Gewijzigd vastgesteld Omgevingsprogramma Kleine windturbines gemeente Oldebroek

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oldebroek; 

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 27 mei 2025;

Overwegende dat:

  • met het ‘Omgevingsprogramma Kleine windturbines gemeente Oldebroek’ wordt beoogd tegemoet te komen aan aanvragen van initiatiefnemers voor een kleine windturbine, om te voorzien in duurzame energieopwekking; 

  • de gemeenteraad op 9 oktober 2024 is betrokken bij de voorbereiding van het omgevingsprogramma;

  • participatie heeft plaatsgevonden met het ‘Agrarisch Overleg’ binnen de gemeente Oldebroek;

  • het ontwerp ‘Omgevingsprogramma Kleine windturbines gemeente Oldebroek’ op grond van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht voor een ieder ter inzage heeft gelegen;

 

Gelet op:

 

  • a.

    de artikelen 3.4 en 3.5 van de Omgevingswet en artikel 4:81 Algemene wet bestuursrecht; 

  • b.

    de binnengekomen zienswijze en de beantwoording daarvan;

  • c.

    de beleidsregels in hoofdstuk 3 en 4 die het afwegingskader bieden voor het plaatsen van grond- en dakgebonden windturbines;



B E S L U I T:

Artikel I besluit

Het ‘Omgevingsprogramma Kleine windturbines gemeente Oldebroek’ en de beleidsregels opgenomen in hoofdstuk 3 (Beleidsregels voor grondgebonden windturbines) en in hoofdstuk 4 (Beleidsregels voor dakgebonden windturbines),  zoals opgenomen in Bijlage A vast te stellen;

Artikel II besluit

Het ‘Omgevingsprogramma Kleine windturbines gemeente Oldebroek’ en de beleidsregels als bedoeld in artikel 1, treden in werking op de dag na bekendmaking van het vaststellingsbesluit. 

Oldebroek, 21 oktober 2025

                                                     , burgemeester T.H. Haseloop-Amsing

                                                     , secretaris P.H. Lensselink.

Bijlage A Bijlage bij artikel I

Kleine windturbines gemeente Oldebroek

1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Kleine windturbines zijn steeds vaker zichtbaar in het Gelders landschap. Ook in de gemeente Oldebroek melden zich initiatiefnemers die een kleine windturbine willen realiseren. Omdat er op dit moment geen beleid is voor waar en onder welke voorwaarden deze kleine windturbines geplaatst mogen worden, is dit beleid opgesteld. 

1.2 Lokaal beleid

Opwekking van duurzame elektriciteit is nodig om de CO2-uitstoot terug te dringen. De gemeente Oldebroek erkent en onderstreept het belang van initiatieven waarbij op een duurzame manier energie wordt opgewekt. Velen in onze samenleving doen hier aan mee. Er zijn grootschalige duurzame energieprojecten, zoals grote windturbines en zonneparken. Maar ook op kleine schaal zijn inwoners en ondernemers bezig met de omslag naar het duurzaam opwekken van energie. Tot nu toe werd dit gedaan door plaatsing van zonnepanelen op het dak. Maar soms is het interessant om naar een combinatie van wind en zon te gaan. Wind en zon zijn complementair aan elkaar. Wanneer de zon niet schijnt, maar het wel waait, kan door middel van een kleine windturbine toch op een duurzame manier een hoeveelheid energie – afgestemd op het eigenverbruik - worden opgewekt. Voor (agrarische) bedrijven kunnen de grondgebonden windturbines een goede aanvulling zijn, gelet op het energiegebruik van de bedrijven en het opwekvermogen van deze windturbines. Kleine grondgebonden windturbines passen ook goed bij de schaal van agrarische percelen en bedrijfserven met gebouwen en schuren die groter van formaat zijn en waar erfbeplanting vaak gebruikelijk is. 

Particulieren verbruiken doorgaans minder energie dan bedrijven. Voor hen kunnen dakgebonden windturbines een goede aanvulling zijn om in hun eigen stroom te voorzien. De landschappelijke impact van dakgebonden winturbines is veel kleiner dan de grondgebonden windturbines.

In het bestuursakkoord 2022-2026 van de gemeente Oldebroek is aangegeven dat we willen dat in 2050 alle benodigde energie duurzaam wordt opgewekt en dat we geen fossiele grondstoffen meer gebruiken. En dat we bedrijven faciliteren bij deze transitie. Met dit beleid geven wij daar uitvoering aan. Dit type windenergie past bij drie waarden binnen de gemeente. Het gaat om: 

  • Stimuleren vraag en aanbod bij elkaar te brengen: energie opwekken waar verbruik is;

  • Het opwekken van energie passend bij de maat en schaal van het landschap;

  • Stimuleren van nieuwe ontwikkelingen in het buitengebied van Oldebroek (Programma Vitaal Platteland Oldebroek).

1.3 Begripsbepaling

1.3.1 Inleiding

In de wet- en regelgeving wordt de term windturbine gebruikt, waarmee ook een windmolen wordt bedoeld. Kleinschalige windturbines worden gebruikt voor kleinschalige opwekking van elektriciteit op een bestaande aansluiting. Ze worden ingezet om windenergie te benutten op locaties waar het stroomverbruik groter is dan het opwekvermogen op het dak. De opgewekte elektriciteit wordt ter plekke verbruikt, het eventuele overschot wordt geleverd aan het openbare net. 

Kleinschalige windturbines zijn in veel verschillende modellen en maten beschikbaar en toe te passen op een perceel. De windturbines zijn te verdelen in twee categorieën: windturbines op erf en windturbines op dak.

1.3.2 Windturbines op erf

Binnen de categorie windturbines op erf worden twee types onderscheiden:  Horizontale As‐turbines (HAT type) en Verticale As‐turbines (VAT type).  Voorliggende beleidsnota ziet toe op de plaatsing van één kleine windturbine met een ashoogte (mastlengte) van maximaal 25 meter voor windturbines met een horizontale as (HAT type), dan wel een maximum rotorhoogte (inclusief mastlengte) van 25 meter bij een verticale as (VAT type).

afbeelding binnen de regeling
Figuur 1: twee typen windturbines (links HAT en rechts VAT)  met benaming onderdelen

Windturbines zijn globaal uit vier onderdelen opgebouwd: fundering, mast, gondel (waarin meestal de turbine is gevestigd) en wieken. De tiphoogte is de totale hoogte van de windturbine, bestaande uit de mast (ashoogte) plus het verticaal staande rotorblad (rotorradius) in het geval van een standaard HAT-type. Bij een VAT-type bestaat de tiphoogte uit de mast (ashoogte) plus de rotorhoogte. De ashoogte is de hoogte van de mast tot het middelpunt van de bladen. Dit wordt ook de masthoogte genoemd. De rotor (of wiek) wordt dus vaak als apart onderdeel van de turbine aangeduid. De rotorradius is de lengte van een enkel rotorblad (wiek).

Doorgaans geldt: hoe groter/hoger de windturbine, hoe meer rendement. Ook de impact op de omgeving (zichtbaarheid, geluid en schaduwwerking) neemt met de hoogte toe. Een belangrijk verschil met grotere turbines is dat kleine turbines een lokale uitstraling hebben (ze komen niet of nauwelijks boven andere structuren in de omgeving, zoals houtsingels en lanen, uit) en dat de opgewekte elektriciteit in de directe omgeving wordt gebruikt.

afbeelding binnen de regeling
Figuur 2, links: windturbine met een ashoogte van 24 meter met horizontale as (gemeente Bronckhorst), rechts: windturbine met een verticale as
1.3.3 Windturbines op dak

Naast kleine windturbines die op een erf worden geplaatst, kunnen kleine windturbines ook op daken bevestigd worden. Binnen de categorie windturbines op dak worden twee types onderscheiden:  windturbines met rotorbladen en windopwek op de nok.

Ook bij de windturbines op dak kunnen de turbines onderverdeeld worden in een horizontale as (HAT-type) en een verticale as (VAT-type). De turbines met rotorbladen in een horizontale as kunnen voorkomen met losse rotorbladen of in een compact model (Tabel 1). Deze modellen zijn vooral geschikt voor open gebied, waar de wind van één kant komt. 

De VAT-type turbines draaien middels een verticale as worden ook wel windwokkels genoemd. Dit type turbine is meer geschikt voor bebouwd gebied, waar de wind meer veranderlijk is. 

Windturbines op dak kunnen ook voorkomen als een nokturbine. De turbine gaat draaien door de wind die via het schuine dak omhoog wordt gestuwd. Omdat de wind via het schuine dak omhoog wordt gedrukt is de windsnelheid op de nok ongeveer drie keer hoger dan de feitelijke windsnelheid. 

Zoals hierboven omschreven komen dakturbines voor in verschillende vormen en maten. Doorgaans gaat op dat voor deze categorie kleine windturbines meer risico op hinder wordt ervaren. Om deze reden blijft maatwerk voor dakturbines belangrijk.

Tabel 1
afbeelding binnen de regeling
turbine met losse rotorbladen 
afbeelding binnen de regeling
turbine met compacte rotorbladen 
afbeelding binnen de regeling
turbine met rotorbladen met verticale as
afbeelding binnen de regeling
turbines op de nok

1.4 Doel

1.4.1 Inleiding

Dit beleid is opgesteld voor grondgebonden kleine windturbines bij (agrarische) bedrijven in het buitengebied en op bedrijventerreinen. Ook is dit beleid opgesteld voor dakgebonden kleine windturbines bij zowel (agrarische) bedrijven als particulieren de gemeente Oldebroek. Het doel van deze beleidsnotitie is het bieden van een afwegingskader voor initiatieven die betrekking hebben op kleine windturbines. 

1.4.2 Leeswijzer

In hoofdstuk 2 beschrijven we het wettelijk kader vanuit Europa, Rijk en Provincie. In hoofdstuk 3 beschrijven we het lokale kader voor grondgebonden kleine windturbines bij (agrarische) bedrijven. In hoofdstuk 4 staan de lokale kaders voor dakgebonden windturbines bij zowel (agrarische) bedrijven als particulieren. De toepassing van dit kader is uitgewerkt in hoofdstuk 5. 

2 Beleid

2.1 Bestaande wet- en regelgeving

Bij een vergunningsprocedure worden altijd de eisen meegenomen die op dat moment gelden, ook als die niet als zodanig staan benoemd in het beleidskader. Aandachtpunten ten aanzien van bestaande wet- en regelgeving voor de aanvrager (en toetser) zijn:

  • externe veiligheid (voldoende afstand tot objecten en infrastructuur, denk aan hoogspanningsleidingen, spoor en hogedrukgasleidingen);

  • kleinwind-keurmerk (richtlijnen technisch ontwerp);

  • Natuurbeschermingsregels onder de Omgevingswet; 

  • Besluit Activiteiten Leefomgeving (Bal);

  • Besluit Kwaliteit Leefomgeving (Bkl).

 

Windturbines moeten voldoen aan een aantal Europese en nationale normen en richtlijnen. Op dit moment zijn dit: 

  • het ontwerp moet voldoen aan de NEN-EN-IEC norm 61400-Deel 2, ontwerp eisen van kleine windturbines;

  • de draagconstructie dient ontworpen te zijn volgens de NEN-norm NEN-EN 1991‑1‑4+A1+C2:2011 nl en Eurocode 1: Belastingen op constructies - Deel 1-4;

  • de sterkte van het brongeluid van de windturbines moet zijn vastgesteld volgens de methode als opgenomen in de richtlijn voor Generatorsystemen voor windturbines - Deel 11: Meettechnieken voor akoestisch geluid (IEC 61400-11).

2.2 Provinciaal beleid

Door het relatief kleine opgewekte elektrisch vermogen behoren de kleine windturbines volgens de Elektriciteitswet tot de verantwoordelijkheid van de gemeente. Echter, in de gebieden waar geen windturbines gerealiseerd kunnen worden vanwege wettelijke beperkingen of provinciaal beleid, houdt de gemeente Oldebroek dit beleid aan. Voor een weergave van het actuele beleid voor kleine windturbines, zie Gelders beleid windenergie en Beleidslijn windenergie op en rondom de Veluwe.

Zowel voor grote als voor kleine windturbines kan ecologisch onderzoek en mogelijk een ‘natuurvergunning’ of melding op grond van de natuurregels binnen de Omgevingswet vereist zijn. De provincie is bevoegd gezag voor natuurvergunningen (gebied en soorten).

Zoals verwoord in de provinciale 'Aanvulling Beleidslijn windenergie op en rondom de Veluwe' is de ruimte voor nieuwe windturbines in de zone van 1-8 kilometer rondom de Veluwe beperkt. Windturbines met een tiphoogte boven 25 meter kunnen alleen worden gerealiseerd als aan de provinciale voorwaarden wordt voldaan. Voor windturbines kleiner dan 25 meter tiphoogte is er wel ruimte.

N.B. Zolang de beleidslijn windenergie op en rondom de Veluwe geldt, is het praktisch onrendabel kleine windturbines hoger dan 25 meter tiphoogte te vergunnen. Dit kader anticipeert op de situatie dat de beleidslijn is aangepast. Bij voldoende aanpassing van de Beleidslijn windenergie op en rondom de Veluwe hanteert het lokale kader een ashoogte van 25 meter en tiphoogte van 35 meter. 

3 Beleidsregels voor grondgebonden windturbines

3.1 Inleiding

De gemeente is bereid medewerking te verlenen onder een aantal voorwaarden. Deze voorwaarden worden toegepast bij alle aanvragen of verzoeken en wordt als beleid geïmplementeerd in het omgevingsplan Oldebroek. Op de volgende onderwerpen wordt er getoetst: het ruimtelijk kader, het milieukundig kader en het maatschappelijk kader.

3.2 Ruimtelijk kader

3.2.1 Toetsing

Windturbines hebben een grote ruimtelijke impact. Bij aanvragen wordt daarom voor de ruimtelijke inpassing advies gevraagd bij gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit.

3.2.2 Bestemming

Alleen in de gebieden waar windenergie mogelijk is (zie omgevingsvisie Gaaf Gelderland) kunnen kleine windturbines geplaatst worden (zie bijlage 1).

Kleine windturbines kunnen worden geplaatst op gronden met een agrarische- of bedrijfsfunctie.

3.2.3 Ruimtelijke inpassing

Binnen het bouwblok achter de voorgevel van het hoofdgebouw. Plaatsing op maximaal 10 meter afstand buiten het bouwvlak is alleen mogelijk als de noodzaak daartoe wordt aangetoond;

Maximaal 1 windturbine per gebouwerf;

Op een passende plek binnen het achtererf, zodat het straat en/of bebouwingsbeeld niet onevenredig wordt aangetast;

De afstand van een windturbine tot woningen van derden of andere gebouwen van derden waar mensen permanent verblijven, bedraagt ten minste vier keer de as-hoogte van de betreffende windturbine

De afstand van een windturbine tot een hogedruk aardgastransportleiding bedraagt ten minste 30 meter;

De gemeente volgt de provinciale verordening. Dit betekent: 

  • Binnen 1 kilometer van de Veluwe geen kleine windturbines;

  • Van 1 tot 8 kilometer een maximale tiphoogte van 25 meter;

  • Buiten 8 kilometer een maximale as-hoogte van 25 meter en tiphoogte van 35 meter.

Bij wijziging van de provinciale verordening bedraagt de as-hoogte van een kleine windturbine in elk geval niet meer dan 25 meter;

Bij wijziging van de provinciale verordening bedraagt de rotor-radius van het HAT-type in elk geval niet meer 10  meter;

De afstand van een windturbine tot openbaar gebied is zodanig dat de wieken of de constructie van de kleine windturbine niet overhangt boven openbaar gebied;

De kleur van de windturbine moet passen in het landschap. Groen, lichtgrijs en houtige kleurstelling is op veel plekken passend in het landschap. Open polder landschap (blauw/grijs) vraagt een andere kleurstelling dan het kampenlandschap (groen/bruin);

De windturbine sluit aan bij het bebouwingsensemble op het erf en/of de windturbine wordt opgenomen in de omliggende groensingel;

De windturbine wordt ingepast met groenmaatregelen, hierover wordt overeenstemming bereikt met de gemeentelijke landschapsadviseur;

Bij de aanvraag dient een erfinrichtingsplan te worden overlegd, waarin de situering van de windturbine op het erf en de te nemen groenmaatregelen inzichtelijk worden gemaakt.

afbeelding binnen de regeling
Figuur 3

3.3 Milieukundig kader

3.3.1 Algemene toetsing

Voor de advisering wordt de mogelijkheid tot het plaatsen van een kleine windturbine voorgelegd aan de volgende ketenpartners: GGD, ODVeluwe en de Veiligheidsregio Noord- en Oost Gelderland.

3.3.2 Geluidsnorm

Voor een kleine windturbine met een rotordiameter van 2 meter of meer is akoestisch onderzoek nodig.

Een windturbine mag op de gevel van een geluidsgevoelig object in de nacht niet meer dan gemiddeld 41 decibel per jaar veroorzaken. En ten hoogste 47 decibel overdag.

3.3.3 Ecologie

Voor kleine windturbines is een omgevingsvergunning voor de natuuractiviteit vereist, indien het initiatief beschermde soorten of natuurgebieden kan aantasten. De provincie is daarbij het bevoegde gezag.

3.3.4 Slagschaduw

De aanvrager dient aan te tonen dat er geen sprake is van slagschaduw op nabij gelegen gebouwen van derden met een woonfunctie;

Als er sprake is van hinder door slagschaduw bij een gevoelig object anders dan een gebouw met een woonfunctie, dan is men verplicht om een automatische stilstand voorziening aan te brengen bij de windturbine (Artikel 3.11. (aanwijzing milieubelastende activiteiten) i.c.m. artikel 4.430i (slagschaduw: stilstandvoorzieningvan het Besluit activiteiten leefomgeving). De windturbine moet zoveel mogelijk van niet-reflecterende materialen of coatingslagen voorzien zijn.

3.3.5 Circulair gebruik van grondstoffen

Aan het einde van de exploitatietermijn moet het overgrote deel (>80%) van de gebruikte materialen herbruikbaar of recyclebaar zijn.

Binnen een jaar nadat een kleine windturbine definitief buiten gebruik is gesteld, moet de constructie met de bijbehorende voorzieningen worden verwijderd. Hieromtrent worden in de omgevingsvergunning voorwaarden gesteld.

3.4 Maatschappelijk kader

3.4.1 Congestie

Per (agrarisch) bedrijf/perceel mag maximaal één windturbine gerealiseerd worden.

Ten behoeve van het stabiliseren van de energieopwekking dient de potentie van de energieopwekking door zonnepanelen te zijn onderzocht én aantoonbaar geïnstalleerd.

3.4.2 Omwonenden

De aanvrager informeert vóór vergunningsaanvraag de direct omwonenden. Bij de aanvraag geeft initiatiefnemer aan welke reacties de omgeving heeft op het voornemen. Hier wordt gewerkt volgens het vastgesteld Participatiebeleid binnen de Omgevingswet Gemeente Oldebroek 2022 – 2023. Om te voldoen aan minimale richtlijn geldt Tabel 1 in Hoofdstuk 4 van het Participatiebeleid. Mate van impact op de omgeving; Gemiddelde impact.

4 Beleidsregels voor dakgebonden windturbines

4.1 Inleiding

Niet alleen voor grondgebonden windturbines wil de gemeente medewerking verlenen, maar ook voor dakgebonden windturbines. Dit geldt echter onder een aantal voorwaarden. Deze voorwaarden worden toegepast bij alle aanvragen of verzoeken en zijn als beleid geïmplementeerd in het omgevingsplan Oldebroek. Voor dakgebonden windturbines wordt getoetst op het ruimtelijk kader en het milieukundig kader.

4.2 Ruimtelijk kader

4.2.1 Locatiekeuze

Windturbines op dak, anders dan een nokturbine, worden geplaatst in een hoog-dynamische omgeving, bijvoorbeeld op een bedrijventerrein of op platte daken van een woning.

Bij gemeentelijke en rijksmonumenten is het plaatsen van windturbines altijd maatwerk. Hiervoor moet overleg worden gepleegd met de monumentencommissie.

4.2.2 Ruimtelijke inpassing

Voor de windturbines op dak gelden de volgende eisen voor de positie als onderdeel van de bebouwing: 

  • Op een hellend dak. 

    -   Maximaal 70 cm hoog op de nok bij horizontale constructie; 

    -   Verticaal maximaal 1,5 m bij turbine met verticale as.

  • Op een plat dak. 

    -   Verticale turbines (wokkels) bij voorkeur op plat dak. Maximaal 1, 5 meter hoog;

    -   Afstand van de dakrand is minimaal 1 meter.

 

Voor bedrijventerreinen of langs grootschalige infrastructuur geldt het volgende:

  • Geen bedrijfsreclame op windturbine;

  • Vanaf hoogte dakrand maximaal 1,5 m hoger;

  • Maximaal 1 losstaande windturbine;

  • Diameter van het rotorvlak van de turbine is maximaal 1 meter.

 

Voor bebouwd gebied, zijnde woongebieden en dorpskernen, geldt dat alleen windturbines op dak zijn toegestaan. Binnen de toegestane types geldt:

  • Geen vrije rotorbladen, maar compact model; 

  • Niet vrijstaand, maar onderdeel van het gebouw;

  • Alleen in grijstinten;

  • Plaatsing op plat dak en niet buiten de gevellijn;

  • Maximaal 1,5 m boven dakhoogte;

  • Minimaal 3 meter van de perceelgrens buren. Dit wordt gemeten vanaf de as van de windturbine tot aan de perceelsgrens;

  • Geen accentkleuren en geen reclame. Kleurgebruik niet dominant, ondergeschikt aan het geheel.

4.3 Milieukundig kader

4.3.1 Geluidsnormen

Voor windturbines met een rotordiameter kleiner dan 2 meter gelden dezelfde criteria als voor warmtepompen. Dat is, de installaties mogen niet meer dan 40 dB geluid veroorzaken bij de buren.

4.3.2 Circulair gebruik van grondstoffen

Aan het einde van de exploitatietermijn moet het overgrote deel (>80%) van de gebruikte materialen herbruikbaar of recyclebaar zijn.

Binnen een jaar nadat een kleine windturbine definitief buiten gebruik is gesteld, moet de constructie met de bijbehorende voorzieningen worden verwijderd. Hieromtrent worden in de Omgevingsvergunning voorwaarden gesteld.

5 Toepassing kader

5.1 Omgevingsvergunning

Kleine windturbines zijn vergunningsplichtig. De gemeente als bevoegd gezag beoordeelt of de windturbine binnen het omgevingsplan past en aan de milieu- en veiligheidseisen voldoet. De termijn van de reguliere procedure bedraagt acht weken. Als er dan nog geen besluit over de vergunningsverlening is genomen, kan de periode eenmalig verlengd worden met zes weken.

De initiatiefnemer dient de vergunningsaanvraag van de volgende documentatie te voorzien:

  • Situatietekening met inpassingsplan;

  • Tekening windturbine; 

  • Constructieberekeningen windturbine;

  • Constructieberekeningen fundering;

  • Grondonderzoek;

  • Een ecologisch onderzoek (quickscan flora & fauna);

  • Een stikstofonderzoek met Aerius Calculator; 

  • Een onderbouwing waaruit blijkt dat er sprake is van een Evenwichtige Toedeling van Functies aan Locaties (‘ETFAL’). In het kader van ETFAL moet aannemelijk worden gemaakt dat de doelstellingen van gebieds- en soortenbescherming niet geschaad worden.

Onderzoeksresultaten voor wat betreft ecologie en stikstof kunnen uitwijzen dat ook de flora-en fauna-activiteit en de Natura-2000 activiteit vergunningplichtig zijn. Het is mogelijk om deze activiteiten gelijktijdig in één aanvraag of elk afzonderlijk aan te vragen. 

5.2 Wettelijke grondslag

Omdat kleine windturbines een ruimtelijk effect hebben, is het nodig om middels de toets aan de beleidsregels in Hoofdstuk 3 en 4  van dit omgevingsprogramma, het initiatief binnen de ruimtelijke plannen van de gemeente Oldebroek mogelijk te maken. Het college is bevoegd gezag om deze beleidsregels vast te stellen.

In de Omgevingswet is Artikel 4.3 van de Omgevingswet de grondslag om bij algemene maatregel van bestuur regels te stellen over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving.

Het gaat om het uitoefenen van de bevoegdheid van het college burgemeester en wethouders om te beslissen over aanvragen tot het verlenen van een omgevingsvergunning ten behoeve van de realisatie van kleine windturbines. Indien niet aan de voorwaarden van Hoofstuk 3 en 4 kan worden voldaan, verleent de gemeente Oldebroek geen medewerking.

Bijlage I Kaart omgevingsvisie Gaaf Gelderland

1 Kaart omgevingsvisie Gaaf Gelderland

Oker gearceerd: Windenergie uitgesloten (wettelijk en provinciaal belang)

Donkerblauw gearceerd: Windenergie solitaire windturbines uitgesloten

Voor een actuele kaart zie: Omgevingsvisie Gaaf Gelderland - Plannenviewer Provincie Gelderland

afbeelding binnen de regeling

Bijlage II Begrenzing voor windenergie rondom de Veluwe en verbodsgebied windenergie op de Veluwe

1 Begrenzing voor windenergie rondom de Veluwe en verbodsgebied windenergie op de Veluwe

Voor een actuele kaart zie: Windenergie op en rondom de Veluwe

afbeelding binnen de regeling

 

Naar boven