Gemeenteblad van Gennep
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Gennep | Gemeenteblad 2026, 150017 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Gennep | Gemeenteblad 2026, 150017 | beleidsregel |
Beleidsregels Schulddienstverlening gemeente Gennep 2026
HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN
In deze beleidsregels wordt verstaan onder:
Begeleidingsproducten: hulp en begeleiding die geboden wordt om de kennis, vaardigheden en competenties van de belanghebbende te vergroten, door financiële begeleiding die bestaat uit het verbeteren van de financiële situatie van de belanghebbende, budgetbegeleiding, budgetcoaching, budgetbeheer of beschermingsbewind en zo nodig begeleiding door flankerende hulp;
Plan van aanpak: het plan, bedoeld in artikel 9 en als bedoeld in artikel 4a, eerste lid, onder a, van de wet dat zich specifiek op de belanghebbende richt, waarin de hulpvraag staat zoals die aan de hand van de systematische intake is vastgesteld en dat het aanbod voor de schulddienstverlening bevat;
Problematische schulden: een schuld is problematisch wanneer te voorzien is dat een natuurlijk persoon zijn schulden niet zal kunnen blijven betalen of is gestopt met betalen. Daaronder wordt verstaan een situatie waarin niet binnen 36 maanden alle opeisbare vorderingen betaald kunnen worden, en dus een schuldregeling wordt gestart;
Vroegsignalering: het in beeld brengen van inwoners met betalingsachterstanden op basis van ontvangen meldingen van schuldeisers, zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b van de Wet, en hen vervolgens een aanbod doen voor een eerste gesprek, zoals bedoeld in artikel 4, tweede lid, eerste zin van de Wet;
HOOFDSTUK 2. DOELGROEP EN AANVRAAG
In bijzondere omstandigheden kan het college op grond van artikel 3, vijfde lid, van de wet - zo nodig in overleg met het college van een andere gemeente in Nederland - ook schulddienstverlening aan een persoon bieden als die geen inwoner is. Deze persoon wordt dan gelijkgesteld aan een belanghebbende.
HOOFDSTUK 3. BESLISSING OP DE AANVRAAG
Het college geeft, overeenkomstig artikel 1 van de Verordening beslistermijn schulddienstverlening, binnen zes weken na de dag van het eerste gesprek een beschikking af over de toegang tot schulddienstverlening.
Het college kan de toegang tot schulddienstverlening weigeren als de belanghebbende:
fraude heeft gepleegd die financiële benadeling van een bestuursorgaan tot gevolg heeft en waarvoor die belanghebbende onherroepelijk strafrechtelijk is veroordeeld of waarvoor aan die belanghebbende een onherroepelijke bestuurlijke sanctie is opgelegd als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de wet en de aanvraag is ingediend binnen zes maanden na de veroordeling of de sanctieoplegging; en
Artikel 10. Aanbod schulddienstverlening
HOOFDSTUK 7. BEËINDIGING SCHULDDIENSTVERLENING
Artikel 15. Beëindiging schulddienstverlening
Als er in een periode van zes maanden na de beëindigingsbeschikking een vroegsignaal binnenkomt, dan neemt het college contact met de belanghebbende op en wordt op basis van dat contact onderzocht welke hulp geboden wordt. Voor een niet vrij toegankelijke voorziening zal het college een beschikking afgeven.
Aldus besloten in de vergadering van 17 maart 2026.
Burgemeester en wethouders van Gennep,
De secretaris, Bart Teunissen
De burgemeester, Hans Teunissen
Bijlage Artikelsgewijze toelichting
In dit artikel zijn de begrippen omschreven die worden gebruikt in deze beleidsregels. In de definities is aangesloten bij de Wet gemeentelijke schulddienstverlening (Wgs) en de VNG-handreiking ‘Het begeleiden van belanghebbenden vanuit de elementen basisdienstverlening’.
Begeleidingsproducten en financiële begeleiding
Bij schulddienstverlening gaat het niet alleen om het bieden van een oplossing voor de schulden. Het gaat er ook om dat de belanghebbende trots en financieel fit wordt en met vertrouwen de toekomst tegemoet gaat. Omdat belanghebbenden met schulden vaak ook te maken hebben met achterliggende problemen op verschillende leefgebieden, richt de schulddienstverlening zich ook op die problemen.
Begeleiding binnen de schulddienstverlening kan bestaan uit financiële begeleiding zoals budgetbegeleiding, budgetcoaching, budgetbeheer of beschermingsbewind. Tegelijkertijd kan als onderdeel van de begeleiding flankerende hulp worden ingezet. Flankerende hulp is anders dan financiële begeleiding en wordt geboden als dit nodig is om de situatie van de belanghebbende te verbeteren en het bijdraagt aan duurzame uitstroom. Flankerende hulp bestaat uit alle vormen van hulp- en dienstverlening die de belanghebbenden ondersteunen, zoals maatschappelijk werk, verslavingszorg en ambulante begeleiding. Om dit deel van de schulddienstverlening te kunnen omschrijven is in de beleidsregels het begrip ‘begeleidingsproducten’ opgenomen. Deze begeleidingsproducten worden ingezet om de kennis, vaardigheden en competenties van de belanghebbende te verbeteren. In het plan van aanpak wordt op hoofdlijnen beschreven welke producten worden ingezet. Hoe de begeleiding wordt uitgevoerd wordt omschreven in het begeleidingsplan.
Er is een definitie van problematische schulden opgenomen, omdat in die gevallen de beschikking die toegang geeft tot de schulddienstverlening op grond van artikel 17 in het Centraal Krediet Informatiesysteem (CKI) van Bureau Kredietregistratie (BKR) wordt geregistreerd. Duidelijk moet dus zijn wanneer dit aan de orde is. Objectieve criteria zoals beslag, afsluiting van energie of registratie bij het CAK kunnen hier ook een rol bij spelen. In situaties waarin sprake is van schulden welke in een periode van 36 maanden wel oplosbaar zijn, wordt in eerste instantie ingezet op een 100% betalingsvoorstel.
Op grond van de Wgs moet schulddienstverlening breed toegankelijk zijn en mogen er geen groepen op voorhand worden uitgesloten. Dit artikel verduidelijkt daarom dat schulddienstverlening is bedoeld voor iedere belanghebbende met financiële zorgen of schulden. In het tweede lid staat dat schulddienstverlening in bijzondere omstandigheden ook kan worden gegeven aan een persoon die geen belanghebbende van de gemeente is. Dit is bijvoorbeeld aan de orde als een belanghebbende tijdens de schulddienstverlening naar een andere gemeente verhuist. Als deze situatie zich voordoet, overlegt het college zo nodig met het college in de nieuwe woonplaats over de mogelijkheden van schulddienstverlening.
Om te voorkomen dat belanghebbenden met financiële zorgen of schulden – ongeacht de omvang daarvan - een drempel ervaren om schulddienstverlening aan te vragen, is in dit artikel geregeld dat een belanghebbende vormvrij kenbaar kan maken dat hij een aanvraag wil doen voor schulddienstverlening. Dit hoeft niet schriftelijk, dit kan bijvoorbeeld ook via de website of telefonisch. Tijdens het eerste gesprek wordt daadwerkelijk de formele aanvraag gedaan. Deze aanvraag is schriftelijk, bijvoorbeeld door de verslaglegging van het gesprek. Als een belanghebbende een aanbod voor schulddienstverlening als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder b, van de wet (via vroegsignalering van schulden) accepteert, dan wordt dat ook gezien als een aanvraag. Het aanmeldproces dat hierop volgt, is ook zoveel mogelijk laagdrempelig en gericht op het voorkomen van stress. Er wordt bijvoorbeeld geïnvesteerd in het contact en het opbouwen van vertrouwen. Dit voorkomt dat belanghebbenden schulddienstverlening niet willen of kunnen aanvragen of gaandeweg de aanvraag uitvallen.
Artikel 4. Systematische intake
Na het aanmeldproces volgt een systematische intake, waar het eerste gesprek een onderdeel van is. Die intake kan ook bestaan uit meerdere gesprekken. In het artikel is geregeld dat het eerste gesprek binnen vier weken plaatsvindt. In crisissituaties is geregeld dat dit binnen drie dagen is om verergering van de situatie te voorkomen.
In de beleidsregels wordt gesproken van een systematische intake, omdat er voor het voeren van de gesprekken een gestructureerde werkwijze is. Deze werkwijze levert een grote bijdrage aan de effectiviteit van de intake en zorgt er tegelijkertijd voor dat maatwerk mogelijk blijft en de schulddienstverlening echt kan worden afgestemd op de belanghebbende. Het startpunt van deze gestructureerde werkwijze is een systematische intake waarin gestructureerd wordt bepaald wat de belanghebbende nodig heeft door steeds dezelfde thema’s aan bod te laten komen.
Het doel is om middels de systematische intake een integraal beeld te krijgen van de situatie van de belanghebbende, de thema’s die spelen en de thema’s waaraan de belanghebbende wil werken. Verder wordt ook geïnventariseerd welke competenties een belanghebbende al heeft, welke nog moeten worden ontwikkeld, wat de belanghebbende zelf kan doen en waarbij hulp nodig is en van wie. Dit leidt tot het formuleren van de hulpvraag, om zo duidelijk te krijgen welke vorm van (financiële) ondersteuning de belanghebbende nodig heeft.
In de bepaling is ook vastgelegd dat het college de belanghebbende tijdens het eerste gesprek informeert over het verloop van het proces. Dit betreft de inspanningen die het college doet om relevante informatie te verzamelen en te ordenen zodat het de belanghebbende kan ontzorgen en ondersteunen bij het krijgen van inzicht in de financiële situatie. Daarnaast informeert het college de belanghebbende over de persoonsgegevens die in verband met de schulddienstverlening verwerkt worden en hoe de schulddienstverlening er ongeveer uit zal zien. Het gaat dan onder andere om de doelen, de mogelijkheden en de duur van de schulddienstverlening inclusief nazorg.
Nadat tijdens de systematische intake één of meerdere gesprekken hebben plaatsgevonden wordt een beschikking afgegeven. De beschikking is het besluit of de belanghebbende toegang krijgt tot schulddienstverlening. De belanghebbende krijgt een toegangsbeschikking of een afwijzingsbeschikking. De belanghebbende krijgt in elk geval een toegangsbeschikking als er een niet vrij toegankelijke voorziening nodig is. Een plan van aanpak is onderdeel van de toegangsbeschikking. Belanghebbenden die het niet eens zijn met de beslissing kunnen bezwaar maken en in beroep gaan.
Het uitgangspunt is dat schulddienstverlening laagdrempelig is en toegankelijk is voor iedere belanghebbende met schulden of financiële zorgen. Dit artikel verankert dat uitgangspunt. Het betekent dat belanghebbenden, ongeacht de aard en omvang van hun schulden of financiële zorgen, ondersteuning kunnen krijgen en dat belanghebbenden die om schulddienstverlening vragen deze zoveel mogelijk krijgen.
Voor belanghebbenden die worden toegelaten tot schulddienstverlening wordt gebruik gemaakt van het Schuldenknooppunt. Met dit digitale platform kunnen schulddienstverleners en schuldeisers rechtstreeks contact houden.
Belanghebbenden zonder verblijfsstatus hebben geen toegang tot schulddienstverlening. Dit is een absolute weigeringsgrond die is opgenomen in artikel 3, vierde lid, van de Wgs.
Artikel 8. Begeleiding bij wettelijke schuldsanering
Belanghebbenden die schulden hebben, maar geen toegang tot schulddienstverlening krijgen, kunnen mogelijk wel een beroep doen op het wettelijke schuldsaneringstraject. Om de kansen op een geslaagd beroep hierop te vergroten, is ook geregeld dat het college begeleiding biedt bij de aanvraag en het doorlopen van het wettelijke schuldsaneringstraject om zo uitval te voorkomen. De begeleiding bestaat onder andere uit hulp bij het aanleveren van stukken voor de aanvraag, het voorbereiden op de zitting en meegaan naar een toelatingszitting. Daarnaast wordt tijdens het traject financiële begeleiding geboden, vergelijkbaar met de begeleiding bij de schulddienstverlening.
Artikel 9. Inhoud plan van aanpak
Als een belanghebbende toegang tot schulddienstverlening krijgt, wordt een plan van aanpak opgesteld. In het eerste lid is geregeld dat het plan van aanpak na overleg met de belanghebbende wordt opgesteld.
Het plan van aanpak is een onderdeel van een toegangsbeschikking en bevat alle producten en processen die worden ingezet om de belanghebbende schuldenvrij en financieel fit te maken. Dit betekent dat het plan zoveel mogelijk moet zijn toegespitst op de belanghebbende en een zo volledig mogelijk overzicht moet bieden van de schulddienstverlening die het college gaat geven. Daarom is in het tweede lid opgesomd wat er in elk geval in het plan van aanpak moet staan. Daarbij worden onder andere de momenten genoemd die voor de schulddienstverlening belangrijk zijn. Het gaat dan bijvoorbeeld over de momenten waarop de begeleidingsproducten worden ingezet en de momenten waarop er contact en evaluatie plaatsvindt. Verder moet de beslagvrije voet in acht genomen worden. Bij het vaststellen van die afloscapaciteit wordt uitgegaan van het Vtlb volgens de Recofa-Methode2.
In het derde lid is vastgelegd dat het plan van aanpak wordt geëvalueerd om de voortgang van de schulddienstverlening te meten. De intensiteit en de frequentie waarmee wordt geëvalueerd is afhankelijk van de behoefte van de belanghebbende en diens situatie. Aanvullingen op- of aanpassingen in het plan van aanpak die gevolgen hebben voor het aanbod voor de schulddienstverlening aan de belanghebbende, worden in een wijzigingsbeschikking opgenomen en zijn besluiten waartegen de belanghebbende in bezwaar en beroep kan gaan.
Overigens kan het plan van aanpak ook eerst op hoofdlijnen worden opgesteld en later worden aangevuld. In het plan van aanpak wordt op hoofdlijnen beschreven welke producten worden ingezet. Hoe de begeleiding wordt uitgevoerd wordt omschreven in het begeleidingsplan.
Artikel 10. Aanbod schulddienstverlening
Het aanbod voor de schulddienstverlening is erop gericht om de belanghebbende schuldenvrij en financieel fit te maken. Onderdeel daarvan is dat een oplossing wordt geboden voor de schulden. In het eerste lid worden een aantal varianten daarvoor genoemd. Het gaat om een betalingsregeling, herfinanciering, saneringskrediet, schuldbemiddeling of schuldregeling zonder afloscapaciteit.
Met een betalingsregeling wordt met schuldeisers afgesproken dat de gehele schuld in termijnen wordt afgelost. Bij een herfinanciering betaalt een kredietverstrekker in één keer alle schulden van de belanghebbende af, waarna de belanghebbende het totale bedrag in termijnen terugbetaalt aan de kredietverstrekker. Bij een saneringskrediet doet een kredietverstrekker een betalingsaanbod aan schuldeisers, waarmee de schulden in één keer voor een deel worden afgelost en het overige deel wordt kwijtgescholden (tenzij wettelijk anders geregeld). Daartoe sluit de belanghebbende een saneringskrediet af bij de kredietverstrekker, de belanghebbenden lost het betaalde bedrag vervolgens binnen 18 maanden af bij deze kredietverstrekker. Bij schuldbemiddeling wordt maandelijks voor de aflossing van schulden gespaard. Periodiek wordt een zo groot mogelijk deel van de schulden afgelost. Na de overeengekomen periode (van 18 maanden) volgt kwijtschelding van de schuldeisers, als aan de voorwaarden is voldaan. Een schuldenregeling zonder afloscapaciteit kan worden aangeboden als het inkomen van de belanghebbende lager is dan het berekende vrij te laten bedrag.
Schulddienstverlening gaat echter verder dan het bieden van een oplossing voor de schulden. Het gaat er ook om dat de belanghebbende financieel fit wordt en er sprake is van financieel gezond gedrag. Daarom is in het eerste lid ook opgenomen dat de schulddienstverlening uit één of meer begeleidingsproducten bestaat. Het gaat dan in de eerste plaats om financiële begeleiding, zoals het op orde brengen van het inkomen, waaronder ook het aanvragen van inkomen verhogende voorzieningen. Het verbeteren van de financiële kennis en vaardigheden (budgetbegeleiding), het verbeteren van het financieel gedrag (budgetcoaching) en het beheren van de financiën, zoals het doorbetalen van de vaste lasten, het bieden van een vorm van budgetbeheer of het bieden beschermingsbewind kan ook onderdeel zijn van die financiële begeleiding.
Daarnaast kan het college ook doorgeleiden naar flankerende hulp. Uit de systematische intake kan naar voren komen dat er aandacht moet zijn voor andere leefgebieden en dat de belanghebbende ondersteuning nodig heeft met andere vormen van hulp- en dienstverlening. Denk aan maatschappelijk werk, verslavingszorg of ambulante begeleiding.
In het tweede lid is geregeld welke factoren een rol spelen bij het bepalen van het precieze aanbod voor de schulddienstverlening. Daarbij wordt onder andere rekening gehouden met de specifieke situatie of kenmerken van de belanghebbende, waaronder de specifieke doelgroep waartoe de belanghebbende behoort. Denk aan doelgroepen zoals jongeren, ondernemers, huisbezitters of mensen met verschillende culturele achtergronden. Bij niet wettelijke crisissituaties kan het aanbieden van schulddienstverlening versneld ingezet worden.
Het derde lid verduidelijkt dat bij het bepalen van het aanbod voor schulddienstverlening extra aandacht wordt besteed aan huishoudens met minderjarige kinderen. Kinderen hebben geen invloed op de financiële situatie van hun ouders, maar kunnen wel de gevolgen van schulden ervaren. Door dit expliciet mee te wegen kan het college het aanbod beter afstemmen op de situatie van het huishouden en bijdragen aan de stabiliteit en het welzijn van kinderen. Dit sluit aan bij het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind, waarin is vastgelegd dat bij alle maatregelen die kinderen raken het belang van het kind een eerste overweging vormt.
Op grond van de wet is de belanghebbende aan wie het college schulddienstverlening geeft verplicht om bepaalde inlichtingen te verstrekken en bepaalde medewerking te verlenen. In het eerste lid van dit artikel is verduidelijkt dat deze verplichtingen gelden vanaf het moment dat de belanghebbende zich voor schulddienstverlening tot het college heeft gewend of, bij vroegsignalering, een aanbod voor schulddienstverlening heeft geaccepteerd. De belanghebbende moet zich aan de verplichtingen houden tot het moment dat de schulddienstverlening eindigt.
Verder is in het tweede lid bepaald hoe het college beoordeelt of een belanghebbende voldoet aan de inlichtingenplicht., voor zover het college deze stukken niet zelf op grond van op grond van artikel 12 tot en met 16 Bgs kan opvragen. Het derde lid bevat de invulling die het college aan de medewerkingsplicht geeft. Voorop staat dat het gaat om de medewerking die nodig is om schulddienstverlening te laten slagen. Voor het vergroten van de afloscapaciteit geldt dat de belanghebbende er onder andere voor moet zorgen dat de belanghebbende werkt voor zover dat kan of voor zover mogelijk probeert om werk te krijgen, dat de belanghebbende beschikbaar vermogen inzet om schulden af te lossen en uitgaven zoveel mogelijk probeert te beperken.
In dit artikel is geregeld dat het college, nadat het plan van aanpak is opgesteld, voor de financiële begeleiding, een begeleidingsplan opstelt. In het plan van aanpak wordt op hoofdlijnen beschreven welke producten worden ingezet. Het begeleidingsplan beschrijft de uitvoering van de begeleiding. Wanneer daarin wijzigingen plaatvinden, hoeft niet opnieuw beschikt te worden. Wanneer er aanpassingen plaatsvinden in niet-vrij toegankelijke voorzieningen of producten die de belanghebbende ontvangt, wordt het plan van aanpak aangepast en wordt er dus opnieuw beschikt.
Evalueren is een essentieel onderdeel van de begeleiding. Daarom is in het derde lid beschreven dat de begeleiding steeds wordt geëvalueerd en zo nodig wordt aangepast. Inzet is dat na elk onderdeel van de begeleiding middels een evaluatie wordt bepaald wat het resultaat hiervan is geweest, welke kennis, vaardigheden en competenties zijn opgedaan en waar nog aan gewerkt moet worden. Aan de hand daarvan kan dan worden bepaald of het begeleidingsplan moet worden aangepast. Het aantal keren dat er wordt geëvalueerd en de intensiteit waarmee dit wordt gedaan, is afhankelijk van de behoefte van de belanghebbende en diens situatie. Bij de evaluatie kan gebruik gemaakt worden van een meetinstrument.
Dit artikel maakt duidelijk dat de schulddienstverlening niet eindigt als de belanghebbende het schuldregelen heeft afgerond. De ondersteuning van de belanghebbende wordt dan voortgezet door een periode van nazorg. Nazorg is een wettelijke verplichting op grond van de Wgs.
Dit artikel regelt dat het college met de belanghebbende onderzoekt welke vorm van nazorg gewenst is en dit na overleg met de belanghebbende vastlegt. Denkbaar is bijvoorbeeld dat er gedurende één jaar nog één of meerdere keren contact met de belanghebbende wordt opgenomen om na te vragen hoe de afgelopen periode is verlopen en of er nog ondersteuning nodig is. Overigens komt de nazorg al bij het opstellen van het plan van aanpak aan de orde. Daarbij geldt dat het voorkomen van een terugval ook bij nazorg voorop staat. Als er in de periode van nazorg een terugval is, wordt dan ook samen met de belanghebbende onderzocht hoe financieel gezond gedrag weer kan worden bereikt en hoe de hulpverlening zo kan worden vormgegeven dat een nieuwe terugval wordt voorkomen. Na afronding van de nazorg verstuurt de gemeente een beëindigingsbeschikking schulphulpverlening, tenzij andere niet vrij toegankelijke producten nog doorlopen. In dat geval stuurt de gemeente een wijzigingsbeschikking met een aangepast plan van aanpak met alleen de producten die nog doorlopen.
Artikel. 15. Beëindiging schulddienstverlening
Op het moment dat alle niet vrij toegankelijke onderdelen uit het plan van aanpak zijn afgerond, wordt een beëindigingsbeschikking gestuurd. Tegen de beëindigingsbeschikking kan de belanghebbende in bezwaar en beroep gaan.
Op grond van het tweede lid kan het college, als er een vroegsignaal binnenkomt binnen zes maanden na de beëindigingsbeschikking, contact opnemen met de belanghebbende. Dit wordt bij voorkeur door de laatst bekende professional gedaan.
Op basis van het contact wordt onderzocht welke hulp geboden wordt. Als er een niet vrij toegankelijke voorziening wordt aangeboden aan de belanghebbende, zal daarvoor wel weer een beschikking inclusief plan van aanpak (op hoofdlijnen) worden afgegeven.
Er is gekozen voor een periode van zes maanden omdat vaste lasten partners aangeven dat zij de meeste terugval zien in deze periode. Als een vroegsignaal wordt ontvangen voor een belanghebbende waarvan het traject zes maanden of korter is afgesloten, wordt de belanghebbende uitgenodigd voor een gesprek. Bij voorkeur bij de professional die de belanghebbende als laatste heeft begeleid. Dit is namelijk voor de belanghebbende een bekend gezicht, mogelijk in tegenstelling tot een nieuw gezicht van een professional vroegsignalering. Door vroegsignalen nog zes maanden te koppelen aan een afgesloten traject krijgt een gemeente ook informatie over het succes van begeleiding.
Artikel 16. Voortijdige beëindiging schulddienstverlening
Het college kan in uitzonderlijke gevallen de schulddienstverlening voortijdig beëindigen. In dit artikel is verduidelijkt wanneer daar sprake van is. Daarbij geldt dat de schulddienstverlening niet kan worden beëindigd wegens een schending van de inlichtingenplicht of medewerkingsplicht, voordat de belanghebbende een hersteltermijn heeft gekregen. Het is afhankelijk van de concrete verplichting, welke termijn daarbij als redelijk wordt gezien.
Verder kan de schulddienstverlening voortijdig worden beëindigd als de belanghebbende zich misdraagt door bijvoorbeeld een persoon die schulddienstverlening biedt te beledigen of te intimideren.
De voortijdige beëindiging vindt plaats met een beëindigingsbeschikking waartegen bezwaar en beroep open staat.
In dit artikel is geregeld dat als een belanghebbende is toegelaten tot een schulddienstverleningstraject wegens problematische schulden, het college een melding (SH) doet bij het BKR, zodat dit in het CKI wordt geregistreerd. De registratie voorkomt dat belanghebbenden nieuwe kredieten aangaan en de problematische schulden groter worden.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-150017.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.