Gemeenteblad van Goirle
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Goirle | Gemeenteblad 2025, 8254 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Goirle | Gemeenteblad 2025, 8254 | beleidsregel |
Beleidsregel kleine buitenplanse omgevingsplanactiviteiten gemeente Goirle
Met de komst van de Omgevingswet is de zogenaamde “kruimelgevallenlijst” uit het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor) komen te vervallen. Daarmee zijn ook enkele veelgebruikte mogelijkheden vervallen om relatief eenvoudige zaken met een reguliere (en korte) omgevingsvergunning te regelen. Ondanks dat het afweek van het bestemmingsplan.
De gedachte van de Omgevingswet is dat het omgevingsplan alle regels voor de gemeentelijke bevoegdheden bevat. Dus ook alle afwijkingsmogelijkheden. En dat voor die afwijkingen in principe altijd de reguliere procedure gevoerd wordt. Voor alle gemeentelijke afwijkingen; zowel binnenplans als buitenplans. De gemeenten mogen dat zelf allemaal regelen en besluiten. Daarmee is de noodzaak voor zo’n kruimelregeling vervallen.
De wetgever heeft er echter niet aan gedacht dat in de eerste jaren de omgevingsplannen nog vorm moeten krijgen en dat er een leemte ontstaat. Ze heeft ook niet voorzien in een overgangsregeling. Het is aan de gemeente om dit onder de Omgevingswet in te vullen.
Wettelijke kader en reikwijdte van de beleidsregel
Het omgevingsplan is het planologisch regime waaraan vergunningen en ontwikkelingen worden getoetst. In het omgevingsplan stelt de gemeenteraad regels voor activiteiten die gevolgen hebben voor de fysieke leefomgeving. Het (tijdelijke) omgevingsplan bevat in ieder geval de regels die nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (hierna: ETFAL). Bijvoorbeeld over waar kan worden gebouwd, met welke afmetingen en hoe percelen en gebouwen mogen worden gebruikt. Wanneer een activiteit niet past binnen die regels en in strijd is met de regels in het omgevingsplan, kan met een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (hierna: de Bopa) worden afgeweken van het omgevingsplan.
Het vergunnen van een Bopa is een bevoegdheid van het college van B&W. het college mag een Bopa alleen verlenen met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl). Hiervan is geen sprake als de activiteit in strijd is met de omgevingsvisie, programma's of ander relevant gemeentelijk beleid. Dit is het bepalende kader of een Bopa verleend kan worden. Strijdigheid met de regels van het (tijdelijke deel van het) omgevingsplan is dus geen weigeringsgrond bij een Bopa.
Op grond van artikel 4:81, eerste lid, van de Awb kan een bestuursorgaan beleidsregels vaststellen voor een aan het bestuursorgaan toekomende bevoegdheid, zoals de bevoegdheid om af te kunnen wijken van het omgevingsplan. Deze beleidsregel beoogt gevallen aan te wijzen waarvoor het bevoegde gezag, in dit geval dus het college, in een algemeen beoordelingskader wil voorzien voor algemeen aanvaardbare buitenplanse omgevingsplanactiviteiten.
Deze beleidsregel bevat beoordelingsregels voor de categorieën van gevallen die voorheen waren opgenomen in artikel 4, van Bijlage II, van het Bor. En daarbij als algemeen aanvaardbaar werden beschouwd op basis van het geldende (landelijke) beleid. Het gaat daarbij om veel voorkomende kleine afwijkingen of bestaande situaties zoals het bouwen van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan. Of een ander aanvaard gebruik in de bebouwde kom.
De buitenplanse omgevingsplanactiviteit
Als er onder de Omgevingswet een activiteit in strijd is met de regels uit het omgevingsplan kan een omgevingsvergunning worden verleend voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Daarnaast kan de gemeenteraad ook besluiten dat activiteiten, al dan niet met een bepaalde toestemming, worden opgenomen in de regels van het omgevingsplan. Dat geldt ook voor de activiteiten uit de vroegere kruimelgevallenlijst.
Zolang dergelijke kruimelgevallen nog niet zijn opgenomen in het omgevingsplan, dan zal voor een dergelijke, vaak aanvaardbare activiteit, een buitenplanse omgevingsplanactiviteit moeten worden verleend. Dat geldt voor alle activiteiten, tenzij expliciet bepaald is dat het niet tot de bevoegdheid van de gemeente behoort.
In de overgangsfase van het omgevingsplan zullen de meeste gemeenten niet per 1 januari 2024 een vervangende regeling in het omgevingsplan hebben opgenomen. Niet voor de kruimelgevallen en ook niet voor andere overgehevelde bevoegdheden. Hiervoor is de termijn gewoon te kort, liggen er andere prioriteiten en zijn er nog diverse (technische) beperkingen en onzekerheden in het instrumentarium van de Omgevingswet.
Kort gezegd: Een “oud kruimelgeval” is na 1 januari 2024 een relatief dure en zware omgevingsplanactiviteit geworden. Het betreft voor de meeste gemeenten echter vaak activiteiten die via de kruimelregeling afgelopen jaren als aanvaardbaar werden bestempeld. De balans is voor deze gevallen nu zoekgeraakt.
Motivatie van de buitenplanse omgevingsplanactiviteit versus een kruimelgeval
Een Bopa moet in beginsel via het reguliere vergunningentraject worden afgehandeld. Dat duurt normaal niet langer dan 8 weken. Dat is net zo lang als een kruimelvergunning destijds. Hierbij doen zich bij de Bopa wel enkele zwaarwegende nadelen voor, te weten:
een Bopa kan gebonden zijn aan een bindend advies van de gemeenteraad1. Voor deze beleidsregel geldt dat, als er sprake is van een bindend advies op grond van een Aanwijzingsbesluit bindend advies buitenplanse omgevingsplanactiviteiten van de gemeenteraad, toepassing van deze beleidsregels is uitgesloten. Er is dan per definitie geen sprake van een “kleine Bopa”.
een Bopa vraagt in principe om een uitgebreide motivatie. Daarin moet ingegaan worden op ETFAL en de instructieregels uit het Bkl en de Omgevingsverordening. Vaak staat een dergelijke motivatie niet in verhouding tot de activiteit. De balans slaat te ver door naar de procedurele kant. Hiermee gaan ook onevenredig hoge kosten, langere proceduretijd en een veel grotere belasting van zowel het ambtelijk apparaat als de aanvragers en adviseurs gepaard.
een Bopa mag alleen worden verleend door het bevoegde gezag met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties; ETFAL. Hiervan is geen sprake als de activiteit in strijd is met de gemeentelijke omgevingsvisie, een programma of ander relevant gemeentelijk beleid. De vroegere kruimelgevallen waren dat eigenlijk per definitie niet. Het voegt weinig toe om gelijkwaardige gevallen nu (uitgebreid) aan dat lokale beleid te gaan toetsen.
De vereiste motivatie is een aanzienlijke verzwaring voor activiteiten die vergelijkbaar zijn met de vroegere kruimelgevallenlijst. Onder de Wabo/Bor volstond bij een aanvraag omgevingsvergunning doorgaans een (zeer) beperkte toelichting op de gevraagde afwijking. Eventueel was er een onderzoek of een inpassingsplan nodig. De overweging voor de afwijking werd opgenomen in de omgevingsvergunning. De Bopa lijkt in beginsel om een veel uitgebreidere motivatie te vragen. Meer onderwerpen, integraal en met diverse onderzoeken. De ETFAL moet immers goed gemotiveerd worden.
Voorlopig zal vaak gekozen worden om het pad van de zekerheid te zoeken omdat er geen jurisprudentie is over de mate waarin een Bopa gemotiveerd moet worden. Iedereen is nog aan het zoeken onder de Omgevingswet. Grotendeels omdat gemeenten nog geen afwegingen hebben gemaakt en hebben vastgelegd in de omgevingsvisie. Daarmee blijft het ook onduidelijk wanneer er nou sprake is van een evenwichtige toedeling van functies. En moet een Bopa in de motivatie dus uitgebreid ingaan op de aspecten van de fysieke leefomgeving. De vraag is echter of er bij de voormalige kruimelgevallen eigenlijk wel sprake is van een impact op de leefomgeving. In de meeste gevallen niet; er verandert doorgaans nauwelijks iets aan de evenwichtige toedeling van functies.
Het antwoord dat deze beleidsregel concreet geeft is dat er bij de hier aangewezen gevallen eigenlijk altijd een zeer geringe impact op de fysieke leefomgeving is. En dat er dus ook sprake is en blijft van een evenwichtige toedeling van functies.
Het primaire doel van deze beleidsregel is het bieden van een duidelijk kader, met voldoende flexibiliteit, voor veelvoorkomende kleine (planologische) afwijkingen van het omgevingsplan, waardoor een effectieve, efficiënte en daarmee snellere afhandeling van aanvragen om een omgevingsvergunning kan worden gerealiseerd.
De secundaire doelen van deze beleidsregel zijn de volgende:
Uiteindelijk regelt deze beleidsregel welke gevallen (categorieën van activiteiten) met een zogenaamde “kleine Bopa”, een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit met een beperkte motivatie, door het college afgehandeld (kunnen) worden. Hiervoor worden dus specifieke gevallen aangewezen in overeenstemming met de voormalige kruimelgevallenlijst.
Benadrukt moet worden dat deze beleidsregel niet regelt dat:
Overweging voor deze beleidsregel
Het college is van mening dat een uitgebreide motivatie voor de opgenomen Bopa’s in de meest uitgebreide vorm een onevenredige verzwaring is ten opzichte van de oude kruimelregeling. Het is wenselijk om voor algemeen aanvaardbare gevallen uit de oude kruimelgevallenlijst, die bijna altijd werden vergund en nog steeds vaak worden aangevraagd, deze beleidsregel op te stellen.
De beleidsregel legt vast hoe het college omgaat met specifieke gevallen Bopa’s. Hiermee maakt ze dus ook voor iedereen duidelijk onder welke voorwaarden volstaan kan worden met een relatief beperkte motivatie van de Bopa. Zolang dit nog niet anders is geregeld via het omgevingsplan. Ook kan het college in de beleidsregel vastleggen welke aspecten van de fysieke leefomgeving relevant zijn in de motivatie van de Bopa.
De beleidsregel zorgt daarmee voor een snellere doorlooptijd, vereenvoudiging voor de aanvrager en ambtelijk apparaat en ook uniformiteit. Ook zorgt de beleidsregel ervoor dat er aangesloten wordt bij de oorspronkelijke geest van de Omgevingswet: eenvoudiger, sneller en beter. Met de bevoegdheid in principe bij de laagste overheid. Daarnaast biedt de beleidsregel rechtszekerheid, omdat de beoordeling vooraf duidelijk wordt gemaakt. De beleidsregel is een soort overgangsregeling tussen de oude kruimelregeling uit het Bor en de verwerking in het nieuwe deel van het omgevingsplan.
De beleidsregel bestaat uit vijf hoofdstukken en twee bijlagen. De opbouw is afgestemd op een algemeen toepasbare opbouw van omgevingsplannen om de beleidsregels later relatief eenvoudig te kunnen verhuizen.
In hoofdstuk 1 zijn enkele inleidende regels opgenomen. Het gaat om enkele begrippen, het toepassingsbereik van de beleidsregel en het verschil tussen een normale en een kleine buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
In hoofdstuk 2 zijn enkele algemene criteria voor Bopa’s opgenomen. Deels zijn deze ook in de wet verankerd, maar de beleidsregel geeft daar nadere duiding aan.
In hoofdstuk 3 is de lijst met gevallen voor de “kleine buitenplanse omgevingsplanactiviteiten” opgenomen. Hier staat voor welke activiteiten de “kleine Bopa” toegepast kan worden.
Vervolgens is in hoofdstuk 4 beschreven wat dat dan betekent voor de motivatie van de “kleine Bopa” en hoe het college met de beoordeling van de aanvraag omgevingsvergunning omgaat.
In hoofdstuk 5 zijn tot slot algemene regels opgenomen.
In de bijlagen is de begrenzing van het komgebied (bijlage 1) en het buitengebied, ofwel het gebied gelegen buiten de bebouwde kom (bijlage 2), zoals bedoeld in deze beleidsregel, aangegeven.
Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen
In aanvulling op het gestelde in artikel 1.1 wordt in deze beleidsregel verstaan onder:
Aanwijzingsbesluit bindend advies buitenplanse omgevingsplanactiviteiten: het op het moment van aanvragen van de omgevingsvergunning geldende besluit van de gemeenteraad op grond van artikel 16.15a van de Omgevingswet, waarin de gemeenteraad gevallen heeft aangewezen waarvoor het college een bindend advies moet inwinnen bij de gemeenteraad voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Artikel 2. Toepassingsbereik van de “kleine Bopa”
Het oordeel van het college dat een aanvraag om een omgevingsvergunning niet als “kleine buitenplanse omgevingsplanactiviteit” kan worden beschouwd leidt niet tot de weigering van de aanvraag. Het weigeren van een aanvraag om omgevingsvergunning kan enkel op grond van de wettelijk bepaalde weigeringsgronden.
Hoofdstuk 2 Algemene criteria voor Bopa’s
Artikel 4. Algemene afwegings- en beoordelingsruimte
Het college kan uitsluitend een aanvraag om omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit vergunnen als er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hierbij blijft voor zowel de “kleine buitenplanse omgevingsplanactiviteit” als de “normale buitenplanse omgevingsplanactiviteit” gelden dat de aanvraag moet voldoen aan:
Artikel 5. Anterieure overeenkomst
Per aanvraag voor een omgevingsvergunning zal worden bekeken of een overeenkomst gesloten dient te worden tussen aanvrager en de gemeente. Als een anterieure overeenkomst van toepassing moet zijn, dan worden hierbij ook de bovenwijkse voorzieningen en/of andere financiële belangen van en voor de gemeente betrokken.
Artikel 6. Cumulatie van effecten bij gebruiks- en functieverandering kleine Bopa’s
Wanneer bij een aanvraag omgevingsvergunning voor meerdere “kleine buitenplanse omgevingsplanactiviteiten” op basis van meerdere (afwijkende omgevingsplan-) activiteiten het noodzakelijk is om gebruik te maken van meerdere specifieke gevallen als bedoeld in Artikel 7 van deze beleidsregel, dan wordt beoordeeld op basis van de cumulatie van effecten of toepassing kan worden gegeven aan deze beleidsregel.
Hoofdstuk 3 Aanwijzing en criteria kleine Bopa’s
Paragraaf 3.1 Aanwijzing gevallen van kleine Bopa’s
Artikel 7. Voor welke gevallen kan een “kleine Bopa” worden toegepast?
Indien de gevallen als benoemd in artikel 7.3 en nader gespecificeerd in Artikel 8 tot en met Artikel 15 gebonden zijn aan een ligging binnen de bebouwde kom, dan dienen alle activiteiten en bouwwerken waar de aanvraag om omgevingsvergunning op ziet geheel binnen de bebouwde kom te liggen, zoals opgenomen in bijlage 1 bij deze beleidsregel.
Indien de gevallen als benoemd in artikel 7.3 en nader gespecificeerd in Artikel 8 tot en met Artikel 15 gebonden zijn aan een ligging buiten de bebouwde kom, dan dienen alle activiteiten en bouwwerken waar de aanvraag om omgevingsvergunning op ziet geheel buiten de bebouwde kom te liggen, zoals opgenomen in bijlage 2 bij deze beleidsregel.
Paragraaf 3.2 Specifieke criteria voor de kleine Bopa’s - bouwactiviteiten
Artikel 8. Het bouwen of uitbreiden van een bijhorend bouwwerk
Het college kan met een “kleine buitenplanse omgevingsplanactiviteit” afwijken van het omgevingsplan voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan, mits:
Artikel 9. Het bouwen of uitbreiden van een gebouw voor een infrastructurele of openbare voorziening
Het college kan met een “kleine buitenplanse omgevingsplanactiviteit” afwijken van het omgevingsplan voor het bouwen of uitbreiden van een gebouw ten behoeve van een infrastructurele of openbare voorziening, zijnde een bouwwerk ten behoeve van een nutsvoorziening, de waterhuishouding, het meten van de luchtkwaliteit, telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer of het weg-, spoorweg-, water- of luchtverkeer, mits:
Artikel 10. Het bouwen of uitbreiden van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, of een gedeelte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde
Het college kan met een “kleine buitenplanse omgevingsplanactiviteit” afwijken van het omgevingsplan voor het bouwen of uitbreiden een bouwwerk, geen gebouw zijnde, of een gedeelte van een dergelijk bouwwerk, mits:
Paragraaf 3.3 Specifieke criteria voor de kleine Bopa’s – bouw- en/of gebruiksactiviteiten antenne-installatie
Paragraaf 3.4 Specifieke criteria voor de kleine Bopa’s –gebruiksactiviteiten
Artikel 13. Het gebruiken van gronden voor een niet-ingrijpende herinrichting van het openbaar gebied
Het college kan met een “kleine buitenplanse omgevingsplanactiviteit” afwijken van het omgevingsplan ten behoeve van het gebruiken van gronden voor een niet-ingrijpende herinrichting van het openbaar gebied.
Artikel 14. Functieverandering van bouwwerken
Het college kan met een “kleine buitenplanse omgevingsplanactiviteit” afwijken van het omgevingsplan voor een ander gebruik van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die het bebouwde oppervlak of het bouwvolume niet vergroten, en voor het anders gebruiken van het bij die bouwwerken aansluitende terrein:
Artikel 15. Een tijdelijk ander gebruik van gronden of bouwwerken
Het college kan met een “kleine buitenplanse omgevingsplanactiviteit” afwijken van het omgevingsplan voor een andersoortig gebruik van gronden en/of bouwwerken dan toegestaan, en voor zover niet benoemd in Artikel 8 tot en met Artikel 14, voor een termijn van ten hoogste vijftien jaar.
Hoofdstuk 4 De motivatie en beoordeling bij een “kleine Bopa”
Paragraaf 4.1 Inhoud van de motivatie bij een kleine Bopa
Artikel 16. Motivatie van alleen de afwijkende activiteiten – algemeen
Als het college oordeelt dat de aanvraag om omgevingsvergunning voor het afwijken van het omgevingsplan voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit met toepassing van een “kleine buitenplanse omgevingsplanactiviteit” kan, dan kan bij de aanvraag volstaan worden met een beperkte motivatie van de aanvraag.
Artikel 17. Inhoud van de motivatie bij een “kleine Bopa”
De motivatie van een “kleine buitenplanse omgevingsplanactiviteit”, zoals bedoeld in Artikel 16 bevat tenminste:
Indien sprake is van meerdere (binnenplanse en buitenplanse) omgevingsplanactiviteiten in één aanvraag om omgevingsvergunning, dan moet in de motivatie ook een verantwoording worden opgenomen over de totale (cumulatie van) effecten op de leefomgeving voor en na realisatie van de omgevingsvergunning.
Paragraaf 4.2 Beoordeling van de motivatie bij een kleine Bopa
Artikel 18. Beoordeling van de motivatie bij een “kleine Bopa”
Op basis van deze niet significante impact op de fysieke leefomgeving beoordeelt het college de aangewezen gevallen in Artikel 7, in samenhang met Artikel 8 tot en met Artikel 15, als algemeen aanvaardbare activiteiten, waarvoor de motivatie van deze activiteiten beperkt kan blijven tot die aspecten van de fysieke leefomgeving die ook daadwerkelijk significant aan verandering onderhevig zijn als gevolg van de aanvraag.
Het college beperkt zich daarom tot een beoordeling van de motivatie op hoofdlijnen. Er wordt in beperkte mate getoetst aan de volledigheid en correctheid van de aangeleverde motivatie en alleen op die aspecten van de fysieke leefomgeving waarvoor er als gevolg van de aangevraagde activiteit(en) daadwerkelijk significante effecten zijn.
Het is en blijft de verantwoordelijkheid van de aanvrager om te zorgen voor de volledigheid van de motivatie. Alleen daar waar het noodzakelijk is om een besluit te kunnen nemen, worden door het college in voorkomend geval aanvullende stukken voor de motivatie van de afwijkende buitenplanse omgevingsplanactiviteit(en) opgevraagd bij de aanvrager.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-8254.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.