Gemeenteblad van Rijssen-Holten
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Rijssen-Holten | Gemeenteblad 2026, 118844 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Rijssen-Holten | Gemeenteblad 2026, 118844 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Deze publicatie bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst. Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
De publicatie wordt standaard getoond met verschilmarkering. Door te kiezen voor ‘Was’ of ‘Wordt’ kunt u de voormalige of vernieuwde tekst op zichzelf bekijken.
Toon versie van document
Dit document bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst.
Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
Tweede wijziging omgevingsplan
Op 24 april 2025 heeft de raad van de gemeente Rijssen-Holten de eerste wijziging van het omgevingsplan vastgesteld. Dat besluit is op 26 juni 2025 onherroepelijk in werking getreden. Met deze eerste wijziging is een goede basis gelegd voor het verdere uitbouwen van het omgevingsplan. Alle gemeenten moeten uiterlijk
1 januari 2032 al hun regels over de leefomgeving opnemen in één omgevingsplan.
Voorbereiding van deze nieuwe wijziging
Vanaf 1 januari 2026 mogen gemeenten geen wijzigingen meer maken met de Tijdelijke Alternatieve Maatregelen (hierna: TAM).
Vanaf die datum gelden de standaarden van de Omgevingswet (STOP/TPOD). Daarom wil de gemeente de basis van het omgevingsplan verder verbeteren waarvoor een basis in het ontwerp is opgenomen. Het college heeft daarom op 11 september 2025 kennis gegeven van het voorbereiden van een ontwerp wijziging van het omgevingsplan. Het ontwerp heeft vanaf 6 november 2025 voor 6 weken ter inzage gelegen. Er zijn geen zienswijzen op het ontwerp ingekomen.
Verbeteringen op basis van annotaties op basis van richtlijnen
Naast deze aankomende verandering zijn er in de eerste wijziging verbeterpunten ontdekt. Het gaat dan vooral om zogenoemde annotaties. Die zorgen ervoor dat inwoners en bedrijven makkelijker informatie kunnen vinden in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Er is inmiddels een richtlijn verschenen: de annotatierichtlijn. Daarin staan adviezen om omgevingsplannen duidelijker en beter vindbaar te maken. De gemeente heeft deze adviezen gebruikt om het plan te verbeteren.
Verbeteringen in het tijdelijk deel van het omgevingsplan
In het tijdelijk deel omgevingsplan (oude bestemmingsplannen) zijn ook verbeterpunten ontdekt. Eerder gemaakte plannen zijn niet goed verwerkt of andere verbeteringen zijn gewenst. De voorgenomen wijzigingen staan in afdeling 19.3.
Verwerking van eerdere TAM-plannen
Eerdere plannen die via de TAM-procedure al onherroepelijk zijn geworden, opgenomen in hoofdstuk 19 van het omgevingsplan. Het gaat om de volgende locaties:
Herontwikkeling Albert - Heijn, Dorpsstraat 17 in Holten;
Schuppertsweg 2 - 4 in Holten;
Herontwikkeling Grotestraat 26 in Rijssen;
Helhuizerweg 28 - 30 in Holten; en
Fahrenheitstraat 2 in Rijssen
Ambtshalve wijziging opzet hoofdstuk 19
Na publicatie van het ontwerp hebben we ontdekt dat de weergave van hoofdstuk 19 in 'Regels op de kaart' niet is zoals wij wensen. Daarom is de opzet van dit hoofdstuk gewijzigd. De inhoud van het hoofdstuk wijzigt daardoor niet. Naast een verbetering in weergave zorgt de nieuwe structuur ook voor een betere bruikbaarheid van het plan voor toekomstige initiatieven. Ook maakt het de transitie opgave om tot één omgevingsplan te komen eenvoudiger.
De gemeenteraad van Gemeente Rijssen-Holten
gelezen de tekstinhoud van ”Omgevingsplan gemeente Rijssen-Holten” d.d. 15 januari 2026 (kenmerk D2025248222)
gelet op de bespreking van het voorstel in de commissie grondgebied van 12 februari 2026
Besluit:
het omgevingsplan gemeente Rijssen-Holten tweede wijziging vast te stellen
"Omgevingsplan gemeente Rijssen-Holten" opgenomen in Bijlage A wordt vastgesteld.
De wijziging treedt in werking direct na afloop van de beroepstermijn. Daarover vindt een zelfstandige kennisgeving plaats.
Door dit besluit vervallen de delen van het bestemmingsplannen aangegeven in dit besluit, behorende bij de pons met identificatie /join/id/regdata/gm1742/2025/56404d2bd39f4726a194ab7fb53b683b/nld@2026‑03‑11;13464941.
Bij het omgevingsplan horen verschillende bijlagen. Niet alle bijlagen kunnen worden geplaatst in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) of in de Landelijke voorziening ‘Bekendmaken en Beschikbaar stellen’. Daarom heeft de gemeente een eigen website ingericht waar u achterliggende bijlagen zoals onderzoeken kunt bekijken. De link naar de website is https://rijssen-holten.od-bijlagen.nl/download/Omgevingsplan%20gemeente%20Rijssen-Holten/.
A
Artikel 1.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De regels in dit omgevingsplan gaan, tenzij expliciet anders in dit omgevingsplan is bepaald, voor op de regels in het tijdelijk deel omgevingsplan voor zover ze:
De regels in dit omgevingsplan gaan, tenzij expliciet anders in dit omgevingsplan is bepaald, voor op TAM-IMRO omgevingsplannen die genummerd zijn met hoofdstuk 22 gevolgd door een letter.
De regels in TAM-omgevingsplannen die genummerd zijn met hoofdstuk 22 gevolgd door een letter of letters gaan voor op de andere regels uit dit omgevingsplan, tenzij dat in dit omgevingsplan expliciet anders is bepaald.
B
Artikel 1.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor de toepassing van dit omgevingsplan worden de waarden die daarin in meter of m2 zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten:
afstanden loodrecht;
hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven;
voor de toepassing van sub b wordt een bouwwerk, voor zover dit zich bevindt op een erf- of perceelgrens, gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is; en
maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot ten hoogste 0,5 meter buiten beschouwing blijven.
Voor de toepassing van dit omgevingsplan worden de waarden die daarin in meter of m2 zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten:
afstanden loodrecht;
goothoogte vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;
bouwhoogte bouwwerken vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk geen gebouwen zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, met dien verstande dat voor een boomhut de constructie onder de begane grondvloer, gemeten vanaf de onderkant van de vloer, niet wordt meegerekend bij de bepaling van de bouwhoogte;
overige hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven;
voor de toepassing van sub b tot en met d wordt een bouwwerk, voor zover dit zich bevindt op een erf- of perceelgrens, gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is;
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;
oppervlakte:
tussen de buitenwerkse gevelvlakken of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. Bij balkons, luifels en overstekende daken die geen ondergeschikte bouwdelen zijn zoals omschreven in sub h wordt een fictieve gevel neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; en
voor rietgedekte daken geldt dat overstekken worden gemeten van buitenkant buitenmuur tot buitenkant bouwkundige (onderliggende) constructie.
maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot ten hoogste 0,75 meter buiten beschouwing blijven;
dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;
de inhoud van een bouwwerk: onderkant afgewerkte vloer, de buitenzijde van de gevels (of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. Bij balkons, luifels en overstekende daken die geen ondergeschikte bouwdelen zijn wordt een fictieve gevel neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;
afstand tussen gebouwen: gemeten tussen de buitenzijde van de dichtst bij elkaar gelegen gevels; en
tussen de zijdelingse grenzen van een bouwperceel en een bepaald punt van het op dat bouwperceel voorkomend (hoofd)gebouw, waar die afstand het kortst is.
Alle maten zijn tenzij anders aangegeven:
Waar in dit omgevingsplan verwezen wordt naar NEN-normen worden de normen uit hoofdstuk 6 van de Omgevingsregeling gebruikt.
C
Artikel 2.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit hoofdstuk is van toepassing op een milieubelastende activiteit als bedoeld in de bijlage bij de Omgevingswet.
De regels in hoofdstuk 2 zijn niet van toepassing op:
een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan:
het veroorzaken van afval door:
wonen;
het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein;
een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht;
doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen;
een evenement dat:
plaatsvindt op een locatie aangewezen in afdeling 14.2 en past binnen de in deze afdeling gestelde regels;
evenementen waarvoor omgevingsvergunning wordt verleend op grond van artikel 4.474.59;
festiviteiten die bij of krachtens gemeentelijke verordening zijn aangewezen, in de gebieden in de gemeente waarvoor die verordening geldt;
andere festiviteiten die plaatsvinden op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het aantal bij of krachtens die verordening aan te wijzen dagen of dagdelen per gebied of categorie van bedrijfssector kan verschillen en niet meer bedraagt dan twaalf per kalenderjaar; of
het verrichten van werkzaamheden met een mobiele installatie op een weiland, akker of bos die geen verplaatsbaar mijnbouwwerk is;
bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen;
D
Subparagraaf 3.1.1.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
E
Het opschrift van subparagraaf 3.1.1.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
F
Het opschrift van artikel 3.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
G
Na artikel 3.4 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
H
Artikel 3.1 wordt verplaatst van subparagraaf 3.1.1.1 naar subparagraaf 3.1.1.2. Artikel 3.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
I
Artikel 3.2 wordt verplaatst van subparagraaf 3.1.1.1 naar subparagraaf 3.1.1.2. Artikel 3.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
J
Artikel 3.3 wordt verplaatst van subparagraaf 3.1.1.1 naar subparagraaf 3.1.1.2. Artikel 3.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
K
Artikel 3.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De regels in deze afdeling gaan over:
De regels in hoofdstuk 3 zijn niet van toepassing op:
een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan:
het lozen van afvalwater op of in de bodem en grond- en graafwerkzaamheden bij of door:
wonen;
het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein;
een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht;
doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen;
een evenement dat:
plaatsvindt op een locatie aangewezen in afdeling 14.2 en past binnen de in deze afdeling gestelde regels;
evenementen waarvoor omgevingsvergunning wordt verleend op grond van artikel 4.474.59;
festiviteiten die bij of krachtens gemeentelijke verordening zijn aangewezen, in de gebieden in de gemeente waarvoor die verordening geldt;
andere festiviteiten die plaatsvinden op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het aantal bij of krachtens die verordening aan te wijzen dagen of dagdelen per gebied of categorie van bedrijfssector kan verschillen en niet meer bedraagt dan twaalf per kalenderjaar;of
het verrichten van werkzaamheden met een mobiele installatie op een weiland, akker of bos die geen verplaatsbaar mijnbouwwerk is;
bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen;
L
Het opschrift van artikel 3.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
M
Het opschrift van artikel 3.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
N
Artikel 3.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.93.10 voor het lozen van afvalwater op of in de bodem worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
O
Het opschrift van artikel 3.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
P
Artikel 3.10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervallen]
Q
Na artikel 3.13 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
De in artikel 3.1 aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies en gebiedsaanwijzingen, mede aangewezen voor bescherming van aanwezige of naar verwachting aanwezige archeologische waarden.
R
Het opschrift van artikel 3.14 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
S
Het opschrift van artikel 3.15 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
T
Het opschrift van artikel 3.16 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
U
Artikel 3.17 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Degene die een activiteit als bedoeld in artikel 3.163.17, verricht, neemt in het belang van bescherming van de bodem maatregelen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd om verdere verontreiniging van de bodem te voorkomen of te beperken of, als dat redelijkerwijs mogelijk is in samenhang met de activiteit die wordt verricht, ongedaan te maken.
V
Het opschrift van artikel 3.18 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
W
Het opschrift van artikel 3.19 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
X
Artikel 3.20 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Ten minste vier weken voor het begin of wijzigen van een activiteit als bedoeld in artikel 3.183.19 en 18.518.6 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;
gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:
een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl;
per dierenverblijf voor het houden van landbouwhuisdieren:
per dierenverblijf waar landbouwhuisdieren met geuremissiefactor worden gehouden,:
gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.
Y
Het opschrift van artikel 3.21 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Z
Artikel 3.22 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.233.24 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een plattegrondtekening en situatietekening met daarop de ligging van de lussen van het gesloten bodemenergiesysteem, het middelpunt van het systeem en de einddiepte waarop het systeem zal worden aangelegd;
de coördinaten van het middelpunt van het gesloten bodemenergiesysteem en de einddiepte van het systeem in meters onder het maaiveld;
gegevens waaruit blijkt dat het gebruiken van het gesloten bodemenergiesysteem niet leidt tot negatieve interferentie met bodemenergiesystemen in de omgeving waarvoor een melding is gedaan of een omgevingsvergunning is verleend;
een verklaring van degene die het gesloten bodemenergiesysteem installeert over het energierendement, uitgedrukt als de SPF, dat het systeem zal behalen;
informatie over het bodemzijdig vermogen van het gesloten bodemenergiesysteem en de omvang van de behoefte aan warmte en koude waarin het systeem zal voorzien; en
de naam en het adres van degene die het gesloten bodemenergiesysteem zal ontwerpen, installeren en van degene die de boringen zal verrichten.
AA
Het opschrift van artikel 3.23 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
BB
Het opschrift van artikel 3.24 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
CC
Het opschrift van artikel 3.25 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
DD
Het opschrift van artikel 3.26 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
EE
Artikel 3.27 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Ten minste een week voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.243.25, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:
Onverwijld na het wijzigen van de begrenzing of de verwachte datum van het begin van de activiteit worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Het eerste lid is niet van toepassing:
FF
Het opschrift van artikel 3.28 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
GG
Artikel 3.29 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Ten minste vier weken voor het begin of een wijziging van de activiteit, bedoeld in artikel 3.283.29 en artikel 18.3718.38, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:
Het eerste lid geldt niet voor het lozen van huishoudelijk afvalwater:
vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of
op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen.
HH
Het opschrift van artikel 3.30 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
II
Het opschrift van artikel 3.31 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
JJ
Het opschrift van artikel 3.32 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
KK
Het opschrift van artikel 3.33 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
LL
Het opschrift van artikel 3.34 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MM
Het opschrift van artikel 3.35 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
NN
Het opschrift van artikel 3.36 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OO
Artikel 3.37 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Ten minste vier weken voor het begin of het wijzigen van een activiteit als bedoeld in artikel 3.353.36 en artikel 18.5318.54 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;
gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:
de grenzen van het terrein;
de ligging en de indeling van de gebouwen;
het gebruik van de te onderscheiden ruimten;
de ligging van de bedrijfsriolering;
op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;
of de punten waarop afvalwater wordt geloosd, zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en
op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen;
een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en
gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit
PP
Subparagraaf 3.3.1.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze subparagraaf is van toepassing in het buitengebied en het gebied Oosterhof en omgeving volkspark Rijssen.
Artikel 3.423.40 is en 3.41 zijn van toepassing op het opslaan van vaste mest met een totaal volume van ten minste 3 m3 en ten hoogste 600 m3 .
Deze subparagraaf is niet van toepassing:
op het opslaan van vaste mest, korter dan twee weken op één plek; en
als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.90, 3.200, 3.208, 3.211, 3.215 of 3.225 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat; of
op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.41 worden gegevens en bescheiden verstrekt over:
Ten minste vier weken voor het begin of het wijzigen van een activiteit als bedoeld in artikel 3.383.39, 5.225.24 en artikel 18.5718.58 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;
gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:
de grenzen van het terrein;
de ligging en de indeling van de gebouwen;
het gebruik van de te onderscheiden ruimten;
de ligging van de bedrijfsriolering;
op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;
of de punten waarop afvalwater wordt geloosd, zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en
op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen;
een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en
gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit
Vaste mest, met uitzondering van gedroogde pluimveemest, opgeslagen op:
Gedroogde pluimveemest wordt opgeslagen:
in een gebouw met een aaneengesloten bodemvoorziening waar de pluimveemest wordt beschermd tegen weersinvloeden en waar voldoende ventilatie is om condensvorming te voorkomen;
in een afgedekte container als de pluimveemest ten minste elke twee weken wordt afgevoerd; of
op een voldoende dikke absorberende laag als de opslag niet meer dan zes maanden duurt en tegen inregenen is beschermd.
Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.
Het opschrift van artikel 3.43 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
RR
Het opschrift van artikel 3.44 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
SS
Het opschrift van artikel 3.45 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
TT
Het opschrift van artikel 3.46 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
UU
Het opschrift van artikel 3.47 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
VV
Artikel 3.48 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Ten minste vier weken voor het begin of wijzigen van een activiteit als bedoeld in artikel 3.433.42, artikel 5.315.33 en artikel 18.6218.63 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;
gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:
een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en
gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.
WW
Het opschrift van artikel 3.49 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
XX
Het opschrift van subparagraaf 3.3.1.11 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
YY
Het opschrift van artikel 3.50 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
ZZ
Artikel 3.51 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AAA
Het opschrift van artikel 3.52 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
BBB
Het opschrift van artikel 3.53 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
CCC
Subparagraaf 4.1.1.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
DDD
Het opschrift van subparagraaf 4.1.1.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
FFF
Na artikel 4.3 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Er is een gebied aangewezen als centrumgebied.
GGG
Het opschrift van subparagraaf 4.1.1.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HHH
Het opschrift van artikel 4.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
III
Het opschrift van artikel 4.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
JJJ
Het opschrift van artikel 4.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
KKK
Het opschrift van artikel 4.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
LLL
Artikel 8.9 wordt verplaatst van paragraaf 8.2.3 naar paragraaf 4.2.1. Artikel 8.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In afwijking van artikel 4.204.26 wordt de omgevingsvergunning geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft van kracht is:
een ontwerp van een bestemmingsplan of van een inpassingsplan ter inzage is gelegd en de termijn voor de vaststelling van het bestemmingsplan of inpassingsplan ingevolge artikel 3.8, eerste lid, onder d, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden;
een bestemmingsplan of inpassingsplan is vastgesteld en de termijn voor de bekendmaking van het bestemmingsplan of inpassingsplan na de vaststelling ingevolge artikel 3.8, derde, vierde of zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden; of
een bestemmingsplan of inpassingsplan na vaststelling is bekendgemaakt, en het bestemmingsplan of inpassingsplan op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag nog niet in werking is getreden of in beroep is vernietigd;
In afwijking van het eerste lid kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan.
MMM
Na artikel 8.9 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
NNN
Het opschrift van artikel 4.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OOO
Artikel 4.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De regels in deze paragraaf gaan over het bouwen van toestemmingsvrije bouwwerken.
Paragraaf 4.2.2 is niet van toepassing op activiteiten in, aan, of op monumenten of archeologische monumenten, voorbeschermde monumenten of voorbeschermde archeologische monumenten tenzij het gaat om:
normaal onderhoud voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het monument niet wijzigen, en voor zover de aanleg van een tuin, park of andere aanleg, niet wijzigt, of
een activiteit die uitsluitend leidt tot inpandige veranderingen van het monument, voor zover het een onderdeel daarvan betreft dat vanuit het oogpunt van monumentenzorg zonder betekenis is.
Artikelen 4.114.14, 4.124.15, 4.144.18 en 4.154.17 zijn niet van toepassing op activiteiten bij monumenten, voorbeschermde monumenten of archeologische monumenten tenzij het gaat om:
normaal onderhoud voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het monument niet wijzigen, en voor zover de aanleg van een tuin, park of andere aanleg, niet wijzigt, of;
een activiteit die uitsluitend leidt tot inpandige veranderingen van het monument, voor zover het een onderdeel daarvan betreft dat vanuit het oogpunt van monumentenzorg zonder betekenis is.
Paragraaf 4.2.2 is vanwege externe veiligheid niet van toepassing op locaties als bedoeld in artikel 17.917.11.
Paragraaf 4.2.2 is niet van toepassing bij een bouwwerk dat zonder omgevingsvergunning is gebouwd, in stand wordt gelaten of wordt gebruikt.
Bij toepassing van het toestemmingsvrij bouwen, het in stand houden of gebruiken van een bouwwerk op basis van paragraaf 4.2.2, blijft het aantal woningen gelijk, tenzij het gaat om huisvesting in verband met mantelzorg.
Bij toepassing van paragraaf 4.2.2 wordt binnen de molenbiotoop ten behoeve van de goede windvang van een molen de bouwhoogte beperkt tot:
bij een afstand tot 100 meter van de molen: 5 meter;
bij een afstand tussen 100 en 200 meter van de molen: 7 meter;
bij een afstand tussen 200 en 300 meter van de molen: 9 meter;
bij een afstand tussen 300 en 400 meter van de molen: 11 meter; of
een bestaande afwijkende bouwhoogte bij vervangende nieuwbouw waarbij de hoogte niet toeneemt.
PPP
Het opschrift van artikel 4.10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
QQQ
Artikel 4.11 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel is niet van toepassing op een woonwagen.
Het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan in woonwijken en centra en op het bedrijventerrein is in overeenstemming met het omgevingsplan als wordt voldaan aan de volgende eisen:
op de grond staand;
gelegen in achtererfgebied;
op een afstand van meer dan 1 meter vanaf openbaar toegankelijk gebied;
het toe te voegen oppervlak van het bijbehorende bouwwerk in het bebouwingsgebied is niet meer dan 50 m2;
de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied is niet meer dan:
bij een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m2: 50% van dat bebouwingsgebied;
bij een bebouwingsgebied groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2: 50 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2; en
bij een bebouwingsgebied groter dan 300 m2: 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m2; en
de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag;
niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte;
voor zover op een afstand van niet meer dan 4 meter van het oorspronkelijk hoofdgebouw, niet hoger dan:
voor zover op een afstand van meer dan 4 meter van het oorspronkelijke hoofdgebouw:
indien voorzien van een plat dak niet hoger dan 3,5 meter; of
voorzien van een schuin dak, de dakvoet niet hoger dan 3 meter, de daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van niet meer dan 55°, en waarbij de hoogte van de daknok niet meer is dan 5 meter en verder wordt begrensd door de volgende formule: maximale daknokhoogte [meter] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3; en
functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw, tenzij het gaat om huisvesting in verband met mantelzorg; en
uitbreiding van of gelegen aan of bij een hoofdgebouw, anders dan:
een woonwagen;
een hoofdgebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit of de omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit is bepaald dat de vergunninghouder na het verstrijken van een bij die vergunning gestelde termijn verplicht is de voor de verlening van de vergunning bestaande toestand te hebben hersteld; of
een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf door één huishouden.
Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in het eerstetweede lid, bestaat uit een deel dat op meer, en een deel dat op minder dan 4 meter van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen zonder een inwendige scheidingsconstructie tussen beide delen, is op het deel dat op minder dan 4 meter van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen sub gi onder 23, van overeenkomstige toepassing.
RRR
Het opschrift van artikel 4.12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
SSS
Het opschrift van artikel 4.13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
TTT
Artikel 4.15 wordt geplaatst na artikel 4.13. Artikel 4.15 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het bouwen, in stand houden of gebruiken van een recreatief nachtverblijf is in overeenstemming met het omgevingsplan als wordt voldaan aan de volgende eisen:
de locatie de functie verblijfsrecreatie heeft;
het past binnen de aantallen en de typen die gesteld zijn in het locatie specifieke tweede tot en met het vijftiende lid;
op de grond staand;
onderkeldering is niet toegestaan;
niet hoger dan 5 meter;
de oppervlakte van:
een minimale onderlinge afstand of afstand tot andere bouwwerken van 5 meter; en
een minimale afstand tot de perceelsgrens van 5 meter, dan wel de bestaande afstand tot de perceelsgrens.
De toegestane hoeveelheid en type verblijfsrecreatie - Biesterij 1 in Rijssen zijn:
De toegestane hoeveelheid en typen verblijfsrecreatie - Enterveenweg 10 in Rijssen zijn:
De toegestane hoeveelheid en type verblijfsrecreatie - Enterveenweg 5a in Rijssen zijn:
De toegestane hoeveelheid en type verblijfsrecreatie - Evertjesweg 3/Brenderweg in Holten zijn:
De toegestane hoeveelheid en type verblijfsrecreatie - Holterstraatweg 186 I in Rijssen zijn:
De toegestane hoeveelheid en type verblijfsrecreatie - Holterstraatweg 186 II in Rijssen zijn:
De toegestane hoeveelheid en type verblijfsrecreatie - Kruisweg 2 in Rijssen zijn:
De toegestane hoeveelheid en type verblijfsrecreatie - Langstraat 2 en 6 in Holten zijn:
De toegestane hoeveelheid en type verblijfsrecreatie - Schietbaanweg 8 in Rijssen zijn:
De toegestane hoeveelheid en type verblijfsrecreatie - Schreursweg 5 in Holten zijn:
De tijdelijk toegestane hoeveelheid en type verblijfsrecreatie - Veendijk 3 in Rijssen zijn:
De toegestane hoeveelheid en type verblijfsrecreatie - Wildweg e.o. in Holten zijn:
De toegestane hoeveelheid en type verblijfsrecreatie - Landuwerweg 17 in Holten zijn:
De toegestane hoeveelheid en type verblijfsrecreatie - Camping De Holterberg zijn:
3 trekkershutten; en
bestaande stacaravans en recreatiewoningen in de zone verblijfsrecreatie - Camping de Holterberg in Holten - stacaravans en recreatiewoningen.
UUU
Artikel 4.14 wordt geplaatst na artikel 4.15. Artikel 4.14 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een erf-hekwerk of perceelafscheidingandere afscheiding voor het weiden van vee is in overeenstemming met het omgevingsplan als deze niet hoger is dan 1,5 meter.
Een erf- en perceelafscheiding binnen het treinspoor Deventer - Almelo (ambtsgebied Rijssen-Holten) is in overeenstemming met het omgevingsplan als deze niet hoger is dan 4 meter.
Een erf- of perceelafscheiding in woonwijken is in overeenstemming met het omgevingsplan als wordt voldaan aan de eisen:
Een schutting of andere afscheiding in woonwijken voor niet-hoeksituaties en hoeksituaties die niet gericht zijn op de openbare weg of het openbaar groen, is in overeenstemming met het omgevingsplan als wordt voldaan aan de eisen:
hoger dan 1 meter maar niet hoger dan 2 meter;
voor niet-hoeksituaties en hoeksituaties die niet gericht zijn op de openbare weg of het openbaar groen;
op een erf of perceel staat al een gebouw waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; en
voor hoeksituaties gericht op de openbare weg of openbaar groen:
achter de voorgevelrooilijn.
Een erf-schutting of perceelafscheidingandere afscheiding op aangewezen plekken met twee voorgevels is in overeenstemming met het omgevingsplan als wordt voldaan aan de volgende eisen:
Een erf-schutting of perceelafscheidingandere afscheiding op bedrijventerreinen of in centra is in overeenstemming met het omgevingsplan als wordt voldaan aan de eisen:
Een erf-schutting of perceelafscheidingandere afscheiding op sportparken of begraafplaatsen is in overeenstemming met het omgevingsplan als wordt voldaan aan de eisen:
VVV
Artikel 4.17 wordt geplaatst na artikel 4.14. Het opschrift van artikel 4.17 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
WWW
Artikel 4.16 wordt geplaatst na artikel 4.17. Het opschrift van artikel 4.16 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
XXX
Het opschrift van artikel 4.18 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
YYY
Voor artikel 4.23 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
ZZZ
Artikel 4.19 wordt geplaatst na artikel 4.24. Het opschrift van artikel 4.19 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AAAA
Artikel 4.20 wordt geplaatst na artikel 4.19. Artikel 4.20 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als:
de activiteit niet in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, met uitzondering van artikel 17.1817.20, artikel 17.2017.22 en 17.2817.30;
het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet;
de activiteit betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie en:
de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden; of
bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit van de bodem: als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregelen wordt getroffen. Een sanerende of andere beschermende maatregel is in ieder geval een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
in voldoende mate is voorzien in parkeergelegenheid voor auto's en fietsen, overeenkomstig de parkeernormen Rijssen-Holten;
in voldoende mate is voorzien in ruimte voor het laden en lossen van goederen, overeenkomstig de parkeernormen Rijssen-Holten; en
als niet in voldoende mate wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid of ruimte voor laden en lossen zoals bedoeld in sub d of e van het eerste lid, mits in dat geval sprake is van een integrale afweging en daarmee een ander, zwaarder wegend belang wordt gediend en dit niet leidt tot een onevenredige aantasting van de kwaliteit van de openbare ruimte.
Het college kan voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit om de vereiste bodemkwaliteit bij het bouwen van bodemgevoelig gebouwen op een bodemgevoelige locatie te borgen.
Een woning wordt niet gebouwd of uitgebreid binnen een gebied waar de concentratie fijnstof (PM10) meer dan 20 µg/m3 jaargemiddelde grenswaarde is.
BBBB
Na artikel 4.20 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
In aanvulling op artikel 4.26 wordt een omgevingsvergunning voor een (voorbeschermd) gemeentelijk monument alleen verleend als:
Als de omgevingsvergunning ziet op een (voorbeschermd) kerkelijk monument neemt het bevoegd gezag niet eerder een beslissing:
Het college kan in het belang van de monumentenzorg nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden aan een (voorbeschermd) gemeentelijk monument.
CCCC
Artikel 4.21 wordt geplaatst na artikel 4.27. Artikel 4.21 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In afwijking van artikel 4.204.26, aanhef en onder a, kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regels toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in het tijdelijk deel omgevingsplan.
Op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend, zijn van overeenkomstige toepassing:
artikel 8.0b, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
artikel 8.0c, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en
artikel 8.0d, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
DDDD
Artikel 4.22 wordt geplaatst na artikel 4.21. Artikel 4.22 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De toelaatbare kwaliteit van de bodem, bedoeld in artikel 4.204.26, onder c, is de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving.
Er is sprake van overschrijding van de toelaatbare kwaliteit als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit.
Het zinsdeel «in meer dan 25 m3 bodemvolume» in het tweede lid is niet van toepassing voor zover het gaat om aanwezigheid van asbest.
EEEE
Het opschrift van artikel 4.25 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
FFFF
Artikel 4.26 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Aan een omgevingsvergunning voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie die is verleend met toepassing van artikel 4.204.26, aanhef en onder c, onder 2, wordt in ieder geval het voorschrift verbonden dat het gebouw, of een gedeelte daarvan, alleen in gebruik wordt genomen nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop er een of meer sanerende of andere beschermende maatregelen zijn getroffen als bedoeld in artikel 4.204.26.
GGGG
Voor artikel 4.27 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
HHHH
Artikel 4.27 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor een bijbehorend bouwwerk bij een woning in woonwijken en centra waarvoor op basis van het tijdelijk deel omgevingsplan geen omgevingsvergunning verleend kan worden, wordt alsnog omgevingsvergunning verleend als deze:
in het achtererfgebied is gelegen;
niet tot gevolg heeft dat de oppervlakte voor bijbehorende bouwwerken die mogelijk is op basis van het tijdelijk deel omgevingsplan voor meer dan 50% wordt overschreden, met een maximum van 25 m²;
op een afstand van tenminste 3 meter achter de oorspronkelijke voorgevel of het verlengde daarvan is gelegen;
bij een uitbreiding van een vrijstaande woning aan tenminste één zijde een afstand van 2,5 meter tot de zijdelingse perceelsgrens heeft;
voor wat betreft de overige maten en afmetingen aan de voorschriften van het tijdelijk deel omgevingsplan;
geen balkon of dakterras heeft, tenzij het tijdelijk deel omgevingsplan dit toestaat.
Als het bijbehorend bouwwerk gebruikt wordt of gebruikt gaat worden ten dienste van mantelzorg wordt een medische(eigen) verklaring overlegd waaruit de noodzaak voor mantelzorg blijkt. De mantelzorgsituatie wordt beëindigd als er geen mantelzorg meer wordt verleend.
Voor overkappingen en carports gelden in aanvulling op het eerste lid de volgende voorwaarden:
de maximale bouwhoogte is 3,5 meter;
de overkapping of carport tenminste 1 meter achter de voorgevel of het verlengde daarvan wordt opgericht;
per bouwperceel maximaal 25 m2 aan overkappingen is toegelaten; en
per bouwperceel maximaal één carport met een maximale oppervlak van 25 m2 is toegelaten.
IIII
Artikel 4.28 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor een bouwwerk dat in het kader van mantelzorg in het buitengebied wordt gebouwd wordt omgevingsvergunning verleend als:
het bouwwerk door niet meer dan twee personen gebruikt gaat worden;
de situering van een mantelzorgsituatie in een nieuw te bouwen bouwwerk plaatsvindt op basis van de kenmerken en uitgangspunten van het bestaande erftype uit de bijlage Erven buitengebied Rijssen-Holten;
de afstand van de bijbehorende (bedrijfs)woning tot de mantelzorgsituatie niet meer dan 25 meter bedraagt;
de totale oppervlakte aan mantelzorgruimten niet groter is dan 75 m2;
de mantelzorgsituatie enkellaags is;
een medische(eigen) verklaring waaruit de noodzaak voor mantelzorg blijkt; en
de mantelzorgsituatie wordt beëindigd als er geen mantelzorg meer wordt verleend.
JJJJ
Het opschrift van artikel 4.30 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
KKKK
Artikel 4.29 wordt geplaatst na artikel 4.30. Het opschrift van artikel 4.29 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
LLLL
Na artikel 4.29 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:
Voor het bouwen en in gebruik nemen van een familiewoning of pré-mantelzorgwoning wordt omgevingsvergunning verleend als:
het in gebruik te nemen bouwwerk legaal is gerealiseerd;
het in gebruik te nemen bouwwerk op een locatie aangewezen voor 'wonen' met uitzondering van (agrarische) bedrijfswoningen en recreatiewoningen is gelegen;
pré-mantelzorg of familiewoning alleen op de begane grond plaatsvindt;
het maximale oppervlak van bedraagt 75 m2 bedraagt;
er per bouwperceel maar één familiewoning of pré-mantelzorgwoning is toegelaten;
er een extra parkeerplaats op het perceel wordt aangelegd;
er geen dakterras of balkon wordt gerealiseerd; en
er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
Een omgevingsvergunning voor een pré-mantelzorgwoning als bedoelt in het eerste lid wordt voor een periode van maximaal 10 jaar verleend gerekend vanaf de dag van de aanvraag.
Aan de omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden over de termijn en wijze van het verwijderen van het bouwwerk of het staken van het gebruik na afloop van de verleende omgevingsvergunning.
Voor het bouwen en in gebruik nemen van een familiewoning of pré-mantelzorgwoning wordt omgevingsvergunning verleend als:
het bouwen en in gebruik nemen plaats vindt op een locatie aangewezen voor 'wonen' met uitzondering van (agrarische) bedrijfswoningen en recreatiewoningen;
het bouwwerk past binnen de bouwregels van paragraaf 4.2.2 of het tijdelijk deel omgevingsplan;
pré-mantelzorg of een familiewoning alleen op de begane grond plaatsvindt;
het maximale oppervlak 75 m2 bedraagt;
er per bouwperceel maar één familiewoning of pré-mantelzorgwoning of is toegelaten;
er een extra parkeerplaats op het perceel wordt aangelegd;
er geen dakterras of balkon wordt gerealiseerd; en
er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
Een omgevingsvergunning voor een pré-mantelzorgwoning als bedoelt in het eerste lid wordt voor een periode van maximaal 10 jaar verleend gerekend vanaf de dag van de aanvraag.
Aan de omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden over de termijn en wijze van het verwijderen van het bouwwerk of het staken van het gebruik na afloop van de verleende omgevingsvergunning.
MMMM
Artikel 4.32 wordt geplaatst na artikel 4.38. Het opschrift van artikel 4.32 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
NNNN
Artikel 4.31 wordt geplaatst na artikel 4.32. Artikel 4.31 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor het bouwen van een schutting of andere afscheiding in woonwijken en centra bij hoeksituaties gericht op de openbare weg of openbaar groen wordt omgevingsvergunning verleend als deze:
Voor het bouwen van een erf-schutting of perceelafscheidingandere afscheiding in het buitengebied, anders dan aan erf-een schutting of perceelafscheidingandere afscheiding als bedoeld in artikel 4.144.18, eerste lid, wordt alleen omgevingsvergunning verleend als deze:
Voor het bouwen van een erf-schutting of perceelafscheidingandere afscheiding in woonwijken en centra wordt alleen een omgevingsvergunning verleend als deze:
Voor het bouwen van een hekwerk ter plaatse van de functie brandgang wordt alleen omgevingsvergunning verleend als deze:
niet hoger is dan 2,5 meter;
er geen aantasting plaatsvindt van de bereikbaarheid van het (achterliggende) gebied of de aangrenzende percelen voor hulpdiensten of ontvluchting;
er schriftelijk advies is gevraagd bij de Veiligheidsregio Twente;
het hekwerk geopend kan worden met een universele sleutel; en
de ruimtelijke kwaliteit niet wordt aangetast.
Een hekwerkschutting of andere afscheiding in bijzondere gebieden als wordt voldaan aan de regels voor erf- en perceel afscheidingen zoals opgenomen in het tijdelijk deel omgevingsplan.
OOOO
Het opschrift van artikel 4.33 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
PPPP
Na artikel 4.33 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Voor het het verankeren van een parasolvoet en het daarin plaatsen van een parasol ten behoeve van (dag)horeca in het centrumgebied wordt omgevingsvergunning verleend als:
er voor de parasolvoet in de grond geen belemmeringen zijn ten aanzien van kabels en leidingen;
de parasol mag, in uitgeklapte toestand, het buurterras of de rijbaan nooit overdekken of overkappen;
de vrije hoogte onder de parasol minimaal 2,20 meter bedraagt;
de hoogte van de parasol niet meer dan 3,5 meter bedraagt;
er één type parasol per terras wordt gebruikt;
er één effen basiskleur per terras wordt gebruikt;
een parasol mag niet aan de gevel of andere (vaste) elementen worden bevestigd;
verankerde parasolvoeten in de grond moeten gelijk aan het maaiveld worden aangelegd;
de parasols moeten worden ingeklapt als het terras niet open is;
de parasols worden verwijderd als het terras niet uitstaat; en
de voet wordt voorzien van afdekking als het terras niet uitstaat.
QQQQ
Artikel 4.34 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor het bouwen van een vrijstaande antenne-installatie wordt alleen omgevingsvergunning verleend als deze:
niet op bestaande (hoge) bebouwing gebouwd kan worden;
niet hoger dan 40 meter is;
niet nabij een gemeentelijk monument of in de molenbiotoop gelegen is; en
er in landschappelijk waardevolle gebieden (natuurgebieden en waardevolle cultuurlandschappen), open landschappen of bebouwde gebieden met een woonfunctie er geen alternatieve locatie te vinden is.
RRRR
Na artikel 4.34 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een zelfstandige opstelling van zonnepanelen in de vorm van kleinschalige installaties op erven van woningen te bouwen.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een zelfstandige opstelling van zonnepanelen in de vorm van kleinschalige installaties op erven van bedrijven en agrarische bedrijven te bouwen.
Een omgevingsvergunning als bedoelt in het eerste wordt verleend als wordt voldaan aan de beoordelingsregels uit het tijdelijk deel omgevingsplan.
SSSS
Voor artikel 4.35 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
TTTT
Het opschrift van artikel 4.35 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
UUUU
Het opschrift van artikel 4.36 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
VVVV
Het opschrift van artikel 4.37 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
WWWW
Artikel 4.38 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden om op gronden met de functie brandgang andere bouwwerken op te richten of in stand te houden dan beschreven in artikel 4.314.40, derdevierde lid.
XXXX
Het opschrift van artikel 4.39 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
YYYY
Het opschrift van artikel 4.40 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
ZZZZ
Het opschrift van afdeling 4.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AAAAA
Artikel 4.41 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het gebruiken van bouwwerken of gronden wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als:
in voldoende mate is voorzien in parkeergelegenheid voor auto's en fietsen, overeenkomstig de parkeernormen Rijssen-Holten;
in voldoende mate is voorzien in ruimte voor het laden en lossen van goederen, overeenkomstig de parkeernormen Rijssen-Holten; en
als niet in voldoende mate wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid of ruimte voor laden en lossen zoals bedoeld in sub a of b, mits in dat geval sprake is van een integrale afweging en daarmee een ander, zwaarder wegend belang wordt gediend en dit niet leidt tot een onevenredige aantasting van de kwaliteit van de openbare ruimte.
BBBBB
Artikel 4.42 wordt verplaatst van paragraaf 4.3.2 naar paragraaf 4.3.1. Het opschrift van artikel 4.42 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
CCCCC
Na paragraaf 4.3.1 wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:
Het in stand houden of gebruiken van een bijbehorend bouwwerk in overeenstemming met het omgevingsplan als wordt voldaan aan de eisen van artikel 4.14.
DDDDD
Paragraaf 4.3.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden een recreatief nachtverblijf te gebruiken of te laten gebruiken voor permanente bewoning.
Het eerste lid is niet van toepassing op locaties waarvoor een persoonsgebonden overgangsrecht van toepassing is.
Het is verboden een nieuw (intensief) agrarisch bedrijf te vestigen.
Het is verboden een nieuwe supermarkt te vestigen of een bestaande supermarkt uit te breiden.
Het is verboden gronden of bouwwerken met een parkeerbehoefte dan wel een behoefte aan ruimte voor het laden en lossen van goederen te gebruiken zonder dat hierin in voldoende mate is voorzien overeenkomstig de geldende parkeernormen Rijssen-Holten.
EEEEE
Het opschrift van paragraaf 4.3.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
FFFFF
Het opschrift van artikel 4.47 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
GGGGG
Het opschrift van artikel 4.48 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HHHHH
Het opschrift van artikel 4.49 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
IIIII
Het opschrift van artikel 4.50 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
JJJJJ
Het opschrift van paragraaf 4.3.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
KKKKK
Voor subparagraaf 4.3.4.1 wordt een subparagraaf ingevoegd, luidende:
LLLLL
Het opschrift van subparagraaf 4.3.4.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MMMMM
Artikel 4.51 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het gebruiken van een bestaand bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg is in overeenstemming met het omgevingsplan. Als het bijbehorend bouwwerk gebruikt wordt of gebruikt gaat worden ten dienste van mantelzorg wordt een medische(eigen) verklaring overlegd waaruit de noodzaak voor mantelzorg blijkt.
NNNNN
Het opschrift van subparagraaf 4.3.4.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OOOOO
Artikel 4.52 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Met omgevingsvergunning is het mogelijk om in het buitengebied een woning toe te voegen als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
er is sprake van een vergunde inwoonsituatie met als peildatum 27‑08‑2021;
het te splitsen gebouw is geen bedrijfswoning of recreatiewoning;
na splitsing ontstaan twee woningen ieder met een zelfstandige woonruimte waarbij;
de maatvoering van de verleende vergunning voor inwoning is het maximum voor het oppervlak van de toe te voegen woning;
de verdeling van de (vergunde) bestaande bebouwing wordt door de aanvrager notarieel vastgelegd;
op basis van hoofdstuk 6 uit ons beleid Ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied gemeente Rijssen-Holten (of diens rechtsopvolger) is KGO rekenmethode van toepassing;
het geheel wordt landschappelijk ingepast. De landschappelijke inpassing vindt plaats volgens een vooraf goed te keuren landschapsplan. De inpassing moet in elk geval voldoen aan de volgende voorwaarden:
bij vervangende nieuwbouw van het hoofdgebouw, blijven de toetsingsvoorwaarden onder d en g van toepassing;
het toevoegen niet tot een onevenredige afbreuk leidt van de beeldkwaliteit en de landschappelijke, cultuurhistorische en monumentale waarden;
er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein; en
er ontstaan geen aanvullende milieubelemmeringen op omliggende gronden.
PPPPP
Het opschrift van artikel 4.53 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
QQQQQ
Na artikel 4.53 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een gemeentelijk monument te slopen.
RRRRR
Artikel 4.54 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit als bedoeld in artikel 4.534.66 wordt alleen verleend als:
Aan een te verlenen omgevingsvergunning wordt in ieder geval als voorwaarde verbonden dat de karakteristieke hoofdvorm, dan wel een passend alternatief, wordt herbouwd en dat binnen zes maanden na het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zal worden gestart met de bouw. Deze verplichting geldt niet als het college van oordeel is dat verval van het karakteristieke pand niet is tegen te gaan.
SSSSS
Na artikel 4.54 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
De omgevingsvergunning voor een (voorbeschermd) gemeentelijk monument of archeologisch monument kan slechts worden verleend als het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet.
Als de omgevingsvergunning ziet op een kerkelijk monument neemt het bevoegd gezag niet eerder een beslissing dan na overleg met de eigenaar.
Voor zover het een beslissing betreft waarbij wezenlijke belangen van het belijden van de godsdienst of levensovertuiging in dat monument in het geding zijn, neemt het bevoegd gezag geen beslissing dan in overeenstemming met de eigenaar.
Het college kan in het belang van de monumentenzorg nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument. Deze regels kunnen mede inhouden een vrijstelling van het verbod, bedoeld in artikel 13.12.
TTTTT
Paragraaf 5.1.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Red: Artikel 5.1 ongewijzigd verplaatst van subparagraaf 5.1.1.1 naar subparagraaf 5.1.1.1. ]
Er is een gebied aangewezen als bebouwingscontour geur.
[Red: Artikel 5.2 ongewijzigd verplaatst van subparagraaf 5.1.1.1 naar subparagraaf 5.1.1.1. ]
Er is een gebied aangewezen als buiten de bebouwingscontour geur.
UUUUU
Artikel 5.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit hoofdstuk is van toepassing op een milieubelastende activiteit als bedoeld in bijlage I bij de Omgevingswet.
De regels in hoofdstuk 5 zijn niet van toepassing op:
een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan;
geur op of in een geurgevoelig gebouw veroorzaakt door:
wonen;
het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein;
een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht;
doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen;
een evenement dat;
plaatsvindt op een locatie aangewezen in afdeling 14.2 en past binnen de in deze afdeling gestelde regels;
evenementen waarvoor omgevingsvergunning wordt verleend op grond van artikel 4.474.59;
festiviteiten die bij of krachtens gemeentelijke verordening zijn aangewezen, in de gebieden in de gemeente waarvoor die verordening geldt; of
andere festiviteiten die plaatsvinden op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het aantal bij of krachtens die verordening aan te wijzen dagen of dagdelen per gebied of categorie van bedrijfssector kan verschillen en niet meer bedraagt dan twaalf per kalenderjaar;
het verrichten van werkzaamheden met een mobiele installatie op een weiland, akker of bos die geen verplaatsbaar mijnbouwwerk is;
bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen;
geurgevoelige gebouwen die op basis van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit zijn toegelaten voor de duur van niet meer dan tien jaar
VVVVV
Het opschrift van artikel 5.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
WWWWW
Artikel 5.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij de waarden, bedoeld in de subparagraaf 5.3.2.2 en paragraaf 5.3.3, en de afstanden, bedoeld in subparagrafen 5.3.2.1 en 5.3.2.2 en artikel 5.245.26, is geen rekening gehouden met de cumulatie van geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen.
XXXXX
Artikel 5.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In afwijking van artikel 5.35.4, tweede lid, onder c, zijn de waarden, bedoeld in subparagraaf 5.3.2.2 en paragraaf 5.3.3, en de afstanden, bedoeld in subparagrafen 5.3.2.1 en 5.3.2.2 en artikel 5.245.26, ook van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw dat voor een duur van niet meer dan tien jaar is toegelaten:
in het tijdelijk deel omgevingsplan; of
in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
In afwijking van artikel 5.35.4, tweede lid, onder c, zijn de waarden bedoeld in bedoeld in subparagraaf 5.3.2.2 en paragraaf 5.3.3, en de afstanden, bedoeld in subparagrafen 5.3.2.1 en 5.3.2.2 en artikel 5.245.26, niet van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is maar mag worden gebouwd op grond van:
het tijdelijk deel omgevingsplan; of
een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
YYYYY
Artikel 5.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De waarden, bedoeld in subparagraaf 5.3.2.2 en paragraaf 5.3.3, en de afstanden, bedoeld in subparagrafen 5.3.2.1 en 5.3.2.2 en artikel 5.245.26, zijn niet van toepassing als het geurgevoelig gebouw een functionele binding heeft met de activiteit.
ZZZZZ
Artikel 5.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een activiteit zijn de waarden, bedoeld in subparagraaf 5.3.2.2 en paragraaf 5.3.3, en de afstanden, bedoeld in subparagrafen 5.3.2.1 en 5.3.2.2 en artikel 5.245.26, niet van toepassing op een geurgevoelig gebouw dat:
op grond van het tijdelijk deel omgevingsplan, of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor 1 januari 2024, behoort of heeft behoord tot die activiteit en door een derde bewoond mag worden; of
eerder functioneel verbonden was met die activiteit en waarvoor op grond van artikel 5.96 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is bepaald dat de waarden en afstanden voor geur niet van toepassing zijn.
AAAAAA
Het opschrift van artikel 5.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
BBBBBB
Artikel 5.10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel is van toepassing op het composteren of opslaan van groenafval met een volume van 3 m3 tot en met 600 m3.
Dit artikel is niet van toepassing op:
groenafval dat een gevaarlijke afvalstof of gebruikt substraatmateriaal is; of
het opslaan van substraatmateriaal van plantaardige oorsprongcompost of groenafval als:
al voor 1 januari 2013 plaatsvond;
de afstand tussen een activiteitde compost of opslag van groenafval en een geurgevoelig gebouw op 1 januari 2013 rechtmatig kleiner was dan de afstand in het derde of vierde lid;
verplaatsing van de opslagplaats of composteringshoop redelijkerwijs niet kan worden gevergd; en
de afstand tot een geurgevoelig gebouw niet afneemt.
De afstand vanaf het dichtstbijzijnde punt van de composteringshoop of de opslagplaats voor groenafval tot een geurgevoelig gebouw gelegen binnen de bebouwingscontour geur is niet kleiner dan 100 meter.
De afstand vanaf het dichtstbijzijnde punt van de composteringshoop of de opslagplaats voor groenafval tot een geurgevoelig gebouw gelegen buiten de bebouwingscontour geur is niet kleiner dan 50 meter.
CCCCCC
Artikel 5.11 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De afstand voor geur door het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een mestbassin met een gezamenlijke oppervlakte van ten hoogste 750 m2 of een gezamenlijke inhoud van ten hoogste 2.500 m3 is vanaf het dichtstbijzijnde punt van het mestbassin tot een geurgevoelig gebouw niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 5.1.3.15.3.2.1.
Opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een mestbassin | Afstand tot geurgevoelig gevoelig gebouw | |
| Zonder functionele binding met dierenverblijf in directe omgeving | Met functionele binding met dierenverblijf in directe omgeving |
Gezamenlijke oppervlakte minder dan 350 m2 | 50 meter | 25 meter |
Gezamenlijke oppervlakte 350 m2 tot en met 750 m2 | 100 meter | 50 meter |
Het eerste lid is niet van toepassing bij het opslaan van substraatmateriaal van plantaardige oorsprongdrijfmest, digestaat en dunne fractie als:
het mestbassin voor 1 januari 2013 is opgericht;
de afstand tussen een activiteithet opslaan van drijfmest, digestaat en dunne fractie en een geurgevoelig gebouw op 1 januari 2013 rechtmatig kleiner was dan de afstand in het eerste lid;
verplaatsing van het mestbassin redelijkerwijs niet kan worden gevergd.; en
de afstand tot een geurgevoelig gebouw niet afneemt.
DDDDDD
Artikel 3.41 wordt verplaatst van subparagraaf 3.3.1.9 naar subparagraaf 5.3.2.1. Artikel 3.41 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden zonder omgevingsvergunning:
Voor opslag in een mestbassin bedraagt de minimumafstand tot een geurgevoelig object de in tabel 5.3.2.2 aangegeven afstand.
Opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een mestbassin | Afstand tot geurgevoelig gevoelig gebouw | |
| Zonder functionele binding met dierenverblijf in directe omgeving | Met functionele binding met dierenverblijf in directe omgeving |
Gezamenlijke inhoud meer dan 2.500 m3 of oppervlakte meer dan 750 m2 | 100 meter | 50 meter |
Op het verlenen van een omgevingsvergunning zijn de beoordelingsregels, bedoeld in de artikelen 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid worden gegevens en bescheiden verstrekt over:
EEEEEE
Artikel 5.12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel is van toepassing op het opslaan van:
Dit artikel is niet van toepassing op:
in plasticfolie verpakte veevoederbalen; of
het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen als:
opslaan al voor 1 januari 2013 plaatsvond;
de afstand tussen een activiteithet kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen en een geurgevoelig gebouw op 1 januari 2013 rechtmatig kleiner was dan de afstand in het derde lid;
verplaatsing van de opslagplaats redelijkerwijs niet kan worden gevergd; en
de afstand tot een geurgevoelig gebouw niet afneemt.
De afstand voor geur door het opslaan van kuilvoer en vaste bijvoedermiddelen vanaf het dichtstbijzijnde punt van de opslagplaats tot een geurgevoelig gebouw, is niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 5.3.2.1.2.5.3.2.3
FFFFFF
Artikel 5.13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel is van toepassing op het opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong met een totaal volume van meer dan 3 m3.
Het derde en het vierde lid zijn niet van toepassing bij het opslaan van substraatmateriaal van plantaardige oorsprong als:
opslaan al voor 1 januari 2013 plaatsvond;
de afstand tussen een activiteitgebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong en een geurgevoelig gebouw op 1 januari 2013 rechtmatig kleiner was dan de afstand in het derde of vierde lid;
verplaatsing van de opslagplaats of composteringshoop redelijkerwijs niet kan worden gevergd; en
de afstand tot een geurgevoelig gebouw niet afneemt.
De afstand vanaf het dichtstbijzijnde punt van de composteringshoop of de opslagplaats voor groenafval tot een geurgevoelig gebouw gelegen binnen de bebouwingscontour geur is niet kleiner dan 100 meter.
De afstand vanaf het dichtstbijzijnde punt van de composteringshoop of de opslagplaats voor groenafval tot een geurgevoelig gebouw gelegen buiten de bebouwingscontour geur is niet kleiner dan 50 meter.
GGGGGG
Artikel 5.14 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel is van toepassing op het opslaan van:
Dit artikel is niet van toepassing op:
het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie met een totaal volume van 3 m3 of minder;
het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie korter dan twee weken op een plek;
het opslaan van meer dan 600 m3 vaste mest; en
het opslaan van vaste mest, champost opof dikke fractie als;
opslaan al voor 1 januari 2013 plaatsvond;
de afstand tussen een activiteitopslag van vaste mest, champost of dikke fractie en een geurgevoelig gebouw op 1 januari 2013 rechtmatig kleiner was dan de afstand in het derde en vierde lid;
verplaatsing van de opslagplaats redelijkerwijs niet kan worden gevergd; en
de afstand tot een geurgevoelig gebouw niet afneemt.
De afstand voor het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie vanaf het dichtstbijzijnde punt van de opslagplaats tot een geurgevoelig gebouw gelegen binnen de bebouwingscontour geur is niet kleiner dan 100 meter.
De afstand voor het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie vanaf het dichtstbijzijnde punt van de opslagplaats tot een geurgevoelig gebouw gelegen buiten de bebouwingscontour geur is niet kleiner dan 50 meter.
HHHHHH
Het opschrift van artikel 5.15 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
IIIIII
Het opschrift van artikel 5.16 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
JJJJJJ
Het opschrift van artikel 5.17 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
KKKKKK
Het opschrift van artikel 5.18 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
LLLLLL
Artikel 5.19 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor is de geur op een geurgevoelig gebouw binnen de bebouwingscontour geur door de activiteit niet hoger dan de norm binnen de bebouwingscontour geur (landbouwhuisdieren met emissiefactor).
Bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor is de geur op een geurgevoelig gebouw buiten de bebouwingscontour geur door de activiteit niet hoger dan de norm buiten de bebouwingscontour geur (landbouwhuisdieren met emissiefactor).
Bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor is de geur op de rand van de tijdelijke geurcontour Oosterhofweg 125 in Rijssen door de activiteit niet hoger dan 14,0 ouE/m3.
Het eerste, tweede en derde lid zijn niet van toepassing bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor, als de afstand op een locatie gelijk of groter is dan de afstand, bedoeld in tabel 5.1.2.1 in het vijfde lid, tot de volgende geurgevoelige gebouwen:
een geurgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met een dierenverblijf in de directe omgeving daarvan;
een geurgevoelig gebouw dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden een functionele binding te hebben met een dierenverblijf in de directe omgeving daarvan;
een geurgevoelig gebouw met een woonfunctie dat op of na 19 maart 2000 is gebouwd:
op een locatie die op dat tijdstip werd gebruikt voor het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf;
in samenhang met het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen van het dierenverblijf; en
in samenhang met de sloop van een dierenverblijf of bedrijfsgebouw dat onderdeel heeft uitgemaakt van een gebouw voor het houden van landbouwhuisdieren of voor functioneel ondersteunende activiteiten; en
een geurgevoelig gebouw dat aanwezig is op een locatie waar een geurgevoelig gebouw met een woonfunctie als bedoeld onder c is gebouwd.
Geurgevoelig gebouw met functionele binding of functionele binding tot 19 maart 2000 | Afstand |
Gelegen binnen de bebouwingscontour geur | 100 meter |
Gelegen buiten de bebouwingscontour geur | 50 meter |
Als voor 1 januari 2024 de geur op een locatie rechtmatig meer bedraagt dan de waarde, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, mag bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor:
Voor gevallen als bedoeld in het zesde lid mag het aantal landbouwhuisdieren van een of meer diercategorieën met geuremissiefactor alleen toenemen als:
een geurbelastingreducerende maatregel wordt getroffen; en
de totale geur na het uitbreiden niet meer bedraagt dan het gemiddelde van de waarde, bedoeld in artikel 5.195.21, eerste lid en de waarde van de geur die de activiteit onmiddellijk voorafgaand aan het treffen van de maatregel rechtmatig mocht veroorzaken.
Op het berekenen van de geur, bedoeld in artikel 5.195.21, is artikel 6.14 van de Omgevingsregeling van toepassing.
MMMMMM
Artikel 5.20 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Onverminderd de artikelen 5.195.21 en 5.215.23 is bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor of zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden, is de afstand tot een geurgevoelig gebouw gelegen binnen de bebouwingscontour geur niet kleiner dan 50 meter.
Onverminderd de artikelen 5.195.21 en 5.215.23 is bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor of zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden, is de afstand tot een geurgevoelig gebouw gelegen buiten de bebouwingscontour geur niet kleiner dan 25 meter.
In afwijking van artikel 5.175.19 geldt de afstand, bedoeld in het eerste of het tweede lid, vanaf de gevel van een dierenverblijf.
Als voor 1 januari 2024 voor het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op een locatie rechtmatig niet wordt voldaan aan de afstand, bedoeld in het eerste lid, mag bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor:
Als voor 1 januari 2024 voor het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden of pony’s die gehouden worden voor het berijden, op een locatie rechtmatig niet wordt voldaan aan de afstand, bedoeld in het eerste lid, mag, bij het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden:
NNNNNN
Het opschrift van artikel 5.21 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OOOOOO
Het opschrift van artikel 5.22 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
PPPPPP
Artikel 5.23 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Ten minste vier weken voor het begin of het wijzigen van een activiteit als bedoeld in artikel 3.383.39, 5.225.24 en artikel 18.5718.58 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;
gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:
de grenzen van het terrein;
de ligging en de indeling van de gebouwen;
het gebruik van de te onderscheiden ruimten;
de ligging van de bedrijfsriolering;
op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;
of de punten waarop afvalwater wordt geloosd, zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en
op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen;
een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en
gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit
QQQQQQ
Het opschrift van artikel 5.24 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
RRRRRR
Het opschrift van artikel 5.25 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
SSSSSS
Het opschrift van artikel 5.26 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
TTTTTT
Artikel 5.27 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De geur vanwege het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk op een geurgevoelig gebouw binnen de bebouwingscontour geur bedraagt niet meer dan de norm binnen de bebouwingscontour geur (zuiveringstechnische werken).
De geur vanwege het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk op een geurgevoelig gebouw buiten de bebouwingscontour geur bedraagt niet meer dan de norm buiten de bebouwingscontour geur (zuiveringstechnische werken).
De geur op een geurgevoelig gebouw binnen de bebouwingscontour geur door het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk dat is opgericht voor 1 februari 1996 en waarvoor op 1 februari 1996 een vergunning op grond van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer in werking en onherroepelijk was, is niet hoger dan 1,5 ouE/m3.
De geur op een geurgevoelig gebouw buiten de bebouwingscontour geurdoor het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk dat is opgericht voor 1 februari 1996 en waarvoor op 1 februari 1996 een vergunning op grond van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer in werking en onherroepelijk was, is niet hoger dan 3,5 ouE/m3.
De waarden, bedoeld in het eerste en het tweede lid, zijn niet van toepassing op de geur door het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk waarvoor tot 1 januari 2011 een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in werking en onherroepelijk was, op geurgevoelige gebouwen die:
Bij het wijzigen van een zuiveringtechnisch werk als bedoeld het derde en het vijfde lid, is de waarde van de geur op een geurgevoelig gebouw als gevolg van dat zuiveringtechnisch werk niet hoger dan de waarde voor geur op een geurgevoelig gebouw, voorafgaand aan de verandering, tenzij de waarden, bedoeld in het eerste, niet worden overschreden.
Op het berekenen van de geur in artikel 5.275.29 is artikel 6.13 van de Omgevingsregeling van toepassing.
UUUUUU
Het opschrift van artikel 5.28 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
VVVVVV
Het opschrift van artikel 5.29 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
WWWWWW
Het opschrift van artikel 5.30 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
XXXXXX
Het opschrift van artikel 5.31 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
YYYYYY
Artikel 5.32 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Ten minste vier weken voor het begin of wijzigen van een activiteit als bedoeld in artikel 3.433.42, artikel 5.315.33 en artikel 18.6218.63 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;
gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:
een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en
gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.
ZZZZZZ
Artikel 5.33 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij het slachten van dieren wordt de vaste dierlijke mest die vrijkomt bij het slachten in afgesloten, lekvrije tonnen of bakken opgeslagen.
Dampen en gassen van het broeien of koken van dierlijke bijproducten worden afgezogen, als deze op de buitenlucht worden geëmitteerd:
Voor zover er geen verandering van de activiteit plaatsvindt die leidt tot een toename van de geurbelasting op een geurgevoelig gebouw, is het tweede lid, onder b, niet van toepassing als voor 1 januari 2008 voor die activiteit:
AAAAAAA
Het opschrift van artikel 5.34 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
BBBBBBB
Artikel 5.35 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.365.38 wordt een beschrijving verstrekt van de maatregelen die worden getroffen om de emissie van styreen te beperken.
CCCCCCC
Het opschrift van artikel 5.36 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
DDDDDDD
Het opschrift van artikel 5.37 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
EEEEEEE
Artikel 5.38 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Ten minste vier weken voor het begin of wijzigen van een activiteit als bedoeld in artikel 18.4618.47 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;
gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:
een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en
gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.
FFFFFFF
Artikel 5.39 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Afgezogen dampen en gassen die naar de buitenlucht worden geëmitteerd:
Dampen die vrijkomen bij het bereiden van voedingsmiddelen met grootkeukenapparatuur door frituren, bakken in olie of vet of grillen, anders dan met houtskool, worden afgezogen en geleid door een vetvangend filter
Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing:
op het bereiden van voedingsmiddelen met keukenapparatuur; en
als het mogelijke effect van de geuremissie van de uittredende lucht van een afzuiginstallatie beperkt blijft tot een industrieterrein of locatie met een geluidproductieplafond of een bedrijventerrein met minder dan één geurgevoelig gebouw per hectare.
Voor zover er geen verandering van de activiteit plaatsvindt die leidt tot een toename van de geurbelasting op een geurgevoelig gebouw, is het eerste lid niet van toepassing als voor 1 januari 2008 voor die activiteit:
GGGGGGG
Het opschrift van artikel 5.40 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HHHHHHH
Artikel 5.41 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het beginnen of uitbreiden in capaciteit van een activiteit als bedoeld in artikel 5.405.42 is alleen toegestaan als nieuwe geurhinder op een geurgevoelig gebouw wordt voorkomen.
Het eerste lid is ook van toepassing op het wijzigen van de activiteit, als die wijziging leidt tot een grotere of andere geurbelasting ter plaatse van een geurgevoelig gebouw.
IIIIIII
Subparagraaf 6.1.1.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Gereserveerd]
JJJJJJJ
Na subparagraaf 6.1.1.1 wordt een subparagraaf ingevoegd, luidende:
KKKKKKK
Artikel 6.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit hoofdstuk is van toepassing op een milieubelastende activiteit als bedoeld in bijlage I bij de Omgevingswet.
De regels in hoofdstuk 6 zijn niet van toepassing op:
een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan:
een niet-geluidgevoelige gevel van een geluidgevoelig gebouw;
het geluid van een milieubelastende activiteit op een toekomstig geluidgevoelig gebouw die:
op het geluid door bovengrondse hoogspanningsverbindingen met een spanning van ten minste 110 kV;
een geluidgevoelig gebouw dat gedeeltelijk of geheel gelegen is op een industrieterrein of locatie met een geluidproductieplafond;
het geluid op of in een geluidgevoelig gebouw veroorzaakt door:
wonen;
het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein;
een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht;
doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen;
een evenement dat:
plaatsvindt op een locatie aangewezen in afdeling 14.2 en past binnen de in deze afdeling gestelde regels;
evenementen waarvoor omgevingsvergunning wordt verleend op grond van artikel 4.474.59;
festiviteiten die bij of krachtens gemeentelijke verordening zijn aangewezen, in de gebieden in de gemeente waarvoor die verordening geldt; of
andere festiviteiten die plaatsvinden op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het aantal bij of krachtens die verordening aan te wijzen dagen of dagdelen per gebied of categorie van bedrijfssector kan verschillen en niet meer bedraagt dan twaalf per kalenderjaar;
het verrichten van werkzaamheden met een mobiele installatie op een weiland, akker of bos die geen verplaatsbaar mijnbouwwerk is;
bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen;
spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen; of
detailhandel waarbij:
een of meer elektromotoren aanwezig zijn met een gezamenlijk vermogen van minder of gelijk dan 1,5 kW, met uitzondering van elektromotoren met een vermogen van 0,25 kW of minder; of
een of meer stookinstallaties aanwezig zijn met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder of gelijk dan 130 kW.
LLLLLLL
Artikel 6.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij het bepalen van de geluidniveaus, bedoeld in de artikelen 6.196.18, 6.216.20 en 6.206.19, blijft buiten beschouwing:
het geluid door de inzet van motorvoertuigen of helikopters voor spoedeisende medische hulpverlening, ongevallenbestrijding, brandbestrijding, gladheidbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval;
het stemgeluid van personen op een onverwarmd en onoverdekt terrein, tenzij dit terrein kan worden aangemerkt als een binnenterrein;
het stemgeluid van bezoekers op het open terrein bij sport- of recreatieactiviteiten;
het stemgeluid van kinderen op een onverwarmd of onoverdekt terrein dat onderdeel is van een instelling voor het primair onderwijs, in de periode vanaf een uur voor aanvang van het onderwijs tot een uur na beëindiging van het onderwijs;
het stemgeluid van kinderen op een onverwarmd of onoverdekt terrein dat onderdeel is van een instelling voor kinderopvang;
het geluid voor het oproepen tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging of het bijwonen van godsdienstige of levensbeschouwelijke bijeenkomsten en lijkplechtigheden, en ook het geluid in verband met het houden van deze bijeenkomsten of plechtigheden; en
het ten gehore brengen van onversterkte muziek, behalve voor zover daarvoor bij gemeentelijke verordening regels zijn gesteld.
Bij het bepalen van het maximale geluidniveau (LAmax), bedoeld in de artikelen 6.196.18, 6.216.20 en 6.206.19 blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van:
De maximale geluidniveaus (LAmax), bedoeld in de artikelen 6.196.18, 6.216.20 en 6.206.19, zijn tussen 23.00 en 7.00 uur niet van toepassing op aandrijfgeluid van motorvoertuigen bij het laden en lossen als:
MMMMMMM
Artikel 6.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
NNNNNNN
Het opschrift van artikel 6.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OOOOOOO
Het opschrift van artikel 6.10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
PPPPPPP
Het opschrift van artikel 6.11 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
QQQQQQQ
Het opschrift van artikel 6.12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
RRRRRRR
Het opschrift van artikel 6.13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
SSSSSSS
Het opschrift van artikel 6.14 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
TTTTTTT
Artikel 6.15 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Als het onderzoek bedoelt in artikel 6.176.16 betrekking heeft op locatie op een industrieterrein of locatie met een geluidproductieplafond worden in elk geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;
gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:
een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en
gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.
Een onderzoek als bedoelt in artikel 6.156.14, eerste lid hoeft niet te worden verstrekt voor een activiteit waar:
tussen 19.00 en 7.00 uur gemiddeld niet meer dan vier transportbewegingen per dag plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn;
het mede op basis van de aard van de activiteit, niet aannemelijk is dat in enige ruimte op de locatie waarop de activiteit wordt verricht het equivalente geluidsniveau (LAeq) veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan:
in de buitenlucht of op een open terrein geen muziek ten gehore wordt gebracht;
in de buitenlucht geen oefenterrein voor motorvoertuigen aanwezig is;
geen koelinstallatie aanwezig is die volgens de gebruiksaanwijzing behoort te zijn gevuld met meer dan 30 kg synthetisch koudemiddel;
geen gemotoriseerde modelvliegtuigen, modelvaartuigen of modelvoertuigen in de open lucht worden gebruikt;
geen parkeergelegenheid wordt geboden in een parkeergarage voor meer dan 30 personenauto’s;
geen noodstroomaggregaat aanwezig is dat meer dan 50 uren per jaar in werking is;
geen transformatoren met een maximaal gelijktijdig in te schakelen elektrisch vermogen van 200 MVA of meer, die zijn ondergebracht in een gesloten gebouw, worden gebruikt; en
een activiteit waarvoor op grond van hoofdstuk 2, 3, 4 of 5 van het Besluit activiteiten leefomgeving, artikel 6.176.16 of een ander artikel in deze paragraaf een verplichting geldt om gegevens en bescheiden te verstrekken of een omgevingsvergunning aan te vragen voor het beginnen of wijzigen van die activiteit.
UUUUUUU
Het opschrift van artikel 6.16 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
VVVVVVV
Artikel 6.17 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het onderzoek als bedoeld in artikel 6.166.15 of artikel 6.156.14 wordt aan het college van burgemeester en wethouders verstrekt ten minste vier weken voor:
het begin van de activiteit; of
de activiteit op een andere manier wordt verricht dan op grond van de gegevens in het rapport van het geluidonderzoek.
WWWWWWW
Het opschrift van artikel 6.18 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
XXXXXXX
Het opschrift van artikel 6.19 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
YYYYYYY
Artikel 6.20 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het geluid door een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen is, in afwijking van artikel 6.196.18, eerste lid, op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 5.2.5.
| 06.00 – 19.00 uur | 19.00 – 22.00 uur | 22.00 – 06.00 uur |
Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door de vast opgestelde installaties en toestellen | 45 dB(A) | 40 dB(A) | 35 dB(A |
Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten | 70 dB(A) | 65 dB(A) | 60 dB(A) |
Het geluid door een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen is, in afwijking van artikel 6.196.18, derde, in geluidgevoelige ruimten binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 5.2.6.
| 06.00 – 19.00 uur | 19.00 – 22.00 uur | 22.00 – 06.00 uur |
Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door de vast opgestelde installaties en toestellen | 35 dB(A) | 30 dB(A) | 25 dB(A) |
Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten | 55 dB(A) | 50 dB(A) | 45 dB(A) |
Bij het bepalen van het maximaal geluidniveau (LAmax), bedoeld in het eerste en tweede lid, blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van:
laden en lossen en het in- en uitrijden van landbouwtractoren of motorvoertuigen met beperkte snelheid, in de periode tussen 06.00 uur en 19.00 uur;
laden en lossen in de periode tussen 19.00 uur en 06.00 uur, voor zover dat ten hoogste één keer in die periode plaatsvindt; en
het wassen van kasdekken in de periode tussen 19.00 uur en 6.00 uur.
ZZZZZZZ
Artikel 6.21 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het geluid is, in afwijking van artikel 6.196.18, eerste, derde en vierde lid, door het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden, op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 6.2.4.
| 07.00 – 21.00 uur | 21.00 – 07.00 uur |
Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten | 50 dB(A) | 40 dB(A) |
Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten | 70 dB(A) | 60 dB(A) |
De in het eerste lid opgenomen maximale geluidniveaus LAmax zijn niet van toepassing op laden en lossen in de periode tussen 07.00 en 21.00 uur.
AAAAAAAA
Artikel 6.22 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Als de activiteit wordt verricht op een industrieterrein of locatie met een geluidproductieplafond gelden de waarden van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT), bedoeld in de artikelen 6.196.18, eerste lid, en 6.216.20, eerste lid ook op een afstand van 50 meter vanaf de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht.
BBBBBBBB
Artikel 6.23 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een installatie in werking te hebben waarin gassen worden gemengd en tot ontbranding worden gebracht met als doel het opwekken van een schokgolf.
Het eerste lid geldt niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.236.22 voor het in werking hebben van een installatie waarin gassen worden gemengd en tot ontbranding gebracht, worden de volgende gegevens verstrekt:
Op het verlenen van een omgevingsvergunning zijn de beoordelingsregels, bedoeld in de artikelen 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing.
CCCCCCCC
Het opschrift van artikel 6.24 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
DDDDDDDD
Het opschrift van artikel 6.25 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
EEEEEEEE
Artikel 6.26 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De volgende gegevens worden geregistreerd:
de emissieterm LE, bedoeld in onderdeel 3.1 van bijlage XXV bij de Omgevingsregeling, gebaseerd op de effectieve werking gedurende het afgelopen kalenderjaar; en
de voor de duur van een handhavingsmeting benodigde gegevens ter bepaling van de windsnelheid op ashoogte, bedoeld in paragraaf 1.6 van bijlage XXV bij de Omgevingsregeling.
De gegevens worden gedurende vijf jaar bewaard.
Op het bepalen van het geluid Lden of Lnight, bedoeld in artikel 6.246.23, derde lid, is artikel 6.8 van de Omgevingsregeling van toepassing.
FFFFFFFF
Artikel 6.27 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel is van toepassing op het geluid op een geluidgevoelig gebouw door het exploiteren van een kleiduivenschietvereniging, een in de buitenlucht of in een gebouw zonder gesloten afdekking of een gebouw met een open zijde gelegen civiele schietbaan waar met vuurwapens wordt geschoten.
Dit artikel is niet van toepassing op het traditioneel schieten door schutterijen of schuttersgilden.
Het schietgeluid vanwege een civiele buitenschietbaan bedraagt op een geluidgevoelig gebouw ten hoogste 50 Bs,dan.
Op het bepalen van het geluid Bs,dan, bedoeld in artikel 6.276.26, derde lid, is artikel 6.9 van de Omgevingsregeling van toepassing.
De volgende gegevens worden geregistreerd en 5 jaar bewaard:
dagelijks het aantal schoten of ontploffingen per wapentype, per dag-, avond- en nachtperiode, per baan; en
voor de duur van de handhavingsmeting, bedoeld in onderdeel 4.4.1 van bijlage XXVII bij de Omgevingsregeling, de gebruikte wapens en verschoten munitie.
GGGGGGGG
Artikel 6.28 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De waarden, bedoeld in de in artikelen 6.8, 6.7, 6.196.18, 6.216.20, 6.206.19, en 6.226.21, zijn voor zover de naleving van deze normen redelijkerwijs niet kan worden gevergd, niet van toepassing op dagen of dagdelen in verband met de viering van:
festiviteiten die bij of krachtens gemeentelijke verordening zijn aangewezen, in de gebieden in de gemeente waarvoor die verordening geldt; en
andere festiviteiten die plaatsvinden op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het aantal bij of krachtens die verordening aan te wijzen dagen of dagdelen per gebied of categorie van bedrijfssector kan verschillen en niet meer bedraagt dan twaalf per kalenderjaar.
Een festiviteit die ten hoogste een etmaal duurt, maar die zowel voor als na 00.00 uur plaatsvindt, wordt beschouwd als plaatshebbende op één dag.
Op het bepalen van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) of het maximaal geluidniveau (LAmax), bedoeld in deze afdeling, zijn de artikelen 6.6 en 6.7 van de Omgevingsregeling van toepassing.
HHHHHHHH
Artikel 6.29 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij het bepalen van de geluidniveaus, bedoeld in de artikelen 6.196.18, 6.216.20 en 6.206.19, blijft het geluid veroorzaakt door het stomen van grond met een installatie van derden, buiten beschouwing.
Bij het stomen van grond met een installatie van derden worden maatregelen of voorzieningen getroffen die betrekking hebben op:
IIIIIIII
Het opschrift van artikel 6.30 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
JJJJJJJJ
Artikel 6.31 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een weg of spoorweg aan te leggen of te wijzigen als op grond van een omgevingsplan of bij omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit een geluidgevoelig gebouw is toegelaten binnen het aandachtsgebied van die weg of spoorweg.
Het eerste lid is niet van toepassing op een weg als:
deze is gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied;
een maximumsnelheid van 30 km per uur geldt;
de snelheid wordt verlaagd;
een wegdeklaag wordt vervangen door een wegdeklaag met dezelfde of een grotere geluidsreducerende werking;
de snelheid wordt verhoogd tot ten hoogste de maximumsnelheid, zoals die gold voor een tijdelijke snelheidsverlaging die als maatregel is opgenomen in een programma als bedoeld in artikel 5.12 van de Wet milieubeheer, zoals dat luidde voor inwerkingtreding van de Omgevingswet; of
het wijzigen, gerekend zonder het treffen van maatregelen, leidt tot:
niet meer dan 50 dB op de gevel van een geluidgevoelig gebouw;
als een hogere waarde is vastgesteld op grond van de Wet geluidhinder, de Experimentenwet Stad en Milieu, de Interimwet stad-en-milieubenadering of de Spoedwet wegverbreding: niet meer dan 2 dB meer geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw dan die hogere waarde of, als de heersende waarde lager is, de heersende waarde; of
als de weg en het geluidgevoelige gebouw op 1 januari 2007 waren toegelaten, niet eerder een hogere waarde is vastgesteld dan 48 dB en de heersende waarde hoger is dan 48 dB: niet meer dan 2 dB meer dan de heersende waarde
Het eerste lid is niet van toepassing op een spoorweg als:
de intensiteit, de verkeerssnelheid of een combinatie van beide wordt gewijzigd waardoor het geluid onafgerond niet meer dan 1,0 dB toeneemt ten opzichte van het geluid gedurende de drie jaren voorafgaand aan de wijziging;
spoorstaven horizontaal worden verplaatst over een afstand van minder dan 2 m;
spoorstaven verticaal worden verplaatst over een afstand van minder dan 1 m;
de baanconstructie wordt vervangen door een baanconstructie die niet meer geluid emitteert dan de te vervangen constructie; of
het wijzigen, gerekend zonder het treffen van maatregelen, leidt tot:
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 6.316.30, eerste lid, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een akoestisch onderzoek naar:
het geluid dat geluidgevoelige gebouwen binnen het aandachtsgebied onmiddellijk voorafgaand aan de wijziging of aanleg van de weg of spoorweg ondervinden;
het geluid dat geluidgevoelige gebouwen binnen het aandachtsgebied in de toekomst door de weg of spoorweg zouden ondervinden zonder de invloed van maatregelen die de geluidsbelasting beperken;
het geluid door andere wegen of niet te wijzigen delen van de weg, als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de wijziging van een weg zal leiden tot een toename van meer dan 2 dB van het geluid op geluidgevoelige gebouwen door die wegen of delen;
de doeltreffendheid van de in aanmerking komende verkeersmaatregelen en andere maatregelen om te voorkomen dat het in de toekomst door de weg optredende geluid op de gebouwen, bedoeld onder 1°, de standaardwaarde, zijnde 53 Lden voor een weg en 55 Lden voor een spoorweg, te boven zou gaan of om te voorkomen dat het geluid op geluidgevoelige gebouwen toeneemt ten opzichte van het geluid onmiddellijk voorafgaand aan de wijziging;
een beschrijving van de voorgenomen maatregelen, bedoeld onder a, onder 4°; en
een beschrijving van te treffen geluidwerende maatregelen aan gevels van gebouwen waarvoor het toekomstige geluid hoger wordt dan de standaardwaarde en toeneemt ten opzichte van de situatie voor de wijziging of aanleg, voor zover nodig om te voldoen aan de grenswaarde, bedoeld in tabel 3.53 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid, wordt alleen verleend als de activiteit er niet toe leidt dat de grenswaarde 70 Lden wordt overschreden.
Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid, worden voorschriften verbonden die ertoe strekken dat:
KKKKKKKK
Artikel 7.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Als doelgroep voor sociale huurwoning worden aangemerkt:
huishouden(s) met een huishoudinkomen zoals opgenomen in de Regeling toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015 of opvolgende wetgeving.
woningcorporaties hebben de mogelijkheid sociale huurwoningen vrij toe wijzen. Hierbij moeten zij de voorrangsregels uit het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015 in acht nemen.
Als doelgroep voor de sociale koopwoning worden de volgende categorieën aangemerkt:
voor sociale koop rijenwoningen met een koopprijs tot € 240.000253.000,= VON (sociale koop laag) starters op de koopmarkt met een maximaal bruto huishoudinkomen in het peiljaar van € 45.00047.000,=;
voor sociale koop rijenwoningen met een koopprijs tot € 270.000285.000,= VON (sociale koop hoogmidden) starters op de koopmarkt met een maximaal bruto huishoudinkomen in het peiljaar van € 55.00058.000,=;
voor sociale koop twee-onder-één kap woningen met een koopprijs tot € 355.000338.000,= VON (sociale koop tweekapperhoog) starters en doorstromers op de koopmarkt met een maximaal huishoudinkomen in het peiljaar van € 65.000,=;
voor sociale koop appartementen met een koopprijs tot € 215.000227.000,= VON (sociale koop appartementen) starters op de koopmarkt met een maximaal bruto huishoudinkomen in het peiljaar van €40.00042.000,=.
Als doelgroep voor een geliberaliseerde woning voor de middenhuur worden aangemerkt:
huishoudens met een huishoudinkomen in het peiljaar van maximaal 1,5 keer de DAEB-norm. De geliberaliseerde woningen voor middenhuur hebben een aanvangshuurprijs van ten minste het bedrag, als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag en ten hoogste € 1.123,121.184,82 per maand all-in (prijspeil 20242025). Voor woningen waarvan de start bouw plaats vindt vóór 1 januari 2026 geldt een nieuwbouwopslag van 10% op de aanvangshuurprijs. Jaarlijkse indexering van de aanvangshuurprijs vindt plaats overeenkomstig de mate van indexering van de sociale huurprijsgrens.
De in het tweede lid genoemde VON-prijzen en huishoudinkomens worden geïndexeerd aan de hand van de CBS-reeks 'CAO lonen particuliere bedrijven'. Daarbij wordt de index van het eerste kwartaal van het jaar voorafgaand aan het jaar van indexering gebruikt. De geïndexeerde bedragen worden in duizendtallen naar beneden afgerond.
Het college is bevoegd om jaarlijks de in het tweede lid genoemde VON-prijzen en huishoudinkomens en de in het derde lid genoemde ten hoogste aanvangshuurprijs te herzien aan de hand van marktontwikkelingen en wettelijke bepalingen, rekening houdend met behoefte onderzoeken en wettelijke mogelijkheden.
LLLLLLLL
Artikel 7.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Sociale huurwoningen gemeente Rijssen - Holten dienen gedurende een termijn van ten minste 30 jaar na eerste ingebruikname voor de doelgroep beschikbaar te blijven.
Sociale koopwoningen gemeente Rijssen - Holten (laag, hoogmidden, twee-onder-één kaphoog en appartementen) dienen gedurende een termijn van 10 jaar na eerste ingebruikname voor de doelgroep beschikbaar te blijven.
In aanvulling op het tweede lid wordt op de locatie sociale koopwoningen herontwikkeling Larenseweg 56 in Holten het minimum aantal sociale koopwoningen in stand gehouden.
Geliberaliseerde woningen voor middenhuur dienen gedurende een termijn van tenminste 10 jaar na eerste ingebruikname voor de doelgroep beschikbaar te blijven.
MMMMMMMM
Afdeling 7.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
NNNNNNNN
Paragraaf 8.2.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het college zendt onverwijld een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om een omgevingsvergunning voor een rijksmonument voor advies aan de monumentencommissie.
Het college kan archeologische en gemeentelijke monumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten, karakteristieke bouwwerken, beeldbepalende stedelijke of landschapsstructuren aanwijzen.
Aanwijzing gebeurt vanwege het bijzondere belang voor de gemeente vanwege schoonheid, betekenis voor de wetenschap, cultuurhistorische of landschappelijke waarde van de aan te wijzen zaak, het object of element.
Het college kan ten behoeve van de aanwijzing bepalen dat nader onderzoek wordt verricht.
Een voornemen om een archeologisch of gemeentelijk monument aan te wijzen wordt door het college schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet.
Voordat een gebouw dat gebruikt wordt voor het belijden van een godsdienst of levensovertuiging als gemeentelijk monument wordt aangewezen, voert het college overleg over het voornemen met de eigenaar.
Vanaf de bekendmaking van het voornemen als bedoeld in het vierde lid van archeologische en gemeentelijke monumenten en beeldbepalende stedelijke structuren is artikel 13.11 van toepassing. De voorbescherming vervalt op het moment van inschrijving van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister of op het moment waarop het aanwijzingsbesluit wordt herroepen of door de bestuursrechter onherroepelijk wordt vernietigd.
Het college vraagt over het voornemen om toepassing te geven aan het eerste lid advies:
Het zesde lid is van overeenkomstige toepassing vanaf het moment dat zakelijk gerechtigden schriftelijk in kennis worden gesteld van het besluit van het college tot aanwijzing van het monument of archeologisch monument als voorlopig gemeentelijk monument. Bij de kennisgeving is het vierde lid van overeenkomstige toepassing.
De aanwijzing van een gemeentelijk monument bevat in ieder geval de plaatselijke aanduiding, de datum van aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving.
Gedurende de procedure tot aanwijzing van beschermde landschapselementen is artikel 9.14 van toepassing. De voorbescherming vervalt nadat het aanwijzingsbesluit onherroepelijk wordt.
De aanwijzing van een gemeentelijk monument wordt schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet.
Gedurende de procedure tot aanwijzing van een karakteristiek bouwwerk is artikel 4.54 van toepassing. De voorbescherming vervalt nadat het aanwijzingsbesluit onherroepelijk wordt.
Zodra een aanwijzing van een gemeentelijk monument onherroepelijk is geworden wordt het monument onverwijld opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister.
Het college vraagt over het voornemen om toepassing te geven aan het eerste lid voor archeologische en gemeentelijke monumenten advies aan de adviescommissie omgevingskwaliteit.
Voor de aanwijzing van beeldbepalende landschapselementen kan zij een landschapsarchitect om advies vragen. Voor de aanwijzing van karakteristieke bouwwerken kan zij een ter zake deskundige om advies vragen.
Het college kan ambtshalve overgaan tot het schrappen van een gemeentelijk monument uit het gemeentelijk erfgoedregister. De bepalingen over de aanwijzing uit dit artikel zijn in dat geval van toepassing op het schrappen. Als een gemeentelijk monument onherroepelijk is aangewezen als provinciaal- of rijksmonument schrapt het college de aanwijzing ambtshalve uit het register.
Een aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument vervalt na 26 weken of zoveel eerder als het college een besluit heeft genomen over de aanwijzing.
[Red: Lid 15. verplaatst van artikel 8.7 naar artikel 8.9. ]
In afwijking van het eerste lid kan het college in een spoedeisend geval een gemeentelijk monument of archeologisch monument aanwijzen als voorlopig gemeentelijk of archeologisch monument. In afwijking van het tiendezesde lid wordt in dat geval aan de adviescommissie omgevingskwaliteit advies gevraagd over de vastgestelde aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument.
In afwijking van artikel 8.8, zesde lid wordt in dat geval aan de adviescommissie omgevingskwaliteit advies gevraagd over de vastgestelde aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument.
Op een voorlopig aangewezen monument zijn artikel 4.12, 4.66, 4.68 en hoofdstuk 13 van toepassing.
OOOOOOOO
Paragraaf 8.2.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
PPPPPPPP
Het opschrift van paragraaf 8.2.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
QQQQQQQQ
Het opschrift van paragraaf 8.2.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
RRRRRRRR
Subparagraaf 9.1.1.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
SSSSSSSS
Het opschrift van subparagraaf 9.1.1.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
UUUUUUUU
Artikel 9.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In het plan zijn locaties aangewezen met de functieals beschermde landschapselementen.
VVVVVVVV
Artikel 9.2 wordt verplaatst van subparagraaf 9.1.1.1 naar subparagraaf 9.1.1.2. Het opschrift van artikel 9.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
WWWWWWWW
Artikel 9.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In het plan zijn locaties aangewezen met de functieals waardevolle bomen.
XXXXXXXX
Artikel 9.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden om zelfstandige opstelling van zonnepanelen te bouwen.
Het realiseren van een andere zelfstandige opstelling van zonnepanelen dan bedoelt in artikel 4.44 is verboden.
YYYYYYYY
Artikel 9.14 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning beschermde landschapselementen te wijzigen, te beschadigen of te verwijderen; .
Aan het verlenen van een omgevingsvergunning kunnen voorwaarden worden verbonden in verband met het herstel van het beschermde landschapselement. De verplichtingen rondom het herstel van het beschermde landschapselement kunnen ook zelfstandig worden opgelegd.
In afwijking van het eerste lid is normaal onderhoud toegelaten mits voorafgaand advies is gevraagd aan de gemeentelijke landschapsdeskundige.
Bij een aanvraag om omgevingsvergunning worden de gegevens zoals omschreven in artikel 9.19 verstrekt.
Een week voor aanvang van een activiteit zoals omschreven in het eerste lid wordt het college hierover schriftelijk geïnformeerd.
ZZZZZZZZ
Artikel 9.15 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning beschermde landschapselementen te wijzigen, te beschadigen of te verwijderen;
Bij de belangenafweging voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het wijzigen, beschadigen of verwijderen van beschermde landschapselementen worden de oogmerken van artikel 9.6 a, b, c, e, f, g, h en j betrokken.
Bij de belangenafweging voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het wijzigen, beschadigen of verwijderen van beschermd landschapselement - holle weg, beschermd landschapselement - geaccidenteerde houtopstanden of beschermd landschapselement - holle weg met houtopstanden wordt in aanvulling op de oogmerken van het tweede lid het cultuurhistorisch belang van de weg betrokken.
AAAAAAAAA
Artikel 10.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit hoofdstuk is van toepassing een milieubelastende activiteit als bedoeld in bijlage I bij de Omgevingswet.
De regels in hoofdstuk 10 zijn niet van toepassing op:
een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan:
lichtemissie bij of door:
wonen;
het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein;
een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht;
doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen;
een evenement dat:
plaatsvindt op een locatie aangewezen in afdeling 14.2 en past binnen de in deze afdeling gestelde regels;
evenementen waarvoor omgevingsvergunning wordt verleend op grond van artikel 4.474.59;
festiviteiten die bij of krachtens gemeentelijke verordening zijn aangewezen, in de gebieden in de gemeente waarvoor die verordening geldt;
andere festiviteiten die plaatsvinden op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het aantal bij of krachtens die verordening aan te wijzen dagen of dagdelen per gebied of categorie van bedrijfssector kan verschillen en niet meer bedraagt dan twaalf per kalenderjaar of;
het verrichten van werkzaamheden met een mobiele installatie op een weiland, akker of bos die geen verplaatsbaar mijnbouwwerk is;
bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen;
BBBBBBBBB
Artikel 11.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over:
afdeling 4.2 en afdeling 17.2 met uitzondering van reken- en meetbepalingen; of
de artikelen 8.5 en 17.4317.47 en hoofdstuk 2, afdeling 3.3, afdeling 5.3, hoofdstuk 6, hoofdstuk 10, hoofdstuk 16, afdeling 17.4 en afdeling 18.2, afdeling 18.3 en paragraaf 18.4.1.
Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over:
Een maatwerkvoorschrift wordt gesteld met het oog op de belangen, bedoeld in artikel 11.2.
Op het stellen van een maatwerkvoorschrift over een milieubelastende activiteit zijn de instructieregels in paragraaf 5.1.4 en artikel 5.165 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing.
CCCCCCCCC
Subparagraaf 13.1.1.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Er zijn locaties aangewezen met de functieals archeologisch monument. De monumentale waarden van het monument zijn opgenomen in bijlage (gereserveerd).
Er zijn locaties aangewezen met de functieals gemeentelijk monument gemeentelijk monument . De monumentale waarden van het monument zijn opgenomen in bijlage (gereserveerd).
De locaties archeologisch monument en gemeentelijk monument vormen samen de locatie monumenten.
DDDDDDDDD
Artikel 13.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor de toepassing van hoofdstuk 13 en artikel 4.94.12, tweede en derde lid wordt onder een gemeentelijk monument of een archeologisch monument ook een voorlopig aangewezen gemeentelijk monument of archeologisch monument verstaan.
EEEEEEEEE
Het opschrift van artikel 13.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
FFFFFFFFF
Het opschrift van artikel 13.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
GGGGGGGGG
Artikel 13.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een aanvraag als bedoeld in artikel 13.513.6, worden, voor zover het gaat om een (voorbeschermd) archeologisch monument, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een omschrijving van de aard van de activiteit, met vermelding van:
een topografische kaart voorzien van een noordpijl en minimaal twee coördinatieparen, met de exacte locatie en omvang van de activiteit;
doorsnedetekeningen met de exacte locatie, omvang en diepte van de afzonderlijke ingrepen ten opzichte van het maaiveld;
als sprake is van een opgraving, ook als deze alleen bestaat uit een proefsleuvenonderzoek of een proefputtenonderzoek: een programma van eisen voor de opgraving;
als sprake is van een booronderzoek met boren met een diameter groter dan 10 cm: een plan van aanpak voor een booronderzoek;
als sprake is van een zichtbaar archeologisch monument: overzichtsfoto’s van de bestaande situatie en plantekeningen van de nieuwe toestand; en
voor zover de activiteit bestaat uit een bouwactiviteit: funderingstekeningen.
Zo nodig worden de volgende gegevens verstrekt:
een rapport waarin de archeologische waarde van dat deel van het archeologisch monument waarop de activiteit van invloed is, in voldoende mate nader is vastgesteld;
een rapport waarin de gevolgen van de activiteit op de archeologische waarden in voldoende mate inzichtelijk zijn gemaakt;
detailtekeningen met van de afzonderlijke ingrepen:
voor zover de activiteit bestaat uit aanlegwerkzaamheden of een ontgrondingsactiviteit:
als sprake is van een sloopactiviteit: bestaande funderingstekeningen; of
als sprake is van een archeologisch monument onder water: een vlakdekkende hoge resolutie sonaropname van de waterbodem en ultrahoge resolutie sonaropnamen van details.
Tekeningen als bedoeld in dit artikel hebben een schaal die niet kleiner is dan:
HHHHHHHHH
Artikel 13.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij de aanvraag, bedoeld in artikel 13.513.6, worden, voor zover het gaat om het slopen van een karakteristiek bouwwerk of een (voorbeschermd) gemeentelijk monument , de volgende gegevens verstrekt:
de volgende kleurenfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen sloop:
de volgende tekeningen:
een omschrijving van de sloopmethode en de aard van en bestemming voor het vrijkomend materiaal.
Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie of tuinhistorie;
als sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van de bodem onder het te slopen bouwwerk in voldoende mate is vastgesteld;
een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft; of
een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische en constructieve aspecten.
Tekeningen voldoen aan de volgende eisen:
ze hebben een schaal die niet kleiner is dan:
1:1000, als het gaat om een situatietekening;
1:100, als het gaat om een algemene geveltekening;
1:20 of 1:50, als het gaat om een geveltekening voor een ingrijpende wijziging;
1:100, als het gaat om een plattegrondtekening, doorsnedetekening of een tekening van het dakaanzicht; en
1:1, 1:2 of 1:5 als het gaat om een detailtekening en is voorzien van een omschrijving van de materiaaltoepassing en de maatvoering.
een situatietekening is voorzien van een noordpijl waaruit de oriëntatie van het monument op het perceel en ten opzichte van omliggende bebouwing en wegen blijkt.
een plattegrondtekening en een doorsnedetekening bevatten de volgende historische gegevens:
balklagen zijn gestippeld aangegeven in plattegronden van ruimten onder de balklagen en getekend aangegeven in doorsneden met aanduiding van de afmetingen;
geornamenteerde plafonds, gestippeld aangegeven in plattegronden van de ruimten waar deze zich bevinden;
houtafmeting, balklagen en kapconstructie, aangegeven in doorsneden van de bestaande en van de nieuwe toestand; en
bijzondere ruimten of bouwdelen, direct of indirect betrokken bij de activiteit, aangegeven in plattegronden en doorsneden
IIIIIIIII
Artikel 13.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
1. Bij de aanvraag, bedoeld in artikel 13.513.6, worden, voor zover het gaat om het gedeeltelijk of volledig verplaatsen van een (voorbeschermd) gemeentelijk monument , de volgende gegevens verstrekt:
een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft;
de volgende kleurenfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen verplaatsing:
de volgende tekeningen:
een bestek of werkomschrijving van de wijze van demonteren, van het verplaatsen naar de nieuwe locatie en de herbouw; en
als de activiteit bestaat uit het verplaatsen van een molen; een rapport over de molenbiotoop van de bestaande en de nieuwe situatie.
Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie, tuinhistorie of over de relatie van het monument tot zijn historische omgeving;
als op de bestaande of op de nieuwe locatie sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van het terrein dat volgens de aanvraag door de activiteit zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld;
een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische, constructieve, materiaaltechnische of preventieve aspecten;
aanvullende tekeningen van de bestaande en nieuwe toestand, met inbegrip van detailtekeningen; of
een opgave van de bij de voorbereiding en het verrichten van de activiteit te hanteren uitvoeringsrichtlijnen.
Tekeningen voldoen aan de volgende eisen:
ze hebben een schaal die niet kleiner is dan:
1:1000, als het gaat om een situatietekening;
1:100, als het gaat om een algemene geveltekening;
1:20 of 1:50, als het gaat om een geveltekening voor een ingrijpende wijziging;
1:100, als het gaat om een plattegrondtekening, doorsnedetekening of een tekening van het dakaanzicht; en
1:1, 1:2 of 1:5 als het gaat om een detailtekening en is voorzien van een omschrijving van de materiaaltoepassing en de maatvoering.
een situatietekening is voorzien van een noordpijl waaruit de oriëntatie van het monument op het perceel en ten opzichte van omliggende bebouwing en wegen blijkt.
een plattegrondtekening en een doorsnedetekening bevatten de volgende historische gegevens:
balklagen zijn gestippeld aangegeven in plattegronden van ruimten onder de balklagen en getekend aangegeven in doorsneden met aanduiding van de afmetingen;
geornamenteerde plafonds, gestippeld aangegeven in plattegronden van de ruimten waar deze zich bevinden;
houtafmeting, balklagen en kapconstructie, aangegeven in doorsneden van de bestaande en van de nieuwe toestand; en
bijzondere ruimten of bouwdelen, direct of indirect betrokken bij de activiteit, aangegeven in plattegronden en doorsneden
JJJJJJJJJ
Artikel 13.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij de aanvraag, bedoeld in artikel 13.513.6, worden, voor zover het gaat om het wijzigen van een (voorbeschermd) gemeentelijk monument of het herstellen daarvan waardoor het kan worden ontsierd of in gevaar kan worden gebracht, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
de volgende kleurenfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen activiteit:
de volgende tekeningen:
een situatietekening van de bestaande situatie, en als de nieuwe situatie daarvan afwijkt: een situatietekening van de nieuwe situatie;
opnametekeningen van de bestaande toestand met voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag:
als er gebreken worden hersteld: gebrekentekeningen;
plantekeningen van de nieuwe toestand en van de voorgenomen werkzaamheden, met inbegrip van de te vervangen of te veranderen onderdelen en de te verhelpen gebreken, met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag:
als sprake is van verwijdering van materiaal: slooptekeningen; en
een omschrijving van de aard en omvang van de activiteit in de vorm van een bestek of werkomschrijving, met:
Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie of tuinhistorie;
als sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld;
een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft;
een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische, constructieve, materiaaltechnische of preventieve aspecten;
aanvullende tekeningen van de bestaande en nieuwe toestand, met inbegrip van detailtekeningen;
voor zover er algemene kwaliteitsnormen of uitvoeringsrichtlijnen voor de instandhouding van monumenten op de activiteit van toepassing zijn: een opgave of de voorgenomen activiteit hierop is afgestemd; of
als de activiteit een monument betreft dat een tuinaanleg, parkaanleg of andere groenaanleg is: een beheervisie.
Tekeningen voldoen aan de volgende eisen:
ze hebben een schaal die niet kleiner is dan:
1:1000, als het gaat om een situatietekening;
1:100, als het gaat om een algemene geveltekening;
1:20 of 1:50, als het gaat om een geveltekening voor een ingrijpende wijziging;
1:100, als het gaat om een plattegrondtekening, doorsnedetekening of een tekening van het dakaanzicht; en
1:1, 1:2 of 1:5 als het gaat om een detailtekening en is voorzien van een omschrijving van de materiaaltoepassing en de maatvoering.
een situatietekening is voorzien van een noordpijl waaruit de oriëntatie van het monument op het perceel en ten opzichte van omliggende bebouwing en wegen blijkt.
een plattegrondtekening en een doorsnedetekening bevatten de volgende historische gegevens:
balklagen zijn gestippeld aangegeven in plattegronden van ruimten onder de balklagen en getekend aangegeven in doorsneden met aanduiding van de afmetingen;
geornamenteerde plafonds, gestippeld aangegeven in plattegronden van de ruimten waar deze zich bevinden;
houtafmeting, balklagen en kapconstructie, aangegeven in doorsneden van de bestaande en van de nieuwe toestand; en
bijzondere ruimten of bouwdelen, direct of indirect betrokken bij de activiteit, aangegeven in plattegronden en doorsneden
KKKKKKKKK
Afdeling 13.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning voor een (voorbeschermd) gemeentelijk monument of archeologisch monument kan slechts worden verleend als het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet.
Als de omgevingsvergunning ziet op een kerkelijk monument neemt het bevoegd gezag niet eerder een beslissing dan na overleg met de eigenaar.
Voor zover het een beslissing betreft waarbij wezenlijke belangen van het belijden van de godsdienst of levensovertuiging in dat monument in het geding zijn, neemt het bevoegd gezag geen beslissing dan in overeenstemming met de eigenaar.
Het college kan in het belang van de monumentenzorg nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument. Deze regels kunnen mede inhouden een vrijstelling van het verbod, bedoeld in artikel 13.1113.12.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een (voorbeschermd) gemeentelijk monument of (voorbeschermd) archeologisch monument anders dan door bouwen of slopen te;
beschadigen;
daaraan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is;
herstellen, gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht;
ontsieren; of
slopen;
op enige andere wijze te wijzigen waardoor de monumentale waarden worden aangetast
verplaatsen; of
wijzigen
Als dat in het tijdelijk deel omgevingsplan is bepaald, kunnen aan een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in het belang van de archeologische monumentenzorg voorschriften worden verbonden.
Artikel 3.73.8, tweede lid is op het verbinden van die voorschriften van overeenkomstige toepassing.
LLLLLLLLL
Artikel 14.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een evenement is in overeenstemming met dit omgevingsplan als wordt voldaan aan de voorwaarden in het tweede, derde, vierde of vijfde lid.
Op evenemententerrein 1 per locatie:
maximaal zeven evenementen per kalenderjaar in evenement categorie 1;
maximaal zes evenementen per kalenderjaar in evenement categorie 2; en
maximaal vijf evenementen per kalenderjaar in evenement categorie 3.
Op evenemententerrein 2 per locatie:
maximaal zeven evenementen per kalenderjaar in evenement categorie 1;
maximaal vijf evenementen per kalenderjaar in evenement categorie 2; en
maximaal drie evenementen per kalenderjaar in evenement categorie 3.
Op evenemententerrein 3 per locatie:
maximaal zeven evenementen per kalenderjaar in evenement categorie 1;
maximaal vier evenementen per kalenderjaar in evenement categorie 2; en
maximaal één evenementen per kalenderjaar in evenement categorie 3.
maximaal nul evenementen per kalenderjaar in evenement categorie 1;
maximaal nul evenementen per kalenderjaar in evenement categorie 2; en
maximaal twee evenement per kalenderjaar in evenement categorie 3.
MMMMMMMMM
Artikel 16.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit hoofdstuk is van toepassing een milieubelastende activiteit als bedoeld in bijlage I bij de Omgevingswet.
Deze afdeling is van toepassing op de trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat is toegelaten:
op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit;
in het tijdelijk deel omgevingsplan voor een duur van niet meer dan tien jaar; of
in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor 1 januari 2024.
De regels in hoofdstuk 16 zijn niet van toepassing op:
een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan:
trillingen op of in een trillinggevoelig gebouw veroorzaakt door:
wonen;
het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein;
een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht;
doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen;
een evenement dat:
plaatsvindt op een locatie aangewezen in afdeling 14.2 en past binnen de in deze afdeling gestelde regels;
evenementen waarvoor omgevingsvergunning wordt verleend op grond van artikel 4.474.59;
festiviteiten die bij of krachtens gemeentelijke verordening zijn aangewezen, in de gebieden in de gemeente waarvoor die verordening geldt;
andere festiviteiten die plaatsvinden op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het aantal bij of krachtens die verordening aan te wijzen dagen of dagdelen per gebied of categorie van bedrijfssector kan verschillen en niet meer bedraagt dan twaalf per kalenderjaar of;
het verrichten van werkzaamheden met een mobiele installatie op een weiland, akker of bos die geen verplaatsbaar mijnbouwwerk is;
bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen;
een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat geheel of gedeeltelijk ligt op een industrieterrein of locatie met een geluidproductieplafond; of
een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar.
NNNNNNNNN
Artikel 17.5 wordt verplaatst van subparagraaf 17.1.1.2 naar subparagraaf 17.1.1.1. Het opschrift van artikel 17.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OOOOOOOOO
Na artikel 17.5 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Er is een belemmeringengebied aangewezen buisleiding - gas.
De in het eerste aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies en gebiedsaanwijzingen, mede aangewezen voor aardgastransportleiding en daarbij behorende voorzieningen.
PPPPPPPPP
Het opschrift van artikel 17.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
QQQQQQQQQ
Artikel 17.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
RRRRRRRRR
Het opschrift van artikel 17.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
SSSSSSSSS
Artikel 17.6 wordt verplaatst van subparagraaf 17.1.1.2 naar subparagraaf 17.1.1.1. Het opschrift van artikel 17.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
TTTTTTTTT
Het opschrift van artikel 17.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
UUUUUUUUU
Na artikel 17.4 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:
VVVVVVVVV
Subparagraaf 17.1.1.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
WWWWWWWWW
Artikel 17.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit hoofdstuk is van toepassing op:
De regels in hoofdstuk 17 zijn niet van toepassing op:
een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan:
milieubelastende activiteiten genoemd in dit hoofdstuk veroorzaakt bij of door:
wonen;
het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein;
een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht;
doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen;
een evenement dat:
plaatsvindt op een locatie aangewezen in afdeling 14.2 en past binnen de in deze afdeling gestelde regels;
evenementen waarvoor omgevingsvergunning wordt verleend op grond van artikel 4.474.59;
festiviteiten die bij of krachtens gemeentelijke verordening zijn aangewezen, in de gebieden in de gemeente waarvoor die verordening geldt;
andere festiviteiten die plaatsvinden op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het aantal bij of krachtens die verordening aan te wijzen dagen of dagdelen per gebied of categorie van bedrijfssector kan verschillen en niet meer bedraagt dan twaalf per kalenderjaar of;
het verrichten van werkzaamheden met een mobiele installatie op een weiland, akker of bos die geen verplaatsbaar mijnbouwwerk is;
bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen;
XXXXXXXXX
Het opschrift van artikel 17.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
YYYYYYYYY
Artikel 17.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikelen 4.114.14 en 4.514.64 zijn niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht:
op een locatie in een in het tijdelijk deel omgevingsplan, opgenomen veiligheidszone, getypeerd als A-zone of B-zone, rondom een munitieopslag of een locatie voor activiteiten met ontplofbare stoffen;
op een locatie waarop de activiteit op grond van het tijdelijk deel omgevingsplan niet is toegestaan vanwege het overschrijden van het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar als gevolg van de aanwezigheid van een locatie voor een vergunningplichtige milieubelastende activiteit, transportroute of buisleiding of vanwege de ligging in een belemmeringenstrook voor het onderhoud van een buisleiding; of
op een locatie binnen een afstand als bedoeld in:
artikel 4.421, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.472c, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.484, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.524, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.532, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.542, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.866, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.899, eerste lid, onder b, of derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.905, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.914, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.962, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.1008, eerste lid, onder b, of tweede lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, het tweede lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.1101, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is; of
artikel 4.963, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van laatstbedoeld artikel van toepassing is.
ZZZZZZZZZ
Het opschrift van artikel 17.10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AAAAAAAAAA
Het opschrift van artikel 17.11 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
BBBBBBBBBB
Het opschrift van artikel 17.12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
CCCCCCCCCC
Het opschrift van artikel 17.13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
DDDDDDDDDD
Het opschrift van artikel 17.14 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
EEEEEEEEEE
Het opschrift van artikel 17.15 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
FFFFFFFFFF
Het opschrift van artikel 17.16 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
GGGGGGGGGG
Het opschrift van artikel 17.17 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HHHHHHHHHH
Het opschrift van artikel 17.18 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
IIIIIIIIII
Het opschrift van artikel 17.19 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
JJJJJJJJJJ
Het opschrift van artikel 17.20 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
KKKKKKKKKK
Het opschrift van artikel 17.21 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
LLLLLLLLLL
Het opschrift van artikel 17.22 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MMMMMMMMMM
Het opschrift van artikel 17.23 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
NNNNNNNNNN
Het opschrift van artikel 17.24 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OOOOOOOOOO
Het opschrift van artikel 17.25 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
PPPPPPPPPP
Artikel 17.26 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden om nieuwe risicobronnen in de vorm van opslagtanksopslagtank ten behoeve van ruimteverwarming toe te voegen.
QQQQQQQQQQ
Het opschrift van artikel 17.27 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
RRRRRRRRRR
Het opschrift van artikel 17.28 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
SSSSSSSSSS
Het opschrift van artikel 17.29 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
TTTTTTTTTT
Paragraaf 17.4.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De regels in paragraaf 17.4.1 zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 17.3217.34 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
Het is verboden zonder omgevingsvergunning ingeperkt gebruik als bedoeld in het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 te verrichten.
Het eerste lid is niet van toepassing op:
ingeperkt gebruik van genetisch gemodificeerde organismen als bedoeld in artikel 2.1 van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013; of
ingeperkt gebruik van genetisch gemodificeerde organismen die door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat op grond van artikel 2.2 of 2.8 van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 zijn ingeschaald in de categorie van fysische inperking S-I.
Op het verlenen van een omgevingsvergunning zijn de beoordelingsregels, bedoeld in de artikelen 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing.
Subparagraaf 5.3.6 is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 17.3517.37 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 17.3717.39 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het aantal opslagtanks, met voor iedere opslagtank:
als het gaat om het opslaan van ten hoogste 50 m3 propaan of propeen met een jaarlijkse doorzet van ten hoogste 600 m3 :
de jaarlijkse doorzet in kubieke meters;
als het gaat om een bovengrondse opslagtank: de coördinaten van het vulpunt en de opslagtank;
als het gaat om een ondergrondse opslagtank: de coördinaten van het vulpunt, de bovengrondse vloeistofvoerende leiding en de aansluitpunten van die leiding en pomp; en
een beschrijving van de ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet, die zich kunnen voordoen en de passende maatregelen die worden getroffen voor het voorkomen daarvan; en
als het gaat om het opslaan van ten hoogste 50 m3 propaan of propeen met een jaarlijkse doorzet van meer dan 600 m3 of meer dan 50 m3 propaan of propeen:
de gegevens en bescheiden, genoemd onder b;
de berekende afstand in meters tot waar het plaatsgebonden risico ten hoogste 1 op de 1.000.000, 1 op de 10.000.000 en 1 op de 100.000.000 per jaar is en de aan de berekening ten grondslag liggende rekenbestanden; en
de berekende afstand in meters voor de aandachtsgebieden, bedoeld in artikel 5.12 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, en de aan de berekening ten grondslag liggende rekenbestanden.
Het is verboden propaan of propeen op te slaan in twee of meer nieuwe opslagtanks met een inhoud van meer dan 150 liter.
Op het verlenen van een omgevingsvergunning zijn de beoordelingsregels, bedoeld in de artikelen 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 17.4117.43 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
informatie over de groep waarin het biologisch agens is of wordt ingedeeld als gevolg van de indeling in risicogroepen van de richtlijn biologische agentia;
informatie over de op grond van artikel 2.22, tweede lid, van de Wet dieren aangewezen ziekteverwekkers; en
een aanduiding van de ligging van de ruimten waar gewerkt wordt met het biologisch agens.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een praktijkruimte of laboratorium in werking te hebben waar gericht wordt gewerkt met biologische agens, met uitzondering van biologische agens die ingedeeld zijn of worden in groep 1 of groep 2 als gevolg van de indeling van risicogroepen van de richtlijn 2000/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 september 2000 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico’s van blootstelling aan biologische agentia op het werk (zevende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 83/391/EEG) (PbEG 2000, L 262).
Op het verlenen van een omgevingsvergunning zijn de beoordelingsregels, bedoeld in de artikelen 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing.
Het is verboden gronden, tenzij voorzien van een specifieke functie of aanduiding, te gebruiken voor een bedrijfsmatige kwekerij.
[Red: Artikel 19.77 verplaatst van subparagraaf 19.1.14.1 naar subparagraaf 17.4.1.8. ]
Een paas- of vreugdevuur is in overeenstemming met het omgevingsplan als:
het paas- of vreugdevuur uit snoeiafval bestaat;
het totaal aantal paasvuren in de gemeente Rijssen-Holten niet meer dan 6 per kalenderjaar bedraagt;
een paas- of vreugdevuur een maximale omvang van 1.000 m3 heeft;
er op de dag van ontbranding geen bijzondere lokale omstandigheden zijn die de bestaande luchtkwaliteit al significant beïnvloeden;
de maximale windkracht bij ontbranding niet meer dan 5 beaufort bedraagt;
het paas- of vreugdevuur bijdraagt aan de cultuurhistorische traditie rondom Pasen of de jaarwisseling; en
de afstand tussen het paas- of vreugdevuur en brandgevoelige objecten niet kleiner is dan de in tabel 5.2.1 weergeven afstand.
Volume (in m³) | Type brandgevoelig object | Afstand (in m) |
0-1000 | Bouwwerk met pannendak | 6 hoogte paasvuur |
- Bouwwerk met rieten dak | 10 keer hoogte paasvuur | |
Feesttent | 10 keer hoogte paasvuur | |
Openbare weg | 25 | |
Autosnelweg (A-weg) | 250 | |
Bovengrondse hoogspanningskabels | 40 | |
Ondergrondse buisleiding | 25 | |
Publiek | 2 keer hoogte paasvuur |
[Red: Artikel 19.78 verplaatst van subparagraaf 19.1.14.1 naar subparagraaf 17.4.1.8. ]
Het college kan aan de te verlenen omgevingsvergunning voorschriften verbinden met in acht neming van artikel 19.7717.45.
UUUUUUUUUU
Het opschrift van artikel 17.43 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
VVVVVVVVVV
Paragraaf 18.1.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
WWWWWWWWWW
Artikel 18.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit hoofdstuk is van toepassing een milieubelastende activiteit als bedoeld in bijlage I bij de Omgevingswet.
De regels in hoofdstuk 18 zijn niet van toepassing op:
een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan:
het lozen van (afval)water bij of door:
wonen;
het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein;
een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht;
doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen;
een evenement dat:
plaatsvindt op een locatie aangewezen in afdeling 14.2 en past binnen de in deze afdeling gestelde regels;
evenementen waarvoor omgevingsvergunning wordt verleend op grond van artikel 4.474.59;
festiviteiten die bij of krachtens gemeentelijke verordening zijn aangewezen, in de gebieden in de gemeente waarvoor die verordening geldt;
andere festiviteiten die plaatsvinden op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het aantal bij of krachtens die verordening aan te wijzen dagen of dagdelen per gebied of categorie van bedrijfssector kan verschillen en niet meer bedraagt dan twaalf per kalenderjaar of;
het verrichten van werkzaamheden met een mobiele installatie op een weiland, akker of bos die geen verplaatsbaar mijnbouwwerk is;
bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen;
XXXXXXXXXX
Het opschrift van artikel 18.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
YYYYYYYYYY
Artikel 18.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 18.418.5 voor het lozen van afvalwater in die voorziening worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
ZZZZZZZZZZ
Het opschrift van artikel 18.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AAAAAAAAAAA
Het opschrift van artikel 18.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
BBBBBBBBBBB
Artikel 18.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Ten minste vier weken voor het begin of wijzigen van een activiteit als bedoeld in artikel 3.183.19 en 18.518.6 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;
gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:
een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl;
per dierenverblijf voor het houden van landbouwhuisdieren:
per dierenverblijf waar landbouwhuisdieren met geuremissiefactor worden gehouden,:
gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.
CCCCCCCCCCC
Het opschrift van artikel 18.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
DDDDDDDDDDD
Het opschrift van artikel 18.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
EEEEEEEEEEE
Het opschrift van artikel 18.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
FFFFFFFFFFF
Artikel 18.10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Ten minste vier weken voor het begin of wijzigen van de activiteit, bedoeld in artikel 18.918.10, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:
GGGGGGGGGGG
Het opschrift van artikel 18.11 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HHHHHHHHHHH
Het opschrift van artikel 18.12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
IIIIIIIIIII
Artikel 18.13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
JJJJJJJJJJJ
Het opschrift van artikel 18.14 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
KKKKKKKKKKK
Het opschrift van artikel 18.15 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
LLLLLLLLLLL
Het opschrift van artikel 18.16 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MMMMMMMMMMM
Het opschrift van artikel 18.17 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
NNNNNNNNNNN
Het opschrift van artikel 18.18 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OOOOOOOOOOO
Het opschrift van artikel 18.19 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
PPPPPPPPPPP
Artikel 18.20 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Ten minste vier weken voor het begin of wijzigen van de activiteit, bedoeld in artikel 18.2118.22, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:
QQQQQQQQQQQ
Het opschrift van artikel 18.21 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
RRRRRRRRRRR
Het opschrift van artikel 18.22 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
SSSSSSSSSSS
Het opschrift van artikel 18.23 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
TTTTTTTTTTT
Het opschrift van artikel 18.24 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
UUUUUUUUUUU
Het opschrift van artikel 18.25 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
VVVVVVVVVVV
Het opschrift van artikel 18.26 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
WWWWWWWWWWW
Artikel 18.27 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
XXXXXXXXXXX
Het opschrift van artikel 18.28 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
YYYYYYYYYYY
Het opschrift van artikel 18.29 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
ZZZZZZZZZZZ
Het opschrift van artikel 18.30 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AAAAAAAAAAAA
Het opschrift van artikel 18.31 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
BBBBBBBBBBBB
Het opschrift van artikel 18.32 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
CCCCCCCCCCCC
Artikel 18.33 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 18.3218.33, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:
Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Het eerste en tweede lid gelden niet voor het lozen van grondwater afkomstig van ontwatering, als:
In afwijking van het eerste en tweede lid worden de gegevens en bescheiden ten minste vijf werkdagen voor het begin van het lozen van grondwater afkomstig van ontwatering verstrekt, als het lozen langer duurt dan 48 uur maar niet langer dan 8 weken.
DDDDDDDDDDDD
Het opschrift van artikel 18.34 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
EEEEEEEEEEEE
Het opschrift van artikel 18.35 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
FFFFFFFFFFFF
Het opschrift van artikel 18.36 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
GGGGGGGGGGGG
Het opschrift van artikel 18.37 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HHHHHHHHHHHH
Artikel 18.38 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Ten minste vier weken voor het begin of een wijziging van de activiteit, bedoeld in artikel 3.283.29 en artikel 18.3718.38, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:
Het eerste lid geldt niet voor het lozen van huishoudelijk afvalwater:
vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of
op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen.
IIIIIIIIIIII
Het opschrift van artikel 18.39 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
JJJJJJJJJJJJ
Het opschrift van artikel 18.40 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
KKKKKKKKKKKK
Artikel 18.41 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
LLLLLLLLLLLL
Het opschrift van artikel 18.42 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MMMMMMMMMMMM
Het opschrift van artikel 18.43 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
NNNNNNNNNNNN
Het opschrift van artikel 18.44 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OOOOOOOOOOOO
Het opschrift van artikel 18.45 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
PPPPPPPPPPPP
Het opschrift van artikel 18.46 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
QQQQQQQQQQQQ
Artikel 18.47 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Ten minste vier weken voor het begin of wijzigen van een activiteit als bedoeld in artikel 18.4618.47 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;
gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:
een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en
gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.
RRRRRRRRRRRR
Het opschrift van artikel 18.48 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
SSSSSSSSSSSS
Het opschrift van artikel 18.49 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
TTTTTTTTTTTT
Artikel 18.50 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Ten minste vier weken voor het begin of wijzigingen van een activiteit als bedoeld in artikel 18.4918.50 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;
gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:
een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en
gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.
UUUUUUUUUUUU
Het opschrift van artikel 18.51 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
VVVVVVVVVVVV
Het opschrift van artikel 18.52 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
WWWWWWWWWWWW
Het opschrift van artikel 18.53 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
XXXXXXXXXXXX
Artikel 18.54 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Ten minste vier weken voor het begin of het wijzigen van een activiteit als bedoeld in artikel 3.353.36 en artikel 18.5318.54 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;
gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:
de grenzen van het terrein;
de ligging en de indeling van de gebouwen;
het gebruik van de te onderscheiden ruimten;
de ligging van de bedrijfsriolering;
op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;
of de punten waarop afvalwater wordt geloosd, zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en
op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen;
een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en
gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit
YYYYYYYYYYYY
Het opschrift van artikel 18.55 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
ZZZZZZZZZZZZ
Het opschrift van artikel 18.56 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AAAAAAAAAAAAA
Het opschrift van artikel 18.57 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
BBBBBBBBBBBBB
Het opschrift van artikel 18.58 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
CCCCCCCCCCCCC
Het opschrift van artikel 18.59 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
DDDDDDDDDDDDD
Artikel 18.60 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Ten minste vier weken voor het begin of wijzigingen van een activiteit als bedoeld in artikel 18.5918.60 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;
gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:
situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en
gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.
EEEEEEEEEEEEE
Het opschrift van artikel 18.61 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
FFFFFFFFFFFFF
Het opschrift van artikel 18.62 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
GGGGGGGGGGGGG
Artikel 18.63 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Ten minste vier weken voor het begin of wijzigen van een activiteit als bedoeld in artikel 3.433.42, artikel 5.315.33 en artikel 18.6218.63 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;
gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:
een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en
gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.
HHHHHHHHHHHHH
Artikel 18.64 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het slachten van dieren en het broeien, koken of pekelen van daarbij vrijkomende dierlijke bijproducten vindt inpandig plaats.
Te lozen afvalwater kan worden geloosd in een vuilwaterriool, als dat afvalwater afkomstig is van:
het bewerken van dierlijke bijproducten; of
het reinigen en desinfecteren van ruimtes waar een activiteit als bedoeld in artikel 18.6218.63 is uitgevoerd.
Het afvalwater afkomstig van het slachten, bewerken of uitsnijden wordt niet:
Vethoudend afvalwater dat wordt geloosd, wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door:
een vetafscheider en slibvangput volgens NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2;
een vetafscheider en slibvangput die zijn geplaatst voor 14 september 2004 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd; of
een flocculatieafscheider die is geplaatst voor 1 januari 2013 en is afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd.
In afwijking van NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2 kan met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan in die normen vermeld worden volstaan als dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider.
IIIIIIIIIIIII
Het opschrift van artikel 18.65 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
JJJJJJJJJJJJJ
Het opschrift van artikel 18.66 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
KKKKKKKKKKKKK
Artikel 18.67 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
LLLLLLLLLLLLL
Het opschrift van artikel 18.68 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MMMMMMMMMMMMM
Het opschrift van artikel 18.69 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
NNNNNNNNNNNNN
Het opschrift van artikel 18.70 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OOOOOOOOOOOOO
Het opschrift van artikel 18.71 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
PPPPPPPPPPPPP
Het opschrift van artikel 18.72 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
QQQQQQQQQQQQQ
Het opschrift van artikel 18.73 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
RRRRRRRRRRRRR
Het opschrift van artikel 18.74 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
SSSSSSSSSSSSS
Het opschrift van artikel 18.75 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
TTTTTTTTTTTTT
Het opschrift van artikel 18.76 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
UUUUUUUUUUUUU
Het opschrift van artikel 18.77 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
VVVVVVVVVVVVV
Het opschrift van artikel 18.78 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
WWWWWWWWWWWWW
Artikel 18.79 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij nieuwbouw van een bouwwerk wordt een hemelwaterberging met een minimale statische capaciteit van 50 liter per m2 afvoerend verhard oppervlak aangebracht en in stand gehouden.
Het opgevangen hemelwater wordt:
zo veel mogelijk vastgehouden en op eigen terrein geïnfiltreerd; of
voor zover infiltratie op eigen terrein niet mogelijk is: vertraagd afgevoerd naar een infiltratievoorziening of het oppervlaktewater; of
voor zover infiltreren in de omgeving niet mogelijk is: op de openbare hemelwaterriolering of het openbaar gebied verwerkt.
het afvoeren van het hemelwater op de openbare (hemelwater)riolering als bedoeld onder lid 2 sub c is in het gebied (link buitengebied) niet toegestaan.
In afwijking van het tweede onder c is het afvoeren van hemelwater in het buitengebied op de openbare (hemelwater)riolering niet toegestaan.
Het bevoegd gezag kan afwijken van het eerste lid als het realiseren van de bergingscapaciteit redelijkerwijs niet mogelijk is.
Bij het gebruik maken van de bevoegdheid, zoals bedoeld in het tweede lid, verbindt het bevoegd gezag een financiële voorwaarde aan de omgevingsvergunning waarmee de waterberging afgekocht kan wordt en door de gemeente op een andere plek wordt aangelegd (conform Programma Water en Riolering Rijssen-Holten).
XXXXXXXXXXXXX
Hoofdstuk 19 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Red: Artikel 19.1 verplaatst van paragraaf 19.1.1 naar paragraaf 19.1.1. ]
Dit hoofdstuk
Afdeling 19.2 is gereserveerd voor tijdelijke alternatieve maatregelen - informatiemodel ruimtelijke ordening (TAM-IMRO, hierna: TAM- omgevingsplan(nen) die nog niet in de standaard voor omgevingsplannen (STOP/TPOD) beschikbaar zijn. Deze plannen maken in juridische zin wel onderdeel uit van het omgevingsplan. Deze plannen hebben een hoofdstuknummer meegekregen (22 gevolgd door een letter). Dat hoofdstuknummer moet door de wijziging van het omgevingsplan vanaf inwerkingtreding gelezen worden als hoofdstuk 19 van dit omgevingsplan. Vanwege de diverse statussen van de plannen zijn niet alle TAM-omgevingsplannen altijd zichtbaar in het DSO. Deze afdeling bevat een weergave van alle ten tijde van het ter inzage leggen van het ontwerp omgevingsplan (eerste wijziging) bestaande TAM-omgevingsplannen. De TAM-omgevingsplannen die ten tijde van vaststelling van het omgevingsplan onherroepelijk zijn, zijn verwerkt in het omgevingsplan (geconsolideerd).
Om te voorkomen dat TAM-plannen die niet onherroepelijk zijn en nog niet verwerkt zijn in het omgevingsplan, overal zichtbaar zijn, zijn deze plannen gekoppeld aan de Placeholder TAM-IMRO op de locatie van het gemeentehuis in Rijssen. De globale locatie van de ontwikkeling staan in de titel van het artikel.
Bestaande afwijkingen in aantallen, maten en afmetingen ten opzichte van de normen in artikel 19.3 tot en met artikel 19.14 en artikel 19.16 en 19.17, zoals die bestaan op 5 november 2025 mogen worden gehandhaafd.
Voor het oppervlak van bijbehorende bouwwerken zoals bedoelt in artikel 19.15, geldt dat als de legaal aanwezige m2 op 5 november 2025 meer bedragen dan 150 m2, vervangende nieuwbouw is toegestaan tot deze bestaande oppervlakte met een maximum van 300 m2, onder voorwaarde van landschappelijke inpassing.
Van het bepaalde in paragraaf 19.1.2 kan ondergeschikt worden afgeweken ten behoeve van duurzaamheidsdoeleinden.
Tenzij anders is bepaald in dit hoofstuk wordt een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit (omgevingsplan) verleend als een gebouw binnen het bouwvlak gebouwen wordt gebouwd.
Tenzij anders is bepaald in dit hoofstuk wordt een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit (omgevingsplan) verleend als een gebouw of overkapping binnen het bouwvlak gebouwen en overkappingen wordt gebouwd.
Een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit (omgevingsplan) wordt verleend als het maximum aantal wooneenheden niet meer bedraagt dan het ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' aangegeven aantal wooneenheden.
Een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit (omgevingsplan) wordt verleend als het maximum aantal vrijstaande bijbehorende bouwwerken bij (bedrijfs)woningen niet meer bedraagt dan het ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal - vrijstaande bijbehorende bouwwerken (bedrijfs)woningen' aangegeven aantal vrijstaande bijbehorende bouwwerken.
Het bebouwingspercentage mag per bouwperceel niet meer bedragen dan het ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage' aangegeven percentage.
Een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit (omgevingsplan) voor hoofdgebouwen wordt verleend als de bouwhoogte niet meer bedraagt dan de ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte - bedrijf' aangegeven bouwhoogte.
Een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit (omgevingsplan) voor hoofdgebouwen wordt verleend als de bouwhoogte niet meer bedraagt dan de ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte - (bedrijfs)woning' aangegeven bouwhoogte.
Een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit (omgevingsplan) wordt verleend als het de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken niet meer bedraagt dan de ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte - vrijstaand bijbehorend bouwwerk (bedrijfs)woning' aangegeven bouwhoogte.
Een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit (omgevingsplan) voor aangebouwde bijbehorende bouwwerken wordt alleen verleend als de bouwhoogte van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk tenminste 1 meter lager is dan de vergunde bouwhoogte van het hoofdgebouw;
Een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit (omgevingsplan) voor hoofdgebouwen wordt verleend als de bouwhoogte niet meer bedraagt dan de ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte - centrum' aangegeven bouwhoogte.
Een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit (omgevingsplan) voor hoofdgebouwen wordt verleend als de bouwhoogte niet meer bedraagt dan de ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte - gemengd' aangegeven bouwhoogte.
Een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit (omgevingsplan) voor hoofdgebouwen wordt verleend als de bouwhoogte niet meer bedraagt dan de ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte - sport' aangegeven bouwhoogte.
Een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit (omgevingsplan) voor hoofdgebouwen wordt verleend als de bouwhoogte niet meer bedraagt dan de ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte - bedrijf' aangegeven bouwhoogte.
Een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit (omgevingsplan) voor hoofdgebouwen wordt verleend als de goothoogte niet meer bedraagt dan de ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte - (bedrijfs)woning' aangegeven bouwhoogte.
Een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit (omgevingsplan) wordt verleend als het de goothoogte van hoofdgebouwen niet meer bedraagt dan de ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte - vrijstaand bijbehorend bouwwerk (bedrijfs)woning' aangegeven bouwhoogte.
Een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit (omgevingsplan) voor hoofdgebouwen wordt verleend als de goothoogte niet meer bedraagt dan de ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte - sport' aangegeven goothoogte.
Een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit (omgevingsplan) wordt verleend als het oppervlakte van een supermarkt niet meer bedraagt dan de ter plaatse van de aanduiding 'maximum oppervlakte - supermarkt' aangegeven goothoogte.
Een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit (omgevingsplan) wordt verleend als het oppervlakte van bedrijfsbebouwing niet meer bedraagt dan de ter plaatse van de aanduiding 'maximum oppervlakte - bedrijfsbebouwing' aangegeven goothoogte.
Een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit (omgevingsplan) wordt verleend als het oppervlakte van (bedrijfs)woningen niet meer bedraagt dan de ter plaatse van de aanduiding 'maximum oppervlakte - (bedrijfs)woningen' aangegeven goothoogte.
Een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit (omgevingsplan) wordt verleend als het oppervlakte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken bij (bedrijfs)woningen niet meer bedraagt dan de ter plaatse van de aanduiding 'maximum oppervlakte - (vrijstaande) bijbehorende bouwwerken (bedrijfs)woning' aangegeven oppervlak.
Een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit (omgevingsplan) wordt verleend als het oppervlakte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken bij (bedrijfs)woningen niet meer bedraagt dan de ter plaatse van de aanduiding 'maximum oppervlakte - aangebouwd bijbehorend bouwwerk (bedrijfs)woning' aangegeven oppervlak.
Een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit (omgevingsplan) wordt verleend als het de goothoogte van gebouwen niet minder bedraagt dan de ter plaatse van de aanduiding 'minimum bouwhoogte' aangegeven goothoogte.
Een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit (omgevingsplan) voor bedrijfsbebouwing wordt verleend als de dakhelling niet minder bedraagt dan het ter plaatse van de aanduiding 'minimum dakhelling - bedrijfsgebouwen' aangegeven aantal graden.
Een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit (omgevingsplan) voor (bedrijfs)woningen wordt verleend als de dakhelling niet minder bedraagt dan het ter plaatse van de aanduiding 'minimum dakhelling - (bedrijfs)woningen' aangegeven aantal graden.
In afwijking van het bepaalde in tweede lid kan omgevingsvergunning verleend worden voor een plat dak als:
Het is toegestaan een beroep of bedrijf aan huis te realiseren als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
een melding op grond van artikel 8.11 is gedaan;
de beroeps- of bedrijfsfunctie niet ondergeschikt is aan de woonfunctie;
minder dan 35% van het vloeroppervlak van de woning en de bijbehorende bouwwerken wordt gebruikt voor een aan huis gebonden beroeps- of bedrijfsactiviteit tot een maximale oppervlakte van:
degene die de beroeps- of bedrijfsactiviteiten uitvoert, de bewoner van de woning is;
de ruimtelijke uitstraling in overeenstemming is met de woonfunctie en woonomgeving;
er geen detailhandel en horeca-gerelateerde activiteiten plaatsvinden; en
de uitoefening van een aan huis gebonden beroeps- of bedrijfsactiviteit niet uitsluitend plaatsvindt in een bijbehorend bouwwerk.
Het is toegestaan een inwoonsituatie te realiseren als wordt voldaan de volgende voorwaarden:
een melding op grond van artikel 8.11 is gedaan;
er twee huishoudens onder één dak worden gehuisvest;
het uiterlijk van de woning één woning en één bouwmassa blijft;
er sprake is van één centrale toegang tot de woning, van waaruit beide woonvertrekken direct toegankelijk/bereikbaar zijn;
er geen sprake is van een woningscheidende wand; en
er geen vergunningplichtige, bouwkundige aanpassingen in- dan wel uitpandig aan het gebouw plaatsvinden.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een nieuwe ontwikkeling binnen het in artikel 19.31 aangewezen gebied uit te voeren.
Er is geen omgevingsvergunning nodig voor:
bouwwerken of werken waarbij de bodem niet op een grotere diepte dan 0,5 meter wordt verstoord;
bouwwerken of werken waarvoor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen is verleend en waarbij een rapport is overlegd waarin de effecten op de hydrologie zijn vastgesteld. Dit rapport mag niet ouder dan 5 jaar zijn; of
het vervangen van bouwwerken op de bestaande fundering.
[Red: Artikel 19.37 verplaatst van subsubparagraaf 19.1.9.2.3 naar paragraaf 19.1.4. ]
Voor een besluit op de aanvraag wordt genomen wint het college schriftelijk advies in bij de grondwater- en leidingbeheerder, alsmede het betreffende waterschap en de provincie Overijssel.
[Red: Artikel 19.38 verplaatst van subsubparagraaf 19.1.9.2.3 naar paragraaf 19.1.4. ]
Aan de omgevingsvergunning kunnen voorwaarden worden verbonden met de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor geen nadelige hydrologische effecten optreden;
Het is verboden zonder omgevingsvergunning werken of werkzaamheden uit te voeren binnen het in artikel 3.1, vierde lid aangewezen gebied.
Er is geen omgevingsvergunning nodig voor:
bouwwerken of projecten met een oppervlakte van niet meer dan 2.500 m2 waarbij de bodem niet op een grotere diepte dan 0,5 meter wordt verstoord;
activiteiten waarvoor geen omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen vereist is;
bouwwerken of projecten waarvoor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen is verleend en waarbij een rapport dat niet ouder dan 5 jaar is, wordt overlegd waarin de archeologische waarde van de gronden in voldoende mate is vastgesteld of;
bouwwerken of projecten waarbij vervangende nieuwbouw op bestaande fundering plaatsvindt.
De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk of werkzaamheden in de zone archeologische verwachtingswaarde wordt alleen verleend als;
door die werken of werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, één of meer archeologische waarden van de betreffende gronden, niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind; en
door de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport is overgelegd, met inachtneming van artikel 3.12 en artikel 3.13, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld.
[Red: Artikel 19.35 verplaatst van subsubparagraaf 19.1.9.2.3 naar paragraaf 19.1.4. ]
Aan de omgevingsvergunning bedoelt in artikel 19.3319.23 kunnen de volgende voorwaarden worden verbonden:
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
de verplichting tot het doen van opgravingen of;
de verplichting de activiteit die tot de bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan de bij de vergunning vast te stellen kwalificaties.
Er zijn locaties aangewezen voor agrarisch landschap - gemengde functies.
Gronden aangewezen voor het in het eerste gebruik mogen worden gebruikt voor:
bestaande agrarische bedrijven en de uitoefening van het agrarische bedrijf;
bestaande niet-agrarische bedrijven;
bestaande woningen;
een bestaand bedrijfswoning;
bestaande tuin, erf, erfontsluiting en parkeervoorzieningen;
bestaande groenstructuren;
het aanleggen van kabels en leidingen ten behoeve van nutsvoorzieningen, met uitzondering van:
aardgastransportleidingen met een diameter van meer dan 4" of een druk van meer dan 40 bar;
transportleidingen voor brandbare vloeistoffen van de K1-, K2-, en K3-categorie met een diameter van meer dan 4";
hoogspanningsleidingen;
buisleidingen voor het transport van water, afvalwater of stoom met een doorsnede van 1 meter of meer en een lengte van 10 km of meer;
transformatorstations ten dienste van nutsvoorzieningen;
een bestaande veldschuur;
een bestaand recreatief nachtverblijf;
bestaande sportactiviteiten;
hobbymatig agrarisch grondgebruik, waaronder mede begrepen het hobbymatig houden van dieren, anders dan ten behoeve van een agrarisch bedrijf;
bestaande dagrecreatie;
bestaande druiventeelt of;
het weiden van vee.
Onder gebruik in strijd met deze functie wordt in ieder geval begrepen het gebruik van gronden voor gronden en gebouwen voor:
het nieuwvestigen van een (intensief) agrarisch bedrijf;
het omschakelen naar, uitbreiden met of toevoegen van geiten aan een bestaand (intensief) agrarisch bedrijf;
huisvesten van landbouwhuisdieren op een verdieping;
een kwekerij, tenzij dit gebruik expliciet is toegelaten in het locatiespecifieke artikel;
het vergisten van mest en het verhandelen van de daarbij vrijkomende energie, tenzij vergund met een omgevingsvergunning;
dagrecreatie of het plaatsen van kampeermiddelen, tenzij dit expliciet is toegelaten in het locatiespecifieke artikel of plaatsvindt op de daarvoor bewegwijzerde routes of aangewezen locaties;
detailhandel, tenzij dit gebruik expliciet is toegelaten in een locatiespecifiek artikel;
bewoning van vrijstaande bijbehorende bouwwerken als zelfstandige woning, tenzij dit gebruik expliciet is toegelaten in het locatiespecifieke artikel;
het splitsen van woningen, het toevoegen van woningen of het samenvoegen van woningen, tenzij dit gebruik expliciet is toegelaten in het locatiespecifieke artikel of vergund met een omgevingsvergunning;
recreatief verblijf in vrijstaande bijbehorende bouwwerken, tenzij vergund met een omgevingsvergunning;
bewoning van een (agrarische) bedrijfswoning anders dan ten dienste van de bedrijfsvoering, tenzij deze bewoning is aangevangen voor 1 november 2012;
bewoning van een woning door meer dan één huishouden, tenzij dit op basis van een melding of omgevingsvergunning is toegestaan
het uitbreiden van de verblijfsrecreatieve functie;
het uitbreiden van het horecabedrijf; of
een paardrijbak tenzij vergund met een omgevingsvergunning of op 1 januari 2024 legaal aanwezig was.
Er zijn gronden aangewezen met agrarisch met waarden - met grote landschappelijk waarde.
Gronden aangewezen voor het in het eerste lid genoemde gebruik mogen worden gebruikt voor de volgende activiteiten:
het behoud en het herstel van de landschappelijke of cultuurhistorische waarden, tot uitdrukking komend in het aanwezige reliëf, de openheid van het landschap of kleinere natuurelementen;
het weiden van vee;
akkerbouw;
voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, waaronder begrepen voorzieningen ten behoeve van het vasthouden, bergen, aan- en afvoeren van water;
voorzieningen ten behoeve van extensief recreatief medegebruik, zoals onverharde en (half)verharde wandel-, fiets- en ruiterpaden; en
met bouwwerken, geen gebouw zijnde en werken, geen bouwwerken zijnde.
Tot een gebruik in strijd met het eerste lid wordt in elk geval gerekend:
standplaats voor kampeermiddelen;
dagrecreatie; of
doeleinden van detailhandel.
Er zijn locaties aangewezen voor bedrijf.
Er zijn locaties aangewezen voor bedrijventerrein.
Er zijn locaties aangewezen voor centrum - 2.
Er is een gebied aangewezen als hydrologische beschermingszone.
De voor hydrologische beschermingszone aangewezen gronden zijn behalve voor de daar al toegelaten functies, mede aangewezen voor functies die de grondwaterstanden in het naastgelegen natuurgebied niet aantasten.
Er zijn locaties aangewezen voor gemengd.
Er zijn locaties aangewezen voor groen.
Er zijn locaties aangewezen voor natuurlandschap.
[Red: Lid 1. verplaatst van artikel 19.18 naar artikel 19.34. ]
Binnen de basisfunctie natuurlandschap is het volgende gebruik of zijn de volgende functies toegestaan:
bos of dichte beplantingsstroken;
het behoud, herstel en de ontwikkeling van natuurlijke en landschappelijke waarden;
bestaande functies;
het aanleggen of laten aanleggen van kabels en leidingen ten behoeve van nutsvoorzieningen, met uitzondering van:
aardgastransportleidingen met een diameter van meer dan 4" of een druk van meer dan 40 bar;
transportleidingen voor brandbare vloeistoffen van de K1-, K2-, en K3-categorie met een diameter van meer dan 4";
hoogspanningsleidingen;
buisleidingen voor het transport van water, afvalwater of stoom met een doorsnede van 1 m of meer en een lengte van 10 km of meer;
bestaande groenstructuren;
transformatorstations ten dienste van nutsvoorzieningen;
bestaande tuin, erf, erfontsluiting en parkeervoorzieningen;
ondergeschikte gebouwen ten behoeve van opslag van materiaal en gereedschap voor onderhoud van nabijgelegen bosgebieden;
voorzieningen ten behoeve van extensieve recreatie, zoals wandel-, fiets- en ruiterpaden;
oppervlaktewater, zoals meren, plassen, waterbergingen en watergangen of;
oeverstroken, zoals natuurvriendelijke oeverzones, met daarbij bijbehorende bouwwerken, geen gebouw zijnde en voorzieningen, zoals bruggen, dammen, duikers, stuwen en beschoeiingen.
[Red: Lid 2. verplaatst van artikel 19.18 naar artikel 19.34. ]
Onder gebruik in strijd met deze functie wordt in ieder geval begrepen het gebruik van gronden voor gronden en gebouwen voor:
dagrecreatie of het plaatsen van kampeermiddelen;
detailhandel, tenzij dit gebruik expliciet is toegelaten in een locatiespecifiek artikel,
het uitbreiden van de verblijfsrecreatieve functie;
het uitbreiden van de horeca functie;een paardrijbak horecabedrijf; of
vrijstaande lichtmasten.
een paardrijbak of
vrijstaande lichtmasten.
[Red: Lid 3. verplaatst van artikel 19.18 naar artikel 19.34. ]
In afwijking van artikel 15.4 geldt dat het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet, behoudens voor zover uit de Richtlijnen 79/409/EEG en 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand onderscheidenlijk van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna, beperkingen voortvloeien ten aanzien van ten tijde van de inwerkingtreding van het omgevingsplan bestaan gebruik.
Het is verboden het met het omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat omgevingsplan strijdige gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
Indien het gebruik, bedoeld onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
Het gestelde onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan Buitengebied Rijssen-Holten 2012, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
Er zijn locaties aangewezen voor sport.
Er zijn locaties aangewezen voor verblijfsrecreatie.
Er zijn locaties aangewezen voor verkeer- verblijf.
Er is een gebied aangewezen als landschap Beuseberg, Zuurberg en Borkeld.
Er is een gebied aangewezen als landschap de Holterberg.
Er is een gebied aangewezen als landschap Westflank Holterberg.
[Gereserveerd]
De voor centrum - 2 Dorpsstraat in Holten aangewezen gronden mogen worden gebruikt voor:
detailhandel;
een supermarkt uitsluitend binnen de locatie supermarkt Dorpsstraat 17 in Holten;
wonen, in appartementen;
horeca, overeenkomstig categorie 1 vermeld in de bij deze regels behorende horeca categorie omgevingsplan gemeente Rijssen - Holten;
een parkeergarage uitsluitend binnen de locatie parkeergarage Dorpsstraat 17 in Holten;
verblijfsgebied met bijbehorende voorzieningen zoals (on)bebouwde terreinen en parkeervoorzieningen; en
overige voorzieningen ten behoeve van de functies.
Onder strijdig gebruik met de in het eerste lid gegeven functieomschrijving wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de functieomschrijving, waaronder in elk geval wordt begrepen:
het gebruik van de gronden en bouwwerken als horecabedrijven in de vorm van bar-dancings, nachtclubs en discotheken;
het gebruik van de gronden en bouwwerken als horecabedrijven in een hogere categorie of in afwijking van de categorieomschrijving, zoals vermeld in de bij deze regels behorende horeca categorie omgevingsplan gemeente Rijssen - Holten; of
het in stand houden van bouwwerken in afwijking van de beeldkwaliteitseisen, zoals vermeld in het bij deze regels behorende beeldkwaliteitsplan Dorpsstraat 17 in Holten.
Artikel 19.43 Algemene beoordelingsregels voor gebouwen
Voor het bouwen van gebouwen ten behoeve van centrum - 2 Dorpsstraat in Holten wordt een omgevingsvergunning verleend als:
minimaal 40% van het maximum aantal wooneenheden zoals bedoelt in artikel 19.4 dient te voldoen aan de regels uit afdeling 7.1;
een supermarkt zoals bedoelt in artikel 19.42, eerste lid niet groter is dan het bruto vloeroppervlak van artikel 19.15, eerste lid;
de voorgevels van hoofdgebouwen dienen in de bouwgrens aan de wegzijde te worden opgericht;
hoofdgebouwen dienen te worden georiënteerd op en de etalages of hoofdingang te worden gesitueerd ter plaatse van de aanduiding gevellijn Dorpsstraat 17 in Holten;
gebouwen ten behoeve van ondergrondse parkeervoorzieningen worden gerealiseerd in ten hoogste 1 bouwlaag en mogen in afwijking van het bepaalde in artikel 19.3, eerste lid zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gebouwd; en
hoofdgebouwen voldoen aan de beeldkwaliteitseisen, zoals vermeld in het bij deze regels behorende beeldkwaliteitsplan Dorpsstraat 17 in Holten.
Artikel 19.44 Bodemonderzoek en omgevingsvergunning
Voor het bouwen of gebruiken van gronden, zoals toegestaan op grond van het omgevingsplan, wordt een omgevingsvergunning niet eerder verleend dan:
Artikel 19.45 Specifieke beoordelingsregel voor etalages en ingangen buiten bouwgrens
In aanvulling op artikel 19.43 onder d, mag een etalage of ingang 0,5 meter over de bouwgrens worden gebouwd mits:
Artikel 19.46 Specifieke beoordelingsregel voor luifels
In aanvulling op artikel 19.43 mag een luifel aan het hoofdgebouw geplaatst worden onder voorwaarden dat:
de luifel wordt bevestigd aan de voorgevel of de zijgevel van het hoofdgebouw;
de luifel maximaal 1,50 meter uit de gevel van het hoofdgebouw mag steken;
de breedte van de luifel niet meer dan de totale breedte van de gevel waaraan de luifel wordt bevestigd mag bedragen met aan weerszijden een overstek van maximaal 0,75 meter;
de ruimtelijke uitwerking van de afwijking aanvaardbaar is;
de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden aangetast; en
de bevoorrading van de winkel(s) op eigen terrein blijft plaatsvinden.
Artikel 19.48 Omgevingsvergunning gebruiksactiviteiten
In afwijking van artikel 4.26, eerste lid onder a, artikel 4.53 en artikel 19.42, eerste lid wordt een omgevingsvergunning voor het bouwen of gebruiken van gronden verleend voor:
vestiging van of het gebruik voor een bedrijf of instelling zoals vermeld in de categorieën 1 en 2 van de staat van bedrijfsactiviteiten;
vestiging van of het gebruik voor een bedrijf of instelling dat niet in de categorieën 1 en 2 van de staat van bedrijfsactiviteiten is vermeld, mits het desbetreffende bedrijf of de instelling wat aard en omvang betreft vergelijkbaar is met de genoemde bedrijven of instellingen in de categorie 1 en het bedrijf of instelling geen blijvende onevenredige afbreuk doet aan het heersende woon- en leefmilieu;
vestiging van dienstverlening en maatschappelijke voorzieningen, mits:
nieuwe woningen voor zover de woningbouw past in de gemeentelijke woningbouwprogrammering;
gebruik van de gronden en bouwwerken als horecabedrijven, overeenkomstig categorie 2 en 3 zoals vermeld in de bij deze regels behorende horeca categorie omgevingsplan gemeente Rijssen - Holten.
De voor 'op de locatie groen - tennispark Opbroek' aangewezen gronden mogen worden gebruikt voor:
groenvoorzieningen en water;
weidegrond;
incidentele parkeervoorzieningen;
voet- en fietspaden, alsmede nooduitgangen bij calamiteiten;
openbare nutsvoorzieningen;
voorzieningen ten behoeve van keerwanden zoals grondwallen en schoren;
met dien verstande dat onder water worden ook de doeleinden voor afvoer en tijdelijke berging en infiltratie van hemelwater worden begrepen.
De voorop de locatie sport - tennispark Opbroek aangewezen gronden mogen worden gebruikt voor:
sport- en sportvoorzieningen, sportvelden en overige sportterreinen met de daarbij behorende gebouwen als;
maatschappelijke (sport)voorzieningen;
padelbanen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'locatie specifieke vorm van sport - padelbanen tennispark Opbroek';
parkeervoorzieningen en fietsenstallingen;
groenvoorzieningen en water;
wegen, paden en verhardingen;
nutsvoorzieningen;
bouwwerken, geen gebouw zijnde;
voorzieningen ten behoeve van keerwanden zoals grondwallen en schoren; of
ondergeschikte horeca ten dienste van de functie;
Onder strijdig gebruik met de in het eerste lid gegeven functieomschrijving wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de functieomschrijving, waaronder in elk geval wordt begrepen:
een kampeerterrein of dagrecreatie;
het niet nemen van de in het derde lid omschreven geluidsreducerende maatregelen ten behoeve van padelbanen.
Indien er padelbanen worden gerealiseerd is het nemen en instandhouden van geluidsreducerende maatregelen verplicht, met dien verstande dat:
padelbanen enkel toegestaan zijn indien de inrichting met bijbehorende geluidsreducerende maatregelen als bedoeld in sublid b wordt gerealiseerd;
bij het realiseren van padelbanen met een inrichting zoals opgenomen in variant 3 zoals opgenomen in Maatregelvarianten tennispark Opbroek, de bijbehorende geluidsreducerende maatregelen behorende tot variant 3 gerealiseerd dienen te worden, bestaande uit een geluidsscherm van 4 meter ter plaatse van de aanduiding 'locatie specifieke vorm van sport - geluidscherm 3 tennispark Opbroek'.
Artikel
19.6
19.51
Verkeer - verblijf
De voor 'op de locatie verkeer - verblijf tennispark Opbroek aangewezen gronden mogen worden gebruikt voor:
wegen met een functie voor de ontsluiting van aanliggende gronden;
pleinen en parkeerterreinen;
pleinen en parkeerterreinen;groen- en speelvoorzieningen en water;
fiets- en voetpaden;
openbare nutsvoorzieningen; en
voorzieningen ten behoeve van keerwanden zoals grondwallen en schoren
met dien verstande dat:
in de functieomschrijving de bij het wegverkeer gebruikelijke voorzieningen, zoals bermbeplanting, voorzieningen voor voetgangers en fietsers, bushaltes en dergelijke, zijn begrepen;
de functieomschrijving, afgezien van een plaatselijke verbreding of versmalling of aanleg van verkeers(veiligheids)voorzieningen zoals een rotonde, niet voorziet in een wijziging van het aantal rijbanen;
onder water de doeleinden voor afvoer, tijdelijke berging en infiltratie van hemelwater worden begrepen.
In aanvulling op artikel 4.20 gelden voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwen ten behoeve van wegen en openbare nutsvoorzieningen de volgende beoordelingsregels:
Voor het bouwen van gebouwen ten behoeve van wegen en openbare nutsvoorzieningen wordt een omgevingsvergunning verleend als:
In aanvulling op artikel 4.20 gelden voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de volgende regels:
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt een omgevingsvergunning verleend als:
Artikel 19.7 Waarde - Archeologie middelhoge verwachting
De voor archeologische verwachtingswaarde - middelhoog aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies en gebiedsaanwijzingen, mede aangewezen voor bescherming van aanwezige of naar verwachting aanwezige archeologische waarden.
Artikel
19.8
19.52
Omgevingsvergunning bouwactiviteit (omgevingsplan)
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van groen wordt omgevingsvergunning verleend als:
Voor gebouwen ten behoeve van sport wordt omgevingsvergunning verleend als:
ze gesitueerd worden binnen het bouwvlak tennispark Opbroek in Rijssen;
het bebouwingspercentage per bouwvlak niet meer bedraagt dan het ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage tennispark Opbroek' aangegeven percentage;
de goothoogte van gebouwen niet meer bedraagt dan de ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte tennispark Opbroek' aangegeven goothoogte;
de bouwhoogte van gebouwen niet meer bedraagt dan de ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte tennispark Opbroek' aangegeven bouwhoogte.
de dakhelling van gebouwen niet meer bedraagt dan 10°.
in afwijking van het gestelde onder e kan het bevoegd gezag bij een omgevingsvergunning een dakhelling van minimaal 0° toestaan.
in afwijking van 19.17, eerste lid kan het bevoegd gezag bij een omgevingsvergunning een dakhelling van minimaal 0° toestaan.
In aanvulling op artikel 4.20 gelden voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van ondergeschikte sportgebouwen ten behoeve van sport ook de volgende beoordelingsregels;
ondergeschikte sportgebouwen mogen uitsluitend gebouwd worden binnen de functie sport;
de bouwhoogte van ondergeschikte sportgebouwen mag niet meer dan 4 meter bedragen.
In aanvulling op artikel 4.20 gelden voor het voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten behoeve van sport ook de volgende beoordelingsregels:
voor overkappingen:
de bouwhoogte van lichtmasten mag niet meer dan 18 meter bedragen;
de bouwhoogte van ballenvangers mag niet meer dan 10 meter bedragen;
de bouwhoogte van reclameborden mag niet meer dan 6 meter bedragen; en
de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouw zijnde mag niet meer dan 4 meter bedragen met dien verstande dat:
Artikel 19.53 Specifieke beoordelingsregels bouwwerken, geen gebouw zijnde - groen
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van groen - tennispark Opbroek wordt omgevingsvergunning verleend als:
Artikel 19.54 Specifieke beoordelingsregels ondergeschikte bouwwerken - sport
In afwijking van artikel 19.11 wordt een omgevingsvergunning voor het bouwen van ondergeschikte sportgebouwen alleen verleend als de bouwhoogte niet meer dan 4 meter bedraagt.
Artikel 19.55 Specifieke beoordelingsregels bouwwerken, geen gebouw zijnde - sport
Een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten behoeve van sport - tennispark Opbroek wordt verleend als:
voor overkappingen:
de bouwhoogte van lichtmasten mag niet meer dan 18 meter bedragen;
de bouwhoogte van ballenvangers mag niet meer dan 10 meter bedragen;
de bouwhoogte van reclameborden mag niet meer dan 6 meter bedragen; en
de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouw zijnde mag niet meer dan 4 meter bedragen met dien verstande dat:
Subsubparagraaf
19.1.4.2.2
19.2.3.2.2
Omgevingsvergunning activiteit werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheden uitvoeren in verband met archeologische verwachtingswaarde
Artikel
19.9
19.56
Omgevingsvergunning werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheden in verband met archeologische waarden
In het belang van de archeologische monumentenzorg en ter voorkoming van onevenredige aantasting van aanwezige dan wel naar verwachting aanwezige archeologische waarden, is het verboden, op de locatie archeologische verwachtingswaarde middelhoog - Opbroekweg 40 in Rijssen behoudens het bepaalde in artikelafdeling 19.73.2 zonder een omgevingsvergunning van het college de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, over een oppervlakte van 5.000 m² of meer:
het uitvoeren van graafwerkzaamheden, het roeren en omwoelen van gronden, dieper dan 0,5 m onder peil;
het verlagen van de bodem en afgraven van gronden, dieper dan 0,5 m onder peil;
het graven of anderszins aanbrengen van watergangen en waterpartijen, dieper dan 0,5 m onder peil;
het aanbrengen van diepwortelende beplantingen;
het ophogen en egaliseren van gronden.
Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden:
De werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden als bedoeld in eerste lid, zijn slechts toelaatbaar, indien:
door die werken of werkzaamheden, danwel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, één of meer archeologische waarden van de betreffende gronden, niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, danwel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind, en
door aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport is overgelegd waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld.
[Gereserveerd]
[Gereserveerd]
Artikel 19.59 Bedrijf - Schuppertsweg 2-4 Holten
Op de locatie bedrijf - Schuppertsweg 2-4 Holten is voor het bedrijf het volgende gebruik of zijn de volgende functies toegestaan:
één bedrijf tot en met milieucategorie 2, met dien verstande dat de bedrijfsactiviteiten enkel zijn toegestaan ter plaatse van ‘bedrijf tot en met categorie 2’, met daarbij behorende:
voorzieningen zoals:
akkerbouw en opslag bestaande uit caravans/campers en opslagplaatsen voor (zee)containers (zonder aanwezigheid van gevaarlijke stoffen) ter plaatse van 'bedrijf tot en met categorie 2';
bestaande compostering met milieucategorie 4.2 ter plaatse van 'specifieke vorm van bedrijf - compostering tot en met milieucategorie 4.2’;
ondergeschikte detailhandel ten behoeve van de eigen bedrijfsvoering of de handel in streekeigen producten;
de mogelijkheid tot het opwekken van duurzame energie:
met gebruik van een zelfstandige opstelling van zonnepanelen met de daarbij behorende voorzieningen of;
het omzetten van wind in elektriciteit op het dak van de bedrijfsbebouwing voor eigen gebruik met de daarbij behorende voorzieningen;
buitenopslag ten dienste van de bedrijfsvoering op onbebouwde grond na omgevingsvergunning niet zijnde caravans, containers (zonder de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen) of daarmee gelijk te stellen opslag, zoals opgenomen in Binnenplanse omgevingsplanactiviteit voor buitenopslag bij niet-agrarische bedrijven in artikel 19.67;
met dien verstande dat de gronden niet mogen worden beschouwd als erf.
Op de locatie bedrijf - Schuppertsweg 2-4 Holten zijn voor de bedrijfswoningen het volgende gebruik of zijn de volgende functies toegestaan:
het wonen in de twee bestaande bedrijfswoningen, met daarbij behorende:
voorzieningen zoals:
bed and breakfast in de bedrijfswoning, mits:
de mogelijkheid tot het opwekken van duurzame energie:
met gebruik van een zelfstandige opstelling van zonnepanelen met de daarbij behorende voorzieningen of;
het omzetten van wind in elektriciteit op het dak van de woning met de daarbij behorende voorzieningen;
een paardrijbak na omgevingsvergunning, zoals opgenomen in artikel 19.69;
een aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit na een melding, zoals opgenomen in artikel 19.18;
mantelzorg na omgevingsvergunning, zoals opgenomen in artikel 4.34;
met dien verstande dat de gronden niet mogen worden beschouwd als erf.
Onder strijdig gebruik met deze functie wordt voor het bedrijf in ieder geval begrepen het gebruik dat afwijkt van de functieomschrijving, waaronder in elk geval begrepen:
een kwekerij, tenzij expliciet toegelaten in het plan;
dagrecreatie of het plaatsen van kampeermiddelen, tenzij dit expliciet is toegelaten in het locatiespecifieke artikel of plaatsvindt op de daarvoor bewegwijzerde routes of aangewezen locaties;
detailhandel, tenzij dit gebruik expliciet is toegelaten in het locatiespecifieke artikel;
bewoning van vrijstaande bijbehorende bouwwerken als zelfstandige woning tenzij dit gebruik expliciet is toegelaten in het locatiespecifieke artikel;
het splitsen van woningen of het samenvoegen van woningen, tenzij dit gebruik expliciet is toegelaten in het locatiespecifieke artikel;
recreatief verblijf in vrijstaande bijbehorende bouwwerken, tenzij vergund met een omgevingsvergunning;
bewoning van bedrijfswoningen anders dan ten dienste van de bedrijfsvoering, tenzij deze bewoning is aangevangen voor 1 november 2012;
bewoning van een woning door meer dan één huishouden, tenzij dit op basis van een melding of omgevingsvergunning is toegestaan;
een paardrijbak, tenzij vergund met een omgevingsvergunning of op 1 januari 2024 legaal aanwezig was;
vrijstaande lichtmasten, tenzij deze op 1 januari 2024 reeds legaal aanwezig waren of gebouwd konden worden met een vergunning; of
vrijstaande overkappingen, tenzij deze op 1 januari 2024 reeds legaal aanwezig waren of gebouwd konden worden met een vergunning.
Onder strijdig gebruik met deze functie wordt voor de bedrijfswoningen in ieder geval begrepen het gebruik dat afwijkt van de functieomschrijving, waaronder in elk geval begrepen:
het gebruik van gronden of bouwwerken ten behoeve van detailhandel, tenzij dit gebruik expliciet is toegelaten in het locatiespecifieke artikel;
bewoning van vrijstaande bijbehorende bouwwerken als zelfstandige woning tenzij dit gebruik expliciet is toegelaten in het locatiespecifieke artikel;
het splitsen van woningen of het samenvoegen van woningen, tenzij dit gebruik expliciet is toegelaten in het locatiespecifieke artikel;
recreatief verblijf in vrijstaande bijbehorende bouwwerken, tenzij vergund met een omgevingsvergunning;
bewoning van bedrijfswoningen anders dan ten dienste van de bedrijfsvoering, tenzij deze bewoning is aangevangen voor 1 november 2012;
bewoning van een woning door meer dan één huishouden, tenzij dit op basis van een melding of omgevingsvergunning is toegestaan;
een paardrijbak, tenzij vergund met een omgevingsvergunning of op 1 januari 2024 legaal aanwezig was; of
vrijstaande lichtmasten, tenzij deze op 1 januari 2024 reeds legaal aanwezig waren of gebouwd konden worden met een vergunning.
De met reliëf aangeduide gebieden zijn van groot cultuurhistorisch belang. Deze gebieden zijn van zeer beeldbepalend belang voor het landschap. Daarom is het van belang dat deze gebieden open blijven, waardoor het reliëf goed zichtbaar blijft.
Ter plaatse van de zonering reliëf zijn de gronden behalve voor de daar al toegelaten functies, mede aangewezen voor:
In de met reliëf aangeduide gebieden mogen uitsluitend, in afwijking van hetgeen in overige regels is bepaald, bouwwerken worden opgericht indien de cultuurhistorische belangen niet geschaad worden.
Artikel 19.61 Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing
In aanvulling op het algemeen strijdig gebruik van artikel 19.59 geldt, dat tot een gebruik in strijd met het omgevingsplan in ieder geval gerekend wordt het gebruik van en het in gebruik laten nemen van gronden en bouwwerken zonder de uitvoering en instandhouding van de landschapsmaatregelen conform het in Bijlage III opgenomen erfinrichtingsplan Schuppertsweg 2-4 in Holten.
Artikel 19.62 Algemene beoordelingsregels voor bedrijfsgebouwen
Voor het bouwen van gebouwen voor het bedrijf - Schuppertsweg 2-4 Holten wordt omgevingsvergunning verleend als:
Situering en inpassing van bouwwerken op het (bestaande) erf vindt plaats aan de hand van de kenmerken en uitgangspunten van het bestaande erftype uit de bijlage Erven buitengebied Rijssen-Holten.
Van subparagraaf 4.2.2 is alleen artikel 4.18, eerste lid en artikel 4.21 van toepassing;
Nieuwe of te verbouwen bouwwerken worden op voldoende afstand van de weg opgericht vanwege het wegbeheer en de verkeersveiligheid. Voldoende afstand ten opzichte van de as van de weg is in ieder geval:
Rijksweg: 100 meter
provinciale weg: 50 meter
lokale weg - verhard: 20 meter
lokale weg - onverhard: 10 meter
Een kortere afstand kan alleen wanneer dit vanuit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar is en de wegbeheerder vanuit wegbeheer en verkeersveiligheid geen bezwaar heeft;
Nieuwe vrijstaande bouwwerken worden in ieder geval 5 meter van andere bouwwerken opgericht, maar nooit verder dan 25 meter tenzij aan(een)gebouwde bouwwerken specifiek zijn toegelaten;
Nieuwe bouwwerken of te verbouwen bouwwerken voldoen aan redelijke eisen van beeld- en erfkwaliteit, zoals opgenomen in de welstandsnota;
Nieuwe bouwwerken op een onbebouwde of volledig gesaneerde locatie worden binnen een logische structuur ten opzichte van elkaar gesitueerd. De structuur wordt afgestemd met de opzet binnen het geldende landschapstype en de redelijke eisen van beeld- en erfkwaliteit zoals opgenomen in de welstandsnota.
Reclame-uitingen, als er sprake is van een rechtstreeks en functioneel verband met het pand waar de reclame op, aan of bij geplaatst is, zoals opgenomen in de reclamenota.
Artikel 19.63 Algemene beoordelingsregels voor bedrijfswoningen
Voor het bouwen van gebouwen voor het bedrijf - Schuppertsweg 2-4 Holten wordt omgevingsvergunning verleend als:
Situering en inpassing van bouwwerken op het (bestaande) erf vindt plaats aan de hand van de kenmerken en uitgangspunten van het bestaande erftype uit de bijlage Erven buitengebied Rijssen-Holten.
Van subparagraaf 4.2.2 is alleen artikel 4.18, eerste lid en artikel 4.21 van toepassing;
Nieuwe of te verbouwen bouwwerken worden op voldoende afstand van de weg opgericht vanwege het wegbeheer en de verkeersveiligheid. Voldoende afstand ten opzichte van de as van de weg is in ieder geval:
Rijksweg: 100 meter
provinciale weg: 50 meter
lokale weg - verhard: 20 meter
lokale weg - onverhard: 10 meter
Een kortere afstand kan alleen wanneer dit vanuit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar is en de wegbeheerder vanuit wegbeheer en verkeersveiligheid geen bezwaar heeft;
Nieuwe vrijstaande bouwwerken worden in ieder geval 5 meter van andere bouwwerken opgericht, maar nooit verder dan 25 meter tenzij aan(een)gebouwde bouwwerken specifiek zijn toegelaten;
Nieuwe bouwwerken of te verbouwen bouwwerken voldoen aan redelijke eisen van beeld- en erfkwaliteit, zoals opgenomen in de welstandsnota;
Nieuwe bouwwerken op een onbebouwde of volledig gesaneerde locatie worden binnen een logische structuur ten opzichte van elkaar gesitueerd. De structuur wordt afgestemd met de opzet binnen het geldende landschapstype en de redelijke eisen van beeld- en erfkwaliteit zoals opgenomen in de welstandsnota.
Artikel 19.64 Algemene beoordelingsregels voor milieuaspecten voor alle bouwwerken
Een omgevingsvergunning voor een bouwwerk op grond van subsubparagraaf 19.2.6.2.1 wordt verleend als wordt voldaan aan de volgende normen:
donkerte: Er geen sprake is van onevenredige aantasting van de aanwezige donkerte conform de ambitie op basis van het gemeentelijke lichtdonkerbeleid .
geur: Indien bij een activiteit emissie naar de lucht plaatsvinden, wordt daarbij geurhinder bij geurgevoelige objecten voorkomen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is, wordt de geurhinder tot een aanvaardbaar niveau beperkt.
Artikel 19.65 Specifieke beoordelingsregels voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde bij de bedrijfsgebouwen
Een omgevingsvergunning voor het bouwen van het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt verleend als:
zelfstandige opstelling van zonnepanelen voldoen aan de volgende voorwaarden:
zelfstandige opstelling van zonnepanelen aansluitend aan de bestaande bebouwing zijn alleen toegelaten als zonnepanelen op bebouwing of binnen open ruimten tussen de bestaande bebouwing niet mogelijk zijn, omdat de opbrengst van de panelen op die plekken beperkt is;
de maximale bouwhoogte van de opstelling is 2,5 meter;
het maximale oppervlak aan zonnepanelen is 100 m2, en;
zonnepanelen in veldopstelling worden landschappelijk ingepast aan de hand van de kenmerken van het deelgebied op basis van het landschapsontwikkelingsplan en de welstandsnota;
als de opstelling binnen 200 meter is gelegen van de hartlijn van een buisleiding - gas wordt advies aan de leidingbeheerder gevraagd voordat de omgevingsvergunning verleend kan worden;
De maximale bouwhoogte van windturbines die op het dak geplaatst worden, is 2 meter boven de nok van het dak;
De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde anders dan genoemd onder a, c en d is maximaal 3 meter waarbij vrijstaande lichtmasten niet zijn toegestaan.
Artikel 19.66 Specifieke beoordelingsregels voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde bij de bedrijfswoning
Een omgevingsvergunning voor het bouwen van het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, verleend als:
zelfstandige opstelling van zonnepanelen voldoen aan de volgende voorwaarden:
zelfstandige opstelling van zonnepanelen aansluitend aan de bestaande bebouwing zijn alleen toegelaten als zonnepanelen op bebouwing of binnen open ruimten tussen de bestaande bebouwing niet mogelijk zijn, omdat de opbrengst van de panelen op die plekken beperkt is;
de maximale bouwhoogte van de opstelling is 2,5 meter;
het maximale oppervlak aan zonnepanelen is 50 m2, en;
zonnepanelen in veldopstelling worden landschappelijk ingepast aan de hand van de kenmerken van het deelgebied op basis van het landschapsontwikkelingsplan en de welstandsnota;
als de opstelling binnen 200 meter is gelegen van de hartlijn van een buisleiding - gas wordt advies aan de leidingbeheerder gevraagd voordat de omgevingsvergunning verleend kan worden;
De maximale bouwhoogte van windturbines die op het dak geplaatst worden, is 2 meter boven de nok van het dak;
De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde anders dan genoemd onder a, c en d is maximaal 3 meter waarbij vrijstaande lichtmasten niet zijn toegestaan.
Artikel 19.67 Specifieke beoordelingsregels voor een buitenopslag
Een omgevingsvergunning voor het realiseren van een buitenopslag wordt in afwijking van het algemeen strijdig gebruik in artikel 19.59 verleend als:
de buitenopslag is aantoonbaar noodzakelijk voor de bedrijfsvoering;
er wordt voldaan aan de geldende geluidsnormen, zoals opgenomen in hoofdstuk 6;
er is sprake van een zorgvuldige landschappelijke inpassing wat blijkt uit een meegeleverd landschapsplan;
er bij buitenopslag geen verlichting wordt gebruikt die leidt tot een aantasting van het geldende gemeentelijke lichtdonkerbeleid;
buitenopslag leidt niet tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van de naastgelegen percelen;
er mogen alleen bouwwerken, geen gebouw zijnde worden gebouwd als wordt voldaan aan de volgende bouwregels:
Artikel 19.68 Specifieke beoordelingsregels voor het inpandig vergroten voormalige boerderij
In afwijking van artikel 4.26, eerste lid onder a, artikel 4.53 en in afwijking van eventuele maatvoering paragraaf 19.1.2 gelden voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het inpandig vergroten van een voormalige boerderij onderstaande bouwregels:
de uitwendige hoofdvorm van de woning gehandhaafd blijft;
de totale inhoud ervan niet wordt vergroot, dan wel met niet meer dan 10% van de inhoud wordt vergoot of verkleind;
geen andere afwijkingen van het omgevingsplan ontstaan;
bij vergroting, het bouwwerk niet hoger wordt dan de hoogte op 1 januari 2024;
de woning niet zodanig van karakter verandert, dat het niet of minder in de omgeving past; en
vooraf vaststaat dat daardoor het aantal woningen niet toeneemt.
Artikel 19.69 Specifieke beoordelingsregels voor een paardrijbak
Een omgevingsvergunning voor het realiseren van een paardrijbak wordt in afwijking van het algemene strijdige gebruik in artikel 19.59 verleend als:
de paardrijbak in het achtererfgebied is gelegen;
er maximaal 1 paardrijbak per (bedrijfs)woning wordt gerealiseerd;
de paardrijbak aansluitend aan het bestaande erf gerealiseerd wordt, volgens het beginsel van bebouwingsconcentratie;
de oppervlakte van een paardrijbak bedraagt maximaal 1.300 m2;
de afstand tot de perceelgrens bedraagt minimaal 5 meter;
de omheiningen hebben een maximale hoogte van 1,8 meter;
lichtmasten zijn niet toegestaan.
Subsubparagraaf 19.2.6.2.2 Omgevingsvergunning activiteit werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid uitvoeren
Artikel 19.70 Omgevingsplanactiviteit overige grondwerkwerkzaamheden
Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren:
het aanleggen of verharden van wegen, paden, of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
het egaliseren, diepploegen, diepwoelen op een diepte van meer dan 0,5 meter onder maaiveld;
het ophogen van gronden met meer dan 0,2 meter ten opzichte van het oorspronkelijke maaiveld;
het aanleggen of veranderen van waterlopen, sloten en greppels en het vergraven, verruimen en dempen van waterlopen en kolken en het draineren van gronden; of
het aanbrengen van ondergrondse leidingen, constructies, installaties en apparatuur of;
het beplanten van gronden met diepwortelende bomen en struiken.
In afwijking van het eerste lid is geen omgevingsvergunning vereist voor:
oppervlakteverhardingen met een totale oppervlakte van 100 m2;
die het normale onderhoud betreffen;
die het aanleggen of laten aanleggen van kabels en leidingen ten behoeve van nutsvoorzieningen betreffen binnen de basisfunctielaag Infrastructuur en agrarisch landschap - gemengde functies met toestemming van de net- of leidingbeheerder, met uitzondering van:
aardgastransportleidingen met een diameter van meer dan 4" of een druk van meer dan 40 bar;
transportleidingen voor brandbare vloeistoffen van de K1-, K2-, en K3-categorie met een diameter van meer dan 4";
hoogspanningsleidingen;
buisleidingen voor het transport van water, afvalwater of stoom met een doorsnede van 1 m of meer en een lengte van 10 km of meer;
reeds in uitvoering zijn dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan;
waarvoor een omgevingsvergunningsplicht op grond van artikel 19.23 vereist is;
het aanleggen of verharden van wegen of paden ter directe ontsluiting van agrarische (bouw)percelen;
het aanleggen van koe- of kavelpaden; of
die uitgevoerd worden in het kader van een door het bevoegd gezag vastgesteld ruimtelijk kwaliteitsplan.
Artikel 19.71 Beoordelingsregels in verband met overige grondwerkzaamheden
Een omgevingsvergunning op grond van artikel 19.70 kan worden verleend:
Artikel 19.14 Archeologische verwachtingswaarde Helhuizerweg 14 in Holten
Ter plaatse van de zonering archeologische verwachtingswaarde zijn de gronden behalve voor de daar al toegelaten functies, mede aangewezen voor het behoud, de bescherming of het herstel van de archeologische waarden.
Artikel
19.19
19.72
Recreatie - Verblijfsrecreatie
Binnen de functie recreatie - verblijfsrecreatie Helhuizerweg 14 in Holten is het volgende gebruik of zijn de volgende functies toegestaan:
recreatief (nacht)verblijf in een kampeermiddel of niet-plaatsgebonden recreatieverblijf, tot maximaal 40 kampeerplaatsen, ter plaatse van de aanduiding 'kampeerterrein Helhuizerweg 14 in Holten';
één bedrijfswoning met inwoonsituatie;
bed & breakfast in de bedrijfswoning, mits:
boerderijappartementen, ter plaatse van de aanduiding 'boerderijappartementen Helhuizerweg 14 in Holten', met dien verstande dat het totaal aantal boerderijappartementen in het plangebied niet meer dan zes mag bedragen;
bergingen ten behoeve van opslag van onderhoudsmateriaal noodzakelijk voor de bedrijfsvoering;
dienstverlening voor de vakantiegasten die verblijven in een stacaravan of op een kampeerplaats zoals horeca, detailhandel, sport- en spelvoorzieningen en sanitaire voorzieningen en daarbij behorende:
bouwwerken, geen gebouw zijnde;
voorzieningen zoals:
de mogelijkheid tot het opwekken van duurzame energie;
met gebruik van zonnepanelen in veldopstelling met de daarbij behorende voorzieningen of;
met gebruik van een zelfstandige opstelling van zonnepanelen met de daarbij behorende voorzieningen of;
met gebruik van windturbines op het dak van de woning met de daarbij behorende voorzieningen;
met dien verstande dat de gronden niet mogen worden beschouwd als erf.
Onder strijdig gebruik met deze functie wordt in ieder geval begrepen het gebruik dat afwijkt van de functieomschrijving, waaronder in elk geval begrepen:
bewoning van vrijstaande bijbehorende bouwwerken als zelfstandige woning, tenzij dit gebruik expliciet is toegelaten in het locatiespecifieke artikel;
recreatief verblijf in vrijstaande bijbehorende bouwwerken;
het gebruik van een recreatief verblijfsobject of recreatiewoning anders dan voor recreatief verblijf. Daaronder moet in elk geval worden verstaan het gebruik ten behoeve van (reguliere) bedrijfsactiviteiten die niet gericht zijn op toerisme of het bieden van recreatief verblijf;
zelfstandige kortdurende recreatieve activiteiten, zoals een wellness of sauna;.
het in gebruik nemen van de gronden en bouwwerken binnen de functie recreatie - verblijfsrecreatie Helhuizerweg 14 in Holten ten behoeve van de in het eerste lid opgenomen gebruiksactiviteiten, zonder de aanleg en instandhouding van de in erfinrichtingsplan Helhuizerweg 14 in Holten 14 in Holten opgenomen landschapsmaatregelen, teneinde te komen tot een goede landschappelijke inpassing;
In afwijking van het bepaalde onder f mogen gronden en bouwwerken worden gebruikt voor de functie recreatie - verblijfsrecreatie Helhuizerweg 14 in Holten onder de voorwaarde dat binnen 2 jaar na het onherroepelijk worden van deze wijziging van het omgevingsplan geheel uitvoering is gegeven aan de aanleg en de instandhouding van de landschappelijke inpassing conform het in erfinrichtingsplan Helhuizerweg 14 in Holtenopgenomen ruimtelijk kwaliteitsplan.
Artikel 19.15 Hydrologische bescherming
Ter plaatse van de hydrologische beschermingszone zijn de gronden behalve voor de daar al toegelaten functies, mede aangewezen voor functies die de grondwaterstanden in het naastgelegen natuurgebied niet aantasten.
Artikel 19.73 Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing
In aanvulling op het strijdig gebruik in artikel 19.72 wordt ook gerekend:
het in gebruik nemen van de gronden en bouwwerken binnen de functie recreatie - verblijfsrecreatie Helhuizerweg 14 in Holten ten behoeve van de in het eerste lid opgenomen gebruiksactiviteiten, zonder de aanleg en instandhouding van de in erfinrichtingsplan Helhuizerweg 14 in Holten 14 in Holten opgenomen landschapsmaatregelen, teneinde te komen tot een goede landschappelijke inpassing;
In afwijking van het bepaalde onder f mogen gronden en bouwwerken worden gebruikt voor de functie recreatie - verblijfsrecreatie Helhuizerweg 14 in Holten onder de voorwaarde dat binnen 2 jaar na het onherroepelijk worden van deze wijziging van het omgevingsplan geheel uitvoering is gegeven aan de aanleg en de instandhouding van de landschappelijke inpassing conform het in erfinrichtingsplan Helhuizerweg 14 in Holtenopgenomen ruimtelijk kwaliteitsplan.
Artikel 19.16 Landschap de Holterberg
landschap de Holterberg (deelgebied 5) wordt gevormd door het reliëf van de Sallandse Heuvelrug. Het landschap kenmerkt zich door afwisseling van bos, heiderestanten en behoort tot het stuwlandschap.Het grootste deel bestaat uit aaneengesloten boscomplexen met naaldbos (stuthout voor de mijnbouw). Het gebied valt onder het Natuurnetwerk Nederland en heeft hoge natuurwaarden. Aan de zuidzijde van de Sallandse Heuvelrug komt enige bebouwing voor. Opgaven voor het landschap:
behoud en versterken van de natuurfunctie (extensiever);
vergroting biodiversiteit door omvorming van naald- naar loofbos;
bestaande heidegebieden vergroten (stuwwal toppen open maken);
versterken recreatieve relatie Holten - Holterberg;
het creëren of herstellen van zichtlijnen naar het omringende landschap;
creëren uitzichtpunt op de Holterberg.
Artikel 19.17 Landschap Westflank Holterberg
landschap Westflank Holterberg (deelgebied 2) wordt gevormd door kleinschalige akker- en graslanden, met beplante steilranden, houtwallen, gegroepeerde boerderijen en behoort tot het kampenlandschap.Dit landschap, waarin de hoogteligging afneemt van oost naar west, wordt gevormd door onregelmatige wegenpatroon, verspreide boerderijen, glooiende landerijen en beplantingselementen. Het gebied is gevarieerd en kleinschalig. Opgaven voor het landschap:
behoud en versterken kleinschalig landschap met als inspiratiebron het landschap van 1900 door houtwallen met zomereik als hoofdsoort;
behoud en versterken zichtrelatie met de Holterberg;
cultuurhistorisch beeld van boerderijen en erven behouden en versterken;
behoud van onverharde wegen ten behoeve van natuur en recreatie;
versterken landgoed en bos in de omgeving.
Artikel 19.20 Zonering grondgebonden zonnepanelen 'ja, mits'
Het opwekken van energie met grootschalige opstellingen van zonnepanelen wordt steeds meer toegepast. De gemeente wil gebruik van duurzame energie stimuleren en ziet zonnepanelen als een goede invulling van dit streven. In het beleid grondgebonden zonnepanelen Rijssen-Holten zijn voorwaarden opgenomen waarmee bij de ontwikkeling van initiatieven rekening moet worden gehouden. De zoneringen, waaronder de zonering grondgebonden zonnepanelen 'ja, mits', in het omgevingsplan geven aan of een locatie kansrijk(er) is voor de realisatie van grootschalige grondgebonden zonnepanelen. Realisatie van concrete plannen loopt via een eigen (uitgebreide) procedure of planherziening en is op basis van het omgevingsplan niet mogelijk.
Artikel 19.21 Melding beroep of bedrijf aan huis
Het is toegestaan een beroep of bedrijf aan te realiseren als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
een melding op grond van artikel 8.11 is gedaan;
de beroeps- of bedrijfsfunctie niet ondergeschikt is aan de woonfunctie;
minder dan 35% van het vloeroppervlak van de woning en de bijbehorende bouwwerken wordt gebruikt voor een aan huis gebonden beroeps- of bedrijfsactiviteit tot een maximale oppervlakte van:
degene die de beroeps- of bedrijfsactiviteiten uitvoert, de bewoner van de woning is;
de ruimtelijke uitstraling in overeenstemming is met de woonfunctie en woonomgeving;
er geen detailhandel en horeca-gerelateerde activiteiten plaatsvinden; en
de uitoefening van een aan huis gebonden beroeps- of bedrijfsactiviteit niet uitsluitend plaatsvindt in een bijbehorend bouwwerk.
Artikel 19.22 Melding inwoonsituatie
Het is toegestaan een inwoonsituatie te realiseren als wordt voldaan de volgende voorwaarden:
een melding op grond van artikel 8.11 is gedaan;
er twee huishoudens onder één dak worden gehuisvest;
het uiterlijk van de woning één woning en één bouwmassa blijft;
er sprake is van één centrale toegang tot de woning, van waaruit beide woonvertrekken direct toegankelijk/bereikbaar zijn;
er geen sprake is van een woningscheidende wand; en
er geen vergunningplichtige, bouwkundige aanpassingen in- dan wel uitpandig aan het gebouw plaatsvinden.
Artikel
19.23
19.74
Algemene beoordelingsregels - gebouwen recreatie - verblijfsrecreatie
In aanvulling op artikel 4.20 gelden voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwenvoor recreatie - verblijfsrecreatie Helhuizerweg 14 in Holten tevens de volgende beoordelingsregels:
Een omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwen ten behoeve van recreatie - verblijfsrecreatie Helhuizerweg 14 in Holten wordt verleend als:
Situering en inpassing van bouwwerken op het (bestaande) erf vindt plaatsplaatsvindt aan de hand van de kenmerken en uitgangspunten van het bestaande erftype uit de bijlage Erven buitengebied Rijssen-Holten.
Van subparagraaf 4.2.2 is alleen artikel 4.144.18, eerste lid en artikel 4.184.21 van toepassing;
Nieuwe of te verbouwen bouwwerken worden op voldoende afstand van de weg opgericht vanwege het wegbeheer en de verkeersveiligheid. Voldoende afstand ten opzichte van de as van de weg is in ieder geval:
Rijksweg: 100 meter
Provinciale weg
provinciale weg
: 50 meter
Lokale verharde weg
lokale weg - verhard
: 20 meter
Lokale onverharde weg
lokale weg - onverhard
: 10 meter
Een kortere afstand kan alleen wanneer dit vanuit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar is en de wegbeheerder vanuit wegbeheer en verkeersveiligheid geen bezwaar heeft;
Nieuwe vrijstaande bouwwerken worden in ieder geval 5 meter van andere bouwwerken opgericht, maar nooit verder dan 25 meter tenzij aan(een)gebouwde bouwwerken specifiek zijn toegelaten;
Nieuwe bouwwerken of te verbouwen bouwwerken voldoen aan redelijke eisen van beeld- en erfkwaliteit, zoals opgenomen in de welstandsnota;
Nieuwe bouwwerken op een onbebouwde of volledig gesaneerde locatie worden binnen een logische structuur ten opzichte van elkaar gesitueerd. De structuur wordt afgestemd met de opzet binnen het geldende landschapstype en de redelijke eisen van beeld- en erfkwaliteit zoals opgenomen in de welstandsnota.
Reclame-uitingen, als er sprake is van een rechtstreeks en functioneel verband met het pand waar de reclame op, aan of bij geplaatst is, zoals opgenomen in de reclamenota.
Artikel
19.24
19.75
Algemene beoordelingsregels - milieuregels voor alle bouwwerken
In aanvulling op artikel 4.204.26 kan een omgevingsvergunning voor een bouwwerk op grond van subsubparagraaf 19.1.9.2.219.2.7.2.1 alleen worden verleend als wordt voldaan aan de volgende normen:
donkerte: Er geen sprake is van onevenredige aantasting van de aanwezige donkerte conform de ambitie op basis van het gemeentelijke lichtdonkerbeleid .
geur: Indien bij een activiteit emissie naar de lucht plaatsvinden, wordt daarbij geurhinder bij geurgevoelige objecten voorkomen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is, wordt de geurhinder tot een aanvaardbaar niveau beperkt.
fijnstof (PM10):
Artikel 19.25 Specifieke beoordelingsregels - bedrijfswoning recreatie - verblijfsrecreatie
In aanvulling op artikel 4.20 gelden voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van bedrijfswoningen tevens de volgende regels voor de maatvoering:
het maximum oppervlak is 150 m2;
de maximale bouwhoogte is 10 meter;
de maximale goothoogte is 3,5 meter;
de minimale dakhelling is 30°; en
in afwijking van a tot en met d geldt dat afwijkingen in maten en afmetingen, zoals die bestaan op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp omgevingsplan gehandhaafd mogen worden.
Artikel
19.26
19.76
Specifieke beoordelingsregels - bijbehorende bouwwerken recreatie - verblijfsrecreatie
In aanvulling op artikel 4.20 gelden elden voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken onderstaande bouwregels:
Een omgevingsvergunning voor het bouwen van een sanitair gebouw wordt verleend als:
het maximale oppervlak is 150 m2, waarvan maximaal 30 m2 aangebouwd;
per perceel mogen maximaal 2 vrijstaande bijbehorende bouwwerken worden gebouwd;
de maximale bouwhoogte van een vrijstaand bijbehorend bouwwerk is 6 meter;
de bouwhoogte van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk is tenminste 1 meter lager dan de vergunde bouwhoogte van het hoofdgebouw;
de maximale goothoogte is 3,5 meter;
de minimale dakhelling is 30°, een andere dakhelling is onder voorwaarden mogelijk middels een Binnenplanse omgevingsplanactiviteit voor het afwijken van de dakhelling van bijbehorende bouwwerken;
er is maximaal één gebouw voor berging en sanitair ten behoeve van de verblijfsrecreatie toegestaan onder de volgende voorwaarden:
in afwijking van het bepaalde onder a tot en met f geldt dat afwijkingen in aantallen, maten en afmetingen, zoals die bestaan op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp omgevingsplan gehandhaafd mogen worden. Voor het oppervlak van bijbehorende bouwwerken geldt als de legaal aanwezige m2 meer bedragen dan 150 m2, vervangende nieuwbouw is toegestaan tot deze bestaande oppervlakte met een maximum van 300 m2, onder voorwaarde van landschappelijke inpassing.
Artikel
19.27
19.77
Specifieke beoordelingregels - boerderijeappartementen recreatie - verblijfsrecreatie
In aanvulling op artikel 4.20 geldt voor het verlenen van een
Een omgevingsvergunning voor het bouwen van boerderijappartementen dat ten behoeve van recreatie - verblijfsrecreatie Helhuizerweg 14 in Holten wordt verleend als de oppervlakte, goothoogte, bouwhoogte en inhoud ten hoogste de bestaande oppervlakte, goothoogte, bouwhoogte en inhoud bedraagt.
Artikel
19.28
19.78
Specifieke beoordelingsregels - bouwwerken geen gebouw zijnde recreatie - verblijfsrecreatie
In aanvulling op artikel 4.20 gelden voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, onderstaande bouwregels:
Een omgevingsvergunning voor het bouwen van het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van recreatie - verblijfsrecreatie Helhuizerweg 14 in Holten wordt verleend als:
De maximale bouwhoogte van verkeers-, sport- en spelvoorzieningen is 6 meter;
De maximale bouwhoogte van vlaggenmasten is 6 meter, met een maximum van 4 vlaggenmasten per bedrijf; en
De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde anders dan genoemd onder a, c en d,b is maximaal 3 meter waarbij vrijstaande lichtmasten en opstellingen ten behoeve van grondgebonden zonnepanelen niet zijn toegestaan.
Artikel
19.29
19.79
Specifieke beoordelingsregels - inpandig vergroten voormalige boerderij
In aanvulling opafwijking van artikel 4.204.26, eerste lid onder a, artikel 4.53 en in afwijking van eventuele maatvoering paragraaf 19.1.2 gelden voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het inpandig vergroten van een voormalige boerderij onderstaande bouwregels:
de uitwendige hoofdvorm van de woning gehandhaafd blijft;
de totale inhoud ervan niet wordt vergroot, dan wel met niet meer dan 10% van de inhoud wordt vergoot of verkleind;
geen andere afwijkingen van het omgevingsplan ontstaan;
bij vergroting, het bouwwerk niet hoger wordt dan op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp van het plan;
de woning niet zodanig van karakter verandert, dat het niet of minder in de omgeving past; en
vooraf vaststaat dat daardoor het aantal woningen niet toeneemt.
Artikel
19.30
19.80
Specifieke beoordelingsregels - gebouwen voor onderhoud in bosgebieden
In aanvulling op artikel 4.20 gelden voor het verlenen van een
Een omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwen ten behoeve van onderhoud van bosgebieden tevens de volgende beoordelingsregels:
Artikel
19.31
19.81
Specifieke beoordelingsregels - bouwwerken geen gebouw zijnde in natuur - natuurlandschap
In aanvulling op artikel 4.20 gelden voor het verlenen van een
Een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van natuurlandschap, buiten de bestaande situatie de volgende standaard beoordelingsregels:
de maximale bouwhoogte van trimtoestellen is 3 meter;
de maximale bouwhoogte van wildoberservatieposten is 8 meter;
de maximale bouwhoogte van perceel- en erfafscheidingen voor het weiden van vee is 1,5 meter;
overige perceel- en erfafscheidingen zijn alleen toegestaan als deze:
de maximale bouwhoogte van informatievoorzieningen is 2,5 meter;
de maximale bouwhoogte van bruggen en daarmee gelijk te stellen kunstwerken is 15 meter;
voor vissteigers bij een watergang geldt:
een positief advies van de waterbeheerder;
de maximale bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouw zijnde is 3 meter;
vrijstaande lichtmasten zijn niet toegestaan.
Artikel
19.32
19.82
Specifiek overgangsrecht bouwwerken
In afwijking van artikel 15.3 geldt voor een bouwwerk dat:
In afwijking van artikel 15.3 geldt dat een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het omgevingsplan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
Het gestelde onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
Subsubparagraaf
19.1.9.2.3
19.2.7.2.2
Omgevingsvergunning activiteit werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid uitvoeren
Artikel 19.33 Omgevingsplanactiviteit in verband met archeologische waarde
Het is verboden zonder omgevingsvergunning werken of werkzaamheden uit te voeren binnen het aangewezen gebied archeologische verwachtingswaarde.
Er is geen omgevingsvergunning nodig voor:
bouwwerken of projecten met een oppervlakte van niet meer dan 2.500 m2 waarbij de bodem niet op een grotere diepte dan 0,5 meter wordt verstoord;
activiteiten waarvoor geen omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen vereist is;
bouwwerken of projecten waarvoor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen is verleend en waarbij een rapport dat niet ouder dan 5 jaar is, wordt overlegd waarin de archeologische waarde van de gronden in voldoende mate is vastgesteld of;
bouwwerken of projecten waarbij vervangende nieuwbouw op bestaande fundering plaatsvindt.
Artikel
19.39
19.83
Omgevingsplanactiviteit overige grondwerkwerkzaamheden
Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren:
het aanleggen of verharden van wegen, paden, of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
het egaliseren, diepploegen, diepwoelen op een diepte van meer dan 0,5 meter onder maaiveld;
het ophogen van gronden met meer dan 0,2 meter ten opzichte van het oorspronkelijke maaiveld;
het aanleggen of veranderen van waterlopen, sloten en greppels en het vergraven, verruimen en dempen van waterlopen en kolken en het draineren van gronden; of
het aanbrengen van ondergrondse leidingen, constructies, installaties en apparatuur of;
het beplanten van gronden met diepwortelende bomen en struiken.
In afwijking van het eerste lid is geen omgevingsvergunning vereist voor:
oppervlakteverhardingen met een totale oppervlakte van 100 m2;
die het normale onderhoud betreffen;
reeds in uitvoering zijn dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan;
waarvoor een omgevingsvergunningsplicht op grond van artikel 19.3319.23 vereist is;
het aanleggen of verharden van wegen of paden ter directe ontsluiting van agrarische (bouw)percelen;
het aanleggen van koe- of kavelpaden; of
die uitgevoerd worden in het kader van een door het bevoegd gezag vastgesteld ruimtelijk kwaliteitsplan.
Artikel 19.34 Beoordelingsregels in verband met archeologische waarde
De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk of werkzaamheden in de zone archeologische verwachtingswaarde wordt alleen verleend als;
door die werken of werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, één of meer archeologische waarden van de betreffende gronden, niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind; en
door de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport is overgelegd, met inachtneming van artikel 3.12 en artikel 3.13, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld.
Artikel
19.40
19.84
Beoordelingsregels in verband met overige grondwerkzaamheden
Een omgevingsvergunning op grond van artikel 19.3919.83 kan worden verleend:
Artikel 19.36 Omgevingsplanactiviteit in verband met hydrologische bescherming
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een nieuwe ontwikkeling binnen de hydrologische beschermingszone uit te voeren.
Er is geen omgevingsvergunning nodig voor:
bouwwerken of werken waarbij de bodem niet op een grotere diepte dan 0,5 meter wordt verstoord;
bouwwerken of werken waarvoor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen is verleend en waarbij een rapport is overlegd waarin de effecten op de hydrologie zijn vastgesteld. Dit rapport mag niet ouder dan 5 jaar zijn; of
het vervangen van bouwwerken op de bestaande fundering.
Subsubparagraaf
19.1.9.2.4
19.2.7.2.3
Omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit slopen bouwwerk Helhuizerweg 14
Artikel
19.41
19.85
Omgevingsvergunnig slopen bouwwerk Helhuizerweg 14 in Holten
Het is verboden zonder omgevingsvergunning bouwwerken te slopen.
Artikel
19.42
19.86
Beoordelingsregels slopen bouwwerk Helhuizerweg 14 in Holten
De omgevingsvergunning als bedoelt in artikel 19.4119.85 kan worden verleend, indien nader onderzoek heeft plaatsgevonden naar vleermuizen zoals beschreven in het natuurwaardenonderzoek Helhuizerweg 14 in Holten en eventueel mitigerende maatregelen zijn genomen.
Artikel 19.87 Nader bodemonderzoek voorafgaand aan activiteiten en gebruik
Het uitvoeren van de activiteiten en functies zoals toegelaten in paragraaf 19.2.8 zijn uitsluitend toegelaten indien:
er nader bodemonderzoek conform de resultaten van het bodemonderzoek Grotestraat 26 in Rijssen is verricht, om de ernst en omvang van de zinkverontreiniging te bepalen; en
de sanering van de bodem die noodzakelijk is op basis van de resultaten van het onder a bedoelde nader bodemonderzoek, waarbij geldt dat bij het verrichten van de bodemsanering wordt voldaan aan de regels over het saneren van de bodem, zoals bedoeld in paragraaf 4.121 Besluit activiteiten leefomgeving.
De voor centrum - 2 Grotestraat 26 in Rijssen aangewezen gronden mogen worden gebruikt voor:
ter plaatse van de locatie centrum - commerciële functies:
detailhandel op de begane grond;
horeca, overeenkomstig categorie 1 vermeld in de bij deze regels behorende horeca categorie omgevingsplan gemeente Rijssen - Holten; of
dienstverlening en kantoor met balie op de begane grond
wonen, in appartementen;
een aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit in hoofdgebouwen;
verblijfsgebied met bijbehorende voorzieningen zoals (on)bebouwde terreinen en parkeervoorzieningen; en
overige voorzieningen ten behoeve van de genoemde functies.
Onder strijdig gebruik met de in het eerste lid gegeven functieomschrijving wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de functieomschrijving, waaronder in elk geval wordt begrepen:
het gebruik van bijgebouwen ten behoeve van zelfstandige bewoning;
het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van perifere detailhandel;
horecabedrijven in de vorm van bar-dancings, of nachtclubs of discotheken;
industriële bedrijvigheid;
vuurwerk- opslag en verkoop;
detailhandel in explosieve goederen;
het innemen van een standplaats; of
overnachtingen op een evenemententerrein;
Artikel 19.89 Verkeer - verblijfsgebied
De voor verkeer - verblijfsgebied Grotestraat 26 in Rijssen aangewezen locaties mogen worden gebruikt als verblijfsgebied alsmede bijbehorende parkeer- en groenvoorzieningen en bebouwing.
Artikel 19.90 Algemene beoordelingsregels voor gebouwen
Een omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwen ten behoeve van centrum - 2 Grotestraat 26 in Rijssen wordt verleend als:
het maximum aantal wooneenheden per bouwperceel zoals bedoelt in artikel 19.4 niet overschreden wordt waarbij zowel woningen als appartementen zijn toegelaten;
minimaal 30% van het aantal woningen of appartementen dient te voldoen aan afdeling 7.1;
gebouwen ten behoeve van ondergrondse parkeervoorzieningen worden gerealiseerd in ten hoogste 1 bouwlaag en mogen in afwijking van het bepaalde in artikel 19.3 zowel binnen als buiten de locatie 'bouwvlak gebouwen' worden gebouwd;
Artikel 19.91 Specifieke beoordelingsregels voor bouwwerken geen gebouw zijnde voor centrum - 2
Een omgevingsvergunning voor het bouwen voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van centrum - 2 Grotestraat 26 in Rijssen wordt verleend als:
Artikel 19.92 Specifieke beoordelingsregels voor bouwwerken geen gebouw zijnde verkeer - verblijfsgebied
Een omgevingsvergunning voor het bouwen voor het bouwen van specifieke gebouwen ten behoeve van verkeer - verblijfsgebied Grotestraat 26 in Rijssen wordt verleend als:
Een omgevingsvergunning voor het bouwen voor het bouwen van specifieke bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van verkeer - verblijfsgebied Grotestraat 26 in Rijssen wordt verleend als:
Artikel 19.93 Vergunningplicht sloopactiviteit
Voor het slopen van bouwwerken op de locatie centrum - 2 Grotestraat 26 in Rijssen wordt omgevingsvergunning verleend als:
nader onderzoek heeft plaatsgevonden naar beschermde diersoorten;
de onderzoeksrapportage als bedoeld onder a namens het bevoegd gezag is goedgekeurd door een ter zake deskundige; en
eventueel uit het nader onderzoek voortvloeiende verplichte vervolgstappen zijn genomen, waaronder wordt verstaan het treffen van mitigerende maatregelen en het verkrijgen van een ontheffing voor een flora- en fauna-activiteit betreffende de beschermde diersoorten, en de effectiviteit van eventuele mitigerende maatregelen is aangetoond door een ter zake deskundige.
Artikel 19.94 Vergunningplicht werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid uitvoeren
Voor de volgende werken, niet zijnde bouwwerken, of werkzaamheden geldt een vergunningplicht tenzij artikel 3.13 van toepassing is;
het ontgronden, vergraven, afgraven, egaliseren, diepploegen, woelen en mengen en ophogen van gronden;
het aanleggen, verbreden en verharden van wegen, paden, banen, parkeervoorzieningen en andere oppervlakteverhardingen;
het aanleggen, verdiepen, verbreden en dempen van sloten, watergangen en overige waterpartijen en het aanbrengen van drainage;
het aanleggen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- of communicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplantingen, het bebossen van gronden en het rooien van bos of andere houtgewassen waarbij de stobben worden verwijderd; of
het scheuren van grasland.
Voordat een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend, wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning archeologische waarden (kunnen) worden aangetast, en welke voorschriften aan de omgevingsvergunning moeten worden verbonden.
Een als ' gemengd - Dorpsstraat 55/55a in Holten' aangewezen aangewezen locatie heeft de volgende functies:
voor zover het de begane grond en kelder betreft;
bedrijven en instellingen zoals vermeld in de categorieën 1 en 2 van de ' staat van bedrijfsactiviteiten;
dienstverlening;
kantoren
kantoor
; en
garages en bergingen;
voor zover het de verdiepingen betreft;
een en ander met bijbehorende;
Tot een gebruik in strijd met het omgevingsplan wordt in elk geval gerekend:
In afwijking van artikel 15.4 geldt dat:
In afwijking van artikel 15.4 geldt dat het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet, behoudens voor zover uit de Richtlijnen 79/409/EEG en 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand onderscheidenlijk van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna, beperkingen voortvloeien ten aanzien van ten tijde van de inwerkingtreding van het omgevingsplan bestaan gebruik.
Het is verboden het met het omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat omgevingsplan strijdige gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
Indien het gebruik, bedoeld onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
Het gestelde onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan Buitengebied Rijssen-Holten 2012, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
Artikel 19.45 Waarde - middelhoge archeologische verwachtingswaarde
De voor archeologische verwachtingswaarde - middelhoog aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies en gebiedsaanwijzingen, mede aangewezen voor bescherming van aanwezige of naar verwachting aanwezige archeologische waarden.
Artikel
19.48
19.96
Specifieke beoordelingsregels - bouwwerken geen gebouw zijnde gemend
In aanvulling op artikel 4.20 gelden voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen en carports zijnde, gelden tevens de volgende beoordelingsregels:
Een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen en carports zijnde, wordt verleend als:
de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt voor de voorste bebouwingsgrens ten hoogste 1 meter en daarachter ten hoogste 2 meter;
de hoogte van vlaggenmasten bedraagt ten hoogste 6 meter; en
de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 2 meterbedragenmeter bedragen;
Artikel 19.47 Specifieke beoordelingsregels - gebouwen gemengd
In aanvulling op artikel 4.20 gelden voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwen tevens de volgende beoordelingsregels:
de gebouwen mogen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak Dorpsstraat 55/55a in Holten` worden gebouwd;
de maximum bouwhoogte bedraagt de hoogte ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte Dorpsstraat 55/55a in Holten';
de maximum goothoogte bedraagt de hoogte ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte Dorpsstraat 55/55a in Holten'.
Artikel
19.49
19.97
Specifieke beoordelingsregels - gebruik wonen op begane grond
Met een omgevingsvergunning kan een de functie 'wonen' worden toegekend in plaats van de functies genoemd in artikel 19.4419.95, eerste lid als aangetoond wordt dat:
er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties;
het gebruik stedenbouwkundig toelaatbaar is;
er een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd;
er geen onevenredige nadelige effecten ontstaan voor de gebruiksmogelijkheden van de aangelegen gronden en bouwwerken, en;
de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad.
Artikel
19.50
19.98
Specifiek overgangsrecht bouwwerken
In afwijking van artikel 15.3 geldt dat:
In afwijking van artikel 15.3 geldt dat een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het omgevingsplan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
Het gestelde onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
Subsubparagraaf
19.1.11.2.2
19.2.9.2.2
Omgevingsvergunning activiteit werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid uitvoeren
Artikel
19.51
19.99
Omgevingsplanactiviteit in verband met archeologische verwachtingswaarde
Het is verboden op de locatie archeologische verwachtingswaarde middelhoog - Dorpsstraat 55/55a in Holten zonder omgevingsvergunning:
De omgevingsvergunning bedoelt in het eerste lid kan worden verleend als geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de archeologische waarden van het gebied.
Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning archeologische waarden (kunnen) worden aangetast, en welke voorschriften aan de omgevingsvergunning moeten worden verbonden.
Artikel
19.52
19.100
Omgevingsplanactiviteit overige grondwerkzaamheden
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op de in artikel 19.453.1, derde bedoelde gronden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
het ontgronden, vergraven, afgraven, egaliseren, diepploegen, woelen en mengen en ophogen van gronden;
het aanleggen, verbreden en verharden van wegen, paden, banen, parkeervoorzieningen en andere oppervlakteverhardingen
;het aanleggen, verdiepen, verbreden en dempen van sloten, watergangen en overige waterpartijen en het aanbrengen van drainage;
het aanleggen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- en/of communicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplantingen, het bebossen van gronden en het rooien van bos of andere houtgewassen waarbij de stobben worden verwijderd;
het scheuren van grasland.
Het in eerste lid gestelde verbod geldt niet voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden:
werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die het normale onderhoud, gebruik en beheer betreffen, mits de gronden niet dieper dan 0,5 meter worden geroerd;
werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die op het moment van het van kracht worden van het plan in uitvoering zijn of uitgevoerd kunnen worden op grond van een voor dat tijdstip aangevraagde dan wel verleende omgevingsvergunning;
werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden als onderdeel van een ingreep in de bodem met een oppervlakte van maximaal 250 m2;
werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden waarvoor een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 nodig is.
Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning archeologische waarden (kunnen) worden aangetast, en welke voorschriften aan de omgevingsvergunning moeten worden verbonden.
Artikel 19.101 Bedrijventerrein
De voor bedrijventerrein - Fahrenheitstraat 2 in Rijssen aangewezen gronden mogen worden gebruikt voor:
bedrijven tot en met de categorie 3.2, zoals gesteld in de staat van bedrijfsactiviteiten;
kantoor behorende bij en gebonden aan bedrijven;
niet voor bewoning bestemde gebouwen, ten dienste van de functie, zoals bedrijfsgebouwen en nutsgebouwen,
wegen met een rijbaanbreedte van ten hoogste 7,5 meter, met bijbehorende paden en bermen, ter ontsluiting van bedrijven en voorzieningen;
parkeervoorzieningen;
watergangen en waterpartijen; en
andere bouwwerken, zoals palen, masten, verkeerstekens, luifels, erf- of perceelafscheidingen, technische installaties en reclamezuilen.
Onder strijdig gebruik met de in eerste lid gegeven functieomschrijving wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de functieomschrijving, waaronder in elk geval wordt begrepen:
detailhandelsbedrijven, behoudens onder a en b bedoelde;
geluidzoneringplichtige inrichtingen;
bedrijven die in belangrijke mate een verhoging van de veiligheidsrisico's kunnen veroorzaken vanwege risicobronnen die buiten de perceelsgrens van de betreffende bedrijfslocatie waarop die risicobronnen aanwezig zijn, een plaatsgebonden risico veroorzaken van meer dan 10-6 per jaar;
bedrijven die inrichtingen zijn, genoemd in bijlage C of D van het Besluit milieu-effectrapportage 1994, zoals dat laatstelijk is gewijzigd; of
buitenopslag waarbij:
Artikel 19.102 Algemene beoordelingsregels voor gebouwen en bouwwerken geen gebouw zijnde
Een omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwen ten behoeve van bedrijventerrein - Fahrenheitstraat 2 in Rijssen wordt alleen verleend als zij niet gelegen zijn in het belemmeringengebied buisleiding - gas.
Een omgevingsvergunning voor het bouwen van andere bouwwerken dan in het eerste lid genoemd wordt verleend als:
In afwijking van artikel 4.26, eerste lid onder a, artikel 4.53 en van het eerste lid onder sub a en in aanvulling op het eerste lid onder sub b en het tweede lid wordt voor het bouwen van bergingen, fietsenstallingen en andere ondergeschikte dienstgebouwen omgevingsvergunning verleend als:
zij noodzakelijk zijn voor de bedrijfsvoering;
buiten het bouwvlak Fahrenheitstraat 2 in Rijssen mogen worden gebouwd;
het bouwen uitsluitend plaatsvindt op gronden achter de voorgevelrooilijn; en
de gezamenlijke oppervlakte van de genoemde bouwwerken per bedrijf niet meer dan 100 m² bedraagt.
Artikel 19.103 Specifieke beoordelingsregels voor bouwwerken ten behoeve van een gasleiding
Een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken ten behoeve van een buisleiding - gas wordt verleend als;
In aanvulling op het eerste lid wordt omgevingsvergunning verleend voor andere bouwwerken in het belemmeringengebied buisleiding - gas als:
Artikel 19.104 Omgevingsvergunning gebruiksactiviteit
In afwijking van artikel 4.53 zijn met omgevingsvergunning andere functies of is ander gebruik toegelaten dan in artikel 19.101, eerste lid omschreven mits het bedrijven betreft die gezien de gevolgen daarvan voor de omgeving redelijkerwijs kunnen worden gelijkgesteld met bedrijven die ter plaatse zijn toegestaan.
In afwijking van artikel 4.53 zijn met omgevingsvergunning de volgende andere functies of ander gebruik toegelaten dan in artikel 19.101, eerste lid omschreven ten behoeve van het vestigen van detailhandelsbedrijven in brand- en explosiegevaarlijke goederen, volumineuze detailhandelsbedrijven en aflevercentra, met inachtneming van de volgende bepalingen:
de verkoopoppervlakte van detailhandelsbedrijven in brand- en explosiegevaarlijke goederen en volumineuze detailhandelsbedrijven mag per vestiging niet meer dan 1500 m² bedragen;
de brutovloeroppervlakte van aflevercentra mag per vestiging niet meer dan 1500 m² bedragen.
indien bij de aanvraag wordt aangetoond dat ten behoeve van de betreffende bedrijfs- of andere vestiging waar het volumineuze detailhandelsbedrijf wordt gebouwd, op eigen terrein of elders, in parkeergelegenheid wordt of zal worden voorzien overeenkomstig de normering als vermeld in de parkeernormen Rijssen-Holten.
Artikel 19.105 Omgevingsvergunning werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid uitvoeren
Voor het uitvoeren van de volgende een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden is een omgevingsvergunning vereist:
het aanleggen en verharden van wegen en paden en het aanleggen of aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
het uitvoeren van graafwerkzaamheden anders dan normaal spit- en ploegwerk;
het verlagen van de bodem en afgraven, ophogen en egaliseren van de gronden;
het aanleggen van geluid- en andere wallen;
het permanent opslaan van goederen waaronder ook begrepen het opslaan van afvalstoffen.
In afwijking van het eerste lid is geen omgevingsvergunning vereist voor werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden:
De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend voor werken en werkzaamheden als:
Artikel 19.54 Agrarisch met waarden - Met grote landschappelijke waarde
Gronden binnen de functie 'agrarisch met waarden - met grote landschappelijk waarde' mogen worden gebruikt voor de volgende activiteiten:
het behoud en het herstel van de landschappelijke of cultuurhistorische waarden, tot uitdrukking komend in het aanwezige reliëf, de openheid van het landschap of kleinere natuurelementen;
het weiden van vee;
akkerbouw;
voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, waaronder begrepen voorzieningen ten behoeve van het vasthouden, bergen, aan- en afvoeren van water;
voorzieningen ten behoeve van extensief recreatief medegebruik, zoals onverharde en (half)verharde wandel-, fiets- en ruiterpaden; en
met bouwwerken, geen gebouw zijnde en werken, geen bouwwerken zijnde.
Tot een gebruik in strijd met het eerste lid wordt in elk geval gerekend:
Artikel
19.55
19.106
Overgangsrecht gebruik
Het gebruik van grond en bouwwerken op grond van subsubparagraaf 19.1.13.119.2.11.1 dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
Het is verboden het met het omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
Indien het gebruik, bedoeld in artikel in het eerste lid, na de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende omgevingsplan , daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
Artikel
19.58
19.107
Wonen - landelijk
Gronden binnen de functie 'wonen - landelijk Oosterhofweg 244 in Rijssen' mogen worden gebruikt voor de volgende activiteiten:
wonen, in vrijstaande woningen;
aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit in hoofdgebouwen;
water; of
groenvoorzieningen.
Tot een gebruik in strijd met het eerste lid wordt in elk geval begrepen:
het in gebruik nemen van de gronden en bouwwerken binnen de functie 'Wonen - Landelijk' ten behoeve van de in eerste lid opgenomen gebruiksactiviteiten, zonder de aanleg en instandhouding van de in erfinrichtingsplan Oosterhofweg 244 in Rijssen opgenomen landschapsmaatregelen, teneinde te komen tot een goede landschappelijke inpassing;
in afwijking van het bepaalde onder a mogen gronden en bouwwerken worden gebruikt voor de functie 'Wonen - Landelijk' onder de voorwaarde dat binnen 2 jaar na het onherroepelijk worden van deze wijziging van het omgevingsplan geheel uitvoering is gegeven aan de aanleg en de instandhouding van de landschappelijke inpassing conform het in erfinrichtingsplan Oosterhofweg 244 in Rijssen opgenomen inrichtingsplan.
Artikel 19.56 Waarde - middelhoge archeologische verwachtingswaarde
De voor 'archeologische verwachtingswaarde - middelhoog ' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies en gebiedsaanwijzingen, mede aangewezen voor bescherming van aanwezige of naar verwachting aanwezige archeologische waarden.
Artikel 19.57 Waarde - hoge archeologische verwachtingswaarde
De voor 'archeologische verwachtingswaarde - hoog ' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies en gebiedsaanwijzingen, mede aangewezen voor bescherming van aanwezige of naar verwachting aanwezige archeologische waarden.
Artikel
19.59
19.108
Afstemmingsregel welstand
Voor zover de regels in subsubparagraaf 19.1.13.2.119.2.11.2.1 ruimte bieden voor verschillende mogelijkheden voor het realiseren van gebouwen als het gaat om:
Artikel
19.60
19.109
Algemene bouwregels voor alle bouwwerken
Van subparagraaf 4.2.2 is alleen artikel 4.144.18, eerste lid en artikel 4.184.21 van toepassing.
Artikel
19.62
19.110
Maatwerkbepalingen - diverse omgevingsvergunningen bouwactiviteit (omgevingsplan)
Het college kan nadernadere eisen aan bouwwerken stellen met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van:
Het eerste lid is van toepassig op de volgende bouwwerken:
de plaats en de bouwhoogte van gebouwen en andere bouwwerken;
de plaats van gebouwen in die zin dat de hoofdgebouwen in de naar de weg gekeerde bouwgrens moeten worden gebouwd;
de plaats van bijbehorende bouwwerken die zijn gelegen binnen een afstand van 3 m uit de perceelgrens; of
de grootte en inhoud van de zelfstandige woonruimte noodzakelijk vanuit een oogpunt van de mantelzorg.
Artikel
19.63
19.111
Overgangsrecht bouwwerken
Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot;
Het college bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde in het eerste lid en een omgevingsvergunning verlenen van voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk met maximaal 10%.
Het tweede lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
Artikel
19.64
19.112
Specifieke beoordelingsregels - gebouwen en overkappingen
In aanvulling op artikel 4.20 gelden voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwen en overkappingen ten behoeve van wonen gelden de volgende regels:
Een omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwen en overkappingen wordt verleend als:
gebouwen en overkappingen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;
het aantal woningen mag één in bouwvlak 1 Oosterhofweg 244 in Rijssen en één in bouwvlak 2 Oosterhofweg 244 in Rijssen bedragen; en
van een bouwperceel mag niet meer dan 25% worden bebouwd, dan wel de bestaande bebouwingsoppervlakte, indien deze meer bedraagt; en
situering en inpassing van bouwwerken op het (bestaande) erf vindt plaats conform het in erfinrichtingsplan Oosterhofweg 244 in Rijssen opgenomen inrichtingsplan
Artikel
19.65
19.113
Specifieke beoordelingsregels - hoofdgebouwen
In aanvulling op artikel 4.20 gelden voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van hoofdgebouwen de volgende regels:
Een omgevingsvergunning voor het bouwen van hoofdgebouwen wordt verleend als:
de goot- en bouwhoogte van hoofdgebouwen mogen niet meer dan respectievelijk 3,5 meter en 8,0 meter bedragen, dan wel niet meer dan de bouw- en goothoogte van het bestaande gebouw, indien deze meer bedragen;
de afstand van de hoofdgebouwen tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt minimaal 4 meter aan één zijde, met dien verstande, dat die afstand 0 meter mag bedragen, mits 3 meter achter de voorgevel of het verlengde daarvan en met een maximale goothoogte van 3,5 meter wordt gebouwd; en
de voorgevel van de hoofdgebouwen dient in of maximaal 3 meter achter de naar de weg gekeerde bebouwingsgrens te worden gebouwd.
Artikel
19.66
19.114
Specifieke beoordelingsregels - vrijstaande bijbehorende bouwwerken
In aanvulling op artikel 4.20 gelden voor het verlenen van een
Een omgevingsvergunning voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken de volgende regels:
deze bouwwerken niet minder dan 3 meter achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw mogen worden gebouwd, met dien verstande dat de afstand van het bestaande bouwwerk tot (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw in acht mag worden genomen, indien deze afstand minder dan 3 meter bedraagt;
de goot- en bouwhoogte van een vrijstaand bijbehorend bouwwerk mag niet meer dan respectievelijk 3,5 meter en 8,0 meter bedragen, met dien verstande dat:
ter plaatse van de aanduiding 'asymmetrische kap' mag de goothoogte aan de zijde van de Enterstraat niet meer dan 3 meter bedragen en de goothoogte aan de zijde van de Oosterhofweg niet meer dan 5 meter, waarbij de nokhoogte maximaal 6 meter is;
dan wel niet meer dan de bouw- en goothoogte van het bestaande gebouw, indien deze meer bedragen; en
de gezamenlijke oppervlakte mag niet meer dan maximaal 350 m2 bedragen per bouwvlak bouwvlak gebouwen en overkappingen.
Artikel
19.67
19.115
Specifieke beoordelingsregels - voor een uitbouw, zoals een erker, toegangspartij, luifel of balkon
In aanvulling op artikel 4.20 en artikel19.112 19.64 gelden voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen een uitbouw, zoals een erker, toegangspartij, luifel of balkon de volgende regels:
buiten het bouwvlak bouwvlak gebouwen en overkappingen worden gebouwd tot maximaal 1,5 meter daarbuiten, met dien verstande dat:
de afstand van enig deel van de uitbouw ten minste 2,5 meter uit de perceelgrens bedraagt; en
de hoogte niet meer mag zijn dan 25 centimeter boven de eerste verdiepingsvloer.
Artikel
19.68
19.116
Specifieke beoordelingsregels - bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde
In aanvulling op artikel 4.20 gelden voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde de volgende regels:
Een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen wordt verleend als:
de bouwhoogte van terreinafscheidingen voor de voorgevelrooilijn bedraagt ten hoogste 1 meter en daarachter ten hoogste 2 meter, met dien verstande dat voor hoeksituaties gericht op de openbare weg of openbaar groen geldt dat in het verlengde van de achtergevel van de woning de bouwhoogte ten hoogste 2 meter bedraagt;
de hoogte van vlaggenmasten bedraagt ten hoogste 6 meter;
de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 2,5 meter bedragen.
Artikel
19.69
19.117
Specifieke beoordelingsregels - kantoor
In aanvulling op artikel 4.20 gelden voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het in gebruik nemen van een bouwwerk als kantoor Oosterhofweg 244 in Rijssen de volgende regels:
Een omgevingsvergunning voor het in gebruik nemen van een bouwwerk als kantoor op de locatie kantoor Oosterhofweg 244 in Rijssen wordt verleend als:
Artikel
19.70
19.118
Specifieke beoordelingsregels - bouwwerken geen gebouw zijnde ten behoeve van de functie 'Agrarische met waarden - Met grote landschappelijke waarde'.
'In aanvulling op artikel 4.20 gelden voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde ten dienste van de functie agrarisch met waarden - met grote landschappelijk waarde' de volgende regels:
Een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde wordt verleend als:
Het college kan aan het bouwen van bouwwerken op basis van het eerste lid nadere eisen stellen aan de plaats en afmetingen van de bebouwing ten behoeve van:
Artikel
19.71
19.119
Specifieke beoordelingsregels - bouwen diverse bouwwerken
'In aanvulling op artikel 4.20 gelden voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van diverse bouwerken de volgende regels:
Een omgevingsvergunning voor het bouwen voor onderstaande bouwwerken wordt verleend als:
ten behoeve van het bouwen van niet voor bewoning bestemde gebouwen of bouwwerken, zoals kunstwerken, nutsvoorzieningen, fietsenstallingen, wachthuisjes, telefooncellen, bewaarplaatsen van huisvuilcontainers, uitgezonderd verkooppunten voor motorbrandstoffen, waarvan de oppervlakte niet meer dan 30 m² en de bouwhoogte niet meer dan 3 meter mag bedragen;
indien en voor zover afwijkingen ten aanzien van de ligging van functie-, bouw- en aanduidingsgrenzen, mits die afwijkingen ten opzichte van hetgeen is aangegeven niet meer dan 5 meter bedragen;
ten behoeve van het aanbouwen van bijbehorende bouwwerken aan één zijde van een hoofdgebouw, mits deze niet rechtstreeks met elkaar in verbinding staat;
ten behoeve van het bouwen van antennemasten tot een bouwhoogte van 20 meter;
van de functieregels en toestaan dat bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en behoeve van zend- en ontvangstmasten voor telecommunicatie, waarvan de bouwhoogte vanaf peil ten hoogste 55 meter mag bedragen, worden gebouwd, met dien verstande dat:
de noodzaak voor plaatsing van de antenne is aangetoond waarbij het gedeelde gebruik van masten moet zijn overwogen;
de mast bij voorkeur op een bedrijventerrein wordt geplaatst;
de mast bij voorkeur op of in de onmiddellijke nabijheid van hoge gebouwen en/of bouwwerken of langs grote infrastructurele lijnen (zoals hoogspanningsleidingen en (spoor)wegen) wordt geplaatst;
geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuurlijk, cultuurhistorische en landschappelijke waarden van gebouwen en gebieden.
Het college bevoegd gezag kan nadere eisen stellen aan het uiterlijk van zend- en ontvangstmasten als bedoeld in het eerste lid onder e bij plaatsing in of nabij bos- en natuurgebieden en in agrarisch gebied met landschappelijke of natuurwetenschappelijke waarden.
De in het eerste lid bedoelde omgevingsvergunningen mogen niet leiden tot een onevenredige aantasting van:
Subsubparagraaf
19.1.13.2.2
19.2.11.2.2
Omgevingsvergunning activiteit werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid uitvoeren
Artikel
19.72
19.120
Omgevingsvergunning werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheden uitvoeren in verband met middelhoge archeologische verwachtingswaarde
In het belang van de archeologische monumentenzorg en ter voorkoming van onevenredige aantasting van aanwezige dan wel naar verwachting aanwezige archeologische waarden, is het verboden, op de locatie archeologische verwachtingswaarde middelhoog - Oosterhofweg 244 in Holten, behoudens het bepaalde in artikel 19.563.1, derde lid zonder een omgevingsvergunning van het college de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, over een oppervlakte van 250 m² of meer:
het uitvoeren van graafwerkzaamheden, het roeren en omwoelen van gronden, dieper dan 0,5 m onder peil;
het verlagen van de bodem en afgraven van gronden, dieper dan 0,5 m onder peil;
het graven of anderszins aanbrengen van watergangen en waterpartijen, dieper dan 0,5 m onder peil;
het aanbrengen van diepwortelende beplantingen;
het ophogen en egaliseren van gronden.
Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden:
De werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden als bedoeld in eerste lid, zijn slechts toelaatbaar, indien:
door die werken of werkzaamheden, danwel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, één of meer archeologische waarden van de betreffende gronden, niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, danwel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind, en
door aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport is overgelegd waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld.
Artikel
19.73
19.121
Omgevingsvergunning werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheden uitvoeren in gebied met grote landschappelijke waarde
Het is verboden, indien daardoor de waarden, zoals bedoeld in artikel 19.5419.27, onevenredig worden aangetast, om zonder een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
het ophogen en egaliseren van gronden, het verlagen van de bodem en afgraven van gronden;
het aanleggen of verharden van wegen, voet-, fiets- of ruiterpaden of parkeergelegenheden alsmede het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen groter dan 100 m², met uitzondering van:
het aanleggen van koe- of kavelpaden;
het aanleggen van voorzieningen ten behoeve van recreatief medegebruik;
het aanleggen, verdiepen, verbreden en dempen van sloten, watergangen en overige waterpartijen;
het verwijderen van bos, houtwallen en struwelen;
het aanbrengen van boven- en ondergrondse leidingen, constructies, installaties en apparatuur.
Het in eerste lid vervatte verbod om zonder omgevingsvergunning werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:
De werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden die betrekking hebben op cultuurhistorische waarden, zijn slechts toelaatbaar, als uit een advies van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed danwel de gemeentelijke monumentencommissie blijkt dat de cultuurhistorische waarden niet onevenredig worden aangetast.
Artikel
19.74
19.122
Omgevingsvergunning werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheden uitvoeren in verband met hoge archeologische verwachtingswaarde
In het belang van de archeologische monumentenzorg en ter voorkoming van onevenredige aantasting van aanwezige dan wel naar verwachting aanwezige archeologische waarden, is het verboden, op de locatie archeologische verwachtingswaarde hoog - Oosterhofweg 244 in Holten behoudens het bepaalde in artikel 19.57artikel 3.1, tweede lid zonder een omgevingsvergunning van het college de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, over een oppervlakte van 100 m² of meer:
het uitvoeren van graafwerkzaamheden, het roeren en omwoelen van gronden, dieper dan 0,5 m onder peil;
het verlagen van de bodem en afgraven van gronden, dieper dan 0,5 m onder peil;
het graven of anderszins aanbrengen van watergangen en waterpartijen, dieper dan 0,5 m onder peil;
het aanbrengen van diepwortelende beplantingen;
het ophogen en egaliseren van gronden.
Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden:
De werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden als bedoeld in eerste lid, zijn slechts toelaatbaar, indien:
door die werken of werkzaamheden, danwel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, één of meer archeologische waarden van de betreffende gronden, niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, danwel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind, en
door aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport is overgelegd waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld.
Subsubparagraaf
19.1.13.2.3
19.2.11.2.3
Omgevingsvergunning gebruik gronden of bouwwerken (omgevingsplan
Artikel
19.75
19.123
Omgevingsvergunning beroep aan huis
In aanvulling op artikel 4.20 is het met
Een omgevingsvergunning toegestaanvoor een beroep aan te realiserenhuis wordt verleend als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
de woonfunctie in ruimtelijke en visuele zin primair moet blijven;
aan huis verbonden activiteiten ten behoeve van het beroep uitsluitend inpandig mogen worden verricht;
maximaal 35% van de brutovloeroppervlakte van hoofd- en bijbehorende bouwwerken mag worden gebruikt voor de aan huis verbonden activiteiten ten behoeve van het beroep met een maximum van 75 m²;
degene die de beroeps- of bedrijfsactiviteiten uitvoert, niet de bewoner van de woning is;
de ruimtelijke uitstraling van de activiteiten qua aard, omvang en intensiteit verenigbaar moet zijn met het karakter van de omringende woonomgeving;
behoudens een beperkte verkoop in het klein, in direct verband met het aan huis verbonden beroep, geen detailhandel mag plaatsvinden; en
het gebruik geen nadelige invloed mag hebben op de verkeersafwikkeling en de parkeersituatie ter plaatse; ten aanzien van het laatste geldt als uitgangspunt dat dient te worden geparkeerd op eigen terrein.
Artikel
19.76
19.124
Omgevingsvergunning bedrijf aan huis
In aanvulling op artikel 4.20 is het met omgevingsvergunning toegestaan een bedrijf te realiseren in een vrijstaand bijbehorend bouwwerk ten behoeve van aan huis verbonden bedrijfsactiviteiten uitsluitend indien aan de navolgende criteria wordt voldaan:
Een omgevingsvergunning voor een bedrijf aan in een vrijstaand bijbehorend bouwwerk wordt verleend als:
de woonfunctie moet in overwegende mate worden gehandhaafd. Dit betekent dat:
de woonfunctie in ruimtelijke en visuele zin primair moet blijven;
de aan huis verbonden activiteiten ten behoeve van het bedrijf uitsluitend inpandig mogen worden verricht;
maximaal 35% van de brutovloeroppervlakte van hoofd- en bijbehorende bouwwerken mag worden gebruikt voor de aan huis verbonden activiteiten ten behoeve van het bedrijf met een maximum van 75 m²;
degene die de gebruiker is van de woning ook degene moet zijn die het aan huis verbonden bedrijf uitoefent;
het gebruik mag geen ernstige hinder voor het woonmilieu opleveren, dan wel mag geen afbreuk doen aan het woonkarakter van de wijk of de buurt. Dit betekent dat:
de ruimtelijke uitstraling van de activiteiten qua aard, omvang en intensiteit verenigbaar moet zijn met het karakter van de omringende woonomgeving;
bedrijfsactiviteiten uitsluitend zijn toegestaan indien deze voorkomen in of gelijk zijn te stellen met de categorieën 1 en 2 zoals vermeld in de bij deze regels behorende 'Staat van bedrijven' ( staat van bedrijfsactiviteiten);
geen detailhandel mag plaatsvinden; en
het gebruik geen nadelige invloed mag hebben op de verkeersafwikkeling en de parkeersituatie ter plaatse; ten aanzien van het laatste geldt als uitgangspunt dat dient te worden geparkeerd op eigen terrein.
[Gereserveerd]
Artikel 19.126 Wonen twee-aaneen, Helhuizerweg 28-30
Binnen de locatie wonen Helhuizerweg 28 - 30 in Holten is het volgende gebruik en zijn de volgende functies toegestaan:
wonen in de bestaande woningen met daarbij behorende:
voorzieningen zoals:
bed and breakfast in de woning, mits:
de mogelijkheid tot het opwekken van duurzame energie:
met gebruik van een zelfstandige opstelling van zonnepanelen met de daarbij behorende voorzieningen of;
met gebruik van windturbines op het dak van de woning met de daarbij behorende voorzieningen;
met dien verstande dat de gronden niet mogen worden beschouwd als erf.
Onder strijdig gebruik met deze functie wordt in ieder geval begrepen het gebruik dat afwijkt van de functieomschrijving, waaronder in elk geval begrepen:
bewoning van vrijstaande bijbehorende bouwwerken als zelfstandige woning;
het splitsen van woningen, het toevoegen van woningen of het samenvoegen van woningen;
bewoning van een woning door meer dan één huishouden, tenzij dit op basis van een melding/omgevingsvergunning is toegestaan;
een paardrijbak;
vrijstaande lichtmasten;
bewoning van vrijstaande bijbehorende bouwwerken als zelfstandige woning, tenzij dit gebruik expliciet is toegelaten in het locatiespecifieke artikel;
recreatief verblijf in vrijstaande bijbehorende bouwwerken, tenzij vergund met een omgevingsvergunning;
dagrecreatie of het plaatsen van kampeermiddelen, tenzij dit plaatsvindt op de daarvoor bewegwijzerde routes of aangewezen locaties;
het gebruik van een recreatief verblijfsobject of recreatiewoning anders dan voor recreatief verblijf. Daaronder moet in elk geval worden verstaan het gebruik ten behoeve van (reguliere) bedrijfsactiviteiten die niet gericht zijn op toerisme of het bieden van recreatief verblijf;
zelfstandige kortdurende recreatieve activiteiten, zoals een wellness of sauna.
Artikel 19.127 Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing
In aanvulling op het strijdig gebruik in artikel 19.126 wordt ook gerekend:
het gebruik van en het in gebruik laten nemen van gronden en bouwwerken zonder de aanleg en instandhouding van de landschappelijke inpassing zoals opgenomen in het erfinrichtingsplan Helhuizerweg 28 - 30 in Holten;
in afwijking van het bepaalde onder l mogen gronden en bouwwerken worden gebruikt voor de locatie wonen Helhuizerweg 28 - 30 in Holten onder de voorwaarde dat binnen 2 jaar na het onherroepelijk worden van dit TAM-omgevingsplan geheel uitvoering is gegeven aan de aanleg en de instandhouding van de landschappelijke inpassing conform het in het erfinrichtingsplan Helhuizerweg 28 - 30 in Holten.
Artikel 19.128 Melding beroep of bedrijf aan huis
Het is toegestaan een beroep of bedrijf aan huis te realiseren als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
een melding op grond van artikel 8.11 is gedaan;
de beroeps- of bedrijfsfunctie niet ondergeschikt is aan de woonfunctie;
minder dan 35% van het vloeroppervlak van de woning en de bijbehorende bouwwerken wordt gebruikt voor een aan huis gebonden beroeps- of bedrijfsactiviteit tot een maximale oppervlakte van:
degene die de beroeps- of bedrijfsactiviteiten uitvoert, de bewoner van de woning is;
de ruimtelijke uitstraling in overeenstemming is met de woonfunctie en woonomgeving;
er geen detailhandel en horeca-gerelateerde activiteiten plaatsvinden; en
de uitoefening van een aan huis gebonden beroeps- of bedrijfsactiviteit niet uitsluitend plaatsvindt in een bijbehorend bouwwerk.
Artikel 19.129 Algemene beoordelingsregels voor gebouwen en overkappingen
Een omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwen en overkappingen ten behoeve wordt verleend als:
situering en inpassing van bouwwerken op het (bestaande) erf vindt plaats aan de hand van het erfinrichtingsplan Helhuizerweg 28 - 30 in Holten;
nieuwe of te verbouwen bouwwerken worden op voldoende afstand van de weg opgericht vanwege het wegbeheer en de verkeersveiligheid. Voldoende afstand ten opzichte van de as van de weg is in ieder geval:
Rijksweg: 100 meter
provinciale weg: 50 meter
lokale weg - verhard: 20 meter
lokale weg - onverhard: 10 meter
Een kortere afstand dan onder sub b kan alleen als:
Nieuwe vrijstaande bouwwerken worden in ieder geval 5 meter van andere bouwwerken opgericht, maar nooit verder dan 25 meter tenzij aan(een)gebouwde bouwwerken specifiek zijn toegelaten;
Nieuwe bouwwerken of te verbouwen bouwwerken voldoen aan redelijke eisen van beeld- en erfkwaliteit, zoals opgenomen in de welstandsnota;
Nieuwe bouwwerken op een onbebouwde of volledig gesaneerde locatie worden binnen een logische structuur ten opzichte van elkaar gesitueerd. De structuur wordt afgestemd met de opzet binnen het geldende landschapstype en de redelijke eisen van beeld- en erfkwaliteit zoals opgenomen in de welstandsnota.
Artikel 19.130 Specifieke beoordelingsregels voor wonen twee-aaneen
Een omgevingsvergunning voor het bouwen van woningen wordt alleen verleend als deze twee-aan-één gebouwd worden.
Artikel 19.131 Specifieke beoordelingsregels voor aangebouwde bijbehorende bouwwerken
Een omgevingsvergunning voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken wordt verleend als de bouwhoogte van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk is tenminste 1 meter lager dan de vergunde bouwhoogte van het hoofdgebouw.
Artikel 19.132 Specifieke beoordelingsregels voor bouwwerken, geen gebouw zijnde
Een omgevingsvergunning voor het bouwen van de volgende specifieke bouwwerken, geen gebouw zijnde ten behoeve wordt verleend als:
zelfstandige opstelling van zonnepanelen voldoen aan de volgende voorwaarden:
zelfstandige opstelling van zonnepanelen aansluitend aan bestaande bebouwing zijn alleen toegelaten als zonnepanelen op bebouwing of binnen de open ruimte tussen de bestaande bebouwing niet mogelijk zijn, omdat de opbrengst van de panelen op die plekken beperkt is;
De maximale bouwhoogte van de opstelling is 2,5 meter;
Het maximale oppervlak aan zonnepanelen in veldopstelling is 50 m²;
Zonnepanelen in veldopstelling worden landschappelijk ingepast aan de hand van het geldende landschapstype en de welstandsnota;
Als de opstelling binnen 200 meter is gelegen van de hartlijn van leiding - gas wordt advies aan de leidingbeheerder gevraagd voordat de omgevingsvergunning verleend kan worden;
de maximale bouwhoogte van windturbines die op het dak geplaatst worden, is 2 meter boven de nok van het dak;
de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde anders dan genoemd onder a, c en d, is maximaal 3 meter waarbij vrijstaande lichtmasten niet zijn toegestaan.
Artikel 19.133 Specifieke beoordelingsregels voor een paardrijbak
Een omgevingsvergunning voor het realiseren van een paardrijbak wordt in afwijking van het algemene strijdige gebruik in artikel 19.26 verleend als:
de paardrijbak in het achtererfgebied is gelegen;
er maximaal 1 paardrijbak per (bedrijfs)woning wordt gerealiseerd;
de paardrijbak aansluitend aan het bestaande erf gerealiseerd wordt, volgens het beginsel van bebouwingsconcentratie;
de oppervlakte van een paardrijbak bedraagt maximaal 1.300 m2;
de afstand tot de perceelgrens bedraagt minimaal 5 meter;
de omheiningen hebben een maximale hoogte van 1,8 meter;
lichtmasten zijn niet toegestaan.
Subsubparagraaf 19.2.13.2.3 Omgevingsvergunning activiteit werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid uitvoeren
Artikel 19.134 Omgevingsvergunning werk, niet zijnde bouwwerk of werkzaamheid uitvoeren
Er geldt in het TAM-plangebied Oosterhofweg 244 in Rijssen een omgevingsvergunningsplicht voor de volgende werken of werkzaamheden:
het aanleggen of verharden van wegen, paden, of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
het egaliseren, diepploegen, diepwoelen op een diepte van meer dan 0,5 m onder maaiveld;
het ophogen van gronden met meer dan 0,2 m ten opzichte van het oorspronkelijke maaiveld;
het aanleggen of veranderen van waterlopen, sloten en greppels en het vergraven, verruimen en dempen van waterlopen en kolken en het draineren van gronden;
het aanbrengen van ondergrondse leidingen, constructies, installaties en apparatuur of;
het beplanten van gronden met diepwortelende bomen en struiken.
In afwijking van de omgevingsvergunningsplicht is geen vergunning vereist voor werken of werkzaamheden:
voor oppervlakteverhardingen met een totale oppervlakte van 100 m²;
die het normale onderhoud betreffen;
die het aanleggen of laten aanleggen van kabels en leidingen ten behoeve van nutsvoorzieningen betreffen binnen de basisfunctielaag Infrastructuur en agrarisch landschap - gemengde functies met toestemming van de net- of leidingbeheerder, met uitzondering van:
aardgastransportleidingen met een diameter van meer dan 4" of een druk van meer dan 40 bar;
transportleidingen voor brandbare vloeistoffen van de K1-, K2-, en K3-categorie met een diameter van meer dan 4";
hoogspanningsleidingen;
buisleidingen voor het transport van water, afvalwater of stoom met een doorsnede van 1 m of meer en een lengte van 10 km of meer;
reeds in uitvoering zijn dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan;
waarvoor een omgevingsvergunningsplicht en voorwaarden in verband met archeologie vereist is;
het aanleggen of verharden van wegen of paden ter directe ontsluiting van agrarische (bouw)percelen;
het aanleggen van koe- of kavelpaden; of
die uitgevoerd worden in het kader van een door het bevoegd gezag vastgesteld ruimtelijk kwaliteitsplan.
Artikel 19.135 Beoordelingsregels in verband met overige grondwerkzaamheden
Een omgevingsvergunning op grond van artikel 19.134 kan worden verleend:
[Gereserveerd]
[Gereserveerd]
[Gereserveerd]
[Gereserveerd]
[Gereserveerd]
[Gereserveerd]
[Gereserveerd]
[Gereserveerd]
[Gereserveerd]
[Gereserveerd]
[Gereserveerd]
[Gereserveerd]
[Gereserveerd]
[Gereserveerd]
[Gereserveerd]
[Gereserveerd]
[Gereserveerd]
[Gereserveerd]
[Gereserveerd]
[Gereserveerd]
Dit artikel is van toepassing op de locatie Bovenleiding 1 Rijssen hoogspanning station.
Artikel 8.9 'overige zone - Zonering grondgebonden zonnepanelen 'ja, mits'' uit het bestemmingsplan Buitengebied Rijssen, Hoogspanningsstation 110kV (NL.IMRO.1742.BP2021004-0401)van het tijdelijk deel omgevingsplan is niet meer van toepassing.
De gebiedsaanduiding 'overige zone - Zonering grondgebonden zonnepanelen 'ja, mits'' op grond van artikel 8.9 van het bestemmingsplan Buitengebied Rijssen, Hoogspanningsstation 110kV (NL.IMRO.1742.BP2021004-0401) niet meer van toepassing is.
Artikel 610 'Zonering risicobronnen in de vorm van opslagtanks' uit het Chw Veegplan Buitengebied Rijssen-Holten (NL.IMRO.1742.BPB2023000-0401) van het tijdelijk deel omgevingsplan is van toepassing.
Dit artikel is van toepassing op de locatie Deventerweg 73 Holten.
Artikel 69 'Agrarisch bedrijf Deventerweg 73 in Holten' uit het Chw Veegplan Buitengebied Rijssen-Holten (NL.IMRO.1742.BPB2023000-0401) van het tijdelijk deel omgevingsplan is niet langer van toepassing.
Dit artikel is van toepassing op locaties karakteristieke woning
Artikel 18 'Karakteristieke woning' uit het Chw Veegplan Buitengebied Rijssen-Holten (NL.IMRO.1742.BPB2023000-0401) van het tijdelijk deel omgevingsplan is niet meer van toepassing.
Artikel 17.1 tot en met 17.4.3 uit het Chw Veegplan Buitengebied Rijssen-Holten (NL.IMRO.1742.BPB2023000-0401) van het tijdelijk deel omgevingsplan is van toepassing.
Dit artikel is van toepassing op locaties karakteristieke woning met inwoning.
Artikel 17 uit het Chw Veegplan Buitengebied Rijssen-Holten (planidentificatie NL.IMRO.1742.BPB2023000-0401) van het tijdelijk deel omgevingsplan is niet meer van toepassing.
Artikel 19.1 tot en met 19.4.3 uit het Chw Veegplan Buitengebied Rijssen-Holten (planidentificatie NL.IMRO.1742.BPB2023000-0401) van het tijdelijk deel omgevingsplan is van toepassing.
Dit artikel is van toepassing op locaties karakteristieke woning met inwoning met voormalige agrarische bedrijfsbebouwing.
Artikel 21 'Karakteristieke woning met voormalige agrarische bedrijfsbebouwing' uit het Chw Veegplan Buitengebied Rijssen-Holten (planidentificatie NL.IMRO.1742.BPB2023000-0401) van het tijdelijk deel omgevingsplan is niet meer van toepassing.
Artikel 20.1 tot en met 20.4.3 'Karakteristieke woning met inwoning met voormalige agrarische bedrijfsbebouwing' uit het Chw Veegplan Buitengebied Rijssen-Holten (planidentificatie NL.IMRO.1742.BPB2023000-0401) van het tijdelijk deel omgevingsplan is van toepassing.
Dit artikel is van toepassing op de locatie Middeldijk ong. Rijssen.
Artikel 518 'opslag agrarische doeleinden met bestaande bebouwing' uit het Chw Veegplan Buitengebied Rijssen-Holten (NL.IMRO.1742.BPB2023000-0401) van het tijdelijk deel omgevingsplan is van toepassing.
Dit artikel is van toepassing op de locatie Oude Stationsweg 8 Holten.
Artikel 46.3 sub d 'Agrarisch landschap - gemengde functies' uit het Chw Veegplan Buitengebied Rijssen-Holten (NL.IMRO.1742.BPB2023000-0401) van het tijdelijk deel omgevingsplan is niet van toepassing voor wat betreft de teelt van sedum en vergelijkbare plantsoorten voor groendaken.
In aanvulling op het toegelaten gebruik op grond van artikel 46.2 'Agrarisch landschap - gemengde functies' uit het Chw Veegplan Buitengebied Rijssen-Holten (NL.IMRO.1742.BPB2023000-0401) van het tijdelijk deel omgevingsplan is de teelt van sedum en vergelijkbare plantsoorten voor groendaken toegestaan.
Dit artikel is van toepassing op de locatie Ploegweg ong. Rijssen.
Op de locatie Ploegweg ong. Rijssen is het mogelijk om met omgevingsvergunning één veldschuur te bouwen met de volgende maatvoering;
De bestaande veldschuur Ploegweg dient binnen twee maanden na gereed melding van de bouw van de nieuwe veldschuur als bedoeld in tweede lid volledig gesloopt te zijn (inclusief fundering).
Dit artikel is van toepassing op de locatie Postweg 84 Holten.
Artikel 285.1, 285.2, 285.3, 285.4.2 onder c en 285.4.4 van het Chw Veegplan Buitengebied Rijssen-Holten (NL.IMRO.1742.BPB2023000-0401) van het tijdelijk deel omgevingsplan zijn niet meer van toepassing.
Artikelen 35.1 tot en met 35.3 'Woning' van het Chw Veegplan Buitengebied Rijssen-Holten (NL.IMRO.1742.BPB2023000-0401) uit het tijdelijk deel omgevingsplan zijn van toepassing
Dit artikel is van toepassing op de locatie Koerselmansweg 14 Okkenbroek.
In aanvulling op artikel 46.2 'Agrarisch landschap - gemengde functies' en 103.2 'Agrarisch bedrijf Koerselmansweg 14 in Okkenbroek ' van het Chw Veegplan Buitengebied Rijssen-Holten (NL.IMRO.1742.BPB2023000-0401) uit het tijdelijk deel omgevingsplan geldt, dat tot een gebruik in strijd met het omgevingsplan in ieder geval gerekend wordt:
het gebruik van en het in gebruik laten nemen van gronden en bouwwerken zonder de uitvoering en instandhouding van de (landschaps)maatregelen conform het in bijlage III opgenomen erfinrichtingsplan Koerselmansweg 14 Okkenbroek.
in afwijking van bepaalde onder a mogen gronden en bouwwerken worden gebruikt onder de voorwaarde dat binnen 18 maanden na het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan Koerselmansweg 14 - Oerdijk 238 (NL.IMRO.0150.P417-VG01) uitvoering wordt gegeven aan de aanleg en instandhouding van de (landschaps)maatregelen conform conform het in bijlage III opgenomen erfinrichtingsplan Koerselmansweg 14 Okkenbroek.
Dit artikel is van toepassing op locaties voor een woning met inwoning.
Artikel 35 'Woning' van het Chw Veegplan Buitengebied Rijssen-Holten (NL.IMRO.1742.BPB2023000-0401) uit het tijdelijk deel omgevingsplan is niet meer van toepassing.
Artikel 40.1 tot en met 40.4.3 'Woning' van het Chw Veegplan Buitengebied Rijssen-Holten (NL.IMRO.1742.BPB2023000-0401) uit het tijdelijk deel omgevingsplan is van toepassing.
Dit artikel is van toepassing op locaties woning met inwoning met voormalige agrarische bedrijfsbebouwing.
Artikel 42 'Woning met voormalige agrarische bedrijfsbebouwing' uit het Chw Veegplan Buitengebied Rijssen-Holten (planidentificatie NL.IMRO.1742.BPB2023000-0401) van het tijdelijk deel omgevingsplan is niet meer van toepassing.
Artikel 41.1 tot en met 41.1.3 'Woning met inwoning met voormalige agrarische bedrijfsbebouwing' uit het Chw Veegplan Buitengebied Rijssen-Holten (planidentificatie NL.IMRO.1742.BPB2023000-0401) van het tijdelijk deel omgevingsplan is van toepassing.
Dit artikel is van toepassing op de locatie Fuut 5 en 7 e.o in Rijssen.
Het bestemmingsvlak ‘Groen’ op de plankaart van het bestemmingsplan Wonen Rijssen (NL.IMRO.1742.BPRW2009000-0401) van het tijdelijk deel omgevingsplan is niet meer van toepassing.
Het bestemmingsvlak ‘Wonen - vrijstaand’ op de plankaart van het bestemmingsplan Wonen Rijssen (NL.IMRO.1742.BPRW2009000-0401) van het tijdelijk deel omgevingsplan is van toepassing.
Het ‘bouwvlak’ van de plankaart van het bestemmingsplan Wonen Rijssen (NL.IMRO.1742.BPRW2009000-0401) van het tijdelijk deel omgevingsplan is van toepassing.
De bouwaanduiding 'specifieke bouwaanduiding - lage goot' van de plankaart van het bestemmingsplan Wonen Rijssen (NL.IMRO.1742.BPRW2009000-0401) van het tijdelijk deel omgevingsplan is van toepassing.
Artikel 8 ‘Groen' uit het Veegplan Wonen Rijssen (NL.IMRO.1742.BPRW2017000-0401) van het tijdelijk deel omgevingsplan is niet meer van toepassing.
Artikel 25.1 onder a, 25.2.1 en 25.2.2 en 25.2.3 ‘Wonen - vrijstaand' uit het Veegplan Wonen Rijssen (NL.IMRO.1742.BPRW2017000-0401 van het tijdelijk deel omgevingsplan is van toepassing.
Dit artikel is van toepassing op de locatie RSN01 B10049 (strook naast voormalig RV-terrein).
Van artikel 15 'Sport' van het bestemmingsplan Wonen Rijssen (NL.IMRO.1742.BPRW2009000-0401) en Veegplan Wonen Rijssen (NL.IMRO.1742.BPRW2017000-0401) uit het tijdelijk deel omgevingsplan is alleen artikel 15.1 onder e van toepassing.
De overige delen van artikel 15.1 uit het artikel 15 'Sport' van het bestemmingsplan Wonen Rijssen (NL.IMRO.1742.BPRW2009000-0401) en Veegplan Wonen Rijssen (NL.IMRO.1742.BPRW2017000-0401) uit het tijdelijk deel omgevingsplan zijn niet meer van toepassing.
Dit artikel is van toepassing op de locatie buurtcentrum.
Van artikel 16.1 van het bestemmingsplan Wonen Rijssen (NL.IMRO.1742.BPRW2009000-0401) en Veegplan Wonen Rijssen (NL.IMRO.1742.BPRW2017000-0401) uit het tijdelijk deel omgevingsplan zijn alleen horecabedrijven overeenkomstig de categorieën 1 en 2 zoals vermeld in de bij die regels horende bijlage 3 (Categorie-indeling horecabedrijven) toegelaten.
Van artikel 16.1 van het bestemmingsplan Wonen Rijssen (NL.IMRO.1742.BPRW2009000-0401) uit het tijdelijk deel omgevingsplan is de functieaanduiding 'horeca tot en met horecacategorie 2' niet meer van toepassing.
YYYYYYYYYYYYY
Artikel 19.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervallen]
ZZZZZZZZZZZZZ
Artikel 19.13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervallen]
AAAAAAAAAAAAAA
Artikel 19.43 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervallen]
BBBBBBBBBBBBBB
Artikel 19.53 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervallen]
CCCCCCCCCCCCCC
Bijlage I wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik of het bebouwen van deze gronden
afstand tussen een leiding van het distributienet en het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij die leiding bevindt, gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt
een beroeps- of bedrijfsactiviteit, uitgevoerd door (een van) de hoofdbewoner(s) van de woning, waarvan de activiteiten in hoofdzaak niet verkeersaantrekkend of milieuhinderlijk zijn en geen betrekking hebbend op detailhandel of horecagerelateerde activiteiten, die op kleine schaal in een woning of daarbij behorende bijgebouwen wordt uitgeoefend, waarbij de desbetreffende activiteit een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie en de woonomgeving ter plaatse
een bouwwerk, geen gebouw zijnde
de waarde die van belang is voor de archeologie en voor de kennis van de beschavingsgeschiedenis die vanwege hun zeldzaamheid of vanwege hun betekenis voor archeologisch onderzoek in aanmerking komen voor behoud, bescherming en - zo mogelijk - herstel of bijzonder beheer
AS SIKB 2000: Accreditatieschema Veldwerk bij Milieuhygiënisch Bodem- en waterbodemonderzoek, versie 2.8, 07‑02‑2014, met wijzigingsblad van 10‑02‑2018
één of meer gebouwen of bouwwerken geen gebouwen zijnde
achtererfgebied en de grond onder het hoofdgebouw, uitgezonderd de grond onder het oorspronkelijk hoofdgebouw
een in de regels aangegeven percentage dat de grootte aangeeft van een bouwperceel dat ten hoogste mag worden bebouwd
een woning in of bij een gebouw op een terrein, die behoort bij en functioneel gebonden is aan een bedrijf, bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting gelet op de functie van het gebouw of gronden noodzakelijk is
cluster aaneengesloten percelen met overwegend bedrijfsfuncties of een aangewezen gebied voor bedrijven met uitzondering van een industrieterrein of locatie met een geluidproductieplafond
het binnen de (bedrijfs)woning bieden van, ten opzichte van het hoofdgebruik ondergeschikte, een mogelijkheid tot recreatief nachtverblijf en ontbijt. Hieronder wordt in ieder geval niet verstaan overnachting, noodzakelijk in verband met het verrichten van tijdelijke of seizoensgebonden werkzaamheden, studie of arbeid of permanente kamerverhuur
een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis verbonden beroepen daaronder niet begrepen
een gebouw, dat gebruikt wordt voor de uitoefening van een bedrijf
een woning in of bij een gebouw of op of bij een terrein, die hoort bij en functioneel gebonden is aan een bedrijf, instelling of voorziening in dat gebouw of op dat terrein
beheerder van het openbaar riool is het college van burgemeester en wethouders
de bouwlaag van een gebouw ter hoogte van het peil
het uitgangspunt dat bebouwing in logische samenhang en of samenhangende afstand wordt gebouwd
het gebruik dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan aanwezig is binnen het betreffende bouwperceel of bebouwing die op dat tijdstip aanwezig of in uitvoering is, dan wel kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning;
het onder 1 bedoelde geldt niet voor zover sprake was van strijd met het voorheen geldende omgevingsplan, de voorheen geldende Beheersverordening, daaronder mede begrepen het overgangsrecht van het omgevingsplan of de Beheersverordening, of een andere planologische toestemming;
het college van burgemeester en wethouders, tenzij in dit plan of bij wettelijk voorschrift anders is bepaald
een vrijstaand gebouwd, betreffende bij een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw
het wijzigen, toevoegen of afwijken van een functie onder voorwaarden zoals genoemd in dit omgevingsplan
een deel van een bedrijf, welke dient voor recreatief nachtverblijf, waarbij wordt overnacht in zelfstandige eenheden. Het gaat om een vorm van verblijfsrecreatie die mede tot doel heeft de agrarische c.q. plattelandsomgeving te ervaren
een vrijstaande boom, bomen in rijen of als bos, een houtwal en één of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats
de grens van een bouwvlak
een verdieping van zodanige afmeting en vorm dat de daardoor ontstane ruimte zonder ingrijpende voorzieningen geschikt kan worden gemaakt voor de betreffende functie.
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten
de grens van een bouwperceel
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten
BRL SIKB 2000: Beoordelingsrichtlijn 2000, Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek, versie 5, 12‑12‑2013
BRL SIKB 7000: Beoordelingsrichtlijn 7000, Uitvoering van (water)bodemsaneringen en ingrepen in de waterbodem, versie 5, 19‑06‑2014, met wijzigingsblad van 12‑02‑2015
een bouwwerk in de vorm van een overkapping, kennelijk bedoeld voor het stallen van motorvoertuigen, bestaande uit maximaal drie wanden waarvan maximaal twee tot de constructie zelf behoren
winkel waar softdrugs, producten waarin softdrugs verwerkt zijn of paddenstoelen of attributen voor het gebruiken of telen van softdrugs en paddenstoelen te koop zijn
college van burgemeester en wethouders
gebied I of gebied II, bedoeld in bijlage I bij de Meststoffenwet, of een in dit omgevingsplan aangewezen concentratiegebied
terrein gebruikt voor een wedstrijd of training met motorfietsen of een daarmee gelijk te stellen voertuig. Op het terrein is een parcours uitgezet met natuurlijke hindernissen
de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan door het gebruik van de mens door de jaren heen.
de inkomensgrens bedoeld in artikel 48, eerste lid van de Woningwet
ondergeschikt medegebruik van gronden voor niet-gemotoriseerde recreatieve of niet in wedstrijdverband georganiseerde sportieve activiteiten, zoals wandelen, hardlopen, nordic-walken, fietsen, mountainbiken, racefietsen, skaten, paardrijden, vissen, zwemmen en natuurobservatie of een naar de aard daarmee gelijk te stellen (mede)gebruik. De activiteiten dienen plaats te vinden tussen zonsopgang en zonsondergang, tenzij de grondeigenaar anders kenbaar maakt
iedere bovenbeëindiging van een gebouw
distriebutiecentrum of magazijn dat alleen dagelijkse boodschappen en producten op (online) bestelling levert
het bedrijfsmatig voor verhuur, lease of te koop aanbieden van goederen, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan degenen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit
het bedrijfsmatig verlenen van diensten aan derden, waarbij afnemers rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen
collectief circulatiesysteem voor het transport van warmte door een circulerend medium voor verwarming of warmtapwater
een huishouden dat al over een koopwoning beschikt, maar door economische groei of demografische verandering wil overstappen naar een duurdere categorie woning
het kappen van houtopstanden als onderhoudsmaatregel die erop gericht is de resterende houtopstanden een (betere) overlevingskans te bieden
bebouwd of onbebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, waarbij het omgevingsplan die inrichting niet verbiedt. Deze definitie is van invloed op de mogelijkheden om een bouwwerk zonder omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen of handelen in strijd met de regels ruimtelijke ordening te kunnen bouwen (het zogenoemde vergunningsvrij bouwen)
plan dat aangeeft op welke wijze de inpassing van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen in het desbetreffende gebied plaatsvindt; tot deze inpassing behoren de situering van opstallen en de inrichting van het perceel, waaronder de erfbeplanting ten opzichte van het landschap; het gaat om bestaande en gewenste karakteristieken en kwaliteiten van het landschap
elke voor publiek toegankelijke verrichting, georganiseerde gebeurtenis, openluchtmanifestatie, (thema-)dag of week en/of herdenking die al dan niet met een zekere regelmaat (bijvoorbeeld maandelijks, jaarlijks of jaaroverstijgend) plaatsvindt;
waardoor het normaal maatschappelijk gebruik van de gronden niet mogelijk is gedurende:
met een omvang van meer dan 250 bezoekers/deelnemers/toeschouwers/gasten gelijktijdig aanwezig: en
met een langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (Lar,lt) van meer dan 40 dB(A) op de gevel van de dichtst bij gelegen woningen om en nabij het (evenementen)terrein.
Evenementen in de categorie 1 hebben een:
Evenementen in de categorie hebben een:
Evenementen in de categorie 3 hebben een:
een (gedeelte van een) bijgebouw bij een hoofdgebouw binnen de functie wonen dat dient voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden van maximaal twee personen, van wie ten minste één persoon een eerste graad familieband heeft met één of meer bewoners van het hoofdgebouw.
het gebruiksdoel of de status (in de betekenis van bijzondere eigenschap) die een onderdeel van de fysieke leefomgeving op een bepaalde locatie heeft. Veelal wordt een functie begrensd door een werkingsgebied met daarbinnen geldende regels over gebruik of bouwwerken.
elk bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt
huurwoning als bedoeld in artikel 5.161c lid 1 onder c van het Besluit kwaliteit leefomgeving met keuken-, toilet- en badkamerinrichting
gebouw, zoals bedoeld in artikel 3.21 Besluit kwaliteit leefomgeving, dat:
is toegelaten op basis van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor beide voor een periode van meer dan 10 jaar; of
is toegelaten op basis van het tijdelijke deel omgevingsplan voor een periode van maximaal 10 jaar.
een verticale barrière tussen de bron en de ontvanger van het geluid in de vorm van een geluidscherm, muur of soortgelijke voorziening met een massa van tenminste 10 kg/m2 en wat kierdicht is
voorzieningen ten behoeve van de wering of reducering van geluid(soverlast)
een geluidwerende voorziening van aarde
door het college bijgehouden register dat gegevens bevat over de inschrijving en ter identificatie van het aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed
gebouw, gedeelte van een gebouw of een nog niet gerealiseerd gebouw of gedeelte daarvan dat:
deel van de tuinbouwsector waarbij de planten in kglazen) kassen groeien
cluster aaneengesloten percelen met overwegend bedrijfsfuncties, een aangewezen gebied voor industrie of een losse locatie, waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld
een of meer panden, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige functie van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op die functie het belangrijkste is
een bedrijf waar hoofdzakelijk dranken of etenswaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt of waarin logies wordt verstrekt, zoals bijvoorbeeld een café, restaurant, hotel, pension, en naar de aard en openingstijden daarmee gelijk te stellen bedrijven, een en ander al dan niet in combinatie met een vermaaksfunctie met uitzondering van een erotisch getinte vermaaksfunctie
een huishouden bestaande uit een natuurlijk persoon of een natuurlijk persoon en zijn niet duurzaam gescheiden levende echtgenoot, geregistreerd partner of degene die met hem een gemeenschappelijke huishouding voert of zal gaan voeren in de te huren of aan te kopen woning, niet zijnde kinderen of pleegkinderen
samenlevingsvorm van één gezin of met een gezin gelijk te stellen samenlevingsverband
inkomen als bedoeld in artikel 1 van de Woningwet
huisvesting in of bij een woning van één huishouden van maximaal twee personen, van wie ten minste één persoon mantelzorg verleent aan of ontvangt van een bewoner van de woning. Mantelzorg is onbetaalde, structurele zorg die de normale zorgbehoefte voor anderen overstijgt
het exploiteren van een rekencentrum of datacentrum, als bedoeld in artikel 3.235 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om een bebouwd vloeroppervlakte van meer dan 10 ha en een elektrisch aansluitvermogen van 70 MW of meer.
Een hyperscale datacentrum omvat ook andere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die het hyperscale datacentrum functioneel ondersteunen.
een in eenzelfde woning huisvesten van één ander huishouden met eigen voorzieningen
ISO 11423-1:1997: Water – Bepaling van het gehalte aan benzeen en enige afgeleiden – Deel 1: Gaschromatografische methode met bovenruimte, versie 1997
een tent, vouwwagen, caravan, of kampeerwagen, niet zijnde een niet-plaatsgebonden recreatieverblijf. Een bijzettentje wordt niet als zelfstandig kampeermiddel gezien
een in of op het terrein aangegeven, zichtbaar gemarkeerde plek, door middel van nummering, stroomvoorziening, erfafscheiding of anderszins, voor het plaatsen of geplaatst houden van een kampeermiddel
een terrein of plaats geheel of gedeeltelijk aangewezen en ingericht, om daarop gelegenheid te geven tot het plaatsen of geplaatst houden van kampeermiddelen ten behoeve van recreatief nachtverblijf, met dien verstande dat stacaravans niet zijn toegestaan
Een
een gebouw dat dient voor de uitoefening van administratieve, boekhoudkundige c.q. financiële, organisatorische en/of zakelijke dienstverlening - niet zijnde detailhandel - al dan niet met een (publiekgerichte) baliefunctie.
het rooien, verplanten of verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van een houtopstand ten gevolge (kunnen) hebben
NEN 5725:2017: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, versie 2017
van lokale cultuurhistorische waarde die op grond van de typologie, architectuur, landschappelijke of stedenbouwkundige situering, gaafheid of zeldzaamheid bijdragen aan de identiteit van de omgeving
graven van maximaal 25 m3 vaste grond
NEN 5740:2009/A1:2016: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond, versie 2009+A1 en 2016
bedrijf waar siergewassen, bloemen(bollen), fruitbomenbloembollen, (fruit)bomen, struiken en vaste planten, onder meer bestemd voor tuinen en parken, één en ander in de vorm van vollegrondsteelt dan wel pot- of containerteelt worden voortgebracht of daarmee vergelijkbaar van aard.
NEN 6090:2017: Bepaling van de vuurbelasting, versie 2017
landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling een emissiefactor voor geur is vastgesteld en die vallen binnen een van de volgende diercategorieën:
NEN 6578:2011: Water – Potentiometrische bepaling van het totale gehalte aan totaal fluoride, versie 2011
landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen emissiefactor voor geur is vastgesteld, met uitzondering van pelsdieren
NEN 6589:2005/C1:2010: Water – Potentiometrische bepaling van het gehalte aan totaal anorganisch fluoride met doorstroomsystemen (FIA en CFA), versie 2010
een plan waarmee inzichtelijk wordt gemaakt hoe een nieuwe ontwikkeling zich verhoudt tot de bestaande bebouwing en bestaande omgeving. In het plan moet in elk geval de erfinrichting en (erf)beplanting worden opgenomen en hoe deze zich verhouden tot de omgeving
NEN 6600-1:2019: Water – Monsterneming – Deel 1: Afvalwater, versie 2019
de aan een gebied toegekende landschappelijke waarde, in verband met de voor het gebied kenmerkende waarneembare verschijningsvorm
NEN 6965:2005: Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire-absorptiespectrometrie met vlamtechniek, versie 2005
NEN 6966:2006: Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma, versie 2005 + C1:2006
NEN-EN 858-1:2002/A1:2004: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2002 + A1: 2004
NEN-EN 858-2:2003: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) – Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2003
NEN-EN 872:2005: Water – Bepaling van het gehalte aan onopgeloste stoffen – Methode door filtratie over glasvezelfilters, versie 2005
NEN-EN 1825-1:2004: Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2004 + C1:2006
NEN-EN 1825-2:2002: Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2002
een bouwwerk waarvoor omgevingsvergunning is verleend of dat op basis van regels van het Rijk of dit omgevingsplan zonder omgevingsvergunning gebouwd kon worden
een vrijstaande constructie waaraan één of meerdere lampen zijn opgehangen
plaats, plek of ligging
een weg, bestaande uit zand, die niet als rijksweg of provinciale weg is aangemerkt maar wel op de wegenlegger staat. Ook een half verharde weg, bestaande uit menggranulaat of grind, wordt aangemerkt als een onverharde weg
een weg, bestaande uit klinkers/tegels (open) of asfalt (gesloten), die niet als een rijksweg of provinciale weg is aangemerkt maar wel op de wegenlegger staat
de gemiddelde bestaande hoogte van het (aangrenzende) terrein
educatieve, (sociaal-)medische, sociaal-culturele en levensbeschouwelijke voorzieningen, kinderopvang, voorzieningen ten behoeve van sport en sportieve recreatie alsook ondergeschikte horeca ten dienste van deze voorzieningen, met uitzondering van voorzieningen ten behoeve van gemotoriseerde en gemechaniseerde sporten
NEN-EN 12566-1:2016: Kleine afvalwaterzuiveringsinstallaties ≤ 50 IE – Deel 1: Geprefabriceerde septictanks, versie 2016
intensieve zorg of ondersteuning, die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, maar ten behoeve van zelfredzaamheid of participatie, rechtstreeks voortvloeiend uit een tussen personen bestaande sociale relatie, die de gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar overstijgt, en waarvan de behoefte met een (eigen) verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur kan worden aangetoond
NEN-EN 12673:1999: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal geselecteerde chloorfenolen in water, versie 1999
een schriftelijke voorafgaande mededeling aan burgemeester en wethouders om een activiteit, zoals aangewezen in dit plan, te mogen verrichten. Voor een melding gelden de in dit plan opgenomen indieningsvereisten
NEN-EN 16693:2015: Water – Bepaling van de organochloor pesticiden (OCP) in watermonsters met behulp van vaste fase extractie (SPE) met SPE-disks gecombineerd met gaschromatografie-massaspectrometrie (GC-MS), versie 2015
de aan een gebied toegekende waarde die samenhangt met de geologische, bodemkundige en biologische elementen
NEN-EN-ISO 2813:2014: Verven en vernissen – Bepaling van de glans (spiegelende reflectie) van niet-metallieke verflagen onder 20 graden, 60 graden en 85 graden, versie 2014
NEN-EN-ISO 5667-3:2018: Water – Monsterneming – Deel 3: Conservering en behandeling van watermonsters, versie 2018
een recreatieverblijf bestaande uit een lichte constructie van één bouwlaag, dat geen vaste verankering in de grond heeft en zonder ingrijpende maatregelen demontabel of verplaatsbaar is, zoals een stacaravan, chalet, tenthuisje, trekkershut, blokhut, cabin of 'tiny house'. Het dient voor recreatief (nacht)verblijf voor recreaten die hun hoofdverblijf elders hebben
NEN-EN-ISO 5815-1:2019: Water – Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) – Deel 1: Verdunning en enting onder toevoeging van allylthioureum, versie 2019
NEN-EN-ISO 5815-2:2003: Water – Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) – Deel 2: Methode voor onverdunde monsters, versie 2003
plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, schoorstenen, antennes, dakinstallaties zoals een gaskoeler, warmtepomp of luchtbehandelingskast, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen
een gebouw of een onderdeel van een gebouw ten dienste van de functie zoals een dug-out en/of materiaalhok en daarmee gelijk te stellen gebouwen die in stedenbouwkundig opzicht qua omvang en situering als ondergeschikt aan het hoofdgebouw vallen aan te merken
NEN-EN-ISO 9377-2:2000: Water – Bepaling van de minerale-olie-index – Deel 2: Methode met vloeistofextractie en gas-chromatografie, versie 2000
opslagvoorziening voor gas met een inhoud van ten minste 150 liter. Met een opslagtank wordt het geheel van een tank, leidingwerk en appendages bedoeld (Besluit activiteiten leefomgeving)
NEN-EN-ISO 9562:2004: Water – Bepaling van adsorbeerbare organisch gebonden halogenen (AOX), versie 2004
een bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden
NEN-EN-ISO 10301:1997: Water – Bepaling van zeer vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen – Gaschromatografische methoden, versie 1997
een bouwwerk in de vorm van een overkapping bestaande uit maximaal drie wanden waarvan maximaal twee tot de constructie zelf behoren
NEN-EN-ISO 10523:2012: Water – Bepaling van de pH, versie 2012
een baan bedoeld voor een balsport, waarbij met een racket de bal over het net wordt gespeeld en er ook gebruik wordt gemaakt van de wanden en hekken die de baan omgeven
NEN-EN-ISO 11885:2009: Water – Bepaling van geselecteerde elementen met atomaire-emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma (ICP-AES), versie 2009
de kleinste bij de totstandkoming functioneel en bouwkundig-constructief zelfstandige eenheid die direct en duurzaam met de aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar is
NEN-EN-ISO 12846:2012: Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaire-absorptiespectrometrie met en zonder concentratie, versie 2012
buitenrijbaan ten behoeve van paardrijactiviteiten, voorzien van een zandbed en al dan niet voorzien van een omheining
NEN-EN-ISO 14403-1:2012: Water – Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) – Deel 1: Methode met doorstroominjectie analyse (FIA), versie 2012
een locatiegebonden vreugdevuur, dat bij wijze van traditie ter gelegenheid van Pasen op 1e of 2e Paasdag wordt ontstoken
NEN-EN-ISO 14403-2:2012: Water – Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) – Deel 2: Methode met continu doorstroomanalyse (CFA), versie 2012
NEN-EN-ISO 15587-1:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 1: Koningswater ontsluiting, versie 2002
indien de datum van de start inschrijfprocedure voor een sociale koopwoning in de eerste helft van een kalenderjaar ligt: het kalenderjaar dat twee jaar vooraf gaat aan deze startdatum; indien de inschrijfprocedure start in de tweede helft van een kalenderjaar: het kalenderjaar voorafgaande aan deze datum
NEN-EN-ISO 15587-2:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 2: Ontsluiting met salpeterzuur, versie 2002
een perceel is een onroerend goed (al dan niet met bebouwing) met dezelfde eigenaar en hetzelfde eigendomsrecht, dat is ingeschreven bij het Kadaster
NEN-EN-ISO 15680:2003: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal monocyclische aromatische koolwaterstoffen, naftaleen en verscheidene gechloreerde verbindingen met «purge-and-trap» en thermische desorptie, versie 2003
de scheiding tussen percelen, die niet aan éénzelfde eigenaar behoren dan wel niet door één gebruiker worden benut
NEN-EN-ISO 15682:2001: Water – Bepaling van het gehalte aan chloride met doorstroomanalyse (CFA en FIA) en fotometrische of potentiometrische detectie, versie 2001
er is sprake van permanente bewoning als een recreatiewoning, een stacaravan of ander kampeermiddel het hoofdverblijf voor de gebruiker is of voor bewoning anders dan in het kader van recreatief verblijf wordt gebruikt
NEN-EN-ISO 15913:2003: Water – Bepaling van geselecteerde fenoxyalkaanherbicide, inclusief bentazonen en hydroxybenzonitrillen met gaschromatografie en massaspectrometrie na vastefase-extractie en derivatisering, versie 2003
een persoonsgebonden overgangsrecht is een overgangsrecht zoals bedoeld in artikel 4 lid 11 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht of artikel 3.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit betekent dat het strijdige gebruik mag worden voortgezet door die perso(o)n(en) die op de datum van vaststelling van het omgevingsplan een persoongebonden overgangsrecht hebben
NEN-EN-ISO 17294-2:2016: Water – Toepassing van massaspectrometrie met inductief gekoppeld plasma – Deel 2: Bepaling van geselecteerde elementen inclusief uranium isotopen, versie 2016
NEN-EN-ISO 17852:2008: Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaire fluorecentiespectometrie, versie 2008
NEN-EN-ISO 17993:2004: Water – Bepaling van 15 polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) in water met HPLC met fluorescentiedetectie na vloeistof-vloeistof extractie, versie 2004
NEN-ISO 15705:2003: Water – Bepaling van het chemisch zuurstofverbruik (ST-COD) – Kleinschalige gesloten buis methode, versie 2003
een (gedeelte van een) bijgebouw bij een hoofdgebouw binnen de functie wonen dat dient voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden van maximaal twee personen, van wie ten minste één persoon de wettelijke AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereik óf van wie ten minste één persoon een ontwikkelend ziektebeeld, handicap of chronische ziekte heeft waarbij op (relatief) korte termijn een mantelzorgsituatie ontstaat.
een weg, bestaande uit asfalt of vergelijkbare materialen, die als provinciale weg is aangemerkt en op de wegenlegger staat
een verblijfsobject bestemd voor het recreatieve verblijf van recreanten die hun hoofdverblijf elders hebben en waar permanente bewoning en zelfstandige kortdurende recreatieve activiteiten zijn uitgesloten
een verblijfsobject in de vorm van een stacaravan, chalet, tiny house, boomhut, trekkershut, (hooiberg)recreatiewoning of een ander kampeermiddel bestemd voor het recreatieve verblijf van recreanten die hun hoofdverblijf elders hebben en waar permanente bewoning is uitgesloten
NEN-ISO 15923-1:2013: Waterkwaliteit – Bepaling van de ionen met een discreet analysesysteem en spectrofotometrische detectie – Deel 1: Ammonium, chloride, nitraat, nitriet, ortho-fosfaat, silicaat en sulfaat, versie 2013
verblijf dat plaatsvindt in het kader van verblijfsrecreatie en dat enkel gericht is op ontspanning of vrijetijdsbesteding, niet zijnde zelfstandige kortdurende recreatieve activiteiten;
een weg, bestaande uit asfalt of vergelijkbare materialen, die als rijksweg is aangemerkt en op de wegenlegger staat
een activiteit waaraan een veiligheidsafstand is verbonden ten opzichte van beperkt kwetsbare en kwetsbare objecten
een voor publiek toegankelijke, maar besloten ruimte waar bedrijfsmatig of op een daarmee vergelijkbare wijze seksuele handelingen worden verricht of voorstellingen van erotisch-pornografische aard worden gegeven
afval afkomstig na onderhoudswerkzaamheden in tuinen, parken, plantsoenen en bosgebieden dat alleen bestaat uit takken, blad of stammen
een van het omgevingsplan deel uitmakende staat van bedrijfsactiviteiten van bedrijven en instellingen
het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel
een huishouden, ongeacht de leeftijd van de daartoe horende personen dat woont in een huurwoning of dat niet beschikt over zelfstandige woonruimte
producten die zijn voortgebracht in dezelfde streek waar ook de grondstoffen vandaan komen en in de streek worden aangeboden
huurwoning als bedoeld in artikel 5.161c lid 1 onder a van het Besluit kwaliteit leefomgeving met keuken-, toilet- en badkamerinrichting
koopwoning als bedoeld in artikel 5.161c lid 1 onder b van het Besluit kwaliteit leefomgeving met keuken-, toilet- en badkamerinrichting
voorzieningen in, op of boven de grond die door agrarische bedrijven met plantaardige teelten worden gebruikt om de volgende doelen na te streven:
verbetering van de productie, onder meer door teeltvervroeging en -verlating, terugdringing van onkruidgroei en beperking van vraatschade;
verbetering van de arbeidsomstandigheden, onder meer door gewassen verhoogd te telen of
het bereiken van positieve effecten op milieu en water (bodembescherming, terugdringing onkruidbestrijding, effectief omgaan met water);
het voorkomen van schade door vorst;
die op dezelfde locatie gebruikte kunnen worden zo lang de teelt dit vereist, met een maximum van zes maanden. Deze tijdelijke voorzieningen hebben een directe relatie met het grondgebruik. Hieronder worden verstaan folies, insectengaas, acryldoek, wandelkappen, schaduwhallen, hagelnetten;
met dien verstande dat dit niet geldt voor vollegrondsteelt zoals bij wijnbouw, aspergeteelt of maïsteelt
het tijdelijk deel van het omgevingsplan zoals bedoeld in artikel 22.1 onder a en b van de Omgevingswet
nog niet gerealiseerd gebouw, zoals bedoeld in artikel 3.21 Besluit kwaliteit leefomgeving, dat:
niet gedeeltelijk of geheel gelegen is op een industrieterrein of locatie met een geluidproductieplafond; en
is toegelaten op basis van het tijdelijk deel omgevingsplan; of
een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor 1 januari 2024.
activiteiten waarvoor op basis van de algemene regels in het omgevingsplan geen voorafgaande toestemming van het college nodig is mits aan de genoemde regels wordt voldaan
gebouw, zoals bedoeld in artikel 5.80 Besluit kwaliteit leefomgeving, dat:
balkons, luifels en overstekende daken
een vrijstaand eenvoudig gebouw zonder verdieping die wordt gebruikt als schuilplaats voor vee, opslag van agrarische hulpmaterialen zoals machines of opslag van gewassen zoals stro, hooi en zaagsel
de vloeroppervlakte van alle voor mensen toegankelijke ruimten binnen een gebouw ten behoeve van detailhandel, onder welke ruimten niet zijn begrepen opslag-, personeels-, sanitaire en andere
dienstruimten, garderobes en keukens
verplaatsbaar mijnbouw als bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving
detailhandelsbedrijf in:
auto's, motoren, boten en landbouwwerktuigen en daarmee rechtstreeks samenhangende artikelen, zoals accessoires, onderhoudsmiddelen, onderdelen of materialen, mits de
verkoopvloeroppervlakte ten behoeve van deze samenhangende artikelen niet meer bedraagt dan 20% van de brutovloeroppervlakte van het desbetreffende bedrijf;
caravans, tenten, zwembaden en de daarmee rechtstreeks samenhangende artikelen, zoals specifieke onderhoudsmiddelen, onderdelen of materialen, recreatie- en campingbenodigdheden,
mits de verkoopvloeroppervlakte ten behoeve van deze samenhangende artikelen niet meer bedraagt dan 20% van de brutovloeroppervlakte van het desbetreffende bedrijf, met een maximum van 100 m²;
grove bouwmaterialen en bouwstoffen voor de ruwbouw van gebouwen en dergelijke, zoals stenen, zand, beton, bestrating materiaal, hout;
keukens, badkamers en sanitair en daarmee rechtstreeks samenhangende artikelen, zoals accessoires, inbouwapparatuur en tegels, mits de verkoopvloeroppervlakte ten behoeve van deze
samenhangende artikelen niet meer bedraagt dan 20% van de brutovloeroppervlakte van het desbetreffende bedrijf;
artikelen en goederen die naar aard en omvang en effecten voor de omgeving gelijk kunnen worden gesteld met de hiervoor onder a t/m e bedoelde artikelen en goederen, in ieder geval met
uitzondering van voedings- en genotmiddelen;
fmeubelen en woninginrichtingsartikelen en daarmee rechtstreeks samenhangende artikelen als vloerbedekking, parket, verlichting, kachels en zonwering;
de vorm van bouwmarkten, zijnde detailhandel met een al dan niet geheel overdekte verkoopvloeroppervlakte, waarop het volledige assortiment van bouw- en doe-het-zelfproducten uit
voorraad op basis van zelfbediening wordt aangeboden; of
de vorm van tuincentra, zijnde detailhandel met een al dan niet geheel overdekte verkoopvloeroppervlakte, waarop artikelen voor de inrichting en het onderhoud van tuinen en de
daarmee rechtstreeks samenhangende artikelen worden aangeboden met per detailhandelsbedrijf:1een totale verkoopvloeroppervlakte van ten minste 400 m², voor zover betreft de onder a t/m e bedoelde;2een totale verkoopvloeroppervlakte van ten minste 700 m², voor zover betreft de onder f t/m h bedoelde; of3een verkoopvloeroppervlakte voor goederen die duidelijk als branchevreemd kunnen worden aangemerkt,
achter de lijn die langs de voorkant van dat gebouw evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied
een locatiegebonden vuur dat ter ere van een feestdag wordt ontstoken
het op of in de grond zetten van een constructie met zonnepanelen
een woning waarvan het hoofdgebouw niet direct is verbonden met het hoofdgebouw van een andere woning
besluit over de aanleg van een distributienet voor warmte in een bepaald gebied, waarin voor een periode van ten hoogste 10 jaar, uitgaande van het voor die periode geplande aantal aansluitingen op dat distributienet, de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu, gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte, bij aansluiting op dat distributienet is opgenomen
De voor winkelend publiek toegankelijke verkoopruimte van een detailhandelsbedrijf. Onder winkelvloeroppervlak wordt in ieder geval niet begrepen etalages, (verkeer)ruimtes achter de toonbank(en) en de kassa's, loopbanden (tapis roulants), trappen en/of liften, winkelwagenvoorzieningen, de entreezone van en naar het detailhandelsbedrijf en aan het detailhandelsbedrijf ondersteunende ruimtes, zoals magazijnruimtes, koel- of diepvriescel(len), kantoorruimtes en kantines. Kolommen en leidingschachten groter dan 0,5 m² zijn in het winkelvloeroppervlak niet inbegrepen
een gebouw dat dient voor huisvesting van één huishouden en bij de oplevering na nieuwbouw/verbouw geschikt is voor directe bewoning (met keuken- , toilet- en badkamerinrichting)
een bouwperceel dat gebruikt wordt voor woonactiviteitendoeleinden
installatie voor de opwekking van zonne-energie die niet gecombineerd wordt met bebouwing, maar zelfstandig is opgesteld in het vrije veld
een zelfstandige woonruimte is een woning met eigen toegang en eigen voorzieningen, zoals: keuken, toilet, wasgelegenheid (douche/bad), meterkast en overige aansluitingen
Erf aan de zijkant van een hoofdgebouw dat geen voorerf of achterf is. Het zijerf wordt gemeten 1 meter achter de voorgevel van een hoofdgebouw
DDDDDDDDDDDDDD
Bijlage II wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
/join/id/regdata/gm1742/2025/463e290a28d04058b9eefd81d7157e56/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2026/8fabe8abb1db427ab13f63b86b491ea0/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2025/463e290a28d04058b9eefd81d7157e56/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/c3dd5ee972eb4cd692c399d32c247992/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/aeefaaff62a54ebf83662d761a9cb6e0/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/fc8f64a0c8594ba99bfc9fd75ad3919d/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/959b09fead7b4041a4a5ac884ee7ffb3/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/e8e44d6a05ee4a98b29fdfa8f3f1c354/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2026/4f1500e3d73247da868ad0c15366a6a0/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2026/3eb66d1bd3b24a15ad5619e507e2a361/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2026/f214fad1b55042c08ace4dbb789f1c00/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2026/4937f99688094e539cd059637dab63a1/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2025/624a8d484455486ca0266a9df3fb9983/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/c414bd4d844045f8bbfcc6c2eb9e11af/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/c414bd4d844045f8bbfcc6c2eb9e11af/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2025/695a5ff42983469c9183d456da97dd51/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/695a5ff42983469c9183d456da97dd51/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2025/3102a2eb902a4419a3609a5774c500b1/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/3102a2eb902a4419a3609a5774c500b1/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2025/ed924b4a70ea4d409d6875d6b9817939/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/513ec9f827cd4cc3add4998ae891ffa5/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2025/94ee9c56cb5243bdb97b77e222f56a8c/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2025/df25b0977f1f4658b2e69d90c1906ef4/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2025/65dafaca3f68412aa2e0d295178a9ca8/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/65dafaca3f68412aa2e0d295178a9ca8/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2025/37a6437316764959834035e407ba3c00/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/d51fcbcd64174189bf2ec3b5638c4b5d/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2025/6008fb1342204395ab92e6defb321620/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2025/ef38fb52dc38490c9674408cd4793232/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2025/c8e0c5ca26f74ac28f4ed1ea5a7814a1/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2025/771f0759ebf143e291b77345c8171f9d/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/7f5a8ff399c74d8b9859341b67e5a6f7/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2025/e6d0c73adef4478c9578cbf5b9e9a9fb/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/096fed3aedad4487b01cab968f064514/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/628d6fc786b94feab586f8963812ba6b/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/f3fb77d651094d74a626dc7802a3c461/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/c8d2883bad5349c981d94eaddb7d76e9/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/41ab966436b34159950cb8238f5f4569/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2025/8d69be78b1944091a3d1e5f14ab63fbe/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2026/d5ea676ab0044f9a826eff99a94ab2e0/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2025/1ba49ef4760e4471a6a2373c877d746e/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2025/6ce78a05262c4d3390e4a1999f1807c1/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/6ce78a05262c4d3390e4a1999f1807c1/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2026/4c3930cc13164ec8a16930ef7cb3bbee/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2025/2b5d503677464f1c99ba3f2e116687c6/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/2b5d503677464f1c99ba3f2e116687c6/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2025/bd214b6a629c4180aa0fdf94ed7b63de/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/b23c7352349c42d8867be8bf2d3ff369/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/ca4cba5aeb9944fa966786da21ce4ad4/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/ca4cba5aeb9944fa966786da21ce4ad4/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2025/fb23b4dbaaed4176924575f5b003b27e/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/fb23b4dbaaed4176924575f5b003b27e/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2025/92c0b1f7f3284361b997eb26d62030cd/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/56dc753baccc44c28261dac13725e80e/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2025/9f402e52ba0248be96edcd3cb9029e26/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2025/3cbc35fcda5349b4b646a5e8ef93fcdc/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2025/5f7ae632db2847bdb64dfe118f92b8ab/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2025/12aa868a9a7d419e8770a0e525f4f39a/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2026/cfbb4d98ff6744e7847b5d419750af48/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2025/d7e9494c400246809762b704f38fd200/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2025/5f1180c8e528477082223014d86a1e03/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/5f1180c8e528477082223014d86a1e03/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2025/b2ce8bad283c42f48f15f34d8ee83713/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/9f63df9fa1764533bf998ae44deb8840/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/c31a293f06bb4a52a7c93df45fcc0fd5/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/6290b44b1d7e441ab142fcf8f9e74501/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/5b24db8f7bb44d90b9ebd17bd3c634e8/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/5f2e931b2bc44579a708695f997ef019/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/5f2e931b2bc44579a708695f997ef019/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2025/cce7a2b000fb4ec884376bd31e1dad3a/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/8f672fdbf6eb4e33ba78ac801e2c2fba/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/e91d9a6a327f40c19a1c2531ad1efde4/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2025/e0109659522b4c699eced19d379183ec/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/e0109659522b4c699eced19d379183ec/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2025/476c9719f6ca40b9a3e9f40e2ae85ab4/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/75c72689975c4493808659b75093e0d6/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2026/13f9a0e0e0f74698b9440ec647103f6a/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2025/bcfc9feabdbe4a53aef5b359fd7e39f8/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2025/b90a64b6c5004f86ad4876e78a48cbaa/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2026/728e9c569d7b43fbad4ea0e3ed5c1a21/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2025/97fe589afac444deb1ba8e33e435e09a/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/dfd2d3003fc44332aa18ebd1ff5bed43/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/c6db3b6c2c014301bb67963924c81742/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/b79e951b6afe4229a364e4168493340b/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/2970115f596f4a9d985b407bc21e9d2a/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/0b260726efcb4336b3d6e72fa00a9a35/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/599456ff9771435199c459c7d4b82e07/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/bc2622d99fb0409db6eb599bc653d614/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2025/9e1465a0664849dea1cf42b5f76bb4c8/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2025/8d594d84562549898dc18e3ea5c8d702/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2025/f509d48a2ffb49c89d8f15a2cc0a525c/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/70e983a4c5ce4f91bd08942279a1d805/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2025/02516d5aec2f4be48be2e2b16d314822/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2025/7729bfe271d04a91bb328364211ad16e/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/7729bfe271d04a91bb328364211ad16e/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2025/d8479874c3f84d4c9af94e0042e9361b/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/d8479874c3f84d4c9af94e0042e9361b/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2025/51aef5b4f6984ed6969e3d4660c01ba8/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2026/13285bea4d0e4db78636b31a96851ef3/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2025/829c81e8ac80433b94c913e80b08c3ce/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2025/1cd51f5a4a4b4928b898f00694ed64f1/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/1cd51f5a4a4b4928b898f00694ed64f1/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2025/b291d6f8942a4e399a638306b86b89d3/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2026/fc6353da4f5248c39f08f4c966c5e96a/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2026/c5a15baf02ab41f4b702ab18f79f4e2f/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2026/2aa622563494473081adf97311a85cca/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2026/66f164df3a4b45a386eeccfce89ae0ed/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2026/64cc0ce12c6140c3a41022e075629544/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2026/35fe8774599b4e0da09b63015e8aa661/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2026/4ada8af412f04afd9566f0f99bc2f201/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2026/3cd298cfcd994523934b0395188d7851/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2026/6ad593ed3d6446f798f8f81f2f807bc0/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2026/42dae27853404db38786ad267b4e5bad/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2026/205591d9b6cc4afb9870c418664bb85a/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2026/502537885e244fd28df75bc33e68f2b4/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2026/f4554eb4b0e84fbda816d1cf273819af/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2026/bd8dc00c131c47318647b47f12a6fbf0/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2026/49ce14e871364032a4af08e8c79af71e/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2025/570d6b84137b4116af39a8c647165dc1/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2025/66ffb6854f3c413880aeb04ab005c98e/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/5c522645d5694e13815001054a3aa193/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2026/3e3d6b3fe0af45d1b441c7cfc252b63d/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2026/fc5824bf1543481fa1848fef5dfa642e/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2025/673c0929b4c0445da19553a18cedf73c/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/673c0929b4c0445da19553a18cedf73c/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2025/836dd48aa5e64be7860b247dc755eb1c/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/86d3344b3bca47f2a1fc7fd06cbaeb97/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2025/75c72689975c4493808659b75093e0d6/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/703db3ea0cc94419ae061b205b05a26d/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/92c210f7a12c492682802b0303ede156/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2025/573d33841bdd439c80fdc6d59927db5b/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2025/e62588074ecf4297b74a6c69a53c27ea/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/d86b6ae33fda4669baf8d3725a9f6faf/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2025/18ba999474504994b1646794c5aff722/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2025/27c581f7828f4da58a982b162926f5b9/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/69eaf45e63fd4987903e107163fe97fa/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2025/29f8204034164296b172a2fd59928187/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/dc20d46c5a6948e9a3c445af6b21c753/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2025/b80e0a5bdef640baa8a1de4e3c030287/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/b80e0a5bdef640baa8a1de4e3c030287/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2025/25a0243e1f864a8a9f62f03751b2dd95/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/25a0243e1f864a8a9f62f03751b2dd95/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2025/2087b85fb8184ee8ac8e8f7103814d57/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/2087b85fb8184ee8ac8e8f7103814d57/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2025/5c9fdd70d57343e389411d263573c4d6/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/5c9fdd70d57343e389411d263573c4d6/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2025/d3bbc653fff94670a2e9a017b254677e/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/d3bbc653fff94670a2e9a017b254677e/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2025/6d1d92b7525d4460bd39a9296f99517e/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/6d1d92b7525d4460bd39a9296f99517e/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2025/db924685f7b64b268a7696712dbadf4e/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/db924685f7b64b268a7696712dbadf4e/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2025/fb5410dd89a24cbaae586ddc1a241072/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/254af4cd6703491687eca069c099a6a0/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2025/f2f3fe87c067487ea1a847ac7444c229/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2025/c9cfafdd464948dca1dd783183439a4d/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2025/92896b1a22554936945f4013b86c8b0c/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2026/5164fbc0432e48219bcb39790227f321/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2025/252c452ade2743cda3c48bf13468c7bf/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/1938783b86b141069fe0ef2ec5eb0b8b/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2026/0b107f357a5d4a51ae4bd0f5c52ee85d/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2026/0b8495916ee04989a0aaf8b5731698de/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2025/6b929aeacb4b4fae85e0dfc301e6642f/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/7f706959098049cea725d0cfd4afd037/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/7f706959098049cea725d0cfd4afd037/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2025/f8a7031271254521a541f8efe411f5d6/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/28e2ff24bc2d47dea0748659740111a2/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/c7e60746b4094b97aef4f2f94f23cd37/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/ab24711106b44182886d6f910198e62b/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/1c0b8ed562c3492aa62c768149d152b0/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/d87860b495d4458f95199d6536146788/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/50a568348cc64ec68114def7b7893d16/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/fa1be0e2da1240b3839e2b1aefbb5cd3/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/03b721ed45554600a4b30a9745fa4bee/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/255e57b53cf2480ea43909d24d8491bc/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/ec6b7623ae094d0ba0a8fae28ba013e7/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/2e59d50a61de4ab8b23c42a7f1a72414/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/7e326fa0d4f14d8d929722900c6169ad/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/f4068de70d1f449680302cf9f69d5aae/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/aa4c3f244d56496f9e6c0ebcaaa1f72a/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/a822e8347e9549678adb16a19e50a853/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/a029e6f30af04c968e0808697eeaa9dd/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2025/150d536e2fc3455c9f2176beeb8585bd/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2025/c26de842c43e461c97b86126fb03c80d/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/ac77fa8fe18d4dcd8fec3af092ac783e/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/b68d70fdc9504ac9bb0ef9d8ec7a1418/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/b68d70fdc9504ac9bb0ef9d8ec7a1418/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2025/a76b3729f6e84367b3d965168699f3ba/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2025/b194c1aa338b4b5c8e1145f489d083a7/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2025/439988ecf28b47e99f5a4cd9767aa0e1/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2025/ab07ebddb83f49e3a3824df9284eb730/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2025/7b7f54897dcf4e1bba71a9cb605e8ac1/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2025/9f2b335f268b4990b58f0dd3be8aa9cf/nld@2025‑05‑06;13262194
EEEEEEEEEEEEEE
Bijlage III wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
/join/id/regdata/gm1742/2025/2a0de3a3f87f4e289dff3968412d32ef/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/137407777557461ab4074113c07e23ac/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/8cf289e108c8430eb1d0ab448b5c2ef8/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/690a3e152be446b4bd76146683c553bf/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/cce86fc55c6a4fb7ac81e751f5e188c7/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/8f462a17bc3c4fada4ed7469156e0aa8/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/549b7e7dd44d41daa4221e0e4efe10b7/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/2a0de3a3f87f4e289dff3968412d32ef/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/137407777557461ab4074113c07e23ac/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/8cf289e108c8430eb1d0ab448b5c2ef8/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/690a3e152be446b4bd76146683c553bf/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/cce86fc55c6a4fb7ac81e751f5e188c7/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/549b7e7dd44d41daa4221e0e4efe10b7/nld@2025‑05‑06;13262194
/join/id/regdata/gm1742/2025/48f67b061d1e46efb3bddc8b14a747ad/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2025/df6c502472e14c3891f1565268a08537/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2025/49a8725d96554b5d9135ee11a26e3c33/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2025/2e4dbe319dea4d7f8b7b37112d3b9fa7/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2025/f32f712bbdd6454ead2250be94517148/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2025/a3974e9c1b7f4bddb52ccbe02ef62587/nld@2026‑03‑11;13464941
/join/id/regdata/gm1742/2026/e421c694d7224f33a52c7047ed64e6f2/nld@2026‑03‑11;13464941
FFFFFFFFFFFFFF
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor u ligt de eerste ontwerp wijziging van het omgevingsplan gemeente Rijssen-Holten. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Op basis van de Invoeringswet Omgevingswet geldt er vanaf 1 januari 2024 een omgevingsplan gemeente Rijssen-Holten van rechtswege (tijdelijk deel). Dat omgevingsplan bevat onder meer onze lokale bestemmingsplannen. Ook zijn bij inwerkingtreding regels van het Rijk voor tientallen activiteiten aan gemeenten overgedragen. Deze voormalige Rijksregels worden ook wel de 'bruidsschat' genoemd.
Het omgevingsplan van rechtswege betreft een juridische samenvoeging. De regels worden als het ware in één document 'geniet', van inhoudelijke afstemming is geen sprake. Daarnaast moeten alle overige verordeningen over de fysieke leefomgeving ook onderdeel uit gaan maken van het omgevingsplan.
Het omgevingsplan van rechtswege geldt tijdelijk. Daarom wordt er ook wel over een 'tijdelijk deel' omgevingsplan gesproken. Gemeenten hebben tot 1 januari 2032 om inhoudelijk af te stemmen en alle documenten met regels over de fysieke leefomgeving samen te voegen tot één omgevingsplan. Het gedeelte van het omgevingsplan met afgestemde regels wordt het 'nieuwe deel' genoemd.
Het omgevingsplan is een consoliderend plan. Dat betekent dat er geen losse omgevingsplannen worden vastgesteld. We maken voor locaties dus geen losse omgevingsplannen, we passen de locatie in het omgevingsplan in. Er is telkens sprake van één versie van het omgevingsplan waaraan dingen worden toegevoegd of dingen uit verwijderd worden. Omdat er sprake is van één plan, is het zinvol om vooraf na te denken over een structuur waar binnen toekomstige wijzigingen passen. De afgelopen twee jaar is gewerkt aan de structuur voor het omgevingsplan van de gemeente Rijssen-Holten.
We hanteren als implementatiestrategie voor het vullen van het nieuwe deel dat de bruidsschat als eerste een plek krijgt in die nieuwe structuur. De regels uit de bruidsschat zijn bruikbaar voor veel milieubelastende activiteiten en bevat regels over het toestemmingsvrij bouwen (bouwactiviteit omgevingsplan). Het is daarmee logisch deze als eerste een plek te geven en geen nieuwe (eigen) regels te bedenken. Toekomstige wijzigingen vullen het omgevingsplan verder in. De bruidsschat is een fundament waar op verder gebouwd kan worden.
Aan de bruidsschat hangt ook de dienstverlening in het loket van het Digitaal Stelsel Omgevingswet. Die is zoveel mogelijk ongewijzigd in stand gelaten. Onder dienstverlening verstaan we de mogelijkheden om een vergunningcheck te doen (Heb ik voor mijn initiatief een omgevingsvergunning nodig?), een aanvraag in te kunnen dienen en voor milieubelastende activiteiten zijn er maatregelen op maat (concrete voorschriften voor milieubelastende activiteiten). Die dienstverlening geldt ook voor lokale activiteiten zoals het kappen van bomen of het aanleggen van een uitrit.
Wat omvat de eerste wijziging?
De eerste wijziging omgevingsplan gemeente Rijssen-Holten bevat:
- de bruidsschat (omgezet naar de lokale situatie voor Rijssen-Holten);
- Kapverordening gemeente Rijssen-Holten 2024;
- (grotendeels) Erfgoedverordening gemeente Rijssen-Holten 2018;
- Doelgroepenverordening gemeente Rijssen-Holten 2024;
- Parapluplannen over evenementen, risicobronnen, parkeren en de voormalige kruimellijst;
- Verordening op de afvoer hemelwater en grondwater 2024;
- Beleid over uitritten (deels Algemene Plaatselijke Verordening, deels specifiek beleid);
- Ontwerp TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22m, buitengebied verbranden snoeiafval buiten een installatie; en
- Omgevingsplanactiviteit voor het omzetten van een inwoonsituatie naar zelfstandige woning (op basis van het nog vast te stellen Beleid ruimtelijke ontwikkelingen buitengebied 2024).
Voor u ligt de tweede ontwerp wijziging van het omgevingsplan gemeente Rijssen-Holten.
PM uitgebreider toelichting volgt bij vaststelling
Wat omvat de tweede wijziging?
verbeteringen van diverse annotaties;
diverse nieuwe TAM-plannen in afdeling 19.2;
een nieuwe afdeling 19.3 met reparaties van het tijdelijk deel omgevingsplan;
verbetering van de structuur van erfgoed in het omgevingsplan in hoofdstukken 4, 8 en 13;
diverse kleine verbeteringen in de hoofdstukken om te verduidelijken.
GGGGGGGGGGGGGG
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Afdeling 22.3 van de bruidsschat, zoals deze is gaan gelden op het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet, gaat over milieubelastende activiteiten. Deze regels voldoen op een aantal onderdelen niet aan de instructieregels van Besluit kwaliteit leefomgeving hierna Bkl), en moeten daarmee in overeenstemming worden gebracht. In samenwerking met de Omgevingsdienst Twente is een analyse uitgevoerd op welke onderdelen de bruidsschat niet voldoet aan het Bkl. De regels waarvoor geconstateerd is dat ze niet voldoen aan het Bkl zijn aangepast. Verder zijn in overleg met de Omgevingsdienst Twente enkele begrippen geharmoniseerd. Hieronder is op hoofdlijnen weergegeven wat de belangrijkste aanbevelingen zijn geweest.
[Vervallen]
HHHHHHHHHHHHHH
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
IIIIIIIIIIIIII
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De hoofdstructuur van het omgevingsplan gemeente Rijssen-Holten is als volgt:
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Hoofdstuk 2 Afval
Hoofdstuk 3 Archeologie en bodem
Hoofdstuk 4 Bouwen en slopen van bouwwerken en gebruik van bouwwerken en gronden
Hoofdstuk 5 Emissies naar de lucht
Hoofdstuk 6 Geluid
Hoofdstuk 7 Grondexploitatie inclusief doelgroepen en nadeelcompensatie
Hoofstuk 8 Indieningsvereisten en procedures (aanwijzing en instrumenten)
Hoofdstuk 9 Landschap en natuur
Hoofdstuk 10 Licht
Hoofdstuk 11 Maatwerkvoorschriften
Hoofdstuk 12 Monitoring, toezicht en handhaving (gereserveerd)
Hoofdstuk 13 Monumenten
Hoofdstuk 14 Openbare ruimte
Hoofdstuk 15 Overgangsrecht
Hoofdstuk 16 Trillingen
Hoofdstuk 17 Veiligheid en gezondheid
Hoofdstuk 18 Water
Hoofdstuk 19 X - Tijdelijk regelingendeel omgevingsplan
Een juridische regel worden in een hoofdstuk geplaatst op basis van de 'oogmerken' waarmee de regel gesteld wordt.
De hoofdstukken zijn alfabetisch geordend. Alle thematische hoofdstukken starten met een afdeling 'algemene regels' waarin:
de aanwijzing van gebieden en locaties plaatsvindt;
de algemene indieningsvereisten, oogmerken en toepassingsbereik te vinden is.
De verdere indeling van afdelingen, ((sub)sub)paragrafen en artikelen vindt ook plaats volgens alfabetische volgorde.
In de artikelsgewijze toelichting is terug te vinden wat de oorsprong is van de juridische regel: voormalig bruidsschat of afkomstig uit andere lokale regels/verordeningen.
[Vervallen]
JJJJJJJJJJJJJJ
Na sectie ' Afstanden, bouwhoogten van bouwwerken' wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Toelichting
Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet hebben gemeenten regels van het Rijk gekregen. Dat wordt ook wel de bruidsschat genoemd. Die regels zaten in hoofdstuk 22 van het omgevingsplan van de gemeente Rijssen-Holten. Bij deze regels zaten tientallen NEN-normen. NEN-normen bieden een gestandaardiseerde manier van meten of rekenen. Deze normen worden met enige regelmaat bijgewerkt. Dat betekent dat gemeenten de verwijzing naar die normen telkens moeten bijwerken. En dat vraag om een wijziging van het omgevingsplan. Dat levert een bewerkelijke en ongewenste situatie op. Het Rijk heeft daarom besloten de NEN-normen terug te halen naar de Omgevingsregeling (hoofdstuk 6). De NEN-normen zijn uit bijlage I van het omgevingsplan verwijderd.
KKKKKKKKKKKKKK
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Toelichting
Tweede lid, onderdeel a
Het tweede lid bevat een voorrangbepaling voor vergunningvoorschriften in een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit, die met toepassing van het recht zoals dat gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, is verleend. Het gaat hierbij om een vergunningplichtige milieubelastende activiteit die in hoofdstuk 3 van het Bal is aangewezen en waarbij deze vergunningvoorschriften bevat voor een onderwerp dat naar het omgevingsplan is verschoven. Op grond van het overgangsrecht van artikel 4.13, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijven deze vergunningvoorschriften gelden. De vergunningvoorschriften gelden naast het omgevingsplan. De strengste regel is dan bepalend. Ten tijde van de vergunningverlening zijn juist bewust strengere of soepeler voorschriften gesteld, afgestemd op de locatie. De regels van de hoofdstukken over milieubelastende activiteiten dit omgevingsplan zijn niet van toepassing, voor zover zo’n vergunningvoorschrift geldt. De uitdrukking «voor zover» betekent «in de mate dat». Dat houdt in dat alleen die voorschriften uit de hoofdstukken over milieubelastende activiteiten van dit omgevingsplan buiten toepassing blijven waarvoor voorschriften in de omgevingsvergunning zijn gesteld. Als bijvoorbeeld de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit voor geluid alleen voorschriften met waarden bevat, dan blijft artikel 6.196.18 van dit omgevingsplan met geluidwaarden voor geluidgevoelige gebouwen buiten toepassing. Maar artikel 6.166.15 van dit omgevingsplan, dat bepaalt wanneer een akoestisch onderzoek gedaan moet worden, is wel van toepassing.
Deze voorrangsbepaling kan relevant zijn voor de volgende onderdelen van de hoofdstukken over milieubelastende activiteiten van dit omgevingsplan:
Hoofdstuk 2 Afval
Hoofdstuk 6 Geluid
Hoofdstuk 16 Trillingen
Paragraaf 18.2.3 Lozen bij maken van betonmortel
Paragraaf 18.2.18 Uitwassen van beton
Paragraaf 18.2.13 Ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal
Paragraaf 3.3.1.1 In werking hebben van een acculader
Dit omgevingsplan voorziet niet in een voorrangsbepaling voor bestaande vergunningvoorschriften of maatwerkvoorschriften op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer die op grond van het algemene overgangsrecht maatwerkvoorschriften zijn geworden en die afwijken van of een nadere invulling geven aan de omgevingsplanregels in dit omgevingsplan. Uit de wetssystematiek volgt al dat een maatwerkvoorschrift voorrang heeft op een algemene bepaling.
Tweede lid, onderdeel b, sub 1 tot en met 7
De onderdelen a tot en met f van het tweede lid sluiten bepaalde milieubelastende activiteiten uit van het algemene toepassingsbereik van deze afdeling.
Op grond van artikel 22.2, eerste lid, van de Omgevingswet mogen de omgevingsplanregels van rijkswege alleen gaan over regels die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet bij of krachtens de wet waren gesteld of daaraan gelijkwaardige regels. Het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de voormalige Wet geurhinder en veehouderij waren alleen van toepassing op inrichtingen als bedoeld in artikel 1, derde lid, van de Wet milieubeheer. Omdat het begrip milieubelastende activiteit in de Omgevingswet breder is dan dat begrip inrichting, is in dit lid een afbakening van het toepassingsbereik opgenomen.
Bij de overgang naar een nieuwe wetsystematiek en begrippenkader is het niet te voorkomen dat er enkele verschuivingen in de uitvoering van de regelgeving optreden. Aanmerkelijke verschuivingen in het toepassingsbereik zijn niet beoogd. Desondanks zullen er op kleine schaal wel enige verschuivingen optreden, omdat de oude criteria van het begrip inrichting niet één op één zijn overgenomen. De omschrijving van het toepassingsbereik in dit artikel vraagt enige mate van interpretatie. Ook de criteria van het begrip inrichting uit de Wet milieubeheer vroegen om interpretatie, en werden door verschillende bevoegde instanties enigszins verschillend geïnterpreteerd.
Bij de interpretatie van het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, is het raadzaam om aan te sluiten bij de praktijk van de voormalige regelgeving. Als een activiteit als Wet milieubeheer-inrichting werd beschouwd, kan deze ook onder de regels voor milieubelastende activiteiten van deze afdeling vallen.
Een beperkte verschuiving is op zich niet bezwaarlijk, als dit er niet toe leidt dat:
a) activiteiten die eerst niet onder rijksregels vielen door de regels van deze afdeling van dit omgevingsplan worden beperkt;
b) activiteiten die wel onder de regels vielen en reële risico’s voor de fysieke leefomgeving inhouden ongeregeld blijven.
Situaties als bedoeld onder a zullen niet snel voorkomen. Juist aan de «onderkant» van het inrichtingenbegrip golden er naast de regels van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer ook andere regels die ervoor zorgen dat ook activiteiten die geen inrichting waren toch aan regels ter bescherming van de leefomgeving waren gebonden. Denk bijvoorbeeld aan de regels van de Algemene Plaatselijke Verordening, maar ook het restrisico-artikel van het Bouwbesluit 2012 (artikel 7.22). Deze regels van de Algemene Plaatselijke Verordening blijven op het moment van de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van het algemeen overgangsrecht (artikel 22.4 van de Omgevingswet bepaalt namelijk dat artikel 122 van de Gemeentewet tijdelijk niet van toepassing is) gelden. Het restrisico-artikel van het Bouwbesluit 2012 is ook opgenomen als regel van rijkswege in het omgevingsplan. Bovendien zijn de regels van deze afdeling voor activiteiten waarop ze van toepassing zouden worden zelden feitelijk beperkend, omdat bij het op gebruikelijke wijze uitvoeren van de activiteit aan de regels wordt voldaan.
Ook voor situaties als bedoeld onder b hoeft in zijn algemeenheid niet te worden gevreesd. Veelal gold voor de activiteiten aan de onderkant van het inrichtingenbegrip naast de zorgplicht van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 2.1) alleen een beperkt aantal regels, zoals de geluidregels. Een eventuele overtreding van de zorgplicht van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer zal in veel gevallen ook als overtreding van de algemene zorgplicht van de Omgevingswet kunnen worden aangemerkt. En omdat de rijksregels niet gelden, zal ook de Algemene Plaatselijke Verordening veelal een deel van de bescherming overnemen.
Het algemene overgangsrecht in artikel 22.4 van de Omgevingswet en de mogelijkheden voor maatwerk op grond van deze afdeling zullen eventuele nadelige gevolgen van de beperkte verschuivingen voldoende ondervangen.
Bij het voorbereiden van deze afdeling zijn al verschillende mogelijke verschuivingen in het toepassingsbereik geïdentificeerd. Belangrijke aandachtspunten worden hieronder benoemd.
De onderdelen in dit tweede lid beogen de criteria «een omvang alsof zij bedrijfsmatig is», «binnen een zekere begrenzing» en «pleegt te worden verricht» binnen de omschrijving van het begrip inrichting in de Wet milieubeheer te vervangen. De categorieën uit bijlage I bij het Besluit omgevingsrecht zijn niet overgenomen. Sommige ondergrenzen in die categorieën kunnen eventueel terugkomen in het toepassingsbereik van de paragrafen in deze afdeling.
Kleine winkels waar geen installaties met meer dan 1,5 kW elektromotorisch vermogen aanwezig zijn, waren bijvoorbeeld meestal geen Wet milieubeheer-inrichting, maar vallen nu wel onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling in het omgevingsplan. Alhoewel er geen specifieke voorschriften voor gelden, moeten deze activiteiten wel voldoen aan de specifieke zorgplicht.
Tweede lid, onderdeel b, sub 1
De omgevingsplanregels van rijkswege voor de milieubelastende activiteit zijn alleen van toepassing op milieubelastende activiteiten, anders dan wonen. Hiermee wordt aangesloten op het toepassingsbereik voor de instructieregels voor geluid, trillingen en geur in het Bkl.
Als een hobby een bepaalde omvang overstijgt kan dit ertoe leiden dat het verrichten van een activiteit niet meer onder wonen valt. Denk hierbij aan het in een bepaalde omvang houden van dieren, sleutelen aan auto’s, meubels maken of bereiden van voedingsmiddelen. Waar de grens ligt, is een grijs gebied. Hetzelfde geldt voor bedrijven aan huis. De gemeente mag hier ook zelf invulling aan geven in het omgevingsplan. Overigens was bij de toetsing of er sprake was van een Wet milieubeheer-inrichting het criterium «een omvang alsof zij bedrijfsmatig is» ook altijd een grijs gebied.
Een ander bekend voorbeeld van onduidelijkheid over de vraag of een activiteit een Wet milieubeheer-inrichting was, is het opslaan van huisbrandolie of propaan in tanks bij particulieren. Onder het regime van de Omgevingswet wordt dit afgedekt door het Bal.
Tweede lid, onderdeel b, sub 2
Het feitelijk verrichten van bouw- en sloopactiviteiten of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein, vallen niet onder deze afdeling. Ook in het Bbl zijn eisen opgenomen voor zowel geluid als trillingen bij bouw- en sloopactiviteiten. Het Bbl bevat voor het verrichten van die activiteiten ook een specifieke zorgplicht. Verder bevat de Algemene Plaatselijke Verordening vaak regels ter voorkoming van hinder door bouw- en sloopgerelateerde activiteiten. Het algemene overgangsrecht van de Omgevingswet in artikel 22.4 van de Omgevingswet zorgt ervoor dat deze regels van de Algemene Plaatselijke Verordening bij de inwerkingtreding van de wet blijven gelden. Naast deze regels bevat afdeling 17.2 van dit omgevingsplan een specifieke zorgplicht voor het gebruik van een bouwwerk (artikel 17.2717.29). Het is dus niet zo dat er, door de uitzondering in dit onderdeel, voor deze activiteiten geen regels gelden.
Onder het regime van de Wet milieubeheer gebeurde het in bijzondere gevallen wel dat bouwwerkzaamheden die langer duurden dan zes maanden, als een Wet milieubeheer-inrichting werden gezien. Deze activiteiten vallen buiten het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, maar ook daarvoor geldt dat de hiervoor genoemde regels van toepassing zijn.
Tweede lid, onderdeel b, sub 3
Deze uitzondering beoogt de activiteiten die in de openbare buitenruimte plaatsvinden uit te sluiten. Voorbeelden zijn kermissen en andere evenementen, weekmarkten, mobiele installaties/activiteiten zoals draaiorgels, ophalen van vuilnis en gevelreiniging (met uitzondering van lozen). Het voor korte periode bezetten van een stukje openbaar toegankelijk terrein, maakt het daarmee niet ontoegankelijk. Activiteiten in een openbaar toegankelijk gebouw, zoals een publieke parkeergarage of het stadhuis, vallen wel onder het toepassingsbereik. Ook het laden en lossen op de openbare weg in de onmiddellijke nabijheid van een winkel, of het verkeer van en naar het bedrijf valt wel onder het toepassingsbereik van deze afdeling.
Voor enkele activiteiten zoals het exploiteren van een mobiele vis-, friet-, oliebollen- of marktkraam of het exploiteren van een terras, was het afhankelijk van de situatie en de interpretatie van het bevoegd gezag of ze gezien werden als een Wet milieubeheer-inrichting. Deze interpretatieverschillen kunnen zich ook nu weer voordoen. Zoals al aangegeven in de inleiding van de toelichting op dit artikel is er in principe geen verschuiving in het toepassingsbereik van deze afdeling in het omgevingsplan ten opzichte van het oude begrip Wet milieubeheer-inrichting beoogd.
Tweede lid, onderdeel b, sub 4
Doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen valt niet onder deze afdeling van dit omgevingsplan.
Tweede lid, onderdeel b, sub 5
Dit onderdeel sluit evenementen, waarover geluidregels zijn gesteld in bijvoorbeeld de Algemene Plaatselijke Verordening of een evenementenverordening uit van het toepassingsbereik van deze afdeling over milieubelastende activiteiten. Deels gebeurt dit al met onderdeel c, omdat evenementen vaak plaatsvinden in de openbare buitenruimte. Maar regelmatig zijn evenementen ook besloten of vinden ze plaats in een tijdelijk leegstaand gebouw. Deze uitzondering geldt niet voor activiteiten waarvoor geen geluidregels gelden bij of krachtens een gemeentelijke verordening, maar waarvoor geluidregels waren opgenomen in een omgevingsvergunning voor een inrichting op grond van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Voorbeelden hiervan kunnen zijn permanente evenemententerreinen of evenementenhallen.
Tweede lid, onderdeel b, sub 6
Deze uitzondering beoogt vooral het gebruik van landbouwvoertuigen op weilanden en akkers uit te sluiten van het algemene toepassingsbereik voor deze afdeling. De opslag van vaste mest op een weiland of akker valt wel onder dit algemene toepassingsbereik. Een installatie die verplaatsbaar is maar gedurende een langere periode achtereen op een weiland of akkers wordt gebruikt, wordt niet gezien als mobiele installatie en valt ook onder de regels voor de milieubelastende activiteiten in dit omgevingsplan. Bijvoorbeeld een antihagelkanon. Ook verplaatsbare mijnbouwwerken vallen onder het toepassingsbereik van deze afdeling.
Tweede lid, onderdeel b, sub 7
Vaste objecten zoals bruggen, sluizen en tunnels kunnen door de aanwezigheid van elektromotorisch vermogen gezien worden als milieubelastende activiteiten. Bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen vallen niet onder het toepassingsbereik van dit omgevingsplan.
Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet bleven elektromotoren van bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen buiten beschouwing bij het bepalen of sprake was van een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Dit was bepaald in categorie 1, 1.2, onder c, van bijlage I, onderdeel C, bij het Besluit omgevingsrecht, zoals dat gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
LLLLLLLLLLLLLL
Sectie ' Archeologische verwachtingswaarde' wordt geplaatst na sectie ' Afval: zwerfvuil'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MMMMMMMMMMMMMM
Na sectie ' Archeologische verwachtingswaarde' wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Toelichting
Dit artikel voorziet in de toekomstige mogelijkheid om een bodembeheergebied aan te wijzen (artikel 5.89o Besluit kwaliteit leefomgeving).
NNNNNNNNNNNNNN
Sectie ' Bodemfunctieklasse industrie (gereserveerd)' wordt geplaatst na sectie ' Bodembeheergebied (gereserveerd)'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Op basis van de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving moet het omgevingsplan voor 1 januari 2032 bodemklasses kunnen voor een aantal functies.
Toelichting
Dit artikel voorziet in de toekomstige mogelijkheid om een specifieke functieklasse voor bodem aan een gebied toe te kennen (artikel 5.89p Besluit kwaliteit leefomgeving).
OOOOOOOOOOOOOO
Sectie ' Bodemfunctieklasse landbouw/natuur (gereserveerd)' wordt geplaatst na sectie ' Bodemfunctieklasse industrie (gereserveerd)'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Op basis van de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving moet het omgevingsplan voor 1 januari 2032 bodemklasses kunnen voor een aantal functies.
Toelichting
Dit artikel voorziet in de toekomstige mogelijkheid om een specifieke functieklasse voor bodem aan een gebied toe te kennen (artikel 5.89p Besluit kwaliteit leefomgeving).
PPPPPPPPPPPPPP
Sectie ' Bodemfunctieklasse wonen (gereserveerd)' wordt geplaatst na sectie ' Bodemfunctieklasse landbouw/natuur (gereserveerd)'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Op basis van de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving moet het omgevingsplan voor 1 januari 2032 bodemklasses kunnen voor een aantal functies.
Toelichting
Dit artikel voorziet in de toekomstige mogelijkheid om een specifieke functieklasse voor bodem aan een gebied toe te kennen (artikel 5.89p Besluit kwaliteit leefomgeving).
QQQQQQQQQQQQQQ
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
RRRRRRRRRRRRRR
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
SSSSSSSSSSSSSS
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Toelichting
Tweede lid, onderdeel a
Het tweede lid bevat een voorrangbepaling voor vergunningvoorschriften in een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit, die met toepassing van het recht zoals dat gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, is verleend. Het gaat hierbij om een vergunningplichtige milieubelastende activiteit die in hoofdstuk 3 van het Bal is aangewezen en waarbij deze vergunningvoorschriften bevat voor een onderwerp dat naar het omgevingsplan is verschoven. Op grond van het overgangsrecht van artikel 4.13, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijven deze vergunningvoorschriften gelden. De vergunningvoorschriften gelden naast het omgevingsplan. De strengste regel is dan bepalend. Ten tijde van de vergunningverlening zijn juist bewust strengere of soepeler voorschriften gesteld, afgestemd op de locatie. De regels van de hoofdstukken over milieubelastende activiteiten dit omgevingsplan zijn niet van toepassing, voor zover zo’n vergunningvoorschrift geldt. De uitdrukking «voor zover» betekent «in de mate dat». Dat houdt in dat alleen die voorschriften uit de hoofdstukken over milieubelastende activiteiten van dit omgevingsplan buiten toepassing blijven waarvoor voorschriften in de omgevingsvergunning zijn gesteld. Als bijvoorbeeld de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit voor geluid alleen voorschriften met waarden bevat, dan blijft artikel 6.196.18 van dit omgevingsplan met geluidwaarden voor geluidgevoelige gebouwen buiten toepassing. Maar artikel 6.166.15 van dit omgevingsplan, dat bepaalt wanneer een akoestisch onderzoek gedaan moet worden, is wel van toepassing.
Deze voorrangsbepaling kan relevant zijn voor de volgende onderdelen van de hoofdstukken over milieubelastende activiteiten van dit omgevingsplan:
Hoofdstuk 2 Afval
Hoofdstuk 6 Geluid
Hoofdstuk 16 Trillingen
Paragraaf 18.2.3 Lozen bij maken van betonmortel
Paragraaf 18.2.18 Uitwassen van beton
Paragraaf 18.2.13 Ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal
Paragraaf 3.3.1.1 In werking hebben van een acculader
Dit omgevingsplan voorziet niet in een voorrangsbepaling voor bestaande vergunningvoorschriften of maatwerkvoorschriften op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer die op grond van het algemene overgangsrecht maatwerkvoorschriften zijn geworden en die afwijken van of een nadere invulling geven aan de omgevingsplanregels in dit omgevingsplan. Uit de wetssystematiek volgt al dat een maatwerkvoorschrift voorrang heeft op een algemene bepaling.
Tweede lid, onderdeel b, sub 1 tot en met 7
De onderdelen a tot en met f van het tweede lid sluiten bepaalde milieubelastende activiteiten uit van het algemene toepassingsbereik van deze afdeling.
Op grond van artikel 22.2, eerste lid, van de Omgevingswet mogen de omgevingsplanregels van rijkswege alleen gaan over regels die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet bij of krachtens de wet waren gesteld of daaraan gelijkwaardige regels. Het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de voormalige Wet geurhinder en veehouderij waren alleen van toepassing op inrichtingen als bedoeld in artikel 1, derde lid, van de Wet milieubeheer. Omdat het begrip milieubelastende activiteit in de Omgevingswet breder is dan dat begrip inrichting, is in dit lid een afbakening van het toepassingsbereik opgenomen.
Bij de overgang naar een nieuwe wetsystematiek en begrippenkader is het niet te voorkomen dat er enkele verschuivingen in de uitvoering van de regelgeving optreden. Aanmerkelijke verschuivingen in het toepassingsbereik zijn niet beoogd. Desondanks zullen er op kleine schaal wel enige verschuivingen optreden, omdat de oude criteria van het begrip inrichting niet één op één zijn overgenomen. De omschrijving van het toepassingsbereik in dit artikel vraagt enige mate van interpretatie. Ook de criteria van het begrip inrichting uit de Wet milieubeheer vroegen om interpretatie, en werden door verschillende bevoegde instanties enigszins verschillend geïnterpreteerd.
Bij de interpretatie van het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, is het raadzaam om aan te sluiten bij de praktijk van de voormalige regelgeving. Als een activiteit als Wet milieubeheer-inrichting werd beschouwd, kan deze ook onder de regels voor milieubelastende activiteiten van deze afdeling vallen.
Een beperkte verschuiving is op zich niet bezwaarlijk, als dit er niet toe leidt dat:
a) activiteiten die eerst niet onder rijksregels vielen door de regels van deze afdeling van dit omgevingsplan worden beperkt;
b) activiteiten die wel onder de regels vielen en reële risico’s voor de fysieke leefomgeving inhouden ongeregeld blijven.
Situaties als bedoeld onder a zullen niet snel voorkomen. Juist aan de «onderkant» van het inrichtingenbegrip golden er naast de regels van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer ook andere regels die ervoor zorgen dat ook activiteiten die geen inrichting waren toch aan regels ter bescherming van de leefomgeving waren gebonden. Denk bijvoorbeeld aan de regels van de Algemene Plaatselijke Verordening, maar ook het restrisico-artikel van het Bouwbesluit 2012 (artikel 7.22). Deze regels van de Algemene Plaatselijke Verordening blijven op het moment van de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van het algemeen overgangsrecht (artikel 22.4 van de Omgevingswet bepaalt namelijk dat artikel 122 van de Gemeentewet tijdelijk niet van toepassing is) gelden. Het restrisico-artikel van het Bouwbesluit 2012 is ook opgenomen als regel van rijkswege in het omgevingsplan. Bovendien zijn de regels van deze afdeling voor activiteiten waarop ze van toepassing zouden worden zelden feitelijk beperkend, omdat bij het op gebruikelijke wijze uitvoeren van de activiteit aan de regels wordt voldaan.
Ook voor situaties als bedoeld onder b hoeft in zijn algemeenheid niet te worden gevreesd. Veelal gold voor de activiteiten aan de onderkant van het inrichtingenbegrip naast de zorgplicht van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 2.1) alleen een beperkt aantal regels, zoals de geluidregels. Een eventuele overtreding van de zorgplicht van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer zal in veel gevallen ook als overtreding van de algemene zorgplicht van de Omgevingswet kunnen worden aangemerkt. En omdat de rijksregels niet gelden, zal ook de Algemene Plaatselijke Verordening veelal een deel van de bescherming overnemen.
Het algemene overgangsrecht in artikel 22.4 van de Omgevingswet en de mogelijkheden voor maatwerk op grond van deze afdeling zullen eventuele nadelige gevolgen van de beperkte verschuivingen voldoende ondervangen.
Bij het voorbereiden van deze afdeling zijn al verschillende mogelijke verschuivingen in het toepassingsbereik geïdentificeerd. Belangrijke aandachtspunten worden hieronder benoemd.
De onderdelen in dit tweede lid beogen de criteria «een omvang alsof zij bedrijfsmatig is», «binnen een zekere begrenzing» en «pleegt te worden verricht» binnen de omschrijving van het begrip inrichting in de Wet milieubeheer te vervangen. De categorieën uit bijlage I bij het Besluit omgevingsrecht zijn niet overgenomen. Sommige ondergrenzen in die categorieën kunnen eventueel terugkomen in het toepassingsbereik van de paragrafen in deze afdeling.
Kleine winkels waar geen installaties met meer dan 1,5 kW elektromotorisch vermogen aanwezig zijn, waren bijvoorbeeld meestal geen Wet milieubeheer-inrichting, maar vallen nu wel onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling in het omgevingsplan. Alhoewel er geen specifieke voorschriften voor gelden, moeten deze activiteiten wel voldoen aan de specifieke zorgplicht.
Tweede lid, onderdeel b, sub 1
De omgevingsplanregels van rijkswege voor de milieubelastende activiteit zijn alleen van toepassing op milieubelastende activiteiten, anders dan wonen. Hiermee wordt aangesloten op het toepassingsbereik voor de instructieregels voor geluid, trillingen en geur in het Bkl.
Als een hobby een bepaalde omvang overstijgt kan dit ertoe leiden dat het verrichten van een activiteit niet meer onder wonen valt. Denk hierbij aan het in een bepaalde omvang houden van dieren, sleutelen aan auto’s, meubels maken of bereiden van voedingsmiddelen. Waar de grens ligt, is een grijs gebied. Hetzelfde geldt voor bedrijven aan huis. De gemeente mag hier ook zelf invulling aan geven in het omgevingsplan. Overigens was bij de toetsing of er sprake was van een Wet milieubeheer-inrichting het criterium «een omvang alsof zij bedrijfsmatig is» ook altijd een grijs gebied.
Een ander bekend voorbeeld van onduidelijkheid over de vraag of een activiteit een Wet milieubeheer-inrichting was, is het opslaan van huisbrandolie of propaan in tanks bij particulieren. Onder het regime van de Omgevingswet wordt dit afgedekt door het Bal.
Tweede lid, onderdeel b, sub 2
Het feitelijk verrichten van bouw- en sloopactiviteiten of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein, vallen niet onder deze afdeling. Ook in het Bbl zijn eisen opgenomen voor zowel geluid als trillingen bij bouw- en sloopactiviteiten. Het Bbl bevat voor het verrichten van die activiteiten ook een specifieke zorgplicht. Verder bevat de Algemene Plaatselijke Verordening vaak regels ter voorkoming van hinder door bouw- en sloopgerelateerde activiteiten. Het algemene overgangsrecht van de Omgevingswet in artikel 22.4 van de Omgevingswet zorgt ervoor dat deze regels van de Algemene Plaatselijke Verordening bij de inwerkingtreding van de wet blijven gelden. Naast deze regels bevat afdeling 17.2 van dit omgevingsplan een specifieke zorgplicht voor het gebruik van een bouwwerk (artikel 17.2717.29). Het is dus niet zo dat er, door de uitzondering in dit onderdeel, voor deze activiteiten geen regels gelden.
Onder het regime van de Wet milieubeheer gebeurde het in bijzondere gevallen wel dat bouwwerkzaamheden die langer duurden dan zes maanden, als een Wet milieubeheer-inrichting werden gezien. Deze activiteiten vallen buiten het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, maar ook daarvoor geldt dat de hiervoor genoemde regels van toepassing zijn.
Tweede lid, onderdeel b, sub 3
Deze uitzondering beoogt de activiteiten die in de openbare buitenruimte plaatsvinden uit te sluiten. Voorbeelden zijn kermissen en andere evenementen, weekmarkten, mobiele installaties/activiteiten zoals draaiorgels, ophalen van vuilnis en gevelreiniging (met uitzondering van lozen). Het voor korte periode bezetten van een stukje openbaar toegankelijk terrein, maakt het daarmee niet ontoegankelijk. Activiteiten in een openbaar toegankelijk gebouw, zoals een publieke parkeergarage of het stadhuis, vallen wel onder het toepassingsbereik. Ook het laden en lossen op de openbare weg in de onmiddellijke nabijheid van een winkel, of het verkeer van en naar het bedrijf valt wel onder het toepassingsbereik van deze afdeling.
Voor enkele activiteiten zoals het exploiteren van een mobiele vis-, friet-, oliebollen- of marktkraam of het exploiteren van een terras, was het afhankelijk van de situatie en de interpretatie van het bevoegd gezag of ze gezien werden als een Wet milieubeheer-inrichting. Deze interpretatieverschillen kunnen zich ook nu weer voordoen. Zoals al aangegeven in de inleiding van de toelichting op dit artikel is er in principe geen verschuiving in het toepassingsbereik van deze afdeling in het omgevingsplan ten opzichte van het oude begrip Wet milieubeheer-inrichting beoogd.
Tweede lid, onderdeel b, sub 4
Doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen valt niet onder deze afdeling van dit omgevingsplan.
Tweede lid, onderdeel b, sub 5
Dit onderdeel sluit evenementen, waarover geluidregels zijn gesteld in bijvoorbeeld de Algemene Plaatselijke Verordening of een evenementenverordening uit van het toepassingsbereik van deze afdeling over milieubelastende activiteiten. Deels gebeurt dit al met onderdeel c, omdat evenementen vaak plaatsvinden in de openbare buitenruimte. Maar regelmatig zijn evenementen ook besloten of vinden ze plaats in een tijdelijk leegstaand gebouw. Deze uitzondering geldt niet voor activiteiten waarvoor geen geluidregels gelden bij of krachtens een gemeentelijke verordening, maar waarvoor geluidregels waren opgenomen in een omgevingsvergunning voor een inrichting op grond van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Voorbeelden hiervan kunnen zijn permanente evenemententerreinen of evenementenhallen.
Tweede lid, onderdeel b, sub 6
Deze uitzondering beoogt vooral het gebruik van landbouwvoertuigen op weilanden en akkers uit te sluiten van het algemene toepassingsbereik voor deze afdeling. De opslag van vaste mest op een weiland of akker valt wel onder dit algemene toepassingsbereik. Een installatie die verplaatsbaar is maar gedurende een langere periode achtereen op een weiland of akkers wordt gebruikt, wordt niet gezien als mobiele installatie en valt ook onder de regels voor de milieubelastende activiteiten in dit omgevingsplan. Bijvoorbeeld een antihagelkanon. Ook verplaatsbare mijnbouwwerken vallen onder het toepassingsbereik van deze afdeling.
Tweede lid, onderdeel b, sub 7
Vaste objecten zoals bruggen, sluizen en tunnels kunnen door de aanwezigheid van elektromotorisch vermogen gezien worden als milieubelastende activiteiten. Bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen vallen niet onder het toepassingsbereik van dit omgevingsplan.
Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet bleven elektromotoren van bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen buiten beschouwing bij het bepalen of sprake was van een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Dit was bepaald in categorie 1, 1.2, onder c, van bijlage I, onderdeel C, bij het Besluit omgevingsrecht, zoals dat gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
TTTTTTTTTTTTTT
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
UUUUUUUUUUUUUU
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
VVVVVVVVVVVVVV
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
WWWWWWWWWWWWWW
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
XXXXXXXXXXXXXX
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
YYYYYYYYYYYYYY
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
ZZZZZZZZZZZZZZ
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AAAAAAAAAAAAAAA
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
BBBBBBBBBBBBBBB
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
CCCCCCCCCCCCCCC
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
DDDDDDDDDDDDDDD
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
EEEEEEEEEEEEEEE
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
FFFFFFFFFFFFFFF
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
GGGGGGGGGGGGGGG
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HHHHHHHHHHHHHHH
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.132.
Toelichting
Degene die op de locatie, bedoeld in artikel 3.163.17, een activiteit verricht, neemt in het belang van bescherming van de bodem maatregelen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd om verdere verontreiniging van de bodem te voorkomen of te beperken, of – als en voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is als onderdeel van een activiteit die wordt verricht – ongedaan te maken. Zie verder hierna over de mogelijkheden en beperkingen van dit artikel. Er geldt een licht beschermingsregime voor deze bekende verontreinigde locaties in afwachting van sanering, net als onder de Wet bodembescherming.
Dit artikel heeft betrekking op zogenoemde niet-spoed locaties, zoals deze waren beschikt als saneringsgeval op grond van de Wet bodembescherming. In de toelichting bij de Aanvullingswet bodem is aangegeven dat de beschikking niet-spoed als zodanig bij inwerkingtreding van de Omgevingswet vervalt. Er is overgangsrecht geregeld voor onder meer gebruiksbeperkingen op grond van artikel 37, vierde lid, van de Wet bodembescherming (artikelen 3.1 en 3.2 Aanvullingswet bodem).
Voor de spoedlocaties is overgangsrecht opgenomen in de Aanvullingswet bodem (artikel 3.1), zodat daarvoor de bestaande regels bij of krachtens de Wet bodembescherming blijven gelden. Locaties met een verontreiniging boven de interventiewaarde die onder de Wet bodembescherming waren aangemerkt als niet-spoed worden in het nieuwe stelsel, net als onder de Wet bodembescherming, gesaneerd op een natuurlijk moment, meestal bouwen. Het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Besluit activiteiten leefomgeving en dit omgevingsplan regelen dat saneren een voorwaarde is voor het bouwen en de saneringsaanpak. De milieubelastende activiteit graven regelt hoe om te gaan met graven in verontreiniging boven de interventiewaarde. Bij deze activiteiten is een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift mogelijk bijvoorbeeld als een bronaanpak aan de orde is die om een specifieke saneringsaanpak vraagt.
Artikel 3.173.18 heeft een tweeledig doel. Ten eerste om de in het verleden beschikte locaties, die niet onder overgangsrecht vallen, kenbaar te houden onder de Omgevingswet en het instrumentarium van de Omgevingswet te kunnen toepassen. Ten tweede om een (licht) beschermingsregime van toepassing te laten zijn op deze locaties, aangezien het gaat om niet eerder gesaneerde locaties waar nog bodemverontreiniging aanwezig is.
Ten behoeve van het eerste doel (kenbaarheid) is het mogelijk om met een maatwerkvoorschrift een individuele locatie te koppelen aan deze algemene regel in dit omgevingsplan, wat het voor de huidige of toekomstige eigenaar beter inzichtelijk maakt. Bij inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn maatwerkvoorschriften namelijk (nog) niet zichtbaar in DSO met de zogenoemde «klik op de kaart». Het inzien van de (voormalige) registratie van de niet-spoed beschikkingen in het Kadaster blijft nodig om het volledige beeld te hebben van de exacte locaties (gekoppeld aan kadastrale percelen) waar dit artikel op van toepassing is.
Voor wat betreft het tweede doel (beschermen in afwachting van sanering) geldt dat het mogelijk is om het lichte basisregime dat geldt op deze locaties te concretiseren, verder aan te vullen of toe te spitsen op de individuele locatie. Dat kan door middel van een maatwerkvoorschrift, dat voor een initiatiefnemer voldoende concreet maakt welke actie het bevoegd gezag verwacht. Bij de activiteiten bouwen, saneren of graven voorziet de Omgevingswet al in die mogelijkheid, daarom heeft dit artikel vooral betekenis als sprake is van een andere activiteit dan bouwen, saneren of graven. Ook kan dit basisregime een aangrijpingspunt bieden voor een individueel maatwerkvoorschrift om in sommige situaties van een initiatiefnemer te verlangen dat die als onderdeel van een voorgenomen activiteit van de gelegenheid gebruik maakt om aanwezige verontreiniging van de bodem te verwijderen of mitigerende maatregelen te treffen. Gelet op die inkadering is voornamelijk gedoeld op situaties waarin de extra moeite en kosten van het beperken of verwijderen van verontreiniging niet onevenredig belastend zijn voor de initiatiefnemer. Dit basisregime is zodanig ingekaderd dat er geen sprake is van een zelfstandige saneringsplicht.
Onder verontreiniging van de bodem wordt ook verstaan de verontreiniging van het grondwater, maar aangezien grondwaterkwaliteit primair tot de taken en bevoegdheden van de provincie ligt het voor de hand dat het vooral gaat om de vaste bodem en eventuele bronnen van verontreiniging die zich verspreiden naar het grondwater.
IIIIIIIIIIIIIII
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
JJJJJJJJJJJJJJJ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Lid 1 en 2 zijn voormalig bruidsschat artikel 22.254. Het oogmerk uit het oorspronkelijke eerst lid is verplaats naar de generieke oogmerken van artikel 3.63.7. Het oorspronkelijke tweede lid is tekstueel anders geformuleerd om de leesbaarheid te vergroten.
Lid 3 is voormalig bruidsschat artikel 22.255.
KKKKKKKKKKKKKKK
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
LLLLLLLLLLLLLLL
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MMMMMMMMMMMMMMM
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
NNNNNNNNNNNNNNN
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OOOOOOOOOOOOOOO
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
PPPPPPPPPPPPPPP
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
QQQQQQQQQQQQQQQ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.260, lid 1 en lid 3. Lid 2 is verplaatst naar artikel 3.223.23.
RRRRRRRRRRRRRRR
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
SSSSSSSSSSSSSSS
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.127. Het oorspronkelijke lid 2 is aan de opsomming van lid 1 toegevoegd.
Deze paragraaf heeft betrekking op graven in de bodem in een omvang die kleiner is dan of gelijk aan 25 m3 (ook wel aangeduid als kleinschalig grondverzet) en richt zich op locaties waarbij al via besluitvorming onder de Wet bodembescherming of via het Besluit bodemkwaliteit is vastgesteld dat de bodem verontreinigd is met één of meerdere stoffen tot boven de interventiewaarde bodemkwaliteit in een omvang groter dan 25 m3. Het idee is dat de gemeente de algemene verwijzing naar locaties in het tijdelijke deel van het omgevingsplan via artikel 3.243.25 op een gegeven moment vervangt door de regels via coördinaten aan specifieke locaties te koppelen in het nieuwe deel van het omgevingsplan. Daarbij kunnen gemeenten uiteraard de regels voor minder locaties laten gelden (de locaties die niet meer ernstig-geen spoed zijn eraf halen) of juist voor meer locaties laten gelden (wel ernstig en geen spoed, maar eerder geen beschikking afgegeven). En uiteraard kunnen gemeenten daarbij de regel die voor die locaties geldt aanpassen, voor alle locaties, of alleen voor sommige, of elke locatie een eigen op die locatie toegesneden regel.
In het Besluit activiteiten leefomgeving is voorzien in algemene regels voor de milieubelastende activiteiten graven in de bodem met een kwaliteit beneden de interventiewaarde bodemkwaliteit (paragraaf 4.119) en graven in de bodem boven de interventiewaarde bodemkwaliteit (paragraaf 4.120). In het toepassingsbereik van beide milieubelastende activiteiten is aangegeven dat deze alleen van toepassing zijn als het bodemvolume waarin wordt gegraven meer is dan 25 m3 . De achtergrond hiervan is dat het Rijk geen regels wil stellen over kleinschalig grondverzet.
Onder de Wet bodembescherming voorzag artikel 28 van de Wet bodembescherming in een meldingsplicht als sprake was van voorgenomen handelingen in een geval van ernstige bodemverontreiniging. Een geval van ernstige bodemverontreiniging was onder de Wet bodembescherming gedefinieerd als geval van verontreiniging waarbij de bodem zodanig is of dreigt te worden verontreinigd, dat de functionele eigenschappen die de bodem voor mens, plant of dier heeft, ernstig zijn of dreigen te worden verminderd. In de Circulaire bodemsanering is deze definitie verder uitgewerkt en aangegeven dat sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie van minimaal 25 m3 bodemvolume in het geval van bodemverontreiniging, of 100 m3 poriënverzadigde bodemvolume in het geval van een grondwaterverontreiniging, hoger is dan de interventiewaarde. De Wet bodembescherming kende – in tegenstelling tot de milieubelastende activiteiten voor 75 graven in een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit – geen ondergrens voor de omvang van het grondverzet.
Deze subparagraaf stelt een beperkt aantal bepalingen voor kleinschalig grondverzet (omvang bodemvolume kleiner dan 25 m3) die plaatsvindt op locaties die onder de Wet bodembescherming werden beschouwd als handelingen in een geval van ernstige bodemverontreiniging. Deze bepalingen komen dus in de plaats van de bepalingen die volgen uit artikel 28 van de Wet bodembescherming.
Deze bepalingen zien op een informatieplicht, enkele inhoudelijke regels aan tijdelijke opslag en afvoer van de grond en verplichte milieukundige begeleiding als een in het kader van een eerder uitgevoerde bodemsanering aangebrachte afdeklaag wordt doorgraven. Deze bepalingen zijn over het algemeen eenvoudig na te leven en leiden met uitzondering van de milieukundige begeleiding bij het doorgraven van een afdeklaag niet of nauwelijks tot extra kosten. Besloten is om geen onderzoeksverplichtingen op te leggen zoals opgenomen in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
TTTTTTTTTTTTTTT
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
UUUUUUUUUUUUUUU
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
VVVVVVVVVVVVVVV
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.129. De oogmerken van het oorspronkelijke artikel zijn toegevoegd aan de algemene oogmerken in artikel 3.63.7.
Toelichting
Dit artikel staat de tijdelijke opslag van vrijkomende grond toe gedurende de looptijd van de werkzaamheden en gedurende maximaal acht weken na het beëindigen van de werkzaamheden, mits de partijen van verschillende kwaliteitsklassen gescheiden worden opgeslagen.
Tijdens of na afloop van graven kan het noodzakelijk zijn om de grond tijdelijk op te slaan, bijvoorbeeld omdat de grond tijdelijk uitgenomen wordt en na afloop van de werkzaamheden weer wordt teruggebracht in het oorspronkelijk ontgravingsprofiel of omdat de grond naar elders moet worden afgevoerd. De periode van acht weken is bedoeld om een afvoerbestemming te vinden voor de partij grond. Het is niet toegestaan om de grond langer dan acht weken na het dichten van de ontgravingsput of cunet op te slaan. Als het voornemen bestaat om de grond langer dan de toegestane periode op te slaan of de vrijgekomen grond op een andere locatie dan de ontgravingslocatie op te slaan, gelden de regels voor het opslaan van grond en baggerspecie van paragraaf 3.2.24 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Dit artikel bevat geen regels die verplichten tot maatregelen om te voorkomen dat de bodem ter plaatse van de tijdelijke opslag verontreinigd raakt, of dat emissies zich verspreiden naar de omgeving. De achtergrond hiervan is dat de opslag doorgaans een kortdurend karakter kent en plaatsvindt op de locatie van ontgraving, waardoor meestal de uitkomende grond een vergelijkbare kwaliteit heeft als de onderliggende bodem. Het nemen van bodembeschermende maatregelen als het aanbrengen van een folie is in principe niet nodig. Dit kan anders zijn als de uitgegraven grond een slechtere kwaliteit heeft, bijvoorbeeld bij de ontgraving van een spot met minerale olie verontreinigde grond. In dat geval kan van de initiatiefnemer op basis van de specifieke zorgplicht van artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving verwacht worden dat maatregelen worden genomen ter bescherming van de onderliggende bodem, zoals het aanbrengen van een folie. Een ander voorbeeld is dat als sprake is van droge condities het noodzakelijk is dat voorkomen moet worden dat verwaaiing of verstuiving van het opgeslagen materiaal kan plaatsvinden. Dit kan gerealiseerd worden door het vochtig houden van de grond, het afdekken van het depot of door het opslaan van grond in dichte containers.
WWWWWWWWWWWWWWW
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.130. De oogmerken van het oorspronkelijke artikel zijn toegevoegd aan de algemene oogmerken in artikel 3.63.7.
Toelichting
Dit artikel regelt in welke situaties de activiteit onder milieukundige begeleiding moet plaatsvinden. Milieukundige begeleiding is noodzakelijk als de graafwerkzaamheden dieper reiken dan een eerder in het kader van een bodemsanering aangebrachte afdeklaag zoals bijvoorbeeld een leeflaag of andere duurzame afdeklaag. De milieukundige begeleiding moet uitgevoerd worden volgens de BRL SIKB 6000. Tijdens de milieukundige begeleiding houdt de milieukundige begeleider een logboek bij. Na afloop van de activiteit rapporteert de milieukundige begeleider in het evaluatieverslag milieukundige processturing volgens de BRL SIKB 6000.
Volgens de BRL SIKB 6000 is een continue aanwezigheid van de milieukundige doorgaans niet noodzakelijk. De milieukundige moet aanwezig zijn bij kritische werkzaamheden, dus bij die werkzaamheden die van invloed kunnen zijn op de kwaliteit van de leefomgeving. In dit geval is het moment van doorgraven en weer herstellen van de afdeklaag het kritische moment.
XXXXXXXXXXXXXXX
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
YYYYYYYYYYYYYYY
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
ZZZZZZZZZZZZZZZ
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AAAAAAAAAAAAAAAA
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
BBBBBBBBBBBBBBBB
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
CCCCCCCCCCCCCCCC
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
DDDDDDDDDDDDDDDD
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.148. De oorspronkelijke oogmerken van lid zijn verplaatst naar de generieke oogmerken in artikel 3.63.7. Het oorspronkelijke vierde lid is verplaatst naar artikel 3.283.29.
Toelichting
In de praktijk vinden de meeste lozingen van huishoudelijk afvalwater plaats in het vuilwaterriool. Voor een beperkt aantal situaties waar geen aansluiting op het vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk mogelijk is, is lozen op of in de bodem toegestaan. Dit is toegestaan buiten de bebouwde kom of binnen de bebouwde kom van waaruit stedelijk afvalwater wordt geloosd met een vervuilingswaarde van minder dan 2000 inwonerequivalenten.
Binnen de in het eerste lid aangegeven afstanden tot de riolering in combinatie met het aantal inwonerequivalenten dat geloosd wordt, is het verboden direct op of in de bodem te lozen. Er moet dan worden geloosd op het vuilwaterriool. Buiten deze afstandsgrenzen moet het huishoudelijk afvalwater gezuiverd worden voordat het geloosd mag worden op of in de bodem.
De afstanden in dit artikel zijn de afstanden van het vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk tot de kadastrale grens van het perceel waar het huishoudelijk afvalwater vrijkomt. Voor een aantal lozingen van huishoudelijk afvalwater die al voor 1 maart 1997 plaatsvonden werd op grond van de toen geldende wetgeving de afstand bepaald tot het gedeelte van het gebouw dat het dichtst bij het vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk was gelegen. Voor deze lozingen geldt overgangsrecht. Dit overgangsrecht is ongewijzigd overgenomen uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, het voormalige Besluit lozen buiten inrichtingen en de daaraan voorafgaande besluiten: het voormalige Lozingenbesluit bodembescherming en het voormalige Lozingenbesluit Wvo huishoudelijk afvalwater.
In sommige gevallen is hemelsbreed de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool minder dan genoemd in het eerste lid, maar is het in de praktijk niet mogelijk daar een afvoerleiding aan te leggen. Bijvoorbeeld omdat dan een watergang gekruist of een dijk doorboord moet worden. Daarvoor is in het tweede lid, onderdeel b, opgenomen dat de afstand berekend moet worden langs de lijn waar in de praktijk een afvoerleiding aangelegd kan worden.
EEEEEEEEEEEEEEEE
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
FFFFFFFFFFFFFFFF
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.149. De oorspronkelijke oogmerken van lid zijn verplaatst naar de generieke oogmerken in artikel 18.218.3. Het oorspronkelijke vierde lid is verplaatst naar artikel 18.3718.38.
Toelichting
In de situaties dat niet wordt aangesloten op de riolering maar direct wordt geloosd op of in de bodem worden met dit artikel lozingseisen in de vorm van emissiegrenswaarden gesteld. Aan de hier gestelde lozingseisen ligt het CIW-rapport «Individuele Behandeling van Afvalwater, IBA-systemen» van januari 1999 ten grondslag.
De voorwaarden die aan de beperkte directe lozingen in de bodem van huishoudelijk afvalwater worden gesteld, komen in grote lijnen overeen met de hieraan voorafgaande voorwaarden op grond van het voormalige Lozingenbesluit Wvo huishoudelijk afvalwater.
Voor beperkte lozingen van huishoudelijk afvalwater kan de lozer er, in afwijking van de emissiegrenswaarden, voor kiezen te lozen via een septic tank. Deze voorziening is geschikt voor lozingen tot en met 5 inwonerequivalenten. Vandaar dat in het derde lid van dit artikel is aangegeven dat lozingen van huishoudelijk afvalwater van minder dan 6 inwonerequivalenten via die voorziening geloosd mogen worden.
Deze voorwaarden komen overeen met de voorwaarden die voorafgaand aan de inwerkingtreding van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en het voormalige Besluit lozen afvalwater huishoudens golden op grond van de Regeling Wvo septic tank en de Uitvoeringsregeling lozingenbesluit bodembescherming. Oudere voorzieningen die nog steeds zijn afgestemd op de hoeveelheid te lozen afvalwater, mogen ook worden gebruikt. De voor 2009 geplaatste voorzieningen kunnen namelijk niet worden getoetst aan de norm voor het hydraulisch rendement, omdat de in de NEN-EN 12566-1 beschreven beproevingsprocedure niet in het veld toepasbaar is.
GGGGGGGGGGGGGGGG
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.125.
Toelichting
De artikelen 3.333.34 en 3.343.35 regelen dat de eigenaar, erfpachter of gebruiker van een locatie, waarvoor op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift een deklaag of isolatielaag is aangebracht alle maatregelen moet nemen om deze deklaag of isolatielaag in stand te houden, te onderhouden of te vervangen. Dit is een voortzetting van artikel 39e Wet bodembescherming.
Door een bedoelde of onbedoelde handeling kan het resultaat van deze bodemsanering ongedaan gemaakt worden, waardoor bij het dagelijkse gebruik van de locatie blootstelling en contactmogelijkheden met de verontreinigde bodem kunnen ontstaan. De maatregelen kunnen bestaan uit het herstellen van de afdeklaag als deze bijvoorbeeld door werkzaamheden op de locatie beschadigd is geraakt of een te geringe dikte heeft gekregen. Daarom geldt artikel 3.343.35 zowel voor eigenaar, erfpachter als gebruiker (zoals een huurder).
Ook onder de Omgevingswet is het gewenst dat leeflagen in stand worden gehouden of dat gebruiksbeperkingen in acht worden genomen.
Als een bodemsanering is uitgevoerd door het aanbrengen van een afdeklaag (een leeflaag van schone grond of een duurzaam aaneengesloten verhardingslaag) om blootstelling te voorkomen, dan is het voor de bescherming van de gezondheid van belang dat die afdeklaag in stand blijft. Het gaat in dit artikel om een afdeklaag, die is aangebracht als onderdeel van een sanering zoals bedoeld in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving, een omgevingsplan, een omgevingsvergunning of op basis van een maatwerkvoorschrift.
De regels voor saneren komen in verschillende instrumenten en besluiten terug. Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt de milieubelastende activiteit saneren van de bodem waarbij saneren met een leeflaag/isolatielaag is toegestaan. Ook is het mogelijk dat gemeenten in hun omgevingsplan maatwerkregels stellen of een omgevingsvergunning verplicht stellen voor het saneren van de bodem.
HHHHHHHHHHHHHHHH
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.126. De bestaande leden zijn samengevoegd tot één opsomming.
Toelichting
Onderdeel a
De artikelen 3.333.34 en 3.343.35 regelen dat de eigenaar, erfpachter of gebruiker van een locatie, waarvoor op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift een deklaag of isolatielaag is aangebracht alle maatregelen moet nemen om deze deklaag of isolatielaag in stand te houden, te onderhouden of te vervangen. Dit is een voortzetting van artikel 39e Wet bodembescherming.
Door een bedoelde of onbedoelde handeling kan het resultaat van deze bodemsanering ongedaan gemaakt worden, waardoor bij het dagelijkse gebruik van de locatie blootstelling en contactmogelijkheden met de verontreinigde bodem kunnen ontstaan. De maatregelen kunnen bestaan uit het herstellen van de afdeklaag als deze bijvoorbeeld door werkzaamheden op de locatie beschadigd is geraakt of een te geringe dikte heeft gekregen. Daarom geldt artikel 3.343.35 zowel voor eigenaar, erfpachter als gebruiker (zoals een huurder).
Ook onder de Omgevingswet is het gewenst dat leeflagen in stand worden gehouden of dat gebruiksbeperkingen in acht worden genomen.
Als een bodemsanering is uitgevoerd door het aanbrengen van een afdeklaag (een leeflaag van schone grond of een duurzaam aaneengesloten verhardingslaag) om blootstelling te voorkomen, dan is het voor de bescherming van de gezondheid van belang dat die afdeklaag in stand blijft. Het gaat in dit artikel om een afdeklaag, die is aangebracht als onderdeel van een sanering zoals bedoeld in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving, een omgevingsplan, een omgevingsvergunning of op basis van een maatwerkvoorschrift.
De regels voor saneren komen in verschillende instrumenten en besluiten terug. Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt de milieubelastende activiteit saneren van de bodem waarbij saneren met een leeflaag/isolatielaag is toegestaan. Ook is het mogelijk dat gemeenten in hun omgevingsplan maatwerkregels stellen of een omgevingsvergunning verplicht stellen voor het saneren van de bodem.
Onderdeel b
Tijdelijke beschermingsmaatregelen die zijn genomen als gevolg van een toevalsvondst moeten eveneens in stand worden gehouden. Het zijn maatregelen die de bron van verontreiniging niet wegnemen, maar de blootstellingsroute (blijven) blokkeren. Hiervoor geldt hetzelfde als bij het eerste lid. Deze regel is gelijkwaardig aan de tijdelijke beveiligingsmaatregelen bij zeer ernstige verontreiniging (artikel 37, vierde lid, van de Wet bodembescherming).
IIIIIIIIIIIIIIII
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.246.
Toelichting
Het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoermiddelen maakt vaak deel uit van een veehouderij, die aangewezen is als milieubelastende activiteit in artikel 3.200 van het Bal of een agrarisch loonwerkbedrijf dat aangewezen is als milieubelastende activiteit in artikel 3.215 van het Bal. In dat geval gelden niet de regels uit deze paragraaf, maar de regels voor de opslag van kuilvoer of vaste bijvoermiddelen uit het Bal. De regels uit deze paragraaf gelden voor opslagen die behoren bij bijvoorbeeld veehouderijen die minder landbouwhuisdieren houden dan de ondergrenzen, opgenomen in art 3.200 van het Bal, kinderboerderijen, dierentuinen of bij maneges.
Het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen kan ook geurhinder veroorzaken. Hiervoor geldt artikel 5.125.14 (geur opslaan kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen: afstand).
JJJJJJJJJJJJJJJJ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Lid 1 en 2 zijn voormalig bruidsschat artikel 22.248. De oogmerken uit het oorspronkelijke eerste lid zijn toegevoegd aan de generieke oogmerken van artikel 3.63.7.
Lid 3 is voormalig bruidsschat artikel 22.249.
KKKKKKKKKKKKKKKK
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
LLLLLLLLLLLLLLLL
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MMMMMMMMMMMMMMMM
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
NNNNNNNNNNNNNNNN
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OOOOOOOOOOOOOOOO
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
PPPPPPPPPPPPPPPP
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij het opslaan van minder dan 3 m3 vaste mest gelden geen eisen, anders dan de specifieke zorgplicht. Een opslag van meer dan 600 m3 valt niet onder het toepassingsbereik van deze paragraaf. In artikel 3.415.13 is een vergunningplicht opgenomen voor de opslag van meer dan 600 m3 vaste mest.
QQQQQQQQQQQQQQQQ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.267 lid 2.
Toelichting
Deze gegevens en bescheiden komen deels overeen met de gegevens en bescheiden die verstrekt moeten worden bij de melding op grond van artikel 4.836 van het Bal. Artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet bepaalt dat de gegevens en bescheiden niet behoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.
[Vervallen]
RRRRRRRRRRRRRRRR
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
SSSSSSSSSSSSSSSS
Sectie ' Opslag en bodembeschermende voorziening' wordt geplaatst na sectie ' Informatieplicht voor het opslaan van vaste mest'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
TTTTTTTTTTTTTTTT
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ' Opslag en bodembeschermende voorziening'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
UUUUUUUUUUUUUUUU
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
VVVVVVVVVVVVVVVV
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
WWWWWWWWWWWWWWWW
Sectie ' Toepassingsbereik' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
XXXXXXXXXXXXXXXX
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ' Toepassingsbereik'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Op het slachten van meer dan 10.000 kilogram levend gewicht aan dieren per week is paragraaf 3.4.8 (Voedingsmiddelenindustrie) van het Bal van toepassing. Bij de andere drie activiteiten genoemd in 3.433.42, eerste lid, onderdelen c tot en met d, staat geen ondergrens. Paragraaf 3.4.8 van het Bal is van toepassing op alle IPPC-installaties in de voedingsmiddelenindustrie. Wanneer dus de andere drie activiteiten onderdeel zijn van een IPPC-installatie, dan is deze paragraaf niet van toepassing.
YYYYYYYYYYYYYYYY
Sectie ' Bodembeschermende voorziening bij het slachten van dieren en bewerken van dierlijke bijproducten of uitsnijden van vlees, vis of organen' wordt geplaatst na sectie ''. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Lid 1 is voormalig bruidsschat artikel 22.206. De oogmerken uit het oorspronkelijke artikel zijn verplaatst naar de generieke oogmerken in artikel 3.63.7.
Lid 2 is voormalig bruidsschat artikel 22.207.
ZZZZZZZZZZZZZZZZ
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ' Bodembeschermende voorziening bij het slachten van dieren en bewerken van dierlijke bijproducten of uitsnijden van vlees, vis of organen'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AAAAAAAAAAAAAAAAA
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.20 van het Bal. Degene die een activiteit als bedoeld in artikel 18.6218.63 verricht houdt in een logboek bij waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties. Dat een logboek beschikbaar moet zijn voor het bevoegd gezag volgt uit de Algemene wet bestuursrecht. Dit mag ook in digitale vorm zijn.
Op grond van artikel 8.5 onder d, moet aan het bevoegd gezag informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om nadelige gevolgen van een ongewoon voorval te voorkomen.
BBBBBBBBBBBBBBBBB
Sectie ' Eindonderzoek bodem bij slachten van dieren en bewerken van dierlijke bijproducten of uitsnijden van vlees, vis of organen.' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
CCCCCCCCCCCCCCCCC
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ' Eindonderzoek bodem bij slachten van dieren en bewerken van dierlijke bijproducten of uitsnijden van vlees, vis of organen.'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
DDDDDDDDDDDDDDDDD
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
EEEEEEEEEEEEEEEEE
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
FFFFFFFFFFFFFFFFF
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
GGGGGGGGGGGGGGGGG
Sectie ' Herstel bodemkwaliteit bij slachten van dieren en bewerken van dierlijke bijproducten of uitsnijden van vlees, vis of organen.' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HHHHHHHHHHHHHHHHH
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ' Herstel bodemkwaliteit bij slachten van dieren en bewerken van dierlijke bijproducten of uitsnijden van vlees, vis of organen.'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Toelichting
De formulering van dit lid is gelijk aan de formulering van artikel 5.6 van het Bal.
Als uit het rapport van het eindonderzoek bodem blijkt dat de bodem is verontreinigd dan moet op grond van het eerste lid uiterlijk binnen zes maanden na het toezenden van het rapport de bodemkwaliteit zijn hersteld.
Voor het herstellen van de bodemkwaliteit kan uit drie opties worden gekozen. Deze keuze wordt gemaakt door degene die de activiteit verricht. De bodemkwaliteit wordt hersteld tot:
De waarden van een bodemrapport volgens NEN 5740 waarin de bodem- en grondwaterkwaliteit voor aanvang van de activiteit zijn vastgelegd.
De bodemkwaliteit van de zone waarin de activiteit is verricht zoals vastgelegd op een geldende bodemkwaliteitskaart.
De achtergrondwaarden, vastgesteld op grond van artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.
Wanneer de bodemkwaliteit voor aanvang van de activiteit niet is vastgelegd of wanneer er geen geldende bodemkwaliteitskaart voor dat gebied voor handen is, dan moet herstel plaatsvinden tot de achtergrondwaarden als vastgesteld op grond van artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.
Dit artikel regelt dat de bodemkwaliteit hersteld moet worden na beëindiging van de activiteit. Dit doet er niks aan af dat eventuele morsingen of lekkages op een bodembeschermende voorziening direct opgeruimd moeten worden. Het opruimen van gelekte of gemorste (vloei)stoffen is onderdeel van de specifieke zorgplicht in artikel 17.4317.47 van dit omgevingsplan of artikel 2.11 van het Bal. Deze verplichtingen bestaan naast elkaar.
IIIIIIIIIIIIIIIII
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
JJJJJJJJJJJJJJJJJ
Sectie ' Informatieplicht herstelwerkzaamheden' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
KKKKKKKKKKKKKKKKK
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ' Informatieplicht herstelwerkzaamheden'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
LLLLLLLLLLLLLLLLL
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MMMMMMMMMMMMMMMMM
Sectie ' Informatieplicht voor lozingen bij het slachten van dieren en bewerken van dierlijke bijproducten of uitsnijden van vlees, vis of organen' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
NNNNNNNNNNNNNNNNN
Sectie ' Informatieplicht voor het beëindigen van de activiteit' wordt geplaatst na sectie ' Informatieplicht voor lozingen bij het slachten van dieren en bewerken van dierlijke bijproducten of uitsnijden van vlees, vis of organen'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OOOOOOOOOOOOOOOOO
Sectie ' Stalling of opslag van aan het gebruik ontrokken machines, voer-, vaar- of vliegtuigen' wordt geplaatst na sectie ' Informatieplicht voor het beëindigen van de activiteit'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
PPPPPPPPPPPPPPPPP
Sectie ' Verbod opslaan afval' wordt geplaatst na sectie ' Stalling of opslag van aan het gebruik ontrokken machines, voer-, vaar- of vliegtuigen'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
QQQQQQQQQQQQQQQQQ
Sectie ' Toepassingsbereik' wordt geplaatst na sectie ' Verbod opslaan afval'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
RRRRRRRRRRRRRRRRR
Sectie ' Motorvoertuigen wassen' wordt geplaatst na sectie ' Toepassingsbereik'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.193. Het oogmerk uit het oorspronkelijke artikel zijn verplaatst naar de generieke oogmerken in artikel 3.63.7 onder d.
SSSSSSSSSSSSSSSSS
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ' Motorvoertuigen wassen'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
TTTTTTTTTTTTTTTTT
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
UUUUUUUUUUUUUUUUU
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Toelichting
Ook geldt, in navolging van de artikelen 3.23b, tweede lid, aanhef en onder a, en 3.24, aanhef en onder a, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, een uitzondering voor het per week uitwendig wassen van ten hoogste één motorvoertuig waarmee geen gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast. Artikel 3.533.52, van dit omgevingsplan regelt in samenhang hiermee dat het water bij het wassen in de bodem mag komen. Dit zal in beperkte mate het geval zijn, als de verharding waarop wordt gewassen niet vloeistofdicht is.
VVVVVVVVVVVVVVVVV
Sectie ' Toepassingsbereik hoofdstuk bouwen en slopen van bouwwerken en gebruik van bouwwerken en gronden' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
WWWWWWWWWWWWWWWWW
Sectie ' Oogmerken' wordt geplaatst na sectie ' Toepassingsbereik hoofdstuk bouwen en slopen van bouwwerken en gebruik van bouwwerken en gronden'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
XXXXXXXXXXXXXXXXX
Sectie ' Specifieke beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij nog in procedure zijnde bestemmingsplannen ' wordt geplaatst na sectie ' Oogmerken'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
YYYYYYYYYYYYYYYYY
Sectie ' Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil' wordt geplaatst na sectie ' Specifieke beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij nog in procedure zijnde bestemmingsplannen '. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
ZZZZZZZZZZZZZZZZZ
Sectie ' Toepassingsbereik paragraaf' wordt geplaatst na sectie ' Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AAAAAAAAAAAAAAAAAA
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ' Toepassingsbereik paragraaf'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Lid 1 is voormalig bruidsschat artikelen 22.28 lid 1 en 22.38 onder a. Artikel 22.38 sub b is vervallen omdat Rijssen-Holten geen Rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht kent. Het lid is aangevuld met artikel 2.10 lid 2 van de Erfgoedverordening gemeente Rijssen-Holten 2018. Dat lid regelt dat normaal onderhoud en inpandige wijzigingen, beide onder voorwaarden, toestemmingsvrij zijn. Dat lid is overgenomen om daarmee geen onnodige lastenverzwaring te creëren.
Toelichting
Dit lid bevat uitzonderingen en aanvullende randvoorwaarden voor de in paragraaf 4.2.2 aangewezen gevallen. Gevolg is dat de vergunningplicht uit artikel 4.23 toch blijft gelden voor die gevallen. Deze systematiek is overgenomen uit de artikelen 4a en 5, vierde lid, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. De toestemmingsvrije mogelijkheden zijn in het kader van de bescherming van cultureel erfgoed beperkt in geval van (voor)beschermde monumenten en archeologische monumenten en Rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten. De beide leden zijn een voortzetting van artikel 5, vierde lid, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht,
De uitzondering op het toestemmingsvrij bouwen van artikel 22.28 lid 4 van de bruidsschat is niet één-op-één overgenomen. Er is voor gekozen de beperkingen vanwege bodemkwaliteit en mogelijk aanwezige archeologische waarden rechtstreeks ter verwerken in artikel 4.114.14 en 4.154.17. Dat heeft tot gevolg dat de mogelijkheden voor het toestemmingsvrij bouwen zijn beperkt tot bouwwerken van 50m2. Daarover is meer te lezen in de betreffende artikelen en hun toelichting.
Verder bevat het omgevingsplan specifieke regels over archeologische onderzoek. Deze zijn opgenomen in afdeling 3.2. Ook kan er omgevingsvergunningplicht gelden voor de activiteit 'werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid uitvoeren'. Deze regels hebben in beginsel geen rechtstreekse invloed op de bouwactiviteit. Het zijn twee zelfstandige kaders. In de voormalige planologische regelingen die onderdeel uitmaken van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is dit uiteraard nog niet tot uitdrukking gebracht. Dat gebeurd met de eerste wijziging van het omgevingsplan.
In aanvulling op de toelichting op artikel 2.30 van het Bbl (bij het Invoeringsbesluit Omgevingswet oorspronkelijk genummerd als artikel 2.15g) wordt hieronder ingegaan op de instructieregels en instructies die in ieder geval in acht genomen moeten worden bij het in het omgevingsplan aanpassen van de artikel 4.23 van dit omgevingsplan en de in dit artikel opgenomen uitzonderingen daarop voor cultureel erfgoed. In de toelichting bij artikelen 4.114.14 en 4.154.17 is daarover meer specifiek nog te lezen.
Bij aanpassing van het omgevingsplan moet de gemeente de instructieregels en instructies van de provincie en het Rijk in acht nemen. Bij dit onderwerp gaat het dan in ieder geval om de instructieregels uit het Bkl over het behoud van cultureel erfgoed (artikel 5.130) en werelderfgoed (artikel 5.131), de provinciale instructieregels over werelderfgoed (op grond van artikel 7.4, derde lid, van het Bkl) en de instructies ter bescherming van rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten, bedoeld in artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet (in samenhang met artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet).
Voor omgevingsplanactiviteiten in, aan of op via het omgevingsplan (voor)beschermde monumenten of archeologische monumenten zal het daarbij vooral draaien om de vraag of de activiteit van invloed kan zijn op de monumentale waarden. De omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk valt hier immers één op één samen met de omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een (gemeentelijk of provinciaal) beschermd monument of archeologisch monument. Als een gemeente niet tot een toestemmingsvrij regime per locatie wil overgaan, ligt een vergelijkbaar regime als opgenomen in artikel 13.11 van het Bal, waarin de toestemmingsvrije gevallen voor de rijksmonumentenactiviteit zijn aangewezen, voor de hand. In de omgeving van – bij – (voor)beschermde monumenten is in ieder geval relevant de instructieregel in artikel 5.130, tweede lid, onder d, onder 1°, van het Bkl, dat de aantasting van de omgeving van deze monumenten moet worden voorkomen voor zover deze daardoor zouden worden ontsierd of beschadigd. De mogelijkheden om binnen een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht meer omgevingsplanactiviteiten toestemmingsvrij te maken, worden enerzijds specifiek begrensd door het niveau van bescherming dat ten tijde van de aanwijzing als beschermd gezicht op grond van de Monumentenwet 1988 of de instructie op grond van artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet voldoende beschermend werd geacht. Anderzijds vormt de generieke instructieregel in artikel 5.130, tweede lid, onder d, onder 2°, van het Bkl in algemene zin een ondergrens. Deze instructieregel bepaalt dat aantasting van het karakter van beschermde stads- en dorpsgezichten (ongeacht op welk overheidsniveau deze zijn beschermd) moet worden voorkomen. Hoewel in de artikelsgewijze toelichting bij artikel 5.130 van het Bkl is opgemerkt dat het tweede lid, onder d, onder 2°, zich in eerste instantie richt op stads- en dorpsgezichten (en cultuurlandschappen) die op initiatief van de gemeente zelf worden beschermd, is de bepaling uitdrukkelijk ook van toepassing op rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten. Dit is ook nodig, omdat veel aanwijzingen als rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht inmiddels zo’n vijftig jaar oud zijn en de meeste nog op het oude stelsel zijn geënt, waarin van rechtswege een bouwvergunningplicht gold. Daardoor zijn die als instructie aangemerkte oude aanwijzingen in de praktijk niet altijd leesbaar als een actuele en gedetailleerde instructie als bedoeld in artikel 2.34 van de Omgevingswet. De instructieregel in artikel 5.130, eerste lid, van het Bkl verplicht de gemeente in zo’n geval de karakteristieken van het beschermde gezicht aanvullend te analyseren en te betrekken bij de vraag of er ruimte is voor aanvullende toestemmingsvrij omgevingsplanactiviteiten. Het ligt niet voor de hand dat er op gemeentelijk niveau generiek veel meer toestemmingsvrij zal kunnen worden verklaard. Voornoemde instructieregel voor beschermde stads- en dorpsgezichten geldt overigens ook voor eventuele via het omgevingsplan beschermde cultuurlandschappen, iets wat met name in het buitengebied aan de orde zou kunnen zijn.
In het licht van het voorgaande wordt ook nog gewezen op het – ook rechtstreeks de gemeenten bindende – verdrag van Granada. Op basis van artikel 4 van dat verdrag moet het beschermingsregime zo ingericht worden dat het bevoegd gezag ter voorkoming van ontsiering, vernieling of afbraak van beschermd cultureel erfgoed in een passende controle en goedkeuringsprocedure in kennis wordt gesteld van alle plannen tot het slopen of wijzigen («afbraak of verandering») van een (voor)beschermd monument of aantasting van de omgeving van zo’n monument, of waardoor een beschermd gezicht of cultuurlandschap geheel dan wel gedeeltelijk wordt aangetast als gevolg van de sloop van bestaande gebouwen, de bouw van nieuwe gebouwen, of belangrijke veranderingen waardoor het karakter van het gezicht of cultuurlandschap zou worden aangetast. Artikel 14, eerste lid, van dit verdrag vraagt verder in de verschillende stadia van besluitvorming te zorgen voor passende structuren voor informatie, overleg en samenwerking tussen de centrale overheid, de regionale en lokale overheden, culturele instellingen en verenigingen en het publiek (participatie).
In de meeste gevallen zal een preventieve toets aan het omgevingsplan in de vorm van een vergunningplicht met het oog op bovenstaande overwegingen wenselijk blijven. De hoeveelheid activiteiten in, aan, op en bij beschermde monumenten en archeologische monumenten en in beschermde stads- en dorpsgezichten die in een gebied toestemmingsvrij zullen kunnen worden na aanpassing van het omgevingsplan zal naar verwachting dus ook niet veel afwijken van de mogelijkheden die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet landelijk in het voormalige Besluit omgevingsrecht waren opgenomen.
BBBBBBBBBBBBBBBBBB
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Lid 2 is voormalig bruidsschat artikelen 22.28 lid 2 en 22.38 onder a. Artikel 22.38 sub b is vervallen omdat Rijssen-Holten geen Rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht kent. Het lid is aangevuld met artikel 2.10 lid 2 van de Erfgoedverordening gemeente Rijssen-Holten 2018. Dat lid regelt dat normaal onderhoud en inpandige wijzigingen, beide onder voorwaarden, toestemmingsvrij zijn. Dat lid is overgenomen om daarmee geen onnodige lastenverzwaring te creëren. Verder is het lid afgestemd op de Herijking ruimtelijk erfgoedbeleid gemeente Rijssen-Holten. Dit beleid gaat er onder meer vanuit dat bestaand erfgoed in stand wordt gehouden. Activiteiten die (mogelijk) daar op voorhand niet aan bijdragen zijn vergunningplichtig. Daarmee zij de activiteiten niet op voorhand verboden, ze moet vooraf getoetst worden. Ook hier geldt de uitzondering van normaal onderhoud onder de genoemde voorwaarden en de inpandige wijziging van onderdelen zonder betekenis.
Toelichting
Dit lid bevat uitzonderingen en aanvullende randvoorwaarden voor de in paragraaf 4.2.2 aangewezen gevallen. Gevolg is dat de vergunningplicht uit artikel 4.23 toch blijft gelden voor die gevallen. Deze systematiek is overgenomen uit de artikelen 4a en 5, vierde lid, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. De toestemmingsvrije mogelijkheden zijn in het kader van de bescherming van cultureel erfgoed beperkt in geval van (voor)beschermde monumenten en archeologische monumenten en Rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten. De beide leden zijn een voortzetting van artikel 5, vierde lid, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht,
De uitzondering op het toestemmingsvrij bouwen van artikel 22.28 lid 4 van de bruidsschat is niet één-op-één overgenomen. Er is voor gekozen de beperkingen vanwege bodemkwaliteit en mogelijk aanwezige archeologische waarden rechtstreeks ter verwerken in artikel 4.114.14 en 4.154.17. Dat heeft tot gevolg dat de mogelijkheden voor het toestemmingsvrij bouwen zijn beperkt tot bouwwerken van 50m2. Daarover is meer te lezen in de betreffende artikelen en hun toelichting.
Verder bevat het omgevingsplan specifieke regels over archeologische onderzoek. Deze zijn opgenomen in afdeling 3.2. Ook kan er omgevingsvergunningplicht gelden voor de activiteit 'werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid uitvoeren'. Deze regels hebben in beginsel geen rechtstreekse invloed op de bouwactiviteit. Het zijn twee zelfstandige kaders. In de voormalige planologische regelingen die onderdeel uitmaken van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is dit uiteraard nog niet tot uitdrukking gebracht. Dat gebeurd met de eerste wijziging van het omgevingsplan.
In aanvulling op de toelichting op artikel 2.30 van het Bbl (bij het Invoeringsbesluit Omgevingswet oorspronkelijk genummerd als artikel 2.15g) wordt hieronder ingegaan op de instructieregels en instructies die in ieder geval in acht genomen moeten worden bij het in het omgevingsplan aanpassen van de artikel 4.23 van dit omgevingsplan en de in dit artikel opgenomen uitzonderingen daarop voor cultureel erfgoed. In de toelichting bij artikelen 4.114.14 en 4.154.17 is daarover meer specifiek nog te lezen.
Bij aanpassing van het omgevingsplan moet de gemeente de instructieregels en instructies van de provincie en het Rijk in acht nemen. Bij dit onderwerp gaat het dan in ieder geval om de instructieregels uit het Bkl over het behoud van cultureel erfgoed (artikel 5.130) en werelderfgoed (artikel 5.131), de provinciale instructieregels over werelderfgoed (op grond van artikel 7.4, derde lid, van het Bkl) en de instructies ter bescherming van rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten, bedoeld in artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet (in samenhang met artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet).
Voor omgevingsplanactiviteiten in, aan of op via het omgevingsplan (voor)beschermde monumenten of archeologische monumenten zal het daarbij vooral draaien om de vraag of de activiteit van invloed kan zijn op de monumentale waarden. De omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk valt hier immers één op één samen met de omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een (gemeentelijk of provinciaal) beschermd monument of archeologisch monument. Als een gemeente niet tot een toestemmingsvrij regime per locatie wil overgaan, ligt een vergelijkbaar regime als opgenomen in artikel 13.11 van het Bal, waarin de toestemmingsvrije gevallen voor de rijksmonumentenactiviteit zijn aangewezen, voor de hand. In de omgeving van – bij – (voor)beschermde monumenten is in ieder geval relevant de instructieregel in artikel 5.130, tweede lid, onder d, onder 1°, van het Bkl, dat de aantasting van de omgeving van deze monumenten moet worden voorkomen voor zover deze daardoor zouden worden ontsierd of beschadigd. De mogelijkheden om binnen een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht meer omgevingsplanactiviteiten toestemmingsvrij te maken, worden enerzijds specifiek begrensd door het niveau van bescherming dat ten tijde van de aanwijzing als beschermd gezicht op grond van de Monumentenwet 1988 of de instructie op grond van artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet voldoende beschermend werd geacht. Anderzijds vormt de generieke instructieregel in artikel 5.130, tweede lid, onder d, onder 2°, van het Bkl in algemene zin een ondergrens. Deze instructieregel bepaalt dat aantasting van het karakter van beschermde stads- en dorpsgezichten (ongeacht op welk overheidsniveau deze zijn beschermd) moet worden voorkomen. Hoewel in de artikelsgewijze toelichting bij artikel 5.130 van het Bkl is opgemerkt dat het tweede lid, onder d, onder 2°, zich in eerste instantie richt op stads- en dorpsgezichten (en cultuurlandschappen) die op initiatief van de gemeente zelf worden beschermd, is de bepaling uitdrukkelijk ook van toepassing op rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten. Dit is ook nodig, omdat veel aanwijzingen als rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht inmiddels zo’n vijftig jaar oud zijn en de meeste nog op het oude stelsel zijn geënt, waarin van rechtswege een bouwvergunningplicht gold. Daardoor zijn die als instructie aangemerkte oude aanwijzingen in de praktijk niet altijd leesbaar als een actuele en gedetailleerde instructie als bedoeld in artikel 2.34 van de Omgevingswet. De instructieregel in artikel 5.130, eerste lid, van het Bkl verplicht de gemeente in zo’n geval de karakteristieken van het beschermde gezicht aanvullend te analyseren en te betrekken bij de vraag of er ruimte is voor aanvullende toestemmingsvrij omgevingsplanactiviteiten. Het ligt niet voor de hand dat er op gemeentelijk niveau generiek veel meer toestemmingsvrij zal kunnen worden verklaard. Voornoemde instructieregel voor beschermde stads- en dorpsgezichten geldt overigens ook voor eventuele via het omgevingsplan beschermde cultuurlandschappen, iets wat met name in het buitengebied aan de orde zou kunnen zijn.
In het licht van het voorgaande wordt ook nog gewezen op het – ook rechtstreeks de gemeenten bindende – verdrag van Granada. Op basis van artikel 4 van dat verdrag moet het beschermingsregime zo ingericht worden dat het bevoegd gezag ter voorkoming van ontsiering, vernieling of afbraak van beschermd cultureel erfgoed in een passende controle en goedkeuringsprocedure in kennis wordt gesteld van alle plannen tot het slopen of wijzigen («afbraak of verandering») van een (voor)beschermd monument of aantasting van de omgeving van zo’n monument, of waardoor een beschermd gezicht of cultuurlandschap geheel dan wel gedeeltelijk wordt aangetast als gevolg van de sloop van bestaande gebouwen, de bouw van nieuwe gebouwen, of belangrijke veranderingen waardoor het karakter van het gezicht of cultuurlandschap zou worden aangetast. Artikel 14, eerste lid, van dit verdrag vraagt verder in de verschillende stadia van besluitvorming te zorgen voor passende structuren voor informatie, overleg en samenwerking tussen de centrale overheid, de regionale en lokale overheden, culturele instellingen en verenigingen en het publiek (participatie).
In de meeste gevallen zal een preventieve toets aan het omgevingsplan in de vorm van een vergunningplicht met het oog op bovenstaande overwegingen wenselijk blijven. De hoeveelheid activiteiten in, aan, op en bij beschermde monumenten en archeologische monumenten en in beschermde stads- en dorpsgezichten die in een gebied toestemmingsvrij zullen kunnen worden na aanpassing van het omgevingsplan zal naar verwachting dus ook niet veel afwijken van de mogelijkheden die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet landelijk in het voormalige Besluit omgevingsrecht waren opgenomen.
CCCCCCCCCCCCCCCCCC
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.39.
Toelichting
Dit lid bevat uitzonderingen op de mogelijkheden om toestemmingsvrije activiteiten als bedoeld in paragraaf 4.2.2 te verrichten vanwege het belang van de externe veiligheid. Deze uitzonderingen waren opgenomen in artikel 5, derde lid, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. Hieraan ligt ten grondslag de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico van ten hoogste een op de miljoen per jaar voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties die op grond van artikel 5.7 van het Bkl in een omgevingsplan in acht moet worden genomen. Voor zover paragraaf 4.2.2 betrekking heeft op die gebouwen – de onderdelen a en c – is het niet wenselijk dat op locaties waar door de in die onderdelen bedoelde activiteiten overschrijding van de norm voor het plaatsgebonden risico aan de orde zou kunnen zijn, toestemmingsvrij de in die onderdelen bedoelde activiteiten zouden kunnen worden verricht.
De locaties waar deze activiteiten niet mogelijk zijn, zijn in de eerste plaats de locaties waarvoor het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, zelf al vanwege de overschrijding van het plaatsgebonden risico bouwmogelijkheden die kunnen leiden tot kwetsbare of zeer kwetsbare gebouwen niet toelaat. Het gaat hier om artikel 4.114.14 en 4.514.64 die een omzetting zijn van artikel 5, derde lid, onder a en b, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. De verwijzing naar dit omgevingsplan is hier uitdrukkelijk beperkt tot het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, dat kort samengevat bestaat uit de onder het voormalige recht geldende planologische regelingen. Dit omdat die regelingen uitgaan van de in de desbetreffende onderdelen van artikel 5, derde lid, gehanteerde begrippen en systematiek, die onder de Omgevingswet anders zijn. Het is aan gemeenten om daar bij het vaststellen van het omgevingsplan toepassing aan te geven. Hierop kan niet in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder c, van de Omgevingswet worden vooruitgelopen.
Artikel 17.917.11 zondert daarnaast ook toestemmingsvrije activiteiten als bedoeld in paragraaf 4.2.2 uit, als de beoogde locatie voor die activiteiten is gelegen binnen afstanden die degene die een toestemmingsvrije milieubelastende activiteit verricht op grond van het Bal in verband met het plaatsgebonden risico in acht moet nemen. Het gaat dan om de afstanden tussen bepaalde installaties of opslagvoorzieningen waar met stoffen wordt gewerkt die een veiligheidsrisico voor de omgeving met zich kunnen brengen en te beschermen gebouwen en locaties. Op grond van het Bal geldt als hoofdregel dat veiligheidsafstanden zoals hier bedoeld gelden tot de begrenzing van de locatie waarop de milieubelastende activiteit wordt verricht. Hierdoor zijn er ook geen beperkingen aan de gebruiksruimte buiten die begrenzing. Maar het Bal staat in een aantal situaties afwijking van deze regel toe. Onderdeel c is alleen voor die gevallen van praktisch belang. De zinsnede «voor zover ... van toepassing is» in de verschillende subonderdelen van artikel 17.917.11, brengt dat tot uitdrukking. Degene die een milieubelastende activiteit als hier bedoeld verricht, moet op grond van het Bal op het moment dat de veiligheidsafstanden van toepassing worden buiten de locatie waar hij zijn activiteit verricht, het bevoegd gezag daarover informeren. Het bevoegd gezag moet ervoor zorgen dat deze gegevens terecht komen in het landelijk register externe veiligheidsrisico’s en aldus voor eenieder kenbaar zijn.
Bij de opsomming van activiteiten in artikel 17.917.11, is aangesloten bij de opsomming van activiteiten in bijlage VII, onder A, bij het Bkl. Dat onderdeel van die bijlage geeft voor de daarin genoemde toestemmingsvrije milieubelastende activiteiten uit het Bal vastgestelde afstanden waarbij wordt voldaan aan de norm voor het plaatsgebonden risico. De opgesomde activiteiten, zoals die in artikel 17.917.11, onder verwijzing naar de desbetreffende artikelen uit het Bal zijn overgenomen, omvatten zes activiteiten die niet worden genoemd in artikel 5, derde lid, onder c, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. Het gaat hier om de subonderdelen 2, 5, 6, 7, 12 en 13. Voor de activiteit, bedoeld in subonderdeel 2 (het tanken van voertuigen of werktuigen met LPG), heeft dat als achtergrond dat deze activiteit onder het recht voor de Omgevingswet nog vergunningplichtig was. Door de verschuiving van vergunningplichtig naar toestemmingsvrij moet de activiteit nu aan de opsomming in artikel 17.917.11, worden toegevoegd. Voor de overige toegevoegde activiteiten is gelet op het belang van de externe veiligheid evenmin aanleiding om deze voor de toepassing van artikel 17.917.11, buiten beschouwing te laten.
DDDDDDDDDDDDDDDDDD
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.23 lid 1.
Toelichting
De in dit artikel opgenomen afbakeningseisen zijn ongewijzigd overgenomen uit artikel 5, eerste en tweede lid, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. In het lid is opgenomen dat toestemmingsvrij bouwen niet is toegestaan als het oorspronkelijke bouwwerk waarin, waaraan, waarop of waarbij gebouwd wordt, zonder de daarvoor vereiste vergunning is gebouwd of wordt gebruikt. Dit kan zowel gaan om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, onder a, van de Omgevingswet als een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder a, van die wet. In het geval het bouwwerk (geheel of gedeeltelijk) illegaal is gebouwd of wordt gebruikt, is het onwenselijk dat eventuele latere aanpassingen van of uitbreidingen aan of bij dit gebouw vergunningvrij en daarmee legaal zouden kunnen zijn. De mogelijkheid tot toestemmingsvrij bouwen is daarom zowel hier, als in het Besluit bouwwerk leefomgeving uitgesloten.
Met dit lid wordt niet beoogd het toestemmingsvrij veranderen van bouwwerken zoals beschreven in artikel 4.124.15 uit te sluiten als het gaat om een bouwwerk dat op basis eerdere regelgeving vergunningvrij gebouwd kon worden. Dit lid sluit alleen de mogelijkheden bij vergunningplichtige bouwwerken zonder vergunning uit.
EEEEEEEEEEEEEEEEEE
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
FFFFFFFFFFFFFFFFFF
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
GGGGGGGGGGGGGGGGGG
Sectie ' Toepasbare regels artikel 2.29 Besluit bouwwerken leefomgeving' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HHHHHHHHHHHHHHHHHH
Sectie ' Bijbehorend bouwwerk' wordt geplaatst na sectie ' Toepasbare regels artikel 2.29 Besluit bouwwerken leefomgeving'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Lid omvat voormalig bruidsschat artikel 22.25, 22.27 onder a, artikel 22.36 onder a.. Lid 1 sub c is toegevoegd op basis van artikel 5.89g en h Besluit kwaliteit leefomgeving en vormt een cumulatieve eis met lid 1 sub d.
Lid 3 is voormalig bruidsschat artikel 22.37 lid 1.
Het oorspronkelijke artikel 22.37 lid 2 is vervallen omdat in het tijdelijk deel omgevingsplan (Chw veegplan buitengebied Rijssen-Holten) eigen regels over tijdelijke huisvesting in verband met mantelzorg in een unit zijn opgenomen.
Toelichting
Artikel 22.27 onder a en 22.36 onder a gaan over bijbehorende bouwwerken en liggen in elkaars verlengde. Om de tot één helder nieuwe regeling te komen zijn beide artikelen op elkaar afgestemd. De nieuwe juridische regels zorgen voor een goede balans tussen benutten (het zonder te veel regeldruk kunnen realiseren) en beschermen (het vooraf toetsen van eventueel met elkaar in strijd zijnde belangen). Met de nieuwe regels kunnen veel voorkomende bijbehorende bouwwerken zoals platte uitbouwen bij woningen gerealiseerd worden. Het mogelijk maken van hoge bijbehorende bouwwerken of meerdere bouwlagen met verblijfsruimten zonder voorafgaande beoordeling is niet wenselijk. Op voorhand is niet voor elke locatie voldoende zicht op de betrokken belangen. Daarom leent dit soort bijbehorende bouwwerken zich niet voor toestemmingsvrij bouwen. Voor het buitengebied gelden er specifieke regels op basis van het tijdelijk deel omgevingsplan waardoor er voor bijbehorende bouwwerken in dit gebied geen toestemmingsvrije mogelijkheden gelden.
Lid 1 onderdeel c (vervangt voormalig artikel 22.36 sub a onder 3 bruidsschat)
Instructieregels uit het besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) hebben ertoe geleid om in dit artikel met toestemmingsvrije bouwregels een maximaal oppervlak van 50m2 ineens op te nemen. Het betreft dus een toe te voegen maximum per bouwactiviteit. De instructieregels uit het Bkl zien op ‘bodemgevoelige gebouwen’ en ‘bodemgevoelige locaties’ (zie art. 5.89g en 5.89h Bkl). Van belang is dat bijbehorende bouwwerken van meer dan 50 m2 ook als bodemgevoelig gebouw worden aangemerkt. Het omgevingsplan bevat waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit, zie artikel 4.224.29 (art. 5.89i Bkl). Bij een overschrijding van deze waarden bepaalt het omgevingsplan dat een bodemgevoelig gebouw alleen is toegestaan als in het omgevingsplan omschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89k Bkl).
Dit leidt ertoe dat wanneer grotere oppervlakten aan bijbehorende bouwwerken toestemmingsvrij zouden toestaan voor de bouwactiviteit, deze bouwwerken alsnog aan deze regels voor bodem onderworpen zijn. Met de keuze om een maximaal oppervlak van 50m2 toestemmingsvrij per bouwactiviteit toe te staan, worden de toestemmingsvrije mogelijkheden gelijk gemaakt met de ‘bodemregelvrije’ mogelijkheden.
De eis van het maximum m2 per bouwactiviteit moet in samenhang gelezen worden met de maximale m2 bijbehorende bouwwerk in het bebouwingsgebied. Per bebouwingsgebied geldt er dus een maximum van alle in dat gebied aanwezige bijbehorende bouwwerken én een maximum van per bouwactiviteit toe te voegen bijbehorende bouwwerken.
IIIIIIIIIIIIIIIIII
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ' Bijbehorend bouwwerk'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
JJJJJJJJJJJJJJJJJJ
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
KKKKKKKKKKKKKKKKKK
Sectie ' Bouwwerk veranderen ' wordt geplaatst na sectie ''. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.27 sub j.
Toelichting
Ten opzichte van de regeling uit het Besluit omgevingsrecht zijn enkele voorwaarden geschrapt (geen verandering van de draagconstructie of (sub)brandcompartimentering), aangezien die om bouwtechnische redenen gesteld werden en geen invloed hebben op de ruimtelijke kwaliteit van het bouwen zoals die door een omgevingsplan wordt gereguleerd.
Dit artikel is ook van toepassing op veranderingen aan in het verleden toestemmingsvrij gerealiseerde bouwwerken die door wijzingen van (Rijks)regels inmiddels niet meer toestemmingsvrij zijn. Dat wordt duidelijk gemaakt door de uitzondering op de inperkingen toestemmingsvrije bouwwerken (artikel 4.94.12). Het veranderen van een illegaal gebouwd bouwwerk is niet mogelijk.
LLLLLLLLLLLLLLLLLL
Sectie ' Buisleiding ' wordt geplaatst na sectie ' Bouwwerk veranderen '. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MMMMMMMMMMMMMMMMMM
Sectie ' Recreatief nachtverblijf ' wordt geplaatst na sectie ' Buisleiding '. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.27 onder b.
Toelichting
Dit artikel is alleen van toepassing op de locaties die in het werkingsgebied van dit artikel vallen. Een recreatief nachtverblijf mag alleen toestemmingsvrij gebouwd, in stand gehouden of gebruikt worden als het voldoet aan de voorwaarden gesteld in dit artikel. Als de maatvoering groter is dan aangegeven in dit artikel, geldt er een vergunningplicht en gelden de beoordelingsregels uit het tijdelijk deel omgevingsplan.
Over de vraag wat onder een bouwwerk moet worden verstaan, heeft zich een uitgebreide jurisprudentie ontwikkeld. Daarbij gaat het samengevat om alle met de grond verbonden constructies van enige omvang met een plaatsgebonden karakter. Dit laatste criterium is relevant voor de plaatsing van caravans en andere mobiele of eenvoudig verwijderbare objecten (zoals tenten, tentauto’s, kampeerauto’s). Veelal speelt bij deze objecten de vraag of sprake is van een plaatsgebonden karakter. Alleen bij een langduriger plaatsing zal er pas sprake kunnen zijn van een plaatsgebonden karakter en dient de constructie gezien te worden als een «bouwwerk». Over het antwoord op de vraag hoe lang een object moet staan om als bouwwerk aangemerkt te worden bestaat evenzeer de nodige jurisprudentie. Deze is evenwel in hoge mate casuïstisch en kan niet leiden tot een eenduidig en precies antwoord op die vraag. Naast de termijn van plaatsing van het object is de vraag of sprake is van een bouwwerk mede afhankelijk gesteld van de mate waarin sprake is van (blijvende) planologische gevolgen (zie ABRvS 7 juli 2001, Gst. 7154.7, ABRvS 2 februari 1995, BR 1995, 409). Gezien deze jurisprudentie kan het gedurende 31 dagen geplaatst houden van een tent, niet als bouwen worden aangemerkt. De tenten die voor een periode van drie maanden werden geplaatst voor het lammeren van schapen werden wel als bouwwerk aangemerkt (ABRvS 6 december 2006, 200602330/1, LJN: AZ3744). Een relevant aspect in de betrokken jurisprudentie wordt dus gevormd door de planologische inbreuk die met het geplaatste object wordt gemaakt. Het tijdens de vakantie enkele weken plaatsen van een toercaravan op een camping, in overeenstemming met de geldende planologische regelgeving, zal niet als bouwen aangemerkt hoeven worden. Indien de caravan midden in het bos wordt geplaatst en in strijd met de bestemming gebruikt wordt voor (wild) kamperen ligt dat evenwel anders en kan er al eerder sprake zijn van een bouwwerk. Vastgesteld kan in ieder geval worden dat bij een plaatsing gedurende meer dan drie maanden (plaatsing gedurende een aanmerkelijk deel van een seizoen) sprake is van een bouwwerk. Dankzij de nieuwe regeling is echter in dat geval geen omgevingsvergunning vereist, mits voldaan wordt aan de planologische regelgeving.
Maximum oppervlakte
Instructieregels uit het besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) hebben ertoe geleid om in dit artikel met toestemmingsvrije bouwregels een maximaal oppervlak van 50m2 op te nemen. De instructieregels uit het Bkl zien op ‘bodemgevoelige gebouwen’ en ‘bodemgevoelige locaties’ (zie art. 5.89g en 5.89h Bkl). Van belang is dat recreatieve nachtverblijven van meer dan 50 m2 groot ook als bodemgevoelig gebouw worden aangemerkt. Het omgevingsplan bevat waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit, zie artikel 4.224.29 (art. 5.89i Bkl). Bij een overschrijding van deze waarden bepaalt het omgevingsplan dat een bodemgevoelig gebouw alleen is toegestaan als in het omgevingsplan omschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89k Bkl).
Dit leidt ertoe dat wanneer we grotere oppervlakten aan recreatieve nachtverblijven toestemmingsvrij zouden toestaan voor de bouwactiviteit, deze bouwwerken alsnog aan deze regels voor bodem onderworpen zijn. Met de keuze om een maximaal oppervlak van 50m2 toestemmingsvrij toe te staan, worden de toestemmingsvrije mogelijkheden gelijk gemaakt met de ‘bodemregelvrije’ mogelijkheden.
NNNNNNNNNNNNNNNNNN
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OOOOOOOOOOOOOOOOOO
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
PPPPPPPPPPPPPPPPPP
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
QQQQQQQQQQQQQQQQQQ
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
RRRRRRRRRRRRRRRRRR
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
SSSSSSSSSSSSSSSSSS
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
TTTTTTTTTTTTTTTTTT
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
UUUUUUUUUUUUUUUUUU
Sectie ' Silo of ander bouwwerk ten behoeve of ter ondersteuning van agrarische bedrijfsvoering ' wordt geplaatst na sectie ''. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.27 onder g.
Toelichting
In dit artikel gaat het om voeder- en kunstmestsilo’s. Deze specifieke bouwwerken worden in de nieuwe e regeling aan een maximale hoogte gebonden op basis van het Chw veegplan buitengebied Rijssen-Holten. De regels gelden dus niet voor mestsilo's of silo's die hoger zijn dan 15 meter. Daarvoor geldt de vergunningplicht uit artikel 4.23 en het tijdelijk deel omgevingsplan.
Bij overige bouwwerken, waar een maximale hoogtemaat van 2 meter is gegeven, kan gedacht worden aan kuilvoer- en mestplaten, brandstof-, melk- en spoelwatertanks, sleufsilo’s en dergelijke. Dit artikel is niet bedoelt voor het realiseren van erf- of perceelafscheidingen. Daarvoor zijn in artikel 4.314.40 eigen regels opgenomen.
Onder de Omgevingswet is het meer van belang voor activiteiten explicieter uit te schrijven welke variaties er zijn. Onder de wetgeving van voor 1 januari 2024 gold er altijd een vergunningplicht tenzij een activiteit toestemmingsvrij was. Omdat die 'standaard' vergunningplicht niet meer geldt is het wenselijk explicieter te maken onder welke voorwaarden activiteiten toestemmingsvrij, vergunningplichtig of verboden zijn.
Dit artikel maakt samen met artikel 4.364.47 duidelijk welke juridische regels er voor het bouwen van een silo of ander agrarisch bouwwerk geen gebouw zijnde gelden.
VVVVVVVVVVVVVVVVVV
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
WWWWWWWWWWWWWWWWWW
Sectie ' Zwembad, bubbelbad of vijver' wordt geplaatst na sectie ' Sport- en speeltoestel voor openbaar gebruik'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
XXXXXXXXXXXXXXXXXX
Sectie ' Omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken (vangnet)' wordt geplaatst na sectie ' Zwembad, bubbelbad of vijver'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.26.
Toelichting
Verhouding vangnet en overige vergunningplichten
In paragraaf 4.2.3 zijn diverse vergunningplichten en (specifieke) beoordelingsregels opgenomen. Deze vergunningplichten en (specifieke) beoordelingsregels vloeien uit de omzetting van de bouwactiviteit (omgevingsplan) uit de bruidsschat voort. Deze paragraaf zal groeien naarmate delen van het tijdelijk deel omgevingsplan overgezet worden. Voor deze transitieperiode is het in elk geval gewenst duidelijk te maken dat voor bouwactiviteiten een omgevingsvergunning nodig is. Ook als de activiteit nog niet specifiek in het omgevingsplan is uitgewerkt. Dit artikel is aan vangnet voor activiteiten die (nog) niet in het omgevingsplan zijn uitgewerkt.
Het omgevingsplan bevat een soortgelijke bepaling voor gebruik (artikel 4.424.53). Daarom is het bestaande artikel 22.26 aangepast en is gebruik niet meer via de bouwactiviteit gereguleerd.
Inhoudelijk
Op grond van dit artikel is het verboden zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken. Als onderdeel van de omgevingsplanregels van rijkswege wordt hiermee de vergunningplicht voortgezet, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, voor zover die betrekking heeft op artikel 2.10, eerste lid, onder c en d, van die wet. In afdeling 3.2 van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Invoeringsbesluit Omgevingswet, is uitvoerig ingegaan op het expliciet maken dat deze vergunningplicht voor een bouwactiviteit ook betrekking heeft op het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk.
Het verbod behoudens vergunning geldt overigens niet als het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, van de Omgevingswet aangewezen geval. Die vergunningvrije gevallen zijn aangewezen in artikel 2.15f van het Bbl. Bij die aanwijzing gaat het om een landelijk uniforme categorie gevallen waarin geen omgevingsvergunning is vereist voor het verrichten van een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een bouwwerk (zoals bouwen, verbouwen, vervangen of uitbreiden). In zo’n geval is geen omgevingsvergunning vereist, ook niet als de bouw in strijd zou zijn met een in het omgevingsplan gestelde regel. Voldoet een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een bouwwerk niet aan de in het besluit gestelde voorwaarden, dan mag die activiteit niet zonder omgevingsvergunning worden verricht. In aanvulling op de landelijke categorie vergunningvrije gevallen kunnen in het omgevingsplan meer categorieën bouwactiviteiten worden aangewezen waarvoor geen omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit is vereist. In paragraaf 4.2.2 is van die bevoegdheid gebruik gemaakt om bouwactiviteiten die voorheen waren opgenomen in artikel 3 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, onder gelijkwaardige voorwaarden, als vergunningvrije omgevingsplanactiviteit mogelijk te maken. In paragraaf paragraaf 4.2.2 is geregeld dat de onderdelen van artikel 2, bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht, die niet langer landelijk uniform vergunningvrij zijn op grond van het Bbl, op grond van het omgevingsplan onder dezelfde voorwaarden vergunningvrij zijn. Het betreft hier de bijbehorende bouwwerken, erf- en perceelafscheidingen hoger dan een meter en gebruik van bestaande bouwwerken voor mantelzorg.
Artikel 4.94.12, tweede en derde lid bevatten uitzonderingen op dat vergunningvrije bouwen als dat bouwen betrekking heeft op monumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en archeologisch erfgoed.
YYYYYYYYYYYYYYYYYY
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Toelichting
Het derde lid biedt voor aanvragen om een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 4.24 een aanvullende mogelijkheid de omgevingsvergunning te verlenen als de activiteit waarop de aanvraag betrekking heeft in strijd is met de in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan gestelde regels over afwijking, waardoor vergunningverlening op grond van die regels niet mogelijk is, maar niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht in dat tijdelijke deel. Hiermee wordt een vergelijkbare mogelijkheid geboden zoals artikel 4.214.28 van dit omgevingsplan biedt voor aanvragen om een omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteiten bestaande uit bouwactiviteiten en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk. Omdat de werking identiek is wordt voor de toepassing van deze bepaling verder verwezen naar de toelichting bij artikel 4.214.28.
ZZZZZZZZZZZZZZZZZZ
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Toelichting
Artikel 4.24, vierde lid biedt voor aanvragen om een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in het eerste lid een aanvullende mogelijkheid de omgevingsvergunning te verlenen als de activiteit waarop de aanvraag betrekking heeft in strijd is met de in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan gestelde regels over afwijking, waardoor vergunningverlening op grond van die regels niet mogelijk is, maar niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht in dat tijdelijke deel. Hiermee wordt een vergelijkbare mogelijkheid geboden zoals artike4.214.28van dit omgevingsplan biedt voor aanvragen om een omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteiten bestaande uit bouwactiviteiten en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk. Omdat de werking identiek is wordt voor de toepassing van deze bepaling verder verwezen naar de toelichting bij artikel 4.214.28.
AAAAAAAAAAAAAAAAAAA
Sectie ' Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken' wordt geplaatst na sectie ''. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.35.
Toelichting
Dit artikel bevat de aanvraagvereisten voor de aanvraag van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een bouwwerk. De aanvraagvereisten zijn grotendeels ontleend aan de artikelen uit de voormalige Regeling omgevingsrecht met aanvraagvereisten vanwege planologische voorschriften en stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening en vanwege redelijke eisen van welstand, voor zover deze eisen onder de Omgevingswet nog relevant zijn voor in het omgevingsplan geregelde bouwactiviteiten. Anders dan in de Regeling omgevingsrecht zijn deze aanvraagvereisten in artikel 4.194.25 geregeld in één artikel, omdat alle genoemde aspecten, inclusief de redelijke eisen van welstand, onder de Omgevingswet worden geregeld in het omgevingsplan. Voor de redelijke eisen van welstand wordt in dit verband verwezen naar de beoordelingsregel in artikel 4.204.26, aanhef en onder b, van dit omgevingsplan. Aan de aanvraagvereisten is verder toegevoegd de eis dat een opgave van de bouwkosten wordt gedaan. De bouwkosten vormen doorgaans de grondslag voor de legesberekening voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit. In de voormalige Regeling omgevingsrecht was in de algemene aanvraagvereisten geregeld dat van de kosten van de werkzaamheden van de te verrichten activiteiten opgave wordt gedaan. In de Omgevingsregeling komt dit als algemeen aanvraagvereiste niet meer voor. Daarom moet dit bij een activiteit waarvoor dit van belang is, zoals de in dit artikel bedoelde omgevingsplanactiviteit, bij de specifieke aanvraagvereisten voor die activiteit worden geregeld.
Onderdeel j
Bij een aanvraag om een vergunning voor het bouwen wordt een bodemonderzoek overgelegd. Dit bodemonderzoek is noodzakelijk om te bepalen of de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem is overschreden. In dat geval zijn sanerende of andere beschermende maatregelen een voorwaarde voor het bouwen (artikel 4.204.26 en 4.224.29).
Dit is een voortzetting van artikel 8 van de Woningwet in samenhang met de lokale bouwverordening.
BBBBBBBBBBBBBBBBBBB
Sectie ' Algemene beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken' wordt geplaatst na sectie ' Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Lid 1 sub a tot en met c is voormalig bruidsschat artikel 22.29. Het oorspronkelijke lid 2 is vervallen omdat de gemeente Rijssen-Holten geen welstandsvrije gebieden kent.
Lid 1 sub d, e en f volgen uit artikel 4.2 van het Parapluplan parkeernormen van de gemeente Rijssen-Holten
Lid 2 vloeit voort uit artikel 1.10 van de Vangnetregeling Omgevingswet en voormalige artikelen 2.4.1 en 2.4.2 van de Bouwverordening gemeente Rijssen - Holten (inclusief 15e serie wijzigingen).
Toelichting
Lid 1
Op basis van artikel 4.6 van de Invoeringswet Omgevingswet maken onder andere alle voormalige bestemmingsplannen onderdeel uit van dit omgevingsplan. De inhoud van die plannen geldt, in combinatie met onder meer dit artikel, onverkort. Voor de beoordeling van een aanvraag voor een bouwactiviteit moet dus ook aan het tijdelijk deel omgevingsplan getoetst worden, met inachtneming van artikel 1.5.
Onderdeel a en b
Dit artikel regelt wanneer een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een bouwwerk wordt verleend. Het artikel is een voortzetting van artikel 2.10, eerste lid, onder c en d, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Op grond van artikel 4.204.26 wordt de vergunning alleen verleend als het bouwplan niet in strijd is met de regels die in dit omgevingsplan zijn gesteld over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken (onderdeel a) en dat het uiterlijk en de plaatsing van het bouwwerk, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota (onderdeel b). In onderdeel a zijn artikelen 17.1817.20, 17.2017.22 en 17.2817.30 expliciet uitgezonderd omdat het hier om voormalige rijksregels gaat waar op grond van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht ook niet aan getoetst werd bij de vergunningverlening. Daarnaast zijn er in dit omgevingsplan (als onderdeel van de omgevingsplanregels van rijkswege) tal van regels opgenomen die niet over bouwwerken gaan, maar bijvoorbeeld over open erven en terreinen. Deze regels vallen alle buiten het beoordelingskader voor de omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op bouwwerken. Het tweede lid bevat een aantal uitzonderingen op de eis dat het bouwwerk niet in strijd mag zijn met redelijke eisen van welstand. Ook deze uitzonderingen zijn een voortzetting van het recht zoals dat gold onder de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Woningwet.
De redactie van het eerste lid sluit aan bij artikel 8.0a, eerste lid, van het Bkl. Het imperatieve karakter («wordt verleend») houdt in dat de vergunning moet worden verleend als het bouwplan niet in strijd is met de daarvoor gestelde regels in het omgevingsplan. Er kunnen buiten het omgevingsplan om dus geen aanvullende redenen worden gehanteerd om een vergunning toch te weigeren. Het limitatieve karakter komt tot uiting doordat «alleen» op grondslag van de in het omgevingsplan gestelde regels het «binnenplans» verlenen van een vergunning mogelijk is. Als het bevoegd gezag op basis van de regels in het omgevingsplan tot het oordeel komt dat vergunningverlening niet mogelijk of (bij beslissingsruimte) niet wenselijk is, moet de activiteit als strijdig met het omgevingsplan worden aangemerkt. In dat geval is sprake van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit geldt dat op grond van artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl, de vergunning alleen wordt verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor een verdere toelichting hierover wordt verwezen naar de nota van toelichting bij artikel 8.0a van het Bkl.
Onderdeel c
Op grond van artikel 4.23 is het verboden om zonder vergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.
Dit onderdeel bevat de aanvullende beoordelingsregels waaraan een aanvraag om een binnenplanse omgevingsplanactiviteit wordt getoetst.
Wanneer de bodemkwaliteit de waarde voor de toelaatbare kwaliteit overschrijdt, is bouwen alleen mogelijk na het uitvoeren van sanerende of andere beschermende maatregelen, mits die technisch mogelijk zijn. De vraag is louter of het technisch mogelijk is om het geschikt te maken. Het antwoord op die vraag is niet afhankelijk van de goede wil van de initiatiefnemer maar alleen of het objectief, technisch, milieuhygiënisch mogelijk is.
Saneringsmaatregelen worden uitgevoerd in overeenstemming met de milieubelastende activiteit saneren van de bodem, zoals opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving. Hierin staan twee standaardaanpakken beschreven. Indien deze aanpakken niet voldoen, kan degene die saneert een maatwerkvoorschrift aanvragen bij het bevoegd gezag. In het omgevingsplan van de gemeenten die vallen in het zinkassengebied De Kempen staan maatwerkregels ten opzichte van de voorschriften in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
CCCCCCCCCCCCCCCCCCC
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ' Algemene beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
DDDDDDDDDDDDDDDDDDD
Sectie ' Algemene beoordelingsregels bij omgevingsvergunning voor een voormalige wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht' wordt geplaatst na sectie ''. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.32.
Toelichting
In het eerste lid van dit artikel wordt, in aanvulling op de beoordelingsregels uit artikel 4.204.26, de mogelijkheid gegeven om een omgevingsvergunning toch te verlenen als de activiteit waarop de aanvraag betrekking heeft in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, maar niet in strijd is met de regels die zijn gesteld voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht. Dit betreft regels die in (van het tijdelijke deel van het omgevingsplan deel uitmakende) bestemmingsplannen of inpassingsplannen kunnen zijn opgenomen op grond van artikel 3.6, eerste lid, onder a en b, van de voormalige Wet ruimtelijke ordening. Voor het voortzetten van de figuren van wijzigingsplannen en uitwerkingsplannen is niet in overgangsrecht voorzien. Het college van burgemeester en wethouders kan na inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook geen toepassing meer geven aan deze bepalingen. In plaats van deze specifieke wijzigingsbevoegdheden of uitwerkingsplichten, kan toepassing worden gegeven aan de generieke delegatiemogelijkheid op grond van artikel 2.8 van de Omgevingswet. Als vergunningverlening op grond van artikel 4.204.26, aanhef en onder a, niet mogelijk is, maar een bouwplan niet in strijd is met de regels die zijn gegeven voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht, kan de vergunning echter toch binnenplans worden verleend. Hierbij bestaat overigens beslissingsruimte. Onder de werking van de voormalige Wet ruimtelijke ordening moest bij de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of een uitwerkingsplicht (voor zover de bij een uitwerkingsplicht in acht te nemen regels daarvoor de ruimte laten) ook nog zelfstandig beoordeeld worden of het wijzigings- of uitwerkingsplan, los van de daarbij in acht te nemen regels, in overeenstemming was met een goede ruimtelijke ordening. Om die reden is geen imperatief karakter gegeven aan deze aanvullende mogelijkheid om een vergunning voor een bouwplan, dat niet in strijd is met die voor een wijziging- of uitwerking gegeven regels, toch te kunnen verlenen. Het gevolg hiervan is dat, ook al is een bouwplan met de regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht niet in strijd, ook nog een zelfstandige beoordeling moet plaatsvinden of het bouwplan uit een oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aanvaardbaar kan worden geacht.
In het tweede lid van dit artikel worden alle instructieregels en instructies waaraan moet worden getoetst bij de beslissing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit van overeenkomstige toepassing verklaard op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend. Ook dit vindt zijn oorsprong in de voormalige Wet ruimtelijke ordening. Bij de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of een uitwerkingsplicht moesten, los van de daarbij in acht te nemen regels uit het moederplan, ook de regels uit het voormalige Besluit algemene regels ruimtelijke ordening en de provinciale ruimtelijke verordening in acht worden genomen. Met het tweede lid wordt verzekerd dat ook bij de in het eerste lid geïntroduceerde mogelijkheid om binnenplans een vergunning te verlenen met toepassing van de regels die zijn gesteld voor een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht, geen situatie ontstaat die niet is toegelaten op grond van een onder nieuw recht gestelde instructieregel of gegeven instructie.
EEEEEEEEEEEEEEEEEEE
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ' Algemene beoordelingsregels bij omgevingsvergunning voor een voormalige wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Toelichting
In het eerste lid van dit artikel wordt, in aanvulling op de beoordelingsregels uit artikel 4.204.26, de mogelijkheid gegeven om een omgevingsvergunning toch te verlenen als de activiteit waarop de aanvraag betrekking heeft in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, maar niet in strijd is met de regels die zijn gesteld voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht. Dit betreft regels die in (van het tijdelijke deel van het omgevingsplan deel uitmakende) bestemmingsplannen of inpassingsplannen kunnen zijn opgenomen op grond van artikel 3.6, eerste lid, onder a en b, van de voormalige Wet ruimtelijke ordening. Voor het voortzetten van de figuren van wijzigingsplannen en uitwerkingsplannen is niet in overgangsrecht voorzien. Het college van burgemeester en wethouders kan na inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook geen toepassing meer geven aan deze bepalingen. In plaats van deze specifieke wijzigingsbevoegdheden of uitwerkingsplichten, kan toepassing worden gegeven aan de generieke delegatiemogelijkheid op grond van artikel 2.8 van de Omgevingswet. Als vergunningverlening op grond van artikel 4.204.26 aanhef en onder a, niet mogelijk is, maar een bouwplan niet in strijd is met de regels die zijn gegeven voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht, kan de vergunning echter toch binnenplans worden verleend. Hierbij bestaat overigens beslissingsruimte. Onder de werking van de voormalige Wet ruimtelijke ordening moest bij de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of een uitwerkingsplicht (voor zover de bij een uitwerkingsplicht in acht te nemen regels daarvoor de ruimte laten) ook nog zelfstandig beoordeeld worden of het wijzigings- of uitwerkingsplan, los van de daarbij in acht te nemen regels, in overeenstemming was met een goede ruimtelijke ordening. Om die reden is geen imperatief karakter gegeven aan deze aanvullende mogelijkheid om een vergunning voor een bouwplan, dat niet in strijd is met die voor een wijziging- of uitwerking gegeven regels, toch te kunnen verlenen. Het gevolg hiervan is dat, ook al is een bouwplan met de regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht niet in strijd, ook nog een zelfstandige beoordeling moet plaatsvinden of het bouwplan uit een oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aanvaardbaar kan worden geacht.
FFFFFFFFFFFFFFFFFFF
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
GGGGGGGGGGGGGGGGGGG
Sectie ' Nadere invulling algemene beoordelingsregel omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HHHHHHHHHHHHHHHHHHH
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ' Nadere invulling algemene beoordelingsregel omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Toelichting
In het omgevingsplan wordt als lokale waarde de interventiewaarde bodemkwaliteit vastgelegd in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving. Voorheen was dit ook de waarde waaraan de bodemkwaliteit getoetst werd.
Een verbod om te bouwen op verontreinigde bodem (boven de lokale waarde) zonder omgevingsvergunning als er geen maatregelen worden getroffen, volgt uit het samenstel van de vergunningplicht voor bouwen die al elders in de bruidsschat is geregeld met de beoordelingsregel in artikel 4.204.26 (het toegevoegde onderdeel c), dat die vergunning alleen wordt verleend in de situatie die is gedefinieerd in de specifieke beoordelingsregel.
IIIIIIIIIIIIIIIIIII
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
JJJJJJJJJJJJJJJJJJJ
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
KKKKKKKKKKKKKKKKKKK
Sectie ' Overgangsrecht bestaande bouwwerken' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
LLLLLLLLLLLLLLLLLLL
Sectie ' Voorschrift omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: na einde activiteit' wordt geplaatst na sectie ' Overgangsrecht bestaande bouwwerken'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MMMMMMMMMMMMMMMMMMM
Sectie ' Bijbehorend bouwwerk - voormalige kruimellijst' wordt geplaatst na sectie ' Voorschrift omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: na einde activiteit'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
NNNNNNNNNNNNNNNNNNN
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ' Bijbehorend bouwwerk - voormalige kruimellijst'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OOOOOOOOOOOOOOOOOOO
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
PPPPPPPPPPPPPPPPPPP
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
QQQQQQQQQQQQQQQQQQQ
Sectie ' Bouwwerk ten behoeve van mantelzorg' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
RRRRRRRRRRRRRRRRRRR
Sectie ' Dakkapel in het voordakvlak of naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak - voormalig lokaal dakkapellenbeleid' wordt geplaatst na sectie ' Bouwwerk ten behoeve van mantelzorg'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
SSSSSSSSSSSSSSSSSSS
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
TTTTTTTTTTTTTTTTTTT
Na sectie ' Erker - voormalige kruimellijst' worden vier secties ingevoegd, luidende:
Toelichting
De artikel vloeit voort uit de werknotitie voor pre-mantelzorgwoningen. De notitie voorzag in een toetsingskader voor omgevingsvergunningen voor een Buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Met dit artikel wordt de activiteit een omgevingsplanactiviteit. De voorwaarden spreken voor zich. Voor het parkeren wordt, in aanvulling op afdeling 14.6, opgemerkt dat geen nieuwe ontsluiting van een perceel mogelijk is.
Toelichting
Het is wenselijk om voorschriften aan de omgevingsvergunning te verbinden. Vooral omdat pré-mantelzorg en familiewoningen tijdelijk van aard zijn is het wenselijk voorschriften te kunnen opnemen over het beëindigen en ontmantelen van het gebruik. In de regel wordt als voorschrift opgenomen dat binnen 3 maanden na het beëindigen van het gebruik de situatie is hersteld in de staat van voor de pré-mantelzorg of familiewoning.
Toelichting
De artikel vloeit voort uit de werknotitie voor pre-mantelzorgwoningen. De notitie voorzag in een toetsingskader voor omgevingsvergunningen voor een Buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Met dit artikel wordt de activiteit een omgevingsplanactiviteit. De voorwaarden spreken voor zich. Voor het parkeren wordt, in aanvulling op afdeling 14.6, opgemerkt dat geen nieuwe ontsluiting van een perceel mogelijk is.
Toelichting
Het is wenselijk om voorschriften aan de omgevingsvergunning te verbinden. Vooral omdat pré-mantelzorg en familiewoningen tijdelijk van aard zijn is het wenselijk voorschriften te kunnen opnemen over het beëindigen en ontmantelen van het gebruik. In de regel wordt als voorschrift opgenomen dat binnen 3 maanden na het beëindigen van het gebruik de situatie is hersteld in de staat van voor de pré-mantelzorg of familiewoning.
UUUUUUUUUUUUUUUUUUU
Sectie ' Gebouw ten behoeve van infrastructurele of openbare voorzieningen - voormalige kruimellijst' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
VVVVVVVVVVVVVVVVVVV
Sectie ' Hekwerk, schutting of andere erf- en perceelafscheiding' wordt geplaatst na sectie ' Gebouw ten behoeve van infrastructurele of openbare voorzieningen - voormalige kruimellijst'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In aanvulling op artikel 4.144.18, waar toestemmingsvrije hekwerken, schuttingen, erf- of perceelafscheidingen staan beschreven, zijn er ook erf- of perceelafscheidingen die vergunningplichtig zijn. Dit lid komt ook voor in het TAM-omgevingsplann Hoofdstuk 22h Buitengebied Holten, uitbreiding recreatieterrein Helhuizerweg 14 (artikel 4.3.2 sub d).
In de leden zijn specifieke beoordelingsregels opgenomen. Daarnaast gelden natuurlijk ook de algemene beoordelingsregels uit artikel 4.204.26.
Toelichting
Eerste lid
Is in lijn met de al bestaande vergunningplicht in tijdelijk deel omgevingsplan.
Tweede lid
Is een nieuwe juridische regel waarbij het mogelijk wordt om met een binnenplanse vergunning een hekwerk tussen 1 meter en 1,30 meter onder voorwaarden te kunnen vergunnen.
Derde lid
Is in lijn met de al bestaande regels in het tijdelijk deel omgevingsplan. Deze regels zijn overgenomen.
WWWWWWWWWWWWWWWWWWW
Na sectie ' Hekwerk, schutting of andere erf- en perceelafscheiding' wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Dit artikel ligt in het verlengde van artikelen uit het tijdelijk deel omgevingsplan. De beoordelingsregels komen overeen met de juridische regels uit de onderliggende voormalige bestemmingsplannen en de werkpraktijk dat welstand eisen stelt aan groene inpassing. Het is namelijk gewenst dat in situaties grenzend aan de openbare weg of het openbaar groen er geen groene uitstraling ontstaat. Omdat de exacte invulling afhankelijk is van de buurt of locatie is beoordeling via welstand voor de hand liggend.
XXXXXXXXXXXXXXXXXXX
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
YYYYYYYYYYYYYYYYYYY
Sectie ' Uitbreiden van of bij een hoofdgebouw niet zijnde een woning - voormalige kruimellijst' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
ZZZZZZZZZZZZZZZZZZZ
Sectie ' Vrijstaande antenne-installatie - voormalige kruimellijst' wordt geplaatst na sectie ' Uitbreiden van of bij een hoofdgebouw niet zijnde een woning - voormalige kruimellijst'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AAAAAAAAAAAAAAAAAAAA
Na sectie ' Vrijstaande antenne-installatie - voormalige kruimellijst' wordt een sectie ingevoegd, luidende:
In het Chw veegplan buitengebied Rijssen - Holten zijn beoordelingsregels opgenomen om kleinschalige installaties op erven te bouwen. Op locaties waar dit plan niet geldt of als de installatie niet aan de beoordelingsregels voldoet, is het derde lid van toepassing.
BBBBBBBBBBBBBBBBBBBB
Sectie ' Hekwerk, schutting of andere erf- en perceelafscheiding - locatie Stokmansveldweg 9 e.o in Rijssen' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
CCCCCCCCCCCCCCCCCCCC
Sectie ' Silo of ander bouwwerk voor agrarische bedrijfsvoering' wordt geplaatst na sectie ' Hekwerk, schutting of andere erf- en perceelafscheiding - locatie Stokmansveldweg 9 e.o in Rijssen'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Onder de Omgevingswet is het meer van belang voor activiteiten explicieter uit te schrijven welke variaties er zijn. Onder de wetgeving van voor 1 januari 2024 gold er altijd een vergunningplicht tenzij een activiteit toestemmingsvrij was. Omdat die 'standaard' vergunningplicht niet meer geldt is het wenselijk explicieter te maken onder welke voorwaarden activiteiten toestemmingsvrij, vergunningplichtig of verboden zijn.
Dit artikel maakt samen met artikel 4.174.19 duidelijk welke juridische regels er voor het bouwen van een silo of ander agrarisch bouwwerk geen gebouw zijnde gelden.
DDDDDDDDDDDDDDDDDDDD
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ' Silo of ander bouwwerk voor agrarische bedrijfsvoering'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
EEEEEEEEEEEEEEEEEEEE
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Toelichting
Dit lid maakt verhouding met artikel 4.174.19 duidelijk.
FFFFFFFFFFFFFFFFFFFF
Sectie ' Sport- en speeltoestel voor openbaar gebruik' wordt geplaatst na sectie ''. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel maakt de verhouding met artikel 4.164.20 duidelijk.
GGGGGGGGGGGGGGGGGGGG
Sectie ' Verbod bouwwerken op aangewezen brandgangen' wordt geplaatst na sectie ' Sport- en speeltoestel voor openbaar gebruik'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HHHHHHHHHHHHHHHHHHHH
Sectie ' Repressief welstand' wordt geplaatst na sectie ' Verbod bouwwerken op aangewezen brandgangen'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig artikel 22.7 lid 1 van de bruidsschat. Artikel 22.7 lid 2 is niet overgenomen omdat er in de gemeente Rijssen-Holten geen welstandsvrije gebieden zijn.
Toelichting
Dit artikel heeft betrekking op het repressief welstandstoezicht en was voorheen opgenomen in artikel 12 van de Woningwet. Het uiterlijk van bestaande bouwwerken of te bouwen bouwwerken waar op grond van dit plan geen omgevingsvergunning voor nodig is, mogen niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold. Op grond van artikel 4.114 van de Invoeringswet Omgevingswet geldt die welstandsnota als een beleidsregel als bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet. In het voormalige artikel 13a van de Woningwet was opgenomen dat bij een overtreding van artikel 12, eerste lid, het bevoegd gezag de eigenaar kon verplichten zodanige door het bevoegd gezag aan te geven voorzieningen te treffen, dat daarmee werd voldaan aan artikel 12 van die wet. In de systematiek van de Omgevingswet is dit een maatwerkvoorschrift. Op grond van artikel 11.3 kan het bevoegd gezag zo’n maatwerkvoorschrift ook stellen voor het onderwerp welstand. Omdat de vraag of artikel 4.404.51 overtreden is, beantwoord moet worden door de criteria van de welstandsnota te beoordelen, ligt het voor de hand dat het bevoegd gezag door middel van een maatwerkvoorschrift aan de eigenaar van een gebouw duidelijk maakt op welke punten aanpassing nodig is om de ernstige strijd met redelijke eisen van welstand op te heffen.
Als de gemeente geen welstandsnota heeft vastgesteld, gelden er voor de gehele gemeente geen welstandsregels waaraan het uiterlijk van bestaande bouwwerken moet voldoen. Optreden tegen welstandsexcessen is dan niet mogelijk. Op grond van het tweede lid is welstandstoezicht evenmin aan de orde voor door de gemeenteraad aangewezen bouwwerken in daarbij aangewezen (zogenoemde welstandsvrije) gebieden. Op grond artikel 12, tweede lid, van de Woningwet, kon de gemeenteraad die welstandsvrije bouwwerken en gebieden aanwijzen. Deze besluiten zijn in artikel 4.6 van de Invoeringswet Omgevingswet, toegevoegd aan het tijdelijke deel van het omgevingsplan waar zowel voor het repressieve welstandstoezicht (in artikel 4.404.51 ) als voor de beoordeling van een nieuw te bouwen vergunningplichtig bouwwerk aan redelijke eisen van welstand (in artikel 4.204.26, onderdeel a.), een uitzondering is gemaakt. Het repressieve welstandsvereiste is niet van toepassing op tijdelijke bouwwerken, met uitzondering van seizoensgebonden bouwwerken zoals strandtenten.
De vraag of het uiterlijk van nieuw te bouwen bouwwerken waarvoor wel een omgevingsvergunning op grond van het omgevingsplan nodig is aan daarop van toepassing zijnde welstandseisen voldoet, wordt tijdens het proces van vergunningverlening getoetst. Zie hiervoor artikel 4.204.26.
IIIIIIIIIIIIIIIIIIII
Sectie ' Beoordelingsregels omgevingsvergunning gebruik bouwwerken of gronden' wordt geplaatst na sectie ' Repressief welstand'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
JJJJJJJJJJJJJJJJJJJJ
Sectie ' Strijdig gebruik (vangnet)' wordt geplaatst na sectie ' Beoordelingsregels omgevingsvergunning gebruik bouwwerken of gronden'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
KKKKKKKKKKKKKKKKKKKK
Sectie ' Verbod op permanente bewoning verblijfsrecreatie' wordt geplaatst na sectie ' Strijdig gebruik (vangnet)'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
LLLLLLLLLLLLLLLLLLLL
Sectie ' Verbod nieuwvestiging agarisch bedrijf' wordt geplaatst na sectie ' Verbod op permanente bewoning verblijfsrecreatie'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MMMMMMMMMMMMMMMMMMMM
Sectie ' Verbod nieuwvestigen of uitbreiden supermarkt' wordt geplaatst na sectie ' Verbod nieuwvestiging agarisch bedrijf'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
NNNNNNNNNNNNNNNNNNNN
Sectie ' Verbod gebruiken grond of bouwwerk in afwijking van geldende parkeerbehoefte' wordt geplaatst na sectie ' Verbod nieuwvestigen of uitbreiden supermarkt'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OOOOOOOOOOOOOOOOOOOO
Sectie ' Bestaande functie tijdelijk wijzigen ten behoeve van een evenement - voormalige kruimellijst' wordt geplaatst na sectie ' Verbod gebruiken grond of bouwwerk in afwijking van geldende parkeerbehoefte'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
PPPPPPPPPPPPPPPPPPPP
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ' Bestaande functie tijdelijk wijzigen ten behoeve van een evenement - voormalige kruimellijst'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Toelichting
Voor de paas- en vreugdevuren in onze gemeente geldt voor het snoeiafval geen beperking in termijn voor op- en afbouw. Dit om inwoners en organisatoren voldoende tijd te geven snoeiafval voor de paas- of vreugdevuren in te zamelen alvorens het paas- of vreugdevuur plaatsvindt. De afwijking geldt alleen voor het snoeiafval. Voor tenten en andere objecten geldt het eerste lid onverkort.
De in dit artikel opgenomen vergunningplicht regelt het ruimtelijk deel voor de paas- en vreugdevuren. In paragraaf 19.1.1417.4.1.8 staan de lokale beoordelingsregels ten behoeve van de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit.
QQQQQQQQQQQQQQQQQQQQ
Sectie ' Bestaande functie tijdelijk wijzigen ten behoeve van opvang van vluchtelingen - voormalige kruimellijst' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
RRRRRRRRRRRRRRRRRRRR
Sectie ' Bestaande functie tijdelijk wijzigen ten behoeve van een woon- of unit bij vervangende nieuwbouw of een unit bij maatschappelijke functies - voormalige kruimellijst' wordt geplaatst na sectie ' Bestaande functie tijdelijk wijzigen ten behoeve van opvang van vluchtelingen - voormalige kruimellijst'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
SSSSSSSSSSSSSSSSSSSS
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ' Bestaande functie tijdelijk wijzigen ten behoeve van een woon- of unit bij vervangende nieuwbouw of een unit bij maatschappelijke functies - voormalige kruimellijst'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
TTTTTTTTTTTTTTTTTTTT
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
UUUUUUUUUUUUUUUUUUUU
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
VVVVVVVVVVVVVVVVVVVV
Sectie ' Andere functie toevoegen - voormalige kruimellijst' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
WWWWWWWWWWWWWWWWWWWW
Na sectie ' Andere functie toevoegen - voormalige kruimellijst' wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Dit artikel bevat locaties die in dit plan opgenomen worden voor wonen.
XXXXXXXXXXXXXXXXXXXX
Sectie ' Gebruiken bestaand bouwwerk voor mantelzorg' wordt geplaatst na sectie ' Wonen'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
YYYYYYYYYYYYYYYYYYYY
Sectie ' Het omzetten van een inwoonsituatie naar een zelfstandige woning' wordt geplaatst na sectie ' Gebruiken bestaand bouwwerk voor mantelzorg'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
ZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZ
Sectie ' Omgevingsvergunning slopen karakteristiek bouwwerk' wordt geplaatst na sectie ' Het omzetten van een inwoonsituatie naar een zelfstandige woning'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit vormt samen met artikel 4.544.68 voormalig bruidsschat artikel 22.279 en artikel 22.285. Het artikel is aangepast op de specifieke regels over slopen van panden uit het tijdelijk deel omgevingsplan. Daarmee wijkt het artikel op onderdelen enigzins af van de letterlijke tekst uit de bruidsschat. De aanpassing vloeit voort uit de Herijking ruimtelijk Erfgoedbeleid Rijssen – Holten (door college vastgesteld op 21 februari 2023). Deze bepaling sluit verder aan bij de bestaande systematiek voor karakteristieke panden in het buitengebied op basis van het Chw veegplan buitengebied Rijssen-Holten.
AAAAAAAAAAAAAAAAAAAAA
Sectie ' Beoordelingsregels slopen van een karakteristiek bouwwerk' wordt geplaatst na sectie ' Omgevingsvergunning slopen karakteristiek bouwwerk'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit vormt samen met artikel 4.534.66 voormalig bruidsschat artikel 22.279 en artikel 22.285. Het artikel is aangepast op de specifieke regels over slopen van panden uit het tijdelijk deel omgevingsplan. Daarmee wijkt het artikel op onderdelen enigzins af van de letterlijke tekst uit de bruidsschat. De aanpassing vloeit voort uit de Herijking ruimtelijk Erfgoedbeleid Rijssen – Holten (door college vastgesteld op 21 februari 2023). Deze bepaling sluit verder aan bij de bestaande systematiek voor karakteristieke panden in het buitengebied op basis van het Chw veegplan buitengebied Rijssen-Holten.
BBBBBBBBBBBBBBBBBBBBB
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ' Beoordelingsregels slopen van een karakteristiek bouwwerk'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Toelichting
In artikel 4.544.68 is een beoordelingsregel opgenomen voor in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan opgenomen verbodsbepalingen om zonder omgevingsvergunning een sloopactiviteit te verrichten. Onder «sloopactiviteit» moet op grond van de bijlage bij de Omgevingswet «het slopen van een bouwwerk» worden verstaan. Deze begripsbepaling is op grond van artikel 1.1 van dit omgevingsplan ook van toepassing op dit plan. De vergunningenstelsels voor de hier bedoelde sloopactiviteiten konden op grond van artikel 3.3, aanhef en onder b, van de voormalige Wet ruimtelijke ordening in onder meer bestemmingsplannen, beheersverordeningen en andere ruimtelijke regelingen zijn opgenomen.
Inhoudelijk is de beoordelingsregel afgestemd op de bestaande regels uit de bestemmingsplannen zoals bijvoorbeeld Kern Rijssen 2010 (artikel 17) en Kern Holten 2010 (artikel 19). De beoordelingsregel voorkomt sloop van vooraf bepaalde categorieën zonder garantie op terugkeer van een bepaalde beeldkwaliteit of een beoordeling dat er geen andere mogelijkheid is dan sloop.
CCCCCCCCCCCCCCCCCCCCC
Na sectie '' wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Lid 1 is voormalig artikel 2.12 lid 1 van de Erfgoedverordening gemeente Rijssen-Holten 2018.
Lid 2 vormt de schakel tussen de vergunningplicht voor het slopen van bouwwerken zoals opgenomen in artikel 4.68 en de aanwijzing van nieuwe karakteristieke panden.
Lid 3 is voormalig artikel 2.12 lid 2 van de Erfgoedverordening gemeente Rijssen-Holten 2018. Dit artikel is tekstueel in overeenstemming gebracht met artikel 3.2a Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Er wordt daardoor onderscheid gemaakt in overleg bij wijzigingen die geen of beperkte invloed hebben op het belijden van de godsdienst of levensovertuiging of wijzigingen die daar wel wezenlijke invloed op hebben. Bij het eerste is overleg noodzakelijk, bij het laatste overeenstemming. Die nuancering ligt in lijn met de voormalige Rijksregels.
Lid 4 is voormalig artikel 2.10 lid 3 van de Erfgoedverordening gemeente Rijssen-Holten 2018.
Dit artikel is ook van toepassing op voorbeschermde monumenten.
Toelichting
Eerste en derde lid
In het eerste lid ligt op grond van de belangenafweging die moet worden gemaakt tevens besloten dat rekening wordt gehouden met het gebruik van het monument. In het tweede lid is voor wat betreft de vereiste overeenstemming met de eigenaar van een kerkelijk monument aangesloten bij artikel 3.2a van de Wabo.
Vierde lid
Dit artikel is gebaseerd op artikel 2.2 van de Wabo en inhoudelijk grotendeels gelijk aan de oude Erfgoedverordening.
DDDDDDDDDDDDDDDDDDDDD
Na sectie ' Buiten bebouwingscontour geur' wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Toelichting
Dit artikel voorziet in de toekomstige mogelijkheid een concentratiegebied aan te wijzen in verband met geurhinder vanwege het houden van landbouwhuisdieren (artikel 5.108 Besluit kwaliteit leefomgeving).
EEEEEEEEEEEEEEEEEEEEE
Sectie ' Toepassingsbereik' wordt geplaatst na sectie ' Concentratiegebied (gereserveerd)'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
FFFFFFFFFFFFFFFFFFFFF
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ' Toepassingsbereik'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
GGGGGGGGGGGGGGGGGGGGG
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Toelichting
Tweede lid onder a
Het tweede lid bevat een voorrangbepaling voor vergunningvoorschriften in een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit, die met toepassing van het recht zoals dat gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, is verleend. Het gaat hierbij om een vergunningplichtige milieubelastende activiteit die in hoofdstuk 3 van het Bal is aangewezen en waarbij deze vergunningvoorschriften bevat voor een onderwerp dat naar het omgevingsplan is verschoven. Op grond van het overgangsrecht van artikel 4.13, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijven deze vergunningvoorschriften gelden. De vergunningvoorschriften gelden naast het omgevingsplan. De strengste regel is dan bepalend. Ten tijde van de vergunningverlening zijn juist bewust strengere of soepeler voorschriften gesteld, afgestemd op de locatie. De regels van de hoofdstukken over milieubelastende activiteiten dit omgevingsplan zijn niet van toepassing, voor zover zo’n vergunningvoorschrift geldt. De uitdrukking «voor zover» betekent «in de mate dat». Dat houdt in dat alleen die voorschriften uit de hoofdstukken over milieubelastende activiteiten van dit omgevingsplan buiten toepassing blijven waarvoor voorschriften in de omgevingsvergunning zijn gesteld. Als bijvoorbeeld de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit voor geluid alleen voorschriften met waarden bevat, dan blijft artikel 6.196.18 van dit omgevingsplan met geluidwaarden voor geluidgevoelige gebouwen buiten toepassing. Maar artikel 6.166.15 van dit omgevingsplan, dat bepaalt wanneer een akoestisch onderzoek gedaan moet worden, is wel van toepassing.
Deze voorrangsbepaling kan relevant zijn voor de volgende onderdelen van de hoofdstukken over milieubelastende activiteiten van dit omgevingsplan:
Hoofdstuk 2 Afval
Hoofdstuk 6 Geluid
Hoofdstuk 16 Trillingen
Paragraaf 18.2.3 Lozen bij maken van betonmortel
Paragraaf 18.2.18 Uitwassen van beton
Paragraaf 18.2.13 Ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal
Paragraaf 3.3.1.1 In werking hebben van een acculader
Dit omgevingsplan voorziet niet in een voorrangsbepaling voor bestaande vergunningvoorschriften of maatwerkvoorschriften op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer die op grond van het algemene overgangsrecht maatwerkvoorschriften zijn geworden en die afwijken van of een nadere invulling geven aan de omgevingsplanregels in dit omgevingsplan. Uit de wetssystematiek volgt al dat een maatwerkvoorschrift voorrang heeft op een algemene bepaling.
Tweede lid, onderdeel b, sub 1 tot en met 7
De onderdelen a tot en met f van het tweede lid sluiten bepaalde milieubelastende activiteiten uit van het algemene toepassingsbereik van deze afdeling.
Op grond van artikel 22.2, eerste lid, van de Omgevingswet mogen de omgevingsplanregels van rijkswege alleen gaan over regels die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet bij of krachtens de wet waren gesteld of daaraan gelijkwaardige regels. Het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de voormalige Wet geurhinder en veehouderij waren alleen van toepassing op inrichtingen als bedoeld in artikel 1, derde lid, van de Wet milieubeheer. Omdat het begrip milieubelastende activiteit in de Omgevingswet breder is dan dat begrip inrichting, is in dit lid een afbakening van het toepassingsbereik opgenomen.
Bij de overgang naar een nieuwe wetsystematiek en begrippenkader is het niet te voorkomen dat er enkele verschuivingen in de uitvoering van de regelgeving optreden. Aanmerkelijke verschuivingen in het toepassingsbereik zijn niet beoogd. Desondanks zullen er op kleine schaal wel enige verschuivingen optreden, omdat de oude criteria van het begrip inrichting niet één op één zijn overgenomen. De omschrijving van het toepassingsbereik in dit artikel vraagt enige mate van interpretatie. Ook de criteria van het begrip inrichting uit de Wet milieubeheer vroegen om interpretatie, en werden door verschillende bevoegde instanties enigszins verschillend geïnterpreteerd.
Bij de interpretatie van het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, is het raadzaam om aan te sluiten bij de praktijk van de voormalige regelgeving. Als een activiteit als Wet milieubeheer-inrichting werd beschouwd, kan deze ook onder de regels voor milieubelastende activiteiten van deze afdeling vallen.
Een beperkte verschuiving is op zich niet bezwaarlijk, als dit er niet toe leidt dat:
a) activiteiten die eerst niet onder rijksregels vielen door de regels van deze afdeling van dit omgevingsplan worden beperkt;
b) activiteiten die wel onder de regels vielen en reële risico’s voor de fysieke leefomgeving inhouden ongeregeld blijven.
Situaties als bedoeld onder a zullen niet snel voorkomen. Juist aan de «onderkant» van het inrichtingenbegrip golden er naast de regels van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer ook andere regels die ervoor zorgen dat ook activiteiten die geen inrichting waren toch aan regels ter bescherming van de leefomgeving waren gebonden. Denk bijvoorbeeld aan de regels van de Algemene Plaatselijke Verordening, maar ook het restrisico-artikel van het Bouwbesluit 2012 (artikel 7.22). Deze regels van de Algemene Plaatselijke Verordening blijven op het moment van de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van het algemeen overgangsrecht (artikel 22.4 van de Omgevingswet bepaalt namelijk dat artikel 122 van de Gemeentewet tijdelijk niet van toepassing is) gelden. Het restrisico-artikel van het Bouwbesluit 2012 is ook opgenomen als regel van rijkswege in het omgevingsplan. Bovendien zijn de regels van deze afdeling voor activiteiten waarop ze van toepassing zouden worden zelden feitelijk beperkend, omdat bij het op gebruikelijke wijze uitvoeren van de activiteit aan de regels wordt voldaan.
Ook voor situaties als bedoeld onder b hoeft in zijn algemeenheid niet te worden gevreesd. Veelal gold voor de activiteiten aan de onderkant van het inrichtingenbegrip naast de zorgplicht van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 2.1) alleen een beperkt aantal regels, zoals de geluidregels. Een eventuele overtreding van de zorgplicht van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer zal in veel gevallen ook als overtreding van de algemene zorgplicht van de Omgevingswet kunnen worden aangemerkt. En omdat de rijksregels niet gelden, zal ook de Algemene Plaatselijke Verordening veelal een deel van de bescherming overnemen.
Het algemene overgangsrecht in artikel 22.4 van de Omgevingswet en de mogelijkheden voor maatwerk op grond van deze afdeling zullen eventuele nadelige gevolgen van de beperkte verschuivingen voldoende ondervangen.
Bij het voorbereiden van deze afdeling zijn al verschillende mogelijke verschuivingen in het toepassingsbereik geïdentificeerd. Belangrijke aandachtspunten worden hieronder benoemd.
De onderdelen in dit tweede lid beogen de criteria «een omvang alsof zij bedrijfsmatig is», «binnen een zekere begrenzing» en «pleegt te worden verricht» binnen de omschrijving van het begrip inrichting in de Wet milieubeheer te vervangen. De categorieën uit bijlage I bij het Besluit omgevingsrecht zijn niet overgenomen. Sommige ondergrenzen in die categorieën kunnen eventueel terugkomen in het toepassingsbereik van de paragrafen in deze afdeling.
Kleine winkels waar geen installaties met meer dan 1,5 kW elektromotorisch vermogen aanwezig zijn, waren bijvoorbeeld meestal geen Wet milieubeheer-inrichting, maar vallen nu wel onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling in het omgevingsplan. Alhoewel er geen specifieke voorschriften voor gelden, moeten deze activiteiten wel voldoen aan de specifieke zorgplicht.
Tweede lid, onderdeel b, sub 1
De omgevingsplanregels van rijkswege voor de milieubelastende activiteit zijn alleen van toepassing op milieubelastende activiteiten, anders dan wonen. Hiermee wordt aangesloten op het toepassingsbereik voor de instructieregels voor geluid, trillingen en geur in het Bkl.
Als een hobby een bepaalde omvang overstijgt kan dit ertoe leiden dat het verrichten van een activiteit niet meer onder wonen valt. Denk hierbij aan het in een bepaalde omvang houden van dieren, sleutelen aan auto’s, meubels maken of bereiden van voedingsmiddelen. Waar de grens ligt, is een grijs gebied. Hetzelfde geldt voor bedrijven aan huis. De gemeente mag hier ook zelf invulling aan geven in het omgevingsplan. Overigens was bij de toetsing of er sprake was van een Wet milieubeheer-inrichting het criterium «een omvang alsof zij bedrijfsmatig is» ook altijd een grijs gebied.
Een ander bekend voorbeeld van onduidelijkheid over de vraag of een activiteit een Wet milieubeheer-inrichting was, is het opslaan van huisbrandolie of propaan in tanks bij particulieren. Onder het regime van de Omgevingswet wordt dit afgedekt door het Bal.
Tweede lid, onderdeel b, sub 2
Het feitelijk verrichten van bouw- en sloopactiviteiten of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein, vallen niet onder deze afdeling. Ook in het Bbl zijn eisen opgenomen voor zowel geluid als trillingen bij bouw- en sloopactiviteiten. Het Bbl bevat voor het verrichten van die activiteiten ook een specifieke zorgplicht. Verder bevat de Algemene Plaatselijke Verordening vaak regels ter voorkoming van hinder door bouw- en sloopgerelateerde activiteiten. Het algemene overgangsrecht van de Omgevingswet in artikel 22.4 van de Omgevingswet zorgt ervoor dat deze regels van de Algemene Plaatselijke Verordening bij de inwerkingtreding van de wet blijven gelden. Naast deze regels bevat afdeling 17.2 van dit omgevingsplan een specifieke zorgplicht voor het gebruik van een bouwwerk (artikel 17.2717.29). Het is dus niet zo dat er, door de uitzondering in dit onderdeel, voor deze activiteiten geen regels gelden.
Onder het regime van de Wet milieubeheer gebeurde het in bijzondere gevallen wel dat bouwwerkzaamheden die langer duurden dan zes maanden, als een Wet milieubeheer-inrichting werden gezien. Deze activiteiten vallen buiten het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, maar ook daarvoor geldt dat de hiervoor genoemde regels van toepassing zijn.
Tweede lid, onderdeel b, sub 3
Deze uitzondering beoogt de activiteiten die in de openbare buitenruimte plaatsvinden uit te sluiten. Voorbeelden zijn kermissen en andere evenementen, weekmarkten, mobiele installaties/activiteiten zoals draaiorgels, ophalen van vuilnis en gevelreiniging (met uitzondering van lozen). Het voor korte periode bezetten van een stukje openbaar toegankelijk terrein, maakt het daarmee niet ontoegankelijk. Activiteiten in een openbaar toegankelijk gebouw, zoals een publieke parkeergarage of het stadhuis, vallen wel onder het toepassingsbereik. Ook het laden en lossen op de openbare weg in de onmiddellijke nabijheid van een winkel, of het verkeer van en naar het bedrijf valt wel onder het toepassingsbereik van deze afdeling.
Voor enkele activiteiten zoals het exploiteren van een mobiele vis-, friet-, oliebollen- of marktkraam of het exploiteren van een terras, was het afhankelijk van de situatie en de interpretatie van het bevoegd gezag of ze gezien werden als een Wet milieubeheer-inrichting. Deze interpretatieverschillen kunnen zich ook nu weer voordoen. Zoals al aangegeven in de inleiding van de toelichting op dit artikel is er in principe geen verschuiving in het toepassingsbereik van deze afdeling in het omgevingsplan ten opzichte van het oude begrip Wet milieubeheer-inrichting beoogd.
Tweede lid, onderdeel b, sub 4
Doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen valt niet onder deze afdeling van dit omgevingsplan.
Tweede lid, onderdeel b, sub 5
Dit onderdeel sluit evenementen, waarover geluidregels zijn gesteld in bijvoorbeeld de Algemene Plaatselijke Verordening of een evenementenverordening uit van het toepassingsbereik van deze afdeling over milieubelastende activiteiten. Deels gebeurt dit al met onderdeel c, omdat evenementen vaak plaatsvinden in de openbare buitenruimte. Maar regelmatig zijn evenementen ook besloten of vinden ze plaats in een tijdelijk leegstaand gebouw. Deze uitzondering geldt niet voor activiteiten waarvoor geen geluidregels gelden bij of krachtens een gemeentelijke verordening, maar waarvoor geluidregels waren opgenomen in een omgevingsvergunning voor een inrichting op grond van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Voorbeelden hiervan kunnen zijn permanente evenemententerreinen of evenementenhallen.
Tweede lid, onderdeel b, sub 6
Deze uitzondering beoogt vooral het gebruik van landbouwvoertuigen op weilanden en akkers uit te sluiten van het algemene toepassingsbereik voor deze afdeling. De opslag van vaste mest op een weiland of akker valt wel onder dit algemene toepassingsbereik. Een installatie die verplaatsbaar is maar gedurende een langere periode achtereen op een weiland of akkers wordt gebruikt, wordt niet gezien als mobiele installatie en valt ook onder de regels voor de milieubelastende activiteiten in dit omgevingsplan. Bijvoorbeeld een antihagelkanon. Ook verplaatsbare mijnbouwwerken vallen onder het toepassingsbereik van deze afdeling.
Tweede lid, onderdeel b, sub 7
Vaste objecten zoals bruggen, sluizen en tunnels kunnen door de aanwezigheid van elektromotorisch vermogen gezien worden als milieubelastende activiteiten. Bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen vallen niet onder het toepassingsbereik van dit omgevingsplan.
Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet bleven elektromotoren van bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen buiten beschouwing bij het bepalen of sprake was van een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Dit was bepaald in categorie 1, 1.2, onder c, van bijlage I, onderdeel C, bij het Besluit omgevingsrecht, zoals dat gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Tweede lid, onderdeel c
Dit artikel sluit aan bij artikel 5.90 van het Bkl. Daarin zijn geurgevoelige gebouwen die zijn toegelaten voor de duur van niet meer dan tien jaar, uitgesloten van het toepassingsbereik van de bepalingen over geur in dat besluit.
HHHHHHHHHHHHHHHHHHHHH
Sectie ' Oogmerken' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
IIIIIIIIIIIIIIIIIIIII
Sectie ' Geur: cumulatie' wordt geplaatst na sectie ' Oogmerken'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
JJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJ
Sectie ' Geur: eerbiedigende werking' wordt geplaatst na sectie ' Geur: cumulatie'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
KKKKKKKKKKKKKKKKKKKKK
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ' Geur: eerbiedigende werking'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
LLLLLLLLLLLLLLLLLLLLL
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MMMMMMMMMMMMMMMMMMMMM
Sectie ' Geur: functionele binding' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
NNNNNNNNNNNNNNNNNNNNN
Sectie ' Geur: voormalige functionele binding' wordt geplaatst na sectie ' Geur: functionele binding'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OOOOOOOOOOOOOOOOOOOOO
Sectie ' Geur: waar afstanden gelden' wordt geplaatst na sectie ' Geur: voormalige functionele binding'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.92. Woonschip is uit het artikel gehaald omdat wij deze niet hebben in de gemeente. Verder is het oorspronkelijke artikel opgeknipt in twee artikelen. Een artikel dat over 'waarden' gaat (zoals artikel 5.185.20 en artikel 5.265.28) en een artikel over afstanden (zoals artikel 5.95.10).
Toelichting
Dit artikel regelt waar de waarden of afstanden gelden die voor geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw gelden. Als het geurgevoelige gebouw al gerealiseerd is, gelden de waarden of afstanden op of tot de gevel van het geurgevoelige gebouw (onderdeel a). Als het geurgevoelige gebouw nog niet gerealiseerd is, gelden de waarden of afstanden op of tot de plaats waar de gevel van het geurgevoelige gebouw mag worden gerealiseerd (onderdeel b).
Voor woonwagens geldt dat, anders dan bij andere geurgevoelige gebouwen, de waarden gelden op een begrenzing van de locatie. De woonwagen wordt dus niet zelf beschermd, maar de locatie waarop de woonwagen geplaatst kan worden. Dit heeft te maken met de verplaatsbaarheid van de woonwagen binnen de locatie en de lagere eisen aan de gevels van zulke gebouwen.
Dit artikel sluit aan bij de artikelen 5.93 en 5.94 van het Bkl.
PPPPPPPPPPPPPPPPPPPPP
Sectie ' Geur composteren of opslaan van groenafval: afstand' wordt geplaatst na sectie ' Geur: waar afstanden gelden'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Lid 1, lid 2 sub a, lid 3 en lid 4 zijn voormalig bruidsschat artikel 22.119.
Lid 2 sub b is voormalig bruidsschat artikel 22.120 lid 1.
Toelichting
Eerste lid, tweede lid sub b, lid 3 en lid 4
Deze leden zijn een voortzetting van de artikelen 1.1, eerste lid, 3.45 en 3.46, eerste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, voor zover het gaat om het opslaan van groenafval inclusief afgedragen gewas (restmateriaal afkomstig van de teelt van gewassen), en de artikelen 3.106 en 3.108, eerste en tweede lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, voor zover het gaat om composteren van groenafval.
De leden zien op de geur door het composteren of opslaan van groenafval, bedoeld in artikel 4.879 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Het bepaalde in de artikelen 3.46, achtste lid, en 3.108, derde lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, dat regelde dat bepaalde gebruikseisen bij maatwerkvoorschrift konden worden vastgelegd, valt nu onder de generieke maatwerkbevoegdheid van deze afdeling van dit omgevingsplan. Het stellen van gebruiksregels aanvullend op de afstandseis kan nodig zijn om te voldoen aan artikel 5.92 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Dat artikel vereist dat de geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is.
Tweede lid
In beginsel geldt bij geur die veroorzaakt wordt door de activiteiten, bedoeld in de artikelen 5.105.11 tot en met 5.155.17, de afstanden die in die artikelen zijn genoemd. Deze afstandseisen gelden niet bij «overbelaste situaties». Dit artikel bevat een regeling met «eerbiedigende werking» voor zulke bestaande situaties. Zie voor een nadere toelichting hierover de artikelsgewijze toelichting bij artikel 5.126 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Als dit artikel van toepassing is, heeft degene die de activiteit verricht op grond van de specifieke zorgplichtbepaling de plicht om maatregelen of voorzieningen te treffen die geurhinder voorkomen of tot een aanvaardbaar niveau beperken. Hierbij kan gedacht worden aan maatregelen over:
– de situering van de plaats van de opgeslagen bedrijfsstoffen;
– het afdekken van de opgeslagen agrarische bedrijfsstoffen; of
– de frequentie van de afvoer van de opgeslagen agrarische bedrijfsstoffen.
In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer stond ook dat degene die de inrichting drijft op verzoek van het bevoegd gezag aangeeft welke maatregelen of voorzieningen hij daarvoor heeft getroffen of zal treffen. Deze gegevens kan het bevoegd gezag ook vragen op grond van de toezichtsbevoegdheden van de Algemene wet bestuursrecht. Deze plicht komt dus niet expliciet terug in de omgevingsplanregels van rijkswege.
QQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQ
Sectie ' Geur opslaan drijfmest, digestaat en dunne fractie: afstand' wordt geplaatst na sectie ' Geur composteren of opslaan van groenafval: afstand'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
RRRRRRRRRRRRRRRRRRRRR
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ' Geur opslaan drijfmest, digestaat en dunne fractie: afstand'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Toelichting
Met dit artikellid en de begripsomschrijvingen in het Bal zijn de artikelen 3.50, derde lid, en 3.51, elfde lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer omgezet.
Het mestbassin is bovengronds gelegen en kan ook uit een mestzak of foliebassin bestaan. Voor de berekening van de gezamenlijke oppervlakte en de gezamenlijke inhoud worden de oppervlakte en inhoud van mestkelders en ondergrondse mestbassins die zijn voorzien van een afdekking die als vloer fungeert niet meegerekend. Is sprake van meerdere bassins, dan worden deze voor de oppervlakte- of inhoudsbepaling dus bij elkaar opgeteld. Een uitgebreide toelichting over het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie is te lezen in de artikelsgewijze toelichting bij artikel 4.855 van het Bal.
In het Bal staat geen vergunningplicht voor het opslaan van dierlijke meststoffen die verpompbaar zijn in een of meer mestbassins met een gezamenlijke oppervlakte groter dan 750 m2 of een gezamenlijke inhoud groter dan 2.500 m3. Deze vergunningplicht komt wel terug in artikel 17.3717.39 van dit omgevingsplan.
De afstand die ten minste in acht moet worden genomen, is kleiner voor bassins met een (gezamenlijke) oppervlakte kleiner dan 350 m2 dan voor bassins met een (gezamenlijke) oppervlakte van 350 m2 of meer. Verder geldt een kleinere afstand van het bassin tot een geurgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met een veehouderij in de directe omgeving dan een te beschermen gebouw zonder die functionele binding met een veehouderij.
Ondanks dat de afstanden in acht worden genomen, kan toch geuroverlast optreden. Het bevoegd gezag heeft dan de mogelijkheid om aanvullende eisen te stellen met maatwerkvoorschriften. Dit kan bijvoorbeeld voor de situering van het mestbassin, het afdekken ervan en de frequentie en tijdstip van de aan- en afvoer. Dit geldt ook voor mestkelders. Met name het leegpompen van mestkelders kan leiden tot geuroverlast
SSSSSSSSSSSSSSSSSSSSS
Sectie ' Omgevingsvergunning opslaan dierlijke meststoffen' wordt geplaatst na sectie ''. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Lid 1 is voormalig bruidsschat artikel 22.267 lid 1.
Lid 2 is op advies van de Omgevingsdienst Twente toegevoegd vanwege het ontbreken van beoordelingsregels in de oorspronkelijk bruidsschat en het Besluit activiteiten leefomgeving.
Lid 23 is voormalig bruidsschat artikel 22.270. De tekst is aangepast om de leesbaarheid te vergoten.
Lid 4 is voormalig bruidsschat artikel 22.267 lid 2. Aan dat lid is op advies van de Omgevingsdienst Twente sub c toegevoegd.
TTTTTTTTTTTTTTTTTTTTT
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ' Omgevingsvergunning opslaan dierlijke meststoffen'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
UUUUUUUUUUUUUUUUUUUUU
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
VVVVVVVVVVVVVVVVVVVVV
Na sectie '' wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Toelichting
Deze gegevens en bescheiden komen deels overeen met de gegevens en bescheiden die verstrekt moeten worden bij de melding op grond van artikel 4.836 van het Bal. Artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet bepaalt dat de gegevens en bescheiden niet behoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.
WWWWWWWWWWWWWWWWWWWWW
Sectie ' Geur opslaan kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen: afstand' wordt geplaatst na sectie ''. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Lid 1 en lid 3 zijn voormalig bruidsschat artikel 22.116 lid 1 en 3.
Lid 2 sub a is voormalig bruidsschat artikel 22.116 lid 2.
Lid 2 sub b is voormalig bruidsschat artikel 22.120 lid 1.
Toelichting
Eerste lid, twee lid onder a en derde lid
Deze leden regelen het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen. Kuilvoer is veevoer dat door inkuilen als wintervoorraad opgeslagen wordt. Kuilgras en snijmaïs kunnen onder meer als kuilvoer gebruikt worden. In bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving worden vaste bijvoedermiddelen omschreven als plantaardige restproducten uit de landbouw en tuinbouw. Ook de plantaardige restproducten afkomstig van voedselbereiding en voedselverwerking vallen onder vaste bijvoedermiddelen. Dat geldt niet voor voedselresten afkomstig van restaurants, cateringfaciliteiten en keukens.
De leden vormen een voortzetting van de artikelen 1.1, eerste lid, 3.45, eerste lid, en 3.46, eerste, vijfde en negende lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Die artikelen van dat besluit zagen op het opslaan van agrarische bedrijfsstoffen. Dit artikel ziet niet op alle agrarische bedrijfsstoffen, maar enkel op kuilvoer en vaste bijvoedermiddelen. De afstandseisen voor het opslaan van vaste bijvoedermiddelen en kuilvoer gelden niet als er sprake is van een totaal volume van minder dan 3 m3. Dit is in lijn met de regels uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. In de instructieregels van het Bkl en in het Bal is deze grens van 3 m3 vervallen.
De leden gelden voor alle milieubelastende activiteiten die vallen onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, bedoeld in artikel 5.35.4. Zo gelden deze regels voor het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen bij bijvoorbeeld een veehouderij, een manege of dierentuin.
Tweede lid sub b
In beginsel geldt bij geur die veroorzaakt wordt door de activiteiten, bedoeld in de artikelen 5.105.11 tot en met 5.155.17, de afstanden die in die artikelen zijn genoemd. Deze afstandseisen gelden niet bij «overbelaste situaties». Dit artikel bevat een regeling met «eerbiedigende werking» voor zulke bestaande situaties. Zie voor een nadere toelichting hierover de artikelsgewijze toelichting bij artikel 5.126 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Als dit artikel van toepassing is, heeft degene die de activiteit verricht op grond van de specifieke zorgplichtbepaling de plicht om maatregelen of voorzieningen te treffen die geurhinder voorkomen of tot een aanvaardbaar niveau beperken. Hierbij kan gedacht worden aan maatregelen over:
– de situering van de plaats van de opgeslagen bedrijfsstoffen;
– het afdekken van de opgeslagen agrarische bedrijfsstoffen; of
– de frequentie van de afvoer van de opgeslagen agrarische bedrijfsstoffen.
In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer stond ook dat degene die de inrichting drijft op verzoek van het bevoegd gezag aangeeft welke maatregelen of voorzieningen hij daarvoor heeft getroffen of zal treffen. Deze gegevens kan het bevoegd gezag ook vragen op grond van de toezichtsbevoegdheden van de Algemene wet bestuursrecht. Deze plicht komt dus niet expliciet terug in de omgevingsplanregels van rijkswege.
XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX
Sectie ' Geur opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong: afstand' wordt geplaatst na sectie ' Geur opslaan kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen: afstand'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
YYYYYYYYYYYYYYYYYYYYY
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ' Geur opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong: afstand'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
ZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZ
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAA
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
BBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBB
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
CCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCC
Sectie ' Geur opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie: afstand' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
DDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDD
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ' Geur opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie: afstand'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Toelichting
Dit lid vormt een voortzetting van de artikelen 1.1, eerste lid, 3.45, eerste lid, en 3.46, eerste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Die artikelen zagen op het opslaan van agrarische bedrijfsstoffen. Dit lid ziet niet op alle agrarische bedrijfsstoffen, maar enkel op een deel ervan. De regels voor de andere agrarische bedrijfsstoffen zijn elders in paragraaf 5.3.2 geregeld.
Dit lid geldt voor alle milieubelastende activiteiten die vallen onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, bedoeld in artikel 5.35.4, waaronder opslag van vaste mest op een weiland of akker.
Dit lid geldt niet voor de opslag van vaste mest afkomstig van andere dieren dan landbouwhuisdieren of paarden en pony’s die gehouden worden in verband met het berijden, zoals honden, dieren op de kinderboerderij of dieren in dierentuinen. Voor de geurhinder, veroorzaakt door die mestopslagen geldt artikel 5.145.16.
EEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEE
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Toelichting
Sub a
Bij het opslaan van minder dan 3 m3 vaste mest, champost of dikke fractie gelden geen eisen, anders dan de specifieke zorgplicht.
Sub b
Als vaste mest, champost of dikke fractie korter dan twee weken op één plek opgeslagen ligt, dan is dit artikel niet van toepassing. Wel geldt de specifieke zorgplicht.
Sub c
Een opslag van meer dan 600 m3 vaste mest valt niet onder het toepassingsbereik van dit artikel. In artikel 17.3717.39 is aanvullend op deze bovengrens een vergunningplicht opgenomen voor de opslag van meer dan 600 m3 vaste mest.
Sub d
In beginsel geldt bij geur die veroorzaakt wordt door de activiteiten, bedoeld in de artikelen 5.145.16 tot en met 5.105.11, de afstanden die in die artikelen zijn genoemd. Deze afstandseisen gelden niet bij «overbelaste situaties». Dit artikel bevat een regeling met «eerbiedigende werking» voor zulke bestaande situaties. Zie voor een nadere toelichting hierover de artikelsgewijze toelichting bij artikel 5.126 van het Bkl.
Als dit artikel van toepassing is, heeft degene die de activiteit verricht op grond van de specifieke zorgplichtbepaling de plicht om maatregelen of voorzieningen te treffen die geurhinder voorkomen of tot een aanvaardbaar niveau beperken. Hierbij kan gedacht worden aan maatregelen over:
de situering van de plaats van de opgeslagen bedrijfsstoffen;
het afdekken van de opgeslagen agrarische bedrijfsstoffen; of
de frequentie van de afvoer van de opgeslagen agrarische bedrijfsstoffen.
In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer stond ook dat degene die de inrichting drijft op verzoek van het bevoegd gezag aangeeft welke maatregelen of voorzieningen hij daarvoor heeft getroffen of zal treffen. Deze gegevens kan het bevoegd gezag ook vragen op grond van de toezichtsbevoegdheden van de Algemene wet bestuursrecht. Deze plicht komt dus niet expliciet terug in de omgevingsplanregels van rijkswege.
FFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFF
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
GGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGG
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHH
Sectie ' Geur voorziening biologisch behandelen dierlijke meststoffen voor of na vergisten: afstand' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
IIIIIIIIIIIIIIIIIIIIII
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ' Geur voorziening biologisch behandelen dierlijke meststoffen voor of na vergisten: afstand'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Toelichting
Dit lid is van toepassing op een voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten van dierlijke meststoffen.
Dit lid geldt bij alle milieubelastende activiteiten, die vallen onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, bedoeld in artikel 5.35.4. Zo is dit artikel niet alleen van toepassing bij een bedrijf voor mestbehandeling, als bedoeld in artikel 3.225 van het Besluit activiteiten leefomgeving, maar op alle mestvergistingsinstallaties die voldoen aan de omschrijving in het eerste lid.
JJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJ
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
KKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKK
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
LLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLL
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMM
Sectie ' Toepassingsbereik' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
NNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNN
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ' Toepassingsbereik'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOO
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
PPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPP
Sectie ' Geur vanaf waar afstanden gelden' wordt geplaatst na sectie ''. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.97.
Toelichting
De afstanden zoals opgenomen in deze paragraaf worden gemeten tussen het emissiepunt van het dierenverblijf en het dichtstbijzijnde geurgevoelige gebouw.
Het gaat om het emissiepunt als bedoeld in artikel 4.806, tweede lid, van het Bal. Op grond van dat artikel wordt onder emissiepunt verstaan:
a. het punt waarop een relevante hoeveelheid emissie buiten het dierenverblijf treedt of wordt gebracht; of
b. bij een gedeeltelijk overdekt dierenverblijf: het punt waarop een relevante hoeveelheid emissie buiten het overdekte gedeelte van het dierenverblijf treedt of wordt gebracht.
In artikel 5.215.23 wordt hier een uitzondering op gemaakt voor de zogenaamde gevel-gevelafstanden.
QQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQ
Sectie ' Geur: waar waarden gelden' wordt geplaatst na sectie ' Geur vanaf waar afstanden gelden'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.92. Woonschip is uit het artikel gehaald omdat wij deze niet hebben in de gemeente. Verder is het oorspronkelijke artikel opgeknipt in twee artikelen. Een artikel dat over 'waarden' gaat (zoals artikel 5.185.20 en artikel 5.265.28) en een artikel over afstanden (zoals artikel 5.95.10).
Toelichting
Dit artikel regelt waar de waarden of afstanden gelden die voor geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw gelden. Als het geurgevoelige gebouw al gerealiseerd is, gelden de waarden of afstanden op of tot de gevel van het geurgevoelige gebouw (onderdeel a). Als het geurgevoelige gebouw nog niet gerealiseerd is, gelden de waarden of afstanden op of tot de plaats waar de gevel van het geurgevoelige gebouw mag worden gerealiseerd (onderdeel b).
Voor woonwagens geldt dat, anders dan bij andere geurgevoelige gebouwen, de waarden gelden op een begrenzing van de locatie. De woonwagen wordt dus niet zelf beschermd, maar de locatie waarop de woonwagen geplaatst kan worden. Dit heeft te maken met de verplaatsbaarheid van de woonwagen binnen de locatie en de lagere eisen aan de gevels van zulke gebouwen.
Dit artikel sluit aan bij de artikelen 5.93 en 5.94 van het Bkl.
Op advies van de Omgevingsdienst Twente is in sub a 'tot de' in de zinsnede ; op of tot de gevel vervallen.
RRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRR
Sectie ' Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: waarden en afstanden' wordt geplaatst na sectie ' Geur: waar waarden gelden'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
SSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSS
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ' Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: waarden en afstanden'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Toelichting
Deze leden zijn een voorzetting van artikel 3.115, eerste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 3 van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij.In dit artikel worden de standaardwaarden voor geurbelasting in odour units gegeven voor dierenverblijven met dieren waarvoor een emissiefactor is vastgesteld.
De waarden gelden alleen voor beginnen, wijzigen of uitbreiden. Dit staat in het toepassingsbereik van deze paragraaf. Of de situatie overbelast is, maakt niet uit zolang niet wordt uitgebreid of gewijzigd.
Op grond van bijlage I bij dit omgevingsplan wordt onder landbouwhuisdieren met geuremissiefactor verstaan: landbouwhuisdieren waarvoor een emissiefactor voor geur is vastgesteld en die vallen binnen een van de volgende diercategorieën:
a. varkens, kippen, schapen of geiten; of
b. als deze worden gehouden voor de vleesproductie:
1. rundvee tot 24 maanden;
2. kalkoenen;
3. eenden; of
4. parelhoenders.
Er wordt net zoals in de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer onderscheid gemaakt tussen geurgevoelige gebouwen binnen en buiten de bebouwde kom. Het begrip «bebouwde kom» was en is niet gedefinieerd. De grens van de bebouwde kom wordt niet alleen bepaald door de wegenverkeerswetgeving, maar ook door de aard van de omgeving. Binnen een bebouwde kom is de op korte afstand van elkaar gelegen bebouwing geconcentreerd tot een samenhangende structuur. In het Bkl wordt de bebouwde kom vervangen door de bebouwingscontour die in het omgevingsplan moet worden opgenomen, zodat vooraf hierover altijd duidelijkheid is. Gemeenten wijzen dan bebouwingscontouren aan in het omgevingsplan.
Voor dit artikel geldt dat als in een geurverordening op grond van artikel 6 van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij een andere waarde is vastgesteld dan de waarde in dit lid, die andere waarde voorrang heeft op de waarde zoals opgenomen in dit artikel. Deze voorrang werkt ook door in de volgende artikelen van deze paragraaf, bijvoorbeeld voor het berekenen van de geur in het tweede lid of de eerbiedigende werking in artikel 5.195.21, zesde of zevende lid.
TTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTT
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
UUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUU
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
VVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVV
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Toelichting
In dit lid is samen met het zevende lid een regeling opgenomen voor situaties waar op de dag van inwerkingtreding van de Omgevingswet niet voldaan wordt aan de immissiewaarden die gelden op grond van artikel 5.175.19. De standaardwaarden uit het eerste lid gelden niet voor het op een locatie wijzigen of uitbreiden van het aantal of soort landbouwhuisdieren met geuremissiefactor in dierenverblijven, als sprake is van een rechtmatig voor geur overbelaste situatie op het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Er hoeft in dat geval dus niet aan de standaardwaarden te worden voldaan, maar uitbreiden en wijzigen is alleen mogelijk in de volgende gevallen:
1. Zolang de geur op een geurgevoelig gebouw door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op een geurgevoelig gebouw niet toeneemt en het aantal landbouwhuisdieren met geuremissiefactor per diercategorie niet toeneemt. Dit is de voortzetting van de artikelen 3, derde lid, van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en 3.115, tweede lid, onder c, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
2. Als aan de 50%-regeling wordt voldaan.
In rechtmatig toegestane overschrijdingssituaties mag het aantal landbouwhuisdieren met geuremissiefactor per diercategorie niet toenemen, tenzij er een geurbelastingreducerende maatregel getroffen is en de toegestane overschrijding van de geur gehalveerd wordt. Bij het toepassen van de 50%-regeling moet gerekend worden met de waarden zoals opgenomen in het omgevingsplan of in de geurverordening.
Voor wat betreft de geur die rechtmatig veroorzaakt mocht worden, gaat het om de geur die onmiddellijk voorafgaand aan het toepassen van de maatregel rechtmatig mocht worden veroorzaakt.
Daarmee is voorzien in de eerbiedigende regeling voor het houden van landbouwhuisdieren in bestaande dierenverblijven waarbij sprake is van een toegestane overschrijdingssituatie.
Dit lid vormt de voortzetting van artikel 3, vierde lid, van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en artikel 3.115, tweede lid, onder b en c, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Voor de 50%-regeling is aangesloten bij de formulering zoals die in artikel 3.115, tweede lid, onder b, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer is opgenomen in plaats van de formulering in artikel 3, vierde lid, van de voormalige Wet geurhinder veehouderij. Hierdoor hoeft niet berekend te worden wat de reductie als gevolg van de geurbelastingreducerende maatregelen zou zijn, gelet op de bestaande (oude) situatie. Dit is eenvoudiger voor de praktijk.
WWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWW
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Toelichting
In dit lid is samen met het zesde lid een regeling opgenomen voor situaties waar op de dag van inwerkingtreding van de Omgevingswet niet voldaan wordt aan de immissiewaarden die gelden op grond van artikel 5.175.19. De standaardwaarden uit het eerste lid gelden niet voor het op een locatie wijzigen of uitbreiden van het aantal of soort landbouwhuisdieren met geuremissiefactor in dierenverblijven, als sprake is van een rechtmatig voor geur overbelaste situatie op het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Er hoeft in dat geval dus niet aan de standaardwaarden te worden voldaan, maar uitbreiden en wijzigen is alleen mogelijk in de volgende gevallen:
1. Zolang de geur op een geurgevoelig gebouw door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op een geurgevoelig gebouw niet toeneemt en het aantal landbouwhuisdieren met geuremissiefactor per diercategorie niet toeneemt. Dit is de voortzetting van de artikelen 3, derde lid, van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en 3.115, tweede lid, onder c, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
2. Als aan de 50%-regeling wordt voldaan.
In rechtmatig toegestane overschrijdingssituaties mag het aantal landbouwhuisdieren met geuremissiefactor per diercategorie niet toenemen, tenzij er een geurbelastingreducerende maatregel getroffen is en de toegestane overschrijding van de geur gehalveerd wordt. Bij het toepassen van de 50%-regeling moet gerekend worden met de waarden zoals opgenomen in het omgevingsplan of in de geurverordening.
Voor wat betreft de geur die rechtmatig veroorzaakt mocht worden, gaat het om de geur die onmiddellijk voorafgaand aan het toepassen van de maatregel rechtmatig mocht worden veroorzaakt.
Daarmee is voorzien in de eerbiedigende regeling voor het houden van landbouwhuisdieren in bestaande dierenverblijven waarbij sprake is van een toegestane overschrijdingssituatie.
Dit lid vormt de voortzetting van artikel 3, vierde lid, van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en artikel 3.115, tweede lid, onder b en c, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Voor de 50%-regeling is aangesloten bij de formulering zoals die in artikel 3.115, tweede lid, onder b, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer is opgenomen in plaats van de formulering in artikel 3, vierde lid, van de voormalige Wet geurhinder veehouderij. Hierdoor hoeft niet berekend te worden wat de reductie als gevolg van de geurbelastingreducerende maatregelen zou zijn, gelet op de bestaande (oude) situatie. Dit is eenvoudiger voor de praktijk.
XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
YYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYY
Sectie ' Geur landbouwhuisdieren en paarden of pony’s voor het berijden: afstand vanaf de gevel dierenverblijf' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
ZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZ
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ' Geur landbouwhuisdieren en paarden of pony’s voor het berijden: afstand vanaf de gevel dierenverblijf'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Toelichting
Dit lid bevat samen met het derde lid afstanden gemeten vanaf (de buitenzijde van) de gevel van het dierenverblijf tot de gevel van een geurgevoelig gebouw, de zogenaamde gevel tot gevelafstanden.
De afstanden, bedoeld in dit artikel, gelden naast de waarden die op grond van artikel 5.195.21 gelden.
Dit artikel geldt voor het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor en voor landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor en voor het houden van paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden. Door dit artikel wordt geborgd dat er altijd een zekere afstand is tussen een geurgevoelig gebouw en een dierenverblijf. Dit onderdeel is een voortzetting van artikel 5, eerste lid, van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en artikel 3.119, eerste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
AAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAA
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Toelichting
Dit lid bevat samen met het eerste lid afstanden gemeten vanaf (de buitenzijde van) de gevel van het dierenverblijf tot de gevel van een geurgevoelig gebouw, de zogenaamde gevel tot gevelafstanden.
De afstanden, bedoeld in dit artikel, gelden naast de waarden die op grond van artikel 5.195.21 gelden.
Dit artikel geldt voor het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor en voor landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor en voor het houden van paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden. Door dit artikel wordt geborgd dat er altijd een zekere afstand is tussen een geurgevoelig gebouw en een dierenverblijf. Dit onderdeel is een voortzetting van artikel 5, eerste lid, van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en artikel 3.119, eerste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
BBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBB
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Toelichting
Dit lid bevat samen met het eerste lid afstanden gemeten vanaf (de buitenzijde van) de gevel van het dierenverblijf tot de gevel van een geurgevoelig gebouw, de zogenaamde gevel tot gevelafstanden.
De afstanden, bedoeld in dit artikel, gelden naast de waarden die op grond van artikel 5.195.21 gelden.
Dit artikel geldt voor het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor en voor landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor en voor het houden van paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden. Door dit artikel wordt geborgd dat er altijd een zekere afstand is tussen een geurgevoelig gebouw en een dierenverblijf. Dit onderdeel is een voortzetting van artikel 5, eerste lid, van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en artikel 3.119, eerste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
CCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCC
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Toelichting
In dit lid is een regeling opgenomen voor het wijzigen of uitbreiden van het in een dierenverblijf houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor, voor locaties waar de afstand tussen de gevel van een dierenverblijf voor het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor en een geurgevoelig gebouw rechtmatig kleiner is dan de afstand, bedoeld in artikel 5.205.22. Dat houdt in dat bij wijzigen of uitbreiden op die locatie, de gevel tot gevelafstand niet mag afnemen, het aantal landbouwhuisdieren met geuremissiefactor per diercategorie niet mag toenemen én de geur op een geurgevoelig gebouw door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor niet mag toenemen. De eisen zoals gesteld onder a, b en c zijn cumulatief.
Dit artikel is de voortzetting van artikel 5, tweede lid, onder a, van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en artikel 3.119, tweede lid, onder a en b, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
DDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDD
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Toelichting
In dit lid is een regeling opgenomen voor een soortgelijke situatie als in artikel 5.205.22, maar dan voor landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor en paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden. Dat houdt in dat bij wijzigen of uitbreiden op die locatie, de gevel tot gevelafstand niet mag afnemen en het aantal het aantal landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of het aantal paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden niet mag toenemen. De eisen gesteld onder a en b zijn cumulatief.
EEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEE
Sectie ' Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s voor het berijden: afstand' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
FFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFF
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ' Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s voor het berijden: afstand'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
GGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGG
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHH
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
IIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIII
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Toelichting
In dit lid is samen met het derde lid een regeling opgenomen voor situaties waar op de dag van inwerkingtreding van de Omgevingswet niet voldaan wordt aan de vereiste afstanden die gelden op grond van artikel 5.215.23.
In dat geval is uitbreiden toegestaan als het aantal landbouwhuisdieren per diercategorie zonder geuremissiefactor of het aantal paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden, niet toeneemt en de afstand tot een geurgevoelig gebouw niet kleiner wordt.
Dit lid vormt de voortzetting van de artikelen 4, derde lid, van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en 3.117, tweede lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
JJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJ
Sectie ' Toepassingsbereik' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
KKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKK
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ' Toepassingsbereik'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Toelichting
Bij het opslaan van minder dan 3 m3 vaste mest gelden geen eisen, anders dan de specifieke zorgplicht. Een opslag van meer dan 600 m3 valt niet onder het toepassingsbereik van deze paragraaf. In artikel 3.415.13 is een vergunningplicht opgenomen voor de opslag van meer dan 600 m3 vaste mest.
LLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLL
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMM
Sectie ' Informatieplicht voor het opslaan van vaste mest' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
NNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNN
Sectie ' Geur bij opslaan vaste mest' wordt geplaatst na sectie ' Informatieplicht voor het opslaan van vaste mest'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.245.
Toelichting
Dit artikel is niet van toepassing op het opslaan van vaste mest, afkomstig van landbouwhuisdieren of van paarden die gehouden worden in verband met het berijden. Hiervoor geldt artikel 5.145.16 en verder.
OOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOO
Sectie ' Toepassingsbereik' wordt geplaatst na sectie ' Geur bij opslaan vaste mest'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
PPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPP
Sectie ' Geur: waar waarden gelden' wordt geplaatst na sectie ' Toepassingsbereik'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.92. Woonschip is uit het artikel gehaald omdat wij deze niet hebben in de gemeente. Verder is het oorspronkelijke artikel opgeknipt in twee artikelen. Een artikel dat over 'waarden' gaat (zoals artikel 5.185.20 en artikel 5.265.28) en een artikel over afstanden (zoals artikel 5.95.10).
Toelichting
Dit artikel regelt waar de waarden of afstanden gelden die voor geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw gelden. Als het geurgevoelige gebouw al gerealiseerd is, gelden de waarden of afstanden op of tot de gevel van het geurgevoelige gebouw (onderdeel a). Als het geurgevoelige gebouw nog niet gerealiseerd is, gelden de waarden of afstanden op of tot de plaats waar de gevel van het geurgevoelige gebouw mag worden gerealiseerd (onderdeel b).
Voor woonwagens geldt dat, anders dan bij andere geurgevoelige gebouwen, de waarden gelden op een begrenzing van de locatie. De woonwagen wordt dus niet zelf beschermd, maar de locatie waarop de woonwagen geplaatst kan worden. Dit heeft te maken met de verplaatsbaarheid van de woonwagen binnen de locatie en de lagere eisen aan de gevels van zulke gebouwen.
Dit artikel sluit aan bij de artikelen 5.93 en 5.94 van het Bkl.
Op advies van de Omgevingsdienst Twente is in sub a 'tot de' in de zinsnede ; op of tot de gevel vervallen.
QQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQ
Sectie ' Geur zuiveringtechnisch werk: waarde' wordt geplaatst na sectie ' Geur: waar waarden gelden'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
RRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRR
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ' Geur zuiveringtechnisch werk: waarde'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
SSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSS
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
TTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTT
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
UUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUU
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
VVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVV
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
WWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWW
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Toelichting
Bij wijziging van een zuiveringtechnisch werk mag de geur niet toenemen als voor dat zuiveringtechnisch werk rechtmatig een hogere waarde geldt, dan de waarde, bedoeld in artikel artikel 5.275.29, eerste lid. De geur mag wel toenemen als die binnen de waarden bedoeld in artikel 5.275.29, eerste lid blijft.
XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX
Sectie ' Toepassingsbereik' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
YYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYY
Sectie ' Informatieplicht parkeergarage' wordt geplaatst na sectie ' Toepassingsbereik'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
ZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZ
Sectie ' Lucht en geur: afvoeren emissies' wordt geplaatst na sectie ' Informatieplicht parkeergarage'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.226. De oogmerken zijn verplaatst naar artikel 5.45.5.
AAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAA
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ' Lucht en geur: afvoeren emissies'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
BBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBB
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
CCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCC
Sectie ' Toepassingsbereik' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
DDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDD
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ' Toepassingsbereik'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Toelichting
Op het slachten van meer dan 10.000 kilogram levend gewicht aan dieren per week is paragraaf 3.4.8 (Voedingsmiddelenindustrie) van het Bal van toepassing. Bij de andere drie activiteiten genoemd in 3.433.42, eerste lid, onderdelen c tot en met d, staat geen ondergrens. Paragraaf 3.4.8 van het Bal is van toepassing op alle IPPC-installaties in de voedingsmiddelenindustrie. Wanneer dus de andere drie activiteiten onderdeel zijn van een IPPC-installatie, dan is deze paragraaf niet van toepassing.
EEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEE
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Toelichting
Het vierde lid betreft overgangsrecht dat overgenomen is uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Bij het stellen van regels in het nieuwe deel van het omgevingsplan kan worden beoordeeld of dit overgangsrecht voor een specifieke locatie nog noodzakelijk of gewenst is.
[Vervallen]
FFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFF
Sectie ' Informatieplicht bij het slachten van dieren en bewerken van dierlijke bijproducten of uitsnijden van vlees, vis of organen' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
GGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGG
Sectie ' Geur: beperken of voorkomen van geurhinder bij het slachten van dieren en bewerken van dierlijke bijproducten of uitsnijden van vlees, vis of organen' wordt geplaatst na sectie ' Informatieplicht bij het slachten van dieren en bewerken van dierlijke bijproducten of uitsnijden van vlees, vis of organen'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig bruisschat artikel 22.205. Het oorspronkelijke eerste lid is opgeknipt in twee losse leden om de leesbaarheid te vergroten. De oogmerken uit het oorspronkelijke artikel zijn verplaatst naar de generieke oogmerken in artikel 5.45.5.
Toelichting
Een ontgeuringsinstallatie zoals voorgeschreven in het eerste lid, onder b, van dit artikel moet uiteraard doelmatig zijn. Op grond van de specifieke zorgplichten in artikel 17.4317.47 van dit omgevingsplan of artikel 2.11 van het Bal moet bijvoorbeeld de capaciteit van de ontgeuringsinstallatie groot genoeg zijn en moet de ontgeuringsinstallatie voldoende vaak worden gereinigd.
Het tweede lid bevat oud overgangsrecht van het Activiteitenbesluit milieubeheer dat is overgenomen. Bij het stellen van regels in het nieuwe deel van het omgevingsplan kan worden beoordeeld of dit overgangsrecht voor een specifieke locatie nog noodzakelijk of gewenst is.
HHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHH
Sectie ' Toepassingsbereik' wordt geplaatst na sectie ' Geur: beperken of voorkomen van geurhinder bij het slachten van dieren en bewerken van dierlijke bijproducten of uitsnijden van vlees, vis of organen'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
IIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIII
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.273.
[Vervallen]
JJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJ
Sectie ' Gegevens voor de omgevingsvergunning verwerken polysterhars' wordt geplaatst na sectie ' Aandachtsgebied '. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
KKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKK
Sectie ' Omgevingsvergunning verwerken polyesterhars' wordt geplaatst na sectie ' Gegevens voor de omgevingsvergunning verwerken polysterhars'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.259.
Toelichting
Eerste en tweede lid
Deze vergunningplicht betreft de voortzetting van de omgevingsvergunning beperkte milieutoets voor handelingen met polyesterhars en de bijbehorende toetsingsgrond voor geurhinder. Bij het verwerken van polyesterhars worden producten van polyesterhars gemaakt in een mal of op een ondergrond die deel uitmaakt van het product. Een mal wordt elke keer weer opnieuw gebruikt. Voor het «loslaten» uit de mal wordt vaak een was gebruikt. Voor het ontvetten van de mal een organisch oplosmiddel, zoals aceton of dichloormethaan.
Op grond van artikel 5.35.4, tweede lid geldt deze vergunningplicht niet voor milieubelastende activiteiten die in hoofdstuk 3 van het Bal aangewezen zijn als vergunningplichtig. Op grond van artikel 3.135 van het Bal geldt voor deze activiteit een vergunningplicht als de activiteit onderdeel is van een ippc-installatie.
LLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLL
Sectie ' Toepassingsbereik' wordt geplaatst na sectie ' Omgevingsvergunning verwerken polyesterhars'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMM
Sectie ' Informatieplicht lozen bij voedselbereiding, geen voedingsmiddelenindustrie' wordt geplaatst na sectie ' Toepassingsbereik'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.197. Het eerste en tweede lid van het oorspronkelijke artikel zijn samengevoegd. Lid 3 is vervallen omdat dit geregeld wordt via het generieke artikel 18.118.2.
Toelichting
De te verstrekken gegevens en bescheiden dienen om een beeld te verschaffen van:
de activiteit zelf en wat daarbij hoort;
de precieze plek en indeling van de activiteit; en
wanneer deze begint of wordt gewijzigd.
Er hoeft geen inschatting van de door te activiteit veroorzaakte milieubelasting te worden verstrekt. Wel kan het college van B&W op grond van artikel 8.4 verzoeken om gegevens en bescheiden die nodig zijn om te bezien of de algemene regels uit dit omgevingsplan en maatwerkvoorschriften voor de activiteit toereikend zijn gezien ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen van de kwaliteit van het milieu.
Wanneer gegevens en bescheiden moeten worden verstrekt, zijn ook altijd artikel 8.2 (algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden) en artikel 8.3 (gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat) van toepassing.
NNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNN
Sectie ' Geur bij voedselbereiding, geen voedingsmiddelenindustrie' wordt geplaatst na sectie ' Informatieplicht lozen bij voedselbereiding, geen voedingsmiddelenindustrie'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.199. De oogmerken uit het oorspronkelijke eerste lid zijn verplaatst naar de generieke oogmerken in artikel 5.45.5. Uit het oorspronkelijke derde lid is de zinsnede over het industrieterrein met geluidsproductieplafonds geschrapt omdat deze in Rijssen-Holten niet voorkomen.
OOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOO
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ' Geur bij voedselbereiding, geen voedingsmiddelenindustrie'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Toelichting
Een ontgeuringsinstallatie zoals voorgeschreven in dit artikel moet uiteraard doelmatig zijn. Op grond van de specifieke zorgplichten in artikel 5.395.41 van dit omgevingsplan of artikel 2.11 van het Bal moet bijvoorbeeld de capaciteit van de ontgeuringsinstallatie groot genoeg zijn en moet de installatie voldoende vaak worden gereinigd.
PPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPP
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
QQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.69. Dit artikel is op advies van de Omgevingsdienst Twente vervallen. Het is in het kader van het evenwichtig toelaten van functies aan locaties ongewenst generiek hogere geluidsbelasting toe te laten op basis van oude regelgeving. Maatwerk is een passend instrument om in voorkomende gevallen specifieke geluidsruimte te bieden.
Toelichting
Deze bepaling geldt ter vervanging van artikel 2.17a van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. In de meeste algemene maatregelen van bestuur op grond van het vervallen artikel 8.40 Wet milieubeheer, zoals het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer, was een overgangsbepaling opgenomen die teruggreep op zogenaamde «8.40-AMvB’s» die daarvóór in werking waren. Dit lid is van toepassing op activiteiten die worden verricht op de locatie van inrichtingen die onder de werking van die oudere besluiten vielen. Voor deze activiteiten worden de waarden in tabel 5.2.1 (standaard) met 5 dB(A) verhoogd, tenzij voordien volgens een milieuvergunning lagere waarden golden. Overigens wordt in artikel 2.17a, eerste tot en met derde lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer abusievelijk verwezen naar artikel 2.17, in plaats van artikel 2.17a.
[Vervallen]
RRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRR
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ' Geluid: eerbiedigende werking (VERVALT)'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
SSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSS
Sectie ' Toepassingsbereik' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
TTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTT
Sectie ' Geur: beginnen of uitbreiden activiteit' wordt geplaatst na sectie ' Toepassingsbereik'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.201.
Toelichting
Dit artikel is een voortzetting van artikel 3.140, eerste lid van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Het bevoegd gezag kan in afwijking van dit artikel bij maatwerkvoorschrift op grond van artikel 17.4317.47 van dit omgevingsplan een bepaalde mate van nieuwe geurhinder ter plaatse van geurgevoelige gebouwen toestaan.
Ook kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift bepalen dat een bepaalde geurbelasting ter plaatse van geurgevoelige gebouwen niet wordt overschreden, of dat technische voorzieningen worden aangebracht of gedragsregels in acht worden genomen om de geurhinder tot een aanvaardbaar niveau te beperken.
Bij het industrieel vervaardigen of bewerken van levensmiddelen of voeder is de kans op geurhinder reëel. Daarom kan het bevoegd gezag via een maatwerkvoorschrift om een geuronderzoek vragen. In dat geuronderzoek wordt onder meer aangegeven welke maatregelen worden getroffen ter voorkoming of beperking van geurhinder ter plaatse van geurgevoelige gebouwen.
UUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUU
Na sectie ' Geur: beginnen of uitbreiden activiteit' worden vier secties ingevoegd, luidende:
Toelichting
Dit artikel geeft de toekomstige mogelijkheid een beperkingengebied aan te wijzen vanwege een lokale spoorweg (artikel 5.164 Besluit kwaliteit leefomgeving).
Toelichting
Dit artikel geeft de toekomstige mogelijkheid een agrarisch gebied aan te wijzen vanwege het aspect 'geluid' (artikel 5.65 Besluit kwaliteit leefomgeving).
Toelichting
Dit artikel geeft de toekomstige mogelijkheid een bedrijventerrein aan te wijzen vanwege het aspect 'geluid' (artikel 5.65 Besluit kwaliteit leefomgeving).
Toelichting
Dit artikel geeft de mogelijkheid om toekomstige industrieterreinen aan te wijzen waarvoor specifieke omgevingswaarden voor geluid gelden (artikel 5.78e Besluit kwaliteit leefomgeving).
VVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVV
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Toelichting
Tweede, onderdeel a
Het derde lid bevat een voorrangbepaling voor vergunningvoorschriften in een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit, die met toepassing van het recht zoals dat gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, is verleend. Het gaat hierbij om een vergunningplichtige milieubelastende activiteit die in hoofdstuk 3 van het Bal is aangewezen en waarbij deze vergunningvoorschriften bevat voor een onderwerp dat naar het omgevingsplan is verschoven. Op grond van het overgangsrecht van artikel 4.13, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijven deze vergunningvoorschriften gelden. De vergunningvoorschriften gelden naast het omgevingsplan. De strengste regel is dan bepalend. Ten tijde van de vergunningverlening zijn juist bewust strengere of soepeler voorschriften gesteld, afgestemd op de locatie. De regels van de hoofdstukken over milieubelastende activiteiten dit omgevingsplan zijn niet van toepassing, voor zover zo’n vergunningvoorschrift geldt. De uitdrukking «voor zover» betekent «in de mate dat». Dat houdt in dat alleen die voorschriften uit de hoofdstukken over milieubelastende activiteiten van dit omgevingsplan buiten toepassing blijven waarvoor voorschriften in de omgevingsvergunning zijn gesteld. Als bijvoorbeeld de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit voor geluid alleen voorschriften met waarden bevat, dan blijft artikel 6.196.18 van dit omgevingsplan met geluidwaarden voor geluidgevoelige gebouwen buiten toepassing. Maar artikel 6.166.15 van dit omgevingsplan, dat bepaalt wanneer een akoestisch onderzoek gedaan moet worden, is wel van toepassing.
Deze voorrangsbepaling kan relevant zijn voor de volgende onderdelen van de hoofdstukken over milieubelastende activiteiten van dit omgevingsplan:
Hoofdstuk 2 Afval
Hoofdstuk 6 Geluid
Hoofdstuk 16 Trillingen
Paragraaf 18.2.3 Lozen bij maken van betonmortel
Paragraaf 18.2.18 Uitwassen van beton
Paragraaf 18.2.13 Ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal
Paragraaf 3.3.1.1 In werking hebben van een acculader
Dit omgevingsplan voorziet niet in een voorrangsbepaling voor bestaande vergunningvoorschriften of maatwerkvoorschriften op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer die op grond van het algemene overgangsrecht maatwerkvoorschriften zijn geworden en die afwijken van of een nadere invulling geven aan de omgevingsplanregels in dit omgevingsplan. Uit de wetssystematiek volgt al dat een maatwerkvoorschrift voorrang heeft op een algemene bepaling.
Tweede lid, onderdeel b
Een gevel kan bij het toelaten van nieuwe geluidgevoelige gebouwen met toepassing van de artikelen 5.78y of 5.78aa van het Bkl, als niet-geluidgevoelige gevel in het omgevingsplan worden aangemerkt. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting op de artikelen 5.78y en 5.78aa in het (voorgenomen) Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet. Deze niet-geluidgevoelige gevels vervangen in het nieuwe stelsel de gevels die onder de voormalige Wet geluidhinder als «doof» werden aangemerkt of waarvoor met toepassing van de Interimwet stad-en-milieubenadering werd afgeweken van de wettelijke norm.
In het overgangsrecht van het (voorgenomen) Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet is in artikel 12.17 bepaald dat onder «niet-geluidgevoelige gevel» ook wordt verstaan een gevel die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet is aangemerkt als zogenoemde «dove gevel», evenals een gevel waarvoor de Interimwet stad-en-milieubenadering is toegepast. Ook die gevels blijven na inwerkingtreding van de Omgevingswet niet geluidgevoelig.
Tweede lid, onderdeel c
Onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer kregen geprojecteerde en in aanbouw zijnde geluidgevoelige gebouwen geen bescherming tegen geluid van milieubelastende activiteiten. Dit is wel zo bij de instructieregels van het Bkl. De geluidwaarde geldt dan op de locatie waar volgens het omgevingsplan of de omgevingsvergunning de gevel van het gebouw gebouwd mag worden. Omdat de voormalige bestemmingsplannen van rechtswege zijn overgegaan in omgevingsplannen, zou toetsing op een geprojecteerd gebouw ertoe kunnen leiden dat een bestaande activiteit opeens niet meer voldoet aan de geluideisen. In de transitieperiode is dit ongewenst: voor rechtmatige bestaande situaties moeten niet ineens strengere waarden voor geluid gaan gelden. Daarom is in de omgevingsplanregels van rijkswege, voor situaties die al toegestaan zijn voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, de uitzondering opgenomen dat onder een geluidgevoelig gebouw niet wordt verstaan een geprojecteerd gebouw of een geluidgevoelig gebouw in aanbouw.
Het uitgangspunt voor het overgangsrecht is dat de initiatiefnemer onder dezelfde condities zijn activiteit moet kunnen blijven voortzetten. Als na de inwerkingtreding van de Omgevingswet een nieuw geluidgevoelig gebouw wordt toegelaten bij een bestaande activiteit, of een nieuwe activiteit begint bij een bestaand geluidgevoelig gebouw, gelden al wel de nieuwe regels. Dit verschil werkt ook door naar de omgevingsplanregels van rijkswege.
Tweede lid, onderdeel d
Dit onderdeel maakte geen deel uit van de originele bruidsschat, maar is een aanvulling op artikel 22.55 uit de bruidsschat afkomstig uit de Vangnetregeling Omgevingswet, artikel 2.4. Dit onderdeel corrigeert een onvolkomenheid in de bruidsschat. Deze zorgt ervoor dat de geluidsregels niet van toepassing zijn op bovengrondse hoogspanningsverbindingen. In een dergelijke uitzondering was nog niet voorzien, hoewel voor deze activiteit onder oud recht geen geluidsregels golden. Zonder het toevoegen van deze uitzondering zouden deze hoogspanningsverbindingen in een aantal gevallen niet voldoen aan deze geluidsregels. Hoewel er in dergelijke gevallen uitzicht zou zijn op legalisatie door het verlenen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, is dit onredelijk belastend voor de beheerder en de betrokken gemeenten.
Tweede lid, onderdeel f, sub 1 tot en met 7
De onderdelen a tot en met f van het tweede lid sluiten bepaalde milieubelastende activiteiten uit van het algemene toepassingsbereik van deze afdeling.
Op grond van artikel 22.2, eerste lid, van de Omgevingswet mogen de omgevingsplanregels van rijkswege alleen gaan over regels die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet bij of krachtens de wet waren gesteld of daaraan gelijkwaardige regels. Het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de voormalige Wet geurhinder en veehouderij waren alleen van toepassing op inrichtingen als bedoeld in artikel 1, derde lid, van de Wet milieubeheer. Omdat het begrip milieubelastende activiteit in de Omgevingswet breder is dan dat begrip inrichting, is in dit lid een afbakening van het toepassingsbereik opgenomen.
Bij de overgang naar een nieuwe wetsystematiek en begrippenkader is het niet te voorkomen dat er enkele verschuivingen in de uitvoering van de regelgeving optreden. Aanmerkelijke verschuivingen in het toepassingsbereik zijn niet beoogd. Desondanks zullen er op kleine schaal wel enige verschuivingen optreden, omdat de oude criteria van het begrip inrichting niet één op één zijn overgenomen. De omschrijving van het toepassingsbereik in dit artikel vraagt enige mate van interpretatie. Ook de criteria van het begrip inrichting uit de Wet milieubeheer vroegen om interpretatie, en werden door verschillende bevoegde instanties enigszins verschillend geïnterpreteerd.
Bij de interpretatie van het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, is het raadzaam om aan te sluiten bij de praktijk van de voormalige regelgeving. Als een activiteit als Wet milieubeheer-inrichting werd beschouwd, kan deze ook onder de regels voor milieubelastende activiteiten van deze afdeling vallen.
Een beperkte verschuiving is op zich niet bezwaarlijk, als dit er niet toe leidt dat:
a) activiteiten die eerst niet onder rijksregels vielen door de regels van deze afdeling van dit omgevingsplan worden beperkt;
b) activiteiten die wel onder de regels vielen en reële risico’s voor de fysieke leefomgeving inhouden ongeregeld blijven.
Situaties als bedoeld onder a zullen niet snel voorkomen. Juist aan de «onderkant» van het inrichtingenbegrip golden er naast de regels van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer ook andere regels die ervoor zorgen dat ook activiteiten die geen inrichting waren toch aan regels ter bescherming van de leefomgeving waren gebonden. Denk bijvoorbeeld aan de regels van de Algemene Plaatselijke Verordening, maar ook het restrisico-artikel van het Bouwbesluit 2012 (artikel 7.22). Deze regels van de Algemene Plaatselijke Verordening blijven op het moment van de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van het algemeen overgangsrecht (artikel 22.4 van de Omgevingswet bepaalt namelijk dat artikel 122 van de Gemeentewet tijdelijk niet van toepassing is) gelden. Het restrisico-artikel van het Bouwbesluit 2012 is ook opgenomen als regel van rijkswege in het omgevingsplan. Bovendien zijn de regels van deze afdeling voor activiteiten waarop ze van toepassing zouden worden zelden feitelijk beperkend, omdat bij het op gebruikelijke wijze uitvoeren van de activiteit aan de regels wordt voldaan.
Ook voor situaties als bedoeld onder b hoeft in zijn algemeenheid niet te worden gevreesd. Veelal gold voor de activiteiten aan de onderkant van het inrichtingenbegrip naast de zorgplicht van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 2.1) alleen een beperkt aantal regels, zoals de geluidregels. Een eventuele overtreding van de zorgplicht van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer zal in veel gevallen ook als overtreding van de algemene zorgplicht van de Omgevingswet kunnen worden aangemerkt. En omdat de rijksregels niet gelden, zal ook de Algemene Plaatselijke Verordening veelal een deel van de bescherming overnemen.
Het algemene overgangsrecht in artikel 22.4 van de Omgevingswet en de mogelijkheden voor maatwerk op grond van deze afdeling zullen eventuele nadelige gevolgen van de beperkte verschuivingen voldoende ondervangen.
Bij het voorbereiden van deze afdeling zijn al verschillende mogelijke verschuivingen in het toepassingsbereik geïdentificeerd. Belangrijke aandachtspunten worden hieronder benoemd.
De onderdelen in dit tweede lid beogen de criteria «een omvang alsof zij bedrijfsmatig is», «binnen een zekere begrenzing» en «pleegt te worden verricht» binnen de omschrijving van het begrip inrichting in de Wet milieubeheer te vervangen. De categorieën uit bijlage I bij het Besluit omgevingsrecht zijn niet overgenomen. Sommige ondergrenzen in die categorieën kunnen eventueel terugkomen in het toepassingsbereik van de paragrafen in deze afdeling.
Kleine winkels waar geen installaties met meer dan 1,5 kW elektromotorisch vermogen aanwezig zijn, waren bijvoorbeeld meestal geen Wet milieubeheer-inrichting, maar vallen nu wel onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling in het omgevingsplan. Alhoewel er geen specifieke voorschriften voor gelden, moeten deze activiteiten wel voldoen aan de specifieke zorgplicht.
Tweede lid, onderdeel f, sub 1
De omgevingsplanregels van rijkswege voor de milieubelastende activiteit zijn alleen van toepassing op milieubelastende activiteiten, anders dan wonen. Hiermee wordt aangesloten op het toepassingsbereik voor de instructieregels voor geluid, trillingen en geur in het Bkl.
Als een hobby een bepaalde omvang overstijgt kan dit ertoe leiden dat het verrichten van een activiteit niet meer onder wonen valt. Denk hierbij aan het in een bepaalde omvang houden van dieren, sleutelen aan auto’s, meubels maken of bereiden van voedingsmiddelen. Waar de grens ligt, is een grijs gebied. Hetzelfde geldt voor bedrijven aan huis. De gemeente mag hier ook zelf invulling aan geven in het omgevingsplan. Overigens was bij de toetsing of er sprake was van een Wet milieubeheer-inrichting het criterium «een omvang alsof zij bedrijfsmatig is» ook altijd een grijs gebied.
Een ander bekend voorbeeld van onduidelijkheid over de vraag of een activiteit een Wet milieubeheer-inrichting was, is het opslaan van huisbrandolie of propaan in tanks bij particulieren. Onder het regime van de Omgevingswet wordt dit afgedekt door het Bal.
Tweede lid, onderdeel f, sub 2
Het feitelijk verrichten van bouw- en sloopactiviteiten of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein, vallen niet onder deze afdeling. Ook in het Bbl zijn eisen opgenomen voor zowel geluid als trillingen bij bouw- en sloopactiviteiten. Het Bbl bevat voor het verrichten van die activiteiten ook een specifieke zorgplicht. Verder bevat de Algemene Plaatselijke Verordening vaak regels ter voorkoming van hinder door bouw- en sloopgerelateerde activiteiten. Het algemene overgangsrecht van de Omgevingswet in artikel 22.4 van de Omgevingswet zorgt ervoor dat deze regels van de Algemene Plaatselijke Verordening bij de inwerkingtreding van de wet blijven gelden. Naast deze regels bevat afdeling 17.2 van dit omgevingsplan een specifieke zorgplicht voor het gebruik van een bouwwerk (artikel 17.2717.29). Het is dus niet zo dat er, door de uitzondering in dit onderdeel, voor deze activiteiten geen regels gelden.
Onder het regime van de Wet milieubeheer gebeurde het in bijzondere gevallen wel dat bouwwerkzaamheden die langer duurden dan zes maanden, als een Wet milieubeheer-inrichting werden gezien. Deze activiteiten vallen buiten het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, maar ook daarvoor geldt dat de hiervoor genoemde regels van toepassing zijn.
Tweede lid, onderdeel f, sub 3
Deze uitzondering beoogt de activiteiten die in de openbare buitenruimte plaatsvinden uit te sluiten. Voorbeelden zijn kermissen en andere evenementen, weekmarkten, mobiele installaties/activiteiten zoals draaiorgels, ophalen van vuilnis en gevelreiniging (met uitzondering van lozen). Het voor korte periode bezetten van een stukje openbaar toegankelijk terrein, maakt het daarmee niet ontoegankelijk. Activiteiten in een openbaar toegankelijk gebouw, zoals een publieke parkeergarage of het stadhuis, vallen wel onder het toepassingsbereik. Ook het laden en lossen op de openbare weg in de onmiddellijke nabijheid van een winkel, of het verkeer van en naar het bedrijf valt wel onder het toepassingsbereik van deze afdeling.
Voor enkele activiteiten zoals het exploiteren van een mobiele vis-, friet-, oliebollen- of marktkraam of het exploiteren van een terras, was het afhankelijk van de situatie en de interpretatie van het bevoegd gezag of ze gezien werden als een Wet milieubeheer-inrichting. Deze interpretatieverschillen kunnen zich ook nu weer voordoen. Zoals al aangegeven in de inleiding van de toelichting op dit artikel is er in principe geen verschuiving in het toepassingsbereik van deze afdeling in het omgevingsplan ten opzichte van het oude begrip Wet milieubeheer-inrichting beoogd.
Tweede lid, onderdeel f, sub 4
Doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen valt niet onder deze afdeling van dit omgevingsplan.
Tweede lid, onderdeel f, sub 5
Dit onderdeel sluit evenementen, waarover geluidregels zijn gesteld in bijvoorbeeld de Algemene Plaatselijke Verordening of een evenementenverordening uit van het toepassingsbereik van deze afdeling over milieubelastende activiteiten. Deels gebeurt dit al met onderdeel c, omdat evenementen vaak plaatsvinden in de openbare buitenruimte. Maar regelmatig zijn evenementen ook besloten of vinden ze plaats in een tijdelijk leegstaand gebouw. Deze uitzondering geldt niet voor activiteiten waarvoor geen geluidregels gelden bij of krachtens een gemeentelijke verordening, maar waarvoor geluidregels waren opgenomen in een omgevingsvergunning voor een inrichting op grond van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Voorbeelden hiervan kunnen zijn permanente evenemententerreinen of evenementenhallen.
In aanvulling op de uitsluitingen uit de voormalige bruidsschat worden ook evenementen op locaties die zijn aangewezen op basis van artikel 14.4 uitgesloten. Voor deze locaties gelden eigen regels die gebaseerd zijn op de voormalige Parapluregeling evenemententerreinen. Voor dat plan is akoestisch onderzoek gedaan, wat input is geweest voor de opgenomen normen.
Tweede lid, onderdeel f, sub 6
Deze uitzondering beoogt vooral het gebruik van landbouwvoertuigen op weilanden en akkers uit te sluiten van het algemene toepassingsbereik voor deze afdeling. De opslag van vaste mest op een weiland of akker valt wel onder dit algemene toepassingsbereik. Een installatie die verplaatsbaar is maar gedurende een langere periode achtereen op een weiland of akkers wordt gebruikt, wordt niet gezien als mobiele installatie en valt ook onder de regels voor de milieubelastende activiteiten in dit omgevingsplan. Bijvoorbeeld een antihagelkanon. Ook verplaatsbare mijnbouwwerken vallen onder het toepassingsbereik van deze afdeling.
Tweede lid, onderdeel f, sub 7
Vaste objecten zoals bruggen, sluizen en tunnels kunnen door de aanwezigheid van elektromotorisch vermogen gezien worden als milieubelastende activiteiten. Bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen vallen niet onder het toepassingsbereik van dit omgevingsplan.
Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet bleven elektromotoren van bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen buiten beschouwing bij het bepalen of sprake was van een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Dit was bepaald in categorie 1, 1.2, onder c, van bijlage I, onderdeel C, bij het Besluit omgevingsrecht, zoals dat gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Tweede lid, onderdeel f, sub 8
Geluid door spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen valt niet onder de regels van deze paragraaf. Andere geluiden door een spoorwegemplacement, zoals geluid door het wassen van de treinwagons, vallen wel onder deze paragraaf.
Voor het geluid door wegverkeersbewegingen van en naar een spoorwegemplacement geldt de specifieke zorgplicht uit artikel 17.4317.47, derde lid, onder a, van dit omgevingsplan.
Tweede lid, onderdeel f, sub 9
Een winkel was onder het oude recht vaak geen Wet milieubeheer-inrichting. De regels van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer golden daarom niet voor activiteiten bij detailhandel. Winkels vielen wel onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer als de volgende installaties aanwezig waren:
elektromotoren met een opgeteld vermogen groter dan 1,5 kW (bijvoorbeeld in automatische rolluiken of airco’s); of
stookinstallaties met een opgeteld thermisch vermogen van meer dan 130 kW.
Met dit artikel wordt voorkomen dat de geluidwaarden uit deze paragraaf gaan gelden voor die winkels waarvoor de geluidnormen uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer niet golden.
Wel geldt voor deze winkels de specifieke zorgplicht in artikel 17.4317.47 van dit omgevingsplan.
WWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWW
Sectie ' Geluid: functionele binding' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX
Sectie ' Geluid: meerdere activiteiten beschouwen als één activiteit' wordt geplaatst na sectie ' Geluid: functionele binding'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.56. Vanwege het vervallen van bruidsschat artikel 22.41 is de verwijzing uit de oorspronkelijke tekst niet meer opgenomen.
Toelichting
Onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer golden de geluidnormen voor de gehele inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Dus voor het samenstel van activiteiten die binnen de inrichting plaatsvinden. Deze bepaling beoogt hetzelfde. Wanneer op een locatie meerdere, onderling samenhangende activiteiten worden verricht, gelden de geluidregels voor dit samenstel van activiteiten. Dit is bijvoorbeeld aan de orde als de activiteiten behoren tot een bedrijf. Dit artikel geeft aan welke clustering van activiteiten als één activiteit beschouwd moet worden. Dit kunnen twee milieubelastende activiteiten zijn die elkaar functioneel ondersteunen. Uit de systematiek van het Bal volgt al dat een milieubelastende activiteit die is aangewezen in de paragrafen 3.3 tot en met 3.11, bestaat uit de kernactiviteit, inclusief functioneel ondersteunende activiteiten. Dit is ook zo als die functioneel ondersteunende activiteiten zelf ook als milieubelastende activiteit in hoofdstuk 3 aangewezen zijn. Ook twee of meer milieubelastende activiteiten op één locatie die rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan worden op grond van dit artikel beschouwd als één activiteit.
De inhoud van dit artikel wijkt af van artikel 5.58 in het Bkl. Dit is gedaan om de omgevingsplanregels van rijkswege beter aan te laten sluiten bij de situatie zoals die was onder het oude recht.
Deze bepaling beoogt niet het algemene toepassingsbereik van deze afdeling over de milieubelastende activiteit uit te breiden. Bijvoorbeeld met het geluid van een landbouwvoertuig op een akker. Deze bepaling trekt die activiteit niet alsnog «binnen» de activiteit.
Directe hinder, laden en lossen versus indirecte hinder
Ook activiteiten die niet hoofzakelijk op de locatie van het terrein van een bedrijf plaatsvinden, maar in de onmiddellijke nabijheid daarvan, kunnen onderdeel zijn van een activiteit in de zin van dit artikel. Dit wordt beschouwd als «directe hinder». Een voorbeeld hiervan zijn laad- en losactiviteiten die op de openbare weg worden uitgevoerd. Het geluid van dit laden en lossen moet dus ook voldoen aan de waarde voor geluid van een activiteit, zoals opgenomen in deze paragraaf. In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer golden de geluidnormen ook voor deze activiteiten in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting.
De geluidvoorschriften in deze paragraaf gelden dus voor het geluid dat beschouwd wordt als «directe hinder». Geluid, veroorzaakt door het verkeer van personen en goederen van en naar de activiteit (totdat het is opgenomen in het heersende verkeersbeeld) wordt beschouwd als «indirecte hinder». Voor indirecte hinder geldt alleen de specifieke zorgplicht in artikel 17.4317.47 van dit omgevingsplan. Zie ook de de toelichting bij artikel 17.4317.47.
Overigens was het onder het oude recht ook afhankelijk van de omstandigheden van het geval wanneer laden en lossen overgaat in het verkeer van personen en goederen van en naar de activiteit. Deze omgevingsplanregels van rijkswege brengen hier geen verandering in.
YYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYY
Sectie ' Geluid: voormalige functionele binding' wordt geplaatst na sectie ' Geluid: meerdere activiteiten beschouwen als één activiteit'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
ZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZ
Sectie ' Geluid: waar waarden gelden' wordt geplaatst na sectie ' Geluid: voormalige functionele binding'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAA
Sectie ' Uitzondering generieke geluidsvoorschriften' wordt geplaatst na sectie ' Geluid: waar waarden gelden'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
BBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBB
Sectie ' Gebruik als crossterrein, beoefenen modelvliegsport of andere geluidsoverlast veroorzakende activiteiten' wordt geplaatst na sectie ' Uitzondering generieke geluidsvoorschriften'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
CCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCC
Sectie ' Gegevens onderzoek binnen een industrieterrein of een locatie waarvoor een geluidproductieplafond is vastgesteld' wordt geplaatst na sectie ' Gebruik als crossterrein, beoefenen modelvliegsport of andere geluidsoverlast veroorzakende activiteiten'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.61a.
Toelichting
Dit artikel heeft als doel om gemeenten op de hoogte te stellen van nieuwe of gewijzigde activiteiten op een industrieterrein of locatie met een geluidproductieplafond.
Deze informatieplicht geldt niet als de gemeente al via een aanvraag om een omgevingsvergunning, via het overleggen van een geluidonderzoek op grond van artikel 6.166.15 en 6.176.16 of via een informatieplicht ergens anders in deze afdeling van dit omgevingsplan of in het Besluit activiteiten leefomgeving, op de hoogte wordt gesteld van het begin of de wijziging van de activiteit. In artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet is daarnaast nog bepaald dat gegevens en bescheiden niet behoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.
Naar aanleiding van de ontvangen gegevens en bescheiden kan de gemeente vervolgens beoordelen of het noodzakelijk is om een geluidonderzoek te laten verrichten voor het zonebeheer. Op grond van artikel 6.166.15 van dit omgevingsplan kan dan een rapport van een geluidonderzoek verlangd worden van de initiatiefnemer.
Deze verplichting geldt niet voor activiteiten op een industrieterrein of locatie met een geluidproductieplafond waar geen activiteiten verricht worden of installaties gebruikt worden zoals bedoeld in het tweede lid. Deze activiteiten en grenzen zijn overgenomen uit de begripsbepaling inrichting Type A in artikel 1.2 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Onder het oude recht hoefde voor een inrichting Type A geen melding te worden gedaan. Voor de informatieplicht in artikel 6.176.16 van het omgevingsplan is alleen gekeken naar die grenzen uit het oude begrip inrichting Type A die mede gesteld waren met het oogmerk om geluidhinder te voorkomen of beperken.
DDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDD
Sectie ' Geluid: onderzoek' wordt geplaatst na sectie ' Gegevens onderzoek binnen een industrieterrein of een locatie waarvoor een geluidproductieplafond is vastgesteld'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
EEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEE
Sectie ' Gegevens rapport geluidonderzoek' wordt geplaatst na sectie ' Geluid: onderzoek'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
FFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFF
Sectie ' Geluid: meet- en rekenbepalingen' wordt geplaatst na sectie ' Gegevens rapport geluidonderzoek'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
GGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGG
Sectie ' Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen' wordt geplaatst na sectie ' Geluid: meet- en rekenbepalingen'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHH
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ' Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
IIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIII
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
JJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJ
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
KKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKK
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Toelichting
Het vierde lid gaat in op de piekgeluiden die veroorzaakt worden door het laden en lossen in de dagperiode. Laden en lossen valt via artikel 6.5 (algemeen toepassingsbereik) en artikel 6.106.9 (meerdere activiteiten beschouwen als één activiteit) onder de activiteit, en daarmee onder de geluidwaarden die in de tabellen zijn gesteld. Dat geldt dus ook voor laden en lossen dat op de openbare weg («in de onmiddellijke nabijheid van») plaatsvindt. Om te voorkomen dat in de periode waarin de gemeenten hun omgevingsplannen nog niet hebben aangepast aan de Omgevingswet, het overdag laden en lossen onder de norm voor het piekgeluid gaat vallen, is het vierde lid toegevoegd. Dit lid bepaalt uitdrukkelijk dat – net als onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer- voor het laden en lossen in de dagperiode geen geluidwaarden voor het piekgeluidniveau gelden. Ook het Bkl geeft geen afzonderlijke waarden voor de piekniveaus in de dagperiode, en dus ook niet voor de piekniveaus van het laden en lossen.
LLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLL
Sectie ' Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen: agrarische activiteit' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMM
Sectie ' Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen: tankstation' wordt geplaatst na sectie ' Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen: agrarische activiteit'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
NNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNN
Sectie ' Geluid: waar waarden gelden voor een activiteit op een industrieterrein of locatie met een geluidproductieplafond' wordt geplaatst na sectie ' Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen: tankstation'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOO
Sectie ' Antihagelkanon in werking hebben' wordt geplaatst na sectie ' Geluid: waar waarden gelden voor een activiteit op een industrieterrein of locatie met een geluidproductieplafond'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
PPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPP
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ' Antihagelkanon in werking hebben'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
QQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQ
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
RRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRR
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
SSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSS
Sectie ' Geluid bij windturbines ' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
TTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTT
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ' Geluid bij windturbines '. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
UUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUU
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
VVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVV
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
WWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWW
Sectie ' Gegevens registratie gegevens civiele schietbanen' wordt geplaatst na sectie ''. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.81.
Toelichting
Dit artikel is een voortzetting van artikel 3.118a van de voormalige Activiteitenregeling milieubeheer.
Die ministeriële regeling bevatte in artikel 3.118 ook gedetailleerde regels over de wijze van meten en rekenen van het geluid bij buitenschietbanen. Deze regels staan niet in dit omgevingsplan maar zijn opgenomen in de Omgevingsregeling.
In dit artikel is een registratieverplichting opgenomen. Aangezien het door de vele overdrachtsgegevens die deel uitmaken van de rekenmethodiek nauwelijks mogelijk is controlemetingen uit te voeren, wordt door de handhavende instanties gebruik gemaakt van het geregistreerde aantal schoten, het kaliber van de verschoten munitie en de dagdelen waarin deze verschoten is. Deze parameters komen overeen met die van het geluidonderzoek dat is voorgeschreven op grond van 6.166.15 van dit omgevingsplan. Op deze wijze is bestuursrechtelijk toezicht mogelijk van de akoestische belasting op de omgeving.
In de Omgevingsregeling zijn deze meet- en rekenbepalingen voor geluid voor buitenschietbanen opgenomen in artikel 6.9.
XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX
Sectie ' Gegevens registratie gegevens windturbines' wordt geplaatst na sectie ' Gegevens registratie gegevens civiele schietbanen'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
YYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYY
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ' Gegevens registratie gegevens windturbines'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Toelichting
Dit lid is een voortzetting van artikel 3.14e van de voormalige Activiteitenregeling milieubeheer.
Die ministeriële regeling bevatte in de artikelen 3.14a tot en met 3.14d ook veel gedetailleerde regels over de wijze van meten en rekenen van het geluid door windturbines. Deze regels staan niet in dit omgevingsplan maar zijn opgenomen in de Omgevingsregeling. Een geluidonderzoek voor windturbines wordt wel in dit omgevingsplan voorgeschreven in 6.166.15.
ZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZ
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Toelichting
Dit lid is een voortzetting van artikel 3.14e van de voormalige Activiteitenregeling milieubeheer.
Die ministeriële regeling bevatte in de artikelen 3.14a tot en met 3.14d ook veel gedetailleerde regels over de wijze van meten en rekenen van het geluid door windturbines. Deze regels staan niet in dit omgevingsplan maar zijn opgenomen in de Omgevingsregeling. Een geluidonderzoek voor windturbines wordt wel in dit omgevingsplan voorgeschreven in 6.166.15.
AAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAA
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
BBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBB
Sectie ' Geluid bij civiele buitenschietbanen' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
CCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCC
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ' Geluid bij civiele buitenschietbanen'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
DDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDD
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
EEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEE
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
FFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFF
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
GGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGG
Sectie ' Geluid: festiviteiten' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHH
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ' Geluid: festiviteiten'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
IIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIII
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
JJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJ
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
KKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKK
Sectie ' Geluid: maatregelen of voorzieningen bij stomen van grond' wordt geplaatst na sectie ''. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.72.
Toelichting
Dit artikel is een voortzetting van artikel 2.18, zesde tot en met achtste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
Het geluid dat wordt veroorzaakt door het stomen van grond met een installatie van derden wordt buiten beschouwing gelaten bij het bepalen van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau. In bedrijven waar het systeem van substraatteelt niet wordt toegepast, maar waar in de grond wordt geteeld, moet op gezette tijden ontsmetting van de grond plaatsvinden. Dit geschiedt door de grond te stomen. Grondstomen vindt niet vaker dan enkele keren per jaar plaats. De frequentie hangt af van het te telen gewas. Gelet op de frequentie van het grondstomen en het feit dat het een activiteit is die door derden wordt uitgevoerd, kan deze activiteit niet worden beschouwd als een representatieve bedrijfssituatie zoals bedoeld in de «Handleiding meten en rekenen industrielawaai». Daarom blijft bij het bepalen van de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus, bedoeld in artikel 6.196.18, het door deze activiteit veroorzaakte geluid buiten beschouwing. Het grondstomen wordt in de regel uitgevoerd door gespecialiseerde bedrijven. Deze bedrijven plaatsen tijdelijk een mobiele installatie bij het tuinbouwbedrijf. Als het grondstomen met een eigen ketelinstallatie plaatsvindt, wordt het wel meegeteld bij het bepalen van de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus omdat die installatie een vast onderdeel is van de activiteit, vaker kan worden gebruikt en door degene die de activiteit verricht zodanig kan worden aangepast dat het geluid gereduceerd wordt.
Omdat het grondstomen dat plaatsvindt met een installatie van derden buiten beschouwing blijft bij het bepalen van de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus, moeten maatregelen of voorzieningen getroffen worden om de geluidhinder zo veel mogelijk te reduceren. De maatregelen of voorzieningen zijn in het tweede lid omschreven. Op grond van 11.3 kan het bevoegd gezag maatwerkvoorschriften stellen, waarmee de maatregelen of voorzieningen meer specifiek kunnen worden ingevuld.
LLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLL
Sectie ' Toepassingsbereik' wordt geplaatst na sectie ' Geluid: maatregelen of voorzieningen bij stomen van grond'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMM
Sectie ' Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit geluid weg of spoorweg' wordt geplaatst na sectie ' Toepassingsbereik'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
NNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNN
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ' Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit geluid weg of spoorweg'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOO
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
PPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPP
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
QQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQ
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
RRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRR
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
SSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSS
Sectie ' Toepassingsbereik' wordt geplaatst na sectie ''. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Lid 2 en 3 zijn voormalig artikel 6 Verordening doelgroepen woningbouw gemeente Rijssen-Holten 2024.
Toelichting
De Omgevingswet biedt gemeenten de mogelijkheid om in een omgevingsplan, een tijdelijke alternatieve maatregel of een omgevingsvergunning te eisen dat een bepaald percentage sociale huur en/of sociale koopwoningen gerealiseerd moet worden. Sinds 1 juli 2017 is het ook mogelijk om dit voor middenhuur woningen te regelen. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) heeft de rijksoverheid gedefinieerd wat wordt begrepen onder sociale huur- en koopwoningen en geliberaliseerde woning voor middenhuur. De definiëring van de doelgroep voor deze woningen wordt vastgelegd in een Omgevingsplan. Gemeenten hebben tot
1 januari 2032 tijd om de bestaande verordeningen en tijdelijke omgevingsplannen om te zetten naar een omgevingsplan. Tot het moment dat De regels in hoofdstuk 7 van het omgevingsplan van kracht is, is het verstandig om een verordening doelgroep woningbouw te hebben. Dit biedt bieden aan derden duidelijkheid over de voorwaarden waaronder de sociale woningbouw gerealiseerd en in stand gehouden moet worden. In de voorliggende verordening definieert de gemeente Rijssen-Holten de doelgroepen voor sociale huur- en koopwoningen en geliberaliseerde woning voor middenhuur door inkomensgrenzen. Het Bkl gaat bij de bepaling van de hoogte van de maximale VON-prijs uit van de kostengrens, bedoeld in de Voorwaarden en Normen Nationale Hypotheekgarantie. Voor 20242026 is deze bepaald op maximaal € 435.000470.000,=-. In afwijking hiervan is in het Rijksprogramma “Een thuis voor iedereen” en de daarop gebaseerde Woondeal Twente de maximum prijs voor sociale (betaalbare) koop echter bepaald op € 390.000420.000,=- . Gemeenten mogen op basis van hun eigen woningmarkt lagere VON-prijzen hanteren. Voor het prijspeil van de verschillende categorieën is rekening gehouden met de uitkomsten van het kwalitatief woningonderzoek zoals opgenomen in de Woonvisie 2021 t/m 2023 en de monitor Woonvisie 2024 . Met de vaststelling van deze doelgroepenverordening regels ontstaat een wettelijke basis om te borgen dat sociale huurwoningen, sociale koopwoningen en geliberaliseerde woningen voor middenhuur worden gebouwd en blijven behouden voor de doelgroepen en doorstroming op de woningmarkt van Rijssen-Holten op gang komt. De doelgroepenverordening is regels zijn van toepassing op alle nieuwbouwplannen in de gemeente Rijssen-Holten waarvoor het bestemmingplan omgevingsplan wordt herzien, een omgevingsplan of tijdelijke alternatieve maatregel voor wordt gemaakt of een omgevingsvergunning voor wordt afgegeven. Een uitzondering hierop zijn die plannen waarvoor op het moment van inwerkingtreding van deze regeling al afspraken zijn gemaakt over de in deze doelgroepenverordening opgenomen onderwerpen in: - Afgesloten (exploitatie)overeenkomsten óf - (Exploitatie)overeenkomsten waarvoor de onderhandelingen over de totstandkoming van deze overeenkomsten al in een zodanig vergevorderd stadium zijn, dat het in strijd is met de goede trouw van de precontractuele fase om de doelgroepenverordening nog van toepassing te laten zijn. De doelgroepenverordening zal daar waar nodig planologisch-juridisch geborgd worden in het betreffende omgevingsplan, tijdelijke alternatieve maatregel of omgevingsvergunning.
TTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTT
Sectie ' Doelgroep' wordt geplaatst na sectie ' Toepassingsbereik'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit
Toelichting
is voormalig artikel 2 Verordening doelgroepen woningbouw gemeente Rijssen-Holten 2024.
Toelichting
Dit artikel omschrijft de doelgroepen voor nieuw te bouwen sociale huurwoningen en voor middenhuur woningen. De afbakening van de doelgroepen vindt plaats door middel van maximale inkomensgrenzen. Gedurende een vastgelegde termijn (zie artikel 4) moet de woning voor deze doelgroepen in stand gehouden worden. • De inkomensgrens voor de doelgroep voor sociale huur bedraagt voor een eenpersoonshuishouden €
47.699 49.669,- en voor een meerpersoonshuishouden € 52.67154.847,- (prijspeil 20242025 ). • De inkomensgrens voor de doelgroep voor geliberaliseerde woningen voor middenhuur ligt op maximaal 1,5 keer de DAEB-normen zoals hierboven benoemd. • De inkomensgrenzen voor sociale koopwoningen zijn afgeleid van informatie die een landelijk werkende bank recent heeft verstrekt. Bij het bepalen van de sociale koopgrenzen zijn we uitgegaan van de prijsklassen behorend bij deze inkomensgrenzen en actuele landelijke normbedragen voor nieuwbouw. Verder beschrijft dit artikel de maximale VON-prijzen van de woningen. Ontwikkelaars c.q. bouwers moeten de aangewezen categorieën woningen voor deze prijzen aanbieden. Het is voor de kopers van belang dat zij de aan te kopen woning zo veel mogelijk in basale toestand kopen en zo weinig mogelijk meerwerk en opties toepassen. Eigenaren kunnen in het kader van woongenot in de woning investeren, maar zij moeten zich er van bewust zijn dat dit geen waardevermeerdering tot effect kan hebben. De woning blijft immers voor de doelgroep beschikbaar waarvoor deze is aangewezen. Bij de doorverkoop binnen de termijn, zoals genoemd in artikel 4, geldt de vastgestelde geïndexeerde prijs die van toepassing is in de dan geldende verordeninghet jaar van verkoop.. Meerwerk en opties worden dus bij een doorverkoop binnen de instandhoudingstermijn in principe niet vergoed. De toewijzing van sociale koopwoningen (met uitzondering van de categorie sociale koop hoog) verloopt via het lotingssysteem van de gemeente Rijssen-Holten.
Het artikel beoogt een jaarlijkse stijging van de VON-prijzen en de inkomensgrenzen te bewerkstelligen. Als toelichting op de gehanteerde CBS reeks een rekenvoorbeeld hoe de stijging tot stand komt. In de regels van 2025 stond een VON-prijs voor sociale koop laag van € 240.000,- De CBS-index CAO lonen voor het eerste kwartaal 2025 is 123,3. Ten opzichte van de index van een jaar eerder (116,7) is dit een stijging van 1,0565 ((123,3 – 116,7)/116,7+1). De VON-prijs voor sociale koop laag voor 2026 wordt dan € 240.000 * 1,05,65 = € 253.560,-. Afgerond op duizendtallen naar beneden leidt dit tot een VON-prijs van € 253.000,-
Op basis van de voormalige doelgroepenverordening was het college bevoegd de genoemde prijzen en inkomens te indexeren. Het college is daar nog steeds toe bevoegd, maar op basis van delegatie (artikel 2.7 Omgevingswet). De gemeente Rijssen-Holten kent daarvoor een apart document dat door de raad wordt vastgesteld. De meest actuele versie is raadpleegbaar via de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving.
UUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUU
Na sectie '' wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Toelichting
Dit artikel beoogt een stijging van de VON-prijzen en de inkomensgrenzen te bewerkstelligen. Als toelichting op de gehanteerde CBS reeks een rekenvoorbeeld hoe de stijging tot stand komt. In de regels van 2025 stond een VON-prijs voor sociale koop laag van € 240.000,- De CBS-index CAO lonen voor het eerste kwartaal 2025 is 123,3. Ten opzichte van de index van een jaar eerder (116,7) is dit een stijging van 1,0565 ((123,3 – 116,7)/116,7+1). De VON-prijs voor sociale koop laag voor 2026 wordt dan € 240.000 * 1,05,65 = € 253.560,-. Afgerond op duizendtallen naar beneden leidt dit tot een VON-prijs van € 253.000,-.
VVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVV
Sectie ' Instandhouding' wordt geplaatst na sectie ' Toetsing inkomenscriterium doelgroep'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig artikel 4 Verordening doelgroepen woningbouw gemeente Rijssen-Holten 2024. Reeds gebouwde sociale huur- of koopwoningen zijn specifiek zichtbaar als locatie. Voor nog in aanbouw zijnde woningen die nog niet specifiek zijn aangewezen geldt dit artikel inhoudelijk onverkort.
Toelichting
Reeds gebouwde sociale huur- of koopwoningen zijn specifiek zichtbaar als locatie in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (hierna: DSO). Voor nog in aanbouw zijnde woningen die nog niet specifiek zijn aangewezen geldt dit artikel inhoudelijk onverkort.
De verhuurder of verkoper moet de woning gedurende een minimale instandhoudingstermijn beschikbaar houden voor de doelgroep. De minimale instandhoudingstermijn voor sociale huurwoningen is bepaald op 30 jaar na de eerste ingebruikname. De minimale instandhoudingstermijn voor sociale koop en geliberaliseerde woningen voor middenhuur is bepaald op 10 jaar. Deze liggen in lijn met de wettelijke bepalingen hierover. Sociale koopwoningen die na de instandhoudingstermijn worden verkocht, moeten door de eigenaar onbelemmerd kunnen worden verkocht. Behoudens de verplichtingen uit deze verordeningregels kunnen sociale koopwoningen daarom niet met aanvullende privaatrechtelijke belemmeringen worden belast. Indien woningen binnen de termijn van 10 dan wel 30 jaar worden onttrokken aan de opgelegde categorie, wordt in strijd gehandeld met de doelgroepenverordeningregels voor doelgroepen . Als bijvoorbeeld een woning wordt verkocht voor een hogere prijs dan in deze verordening regels is opgenomen dan wel voor een te hoge huur wordt verhuurd gedurende die instandhoudingsperiode, kan de gemeente handhavend optreden, bijvoorbeeld door het opleggen van een last onder dwangsom, bestuurlijke boete of bestuursdwang (niet limitatief).
WWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWW
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ' Instandhouding'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Toelichting
Reeds gebouwde sociale huurwoningen zijn specifiek zichtbaar als locatie in het DSO. Voor nog in aanbouw zijnde woningen die nog niet specifiek zijn aangewezen geldt dit artikel onverkort.
XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Toelichting
Reeds gebouwde sociale koopwoningen zijn specifiek zichtbaar als locatie in het DSO. Voor nog in aanbouw zijnde woningen die nog niet specifiek zijn aangewezen geldt dit artikel onverkort.
YYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYY
Sectie ' Meldingsplicht' wordt geplaatst na sectie ''. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig artikel 5 Verordening doelgroepen woningbouw gemeente Rijssen-Holten 2024.
Toelichting
Dit artikel is bedoeld om artikel 47.5 te ondersteunen. Het isDe onder de bedoeling om de intenties (categorieën) van deze verordening publiekrechtelijk viaregels voor doelgroepen vallende woningen worden in het omgevingsplan vast te leggenvastgelegd. Daarnaast nemen we in de exploitatieovereenkomsten de verplichting op dat de inhoud van deze verordening regels als kettingbeding moet worden opgenomen in de koopovereenkomsten met de kopers van de woningen. Via de notaris ontstaat zo een controle op naleving van de regels uit deze verordeningregels.
ZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZ
Sectie ' Hardheidsclausule' wordt geplaatst na sectie ' Meldingsplicht'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig artikel 7 Verordening doelgroepen woningbouw gemeente Rijssen-Holten 2024.
Toelichting
De hardheidsclausule is bedoeld voor die situaties waarin een verkoper van een sociale koopwoning binnen de instandhoudingstermijn onevenredig financieel wordt getroffen door de maximale verkoopprijs zoals genoemd in artikel 2 van deze verordeningregels. In die gevallen, waarbij de verkoper schriftelijk aantoont dat hij onevenredig schade leidt bij toepassing van de verordeningregels, kan het college van Burgemeester en Wethouders afwijken van deze verordeningregels.
AAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAA
Na sectie ' Hardheidsclausule' wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Toelichting
Dit artikel voorziet in de toekomstige mogelijkheid een kostenverhaalgebied aan te wijzen (artikel 13.14 Omgevingswet)
BBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBB
Sectie ' Aanvraag omgevingsvergunning rijksmonument' wordt geplaatst na sectie ' Plicht tot afkoppelen'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
CCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCC
Sectie ' Aanwijzen objecten met cultuurhistorische of landschappelijke waarde ' wordt geplaatst na sectie ' Aanvraag omgevingsvergunning rijksmonument'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel bevat regels over aanwijzing uit de Erfgoedverordening gemeente Rijssen-Holten 2024. Het artikel omvat de bepalingen rondom de aanwijzing van monumenten en beeldbepalende stedelijke- en landschapsstructuren. De bepalingen over aanwijzing van gemeentelijke monumenten en beeldbepalende stedelijke- en landschapsstructuren leken sterk op elkaar. De regels zijn daarom zoveel mogelijk samengevoegd tot een regelset voor aanwijzing van 'gemeentelijk cultureel erfgoed'.
Toelichting
Lid 1, lid 2 en lid 3
Dit artikel regelt de toekenning van de status van gemeentelijk monument aan een monument of archeologisch monument (een tuin en een park vallen binnen het begrip ‘monument’, natuurlandschap niet). De aanwijzing vergt een belangenafweging tussen het met de aanwijzing te dienen belang en de overige bij de aanwijzing betrokken belangen, waaronder planologische en/of economische belangen of het gebruik van het monument of archeologisch monument. Deze formulering is ontleend aan artikelen 3.1, eerste lid, en 3.16, tweede lid, van de Erfgoedwet. Het college is niet bevoegd tot aanwijzing als de (onroerende) zaak al is aangewezen als Rijks- of provinciaal monument. Dit was in de Erfgoedverordening expliciet uitgesloten, dat is niet noodzakelijk. Het college beslist zelf of zij tot aanwijzing over gaat en zal dat bij Rijks- of provinciale monumenten niet overwegen. Een expliciete uitsluiting voegt daaraan niets toe.
Burgemeester en wethouders hebben beleidsvrijheid bij de aanwijzing van een monument of archeologisch monument als beschermd gemeentelijk monument; er geldt bovendien niet zoiets als de voorheen gehanteerde vijftigjarengrens voor monumenten. Bij de afweging van belangen die daarbij een rol spelen moeten ook de belangen van het gebruik ten opzichte van de te beschermen monumentale waarde uitdrukkelijk en gemotiveerd naar voren komen. Bij de voorbereiding van een aanwijzing moeten deze belangen derhalve in concreto worden onderzocht. Artikel 2 van de oude verordening (vergelijkbaar met het oude artikel 2, eerste lid, van de Monumentenwet 1988) over het gebruik van het monument, keert echter niet terug in deze verordening. Voor de aanwijzing als gemeentelijk monument voegt de bepaling over het gebruik van het (archeologisch) monument geen belang toe dat niet al op grond van artikel 3:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) dient te worden meegewogen. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State gaat het bij een besluit over de aanwijzing als beschermd monument om de afweging van het algemeen belang dat is gemoeid met de bescherming van het cultureel erfgoed tegen de belangen die de eigenaar heeft bij al dan niet aanwijzing. Het gebruik van het monument wordt beschouwd als een aspect van de belangen van de eigenaar en behoeft daarom niet afzonderlijk te worden benoemd.
Lid 4
Ieder monument is gegeven de begripsbepaling van artikel 1.1 van de Erfgoedwet per definitie een onroerende zaak (het gebouw of bouwwerk). Ieder archeologisch monument omvat ten minste één onroerende zaak (het terrein, dat vanwege en samen met de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen, gegeven de begripsbepaling van artikel 1.1 van de Erfgoedwet wordt aangemerkt als archeologisch monument). Voor alle zakelijk gerechtigenden op de betreffende onroerende zaken is ontvangst van het voornemen van een aanwijzing door burgemeester en wethouders van belang, niet alleen voor de eigenaar. Zie ook artikel 1, onder a, onderdeel 1, jo. artikel 1, onder b, onderdeel 5, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Onder zakelijk gerechtigden vallen ook hypothecaire schuldeisers ten aanzien van de onroerende zaak.
Lid 5
De aanwijzing van kerkelijke monumenten wordt vooraf gegaan door overleg over het voornemen met de eigenaar. Deze bepaling komt overeen met de bepalingen over het aanwijzen van kerkelijke monumenten als Rijksmonument. De bepaling doet recht aan de bijzondere positie van het kerkelijk monument als plaats voor het gezamenlijk belijden van godsdienst of levensovertuiging.
Lid 6 en lid 7
Het is wenselijk ook ten aanzien van gemeentelijk monumenten in voorbescherming te voorzien. Dat gebeurt met dit artikel. De voorbescherming start zodra burgemeester en wethouders het voornemen tot aanwijzing hebben bekendgemaakt aan de zakelijk gerechtigden. Het is vergelijkbaar met de voorbescherming voor rijksmonumenten die voortvloeit uit artikel 5 van de Monumentenwet 1988 (dat, zoals dat luidde voor inwerkingtreding van Erfgoedwet, tot inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft gelden voor rijksmonumenten).
Lid 86 en 7
Dit lid vloeit voort uit de verplichtingen van de artikel 16.15a Omgevingswet.
Lid 98
Dit lid omschrijft de minimaal op te nemen onderdelen voor het gemeentelijk erfgoedregister.
Lid 109
Dit artikel geldt naast de algemene verplichting tot bekendmaking van besluiten op basis van de Awb. Ontvangst van de aanwijzing door burgemeester en wethouders is voor alle zakelijk gerechtigden van belang, niet alleen voor de eigenaar. Zie ook artikel 1, onder a, onderdeel 1, jo. artikel 1, onder b, onderdeel 5, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Op een aanwijzingsbesluit is deze wet ook van toepassing. Onder zakelijk gerechtigden vallen ook hypothecaire schuldeisers.
Lid 1110 en lid 1211
Het gemeentelijk erfgoedregister heeft betrekking op al het (beschermd) gemeentelijk aangewezen cultureel erfgoed als dat krachtens deze verordening is gebeurd. In Rijssen-Holten gaat het om door het gemeentebestuur zelf aangewezen (archeologische) monumenten en in de toekomst mogelijk om beeldbepalende stedelijke en landschappelijke structuren. Daarnaast is in het tweede lid geregeld dat ook informatie over rijksmonumenten die in de gemeente zijn gelegen in het gemeentelijk erfgoedregister worden opgenomen. Op grond van de Erfgoedwet ontvangen burgemeester en wethouders deze informatie in afschrift van de minister bij de inschrijving in het rijksmonumentenregister.
Dit artikel geeft uitvoering aan de verplichting van artikel 3.16, derde lid, van de Erfgoedwet en is daarmee van toepassing op al het cultureel erfgoed, ongeacht of het om onroerende of roerende zaken gaat, dat is aangewezen op grond van deze verordening.
Het woord “onherroepelijk” betekent hier dat tegen de aanwijzing geen beroep (of bezwaar) is ingesteld of dat het is afgewezen.
De ambitie is om het gemeentelijk register ook uit te breiden met onroerend cultureel erfgoed dat via het ruimtelijke spoor wordt geborgd, waaronder de karakteristieke panden.
Dit artikel bepaalt dat voor het schrappen uit het register van een aanwijzing als gemeentelijk monument dezelfde procedure geldt als bij de aanwijzing daarvan. Voorts is hierin bepaald dat de aanwijzing als gemeentelijk monument vervalt zodra een monument is opgenomen in het rijksmonumentenregister of in een provinciaal erfgoedregister.
Lid 13, lid 14 en lid 15
Dit artikel biedt burgemeester en wethouders de mogelijkheid om in spoedeisende gevallen een monument of archeologisch monument als gemeentelijk monument aan te wijzen. In dat geval wordt de monumentencommissie zoals bedoeld in artikel 1.3, lid 1, onder a pas ingeschakeld na de voorlopige aanwijzing. De bescherming, geldt echter vanaf het moment dat belanghebbenden schriftelijk in kennis zijn gesteld van de voorlopige aanwijzing. Een bezwaarschrift heeft dus geen opschortende werking en daarmee kan de de voorlopige aanwijzing dus niet eenvoudig omzeild worden. Als de aanwijzing definitief wordt door de opname in het erfgoedregister loopt deze bescherming door. Als er uiteindelijk geen opname in het erfgoedregister plaatsvindt vervalt de bescherming.
DDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDD
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ' Aanwijzen objecten met cultuurhistorische of landschappelijke waarde '. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
EEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEE
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
FFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFF
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het verbod voor zelfstandige opstellingen van zonnepanelen anders dan beschreven in artikel 4.44 is opgenomen op basis van de instructieregels van de provincie Overijssel (artikel 4.106 van de omgevingsverordening provincie Overijssel 2024) en het gemeentelijk beleid rondom veldopstellingen van zonnepanelen.
GGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGG
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Toelichting
Tweede lid, onderdeel a
Het tweede lid bevat een voorrangbepaling voor vergunningvoorschriften in een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit, die met toepassing van het recht zoals dat gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, is verleend. Het gaat hierbij om een vergunningplichtige milieubelastende activiteit die in hoofdstuk 3 van het Bal is aangewezen en waarbij deze vergunningvoorschriften bevat voor een onderwerp dat naar het omgevingsplan is verschoven. Op grond van het overgangsrecht van artikel 4.13, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijven deze vergunningvoorschriften gelden. De vergunningvoorschriften gelden naast het omgevingsplan. De strengste regel is dan bepalend. Ten tijde van de vergunningverlening zijn juist bewust strengere of soepeler voorschriften gesteld, afgestemd op de locatie. De regels van de hoofdstukken over milieubelastende activiteiten dit omgevingsplan zijn niet van toepassing, voor zover zo’n vergunningvoorschrift geldt. De uitdrukking «voor zover» betekent «in de mate dat». Dat houdt in dat alleen die voorschriften uit de hoofdstukken over milieubelastende activiteiten van dit omgevingsplan buiten toepassing blijven waarvoor voorschriften in de omgevingsvergunning zijn gesteld. Als bijvoorbeeld de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit voor geluid alleen voorschriften met waarden bevat, dan blijft artikel 6.196.18 van dit omgevingsplan met geluidwaarden voor geluidgevoelige gebouwen buiten toepassing. Maar artikel 6.166.15 van dit omgevingsplan, dat bepaalt wanneer een akoestisch onderzoek gedaan moet worden, is wel van toepassing.
Deze voorrangsbepaling kan relevant zijn voor de volgende onderdelen van de hoofdstukken over milieubelastende activiteiten van dit omgevingsplan:
Hoofdstuk 2 Afval
Hoofdstuk 6 Geluid
Hoofdstuk 16 Trillingen
Paragraaf 18.2.3 Lozen bij maken van betonmortel
Paragraaf 18.2.18 Uitwassen van beton
Paragraaf 18.2.13 Ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal
Paragraaf 3.3.1.1 In werking hebben van een acculader
Dit omgevingsplan voorziet niet in een voorrangsbepaling voor bestaande vergunningvoorschriften of maatwerkvoorschriften op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer die op grond van het algemene overgangsrecht maatwerkvoorschriften zijn geworden en die afwijken van of een nadere invulling geven aan de omgevingsplanregels in dit omgevingsplan. Uit de wetssystematiek volgt al dat een maatwerkvoorschrift voorrang heeft op een algemene bepaling.
Tweede lid, onderdeel b, sub 1 tot en met 7
De onderdelen a tot en met f van het tweede lid sluiten bepaalde milieubelastende activiteiten uit van het algemene toepassingsbereik van deze afdeling.
Op grond van artikel 22.2, eerste lid, van de Omgevingswet mogen de omgevingsplanregels van rijkswege alleen gaan over regels die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet bij of krachtens de wet waren gesteld of daaraan gelijkwaardige regels. Het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de voormalige Wet geurhinder en veehouderij waren alleen van toepassing op inrichtingen als bedoeld in artikel 1, derde lid, van de Wet milieubeheer. Omdat het begrip milieubelastende activiteit in de Omgevingswet breder is dan dat begrip inrichting, is in dit lid een afbakening van het toepassingsbereik opgenomen.
Bij de overgang naar een nieuwe wetsystematiek en begrippenkader is het niet te voorkomen dat er enkele verschuivingen in de uitvoering van de regelgeving optreden. Aanmerkelijke verschuivingen in het toepassingsbereik zijn niet beoogd. Desondanks zullen er op kleine schaal wel enige verschuivingen optreden, omdat de oude criteria van het begrip inrichting niet één op één zijn overgenomen. De omschrijving van het toepassingsbereik in dit artikel vraagt enige mate van interpretatie. Ook de criteria van het begrip inrichting uit de Wet milieubeheer vroegen om interpretatie, en werden door verschillende bevoegde instanties enigszins verschillend geïnterpreteerd.
Bij de interpretatie van het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, is het raadzaam om aan te sluiten bij de praktijk van de voormalige regelgeving. Als een activiteit als Wet milieubeheer-inrichting werd beschouwd, kan deze ook onder de regels voor milieubelastende activiteiten van deze afdeling vallen.
Een beperkte verschuiving is op zich niet bezwaarlijk, als dit er niet toe leidt dat:
a) activiteiten die eerst niet onder rijksregels vielen door de regels van deze afdeling van dit omgevingsplan worden beperkt;
b) activiteiten die wel onder de regels vielen en reële risico’s voor de fysieke leefomgeving inhouden ongeregeld blijven.
Situaties als bedoeld onder a zullen niet snel voorkomen. Juist aan de «onderkant» van het inrichtingenbegrip golden er naast de regels van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer ook andere regels die ervoor zorgen dat ook activiteiten die geen inrichting waren toch aan regels ter bescherming van de leefomgeving waren gebonden. Denk bijvoorbeeld aan de regels van de Algemene Plaatselijke Verordening, maar ook het restrisico-artikel van het Bouwbesluit 2012 (artikel 7.22). Deze regels van de Algemene Plaatselijke Verordening blijven op het moment van de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van het algemeen overgangsrecht (artikel 22.4 van de Omgevingswet bepaalt namelijk dat artikel 122 van de Gemeentewet tijdelijk niet van toepassing is) gelden. Het restrisico-artikel van het Bouwbesluit 2012 is ook opgenomen als regel van rijkswege in het omgevingsplan. Bovendien zijn de regels van deze afdeling voor activiteiten waarop ze van toepassing zouden worden zelden feitelijk beperkend, omdat bij het op gebruikelijke wijze uitvoeren van de activiteit aan de regels wordt voldaan.
Ook voor situaties als bedoeld onder b hoeft in zijn algemeenheid niet te worden gevreesd. Veelal gold voor de activiteiten aan de onderkant van het inrichtingenbegrip naast de zorgplicht van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 2.1) alleen een beperkt aantal regels, zoals de geluidregels. Een eventuele overtreding van de zorgplicht van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer zal in veel gevallen ook als overtreding van de algemene zorgplicht van de Omgevingswet kunnen worden aangemerkt. En omdat de rijksregels niet gelden, zal ook de Algemene Plaatselijke Verordening veelal een deel van de bescherming overnemen.
Het algemene overgangsrecht in artikel 22.4 van de Omgevingswet en de mogelijkheden voor maatwerk op grond van deze afdeling zullen eventuele nadelige gevolgen van de beperkte verschuivingen voldoende ondervangen.
Bij het voorbereiden van deze afdeling zijn al verschillende mogelijke verschuivingen in het toepassingsbereik geïdentificeerd. Belangrijke aandachtspunten worden hieronder benoemd.
De onderdelen in dit tweede lid beogen de criteria «een omvang alsof zij bedrijfsmatig is», «binnen een zekere begrenzing» en «pleegt te worden verricht» binnen de omschrijving van het begrip inrichting in de Wet milieubeheer te vervangen. De categorieën uit bijlage I bij het Besluit omgevingsrecht zijn niet overgenomen. Sommige ondergrenzen in die categorieën kunnen eventueel terugkomen in het toepassingsbereik van de paragrafen in deze afdeling.
Kleine winkels waar geen installaties met meer dan 1,5 kW elektromotorisch vermogen aanwezig zijn, waren bijvoorbeeld meestal geen Wet milieubeheer-inrichting, maar vallen nu wel onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling in het omgevingsplan. Alhoewel er geen specifieke voorschriften voor gelden, moeten deze activiteiten wel voldoen aan de specifieke zorgplicht.
Tweede lid, onderdeel b, sub 1
De omgevingsplanregels van rijkswege voor de milieubelastende activiteit zijn alleen van toepassing op milieubelastende activiteiten, anders dan wonen. Hiermee wordt aangesloten op het toepassingsbereik voor de instructieregels voor geluid, trillingen en geur in het Bkl.
Als een hobby een bepaalde omvang overstijgt kan dit ertoe leiden dat het verrichten van een activiteit niet meer onder wonen valt. Denk hierbij aan het in een bepaalde omvang houden van dieren, sleutelen aan auto’s, meubels maken of bereiden van voedingsmiddelen. Waar de grens ligt, is een grijs gebied. Hetzelfde geldt voor bedrijven aan huis. De gemeente mag hier ook zelf invulling aan geven in het omgevingsplan. Overigens was bij de toetsing of er sprake was van een Wet milieubeheer-inrichting het criterium «een omvang alsof zij bedrijfsmatig is» ook altijd een grijs gebied.
Een ander bekend voorbeeld van onduidelijkheid over de vraag of een activiteit een Wet milieubeheer-inrichting was, is het opslaan van huisbrandolie of propaan in tanks bij particulieren. Onder het regime van de Omgevingswet wordt dit afgedekt door het Bal.
Tweede lid, onderdeel b, sub 2
Het feitelijk verrichten van bouw- en sloopactiviteiten of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein, vallen niet onder deze afdeling. Ook in het Bbl zijn eisen opgenomen voor zowel geluid als trillingen bij bouw- en sloopactiviteiten. Het Bbl bevat voor het verrichten van die activiteiten ook een specifieke zorgplicht. Verder bevat de Algemene Plaatselijke Verordening vaak regels ter voorkoming van hinder door bouw- en sloopgerelateerde activiteiten. Het algemene overgangsrecht van de Omgevingswet in artikel 22.4 van de Omgevingswet zorgt ervoor dat deze regels van de Algemene Plaatselijke Verordening bij de inwerkingtreding van de wet blijven gelden. Naast deze regels bevat afdeling 17.2 van dit omgevingsplan een specifieke zorgplicht voor het gebruik van een bouwwerk (artikel 17.2717.29). Het is dus niet zo dat er, door de uitzondering in dit onderdeel, voor deze activiteiten geen regels gelden.
Onder het regime van de Wet milieubeheer gebeurde het in bijzondere gevallen wel dat bouwwerkzaamheden die langer duurden dan zes maanden, als een Wet milieubeheer-inrichting werden gezien. Deze activiteiten vallen buiten het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, maar ook daarvoor geldt dat de hiervoor genoemde regels van toepassing zijn.
Tweede lid, onderdeel b, sub 3
Deze uitzondering beoogt de activiteiten die in de openbare buitenruimte plaatsvinden uit te sluiten. Voorbeelden zijn kermissen en andere evenementen, weekmarkten, mobiele installaties/activiteiten zoals draaiorgels, ophalen van vuilnis en gevelreiniging (met uitzondering van lozen). Het voor korte periode bezetten van een stukje openbaar toegankelijk terrein, maakt het daarmee niet ontoegankelijk. Activiteiten in een openbaar toegankelijk gebouw, zoals een publieke parkeergarage of het stadhuis, vallen wel onder het toepassingsbereik. Ook het laden en lossen op de openbare weg in de onmiddellijke nabijheid van een winkel, of het verkeer van en naar het bedrijf valt wel onder het toepassingsbereik van deze afdeling.
Voor enkele activiteiten zoals het exploiteren van een mobiele vis-, friet-, oliebollen- of marktkraam of het exploiteren van een terras, was het afhankelijk van de situatie en de interpretatie van het bevoegd gezag of ze gezien werden als een Wet milieubeheer-inrichting. Deze interpretatieverschillen kunnen zich ook nu weer voordoen. Zoals al aangegeven in de inleiding van de toelichting op dit artikel is er in principe geen verschuiving in het toepassingsbereik van deze afdeling in het omgevingsplan ten opzichte van het oude begrip Wet milieubeheer-inrichting beoogd.
Tweede lid, onderdeel b, sub 4
Doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen valt niet onder deze afdeling van dit omgevingsplan.
Tweede lid, onderdeel b, sub 5
Dit onderdeel sluit evenementen, waarover geluidregels zijn gesteld in bijvoorbeeld de Algemene Plaatselijke Verordening of een evenementenverordening uit van het toepassingsbereik van deze afdeling over milieubelastende activiteiten. Deels gebeurt dit al met onderdeel c, omdat evenementen vaak plaatsvinden in de openbare buitenruimte. Maar regelmatig zijn evenementen ook besloten of vinden ze plaats in een tijdelijk leegstaand gebouw. Deze uitzondering geldt niet voor activiteiten waarvoor geen geluidregels gelden bij of krachtens een gemeentelijke verordening, maar waarvoor geluidregels waren opgenomen in een omgevingsvergunning voor een inrichting op grond van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Voorbeelden hiervan kunnen zijn permanente evenemententerreinen of evenementenhallen.
Tweede lid, onderdeel b, sub 6
Deze uitzondering beoogt vooral het gebruik van landbouwvoertuigen op weilanden en akkers uit te sluiten van het algemene toepassingsbereik voor deze afdeling. De opslag van vaste mest op een weiland of akker valt wel onder dit algemene toepassingsbereik. Een installatie die verplaatsbaar is maar gedurende een langere periode achtereen op een weiland of akkers wordt gebruikt, wordt niet gezien als mobiele installatie en valt ook onder de regels voor de milieubelastende activiteiten in dit omgevingsplan. Bijvoorbeeld een antihagelkanon. Ook verplaatsbare mijnbouwwerken vallen onder het toepassingsbereik van deze afdeling.
Tweede lid, onderdeel b, sub 7
Vaste objecten zoals bruggen, sluizen en tunnels kunnen door de aanwezigheid van elektromotorisch vermogen gezien worden als milieubelastende activiteiten. Bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen vallen niet onder het toepassingsbereik van dit omgevingsplan.
Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet bleven elektromotoren van bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen buiten beschouwing bij het bepalen of sprake was van een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Dit was bepaald in categorie 1, 1.2, onder c, van bijlage I, onderdeel C, bij het Besluit omgevingsrecht, zoals dat gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
HHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHH
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel is voormalig artikel 22.4 (lid 1 onder a en lid 2 onder a) en artikel 22.45 (lid 1 onder b lid 2 onder b) van de bruidsschat.
Toelichting
In dit artikel wordt de mogelijkheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften opengesteld voor diverse artikelen in het omgevingsplan. Aangezien alle onderwerpen in deze afdeling van landelijke regelgeving zijn overgeheveld naar de gemeente is het onnodig om de maatwerkmogelijkheid te clausuleren. Voorheen bevatten verschillende artikelen van het Bouwbesluit 2012 een uitdrukkelijke mogelijkheid voor het bevoegd gezag om anders te besluiten dan opgenomen in de in het betrokken artikel opgenomen eis. In deze afdeling wordt die mogelijkheid niet voor afzonderlijke artikelen opgenomen, aangezien maatwerk met dit artikel breed openstaat. Het bevoegd gezag kan dus altijd bepalen of in het concrete geval met een gemotiveerd maatwerkvoorschrift kan worden gewerkt. Een uitzondering op het niet meer specifiek benoemen van afwijkmogelijkheden in het artikel zelf is artikel 17.1417.16 over de aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater. De voorheen in het Bouwbesluit opgenomen mogelijkheid voor het bevoegd gezag om aanwijzingen te geven is voor de duidelijkheid van bevoegd gezag en de gebruiker wel in dit artikel overgenomen. Het is op basis van de brede bevoegdheid om maatwerk te stellen op grond van artikel 11.3 echter ook mogelijk dat het maatwerkvoorschrift in een concreet geval anders moet komen te luiden.
De beperkingen die het Activiteitenbesluit milieubeheer stelde aan de mogelijkheden voor maatwerkvoorschriften, zijn daarbij niet overgenomen. Dit sluit aan bij de systematiek van het Bal. Het is niet logisch om beperkingen op te leggen aan het stellen van maatwerkvoorschriften, omdat die beperkingen altijd omzeild kunnen worden via een buitenplanse omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Met een maatwerkvoorschrift mag er niet toe leiden dat een specifieke zorgplicht buiten werking wordt gesteld, zoals opgenomen in artikel 17.4317.47. Daarmee zou namelijk buiten de oogmerken van deze afdeling worden getreden. Wel mag er met maatwerkvoorschriften invulling gegeven worden aan de specifieke zorgplichten van deze afdeling.
Maatwerk houdt altijd rekening met de oogmerken uit artikel 11.2 en mag daar niet mee in strijd zijn.
Bij het stellen van een maatwerkvoorschrift volgt het bevoegd gezag de instructieregels van het Bkl. Voorbeeld: Dit omgevingsplan bepaalt voor verschillende situaties dat onversterkt stemgeluid niet meegenomen wordt in de beoordeling van de toelaatbare geluidwaarde. Een gemeente kan niet zomaar voorschrijven dat onversterkt stemgeluid toch meegenomen wordt bij de beoordeling van de geluidwaarde. Het Bkl stelt namelijk in artikel 5.73 (uitzonderingen geluidbronnen) dat dit in de meeste gevallen niet kan.
Nummering bruidsschat | Titel bruidsschat | Nieuwe nummering omgevingsplan |
Afdeling 22.2 | Activiteiten met betrekking tot bouwwerken, open erven en terreinen | Afdeling 4.2 en 17.2 met uitzondering van reken- en meetbepalingen |
Artikel 22.44 | Specifieke zorgplicht | artikel 17.43 |
Artikel 22.49 | Informeren bij een ongewoon voorval | artikel 8.5 |
Artikel 22.50 | Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval | artikel 8.5 |
Paragraaf 22.3.2 tot en met 22.3.26 | Milieubelastende activiteiten | Hoofdstuk 2, afdeling 3.3, afdeling 5.3, hoofdstuk 6, hoofdstuk 10, hoofdstuk 16, afdeling 17.4 en afdeling 18.2, afdeling 18.3 en paragraaf 18.4.1 |
Nummering bruidsschat | Titel bruidsschat | Nieuwe nummering omgevingsplan |
Afdeling 22.2 | Activiteiten met betrekking tot bouwwerken, open erven en terreinen | Afdeling 4.2 en 17.2 met uitzondering van reken- en meetbepalingen |
Artikel 22.44 | Specifieke zorgplicht | artikel 17.47 |
Artikel 22.49 | Informeren bij een ongewoon voorval | artikel 8.5 |
Artikel 22.50 | Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval | artikel 8.5 |
Paragraaf 22.3.2 tot en met 22.3.26 | Milieubelastende activiteiten | Hoofdstuk 2, afdeling 3.3, afdeling 5.3, hoofdstuk 6, hoofdstuk 10, hoofdstuk 16, afdeling 17.4 en afdeling 18.2, afdeling 18.3 en paragraaf 18.4.1 |
IIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIII
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is gebaseerd op voormalig bruidsschat artikel 22.2 lid 1. Het oorspronkelijke lid 2 is niet overgenomen omdat in dit omgevingsplan de bestaande (archeologische) monumenten een aanduiding hebben gekregen 13.1. Het artikel is tekstueel aangepast. Het artikel regelt dat eerder aangewezen monumenten of monumenten waarvoor de aanwijzing nog loopt ook onder het regime van het omgevingsplan vallen. Die laatste categorie wordt ook wel 'voorbeschermde' monumenten genoemd.
Toelichting
Bijlage I bij het Bbl bevat de begrippen «gemeentelijk monument» en «voorbeschermd gemeentelijk monument». Deze begrippen gelden op grond van 1.1 van dit omgevingsplan ook voor dit plan. Deze begrippen worden gebruikt in de artikelen 13.513.6 tot en met 13.913.10.
De begripsomschrijvingen van bovengenoemde begrippen zijn toegesneden op de wijze waarop de bescherming van monumenten en archeologische monumenten op gemeentelijk niveau via het toekennen van een beschermde status en daardoor het van toepassing worden van bepaalde regels onder het nieuwe recht van de Omgevingswet vorm krijgt. Dit gebeurt door aan het monument of archeologisch monument in dit omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven en, als het gaat om een voorbeschermd monument of archeologisch monument, door het voor de locatie van het monument of archeologisch monument toevoegen van een voorbeschermingsregel aan dit omgevingsplan via een voorbereidingsbesluit vanwege het voornemen om aan dat monument of archeologisch monument in dit omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven.
Daarmee zouden buiten de reikwijdte van bovengenoemde begrippen vallen monumenten en archeologische monumenten op gemeentelijk niveau die onder het voor de Omgevingswet geldende recht als gemeentelijk monument of archeologisch monument zijn aangewezen op grond van een gemeentelijke verordening of een voorbeschermde status hebben verkregen op grond van een zodanige verordening, en waaraan nog niet direct bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet in dit omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of waarvoor op dat moment in het omgevingsplan nog geen voorbeschermingsregel is opgenomen. In de praktijk werden onder het voormalige recht onder de begrippen «gemeentelijk monument» en «voorbeschermd gemeentelijk monument» dergelijke monumenten en archeologische monumenten verstaan (hierna samen te noemen: gemeentelijke monumenten «oude stijl»).
Dit gevolg, dat niet is beoogd, kan zich voordoen tot het bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip waarop gemeenten over een omgevingsplan moeten beschikken dat voldoet aan alle eisen van de Omgevingswet. Uiteraard moeten de hier bedoelde gemeentelijke monumenten «oude stijl» gedurende deze overgangsfase wel adequaat worden beschermd. Dit is het geval zolang deze in dit omgevingsplan nog niet zijn voorzien van de functie-aanduiding gemeentelijk monument in het omgevingsplan of, voor zover het gaat om voorbeschermde monumenten of archeologische monumenten, ter zake een voorbeschermingsregel in dit omgevingsplan is opgenomen. Daarbij wordt er voor zover het gaat om voorbeschermde monumenten en archeologische monumenten op gewezen dat die onder de Omgevingswet niet per se eerst via een door een voorbereidingsbesluit toe te voegen voorbeschermingsregel aan het omgevingsplan hoeven te worden omgezet naar een voorbeschermd gemeentelijk monument in de zin van de begripsomschrijving uit bijlage I bij het Bbl. Afhankelijk van het tijdsverloop van de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening en van de procedure om tot vaststelling van een nieuw omgevingsplan te komen, kan er voor deze voorbeschermde monumenten en archeologische monumenten ook voor worden gekozen om deze direct, dus zonder hiervoor eerst een voorbeschermingsregel aan het omgevingsplan toe te voegen, in het nieuwe deel van het omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven. Dit zal zich met name voordoen als de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening gedurende hetzelfde tijdvak gaande is als de procedure tot vaststelling van het omgevingsplan. In dat geval kan het zo zijn dat die procedure tot aanwijzing voldoende voorziet in de benodigde voorbescherming en hoeft die voorbescherming niet afzonderlijk met voorbeschermingsregels in het omgevingsplan te worden gecreëerd.
Voor zover het gaat om de continuering van de gelding van de gemeentelijke verordeningen zelf en een eventueel daarin opgenomen vergunningplicht wordt in de bescherming van de hier bedoelde gemeentelijke monumenten «oude stijl» al voorzien door de artikelen 22.4 en 22.8 van de Omgevingswet, zoals die artikelen bij de Invoeringswet Omgevingswet worden toegevoegd. Maar voor een adequate bescherming van deze gemeentelijke monumenten «oude stijl» is ook vereist dat de onderdelen van de artikelen XXXXXX die betrekking hebben op gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten in overeenstemming met de daarvoor geldende begripsomschrijvingen, ook op deze gemeentelijke monumenten «oude stijl» van toepassing zijn. Artikel 13.313.4 van dit omgevingsplan voorziet hierin. Daarbij is het uiteraard zo dat als bij voorbeschermde monumenten en archeologische monumenten de uitkomst van de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening is dat wordt afgezien van de aanwijzing, op dat moment de voorbescherming vervalt en niet langer sprake is van een «monument of archeologisch monument waarop die verordening van overeenkomstige toepassing is» als bedoeld in artikel 13.313.4. Het van toepassing zijn van dit artikel op de hier bedoelde gemeentelijke monumenten «oude stijl» kan dus niet alleen worden beëindigd doordat gedurende de overgangsfase daaraan in het omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument wordt gegeven of ter zake in het omgevingsplan een voorbeschermingsregel wordt opgenomen (de situaties beschreven in artikel 13.313.4), waardoor de desbetreffende monumenten en archeologische monumenten rechtstreeks onder de begrippen gemeentelijk monument en voorbeschermd gemeentelijk monument komen te vallen, maar ook doordat de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening uiteindelijk niet tot een aanwijzing leidt.
JJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJ
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
KKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKK
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
LLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLL
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMM
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Sub a tot en met h zijn voormalig bruidsschat artikel 22.288. Het oorspronkelijke eerste en tweede lid zijn samengevoegd tot één opsomming,
Sub i is voormalig bruidsschat artikel 22.289.
Toelichting
In dit artikel staan de specifieke aanvraagvereisten voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument die een archeologisch monument betreft. Een archeologisch monument is in de Erfgoedwet gedefinieerd als een terrein dat deel uitmaakt van cultureel erfgoed vanwege de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen. Dit artikel is van toepassing als de aanvraag een gemeentelijk monument betreft dat een archeologisch monument is, en kan in bepaalde gevallen van toepassing zijn als deze een archeologisch monument betreft dat geen zelfstandig gemeentelijk monument is, maar zich ter plaatse van een gebouwd of aangelegd gemeentelijk monument bevindt. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de resten van een voorganger van een als gemeentelijk monument beschermde kerk die zich daar nog onder bevinden, of aan het bodemarchief onder een slotgracht of kasteeltuin. Als voor die locatie nog geen afweging over de archeologische monumentenzorg heeft plaatsgevonden in het kader van besluitvorming over het toedelen van functies aan locaties, kunnen de archeologische belangen worden meegewogen bij de besluitvorming over de omgevingsvergunning voor een (bodemverstorende) activiteit die een gebouwd of aangelegd gemeentelijk monument betreft. Er kunnen in dat geval aan de omgevingsvergunning in het belang van de archeologische monumentenzorg ook vergunningvoorschriften worden verbonden voor het in situ- of ex situ-behoud van het zich daaronder bevindende archeologisch monument (zie verder de artikel 13.1213.13).
In de meeste gevallen zal het bij een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in dit artikel gaan om het op een of meer plaatsen verstoren van de bodem, maar het kan bij zichtbare archeologische monumenten, zoals terpen/wierden, kasteelterreinen, hunebedden, grafheuvels en scheepswrakken, bijvoorbeeld ook gaan om ontsiering of beschadiging van het zichtbare deel van het archeologisch monument.
Veel voorkomende activiteiten die betrekking hebben op een archeologisch monument, zijn:
bouw-, sloop-, inrichtings- en graafwerkzaamheden,
de aanleg of het onderhoud van infrastructurele werken zoals (spoor)wegen, rioleringen, kabels en leidingen.
Ook kan het gaan om:
het aanbrengen van verhardingen in de openbare ruimte,
het aanleggen of dempen van waterlopen en het aanleggen van vaargeulen,
het aanplanten en verwijderen van (diepwortelende) bomen en struiken,
het ophogen, verlagen of egaliseren van het maaiveld,
het wijzigen van het grondwaterpeil,
het winnen van grondstoffen,
agrarische grondwerkzaamheden, en
activiteiten die tot doel hebben de fysieke staat van het archeologisch monument te consolideren of te restaureren.
In dit artikel is geregeld welke gegevens en bescheiden nodig zijn om de exacte locatie(s) te bepalen waar en tot welke diepte het archeologisch monument door de voorgenomen activiteit zal worden verstoord, en op welke wijze.
Onderdeel a en c
In onderdeel a moet de aard van de activiteit worden omschreven.
Als het maaiveldniveau, bedoeld in de onderdelen a en c en elders in dit artikel, niet of lastig is vast te stellen, zoals het geval is binnen een bouwwerk, kan hiervoor het niveau van de bovenkant van de afgewerkte begane grondvloer worden aangehouden.
Onderdeel b
Voor de topografische kaart, bedoeld in onderdeel b, kan gebruik worden gemaakt van de Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT) en voor locaties op zee van de officiële zeekaarten van de Dienst der Hydrografie. De BGT-kaart is een digitale topografische kaart met een schaal variërend van 1:500 – 1:5000 en bevat topografische objecten, zoals gebouwen, wegen, spoorwegen, waterlopen, parken en bossen. Via de Landelijke Voorziening BGT-informatie kan eenieder vrij de beschikbare BGT-informatie opvragen en downloaden.
Met de coördinatenparen in dit onderdeel wordt gedoeld op het coördinatensysteem van de Rijksdriehoeksmeting en, voor locaties op zee, het Europees Terrestrisch Referentiesysteem 1989 (ETRS89). Er zijn minimaal twee coördinatenparen nodig, zodat daaruit de schaal van de tekening kan worden herleid.
Onderdeel d
Met een programma van eisen als bedoeld in onderdeel d kan het bevoegd gezag specifieke eisen aan een archeologische opgraving stellen, gericht op een professionele uitvoering van de archeologische opgraving als bedoeld in de Erfgoedwet. In een programma van eisen worden de onderzoeksvragen en onderzoeksmethoden beschreven en beargumenteerd. Die zijn gebaseerd op de archeologische verwachting uit het aan het veldonderzoek voorafgaande (bureau)onderzoek.
Onderdeel e
Bij booronderzoek als bedoeld in onderdeel e kan in plaats van met een programma van eisen worden volstaan met een (minder uitvoerig) plan van aanpak. Zie verder de toelichting bij onderdeel d.
Onderdeel f
In onderdeel f is geregeld dat als sprake is van een zichtbaar archeologisch monument zoals een terp/wierde of een grafheuvel, de aanvrager gevraagd kan worden aan de hand van foto’s inzichtelijk te maken wat de huidige situatie is en tekeningen te overleggen waaruit blijkt hoe het archeologisch monument eruit zal zien na realisatie van het voorgenomen plan. Behalve het bouwen van bouwwerken kan het ook andere ingrepen betreffen, zoals terreinverhardingen, het graven of dempen van sloten of het planten van bomen. Het gaat er bij dit aanvraagvereiste om de gevolgen van de voorgenomen activiteit voor de zichtbaarheid en de belevingswaarde van het archeologisch monument inzichtelijk te maken.
Eerste lid, onderdeel g
Het aanvraagvereiste in onderdeel g – funderingstekeningen – betreft dat deel van de bouwwerkzaamheden dat in de bodem plaatsvindt. Het bovengrondse deel van het bouwplan is voor de impact op archeologie in de bodem niet relevant.
Eerste lid, onderdeel h
Het eerste lid onder h bevat aanvraagvereisten die niet altijd nodig zijn voor de beoordeling van de gevolgen van de voorgenomen activiteit voor het archeologisch monument. Tijdens het vooroverleg kan het bevoegd gezag aangeven welke aanvraagvereisten in het concrete geval van toepassing zijn. Ook kan het bevoegd gezag die gegevens opvragen naar aanleiding van een ingediende aanvraag, voor de beoordeling waarvan deze gegevens en bescheiden ook nodig blijken.
Onderdeel h sub 1
Onderdeel h sub 1 betreft een volgens de normen van de archeologische beroepsgroep opgesteld rapport van een archeologisch vooronderzoek, waarin de archeologische waarde van het archeologisch monument op de locatie(s) van de voorgenomen activiteit nader is vastgesteld. Het bevoegd gezag moet op basis hiervan voldoende inzicht krijgen in de exacte impact van de activiteit op de archeologische waarde van het archeologisch monument. In die gevallen dat de archeologische waarde eerder al voldoende is vastgesteld, zal dit aanvraagvereiste niet nodig zijn.
Onderdeel h sub 2
Het rapport in sub 2 verschilt in die zin van een rapport als bedoeld in onderdeel a, dat uit dit rapport moet blijken wat de gevolgen van de activiteit zullen zijn voor het archeologisch monument, bijvoorbeeld een zettingsrapport (over het samendrukken van de grond door belasting). Een rapport als hier bedoeld is niet altijd nodig, maar vooral als het om specifieke informatie gaat die niet al blijkt uit de overige gegevens en bescheiden en het bevoegd gezag deze informatie zelf niet al heeft.
Onderdeel h sub 4
Met aanlegwerkzaamheden als bedoeld in onderdeel d worden alle werkzaamheden bedoeld die geen bouwactiviteit, sloopactiviteit of ontgrondingsactiviteit zijn en waarbij de bodem wordt geroerd, een werk wordt aangelegd of het terrein anders wordt ingericht. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het aanbrengen van terreinverhardingen, aan het graven of dempen van sloten, aan het planten van bomen, struiken of andere diepwortelende planten, of aan het (deels) ophogen van een terrein. Als deze aanvraagvereisten moeten worden aangeleverd in het kader van een aanvraag voor een omgevingsplanactiviteit of een ontgrondingsactiviteit, kunnen dezelfde bescheiden ook in dit kader worden ingediend. Deze aanvraagvereisten zijn niet nodig in geval van kleinschalige werkzaamheden die door de grondgebruiker of eigenaar zelf worden uitgevoerd. Het gaat bij deze aanvraagvereisten vooral om omvangrijkere werkzaamheden die door een aannemer worden uitgevoerd, zoals het verbreden of verdiepen van sloten, het uitbaggeren van grachten, het beschoeien van vaarwegen, sloten of grachten, het (gedeeltelijk) ophogen van het maaiveld, het graven van sleuven voor kabels, leidingen of riolering, of de aanleg van wegen, opritten of verhardingen (bestrating, parkeerplaatsen).
Onderdeel h sub 5
In onderdeel e is geregeld dat als de activiteit (ook) bestaat uit het geheel of gedeeltelijk afbreken van een bouwwerk het bevoegd gezag bestaande funderingstekeningen kan verlangen. Dit kan uiteraard niet als deze tekeningen verloren zijn gegaan of redelijkerwijs niet meer te achterhalen zijn.
Onderdeel h sub 6
Bij de sonaropnamen, bedoeld in onderdeel f, gaat het doorgaans om zogenoemde «multibeamopnamen». Deze hebben als doel om de topografische hoogte, de bathymetrie, van de zeebodem ter plekke te bepalen en dienen als nulmeting om de situatie voorafgaand aan de ingreep te kunnen vergelijken met die daarna
Onderdeel i
Dit artikel bevat de eisen aan tekeningen als bedoeld in dit artikel.
NNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNN
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Sub a tot en met d zijn voormalig bruidsschat artikel 22.290. Het oorspronkelijke eerste en tweede lid zijn samengevoegd tot één opsomming. In dit lid is artikel 22.295 opgenomen waarmee voorbeschermde gemeentelijke monumenten ook onder het toepassingsbereik van dit artikel vallen.
Sub e is voormalig bruidsschat artikel 22.294. Het oorspronkelijke artikel is voorzien van een andere opsomming en is tekstueel iets anders opgebouwd om de leesbaarheid te vergroten.
Toelichting
Dit artikel bevat de aanvraagvereisten voor zover een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument bestaat uit het slopen van een monument. Onder slopen wordt verstaan het geheel of gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen, zie de begripsbepaling van slopen in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet. Het gaat hierbij dus niet alleen om het slopen van een monument of complete bouwdelen, maar ook over het slopen van kleinere onderdelen zoals muren, houtwerkconstructies, deuren en vensters, of interieurelementen.
De indieningsvereisten gelden ook voor het slopen van karakteristieke panden die op grond van artikel 8.78.8 zijn of worden aangewezen of reeds zijn aangewezen in het tijdelijk deel omgevingsplan. De vergunningplicht voor de omgevingsplanactiviteit voor deze bouwwerken is opgenomen in artikel 4.534.66.
Onderdeel a
De foto’s in onderdeel a moeten een duidelijke indruk geven van de technische staat en de ruimtelijke context van het monument of het te slopen onderdeel, zodat de noodzaak van de voorgenomen sloop voldoende wordt geïllustreerd. Het gaat er hierbij niet om dat het originele (digitale) foto’s moeten zijn, maar het mogen geen onduidelijke kopieën zijn.
Onderdeel b
Situatietekeningen als bedoeld in onderdeel b, onder 1, zijn nodig in geval van het gedeeltelijk afbreken van het monument waarbij de omvang van het monument wijzigt. Als de voorgenomen activiteit alleen bestaat uit inpandig slopen of als het monument geheel wordt gesloopt, geldt dit aanvraagvereiste dus niet.
Opnametekeningen als bedoeld in onderdeel b, onder 2, zijn tekeningen waarop de toestand van het monument voorafgaand aan de activiteit is weergeven. Afhankelijk van de aard, omvang en plaats van de voorgenomen sloop kan het gaan om plattegronden, doorsneden, gevelaanzichten en een dakaanzicht. Als alleen inpandige sloopwerkzaamheden plaatsvinden zullen die laatste twee soorten tekeningen niet nodig zijn.
Uit slooptekeningen als bedoeld in onderdeel b, onder 3, moet blijken welke materialen of onderdelen verwijderd worden. Dit moet de omvang en de exacte impact van de voorgenomen sloopwerkzaamheden op het monument inzichtelijk maken. De opnametekeningen kunnen hiervoor als basis worden gebruikt.
Onderdeel c
Een omschrijving van de aard van en de bestemming voor het door de sloop vrijkomende materiaal als bedoeld in onderdeel c is van belang omdat aan de omgevingsvergunning het voorschrift kan worden verbonden deze onderdelen te hergebruiken of voor hergebruik te bewaren, of ze in het belang van de monumentenzorg voor hergebruik elders beschikbaar te stellen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan historische dakpannen, een monumentale topgevel, gevelsteen of een monumentale schouw.
Onderdeel d
De rapporten, bedoeld in onderdeel d, kunnen nodig zijn om de monumentale waarde van het monument of de te slopen onderdelen (nader) te bepalen. Lang niet altijd zullen de actuele monumentale waarden al in voldoende mate in beeld zijn om de gevolgen van de voorgenomen sloopwerkzaamheden voor de aanwezige monumentale waarden te kunnen beoordelen.
Onderdeel d
Een rapport als bedoeld in onderdeel d kan nodig zijn als dit omgevingsplan voor de locatie van het gebouwde of aangelegde monument (nog) niet voorziet in een adequaat archeologisch regime en de activiteit leidt tot verstoring van de bodem. Zie verder de toelichting bij artikel 13.613.7.
Onderdeel d
Een beschrijving van de technische staat als bedoeld in onderdeel d is bijvoorbeeld nodig in geval van een voorgenomen sloop op grond van de technische staat van een monument of een onderdeel daarvan. Als deze beschrijving en de foto’s niet voor zich spreken, kan een nadere onderbouwing van de beschrijving in de vorm van een of meerdere technische rapporten nodig zijn (onderdeel d).
Onderdeel e
Dit artikel bevat de eisen aan tekeningen als bedoeld in de artikelen 13.713.8, 13.813.9 en 13.913.10. Daar waar er meerdere schalen genoemd zijn, moet een schaal worden gekozen die het onderdeel van het monument adequaat weergeeft. Bij detailtekeningen van stucwerk of ornamenteel stuc kan bijvoorbeeld een schaal van 1:1 gevraagd worden ter verificatie van het profiel. Maar deze schaal zal lang niet altijd nodig zijn om details voldoende duidelijk weer te geven. Het is aan de aanvrager om zijn aanvraag voldoende duidelijk te maken en aan het bevoegd gezag om te beoordelen of de ingediende bescheiden volstaan voor de beoordeling.
OOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOO
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Sub a tot en met d zijn voormalig bruidsschat artikel 22.291. Het oorspronkelijke eerste en tweede lid zijn samengevoegd tot één opsomming. In dit lid is artikel 22.295 opgenomen waarmee voorbeschermde gemeentelijke monumenten ook onder het toepassingsbereik van dit artikel vallen.
Sub e is voormalig bruidsschat artikel 22.294. Het oorspronkelijke artikel is voorzien van een andere opsomming en is tekstueel iets anders opgebouwd om de leesbaarheid te vergroten.
Toelichting
Dit artikel bevat de aanvraagvereisten voor zover een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument bestaat uit het gedeeltelijk of volledig verplaatsen van een monument. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een kerkorgel of een molen. Het bevoegd gezag zal rekening moeten houden met het beginsel uit het verdrag van Granada dat verplaatsing van monumenten of een onderdeel daarvan moet worden voorkomen, tenzij dit dringend vereist is voor het voortbestaan ervan. Gaat het bevoegd gezag in een concreet geval toch over tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor het verplaatsen van het monument, dan zal het gelet op artikel 5 van het verdrag van Granada3 voorschriften aan de vergunning verbinden over het treffen van voorzorgsmaatregelen voor het demonteren, het overbrengen en de herbouw van het monument op de nieuwe locatie. Gelet hierop moeten de gegevens en bescheiden voldoende inzicht geven in de reden en de noodzaak van de voorgenomen verplaatsing, in de huidige en de toekomstige ruimtelijke context van het monument, en in de beoogde wijze van demonteren, verplaatsen en herbouwen. De herbouw op een nieuwe, geschikte locatie mag dus niet onzeker zijn.
Eerste lid
De foto’s in onderdeel b moeten een duidelijke indruk geven van de technische staat van het monument (toestand) of het te verplaatsen onderdeel en van de ruimtelijke context van het monument (situatie) of het onderdeel in de huidige en in de nieuwe situatie en mogen daarom geen onduidelijke kopieën zijn.
Opnametekeningen als bedoeld in onderdeel c, onder 2, zijn tekeningen waarop de toestand van het monument voorafgaand aan de activiteit is weergeven. Bij verplaatsing van een gedeelte van een monument (zoals een kerkorgel) zullen minder tekeningen nodig zijn dan bij verplaatsing van het gehele monument.
Plantekeningen als bedoeld in onderdeel c, onder 3, zijn tekeningen waarop de nieuwe toestand van het monument (na de voorgenomen verplaatsing) is weergeven. Bij verplaatsing van een gedeelte van een monument zijn dit ook tekeningen van de nieuwe toestand van het monument waar het verplaatste gedeelte dan deel van uitmaakt. Zo zijn bij verplaatsing van een orgel van de ene kerk naar de andere kerk ook plantekeningen nodig van de toestand van die andere kerk nadat het orgel daarin is aangebracht.
Als het te verplaatsen monument een molen is, moet op grond van onderdeel e, ook inzicht worden gegeven in de molenbiotoop, zowel op de huidige als de nieuwe locatie. Met de molenbiotoop wordt hier de omgeving van de molen bedoeld, voor zover die van belang is voor de werking van de molen. Het gaat daarbij met name om de windvang (bij een windmolen) of de watertoe- en afvoer (bij een watermolen).
Een rapport als bedoeld in onderdeel f kan nodig zijn als dit omgevingsplan voor de locatie van het gebouwde of aangelegde monument of voor de nieuwe locatie (nog) niet voorziet in een adequaat archeologisch regime en de activiteit leidt tot verstoring van de bodem. Zie verder de toelichting bij artikel 13.613.7.
Aanvullende tekeningen als bedoeld in onderdeel f kunnen bijvoorbeeld nodig zijn als er sprake is van bijzondere detaillering (detailtekeningen) of om een beeld te krijgen van het (functioneren van het) monument op de nieuwe plek, bijvoorbeeld met impressietekeningen of 3D-visualisaties.
Het bevoegd gezag kan bij de beoordeling van vergunningaanvragen voor een rijksmonumentenactiviteit kwaliteitseisen hanteren, bijvoorbeeld door te verwijzen naar de uitvoeringsrichtlijnen die in de beroepsgroep(en) gelden. Bij de beoordeling van een aanvraag is het voor het bevoegd gezag van belang om te weten of de aanvrager het plan dat ten grondslag ligt aan de aanvraag hierop al heeft afgestemd of niet. Op grond van onderdeel f moet hij hier opgave van doen. Het gaat hier overigens niet om algemene uitvoeringsvoorschriften als bedoeld in het Bbl.
Eerste lid, onderdeel e
Dit artikel bevat de eisen aan tekeningen als bedoeld in de artikelen 13.713.8, 13.813.9 en artikel 13.913.10. Daar waar er meerdere schalen genoemd zijn, moet een schaal worden gekozen die het onderdeel van het monument adequaat weergeeft. Bij detailtekeningen van stucwerk of ornamenteel stuc kan bijvoorbeeld een schaal van 1:1 gevraagd worden ter verificatie van het profiel. Maar deze schaal zal lang niet altijd nodig zijn om details voldoende duidelijk weer te geven. Het is aan de aanvrager om zijn aanvraag voldoende duidelijk te maken en aan het bevoegd gezag om te beoordelen of de ingediende bescheiden volstaan voor de beoordeling.
PPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPP
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Sub a tot en met d zijn voormalig bruidsschat artikel 22.292. Het oorspronkelijke eerste en tweede lid zijn samengevoegd tot één opsomming. In dit lid is artikel 22.295 opgenomen waarmee voorbeschermde gemeentelijke monumenten ook onder het toepassingsbereik van dit artikel vallen.
Sub e is voormalig bruidsschat artikel 22.294. Het oorspronkelijke artikel is voorzien van een andere opsomming en is tekstueel iets anders opgebouwd om de leesbaarheid te vergroten.
Toelichting
Dit artikel omvat de meest voorkomende activiteiten. Onder het wijzigen van een monument vallen bijvoorbeeld het restaureren, reconstrueren, renoveren, verbouwen, uitbouwen, aanbouwen, of het bijvoorbeeld op een andere manier wijzigen van een gebouwd monument of een aangelegd (groen) monument. Denk hierbij ook aan het in een afwijkende kleur schilderen van een gevel of het hanteren van een ander verfsysteem.
Voorbeelden van het herstellen van een monument op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht, zijn het met golfplaten repareren van een rieten dak, of het reinigen of herstellen van een interieurschildering, of gevel, waarbij een onvoldoende deskundige uitvoering in potentie grote gevolgen kan hebben voor de technische staat en de monumentale waarde van het onderdeel (bij een gevel ook het patina).
Onderdeel a
De foto’s in onderdeel a moeten een duidelijke indruk geven van de technische staat en de ruimtelijke context van het monument, zodat de noodzaak van de voorgenomen activiteit voldoende wordt geïllustreerd. Het mogen daarom geen onduidelijke kopieën zijn.
Onderdeel b
Opnametekeningen als bedoeld in onderdeel b, onder 2, zijn tekeningen waarop de toestand van het monument voorafgaand aan de activiteit is weergeven. Welke soort tekeningen in een concreet geval nodig zijn, hangt af van de aard van de activiteit. In de regel zullen plattegronden en doorsnedetekeningen nodig zijn. Als de activiteit ook impact heeft op het exterieur of het aangezicht van het monument, zullen ook geveltekeningen en in voorkomend geval een dakaanzicht nodig zijn.
Gebrekentekeningen als bedoeld in onderdeel b, onder 3, zijn nodig als er gebreken worden hersteld. Het betreft feitelijk opnametekeningen waarop de te verhelpen gebreken adequaat zijn weergegeven.
Plantekeningen als bedoeld in onderdeel b, onder 4, zijn tekeningen waarop de nieuwe toestand van het monument (na afloop van de voorgenomen activiteit) is weergeven.
Als er in het kader van de activiteit ook materiaal wordt verwijderd, moeten er in een dergelijk geval ook enkele gegevens en bescheiden als bedoeld in artikel 13.713.8 (slopen) worden overgelegd. Zoals blijkt uit de begripsbepaling van slopen in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet wordt onder slopen ook verstaan het gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen. In de praktijk van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht bleek dat een aanvrager die zijn monument wil restaureren of verbouwen zich niet altijd realiseert dat het wegnemen van materialen ook onder slopen valt en noodzakelijke gegevens en bescheiden daardoor geregeld ontbraken. Daarom zijn de aanvraagvereisten uit artikel 13.713.8 (slopen) expliciet (en niet met een verwijzing) in dit artikel opgenomen. Op grond van onderdeel b, onder 5, moet de aanvrager in een dergelijk geval ook slooptekeningen overleggen, waaruit blijkt welke materialen of onderdelen verwijderd worden. De slooptekeningen moeten de exacte impact van de voorgenomen sloopwerkzaamheden op het monument inzichtelijk maken.
Onderdeel c
Op grond van onderdeel c moet in het bestek of in de werkomschrijving de sloopmethode en de aard van en bestemming voor het vrijkomend materiaal worden omschreven. Aan de omgevingsvergunning kan namelijk het voorschrift worden verbonden deze onderdelen te hergebruiken of voor hergebruik te bewaren, of ze in het belang van de monumentenzorg voor hergebruik elders beschikbaar te stellen.
Onderdeel d sub 2
Een rapport als bedoeld in onderdeel d sub 2 kan nodig zijn als dit omgevingsplan voor de locatie van het gebouwde of aangelegde monument (nog) niet voorziet in een adequaat archeologisch regime en de activiteit leidt tot verstoring van de bodem. Zie verder de toelichting bij artikel 13.613.7.
Onderdeel d sub 3 en 4
Een beschrijving van de technische staat als bedoeld in onderdeel c kan bijvoorbeeld nodig zijn in geval van het herstellen van technische gebreken. Als deze beschrijving en de foto’s niet voor zich spreken, kan een nadere onderbouwing van de beschrijving in de vorm van een of meerdere technische rapporten nodig zijn (onderdeel d). Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen bij een (complexe) restauratie.
Onderdeel d sub 5
Aanvullende tekeningen als bedoeld in onderdeel d sub 5 kunnen bijvoorbeeld nodig zijn als er sprake is van bijzondere detaillering (detailtekeningen) of om een beeld te krijgen van het (functioneren van het) monument na verrichting van de activiteit, bijvoorbeeld met impressietekeningen of 3D-visualisaties.
Onderdeel d sub 6
Het bevoegd gezag kan bij de beoordeling van vergunningaanvragen voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument kwaliteitseisen hanteren, bijvoorbeeld door te verwijzen naar de uitvoeringsrichtlijnen die in de beroepsgroep(en) gelden. Bij de beoordeling van een aanvraag is het voor het bevoegd gezag van belang om te weten of de aanvrager het plan dat ten grondslag ligt aan de aanvraag hierop al heeft afgestemd of niet. Op grond van onderdeel f moet hij hier opgave van doen. Het gaat hier overigens niet om algemene uitvoeringsvoorschriften als bedoeld in het Bbl.
Onderdeel d sub 7
Een beheervisie als bedoeld in onderdeel d sub 7 is een visie op het beheer van een groenaanleg, gebaseerd op een analyse en een waardering op grond van (cultuur)historisch onderzoek en inventarisaties van natuurwaarden, recreatieve en belevingswaarden, waterhuishouding en bodem, en wensen van belanghebbenden (eigenaar en gebruikers). De beheervisie maakt duidelijk welke keuzes zijn gemaakt voor het beheer en is richtinggevend voor een langere periode, bijvoorbeeld 12 tot 18 jaar, of langer. De visie kan ook worden weergegeven in streefbeelden.
Onderdeel e
Dit artikel bevat de eisen aan tekeningen als bedoeld in de artikelen 13.713.8, 13.813.9 en artikel 13.913.10. Daar waar er meerdere schalen genoemd zijn, moet een schaal worden gekozen die het onderdeel van het monument adequaat weergeeft. Bij detailtekeningen van stucwerk of ornamenteel stuc kan bijvoorbeeld een schaal van 1:1 gevraagd worden ter verificatie van het profiel. Maar deze schaal zal lang niet altijd nodig zijn om details voldoende duidelijk weer te geven. Het is aan de aanvrager om zijn aanvraag voldoende duidelijk te maken en aan het bevoegd gezag om te beoordelen of de ingediende bescheiden volstaan voor de beoordeling.
QQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Lid 1 is voormalig artikel 2.12 lid 1 van de Erfgoedverordening gemeente Rijssen-Holten 2018.
Lid 2 vormt de schakel tussen de vergunningplicht voor het slopen van bouwwerken zoals opgenomen in artikel 4.544.68 en de aanwijzing van nieuwe karakteristieke panden.
Lid 3 is voormalig artikel 2.12 lid 2 van de Erfgoedverordening gemeente Rijssen-Holten 2018. Dit artikel is tekstueel in overeenstemming gebracht met artikel 3.2a Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Er wordt daardoor onderscheid gemaakt in overleg bij wijzigingen die geen of beperkte invloed hebben op het belijden van de godsdienst of levensovertuiging of wijzigingen die daar wel wezenlijke invloed op hebben. Bij het eerste is overleg noodzakelijk, bij het laatste overeenstemming. Die nuancering ligt in lijn met de voormalige Rijksregels.
Lid 4 is voormalig artikel 2.10 lid 3 van de Erfgoedverordening gemeente Rijssen-Holten 2018.
Dit artikel is ook van toepassing op voorbeschermde monumenten.
Toelichting
Eerste en derde lid
In het eerste lid ligt op grond van de belangenafweging die moet worden gemaakt tevens besloten dat rekening wordt gehouden met het gebruik van het monument. In het tweede lid is voor wat betreft de vereiste overeenstemming met de eigenaar van een kerkelijk monument aangesloten bij artikel 3.2a van de Wabo.
Vierde lid
Dit artikel is gebaseerd op artikel 2.2 van de Wabo en inhoudelijk grotendeels gelijk aan de oude Erfgoedverordening.
RRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRR
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
SSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSS
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.34
Toelichting
Dit artikel is voor de omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit de voortzetting van de regeling in artikel 2.22, tweede lid, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.2, eerste lid, van het voormalige Besluit omgevingsrecht. Het gaat hier om de gevallen, bedoeld in artikel 3.16. Deze bepaling vloeit voort uit artikel 5.2, eerste lid, van het voormalige Besluit omgevingsrecht, waarin de mogelijkheid tot het verbinden van voorschriften aan de omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in het belang van de archeologische monumentenzorg afhankelijk was gesteld van een expliciete regeling in het bestemmingsplan.
Op het verbinden van deze voorschriften is artikel 13.1213.13 van overeenkomstige toepassing. Dat artikellid omschrijft nader welke voorschriften in het belang van de archeologische monumentenzorg in ieder geval kunnen worden verbonden aan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of een werkzaamheid als bedoeld in artikel 3.73.8, die van invloed is op een archeologisch monument.
TTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTT
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Op grond van de artikelen 5.12 en 5.13 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, gelden er rond aangewezen risicobronnen van rechtswege explosieaandachtsgebieden. Als met het wijzigen van een omgevingsplan of het verlenen van een omgevingsvergunning een (beperkt/zeer) kwestbaar gebouw of een (beperkt) kwetsbare locatie binnen dit aandachtsgebied mogelijk wordt gemaakt, dan moet bij het nemen van dit besluit bijzondere aandacht op het daarmee samenhangende risico worden besteed. Daarnaast kán de gemeente binnen dit aandachtsgebied een zogenoemd voorschriftengebied vaststellen. Dit heeft tot gevolg dat op grond van artikel 4.90 en verder van het Besluit bouwwerken leefomgeving bijzondere eisen aan de constructie van de gevel van de (beperkt/zeer) kwetsbare gebouwen worden gesteld.
Om de gebruiker van dit omgevingsplan van deze gevolgen op de hoogte te stellen, is in het omgevingsplan van de gemeente Rijssen-Holten het explosieaandachtsgebied uitsluitend ter informatie weergegeven.
[Vervallen]
UUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUU
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Toelichting
Onderdeel a
Het tweede lid bevat een voorrangbepaling voor vergunningvoorschriften in een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit, die met toepassing van het recht zoals dat gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, is verleend. Het gaat hierbij om een vergunningplichtige milieubelastende activiteit die in hoofdstuk 3 van het Bal is aangewezen en waarbij deze vergunningvoorschriften bevat voor een onderwerp dat naar het omgevingsplan is verschoven. Op grond van het overgangsrecht van artikel 4.13, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijven deze vergunningvoorschriften gelden. De vergunningvoorschriften gelden naast het omgevingsplan. De strengste regel is dan bepalend. Ten tijde van de vergunningverlening zijn juist bewust strengere of soepeler voorschriften gesteld, afgestemd op de locatie. De regels van de hoofdstukken over milieubelastende activiteiten dit omgevingsplan zijn niet van toepassing, voor zover zo’n vergunningvoorschrift geldt. De uitdrukking «voor zover» betekent «in de mate dat». Dat houdt in dat alleen die voorschriften uit de hoofdstukken over milieubelastende activiteiten van dit omgevingsplan buiten toepassing blijven waarvoor voorschriften in de omgevingsvergunning zijn gesteld. Als bijvoorbeeld de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit voor geluid alleen voorschriften met waarden bevat, dan blijft artikel 6.196.18 van dit omgevingsplan met geluidwaarden voor geluidgevoelige gebouwen buiten toepassing. Maar artikel 6.166.15 van dit omgevingsplan, dat bepaalt wanneer een akoestisch onderzoek gedaan moet worden, is wel van toepassing.
Deze voorrangsbepaling kan relevant zijn voor de volgende onderdelen van de hoofdstukken over milieubelastende activiteiten van dit omgevingsplan:
Hoofdstuk 2 Afval
Hoofdstuk 6 Geluid
Hoofdstuk 16 Trillingen
Paragraaf 18.2.3 Lozen bij maken van betonmortel
Paragraaf 18.2.18 Uitwassen van beton
Paragraaf 18.2.13 Ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal
Paragraaf 3.3.1.1 In werking hebben van een acculader
Dit omgevingsplan voorziet niet in een voorrangsbepaling voor bestaande vergunningvoorschriften of maatwerkvoorschriften op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer die op grond van het algemene overgangsrecht maatwerkvoorschriften zijn geworden en die afwijken van of een nadere invulling geven aan de omgevingsplanregels in dit omgevingsplan. Uit de wetssystematiek volgt al dat een maatwerkvoorschrift voorrang heeft op een algemene bepaling.
Onderdeel b
De onderdelen 1 tot en met 6 sluiten bepaalde milieubelastende activiteiten uit van het algemene toepassingsbereik van deze afdeling.
Op grond van artikel 22.2, eerste lid, van de Omgevingswet mogen de omgevingsplanregels van rijkswege alleen gaan over regels die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet bij of krachtens de wet waren gesteld of daaraan gelijkwaardige regels. Het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de voormalige Wet geurhinder en veehouderij waren alleen van toepassing op inrichtingen als bedoeld in artikel 1, derde lid, van de Wet milieubeheer. Omdat het begrip milieubelastende activiteit in de Omgevingswet breder is dan dat begrip inrichting, is in dit lid een afbakening van het toepassingsbereik opgenomen.
Bij de overgang naar een nieuwe wetsystematiek en begrippenkader is het niet te voorkomen dat er enkele verschuivingen in de uitvoering van de regelgeving optreden. Aanmerkelijke verschuivingen in het toepassingsbereik zijn niet beoogd. Desondanks zullen er op kleine schaal wel enige verschuivingen optreden, omdat de oude criteria van het begrip inrichting niet één op één zijn overgenomen. De omschrijving van het toepassingsbereik in dit artikel vraagt enige mate van interpretatie. Ook de criteria van het begrip inrichting uit de Wet milieubeheer vroegen om interpretatie, en werden door verschillende bevoegde instanties enigszins verschillend geïnterpreteerd.
Bij de interpretatie van het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, is het raadzaam om aan te sluiten bij de praktijk van de voormalige regelgeving. Als een activiteit als Wet milieubeheer-inrichting werd beschouwd, kan deze ook onder de regels voor milieubelastende activiteiten van deze afdeling vallen.
Een beperkte verschuiving is op zich niet bezwaarlijk, als dit er niet toe leidt dat:
a) activiteiten die eerst niet onder rijksregels vielen door de regels van deze afdeling van dit omgevingsplan worden beperkt;
b) activiteiten die wel onder de regels vielen en reële risico’s voor de fysieke leefomgeving inhouden ongeregeld blijven.
Situaties als bedoeld onder a zullen niet snel voorkomen. Juist aan de «onderkant» van het inrichtingenbegrip golden er naast de regels van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer ook andere regels die ervoor zorgen dat ook activiteiten die geen inrichting waren toch aan regels ter bescherming van de leefomgeving waren gebonden. Denk bijvoorbeeld aan de regels van de Algemene Plaatselijke Verordening, maar ook het restrisico-artikel van het Bouwbesluit 2012 (artikel 7.22). Deze regels van de Algemene Plaatselijke Verordening blijven op het moment van de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van het algemeen overgangsrecht (artikel 22.4 van de Omgevingswet bepaalt namelijk dat artikel 122 van de Gemeentewet tijdelijk niet van toepassing is) gelden. Het restrisico-artikel van het Bouwbesluit 2012 is ook opgenomen als regel van rijkswege in het omgevingsplan. Bovendien zijn de regels van deze afdeling voor activiteiten waarop ze van toepassing zouden worden zelden feitelijk beperkend, omdat bij het op gebruikelijke wijze uitvoeren van de activiteit aan de regels wordt voldaan.
Ook voor situaties als bedoeld onder b hoeft in zijn algemeenheid niet te worden gevreesd. Veelal gold voor de activiteiten aan de onderkant van het inrichtingenbegrip naast de zorgplicht van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 2.1) alleen een beperkt aantal regels, zoals de geluidregels. Een eventuele overtreding van de zorgplicht van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer zal in veel gevallen ook als overtreding van de algemene zorgplicht van de Omgevingswet kunnen worden aangemerkt. En omdat de rijksregels niet gelden, zal ook de Algemene Plaatselijke Verordening veelal een deel van de bescherming overnemen.
Het algemene overgangsrecht in artikel 22.4 van de Omgevingswet en de mogelijkheden voor maatwerk op grond van deze afdeling zullen eventuele nadelige gevolgen van de beperkte verschuivingen voldoende ondervangen.
Bij het voorbereiden van deze afdeling zijn al verschillende mogelijke verschuivingen in het toepassingsbereik geïdentificeerd. Belangrijke aandachtspunten worden hieronder benoemd.
De onderdelen in dit tweede lid beogen de criteria «een omvang alsof zij bedrijfsmatig is», «binnen een zekere begrenzing» en «pleegt te worden verricht» binnen de omschrijving van het begrip inrichting in de Wet milieubeheer te vervangen. De categorieën uit bijlage I bij het Besluit omgevingsrecht zijn niet overgenomen. Sommige ondergrenzen in die categorieën kunnen eventueel terugkomen in het toepassingsbereik van de paragrafen in deze afdeling.
Kleine winkels waar geen installaties met meer dan 1,5 kW elektromotorisch vermogen aanwezig zijn, waren bijvoorbeeld meestal geen Wet milieubeheer-inrichting, maar vallen nu wel onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling in het omgevingsplan. Alhoewel er geen specifieke voorschriften voor gelden, moeten deze activiteiten wel voldoen aan de specifieke zorgplicht.
Onderdeel 1
De omgevingsplanregels van rijkswege voor de milieubelastende activiteit zijn alleen van toepassing op milieubelastende activiteiten, anders dan wonen. Hiermee wordt aangesloten op het toepassingsbereik voor de instructieregels voor geluid, trillingen en geur in het Bkl.
Als een hobby een bepaalde omvang overstijgt kan dit ertoe leiden dat het verrichten van een activiteit niet meer onder wonen valt. Denk hierbij aan het in een bepaalde omvang houden van dieren, sleutelen aan auto’s, meubels maken of bereiden van voedingsmiddelen. Waar de grens ligt, is een grijs gebied. Hetzelfde geldt voor bedrijven aan huis. De gemeente mag hier ook zelf invulling aan geven in het omgevingsplan. Overigens was bij de toetsing of er sprake was van een Wet milieubeheer-inrichting het criterium «een omvang alsof zij bedrijfsmatig is» ook altijd een grijs gebied.
Een ander bekend voorbeeld van onduidelijkheid over de vraag of een activiteit een Wet milieubeheer-inrichting was, is het opslaan van huisbrandolie of propaan in tanks bij particulieren. Onder het regime van de Omgevingswet wordt dit afgedekt door het Bal.
Onderdeel 2
Het feitelijk verrichten van bouw- en sloopactiviteiten of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein, vallen niet onder deze afdeling. Ook in het Bbl zijn eisen opgenomen voor zowel geluid als trillingen bij bouw- en sloopactiviteiten. Het Bbl bevat voor het verrichten van die activiteiten ook een specifieke zorgplicht. Verder bevat de Algemene Plaatselijke Verordening vaak regels ter voorkoming van hinder door bouw- en sloopgerelateerde activiteiten. Het algemene overgangsrecht van de Omgevingswet in artikel 22.4 van de Omgevingswet zorgt ervoor dat deze regels van de Algemene Plaatselijke Verordening bij de inwerkingtreding van de wet blijven gelden. Naast deze regels bevat afdeling 17.2 van dit omgevingsplan een specifieke zorgplicht voor het gebruik van een bouwwerk (artikel 17.2717.29). Het is dus niet zo dat er, door de uitzondering in dit onderdeel, voor deze activiteiten geen regels gelden.
Onder het regime van de Wet milieubeheer gebeurde het in bijzondere gevallen wel dat bouwwerkzaamheden die langer duurden dan zes maanden, als een Wet milieubeheer-inrichting werden gezien. Deze activiteiten vallen buiten het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, maar ook daarvoor geldt dat de hiervoor genoemde regels van toepassing zijn.
Onderdeel 3
Deze uitzondering beoogt de activiteiten die in de openbare buitenruimte plaatsvinden uit te sluiten. Voorbeelden zijn kermissen en andere evenementen, weekmarkten, mobiele installaties/activiteiten zoals draaiorgels, ophalen van vuilnis en gevelreiniging (met uitzondering van lozen). Het voor korte periode bezetten van een stukje openbaar toegankelijk terrein, maakt het daarmee niet ontoegankelijk. Activiteiten in een openbaar toegankelijk gebouw, zoals een publieke parkeergarage of het stadhuis, vallen wel onder het toepassingsbereik. Ook het laden en lossen op de openbare weg in de onmiddellijke nabijheid van een winkel, of het verkeer van en naar het bedrijf valt wel onder het toepassingsbereik van deze afdeling.
Voor enkele activiteiten zoals het exploiteren van een mobiele vis-, friet-, oliebollen- of marktkraam of het exploiteren van een terras, was het afhankelijk van de situatie en de interpretatie van het bevoegd gezag of ze gezien werden als een Wet milieubeheer-inrichting. Deze interpretatieverschillen kunnen zich ook nu weer voordoen. Zoals al aangegeven in de inleiding van de toelichting op dit artikel is er in principe geen verschuiving in het toepassingsbereik van deze afdeling in het omgevingsplan ten opzichte van het oude begrip Wet milieubeheer-inrichting beoogd.
Onderdeel 4
Doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen valt niet onder deze afdeling van dit omgevingsplan.
Onderdeel 5
Dit onderdeel sluit evenementen, waarover geluidregels zijn gesteld in bijvoorbeeld de Algemene Plaatselijke Verordening of een evenementenverordening uit van het toepassingsbereik van deze afdeling over milieubelastende activiteiten. Deels gebeurt dit al met onderdeel c, omdat evenementen vaak plaatsvinden in de openbare buitenruimte. Maar regelmatig zijn evenementen ook besloten of vinden ze plaats in een tijdelijk leegstaand gebouw. Deze uitzondering geldt niet voor activiteiten waarvoor geen geluidregels gelden bij of krachtens een gemeentelijke verordening, maar waarvoor geluidregels waren opgenomen in een omgevingsvergunning voor een inrichting op grond van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Voorbeelden hiervan kunnen zijn permanente evenemententerreinen of evenementenhallen.
Onderdeel 6
Deze uitzondering beoogt vooral het gebruik van landbouwvoertuigen op weilanden en akkers uit te sluiten van het algemene toepassingsbereik voor deze afdeling. De opslag van vaste mest op een weiland of akker valt wel onder dit algemene toepassingsbereik. Een installatie die verplaatsbaar is maar gedurende een langere periode achtereen op een weiland of akkers wordt gebruikt, wordt niet gezien als mobiele installatie en valt ook onder de regels voor de milieubelastende activiteiten in dit omgevingsplan. Bijvoorbeeld een antihagelkanon. Ook verplaatsbare mijnbouwwerken vallen onder het toepassingsbereik van deze afdeling.
Onderdeel 7
Vaste objecten zoals bruggen, sluizen en tunnels kunnen door de aanwezigheid van elektromotorisch vermogen gezien worden als milieubelastende activiteiten. Bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen vallen niet onder het toepassingsbereik van dit omgevingsplan.
Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet bleven elektromotoren van bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen buiten beschouwing bij het bepalen of sprake was van een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Dit was bepaald in categorie 1, 1.2, onder c, van bijlage I, onderdeel C, bij het Besluit omgevingsrecht, zoals dat gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Onderdeel d
In artikel 16.1 tweede lid is de uitzondering opgenomen dat deze paragraaf niet geldt voor trillingen in een trillinggevoelig gebouw dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan 10 jaar.
Op grond van dit artikel, geldt die uitzondering alleen voor een trillinggevoelig gebouw dat na de inwerkingtreding van de Omgevingswet is toegelaten voor een duur van niet meer dan 10 jaar, waarbij getoetst is aan de kwalitatieve norm «aanvaardbaar» uit artikel 5.83, tweede lid, van het Bkl.
VVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVV
Na sectie ' Waarden voor continue trillingen' wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Toelichting
In de gemeente Rijssen - Holten zijn een aantal (grotere) transportleidingen voor (aard)gas aanwezig. Rondom deze leidingen gelden aanvullende regels voor het bouwen van bouwwerken of het uitvoeren van werkzaamheden zoals graven of het kappen of planten van bomen.
WWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWW
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX
Na sectie ' Brandaandachtsgebied - aanwijzing (gereserveerd)' wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Toelichting
Dit artikel geeft de mogelijkheid een toekomstig risicogebied externe veiligheid aan te wijzen (artikel 5.16 Besluit kwaliteit leefomgeving).
YYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYY
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
ZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZ
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAA
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Toelichting
Tweede lid, onderdeel a
Het tweede lid bevat een voorrangbepaling voor vergunningvoorschriften in een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit, die met toepassing van het recht zoals dat gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, is verleend. Het gaat hierbij om een vergunningplichtige milieubelastende activiteit die in hoofdstuk 3 van het Bal is aangewezen en waarbij deze vergunningvoorschriften bevat voor een onderwerp dat naar het omgevingsplan is verschoven. Op grond van het overgangsrecht van artikel 4.13, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijven deze vergunningvoorschriften gelden. De vergunningvoorschriften gelden naast het omgevingsplan. De strengste regel is dan bepalend. Ten tijde van de vergunningverlening zijn juist bewust strengere of soepeler voorschriften gesteld, afgestemd op de locatie. De regels van de hoofdstukken over milieubelastende activiteiten dit omgevingsplan zijn niet van toepassing, voor zover zo’n vergunningvoorschrift geldt. De uitdrukking «voor zover» betekent «in de mate dat». Dat houdt in dat alleen die voorschriften uit de hoofdstukken over milieubelastende activiteiten van dit omgevingsplan buiten toepassing blijven waarvoor voorschriften in de omgevingsvergunning zijn gesteld. Als bijvoorbeeld de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit voor geluid alleen voorschriften met waarden bevat, dan blijft artikel 6.196.18 van dit omgevingsplan met geluidwaarden voor geluidgevoelige gebouwen buiten toepassing. Maar artikel 6.166.15 van dit omgevingsplan, dat bepaalt wanneer een akoestisch onderzoek gedaan moet worden, is wel van toepassing.
Deze voorrangsbepaling kan relevant zijn voor de volgende onderdelen van de hoofdstukken over milieubelastende activiteiten van dit omgevingsplan:
Hoofdstuk 2 Afval
Hoofdstuk 6 Geluid
Hoofdstuk 16 Trillingen
Paragraaf 18.2.3 Lozen bij maken van betonmortel
Paragraaf 18.2.18 Uitwassen van beton
Paragraaf 18.2.13 Ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal
Paragraaf 3.3.1.1 In werking hebben van een acculader
Dit omgevingsplan voorziet niet in een voorrangsbepaling voor bestaande vergunningvoorschriften of maatwerkvoorschriften op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer die op grond van het algemene overgangsrecht maatwerkvoorschriften zijn geworden en die afwijken van of een nadere invulling geven aan de omgevingsplanregels in dit omgevingsplan. Uit de wetssystematiek volgt al dat een maatwerkvoorschrift voorrang heeft op een algemene bepaling.
Tweede lid, onderdeel b, sub 1 tot en met 7
De onderdelen a tot en met f van het tweede lid sluiten bepaalde milieubelastende activiteiten uit van het algemene toepassingsbereik van deze afdeling.
Op grond van artikel 22.2, eerste lid, van de Omgevingswet mogen de omgevingsplanregels van rijkswege alleen gaan over regels die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet bij of krachtens de wet waren gesteld of daaraan gelijkwaardige regels. Het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de voormalige Wet geurhinder en veehouderij waren alleen van toepassing op inrichtingen als bedoeld in artikel 1, derde lid, van de Wet milieubeheer. Omdat het begrip milieubelastende activiteit in de Omgevingswet breder is dan dat begrip inrichting, is in dit lid een afbakening van het toepassingsbereik opgenomen.
Bij de overgang naar een nieuwe wetsystematiek en begrippenkader is het niet te voorkomen dat er enkele verschuivingen in de uitvoering van de regelgeving optreden. Aanmerkelijke verschuivingen in het toepassingsbereik zijn niet beoogd. Desondanks zullen er op kleine schaal wel enige verschuivingen optreden, omdat de oude criteria van het begrip inrichting niet één op één zijn overgenomen. De omschrijving van het toepassingsbereik in dit artikel vraagt enige mate van interpretatie. Ook de criteria van het begrip inrichting uit de Wet milieubeheer vroegen om interpretatie, en werden door verschillende bevoegde instanties enigszins verschillend geïnterpreteerd.
Bij de interpretatie van het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, is het raadzaam om aan te sluiten bij de praktijk van de voormalige regelgeving. Als een activiteit als Wet milieubeheer-inrichting werd beschouwd, kan deze ook onder de regels voor milieubelastende activiteiten van deze afdeling vallen.
Een beperkte verschuiving is op zich niet bezwaarlijk, als dit er niet toe leidt dat:
a) activiteiten die eerst niet onder rijksregels vielen door de regels van deze afdeling van dit omgevingsplan worden beperkt;
b) activiteiten die wel onder de regels vielen en reële risico’s voor de fysieke leefomgeving inhouden ongeregeld blijven.
Situaties als bedoeld onder a zullen niet snel voorkomen. Juist aan de «onderkant» van het inrichtingenbegrip golden er naast de regels van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer ook andere regels die ervoor zorgen dat ook activiteiten die geen inrichting waren toch aan regels ter bescherming van de leefomgeving waren gebonden. Denk bijvoorbeeld aan de regels van de Algemene Plaatselijke Verordening, maar ook het restrisico-artikel van het Bouwbesluit 2012 (artikel 7.22). Deze regels van de Algemene Plaatselijke Verordening blijven op het moment van de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van het algemeen overgangsrecht (artikel 22.4 van de Omgevingswet bepaalt namelijk dat artikel 122 van de Gemeentewet tijdelijk niet van toepassing is) gelden. Het restrisico-artikel van het Bouwbesluit 2012 is ook opgenomen als regel van rijkswege in het omgevingsplan. Bovendien zijn de regels van deze afdeling voor activiteiten waarop ze van toepassing zouden worden zelden feitelijk beperkend, omdat bij het op gebruikelijke wijze uitvoeren van de activiteit aan de regels wordt voldaan.
Ook voor situaties als bedoeld onder b hoeft in zijn algemeenheid niet te worden gevreesd. Veelal gold voor de activiteiten aan de onderkant van het inrichtingenbegrip naast de zorgplicht van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 2.1) alleen een beperkt aantal regels, zoals de geluidregels. Een eventuele overtreding van de zorgplicht van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer zal in veel gevallen ook als overtreding van de algemene zorgplicht van de Omgevingswet kunnen worden aangemerkt. En omdat de rijksregels niet gelden, zal ook de Algemene Plaatselijke Verordening veelal een deel van de bescherming overnemen.
Het algemene overgangsrecht in artikel 22.4 van de Omgevingswet en de mogelijkheden voor maatwerk op grond van deze afdeling zullen eventuele nadelige gevolgen van de beperkte verschuivingen voldoende ondervangen.
Bij het voorbereiden van deze afdeling zijn al verschillende mogelijke verschuivingen in het toepassingsbereik geïdentificeerd. Belangrijke aandachtspunten worden hieronder benoemd.
De onderdelen in dit tweede lid beogen de criteria «een omvang alsof zij bedrijfsmatig is», «binnen een zekere begrenzing» en «pleegt te worden verricht» binnen de omschrijving van het begrip inrichting in de Wet milieubeheer te vervangen. De categorieën uit bijlage I bij het Besluit omgevingsrecht zijn niet overgenomen. Sommige ondergrenzen in die categorieën kunnen eventueel terugkomen in het toepassingsbereik van de paragrafen in deze afdeling.
Kleine winkels waar geen installaties met meer dan 1,5 kW elektromotorisch vermogen aanwezig zijn, waren bijvoorbeeld meestal geen Wet milieubeheer-inrichting, maar vallen nu wel onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling in het omgevingsplan. Alhoewel er geen specifieke voorschriften voor gelden, moeten deze activiteiten wel voldoen aan de specifieke zorgplicht.
Tweede lid, onderdeel b, sub 1
De omgevingsplanregels van rijkswege voor de milieubelastende activiteit zijn alleen van toepassing op milieubelastende activiteiten, anders dan wonen. Hiermee wordt aangesloten op het toepassingsbereik voor de instructieregels voor geluid, trillingen en geur in het Bkl.
Als een hobby een bepaalde omvang overstijgt kan dit ertoe leiden dat het verrichten van een activiteit niet meer onder wonen valt. Denk hierbij aan het in een bepaalde omvang houden van dieren, sleutelen aan auto’s, meubels maken of bereiden van voedingsmiddelen. Waar de grens ligt, is een grijs gebied. Hetzelfde geldt voor bedrijven aan huis. De gemeente mag hier ook zelf invulling aan geven in het omgevingsplan. Overigens was bij de toetsing of er sprake was van een Wet milieubeheer-inrichting het criterium «een omvang alsof zij bedrijfsmatig is» ook altijd een grijs gebied.
Een ander bekend voorbeeld van onduidelijkheid over de vraag of een activiteit een Wet milieubeheer-inrichting was, is het opslaan van huisbrandolie of propaan in tanks bij particulieren. Onder het regime van de Omgevingswet wordt dit afgedekt door het Bal.
Tweede lid, onderdeel b, sub 2
Het feitelijk verrichten van bouw- en sloopactiviteiten of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein, vallen niet onder deze afdeling. Ook in het Bbl zijn eisen opgenomen voor zowel geluid als trillingen bij bouw- en sloopactiviteiten. Het Bbl bevat voor het verrichten van die activiteiten ook een specifieke zorgplicht. Verder bevat de Algemene Plaatselijke Verordening vaak regels ter voorkoming van hinder door bouw- en sloopgerelateerde activiteiten. Het algemene overgangsrecht van de Omgevingswet in artikel 22.4 van de Omgevingswet zorgt ervoor dat deze regels van de Algemene Plaatselijke Verordening bij de inwerkingtreding van de wet blijven gelden. Naast deze regels bevat afdeling 17.2 van dit omgevingsplan een specifieke zorgplicht voor het gebruik van een bouwwerk (artikel 17.2717.29). Het is dus niet zo dat er, door de uitzondering in dit onderdeel, voor deze activiteiten geen regels gelden.
Onder het regime van de Wet milieubeheer gebeurde het in bijzondere gevallen wel dat bouwwerkzaamheden die langer duurden dan zes maanden, als een Wet milieubeheer-inrichting werden gezien. Deze activiteiten vallen buiten het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, maar ook daarvoor geldt dat de hiervoor genoemde regels van toepassing zijn.
Tweede lid, onderdeel b, sub 3
Deze uitzondering beoogt de activiteiten die in de openbare buitenruimte plaatsvinden uit te sluiten. Voorbeelden zijn kermissen en andere evenementen, weekmarkten, mobiele installaties/activiteiten zoals draaiorgels, ophalen van vuilnis en gevelreiniging (met uitzondering van lozen). Het voor korte periode bezetten van een stukje openbaar toegankelijk terrein, maakt het daarmee niet ontoegankelijk. Activiteiten in een openbaar toegankelijk gebouw, zoals een publieke parkeergarage of het stadhuis, vallen wel onder het toepassingsbereik. Ook het laden en lossen op de openbare weg in de onmiddellijke nabijheid van een winkel, of het verkeer van en naar het bedrijf valt wel onder het toepassingsbereik van deze afdeling.
Voor enkele activiteiten zoals het exploiteren van een mobiele vis-, friet-, oliebollen- of marktkraam of het exploiteren van een terras, was het afhankelijk van de situatie en de interpretatie van het bevoegd gezag of ze gezien werden als een Wet milieubeheer-inrichting. Deze interpretatieverschillen kunnen zich ook nu weer voordoen. Zoals al aangegeven in de inleiding van de toelichting op dit artikel is er in principe geen verschuiving in het toepassingsbereik van deze afdeling in het omgevingsplan ten opzichte van het oude begrip Wet milieubeheer-inrichting beoogd.
Tweede lid, onderdeel b, sub 4
Doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen valt niet onder deze afdeling van dit omgevingsplan.
Tweede lid, onderdeel b, sub 5
Dit onderdeel sluit evenementen, waarover geluidregels zijn gesteld in bijvoorbeeld de Algemene Plaatselijke Verordening of een evenementenverordening uit van het toepassingsbereik van deze afdeling over milieubelastende activiteiten. Deels gebeurt dit al met onderdeel c, omdat evenementen vaak plaatsvinden in de openbare buitenruimte. Maar regelmatig zijn evenementen ook besloten of vinden ze plaats in een tijdelijk leegstaand gebouw. Deze uitzondering geldt niet voor activiteiten waarvoor geen geluidregels gelden bij of krachtens een gemeentelijke verordening, maar waarvoor geluidregels waren opgenomen in een omgevingsvergunning voor een inrichting op grond van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Voorbeelden hiervan kunnen zijn permanente evenemententerreinen of evenementenhallen.
Tweede lid, onderdeel b, sub 6
Deze uitzondering beoogt vooral het gebruik van landbouwvoertuigen op weilanden en akkers uit te sluiten van het algemene toepassingsbereik voor deze afdeling. De opslag van vaste mest op een weiland of akker valt wel onder dit algemene toepassingsbereik. Een installatie die verplaatsbaar is maar gedurende een langere periode achtereen op een weiland of akkers wordt gebruikt, wordt niet gezien als mobiele installatie en valt ook onder de regels voor de milieubelastende activiteiten in dit omgevingsplan. Bijvoorbeeld een antihagelkanon. Ook verplaatsbare mijnbouwwerken vallen onder het toepassingsbereik van deze afdeling.
Tweede lid, onderdeel b, sub 7
Vaste objecten zoals bruggen, sluizen en tunnels kunnen door de aanwezigheid van elektromotorisch vermogen gezien worden als milieubelastende activiteiten. Bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen vallen niet onder het toepassingsbereik van dit omgevingsplan.
Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet bleven elektromotoren van bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen buiten beschouwing bij het bepalen of sprake was van een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Dit was bepaald in categorie 1, 1.2, onder c, van bijlage I, onderdeel C, bij het Besluit omgevingsrecht, zoals dat gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
BBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBB
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
CCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCC
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.39
Toelichting
Dit artikel bevat uitzonderingen op de mogelijkheden om vergunningvrije activiteiten als bedoeld in paragraaf 4.2.2 te verrichten vanwege het belang van de externe veiligheid. Deze uitzonderingen waren opgenomen in artikel 5, derde lid, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. Hieraan ligt ten grondslag de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico van ten hoogste een op de miljoen per jaar voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties die op grond van artikel 5.7 van het Bkl in een omgevingsplan in acht moet worden genomen. Voor zover paragraaf 4.2.2 betrekking heeft op die gebouwen – de onderdelen a en c – is het niet wenselijk dat op locaties waar door de in die onderdelen bedoelde activiteiten overschrijding van de norm voor het plaatsgebonden risico aan de orde zou kunnen zijn, vergunningvrij de in die onderdelen bedoelde activiteiten zouden kunnen worden verricht.
De locaties waar deze activiteiten niet mogelijk zijn, zijn in de eerste plaats de locaties waarvoor het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, zelf al vanwege de overschrijding van het plaatsgebonden risico bouwmogelijkheden die kunnen leiden tot kwetsbare of zeer kwetsbare gebouwen niet toelaat. Het gaat hier om artikel 3.5, onder a en b, dat een omzetting is van artikel 5, derde lid, onder a en b, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. De verwijzing naar dit omgevingsplan is hier uitdrukkelijk beperkt tot het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, dat kort samengevat bestaat uit de onder het voormalige recht geldende planologische regelingen. Dit omdat die regelingen uitgaan van de in de desbetreffende onderdelen van artikel 5, derde lid, gehanteerde begrippen en systematiek, die onder de Omgevingswet anders zijn. Het is aan gemeenten om daar bij het vaststellen van het omgevingsplan toepassing aan te geven. Hierop kan niet in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder c, van de Omgevingswet worden vooruitgelopen.
Artikel 17.917.11 zondert daarnaast ook vergunningvrije activiteiten als bedoeld in paragraaf 4.2.2 uit, als de beoogde locatie voor die activiteiten is gelegen binnen afstanden die degene die een vergunningvrije milieubelastende activiteit verricht op grond van het Bal in verband met het plaatsgebonden risico in acht moet nemen. Het gaat dan om de afstanden tussen bepaalde installaties of opslagvoorzieningen waar met stoffen wordt gewerkt die een veiligheidsrisico voor de omgeving met zich kunnen brengen en te beschermen gebouwen en locaties. Op grond van het Bal geldt als hoofdregel dat veiligheidsafstanden zoals hier bedoeld gelden tot de begrenzing van de locatie waarop de milieubelastende activiteit wordt verricht. Hierdoor zijn er ook geen beperkingen aan de gebruiksruimte buiten die begrenzing. Maar het Bal staat in een aantal situaties afwijking van deze regel toe. Onderdeel c is alleen voor die gevallen van praktisch belang. De zinsnede «voor zover ... van toepassing is» in de verschillende subonderdelen van artikel 17.917.11, brengt dat tot uitdrukking. Degene die een milieubelastende activiteit als hier bedoeld verricht, moet op grond van het Bal op het moment dat de veiligheidsafstanden van toepassing worden buiten de locatie waar hij zijn activiteit verricht, het bevoegd gezag daarover informeren. Het bevoegd gezag moet ervoor zorgen dat deze gegevens terecht komen in het landelijk register externe veiligheidsrisico’s en aldus voor eenieder kenbaar zijn.
Bij de opsomming van activiteiten in artikel 17.917.11, is aangesloten bij de opsomming van activiteiten in bijlage VII, onder A, bij het Bkl. Dat onderdeel van die bijlage geeft voor de daarin genoemde vergunningvrije milieubelastende activiteiten uit het Bal vastgestelde afstanden waarbij wordt voldaan aan de norm voor het plaatsgebonden risico. De opgesomde activiteiten, zoals die in artikel 17.917.11, onder verwijzing naar de desbetreffende artikelen uit het Bal zijn overgenomen, omvatten zes activiteiten die niet worden genoemd in artikel 5, derde lid, onder c, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. Het gaat hier om de subonderdelen 2, 5, 6, 7, 12 en 13. Voor de activiteit, bedoeld in subonderdeel 2 (het tanken van voertuigen of werktuigen met LPG), heeft dat als achtergrond dat deze activiteit onder het recht voor de Omgevingswet nog vergunningplichtig was. Door de verschuiving van vergunningplichtig naar vergunningvrij moet de activiteit nu aan de opsomming in artikel 17.917.11, worden toegevoegd. Voor de overige toegevoegde activiteiten is gelet op het belang van de externe veiligheid evenmin aanleiding om deze voor de toepassing van artikel 17.917.11, buiten beschouwing te laten.
Onder c is nummer 14 toegevoegd ten opzicht van het originele artikel 22.39 uit de bruidsschat. De toevoeging is afkomstig uit De Vangnetregeling Omgevingswet. Het corrigeert een onvolkomenheid in de bruidsschat. Deze bepaling zorgt ervoor dat het bouwen, in stand houden of gebruiken van bepaalde bouwwerken niet meer automatisch is toegestaan binnen een bepaalde afstand vanaf opslagtanks waarin organische oplosmiddelen worden opgeslagen.
DDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDD
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel is voormalig bruidsschat artikel 22.11. Uit het artikel is het oogmerk verwijderd en toegevoegd aan artikel 4.74.8. Verder is het artikel inhoudelijk overgenomen.
Toelichting
Dit artikel regelt in welke gevallen de drinkwatervoorziening moet zijn aangesloten op het openbare distributienet voor drinkwater. De wijze waarop de in dit artikel bedoelde afstanden moeten worden gemeten volgt uit de begripsbepaling van aansluitafstand opgenomen in dit omgevingsplan. Overigens houdt de aansluitplicht niet in dat het drinkwaterbedrijf tot de levering van drinkwater verplicht is of dat de aangeslotene tot het afnemen van drinkwater verplicht is. De aansluitplicht houdt slechts de plicht in tot het aanbrengen van de technische voorzieningen die het betrekken van drinkwater mogelijk maken. Of drinkwater wordt geleverd, is afhankelijk van een met het drinkwaterbedrijf te sluiten contract. Een aansluiting op het distributienet is niet verplicht wanneer door toepassing van het gelijkwaardigheidsbeginsel een alternatieve voorziening voor het betrekken van drinkwater is toegestaan.
EEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEE
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel is voormalig bruidsschat artikel 22.8. Uit lid 1 is het oogmerk verwijderd en toegevoegd aan artikel 17.817.10 . Lid 1 is verder inhoudelijk overgenomen. Lid 2 is verwerkt in het nieuwe artikel.
Toelichting
Dit artikel schrijft voor in welke gevallen de elektriciteitsvoorziening van een bouwwerk moet zijn aangesloten op het distributienet voor elektriciteit. Een aansluiting is voorgeschreven wanneer de aansluitafstand niet groter is dan 100 m. Bij een afstand van meer dan 100 m is de aansluiting voorgeschreven wanneer de aansluitkosten niet hoger zijn dan ze zouden zijn bij een afstand van 100 m. In gevallen dat de afstand groter is dan 100 m en de aansluitkosten hoger, kan worden gekozen voor een vrijwillige aansluiting op het distributienet of voor een individuele voorziening zoals bijvoorbeeld een generator. De wijze waarop de in dit artikellid genoemde afstanden moeten worden gemeten, vloeit voort uit de in dit omgevingsplan opgenomen begripsbepaling «aansluitafstand».
De aansluitplicht houdt alleen de plicht in tot het aanbrengen van de technische voorzieningen die het betrekken van elektriciteit mogelijk maken. Of elektriciteit daadwerkelijk wordt geleverd, is afhankelijk van een met het energiebedrijf te sluiten contract.
Overigens is een aansluiting op het distributienet niet verplicht wanneer op grond van het gelijkwaardigheidsbeginsel een alternatieve voorziening voor het betrekken van elektriciteit is toegestaan.
De in dit artikel opgenomen aansluitplicht op het distributienet voor elektriciteit geldt niet voor het bouwen van woonfuncties die gebouwd worden in particulier opdrachtgeverschap. Dit sluit aan bij de gelijkluidende uitzonderingen uit het Bouwbesluit 2012. Uiteraard staat het een initiatiefnemer wel vrij om vrijwillig op het distributienet aan te sluiten.
FFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFF
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel is voormalig bruidsschat artikel 22.9. Uit lid 1 is het oogmerk verwijderd en toegevoegd aan artikel 17.817.10. Lid 1 is verder inhoudelijk overgenomen. Lid 2 is verwerkt in het nieuwe artikel.
Toelichting
Dit artikel schrijft voor in welke gevallen de gasvoorziening van een bouwwerk moet zijn aangesloten op het distributienet voor gas. De aansluitplicht geldt voor een aansluitafstand die niet groter is dan 40 m of wanneer de aansluitkosten niet hoger zijn dan ze zouden zijn bij een aansluitafstand van 40 m. Opgemerkt wordt dat het sinds de wijzigingen in de Gaswet van 1 juli 2018 en de daarop aansluitende wijziging van het Bouwbesluit 2012 in veel gevallen niet meer mogelijk is nieuw te bouwen gebouwen te voorzien van een gasaansluiting voor zogenoemde kleinverbruikers. In dit artikel is net zoals voorheen in het Bouwbesluit 2012 de relatie met artikel 10, zesde lid, onderdeel a of b, van de Gaswet gelegd om duidelijk te maken dat dit artikel van de Gaswet van invloed is op de vraag of er bij nieuwbouw wel een aansluiting op het gasnet gerealiseerd kan worden door de netbeheerder. Het artikel in de Gaswet gaat niet over bestaande aansluitingen die al gerealiseerd zijn. Daarnaast geldt de aansluitplicht in dit artikel alleen als de aansluitafstand 40 m of kleiner is, of als de aansluitkosten niet hoger liggen dan bij een aansluitafstand van 40 m.
De in dit artikel opgenomen aansluitplicht op het distributienet voor gas geldt niet voor het bouwen van drijvende bouwwerken of voor woonfuncties die gebouwd worden in particulier opdrachtgeverschap. Dit sluit aan bij de gelijkluidende uitzonderingen uit het Bouwbesluit 2012. Deze bouwwerken hoeven dus al sinds enkele jaren niet meer aan te sluiten op het distributienet voor gas. Daarnaast is het sinds de bovengenoemde aanpassing van de Gaswet in 2018 in slechts enkele gevallen nog mogelijk is om nieuwe bouwwerken aan te sluiten op het distributienet voor gas. Het artikel bewerkstelligt dat er in een woning gebouwd in particulier opdrachtgeverschap nooit een aansluitplicht geldt.
GGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGG
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel is voormalig bruidsschat artikel 22.10. Uit lid 1 is het oogmerk verwijderd en toegevoegd aan artikel 17.817.10. Lid 1, 2 en 3 zijn verder inhoudelijk overgenomen. Lid 4 is vervallen omdat dat wij binnen de gemeente voor inwerkingtreding van de Omgevingswet geen distributienet voor warmte hebben.
Toelichting
Dit artikel stelt een eis voor nieuw te bouwen bouwwerken met een verblijfsgebied. Een dergelijk bouwwerk moet zijn aangesloten op het distributienet voor warmte als de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of de aansluitkosten niet hoger zijn dan ze zouden zijn bij een aansluitafstand van 40 m. Die plicht is niet alleen afhankelijk van de aansluitafstand maar ook van de vraag of het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen op het distributienet op het moment van het indienen van de aanvraag om vergunning voor het bouwen nog niet is bereikt. Bij een distributienet voor warmte kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een netwerk voor stadsverwarming. Op grond van het tweede lid zal bij een beroep op een daaraan gelijkwaardige oplossing niet alleen rekening moeten worden gehouden met veiligheid maar ook met energiezuinigheid en milieu. Met het tweede lid wordt de toepassing van het gelijkwaardigheidsbeginsel op de aansluiting op het distributienet ingekaderd. In dat tweede lid is aangegeven aan welke energiezuinigheids- en milieucriteria een andere oplossing dan een aansluiting op het warmtenet moet voldoen om in een voorkomend geval als gelijkwaardig aan die aansluiting te kunnen worden aangemerkt. Bij de beoordeling van die gelijkwaardigheid moeten de energiezuinigheids- en milieuprestaties van de aangedragen andere oplossing vergeleken worden met de prestaties bij aansluiting op het warmtenet. Referentiekader daarbij is de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu zoals deze in het warmteplan is opgenomen. De prestaties van het warmtenet moeten daarom voldoende concreet in het warmteplan, als onderdeel van het omgevingsplan, zijn opgenomen. Als, bijvoorbeeld, in het warmteplan alleen gegevens over de CO2-uitstoot van het warmtenet zijn opgenomen en niet over NOx-effecten, dan moeten de milieuprestaties van de te beoordelen andere oplossing alleen voor de CO2-uitstoot worden bepaald en mag NOx niet als factor in beschouwing worden genomen. Als een gemeente voor energiezuinigheid de wettelijk vastgestelde energieprestatiecoëfficiënt (EPC) wil realiseren, dan kan de gemeente in het warmteplan volstaan met de vermelding dat de wettelijke EPC wordt nagestreefd. Aanleg van nieuwe warmtenetten geschiedt veelal in gebieden met een grote bouwopgave (bijvoorbeeld een nieuwe woonwijk met meerdere duizenden woningen). De uitvoering van zo’n bouwopgave en – in samenhang daarmee – van de aanleg van het distributienet voor warmte geschiedt niet in één keer, maar gefaseerd. De uiteindelijke prestatie van het distributienet voor energiezuinigheid en bescherming van het milieu treedt pas op vanaf het moment dat het in het warmteplan aangegeven aantal aansluitingen is bereikt. De beoordeling van de gelijkwaardigheid van een aangedragen andere oplossing moet daarom plaatsvinden op basis van die uiteindelijke energiezuinigheids- en milieuprestaties van het warmtenet, zoals die in het warmteplan zijn aangegeven. Zie verder ook de toelichting op de omschrijvingen van de begrippen distributienet voor warmte en warmteplan.
De in dit artikel opgenomen aansluitplicht op het distributienet voor warmte geldt niet voor het bouwen van woonfuncties die gebouwd worden in particulier opdrachtgeverschap. Dit sluit aan bij de gelijkluidende uitzonderingen uit het Bouwbesluit 2012. Uiteraard staat het een initiatiefnemer daarnaast ook vrij om vrijwillig op het distributienet aan te sluiten.
HHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHH
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
IIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIII
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
JJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.14. Uit het artikel is het oogmerk verwijderd en toegevoegd aan artikel 17.817.10. Verder is het artikel inhoudelijk overgenomen en aangevuld met het zesde lid specifiek voor de brandgangen op de Borkeld.
Toelichting
Dit artikel bevat regels bestemd voor de bereikbaarheid van gebouwen en bouwwerken die geen gebouw zijn waarin personen kunnen verblijven, voor brandweervoertuigen en voertuigen van andere hulpverleningsdiensten. Op grond van het eerste lid moet tussen de openbare weg en de toegang van een bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg aanwezig zijn die geschikt is voor het te verwachten verkeer, zoals brandweervoertuigen en voertuigen van andere hulpverleningsdiensten. Niet elk gebouw of elk bouwwerk geen gebouw zijnde waarin personen kunnen verblijven hoeft over zo’n verbindingsweg te beschikken. Zo’n weg is niet vereist in de in het tweede lid aangegeven gevallen, zoals bij een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2 of als de toegang tot het bouwwerk op ten hoogste 10 meter van een openbare weg ligt of wanneer het bevoegd gezag van oordeel is dat de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk de aanwezigheid van die voorziening niet nodig maakt..
KKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKK
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
LLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLL
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMM
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
NNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNN
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOO
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.13. Uit het artikel is het oogmerk verwijderd en toegevoegd aan artikel 4.74.8 a. Verder is het artikel inhoudelijk overgenomen.
Toelichting
Op grond van het eerste lid moeten gebouwen en andere bouwwerken een toereikende bluswatervoorziening hebben. Doel van dit voorschrift is te waarborgen dat voor de brandweer een adequate openbare of niet-openbare bluswatervoorziening in of bij een bouwwerk beschikbaar is. Wanneer geen toereikende openbare bluswatervoorziening aanwezig is, moet worden zorg gedragen voor een toereikende niet-openbare bluswatervoorziening. Voorbeelden van bluswatervoorzieningen zijn een brandkraan of andere aansluiting op het drinkwater- of ander leidingnet voor bluswater, een watervoorraad, zoals een reservoir, een bassin, een blusvijver, een waterput of een bron (grondwater) of oppervlaktewater zoals een meer, de zee, een sloot, of een kanaal. Een bluswatervoorziening moet bereikbaar en betrouwbaar zijn, dus ook bij droogte of vorst. Daarom is in het artikel opgenomen dat een bluswatervoorziening niet nodig is als dit naar oordeel van het bevoegd gezag gezien de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk niet nodig is.
Het tweede lid regelt de maximaal toegestane afstand tussen een bluswatervoorziening en een ingang van een bouwwerk (gebouw of bouwwerk geen gebouw zijnde). Als het bouwwerk op grond van het Bbl over een brandweeringang moet beschikken, wordt de maximale afstand tussen de bluswatervoorziening en die specifieke ingang geregeld.
De afstand mag niet meer dan 40 m bedragen. Wanneer in de straat of de weg een fysieke scheiding aanwezig is, zoals een gracht of beschermde trambaan, dan moet rekening worden gehouden met de omweg die daar het gevolg van is.
Het derde lid regelt dat de bluswatervoorziening altijd direct bereikbaar moet zijn. Zo kan het bijvoorbeeld noodzakelijk zijn om maatregelen te treffen om te voorkomen dat een bluswatervoorziening wordt geblokkeerd door geparkeerde auto’s of andere objecten.
PPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPP
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.17 en 22.21. Uit de artikelen is het oogmerk verwijderd en toegevoegd aan artikel 17.817.10. De artikelen zijn samengevoegd omdat ze inhoudelijk gelijkluidend zijn, maar zien op bouwwerken of open erven en terreinen.
Toelichting
Dit artikel heeft betrekking op het staken van het gebruik van een bouwwerk, open erf of terrein als dat gebruik gevaarlijk is in verband met de bouwvalligheid van een nabij gelegen bouwwerk. Voordat sprake kan zijn van een overtreding waartegen het handhavend kan worden opgetreden is het nodig dat het bevoegd gezag eerst een mededeling heeft gedaan dat het gebruik vanwege de technische kwaliteit van dat andere bouwwerk gevaarlijk is. Die mededeling is een mededeling van feitelijke aard en geen beschikking. Als het gebruik na ontvangst van de bedoelde mededeling toch wordt voortgezet kan op grond van artikel 125 van de Gemeentewet en artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht handhavend worden opgetreden door oplegging van een last onder bestuursdwang of een last onder de dwangsom. In spoedeisende gevallen kan bestuursdwang zo nodig zonder voorafgaande last worden toegepast (artikel 5:31 van de Algemene wet bestuursrecht).
QQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.15. Uit het artikel is het oogmerk verwijderd en toegevoegd aan artikel 4.74.8 a. Verder is het artikel inhoudelijk overgenomen.
Artikelsgewijze toelichting
Dit artikel heeft betrekking op opstelplaatsen voor brandweervoertuigen bij bouwwerken die voor het verblijf van personen zijn bestemd. Op grond van het eerste lid moeten bij een gebouw en bij een bouwwerk geen gebouw zijnde waarin personen kunnen verblijven opstelplaatsen voor brandweervoertuigen aanwezig zijn, zodat die voertuigen op doeltreffende wijze kunnen worden aangesloten op de bluswatervoorziening. Die opstelplaatsen moeten in voldoende aantal aanwezig zijn, al naar gelang de grootte van het bouwwerk. Zulke opstelplaatsen zijn niet vereist in de in het tweede lid aangegeven gevallen, zoals bij een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2 of als de aard, de ligging of het gebruik van het gebouw respectievelijk het bouwwerk dat naar het oordeel van het bevoegd gezag niet vereist. Het derde lid regelt de maximaal toegestane afstand tussen een opstelplaats en een ingang van het gebouw/bouwwerk. Als het bouwwerk op grond van het Bbl over een brandweeringang moet beschikken, wordt de maximale afstand tussen de bluswatervoorziening en die specifieke ingang geregeld. De afstand mag niet meer dan 40 m bedragen. In het vierde lid is bepaald dat een opstelplaats over de voorgeschreven hoogte en breedte moet worden vrijgehouden voor brandweervoertuigen. Zo mag een opstelplaats niet worden geblokkeerd door geparkeerde auto’s of overhangende takken. Het vijfde lid bepaalt dat een opstelplaats niet zodanig door hekwerken mag zijn afgesloten dat dit de brandweer of andere hulpdiensten (onnodig) hindert. Een eventueel ontsluitingssysteem moet in overleg met het bevoegd gezag worden gekozen.
RRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRR
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.16. Uit het artikel is het oogmerk verwijderd en toegevoegd aan artikel 17.817.10. Verder is het artikel inhoudelijk overgenomen.
Toelichting
Dit artikel is bedoeld om te voorkomen dat de gezondheid van de bewoners door overbewoning in het geding komt. Dit voorschrift is nadrukkelijk niet bedoeld als normstelling in het kader van de verdeling van woonruimte. Op basis van dit voorschrift kan het bevoegd gezag alleen optreden in het uitzonderlijke geval dat er zoveel mensen in een woning of woonwagen wonen dat dit problemen voor de gezondheid kan opleveren.
SSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSS
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
TTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTT
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
UUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUU
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
VVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVV
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
WWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWW
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
YYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYY
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
ZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZ
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAA
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
BBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBB
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
CCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCC
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
DDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDD
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
EEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEE
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
FFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFF
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
GGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGG
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHH
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
IIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIII
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
JJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJ
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
KKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKK
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
LLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLL
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMM
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
NNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNN
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOO
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Toelichting
Opslagtanks voor gassen die in elkaars onmiddellijke nabijheid staan, kunnen elkaar beïnvloeden bij incidenten. Het risico op een incident van twee opslagtanks in elkaars nabijheid is meer dan twee keer zo groot als het risico van de twee opslagtanks apart. De PGS-richtlijnen schrijven om die reden voor dat opslagtanks onderling bepaalde afstanden aan moeten houden, en ook een bepaalde afstand tot de erfgrens aan moeten houden. Bij het toelaten van een opslag van gassen op een locatie in meer dan twee opslagtanks moet de veiligheid beoordeeld worden. Dit vergt maatwerk.
Op grond van artikel 17.717.9, tweede lid geldt deze vergunningplicht niet voor milieubelastende activiteiten die in hoofdstuk 3 van het Bal aangewezen zijn als vergunningplichtig. Op grond van artikel 3.22 van het Bal geldt er een vergunningplicht voor opslagtanks met een inhoud van meer dan 13 m3.
PPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPP
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
QQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQ
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
RRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRR
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
SSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSS
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
TTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTT
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
UUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUU
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
VVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVV
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
WWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWW
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
YYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYY
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
ZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZ
Sectie ' Beoordelingsregels verbranden bedrijfsval buiten een inrichting ' wordt geplaatst na sectie ' Verbod bedrijfsmatige sierteelt en kwekerijen'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAA
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ' Beoordelingsregels verbranden bedrijfsval buiten een inrichting '. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
BBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBB
Sectie ' Voorschriften verbinden aan omgevingsvergunning' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
CCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCC
Sectie ' Specifieke zorgplicht milieubelastende activiteiten' wordt geplaatst na sectie ' Voorschriften verbinden aan omgevingsvergunning'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
DDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDD
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ' Specifieke zorgplicht milieubelastende activiteiten'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Toelichting
Nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van en naar de activiteit betreffen hinder door bezoekersverkeer en indirecte geluidhinder.
Bezoekersverkeer is het bezoek van klanten of bezoekers aan een activiteit. De Handreiking Vervoermanagement (november 2017) geeft inzicht in de wijze waarop invulling gegeven kan worden aan dit aspect van de specifieke zorgplicht. Daarnaast legt de handreiking de relatie met de EED, the European Energy Efficiency Directive en hoe daar mee om te gaan. De verschillende doelgroepen krijgen met deze handreiking meer inzicht in de mogelijkheden voor een «integrale» aanpak van duurzame mobiliteit.
Onder indirecte geluidhinder wordt geluidhinder verstaan die niet wordt veroorzaakt door activiteiten of installaties binnen de begrenzing van de locatie waarop de activiteit plaatsvindt, maar die wel aan die activiteit zijn toe te rekenen. In de toelichting bij 6.106.9 (geluid: meerdere activiteiten beschouwen als een activiteit) wordt nader ingegaan op het verschil tussen directe geluidhinder en indirecte geluidhinder.
Het bevoegd gezag heeft op grond van artikel 11.3 de bevoegdheid maatwerkvoorschriften te stellen. Maatwerkvoorschriften kunnen ook inhouden dat de activiteiten worden beschreven en dat metingen, berekeningen of tellingen moeten worden verricht om de mate waarin nadelige gevolgen voor het milieu worden veroorzaakt, te bepalen. De resultaten van een dergelijk onderzoek kunnen aanleiding zijn aanvullende maatwerkvoorschriften te stellen ter voorkoming of beperking van nadelige gevolgen voor het milieu, zoals het voorschrijven van maatregelen en gedragsvoorschriften. Bij het stellen van maatwerkvoorschriften ter voorkoming van indirecte geluidhinder vanwege wegverkeer kan de circulaire van 29 februari 1996 van de Minister van VROM, getiteld «Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer» als hulpmiddel dienen. Dit is niet veranderd ten opzichte van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
Voor een verplaatsbaar mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 4.1116 van het Bal, stonden in artikel 21 van het voormalige Besluit algemene regels milieu mijnbouw en artikel 4 van de voormalige Regeling algemene regels milieu mijnbouw, regels over geluid door verkeersbewegingen. Deze regels hielden in dat de etmaalwaarde van de verkeersbewegingen van en naar de mobiele installatie niet hoger was dan 50 dB(A), beoordeeld volgens de hierboven genoemde circulaire van 29 februari 1996. Deze regels komen niet expliciet terug in deze afdeling, maar vallen wel onder de specifieke zorgplicht van dit omgevingsplan, bedoeld in dit derde lid.
Anders dan bij de plichten uit het tweede lid van dit artikel, geldt de zorgplicht uit dit derde lid ook voor milieubelastende activiteiten als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Bal. Niet voor alle nadelige gevolgen van milieubelastende activiteiten voor de fysieke leefomgeving zijn rijksregels gesteld in het Bal. Anders dan in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 2.1, eerste lid, in samenhang met het tweede lid, onderdeel k en q) maken de nadelige gevolgen van het verkeer van personen of goederen van en naar een activiteit en de bescherming van het donkere landschap geen onderdeel uit van de belangen die met het Bal worden behartigd. Voor de belangen die buiten het Bal vallen, kunnen voor het waarborgen van deze belangen op decentraal niveau regels worden gesteld. In dit artikel is dit gedaan, door in het derde lid het voorkomen of beperken van hinder, veroorzaakt door verkeer van en naar de activiteit en het beschermen van de duisternis en het donkere landschap op te nemen.
EEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEE
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
FFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFF
Na sectie '' wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Toelichting
Dit artikel voorziet in de toekomstige mogelijkheid een bergingsgebied aan te wijzen (instructieregels omgevingsverordening).
GGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGG
Sectie ' Toepassingsbereik' wordt geplaatst na sectie ' Bergingsgebied (gereserveerd)'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHH
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ' Toepassingsbereik'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
IIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIII
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Toelichting
Onderdeel a
Het tweede lid bevat een voorrangbepaling voor vergunningvoorschriften in een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit, die met toepassing van het recht zoals dat gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, is verleend. Het gaat hierbij om een vergunningplichtige milieubelastende activiteit die in hoofdstuk 3 van het Bal is aangewezen en waarbij deze vergunningvoorschriften bevat voor een onderwerp dat naar het omgevingsplan is verschoven. Op grond van het overgangsrecht van artikel 4.13, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijven deze vergunningvoorschriften gelden. De vergunningvoorschriften gelden naast het omgevingsplan. De strengste regel is dan bepalend. Ten tijde van de vergunningverlening zijn juist bewust strengere of soepeler voorschriften gesteld, afgestemd op de locatie. De regels van de hoofdstukken over milieubelastende activiteiten dit omgevingsplan zijn niet van toepassing, voor zover zo’n vergunningvoorschrift geldt. De uitdrukking «voor zover» betekent «in de mate dat». Dat houdt in dat alleen die voorschriften uit de hoofdstukken over milieubelastende activiteiten van dit omgevingsplan buiten toepassing blijven waarvoor voorschriften in de omgevingsvergunning zijn gesteld. Als bijvoorbeeld de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit voor geluid alleen voorschriften met waarden bevat, dan blijft artikel 6.196.18 van dit omgevingsplan met geluidwaarden voor geluidgevoelige gebouwen buiten toepassing. Maar artikel 6.166.15 van dit omgevingsplan, dat bepaalt wanneer een akoestisch onderzoek gedaan moet worden, is wel van toepassing.
Deze voorrangsbepaling kan relevant zijn voor de volgende onderdelen van de hoofdstukken over milieubelastende activiteiten van dit omgevingsplan:
Hoofdstuk 2 Afval
Hoofdstuk 6 Geluid
Hoofdstuk 16 Trillingen
Paragraaf 18.2.3 Lozen bij maken van betonmortel
Paragraaf 18.2.18 Uitwassen van beton
Paragraaf 18.2.13 Ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal
Paragraaf 3.3.1.1 In werking hebben van een acculader
Dit omgevingsplan voorziet niet in een voorrangsbepaling voor bestaande vergunningvoorschriften of maatwerkvoorschriften op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer die op grond van het algemene overgangsrecht maatwerkvoorschriften zijn geworden en die afwijken van of een nadere invulling geven aan de omgevingsplanregels in dit omgevingsplan. Uit de wetssystematiek volgt al dat een maatwerkvoorschrift voorrang heeft op een algemene bepaling.
Onderdeel b, sub 1 tot en met 7
De onderdelen a tot en met f van het tweede lid sluiten bepaalde milieubelastende activiteiten uit van het algemene toepassingsbereik van deze afdeling.
Op grond van artikel 22.2, eerste lid, van de Omgevingswet mogen de omgevingsplanregels van rijkswege alleen gaan over regels die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet bij of krachtens de wet waren gesteld of daaraan gelijkwaardige regels. Het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de voormalige Wet geurhinder en veehouderij waren alleen van toepassing op inrichtingen als bedoeld in artikel 1, derde lid, van de Wet milieubeheer. Omdat het begrip milieubelastende activiteit in de Omgevingswet breder is dan dat begrip inrichting, is in dit lid een afbakening van het toepassingsbereik opgenomen.
Bij de overgang naar een nieuwe wetsystematiek en begrippenkader is het niet te voorkomen dat er enkele verschuivingen in de uitvoering van de regelgeving optreden. Aanmerkelijke verschuivingen in het toepassingsbereik zijn niet beoogd. Desondanks zullen er op kleine schaal wel enige verschuivingen optreden, omdat de oude criteria van het begrip inrichting niet één op één zijn overgenomen. De omschrijving van het toepassingsbereik in dit artikel vraagt enige mate van interpretatie. Ook de criteria van het begrip inrichting uit de Wet milieubeheer vroegen om interpretatie, en werden door verschillende bevoegde instanties enigszins verschillend geïnterpreteerd.
Bij de interpretatie van het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, is het raadzaam om aan te sluiten bij de praktijk van de voormalige regelgeving. Als een activiteit als Wet milieubeheer-inrichting werd beschouwd, kan deze ook onder de regels voor milieubelastende activiteiten van deze afdeling vallen.
Een beperkte verschuiving is op zich niet bezwaarlijk, als dit er niet toe leidt dat:
a) activiteiten die eerst niet onder rijksregels vielen door de regels van deze afdeling van dit omgevingsplan worden beperkt;
b) activiteiten die wel onder de regels vielen en reële risico’s voor de fysieke leefomgeving inhouden ongeregeld blijven.
Situaties als bedoeld onder a zullen niet snel voorkomen. Juist aan de «onderkant» van het inrichtingenbegrip golden er naast de regels van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer ook andere regels die ervoor zorgen dat ook activiteiten die geen inrichting waren toch aan regels ter bescherming van de leefomgeving waren gebonden. Denk bijvoorbeeld aan de regels van de Algemene Plaatselijke Verordening, maar ook het restrisico-artikel van het Bouwbesluit 2012 (artikel 7.22). Deze regels van de Algemene Plaatselijke Verordening blijven op het moment van de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van het algemeen overgangsrecht (artikel 22.4 van de Omgevingswet bepaalt namelijk dat artikel 122 van de Gemeentewet tijdelijk niet van toepassing is) gelden. Het restrisico-artikel van het Bouwbesluit 2012 is ook opgenomen als regel van rijkswege in het omgevingsplan. Bovendien zijn de regels van deze afdeling voor activiteiten waarop ze van toepassing zouden worden zelden feitelijk beperkend, omdat bij het op gebruikelijke wijze uitvoeren van de activiteit aan de regels wordt voldaan.
Ook voor situaties als bedoeld onder b hoeft in zijn algemeenheid niet te worden gevreesd. Veelal gold voor de activiteiten aan de onderkant van het inrichtingenbegrip naast de zorgplicht van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 2.1) alleen een beperkt aantal regels, zoals de geluidregels. Een eventuele overtreding van de zorgplicht van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer zal in veel gevallen ook als overtreding van de algemene zorgplicht van de Omgevingswet kunnen worden aangemerkt. En omdat de rijksregels niet gelden, zal ook de Algemene Plaatselijke Verordening veelal een deel van de bescherming overnemen.
Het algemene overgangsrecht in artikel 22.4 van de Omgevingswet en de mogelijkheden voor maatwerk op grond van deze afdeling zullen eventuele nadelige gevolgen van de beperkte verschuivingen voldoende ondervangen.
Bij het voorbereiden van deze afdeling zijn al verschillende mogelijke verschuivingen in het toepassingsbereik geïdentificeerd. Belangrijke aandachtspunten worden hieronder benoemd.
De onderdelen in dit tweede lid beogen de criteria «een omvang alsof zij bedrijfsmatig is», «binnen een zekere begrenzing» en «pleegt te worden verricht» binnen de omschrijving van het begrip inrichting in de Wet milieubeheer te vervangen. De categorieën uit bijlage I bij het Besluit omgevingsrecht zijn niet overgenomen. Sommige ondergrenzen in die categorieën kunnen eventueel terugkomen in het toepassingsbereik van de paragrafen in deze afdeling.
Kleine winkels waar geen installaties met meer dan 1,5 kW elektromotorisch vermogen aanwezig zijn, waren bijvoorbeeld meestal geen Wet milieubeheer-inrichting, maar vallen nu wel onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling in het omgevingsplan. Alhoewel er geen specifieke voorschriften voor gelden, moeten deze activiteiten wel voldoen aan de specifieke zorgplicht.
Onderdeel b, sub 1
De omgevingsplanregels van rijkswege voor de milieubelastende activiteit zijn alleen van toepassing op milieubelastende activiteiten, anders dan wonen. Hiermee wordt aangesloten op het toepassingsbereik voor de instructieregels voor geluid, trillingen en geur in het Bkl.
Als een hobby een bepaalde omvang overstijgt kan dit ertoe leiden dat het verrichten van een activiteit niet meer onder wonen valt. Denk hierbij aan het in een bepaalde omvang houden van dieren, sleutelen aan auto’s, meubels maken of bereiden van voedingsmiddelen. Waar de grens ligt, is een grijs gebied. Hetzelfde geldt voor bedrijven aan huis. De gemeente mag hier ook zelf invulling aan geven in het omgevingsplan. Overigens was bij de toetsing of er sprake was van een Wet milieubeheer-inrichting het criterium «een omvang alsof zij bedrijfsmatig is» ook altijd een grijs gebied.
Een ander bekend voorbeeld van onduidelijkheid over de vraag of een activiteit een Wet milieubeheer-inrichting was, is het opslaan van huisbrandolie of propaan in tanks bij particulieren. Onder het regime van de Omgevingswet wordt dit afgedekt door het Bal.
Onderdeel b, sub 2
Het feitelijk verrichten van bouw- en sloopactiviteiten of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein, vallen niet onder deze afdeling. Ook in het Bbl zijn eisen opgenomen voor zowel geluid als trillingen bij bouw- en sloopactiviteiten. Het Bbl bevat voor het verrichten van die activiteiten ook een specifieke zorgplicht. Verder bevat de Algemene Plaatselijke Verordening vaak regels ter voorkoming van hinder door bouw- en sloopgerelateerde activiteiten. Het algemene overgangsrecht van de Omgevingswet in artikel 22.4 van de Omgevingswet zorgt ervoor dat deze regels van de Algemene Plaatselijke Verordening bij de inwerkingtreding van de wet blijven gelden. Naast deze regels bevat afdeling 17.2 van dit omgevingsplan een specifieke zorgplicht voor het gebruik van een bouwwerk (artikel 17.2717.29). Het is dus niet zo dat er, door de uitzondering in dit onderdeel, voor deze activiteiten geen regels gelden.
Onder het regime van de Wet milieubeheer gebeurde het in bijzondere gevallen wel dat bouwwerkzaamheden die langer duurden dan zes maanden, als een Wet milieubeheer-inrichting werden gezien. Deze activiteiten vallen buiten het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, maar ook daarvoor geldt dat de hiervoor genoemde regels van toepassing zijn.
Onderdeel b, sub 3
Deze uitzondering beoogt de activiteiten die in de openbare buitenruimte plaatsvinden uit te sluiten. Voorbeelden zijn kermissen en andere evenementen, weekmarkten, mobiele installaties/activiteiten zoals draaiorgels, ophalen van vuilnis en gevelreiniging (met uitzondering van lozen). Het voor korte periode bezetten van een stukje openbaar toegankelijk terrein, maakt het daarmee niet ontoegankelijk. Activiteiten in een openbaar toegankelijk gebouw, zoals een publieke parkeergarage of het stadhuis, vallen wel onder het toepassingsbereik. Ook het laden en lossen op de openbare weg in de onmiddellijke nabijheid van een winkel, of het verkeer van en naar het bedrijf valt wel onder het toepassingsbereik van deze afdeling.
Voor enkele activiteiten zoals het exploiteren van een mobiele vis-, friet-, oliebollen- of marktkraam of het exploiteren van een terras, was het afhankelijk van de situatie en de interpretatie van het bevoegd gezag of ze gezien werden als een Wet milieubeheer-inrichting. Deze interpretatieverschillen kunnen zich ook nu weer voordoen. Zoals al aangegeven in de inleiding van de toelichting op dit artikel is er in principe geen verschuiving in het toepassingsbereik van deze afdeling in het omgevingsplan ten opzichte van het oude begrip Wet milieubeheer-inrichting beoogd.
Onderdeel b, sub 4
Doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen valt niet onder deze afdeling van dit omgevingsplan.
Onderdeel b, sub 5
Dit onderdeel sluit evenementen, waarover geluidregels zijn gesteld in bijvoorbeeld de Algemene Plaatselijke Verordening of een evenementenverordening uit van het toepassingsbereik van deze afdeling over milieubelastende activiteiten. Deels gebeurt dit al met onderdeel c, omdat evenementen vaak plaatsvinden in de openbare buitenruimte. Maar regelmatig zijn evenementen ook besloten of vinden ze plaats in een tijdelijk leegstaand gebouw. Deze uitzondering geldt niet voor activiteiten waarvoor geen geluidregels gelden bij of krachtens een gemeentelijke verordening, maar waarvoor geluidregels waren opgenomen in een omgevingsvergunning voor een inrichting op grond van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Voorbeelden hiervan kunnen zijn permanente evenemententerreinen of evenementenhallen.
Onderdeel b, sub 6
Deze uitzondering beoogt vooral het gebruik van landbouwvoertuigen op weilanden en akkers uit te sluiten van het algemene toepassingsbereik voor deze afdeling. De opslag van vaste mest op een weiland of akker valt wel onder dit algemene toepassingsbereik. Een installatie die verplaatsbaar is maar gedurende een langere periode achtereen op een weiland of akkers wordt gebruikt, wordt niet gezien als mobiele installatie en valt ook onder de regels voor de milieubelastende activiteiten in dit omgevingsplan. Bijvoorbeeld een antihagelkanon. Ook verplaatsbare mijnbouwwerken vallen onder het toepassingsbereik van deze afdeling.
Onderdeel b, sub 7
Vaste objecten zoals bruggen, sluizen en tunnels kunnen door de aanwezigheid van elektromotorisch vermogen gezien worden als milieubelastende activiteiten. Bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen vallen niet onder het toepassingsbereik van dit omgevingsplan.
Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet bleven elektromotoren van bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen buiten beschouwing bij het bepalen of sprake was van een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Dit was bepaald in categorie 1, 1.2, onder c, van bijlage I, onderdeel C, bij het Besluit omgevingsrecht, zoals dat gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
JJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJ
Sectie ' Oogmerken' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
KKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKK
Sectie ' Gegevens voor de vangnetvergunning lozen in schoonwaterriool' wordt geplaatst na sectie ' Oogmerken'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.269 lid 3.
Toelichting
In afdeling 18.2 zijn verschillende lozingen in de schoonwaterriolering toegestaan. Voor alle lozingen die niet door deze afdeling worden toegestaan is een voorafgaande toestemming vereist, vanwege de nadelige gevolgen die deze lozingen kunnen hebben voor de doelmatige werking van die riolering en voor de oppervlaktewaterkwaliteit. De voorafgaande toestemming heeft de vorm van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Voorheen was hiervoor een maatwerkvoorschrift op grond van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, het voormalige Besluit lozen buiten inrichtingen of het voormalige Besluit lozing afvalwater huishoudens vereist. Maar een omgevingsvergunning ligt meer voor de hand, omdat de activiteit zonder toestemming geheel verboden is.
Bij de aanvraag van de vergunning moet het maximale debiet van de lozing en het soort afvalwater worden vermeld. Dit gebruikt de gemeente om het risico op wateroverlast en de effecten van de lozing op de riolering en de oppervlaktewaterkwaliteit te beoordelen.
Dit artikel is niet van toepassing op lozingen bij wonen, omdat het voormalige Besluit lozing afvalwater huishoudens alle lozingen bij wonen toestond. Voor wonen wordt daarom volstaan met de specifieke zorgplicht in artikel 17.4317.47.
LLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLL
Sectie ' Vangnetvergunning lozen in schoonwaterriool' wordt geplaatst na sectie ' Gegevens voor de vangnetvergunning lozen in schoonwaterriool'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Lid 1 is voormalig bruidsschat artikel 22.269 lid 1. Het oorspronkelijke lid 2 is niet overgenomen omdat dit in het generieke toepassingsbereik van artikel 18.118.2 is geregeld.
Lid 2 is voormalig bruidsschat artikel 22.270. De tekst is aangepast om de leesbaarheid te vergoten.
MMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMM
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ' Vangnetvergunning lozen in schoonwaterriool'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
NNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNN
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOO
Sectie ' Toepassingsbereik' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
PPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPP
Sectie ' Informatieplicht voor het fokken, houden of trainen van landbouwhuisdieren, andere zoogdieren of vogels' wordt geplaatst na sectie ' Toepassingsbereik'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
QQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQ
Sectie ' Lozingsroute en emissiegrenswaarde bij het fokken, houden of trainen van landbouwhuisdieren, andere zoogdieren of vogels' wordt geplaatst na sectie ' Informatieplicht voor het fokken, houden of trainen van landbouwhuisdieren, andere zoogdieren of vogels'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.256. De laatste volzin uit het oorspronkelijke eerste lid is als zelfstandig lid opgenomen om de leesbaarheid te vergoten. De oogmerken uit het oorspronkelijke eerste lid zijn aan de generieke oogmerken van artikel 18.218.3 toegevoegd. Het oorspronkelijke derde is vervallen, want dit is al opgenomen in artikel 18.118.2 tweede lid, onderdeel b1.
Toelichting
Dit artikel stelt eisen aan het afvalwater afkomstig van dierenverblijven waarin landbouwhuisdieren of paarden of pony’s voor het berijden worden gehouden.
Het gaat dan om aantallen landbouwhuisdieren die niet vallen onder de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.200 van het Bal. Dieren bij kinderboerderijen of dierentuinen zijn geen landbouwhuisdieren. Daarvoor gelden de eisen uit dit artikel ook niet.
RRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRR
Sectie ' Meet- en rekenbepalingen' wordt geplaatst na sectie ' Lozingsroute en emissiegrenswaarde bij het fokken, houden of trainen van landbouwhuisdieren, andere zoogdieren of vogels'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
SSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSS
Sectie ' Toepassingsbereik' wordt geplaatst na sectie ' Meet- en rekenbepalingen'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
TTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTT
Sectie ' Informatieplicht lozingen bij calamiteitenoefeningen' wordt geplaatst na sectie ' Toepassingsbereik'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
UUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUU
Sectie ' Lozen bij calamiteitenoefeningen' wordt geplaatst na sectie ' Informatieplicht lozingen bij calamiteitenoefeningen'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
VVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVV
Sectie ' Toepassingsbereik' wordt geplaatst na sectie ' Lozen bij calamiteitenoefeningen'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
WWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWW
Sectie ' Informatieplicht lozingen bij het maken van betonmortel' wordt geplaatst na sectie ' Toepassingsbereik'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX
Sectie ' Water' wordt geplaatst na sectie ' Informatieplicht lozingen bij het maken van betonmortel'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
YYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYY
Sectie ' Meet- en rekenbepalingen' wordt geplaatst na sectie ' Water'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
ZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZ
Sectie ' Toepassingsbereik' wordt geplaatst na sectie ' Meet- en rekenbepalingen'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAA
Sectie ' Periodiek reinigen' wordt geplaatst na sectie ' Toepassingsbereik'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.155. De oogmerken uit het oorspronkelijke artikel is verplaatst naar de generieke oogmerken in artikel 18.218.3.
Toelichting
Bij het periodiek reinigen van bouwwerken, waarbij slechts vuilafzetting wordt verwijderd, komt afvalwater vrij. Deze werkzaamheden zijn wat verontreiniging van het afvalwater betreft vergelijkbaar met ramenlappen. Naast ramen worden op deze wijze bijvoorbeeld ook gladde gevels periodiek gereinigd. Dit afvalwater kan zonder problemen in de bodem of de riolering worden geloosd. Het is niet nodig om het bevoegd gezag hierover te informeren.
Bij andere reinigingsactiviteiten dan periodiek reinigen is het uitgangspunt dat geen afvalwater wordt geloosd. Dit geldt voor bijvoorbeeld werkzaamheden, waarbij na verloop van een lange periode (vaak meer dan enkele jaren) hardnekkige aanslag wordt verwijderd (gevelreiniging). Ook vallen hieronder werkzaamheden, waarbij bijvoorbeeld graffiti of andere verflagen worden verwijderd.
BBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBB
Sectie ' Toepassingsbereik' wordt geplaatst na sectie ' Periodiek reinigen'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
CCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCC
Sectie ' Inerte goederen' wordt geplaatst na sectie ' Toepassingsbereik'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
DDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDD
Sectie ' Informatieplicht lozingen van afvalwater bij het opslaan van goederen' wordt geplaatst na sectie ' Inerte goederen'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.158. Het oorspronkelijke eerste en tweede lid zijn samengevoegd. Het oorspronkelijke derde lid is niet overgenomen omdat dit wordt geregeld via het generieke toepassingsbereik van artikel 18.118.2.
Toelichting
Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Daarbij worden de aard en omvang van de lozing aangegeven, zoals de te lozen hoeveelheid afvalwater en de concentraties van stoffen die in het afvalwater worden verwacht. Het bevoegd gezag moet eveneens worden geïnformeerd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.
EEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEE
Sectie ' Lozen bij opslaan van inerte goederen' wordt geplaatst na sectie ' Informatieplicht lozingen van afvalwater bij het opslaan van goederen'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.159. De oogmerken uit het oorspronkelijke artikel zijn verschoven naar de generieke oogmerken in artikel 18.218.3. Het oorspronkelijke vijfde lid is niet overgenomen omdat dit door het generieke toepassingsbereik van artikel 18.118.2 is ondervangen.
Toelichting
In lijn met de voorkeursvolgorde voor de verwijdering van afvalwater (artikel 10.29a van de Wet milieubeheer) wordt het afvalwater bij voorkeur hergebruikt en eventueel overtollig afvalwater wordt geloosd onder de voorwaarden die in dit artikel worden gesteld. In het algemeen zal dit (verzameld) afstromend hemelwater, schrob- en spoelwater of water van een nevelgordijn zijn. Op grond van het vierde lid moet dit afvalwater bij voorkeur (her)gebruikt te worden voor bevochtiging van de goederen, ter voorkoming van stofverspreiding.
Afvalwater dat slechts met inerte goederen in aanraking is geweest moet bij voorkeur direct geloosd worden (op oppervlaktewater, bodem of schoonwaterriool), waarbij de hoeveelheid onopgeloste bestanddelen beperkt moet worden tot minder dan 300 milligram per liter. Dit kan bijvoorbeeld gerealiseerd worden met preventieve maatregelen en eventueel een slibvangput voorafgaande aan de lozing. Als een directe lozing redelijkerwijs niet mogelijk is, bijvoorbeeld door afwezigheid in de nabijheid van oppervlaktewater of een schoonwaterriool en een bodem die ongeschikt is voor lozingen, kan het afvalwater geloosd worden op het vuilwaterriool, waarbij ook gezorgd moet worden dat het niet meer dan 300 milligram per liter onopgeloste bestanddelen bevat. Dit ter voorkoming van dichtslibben van het vuilwaterriool.
De eis voor onopgeloste stoffen geldt voor enig steekmonster. Dat wil zeggen dat alleen in extreme situaties deze concentratie mag worden aangetroffen, bijvoorbeeld bij extreme regenval. Concentraties van ongeveer 100-150 mg/l zijn normaal en daaronder bestaat in principe geen probleem. Als concentraties worden aangetroffen tussen de 100-150 en 300 kan de handhaver vragen gaan stellen. Overschrijding van de norm van 300 betekent optreden.
FFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFF
Sectie ' Meet- en rekenbepalingen' wordt geplaatst na sectie ' Lozen bij opslaan van inerte goederen'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
GGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGG
Sectie ' Uitzondering voorgeschreven lozingsroute bij opslaan van lekkende, uitlogende en vermestende goederen' wordt geplaatst na sectie ' Meet- en rekenbepalingen'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHH
Sectie ' Toepassingsbereik' wordt geplaatst na sectie ' Uitzondering voorgeschreven lozingsroute bij opslaan van lekkende, uitlogende en vermestende goederen'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
IIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIII
Sectie ' Schoonmaken drinkwaterleidingen' wordt geplaatst na sectie ' Toepassingsbereik'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.166. De oorspronkelijke oogmerken zijn verplaatst naar de generieke oogmerken in artikel 18.218.3.
Toelichting
Bij het schoonmaken van leidingen kan onderscheid gemaakt worden tussen afvalwater afkomstig van leidingen uit het transportnet en afvalwater afkomstig van leidingen uit het distributienet. Vanuit de productiestations wordt het drinkwater via transportleidingen naar het distributienet gepompt. Het transportnet kenmerkt zich door een grotere leidingdiameter en het geringe aantal vertakkingen en aansluitingen. Het distributienet verdeelt de hoofdstroom naar de vele eindgebruikers en kenmerkt zich door de vele vertakkingen en het verloop van grotere naar kleinere diameters. In grote lijnen zal het schoonmaken van leidingen uit het transportnet lozingen opleveren van 100 m3 of meer, terwijl lozingen van afvalwater afkomstig van distributieleidingen daaronder blijven. Ook op het schoonmaken van de aanvoerleiding heeft dit artikel betrekking.
Tegen lozingen van dit afvalwater bestaat, voor zover het geen desinfecteermiddelen of andere chemicaliën bevat, geen bezwaar, anders dan dat het geen overlast mag veroorzaken. In dit geval heeft het direct terugvoeren van dit water in het milieu de voorkeur. Het lozen op of in de bodem of in schoonwaterstelsels wordt daarom zonder beperkingen toegestaan (eerste lid). Bij het schoonmaken van leidingen van het distributienet kan het water veelal direct ter plaatse in de bodem worden geloosd zonder overlast te veroorzaken. Bij het schoonmaken van leidingen van het transportnet zal gezocht moeten worden naar een geschikte locatie. Het lozen van dit afvalwater in het oppervlaktewater is ook toegestaan. Dat is geregeld in de waterschapsverordening.
Het lozen op het vuilwaterriool is minder gewenst vanwege de verminderde werking van de zuivering bij de toevoeging van een relatief grote hoeveelheid schoon water. Dit is alleen een optie als anders lozen niet in redelijkheid mogelijk is (tweede lid).
Als er desinfecteermiddelen zijn gebruikt is overleg met het bevoegd gezag noodzakelijk om de meest geschikte oplossing voor het lozen te vinden. Het bevoegd gezag kan het lozen met een maatwerkvoorschrift toestaan, als het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet.
JJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJ
Sectie ' Toepassingsbereik' wordt geplaatst na sectie ' Schoonmaken drinkwaterleidingen'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
KKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKK
Sectie ' Informatieplicht lozingen bij telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen' wordt geplaatst na sectie ' Toepassingsbereik'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
LLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLL
Sectie ' Recirculatie bij grondgebonden teelt in een kas' wordt geplaatst na sectie ' Informatieplicht lozingen bij telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMM
Sectie ' Lozen bij spoelen van biologisch geteelde gewassen of het sorteren van biologisch geteeld fruit' wordt geplaatst na sectie ' Recirculatie bij grondgebonden teelt in een kas'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
NNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNN
Sectie ' Uitzondering voorgeschreven lozingsroute afvalwater uit een gebouw' wordt geplaatst na sectie ' Lozen bij spoelen van biologisch geteelde gewassen of het sorteren van biologisch geteeld fruit'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOO
Sectie ' Meet- en rekenbepalingen' wordt geplaatst na sectie ' Uitzondering voorgeschreven lozingsroute afvalwater uit een gebouw'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
PPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPP
Sectie ' Toepassingsbereik' wordt geplaatst na sectie ' Meet- en rekenbepalingen'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
QQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQ
Sectie ' Informatieplicht lozing grondwater bij sanering of ontwatering' wordt geplaatst na sectie ' Toepassingsbereik'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
RRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRR
Sectie ' Lozen van grondwater bij saneringen' wordt geplaatst na sectie ' Informatieplicht lozing grondwater bij sanering of ontwatering'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.139. Lid 1 van het oorspronkelijke artikel is verplaatst naar de generieke oogmerken in artikel 18.218.3.
Toelichting
Afvalwater afkomstig van het saneren van de bodem of het grondwater (of een aan een grondwatersanering voorafgaand onderzoek) is qua biologische afbreekbaarheid niet vergelijkbaar met huishoudelijk afvalwater. In lijn met de voorkeursvolgorde voor het omgaan met afvalwater, opgenomen in artikel 10.29a van de Wet milieubeheer, heeft het de voorkeur om dit afvalwater na zuivering lokaal terug te brengen in het milieu en niet af te voeren naar de RWZI (rioolwaterzuiveringsinstallatie) via het openbare vuilwaterriool. Daarom is in dit artikel het lozen op of in de bodem of in een schoonwaterriool (ieder riool dat geen vuilwaterriool is) toegestaan. Deze paragraaf geldt ook voor lozingen afkomstig van milieubelastende activiteiten als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Bal. In dat geval zijn de regels van deze paragraaf maatwerkregels op grond van artikel 2.12 van dat besluit.
Bij het saneren kunnen, naast het positieve milieueffect dat de sanering heeft, ook nadelige gevolgen optreden. Om de nadelige gevolgen voor de bodem of de oppervlaktewaterkwaliteit van bij het saneren vrijkomend afvalwater te beperken, zijn in dit artikel emissiegrenswaarden opgenomen voor het lozen daarvan. Vaak wordt dit water ter plaatse gezuiverd. Het afvalwater wordt vervolgens in de bodem of een schoonwaterriool geloosd.
In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en het voormalige Besluit lozen buiten inrichtingen was ook bepaald dat het afvalwater doelmatig moest kunnen worden bemonsterd. Die regel is nu opgenomen in de specifieke zorgplicht in artikel 17.4317.47.
SSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSS
Sectie ' Lozen van grondwater bij ontwatering' wordt geplaatst na sectie ' Lozen van grondwater bij saneringen'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.140. De oogmerken uit het oorspronkelijke artikel zijn toegevoegd aan de generieke oogmerken in artikel 18.218.3. Het oorspronkelijke lid 5 is niet overgenomen omdat de uitsluiting van de verplichtingen van lozen bij de functie wonen al opgenomen zijn in het generieke toepassingsbereik van artikel 18.118.2.
Toelichting
Grondwater bij ontwatering is de algemene term voor grondwater dat vrijkomt bij bijvoorbeeld bronneringen en water uit drainagebuizen. Dit kunnen kleinschalige activiteiten betreffen die na een paar uur zijn afgerond, maar ook grootschalige projecten (vooral in de bouw) die jaren duren en waar zeer grote hoeveelheden grondwater worden weggepompt.
De regeling voor het lozen van grondwater heeft de voorkeursvolgorde voor het beheer van afwater (artikel 10.29a van de Wet milieubeheer) als uitgangspunt. Over het algemeen kan het grondwater dat lokaal bij ontwatering vrijkomt zonder problemen lokaal in het milieu teruggebracht worden. Maar het is niet uitgesloten dat afhankelijk van de locatie waar het vrijkomt grondwater in enige mate verontreinigd kan zijn of van nature stoffen bevat, waarvan de lozing bezwaarlijk kan zijn. Veelal is dit lokaal bekend uit gegevens bij het bedrijf zelf of bij de overheid. Het behoort tot de verantwoordelijkheid van degene die loost om de gemeente te informeren over de bekende gegevens over de samenstelling en eventuele verontreiniging van het grondwater. Dit is met name van belang daar waar de samenstelling van het grondwater afwijkt van de in het gebied voorkomende grondwaterkwaliteit. Bij twijfel over de vraag of hiervan sprake zou kunnen zijn, is het raadzaam om contact op te nemen met de gemeente om na te gaan of er in dit gebied nog stoffen in de bodem aanwezig zijn, waarvan lozing tot problemen zou kunnen leiden.
Dit artikel is niet van toepassing op lozingen van grondwater bij de activiteit wonen, omdat het voormalige Besluit lozing afvalwater huishoudens geen inhoudelijke regels over deze lozingen kende. Voor wonen wordt daarom volstaan met de specifieke zorgplicht van deze afdeling.
TTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTT
Sectie ' Meet- en rekenbepalingen' wordt geplaatst na sectie ' Lozen van grondwater bij ontwatering'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
UUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUU
Sectie ' Toepassingsbereik' wordt geplaatst na sectie ' Meet- en rekenbepalingen'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
VVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVV
Sectie ' Informatieplicht voor het lozen van huishoudelijk afvalwater' wordt geplaatst na sectie ' Toepassingsbereik'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
WWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWW
Sectie ' Geen voedselvermaling' wordt geplaatst na sectie ' Informatieplicht voor het lozen van huishoudelijk afvalwater'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX
Sectie ' Toepassingsbereik' wordt geplaatst na sectie ' Geen voedselvermaling'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
YYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYY
Sectie ' Informatieplicht lozingen van koelwater' wordt geplaatst na sectie ' Toepassingsbereik'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
ZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZ
Sectie ' Koelwater' wordt geplaatst na sectie ' Informatieplicht lozingen van koelwater'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.153. De oogmerken uit het oorspronkelijk eerste lid zijn toegevoegd aan de generieke oogmerken in artikel 18.218.3.
Toelichting
Voor veel bedrijfstakken waarbij koelwater wordt geloosd, gelden de regels in het Bal. Maar het lozen van koelwater kan ook plaatsvinden bij bedrijven die niet onder het toepassingsbereik van het Bal vallen. Daarom is in dit artikel het lozen van koelwater in de riolering geregeld. Koelwater kan ook worden geloosd in een oppervlaktewaterlichaam. De regels daarover staan in de waterschapsverordening.
Het lozen van koelwater in een schoonwaterriool is toegestaan. Lozen in een vuilwaterriool is alleen toegestaan als het lozen in een schoonwaterriool of in een oppervlaktewaterlichaam redelijkerwijs niet mogelijk is. Koelwater is relatief schoon water, zodat het lozen daarvan in het vuilwaterriool bij voorkeur vermeden moet worden.
Er mogen aan het koelwater geen chemicaliën (zoals aangroeiwerende middelen of antikalkmiddelen) worden toegevoegd.
De maximale warmtevracht is 1.000 kiloJoule per seconde. De warmtevracht van een koelwaterlozing wordt berekend als het product van het lozingsdebiet en het verschil tussen de lozingstemperatuur en de temperatuur van het ontvangende oppervlaktewaterlichaam (waarop het schoonwaterriool uitkomt). De warmtecapaciteit van het koelwater is gelijk aan 4.190 Kilojoule per m3 per graad temperatuursverhoging. Anders geformuleerd:
De warmtevracht = L x ∆T x W, waarbij
L = lozingsdebiet (m3/s).
∆T = verschil temperatuur koelwater en temperatuur ontvangend oppervlaktewater in graden Celsius.
W = warmtecapaciteit van het koelwater = 4.190 kJ/m3 per graad temperatuurstijging.
Voor het lozen van koelwater met een hogere warmtevracht, of voor het toedienen van chemicaliën, is een maatwerkvoorschrift vereist.
AAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAA
Sectie ' Toepassingsbereik' wordt geplaatst na sectie ' Koelwater'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
BBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBB
Sectie ' Lozen vanuit openbaar hemelwaterstelsel en openbaar ontwateringsstelsel' wordt geplaatst na sectie ' Toepassingsbereik'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.163. De oorspronkelijke oogmerken zijn verplaatst naar de generieke oogmerken in artikel 18.218.3. Van de oorspronkelijke tekst is een opsomming gemaakt om deze beter leesbaar te maken.
Toelichting
In dit artikel wordt het lozen van afvalwater vanuit openbare ontwateringsstelsels en openbare hemelwaterstelsels op of in de bodem toegestaan. Voorwaarde daarbij is dat deze stelsels voorkomen op het overzicht van voorzieningen en maatregelen dat is opgenomen in het gemeentelijke rioleringsplan (GRP) als bedoeld in het voormalige artikel 4.22 van de Wet milieubeheer. Volgens het overgangsrecht van artikel 4.93 van de Invoeringswet Omgevingswet blijven GRP’s van kracht tot het tijdstip waarop de periode verstrijkt waarvoor het plan is vastgesteld, of tot het tijdstip waarop het gemeentebestuur besluit dat het plan vervalt.
De Omgevingswet biedt in artikel 3.14 de mogelijkheid dat het college van burgemeester en wethouders een (facultatief) gemeentelijk rioleringsprogramma vaststelt. Als het college een rioleringsprogramma heeft vastgesteld, is het lozen vanuit de in dat programma opgenomen voorzieningen eveneens toegestaan. De naam «rioleringsprogramma» is overigens niet limitatief, de gemeente kan dit programma bijvoorbeeld ook een waterprogramma noemen.
CCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCC
Sectie ' Lozen van huishoudelijk afvalwater vanuit andere systemen' wordt geplaatst na sectie ' Lozen vanuit openbaar hemelwaterstelsel en openbaar ontwateringsstelsel'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.164. De oorspronkelijke oogmerken zijn verplaatst naar de generieke oogmerken in artikel 18.218.3. Van de oorspronkelijke tekst is een opsomming gemaakt om deze beter leesbaar te maken.
Toelichting
Voor lozingen vanuit «overheids-IBA’s» geldt dezelfde regeling als voor de lozingen vanuit gemeentelijke rioolstelsels. Kortheidshalve wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 18.4418.45.
DDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDD
Sectie ' Toepassingsbereik' wordt geplaatst na sectie ' Lozen van huishoudelijk afvalwater vanuit andere systemen'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
EEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEE
Sectie ' Informatieplicht lozen bij voedselbereiding, geen voedingsmiddelenindustrie' wordt geplaatst na sectie ' Toepassingsbereik'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.197. Het eerste en tweede lid van het oorspronkelijke artikel zijn samengevoegd. Lid 3 is vervallen omdat dit geregeld wordt via het generieke artikel 18.118.2.
Toelichting
De te verstrekken gegevens en bescheiden dienen om een beeld te verschaffen van:
de activiteit zelf en wat daarbij hoort;
de precieze plek en indeling van de activiteit; en
wanneer deze begint of wordt gewijzigd.
Er hoeft geen inschatting van de door te activiteit veroorzaakte milieubelasting te worden verstrekt. Wel kan het college van B&W op grond van artikel 8.4 verzoeken om gegevens en bescheiden die nodig zijn om te bezien of de algemene regels uit dit omgevingsplan en maatwerkvoorschriften voor de activiteit toereikend zijn gezien ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen van de kwaliteit van het milieu.
Wanneer gegevens en bescheiden moeten worden verstrekt, zijn ook altijd artikel 8.2 (algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden) en artikel 8.3 (gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat) van toepassing.
FFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFF
Sectie ' Water afkomstig van voedselbereiding, geen voedingsmiddelenindustrie' wordt geplaatst na sectie ' Informatieplicht lozen bij voedselbereiding, geen voedingsmiddelenindustrie'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.198. De oogmerken uit het oorspronkelijke artikel zijn verplaatst naar de generieke oogmerken in 18.218.3. Van het oorspronkelijke lid 1zijn twee leden gemaakt om de leesbaarheid te vergroten.
Artikelsgewijze toelichting
Vethoudend afvalwater wordt in beginsel altijd op het vuilwaterriool geloosd.
Het is niet toegestaan om afvalwater via een voedselrestvermaler te lozen op het vuilwaterriool.
Een voedselrestvermaler vermaalt verteerbare etensresten met toevoeging van water tot een vloeibare afvalstof. Deze vloeibare afvalstof wordt vervolgens met het afvalwater geloosd. De vermalen stoffen kunnen leiden tot verstopping, maar zorgen ook voor een ongewenste toename van organisch afval in het afvalwater.
Bij het lozen van vethoudend afvalwater is het toepassen van een vetafscheider en slibvangput verplicht. Deze moeten voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2. Op grond van het vijfde lid kan in afwijking van NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2, met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan daar vermeld worden volstaan als dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider.
Een slibvangput en vetafscheider die vóór 14 september 2004 zijn geplaatst, hoeven niet te voldoen aan de NEN-EN-normen. In plaats daarvan is volstaan met de voorwaarde «afgestemd op de hoeveelheid water».
GGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGG
Sectie ' Toepassingsbereik' wordt geplaatst na sectie ' Water afkomstig van voedselbereiding, geen voedingsmiddelenindustrie'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHH
Sectie ' Informatieplicht fotografisch materiaal ontwikkelen' wordt geplaatst na sectie ' Toepassingsbereik'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
IIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIII
Sectie ' Water' wordt geplaatst na sectie ' Informatieplicht fotografisch materiaal ontwikkelen'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
JJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJ
Sectie ' Meet- en rekenbepalingen' wordt geplaatst na sectie ' Water'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
KKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKK
Sectie ' Toepassingsbereik' wordt geplaatst na sectie ' Meet- en rekenbepalingen'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.246.
Toelichting
Het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoermiddelen maakt vaak deel uit van een veehouderij, die aangewezen is als milieubelastende activiteit in artikel 3.200 van het Bal of een agrarisch loonwerkbedrijf dat aangewezen is als milieubelastende activiteit in artikel 3.215 van het Bal. In dat geval gelden niet de regels uit deze paragraaf, maar de regels voor de opslag van kuilvoer of vaste bijvoermiddelen uit het Bal. De regels uit deze paragraaf gelden voor opslagen die behoren bij bijvoorbeeld veehouderijen die minder landbouwhuisdieren houden dan de ondergrenzen, opgenomen in art 3.200 van het Bal, kinderboerderijen, dierentuinen of bij maneges.
Het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen kan ook geurhinder veroorzaken. Hiervoor geldt artikel 5.125.14 (geur opslaan kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen: afstand).
LLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLL
Sectie ' Informatieplicht voor het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen' wordt geplaatst na sectie ' Toepassingsbereik'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMM
Sectie ' Kuilvoer: lozingsroute vrijkomende vloeistoffen' wordt geplaatst na sectie ' Informatieplicht voor het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.250. De oogmerken uit het oorspronkelijke lid 1 zijn verplaatst naar de generieke oogmerken in artikel 18.218.3. Het oorspronkelijke lid 3 is vervallen omdat die via het generieke toepassingsbereik in artikel 18.118.2 is geregeld.
Toelichting
Door het gelijkmatig verspreiden over onverharde bodem van vrijkomende vloeistoffen wordt grotendeels voorkomen dat deze in het oppervlaktewater terecht komen.
NNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNN
Sectie ' Kuilvloer: lozingsroute afvalwater bodembeschermende voorziening' wordt geplaatst na sectie ' Kuilvoer: lozingsroute vrijkomende vloeistoffen'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.251. De oogmerken uit het oorspronkelijke eerste lid zijn verplaatst naar de generieke oogmerken van artikel 18.218.3. Het oorspronkelijke lid 3 is vervallen omdat die via het generieke toepassingsbereik in artikel 18.118.2 is geregeld.
Toelichting
Onder de genoemde voorwaarden is het lozen op of in de bodem niet bezwaarlijk en is daarom mogelijk gemaakt. Als aan de voorwaarden niet kan worden voldaan moet afvalwater van de bodembeschermende voorziening samen met de vrijkomende vloeistoffen worden opgevangen en kan dit over onverharde bodem worden verspreid in lijn met 18.5518.56.
OOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOO
Sectie ' Toepassingsbereik' wordt geplaatst na sectie ' Kuilvloer: lozingsroute afvalwater bodembeschermende voorziening'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
PPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPP
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ' Toepassingsbereik'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij het opslaan van minder dan 3 m3 vaste mest gelden geen eisen, anders dan de specifieke zorgplicht. Een opslag van meer dan 600 m3 valt niet onder het toepassingsbereik van deze paragraaf. In artikel 3.415.13 is een vergunningplicht opgenomen voor de opslag van meer dan 600 m3 vaste mest.
QQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQ
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
RRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRR
Sectie ' Lozingsroute afvalwater vaste mest' wordt geplaatst na sectie ''. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.244. De oogmerken uit het oorspronkelijke eerste lid zijn verplaatst naar de generieke oogmerken van artikel 18.218.3.
Toelichting
Het gelijkmatig verspreiden over onverharde bodem van vrijkomende vloeistoffen afkomstig van het opslaan van vaste mest is voorgeschreven omdat het lozen van deze vloeistoffen in het riool of in oppervlaktewater niet de voorkeur heeft.
SSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSS
Sectie ' Toepassingsbereik' wordt geplaatst na sectie ' Lozingsroute afvalwater vaste mest'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
TTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTT
Sectie ' Informatieplicht recreatieve visvijvers' wordt geplaatst na sectie ' Toepassingsbereik'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
UUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUU
Sectie ' Water: lozingsroute' wordt geplaatst na sectie ' Informatieplicht recreatieve visvijvers'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
VVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVV
Sectie ' Toepassingsbereik' wordt geplaatst na sectie ' Water: lozingsroute'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.202.
Toelichting
Op het slachten van meer dan 10.000 kilogram levend gewicht aan dieren per week is paragraaf 3.4.8 (Voedingsmiddelenindustrie) van het Bal van toepassing. Bij de andere drie activiteiten genoemd in 18.6218.63, eerste lid, onderdelen c tot en met d, staat geen ondergrens. Paragraaf 3.4.8 van het Bal is van toepassing op alle IPPC-installaties in de voedingsmiddelenindustrie. Wanneer dus de andere drie activiteiten onderdeel zijn van een IPPC-installatie, dan is deze paragraaf niet van toepassing.
WWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWW
Sectie ' Informatieplicht voor lozingen bij het slachten van dieren en bewerken van dierlijke bijproducten of uitsnijden van vlees, vis of organen' wordt geplaatst na sectie ' Toepassingsbereik'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX
Sectie ' Water: lozingsroute en zuivering bij het slachten van dieren en bewerken van dierlijke bijproducten of uitsnijden van vlees, vis of organen' wordt geplaatst na sectie ' Informatieplicht voor lozingen bij het slachten van dieren en bewerken van dierlijke bijproducten of uitsnijden van vlees, vis of organen'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.204. De oogmerken uit het oorspronkelijke eerste lid zijn verplaatst naar de generieke oogmerken in artikel 18.218.3. Het oorspronkelijke lid 3 en 6 zijn samengevoegd tot één opsomming. Het oorspronkelijke lid 7 is vervallen omdat dit ondervangen wordt door het generieke toepassingsbereik van artikel 18.118.2.
Toelichting
Door het inpandig uitvoeren van het slachten van dieren en het broeien, koken of pekelen van daarbij vrijkomende dierlijke bijproducten wordt voorkomen dat afvalwater onbedoeld in de bodem of het oppervlaktewater terecht komt.
Bij het lozen van vethoudend afvalwater is het toepassen van een vetafscheider en slibvangput verplicht. Deze moeten voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 1825-1 en -2. Op grond van het vierde lid kan in afwijking van NEN-EN 1825-1 en -2, met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan daar vermeld worden volstaan als dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider. In plaats van een vetafscheider kan ook een flocculatie-afscheider als alternatieve maatregel worden toegepast.
Een slibvangput en vetafscheider, die vóór 14 september 2004 zijn geplaatst, hoeven niet te voldoen aan de NEN-EN-normen. In plaats daarvan kan worden volstaan met de voorwaarde 'afgestemd op de hoeveelheid water'. Hetzelfde geldt voor een flocculatie-afscheider geplaatst voor 1 januari 2013.
Voor meer uitleg over de zuivering bij het lozen van vethoudend afvalwater in een vuilwaterriool wordt kortheidshalve verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij artikel 4.407 van het Bal.
YYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYY
Sectie ' Water: opruimen gemorste en gelekte vloeistoffen bij het pekelen van dierlijke bijproducten en organen' wordt geplaatst na sectie ' Water: lozingsroute en zuivering bij het slachten van dieren en bewerken van dierlijke bijproducten of uitsnijden van vlees, vis of organen'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig bruisschat artikel 22.213. Het oorspronkelijke tweede lid vervallen omdat dit geregeld wordt via het generieke toepassingsbereik van artikel 18.118.2.
Toelichting
Bij het pekelen van dierlijke bijproducten en organen kunnen bepaalde stoffen lekken en worden gemorst, die bij voorkeur niet in het afvalwater terecht mogen komen. Daarom is in dit artikel voorgeschreven dat ze zoveel mogelijk, zonder verder toevoegen van water worden opgeruimd en afgevoerd als afvalstof en dat zoveel mogelijk wordt voorkomen dat deze stoffen in het afvalwater terecht kunnen komen.
ZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZ
Sectie ' Toepassingsbereik' wordt geplaatst na sectie ' Water: opruimen gemorste en gelekte vloeistoffen bij het pekelen van dierlijke bijproducten en organen'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAA
Sectie ' Informatieplicht lozingen bij uitwassen beton' wordt geplaatst na sectie ' Toepassingsbereik'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
BBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBB
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig artikel 7.1 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Wonen Rijssen, tennispark Opbroek.
[Vervallen]
CCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCC
Sectie ' Water' wordt geplaatst na sectie ' Waarde - Archeologie middelhoge verwachting'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
DDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDD
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig artikel 4.2.1 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Wonen Rijssen, tennispark Opbroek.
[Vervallen]
EEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEE
Sectie ' Meet- en rekenbepalingen' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
FFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFF
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig artikel 5.2.1 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Wonen Rijssen, tennispark Opbroek.
Toelichting
Het college kan met een omgevingsvergunning een kleinere dakhelling toelaten dan de minimale 10°. Dit kan onder voorwaarden dat het te bouwen bouwwerk aangebouwd wordt aan een gebouw dat reeds plat is afgedekt.
[Vervallen]
GGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGG
Sectie ' Toepassingsbereik' wordt geplaatst na sectie ''. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.192. Het oorspronkelijke lid 2 sub b is verwijderd omdat de uitzondering voor 'wonen' al in het toepassingsbereik van artikel 18.118.2 is opgenomen.
Toelichting
Deze subparagraaf is van toepassing op het uitwendig wassen van motorvoertuigen, met uitzondering van het wassen van motorvoertuigen dat onderdeel uitmaakt van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal en bij de activiteit wonen. In het Bal zijn, waar nodig, al regels gesteld over het reinigen van voertuigen. De reden dat deze subparagraaf ook niet van toepassing is bij wonen, is dat er in het voormalige Besluit lozing afvalwater huishoudens ook geen regels aan deze lozingen waren gesteld, anders dan de zorgplicht.
HHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHH
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig artikel 5.2.2 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Wonen Rijssen, tennispark Opbroek.
[Vervallen]
IIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIII
Sectie ' Water afkomstig van motorvoertuigen wassen' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
JJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig artikel 5.2.3 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Wonen Rijssen, tennispark Opbroek.
Toelichting
In het oorspronkelijke TAM-omgevingsplan was abusievelijk geen maatvoering voor overkappingen opgenomen. Dat is met dit omgevingsplan hersteld waarbij aansluiting is gezocht bij maatvoering uit andere bestemmingsplannen.
[Vervallen]
KKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKK
Sectie ' Meet- en rekenbepalingen' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
LLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLL
Sectie ' Bijzondere omstandigheden: beregeningsverbod bij droogte' wordt geplaatst na sectie ' Meet- en rekenbepalingen'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMM
Sectie ' Toepassingsbereik' wordt geplaatst na sectie ' Bijzondere omstandigheden: beregeningsverbod bij droogte'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Lid 1 is voormalig bruidsschat artikel 22.142.
Lid 2 is voormalig bruidsschat artikel 22.144 lid 3.
Toelichting
Eerste lid
Deze paragraaf heeft betrekking op het lozen van afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is van een verplichte bodembeschermende voorziening. Het gaat met name om afvloeiend hemelwater van daken en van verhardingen, waar geen bodembedreigende activiteiten plaatsvinden. Dit artikel is wel van toepassing op afvloeiend hemelwater afkomstig van bodembeschermende voorzieningen die vrijwillig zijn aangebracht. Onder afvloeiend hemelwater wordt niet verstaan het hemelwater van een kas als bedoeld in paragraaf 4.78 van het Bal of drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van dat besluit.
Tweede lid
De regeling voor het lozen van hemelwater heeft de voorkeursvolgorde voor het beheer van afwater (artikel 10.29a van de Wet milieubeheer) als uitgangspunt. Over het algemeen kan afvloeiend hemelwater zonder problemen lokaal in het milieu teruggebracht worden. De beheerder van het terrein of oppervlak waar het hemelwater is neergekomen, is verantwoordelijk voor het nemen van deze preventieve maatregelen en kan vervolgens op grond van de specifieke zorgplicht worden aangesproken op het nemen daarvan. De maatregelen kunnen bijvoorbeeld inhouden: het schoonhouden van het terrein, het dusdanig omgaan met milieugevaarlijke stoffen dat verontreiniging van het hemelwater wordt voorkomen, het bij de keuze van materialen die aan hemelwater zijn blootgesteld rekening houden met het feit dat bij contact van hemelwater met deze materialen verontreinigende stoffen in het hemelwater kunnen geraken (uitloging), of een zodanige wijze van onkruidbestrijding dat onnodige verontreiniging van het hemelwater wordt voorkomen. In dit omgevingsplan is ervoor gekozen deze preventieve maatregelen niet in concrete voorschriften te vertalen.
In het tweede lid is het lozen van afvloeiend hemelwater vanaf rijkswegen en provinciale wegen buiten de bebouwde kom geregeld. Tot die wegen behoren eveneens de daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, en overig openbaar gebied. In het verleden is veel onderzoek verricht naar verontreinigingen in afvloeiend hemelwater van wegen en overige openbare ruimte. Afhankelijk van de intensiteit van het verkeer kan het in meer of mindere mate verontreinigd zijn met straatvuil, waarin PAK’s, zware metalen of minerale olie voorkomen. Buiten de bebouwde kom is het lozen van afstromend wegwater in een gemeentelijk rioolstelsel veelal niet mogelijk, omdat daar geen rioolstelsels zijn aangelegd, of alleen rioolstelsels, die niet bestemd zijn voor afvoer van regenwater. Het wegwater vloeit buiten de bebouwde kom meestal af naar de bodem of een eventueel aanwezig oppervlaktewaterlichaam. Hemelwater afkomstig van rijkswegen en provinciale wegen wordt buiten de bebouwde kom bij voorkeur geloosd op de bodem. Als lozen in de bodem niet (of niet volledig) mogelijk is, kan lozing (deels) plaatsvinden in een oppervlaktewaterlichaam. De regels hierover staan in de waterschapsverordening.
De voorkeursvolgorde in het tweede lid is niet van toepassing op lozingen van hemelwater bij de activiteit wonen, omdat het voormalige Besluit lozing afvalwater huishoudens geen inhoudelijke regels over deze lozingen kende. Voor wonen wordt daarom volstaan met de specifieke zorgplicht van artikel 17.4317.47.
NNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNN
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig artikel 7.4.1 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Buitengebied Holten, uitbreiding recreatieterrein Helhuizerweg 14.
Toelichting
In het plangebied zijn gebieden aangewezen waar voor archeologie een verwachtingswaarde geldt. Om de mogelijke archeologische waarden in deze gebieden te beschermen gelden er regels voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden.
[Vervallen]
OOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOO
Sectie ' Informatieplicht lozing hemelwater' wordt geplaatst na sectie ' Archeologische verwachtingswaarde Helhuizerweg 14 in Holten'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
PPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPP
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig artikel 7.5.2 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Buitengebied Holten, uitbreiding recreatieterrein Helhuizerweg 14.
[Vervallen]
QQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQ
Sectie ' Lozen van afvloeiend hemelwater' wordt geplaatst na sectie ' Hydrologische bescherming'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.144. Lid 3 van het oorspronkelijke artikel is toegevoegd aan artikel 18.7418.75.
Toelichting
De regeling voor het lozen van hemelwater heeft de voorkeursvolgorde voor het beheer van afwater (artikel 10.29a van de Wet milieubeheer) als uitgangspunt. Over het algemeen kan afvloeiend hemelwater zonder problemen lokaal in het milieu teruggebracht worden. De beheerder van het terrein of oppervlak waar het hemelwater is neergekomen, is verantwoordelijk voor het nemen van deze preventieve maatregelen en kan vervolgens op grond van de specifieke zorgplicht worden aangesproken op het nemen daarvan. De maatregelen kunnen bijvoorbeeld inhouden: het schoonhouden van het terrein, het dusdanig omgaan met milieugevaarlijke stoffen dat verontreiniging van het hemelwater wordt voorkomen, het bij de keuze van materialen die aan hemelwater zijn blootgesteld rekening houden met het feit dat bij contact van hemelwater met deze materialen verontreinigende stoffen in het hemelwater kunnen geraken (uitloging), of een zodanige wijze van onkruidbestrijding dat onnodige verontreiniging van het hemelwater wordt voorkomen. In dit omgevingsplan is ervoor gekozen deze preventieve maatregelen niet in concrete voorschriften te vertalen.
In het tweede lid is het lozen van afvloeiend hemelwater vanaf rijkswegen en provinciale wegen buiten de bebouwde kom geregeld. Tot die wegen behoren eveneens de daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, en overig openbaar gebied. In het verleden is veel onderzoek verricht naar verontreinigingen in afvloeiend hemelwater van wegen en overige openbare ruimte. Afhankelijk van de intensiteit van het verkeer kan het in meer of mindere mate verontreinigd zijn met straatvuil, waarin PAK’s, zware metalen of minerale olie voorkomen. Buiten de bebouwde kom is het lozen van afstromend wegwater in een gemeentelijk rioolstelsel veelal niet mogelijk, omdat daar geen rioolstelsels zijn aangelegd, of alleen rioolstelsels, die niet bestemd zijn voor afvoer van regenwater. Het wegwater vloeit buiten de bebouwde kom meestal af naar de bodem of een eventueel aanwezig oppervlaktewaterlichaam. Hemelwater afkomstig van rijkswegen en provinciale wegen wordt buiten de bebouwde kom bij voorkeur geloosd op de bodem. Als lozen in de bodem niet (of niet volledig) mogelijk is, kan lozing (deels) plaatsvinden in een oppervlaktewaterlichaam. De regels hierover staan in de waterschapsverordening.
De voorkeursvolgorde in het tweede lid is niet van toepassing op lozingen van hemelwater bij de activiteit wonen, omdat het voormalige Besluit lozing afvalwater huishoudens geen inhoudelijke regels over deze lozingen kende. Voor wonen wordt daarom volstaan met de specifieke zorgplicht van artikel 17.4317.47.
RRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRR
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig artikel 7.2 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Buitengebied Holten, uitbreiding recreatieterrein Helhuizerweg 14.
[Vervallen]
SSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSS
Sectie ' Toepassingsbereik' wordt geplaatst na sectie ' Landschap de Holterberg'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
TTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTT
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig artikel 7.3 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Buitengebied Holten, uitbreiding recreatieterrein Helhuizerweg 14.
[Vervallen]
UUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUU
Sectie ' Oogmerken' wordt geplaatst na sectie ' Landschap Westflank Holterberg'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
VVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVV
Sectie ' Waterberging voor hemelwater met hergebruik' wordt geplaatst na sectie ' Oogmerken'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
WWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWW
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ' Waterberging voor hemelwater met hergebruik'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig artikel 5.4.3 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Buitengebied Holten, uitbreiding recreatieterrein Helhuizerweg 14.
[Vervallen]
YYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYY
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig artikel 5.4.4 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Buitengebied Holten, uitbreiding recreatieterrein Helhuizerweg 14.
[Vervallen]
ZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZ
Na sectie ' Toepassingsbereik' worden drie secties ingevoegd, luidende:
Toelichting
In een enkel geval kan de maximum maatvoering een belemmering vormen voor het verduurzamen van bouwwerken. Als een bestaande woning bijvoorbeeld al 150 m2 groot is, is het aan de buitenzijde na-isoleren op basis van het omgevingsplan niet mogelijk. In dit soort specifieke situaties voorziet lid 3. Er is dan alsnog omgevingsvergunning te verlenen mits de overschrijding ondergeschikt is en alleen voor duurzaamheidsdoeleinden wordt gebruikt.
Dit is voormalig artikel 4.4.4 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Buitengebied Holten, functiewijziging Schuppertsweg 2-4.
Dit is voormalig artikel 4.4.5 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Buitengebied Holten, functiewijziging Schuppertsweg 2-4.
AAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAA
Sectie ' Beoordelingsregels in verband met hydrologische bescherming' wordt geplaatst na sectie ' Melding inwoonsituatie'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
BBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBB
Sectie ' Voorschriften omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk of werkzaamheden in verband met hydrologische bescherming' wordt geplaatst na sectie ' Beoordelingsregels in verband met hydrologische bescherming'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
CCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCC
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig artikel 5.2.2 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Buitengebied Holten, uitbreiding recreatieterrein Helhuizerweg 14.
[Vervallen]
DDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDD
Na sectie ' Voorschriften omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk of werkzaamheden in verband met hydrologische bescherming' worden twee secties ingevoegd, luidende:
Dit is voormalig artikel 6.2.3 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Buitengebied Holten, functiewijziging Schuppertsweg 2-4.
In het TAM-omgevingsplan is een vergunningplicht opgenomen voor bepaalde werkzaamheden binnen de zone 'archeologische verwachtingswaarde'. Aan een vergunningplicht worden normaal beoordelingsregels gekoppeld. Op basis van die regels kan een omgevingsvergunning verleend of geweigerd worden. Abusievelijk zijn aan het TAM-omgevingsplan voor deze locaties geen beoordelingsregels gekoppeld. In het omgevingsplan wordt dit hersteld door de algemene beoordelingsregel uit onder meer de 'moederplannen' Veegplan Wonen Rijssen en Veegplan Wonen Holten te koppelen.
EEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEE
Sectie ' Voorschriften omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk of werkzaamheden in verband met archeologische waarde' wordt geplaatst na sectie ' Beoordelingsregels in verband met archeologische waarde'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
FFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFF
Na sectie ' Voorschriften omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk of werkzaamheden in verband met archeologische waarde' worden twee secties ingevoegd, luidende:
Dit is artikel 46 Agrarisch landschap - gemengde functies.
Toelichting
Het buitengebied van de gemeente Rijssen-Holten kenmerkt zich door een grote verscheidenheid aan functies. Het primaat ligt hierbij in een groot deel van het buitengebied op de landbouw. De landbouw maakt een ontwikkeling door waarbij schaalgrootte en innovatie belangrijke sleutelbegrippen zijn. Landbouw blijft een belangrijke drager van fysieke en ruimtelijke kenmerken van het buitengebied. In het landschap zien we een tweedeling ontstaan; er zijn relatief geconcentreerde landbouwgebieden en (mix)gebieden waarin ook andere functies voorkomen, zoals wonen en recreatie.
Het landschapsontwikkelingsplan (LOP) van de gemeente Rijssen-Holten deelt het buitengebied op in deelgebieden aan de hand van de ruimtelijke kenmerken. Het LOP is een overkoepelend toetsingskader voor verdeling, uitbreiding, verplaatsing en nieuwvestiging van functies in het buitengebied. Elk gebied is uniek door haar aanwezige kenmerken. Toch zijn er ook overkoepelende kenmerken (of factoren) die mede bepalend zijn in de ruimtelijke kwaliteit van een gebied. Deze factoren zijn echter niet altijd zichtbaar. De ruimtelijke dragers moeten bekeken worden bij een uitbreiding, verplaatsing of nieuwvestiging van functies in het plangebied. Niet alle factoren zullen altijd van belang zijn en soms zullen er specifieke kenmerken zijn die nadere beschouwing behoeven.
Dit artikel 44 van het Chw veegplan buitengebied Rijssen - Holten.
Toelichting
Het buitengebied kent een diversiteit aan functies. Water, bos en natuur zijn daarbij belangrijke ruimtelijke dragers in het landschap. In dit artikel worden alle drie de dragers meegenomen. Zij vormen samen de basisfunctielaag natuurlandschap in dit omgevingsplan. Dit natuurlandschap dient beschermd te worden. Binnen het natuurlandschap is er niet alleen ruimte voor natuur en ontwikkeling van natuur, maar ook extensieve recreatie is bijvoorbeeld te verenigen met het natuurlandschap. Daarnaast zijn er diverse bouwwerken toegelaten die zich in beginsel verdragen met de aanwezige natuurwaarden. Bouw van nieuwe bouwwerken is slechts in beperkte mate mogelijk. Het gaat dan bijvoorbeeld om voorzieningen voor het keren en beheersen van water zoals dammen, duikers enzovoort.
Binnen het natuurlandschap zijn ook woningen gelegen. Ten behoeve van bestaande woningen zijn binnen het natuurlandschap wel bijbehorende voorzieningen mogelijk. Het gaat dan bijvoorbeeld om een tuin, parkeervoorzieningen, erfontsluiting en aan de woning ondergeschikte functies zoals een bedrijf en beroep aan huis. Voor bestaande woningen is van belang dat bij vergroting, uitbreiding of nieuwbouw het karakter van het natuurlandschap blijft behouden.
Binnen het natuurlandschap komen eveneens recreatiewoningen voor. Dit kunnen ook bedrijfsmatig geëxploiteerde recreatiewoningen zijn. Het gemeentelijk en provinciaal beleid gaat ervan uit dat het aantal recreatiewoningen niet mag toenemen.
Ter bescherming van de natuur- en landschapswaarden worden een aantal werken en werkzaamheden getoetst op hun effect op de natuur- en landschapswaarden. Door een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van diverse werken heeft de gemeente een toetsingsinstrument. Dit instrument geldt bijvoorbeeld voor alle vormen van verharden van onverharde wegen, fietspaden, paden of parkeergelegenheden. De werken of werkzaamheden zijn in sommige gevallen verenigbaar met de aanwezige natuurwaarden. Wanneer de werkzaamheden geen blijvende, wezenlijke invloed hebben op de natuurwaarden, zal de vergunning worden verleend. Dit geldt ook als voldoende compensatie plaatsvindt als behoud niet mogelijk blijkt. Er hoeft geen vergunning te worden aangevraagd wanneer sprake is van normaal onderhoud, beheer of exploitatie.
Voor alle functies binnen de basisfunctie natuurlandschap zijn er algemene of locatiespecifieke bouwregels van toepassing.
GGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGG
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHH
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
IIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIII
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
JJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig artikel 7.4.3 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Buitengebied Holten, uitbreiding recreatieterrein Helhuizerweg 14.
[Vervallen]
KKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKK
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In het TAM-omgevingsplan is een vergunningplicht opgenoen voor bepaalde werkzaamheden binnen de zone 'archeologische verwachtingswaarde'. Aan een vergunningplicht worden normaal beoordelingsregels gekoppeld. Op basis van die regels kan een omgevingsvergunning verleend of geweigerd worden. Abusievelijk zijn aan het TAM-omgevingsplan voor deze locaties geen beoordelingsregels gekoppeld. In het omgevingsplan wordt dit hersteld door de algemene beoordelingsregel uit onder meer de 'moederplannen' Veegplan Wonen Rijssen en Veegplan Wonen Holten te koppelen.
[Vervallen]
LLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLL
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Di is voormalig artikel 7.5.3 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Buitengebied Holten, uitbreiding recreatieterrein Helhuizerweg 14.
[Vervallen]
MMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMM
Na sectie '' worden elf secties ingevoegd, luidende:
Dit is voormalig artikel
Toelichting
Het landschap Beuseberg, Zuurberg en Borkeld is gevormd door het reliëf van de Sallandse heuvelrug. Het landschap kenmerkt zich door afwisseling van bos, heideresten en behoort tot het stuwwallandschap. Dit glooiende gebied ligt op de flanken van de stuwwal. Opvallend in de omgeving zijn de vele cultuurhistorische hoger gelegen oude bouwlanden of enken. Kenmerkend zijn de (naald-)bossen en de kleinschalige graslanden met historische boerderijen en erven. In dit gebied komen ook holle wegen voor. Opgaven voor het landschap:
a. vergroten contrast openheid en beslotenheid op de overgang tussen de gebieden Beuseberg en Fliermaten;
b. behoud en beleefbaar maken van stijlranden door de hoge kanten te beplanten en de lage vrij te houden;
c. behoud van onverharde- en holle wegen, historische boerderijen en erven; en
aandacht voor landschappelijke inpassing recreatieterreinen.
Dit is voormalig artikel 7.2 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Buitengebied Holten, uitbreiding recreatieterrein Helhuizerweg 14.
Toelichting
Het landschap de Holterberg wordt gevormd door het reliëf van de Sallandse Heuvelrug. Het landschap kenmerkt zich door afwisseling van bos, heiderestanten en behoort tot het stuwlandschap.Het grootste deel bestaat uit aaneengesloten boscomplexen met naaldbos (stuthout voor de mijnbouw). Het gebied valt onder het Natuurnetwerk Nederland en heeft hoge natuurwaarden. Aan de zuidzijde van de Sallandse Heuvelrug komt enige bebouwing voor. Opgaven voor het landschap:
a. behoud en versterken van de natuurfunctie (extensiever);
b. vergroting biodiversiteit door omvorming van naald- naar loofbos;
c. bestaande heidegebieden vergroten (stuwwal toppen open maken);
d. versterken recreatieve relatie Holten - Holterberg;
e. het creëren of herstellen van zichtlijnen naar het omringende landschap;
f. creëren uitzichtpunt op de Holterberg.
Dit is voormalig artikel 7.3 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Buitengebied Holten, uitbreiding recreatieterrein Helhuizerweg 14.
Toelichting
Het landschap Westflank Holterberg wordt gevormd door kleinschalige akker- en graslanden, met beplante steilranden, houtwallen, gegroepeerde boerderijen en behoort tot het kampenlandschap.Dit landschap, waarin de hoogteligging afneemt van oost naar west, wordt gevormd door onregelmatige wegenpatroon, verspreide boerderijen, glooiende landerijen en beplantingselementen. Het gebied is gevarieerd en kleinschalig. Opgaven voor het landschap:
a. behoud en versterken kleinschalig landschap met als inspiratiebron het landschap van 1900 door houtwallen met zomereik als hoofdsoort;
b. behoud en versterken zichtrelatie met de Holterberg;
c. cultuurhistorisch beeld van boerderijen en erven behouden en versterken;
d. behoud van onverharde wegen ten behoeve van natuur en recreatie;
e. versterken landgoed en bos in de omgeving.
Lid 1 is voormalig artikel 4.1 van het TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22b herontwikkeling Albert Heijn Holten. Maatvoering (zoals bijvoorbeeld voor de supermarkt) is opgenomen in de artikelen over de vergunningplicht in deze paragraaf.
Lid 2 is voormalig artikel 4.4 van het TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22b herontwikkeling Albert Heijn Holten.
Dit is voormalig artikel 4.2 van het TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22b herontwikkeling Albert Heijn Holten.
Dit is voormalig artikel 7.3 van het TAM-IMRO omgevingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22b herontwikkeling Albert Heijn Holten.
Dit is voormalig artikel 4.3 sub a van het TAM-IMRO omgevingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22b herontwikkeling Albert Heijn Holten.
Dit is voormalig artikel 4.3 sub b van het TAM-IMRO omgevingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22b herontwikkeling Albert Heijn Holten.
Dit is voormalig artikel 4.2 onder g van het TAM-IMRO omgevingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22b herontwikkeling Albert Heijn Holten.
Dit is voormalig artikel 4.5 van het van het TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22b herontwikkeling Albert Heijn Holten.
NNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNN
Sectie ' Voormalig hoofdstuk 22c - TAM - omgevingsplan, Wonen Rijssen - tennispark Opbroek' wordt geplaatst na sectie ' Omgevingsvergunning gebruiksactiviteiten'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOO
Sectie ' Groen' wordt geplaatst na sectie ' Voormalig hoofdstuk 22c - TAM - omgevingsplan, Wonen Rijssen - tennispark Opbroek'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
PPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPP
Sectie ' Sport' wordt geplaatst na sectie ' Groen'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
QQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQ
Sectie ' Verkeer - verblijf' wordt geplaatst na sectie ' Sport'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
RRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRR
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig artikel 6.1 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Kern Holten, Dorpsstraat 55-55a.
[Vervallen]
SSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSS
Sectie ' Omgevingsvergunning werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheden in verband met archeologische waarden' wordt geplaatst na sectie ' Waarde - middelhoge archeologische verwachtingswaarde'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
TTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTT
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig artikel 7 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Kern Holten, Dorpsstraat 55-55a
[Vervallen]
UUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUU
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig artikel 5.3.1 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Kern Holten, Dorpsstraat 55-55a.
[Vervallen]
VVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVV
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig artikel 5.1 van het TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22l Wonen Rijssen, Oosterhofweg 244.
[Vervallen]
WWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWW
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig artikel 5.1 van het TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22l Wonen Rijssen, Oosterhofweg 244.
[Vervallen]
XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig artikel 5.4 van het TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22l Wonen Rijssen, Oosterhofweg 244. Niet alle vormen van strijdig gebruik zijn overgenomen omdat een aantal al generiek verboden zijn in hoofdstukken 3, 4, 6 of 9 van dit omgevingsplan.
[Vervallen]
YYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYY
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig artikel 6.1 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Kern Holten, Dorpsstraat 55-55a.
[Vervallen]
ZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig artikel 6.1 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Kern Holten, Dorpsstraat 55-55a.
[Vervallen]
AAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAA
Na sectie ' Omgevingsvergunning werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheden in verband met archeologische waarden' worden zestien secties ingevoegd, luidende:
Dit is voormalig artikel 4.1 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Buitengebied Holten, functiewijziging Schuppertsweg 2-4.
Dit is voormalig artikel 4.2 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Buitengebied Holten, functiewijziging Schuppertsweg 2-4.
Dit is een deel van voormalig artikel 4.3.1 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Buitengebied Holten, functiewijziging Schuppertsweg 2-4. De resterende vorm van strijdig gebruik zijn generiek in hoofdstukken 3, 4, 9 en 17 verboden.
Dit is een deel van voormalig artikel 4.3.2 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Buitengebied Holten, functiewijziging Schuppertsweg 2-4. De resterende vorm van strijdig gebruik zijn generiek in hoofdstukken 3, 4, 9 en 17 verboden.
Dit is voormalig artikel 6.6 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Buitengebied Holten, functiewijziging Schuppertsweg 2-4.
Dit is voormalig artikel 4.3.3. van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Buitengebied Holten, functiewijziging Schuppertsweg 2-4.
Dit is voormalig artikel 4.2.1.1 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Buitengebied Holten, functiewijziging Schuppertsweg 2-4.
Dit is voormalig artikel 4.2.2.1 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Buitengebied Holten, functiewijziging Schuppertsweg 2-4.
Dit is een deel van voormalig artikel 4.2.1.4 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Buitengebied Holten, functiewijziging Schuppertsweg 2-4.
Dit is voormalig artikel 4.2.1.3 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Buitengebied Holten, functiewijziging Schuppertsweg 2-4.
Dit is voormalig artikel 4.2.2.4 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Buitengebied Holten, functiewijziging Schuppertsweg 2-4. Sub a en b over perceel- en erfafscheidingen zijn niet overgenomen, want deze zijn al gesteld artikelen 4.18 en 4.40.
Dit is voormalig artikel 4.4.2 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Buitengebied Holten, functiewijziging Schuppertsweg 2-4.
Dit is voormalig artikel 4.5.1 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Buitengebied Holten, functiewijziging Schuppertsweg 2-4.
Dit is voormalig artikel 4.4.3 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Buitengebied Holten, functiewijziging Schuppertsweg 2-4.
Dit zijn voormalig artikelen 7.1.1 en 7.1.3 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Buitengebied Holten, functiewijziging Schuppertsweg 2-4. De zelfstandige herplantplicht uit artikel 9.1.4 is niet overgenomen omdat deze op basis van in hoofdstuk 9 algemeen geldt.
Dit is voormalig artikel 7.1.2 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Buitengebied Holten, functiewijziging Schuppertsweg 2-4.
BBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBB
Sectie ' Voormalig hoofdstuk 22h - TAM - omgevingsplan, Buitengebied Holten, uitbreiding recreatieterrein Helhuizerweg 14' wordt geplaatst na sectie ' Beoordelingsregels in verband met overige grondwerkzaamheden'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
CCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCC
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ' Voormalig hoofdstuk 22h - TAM - omgevingsplan, Buitengebied Holten, uitbreiding recreatieterrein Helhuizerweg 14'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
DDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDD
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig artikel 8 van het TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22l Wonen Rijssen, Oosterhofweg 244.
[Vervallen]
EEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEE
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ' Anti-dubbeltelregel'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
FFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFF
Na sectie '' wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Dit is voormalig artikel 4.3.3. van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Buitengebied Holten, functiewijziging Schuppertsweg 2-4.
GGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGG
Sectie ' Algemene beoordelingsregels - gebouwen recreatie - verblijfsrecreatie' wordt geplaatst na sectie ' Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHH
Sectie ' Algemene beoordelingsregels - milieuregels voor alle bouwwerken' wordt geplaatst na sectie ' Algemene beoordelingsregels - gebouwen recreatie - verblijfsrecreatie'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
IIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIII
Sectie ' Specifieke beoordelingsregels - bijbehorende bouwwerken recreatie - verblijfsrecreatie' wordt geplaatst na sectie ' Algemene beoordelingsregels - milieuregels voor alle bouwwerken'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
JJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJ
Sectie ' Specifieke beoordelingregels - boerderijeappartementen recreatie - verblijfsrecreatie' wordt geplaatst na sectie ' Specifieke beoordelingsregels - bijbehorende bouwwerken recreatie - verblijfsrecreatie'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
KKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKK
Sectie ' Specifieke beoordelingsregels - bouwwerken geen gebouw zijnde recreatie - verblijfsrecreatie' wordt geplaatst na sectie ' Specifieke beoordelingregels - boerderijeappartementen recreatie - verblijfsrecreatie'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
LLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLL
Sectie ' Specifieke beoordelingsregels - inpandig vergroten voormalige boerderij' wordt geplaatst na sectie ' Specifieke beoordelingsregels - bouwwerken geen gebouw zijnde recreatie - verblijfsrecreatie'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMM
Sectie ' Specifieke beoordelingsregels - gebouwen voor onderhoud in bosgebieden' wordt geplaatst na sectie ' Specifieke beoordelingsregels - inpandig vergroten voormalige boerderij'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
NNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNN
Sectie ' Specifieke beoordelingsregels - bouwwerken geen gebouw zijnde in natuur - natuurlandschap' wordt geplaatst na sectie ' Specifieke beoordelingsregels - gebouwen voor onderhoud in bosgebieden'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOO
Sectie ' Specifiek overgangsrecht bouwwerken' wordt geplaatst na sectie ' Specifieke beoordelingsregels - bouwwerken geen gebouw zijnde in natuur - natuurlandschap'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
PPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPP
Sectie ' Omgevingsplanactiviteit overige grondwerkwerkzaamheden ' wordt geplaatst na sectie ' Specifiek overgangsrecht bouwwerken'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
QQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQ
Sectie ' Beoordelingsregels in verband met overige grondwerkzaamheden' wordt geplaatst na sectie ' Omgevingsplanactiviteit overige grondwerkwerkzaamheden '. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
RRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRR
Sectie ' Omgevingsvergunnig slopen bouwwerk Helhuizerweg 14 in Holten' wordt geplaatst na sectie ' Beoordelingsregels in verband met overige grondwerkzaamheden'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
SSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSS
Sectie ' Beoordelingsregels slopen bouwwerk Helhuizerweg 14 in Holten' wordt geplaatst na sectie ' Omgevingsvergunnig slopen bouwwerk Helhuizerweg 14 in Holten'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
TTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTT
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Toelichting
Dit TAM-IMRO omgevingsplan is gericht op het faciliteren van beoordelingsregels voor de milieubelastende activiteit 'Verbranden van afvalstoffen anders dan in een ippc-installatie' en is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22m) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Rijssen-Holten. Dit hoofdstuk is bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. Het is met de landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
[Vervallen]
UUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUU
Na sectie ' Beoordelingsregels slopen bouwwerk Helhuizerweg 14 in Holten' worden negen secties ingevoegd, luidende:
Dit is voormalig artikel 11 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22i Kern Rijssen, herontwikkeling Grotestraat 26 Rijssen.
Lid 1 is voormalig artikel 5.2 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22i Kern Rijssen, herontwikkeling Grotestraat 26 Rijssen. Normen zijn opgenomen in de artikelen voor de vergunningplicht in deze paragraaf.
Lid 2 is voormalig artikelen 5.5 en 10 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22i Kern Rijssen, herontwikkeling Grotestraat 26 Rijssen. Uit deze artikelen zijn alleen de locatiespecifieke strijdige vormen van gebruik overgenomen. De overige vormen van strijdig gebruik zijn opgenomen in hoofdstukken 3, 4, 9 en 17 van dit omgevingsplan.
Dit is voormalig artikel 6 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22i Kern Rijssen, herontwikkeling Grotestraat 26 Rijssen.
Dit artikel is een samenvoeging van voormalig artikel 5.2 en 5.3.1 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22i Kern Rijssen, herontwikkeling Grotestraat 26 Rijssen.
Dit is voormalig artikel 5.3.2 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22i Kern Rijssen, herontwikkeling Grotestraat 26 Rijssen.
Dit is voormalig artikel 6 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22i Kern Rijssen, herontwikkeling Grotestraat 26 Rijssen.
Dit is voormalig artikel 5.4 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22i Kern Rijssen, herontwikkeling Grotestraat 26 Rijssen.
Dit is voormalig artikel 7 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22i Kern Rijssen, herontwikkeling Grotestraat 26 Rijssen.
VVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVV
Sectie ' Voormalig hoofdstuk 22j - TAM - omgevingsplan, Dorpstraat 55-55a in Holten' wordt geplaatst na sectie ' Vergunningplicht werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid uitvoeren'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
WWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWW
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ' Voormalig hoofdstuk 22j - TAM - omgevingsplan, Dorpstraat 55-55a in Holten'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig artikel 5.4.1 sub b en c van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Kern Holten, Dorpsstraat 55-55a. Sub a is al generiek gereguleerd via artikel 17.2517.27.
YYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYY
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
ZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZ
Sectie ' Specifieke beoordelingsregels - bouwwerken geen gebouw zijnde gemend' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAA
Sectie ' Specifieke beoordelingsregels - gebruik wonen op begane grond' wordt geplaatst na sectie ' Specifieke beoordelingsregels - bouwwerken geen gebouw zijnde gemend'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
BBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBB
Sectie ' Specifiek overgangsrecht bouwwerken' wordt geplaatst na sectie ' Specifieke beoordelingsregels - gebruik wonen op begane grond'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
CCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCC
Sectie ' Omgevingsplanactiviteit in verband met archeologische verwachtingswaarde' wordt geplaatst na sectie ' Specifiek overgangsrecht bouwwerken'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
DDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDD
Sectie ' Omgevingsplanactiviteit overige grondwerkzaamheden' wordt geplaatst na sectie ' Omgevingsplanactiviteit in verband met archeologische verwachtingswaarde'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
EEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEE
Na sectie ' Omgevingsplanactiviteit overige grondwerkzaamheden' worden zes secties ingevoegd, luidende:
Lid 1 is voormalig artikel 4.1 sub a tot en met f en 4.2.1 van het TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22k Bedrijventerrein Rijssen, Fahrenheitstraat 2.
Lid 2 is voormalig artikel 4.1 sub g tot en met j en artikel 4.4
Lid 1, 2 en 3 zijn artikel voormalig 4.2.2 van het TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22k Bedrijventerrein Rijssen, Fahrenheitstraat 2.
Lid 4 en 5 zijn voormalig artikel 5.1 tot en met 5.3 van het TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22k Bedrijventerrein Rijssen, Fahrenheitstraat 2. Het beperkingengebied voor de gasleiding is aangewezen in artikel 17.2.
Dit artikel is voormalig artikel 5.2 en 5.3 van het TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22k Bedrijventerrein Rijssen, Fahrenheitstraat 2.
Lid 1 en 2 zijn voormalig artikel 4.3 van het TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22k Bedrijventerrein Rijssen, Fahrenheitstraat 2.
Lid 1 en 2 zijn voormalig artikel 5.4 van het TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22k Bedrijventerrein Rijssen, Fahrenheitstraat 2.
FFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFF
Sectie ' Voormalig hoofdstuk 22l - TAM - omgevingsplan, Wonen Rijssen - Oosterhofweg 244 in Rijssen' wordt geplaatst na sectie ' Omgevingsvergunning werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid uitvoeren'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
GGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGG
Sectie ' Overgangsrecht gebruik' wordt geplaatst na sectie ' Voormalig hoofdstuk 22l - TAM - omgevingsplan, Wonen Rijssen - Oosterhofweg 244 in Rijssen'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHH
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ' Overgangsrecht gebruik'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig artikel 4.1 en 4.5 van het TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22l Wonen Rijssen, Oosterhofweg 244. Uit artikel 4.5 is alleen het gebruiksdeel overgenomen. De voorwaarden voor een omgevingsvergunning zijn in artikel 19.6919.117 opgenomen.
IIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIII
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
JJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJ
Sectie ' Afstemmingsregel welstand' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
KKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKK
Sectie ' Algemene bouwregels voor alle bouwwerken' wordt geplaatst na sectie ' Afstemmingsregel welstand'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
LLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLL
Sectie ' Maatwerkbepalingen - diverse omgevingsvergunningen bouwactiviteit (omgevingsplan)' wordt geplaatst na sectie ' Algemene bouwregels voor alle bouwwerken'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMM
Sectie ' Overgangsrecht bouwwerken' wordt geplaatst na sectie ' Maatwerkbepalingen - diverse omgevingsvergunningen bouwactiviteit (omgevingsplan)'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
NNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNN
Sectie ' Specifieke beoordelingsregels - gebouwen en overkappingen' wordt geplaatst na sectie ' Overgangsrecht bouwwerken'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOO
Sectie ' Specifieke beoordelingsregels - hoofdgebouwen' wordt geplaatst na sectie ' Specifieke beoordelingsregels - gebouwen en overkappingen'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
PPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPP
Sectie ' Specifieke beoordelingsregels - vrijstaande bijbehorende bouwwerken' wordt geplaatst na sectie ' Specifieke beoordelingsregels - hoofdgebouwen'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
QQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQ
Sectie ' Specifieke beoordelingsregels - voor een uitbouw, zoals een erker, toegangspartij, luifel of balkon' wordt geplaatst na sectie ' Specifieke beoordelingsregels - vrijstaande bijbehorende bouwwerken'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
RRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRR
Sectie ' Specifieke beoordelingsregels - bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde' wordt geplaatst na sectie ' Specifieke beoordelingsregels - voor een uitbouw, zoals een erker, toegangspartij, luifel of balkon'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
SSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSS
Sectie ' Specifieke beoordelingsregels - kantoor' wordt geplaatst na sectie ' Specifieke beoordelingsregels - bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is voormalig artikel 4.5 van het TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22l Wonen Rijssen, Oosterhofweg 244. Het gebruik (de functie kantoor) is geregeld in artikel 19.5819.107.
TTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTT
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ' Specifieke beoordelingsregels - kantoor'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
UUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUU
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
VVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVV
Sectie ' Specifieke beoordelingsregels - bouwen diverse bouwwerken' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
WWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWW
Sectie ' Omgevingsvergunning werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheden uitvoeren in verband met middelhoge archeologische verwachtingswaarde' wordt geplaatst na sectie ' Specifieke beoordelingsregels - bouwen diverse bouwwerken'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ' Omgevingsvergunning werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheden uitvoeren in verband met middelhoge archeologische verwachtingswaarde'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
YYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYY
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
ZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZ
Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAA
Sectie ' Omgevingsvergunning werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheden uitvoeren in verband met hoge archeologische verwachtingswaarde' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
BBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBB
Sectie ' Omgevingsvergunning beroep aan huis ' wordt geplaatst na sectie ' Omgevingsvergunning werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheden uitvoeren in verband met hoge archeologische verwachtingswaarde'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
CCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCC
Sectie ' Omgevingsvergunning bedrijf aan huis' wordt geplaatst na sectie ' Omgevingsvergunning beroep aan huis '. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
DDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDD
Na sectie ' Omgevingsvergunning bedrijf aan huis' worden 24 secties ingevoegd, luidende:
Dit is voormalig artikel 4.1 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o Buitengebied Holten, Helhuizerweg 28-30.
Dit is een deel van voormalig artikel 4.4.1 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o Buitengebied Holten, Helhuizerweg 28-30. De resterende vorm van strijdig gebruik zijn generiek in hoofdstukken 3, 4, 9 en 17 verboden.
Dit is voormalig artikel 4.5.2 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o Buitengebied Holten, Helhuizerweg 28-30.
Dit is voormalig artikel 4.2.1 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o Buitengebied Holten, Helhuizerweg 28-30.
Dit is voormalig artikel 4.2.2 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o Buitengebied Holten, Helhuizerweg 28-30.
Dit is voormalig artikel 4.2.3 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o Buitengebied Holten, Helhuizerweg 28-30.
Dit is een deel van voormalig artikel 4.2.4 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o Buitengebied Holten, Helhuizerweg 28-30. Sub a en b over perceel- en erfafscheidingen zijn niet overgenomen, want deze zijn al gesteld artikelen 4.18 en 4.40.
Dit is voormalig artikel 4.4.3 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Buitengebied Holten, functiewijziging Schuppertsweg 2-4.
Dit zijn voormalig artikelen 7.2.1 en 7.2.3 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o Buitengebied Holten, Helhuizerweg 28-30.
Dit is voormalig artikel 7.2.2 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o Buitengebied Holten, Helhuizerweg 28-30.
Tweede en derde lid
De provincie Overijssel staat het plaatsen van nieuwe grootschalige zonneparken op landbouw- en natuurgrond sinds oktober 2024 niet meer toe. Daarom zorgt dit artikel ervoor dat artikel 8.9 uit het bestemmingsplan Buitengebied Rijssen, Hoogspanningsstation 110kV (NL.IMRO.1742.BP2021004-0401) niet langer van toepassing is.
De overige regels uit het het bestemmingsplan Buitengebied Rijssen, Hoogspanningsstation 110kV (NL.IMRO.1742.BP2021004-0401) blijven onverminderd van toepassing.
Vierde lid
De zonering risicobronnen in de vorm van opslagtanks ontbrak in het bestemmingsplan Buitengebied Rijssen, Hoogspanningsstation 110kV (NL.IMRO.1742.BP2021004-0401) en wordt door middel van het tweede lid van toepassing verklaard op deze locatie. De inhoudelijke regels zijn te lezen in artikel 610 van het Chw Veegplan Buitengebied Rijssen-Holten (NL.IMRO.1742.BPB2023000-0401).
De overige regels uit het het bestemmingsplan Buitengebied Rijssen, Hoogspanningsstation 110kV (NL.IMRO.1742.BP2021004-0401) blijven onverminderd van toepassing.
Toelichting
Voor de locatie Deventerweg 73 Holten is in 2021 een herziening van het bestemmingsplan gedraaid (Buitengebied, rood voor rood, Deventerweg 73, NL.IMRO.1742.BP2020014-0401). Deze herziening is in 2023 opgenomen in het Chw Veegplan Buitengebied Rijssen-Holten (NL.IMRO.1742.BPB2023000-0401) van het tijdelijk deel omgevingsplan, hierbij is op de locatie echter artikel 69 'Agrarisch bedrijf Deventerweg 73 in Holten' en ook het werkingsgebied op de kaart niet verwijderd. Dit artikel zorgt ervoor dat artikel 69 als geheel niet langer van toepassing is op deze locatie.
Toelichting
Artikel 18 'Karakteristieke woning met karakteristiek bijbehorend bouwwerk' uit het Chw Veegplan Buitengebied Rijssen-Holten (NL.IMRO.1742.BPB2023000-0401) van het tijdelijk deel omgevingsplan is niet langer van toepassing en artikel 17.1 tot en met 17.4.3 van het Chw Veegplan Buitengebied Rijssen-Holten (NL.IMRO.1742.BPB2023000-0401) van toepassing wordt.
Dit artikel zorgt ervoor dat het bijbehorend bouwwerk op de locatie Borkeld 6 in Rijssen niet langer planologisch wordt aangeduid als karakteristiek. Het bijgebouw was in het Chw Veegplan Buitengebied Rijssen-Holten (NL.IMRO.1742.BPB2023000-0401) ten onrechte aangeduid als karakteristiek, terwijl dit in praktijk niet het geval is. De aanduiding karakteristiek bijbehorend bouwwerk leverde daarmee belemmeringen op voor vervangende nieuwbouw van het bijbehorend bouwwerk.
Toelichting
Dit artikel zorgt ervoor dat voor de gekoppelde locaties artikel 17 van het Chw Veegplan Buitengebied Rijssen-Holten (NL.IMRO.1742.BPB2023000-0401) niet meer van toepassing is en artikel 19.1 tot en met 19.4.3 van het Chw Veegplan Buitengebied Rijssen-Holten (NL.IMRO.1742.BPB2023000-0401) van toepassing wordt.
Deze wijziging zorgt ervoor dat het duidelijk is dat op deze locaties een vergunde inwoonsituatie reeds aanwezig zijn. De overige regels op de locaties wijzigen niet.
Locatie:
- Tromopsweg 1-1A Holten
Toelichting
Dit artikel zorgt ervoor dat voor de gekoppelde locaties artikel 21 van het Chw Veegplan Buitengebied Rijssen-Holten (NL.IMRO.1742.BPB2023000-0401) niet meer van toepassing is en artikel 20.1 tot en met 20.4.3 van het Chw Veegplan Buitengebied Rijssen-Holten (NL.IMRO.1742.BPB2023000-0401) van toepassing wordt.
Deze wijziging zorgt ervoor dat het duidelijk is dat op deze locaties een vergunde inwoonsituatie reeds aanwezig zijn. De overige regels op de locaties wijzigen niet.
Locatie:
- Borkeld 14A Rijssen
Toelichting
De bestaande schuren op deze locatie hadden in het Chw Veegplan Buitengebied Rijssen-Holten (NL.IMRO.1742.BPB2023000-0401) geen regels of aanduiding op de kaart. Dit artikel zorgt ervoor dat er een werkingsgebied op de kaart ontstaat waarbij de regels uit artikel 518 'opslag agrarische doeleinden met bestaande bebouwing' uit het Chw Veegplan Buitengebied Rijssen-Holten (NL.IMRO.1742.BPB2023000-0401) van het tijdelijk deel omgevingsplan van toepassing worden verklaard.
Toelichting tweede en derde lid
Dit artikel zorgt ervoor dat op de locatie Oude Stationsweg 8 in Holten locatiespecifiek de teelt van sedum en vergelijkbare plantensoorten voor groendaken wordt toegestaan en niet langer meer valt onder het strijdig gebruik van artikel 46.3 sub d 'Agrarisch landschap - gemengde functies' uit het Chw Veegplan Buitengebied Rijssen-Holten (NL.IMRO.1742.BPB2023000-0401) van het tijdelijk deel omgevingsplan.
Toelichting
Tweede lid
Met het oog op de geplande uitbreiding van het bedrijventerrein Lichtenbergerveld-Oost zorgt dit artikel ervoor dat de bestaande veldschuur aan de Ploegweg in Rijssen, die binnen deze geplande uitbreiding gelegen is, verplaatst en opnieuw gebouwd kan worden aan de overkant van de weg op de locatie Ploegweg ong. Rijssen.
Derde lid
Dit lid zorgt ervoor dat geborgd is dat bij nieuwbouw van de veldschuur aan de overkant van de Ploegweg de bestaande veldschuur aan de Ploegweg gesloopt dient te worden.
Toelichting
Dit artikel zorgt ervoor dat artikel 285.1, 285.2, 285.3, 285.4.2 onder c en 285.4.4 van het Chw Veegplan Buitengebied Rijssen-Holten niet meer van toepassing zijn. Artikel 35.1 tot en met 35.3 zijn ter vervanging van toepassing. Omdat voor deze locatie specifieke bouwregels golden is er voor gekozen die regels van toepassing te laten. De locatie specifieke bouwregels uit artikel 285.4.1, 285.4.2 sub a en b en 285.4.3 gelden dus onverkort, met uitzondering van de regel over bijbehorende bouwwerken ten behoeve van een bedrijf (artikel 285.4.2 sub c). Die regels zijn niet meer van toepassing.
Toelichting
De Koerselmansweg 14 is gelegen in de gemeente Deventer. De gemeente Deventer heeft met een voorwaardelijke verplichting een erfinrichtingsplan gekoppeld aan het perceel. Een deel van het perceel van Koerselmansweg 14 is gelegen in de gemeente Rijssen-Holten en daarmee ook een deel van het erfinrichtingsplan. Het erfinrichtingsplan wordt met dit artikel ook planologisch vastgelegd als met dezelfde voorwaardelijke verplichting op het deel van het perceel dat is gelegen in de gemeente Rijssen-Holten. De overige planologische regels van de gemeente Deventer in het bestemmingsplan Koerselmansweg 14 - Oerdijk 238 (NL.IMRO.0150.P417-VG01) voor deze locatie blijven onverminderd van kracht.
Toelichting
Dit artikel zorgt er, in samenhang met artikel 1.5, voor dat voor de gekoppelde locaties artikel 35 van het Chw Veegplan Buitengebied Rijssen-Holten (NL.IMRO.1742.BPB2023000-0401) niet meer van toepassing is en artikel 40.1 tot en met 40.4.3 'Woning' van het Chw Veegplan Buitengebied Rijssen-Holten (NL.IMRO.1742.BPB2023000-0401) van toepassing wordt.
Deze wijziging zorgt ervoor dat het duidelijk is dat op deze locaties een vergunde inwoonsituatie reeds aanwezig zijn. De overige regels op de locaties wijzigen niet.
Locaties:
- Langstraat 30-32 Holten
- Schreursweg 12-12a Holten
- Stroweg 2 Rijssen
Toelichting
Dit artikel zorgt er, in samenhang met artikel 1.5, voor dat voor de gekoppelde locaties artikel 42 van het Chw Veegplan Buitengebied Rijssen-Holten (NL.IMRO.1742.BPB2023000-0401) niet meer van toepassing is en artikel 41.1 tot en met 41.1.3 'Woning met inwoning met voormalige agrarische bedrijfsbebouwing' van het Chw Veegplan Buitengebied Rijssen-Holten (NL.IMRO.1742.BPB2023000-0401) van toepassing wordt.
Deze wijziging zorgt ervoor dat het duidelijk is dat op deze locaties een vergunde inwoonsituatie reeds aanwezig zijn. De overige regels op de locaties wijzigen niet.
Locaties:
- Schuppertsweg 1-1A Holten
Toelichting
Dit artikel beperkt de (gebruiks)mogelijkheden van de genoemde locatie tot water en groen(voorzieningen). Door een planwijziging is het voormalig sportterrein omgevormd tot woningbouw (herontwikkeling RV-terrein). Dit perceel is niet meegenomen in het plangebied, de grond heeft daarom de oorspronkelijke 'sport'-bestemming gehouden. Feitelijk is de strook water en groen. Die vormen van gebruik zijn wel toegelaten in de bestemming. De overige vormen van gebruik uit de oorspronkelijke bestemming zijn niet langer gewenst of uitvoerbaar.
Dit artikel is een wijziging van artikel 6 van het bestemmingsplan Wonen Rijssen en Veegplan Wonen Rijssen.
Toelichting
Met deze nieuwe regel is het niet meer mogelijk om bestaande horeca categorie 3 te (her)vestigen (of te laten voortbestaan).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-118844.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.