelig geurgevoelig object, gelegen binnen de bebouwde kom

    100 m

    Geurgevoelig geurgevoelig object, gelegen buiten de bebouwde kom

    50 m

FFFF

Artikel 22.120 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.120 Geur overige agrarische activiteiten: eerbiedigende werking

  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie, bedoeld in Artikel 22.114, het opslaan van substraatmateriaal van plantaardige oorsprong, bedoeld in Artikel 22.113, het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen, bedoeld in Artikel 22.116, en het composteren of opslaan van groenafval, bedoeld in Artikel 22.119, als:

    • a.

      het opslaan al voor 1 januari 2013 plaatsvond;

    • b.

      de afstand tussen een activiteit en een geurgevoelig object op 1 januari 2013 rechtmatig kleiner was dan de afstand, bedoeld in Artikel Artikel 22.114, derde lid, derde lid, Artikel Artikel 22.115, tweede lid, tweede lid, Artikel Artikel 22.116, derde lid, derde lid, of Artikel 22.119, derde lid; en

    • c.

      verplaatsing van de opslagplaats of composteringshoop redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

  • 2.

    Dit artikel is ook van toepassing op het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een of meer mestbassins, bedoeld in Artikel 22.117, eerste lid, als:

    • a.

      de afstand tussen de activiteit, bedoeld in Artikel 22.117, eerste lid, en een geurgevoelig object op 1 januari 2013 rechtmatig kleiner was dan de afstand, bedoeld in Artikel 22.117, tweede lid;

    • b.

      het mestbassin voor 1 januari 2013 is opgericht; en

    • c.

      verplaatsing van het mestbassin redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

  • 3.

    In een geval als bedoeld in het eerste of tweede lid is Artikel Artikel 22.114, derde lid, derde lid, Artikel Artikel 22.115, tweede lid, tweede lid, Artikel Artikel 22.116, derde lid, derde lid, Artikel Artikel 22.117, tweede lid, tweede lid, of Artikel 22.119, derde lid, niet van toepassing en neemt de afstand tot een geurgevoelig object niet af.

GGGG

Artikel 22.122 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.122 Geur zuiveringtechnisch werk: waarde

  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de geur op een geurgevoelig object niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.23.

    Tabel 22.3.23 Waarde voor geur ouE/m3 als 98-percentiel door een zuiveringtechnisch werk op eengeurgevoelig object

    Activiteit

    Geurgevoelig geurgevoelig object

    Grenswaarde

    Het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk

    Gelegen binnen de bebouwde kom, anders dan op een gezoneerd industrieterrein, een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld of een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein

    0,5 ouE/m3

    Het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk

    Gelegen:

    - op een gezoneerd industrieterrein;

    - op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;

    - op een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein, of

    - buiten de bebouwde kom

    1 ouE/m3

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid is de geur op een geurgevoelig object door het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk dat is opgericht voor 1 februari 1996 en waarvoor op 1 februari 1996 een vergunning op grond van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer in werking en onherroepelijk was, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.24.

    Tabel 22.3.24 Waarde voor geur ouE/m3 als 98-percentiel door een zuiveringtechnisch werk opgericht voor 1 februari 1996 op eengeurgevoelig object

    Activiteit

    Geurgevoelig geurgevoelig object

    Grenswaarde

    Het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk, opgericht voor

    1 februari 1996

    Gelegen binnen de bebouwde kom, anders dan op een gezoneerd industrieterrein, een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld of een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein

    1,5 ouE/m3

    Het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk, opgericht voor

    1 februari 1996

    Gelegen:

    - op een gezoneerd industrieterrein;

    - op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;

    - op een Activiteitenbesluit- bedrijventerrein, of

    - buiten de bebouwde kom

    3,5 ouE/m3

  • 3.

    Op het berekenen van de geur is artikel 6.13 van de Omgevingsregeling van toepassing.

HHHH

Na het lichaam wordt een bijlage ingevoegd, luidende:

Bijlage I Overzicht Informatieobjecten

Agrarisch

/join/id/regdata/gm0153/2025/gioc881693f-2a63-480a-a864-f4dbf211daa3/nld@2026‑04‑17;07122019

Agrarische schuur

/join/id/regdata/gm0153/2025/gio26a80331-b477-431d-ac4f-a15c7500592c/nld@2026‑04‑17;07122019

Archeologisch onderzoeksgebied a

/join/id/regdata/gm0153/2025/gio81a6b1fe-f202-478b-a091-36a6b21f8201/nld@2026‑04‑17;07122019

Archeologisch onderzoeksgebied b

/join/id/regdata/gm0153/2025/gio0c2c6353-b3aa-4a4b-85db-ff9996f5376d/nld@2026‑04‑17;07122019

Bedrijf

/join/id/regdata/gm0153/2025/giod45847ee-788d-4b9b-af93-5cf90019cc12/nld@2026‑04‑17;07122019

Bedrijf bg

/join/id/regdata/gm0153/2025/gio885a7e53-7a9d-4e3c-acff-c21ab55ba7cd/nld@2026‑04‑17;07122019

Bedrijf gebruik

/join/id/regdata/gm0153/2025/gioe417f554-71cd-4872-a9bd-4a204ba5f443/nld@2026‑04‑17;07122019

Bedrijfswonen

/join/id/regdata/gm0153/2025/gio1eb90ee9-b586-4874-a7d5-f7c5e0a959b6/nld@2026‑04‑17;07122019

Bijgebouw wonen

/join/id/regdata/gm0153/2025/giofe922d44-9712-409d-8f34-b36bae09bbde/nld@2026‑04‑17;07122019

Bouwvlak

/join/id/regdata/gm0153/2025/gio59179803-2680-4a69-9427-902985117959/nld@2026‑04‑17;07122019

Cultuurhistorische structuur

/join/id/regdata/gm0153/2025/gio8a52612b-b6ca-40fe-89d9-311c22f3a18b/nld@2026‑04‑17;07122019

Detailhandel

/join/id/regdata/gm0153/2025/gioe04abfc8-4ee5-40ca-a503-e3dc06f90620/nld@2026‑04‑17;07122019

Detailhandel bg

/join/id/regdata/gm0153/2025/gio8ac4765d-7834-45e5-ab8a-65dc9b916219/nld@2026‑04‑17;07122019

Detailhandel bg gebruik

/join/id/regdata/gm0153/2025/gio9b8c304d-3544-40f2-8f04-2daa25540e2d/nld@2026‑04‑17;07122019

Dienstverlening

/join/id/regdata/gm0153/2025/gioeaf90b28-0c2f-431b-9c0f-fb4a2cd50c94/nld@2026‑04‑17;07122019

Dienstverlening - huidverzorging

/join/id/regdata/gm0153/2025/giof8806bd7-b653-45d3-b99f-96f7d14f971e/nld@2026‑04‑17;07122019

Dienstverlening bg

/join/id/regdata/gm0153/2025/gio79e2c009-f8f2-4287-8285-e4fd87b0eb8b/nld@2026‑04‑17;07122019

Dienstverlening gebruik

/join/id/regdata/gm0153/2025/gio49635403-e5be-4abb-ad54-c6b4b1962d4d/nld@2026‑04‑17;07122019

Fok- en rijpaardenhouderij

/join/id/regdata/gm0153/2025/giof8170964-3314-46fc-a845-9a28a65e44f1/nld@2026‑04‑17;07122019

Garageboxen

/join/id/regdata/gm0153/2025/gio12df09b1-fd86-4e97-b1ba-c13b6b96dc18/nld@2026‑04‑17;07122019

geluidzone - industrie

/join/id/regdata/gm0153/2025/gio4b6975b5-d8cd-4dac-b3b8-6adcce869c01/nld@2026‑04‑17;07122019

Horeca

/join/id/regdata/gm0153/2025/giof32df03e-9cc5-46f8-95ea-98050d2ebed1/nld@2026‑04‑17;07122019

Horeca bg

/join/id/regdata/gm0153/2025/gio0fad1759-978d-4899-ae86-2018c07505ce/nld@2026‑04‑17;07122019

Horeca categorie 1

/join/id/regdata/gm0153/2025/gio70bf8413-0ad1-467f-a3bf-b22ec4350a20/nld@2026‑04‑17;07122019

Horeca gebruik

/join/id/regdata/gm0153/2025/gio4d1249f4-f163-44d6-a039-06d0cc8b7eef/nld@2026‑04‑17;07122019

Kantoor

/join/id/regdata/gm0153/2025/gio74ffa403-502a-4390-89f1-697344c4ec4b/nld@2026‑04‑17;07122019

Kantoor gebruik

/join/id/regdata/gm0153/2025/gioc9f5b5b3-f94a-4777-84cd-f9e77557ce4c/nld@2026‑04‑17;07122019

Karakteristiek

/join/id/regdata/gm0153/2025/gioeb0c5b23-3f56-487a-97b3-b0bacf672477/nld@2026‑04‑17;07122019

Luifel

/join/id/regdata/gm0153/2025/gio56de4c15-6998-47dd-9ab3-0e029acb72fe/nld@2026‑04‑17;07122019

Maatschappelijk

/join/id/regdata/gm0153/2025/gio220122e8-266c-4815-ba66-19263bbd1d3f/nld@2026‑04‑17;07122019

Maatschappelijk bg

/join/id/regdata/gm0153/2025/giof4fbd0b3-53b8-4e2d-9788-c2c986a9c005/nld@2026‑04‑17;07122019

Maatschappelijk gebruik

/join/id/regdata/gm0153/2025/gio12a91651-c2c1-4b8d-bc70-b0c51b6af636/nld@2026‑04‑17;07122019

Manege

/join/id/regdata/gm0153/2025/gio802f57c8-d17d-4226-8b69-929cb3d05c70/nld@2026‑04‑17;07122019

maximum aantal bedrijfswoningen

/join/id/regdata/gm0153/2025/giofa922155-d541-42f5-92f8-c41bdd795cf2/nld@2026‑04‑17;07122019

maximum aantal woningen

/join/id/regdata/gm0153/2025/gio43ed74b4-e056-4f6c-b8f3-a813ff560337/nld@2026‑04‑17;07122019

maximum bouwhoogte

/join/id/regdata/gm0153/2025/gio24002b37-e75d-4b29-ac85-995a8990d290/nld@2026‑04‑17;07122019

maximum goothoogte

/join/id/regdata/gm0153/2025/gio9382ff09-9df7-4c10-b416-52bb3611628f/nld@2026‑04‑17;07122019

maximum verkoopvloeroppervlakte

/join/id/regdata/gm0153/2025/gio368eb997-b041-407f-8b4f-03fd6a3c5990/nld@2026‑04‑17;07122019

maximum volume

/join/id/regdata/gm0153/2025/gioc3902222-5dca-4dc8-8acc-f9fca7f57851/nld@2026‑04‑17;07122019

Meubelservice

/join/id/regdata/gm0153/2025/gio9a0ed39f-4c21-4e54-92dc-610bd6bda29a/nld@2026‑04‑17;07122019

Omgevingsplan nieuw deel

/join/id/regdata/gm0153/2025/giof6dc7dd3-df49-4146-b341-7b6f4117ab1c/nld@2026‑04‑17;07122019

Omgevingsplan tijdelijk deel - onzelfstandige bewoning

/join/id/regdata/gm0153/2026/giob5da121b-27f4-4bf1-8f20-9088797b5dd3/nld@2026‑04‑17;07122019

Onderdoorgang

/join/id/regdata/gm0153/2025/giod943efca-c153-4f37-ad42-8cfe1d169289/nld@2026‑04‑17;07122019

Onderwijs

/join/id/regdata/gm0153/2025/gio68ff77bb-a757-43d0-ba91-211a9193aac9/nld@2026‑04‑17;07122019

Openbaar gebied

/join/id/regdata/gm0153/2025/gio04f585b3-2980-42e7-830e-c87bba777d55/nld@2026‑04‑17;07122019

Openbare dienstverlening

/join/id/regdata/gm0153/2025/gioc0b2899c-3feb-4da0-b419-379d15475006/nld@2026‑04‑17;07122019

Opslag en stalling

/join/id/regdata/gm0153/2025/gio66d24651-7e5f-4cb6-acce-f6e4c0de3067/nld@2026‑04‑17;07122019

Praktijkruimte gebruik

/join/id/regdata/gm0153/2025/gioce4b50fc-413c-492d-9ae6-b92fc27a6ef9/nld@2026‑04‑17;07122019

Religie

/join/id/regdata/gm0153/2025/gioecd716d6-dc09-441a-8d1a-f00aa4684e1e/nld@2026‑04‑17;07122019

Risicogebied lpg

/join/id/regdata/gm0153/2025/gioc9c063b6-1447-4fb4-a5ae-18a9c0b72a9d/nld@2026‑04‑17;07122019

Speeltuin

/join/id/regdata/gm0153/2025/gio831a2776-33c5-49a6-a550-6ede94da9685/nld@2026‑04‑17;07122019

Sport

/join/id/regdata/gm0153/2025/gio540af8a8-8877-4ddc-b96f-15b7b9ec230e/nld@2026‑04‑17;07122019

Sporthal

/join/id/regdata/gm0153/2025/gio5de4b678-4d6e-4dff-8026-bca1107b1f83/nld@2026‑04‑17;07122019

Tentenproductie

/join/id/regdata/gm0153/2025/giof8e15901-b36b-4c21-a82c-1dd7533b247a/nld@2026‑04‑17;07122019

Tuincentrum

/join/id/regdata/gm0153/2025/gioab161241-7c99-4dbe-a7a4-040a7ac63e10/nld@2026‑04‑17;07122019

Veldsportcomplex met verlichting

/join/id/regdata/gm0153/2025/gio061e0e4e-40dd-4bce-9e70-7244fb2549af/nld@2026‑04‑17;07122019

Verenigingsleven

/join/id/regdata/gm0153/2025/gioec546b44-fa4c-422d-9936-16cb8db8fa33/nld@2026‑04‑17;07122019

Verkeer

/join/id/regdata/gm0153/2025/gio3f075c8f-fa8c-47b2-8cea-627785f2d594/nld@2026‑04‑17;07122019

Verkooppunt motorbrandstoffen met lpg

/join/id/regdata/gm0153/2025/gio9f57602f-d0b1-4d89-b397-895291490b1c/nld@2026‑04‑17;07122019

waterberging

/join/id/regdata/gm0153/2025/gio5ea2ba8a-55ce-4582-b3e0-02acdba05147/nld@2026‑04‑17;07122019

Watersystemen Enschede

/join/id/regdata/gm0153/2025/gio21fe6a38-bce4-4aeb-9de5-41aa7c67f2b5/nld@2026‑04‑17;07122019

Wonen algemeen

/join/id/regdata/gm0153/2025/gio39683d11-f11b-4651-aeb4-a3834e0c3abc/nld@2026‑04‑17;07122019

Wonen kamerverhuur

/join/id/regdata/gm0153/2025/gio572bb7b2-e9a5-472d-99fa-cd2ff2598f04/nld@2026‑04‑17;07122019

Wonen op de bovenste verdieping

/join/id/regdata/gm0153/2025/gio6bba0a94-499e-415c-a0c1-f3d569e1f5f6/nld@2026‑04‑17;07122019

Wonen op de verdieping

/join/id/regdata/gm0153/2025/gio1d9b5784-0ef8-4a0a-83fc-372007fa6a3d/nld@2026‑04‑17;07122019

Zorginstelling

/join/id/regdata/gm0153/2025/gio6853afbd-9d32-42cb-b909-3e8bf5bb1fdb/nld@2026‑04‑17;07122019

IIII

Het opschrift van bijlage I wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage I II Begripsbepalingen

JJJJ

Bijlage II wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage II III Overzicht InformatieobjectenDocumentenbijlagen

Lijst van bedrijfstypen_bijlage bij OP

/join/id/regdata/gm0153/2026/pdf_fb94412e-25a0-48c9-96b8-031e22646d32/nld@2026‑04‑02;74

agrarisch

/join/id/regdata/gm0153/2025/gioc881693f-2a63-480a-a864-f4dbf211daa3/nld@2025‑09‑18;6-1

agrarische schuur

/join/id/regdata/gm0153/2025/gio26a80331-b477-431d-ac4f-a15c7500592c/nld@2025‑09‑18;8-1

archeologisch onderzoeksgebied a

/join/id/regdata/gm0153/2025/gio81a6b1fe-f202-478b-a091-36a6b21f8201/nld@2025‑09‑18;110-1

archeologisch onderzoeksgebied b

/join/id/regdata/gm0153/2025/gio0c2c6353-b3aa-4a4b-85db-ff9996f5376d/nld@2025‑09‑18;112-1

bedrijf

/join/id/regdata/gm0153/2025/giod45847ee-788d-4b9b-af93-5cf90019cc12/nld@2025‑09‑18;10-1

bedrijf bg

/join/id/regdata/gm0153/2025/gio885a7e53-7a9d-4e3c-acff-c21ab55ba7cd/nld@2025‑09‑18;122-1

bedrijf gebruik

/join/id/regdata/gm0153/2025/gioe417f554-71cd-4872-a9bd-4a204ba5f443/nld@2025‑09‑18;131-1

bedrijfswonen

/join/id/regdata/gm0153/2025/gio1eb90ee9-b586-4874-a7d5-f7c5e0a959b6/nld@2025‑09‑18;14-1

bijgebouw wonen

/join/id/regdata/gm0153/2025/giofe922d44-9712-409d-8f34-b36bae09bbde/nld@2025‑09‑18;16-1

bouwvlak

/join/id/regdata/gm0153/2025/gio59179803-2680-4a69-9427-902985117959/nld@2025‑09‑18;129-1

cultuurhistorische structuur

/join/id/regdata/gm0153/2025/gio8a52612b-b6ca-40fe-89d9-311c22f3a18b/nld@2025‑09‑18;114-1

detailhandel

/join/id/regdata/gm0153/2025/gioe04abfc8-4ee5-40ca-a503-e3dc06f90620/nld@2025‑09‑18;82-1

detailhandel bg

/join/id/regdata/gm0153/2025/gio8ac4765d-7834-45e5-ab8a-65dc9b916219/nld@2025‑09‑18;20-1

detailhandel bg gebruik

/join/id/regdata/gm0153/2025/gio9b8c304d-3544-40f2-8f04-2daa25540e2d/nld@2025‑09‑18;132-1

dienstverlening

/join/id/regdata/gm0153/2025/gioeaf90b28-0c2f-431b-9c0f-fb4a2cd50c94/nld@2025‑09‑18;22-1

dienstverlening - huidverzorging

/join/id/regdata/gm0153/2025/giof8806bd7-b653-45d3-b99f-96f7d14f971e/nld@2025‑09‑18;137-1

dienstverlening bg

/join/id/regdata/gm0153/2025/gio79e2c009-f8f2-4287-8285-e4fd87b0eb8b/nld@2025‑09‑18;118-1

dienstverlening gebruik

/join/id/regdata/gm0153/2025/gio49635403-e5be-4abb-ad54-c6b4b1962d4d/nld@2025‑09‑18;133-1

fok- en rijpaardenhouderij

/join/id/regdata/gm0153/2025/giof8170964-3314-46fc-a845-9a28a65e44f1/nld@2025‑09‑18;24-1

garageboxen

/join/id/regdata/gm0153/2025/gio12df09b1-fd86-4e97-b1ba-c13b6b96dc18/nld@2025‑09‑18;26-1

geluidzone - industrie

/join/id/regdata/gm0153/2025/gio4b6975b5-d8cd-4dac-b3b8-6adcce869c01/nld@2025‑09‑18;126-1

horeca

/join/id/regdata/gm0153/2025/giof32df03e-9cc5-46f8-95ea-98050d2ebed1/nld@2025‑09‑18;28-1

horeca bg

/join/id/regdata/gm0153/2025/gio0fad1759-978d-4899-ae86-2018c07505ce/nld@2025‑09‑18;124-1

horeca categorie 1

/join/id/regdata/gm0153/2025/gio70bf8413-0ad1-467f-a3bf-b22ec4350a20/nld@2025‑09‑18;30-1

horeca gebruik

/join/id/regdata/gm0153/2025/gio4d1249f4-f163-44d6-a039-06d0cc8b7eef/nld@2025‑09‑18;134-1

kantoor

/join/id/regdata/gm0153/2025/gio74ffa403-502a-4390-89f1-697344c4ec4b/nld@2025‑09‑18;32-1

kantoor gebruik

/join/id/regdata/gm0153/2025/gioc9f5b5b3-f94a-4777-84cd-f9e77557ce4c/nld@2025‑09‑18;130-1

karakteristiek

/join/id/regdata/gm0153/2025/gioeb0c5b23-3f56-487a-97b3-b0bacf672477/nld@2025‑09‑18;108-1

luifel

/join/id/regdata/gm0153/2025/gio56de4c15-6998-47dd-9ab3-0e029acb72fe/nld@2025‑09‑18;36-1

maatschappelijk

/join/id/regdata/gm0153/2025/gio220122e8-266c-4815-ba66-19263bbd1d3f/nld@2025‑09‑18;38-1

maatschappelijk bg

/join/id/regdata/gm0153/2025/giof4fbd0b3-53b8-4e2d-9788-c2c986a9c005/nld@2025‑09‑18;120-1

maatschappelijk gebruik

/join/id/regdata/gm0153/2025/gio12a91651-c2c1-4b8d-bc70-b0c51b6af636/nld@2025‑09‑18;135-1

manege

/join/id/regdata/gm0153/2025/gio802f57c8-d17d-4226-8b69-929cb3d05c70/nld@2025‑09‑18;40-1

maximumaantalbedrijfswoningen

/join/id/regdata/gm0153/2025/giofa922155-d541-42f5-92f8-c41bdd795cf2/nld@2025‑09‑18;6-1

maximumaantalwoningen

/join/id/regdata/gm0153/2025/gio43ed74b4-e056-4f6c-b8f3-a813ff560337/nld@2025‑09‑18;2-1

maximumbouwhoogte

/join/id/regdata/gm0153/2025/gio24002b37-e75d-4b29-ac85-995a8990d290/nld@2025‑09‑18;4-1

maximumgoothoogte

/join/id/regdata/gm0153/2025/gio9382ff09-9df7-4c10-b416-52bb3611628f/nld@2025‑09‑18;5-1

maximumverkoopvloeroppervlakte

/join/id/regdata/gm0153/2025/gio368eb997-b041-407f-8b4f-03fd6a3c5990/nld@2025‑09‑18;7-1

maximumvolume

/join/id/regdata/gm0153/2025/gioc3902222-5dca-4dc8-8acc-f9fca7f57851/nld@2025‑09‑18;3-1

meubelservice

/join/id/regdata/gm0153/2025/gio9a0ed39f-4c21-4e54-92dc-610bd6bda29a/nld@2025‑09‑18;42-1

omgevingsplan nieuw deel

/join/id/regdata/gm0153/2025/giof6dc7dd3-df49-4146-b341-7b6f4117ab1c/nld@2025‑09‑18;92-1

omgevingsplan tijdelijk deel - onzelfstandige bewoning

/join/id/regdata/gm0153/2026/giob5da121b-27f4-4bf1-8f20-9088797b5dd3/nld@2026‑03‑11;143-1

onderdoorgang

/join/id/regdata/gm0153/2025/giod943efca-c153-4f37-ad42-8cfe1d169289/nld@2025‑09‑18;50-1

onderwijs

/join/id/regdata/gm0153/2025/gio68ff77bb-a757-43d0-ba91-211a9193aac9/nld@2025‑09‑18;52-1

openbaar gebied

/join/id/regdata/gm0153/2025/gio04f585b3-2980-42e7-830e-c87bba777d55/nld@2025‑09‑18;54-1

openbare dienstverlening

/join/id/regdata/gm0153/2025/gioc0b2899c-3feb-4da0-b419-379d15475006/nld@2025‑09‑18;56-1

opslag en stalling

/join/id/regdata/gm0153/2025/gio66d24651-7e5f-4cb6-acce-f6e4c0de3067/nld@2025‑09‑18;58-1

praktijkruimte gebruik

/join/id/regdata/gm0153/2025/gioce4b50fc-413c-492d-9ae6-b92fc27a6ef9/nld@2025‑09‑18;60-1

religie

/join/id/regdata/gm0153/2025/gioecd716d6-dc09-441a-8d1a-f00aa4684e1e/nld@2025‑09‑18;62-1

risicogebied lpg

/join/id/regdata/gm0153/2025/gioc9c063b6-1447-4fb4-a5ae-18a9c0b72a9d/nld@2025‑09‑18;64-1

speeltuin

/join/id/regdata/gm0153/2025/gio831a2776-33c5-49a6-a550-6ede94da9685/nld@2025‑09‑18;66-1

sport

/join/id/regdata/gm0153/2025/gio540af8a8-8877-4ddc-b96f-15b7b9ec230e/nld@2025‑09‑18;68-1

sporthal

/join/id/regdata/gm0153/2025/gio5de4b678-4d6e-4dff-8026-bca1107b1f83/nld@2025‑09‑18;96-1

tentenproductie

/join/id/regdata/gm0153/2025/giof8e15901-b36b-4c21-a82c-1dd7533b247a/nld@2025‑09‑18;128-1

tuincentrum

/join/id/regdata/gm0153/2025/gioab161241-7c99-4dbe-a7a4-040a7ac63e10/nld@2025‑09‑18;70-1

veldsportcomplex met verlichting

/join/id/regdata/gm0153/2025/gio061e0e4e-40dd-4bce-9e70-7244fb2549af/nld@2025‑09‑18;116-1

verenigingsleven

/join/id/regdata/gm0153/2025/gioec546b44-fa4c-422d-9936-16cb8db8fa33/nld@2025‑09‑18;72-1

verkeer

/join/id/regdata/gm0153/2025/gio3f075c8f-fa8c-47b2-8cea-627785f2d594/nld@2025‑09‑18;74-1

verkooppunt motorbrandstoffen met lpg

/join/id/regdata/gm0153/2025/gio9f57602f-d0b1-4d89-b397-895291490b1c/nld@2025‑09‑18;76-1

waterberging

/join/id/regdata/gm0153/2025/gio5ea2ba8a-55ce-4582-b3e0-02acdba05147/nld@2025‑09‑18;80-1

watersystemen enschede

/join/id/regdata/gm0153/2025/gio21fe6a38-bce4-4aeb-9de5-41aa7c67f2b5/nld@2025‑09‑18;106-1

wonen algemeen

/join/id/regdata/gm0153/2025/gio39683d11-f11b-4651-aeb4-a3834e0c3abc/nld@2025‑09‑18;98-1

wonen kamerverhuur

/join/id/regdata/gm0153/2025/gio572bb7b2-e9a5-472d-99fa-cd2ff2598f04/nld@2025‑09‑18;127-1

wonen op de bovenste verdieping

/join/id/regdata/gm0153/2025/gio6bba0a94-499e-415c-a0c1-f3d569e1f5f6/nld@2025‑09‑18;86-1

wonen op de verdieping

/join/id/regdata/gm0153/2025/gio1d9b5784-0ef8-4a0a-83fc-372007fa6a3d/nld@2025‑09‑18;88-1

zorginstelling

/join/id/regdata/gm0153/2025/gio6853afbd-9d32-42cb-b909-3e8bf5bb1fdb/nld@2025‑09‑18;90-1

Lijst van bedrijfstypen_bijlage bij OP

/join/id/regdata/gm0153/2026/pdf_fb94412e-25a0-48c9-96b8-031e22646d32/nld@2026‑04‑02;74

KKKK

Het opschrift van bijlage III wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage III IV Lijst van Bedrijfstypen

LLLL

Het opschrift van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikelsgewijze toelichtingToelichting

MMMM

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

Begripsbepalingen bekijken

Als het omgevingsplan wordt bekeken in het Omgevingsloket (Regels op de kaart), zijn de in het tweede lid bedoelde begripsbepalingen meestal het makkelijkst te bekijken door op het begrip te klikken in het artikel waar het voorkomt. Dan wordt de begripsbepaling weergegeven zoals opgenomen in Bijlage I BegripsbepalingenII.

Aanvullend daarop zijn de in het eerste lid bedoelde begrippen ook te vinden in de Stelselcatalogus van het Omgevingsloket. De Stelselcatalogus is alleen een hulpmiddel en niet juridisch geldend.

Toelichting begrippen

Een deel van de begrippen is hieronder toegelicht, in aanvulling op de begripsbepalingen.

Activiteitenbesluit-bedrijventerrein

Het begrip Activiteitenbesluit-bedrijventerrein is opgenomen omdat in Artikel Artikel 22.63, tweede lid,tweede lid , voor gevoelige objecten die op een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein zijn gelegen, hogere geluidswaarden zijn vastgesteld. In de definitie van het begrip Activiteitenbesluit-bedrijventerrein wordt aangesloten bij geldende omgevingsplannen. Het komt vaak voor dat een omgevingsplan dat (in het tijdelijke deel) een bedrijventerrein aanduidt, meer bestemmingen omvat dan alleen bedrijfsbestemmingen. Zo kan een natuurgebied of landelijk gebied deel uitmaken van een gebied dat in een omgevingsplan is begrensd door een grens die een bedrijventerrein aanduidt. Het is niet de bedoeling dat de hogere waarden ook in die gebieden gelden. Anderzijds kan het voorkomen dat er één of enkele percelen zijn met een andere bestemming dan een bedrijfsbestemming, die omsloten zijn door percelen met bedrijfsbestemmingen. Voor die percelen, bijvoorbeeld een burgerwoning op het bedrijventerrein, zijn de hogere waarden wel van toepassing. Om die reden wordt het begrip beperkt tot een cluster percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen. Opgemerkt wordt dat in het nieuwe stelsel de term «bedrijventerrein» zonder definitie wordt gehanteerd.

Deze regel moet worden overgezet van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan naar het nieuwe deel van dit omgevingsplan. In het nieuwe deel wordt concreet aangeduid voor welke locaties de hogere waarde geldt. Er kan dan geen gebruik meer gemaakt worden van het begrip Activiteitenbesluit-bedrijventerrein.

Concentratiegebied geurhinder en veehouderij

Het begrip «concentratiegebied geurhinder en veehouderij» voor in de paragraaf over geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony's die gehouden worden voor het berijden, in dierenverblijven.

Als een gemeente in een geurverordening een concentratiegebied heeft aangewezen, dan wordt deze verordening na inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 4.6, eerste lid, onder e van de Invoeringswet Omgevingswet van rechtswege onderdeel van het tijdelijk deel van dit omgevingsplan. Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet hebben gemeenten op grond van artikel 5.108 van het Bkl de bevoegdheid om in het omgevingsplan één of meerdere concentratiegebieden aan te wijzen. Bestaande concentratiegebieden geurhinder en veehouderij moeten in de transitieperiode overgezet worden van het tijdelijke deel van het omgevingsplan naar het nieuwe deel van het omgevingsplan.

distributienet voor warmte

Dit begrip is gedefinieerd als «collectief circulatiesysteem voor het transport van warmte door een circulerend medium voor verwarming of warmtapwater». Onder dit distributienet valt dus zowel een stadsverwarmingssysteem als een «klein» wijk- of buurtverwarmingssysteem. Voor de definitie is voor zover mogelijk aansluiting gezocht bij de begripsomschrijving zoals deze is opgenomen in NVN 7125 van april 2011.

geurgevoelig object

Om geen te groot gat te laten vallen op moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet, wordt er voor geur in de omgevingsplanregels van rijkswege uitgegaan van de begrippen uit de ingetrokken regelgeving.Onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de voormalige Wet geurhinder en veehouderij was de groep objecten die beschermd werden tegen geurhinder, anders dan de groep geurgevoelige gebouwen die beschermd worden op grond van en gedefinieerd zijn in het Bkl.Aan de ene kant is het begrip geurgevoelig object breder dan het begrip geurgevoelig gebouw: onder het begrip geurgevoelig object vallen alle locaties waarbij hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen. Onder geurgevoelig gebouw op grond van artikel 5.91 van het Bkl vallen kort gezegd alleen gebouwen met een woon-, onderwijs-, of gezondheidzorg- of kinderopvangfunctie.Onder het begrip geurgevoelig object, valt dus ook het begrip geurgevoelig gebouw.Overigens biedt het vierde lid van artikel 5.91 van het Bkl wel de mogelijkheid om in dit omgevingsplan ook andere geurgevoelige gebouwen of gedeelten van gebouwen aan te wijzen, mits er hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen.

Aan de andere kant is het begrip geurgevoelig object smaller dan het begrip geurgevoelig gebouw. Onder het begrip geurgevoelig gebouw, wordt ook verstaan: een gebouw dat nog niet aanwezig is maar op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gerealiseerd.

Soms is er voor bestaande of nieuwe situaties wel al bewust verwezen naar een geurgevoelig gebouw, zoals bedoeld in het Bkl.

gezoneerd industrieterrein

Onder de voormalige Wet geluidhinder gold een geluidzone rondom bepaalde industrieterreinen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet vervalt deze systematiek van zones. In plaats daarvan worden bij omgevingsplan geluidproductieplafonds - als omgevingswaarde - vastgesteld rondom bepaalde industrieterreinen. Het begrip gezoneerd industrieterrein komt dus niet meer voor in de Omgevingswet.

Voor de omgevingsplanregels van rijkswege is het van belang dat er geen wijziging optreedt in de rechtspositie van bedrijven op het gezoneerde industrieterrein en in de bescherming ten opzichte van van de geluidgevoelige objecten daaromheen zoals woningen. Daarom is het begrip gezoneerd industrieterrein nog wel relevant.

De begripsbepaling verwijst naar de betekenis die onder de voormalige Wet geluidhinder aan een gezoneerd industrieterrein werd gegeven. Hiermee wordt duidelijk gemaakt dat het begrip gezoneerd industrieterrein enkel in het omgevingsplan is opgenomen om de bestaande rechtsposities ongewijzigd te handhaven, en dat niet is bedoeld om een inhoudelijke wijziging van het begrip door te voeren.

straatpeil

Het begrip straatpeil was voorheen opgenomen in het Bouwbesluit 2012. Deze definitie is destijds ontleend aan de definitie van dat begrip zoals opgenomen in de Modelbouwverordening van de VNG. In dit omgevingsplan is sub c toegevoegd aan de begripsbepaling, zodat ook dudielijk is wat het straatpeil is voor bouwwwerken zonder hoofdtoegang (overige bouwwerken).

warmteplan

Het begrip «warmteplan» is gedefinieerd als besluit van de gemeenteraad, inzake de aanleg van een distributienet voor warmte in een bepaald gebied, waarin voor die periode de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte bij aansluiting op dat distributienet is opgenomen. Waarbij moet worden uitgegaan van het voor die periode geplande aantal aansluitingen op dat distributienet. Het warmteplan wordt door de gemeenteraad vastgesteld voor een periode van ten hoogste 10 jaar.

Daarna moet in ieder geval een nieuw warmteplan worden vastgesteld. Als de ontwikkelingen daar aanleiding toe geven, kan de gemeenteraad het plan wijzigen (tussentijds een nieuw plan vaststellen of het plan aanpassen). Dit zou het geval kunnen zijn wanneer over de energiezuinigheids- en/of milieuprestatie van het warmtenet actuele gegevens beschikbaar zijn gekomen, die substantieel afwijken van de aan het vastgestelde warmteplan ten grondslag liggende gegevens, of wanneer de bouwopgave in het warmteplangebied in de loop der tijd dusdanig wijzigt dat dit gevolgen heeft voor het geplande aantal aansluitingen op het warmtenet. Uit de samenhang met Artikel 2.39 «Aansluiting op distributienet voor warmte» volgt dat een warmteplan kan worden vastgesteld door gemeenten die tot aanleg van een nieuw distributienet willen overgaan. Wanneer een gemeente in verschillende gebieden tot aanleg van warmtenetten wil overgaan, moet het warmteplan per distributienet worden vastgesteld. Het gebied moet in het warmteplan zo nauwkeurig mogelijk worden afgebakend, bijvoorbeeld door een van het warmteplan deel uitmakende plankaart. In het warmteplan moet het geplande aantal aansluitingen op het distributienet worden aangegeven. Dat is van belang omdat de aansluitplicht op grond van Artikel Artikel 2.39, eerste lid,eerste lid , onder a, niet meer van toepassing is op in het warmteplangebied te bouwen bouwwerken wanneer het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen daadwerkelijk is bereikt. Dit wordt beoordeeld op het moment van het indienen van de aanvraag om een vergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor het bouwen van een bouwwerk. Als aan het geplande aantal aansluitingen is voldaan, is vrijwillige aansluiting niet uitgesloten. In de fase dat het geplande aantal aansluitingen nog niet is bereikt, geldt de aansluitplicht overigens ook wanneer het definitieve distributienet nog niet gereed is en bouwwerken tijdelijk collectief van warmte worden voorzien door transport van in hulpketels opgewekte warmte totdat de definitieve infrastructuur gereed is.

In het warmteplan moet de te bereiken mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu van de aansluiting op het distributienet voor warmte, gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte, worden aangegeven. Het gaat daarbij om de mate die bereikt wordt wanneer het in het warmteplan aangegeven aantal aansluitingen op dat distributienet is bereikt. Deze mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu moet duidelijk zijn aangegeven, bijvoorbeeld aan de hand van getallen voor CO2, en NOx, zodat eenvoudig kan worden getoetst of sprake is van een aan aansluiting op het warmtenet gelijkwaardige oplossing.

De gemeenteraad is bevoegd het warmteplan vast te stellen. Hiermee is zeker gesteld dat de te maken gemeentelijke keuzen over de aanleg van warmtenetten in een gebied via een voor belanghebbenden transparant en democratisch gelegitimeerd proces tot stand komen. Voor het warmteplan gelden - als onderdeel van het omgevingsplan - geen specifieke inhoudelijke vereisten.

Als een gemeente geen warmteplan heeft vastgesteld of niet tijdig (binnen de afgesproken periode) opnieuw heeft vastgesteld, dan kan in die gemeente Artikel 2.39 «Aansluiting op distributienet voor warmte» niet worden toegepast. In die gemeente kan op basis van vrijwilligheid worden aangesloten op het warmtenet. Zie ook de toelichting op het begrip distributienet voor warmte en de toelichting bij Artikel 2.39 «Aansluiting op distributienet voor warmte».

woning

Een woning is qua inrichting bedoeld voor 1 huishouden. Er mogen wel 2 huishoudens wonen, maar de inrichting moet als het ware voor 1 huishouden zijn. Dat betekent onder andere dat alle voorzieningen toegankelijk zijn voor alle bewoners en dat er maar één echte voordeur is. Als er 3 of meer huishoudens in 1 woning wonen, dan is dat onzelfstandige bewoning ('kamerverhuur'). Dat laatste mag alleen op locaties waar kamerverhuur is toegestaan.

NNNN

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 1.20 Slopen van een gemeentelijk monument

Dit artikel bevat de aanvraagvereisten voor zover een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument bestaat uit het slopen van een monument. Onder slopen wordt verstaan het geheel of gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen, zie de begripsbepaling van slopen in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet. Het gaat hierbij dus niet alleen om het slopen van een monument of complete bouwdelen, maar ook over het slopen van kleinere onderdelen zoals muren, houtwerkconstructies, deuren en vensters, of interieurelementen.

Eerste lid, onderdeel a

De foto's in onderdeel a moeten een duidelijke indruk geven van de technische staat en de ruimtelijke context van het monument of het te slopen onderdeel, zodat de noodzaak van de voorgenomen sloop voldoende wordt geïllustreerd. Het gaat er hierbij niet om dat het originele (digitale) foto's moeten zijn, maar het mogen geen onduidelijke kopieën zijn.

Eerste lid, onderdeel b

Situatietekeningen als bedoeld in onderdeel b, onder 1°, zijn nodig in geval van het gedeeltelijk afbreken van het monument waarbij de omvang van het monument wijzigt. Als de voorgenomen activiteit alleen bestaat uit inpandig slopen of als het monument geheel wordt gesloopt, geldt dit aanvraagvereiste dus niet.

Opnametekeningen als bedoeld in onderdeel b, onder 2°, zijn tekeningen waarop de toestand van het monument voorafgaand aan de activiteit is weergeven. Afhankelijk van de aard, omvang en plaats van de voorgenomen sloop kan het gaan om plattegronden, doorsneden, gevelaanzichten en een dakaanzicht. Als alleen inpandige sloopwerkzaamheden plaatsvinden zullen die laatste twee soorten tekeningen niet nodig zijn.

Uit slooptekeningen als bedoeld in onderdeel b, onder 3°, moet blijken welke materialen of onderdelen verwijderd worden. Dit moet de omvang en de exacte impact van de voorgenomen sloopwerkzaamheden op het monument inzichtelijk maken. De opnametekeningen kunnen hiervoor als basis worden gebruikt.

Eerste lid, onderdeel c

Een omschrijving van de aard van en de bestemming voor het door de sloop vrijkomende materiaal als bedoeld in onderdeel c is van belang omdat aan de omgevingsvergunning het voorschrift kan worden verbonden deze onderdelen te hergebruiken of voor hergebruik te bewaren, of ze in het belang van de monumentenzorg voor hergebruik elders beschikbaar te stellen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan historische dakpannen, een monumentale topgevel, gevelsteen of een monumentale schouw.

Tweede lid, onderdeel a

De rapporten, bedoeld in onderdeel a, kunnen nodig zijn om de monumentale waarde van het monument of de te slopen onderdelen (nader) te bepalen. Lang niet altijd zullen de actuele monumentale waarden al in voldoende mate in beeld zijn om de gevolgen van de voorgenomen sloopwerkzaamheden voor de aanwezige monumentale waarden te kunnen beoordelen.

Tweede lid, onderdeel b

Een rapport als bedoeld in onderdeel b kan nodig zijn als dit omgevingsplan voor de locatie van het gebouwde of aangelegde monument (nog) niet voorziet in een adequaat archeologisch regime en de activiteit leidt tot verstoring van de bodem. Zie verder de toelichting bij artikel Artikel 1.19 .

Tweede lid, onderdeel c

Een beschrijving van de technische staat als bedoeld in onderdeel c is bijvoorbeeld nodig in geval van een voorgenomen sloop op grond van de technische staat van een monument of een onderdeel daarvan. Als deze beschrijving en de foto's niet voor zich spreken, kan een nadere onderbouwing van de beschrijving in de vorm van een of meerdere technische rapporten nodig zijn (onderdeel d).

OOOO

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 1.21 Verplaatsen van een gemeentelijk monument

Dit artikel bevat de aanvraagvereisten voor zover een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument bestaat uit het gedeeltelijk of volledig verplaatsen van een monument. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een kerkorgel of een molen. Het bevoegd gezag zal rekening moeten houden met het beginsel uit het verdrag van Granada dat verplaatsing van monumenten of een onderdeel daarvan moet worden voorkomen, tenzij dit dringend vereist is voor het voortbestaan ervan. Gaat het bevoegd gezag in een concreet geval toch over tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor het verplaatsen van het monument, dan zal het gelet op artikel 5 van het verdrag van Granada3 artikel 5 van het verdrag van Granadavoorschriften aan de vergunning verbinden over het treffen van voorzorgsmaatregelen voor het demonteren, het overbrengen en de herbouw van het monument op de nieuwe locatie. Gelet hierop moeten de gegevens en bescheiden voldoende inzicht geven in de reden en de noodzaak van de voorgenomen verplaatsing, in de huidige en de toekomstige ruimtelijke context van het monument, en in de beoogde wijze van demonteren, verplaatsen en herbouwen. De herbouw op een nieuwe, geschikte locatie mag dus niet onzeker zijn.

Eerste lid

De foto's in onderdeel b moeten een duidelijke indruk geven van de technische staat van het monument (toestand) of het te verplaatsen onderdeel en van de ruimtelijke context van het monument (situatie) of het onderdeel in de huidige en in de nieuwe situatie en mogen daarom geen onduidelijke kopieën zijn.

Opnametekeningen als bedoeld in onderdeel c, onder 2°, zijn tekeningen waarop de toestand van het monument voorafgaand aan de activiteit is weergeven. Bij verplaatsing van een gedeelte van een monument (zoals een kerkorgel) zullen minder tekeningen nodig zijn dan bij verplaatsing van het gehele monument.

Plantekeningen als bedoeld in onderdeel c, onder 3°, zijn tekeningen waarop de nieuwe toestand van het monument (na de voorgenomen verplaatsing) is weergeven. Bij verplaatsing van een gedeelte van een monument zijn dit ook tekeningen van de nieuwe toestand van het monument waar het verplaatste gedeelte dan deel van uitmaakt. Zo zijn bij verplaatsing van een orgel van de ene kerk naar de andere kerk ook plantekeningen nodig van de toestand van die andere kerk nadat het orgel daarin is aangebracht.

Als het te verplaatsen monument een molen is, moet op grond van onderdeel e, ook inzicht worden gegeven in de molenbiotoop, zowel op de huidige als de nieuwe locatie. Met de molenbiotoop wordt hier de omgeving van de molen bedoeld, voor zover die van belang is voor de werking van de molen. Het gaat daarbij met name om de windvang (bij een windmolen) of de water toe -en afvoer (bij een watermolen).

Tweede lid

Een rapport als bedoeld in onderdeel b kan nodig zijn als dit omgevingsplan voor de locatie van het gebouwde of aangelegde monument of voor de nieuwe locatie (nog) niet voorziet in een adequaat archeologisch regime en de activiteit leidt tot verstoring van de bodem. Zie verder de toelichting bij artikel Artikel 1.19 .

Aanvullende tekeningen als bedoeld in onderdeel d kunnen bijvoorbeeld nodig zijn als er sprake is van bijzondere detaillering (detailtekeningen) of om een beeld te krijgen van het (functioneren van het) monument op de nieuwe plek, bijvoorbeeld met impressietekeningen of 3D-visualisaties.

Het bevoegd gezag kan bij de beoordeling van vergunningaanvragen voor een rijksmonumentenactiviteit kwaliteitseisen hanteren, bijvoorbeeld door te verwijzen naar de uitvoeringsrichtlijnen die in de beroepsgroep(en) gelden. Bij de beoordeling van een aanvraag is het voor het bevoegd gezag van belang om te weten of de aanvrager het plan dat ten grondslag ligt aan de aanvraag hierop al heeft afgestemd of niet. Op grond van onderdeel e moet hij hier opgave van doen. Het gaat hier overigens niet om algemene uitvoeringsvoorschriften als bedoeld in het Bbl.

3 Artikel 5: «Iedere Partij verplicht zich ertoe de verplaatsing van een beschermd monument of van een deel daarvan te verbieden, behalve indien zulks dringend is vereist voor het behoud van dit monument. In dat geval neemt de bevoegde autoriteit de nodige voorzorgsmaatregelen betreffende het demonteren, het overbrengen en het herbouwen van het monument op een geschikte plaats.» Voor rijksmonumenten is dit geregeld in artikel 8:82 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

PPPP

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 1.22 Wijzigen, door herstel ontsieren of in gevaar brengen van een gemeentelijk monument

Dit artikel omvat de meest voorkomende activiteiten. Onder het wijzigen van een monument vallen bijvoorbeeld het restaureren, reconstrueren, renoveren, verbouwen, uitbouwen, aanbouwen, of het bijvoorbeeld op een andere manier wijzigen van een gebouwd monument of een aangelegd (groen) monument. Denk hierbij ook aan het in een afwijkende kleur schilderen van een gevel of het hanteren van een ander verfsysteem.

Voorbeelden van het herstellen van een monument op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht, zijn het met golfplaten repareren van een rieten dak, of het reinigen of herstellen van een interieurschildering, of gevel, waarbij een onvoldoende deskundige uitvoering in potentie grote gevolgen kan hebben voor de technische staat en de monumentale waarde van het onderdeel (bij een gevel ook het patina).

Eerste lid, onderdeel a

De foto's in onderdeel a moeten een duidelijke indruk geven van de technische staat en de ruimtelijke context van het monument, zodat de noodzaak van de voorgenomen activiteit voldoende wordt geïllustreerd. Het mogen daarom geen onduidelijke kopieën zijn.

Eerste lid, onderdeel b

Opnametekeningen als bedoeld in onderdeel b, onder 2°, zijn tekeningen waarop de toestand van het monument voorafgaand aan de activiteit is weergeven. Welke soort tekeningen in een concreet geval nodig zijn, hangt af van de aard van de activiteit. In de regel zullen plattegronden en doorsnedetekeningen nodig zijn. Als de activiteit ook impact heeft op het exterieur of het aangezicht van het monument, zullen ook geveltekeningen en in voorkomend geval een dakaanzicht nodig zijn.

Gebrekentekeningen als bedoeld in onderdeel b, onder 3°, zijn nodig als er gebreken worden hersteld. Het betreft feitelijk opnametekeningen waarop de te verhelpen gebreken adequaat zijn weergegeven.

Plantekeningen als bedoeld in onderdeel b, onder 4°, zijn tekeningen waarop de nieuwe toestand van het monument (na afloop van de voorgenomen activiteit) is weergeven.

Als er in het kader van de activiteit ook materiaal wordt verwijderd, moeten er in een dergelijk geval ook enkele gegevens en bescheiden als bedoeld in artikel Artikel 1.20  (slopen) worden overgelegd. Zoals blijkt uit de begripsbepaling van slopen in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet wordt onder slopen ook verstaan het gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen. In de praktijk van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht bleek dat een aanvrager die zijn monument wil restaureren of verbouwen zich niet altijd realiseert dat het wegnemen van materialen ook onder slopen valt en noodzakelijke gegevens en bescheiden daardoor geregeld ontbraken. Daarom zijn de aanvraagvereisten uit artikel Artikel 1.20  expliciet (en niet met een verwijzing) in dit artikel opgenomen. Op grond van onderdeel b, onder 5°, moet de aanvrager in een dergelijk geval ook slooptekeningen overleggen, waaruit blijkt welke materialen of onderdelen verwijderd worden. De slooptekeningen moeten de exacte impact van de voorgenomen sloopwerkzaamheden op het monument inzichtelijk maken.

Eerste lid, onderdeel c

Op grond van onderdeel c moet in het bestek of in de werkomschrijving de sloopmethode en de aard van en bestemming voor het vrijkomend materiaal worden omschreven. Aan de omgevingsvergunning kan namelijk het voorschrift worden verbonden deze onderdelen te hergebruiken of voor hergebruik te bewaren, of ze in het belang van de monumentenzorg voor hergebruik elders beschikbaar te stellen.

Tweede lid, onderdeel b

Een rapport als bedoeld in onderdeel b kan nodig zijn als dit omgevingsplan voor de locatie van het gebouwde of aangelegde monument (nog) niet voorziet in een adequaat archeologisch regime en de activiteit leidt tot verstoring van de bodem. Zie verder de toelichting bij artikel Artikel 1.19 .

Tweede lid, onderdeel c en d

Een beschrijving van de technische staat als bedoeld in onderdeel c kan bijvoorbeeld nodig zijn in geval van het herstellen van technische gebreken. Als deze beschrijving en de foto's niet voor zich spreken, kan een nadere onderbouwing van de beschrijving in de vorm van een of meerdere technische rapporten nodig zijn (onderdeel d). Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen bij een (complexe) restauratie.

Tweede lid, onderdeel e

Aanvullende tekeningen als bedoeld in onderdeel e kunnen bijvoorbeeld nodig zijn als er sprake is van bijzondere detaillering (detailtekeningen) of om een beeld te krijgen van het (functioneren van het) monument na verrichting van de activiteit, bijvoorbeeld met impressietekeningen of 3D-visualisaties.

Tweede lid, onderdeel f

Het bevoegd gezag kan bij de beoordeling van vergunningaanvragen voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument kwaliteitseisen hanteren, bijvoorbeeld door te verwijzen naar de uitvoeringsrichtlijnen die in de beroepsgroep(en) gelden. Bij de beoordeling van een aanvraag is het voor het bevoegd gezag van belang om te weten of de aanvrager het plan dat ten grondslag ligt aan de aanvraag hierop al heeft afgestemd of niet. Op grond van onderdeel f moet hij hier opgave van doen. Het gaat hier overigens niet om algemene uitvoeringsvoorschriften als bedoeld in het Bbl.

Tweede lid, onderdeel g

Een beheervisie als bedoeld in onderdeel g is een visie op het beheer van een groenaanleg, gebaseerd op een analyse en een waardering op grond van (cultuur)historisch onderzoek en inventarisaties van natuurwaarden, recreatieve en belevingswaarden, waterhuishouding en bodem, en wensen van belanghebbenden (eigenaar en gebruikers). De beheervisie maakt duidelijk welke keuzes zijn gemaakt voor het beheer en is richtinggevend voor een langere periode, bijvoorbeeld 12 tot 18 jaar, of langer. De visie kan ook worden weergegeven in streefbeelden.

QQQQ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 1.24 Eisen aan tekeningen bij slopen, verplaatsen, wijzigen of herstel van een gemeentelijk monument

Dit artikel bevat de eisen aan tekeningen als bedoeld in artikelen Artikel 1.20 ,  Artikel 1.21  en  Artikel 1.22 . Daar waar er meerdere schalen genoemd zijn, moet een schaal worden gekozen die het onderdeel van het monument adequaat weergeeft. Bij detailtekeningen van stucwerk of ornamenteel stuc kan bijvoorbeeld een schaal van 1:1 gevraagd worden ter verificatie van het profiel. Maar deze schaal zal lang niet altijd nodig zijn om details voldoende duidelijk weer te geven. Het is aan de aanvrager om zijn aanvraag voldoende duidelijk te maken en aan het bevoegd gezag om te beoordelen of de ingediende bescheiden volstaan voor de beoordeling.

RRRR

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 1.26 Afwijking van regels van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan

Dit artikel bevat aanvraagvereisten voor een aanvraag om een omgevingsvergunning om af te wijken van regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan als bedoeld in artikel Artikel 22.280. Voor een nadere toelichting op deze vergunningplicht wordt verwezen naar de toelichting op dat artikel. De aanvraagvereisten in artikel Artikel 1.26  zijn ontleend aan artikel 3.2 van de voormalige Regeling omgevingsrecht.

Het tweede lid betreft een rapport van een archeologisch vooronderzoek, waarin de archeologische waarde van het archeologisch monument op de locatie(s) van de voorgenomen activiteit nader is vastgesteld. Het bevoegd gezag moet op basis hiervan voldoende inzicht krijgen in de exacte impact van de activiteit op de archeologische waarde van het archeologisch monument. In die gevallen dat de archeologische waarde eerder al voldoende is vastgesteld, zal dit aanvraagvereiste niet nodig zijn.

SSSS

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 1.33 Slopen van een bouwwerk in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht

Het gaat hier om het slopen van een bouwwerk in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht waarvoor op grond van artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist. Hiervoor gelden dezelfde aanvraagvereisten als voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit in een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel Artikel 1.32  (zie ook toelichting bij artikel Artikel 1.32).

TTTT

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 1.39 Overgangsbepaling

Bijlage I bij het Bbl bevat de begrippen «gemeentelijk monument» en «voorbeschermd gemeentelijk monument». Deze begrippen gelden op grond van Artikel 1.1, eerste lid, van dit omgevingsplan ook voor dit plan. Deze begrippen worden gebruikt in Artikel Artikel 2.6, eerste lid, eneerstelid, en Artikel Artikel 2.6, tweede lid, tweede lid, Artikel Artikel 2.9, Artikel 1.18, Artikel 1.19, Artikel 1.20 tot en met Artikel Artikel 1.23 en Artikel 1.25.

De begripsomschrijvingen van bovengenoemde begrippen zijn toegesneden op de wijze waarop de bescherming van monumenten en archeologische monumenten op gemeentelijk niveau via het toekennen van een beschermde status en daardoor het van toepassing worden van bepaalde regels onder het nieuwe recht van de Omgevingswet vorm krijgt. Dit gebeurt door aan het monument of archeologisch monument in dit omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven en, als het gaat om een voorbeschermd monument of archeologisch monument, door het voor de locatie van het monument of archeologisch monument toevoegen van een voorbeschermingsregel aan dit omgevingsplan via een voorbereidingsbesluit vanwege het voornemen om aan dat monument of archeologisch monument in dit omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven.

Daarmee zouden buiten de reikwijdte van bovengenoemde begrippen vallen monumenten en archeologische monumenten op gemeentelijk niveau die onder het voor de Omgevingswet geldende recht als gemeentelijk monument of archeologisch monument zijn aangewezen op grond van een gemeentelijke verordening of een voorbeschermde status hebben verkregen op grond van een zodanige verordening, en waaraan nog niet direct bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet in dit omgevingsplan de functieaanduiding gemeentelijk monument is gegeven of waarvoor op dat moment in het omgevingsplan nog geen voorbeschermingsregel is opgenomen. In de praktijk werden onder het voormalige recht onder de begrippen «gemeentelijk monument» en «voorbeschermd gemeentelijk monument» dergelijke monumenten en archeologische monumenten verstaan (hierna samen te noemen: gemeentelijke monumenten «oude stijl»).

Dit gevolg, dat niet is beoogd, kan zich voordoen tot het bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip waarop gemeenten over een omgevingsplan moeten beschikken dat voldoet aan alle eisen van de Omgevingswet. Uiteraard moeten de hier bedoelde gemeentelijke monumenten «oude stijl» gedurende deze overgangsfase wel adequaat worden beschermd. Dit is het geval zolang deze in dit omgevingsplan nog niet zijn voorzien van de functie-aanduiding gemeentelijk monument in het omgevingsplan of, voor zover het gaat om voorbeschermde monumenten of archeologische monumenten, ter zake een voorbeschermingsregel in dit omgevingsplan is opgenomen. Daarbij wordt er voor zover het gaat om voorbeschermde monumenten en archeologische monumenten op gewezen dat die onder de Omgevingswet niet per se eerst via een door een voorbereidingsbesluit toe te voegen voorbeschermingsregel aan het omgevingsplan hoeven te worden omgezet naar een voorbeschermd gemeentelijk monument in de zin van de begripsomschrijving uit bijlage I bij het Bbl. Afhankelijk van het tijdsverloop van de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening en van de procedure om tot vaststelling van een nieuw omgevingsplan te komen, kan er voor deze voorbeschermde monumenten en archeologische monumenten ook voor worden gekozen om deze direct, dus zonder hiervoor eerst een voorbeschermingsregel aan het omgevingsplan toe te voegen, in het nieuwe deel van het omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven. Dit zal zich met name voordoen als de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening gedurende hetzelfde tijdvak gaande is als de procedure tot vaststelling van het omgevingsplan. In dat geval kan het zo zijn dat die procedure tot aanwijzing voldoende voorziet in de benodigde voorbescherming en hoeft die voorbescherming niet afzonderlijk met voorbeschermingsregels in het omgevingsplan te worden gecreëerd.

Voor zover het gaat om de continuering van de gelding van de gemeentelijke verordeningen zelf en een eventueel daarin opgenomen vergunningplicht wordt in de bescherming van de hier bedoelde gemeentelijke monumenten «oude stijl» al voorzien door de artikelen 22.4 en 22.8 van de Omgevingswet, zoals die artikelen bij de Invoeringswet Omgevingswet worden toegevoegd. Maar voor een adequate bescherming van deze gemeentelijke monumenten «oude stijl» is ook vereist dat de onderdelen van Artikel 2.6, Artikel 2.9, Artikel 22.276, Artikel 22.277, Artikel 22.279 tot en met Artikel 22.282 en Artikel 1.34 die betrekking hebben op gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten in overeenstemming met de daarvoor geldende begripsomschrijvingen, ook op deze gemeentelijke monumenten «oude stijl» van toepassing zijn. Artikel 1.39 van dit omgevingsplan voorziet hierin. Daarbij is het uiteraard zo dat als bij voorbeschermde monumenten en archeologische monumenten de uitkomst van de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening is dat wordt afgezien van de aanwijzing, op dat moment de voorbescherming vervalt en niet langer sprake is van een «monument of archeologisch monument waarop die verordening van overeenkomstige toepassing is» als bedoeld in Artikel 1.39. Het van toepassing zijn van dit artikel op de hier bedoelde gemeentelijke monumenten «oude stijl» kan dus niet alleen worden beëindigd doordat gedurende de overgangsfase daaraan in het omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument wordt gegeven of ter zake in het omgevingsplan een voorbeschermingsregel wordt opgenomen (de situaties beschreven in Artikel 1.39), waardoor de desbetreffende monumenten en archeologische monumenten rechtstreeks onder de begrippen gemeentelijk monument en voorbeschermd gemeentelijk monument komen te vallen, maar ook doordat de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening uiteindelijk niet tot een aanwijzing leidt.

UUUU

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.1 Vergunningplicht Omgevingsplanactiviteit bouwwerken

Op grond van dit artikel is het verboden zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken. Als onderdeel van de omgevingsplanregels van rijkswege wordt hiermee de vergunningplicht voortgezet, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, voor zover die betrekking heeft op artikel 2.10, eerste lid, onder c en d, van die wet. In afdeling 3.2 van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Invoeringsbesluit Omgevingswet, is uitvoerig ingegaan op het expliciet maken dat deze vergunningplicht voor een bouwactiviteit ook betrekking heeft op het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk.

Het verbod behoudens vergunning geldt overigens niet als het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, van de Omgevingswet aangewezen geval. Die vergunningvrije gevallen zijn aangewezen in artikel 2.15f van het Bbl. Bij die aanwijzing gaat het om een landelijk uniforme categorie gevallen waarin geen omgevingsvergunning is vereist voor het verrichten van een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een bouwwerk (zoals bouwen, verbouwen, vervangen of uitbreiden). In zo'n geval is geen omgevingsvergunning vereist, ook niet als de bouw in strijd zou zijn met een in het omgevingsplan gestelde regel. Voldoet een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een bouwwerk niet aan de in het besluit gestelde voorwaarden, dan mag die activiteit niet zonder omgevingsvergunning worden verricht. In aanvulling op de landelijke categorie vergunningvrije gevallen kunnen in het omgevingsplan meer categorieën bouwactiviteiten worden aangewezen waarvoor geen omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit is vereist. In artikel Artikel 2.5  van dit omgevingsplan is van die bevoegdheid gebruik gemaakt om bouwactiviteiten die voorheen waren opgenomen in artikel 3 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, onder gelijkwaardige voorwaarden, als vergunningvrije omgevingsplanactiviteit mogelijk te maken. In artikel Artikel 2.7  is geregeld dat de onderdelen van artikel 2, bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht, die niet langer landelijk uniform vergunningvrij zijn op grond van het Bbl, op grond van het omgevingsplan onder dezelfde voorwaarden vergunningvrij zijn. Het betreft hier de bijbehorende bouwwerken, erf- en perceelafscheidingen hoger dan een meter en gebruik van bestaande bouwwerken voor mantelzorg. Artikelen Artikel 2.6  en  Artikel 2.9  bevatten uitzonderingen op dat vergunningvrije bouwen als dat bouwen betrekking heeft op monumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en archeologisch erfgoed.

VVVV

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.2 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken

Dit artikel bevat de aanvraagvereisten voor de aanvraag van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een bouwwerk. De aanvraagvereisten zijn grotendeels ontleend aan de artikelen uit de voormalige Regeling omgevingsrecht met aanvraagvereisten vanwege planologische voorschriften en stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening en vanwege redelijke eisen van welstand (nu 'uiterlijk van bouwwerken'), voor zover deze eisen onder de Omgevingswet nog relevant zijn voor in het omgevingsplan geregelde bouwactiviteiten. Anders dan in de Regeling omgevingsrecht zijn deze aanvraagvereisten in artikel Artikel 2.2  geregeld in één artikel, omdat alle genoemde aspecten, inclusief het uiterlijk van bouwwerken (voorheen 'welstand'), onder de Omgevingswet worden geregeld in het omgevingsplan. Voor het 'uiterlijk van bouwwerken wordt in dit verband verwezen naar de beoordelingsregel in artikel Artikel 2.11, eerste lideerste lid, aanhef en onder b, van dit omgevingsplan. Aan de aanvraagvereisten is verder toegevoegd de eis dat een opgave van de bouwkosten wordt gedaan. De bouwkosten vormen doorgaans de grondslag voor de legesberekening voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit. In de voormalige Regeling omgevingsrecht was in de algemene aanvraagvereisten geregeld dat van de kosten van de werkzaamheden van de te verrichten activiteiten opgave wordt gedaan. In de Omgevingsregeling komt dit als algemeen aanvraagvereiste niet meer voor. Daarom moet dit bij een activiteit waarvoor dit van belang is, zoals de in dit artikel bedoelde omgevingsplanactiviteit, bij de specifieke aanvraagvereisten voor die activiteit worden geregeld.

Onde rdeel Onderdeel j

Bij een aanvraag om een vergunning voor het bouwen wordt een bodemonderzoek overgelegd. Dit bodemonderzoek is noodzakelijk om te bepalen of de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem is overschreden. In dat geval zijn sanerende of andere beschermende maatregelen een voorwaarde voor het bouwen (artikel Artikel 2.11 , derde lid, en artikel Artikel 5.1 ).

Dit is een voortzetting van artikel 8 van de Woningwet in samenhang met de lokale bouwverordening.

WWWW

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.5 Uitzonderingen op vergunningplicht omgevingsplanactiviteit bouwwerken - omgevingsplan onverminderd van toepassing

In dit artikel zijn de bouwwerken aangewezen waarvoor de vergunningplicht, bedoeld in artikel Artikel 2.1 , niet van toepassing is. Met deze categorie van bouwwerken wordt artikel 3 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht, met enkele ondergeschikte aanpassingen en een aanvulling van erf- en perceelafscheiding (hoger dan een meter maar niet hoger dan twee meter), voortgezet. Zoals ook in afdeling 3.2 van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Invoeringsbesluit Omgevingswet toegelicht, geldt voor deze bouwwerken weliswaar niet de vergunningplicht uit artikel Artikel 2.1 , maar de overige regels uit het omgevingsplan blijven onverminderd van kracht. Dat betekent dat een bouwwerk onverminderd aan de materiële regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van het bouwwerk moet voldoen. Onderdeel van die regels kan ook een bepaling zijn dat daarvan bij omgevingsvergunning van kan worden afgeweken. Deze binnenplanse vergunningplichten kunnen bijvoorbeeld op grond van artikel 3.6, eerste lid, onder c, van de voormalige Wet ruimtelijke ordening, in een van het tijdelijk deel uitmakend bestemmingsplan zijn opgenomen. Ook deze binnenplanse vergunningplichten blijven onverminderd van kracht, met als gevolg dat er toch een binnenplanse vergunning nodig kan zijn voor de betrokken bouwwerken. Als zo’n binnenplanse vergunning niet kan worden verleend of als het bouwwerk of het voorgenomen gebruik daarvan, niet voldoet aan andere in het omgevingsplan gestelde materiële regels, is sprake van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. In dat geval is er voor het bouwwerk een buitenplanse vergunning nodig op grond artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet. Net als bij de werking van artikel 3 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht, zijn de betrokken bouwwerken dus alleen maar vergunningvrij als aan alle overige regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken uit dit omgevingsplan wordt voldaan. Als op grond van die andere regels een vergunning nodig is, of als het bouwwerk of het voorgenomen gebruik in strijd is met andere regels uit dit omgevingsplan, moet toch een vergunning worden aangevraagd.

Zoals al beschreven betreft het hier een voortzetting van de bouwwerken die in artikel 3 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht waren opgenomen. Op enkele onderdelen zijn daarin wijzigingen aangebracht. Zo is de eis in onderdeel a, onder 3, dat een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan op meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied moet zijn gelegen, niet langer afhankelijk van de gelding van redelijke eisen van welstand voor het betrokken gebied of bouwwerk. Hiermee wordt de praktische toepassing van de regeling verbeterd.

Onderdeel h zondert van de binnenplanse vergunningplicht uit buisleidingen anders dan buisleidingen waarop artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4°, van het Bbl (bij het Invoeringsbesluit Omgevingswet oorspronkelijk genummerd als artikel 2.15f, onder p, aanhef en onder 4°) van toepassing is. Hierdoor ontstaat een vergelijkbare samenhang tussen dit artikelonderdeel van de bruidsschat en het genoemde artikelonderdeel uit het Bbl als de samenhang tussen de onderdelen in de artikelen 2 en 3 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht.

In onderdeel i zijn enkele voorwaarden geschrapt (geen verandering van de draagconstructie of (sub)brandcompartimentering), aangezien die om bouwtechnische redenen gesteld werden en geen invloed hebben op de ruimtelijke kwaliteit van het bouwen zoals die door een omgevingsplan wordt gereguleerd.

XXXX

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.6 Inperkingen uitzonderingen vanwege cultureel erfgoed

Artikel 2.6 bevat uitzonderingen en aanvullende randvoorwaarden voor de in Artikel 2.5 aangewezen gevallen. Gevolg is dat, als uitzondering op de uitzondering, de vergunningplicht uit Artikel 2.1 toch blijft gelden voor die gevallen (als niet aan de aanvullende randvoorwaarden wordt voldaan). Deze systematiek is overgenomen uit de artikelen 4a en 5, vierde lid, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. De vergunningvrije mogelijkheden zijn in het kader van de bescherming van cultureel erfgoed beperkt in geval van (voor)beschermde monumenten en archeologische monumenten en rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten.

Artikel 2.6vierde lid, is een voortzetting van artikel 5, vierde lid, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht, waarbij op basis van de jurisprudentie één wijziging is aangebracht. Artikel 2.6vierde lid, aanhef, verklaart als hoofdregel de op grond van Artikel 2.5, aanhef en onder a en b, van dit omgevingsplan bestaande mogelijkheden om een bijbehorend bouwwerk of een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf te bouwen zonder de op grond van Artikel 2.1 van dit omgevingsplan vereiste omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit buiten toepassing, als er op de locatie van het bouwwerk regels gelden als bedoeld in Artikel 22.22 van dit omgevingsplan over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit. In Artikel 2.6vierde lid, onder a, is de al onder het Besluit omgevingsrecht bestaande uitzondering op deze hoofdregel opgenomen dat deze niet geldt als de oppervlakte van het bouwwerk minder dan 50 m2 bedraagt.

Op basis van de jurisprudentie is aan de regeling in dit omgevingsplan een subonderdeel toegevoegd (Artikel 2.6vierde lid, onder b). Per saldo leidt dit nieuwe subonderdeel ertoe dat de vergunningvrije bouwmogelijkheden voor een bijbehorend bouwwerk en een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf op grond van  Artikel 2.5 , aanhef en onder a en b, van dit omgevingsplan in een groter aantal gevallen van toepassing blijven, ook al gelden er op de locatie van het bouwwerk regels als bedoeld in Artikel 22.22 van dit omgevingsplan over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit. Het nieuwe subonderdeel regelt namelijk dat die vergunningvrije bouwmogelijkheden in dat geval ook van toepassing blijven als het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een verbod bevat om zonder omgevingsvergunning grondwerkzaamheden te verrichten die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit en daarop regels als bedoeld in Artikel 22.22 van dit omgevingsplan over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, van toepassing zijn. Op het moment dat sprake is van een dergelijk verbod met daarop betrekking hebbende regels over het verrichten van archeologisch onderzoek, is er geen reden om de desbetreffende vergunningvrije gevallen uit artikel Artikel 2.5  te beperken. In dat geval is de bescherming van de archeologische waarden op de locatie voldoende verzekerd. De uitzondering op de vergunningplicht uit artikel Artikel 2.1  kan dan blijven gelden. De toevoeging van dit nieuwe subonderdeel is een uitvloeisel van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State met nummer ECLI:NL:RVS:2014:2066. Bij deze uitspraak heeft de Afdeling kort samengevat geoordeeld dat het bestaan van een vergunningplicht voor een bouwactiviteit een eventuele vergunningplicht voor het uitvoeren van grondwerkzaamheden die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit onverlet laat. Om die reden is het niet langer meer nodig om de bescherming van archeologische waarden die gevolgen kunnen ondervinden van grondwerkzaamheden in het kader van een bouwactiviteit, te laten plaatsvinden via regels die betrekking hebben op die bouwactiviteit. Het zijn twee zelfstandige kaders. In de voormalige planologische regelingen die onderdeel uitmaken van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is dit uiteraard nog niet tot uitdrukking gebracht. Om die reden gebeurt dit nu in het nieuwe subonderdeel. Het is aan gemeenten om dit bij het vaststellen van het omgevingsplan verder te regelen en de regels die met het oog op de bescherming van archeologische waarden op een locatie worden gesteld aan het bouwen en het uitvoeren van grondwerkzaamheden in onderlinge samenhang te bezien en desgewenst aan te passen.

In aanvulling op de toelichting op artikel 2.30 van het Bbl (bij het Invoeringsbesluit Omgevingswet oorspronkelijk genummerd als artikel 2.15g) wordt hieronder ingegaan op de instructieregels en instructies die in ieder geval in acht genomen moeten worden bij het in het omgevingsplan aanpassen van artikelen Artikel 2.1  en  Artikel 2.5  van dit omgevingsplan en de in dit artikel (22.28) opgenomen uitzonderingen daarop voor cultureel erfgoed.

Bij aanpassing van het omgevingsplan moet de gemeente de instructieregels en instructies van de provincie en het Rijk in acht nemen. Bij dit onderwerp gaat het dan in ieder geval om de instructieregels uit het Bkl over het behoud van cultureel erfgoed (artikel 5.130) en werelderfgoed (artikel 5.131), de provinciale instructieregels over werelderfgoed (op grond van artikel 7.4, derde lid, van het Bkl) en de instructies ter bescherming van rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten, bedoeld in artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet (in samenhang met artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet).

Voor omgevingsplanactiviteiten in, aan of op via het omgevingsplan (voor)beschermde monumenten of archeologische monumenten zal het daarbij vooral draaien om de vraag of de activiteit van invloed kan zijn op de monumentale waarden. De omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk valt hier immers één op één samen met de omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een (gemeentelijk of provinciaal) beschermd monument of archeologisch monument. Als een gemeente niet tot een vergunningvrijregime per locatie wil overgaan, ligt een vergelijkbaar regime als opgenomen in artikel 13.11 van het Bal, waarin de vergunningvrije gevallen voor de rijksmonumentenactiviteit zijn aangewezen, voor de hand. In de omgeving van –bij – (voor)beschermde monumenten is in ieder geval relevant de instructieregel in artikel 5.130, tweede lid, onder d, onder 1°, van het Bkl, dat de aantasting van de omgeving van deze monumenten moet worden voorkomen voor zover deze daardoor zouden worden ontsierd of beschadigd. De mogelijkheden om binnen een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht meer omgevingsplanactiviteiten vergunningvrij te maken, worden enerzijds specifiek begrensd door het niveau van bescherming dat ten tijde van de aanwijzing als beschermd gezicht op grond van de Monumentenwet 1988 of de instructie op grond van artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet voldoende beschermend werd geacht. Anderzijds vormt de generieke instructieregel in artikel 5.130, tweede lid, onder d, onder 2°, van het Bkl in algemene zin een ondergrens. Deze instructieregel bepaalt dat aantasting van het karakter van beschermde stads- en dorpsgezichten (ongeacht op welk overheidsniveau deze zijn beschermd) moet worden voorkomen. Hoewel in de artikelsgewijze toelichting bij artikel 5.130 van het Bkl is opgemerkt dat het tweede lid, onder d, onder 2°, zich in eerste instantie richt op stads- en dorpsgezichten (en cultuurlandschappen) die op initiatief van de gemeente zelf worden beschermd, is de bepaling uitdrukkelijk ook van toepassing op rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten. Dit is ook nodig, omdat veel aanwijzingen als rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht inmiddels zo’n vijftig jaar oud zijn en de meeste nog op het oude stelsel zijn geënt, waarin van rechtswege een bouwvergunningplicht gold. Daardoor zijn die als instructie aangemerkte oude aanwijzingen in de praktijk niet altijd leesbaar als een actuele en gedetailleerde instructie als bedoeld in artikel 2.34 van de Omgevingswet. De instructieregel in artikel 5.130, eerste lid, van het Bkl verplicht de gemeente in zo’n geval de karakteristieken van het beschermde gezicht aanvullend te analyseren en te betrekken bij de vraag of er ruimte is voor aanvullende vergunningvrije omgevingsplanactiviteiten. Het ligt niet voor de hand dat er op gemeentelijk niveau generiek veel meer vergunningvrij zal kunnen worden verklaard. Voornoemde instructieregel voor beschermde stads- en dorpsgezichten geldt overigens ook voor eventuele via het omgevingsplan beschermde cultuurlandschappen, iets wat met name in het buitengebied aan de orde zou kunnen zijn.

In het licht van het voorgaande wordt ook nog gewezen op het – ook rechtstreeks de gemeenten bindende – verdrag van Granada. Op basis van artikel 4 van dat verdrag moet het beschermingsregime zo ingericht worden dat het bevoegd gezag ter voorkoming van ontsiering, vernieling of afbraak van beschermd cultureel erfgoed in een passende controle en goedkeuringsprocedure in kennis wordt gesteld van alle plannen tot het slopen of wijzigen («afbraak of verandering») van een (voor)beschermd monument of aantasting van de omgeving van zo’n monument, of waardoor een beschermd gezicht of cultuurlandschap geheel dan wel gedeeltelijk wordt aangetast als gevolg van de sloop van bestaande gebouwen, de bouw van nieuwe gebouwen, of belangrijke veranderingen waardoor het karakter van het gezicht of cultuurlandschap zou worden aangetast. Artikel 14, eerste lid, van dit verdrag vraagt verder in de verschillende stadia van besluitvorming te zorgen voor passende structuren voor informatie, overleg en samenwerking tussen de centrale overheid, de regionale en lokale overheden, culturele instellingen en verenigingen en het publiek (participatie).

In de meeste gevallen zal een preventieve toets aan het omgevingsplan in de vorm van een vergunningplicht met het oog op bovenstaande overwegingen wenselijk blijven. De hoeveelheid activiteiten in, aan, op en bij beschermde monumenten en archeologische monumenten en in beschermde stads- en dorps- gezichten die in een gebied vergunningvrij zullen kunnen worden na aanpassing van het omgevingsplan zal naar verwachting dus ook niet veel afwijken van de mogelijkheden die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet landelijk in het voormalige Besluit omgevingsrecht waren opgenomen.

YYYY

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.7 Uitzonderingen op vergunningplicht omgevingsplanactiviteit bouwwerken - van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan

In dit artikel is geregeld dat de onderdelen van artikel 2 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht, die niet langer landelijk uniform vergunningvrij zijn op grond van het Bbl, op grond van het omgevingsplan onder dezelfde voorwaarden vergunningvrij zijn. Het betreft hier de bijbehorende bouwwerken en erf- en perceelafscheidingen hoger dan een meter maar niet hoger dan twee meter. Met dit artikel wordt geregeld dat het bouwen, in stand houden en gebruiken van deze bouwwerken, mits voldaan wordt aan de hierbij gegeven randvoorwaarden, van rechtswege in overeenstemming is met het omgevingsplan. In combinatie met artikel Artikel 2.5 , waarin deze bouwwerken eveneens zijn aangewezen, leidt dit ertoe dat deze bouwwerken zonder vergunning zijn toegelaten op grond van het omgevingsplan. Er is geen binnenplanse vergunning en ook geen buitenplanse vergunning voor deze bouwwerken nodig. De vergunningplicht, bedoeld in artikel Artikel 2.1 , is immers niet van toepassing omdat de bouwwerken zijn aangewezen in artikel Artikel 2.5 . Evenmin is een andere binnenplanse vergunningplicht of een buitenplanse vergunningplicht aan de orde, omdat hier wordt bepaald dat de aangewezen bouwwerken van rechtswege in overeenstemming zijn met het omgevingsplan. Dit betekent ook dat een omgevingsvergunning die is vereist op grond van een eventuele in het tijdelijke deel van het omgevingsplan opgenomen bepaling dat voor een activiteit van een bepaalde regel (zoals bijvoorbeeld een toegelaten bouwhoogte) bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken, niet nodig is.

Een uitzondering geldt voor de in de aanhef van het artikel opgenomen regels van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan. Dit betreft de omgevingsplanregels van rijkswege, afkomstig uit onder meer het Bouwbesluit 2012, de Woningwet en het Activiteitenbesluit milieubeheer. Deze regels, die ook betrekking kunnen hebben op het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, zijn onverminderd van toepassing. Zo geldt voor deze bouwwerken bijvoorbeeld onverminderd het repressieve welstandsvereiste uit artikel Artikel 2.34 . Als een bouwwerk in strijd zou zijn met één of meer van deze regels, is sprake van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit en dus een omgevingsvergunning vereist.

Bijzondere vermelding verdient nog het in dit artikel in onderdeel c aangewezen gebruik van een bestaand bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg. Omdat het hier slechts gaat om gebruik van een bestaand bouwwerk en niet om het bouwen, in stand houden en gebruiken van een te bouwen bouwwerk, is de vergunningplicht uit artikel Artikel 2.1  op deze activiteit niet van toepassing en hoeft deze activiteit dus ook niet te worden aangewezen in artikel Artikel 2.5 . De aanwijzing in artikel Artikel 2.7  leidt ertoe dat een binnenplanse noch buitenplanse vergunning nodig is voor gebruik van een bestaand bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg.

ZZZZ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.9 Inperkingen uitzonderingen vanwege cultureel erfgoed

Dit artikel bevat uitzonderingen en randvoorwaarden voor het vergunningvrij bouwen als bedoeld in Artikel Artikel 22.362.7. Deze uitzonderingen waren in artikel 4a van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht opgenomen. Het gaat om uitzonderingen voor (voor)beschermde monumenten en archeologische monumenten en rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten.

AAAAA

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.10 Inperkingen uitzonderingen vanwege externe veiligheid

Dit artikel bevat uitzonderingen op de mogelijkheden om vergunningvrije activiteiten als bedoeld in artikel Artikel 2.7  te verrichten vanwege het belang van de externe veiligheid. Deze uitzonderingen waren opgenomen in artikel 5, derde lid, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. Hieraan ligt ten grondslag de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico van ten hoogste een op de miljoen per jaar voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties die op grond van artikel 5.7 van het Bkl in een omgevingsplan in acht moet worden genomen. Voor zover artikel Artikel 2.7  betrekking heeft op die gebouwen - de onderdelen a en c - is het niet wenselijk dat op locaties waar door de in die onderdelen bedoelde activiteiten overschrijding van de norm voor het plaatsgebonden risico aan de orde zou kunnen zijn, vergunningvrij de in die onderdelen bedoelde activiteiten zouden kunnen worden verricht.

De locaties waar deze activiteiten niet mogelijk zijn, zijn in de eerste plaats de locaties waarvoor het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, zelf al vanwege de overschrijding van het plaatsgebonden risico bouwmogelijkheden die kunnen leiden tot kwetsbare of zeer kwetsbare gebouwen niet toelaat. Het gaat hier om artikel Artikel 2.10 , onder a en b, dat een omzetting is van artikel 5, derde lid, onder a en b, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. De verwijzing naar dit omgevingsplan is hier uitdrukkelijk beperkt tot het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, dat kort samengevat bestaat uit de onder het voormalige recht geldende planologische regelingen. Dit omdat die regelingen uitgaan van de in de desbetreffende onderdelen van artikel 5, derde lid, gehanteerde begrippen en systematiek, die onder de Omgevingswet anders zijn. Het is aan gemeenten om daar bij het vaststellen van het omgevingsplan toepassing aan te geven. Hierop kan niet in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder c, van de Omgevingswet worden vooruitgelopen.

Artikel 2.10, onder c, zondert daarnaast ook vergunningvrije activiteiten als bedoeld in artikel Artikel 2.7 , onder a en c, uit, als de beoogde locatie voor die activiteiten is gelegen binnen afstanden die degene die een vergunningvrije milieubelastende activiteit verricht op grond van het Bal in verband met het plaatsgebonden risico in acht moet nemen. Het gaat dan om de afstanden tussen bepaalde installaties of opslagvoorzieningen waar met stoffen wordt gewerkt die een veiligheidsrisico voor de omgeving met zich kunnen brengen en te beschermen gebouwen en locaties. Op grond van het Bal geldt als hoofdregel dat veiligheidsafstanden zoals hier bedoeld gelden tot de begrenzing van de locatie waarop de milieubelastende activiteit wordt verricht. Hierdoor zijn er ook geen beperkingen aan de gebruiksruimte buiten die begrenzing. Maar het Bal staat in een aantal situaties afwijking van deze regel toe. Onderdeel c is alleen voor die gevallen van praktisch belang. De zinsnede «voor zover ... van toepassing is» in de verschillende subonderdelen van artikel Artikel 2.10 , onder c, brengt dat tot uitdrukking. Degene die een milieubelastende activiteit als hier bedoeld verricht, moet op grond van het Bal op het moment dat de veiligheidsafstanden van toepassing worden buiten de locatie waar hij zijn activiteit verricht, het bevoegd gezag daarover informeren. Het bevoegd gezag moet ervoor zorgen dat deze gegevens terecht komen in het landelijk register externe veiligheidsrisico's en aldus voor eenieder kenbaar zijn.

Bij de opsomming van activiteiten in  Artikel 2.10 , onder c, is aangesloten bij de opsomming van activiteiten in bijlage VII, onder A, bij het Bkl. Dat onderdeel van die bijlage geeft voor de daarin genoemde vergunningvrije milieubelastende activiteiten uit het Bal vastgestelde afstanden waarbij wordt voldaan aan de norm voor het plaatsgebonden risico. De opgesomde activiteiten, zoals die in artikel Artikel 2.10 , onder c, onder verwijzing naar de desbetreffende artikelen uit het Bal zijn overgenomen, omvatten zes activiteiten die niet worden genoemd in artikel 5, derde lid, onder c, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. Het gaat hier om de subonderdelen 2°, 5°, 6°, 7°, 12° en 13°. Voor de activiteit, bedoeld in subonderdeel 2° (het tanken van voertuigen of werktuigen met LPG), heeft dat als achtergrond dat deze activiteit onder het recht voor de Omgevingswet nog vergunningplichtig was. Door de verschuiving van vergunningplichtig naar vergunningvrij moet de activiteit nu aan de opsomming in artikel Artikel 2.10 , onder c, worden toegevoegd. Voor de overige toegevoegde activiteiten is gelet op het belang van de externe veiligheid evenmin aanleiding om deze voor de toepassing van artikel Artikel 2.10 , onder c, buiten beschouwing te laten.

BBBBB

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.19 Gebouwen buiten het bouwvlak achter de voorgevelrooilijn

De kaart waarop u het omgevingsplan bekijkt, werkt op dit moment erg beperkt. Om het bouwvlak zichtbaar te maken dient u het werkingsgebied van Artikel 2.17 aan te zetten.

 

CCCCC

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.20 Gebouwen buiten het bouwvlak voor de voorgevelrooilijn

De kaart waarop u het omgevingsplan bekijkt, werkt op dit moment erg beperkt. Om het bouwvlak zichtbaar te maken dient u het werkingsgebied van Artikel 2.17 aan te zetten.

 

DDDDD

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.41 Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater

In het eerste en tweede lid zijn technische eisen over de aansluiting van de gebouwriolering op de buitenriolering opgenomen. Het derde lid bevat technische eisen aan de uitvoering van een eventueel aanwezige buitenriolering. De eerste drie leden gelden ongeacht de vraag of het bouwwerk aangesloten is op een openbare voorziening voor het beheer van afvalwater. Het vierde lid is alleen van toepassing als er een openbare voorziening voor de afvoer van afvalwater (huishoudelijk afvalwater of hemelwater) aanwezig is waarop kan worden aangesloten. Onderdeel a heeft betrekking op het geval dat er voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet aanwezig is. Onderdeel b heeft betrekking op het geval dat er een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is. In die gevallen bepaalt het bevoegd gezag op welke plaats, op welke hoogte en met welke middellijn de voor de aansluiting van de afvoervoorziening noodzakelijke aansluiting bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd. Op grond van onderdeel c kan het bevoegd gezag voorzieningen eisen om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen. Dit kan met een maatwerkvoorschrift op grond van artikel Artikel 1.10 . Voor de duidelijkheid is de formulering die voorheen in het Bouwbesluit 2012 was opgenomen over deze aanwijzing overgenomen in dit artikel, omdat een maatwerkvoorschrift over dit onderwerp naar verwachting in de meeste gevallen deze inhoud zal krijgen. Het is echter op grond van artikel Artikel 1.10  ook mogelijk dat er in gevallen door het bevoegd gezag op een andere manier invulling zal worden gegeven aan het maatwerk.

In paragraaf 2.4.1 van de Omgevingswet zijn de overheidszorgplichten voor stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater beschreven. Onder stedelijk afvalwater wordt verstaan huishoudelijk afvalwater of een mengsel daarvan met bedrijfsafvalwater, afvloeiend hemelwater, grondwater of ander afvalwater. De regels over het lozen van huishoudelijk afvalwater, afstromend hemelwater en overtollig grondwater in de openbare riolering staan elders in dit omgevingsplan (en eventueel in het deel van dit omgevingsplan dat is voortgekomen uit de voormalige verordening over afvoer van hemel- en grondwater op grond van artikel 10.32a van de Wet milieubeheer). In dit artikel zijn vervolgens de bouw- en installatietechnische eisen opgenomen die gelden voor de afvoer vanuit of vanaf bouwwerken die aangesloten worden op de perceelaansluiting en in het verlengde daarvan op de openbare voorzieningen voor het beheer van afvalwater.

Die overheidszorgplicht voor afvalwater is zowel bij huishoudelijk afvalwater als bij hemelwater niet absoluut. Wanneer de aanleg van voorzieningen voor huishoudelijk afvalwater in het buitengebied niet doelmatig is, moeten burgers en bedrijven zelf in de afvoer of zuivering van huishoudelijk afvalwater voorzien.

De zorgplicht voor hemelwater gaat ervan uit dat gemeenten ook in stedelijk gebied niet hoeven in te zamelen als burgers en bedrijven zelf in afvoer van hemelwater kunnen voorzien. Waar wel wordt ingezameld, kan de gemeente bij de invulling van haar zorgplicht kiezen tussen de gemengde of afzonderlijke inzameling.

EEEEE

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.42 Mantelzorg is functioneel verbonden met hoofdgebouw

Dit artikel is ongewijzigd overgenomen uit artikel 1, vierde lid, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. Voor de toepassing van de genoemde paragrafen wordt huisvesting in verband met mantelzorg altijd als functioneel verbonden met het hoofdgebouw aangemerkt.

Daarmee wordt bewerkstelligd dat een bijgebouw dat of een aan- of uitbouw die wordt gebruikt voor huisvesting in verband met mantelzorg vanwege de expliciet bepaalde functionele verbondenheid met het hoofdgebouw, ook moet worden aangemerkt als een functioneel verbonden bouwwerk en daarmee als bijbehorend bouwwerk als bedoeld in dit omgevingsplan. Daarmee wordt het mogelijk het bijgebouw of de aan- of uitbouw op de grondslag van artikel Artikel 2.5 , aanhef en onder a, of artikel Artikel 2.7 , aanhef en onder a, van dit omgevingsplan vergunningvrij te bouwen. In de praktijk blijkt de vraag wel eens te ontstaan of er bij de toewijzing van een eigen huisnummer aan een bij een woning aanwezige mantelzorgvoorziening, nog sprake kan zijn van een bijbehorend bouwwerk. Het al dan niet toekennen van een afzonderlijk huisnummer is echter niet van belang voor de uitleg van deze bepaling.

FFFFF

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 2.2 Gebruik algemeen

T.a.v. Artikel 2.47 en Artikel 2.49:

De regels in het Bbl beperken zich voor zover het gaat om het gebruik van bouwwerken tot brandveilig gebruik en enkele kleine en afgebakende aspecten van gezondheid (concentraties asbest en formaldehyde) en energiebesparing. Die onderwerpen zijn daarin uitputtend geregeld, zodat de gemeente daarover in het omgevingsplan geen regels kan stellen. Overige aspecten van gebruik kunnen wel in het omgevingsplan worden geregeld. De artikelen over overbewoning (zie artikel Artikel 3.79 ) en gebruik van een bouwwerk in de buurt van een bouwvallig pand die voorheen in het Bouwbesluit 2012 waren opgenomen, zijn voorbeelden van zulke andere aspecten van gebruik die voortaan in dit omgevingsplan kunnen worden geregeld.

GGGGG

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.15 Verbod nieuwvestiging kleinschalige units, opslag- en garageboxen

Op percelen waar een bedrijf is toegestaan, geldt voor nieuwe units, opslag- of garageboxen een minimale gebruiksoppervlakte van 100 m2.

Minimale gebruiksoppervlakte op één bouwlaag

Begane grond: De gebruiksoppervlakte van elke individuele unit, opslag- of garagebox op de begane grond moet ten minste 100 m2 zijn. De oppervlakte van een eventueel aanwezige verdiepingsvloer telt daarbij niet mee.

Op een verdieping: Als een individuele unit, opslag- of garagebox niet gelegen is op de begane grond maar op een verdieping, dan bedraagt de gebruiksoppervlakte van deze individuele, op de verdieping gelegen unit ten minste 100 m2 op een enkele verdieping.

Vervanging

In geval van vervanging van bestaande units mag de gebruiksoppervlakte per unit niet kleiner worden (tenzij de gebruiksoppervlakte van de nieuwe units meer dan 100m2 is).

Definities

Voor het bepalen van de gebruiksoppervlakte wordt in het Besluit bouwwerken leefomgeving verwezen naar de norm NEN 2580. Meer informatie daarover is te vinden op de webpagina Gebruiksoppervlakte in het Bbl | Informatiepunt Leefomgeving.

De begripsbepaling van unit, opslag- of garagebox is te vinden in Bijlage Bijlage I BegripsbepalingenII.

HHHHH

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 3.17.1 Gebruiksactiviteiten wonen

T.a.v. artikel Artikel 3.79 :

De regels in het Bbl beperken zich voor zover het gaat om het gebruik van bouwwerken tot brandveilig gebruik en enkele kleine en afgebakende aspecten van gezondheid (concentraties asbest en formaldehyde) en energiebesparing. Die onderwerpen zijn daarin uitputtend geregeld, zodat de gemeente daarover in het omgevingsplan geen regels kan stellen. Overige aspecten van gebruik kunnen wel in het omgevingsplan worden geregeld. De artikelen over overbewoning (artikel Artikel 3.79 ) en gebruik van een bouwwerk in de buurt van een bouwvallig pand die voorheen in het Bouwbesluit 2012 waren opgenomen, zijn voorbeelden van zulke andere aspecten van gebruik die voortaan in dit omgevingsplan kunnen worden geregeld.

IIIII

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.44 Specifieke zorgplicht

De specifieke zorgplicht zorgt ervoor dat degene die een activiteit verricht, alles moet doen en laten om negatieve gevolgen voor de veiligheid, het milieu en de gezondheid te voorkomen. Soms lukt voorkomen niet. Dan moet hij ervoor zorgen dat er zo min mogelijk negatieve gevolgen voor het milieu en de gezondheid zijn.

Deze specifieke zorgplichtbepaling komt grotendeels overeen met de specifieke zorgplichtbepaling in het Bal. Dit artikel geldt daarom niet voor milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal. Dit is bepaald in het vierde lid. Voor meer informatie over de inhoud en werking van de specifieke zorgplicht wordt verwezen naar paragraaf 3.1 van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Bal.

De specifieke zorgplichten die in dit artikel zijn opgenomen, blijven gelden naast de algemene regels van deze afdeling in dit omgevingsplan, eventuele maatwerkvoorschriften en de vergunningplichten die in deze afdeling zijn opgenomen.

Tegen een overtreding van de specifieke zorgplicht kan handhavend worden opgetreden. Handhavend optreden ligt voor de hand bij evidente overtredingen van de specifieke zorgplicht. Daarvan is sprake in situaties waarin het handelen of nalaten van degene die de activiteit verricht, onmiskenbaar in strijd is met de specifieke zorgplicht. Er kunnen ook situaties aan de orde zijn waarin niet direct duidelijk is of van onmiskenbare strijd sprake is. Het bevoegd gezag zal dan een keuze moeten maken tussen een handhavingstraject of het eerst verduidelijken wat de specifieke zorgplicht inhoudt. Die verduidelijking kan in de vorm van het stellen van een maatwerkvoorschrift (zie het navolgende artikel) maar dat hoeft niet. Ook wanneer het bevoegd gezag degene die de activiteit verricht mondeling of schriftelijk informeert over wat er in een concreet geval onder de specifieke zorgplicht moet worden verstaan, is het voor diegene na ontvangst van die informatie duidelijk wat er verwacht wordt. Als daar geen gevolg aan wordt gegeven, is er sprake van onmiskenbare strijd met de specifieke zorgplicht. Een uitgebreidere uiteenzetting van de mogelijkheden om handhavend op te treden tegen overtredingen van de specifieke zorgplicht is opgenomen in de nota van toelichting bij het Bal2nota van toelichting bij het Bal.

Deze specifieke zorgplicht vervangt onder meer artikel 2.7a van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer dat ging over geurhinder. Dit houdt in dat als bij een activiteit emissies naar de lucht plaatsvinden, daarbij de geurhinder bij het geurgevoelige gebouw tot een aanvaardbaar niveau moet worden beperkt. Wat aanvaardbaar is, hangt af van de situatie. Hierbij kan rekening gehouden worden met onder meer de volgende aspecten:

-de bestaande toetsingskaders, waaronder lokaal geurbeleid;

-de geurbelasting ter plaatse van het geurgevoelige gebouw;

-de aard, omvang en waardering van de geur die vrijkomt bij de activiteit;

-de historie van degene die de activiteit verricht en het klachtenpatroon over geurhinder;

-de bestaande en verwachte geurhinder van de activiteit; en

-de kosten en baten van technische voorzieningen en gedragsregels op de locatie waarop de activiteit wordt verricht.

Deze specifieke zorgplicht geldt naast de verplichtingen die in de paragrafen en subparagrafen van deze afdeling zijn gesteld voor het voorkomen of het tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder.

Derde lid

Nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van en naar de activiteit betreffen hinder door bezoekersverkeer en indirecte geluidhinder. Bezoekersverkeer is het bezoek van klanten of bezoekers aan een activiteit. De Handreiking Vervoermanagement (november 2017) geeft inzicht in de wijze waarop invulling gegeven kan worden aan dit aspect van de specifieke zorgplicht. Daarnaast legt de handreiking de relatie met de EED, the European Energy Efficiency Directive en hoe daar mee om te gaan. De verschillende doelgroepen krijgen met deze handreiking meer inzicht in de mogelijkheden voor een «integrale» aanpak van duurzame mobiliteit.

Onder indirecte geluidhinder wordt geluidhinder verstaan die niet wordt veroorzaakt door activiteiten of installaties binnen de begrenzing van de locatie waarop de activiteit plaatsvindt, maar die wel aan die activiteit zijn toe te rekenen. In de toelichting bij Artikel 22.56 (geluid: meerdere activiteiten beschouwen als een activiteit) wordt nader ingegaan op het verschil tussen directe geluidhinder en indirecte geluidhinder.

Het bevoegd gezag heeft op grond van Artikel 22.45 de bevoegdheid maatwerkvoorschriften te stellen. Maatwerkvoorschriften kunnen ook inhouden dat de activiteiten worden beschreven en dat metingen, berekeningen of tellingen moeten worden verricht om de mate waarin nadelige gevolgen voor het milieu worden veroorzaakt, te bepalen. De resultaten van een dergelijk onderzoek kunnen aanleiding zijn aanvullende maatwerkvoorschriften te stellen ter voorkoming of beperking van nadelige gevolgen voor het milieu, zoals het voorschrijven van maatregelen en gedragsvoorschriften. Bij het stellen van maatwerkvoorschriften ter voorkoming van indirecte geluidhinder vanwege wegverkeer kan de circulaire van 29 februari 1996 van de Minister van VROM, getiteld «Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer» als hulpmiddel dienen. Dit is niet veranderd ten opzichte van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

Voor een verplaatsbaar mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 4.1116 van het Bal, stonden in artikel 21 van het voormalige Besluit algemene regels milieu mijnbouw en artikel 4 van de voormalige Regeling algemene regels milieu mijnbouw, regels over geluid door verkeersbewegingen. Deze regels hielden in dat de etmaalwaarde van de verkeersbewegingen van en naar de mobiele installatie niet hoger was dan 50 dB(A), beoordeeld volgens de hierboven genoemde circulaire van 29 februari 1996. Deze regels komen niet expliciet terug in deze afdeling, maar vallen wel onder de specifieke zorgplicht van dit omgevingsplan, bedoeld in dit derde lid.

Anders dan bij de plichten uit het tweede lid van dit artikel, geldt de zorgplicht uit dit derde lid ook voor milieubelastende activiteiten als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Bal. Niet voor alle nadelige gevolgen van milieubelastende activiteiten voor de fysieke leefomgeving zijn rijksregels gesteld in het Bal. Anders dan in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 2.1, eerste lid, in samenhang met het tweede lid, onderdeel k en q) maken de nadelige gevolgen van het verkeer van personen of goederen van en naar een activiteit en de bescherming van het donkere landschap geen onderdeel uit van de belangen die met het Bal worden behartigd. Voor de belangen die buiten het Bal vallen, kunnen voor het waarborgen van deze belangen op decentraal niveau regels worden gesteld. In dit artikel is dit gedaan, door in het derde lid het voorkomen of beperken van hinder, veroorzaakt door verkeer van en naar de activiteit en het beschermen van de duisternis en het donkere landschap op te nemen.

Vierde lid

Voor milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal geldt de specifieke zorgplicht uit artikel 2.11 van het Bal. Daarom is in het vierde lid bepaald dat het eerste en tweede lid van dit artikel niet gelden voor dergelijke milieubelastende activiteiten. Het derde lid geldt wel voor milieubelastende activiteiten die onder het Bal vallen. In het derde lid zijn immers aspecten genoemd die niet behoren tot het oogmerk van de regels in de hoofdstukken 2 tot en met 5 van het Bal.

2 Stb. 2018, 293, p. 526-527.

JJJJJ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.47 Gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat

Het Artikel Artikel 22.47, eerste lid,eerste lid regelt dat een naamswijziging of adreswijziging wordt doorgegeven aan het bevoegd gezag vóórdat de wijziging een feit is. Dat is vooral voor de initiatiefnemer zelf van belang: diegene wil immers dat correspondentie van het bevoegd gezag op het juiste adres aankomt. Het tweede lid regelt dat bij overdracht van de activiteit naar iemand anders, de daardoor gewijzigde gegevens aan het bevoegd gezag worden verstrekt. Bijvoorbeeld omdat een bedrijf onder dezelfde bedrijfsnaam en op hetzelfde adres wordt voorgezet, maar wisselt van eigenaar. Dit sluit aan op artikel 5.37 van de Omgevingswet, waar hetzelfde over vergunninghouders is geregeld.

KKKKK

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.51 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is niet van toepassing op activiteiten die in afdelingen 3.3 tot en met 3.11 van het Bal aangewezen zijn als milieubelastende activiteiten. Voor die activiteiten gelden de artikelen van paragraaf 5.4.1 van het Bal.

De milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in afdeling 3.2 van het Bal, de bedrijfstakoverstijgende activiteiten, vallen wel onder deze paragraaf van dit omgevingsplan. De activiteiten van afdeling 3.2 van het Bal waren onder het oude recht zelden een zelfstandige inrichting, maar meestal onderdeel van een grotere inrichting. Onder het stelsel van de Omgevingswet zijn ze meestal onderdeel van een grotere milieubelastende activiteit. Activiteiten, anders dan de activiteiten uit afdeling 3.2 van het Bal, zijn ofwel geregeld in het Bal in de afdelingen 3.3 en verder, ofwel in het omgevingsplan.

Als een richtingaanwijzer in het Bal de energiemodule aanwijst voor een bepaalde activiteit en daarbij ook een activiteit uit afdeling 3.2 van het Bal plaatsvindt, dan is de energiemodule ook van toepassing op de activiteit uit afdeling 3.2, die dan immers een functioneel ondersteunende activiteit is.

De regels van deze paragraaf gelden voor milieubelastende activiteiten waarbij het energieverbruik van alle milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die de milieubelastende activiteit functioneel ondersteunen, in het voorafgaande jaar, gezamenlijk gelijk is aan of groter dan 50.000 kWh aan elektriciteit en 25.000 m3 aardgasequivalenten aan brandstoffen. Hierbij moeten de activiteiten die in afdeling 3.2 van het Bal zijn geregeld ook worden meegenomen. Dus als bijvoorbeeld een supermarkt of horecagelegenheid een activiteit uit afdeling 3.2 van het Bal verricht, dan gelden ook daarvoor de energiebesparingsregels van dit omgevingsplan, tenzij het energieverbruik van de activiteiten op de locatie, gezamenlijk niet boven de drempel uitkomt.

Activiteiten uit afdeling 3.2 van het Bal die zelfstandig boven de drempel kunnen uitkomen, zoals de zuiveringsvoorziening uit paragraaf 3.2.17 van het Bal, waren in de regel onder het oude recht een inrichting, zodat het logisch is dat daarvoor de energiebesparingsregels uit dit omgevingsplan gelden.

Overigens is de gelding van deze paragraaf beperkt tot 1 december 2023. Dit hangt samen met het beleidsvoornemen om in het kader van de voorziene regelgeving over de actualisatie van de energiebesparingsplicht alsnog op rijksniveau ook voor bepaalde milieubelastende activiteiten die niet zijn aangewezen in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 van het Bal regels over energiebesparing te stellen. Met het opnemen van de datum van 1 december 2023 in Artikel 22.52vierde lid, dat betrekking heeft op de verplichting energiebesparende maatregelen te treffen, is aansluiting gezocht bij de datum van het van toepassing worden van de geactualiseerde regels over energiebesparing zoals deze is opgenomen in de hiervoor genoemde voorziene regelgeving. Ook de gelding van Artikel Artikel 22.52a22.52, dat betrekking heeft op het overgangsrecht voor de regels over energiebesparing zoals deze golden onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, is gekoppeld aan deze datum. Als een gemeente voor 1 december 2023 is overgegaan tot aanpassing van Artikel Artikel 22.52 of Artikel 22.52a van dit omgevingsplan, zal na die datum op grond van de geactualiseerde regels over energiebesparing in het Bal moeten worden bezien of deze regels in het omgevingsplan kunnen blijven voortbestaan als maatwerkregel.

 De regels in deze paragraaf, die betrekking hebben op zogeheten procesgebonden energiebesparende maatregelen, laten onverlet de regels over de zogeheten gebouwgebonden energiebesparende maatregelen, zoals deze zijn gesteld in de artikelen 3.84, 3.84a en 3.84b van het Bbl.

LLLLL

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.52 Energie: maatregelen, overgangsrecht  en informatieplicht

Lid 1 tot en met 4

Dit Het eerste tot en met het vierde lid van dit artikel vervangt artikel 2.15 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Deze paragraaf is overgenomen uit paragraaf 5.4.1 van het Bal. Zie de bij die paragraaf horende toelichting voor een uitleg van deze artikelen.

Het bevoegd gezag kan, als aannemelijk is dat niet wordt voldaan aan dit artikel, met een maatwerkvoorschrift op grond van Artikel 22.45 van dit omgevingsplan een onderzoek verlangen waaruit blijkt of aan dit artikel wordt voldaan.

Bijlage VII, onderdeel 16, bij de Omgevingsregeling bevat energiebesparende maatregelen die kunnen worden getroffen.

Lid 5 en lid 6

Het vijfde en zesde lid van dit artikel bevat overgangsrecht voor milieubelastende activiteiten die onder het toepassingsbereik van Paragraaf 22.3.2 van dit omgevingsplan vallen en waarvoor al op grond van het recht voor de Omgevingswet – in concreto artikel 2.15, tweede, tiende of elfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer – door het betrokken bedrijf of de betrokken instelling een rapportage informatieplicht aan het bevoegd gezag is verstrekt of had moeten worden verstrekt.

Dit overgangsrecht heeft in de eerste plaats tot gevolg dat tot 1 december 2023 kan worden volstaan met het treffen van de energiebesparende maatregelen, bedoeld in artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Dit is inclusief de bijbehorende regels en bijlagen uit afdeling 2.5 van de Activiteitenregelingmilieubeheer, zoals de lijst met erkende energiebesparende maatregelen, de rekenmethode voor de terugverdientijd en de rekenmethode voor de hoeveelheid aardgasequivalent. In Artikel 22.52zesde lid, is in dat licht gedurende de periode, bedoeld in het eerste lid van het Artikel 22.52 op de betreffende milieubelastende activiteiten niet van toepassing verklaard.

Daarnaast volgt uit dit overgangsrecht dat als voor een onder het toepassingsbereik vallende milieubelastende activiteit die is gestart voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet door het betrokken bedrijf of de betrokken instelling een rapportage informatieplicht had moeten worden verstrekt, maar dat nog niet is gebeurd, tot 1 december 2023 nog steeds in overeenstemming met de daaraan in artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit milieubeheer gestelde eisen aan de informatieplicht moet worden voldaan.

Met het opnemen van de datum van 1 december 2023 als einddatum voor het overgangsrecht is aansluiting gezocht bij de datum van het van toepassing worden van de geactualiseerde regels over energiebesparing zoals deze is opgenomen in de hiervoor in de toelichting bij Artikel 22.51 genoemde voorziene regelgeving.

MMMMM

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.52a Energie: overgangsrecht maatregelen en informatieplicht

Dit artikel bevat overgangsrecht voor milieubelastende activiteiten die onder het toepassingsbereik van Paragraaf 22.3.2 van dit omgevingsplan vallen en waarvoor al op grond van het recht voor de Omgevingswet – in concreto artikel 2.15, tweede, tiende of elfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer – door het betrokken bedrijf of de betrokken instelling een rapportage informatieplicht aan het bevoegd gezag is verstrekt of had moeten worden verstrekt.

Dit overgangsrecht heeft in de eerste plaats tot gevolg dat tot 1 december 2023 kan worden volstaan met het treffen van de energiebesparende maatregelen, bedoeld in artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Dit is inclusief de bijbehorende regels en bijlagen uit afdeling 2.5 van de Activiteitenregelingmilieubeheer, zoals de lijst met erkende energiebesparende maatregelen, de rekenmethode voor de terugverdientijd en de rekenmethode voor de hoeveelheid aardgasequivalent. In Artikel 22.52a, tweede lid, is in dat licht gedurende de periode, bedoeld in het eerste lid van het Artikel 22.52 op de betreffende milieubelastende activiteiten niet van toepassing verklaard.

Daarnaast volgt uit dit overgangsrecht dat als voor een onder het toepassingsbereik vallende milieubelastende activiteit die is gestart voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet door het betrokken bedrijf of de betrokken instelling een rapportage informatieplicht had moeten worden verstrekt, maar dat nog niet is gebeurd, tot 1 december 2023 nog steeds in overeenstemming met de daaraan in artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit milieubeheer gestelde eisen aan de informatieplicht moet worden voldaan.

Met het opnemen van de datum van 1 december 2023 als einddatum voor het overgangsrecht is aansluiting gezocht bij de datum van het van toepassing worden van de geactualiseerde regels over energiebesparing zoals deze is opgenomen in de hiervoor in de toelichting bij Artikel 22.51 genoemde voorziene regelgeving.

[Vervallen]

NNNNN

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.53 Afval: zwerfvuil

Dit artikel is een nadere invulling van de specifieke zorgplicht uit dit omgevingsplan of uit artikel 2.11 van het Bal. Anders dan onder het oude recht, geldt dit artikel ook voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten. De voorrangsbepaling van Artikel Artikel 22.1, tweede lid,tweede lid van dit omgevingsplan is ook relevant voor deze vergunningplichtige milieubelastende activiteiten. Als het aspect zwerfafval bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet al in een voorschrift van een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is geregeld, is deze omgevingsplanregel niet van toepassing.

OOOOO

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 22.3.4 Geluid

Immissiewaarden versus emissiebeperkende maatregelen

Deze paragraaf bevat regels die zien op de immissie van het geluid, veroorzaakt door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen. Voor enkele milieubelastende activiteiten zoals aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal, bevat dat besluit regels om geluidemissie te voorkomen. Bijvoorbeeld een verplichting om de werkzaamheden binnen uit te voeren. Voor de milieubelastende activiteiten die niet zijn aangewezen in het Bal, zijn in dit omgevingsplan geen emissiebeperkende maatregelen opgenomen. Als het opleggen van (extra) maatregelen ter voorkoming van geluidemissie nodig is, dan kan dit met een maatwerkvoorschrift.

Vergunningplichtige activiteiten en de Handreiking Industrielawaai en vergunningverlening

De geluidparagraaf geldt in beginsel voor alle milieubelastende activiteiten die onder het toepassingsbereik van deze afdeling vallen. Wel is er in Artikel Artikel 22.1, tweede lid,tweede lid van dit omgevingsplan een voorrangsbepaling opgenomen voor vergunningvoorschriften in een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die op grond van het oude recht is verleend. De geluidparagraaf uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was niet van toepassing op vergunningplichtige inrichtingen. Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten werden voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, geluidnormen en andere geluidvoorschriften opgenomen in de omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteiten.

Voor het vaststellen van geluidvoorschriften in de omgevingsvergunning werd meestal de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening gebruikt. Voor zowel vergunningverlening als het stellen van maatwerkvoorschriften bevat deze handreiking informatie. De handreiking bevat (onder meer in hoofdstuk 4) ook nu nog informatie die kan helpen bij het stellen van regels in het omgevingsplan of voorschriften voor activiteiten.

PPPPP

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.54 Toepassingsbereik

Eerste lid

Deze paragraaf is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw. Alleen geluidgevoelige gebouwen die op een locatie toegelaten zijn op grond van het omgevingsplan of via een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, worden beschermd tegen het geluid veroorzaakt door een activiteit.

Activiteiten

Dit artikel geldt in beginsel voor alle milieubelastende activiteiten die onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, bedoeld in Artikel 22.41 vallen. Dat algemene toepassingsbereik probeert het oude Wet milieubeheer begrip inrichting te vangen. Zie daarover meer in de toelichting bij Artikel 22.41, tweede lid. De geluidvoorschriften van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer waren alleen van toepassing op deze Wet milieubeheer-inrichtingen.

Dat betekent dat het geluid door activiteiten die buiten het algemene toepassingsbereik van deze afdeling vallen, niet hoeft te voldoen aan de bepalingen van deze geluidparagraaf. Voor die activiteiten blijven op grond van artikel 22.4 van de Omgevingswet onder meer de regels gelden over geluidhinder uit de Algemene Plaatselijke Verordening.

Ook is er in Artikel 22.1 van dit omgevingsplan een algemene voorrangsbepaling opgenomen. Het eerste lid van dat artikel bevat een voorrangsregel voor geluidregels in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, op grond van artikel 22.1, onder a van de Omgevingswet, voor zover die regels afwijken van de geluidregels in deze paragraaf van dit omgevingsplan. Een voorbeeld hiervan zijn afwijkende geluidwaarden in een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte op grond van de voormalige Crisis- en herstelwet.

Het Artikel Artikel 22.1, tweede lid,tweede lid van dit omgevingsplan bevat een voorrangbepaling voor vergunningvoorschriften in een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die op grond van het oude recht is verleend. De geluidvoorschriften uit die vergunningen krijgen voorrang op de geluidregels in dit omgevingsplan.

Geluidgevoelig gebouw en geluidgevoelige ruimte

Onder de Omgevingswet zijn begrippen geüniformeerd. Dat betekent dat voor sommige begrippen een nieuwe definitie geldt. Meestal is daar geen beleidsmatige verandering in bedoeld, maar soms kan de nieuwe definitie wel een iets andere uitwerking hebben. Zo wordt niet meer gesproken over een gevoelig gebouw of een gevoelig object. In plaats daarvan wordt gesproken over een geluidgevoelig gebouw.

Of een gebouw geluidgevoelig is, is afhankelijk van de gebruiksfuncties van dat gebouw. Zo wordt onder de Omgevingswet gesproken van een gebouw met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan, in plaats van over een woning.

In bestemmingsplannen werden specifieke ruimtes vaak niet bestemd. Het hele gebouw heeft dan dezelfde bestemming. Hierdoor kan in bestaande situaties een verandering ontstaan in de plaats waar de geluidwaarde geldt. Denk aan een aan- of inpandige garage, die wel een nevengebruiksfunctie van wonen heeft, maar geen verblijfsruimte is. De geluidwaarde geldt dan op de gevel van die garage.

Overigens is het begrip geluidgevoelige ruimte in het Bkl ook anders gedefinieerd dan in de voormalige Wet geluidhinder en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Zo heeft de oude regelgeving het over een keuken van ten minste 11 m2. Die ondergrens van 11 m2 vervalt. Een geluidgevoelige ruimte wordt gedefinieerd als een verblijfsruimte of verblijfsgebied van de aangewezen gebruiksfuncties.

In de praktijk kunnen zodoende kleine verschillen optreden. Als dit bij toepassing van de omgevingsplanregels van rijkswege in een concreet geval een probleem oplevert, dan kan dit opgelost worden met maatwerkvoorschriften.

Tweede lid, onderdeel b

Met dit artikel wordt bepaald dat het geluid van een activiteit niet geldt op een geluidgevoelig gebouw dat tijdelijk is toegelaten. De aanwezigheid van een tijdelijk geluidgevoelig gebouw kan wel aanleiding zijn voor het (met maatwerk) opleggen van een andere waarde dan de standaardwaarde of voor het opleggen van maatregelen of gedragsvoorschriften. De specifieke zorgplicht voor een milieubelastende activiteit is ook van toepassing op geluid door een activiteit op deze tijdelijke geluidgevoelige gebouwen.

Tweede lid, onderdeel c

Een gevel kan bij het toelaten van nieuwe geluidgevoelige gebouwen met toepassing van de artikelen 5.78y of 5.78aa van het Bkl, als niet-geluidgevoelige gevel in het omgevingsplan worden aangemerkt. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting op de artikelen 5.78y en 5.78aa in het (voorgenomen) Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet. Deze niet-geluidgevoelige gevels vervangen in het nieuwe stelsel de gevels die onder de voormalige Wet geluidhinder als «doof» werden aangemerkt of waarvoor met toepassing van de Interimwet stad-en-milieubenadering werd afgeweken van de wettelijke norm.

In het overgangsrecht van het (voorgenomen) Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet is in artikel 12.17 bepaald dat onder «niet-geluidgevoelige gevel» ook wordt verstaan een gevel die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet is aangemerkt als zogenoemde «dove gevel», evenals een gevel waarvoor de Interimwet stad-en-milieubenadering is toegepast. Ook die gevels blijven na inwerkingtreding van de Omgevingswet niet geluidgevoelig.

Derde lid, onderdeel a

Voor activiteiten met verplaatsbare mijnbouwwerken als bedoeld in artikel 4.1116 van het Bal worden geluidwaarden gesteld in paragraaf 4.109 «Werkzaamheden met verplaatsbaar mijnbouwwerk» van het Bal.

Derde lid, onderdeel b

Geluid door spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen valt niet onder de regels van deze paragraaf. Andere geluiden door een spoorwegemplacement, zoals geluid door het wassen van de treinwagons, vallen wel onder deze paragraaf. Voor het geluid door wegverkeersbewegingen van en naar een spoorwegemplacement geldt de specifieke zorgplicht uit Artikel 22.44, derde lid, onder a, van dit omgevingsplan.

Vierde lid

Een winkel was onder het oude recht vaak geen Wet milieubeheer-inrichting. De regels van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer golden daarom niet voor activiteiten bij detailhandel. Winkels vielen wel onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer als de volgende installaties aanwezig waren:

-elektromotoren met een opgeteld vermogen groter dan 1,5 kW (bijvoorbeeld in automatische rolluiken of airco's); of

-stookinstallaties met een opgeteld thermisch vermogen van meer dan 130 kW.

Met dit artikel wordt voorkomen dat de geluidwaarden uit deze paragraaf gaan gelden voor die winkels waarvoor de geluidnormen uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer niet golden. Wel geldt voor deze winkels de specifieke zorgplicht in Artikel 22.44 van dit omgevingsplan.

QQQQQ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.55 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

Eerste lid

De uitzondering in Artikel 22.54, tweede lid, onder b, voor een tijdelijk toegelaten geluidgevoelig gebouw, geldt alleen voor een geluidgevoelig gebouw dat na de inwerkingtreding van de Omgevingswet is toegelaten voor een duur van niet meer dan 10 jaar, waarbij getoetst is aan de kwalitatieve norm «aanvaardbaar» uit artikel 5.59, tweede lid van het Bkl. Voor een geluidgevoelig gebouw dat al voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet is toegelaten geldt de uitzondering niet. Zo'n gebouw valt wel binnen het toepassingsbereik van deze paragraaf en hiervoor blijft wel een waarde gelden voor het geluid door een activiteit op de gevel van een tijdelijk toegelaten geluidgevoelig gebouw. De reden voor het uitzonderen is dat onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer de geluidnormen wel golden voor gebouwen waarvoor het tijdelijk toegelaten is om ze te gebruiken als geluidgevoelig gebouw.

Zie het schema in de volgende alinea voor een overzicht van de gevallen waarin een waarde voor geluid geldt bij verschillende situaties van geluidgevoelige gebouwen die tijdelijk toegelaten zijn versus activiteiten.

Tweede lid

Onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer kregen geprojecteerde en in aanbouw zijnde geluidgevoelige gebouwen geen bescherming tegen geluid van milieubelastende activiteiten. Dit is wel zo bij de instructieregels van het Bkl. De geluidwaarde geldt dan op de locatie waar volgens het omgevingsplan of de omgevingsvergunning de gevel van het gebouw gebouwd mag worden. Omdat de voormalige bestemmingsplannen van rechtswege zijn overgegaan in omgevingsplannen, zou toetsing op een geprojecteerd gebouw ertoe kunnen leiden dat een bestaande activiteit opeens niet meer voldoet aan de geluideisen. In de transitieperiode is dit ongewenst: voor rechtmatige bestaande situaties moeten niet ineens strengere waarden voor geluid gaan gelden. Daarom is in de omgevingsplanregels van rijkswege, voor situaties die al toegestaan zijn voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, de uitzondering opgenomen dat onder een geluidgevoelig gebouw niet wordt verstaan een geprojecteerd gebouw of een geluidgevoelig gebouw in aanbouw.

Het uitgangspunt voor het overgangsrecht is dat de initiatiefnemer onder dezelfde condities zijn activiteit moet kunnen blijven voortzetten. Als na de inwerkingtreding van de Omgevingswet een nieuw geluidgevoelig gebouw wordt toegelaten bij een bestaande activiteit, of een nieuwe activiteit begint bij een bestaand geluidgevoelig gebouw, gelden al wel de nieuwe regels. Dit verschil werkt ook door naar de omgevingsplanregels van rijkswege.



Schema: of waarden voor geluid gelden bij geprojecteerde of in aanbouw zijnde geluidgevoelige gebouwen of tijdelijke geluidgevoelig gebouwen versus situatie activiteiten

 

Geluidgevoelig gebouw

 

Activiteiten

 

al rechtmatig verricht voor inwerkingtreding van de Omgevingswet

nog niet rechtmatig verricht voor inwerkingtreding van de Omgevingswet

op grond van het oude recht (in het tijdelijke deel van het omgevingsplan) toegelaten maar nog niet gebouwd

de waarden voor geluid uit Paragraaf 22.3.4 zijn niet van toepassing

de waarden voor geluid uit Paragraaf 22.3.4 zijn wel van toepassing

in het nieuwe deel van het omgevingsplan toegelaten maar nog niet gebouwd

de waarden voor geluid uit Paragraaf 22.3.4 zijn wel van toepassing

de waarden voor geluid uit Paragraaf 22.3.4 zijn wel van toepassing

op grond van het oude recht (in het tijdelijke deel van het omgevingsplan) toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar

de waarden voor geluid uit Paragraaf 22.3.4 zijn wel van toepassing

de waarden voor geluid uit Paragraaf 22.3.4 zijn wel van toepassing

in het nieuwe deel van het omgevingsplan toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar

de waarden voor geluid uit Paragraaf 22.3.4 zijn niet van toepassing

de waarden voor geluid uit Paragraaf 22.3.4 zijn niet van toepassing

RRRRR

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.56 Geluid: meerdere activiteiten beschouwen als één activiteit

Onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer golden de geluidnormen voor de gehele inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Dus voor het samenstel van activiteiten die binnen de inrichting plaatsvinden. Deze bepaling beoogt hetzelfde. Wanneer op een locatie meerdere, onderling samenhangende activiteiten worden verricht, gelden de geluidregels voor dit samenstel van activiteiten. Dit is bijvoorbeeld aan de orde als de activiteiten behoren tot een bedrijf. Dit artikel geeft aan welke clustering van activiteiten als één activiteit beschouwd moet worden. Dit kunnen twee milieubelastende activiteiten zijn die elkaar functioneel ondersteunen. Uit de systematiek van het Bal volgt al dat een milieubelastende activiteit die is aangewezen in de paragrafen 3.3 tot en met 3.11, bestaat uit de kernactiviteit, inclusief functioneel ondersteunende activiteiten. Dit is ook zo als die functioneel ondersteunende activiteiten zelf ook als milieubelastende activiteit in hoofdstuk 3 aangewezen zijn. Ook twee of meer milieubelastende activiteiten op één locatie die rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan worden op grond van dit artikel beschouwd als één activiteit.

De inhoud van dit artikel wijkt af van artikel 5.58 in het Bkl. Dit is gedaan om de omgevingsplanregels van rijkswege beter aan te laten sluiten bij de situatie zoals die was onder het oude recht.

Deze bepaling beoogt niet het algemene toepassingsbereik van deze afdeling over de milieubelastende activiteit uit te breiden. Bijvoorbeeld met het geluid van een landbouwvoertuig op een akker. Deze bepaling trekt die activiteit niet alsnog «binnen» de activiteit.

Directe hinder, laden en lossen versus indirecte hinder

Ook activiteiten die niet hoofzakelijk op de locatie van het terrein van een bedrijf plaatsvinden, maar in de onmiddellijke nabijheid daarvan, kunnen onderdeel zijn van een activiteit in de zin van dit artikel. Dit wordt beschouwd als «directe hinder». Een voorbeeld hiervan zijn laad- en losactiviteiten die op de openbare weg worden uitgevoerd. Het geluid van dit laden en lossen moet dus ook voldoen aan de waarde voor geluid van een activiteit, zoals opgenomen in deze paragraaf. In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer golden de geluidnormen ook voor deze activiteiten in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting.

De geluidvoorschriften in deze paragraaf gelden dus voor het geluid dat beschouwd wordt als «directe hinder». Geluid, veroorzaakt door het verkeer van personen en goederen van en naar de activiteit (totdat het is opgenomen in het heersende verkeersbeeld) wordt beschouwd als «indirecte hinder». Voor indirecte hinder geldt alleen de specifieke zorgplicht in Artikel Artikel 22.44, derde lid,derde lid van dit omgevingsplan. Zie ook de toelichting bij Artikel 22.44, derde lid.

Overigens was het onder het oude recht ook afhankelijk van de omstandigheden van het geval wanneer laden en lossen overgaat in het verkeer van personen en goederen van en naar de activiteit. Deze omgevingsplanregels van rijkswege brengen hier geen verandering in.

SSSSS

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.61 Gegevens en bescheiden: rapport geluidonderzoek

Lid 1 en lid 2

Ten minste vier weken voor het begin of wijziging van de activiteit moet het geluidonderzoek aan het bevoegd gezag versterkt worden. Behalve het geluidonderzoek moeten ook de gegevens zoals vermeld in Artikel 22.46 worden verstrekt.

Lid 3 tot en met lid 7

Het derde tot en met het zevende lid van dit artikel heeft als doel om gemeenten op de hoogte te stellen van nieuwe of gewijzigde activiteiten op een gezoneerd industrieterrein.

Deze informatieplicht geldt niet als de gemeente al via een aanvraag om een omgevingsvergunning, via het overleggen van een geluidonderzoek op grond van Artikel 22.60 en Artikel 22.61 of via een informatieplicht ergens anders in deze afdeling van dit omgevingsplan of in het Besluit activiteiten leefomgeving, op de hoogte wordt gesteld van het begin of de wijziging van de activiteit. In artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet is daarnaast nog bepaald dat gegevens en bescheiden niet behoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.

Naar aanleiding van de ontvangen gegevens en bescheiden kan de gemeente vervolgens beoordelen of het noodzakelijk is om een geluidonderzoek te laten verrichten voor het zonebeheer. Op grond van Artikel 22.45 van dit omgevingsplan kan dan een rapport van een geluidonderzoek verlangd worden van de initiatiefnemer.

Deze verplichting geldt niet voor activiteiten op een gezoneerd industrieterrein waar geen activiteiten verricht worden of installaties gebruikt worden zoals bedoeld in het tweede lid. Deze activiteiten en grenzen zijn overgenomen uit de begripsbepaling inrichting Type A in artikel 1.2 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Onder het oude recht hoefde voor een inrichting Type A geen melding te worden gedaan. Voor de informatieplicht in Artikel 22.61 van het omgevingsplan is alleen gekeken naar die grenzen uit het oude begrip inrichting Type A die mede gesteld waren met het oogmerk om geluidhinder te voorkomen of beperken.

TTTTT

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.61a Gegevens en bescheiden

Dit artikel heeft als doel om gemeenten op de hoogte te stellen van nieuwe of gewijzigde activiteiten op een gezoneerd industrieterrein.

Deze informatieplicht geldt niet als de gemeente al via een aanvraag om een omgevingsvergunning, via het overleggen van een geluidonderzoek op grond van Artikel 22.60 en Artikel 22.61 of via een informatieplicht ergens anders in deze afdeling van dit omgevingsplan of in het Besluit activiteiten leefomgeving, op de hoogte wordt gesteld van het begin of de wijziging van de activiteit. In artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet is daarnaast nog bepaald dat gegevens en bescheiden niet behoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.

Naar aanleiding van de ontvangen gegevens en bescheiden kan de gemeente vervolgens beoordelen of het noodzakelijk is om een geluidonderzoek te laten verrichten voor het zonebeheer. Op grond van Artikel 22.45 van dit omgevingsplan kan dan een rapport van een geluidonderzoek verlangd worden van de initiatiefnemer.

Deze verplichting geldt niet voor activiteiten op een gezoneerd industrieterrein waar geen activiteiten verricht worden of installaties gebruikt worden zoals bedoeld in het tweede lid. Deze activiteiten en grenzen zijn overgenomen uit de begripsbepaling inrichting Type A in artikel 1.2 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Onder het oude recht hoefde voor een inrichting Type A geen melding te worden gedaan. Voor de informatieplicht in Artikel 22.61a van het omgevingsplan is alleen gekeken naar die grenzen uit het oude begrip inrichting Type A die mede gesteld waren met het oogmerk om geluidhinder te voorkomen of beperken.

[Vervallen]

UUUUU

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.68 Geluid: waarden op drijvende woonfunctie voor 1 juli 2012

Dit artikel is een voortzetting van het overgangsrecht voor ligplaatsen, zoals was opgenomen in artikel 2.17, vierde lid, onder d, vijfde lid, onder f, en het zesde lid, onder d, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

Het in Artikel Artikel 22.63, eerste lid, eerste lid, Artikel Artikel 22.64, eerste lid, eerste lid, Artikel Artikel 22.65, eerste lid,eerste lid en Artikel Artikel 22.66, eerste lid,eerste lid opgenomen langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en het maximaal geluidsniveau wordt verhoogd met 5 dB(A). Deze verhoging geldt voor drijvende woonschepen die als zodanig voor 1 juli 2012 in dit omgevingsplan zijn toegelaten én voor drijvende woonfuncties die voor 1 juli 2012 waren opgenomen in een gemeentelijke verordening en nadien, maar voor 1 juli 2022, alsnog zijn opgenomen in een omgevingsplan.

VVVVV

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.83 Toepassingsbereik

Eerste lid

Deze paragraaf is van toepassing op de trillingen door een activiteit, in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw. Dit artikel geldt alleen voor activiteiten die ook onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling voor milieubelastende activiteiten, bedoeld in Artikel 22.41 vallen. Dat algemene toepassingsbereik probeert het oude begrip Wet milieubeheer-inrichting grotendeels te dekken. Zie daarover meer in de toelichting bij artikel 22.41. De trillingvoorschriften van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer waren alleen van toepassing op deze Wet milieubeheer-inrichtingen. Deze paragraaf is alleen van toepassing op activiteiten die trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaken. Dat bleek onder het Activiteitenbesluit milieubeheer impliciet door de verwijzing naar normwaarden in de Meet- en beoordelingsrichtlijn B «Hinder voor personen» van de Stichting Bouwresearch.

De trillingparagraaf uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was niet van toepassing op vergunningplichtige inrichtingen. Deze paragraaf van dit omgevingsplan is wel van toepassing op vergunningplichtige milieubelastende activiteiten. Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten werden voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, soms trillingnormen of andere voorschriften ter beperking van trillinghinder opgenomen in de omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteiten. Deze bestaande vergunningvoorschriften blijven op grond van artikel 4.13 van de Invoeringswet Omgevingswet gelden en hebben op grond van Artikel Artikel 22.1, tweede lid,tweede lid van dit omgevingsplan voorrang op de regels voor trillingen in deze paragraaf van dit omgevingsplan.

Onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer werd bij de bescherming tegen trillinghinder verwezen naar de begrippen «geluidgevoelige ruimten» en «verblijfsruimten», bedoeld in de voormalige Wet geluidhinder. Het Bkl bevat eigen begrippen «trillinggevoelige gebouwen» en «trillinggevoelige ruimten». Deze gelden op grond van Artikel 1.1, eerste lid, van dit omgevingsplan.

Overigens is het begrip trillinggevoelige ruimte in het Bkl wel anders gedefinieerd dan een geluidgevoelige ruimte in de voormalige Wet geluidhinder en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Zo heeft de oude regelgeving het over een keuken van ten minste 11 m2. Die ondergrens van 11 m2 vervalt. Een trillinggevoelige ruimte wordt gedefinieerd als een verblijfsruimte of verblijfsgebied van een aangewezen gebruiksfunctie. In de praktijk kunnen dus kleine verschillen optreden. Als dit bij toepassing van de omgevingsplanregels van rijkswege in een concreet geval een probleem oplevert, dan kan dit opgelost worden met maatwerkvoorschriften.

Tweede lid, onderdeel b

Met dit artikel wordt bepaald dat deze paragraaf niet geldt voor trillingen in een trillinggevoelig gebouw dat tijdelijk is toegelaten.

WWWWW

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.91 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

Eerste lid

In artikel 5.90 van het Bkl zijn geurgevoelige gebouwen die zijn toegelaten voor de duur van niet meer dan tien jaar, uitgesloten van het toepassingsbereik van de bepalingen over geur in dat besluit. In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer kregen deze gebouwen dezelfde bescherming tegen geurhinder als alle andere geurgevoelige objecten.

Dit artikellid zorgt ervoor dat de tijdelijke geurgevoelige objecten die toegelaten zijn op grond van het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet, wel bescherming in de vorm van geurwaarden en afstandseisen blijven houden. Dit tot het moment dat bij:

-het vaststellen van het nieuwe deel van dit omgevingsplan; of

-het verlenen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit;

beoordeeld is dat de situatie ook zonder geldende waarde of afstanden voor geur op het tijdelijke geurgevoelige gebouw aanvaardbaar is.

Tweede lid

Onderdeel b van het tweede lid gaat over geprojecteerde en in aanbouw zijnde geurgevoelige gebouwen die op grond van het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet toegelaten zijn. Deze gebouwen krijgen op grond van dit onderdeel geen bescherming voor geur. Het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer bood namelijk geen bescherming voor geur aan geplande, maar nog te bouwen gebouwen.

Schema: of waarden of afstanden voor geur gelden bij geprojecteerde of in aanbouw zijnde geluidgevoelige gebouwen of tijdelijke geurgevoelig gebouwen of objecten

 

Geurgevoelig gebouw of object

Activiteit

op grond van het oude recht (in het tijdelijke deel van het omgevingsplan), toegelaten maar nog niet gebouwd

de waarden en afstanden voor geur zijn niet van toepassing

in het nieuwe deel van het omgevingsplan, toegelaten maar nog niet gebouwd

de waarden en afstanden voor geur zijn wel van toepassing

geurgevoelig object dat op grond van het oude recht (in het tijdelijke deel van het omgevingsplan) is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar.

de waarden en afstanden voor geur zijn wel van toepassing

geurgevoelig gebouw dat in het nieuwe deel van het omgevingsplan is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar.

de waarden en afstanden voor geur zijn niet van toepassing

XXXXX

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.101 Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s voor het berijden: afstand

Voor landbouwhuisdieren waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld gelden geen waarden, maar is het uitgangspunt dat afstanden worden aangehouden. Deze afstanden zijn in dit artikel opgenomen. Het gaat hierbij om vaste afstanden: de afstand is niet gekoppeld aan het aantal landbouwdieren.

In dit omgevingsplan wordt onder landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor verstaan: landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen emissiefactor voor geur is vastgesteld met uitzondering van pelsdieren. Deze begripsbepaling staat opgenomen in Bijlage IBijlageIIbij dit omgevingsplan.

Dit artikel is een voortzetting van artikel 4, eerste lid, van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en artikel 3.117, eerste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

Voor dit artikel geldt dat als in een geurverordening op grond van artikel 6 van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij een andere afstand is vastgesteld dan de afstand in dit artikel, die andere afstand uit de geurverordening voorrang heeft op de afstand zoals opgenomen in dit artikel. Dit is geregeld in Artikel 22.1 van dit omgevingsplan. Deze voorrang werkt ook door in de volgende artikelen van deze paragraaf over de eerbiedigende werking.

YYYYY

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.150 Meet- en rekenbepalingen

In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. Er zijn normen opgenomen voor het bemonsteren, conserveren en ontsluiten. Ook zijn de analysemethoden die moeten worden gebruikt voor de stoffen waaraan in deze paragraaf emissiegrenswaarden worden gesteld voorgeschreven. De versies van de NEN-EN-normen zijn opgenomen in de begripsbepalingen van Bijlage Bijlage III.

Als er wordt bemonsterd, moeten de monsters volgens NEN 6600-1 worden geconserveerd om te voorkomen dat in de monsters verandering optreedt voor de te analyseren parameter tussen het moment van bemonstering en het moment van analyse. Omdat de emissiegrenswaarden die zijn gesteld betrekking hebben op het totaal van opgeloste en niet opgeloste stoffen in het afvalwater, is het van belang dat het monster niet gefilterd wordt en dat de stoffen die zich onopgelost in het afvalwater bevinden meegenomen worden in de analyse.

ZZZZZ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.207 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

De formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.20 van het Bal. Degene die een activiteit als bedoeld in Artikel Artikel 22.202, eerste lid,eerste lid verricht houdt in een logboek bij waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties. Dat een logboek beschikbaar moet zijn voor het bevoegd gezag volgt uit de Algemene wet bestuursrecht. Dit mag ook in digitale vorm zijn.

Op grond van Artikel 22.50, onder d, moet aan het bevoegd gezag informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om nadelige gevolgen van een ongewoon voorval te voorkomen.

AAAAAA

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.215 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

Eerste lid

In artikel 5.89a van het Bkl zijn slagschaduwgevoelige gebouwen, die zijn toegelaten voor de duur van niet meer dan tien jaar, uitgesloten van het toepassingsbereik van de bepalingen over slagschaduw in dat besluit. In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer kregen deze tijdelijk toegelaten slagschaduwgevoelige gebouwen wel bescherming. Dit artikellid zorgt ervoor dat de tijdelijke slagschaduwgevoelige gebouwen, die toegelaten zijn op grond van het recht zoals dat gold vóór inwerkingtreding van de Omgevingswet, wel bescherming tegen slagschaduw blijven houden. Dit tot het moment dat bij:

-het vaststellen van het nieuwe deel van het omgevingsplan; of

-het verlenen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit;beoordeeld is dat de situatie ook zonder deze regel voor slagschaduw op het tijdelijke slagschaduwgevoelige gebouw, aanvaardbaar is.

Tweede lid

Het tweede lid gaat over geprojecteerde en in aanbouw zijnde slagschaduwgevoelige gebouwen, die op grond van het recht zoals dat gold vóór inwerkingtreding van de Omgevingswet toegelaten zijn. Deze gebouwen krijgen op grond van dit onderdeel geen bescherming voor slagschaduw. Het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer bood namelijk geen bescherming tegen slagschaduw aan geplande, maar nog te bouwen gebouwen.

Schema: of regels voor slagschaduw gelden bij geprojecteerde of in aanbouw zijnde slagschaduwgevoelige gebouwen of tijdelijk toegelaten slagschaduwgevoelige gebouwen

 

Slagschaduwgevoelig gebouw

Activiteit

op grond van het oude recht (in het tijdelijke deel van het omgevingsplan), toegelaten maar nog niet gebouwd

de regel voor slagschaduw is niet van toepassing

in het nieuwe deel van het omgevingsplan, toegelaten maar nog niet gebouwd

de regel voor slagschaduw is wel van toepassing

slagschaduwgevoelig gebouw dat op grond van het oude recht (in het tijdelijke deel van het omgevingsplan) is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar

de regel voor slagschaduw is wel van toepassing

slagschaduwgevoelig gebouw dat in het nieuwe deel van het omgevingsplan is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar

de regel voor slagschaduw is niet van toepassing

Naar boven