U bekijkt een publicatie met

Toon versie van document

Omgevingsplan gemeente Rijssen-Holten, tweede wijziging

Eerste wijziging van het omgevingsplan

Op 24 april 2025 heeft de raad van de gemeente Rijssen-Holten de eerste wijziging van het omgevingsplan vastgesteld. Dat besluit is op 26 juni 2025 onherroepelijk in werking getreden. Met deze eerste wijziging is een goede basis gelegd voor het verdere uitbouwen van het omgevingsplan. Alle gemeenten moeten uiterlijk 1 januari 2032 al hun regels over de leefomgeving opnemen in één omgevingsplan.

Voorbereiding van deze nieuwe wijziging

Vanaf 1 januari 2026 mogen gemeenten geen wijzigingen meer maken met de Tijdelijke Alternatieve Maatregelen (hierna: TAM).

Vanaf die datum gelden de standaarden van de Omgevingswet (STOP/TPOD). Daarom wil de gemeente de basis van het omgevingsplan verder verbeteren vóór deze datum. Het college heeft daarom op 11 september 2025 kennis gegeven van het voorbereiden van een ontwerp wijziging van het omgevingsplan.

Verbeteringen op basis van annotaties op basis van richtlijnen

Naast deze aankomende verandering zijn er in de eerste wijziging verbeterpunten ontdekt. Het gaat dan vooral om zogenoemde annotaties. Die zorgen ervoor dat inwoners en bedrijven makkelijker informatie kunnen vinden in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Er is inmiddels een richtlijn verschenen: de annotatierichtlijn. Daarin staan adviezen om omgevingsplannen duidelijker en beter vindbaar te maken. De gemeente heeft deze adviezen gebruikt om het plan te verbeteren.

Verbeteringen in het tijdelijk deel van het omgevingsplan

In het tijdelijk deel omgevingsplan (oude bestemmingsplannen) zijn ook verbeterpunten ontdekt. Eerder gemaakte plannen zijn niet goed verwerkt of andere verbeteringen zijn gewenst. De voorgenomen wijzigingen staan in afdeling 19.2 van het ontwerp.

Verwerking van eerdere TAM-plannen

Tot slot zijn eerdere plannen die via de TAM-procedure al onherroepelijk zijn geworden, opgenomen in afdeling 19.1 van dit ontwerp omgevingsplan. Het gaat om de volgende locaties:

  • Herontwikkeling Albert - Heijn, Dorpsstraat 17 in Holten;

  • Schuppertsweg 2 - 4 in Holten;

  • Herontwikkeling Grotestraat 26 in Rijssen;

  • Helhuizerweg 28 - 30 in Holten; en

  • Fahrenheitstraat 2 in Rijssen.

 

Het college van burgemeester en wethouders van Gemeente Rijssen-Holten

gelezen de tekstinhoud van ”Omgevingsplan gemeente Rijssen-Holten” d.d. 30 oktober 2025

Overwegende dat:

- gelet op bovenstaande toelichting;

- gelezen op de tekstinhoud van 'omgevingsplan gemeente Rijssen-Holten' d.d. 30 oktober 2025

Besluit;

het ontwerp omgevingsplan gemeente Rijssen-Holten ter inzage te leggen.

Artikel I Tweede ontwerp ter inzage

"Omgevingsplan gemeente Rijssen-Holten" opgenomen in Bijlage A wordt ter inzage gelegd.

Artikel II Kennisgeving termijnen van terinzagelegging via gemeenteblad

Van de terinzagelegging, de termijn voor terinzagelegging en de mogelijkheid om te reageren wordt kennis gegeven in het gemeenteblad en lokale huis-aan-huisbladen.

Artikel III Achterliggende stukken

Bij het ontwerp omgevingsplan horen verschillende bijlagen. Niet alle bijlagen kunnen worden geplaatst in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) of in de Landelijke voorziening ‘Bekendmaken en Beschikbaar stellen’. Daarom heeft de gemeente een eigen website ingericht waar u alle bijlagen kunt bekijken. De link naar de website is https://rijssen-holten.od-bijlagen.nl/.

Artikel IV PONS

Door dit besluit vervallen de delen van het bestemmingsplannen aangegeven in dit besluit, behorende bij de pons met identificatie /join/id/regdata/gm1742/2025/56404d2bd39f4726a194ab7fb53b683b/nld@2025‑10‑30;15033261.

Aldus voor ontwerp ter inzage aangeboden door Gemeente Rijssen-Holten, 30 oktober 2025

het college van burgemeester en wethouders

Bijlage A Bijlage bij artikel I

A

Artikel 1.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 1.5 Verhouding omgevingsplan en het tijdelijk deel omgevingsplan (voorrangsregel)

  • 1.

    De regels in dit omgevingsplan gaan, tenzij expliciet anders in dit omgevingsplan is bepaald, voor op de regels in het tijdelijk deel omgevingsplan voor zover ze: 

    • a.

      hetzelfde regelen, 

    • b.

      hetzelfde beogen te regelen; of 

    • c.

      zien op hetzelfde onderwerp. 

  • 2.

    De regels in dit omgevingsplan gaan, tenzij expliciet anders in dit omgevingsplan is bepaald, voor op TAM-IMRO omgevingsplannen die genummerd zijn met hoofdstuk 22 gevolgd door een letter of letters.

B

Artikel 1.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 1.6 Afstanden, bouwhoogten van bouwwerken

  • 1.

    Voor de toepassing van dit omgevingsplan worden de waarden die daarin in meter of m2 zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten:

    • a.

      afstanden loodrecht;

    • b.

      hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven; 

    • c.

      voor de toepassing van sub b wordt een bouwwerk, voor zover dit zich bevindt op een erf- of perceelgrens, gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is; en

    • d.

      maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot ten hoogste 0,5 meter buiten beschouwing blijven.

    Voor de toepassing van dit omgevingsplan worden de waarden die daarin in meter of m2 zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten:

    • a.

      afstanden loodrecht;

    • b.

      goothoogte vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;

    • c.

      bouwhoogte bouwwerken vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk geen gebouwen zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, dakinstallaties zoals een gaskoeler, warmtepomp of luchtbehandelingskast, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen, met dien verstande dat voor een boomhut de constructie onder de begane grondvloer, gemeten vanaf de onderkant van de vloer, niet wordt meegerekend bij de bepaling van de bouwhoogte;

    • d.

      overige hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven; 

    • e.

      voor de toepassing van sub b tot en met d wordt een bouwwerk, voor zover dit zich bevindt op een erf- of perceelgrens, gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is; 

    • f.

      tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

    • g.

      oppervlakte tussen de buitenwerkse gevelvlakken of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. Bij balkons, luifels en overstekende daken die geen ondergeschikte bouwdelen zijn zoals omschreven in sub h wordt een fictieve gevel neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; 

    • h.

      maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot ten hoogste 0,75 meter buiten beschouwing blijven;

    • i.

      dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; 

    • j.

      de inhoud van een bouwwerk: onderkant afgewerkte vloer, de buitenzijde van de gevels (of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. Bij balkons, luifels en overstekende daken die geen ondergeschikte bouwdelen zijn wordt een fictieve gevel neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; 

    • k.

      afstand tussen gebouwen: gemeten tussen de buitenzijde van de dichtst bij elkaar gelegen gevels; en

    • l.

      tussen de zijdelingse grenzen van een bouwperceel en een bepaald punt van het op dat bouwperceel voorkomend (hoofd)gebouw, waar die afstand het kortst is.

  • 2.

    Voor rietgedekte daken geldt dat overstekken worden gemeten van buitenkant buitenmuur tot buitenkant bouwkundige (onderliggende) constructie.

  • 3.

    Alle maten zijn tenzij anders aangegeven:

    • a.

      voor oppervlakten in vierkante meters (m²);

    • b.

      voor inhoudsmaten in kubieke meters (m³);

    • c.

      voor verhoudingen in procenten (%);

    • d.

      voor hoeken of hellingen in graden (º).

  • 4.

    Waar in dit omgevingsplan verwezen wordt naar NEN-normen worden de normen uit hoofdstuk 6 van de Omgevingsregeling gebruikt.

C

Artikel 2.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.1 Toepassingsbereik

  • 1.

    Dit hoofdstuk is van toepassing op een milieubelastende activiteit als bedoeld in de bijlage bij de Omgevingswet.

  • 2.

    De regels in hoofdstuk 2 zijn niet van toepassing op: 

    • a.

      een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan: 

      • 1.

        een voor 1 januari 2024 onherroepelijke omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit;

      • 2.

        een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die is aangevraagd voor 1 januari 2024 en na de inwerkingtreding van de Omgevingswet onherroepelijk wordt.

    • b.

      het veroorzaken van afval door:

      • 1.

        wonen;

      • 2.

        het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein; 

      • 3.

        een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht; 

      • 4.

        doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen; 

      • 5.

        een evenement dat: 

        • I.

          plaatsvindt op een locatie aangewezen in afdeling 14.2 en past binnen de in deze afdeling gestelde regels;

        • II.

          evenementen waarvoor omgevingsvergunning wordt verleend op grond van artikel 4.474.57

        • III.

          festiviteiten die bij of krachtens gemeentelijke verordening zijn aangewezen, in de gebieden in de gemeente waarvoor die verordening geldt; 

        • IV.

          andere festiviteiten die plaatsvinden op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het aantal bij of krachtens die verordening aan te wijzen dagen of dagdelen per gebied of categorie van bedrijfssector kan verschillen en niet meer bedraagt dan twaalf per kalenderjaar; of

      • 6.

        het verrichten van werkzaamheden met een mobiele installatie op een weiland, akker of bos die geen verplaatsbaar mijnbouwwerk is;

      • 7.

        bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen; 

D

Artikel 3.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.5 Toepassingsbereik

  • 1.

    De regels in deze afdeling gaan over:

    • a.

      activiteiten in de bodem; of

    • b.

      een milieubelastende activiteit als bedoeld in bijlage I bij de Omgevingswet.

  • 2.

    De regels in hoofdstuk 3 zijn niet van toepassing op: 

    • a.

      een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan: 

      • 1.

        een voor 1 januari 2024 onherroepelijke omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit;

      • 2.

        een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die is aangevraagd voor 1 januari 2024 en na de inwerkingtreding van die wet onherroepelijk wordt.

    • b.

      het lozen van afvalwater op of in de bodem en grond- en graafwerkzaamheden bij of door:

      • 1.

        wonen;

      • 2.

        het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein; 

      • 3.

        een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht; 

      • 4.

        doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen; 

      • 5.

        een evenement dat: 

        • I.

          plaatsvindt op een locatie aangewezen in afdeling 14.2 en past binnen de in deze afdeling gestelde regels;

        • II.

          evenementen waarvoor omgevingsvergunning wordt verleend op grond van artikel 4.474.57

        • III.

          festiviteiten die bij of krachtens gemeentelijke verordening zijn aangewezen, in de gebieden in de gemeente waarvoor die verordening geldt; 

        • IV.

          andere festiviteiten die plaatsvinden op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het aantal bij of krachtens die verordening aan te wijzen dagen of dagdelen per gebied of categorie van bedrijfssector kan verschillen en niet meer bedraagt dan twaalf per kalenderjaar;of

      • 6.

        het verrichten van werkzaamheden met een mobiele installatie op een weiland, akker of bos die geen verplaatsbaar mijnbouwwerk is;

      • 7.

        bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen; 

E

Voor artikel 4.8 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 4.8 Anti-dubbeltelbepaling

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

F

Het opschrift van artikel 4.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.8 4.9 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil

G

Artikel 4.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.9 4.10 Toepassingsbereik paragraaf

  • 1.

    De regels in deze paragraaf gaan over het bouwen van toestemmingsvrije bouwwerken.

  • 2.

    Paragraaf 4.2.2 is niet van toepassing op activiteiten in, aan, of op monumenten of archeologische monumenten, voorbeschermde monumenten of voorbeschermde archeologische monumenten tenzij het gaat om:

    • a.

      normaal onderhoud voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het monument niet wijzigen, en voor zover de aanleg van een tuin, park of andere aanleg, niet wijzigt, of

    • b.

      een activiteit die uitsluitend leidt tot inpandige veranderingen van het monument, voor zover het een onderdeel daarvan betreft dat vanuit het oogpunt van monumentenzorg zonder betekenis is.

  • 3.

    Artikelen 4.114.124.124.134.144.15 en 4.154.16 zijn niet van toepassing op activiteiten bij monumenten, voorbeschermde monumenten of archeologische monumenten tenzij het gaat om:

    • a.

      normaal onderhoud voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het monument niet wijzigen, en voor zover de aanleg van een tuin, park of andere aanleg, niet wijzigt, of;

    • b.

      een activiteit die uitsluitend leidt tot inpandige veranderingen van het monument, voor zover het een onderdeel daarvan betreft dat vanuit het oogpunt van monumentenzorg zonder betekenis is.

  • 4.

    Paragraaf 4.2.2 is vanwege externe veiligheid niet van toepassing op locaties als bedoeld in artikel 17.917.10.

  • 5.

    Paragraaf 4.2.2 is niet van toepassing bij een bouwwerk dat zonder omgevingsvergunning is gebouwd, in stand wordt gelaten of wordt gebruikt.

  • 6.

    Bij toepassing van het toestemmingsvrij bouwen, het in stand houden of gebruiken van een bouwwerk op basis van paragraaf 4.2.2, blijft het aantal woningen gelijk, tenzij het gaat om huisvesting in verband met mantelzorg.

  • 7.

    Bij toepassing van paragraaf 4.2.2 wordt binnen de molenbiotoop ten behoeve van de goede windvang van een molen de bouwhoogte beperkt tot:

    • a.

      bij een afstand tot 100 meter van de molen: 5 meter;

    • b.

      bij een afstand tussen 100 en 200 meter van de molen: 7 meter;

    • c.

      bij een afstand tussen 200 en 300 meter van de molen: 9 meter;

    • d.

      bij een afstand tussen 300 en 400 meter van de molen: 11 meter; of

    • e.

      een bestaande afwijkende bouwhoogte bij vervangende nieuwbouw waarbij de hoogte niet toeneemt.

H

Het opschrift van artikel 4.10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.10 4.11 Toepasbare regels artikel 2.29 Besluit bouwwerken leefomgeving

I

Artikel 4.11 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.11 4.12 Bijbehorend bouwwerk

  • 1.

    Dit artikel is niet van toepassing op een woonwagen.

  • 1 2.

    Het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan in woonwijken en centra en op het bedrijventerrein is in overeenstemming met het omgevingsplan als wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • a.

      op de grond staand;

    • b.

      gelegen in achtererfgebied;

    • c.

      op een afstand van meer dan 1 meter vanaf openbaar toegankelijk gebied;

    • d.

      het toe te voegen oppervlak van het bijbehorende bouwwerk in het bebouwingsgebied is niet meer dan 50 m2

    • e.

      de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied is niet meer dan:

      • 1.

        bij een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m2: 50% van dat bebouwingsgebied;

      • 2.

        bij een bebouwingsgebied groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2: 50 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2; en

      • 3.

        bij een bebouwingsgebied groter dan 300 m2: 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m2; en

    • f.

      de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag; 

    • g.

      niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte;

    • h.

      voor zover op een afstand van niet meer dan 4 meter van het oorspronkelijk hoofdgebouw, niet hoger dan:

      • 1.

        3,5 meter; of

      • 2.

        0,3 meter boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw; en

      • 3.

        het hoofdgebouw;

    • i.

      voor zover op een afstand van meer dan 4 meter van het oorspronkelijke hoofdgebouw:

      • 1.

        indien voorzien van een plat dak niet hoger dan 3,5 meter; of

      • 2.

        voorzien van een schuin dak, de dakvoet niet hoger dan 3 meter, de daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van niet meer dan 55°, en waarbij de hoogte van de daknok niet meer is dan 5 meter en verder wordt begrensd door de volgende formule: maximale daknokhoogte [meter] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3; en

      • 3.

        functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw, tenzij het gaat om huisvesting in verband met mantelzorg; en

    • j.

      uitbreiding van of gelegen aan of bij een hoofdgebouw, anders dan:

      • 1.

        een woonwagen;

      • 2 1.

        een hoofdgebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit of de omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit is bepaald dat de vergunninghouder na het verstrijken van een bij die vergunning gestelde termijn verplicht is de voor de verlening van de vergunning bestaande toestand te hebben hersteld; of

      • 3 2.

        een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf door één huishouden.

  • 2 3.

    Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in het eerstetweede lid, bestaat uit een deel dat op meer, en een deel dat op minder dan 4 meter van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen zonder een inwendige scheidingsconstructie tussen beide delen, is op het deel dat op minder dan 4 meter van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen sub gi onder 23, van overeenkomstige toepassing.

J

Het opschrift van artikel 4.12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.12 4.13 Bouwwerk veranderen 

K

Het opschrift van artikel 4.13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.13 4.14 Buisleiding  

L

Artikel 4.14 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.14 4.15 Hekwerk, schutting of andere erf- en perceelafscheiding 

  • 1.

    Een erf- of perceelafscheiding voor het weiden van vee is in overeenstemming met het omgevingsplan als deze niet hoger is dan 1,5 meter.

  • 2.

    Een erf- en perceelafscheiding binnen het treinspoor Deventer - Almelo (ambtsgebied Rijssen-Holten) is in overeenstemming met het omgevingsplan als deze niet hoger is dan 4 meter.

  • 3.

    Een erf- of perceelafscheiding in woonwijken voor niet-hoeksituaties en hoeksituaties die niet gericht zijn op de openbare weg of het openbaar groen, is in overeenstemming met het omgevingsplan als wordt voldaan aan de eisen:

    • a.

      hoger dan 1 meter maar niet hoger dan 2 meter;

    • a b.

      voor niet-hoeksituaties en hoeksituaties die niet gericht zijn op de openbare weg of het openbaar groen;

      op een erf of perceel staat al een gebouw waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; en

      • 1.

        hoger dan 1 meter maar niet hoger dan 2 meter;

      • 2.

        op een erf of perceel staat al een gebouw waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; en

      • 3.

        achter de voorgevelrooilijn.

    • b c.

      voor hoeksituaties gericht op de openbare weg of openbaar groen:

      achter de voorgevelrooilijn.

      • 1.

        tot 3 meter achter het verlengde van de voorste voorgevel niet hoger dan 1 meter en daarna niet hoger dan 2 meter;

      • 2.

        op een erf of perceel staat al een gebouw waarmee de afscheiding in functionele relatie staat.

     

  • 4.

    Een erf- of perceelafscheiding op aangewezen plekken met twee voorgevels is in overeenstemming met het omgevingsplan als wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • a.

      hoger dan 1 meter maar niet hoger dan 2 meter;

    • b.

      op een erf of perceel staat al een gebouw waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; en

    • c.

      gelegen achter de in het plan aangegeven of beschreven voorgevels.

  • 5.

    Een erf- of perceelafscheiding op bedrijventerreinen of in centra is in overeenstemming met het omgevingsplan als wordt voldaan aan de eisen:

    • a.

      niet hoger dan 2 meter; en

    • b.

      op een erf of perceel staat al een gebouw waarmee de afscheiding in functionele relatie staat.

  • 6.

    Een erf- of perceelafscheiding op sportparken of begraafplaatsen is in overeenstemming met het omgevingsplan als wordt voldaan aan de eisen:

    • a.

      niet hoger dan 3 meter; en

    • b.

      op een erf of perceel waarmee de afscheiding in functionele relatie staat. 

M

Het opschrift van artikel 4.15 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.15 4.16 Recreatief nachtverblijf 

N

Het opschrift van artikel 4.16 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.16 4.17 Sport- en speeltoestel voor openbaar gebruik

O

Het opschrift van artikel 4.17 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.17 4.18 Silo of ander bouwwerk ten behoeve of ter ondersteuning van agrarische bedrijfsvoering 

P

Het opschrift van artikel 4.18 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.18 4.19 Zwembad, bubbelbad of vijver

Q

Voor artikel 4.19 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 4.20 Toepassingsbereik

De subparagrafen 4.2.3.1 en 4.2.3.2 zijn van toepassing op vergunningplichtige bouwactiviteiten voor het bouwen van bouwwerken.

Artikel 4.21 Omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.

R

Het opschrift van artikel 4.19 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.19 4.22 Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken

S

Artikel 4.20 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.20 4.23 Algemene beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken

  • 1.

    Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als:

    • a.

      de activiteit niet in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, met uitzondering van artikel 17.1817.19, artikel 17.2017.21 en 17.2817.29;

    • b.

      het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; 

    • c.

      de activiteit betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie en:

      • 1.

        de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden; of

      • 2.

        bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit van de bodem: als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregelen wordt getroffen. Een sanerende of andere beschermende maatregel is in ieder geval een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving; 

    • d.

      in voldoende mate is voorzien in parkeergelegenheid voor auto's en fietsen, overeenkomstig de parkeernormen Rijssen-Holten;

    • e.

      in voldoende mate is voorzien in ruimte voor het laden en lossen van goederen, overeenkomstig de parkeernormen Rijssen-Holten; en

    • f.

      als niet in voldoende mate wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid of ruimte voor laden en lossen zoals bedoeld in sub d of e van het eerste lid,  mits in dat geval sprake is van een integrale afweging en daarmee een ander, zwaarder wegend belang wordt gediend en dit niet leidt tot een onevenredige aantasting van de kwaliteit van de openbare ruimte.

  • 2.

    Het college kan voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning  voor de bouwactiviteit om de vereiste bodemkwaliteit bij het bouwen van bodemgevoelig gebouwen op een bodemgevoelige locatie te borgen.

  • 3.

    Een woning wordt niet gebouwd of uitgebreid binnen een gebied waar de concentratie fijnstof (PM10) meer dan 20 µg/m3 jaargemiddelde grenswaarde is.

T

Na artikel 4.20 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 4.24 Algemene beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken in, aan, op of bij monumenten

  • 1.

    In aanvulling op artikel 4.23 wordt een omgevingsvergunning voor een (voorbeschermd) gemeentelijk monument alleen verleend als:

    • a.

      het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet; en

    • b.

      er advies van de adviescommissie omgevingskwaliteit is ingewonnen.

  • 2.

    Als de omgevingsvergunning ziet op een (voorbeschermd) kerkelijk monument neemt  het bevoegd gezag niet eerder een beslissing:

    • a.

      dan na overleg met de eigenaar; en

    • b.

       voor zover het een beslissing betreft waarbij wezenlijke belangen van het belijden van de godsdienst of levensovertuiging in dat monument in het geding zijn, er overeenstemming met de eigenaar is bereikt.

  • 3.

    Het college kan in het belang van de monumentenzorg nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden aan een (voorbeschermd) gemeentelijk monument.

U

Artikel 4.21 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.21 4.25 Algemene beoordelingsregels bij omgevingsvergunning voor een voormalige wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht

  • 1.

    In afwijking van artikel 4.204.23, aanhef en onder a, kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regels toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in het tijdelijk deel omgevingsplan.

  • 2.

    Op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend, zijn van overeenkomstige toepassing:

    • a.

      artikel 8.0b, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving;

    • b.

      artikel 8.0c, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en

    • c.

      artikel 8.0d, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

V

Artikel 4.22 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.22 4.26 Nadere invulling algemene beoordelingsregel omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie

  • 1.

    De toelaatbare kwaliteit van de bodem, bedoeld in artikel 4.204.23, onder c, is de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving.

  • 2.

    Er is sprake van overschrijding van de toelaatbare kwaliteit als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit.

  • 3.

    Het zinsdeel «in meer dan 25 m3 bodemvolume» in het tweede lid is niet van toepassing voor zover het gaat om aanwezigheid van asbest.

W

Het opschrift van artikel 4.23 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.23 4.27 Omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken (vangnet)

X

Artikel 4.24 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.24 4.28 Omgevingsvergunning voor afwijken tijdelijk deel omgevingsplan

  • 1.

    Voor zover voor een activiteit in het tijdelijk deel omgevingsplan, is bepaald dat bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van daarbij aangegeven regels, geldt deze bepaling als verbod om de activiteit zonder omgevingsvergunning te verrichten.

  • 2.

    Als de in het eerste lid bedoelde vergunningplicht een verplichting bevat, wordt deze verplichting gelezen als een bevoegdheid.

  • 3.

    Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 4.234.27 die in strijd is met de in het tijdelijk deel omgevingsplan, gestelde regels over afwijking, kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in dat tijdelijke deel.

  • 4.

    Op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend, zijn van overeenkomstige toepassing: 

    • a.

      artikel 8.0b, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving;

    • b.

      artikel 8.0c, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en

    • c.

      artikel 8.0d, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

  • 5.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 4.244.28 worden de volgende gegevens verstrekt: 

    • a.

      het beoogde en het huidige gebruik van de locaties en bouwwerken waarop de aanvraag betrekking heeft;

    • b.

      een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop: 

      • 1.

        de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak; 

      • 2.

        de situering van bouwwerken ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde; 

      • 3.

        de wijze waarop de locatie wordt ontsloten; 

      • 4.

        de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en 

      • 5.

        het beoogd gebruik van de locatie behorende bij het voorgenomen bouwwerk.

    • c.

      Zo nodig wordt een rapport verstrekt waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld.

Y

Het opschrift van artikel 4.25 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.25 4.29 Overgangsrecht bestaande bouwwerken

Z

Artikel 4.26 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.26 4.30 Voorschrift omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: na einde activiteit

Aan een omgevingsvergunning voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie die is verleend met toepassing van artikel 4.204.23, aanhef en onder c, onder 2, wordt in ieder geval het voorschrift verbonden dat het gebouw, of een gedeelte daarvan, alleen in gebruik wordt genomen nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop er een of meer sanerende of andere beschermende maatregelen zijn getroffen als bedoeld in artikel 4.204.23.

AA

Voor artikel 4.27 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 4.31 Toepassingsbereik (verhouding met algemene beoordelingsregels voor bouwactiviteiten)

De regels in subparagraaf 4.2.3.2 gelden in aanvulling op de algemene beoordelingsregels voor bouwactiviteiten van subparagraaf 4.2.3.1.

BB

Artikel 4.27 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.27 4.32 Bijbehorend bouwwerk - voormalige kruimellijst

  • 1.

    Voor een bijbehorend bouwwerk bij een woning in woonwijken en centra waarvoor op basis van het tijdelijk deel omgevingsplan geen omgevingsvergunning verleend kan worden, wordt alsnog omgevingsvergunning verleend als deze:

    • a.

      in het achtererfgebied is gelegen;

    • b.

      niet tot gevolg heeft dat de oppervlakte voor bijbehorende bouwwerken die mogelijk is op basis van het tijdelijk deel omgevingsplan voor meer dan 50% wordt overschreden, met een maximum van 25 m²;

    • c.

      op een afstand van tenminste 3 meter achter de oorspronkelijke voorgevel of het verlengde daarvan is gelegen;

    • d.

      bij een uitbreiding van een vrijstaande woning aan tenminste één zijde een afstand van 2,5 meter tot de zijdelingse perceelsgrens heeft;

    • e.

      voor wat betreft de overige maten en afmetingen aan de voorschriften van het tijdelijk deel omgevingsplan;

    • f.

      geen balkon of dakterras heeft, tenzij het tijdelijk deel omgevingsplan dit toestaat.

  • 2.

    Als het bijbehorend bouwwerk gebruikt wordt of gebruikt gaat worden ten dienste van mantelzorg wordt een medische(eigen) verklaring overlegd waaruit de noodzaak voor mantelzorg blijkt. De mantelzorgsituatie wordt beëindigd als er geen mantelzorg meer wordt verleend.

  • 3.

    Voor overkappingen en carports gelden in aanvulling op het eerste lid de volgende voorwaarden:

    • a.

      de maximale bouwhoogte is 3,5 meter;

    • b.

      de overkapping of carport tenminste 1 meter achter de voorgevel of het verlengde daarvan wordt opgericht;

    • c.

      per bouwperceel maximaal 25 m2 aan overkappingen is toegelaten; en

    • d.

      per bouwperceel maximaal één carport met een maximale oppervlak van 25 m2 is toegelaten.

CC

Artikel 4.28 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.28 4.33 Bouwwerk ten behoeve van mantelzorg

Voor een bouwwerk dat in het kader van mantelzorg in het buitengebied wordt gebouwd wordt omgevingsvergunning verleend als:  

  • a.

    het bouwwerk door niet meer dan twee personen gebruikt gaat worden;

  • b.

    de situering van een mantelzorgsituatie in een nieuw te bouwen bouwwerk plaatsvindt op basis van de kenmerken en uitgangspunten van het bestaande erftype uit de bijlage Erven buitengebied Rijssen-Holten;

  • c.

    de afstand van de bijbehorende (bedrijfs)woning tot de mantelzorgsituatie niet meer dan 25 meter bedraagt;

  • d.

    de totale oppervlakte aan mantelzorgruimten niet groter is dan 75 m2;

  • e.

    de mantelzorgsituatie enkellaags is;

  • f.

    een medische(eigen) verklaring waaruit de noodzaak voor mantelzorg blijkt; en

  • g.

    de mantelzorgsituatie wordt beëindigd als er geen mantelzorg meer wordt verleend.

DD

Het opschrift van artikel 4.30 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.30 4.34 Dakkapel in het voordakvlak of naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak - voormalig lokaal dakkapellenbeleid

EE

Artikel 4.29 wordt geplaatst na artikel 4.30. Het opschrift van artikel 4.29 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.29 4.35 Erker - voormalige kruimellijst

FF

Na artikel 4.29 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 4.36 Familiewoning in bestaand bouwwerk

[Gereserveerd]

Artikel 4.37 Familiewoning in nieuw bouwwerk

[Gereserveerd]

GG

Artikel 4.31 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.31 4.38 Hekwerk, schutting of andere erf- en perceelafscheiding

  • 1.

    Voor het bouwen van een erf- of perceelafscheiding in woonwijken en centra bij hoeksituaties gericht op de openbare weg of openbaar groen wordt alleen omgevingsvergunning verleend als deze:

    • a.

      tot 3 meter achter het verlengde van de voorste voorgevel niet hoger dan 1 meter en daarna niet hoger dan 2 meter;

    • b.

      op een erf of perceel staat al een gebouw waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; en

    • c.

      voorzien van groen.

  • 1 2.

     

    Voor het bouwen van een erf- of perceelafscheiding in het buitengebied, anders dan aan erf- of perceelafscheiding als bedoeld in artikel 4.144.15eerste lid, wordt alleen omgevingsvergunning verleend als deze:

    • a.

      past binnen het gebiedstype en de functie van de locatie en;

    • b.

      landschappelijk is ingepast.

  • 2 3.

    Voor het bouwen van een erf- of perceelafscheiding in woonwijken en centra wordt alleen een omgevingsvergunning verleend als deze:

    • a.

      is gesitueerd voor de voorgevel, of bij hoeksituaties de eerste 3 meter achter de voorgevel, 

    • b.

      niet hoger dan 1,30 meter is; en

    • c.

      geen belemmeringen geeft voor verkeersveiligheid.

  • 3 4.

    Voor het bouwen van een hekwerk ter plaatse van de functie brandgang wordt alleen omgevingsvergunning verleend als deze: 

    • a.

      niet hoger is dan 2,5 meter;

    • b.

      er geen aantasting plaatsvindt van de bereikbaarheid van het (achterliggende) gebied of de aangrenzende percelen voor hulpdiensten of ontvluchting;

    • c.

      er schriftelijk advies is gevraagd bij de Veiligheidsregio Twente;

    • d.

      het hekwerk geopend kan worden met een universele sleutel; en

    • e.

      de ruimtelijke kwaliteit niet wordt aangetast. 

  • 4 5.

    Een hekwerk of andere afscheiding in bijzondere gebieden als wordt voldaan aan de regels voor erf- en perceel afscheidingen zoals opgenomen in het tijdelijk deel omgevingsplan

HH

Het opschrift van artikel 4.32 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.32 4.39 Gebouw ten behoeve van infrastructurele of openbare voorzieningen - voormalige kruimellijst

II

Na artikel 4.32 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 4.40 Familiewoning of pré-mantelzorgwoning in bestaand bouwwerk

  • 1.

    Voor het bouwen en in gebruik nemen van een familiewoning of pré-mantelzorgwoning wordt omgevingsvergunning verleend als:

    • a.

      het in gebruik te nemen bouwwerk legaal is gerealiseerd;

    • b.

      het in gebruik te nemen bouwwerk op een locatie aangewezen voor 'wonen' met uitzondering van (agrarische) bedrijfswoningen en recreatiewoningen is gelegen;

    • c.

      pré-mantelzorg of familiewoning alleen op de begane grond plaatsvindt;

    • d.

      het maximale oppervlak van bedraagt 75 m2 bedraagt;

    • e.

      er per bouwperceel maar één familiewoning of pré-mantelzorgwoning is toegelaten;

    • f.

      er een extra parkeerplaats op het perceel wordt aangelegd;

    • g.

      er geen dakterras of balkon wordt gerealiseerd; en

    • h.

      er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

      • 1.

        de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;

      • 2.

        het straat- en bebouwingsbeeld;

      • 3.

        de verkeersveiligheid; en

      • 4.

        de  milieusituatie.

  • 2.

    Een omgevingsvergunning als bedoelt in het eerste lid wordt voor een periode van maximaal 10 jaar verleend gerekend vanaf de dag van de aanvraag.

  • 3.

    Aan de omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden over de termijn en wijze van het verwijderen van het bouwwerk of het staken van het gebruik na afloop van de verleende omgevingsvergunning.

Artikel 4.41 Familiewoning of pré-mantelzorgwoning in nieuw bouwwerk

  • 1.

    Voor het bouwen en in gebruik nemen van een familiewoning of pré-mantelzorgwoning wordt omgevingsvergunning verleend als:

    • a.

      het bouwen en in gebruik nemen plaats vindt op een locatie aangewezen voor 'wonen' met uitzondering van (agrarische) bedrijfswoningen en recreatiewoningen;

    • b.

      het bouwwerk past binnen de bouwregels van paragraaf 4.2.2 of het tijdelijk deel omgevingsplan;

    • c.

      pré-mantelzorg of een familiewoning alleen op de begane grond plaatsvindt;

    • d.

      het maximale oppervlak 75 m2 bedraagt;

    • e.

      er per bouwperceel maar één familiewoning of pré-mantelzorgwoning of is toegelaten;

    • f.

      er een extra parkeerplaats op het perceel wordt aangelegd;

    • g.

      er geen dakterras of balkon wordt gerealiseerd; en

    • h.

      er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

      • 1.

        de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;

      • 2.

        het straat- en bebouwingsbeeld;

      • 3.

        de verkeersveiligheid; en

      • 4.

        de  milieusituatie.

  • 2.

    Een omgevingsvergunning als bedoelt in het eerste lid wordt voor een periode van maximaal 10 jaar verleend gerekend vanaf de dag van de aanvraag.

  • 3.

    Aan de omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden over de termijn en wijze van het verwijderen van het bouwwerk of het staken van het gebruik na afloop van de verleende omgevingsvergunning.

JJ

Het opschrift van artikel 4.33 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.33 4.42 Uitbreiden van of bij een hoofdgebouw niet zijnde een woning - voormalige kruimellijst

KK

Het opschrift van artikel 4.34 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.34 4.43 Vrijstaande antenne-installatie - voormalige kruimellijst

LL

Na artikel 4.34 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 4.44 Zonnepanelen in veldopstelling

MM

Het opschrift van artikel 4.35 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.35 4.45 Hekwerk, schutting of andere erf- en perceelafscheiding - locatie Stokmansveldweg 9 e.o in Rijssen

NN

Het opschrift van artikel 4.36 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.36 4.46 Silo of ander bouwwerk voor agrarische bedrijfsvoering

OO

Het opschrift van artikel 4.37 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.37 4.47 Sport- en speeltoestel voor openbaar gebruik

PP

Artikel 4.38 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.38 4.48 Verbod bouwwerken op aangewezen brandgangen

Het is verboden om op gronden met de functie brandgang andere bouwwerken op te richten of in stand te houden dan beschreven in artikel 4.314.38derdevierde lid.

QQ

Het opschrift van artikel 4.39 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.39 4.49 Toepassingsbereik

RR

Het opschrift van artikel 4.40 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.40 4.50 Repressief welstand

SS

Het opschrift van afdeling 4.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 4.3 Gebruik (functies Gebruiksdoel van bouwwerken en gronden)

TT

Het opschrift van artikel 4.41 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.41 4.51 Beoordelingsregels omgevingsvergunning gebruik bouwwerken of gronden

UU

Artikel 4.42 wordt verplaatst van paragraaf 4.3.2 naar paragraaf 4.3.1. Het opschrift van artikel 4.42 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.42 4.52 Strijdig gebruik (vangnet)

VV

Paragraaf 4.3.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 4.3.2 Verboden gebruik bouwwerken en gronden 

Artikel 4.43 4.53 Verbod op permanente bewoning verblijfsrecreatie

Artikel 4.44 4.54 Verbod nieuwvestiging agarisch bedrijf

Het is verboden een nieuw (intensief) agrarisch bedrijf te vestigen.

Artikel 4.45 4.55 Verbod nieuwvestigen of uitbreiden supermarkt

Het is verboden een nieuwe supermarkt te vestigen of een bestaande supermarkt uit te breiden.

Artikel 4.46 4.56 Verbod gebruiken grond of bouwwerk in afwijking van geldende parkeerbehoefte

Het is verboden gronden of bouwwerken met een parkeerbehoefte dan wel een behoefte aan ruimte voor het laden en lossen van goederen te gebruiken zonder dat hierin in voldoende mate is voorzien overeenkomstig de geldende parkeernormen Rijssen-Holten

WW

Het opschrift van artikel 4.47 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.47 4.57 Bestaande functie tijdelijk wijzigen ten behoeve van een evenement - voormalige kruimellijst

XX

Het opschrift van artikel 4.48 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.48 4.58 Bestaande functie tijdelijk wijzigen ten behoeve van opvang van vluchtelingen - voormalige kruimellijst

YY

Het opschrift van artikel 4.49 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.49 4.59 Bestaande functie tijdelijk wijzigen ten behoeve van een woon- of unit bij vervangende nieuwbouw of een unit bij maatschappelijke functies - voormalige kruimellijst

ZZ

Het opschrift van artikel 4.50 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.50 4.60 Andere functie toevoegen - voormalige kruimellijst

AAA

Voor subparagraaf 4.3.4.1 wordt een subparagraaf ingevoegd, luidende:

Subparagraaf 4.3.4.1 Aanwijzing functies en locaties

Artikel 4.61 Wonen

  • 1.

    Er zijn locaties aangewezen voor wonen

  • 2.

    Locaties aangewezen voor mogen worden gebruikt voor voor het wonen in een woning.

BBB

Het opschrift van subparagraaf 4.3.4.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Subparagraaf 4.3.4.1 4.3.4.2 Toestemmingsvrij gebruik bestaand bouwwerken mantelzorg

CCC

Artikel 4.51 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.51 4.62 Gebruiken bestaand bouwwerk voor mantelzorg

Het gebruiken van een bestaand bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg is in overeenstemming met het omgevingsplan. Als het bijbehorend bouwwerk gebruikt wordt of gebruikt gaat worden ten dienste van mantelzorg wordt een medische(eigen) verklaring overlegd waaruit de noodzaak voor mantelzorg blijkt.

DDD

Het opschrift van subparagraaf 4.3.4.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Subparagraaf 4.3.4.2 4.3.4.3 Omgevingsvergunning functies bouwwerken en gronden (omgevingsplan)

EEE

Het opschrift van artikel 4.52 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.52 4.63 Het omzetten van een inwoonsituatie naar een zelfstandige woning

FFF

Het opschrift van artikel 4.53 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.53 4.64 Omgevingsvergunning slopen karakteristiek bouwwerk

GGG

Na artikel 4.53 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 4.65 Omgevingsvergunning slopen gemeentelijke monumenten

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een gemeentelijk monument  te slopen.

HHH

Artikel 4.54 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.54 4.66 Beoordelingsregels slopen van een karakteristiek bouwwerk

  • 1.

    De omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit als bedoeld in artikel 4.534.64 wordt alleen verleend als: 

    • a.

      aannemelijk is gemaakt dat herbouw in dezelfde of een ter plaatse passende nieuwe karakteristiek zal plaatsvinden, of

    • b.

      naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders, geen mogelijkheid is om verval van het karakteristieke bouwwerk tegen te gaan.

  • 2.

    Aan een te verlenen omgevingsvergunning wordt in ieder geval als voorwaarde verbonden dat de karakteristieke hoofdvorm, dan wel een passend alternatief, wordt herbouwd en dat binnen zes maanden na het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zal worden gestart met de bouw. Deze verplichting geldt niet als het college van oordeel is dat verval van het karakteristieke pand niet is tegen te gaan. 

III

Na artikel 4.54 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 4.67 Beoordelingsregels omgevingsvergunning voor het verrichten van activiteiten in, aan of op een (voorbeschermd) gemeentelijk monument of archeologisch monument

  • 1.

    De omgevingsvergunning voor een (voorbeschermd) gemeentelijk monument  of archeologisch monument kan slechts worden verleend als het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet.

  • 2.

    Als de omgevingsvergunning ziet op een kerkelijk monument neemt het bevoegd gezag niet eerder een beslissing dan na overleg met de eigenaar. 

    Voor zover het een beslissing betreft waarbij wezenlijke belangen van het belijden van de godsdienst of levensovertuiging in dat monument in het geding zijn, neemt het bevoegd gezag geen beslissing dan in overeenstemming met de eigenaar.

  • 3.

    Het college kan in het belang van de monumentenzorg nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument. Deze regels kunnen mede inhouden een vrijstelling van het verbod, bedoeld in artikel 13.12.

JJJ

Artikel 5.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.3 Toepassingsbereik

  • 1.

    Dit hoofdstuk is van toepassing op een milieubelastende activiteit als bedoeld in bijlage I bij de Omgevingswet.

  • 2.

    De regels in hoofdstuk 5 zijn niet van toepassing op: 

    • a.

      een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan;

      • 1.

        een voor 1 januari 2024 onherroepelijke omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit;

      • 2.

        een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die is aangevraagd voor 1 januari 2024 en na de inwerkingtreding van de Omgevingswet onherroepelijk wordt; of

    • b.

      geur op of in een geurgevoelig gebouw veroorzaakt door:

      • 1.

        wonen;

      • 2.

        het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein; 

      • 3.

        een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht; 

      • 4.

        doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen; 

      • 5.

        een evenement dat;

        • I.

          plaatsvindt op een locatie aangewezen in afdeling 14.2 en past binnen de in deze afdeling gestelde regels; 

        • II.

          evenementen waarvoor omgevingsvergunning wordt verleend op grond van artikel 4.474.57;

        • III.

          festiviteiten die bij of krachtens gemeentelijke verordening zijn aangewezen, in de gebieden in de gemeente waarvoor die verordening geldt; of

        • IV.

          andere festiviteiten die plaatsvinden op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het aantal bij of krachtens die verordening aan te wijzen dagen of dagdelen per gebied of categorie van bedrijfssector kan verschillen en niet meer bedraagt dan twaalf per kalenderjaar; 

      • 6.

        het verrichten van werkzaamheden met een mobiele installatie op een weiland, akker of bos die geen verplaatsbaar mijnbouwwerk is;

      • 7.

        bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen; 

    • c.

      geurgevoelige gebouwen die op basis van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit zijn toegelaten voor de duur van niet meer dan tien jaar

KKK

Artikel 6.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.5 Toepassingsbereik

  • 1.

    Dit hoofdstuk is van toepassing op een milieubelastende activiteit als bedoeld in bijlage I bij de Omgevingswet.

  • 2.

    De regels in hoofdstuk 6 zijn niet van toepassing op: 

    • a.

      een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan: 

      • 1.

        een voor 1 januari 2024 onherroepelijke omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit;

      • 2.

        een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die is aangevraagd voor 1 januari 2024 en na de inwerkingtreding van de Omgevingswet onherroepelijk wordt.

    • b.

      een niet-geluidgevoelige gevel van een geluidgevoelig gebouw

    • c.

      het geluid van een milieubelastende activiteit op een toekomstig geluidgevoelig gebouw die:

      • 1.

        voor 1 januari 2024 wordt verricht; en

      • 2.

        is toegelaten op basis van het tijdelijke deel van het omgevingsplan; of

      • 3.

        waarvoor een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is aangevraagd voor 1 januari 2024;

    • d.

      op het geluid door bovengrondse hoogspanningsverbindingen met een spanning van ten minste 110 kV;

    • e.

      een geluidgevoelig gebouw dat gedeeltelijk of geheel gelegen is op een industrieterrein of locatie met een geluidproductieplafond;

    • f.

      het geluid op of in een geluidgevoelig gebouw veroorzaakt door:

      • 1.

        wonen;

      • 2.

        het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein; 

      • 3.

        een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht; 

      • 4.

        doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen; 

      • 5.

        een evenement dat: 

        • I.

          plaatsvindt op een locatie aangewezen in afdeling 14.2 en past binnen de in deze afdeling gestelde regels; 

        • II.

          evenementen waarvoor omgevingsvergunning wordt verleend op grond van artikel 4.474.57;

        • III.

          festiviteiten die bij of krachtens gemeentelijke verordening zijn aangewezen, in de gebieden in de gemeente waarvoor die verordening geldt; of

        • IV.

          andere festiviteiten die plaatsvinden op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het aantal bij of krachtens die verordening aan te wijzen dagen of dagdelen per gebied of categorie van bedrijfssector kan verschillen en niet meer bedraagt dan twaalf per kalenderjaar; 

      • 6.

        het verrichten van werkzaamheden met een mobiele installatie op een weiland, akker of bos die geen verplaatsbaar mijnbouwwerk is;

      • 7.

        bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen; 

      • 8.

        spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen; of

      • 9.

        detailhandel waarbij:

        • I.

          een of meer elektromotoren aanwezig zijn met een gezamenlijk vermogen van minder of gelijk dan 1,5 kW, met uitzondering van elektromotoren met een vermogen van 0,25 kW of minder; of 

        • II.

          een of meer stookinstallaties aanwezig zijn met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder of gelijk dan 130 kW. 

LLL

Artikel 6.28 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.28 Geluid: festiviteiten

  • 1.

    De waarden, bedoeld in de in artikelen 6.8, 6.7, 6.19, 6.21, 6.20, en 6.22, zijn voor zover de naleving van deze normen redelijkerwijs niet kan worden gevergd, niet van toepassing op dagen of dagdelen in verband met de viering van: 

    • a.

      festiviteiten die bij of krachtens gemeentelijke verordening zijn aangewezen, in de gebieden in de gemeente waarvoor die verordening geldt; en 

    • b.

      andere festiviteiten die plaatsvinden op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het aantal bij of krachtens die verordening aan te wijzen dagen of dagdelen per gebied of categorie van bedrijfssector kan verschillen en niet meer bedraagt dan twaalf per kalenderjaar.

     

  • 2.

    Een festiviteit die ten hoogste een etmaal duurt, maar die zowel voor als na 00.00 uur plaatsvindt, wordt beschouwd als plaatshebbende op één dag.

  • 3.

    Op het bepalen van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) of het maximaal geluidniveau (LAmax), bedoeld in deze afdeling, zijn de artikelen 6.6 en 6.7 van de Omgevingsregeling van toepassing.

MMM

Artikel 7.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.3 Doelgroep

  • 1.

    Als doelgroep voor sociale huurwoning worden aangemerkt: 

    • a.

      huishouden(s) met een huishoudinkomen zoals opgenomen in de Regeling toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015 of opvolgende wetgeving. 

    • b.

      woningcorporaties hebben de mogelijkheid sociale huurwoningen vrij toe wijzen. Hierbij moeten zij de voorrangsregels uit het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015 in acht nemen.

  • 2.

    Als doelgroep voor de sociale koopwoning worden de volgende categorieën aangemerkt: 

    • a.

      voor sociale koop rijenwoningen met een koopprijs tot € 240.000253.000,= VON (sociale koop laag) starters op de koopmarkt met een maximaal bruto huishoudinkomen in het peiljaar van € 45.00047.000,=; 

    • b.

      voor sociale koop rijenwoningen met een koopprijs tot € 270.000285.000,= VON (sociale koop hoog) starters op de koopmarkt met een maximaal bruto huishoudinkomen in het peiljaar van € 55.00058.000,=; 

    • c.

      voor sociale koop twee-onder-één kap woningen met een koopprijs tot € 355.000338.000,= VON (sociale koop tweekapperhoog) starters en doorstromers op de koopmarkt met een maximaal huishoudinkomen in het peiljaar van € 65.000,=; 

    • d.

      voor sociale koop appartementen met een koopprijs tot € 215.000227.000,= VON (sociale koop appartementen) starters op de koopmarkt met een maximaal bruto huishoudinkomen in het peiljaar van €40.00042.000,=.

  • 3.

    Als doelgroep voor een geliberaliseerde woning voor de middenhuur worden aangemerkt: 

    • a.

      huishoudens met een huishoudinkomen in het peiljaar van maximaal 1,5 keer de DAEB-norm. De geliberaliseerde woningen voor middenhuur hebben een aanvangshuurprijs van ten minste het bedrag, als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag en ten hoogste € 1.123,121.184,82 per maand all-in (prijspeil 20242025). Voor woningen waarvan de start bouw plaats vindt vóór 1 januari 2026 geldt een nieuwbouwopslag van 10% op de aanvangshuurprijs. Jaarlijkse indexering van de aanvangshuurprijs vindt plaats overeenkomstig de mate van indexering van de sociale huurprijsgrens.

  • 4.

    Het college is bevoegd om jaarlijks de in het tweede lid genoemde VON-prijzen en huishoudinkomens en de in het derde lid genoemde ten hoogste aanvangshuurprijs te herzien aan de hand van marktontwikkelingen en wettelijke bepalingen, rekening houdend met behoefte onderzoeken en wettelijke mogelijkheden.

NNN

Artikel 7.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.5 Instandhouding

OOO

Paragraaf 8.2.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 8.2.2 Aanwijzen gemeentelijke monumenten en karakteristieke bouwwerken

Artikel 8.8 8.7 Aanvraag omgevingsvergunning rijksmonument

Het college zendt onverwijld een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om een omgevingsvergunning voor een rijksmonument voor advies aan de monumentencommissie.

Artikel 8.7 8.8 Aanwijzen objecten met cultuurhistorische of landschappelijke waarde 

  • 1.

    Het college kan archeologische en gemeentelijke monumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten, karakteristieke bouwwerken, beeldbepalende stedelijke of landschapsstructuren aanwijzen. 

  • 2.

    Aanwijzing gebeurt vanwege het bijzondere belang voor de gemeente vanwege schoonheid, betekenis voor de wetenschap, cultuurhistorische of landschappelijke waarde van de aan te wijzen zaak, het object of element.

  • 3.

    Het college kan ten behoeve van de aanwijzing bepalen dat nader onderzoek wordt verricht.

  • 4.

    Een voornemen om een archeologisch of gemeentelijk monument aan te wijzen wordt door het college schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet.

  • 5.

    Voordat een gebouw dat gebruikt wordt voor het belijden van een godsdienst of levensovertuiging als gemeentelijk monument wordt aangewezen, voert het college overleg over het voornemen met de eigenaar.

  • 6.

    Vanaf de bekendmaking van het voornemen als bedoeld in het vierde lid van archeologische en gemeentelijke monumenten en beeldbepalende stedelijke structuren is artikel 13.11 van toepassing.  De voorbescherming vervalt op het moment van inschrijving van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister of op het moment waarop het aanwijzingsbesluit wordt herroepen of door de bestuursrechter onherroepelijk wordt vernietigd. 

    Het college vraagt over het voornemen om toepassing te geven aan het eerste lid advies:

    • a.

      voor archeologische en gemeentelijke monumenten: de adviescommissie omgevingskwaliteit;

    • b.

      voor beeldbepalende landschapselementen: een gemeentelijke landschapsarchitect; en

    • c.

      voor karakteristieke bouwwerken; een ter zake deskundige

  • 7.

    Het zesde lid is van overeenkomstige toepassing vanaf het moment dat zakelijk gerechtigden schriftelijk in kennis worden gesteld van het besluit van het college tot aanwijzing van het monument of archeologisch monument als voorlopig gemeentelijk monument. Bij de kennisgeving is het vierde lid van overeenkomstige toepassing.

  • 11 7.

    De aanwijzing van een gemeentelijk monument bevat in ieder geval de plaatselijke aanduiding, de datum van aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving.

  • 8.

    Gedurende de procedure tot aanwijzing van beschermde landschapselementen is artikel 9.14 van toepassing. De voorbescherming vervalt nadat het aanwijzingsbesluit onherroepelijk wordt.

  • 12 8.

    De aanwijzing van een gemeentelijk monument wordt schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet.

  • 9.

    Gedurende de procedure tot aanwijzing van een karakteristiek bouwwerk is artikel 4.54 van toepassing. De voorbescherming vervalt nadat het aanwijzingsbesluit onherroepelijk wordt.

  • 13 9.

    Zodra een aanwijzing van een gemeentelijk monument onherroepelijk is geworden wordt het monument onverwijld opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister

  • 10.

    Het college vraagt over het voornemen om toepassing te geven aan het eerste lid voor archeologische en gemeentelijke monumenten advies aan de adviescommissie omgevingskwaliteit. 

    Voor de aanwijzing van beeldbepalende landschapselementen kan zij een landschapsarchitect om advies vragen. Voor de aanwijzing van karakteristieke bouwwerken kan zij een ter zake deskundige om advies vragen.

  • 14 10.

    Het college kan ambtshalve overgaan tot het schrappen van een gemeentelijk monument uit het gemeentelijk erfgoedregister. De bepalingen over de aanwijzing uit dit artikel zijn in dat geval van toepassing op het schrappen. Als een gemeentelijk monument onherroepelijk is aangewezen als provinciaal- of rijksmonument schrapt het college de aanwijzing ambtshalve uit het register.

  • 16 11.

    Een aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument vervalt na 26 weken of zoveel eerder als het college een besluit heeft genomen over de aanwijzing.

Artikel 8.9 Spoedprocedure aanwijzen gemeentelijke monumenten

    [Red: Lid 15. verplaatst van artikel 8.7 naar artikel 8.9. ]

  • 15 1.

    In afwijking van het eerste lid kan het college in een spoedeisend geval een gemeentelijk monument of archeologisch monument aanwijzen als voorlopig gemeentelijk of archeologisch monument. In afwijking van het tiendezesde lid wordt in dat geval aan de adviescommissie omgevingskwaliteit advies gevraagd over de vastgestelde aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument.

  • 2.

    In afwijking van artikel 8.8zesde lid wordt in dat geval aan de adviescommissie omgevingskwaliteit advies gevraagd over de vastgestelde aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument.

  • 3.

    Op een voorlopig aangewezen monument zijn artikel 4.104.644.66 en hoofdstuk 13 van toepassing.

PPP

Artikel 8.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 8.9 8.10 Specifieke beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij nog in procedure zijnde bestemmingsplannen 

  • 1.

    In afwijking van artikel 4.204.23 wordt de omgevingsvergunning geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft van kracht is:

    • a.

      een ontwerp van een bestemmingsplan of van een inpassingsplan ter inzage is gelegd en de termijn voor de vaststelling van het bestemmingsplan of inpassingsplan ingevolge artikel 3.8, eerste lid, onder d, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden;

    • b.

      een bestemmingsplan of inpassingsplan is vastgesteld en de termijn voor de bekendmaking van het bestemmingsplan of inpassingsplan na de vaststelling ingevolge artikel 3.8, derde, vierde of zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden; of

    • c.

      een bestemmingsplan of inpassingsplan na vaststelling is bekendgemaakt, en het bestemmingsplan of inpassingsplan op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag nog niet in werking is getreden of in beroep is vernietigd;

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan.

QQQ

Het opschrift van artikel 8.10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 8.10 8.11 Intrekken omgevingsvergunning

RRR

Het opschrift van artikel 8.11 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 8.11 8.12 Melding omgevingsplan

SSS

Subparagraaf 9.1.1.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Subparagraaf 9.1.1.2 Functies

Artikel 9.3 Beschermde landschapselementen

In het plan zijn locaties aangewezen met de functieals beschermde landschapselementen.

Artikel 9.4 Waardevolle bomen

In het plan zijn locaties aangewezen met de functieals waardevolle bomen.

TTT

Artikel 9.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.8 Zonnevelden

Het is verboden om zelfstandige opstelling van zonnepanelen te bouwen.

Het realiseren van een andere zelfstandige opstelling van zonnepanelen dan bedoelt in artikel 4.44 is verboden.

UUU

Artikel 9.14 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.14 Omgevingsvergunning voor het wijzigen van een beschermd landschapselement

  • 1.

    Het is verboden om zonder omgevingsvergunning beschermde landschapselementen te wijzigen, te beschadigen of te verwijderen; .

    • a.

      de omgevingsvergunning voor het wijzigen of verwijderen van een beschermd landschapselement kan alleen worden verleend indien is aangetoond dat:

      • 1.

        de landschappelijke waarde van het beschermde landschapselement niet wordt aangetast;

      • 2.

        de cultuurhistorische waarde van het beschermde landschapselement niet wordt aangetast;

      • 3.

        de beeldbepalende waarde van het beschermde landschapselement niet wordt aangetast; en

    • b.

      een aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt altijd getoetst door de gemeentelijke landschapsdeskundige.

  • 2.

    Aan het verlenen van een omgevingsvergunning kunnen voorwaarden worden verbonden in verband met het herstel van het beschermde landschapselement. De verplichtingen rondom het herstel van het beschermde landschapselement kunnen ook zelfstandig worden opgelegd.

  • 3.

    In afwijking van het eerste lid is normaal onderhoud toegelaten mits voorafgaand advies is gevraagd aan de gemeentelijke landschapsdeskundige.

  • 4.

    Bij een aanvraag om omgevingsvergunning worden de gegevens zoals omschreven in artikel 9.19 verstrekt.

  • 5.

    Een week voor aanvang van een activiteit zoals omschreven in het eerste lid wordt het college hierover schriftelijk geïnformeerd.

VVV

Artikel 9.15 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.15 Beoordelingsregels beeldbepalende landschapselementen

  • 1.

    Het is verboden om zonder omgevingsvergunning beschermde landschapselementen te wijzigen, te beschadigen of te verwijderen; 

    • a.

      de omgevingsvergunning voor het wijzigen of verwijderen van een beschermd landschapselement kan alleen worden verleend indien is aangetoond dat:

      • 1.

        de landschappelijke waarde van het beschermde landschapselement niet wordt aangetast;

      • 2.

        de cultuurhistorische waarde van het beschermde landschapselement niet wordt aangetast;

      • 3.

        de beeldbepalende waarde van het beschermde landschapselement niet wordt aangetast; en

    • b.

      een aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt altijd getoetst door de gemeentelijke landschapsdeskundige.

  • 2.

    Bij de belangenafweging voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het wijzigen, beschadigen of verwijderen van beschermde landschapselementen worden de oogmerken van artikel 9.6  a, b, c, e, f, g, h en j  betrokken.

  • 3.

    Bij de belangenafweging voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het wijzigen, beschadigen of verwijderen van beschermd landschapselement - holle wegbeschermd landschapselement - geaccidenteerde houtopstanden of beschermd landschapselement - holle weg met houtopstanden wordt in aanvulling op de oogmerken van het tweede lid het cultuurhistorisch belang van de weg betrokken.

WWW

Artikel 10.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 10.1 Toepassingsbereik

  • 1.

    Dit hoofdstuk is van toepassing een milieubelastende activiteit als bedoeld in bijlage I bij de Omgevingswet.

  • 2.

    De regels in hoofdstuk 10 zijn niet van toepassing op: 

    • a.

      een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan: 

      • 1.

        een voor 1 januari 2024 onherroepelijke omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit;

      • 2.

        een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die is aangevraagd voor 1 januari 2024 en na de inwerkingtreding van de Omgevingswet onherroepelijk wordt.

    • b.

      lichtemissie bij of door:

      • 1.

        wonen;

      • 2.

        het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein; 

      • 3.

        een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht; 

      • 4.

        doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen; 

      • 5.

        een evenement dat: 

        • I.

          plaatsvindt op een locatie aangewezen in afdeling 14.2 en past binnen de in deze afdeling gestelde regels; 

        • II.

          evenementen waarvoor omgevingsvergunning wordt verleend op grond van artikel 4.474.57

        • III.

          festiviteiten die bij of krachtens gemeentelijke verordening zijn aangewezen, in de gebieden in de gemeente waarvoor die verordening geldt; 

        • IV.

          andere festiviteiten die plaatsvinden op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het aantal bij of krachtens die verordening aan te wijzen dagen of dagdelen per gebied of categorie van bedrijfssector kan verschillen en niet meer bedraagt dan twaalf per kalenderjaar of; 

      • 6.

        het verrichten van werkzaamheden met een mobiele installatie op een weiland, akker of bos die geen verplaatsbaar mijnbouwwerk is;

      • 7.

        bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen; 

XXX

Artikel 11.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 11.3 Maatwerkvoorschriften

  • 1.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over:

    • a.

      afdeling 4.2 en  afdeling 17.2 met uitzondering van reken- en meetbepalingen; of

    • b.

      de artikelen 8.5 en 17.4317.46 en hoofdstuk 2, afdeling 3.3, afdeling 5.3, hoofdstuk 6, hoofdstuk 10, hoofdstuk 16, afdeling 17.4 en afdeling 18.2, afdeling 18.3 en paragraaf 18.4.1.

  • 2.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over:

    • a.

      afdeling 4.2 en  afdeling 17.2 met uitzondering van reken- en meetbepalingen; of

    • b.

      de artikelen 8.5 en hoofdstuk 2, afdeling 3.3, afdeling 5.3, hoofdstuk 6, hoofdstuk 10, hoofdstuk 16, afdeling 17.4 en afdeling 18.2, afdeling 18.3 en paragraaf 18.4.1.

  • 3.

    Een maatwerkvoorschrift wordt gesteld met het oog op de belangen, bedoeld in artikel 11.2.

  • 4.

    Op het stellen van een maatwerkvoorschrift over een milieubelastende activiteit zijn de instructieregels in paragraaf 5.1.4 en artikel 5.165 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing.

YYY

Subparagraaf 13.1.1.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Subparagraaf 13.1.1.1 Functies

Artikel 13.1 Archeologische monumenten

Er zijn locaties aangewezen met de functieals archeologisch monument. De monumentale waarden van het monument zijn opgenomen in bijlage (gereserveerd).

Artikel 13.2 Gemeentelijke monumenten

Er zijn locaties aangewezen met de functieals gemeentelijk monument gemeentelijk monument . De monumentale waarden van het monument zijn opgenomen in bijlage (gereserveerd).

Artikel 13.3 Verzamelgroep monumenten

De locaties archeologisch monument en gemeentelijk monument vormen samen de locatie monumenten.

ZZZ

Artikel 13.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 13.3 13.4 Toepassingsbereik

Voor de toepassing van hoofdstuk 13 en artikel 4.94.10tweede en derde lid wordt onder een gemeentelijk monument  of een archeologisch monument ook een voorlopig aangewezen gemeentelijk monument  of  archeologisch monument verstaan.

AAAA

Het opschrift van artikel 13.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 13.4 13.5 Oogmerken

BBBB

Het opschrift van artikel 13.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 13.5 13.6 Gegevens omgevingsplanactiviteit: gemeentelijk monument algemeen

CCCC

Artikel 13.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 13.6 13.7 Gegevens omgevingsplanactiviteit: gemeentelijk monument voor zover het gaat om een (voorbeschermd) archeologisch monument

Bij een aanvraag als bedoeld in artikel 13.513.6, worden, voor zover het gaat om een (voorbeschermd) archeologisch monument, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    een omschrijving van de aard van de activiteit, met vermelding van: 

    • 1.

      de omvang in vierkante meters; en 

    • 2.

      de diepte, in centimeters ten opzichte van het maaiveld;

  • b.

    een topografische kaart voorzien van een noordpijl en minimaal twee coördinatieparen, met de exacte locatie en omvang van de activiteit;

  • c.

    doorsnedetekeningen met de exacte locatie, omvang en diepte van de afzonderlijke ingrepen ten opzichte van het maaiveld;

  • d.

    als sprake is van een opgraving, ook als deze alleen bestaat uit een proefsleuvenonderzoek of een proefputtenonderzoek: een programma van eisen voor de opgraving;

  • e.

    als sprake is van een booronderzoek met boren met een diameter groter dan 10 cm: een plan van aanpak voor een booronderzoek;

  • f.

    als sprake is van een zichtbaar archeologisch monument: overzichtsfoto’s van de bestaande situatie en plantekeningen van de nieuwe toestand; en

  • g.

    voor zover de activiteit bestaat uit een bouwactiviteit: funderingstekeningen.

  • h.

    Zo nodig worden de volgende gegevens verstrekt:

    • 1.

      een rapport waarin de archeologische waarde van dat deel van het archeologisch monument waarop de activiteit van invloed is, in voldoende mate nader is vastgesteld; 

    • 2.

      een rapport waarin de gevolgen van de activiteit op de archeologische waarden in voldoende mate inzichtelijk zijn gemaakt;

    • 3.

      detailtekeningen met van de afzonderlijke ingrepen: 

      • I.

        de exacte locatie; 

      • II.

        de omvang; en 

      • III.

        de diepte ten opzichte van het maaiveld; 

    • 4.

      voor zover de activiteit bestaat uit aanlegwerkzaamheden of een ontgrondingsactiviteit: 

      • I.

        een bestek met bijbehorende tekeningen; of 

      • II.

        een werkomschrijving met bijbehorende tekeningen;

    • 5.

      als sprake is van een sloopactiviteit: bestaande funderingstekeningen; of 

    • 6.

      als sprake is van een archeologisch monument onder water: een vlakdekkende hoge resolutie sonaropname van de waterbodem en ultrahoge resolutie sonaropnamen van details.

  • i.

    Tekeningen als bedoeld in dit artikel hebben een schaal die niet kleiner is dan: 

    • 1.

      1:2000, als het gaat om een topografische kaart; 

    • 2.

      1:100, als het gaat om een funderingstekening of doorsnedetekening; en

    • 3.

      1:50, als het gaat om een detailtekening.

DDDD

Artikel 13.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 13.7 13.8 Gegevens omgevingsplanactiviteit: slopen van een gemeentelijk monument voor zover het gaat om een (voorbeschermd) monument of een karakteristiek bouwwerk

Bij de aanvraag, bedoeld in artikel 13.513.6, worden, voor zover het gaat om het slopen van een karakteristiek bouwwerk of een (voorbeschermd) gemeentelijk monument , de volgende gegevens verstrekt:

  • a.

     de volgende kleurenfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen sloop: 

    • 1.

      overzichtsfoto’s van de bestaande situatie; en 

    • 2.

      foto’s van de bestaande toestand;

  • b.

    de volgende tekeningen: 

    • 1.

      als sprake is van het slopen van een deel van het monument waarbij de omvang van het monument wijzigt: situatietekeningen van de bestaande en de nieuwe situatie; 

    • 2.

      opnametekeningen van de bestaande toestand met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag: 

      • I.

        plattegronden; 

      • II.

        doorsneden; 

      • III.

        gevelaanzichten; of 

      • IV.

        een dakaanzicht; en 

    • 3.

      slooptekeningen; en

  • c.

    een omschrijving van de sloopmethode en de aard van en bestemming voor het vrijkomend materiaal.

  • d.

    Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: 

    • 1.

      een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie of tuinhistorie; 

    • 2.

      als sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van de bodem onder het te slopen bouwwerk in voldoende mate is vastgesteld;

    • 3.

      een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft; of

    • 4.

      een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische en constructieve aspecten.

  • e.

    Tekeningen voldoen aan de volgende eisen:

    • 1.

      ze hebben een schaal die niet kleiner is dan: 

      • I.

        1:1000, als het gaat om een situatietekening; 

      • II.

        1:100, als het gaat om een algemene geveltekening; 

      • III.

        1:20 of 1:50, als het gaat om een geveltekening voor een ingrijpende wijziging; 

      • IV.

        1:100, als het gaat om een plattegrondtekening, doorsnedetekening of een tekening van het dakaanzicht; en

      • V.

        1:1, 1:2 of 1:5 als het gaat om een detailtekening en is voorzien van een omschrijving van de materiaaltoepassing en de maatvoering.  

    • 2.

      een situatietekening is voorzien van een noordpijl waaruit de oriëntatie van het monument op het perceel en ten opzichte van omliggende bebouwing en wegen blijkt. 

    • 3.

      een plattegrondtekening en een doorsnedetekening bevatten de volgende historische gegevens: 

      • I.

        balklagen zijn gestippeld aangegeven in plattegronden van ruimten onder de balklagen en getekend aangegeven in doorsneden met aanduiding van de afmetingen; 

      • II.

        geornamenteerde plafonds, gestippeld aangegeven in plattegronden van de ruimten waar deze zich bevinden; 

      • III.

        houtafmeting, balklagen en kapconstructie, aangegeven in doorsneden van de bestaande en van de nieuwe toestand; en 

      • IV.

        bijzondere ruimten of bouwdelen, direct of indirect betrokken bij de activiteit, aangegeven in plattegronden en doorsneden

EEEE

Artikel 13.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 13.8 13.9 Gegevens omgevingsplanactiviteit: verplaatsen van een (voorbeschermd) gemeentelijk monument 

1. Bij de aanvraag, bedoeld in artikel 13.513.6, worden, voor zover het gaat om het gedeeltelijk of volledig verplaatsen van een (voorbeschermd) gemeentelijk monument , de volgende gegevens verstrekt: 

  • a.

    een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft; 

  • b.

    de volgende kleurenfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen verplaatsing: 

    • 1.

      overzichtsfoto’s van de bestaande situatie; 

    • 2.

      foto’s van de bestaande toestand; en 

    • 3.

      overzichtsfoto’s van de nieuwe locatie;

  • c.

    de volgende tekeningen: 

    • 1.

      situatietekeningen van de bestaande en nieuwe situatie; 

    • 2.

      opnametekeningen van de bestaande toestand met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag: 

      • I.

        plattegronden; 

      • II.

        doorsneden; 

      • III.

        gevelaanzichten; of iv. een dakaanzicht; en 

    • 3.

      plantekeningen van de nieuwe toestand met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag: 

      • I.

        plattegronden; 

      • II.

        doorsneden; 

      • III.

        gevelaanzichten; of 

      • IV.

        een dakaanzicht;

  • d.

    een bestek of werkomschrijving van de wijze van demonteren, van het verplaatsen naar de nieuwe locatie en de herbouw; en

  • e.

    als de activiteit bestaat uit het verplaatsen van een molen; een rapport over de molenbiotoop van de bestaande en de nieuwe situatie.

  • f.

    Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • 1.

      een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie, tuinhistorie of over de relatie van het monument tot zijn historische omgeving;

    • 2.

      als op de bestaande of op de nieuwe locatie sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van het terrein dat volgens de aanvraag door de activiteit zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld; 

    • 3.

      een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische, constructieve, materiaaltechnische of preventieve aspecten; 

    • 4.

      aanvullende tekeningen van de bestaande en nieuwe toestand, met inbegrip van detailtekeningen; of 

    • 5.

      een opgave van de bij de voorbereiding en het verrichten van de activiteit te hanteren uitvoeringsrichtlijnen.

  • g.

    Tekeningen voldoen aan de volgende eisen:

    • 1.

      ze hebben een schaal die niet kleiner is dan: 

      • I.

        1:1000, als het gaat om een situatietekening; 

      • II.

        1:100, als het gaat om een algemene geveltekening; 

      • III.

        1:20 of 1:50, als het gaat om een geveltekening voor een ingrijpende wijziging; 

      • IV.

        1:100, als het gaat om een plattegrondtekening, doorsnedetekening of een tekening van het dakaanzicht; en

      • V.

        1:1, 1:2 of 1:5 als het gaat om een detailtekening en is voorzien van een omschrijving van de materiaaltoepassing en de maatvoering.  

    • 2.

      een situatietekening is voorzien van een noordpijl waaruit de oriëntatie van het monument op het perceel en ten opzichte van omliggende bebouwing en wegen blijkt. 

    • 3.

      een plattegrondtekening en een doorsnedetekening bevatten de volgende historische gegevens: 

      • I.

        balklagen zijn gestippeld aangegeven in plattegronden van ruimten onder de balklagen en getekend aangegeven in doorsneden met aanduiding van de afmetingen; 

      • II.

        geornamenteerde plafonds, gestippeld aangegeven in plattegronden van de ruimten waar deze zich bevinden; 

      • III.

        houtafmeting, balklagen en kapconstructie, aangegeven in doorsneden van de bestaande en van de nieuwe toestand; en 

      • IV.

        bijzondere ruimten of bouwdelen, direct of indirect betrokken bij de activiteit, aangegeven in plattegronden en doorsneden

FFFF

Artikel 13.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 13.9 13.10 Gegevens omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument: wijzigen van een (voorbeschermd) monument door herstel ontsieren of in gevaar brengen

Bij de aanvraag, bedoeld in artikel 13.513.6, worden, voor zover het gaat om het wijzigen van een (voorbeschermd) gemeentelijk monument of het herstellen daarvan waardoor het kan worden ontsierd of in gevaar kan worden gebracht, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: 

  • a.

     de volgende kleurenfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen activiteit: 

    • 1.

      overzichtsfoto’s van de bestaande situatie; en 

    • 2.

      detailfoto’s van de bestaande toestand, die een duidelijke indruk geven van het onderdeel van het monument waar de voorgenomen activiteit zal worden verricht;

  • b.

    de volgende tekeningen: 

    • 1.

      een situatietekening van de bestaande situatie, en als de nieuwe situatie daarvan afwijkt: een situatietekening van de nieuwe situatie; 

    • 2.

      opnametekeningen van de bestaande toestand met voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag: 

      • I.

        plattegronden; 

      • II.

        doorsneden; 

      • III.

        gevelaanzichten; of 

      • IV.

        een dakaanzicht; 

    • 3.

      als er gebreken worden hersteld: gebrekentekeningen; 

    • 4.

      plantekeningen van de nieuwe toestand en van de voorgenomen werkzaamheden, met inbegrip van de te vervangen of te veranderen onderdelen en de te verhelpen gebreken, met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag: 

      • I.

        plattegronden; 

      • II.

        doorsneden; 

      • III.

        gevelaanzichten; of 

      • IV.

        een dakaanzicht; en 

    • 5.

      als sprake is van verwijdering van materiaal: slooptekeningen; en

  • c.

    een omschrijving van de aard en omvang van de activiteit in de vorm van een bestek of werkomschrijving, met: 

    • 1.

      de te gebruiken en de te vervangen materialen, de toe te passen constructies, afwerkingen en kleuren, en de wijze van uitvoering of verwerking; en 

    • 2.

      als sprake is van verwijdering van materiaal: de sloopmethode en de aard van en bestemming voor het vrijkomend materiaal.

  • d.

    Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • 1.

       een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie of tuinhistorie; 

    • 2.

      als sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld; 

    • 3.

      een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft;

    • 4.

      een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische, constructieve, materiaaltechnische of preventieve aspecten;

    • 5.

       aanvullende tekeningen van de bestaande en nieuwe toestand, met inbegrip van detailtekeningen;

    • 6.

      voor zover er algemene kwaliteitsnormen of uitvoeringsrichtlijnen voor de instandhouding van monumenten op de activiteit van toepassing zijn: een opgave of de voorgenomen activiteit hierop is afgestemd; of

    • 7.

      als de activiteit een monument betreft dat een tuinaanleg, parkaanleg of andere groenaanleg is: een beheervisie.

  • e.

    Tekeningen voldoen aan de volgende eisen:

    • 1.

      ze hebben een schaal die niet kleiner is dan: 

      • I.

        1:1000, als het gaat om een situatietekening; 

      • II.

        1:100, als het gaat om een algemene geveltekening; 

      • III.

        1:20 of 1:50, als het gaat om een geveltekening voor een ingrijpende wijziging; 

      • IV.

        1:100, als het gaat om een plattegrondtekening, doorsnedetekening of een tekening van het dakaanzicht; en

      • V.

        1:1, 1:2 of 1:5 als het gaat om een detailtekening en is voorzien van een omschrijving van de materiaaltoepassing en de maatvoering.  

    • 2.

      een situatietekening is voorzien van een noordpijl waaruit de oriëntatie van het monument op het perceel en ten opzichte van omliggende bebouwing en wegen blijkt. 

    • 3.

      een plattegrondtekening en een doorsnedetekening bevatten de volgende historische gegevens: 

      • I.

        balklagen zijn gestippeld aangegeven in plattegronden van ruimten onder de balklagen en getekend aangegeven in doorsneden met aanduiding van de afmetingen; 

      • II.

        geornamenteerde plafonds, gestippeld aangegeven in plattegronden van de ruimten waar deze zich bevinden; 

      • III.

        houtafmeting, balklagen en kapconstructie, aangegeven in doorsneden van de bestaande en van de nieuwe toestand; en 

      • IV.

        bijzondere ruimten of bouwdelen, direct of indirect betrokken bij de activiteit, aangegeven in plattegronden en doorsneden

GGGG

Artikel 13.10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 13.10 13.11 Beoordelingsregels omgevingsvergunning voor het verrichten van activiteiten in, aan of op een (voorbeschermd) gemeentelijk monument of archeologisch monument

  • 1.

    De omgevingsvergunning voor een (voorbeschermd) gemeentelijk monument  of archeologisch monument kan slechts worden verleend als het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet.

  • 2.

    Als de omgevingsvergunning ziet op een kerkelijk monument neemt het bevoegd gezag niet eerder een beslissing dan na overleg met de eigenaar. 

    Voor zover het een beslissing betreft waarbij wezenlijke belangen van het belijden van de godsdienst of levensovertuiging in dat monument in het geding zijn, neemt het bevoegd gezag geen beslissing dan in overeenstemming met de eigenaar.

  • 3.

    Het college kan in het belang van de monumentenzorg nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument. Deze regels kunnen mede inhouden een vrijstelling van het verbod, bedoeld in artikel 13.1113.12.

HHHH

Artikel 13.11 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 13.11 13.12 Omgevingsvergunning voor het activiteiten in, aan of op een (voorbeschermd) gemeentelijk of archeologisch monument

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een (voorbeschermd) gemeentelijk monument  of (voorbeschermd) archeologisch monument anders dan door bouwen of slopen te;

  • a.

    beschadigen;

  • b.

    daaraan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is;

  • c.

    herstellen, gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht;

  • d.

    ontsieren; of

  • e.

    slopen;

    op enige andere wijze te wijzigen waardoor de monumentale waarden worden aangetast

  • f.

    verplaatsen; of

  • g.

    wijzigen

IIII

Het opschrift van artikel 13.12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 13.12 13.13 Voorschriften over archeologische monumentenzorg binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken

JJJJ

Artikel 16.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 16.1 Toepassingsbereik

  • 1.

    Dit hoofdstuk is van toepassing een milieubelastende activiteit als bedoeld in bijlage I bij de Omgevingswet.

  • 2.

    Deze afdeling is van toepassing op de trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat is toegelaten:

    • a.

      op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit;

    • b.

      in het tijdelijk deel omgevingsplan voor een duur van niet meer dan tien jaar; of

    • c.

      in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor 1 januari 2024.

     

  • 3.

    De regels in hoofdstuk 16 zijn niet van toepassing op: 

    • a.

      een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan: 

      • 1.

        een voor 1 januari 2024 onherroepelijke omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit;

      • 2.

        een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die is aangevraagd voor 1 januari 2024 en na de inwerkingtreding van de Omgevingswet onherroepelijk wordt.

    • b.

      trillingen op of in een trillinggevoelig gebouw veroorzaakt door:

      • 1.

        wonen;

      • 2.

        het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein; 

      • 3.

        een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht; 

      • 4.

        doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen; 

      • 5.

        een evenement dat: 

        • I.

          plaatsvindt op een locatie aangewezen in afdeling 14.2 en past binnen de in deze afdeling gestelde regels;

        • II.

          evenementen waarvoor omgevingsvergunning wordt verleend op grond van artikel 4.474.57

        • III.

          festiviteiten die bij of krachtens gemeentelijke verordening zijn aangewezen, in de gebieden in de gemeente waarvoor die verordening geldt; 

        • IV.

          andere festiviteiten die plaatsvinden op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het aantal bij of krachtens die verordening aan te wijzen dagen of dagdelen per gebied of categorie van bedrijfssector kan verschillen en niet meer bedraagt dan twaalf per kalenderjaar of; 

      • 6.

        het verrichten van werkzaamheden met een mobiele installatie op een weiland, akker of bos die geen verplaatsbaar mijnbouwwerk is;

      • 7.

        bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen; 

    • c.

      een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat geheel of gedeeltelijk ligt op een industrieterrein of locatie met een geluidproductieplafond;  of

    • d.

      een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar.

KKKK

Na artikel 17.4 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 17.5 Beperkingengebied - leiding - gas

Er is een beperkingengebied aangewezen leiding - gas.

LLLL

Het opschrift van artikel 17.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 17.5 17.6 Bebouwingscontour jacht

MMMM

Het opschrift van artikel 17.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 17.6 17.7 Buiten bebouwingscontour jacht

NNNN

Artikel 17.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 17.7 17.8 Toepassingsbereik

  • 1.

    Dit hoofdstuk is van toepassing op: 

    • a.

      een milieubelastende activiteit als bedoeld in bijlage I bij de Omgevingswet;

    • b.

      een jachtgeweeractiviteit; of

    • c.

      een bouwactiviteit.

  • 2.

    De regels in hoofdstuk 17 zijn niet van toepassing op: 

    • a.

      een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan: 

      • 1.

        een voor 1 januari 2024 onherroepelijke omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit;

      • 2.

        een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die is aangevraagd voor 1 januari 2024 en na de inwerkingtreding van de Omgevingswet onherroepelijk wordt.

    • b.

      milieubelastende activiteiten genoemd in dit hoofdstuk veroorzaakt bij of door:

      • 1.

        wonen;

      • 2.

        het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein; 

      • 3.

        een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht; 

      • 4.

        doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen; 

      • 5.

        een evenement dat: 

        • I.

          plaatsvindt op een locatie aangewezen in afdeling 14.2 en past binnen de in deze afdeling gestelde regels; 

        • II.

          evenementen waarvoor omgevingsvergunning wordt verleend op grond van artikel 4.474.57

        • III.

          festiviteiten die bij of krachtens gemeentelijke verordening zijn aangewezen, in de gebieden in de gemeente waarvoor die verordening geldt; 

        • IV.

          andere festiviteiten die plaatsvinden op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het aantal bij of krachtens die verordening aan te wijzen dagen of dagdelen per gebied of categorie van bedrijfssector kan verschillen en niet meer bedraagt dan twaalf per kalenderjaar of; 

      • 6.

        het verrichten van werkzaamheden met een mobiele installatie op een weiland, akker of bos die geen verplaatsbaar mijnbouwwerk is;

      • 7.

        bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen; 

OOOO

Het opschrift van artikel 17.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 17.8 17.9 Oogmerken

PPPP

Artikel 17.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 17.9 17.10 Locaties met inperkingen vergunningsvrij bouwen vanwege externe veiligheid

Artikelen 4.114.12 en 4.514.62 zijn niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht:

  • a.

    op een locatie in een in het tijdelijk deel omgevingsplan, opgenomen veiligheidszone, getypeerd als A-zone of B-zone, rondom een munitieopslag of een locatie voor activiteiten met ontplofbare stoffen;

  • b.

    op een locatie waarop de activiteit op grond van het tijdelijk deel omgevingsplan niet is toegestaan vanwege het overschrijden van het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar als gevolg van de aanwezigheid van een locatie voor een vergunningplichtige milieubelastende activiteit, transportroute of buisleiding of vanwege de ligging in een belemmeringenstrook voor het onderhoud van een buisleiding; of

  • c.

    op een locatie binnen een afstand als bedoeld in:

    • 1.

      artikel 4.421, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, van dat artikel van toepassing is;

    • 2.

      artikel 4.472c, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;

    • 3.

      artikel 4.484, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;

    • 4.

      artikel 4.524, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is;

    • 5.

      artikel 4.532, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;

    • 6.

      artikel 4.542, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;

    • 7.

      artikel 4.866, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is;

    • 8.

      artikel 4.899, eerste lid, onder b, of derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;

    • 9.

      artikel 4.905, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is;

    • 10.

      artikel 4.914, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;

    • 11.

      artikel 4.962, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;

    • 12.

      artikel 4.1008, eerste lid, onder b, of tweede lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, het tweede lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is;

    • 13.

      artikel 4.1101, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is; of

    • 14.

      artikel 4.963, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van laatstbedoeld artikel van toepassing is.

QQQQ

Het opschrift van artikel 17.10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 17.10 17.11 Aansluiting op distributienet voor drinkwater

RRRR

Het opschrift van artikel 17.11 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 17.11 17.12 Aansluiting op distributienet voor elektriciteit

SSSS

Het opschrift van artikel 17.12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 17.12 17.13 Aansluiting op distributienet voor gas

TTTT

Het opschrift van artikel 17.13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 17.13 17.14 Aansluiting op distributienet voor warmte

UUUU

Het opschrift van artikel 17.14 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 17.14 17.15 Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater

VVVV

Het opschrift van artikel 17.15 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 17.15 17.16 Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken

WWWW

Het opschrift van artikel 17.16 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 17.16 17.17 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten

XXXX

Het opschrift van artikel 17.17 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 17.17 17.18 Bluswatervoorziening

YYYY

Het opschrift van artikel 17.18 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 17.18 17.19 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerken, open erf of terrein

ZZZZ

Het opschrift van artikel 17.19 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 17.19 17.20 Opstelplaats voor brandweervoertuigen

AAAAA

Het opschrift van artikel 17.20 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 17.20 17.21 Overbewoning woonruimte

BBBBB

Het opschrift van artikel 17.21 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 17.21 17.22 Coffee-, head- en growshops

CCCCC

Het opschrift van artikel 17.22 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 17.22 17.23 Darkstores

DDDDD

Het opschrift van artikel 17.23 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 17.23 17.24 Installatie voor onconventionele winning van gas

EEEEE

Het opschrift van artikel 17.24 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 17.24 17.25 Opslag radioactief afval

FFFFF

Het opschrift van artikel 17.25 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 17.25 17.26 Seksinrichtingen

GGGGG

Artikel 17.26 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 17.26 17.27 Risicobronnen in de vorm van opslagtanks

Het is verboden om nieuwe risicobronnen in de vorm van opslagtanksopslagtank ten behoeve van ruimteverwarming toe te voegen.

HHHHH

Het opschrift van artikel 17.27 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 17.27 17.28 Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk

IIIII

Het opschrift van artikel 17.28 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 17.28 17.29 Specifieke zorgplicht staat en gebruiken open erven en terreinen

JJJJJ

Het opschrift van artikel 17.29 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 17.29 17.30 Verbod jagen binnen bebouwingscontour jacht

KKKKK

Paragraaf 17.4.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 17.4.1 Veiligheid en volksgezondheid

Subparagraaf 17.4.1.1 Toepassingsbereik

Artikel 17.30 17.31 Toepassingsbereik

De regels in paragraaf 17.4.1 zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Subparagraaf 17.4.1.2 Genetisch gemodificeerde organismen

Artikel 17.31 17.32 Gegevens werken voor de omgevingsvergunning genetisch gemodificeerde organismen

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 17.3217.33 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: 

  • a.

     per type werkruimte als bedoeld in bijlage 4 bij het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 het maximale aantal werkruimten: 

    • 1.

      waarop inperkingsniveau I of II van toepassing is; 

    • 2.

      waarop inperkingsniveau III van toepassing is; en

  • b.

    een plattegrond van de locatie waarop het ggo-gebied is aangegeven.

Artikel 17.32 17.33 Omgevingsvergunning genetisch gemodificeerde organismen
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning ingeperkt gebruik als bedoeld in het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 te verrichten.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op: 

    • a.

      ingeperkt gebruik van genetisch gemodificeerde organismen als bedoeld in artikel 2.1 van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013; of

    • b.

      ingeperkt gebruik van genetisch gemodificeerde organismen die door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat op grond van artikel 2.2 of 2.8 van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 zijn ingeschaald in de categorie van fysische inperking S-I.

  • 3.

    Op het verlenen van een omgevingsvergunning zijn de beoordelingsregels, bedoeld in de artikelen 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing.

Subparagraaf 17.4.1.3 Kweken van maden van vliegende insecten

Artikel 17.33 17.34 Toepassingsbereik

Subparagraaf 5.3.6 is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 17.34 17.35 Gegevens voor de omgevingsvergunning kweken maden van vliegende insecten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 17.3517.36 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: 

  • a.

    een aanduiding van het soort maden dat wordt gekweekt;

  • b.

    het aantal maden dat ten hoogste zal worden gehouden;

  • c.

    een beschrijving van de voorziening waarin de maden worden gehouden;

  • d.

    de maatregelen die worden getroffen om hinder voor de omgeving te voorkomen.

Artikel 17.35 17.36 Omgevingsvergunning maden van vliegende insecten te kweken
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning maden van vliegende insecten te kweken.

  • 2.

    Op het verlenen van een omgevingsvergunning zijn de beoordelingsregels, bedoeld in de artikelen 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing.

Subparagraaf 17.4.1.4 Opslaan propaan of propeen

Artikel 17.36 17.37 Gegevens voor de omgevingsvergunning opslaan propaan of propeen

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 17.3717.38 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: 

  • a.

    het aantal opslagtanks, met voor iedere opslagtank: 

    • 1.

      de hoeveelheid die ten hoogste wordt opgeslagen in kubieke meters; 

    • 2.

      de grootte in kubieke meters; en 

    • 3.

      een aanduiding of het gaat om een bovengrondse of ondergrondse opslagtank;

  • b.

    als het gaat om het opslaan van ten hoogste 50 m3 propaan of propeen met een jaarlijkse doorzet van ten hoogste 600 m3 : 

    • 1.

      de jaarlijkse doorzet in kubieke meters; 

    • 2.

      als het gaat om een bovengrondse opslagtank: de coördinaten van het vulpunt en de opslagtank; 

    • 3.

      als het gaat om een ondergrondse opslagtank: de coördinaten van het vulpunt, de bovengrondse vloeistofvoerende leiding en de aansluitpunten van die leiding en pomp; en 

    • 4.

      een beschrijving van de ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet, die zich kunnen voordoen en de passende maatregelen die worden getroffen voor het voorkomen daarvan; en

  • c.

    als het gaat om het opslaan van ten hoogste 50 m3 propaan of propeen met een jaarlijkse doorzet van meer dan 600 m3 of meer dan 50 m3 propaan of propeen: 

    • 1.

      de gegevens en bescheiden, genoemd onder b; 

    • 2.

      de berekende afstand in meters tot waar het plaatsgebonden risico ten hoogste 1 op de 1.000.000, 1 op de 10.000.000 en 1 op de 100.000.000 per jaar is en de aan de berekening ten grondslag liggende rekenbestanden; en 

    • 3.

      de berekende afstand in meters voor de aandachtsgebieden, bedoeld in artikel 5.12 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, en de aan de berekening ten grondslag liggende rekenbestanden.

Artikel 17.37 17.38 Omgevingsvergunning opslaan propaan of propeen
  • 1.

    Het is verboden propaan of propeen op te slaan in twee of meer nieuwe opslagtanks met een inhoud van meer dan 150 liter.

  • 2.

    Op het verlenen van een omgevingsvergunning zijn de beoordelingsregels, bedoeld in de artikelen 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing.

Subparagraaf 17.4.1.5 Tanken met LPG

Artikel 17.38 17.39 Gegevens voor de omgevingsvergunning tanken met LPG

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: 

  • a.

    het aantal opslagtanks dat aanwezig is;

  • b.

    de coördinaten van: 

    • 1.

      het vulpunt; 

    • 2.

      de bovengrondse vloeistofvoerende leiding; 

    • 3.

      de aansluitpunten van die leiding en pomp; 

    • 4.

      de bovengrondse opslagtank; en 

    • 5.

      de tankzuil; 

  • c.

    het brandaandachtsgebied en explosieaandachtsgebied, bedoeld in artikel 5.12 van het Besluit kwaliteit leefomgeving;

  • d.

    de hoeveelheid LPG die ten hoogste wordt opgeslagen; en 

  • e.

    een inschatting van de doorzet van LPG in m3 per jaar.

Artikel 17.39 17.40 Omgevingsvergunning tanken met LPG
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning voertuigen of werktuigen te tanken met LPG.

  • 2.

    Op het verlenen van een omgevingsvergunning zijn de beoordelingsregels, bedoeld in de artikelen 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing.

Subparagraaf 17.4.1.6 Werken met biologisch agens

Artikel 17.40 17.41 Gegevens voor de omgevingsvergunning biologisch agens

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 17.4117.42 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: 

  • a.

    informatie over de groep waarin het biologisch agens is of wordt ingedeeld als gevolg van de indeling in risicogroepen van de richtlijn biologische agentia;

  • b.

    informatie over de op grond van artikel 2.22, tweede lid, van de Wet dieren aangewezen ziekteverwekkers; en 

  • c.

    een aanduiding van de ligging van de ruimten waar gewerkt wordt met het biologisch agens.

Artikel 17.41 17.42 Omgevingsvergunning biologisch agens
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een praktijkruimte of laboratorium in werking te hebben waar gericht wordt gewerkt met biologische agens, met uitzondering van biologische agens die ingedeeld zijn of worden in groep 1 of groep 2 als gevolg van de indeling van risicogroepen van de richtlijn 2000/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 september 2000 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico’s van blootstelling aan biologische agentia op het werk (zevende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 83/391/EEG) (PbEG 2000, L 262).

  • 2.

    Op het verlenen van een omgevingsvergunning zijn de beoordelingsregels, bedoeld in de artikelen 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing.

Subparagraaf 17.4.1.7 Telen van siergewassen, bomen en bloemen(bollen)

Artikel 17.42 17.43 Verbod bedrijfsmatige sierteelt en kwekerijen

Het is verboden gronden, tenzij voorzien van een specifieke functie of aanduiding, te gebruiken voor een bedrijfsmatige kwekerij.

Subparagraaf 17.4.1.8 Verbranden snoeiafval buiten een installatie

[Red: Artikel 19.77 verplaatst van subparagraaf 19.1.14.1 naar subparagraaf 17.4.1.8. ]

Artikel 19.77 17.44 Beoordelingsregels verbranden bedrijfsval buiten een inrichting 
  • 1.

    Een paas- of vreugdevuur is in overeenstemming met het omgevingsplan als:

    • a.

      het paas- of vreugdevuur uit snoeiafval bestaat;

    • b.

      het totaal aantal paasvuren in de gemeente Rijssen-Holten niet meer dan 6 per kalenderjaar bedraagt;

    • c.

      een paas- of vreugdevuur een maximale omvang van 1.000 m3 heeft;

    • d.

      er op de dag van ontbranding geen bijzondere lokale omstandigheden zijn die de bestaande luchtkwaliteit al significant beïnvloeden;

    • e.

      de maximale windkracht bij ontbranding niet meer dan 5 beaufort bedraagt;

    • f.

      het paas- of vreugdevuur bijdraagt aan de cultuurhistorische traditie rondom Pasen of de jaarwisseling; en

    • g.

      de afstand tussen het paas- of vreugdevuur en brandgevoelige objecten niet kleiner is dan de in tabel 5.2.1 weergeven afstand.

  • 2.
    Tabel 5.2.1 afstanden brandgevoelige objecten

    Volume (in m³)

    Type brandgevoelig object  

    Afstand (in m)

    0-1000

    Bouwwerk met pannendak

    6 hoogte paasvuur

    - Bouwwerk met rieten dak

    - Bos

    - Heide

    10 keer hoogte paasvuur

    Feesttent

    10 keer hoogte paasvuur

    Openbare weg

    25

    Autosnelweg (A-weg)

    250

    Bovengrondse hoogspanningskabels

    40

    Ondergrondse buisleiding

    25

    Publiek

    2 keer hoogte paasvuur

    Bron: Werkwijze paas- en andere vreugdevuren Rijssen-Holten 2015

[Red: Artikel 19.78 verplaatst van subparagraaf 19.1.14.1 naar subparagraaf 17.4.1.8. ]

Artikel 19.78 17.45 Voorschriften verbinden aan omgevingsvergunning

Het college kan aan de te verlenen omgevingsvergunning voorschriften verbinden met in acht neming van artikel 19.7717.44.

LLLLL

Het opschrift van artikel 17.43 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 17.43 17.46 Specifieke zorgplicht milieubelastende activiteiten

MMMMM

Artikel 18.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 18.1 Toepassingsbereik

  • 1.

    Dit hoofdstuk is van toepassing een milieubelastende activiteit als bedoeld in bijlage I bij de Omgevingswet.

  • 2.

    De regels in hoofdstuk 18 zijn niet van toepassing op: 

    • a.

      een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan: 

      • 1.

        een voor 1 januari 2024 onherroepelijke omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit;

      • 2.

        een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die is aangevraagd voor 1 januari 2024 en na de inwerkingtreding van de Omgevingswet onherroepelijk wordt.

    • b.

      het lozen van (afval)water bij of door:

      • 1.

        wonen;

      • 2.

        het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein; 

      • 3.

        een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht; 

      • 4.

        doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen; 

      • 5.

        een evenement dat: 

        • I.

          plaatsvindt op een locatie aangewezen in afdeling 14.2 en past binnen de in deze afdeling gestelde regels; 

        • II.

          evenementen waarvoor omgevingsvergunning wordt verleend op grond van artikel 4.474.57

        • III.

          festiviteiten die bij of krachtens gemeentelijke verordening zijn aangewezen, in de gebieden in de gemeente waarvoor die verordening geldt;

        • IV.

          andere festiviteiten die plaatsvinden op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het aantal bij of krachtens die verordening aan te wijzen dagen of dagdelen per gebied of categorie van bedrijfssector kan verschillen en niet meer bedraagt dan twaalf per kalenderjaar of; 

      • 6.

        het verrichten van werkzaamheden met een mobiele installatie op een weiland, akker of bos die geen verplaatsbaar mijnbouwwerk is;

      • 7.

        bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen; 

NNNNN

Artikel 18.79 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 18.79 Waterberging voor hemelwater met hergebruik

  • 1.

    Bij nieuwbouw van een bouwwerk wordt een hemelwaterberging met een minimale statische capaciteit van 50 liter per m2 afvoerend verhard oppervlak aangebracht en in stand gehouden.

  • 2.

    Het opgevangen hemelwater wordt:

    • a.

      zo veel mogelijk vastgehouden en op eigen terrein geïnfiltreerd; of

    • b.

      voor zover infiltratie op eigen terrein niet mogelijk is: vertraagd afgevoerd naar een infiltratievoorziening of het oppervlaktewater; of

    • c.

      voor zover infiltreren in de omgeving niet mogelijk is: op de openbare hemelwaterriolering of het openbaar gebied verwerkt.

    • d.

      het afvoeren van het hemelwater op de openbare (hemelwater)riolering als bedoeld onder lid 2 sub c is in het gebied (link buitengebied) niet toegestaan.

  • 3.

    In afwijking van het tweede onder c is het afvoeren van hemelwater in het buitengebied op de openbare (hemelwater)riolering niet toegestaan.

  • 3 4.

    Het bevoegd gezag kan afwijken van het eerste lid als het realiseren van de bergingscapaciteit redelijkerwijs niet mogelijk is.

  • 4 5.

    Bij het gebruik maken van de bevoegdheid, zoals bedoeld in het tweede lid, verbindt het bevoegd gezag een financiële voorwaarde aan de omgevingsvergunning waarmee de waterberging afgekocht kan wordt en door de gemeente op een andere plek wordt aangelegd (conform Programma Water en Riolering Rijssen-Holten).

OOOOO

Het opschrift van hoofdstuk 19 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 19 X - Tijdelijk regelingendeel omgevingsplan

PPPPP

Paragraaf 19.1.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 19.1.1 Algemeen

Subparagraaf 19.1.1.1 Toepassingsbereik

[Red: Artikel 19.1 ongewijzigd verplaatst van paragraaf 19.1.1 naar subparagraaf 19.1.1.1. ]

Artikel 19.1 Toepassingsbereik

Dit hoofdstuk is gereserveerd voor tijdelijke alternatieve maatregelen - informatiemodel ruimtelijke ordening (hierna: TAM- omgevingsplan(nen)  die nog niet in de standaard voor omgevingsplannen (STOP/TPOD) beschikbaar zijn. Deze plannen maken in juridische zin wel onderdeel uit van het omgevingsplan. Deze plannen hebben een hoofdstuknummer meegekregen (22 gevolgd door een letter). Dat hoofdstuknummer moet door de wijziging van het omgevingsplan vanaf inwerkingtreding gelezen worden als hoofdstuk 19 van dit omgevingsplan. Vanwege de diverse statussen van de plannen zijn niet alle TAM-omgevingsplannen altijd zichtbaar in het DSO. Deze afdeling bevat een weergave van alle ten tijde van het ter inzage leggen van het ontwerp omgevingsplan (eerste wijziging) bestaande TAM-omgevingsplannen. De TAM-omgevingsplannen die ten tijde van vaststelling van het omgevingsplan onherroepelijk zijn, zijn verwerkt in het omgevingsplan (geconsolideerd).

Om te voorkomen dat TAM-plannen die niet onherroepelijk zijn en nog niet verwerkt zijn in het omgevingsplan, overal zichtbaar zijn, zijn deze plannen gekoppeld aan de  Placeholder TAM-IMRO op de locatie van het gemeentehuis in Rijssen. De globale locatie van de ontwikkeling staan in de titel van het artikel.

Artikel 19.2 Verhouding beoordelingsregels en algemene beoordelingsregels bouwactiviteit (omgevingsplan)

De beoordelingsregels voor de bouwactiviteit (omgevingsplan) in afdeling 19.1 gelden in aanvulling op de algemene beoordelingsregels voor bouwactiviteiten van subparagraaf 4.2.3.1.

Subparagraaf 19.1.1.2 Functies

Artikel 19.3 Agrarisch landschap - gemengde functies

Er zijn locaties aangewezen voor agrarisch landschap - gemengde functies.

Artikel 19.4 Bedrijf

Er zijn locaties aangewezen voor bedrijf.

Artikel 19.5 Bedrijventerrein

Er zijn locaties aangewezen voor bedrijventerrein.

Artikel 19.6 Centrum-2

Er zijn locaties aangewezen voor centrum - 2.

Artikel 19.7 Groen

Er zijn locaties aangewezen voor groen.

Artikel 19.8 Natuurlandschap

Er zijn locaties aangewezen voor natuurlandschap.

Artikel 19.9 Sport

Er zijn locaties aangewezen voor sport.

Artikel 19.10 Verblijfsrecreatie

Er zijn locaties aangewezen voor verblijfsrecreatie.

Artikel 19.11 Verkeer- en verblijf

Er zijn locaties aangewezen voor verkeer- verblijf.

QQQQQ

Het opschrift van artikel 19.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.2 19.12 Voormalig hoofdstuk 22a - TAM - omgevingsplan, herontwikkeling Haarstraat 2 (gereserveerd)

RRRRR

Paragraaf 19.1.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 19.1.3 Voormalig hoofdstuk 22b - TAM - omgevingsplan, herontwikkeling Albert Heijn Holten (gereserveerd)

Subparagraaf 19.1.3.1 Functies en gebiedsaanwijzingen

Artikel 19.13 Centrum - 2
  • 1.

    De voor 'centrum - 2' aangewezen gronden mogen worden gebruikt voor:

  • 2.

    Onder strijdig gebruik met de in het eerste lid gegeven functieomschrijving wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de functieomschrijving, waaronder in elk geval wordt begrepen:

    • a.

      het gebruik van de gronden en bouwwerken als horecabedrijven in de vorm van bar-dancings, nachtclubs en discotheken;

    • b.

      het gebruik van de gronden en bouwwerken als horecabedrijven in een hogere categorie of in afwijking van de categorieomschrijving, zoals vermeld in de bij deze regels behorende horeca categorie omgevingsplan gemeente Rijssen - Holten; of

    • c.

      het in stand houden van bouwwerken in afwijking van de beeldkwaliteitseisen, zoals vermeld in het bij deze regels behorende beeldkwaliteitsplan Dorpsstraat 17 in Holten

     

Artikel 19.14 Centrum 2 - Dorpsstraat in Holten

Er is een locatie aangewezen als Centrum - 2 Dorpsstraat in Holten.

Subparagraaf 19.1.3.2 Vergunningplichten

Subsubparagraaf 19.1.3.2.1 Omgevingsvergunning bouwactiviteit (omgevingsplan)
Artikel 19.15 Algemene beoordelingsregels voor gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen ten behoeve van centrum - 2  wordt een omgevingsvergunning verleend als:

  • a.

    het maximum aantal wooneenheden niet wordt overschreden;

  • b.

    minimaal 40% van het maximum aantal wooneenheden zoals bedoelt in sub a dient te voldoen aan de regels uit afdeling 7.1;

  • c.

    een supermarkt zoals bedoelt in artikel 19.13, eerste lid niet groter is dan 2900 m2 bruto vloeroppervlak;

  • d.

    de gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;

  • e.

    de bouwhoogte van gebouwen mag maximaal 11 meter bedragen;

  • f.

    in afwijking van sub e mag de bouwhoogte van hoogteaccenten iet meer bedragen dan de ter plaatse van de aanduiding 'maximale bouwhoogte' aangegeven bouwhoogte; 

  • g.

    de voorgevels van hoofdgebouwen dienen in de bouwgrens aan de wegzijde te worden opgericht;

  • h.

    hoofdgebouwen dienen te worden georiënteerd op en de etalages of hoofdingang te worden gesitueerd ter plaatse van de aanduiding 'gevellijn Dorpsstraat 17 in Holten';

  • i.

    gebouwen ten behoeve van ondergrondse parkeervoorzieningen worden gerealiseerd in ten hoogste 1 bouwlaag en mogen in afwijking van het bepaalde onder b zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gebouwd;

  • j.

    de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag ten hoogste 2 meter bedragen met dien verstande dat de bouwhoogte van bedrijfsinstallaties en lichtmasten maximaal 8 meter mag bedragen; en

  • k.

    hoofdgebouwen voldoen aan de beeldkwaliteitseisen, zoals vermeld in het bij deze regels behorende beeldkwaliteitsplan Dorpsstraat 17 in Holten.

Artikel 19.16 Bodemonderzoek en omgevingsvergunning

Voor het bouwen of gebruiken van gronden, zoals toegestaan op grond van het omgevingsplan, wordt een omgevingsvergunning niet eerder verleend dan:

  • a.

    nadat een verkennend bodemonderzoek heeft plaatsgevonden conform NEN 5725 en, indien noodzakelijk opgevolgd door NEN 5707 en NEN 5740;

  • b.

    de bijbehorende onderzoeksrapportage namens het bevoegd gezag is goedgekeurd door een ter zake deskundige; en

  • c.

    eventuele verplichte vervolgstappen zijn genomen.

Artikel 19.17 Specifieke beoordelingsregel voor etalages en ingangen buiten bouwgrens

In aanvulling op artikel 19.15 lid, onder d, mag een etalage of ingang 0,5 meter over de bouwgrens worden gebouwd mits:

  • a.

    de afwijking noodzakelijk is met het oog op een doelmatige bedrijfsvoering en een efficiënt gebruik van het bouwperceel; en

  • b.

    de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden aangetast.

Artikel 19.18 Specifieke beoordelingsregel voor luifels

In aanvulling op artikel 19.15 mag een luifel aan het hoofdgebouw geplaatst worden onder voorwaarden dat:

  • a.

    de luifel wordt bevestigd aan de voorgevel of de zijgevel van het hoofdgebouw;

  • b.

    de luifel maximaal 1,50 meter uit de gevel van het hoofdgebouw mag steken;

  • c.

    de breedte van de luifel niet meer dan de totale breedte van de gevel waaraan de luifel wordt bevestigd mag bedragen met aan weerszijden een overstek van maximaal 0,75 meter;

  • d.

    de ruimtelijke uitwerking van de afwijking aanvaardbaar is;

  • e.

    de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden aangetast; en

  • f.

    de bevoorrading van de winkel(s) op eigen terrein blijft plaatsvinden.

Artikel 19.19 Specifieke beoordelingsregel voor bouwwerken, geen gebouw zijnde
  • 1.

    Een omgevingsvergunning voor het bouwen van bedrijfsintallaties en lichtmasten wordt verleend als de bouwhoogte maximaal 8 meter is.

  • 2.

    Een omgevingsvergunning voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde wordt verleend als de bouwhoogte maximaal 2 meter is.

Subsubparagraaf 19.1.3.2.2 Omgevingsvergunning gebruiksactiviteiten
Artikel 19.20 Omgevingsvergunning gebruiksactiviteiten

In afwijking van artikel 4.23eerste lid onder a, artikel 4.52 en artikel 19.13eerste lid wordt een omgevingsvergunning voor het bouwen of gebruiken van gronden verleend voor:

  • a.

    vestiging van of het gebruik voor een bedrijf of instelling zoals vermeld in de categorieën 1 en 2 van de staat van bedrijfsactiviteiten;

  • b.

    vestiging van of het gebruik voor een bedrijf of instelling dat niet in de categorieën 1 en 2 van de staat van bedrijfsactiviteiten is vermeld, mits het desbetreffende bedrijf of de instelling wat aard en omvang betreft vergelijkbaar is met de genoemde bedrijven of instellingen in de categorie 1 en het bedrijf of instelling geen blijvende onevenredige afbreuk doet aan het heersende woon- en leefmilieu;

  • c.

    vestiging van dienstverlening en maatschappelijke voorzieningen, mits:

    • 1.

      de vestiging qua omvang past binnen de structuur van de bebouwing;

    • 2.

      het aan detailhandel gerelateerde dienstverlening betreft, waarvoor in ieder geval een baliefunctie wordt vereist;

  • d.

    nieuwe woningen voor zover de woningbouw past in de gemeentelijke woningbouwprogrammering;

  • e.

    gebruik van de gronden en bouwwerken als horecabedrijven, overeenkomstig categorie 2 en 3 zoals vermeld in de bij deze regels behorende horeca categorie omgevingsplan gemeente Rijssen - Holten.

SSSSS

Artikel 19.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.3 Voormalig hoofdstuk 22b - TAM - omgevingsplan, herontwikkeling Albert Heijn Holten (gereserveerd)

[Gereserveerd]

[Vervallen]

TTTTT

Het opschrift van artikel 19.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.4 19.21 Groen

UUUUU

Artikel 19.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.5 19.22 Sport

  • 1.

    De voor sport aangewezen gronden mogen worden gebruikt voor:

    • a.

      sport- en sportvoorzieningen, sportvelden en overige sportterreinen met de daarbij behorende gebouwen als;

      • 1.

        verenigingsgebouwen;

      • 2.

        tribunes;

      • 3.

        trainingsruimten;

      • 4.

        kleedruimten;

    • b.

      maatschappelijke (sport)voorzieningen;

    • c.

      padelbanen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'locatie specifieke vorm van sport - padelbanen tennispark Opbroek';

    • d.

      parkeervoorzieningen en fietsenstallingen;

    • e.

      groenvoorzieningen en water;

    • f.

      wegen, paden en verhardingen;

    • g.

      nutsvoorzieningen;

    • h.

      bouwwerken, geen gebouw zijnde;

    • i.

      voorzieningen ten behoeve van keerwanden zoals grondwallen en schoren; of

    • j.

      ondergeschikte horeca ten dienste van de functie;

  • 2.

    Onder strijdig gebruik met de in het eerste lid gegeven functieomschrijving wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de functieomschrijving, waaronder in elk geval wordt begrepen:

    • a.

      een kampeerterrein of dagrecreatie;

    • b.

      het niet nemen van de in het derde lid omschreven geluidsreducerende maatregelen ten behoeve van padelbanen.

  • 3.

    Indien er padelbanen worden gerealiseerd is het nemen en instandhouden van geluidsreducerende maatregelen verplicht, met dien verstande dat:

    • a.

      padelbanen enkel toegestaan zijn indien de inrichting met bijbehorende geluidsreducerende maatregelen als bedoeld in sublid b wordt gerealiseerd;

    • b.

      bij het realiseren van padelbanen met een inrichting zoals opgenomen in variant 3 zoals opgenomen in Maatregelvarianten tennispark Opbroek, de bijbehorende geluidsreducerende maatregelen behorende tot variant 3 gerealiseerd dienen te worden, bestaande uit een geluidsscherm van 4 meter ter plaatse van de aanduiding 'locatie specifieke vorm van sport - geluidscherm 3 tennispark Opbroek'.

VVVVV

Artikel 19.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.6 19.23 Verkeer - verblijf

  • 1.

    De voor ' verkeer - verblijf tennispark Opbroek aangewezen gronden mogen worden gebruikt voor:

    • a.

      wegen met een functie voor de ontsluiting van aanliggende gronden;

    • b.

      pleinen en parkeerterreinen;

    • b c.

      pleinen en parkeerterreinen;groen- en speelvoorzieningen en water;

    • c d.

      fiets- en voetpaden;

    • d e.

      openbare nutsvoorzieningen; en

    • e f.

      voorzieningen ten behoeve van keerwanden zoals grondwallen en schoren

    • f g.

      met dien verstande dat:

    • g h.

      in de functieomschrijving de bij het wegverkeer gebruikelijke voorzieningen, zoals bermbeplanting, voorzieningen voor voetgangers en fietsers, bushaltes en dergelijke, zijn begrepen;

    • h i.

      de functieomschrijving, afgezien van een plaatselijke verbreding of versmalling of aanleg van verkeers(veiligheids)voorzieningen zoals een rotonde, niet voorziet in een wijziging van het aantal rijbanen;

    • i j.

      onder water de doeleinden voor afvoer, tijdelijke berging en infiltratie van hemelwater worden begrepen.

  • 2.

    In aanvulling op artikel 4.20 gelden voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwen ten behoeve van wegen en openbare nutsvoorzieningen de volgende beoordelingsregels:

    Voor het bouwen van gebouwen ten behoeve van wegen en openbare nutsvoorzieningen wordt een omgevingsvergunning verleend als:

    • a.

      de inhoud per gebouw mag niet meer dan 20 m³ bedragenbedraagt, dan wel de bestaande inhoud, indien deze meer bedraagt;

    • b.

      de bouwhoogte mag niet meer danmaximaal 3 meter bedragenbedraagt.

  • 3.

    In aanvulling op artikel 4.20 gelden voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de volgende regels:

    Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt een omgevingsvergunning verleend als:

    • a.

      de bouwhoogte van de bouwwerken mag niet meer danmaximaal 3 meter bedragenbedraagt;

    • b.

      de bouwhoogte van de lichtmasten mag niet meer danmaximaal 8 meter bedragenbedraagt;

    • c.

      de bouwhoogte van speelvoorzieningen bedraagt ten hoogstemaximaal 4 meter bedraagt.

WWWWW

Het opschrift van artikel 19.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.7 19.24 Waarde - Archeologie middelhoge verwachting

XXXXX

Subsubparagraaf 19.1.4.2.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Subsubparagraaf 19.1.4.2.1 Omgevingsvergunning bouwactiviteit (omgevingsplan)

Artikel 19.8 19.25 Omgevingsvergunning bouwactiviteit (omgevingsplan)

  • 1.

    Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van groen wordt omgevingsvergunning verleend als:

    • a.

      de bouwhoogte van de lichtmasten niet meer dan 8 meter bedraagt; en

    • b.

      de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet zijnde overkappingen en carports niet meer dan 3 meter bedraagt.

  • 2.

    Voor gebouwen ten behoeve van sport wordt omgevingsvergunning verleend als: 

  • 3.

    In aanvulling op artikel 4.20 gelden voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van ondergeschikte sportgebouwen ten behoeve van sport ook de volgende beoordelingsregels;

    • a.

      ondergeschikte sportgebouwen mogen uitsluitend gebouwd worden binnen de functie sport;

    • b.

      de bouwhoogte van ondergeschikte sportgebouwen mag niet meer dan 4 meter bedragen.

  • 4.

    In aanvulling op artikel 4.20 gelden voor het voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten behoeve van sport ook de volgende beoordelingsregels:

    • a.

      voor overkappingen:

      • 1.

         maximaal oppervlakte 10 m2; en

      • 2.

         een maximale bouwwhoogte van 3 meter;

    • b.

      de bouwhoogte van lichtmasten mag niet meer dan 18 meter bedragen;

    • c.

      de bouwhoogte van ballenvangers mag niet meer dan 10 meter bedragen;

    • d.

      de bouwhoogte van reclameborden mag niet meer dan 6 meter bedragen; en

    • e.

      de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouw zijnde mag niet meer dan 4 meter bedragen met dien verstande dat:

      • 1.

        de bouwhoogte van erfafscheidingen mag niet meer dan 2 meter bedragen;

      • 2.

        de bouwhoogte van entreepoorten mag niet meer dan 5 meter bedragen;

Artikel 19.26 Specifieke beoordelingsregels bouwwerken, geen gebouw zijnde - groen

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van groen wordt omgevingsvergunning verleend als:

  • a.

    de bouwhoogte van de lichtmasten niet meer dan 8 meter bedraagt; en

  • b.

    de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet zijnde overkappingen en carports niet meer dan 3 meter bedraagt.

Artikel 19.27 Specifieke beoordelingsregels ondergeschikte bouwwerken - sport

Een omgevingsvergunning voor het bouwen van ondergeschikte sportgebouwen ten behoeve van sport wordt verleend als;

  • a.

    ondergeschikte sportgebouwen mogen uitsluitend gebouwd worden binnen de locatie sport - tennispark Opbroek;

  • b.

    de bouwhoogte van ondergeschikte sportgebouwen mag niet meer dan 4 meter bedragen.

Artikel 19.28 Specifieke beoordelingsregels bouwwerken, geen gebouw zijnde - sport

Een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten behoeve van sport wordt verleend als:

  • a.

    voor overkappingen:

    • 1.

       maximaal oppervlakte 10 m2; en

    • 2.

       een maximale bouwwhoogte van 3 meter;

  • b.

    de bouwhoogte van lichtmasten mag niet meer dan 18 meter bedragen;

  • c.

    de bouwhoogte van ballenvangers mag niet meer dan 10 meter bedragen;

  • d.

    de bouwhoogte van reclameborden mag niet meer dan 6 meter bedragen; en

  • e.

    de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouw zijnde mag niet meer dan 4 meter bedragen met dien verstande dat:

    • 1.

      de bouwhoogte van erfafscheidingen mag niet meer dan 2 meter bedragen;

    • 2.

      de bouwhoogte van entreepoorten mag niet meer dan 5 meter bedragen;

YYYYY

Artikel 19.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.9 19.29 Omgevingsvergunning werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheden in verband met archeologische waarden

  • 1.

    In het belang van de archeologische monumentenzorg en ter voorkoming van onevenredige aantasting van aanwezige dan wel naar verwachting aanwezige archeologische waarden, is het verboden, behoudens het bepaalde in artikel 19.719.24 zonder een omgevingsvergunning van het college de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, over een oppervlakte van 5.000 m² of meer:

    • a.

      het uitvoeren van graafwerkzaamheden, het roeren en omwoelen van gronden, dieper dan 0,5 m onder peil;

    • b.

      het verlagen van de bodem en afgraven van gronden, dieper dan 0,5 m onder peil;

    • c.

      het graven of anderszins aanbrengen van watergangen en waterpartijen, dieper dan 0,5 m onder peil;

    • d.

      het aanbrengen van diepwortelende beplantingen;

    • e.

      het ophogen en egaliseren van gronden.

  • 2.

    Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden:

    • a.

      in het kader van het normale beheer en onderhoud;

    • b.

      in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een ter zake deskundige;

    • c.

      waarmee op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan:

      • 1.

        is begonnen, voor zover daarvoor tot dat tijdstip geen omgevingsvergunning was vereist;

      • 2.

        is of mag worden begonnen krachtens een verleende omgevingsvergunning.

  • 3.

    De werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden als bedoeld in eerste lid, zijn slechts toelaatbaar, indien:

    • a.

      door die werken of werkzaamheden, danwel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, één of meer archeologische waarden van de betreffende gronden, niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, danwel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind, en

    • b.

      door aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport is overgelegd waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld.

ZZZZZ

Het opschrift van artikel 19.10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.10 19.30 Voormalig hoofdstuk 22d - TAM - omgevingsplan, Buitengebied Rijssen, mobiliteitshostel Morsweg (gereserveerd)

AAAAAA

Het opschrift van artikel 19.11 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.11 19.31 Voormalig hoofdstuk 22e - TAM - omgevingsplan, Wonen Holten - starterswoningen Hakkertsweg (gereserveerd)

BBBBBB

Het opschrift van artikel 19.12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.12 19.32 Voormalig hoofdstuk 22f - TAM - omgevingsplan, Bedrijventerrein Rijssen, ontwikkeling Morsstate (gereserveerd)

CCCCCC

Paragraaf 19.1.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 19.1.8 Voormalig hoofdstuk 22g - TAM - omgevingsplan, Buitengebied Holten, functiewijziging Schuppertsweg 2-4 (gereserveerd)

Subparagraaf 19.1.8.1 Functies en gebiedsaanwijzingen

Artikel 19.33 Agrarisch landschap - gemengde functies
  • 1.

    Binnen de basisfunctie agrarisch landschap - gemengde functies is het volgende gebruik van de gronden toegestaan:

    • a.

      bestaande agrarische bedrijven en de uitoefening van het agrarische bedrijf;

    • b.

      bestaande niet-agrarische bedrijven;

    • c.

      bestaande woningen;

    • d.

      een bestaand bedrijfswoning;

    • e.

      bestaande tuin, erf, erfontsluiting en parkeervoorzieningen;

    • f.

      bestaande groenstructuren;

    • g.

      het aanleggen van kabels en leidingen ten behoeve van nutsvoorzieningen, met uitzondering van:

      • 1.

        aardgastransportleidingen met een diameter van meer dan 4" of een druk van meer dan 40 bar;

      • 2.

        transportleidingen voor brandbare vloeistoffen van de K1-, K2-, en K3-categorie met een diameter van meer dan 4";

      • 3.

        hoogspanningsleidingen;

      • 4.

        buisleidingen voor het transport van water, afvalwater of stoom met een doorsnede van 1 meter of meer en een lengte van 10 km of meer;

    • h.

      transformatorstations ten dienste van nutsvoorzieningen;

    • i.

      een bestaande veldschuur;

    • j.

      een bestaand recreatief nachtverblijf;

    • k.

      bestaande sportactiviteiten;

    • l.

      hobbymatig agrarisch grondgebruik, waaronder mede begrepen het hobbymatig houden van dieren, anders dan ten behoeve van een agrarisch bedrijf;

    • m.

      bestaande dagrecreatie;

    • n.

      bestaande druiventeelt of;

    • o.

      het weiden van vee.

  • 2.

    Onder gebruik in strijd met deze functie wordt in ieder geval begrepen het gebruik van gronden voor gronden en gebouwen voor:

    • a.

      het nieuwvestigen van een (intensief) agrarisch bedrijf;

    • b.

      het omschakelen naar, uitbreiden met of toevoegen van geiten aan een bestaand (intensief) agrarisch bedrijf;

    • c.

      huisvesten van landbouwhuisdieren op een verdieping;

    • d.

      een kwekerij, tenzij dit gebruik expliciet is toegelaten in het locatiespecifieke artikel;

    • e.

      het vergisten van mest en het verhandelen van de daarbij vrijkomende energie, tenzij vergund met een omgevingsvergunning;

    • f.

      opslag van:

      • 1.

        afval anders dan ten gevolge van de toegelaten bedrijfsvoering;

      • 2.

        materialen of goederen in de openlucht anders dan ten behoeve van de toegelaten bedrijfsvoering;

      • 3.

        gevaarlijke stoffen anders dan ten behoeve van de toegelaten bedrijfsvoering;

      • 4.

        aan het gebruik onttrokken materialen en goederen, of;

      • 5.

        aan het gebruik onttrokken voer- en vaartuigen;

    • g.

      dagrecreatie of het plaatsen van kampeermiddelen, tenzij dit expliciet is toegelaten in het locatiespecifieke artikel of plaatsvindt op de daarvoor bewegwijzerde routes of aangewezen locaties;

    • h.

      detailhandel, tenzij dit gebruik expliciet is toegelaten in een locatiespecifiek artikel;

    • i.

      bewoning van vrijstaande bijbehorende bouwwerken als zelfstandige woning, tenzij dit gebruik expliciet is toegelaten in het locatiespecifieke artikel;

    • j.

      het splitsen van woningen, het toevoegen van woningen of het samenvoegen van woningen, tenzij dit gebruik expliciet is toegelaten in het locatiespecifieke artikel of vergund met een omgevingsvergunning;

    • k.

      recreatief verblijf in vrijstaande bijbehorende bouwwerken, tenzij vergund met een omgevingsvergunning;

    • l.

      bewoning van een (agrarische) bedrijfswoning anders dan ten dienste van de bedrijfsvoering, tenzij deze bewoning is aangevangen voor 1 november 2012;

    • m.

      bewoning van een woning door meer dan één huishouden, tenzij dit op basis van een melding of omgevingsvergunning is toegestaan

    • n.

      het uitbreiden van de verblijfsrecreatieve functie;

    • o.

      het uitbreiden van de horecabedrijf; of

    • p.

      een paardrijbak tenzij vergund met een omgevingsvergunning of op 1 januari 2024 legaal aanwezig was.

Artikel 19.34 Archeologische verwachtingswaarde Schuppertsweg 2-4 in Holten

Ter plaatse van de zonering archeologische verwachtingswaarde zijn de gronden behalve voor de daar al toegelaten functies, mede aangewezen voor het behoud, de bescherming of het herstel van de archeologische waarden.

Artikel 19.35 Bedrijf - Schuppertsweg 2-4 Holten
  • 1.

    Op de locatie bedrijf - Schuppertsweg 2-4 Holten is voor het bedrijf het volgende gebruik of zijn de volgende functies toegestaan:

    • a.

      één bedrijf tot en met milieucategorie 2,  met dien verstande dat de bedrijfsactiviteiten enkel zijn toegestaan ter plaatse van  ‘bedrijf tot en met categorie 2’, met daarbij behorende:

      • 1.

        bedrijfsgebouwen;

      • 2.

        bouwwerken, geen gebouw zijnde; 

    • b.

      voorzieningen zoals:

      • 1.

        in- en uitritten, parkeerplaatsen, paden en wegen;

      • 2.

        groen, landschappelijke inpassing zoals tuinen of erfbeplanting;

      • 3.

        speelvoorzieningen;

      • 4.

        water;

    • c.

      akkerbouw en opslag bestaande uit caravans/campers en opslagplaatsen voor (zee)containers (zonder aanwezigheid van gevaarlijke stoffen) ter plaatse van 'bedrijf tot en met categorie 2';

    • d.

      bestaande compostering met milieucategorie 4.2 ter plaatse van 'specifieke vorm van bedrijf - compostering tot en met milieucategorie 4.2’;

    • e.

      ondergeschikte detailhandel ten behoeve van de eigen bedrijfsvoering of de handel in streekeigen producten;

    • f.

      de mogelijkheid tot het opwekken van duurzame energie:

      • 1.

        met gebruik van een zelfstandige opstelling van zonnepanelen met de daarbij behorende voorzieningen of;

      • 2.

        het omzetten van wind in elektriciteit op het dak van de bedrijfsbebouwing voor eigen gebruik met de daarbij behorende voorzieningen;

    • g.

      buitenopslag ten dienste van de bedrijfsvoering op onbebouwde grond na omgevingsvergunning niet zijnde caravans, containers (zonder de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen) of daarmee gelijk te stellen opslag, zoals opgenomen in Binnenplanse omgevingsplanactiviteit voor buitenopslag bij niet-agrarische bedrijven in artikel 19.49;

    • h.

      met dien verstande dat de gronden niet mogen worden beschouwd als erf.

     

  • 2.

    Op de locatie bedrijf - Schuppertsweg 2-4 Holten zijn voor de bedrijfswoningen het volgende gebruik of zijn de volgende functies toegestaan:

    • a.

      het wonen in de twee bestaande bedrijfswoningen, met daarbij behorende:

      • 1.

        gebouwen;

      • 2.

        bouwwerken, geen gebouw zijnde;

      • 3.

        werken, geen gebouw zijnde;

    • b.

      voorzieningen zoals:

      • 1.

        in- en uitritten, parkeerplaatsen, paden en wegen;

      • 2.

        groen, landschappelijke inpassing zoals tuinen of erfbeplanting;

      • 3.

        speelvoorzieningen;

      • 4.

        water;

    • c.

      bed and breakfast in de bedrijfswoning, mits:

      • 1.

        niet meer dan drie kamers worden verhuurd;

      • 2.

        de bed & breakfast ondergeschikt is aan de woonfunctie;

    • d.

      de mogelijkheid tot het opwekken van duurzame energie:

      • 1.

        met gebruik van een zelfstandige opstelling van zonnepanelen met de daarbij behorende voorzieningen of;

      • 2.

        het omzetten van wind in elektriciteit op het dak van de woning met de daarbij behorende voorzieningen;

    • e.

      een paardrijbak na omgevingsvergunning, zoals opgenomen in artikel 19.51;

    • f.

      een aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit na een melding, zoals opgenomen in artikel 19.39;

    • g.

      inwoning na melding, zoals opgenomen in artikel 19.40;

    • h.

      mantelzorg na omgevingsvergunning, zoals opgenomen in artikel 4.33;

    • i.

      met dien verstande dat de gronden niet mogen worden beschouwd als erf.

     

  • 3.

    Onder strijdig gebruik met deze functie wordt voor het bedrijf in ieder geval begrepen het gebruik dat afwijkt van de functieomschrijving, waaronder in elk geval begrepen:

    • a.

      een kwekerij, tenzij expliciet toegelaten in het plan;

    • b.

      opslag van:

      • 1.

        afval anders dan ten gevolge van de toegelaten bedrijfsvoering;

      • 2.

        materialen of goederen in de openlucht anders dan ten behoeve van de toegelaten bedrijfsvoering;

      • 3.

        gevaarlijke stoffen anders dan ten behoeve van de toegelaten bedrijfsvoering;

      • 4.

        aan het gebruik onttrokken materialen en goederen, of;

      • 5.

        aan het gebruik onttrokken voer- en vaartuigen;

    • c.

      dagrecreatie of het plaatsen van kampeermiddelen, tenzij dit expliciet is toegelaten in het locatiespecifieke artikel of plaatsvindt op de daarvoor bewegwijzerde routes of aangewezen locaties;

    • d.

      detailhandel, tenzij dit gebruik expliciet is toegelaten in het locatiespecifieke artikel, met dien verstande dat supermarkten in het gehele plangebied niet zijn toegelaten;

    • e.

      bewoning van vrijstaande bijbehorende bouwwerken als zelfstandige woning tenzij dit gebruik expliciet is toegelaten in het locatiespecifieke artikel;

    • f.

      het splitsen van woningen of het samenvoegen van woningen, tenzij dit gebruik expliciet is toegelaten in het locatiespecifieke artikel;

    • g.

      recreatief verblijf in vrijstaande bijbehorende bouwwerken, tenzij vergund met een omgevingsvergunning;

    • h.

      bewoning van bedrijfswoningen anders dan ten dienste van de bedrijfsvoering, tenzij deze bewoning is aangevangen voor 1 november 2012;

    • i.

      bewoning van een woning door meer dan één huishouden, tenzij dit op basis van een melding of omgevingsvergunning is toegestaan;

    • j.

      een paardrijbak, tenzij vergund met een omgevingsvergunning of op 1 januari 2024 legaal aanwezig was;

    • k.

      vrijstaande lichtmasten, tenzij deze op 1 januari 2024 reeds legaal aanwezig waren of gebouwd konden worden met een vergunning; of

    • l.

      vrijstaande overkappingen, tenzij deze op 1 januari 2024 reeds legaal aanwezig waren of gebouwd konden worden met een vergunning.

     

     

  • 4.

    Onder strijdig gebruik met deze functie wordt voor de bedrijfswoningen in ieder geval begrepen het gebruik dat afwijkt van de functieomschrijving, waaronder in elk geval begrepen:

    • a.

      het gebruik van gronden of bouwwerken ten behoeve van detailhandel, tenzij dit gebruik expliciet is toegelaten in het locatiespecifieke artikel;

    • b.

      opslag van:

      • 1.

        afval anders dan ten gevolge van de toegelaten bedrijfsvoering;

      • 2.

        materialen of goederen in de openlucht anders dan ten behoeve van de toegelaten bedrijfsvoering;

      • 3.

        gevaarlijke stoffen anders dan ten behoeve van de toegelaten bedrijfsvoering;

      • 4.

        aan het gebruik onttrokken materialen en goederen, of;

      • 5.

        aan het gebruik onttrokken voer- en vaartuigen;

    • c.

      bewoning van vrijstaande bijbehorende bouwwerken als zelfstandige woning tenzij dit gebruik expliciet is toegelaten in het locatiespecifieke artikel;

    • d.

      het splitsen van woningen of het samenvoegen van woningen, tenzij dit gebruik expliciet is toegelaten in het locatiespecifieke artikel;

    • e.

      recreatief verblijf in vrijstaande bijbehorende bouwwerken, tenzij vergund met een omgevingsvergunning;

    • f.

      bewoning van bedrijfswoningen anders dan ten dienste van de bedrijfsvoering, tenzij deze bewoning is aangevangen voor 1 november 2012;

    • g.

      ewoning van een woning door meer dan één huishouden, tenzij dit op basis van een melding of omgevingsvergunning is toegestaan;

    • h.

      een paardrijbak, tenzij vergund met een omgevingsvergunning of op 1 januari 2024 legaal aanwezig was; of

    • i.

      vrijstaande lichtmasten, tenzij deze op 1 januari 2024 reeds legaal aanwezig waren of gebouwd konden worden met een vergunning.

Artikel 19.36 Landschap Beuseberg, Zuurberg en Borkeld

Het landschap Beuseberg, Zuurberg en Borkeld is gevormd door het reliëf van de Sallandse heuvelrug. Het landschap kenmerkt zich door afwisseling van bos, heideresten en behoort tot het stuwwallandschap. Dit glooiende gebied ligt op de flanken van de stuwwal. Opvallend in de omgeving zijn de vele cultuurhistorische hoger gelegen oude bouwlanden of enken. Kenmerkend zijn de (naald-)bossen en de kleinschalige graslanden met historische boerderijen en erven. In dit gebied komen ook holle wegen voor. Opgaven voor het landschap:

  • a.

    vergroten contrast openheid en beslotenheid op de overgang tussen de gebieden Beuseberg en Fliermaten;

  • b.

    behoud en beleefbaar maken van stijlranden door de hoge kanten te beplanten en de lage vrij te houden;

  • c.

    behoud van onverharde- en holle wegen, historische boerderijen en erven;

  • d.

    aandacht voor landschappelijke inpassing recreatieterreinen.

Artikel 19.37 Reliëf
  • 1.

    De met reliëf aangeduide gebieden zijn van groot cultuurhistorisch belang. Deze gebieden zijn van zeer beeldbepalend belang voor het landschap. Daarom is het van belang dat deze gebieden open blijven, waardoor het reliëf goed zichtbaar blijft.

  • 2.

    Ter plaatse van de zonering reliëf zijn de gronden behalve voor de daar al toegelaten functies, mede aangewezen voor:

    • a.

      het behoud, bescherming of herstel van de cultuurhistorische waarden, zoals deze tot uitdrukking komen in het grootschalig reliëf en het begroeiingspatroon.

  • 3.

    In de met reliëf aangeduide gebieden mogen uitsluitend, in afwijking van hetgeen in overige regels is bepaald, bouwwerken worden opgericht indien de cultuurhistorische belangen niet geschaad worden.

Artikel 19.38 Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing

In aanvulling op het algemeen strijdig gebruik van artikel 19.35 geldt, dat tot een gebruik in strijd met het omgevingsplan in ieder geval gerekend wordt het gebruik van en het in gebruik laten nemen van gronden en bouwwerken zonder de uitvoering en instandhouding van de landschapsmaatregelen conform het in Bijlage III opgenomen erfinrichtingsplan Schuppertsweg 2-4 in Holten.

Subparagraaf 19.1.8.2 Meldings- en vergunningplichten

Subsubparagraaf 19.1.8.2.1 Meldingen (omgevingsplanactiviteit)
Artikel 19.39 Melding beroep of bedrijf aan huis

Het is toegestaan een beroep of bedrijf aan huis te realiseren als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a.

    een melding op grond van artikel 8.12 is gedaan;

  • b.

    de beroeps- of bedrijfsfunctie niet ondergeschikt is aan de woonfunctie;

  • c.

    minder dan 35% van het vloeroppervlak van de woning en de bijbehorende bouwwerken wordt gebruikt voor een aan huis gebonden beroeps- of bedrijfsactiviteit tot een maximale oppervlakte van:

    • 1.

      75 m², dan wel;

    • 2.

      indien de bestaande oppervlakte groter is, de oppervlakte zoals die bestond op 1 januari 2024;

  • d.

    degene die de beroeps- of bedrijfsactiviteiten uitvoert, de bewoner van de woning is;

  • e.

    de ruimtelijke uitstraling in overeenstemming is met de woonfunctie en woonomgeving;

  • f.

    er geen detailhandel en horeca-gerelateerde activiteiten plaatsvinden; en

  • g.

    de uitoefening van een aan huis gebonden beroeps- of bedrijfsactiviteit niet uitsluitend plaatsvindt in een bijbehorend bouwwerk.

Artikel 19.40 Melding inwoonsituatie

Het is toegestaan een inwoonsituatie te realiseren als wordt voldaan de volgende voorwaarden:

  • a.

    een melding op grond van artikel 8.12 is gedaan;

  • b.

    er twee huishoudens onder één dak worden gehuisvest;

  • c.

    het uiterlijk van de woning  één woning en één bouwmassa blijft;

  • d.

    er sprake is van één centrale toegang tot de woning, van waaruit beide woonvertrekken direct toegankelijk/bereikbaar zijn;

  • e.

    er geen sprake is van een woningscheidende wand; en

  • f.

    er geen vergunningplichtige, bouwkundige aanpassingen in- dan wel uitpandig aan het gebouw plaatsvinden.

Subsubparagraaf 19.1.8.2.2 Omgevingsvergunning bouwactiviteit (omgevingsplan)
Artikel 19.41 Algemene beoordelingsregels voor bedrijfsgebouwen

Voor het bouwen van gebouwen voor het bedrijf - Schuppertsweg 2-4 Holten wordt omgevingsvergunning verleend als:

  • a.

    Situering en inpassing van bouwwerken op het (bestaande) erf vindt plaats aan de hand van de kenmerken en uitgangspunten van het bestaande erftype uit de bijlage Erven buitengebied Rijssen-Holten.

  • b.

    Van subparagraaf 4.2.2 is alleen artikel 4.15eerste lid en artikel 4.19 van toepassing;

  • c.

    Nieuwe of te verbouwen bouwwerken worden op voldoende afstand van de weg opgericht vanwege het wegbeheer en de verkeersveiligheid. Voldoende afstand ten opzichte van de as van de weg is in ieder geval:

  • d.

    Een kortere afstand kan alleen wanneer dit vanuit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar is en de wegbeheerder vanuit wegbeheer en verkeersveiligheid geen bezwaar heeft;

  • e.

    Nieuwe vrijstaande bouwwerken worden in ieder geval 5 meter van andere bouwwerken opgericht, maar nooit verder dan 25 meter tenzij aan(een)gebouwde bouwwerken specifiek zijn toegelaten;

  • f.

    Nieuwe bouwwerken of te verbouwen bouwwerken voldoen aan redelijke eisen van beeld- en erfkwaliteit, zoals opgenomen in de welstandsnota;

  • g.

    Nieuwe bouwwerken op een onbebouwde of volledig gesaneerde locatie worden binnen een logische structuur ten opzichte van elkaar gesitueerd. De structuur wordt afgestemd met de opzet binnen het geldende landschapstype en de redelijke eisen van beeld- en erfkwaliteit zoals opgenomen in de welstandsnota.

  • h.

    Reclame-uitingen, als er sprake is van een rechtstreeks en functioneel verband met het pand waar de reclame op, aan of bij geplaatst is, zoals opgenomen in de reclamenota.

Artikel 19.42 Algemene beoordelingsregels voor bedrijfswoningen

Voor het bouwen van gebouwen voor het bedrijf - Schuppertsweg 2-4 Holten wordt omgevingsvergunning verleend als:

  • a.

    Situering en inpassing van bouwwerken op het (bestaande) erf vindt plaats aan de hand van de kenmerken en uitgangspunten van het bestaande erftype uit de bijlage Erven buitengebied Rijssen-Holten.

  • b.

    Van subparagraaf 4.2.2 is alleen artikel 4.15eerste lid en artikel 4.19  van toepassing;

  • c.

    Nieuwe of te verbouwen bouwwerken worden op voldoende afstand van de weg opgericht vanwege het wegbeheer en de verkeersveiligheid. Voldoende afstand ten opzichte van de as van de weg is in ieder geval:

  • d.

    Een kortere afstand kan alleen wanneer dit vanuit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar is en de wegbeheerder vanuit wegbeheer en verkeersveiligheid geen bezwaar heeft;

  • e.

    Nieuwe vrijstaande bouwwerken worden in ieder geval 5 meter van andere bouwwerken opgericht, maar nooit verder dan 25 meter tenzij aan(een)gebouwde bouwwerken specifiek zijn toegelaten;

  • f.

    Nieuwe bouwwerken of te verbouwen bouwwerken voldoen aan redelijke eisen van beeld- en erfkwaliteit, zoals opgenomen in de welstandsnota;

  • g.

    Nieuwe bouwwerken op een onbebouwde of volledig gesaneerde locatie worden binnen een logische structuur ten opzichte van elkaar gesitueerd. De structuur wordt afgestemd met de opzet binnen het geldende landschapstype en de redelijke eisen van beeld- en erfkwaliteit zoals opgenomen in de welstandsnota.

Artikel 19.43 Algemene beoordelingsregels voor milieuaspecten voor alle bouwwerken

Een omgevingsvergunning voor een bouwwerk op grond van subsubparagraaf 19.1.8.2.2 wordt verleend als wordt voldaan aan de volgende normen:

  • a.

    donkerte: Er geen sprake is van onevenredige aantasting van de aanwezige donkerte conform de ambitie op basis van het gemeentelijke lichtdonkerbeleid .

  • b.

    geur: Indien bij een activiteit emissie naar de lucht plaatsvinden, wordt daarbij geurhinder bij geurgevoelige objecten voorkomen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is, wordt de geurhinder tot een aanvaardbaar niveau beperkt. 

Artikel 19.44 Specifieke beoordelingsregels voor bedrijfsgebouwen

Een omgevingsvergunning voor het bouwen van bedrijfsgebouwen wordt verleend als:

  • a.

    de totale oppervlakte aan bedrijfsbebouwing mag niet meer bedraagt dan 3.027 m2;

  • b.

    de bouwhoogte maximaal 14 meter is;

  • c.

    de goothoogte maximaal 6 meter is; en

  • d.

    de minimale dakhelling 15° is.

Artikel 19.45 Specifieke beoordelingsregels voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde bij de bedrijfsgebouwen

Een omgevingsvergunning voor het bouwen van het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt verleend als:

  • a.

    zelfstandige opstelling van zonnepanelen voldoen aan de volgende voorwaarden:

    • 1.

      zelfstandige opstelling van zonnepanelen aansluitend aan de bestaande bebouwing zijn alleen toegelaten als zonnepanelen op bebouwing of binnen open ruimten tussen de bestaande bebouwing niet mogelijk zijn, omdat de opbrengst van de panelen op die plekken beperkt is;

    • 2.

      de maximale bouwhoogte van de opstelling is 2,5 meter;

    • 3.

      het maximale oppervlak aan zonnepanelen is 100 m2, en;

    • 4.

      zonnepanelen in veldopstelling worden landschappelijk ingepast aan de hand van de kenmerken van het deelgebied op basis van het landschapsontwikkelingsplan en de welstandsnota;

    • 5.

      als de opstelling binnen 200 meter is gelegen van de hartlijn van een leiding - gas wordt advies aan de leidingbeheerder gevraagd voordat de omgevingsvergunning verleend kan worden;

  • b.

    De maximale bouwhoogte van windturbines die op het dak geplaatst worden, is 2 meter boven de nok van het dak;

  • c.

    De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde anders dan genoemd onder a, c en d is maximaal 3 meter waarbij vrijstaande lichtmasten niet zijn toegestaan.

Artikel 19.46 Specifieke beoordelingsregels voor bedrijfswoningen
  • 1.

    Een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bedrijfswoning wordt verleend als:

    • a.

      het maximum oppervlak per bedrijfswoning 150 m2 is;

    • b.

      de bouwhoogte maximaal 10 meter is;

    • c.

      de goothoogte maximaal 3,5 meter is;

    • d.

      de dakhelling minimaal 30° is;

    • e.

      in afwijking van a tot en met d geldt dat afwijkingen in maten en afmetingen, zoals die bestaan op 1 januari 2024 gehandhaafd mogen worden.

  • 2.

    in afwijking van het genoemde onder eerste lid kan ondergeschikt afgeweken worden van de maatvoering ten behoeve van het wijzigen van de gevel(s) en daken voor duurzaamheidsdoeleinden. 

Artikel 19.47 Specifieke beoordelingsregels voor bijbehorende bouwwerken bij de bedrijfswoning

Een omgevingsvergunning voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken wordt verleend als:

  • a.

    het maximale oppervlak is 150 m2, waarvan maximaal 30 m2 aangebouwd;

  • b.

    per perceel mogen maximaal 2 vrijstaande bijbehorende bouwwerken worden gebouwd;

  • c.

    de maximale bouwhoogte van een vrijstaand bijbehorend bouwwerk is 6 meter;

  • d.

    de bouwhoogte van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk is tenminste 1 meter lager dan de vergunde bouwhoogte van het hoofdgebouw;

  • e.

    de maximale goothoogte is 3,5 meter;

  • f.

    de minimale dakhelling is 30°, 

  • g.

    in afwijking onder f is bij een bijbehorend bouwwerk ook een andere dakhelling mogelijk;

  • h.

    in afwijking van het bepaalde onder c tot en met f kan voor ondergeschikte aangebouwde bouwdelen worden afgeweken van de goot- en bouwhoogte of dakhelling, 

    • 1.

      het maximale oppervlak van het platte dak bedraagt 20 m2;

  • i.

    in afwijking van het bepaalde onder a tot en met f geldt dat afwijkingen in aantallen, maten en afmetingen, zoals deze bestonden op 1 januari 2024 gehandhaafd mogen worden. Voor het oppervlak van bijbehorende bouwwerken geldt als de legaal aanwezige m2 meer bedragen dan 150 m2, vervangende nieuwbouw is toegestaan tot deze bestaande oppervlakte met een maximum van 300 m2, onder voorwaarde van landschappelijke inpassing.

Artikel 19.48 Specifieke beoordelingsregels voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde bij de bedrijfswoning

Een omgevingsvergunning voor het bouwen van het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, verleend als:

  • a.

    zelfstandige opstelling van zonnepanelen voldoen aan de volgende voorwaarden:

    • 1.

      zelfstandige opstelling van zonnepanelen aansluitend aan de bestaande bebouwing zijn alleen toegelaten als zonnepanelen op bebouwing of binnen open ruimten tussen de bestaande bebouwing niet mogelijk zijn, omdat de opbrengst van de panelen op die plekken beperkt is;

    • 2.

      de maximale bouwhoogte van de opstelling is 2,5 meter;

    • 3.

      het maximale oppervlak aan zonnepanelen is 50 m2, en;

    • 4.

      zonnepanelen in veldopstelling worden landschappelijk ingepast aan de hand van de kenmerken van het deelgebied op basis van het landschapsontwikkelingsplan en de welstandsnota;

    • 5.

      als de opstelling binnen 200 meter is gelegen van de hartlijn van een leiding - gas wordt advies aan de leidingbeheerder gevraagd voordat de omgevingsvergunning verleend kan worden;

  • b.

    De maximale bouwhoogte van windturbines die op het dak geplaatst worden, is 2 meter boven de nok van het dak;

  • c.

    De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde anders dan genoemd onder a, c en d is maximaal 3 meter waarbij vrijstaande lichtmasten niet zijn toegestaan.

Artikel 19.49 Specifieke beoordelingsregels voor een buitenopslag

 

Een omgevingsvergunning voor het realiseren van een buitenopslag wordt in afwijking van het algemeen strijdig gebruik in artikel 19.35 verleend als:

  • a.

    de buitenopslag is aantoonbaar noodzakelijk voor de bedrijfsvoering;

  • b.

    er wordt voldaan aan de geldende geluidsnormen, zoals opgenomen in hoofdstuk 6;

  • c.

    er is sprake van een zorgvuldige landschappelijke inpassing wat blijkt uit een meegeleverd landschapsplan;

  • d.

    er bij buitenopslag geen verlichting wordt gebruikt die leidt tot een aantasting van het geldende gemeentelijke lichtdonkerbeleid;

  • e.

    buitenopslag leidt niet tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van de naastgelegen percelen;

  • f.

    er mogen alleen bouwwerken, geen gebouw zijnde worden gebouwd als wordt voldaan aan de volgende bouwregels:

    • 1.

      de maximale bouwhoogte van keerwanden is 3 meter.

Artikel 19.50 Specifieke beoordelingsregels voor het inpandig vergroten voormalige boerderij

In afwijking van artikel 4.23,  eerste lid onder a, artikel 4.52 en in afwijking van artikel 19.46eerste lid onder a gelden voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het inpandig vergroten van een voormalige boerderij onderstaande bouwregels

  • a.

    de uitwendige hoofdvorm van de woning gehandhaafd blijft;

  • b.

    de totale inhoud ervan niet wordt vergroot, dan wel met niet meer dan 10% van de inhoud wordt vergoot of verkleind;

  • c.

    geen andere afwijkingen van het omgevingsplan ontstaan;

  • d.

    bij vergroting, het bouwwerk niet hoger wordt dan de hoogte op 1 januari 2024;

  • e.

    de woning niet zodanig van karakter verandert, dat het niet of minder in de omgeving past; en

  • f.

    vooraf vaststaat dat daardoor het aantal woningen niet toeneemt.

Artikel 19.51 Specifieke beoordelingsregels voor een paardrijbak

Een omgevingsvergunning voor het realiseren van een paardrijbak wordt in afwijking van het algemene strijdige gebruik in artikel 19.35 verleend als:

  • a.

    de paardrijbak in het achtererfgebied is gelegen;

  • b.

    er maximaal 1 paardrijbak per (bedrijfs)woning wordt gerealiseerd;

  • c.

    de paardrijbak aansluitend aan het bestaande erf gerealiseerd wordt, volgens het beginsel van bebouwingsconcentratie;

  • d.

    de oppervlakte van een paardrijbak bedraagt maximaal 1.300 m2;

  • e.

    de afstand tot de perceelgrens bedraagt minimaal 5 meter;

  • f.

    de omheiningen hebben een maximale hoogte van 1,8 meter;

  • g.

    lichtmasten zijn niet toegestaan.

Subsubparagraaf 19.1.8.2.3 Omgevingsvergunning activiteit werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid uitvoeren
Artikel 19.52 Omgevingsplanactiviteit in verband met archeologische waarde
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning werken of werkzaamheden uit te voeren binnen het aangewezen gebied archeologische verwachtingswaarde.

  • 2.

    Er is geen omgevingsvergunning nodig voor:

    • a.

      bouwwerken of projecten met een oppervlakte van niet meer dan 2.500 m2 waarbij de bodem niet op een grotere diepte dan 0,5 meter wordt verstoord;

    • b.

      activiteiten waarvoor geen omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen vereist is;

    • c.

      bouwwerken of projecten waarvoor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen is verleend en waarbij een rapport dat niet ouder dan 5 jaar is, wordt overlegd waarin de archeologische waarde van de gronden in voldoende mate is vastgesteld of;

    • d.

      bouwwerken of projecten waarbij vervangende nieuwbouw op bestaande fundering plaatsvindt.

Artikel 19.53 Beoordelingsregels in verband met archeologische waarde

De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk of werkzaamheden in de zone archeologische verwachtingswaarde wordt alleen verleend als;

  • a.

    door die werken of werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, één of meer archeologische waarden van de betreffende gronden, niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind; en

  • b.

    door de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport is overgelegd, met inachtneming van artikel 3.12 en artikel 3.13, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld.

Artikel 19.54 Omgevingsplanactiviteit overige grondwerkwerkzaamheden
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren:

    • a.

      het aanleggen of verharden van wegen, paden, of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;

    • b.

      het egaliseren, diepploegen, diepwoelen op een diepte van meer dan 0,5 meter onder maaiveld;

    • c.

      het ophogen van gronden met meer dan 0,2 meter ten opzichte van het oorspronkelijke maaiveld;

    • d.

      het aanleggen of veranderen van waterlopen, sloten en greppels en het vergraven, verruimen en dempen van waterlopen en kolken en het draineren van gronden; of

    • e.

      het aanbrengen van ondergrondse leidingen, constructies, installaties en apparatuur of;

    • f.

      het beplanten van gronden met diepwortelende bomen en struiken.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid is geen omgevingsvergunning vereist voor:

    • a.

      oppervlakteverhardingen met een totale oppervlakte van 100 m2;

    • b.

      die het normale onderhoud betreffen;

    • c.

      die het aanleggen of laten aanleggen van kabels en leidingen ten behoeve van nutsvoorzieningen betreffen binnen de basisfunctielaag Infrastructuur en Agrarisch landschap - gemengde functies met toestemming van de net- of leidingbeheerder, met uitzondering van: 

      • 1.

        aardgastransportleidingen met een diameter van meer dan 4" of een druk van meer dan 40 bar;

      • 2.

        transportleidingen voor brandbare vloeistoffen van de K1-, K2-, en K3-categorie met een diameter van meer dan 4";

      • 3.

        hoogspanningsleidingen;

      • 4.

        buisleidingen voor het transport van water, afvalwater of stoom met een doorsnede van 1 m of meer en een lengte van 10 km of meer;

    • d.

      reeds in uitvoering zijn dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan;

    • e.

      waarvoor een omgevingsvergunningsplicht op grond van artikel 19.52 vereist is;

    • f.

      het aanleggen of verharden van wegen of paden ter directe ontsluiting van agrarische (bouw)percelen;

    • g.

      het aanleggen van koe- of kavelpaden; of

    • h.

      die uitgevoerd worden in het kader van een door het bevoegd gezag vastgesteld ruimtelijk kwaliteitsplan.

Artikel 19.55 Beoordelingsregels in verband met overige grondwerkzaamheden

Een omgevingsvergunning op grond van artikel 19.54 kan worden verleend: 

  • a.

    mits er geen aantasting plaatsvindt van:

  • b.

    de landschappelijke en natuurlijke waarden;

  • c.

    de milieusituatie;

  • d.

    de verkeersveiligheid;

  • e.

    de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden; of

  • f.

    de externe veiligheid.

DDDDDD

Artikel 19.13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.13 Voormalig hoofdstuk 22g - TAM - omgevingsplan, Buitengebied Holten, functiewijziging Schuppertsweg 2-4 (gereserveerd)

[Gereserveerd]

[Vervallen]

EEEEEE

Het opschrift van artikel 19.14 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.14 19.56 Archeologische verwachtingswaarde Helhuizerweg 14 in Holten

FFFFFF

Het opschrift van artikel 19.15 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.15 19.57 Hydrologische bescherming

GGGGGG

Artikel 19.16 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.16 19.58 Landschap de Holterberg

Het  landschap de Holterberg (deelgebied 5) wordt gevormd door het reliëf van de Sallandse Heuvelrug. Het landschap kenmerkt zich door afwisseling van bos, heiderestanten en behoort tot het stuwlandschap.Het grootste deel bestaat uit aaneengesloten boscomplexen met naaldbos (stuthout voor de mijnbouw). Het gebied valt onder het Natuurnetwerk Nederland en heeft hoge natuurwaarden. Aan de zuidzijde van de Sallandse Heuvelrug komt enige bebouwing voor. Opgaven voor het landschap:

  • a.

    behoud en versterken van de natuurfunctie (extensiever);

  • b.

    vergroting biodiversiteit door omvorming van naald- naar loofbos;

  • c.

    bestaande heidegebieden vergroten (stuwwal toppen open maken);

  • d.

    versterken recreatieve relatie Holten - Holterberg;

  • e.

    het creëren of herstellen van zichtlijnen naar het omringende landschap;

  • f.

    creëren uitzichtpunt op de Holterberg.

HHHHHH

Artikel 19.17 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.17 19.59 Landschap Westflank Holterberg

Het  landschap Westflank Holterberg (deelgebied 2) wordt gevormd door kleinschalige akker- en graslanden, met beplante steilranden, houtwallen, gegroepeerde boerderijen en behoort tot het kampenlandschap.Dit landschap, waarin de hoogteligging afneemt van oost naar west, wordt gevormd door onregelmatige wegenpatroon, verspreide boerderijen, glooiende landerijen en beplantingselementen. Het gebied is gevarieerd en kleinschalig. Opgaven voor het landschap:

  • a.

    behoud en versterken kleinschalig landschap met als inspiratiebron het landschap van 1900 door houtwallen met zomereik als hoofdsoort;

  • b.

    behoud en versterken zichtrelatie met de Holterberg;

  • c.

    cultuurhistorisch beeld van boerderijen en erven behouden en versterken;

  • d.

    behoud van onverharde wegen ten behoeve van natuur en recreatie;

  • e.

    versterken landgoed en bos in de omgeving.

IIIIII

Het opschrift van artikel 19.18 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.18 19.60 Natuur - Natuurlandschap

JJJJJJ

Artikel 19.19 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.19 19.61 Recreatie - Verblijfsrecreatie

  • 1.

    Binnen de functie recreatie - verblijfsrecreatie Helhuizerweg 14 in Holten is het volgende gebruik of zijn de volgende functies toegestaan:

    • a.

      recreatief (nacht)verblijf in een kampeermiddel of niet-plaatsgebonden recreatieverblijf, tot maximaal 40 kampeerplaatsen, ter plaatse van de aanduiding 'kampeerterrein Helhuizerweg 14 in Holten';

    • b.

      één bedrijfswoning met inwoonsituatie;

    • c.

      bed & breakfast in de bedrijfswoning, mits:

      • 1.

        niet meer dan drie kamers worden verhuurd; en

      • 2.

        de bed & breakfast ondergeschikt is aan de woonfunctie;

    • d.

      boerderijappartementen, ter plaatse van de aanduiding 'boerderijappartementen Helhuizerweg 14 in Holten', met dien verstande dat het totaal aantal boerderijappartementen in het plangebied niet meer dan zes mag bedragen;

    • e.

      bergingen ten behoeve van opslag van onderhoudsmateriaal noodzakelijk voor de bedrijfsvoering;

    • f.

      dienstverlening voor de vakantiegasten die verblijven in een stacaravan of op een kampeerplaats zoals horeca, detailhandel, sport- en spelvoorzieningen en sanitaire voorzieningen en daarbij behorende:

      • 1.

        gebouwen;

      • 2.

        bouwwerken;

    • g.

      bouwwerken, geen gebouw zijnde;

    • h.

      voorzieningen zoals:

      • 1.

        in- en uitritten, parkeerplaatsen, paden en wegen;

      • 2.

        groen, landschappelijke inpassing zoals tuinen of erfbeplanting;

      • 3.

        speelvoorzieningen;

      • 4.

        water;

    • i.

      de mogelijkheid tot het opwekken van duurzame energie;

      • 1.

        met gebruik van zonnepanelen in veldopstelling met de daarbij behorende voorzieningen of;

      • 2.

        met gebruik van windturbines op het dak van de woning met de daarbij behorende voorzieningen;

    • j.

      met dien verstande dat de gronden niet mogen worden beschouwd als erf.

  • 2.

    Onder strijdig gebruik met deze functie wordt in ieder geval begrepen het gebruik dat afwijkt van de functieomschrijving, waaronder in elk geval begrepen:

    • a.

      bewoning van vrijstaande bijbehorende bouwwerken als zelfstandige woning, tenzij dit gebruik expliciet is toegelaten in het locatiespecifieke artikel;

    • b.

      recreatief verblijf in vrijstaande bijbehorende bouwwerken;

    • c.

      het gebruik van een recreatief verblijfsobject of recreatiewoning anders dan voor recreatief verblijf. Daaronder moet in elk geval worden verstaan het gebruik ten behoeve van (reguliere) bedrijfsactiviteiten die niet gericht zijn op toerisme of het bieden van recreatief verblijf; 

    • d.

      zelfstandige kortdurende recreatieve activiteiten, zoals een wellness of sauna;

    • e.

      het in gebruik nemen van de gronden en bouwwerken binnen de functie recreatie - verblijfsrecreatie Helhuizerweg 14 in Holten ten behoeve van de in het  eerste lid opgenomen gebruiksactiviteiten, zonder de aanleg en instandhouding van de in erfinrichtingsplan Helhuizerweg 14 in Holten 14 in Holten opgenomen landschapsmaatregelen, teneinde te komen tot een goede landschappelijke inpassing;

    • f.

      In afwijking van het bepaalde onder f mogen gronden en bouwwerken worden gebruikt voor de functie recreatie - verblijfsrecreatie Helhuizerweg 14 in Holten onder de voorwaarde dat binnen 2 jaar na het onherroepelijk worden van deze wijziging van het omgevingsplan geheel uitvoering is gegeven aan de aanleg en de instandhouding van de landschappelijke inpassing conform het in erfinrichtingsplan Helhuizerweg 14 in Holtenopgenomen ruimtelijk kwaliteitsplan.

KKKKKK

Het opschrift van artikel 19.20 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.20 19.62 Zonering grondgebonden zonnepanelen 'ja, mits'

LLLLLL

Subsubparagraaf 19.1.9.2.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Subsubparagraaf 19.1.9.2.1 Meldingen (omgevingsplanactiviteit)

Artikel 19.21 19.63 Melding beroep of bedrijf aan huis 

Het is toegestaan een beroep of bedrijf aan te realiseren als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a.

    een melding op grond van artikel 8.118.12 is gedaan;

  • b.

    de beroeps- of bedrijfsfunctie niet ondergeschikt is aan de woonfunctie;

  • c.

    minder dan 35% van het vloeroppervlak van de woning en de bijbehorende bouwwerken wordt gebruikt voor een aan huis gebonden beroeps- of bedrijfsactiviteit tot een maximale oppervlakte van:

    • 1.

      75 m², dan wel;

    • 2.

      indien de bestaande oppervlakte groter is, de oppervlakte zoals die bestond op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp wijziging omgevingsplan;

  • d.

    degene die de beroeps- of bedrijfsactiviteiten uitvoert, de bewoner van de woning is;

  • e.

    de ruimtelijke uitstraling in overeenstemming is met de woonfunctie en woonomgeving;

  • f.

    er geen detailhandel en horeca-gerelateerde activiteiten plaatsvinden; en

  • g.

    de uitoefening van een aan huis gebonden beroeps- of bedrijfsactiviteit niet uitsluitend plaatsvindt in een bijbehorend bouwwerk.

Artikel 19.22 19.64 Melding inwoonsituatie

Het is toegestaan een inwoonsituatie te realiseren als wordt voldaan de volgende voorwaarden:

  • a.

    een melding op grond van artikel 8.118.12 is gedaan;

  • b.

    er twee huishoudens onder één dak worden gehuisvest;

  • c.

    het uiterlijk van de woning  één woning en één bouwmassa blijft;

  • d.

    er sprake is van één centrale toegang tot de woning, van waaruit beide woonvertrekken direct toegankelijk/bereikbaar zijn;

  • e.

    er geen sprake is van een woningscheidende wand; en

  • f.

    er geen vergunningplichtige, bouwkundige aanpassingen in- dan wel uitpandig aan het gebouw plaatsvinden.

MMMMMM

Subsubparagraaf 19.1.9.2.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Subsubparagraaf 19.1.9.2.2 Omgevingsvergunning bouwactiviteit (omgevingsplan)

Artikel 19.23 19.65 Algemene beoordelingsregels - gebouwen recreatie - verblijfsrecreatie

In aanvulling op artikel 4.20 gelden voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwenvoor recreatie - verblijfsrecreatie Helhuizerweg 14 in Holten tevens de volgende beoordelingsregels:

Een omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwen ten behoeve van recreatie - verblijfsrecreatie Helhuizerweg 14 in Holten wordt verleend als:

  • a.

    Situering en inpassing van bouwwerken op het (bestaande) erf vindt plaatsplaatsvindt aan de hand van de kenmerken en uitgangspunten van het bestaande erftype uit de bijlage Erven buitengebied Rijssen-Holten.

  • b.

    Van subparagraaf 4.2.2 is alleen artikel 4.144.15eerste lid en artikel 4.184.19 van toepassing;

  • c.

    Nieuwe of te verbouwen bouwwerken worden op voldoende afstand van de weg opgericht vanwege het wegbeheer en de verkeersveiligheid. Voldoende afstand ten opzichte van de as van de weg is in ieder geval:

    • 1.

      Rijksweg: 100 meter

    • 2.

      Provinciale weg: 50 meter

    • 3.

      Lokale verharde weg: 20 meter

    • 4.

      Lokale onverharde weg: 10 meter

  • d.

    Een kortere afstand kan alleen wanneer dit vanuit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar is en de wegbeheerder vanuit wegbeheer en verkeersveiligheid geen bezwaar heeft;

  • e.

    Nieuwe vrijstaande bouwwerken worden in ieder geval 5 meter van andere bouwwerken opgericht, maar nooit verder dan 25 meter tenzij aan(een)gebouwde bouwwerken specifiek zijn toegelaten;

  • f.

    Nieuwe bouwwerken of te verbouwen bouwwerken voldoen aan redelijke eisen van beeld- en erfkwaliteit, zoals opgenomen in de welstandsnota;

  • g.

    Nieuwe bouwwerken op een onbebouwde of volledig gesaneerde locatie worden binnen een logische structuur ten opzichte van elkaar gesitueerd. De structuur wordt afgestemd met de opzet binnen het geldende landschapstype en de redelijke eisen van beeld- en erfkwaliteit zoals opgenomen in de welstandsnota.

  • h.

    Reclame-uitingen, als er sprake is van een rechtstreeks en functioneel verband met het pand waar de reclame op, aan of bij geplaatst is, zoals opgenomen in de reclamenota.

Artikel 19.24 19.66 Algemene beoordelingsregels - milieuregels voor alle bouwwerken

In aanvulling op artikel 4.204.23 kan een omgevingsvergunning voor een bouwwerk op grond van subsubparagraaf 19.1.9.2.2 alleen worden verleend als wordt voldaan aan de volgende normen:

  • a.

    donkerte: Er geen sprake is van onevenredige aantasting van de aanwezige donkerte conform de ambitie op basis van het gemeentelijke lichtdonkerbeleid .

  • b.

    geur: Indien bij een activiteit emissie naar de lucht plaatsvinden, wordt daarbij geurhinder bij geurgevoelige objecten voorkomen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is, wordt de geurhinder tot een aanvaardbaar niveau beperkt. 

  • c.

    fijnstof (PM10): 

    • 1.

      De jaargemiddelde concentratie, inclusief de bijdrage van de nieuwe ontwikkeling, bedraagt maximaal 20 µg/m3 en;

    • 2.

      de nieuwe ontwikkeling niet meer dan 1,2 µg/m3 bijdraagt aan de jaargemiddelde concentratie.  

Artikel 19.25 19.67 Specifieke beoordelingsregels - bedrijfswoning recreatie - verblijfsrecreatie

In aanvulling op artikel 4.20 gelden voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van bedrijfswoningen tevens de volgende regels voor de maatvoering:

Een omgevingsvergunning voor het bouwen van bedrijfswoningen ten behoeve van de locatie recreatie - verblijfsrecreatie Helhuizerweg 14 in Holtenwordt verleend als wordt voldaan aan de volgende maatvoering:

  • a.

    het maximum oppervlak is 150 m2;

  • b.

    de maximale bouwhoogte is 10 meter;

  • c.

    de maximale goothoogte is 3,5 meter;

  • d.

    de minimale dakhelling is 30°; en

  • e.

    in afwijking van a tot en met d geldt dat afwijkingen in maten en afmetingen, zoals die bestaan op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp omgevingsplan gehandhaafd mogen worden.

Artikel 19.26 19.68 Specifieke beoordelingsregels - bijbehorende bouwwerken recreatie - verblijfsrecreatie

In aanvulling op artikel 4.20 gelden elden voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken onderstaande bouwregels:

Een omgevingsvergunning voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken ten behoeve van de locatie recreatie - verblijfsrecreatie Helhuizerweg 14 in Holten onderstaande bouwregels:

  • a.

    het maximale oppervlak is 150 m2, waarvan maximaal 30 m2 aangebouwd;

  • b.

    per perceel mogen maximaal 2 vrijstaande bijbehorende bouwwerken worden gebouwd;

  • c.

    de maximale bouwhoogte van een vrijstaand bijbehorend bouwwerk is 6 meter;

  • d.

    de bouwhoogte van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk is tenminste 1 meter lager dan de vergunde bouwhoogte van het hoofdgebouw;

  • e.

    de maximale goothoogte is 3,5 meter;

  • f.

    de minimale dakhelling is 30°, een andere dakhelling is onder voorwaarden mogelijk middels een Binnenplanse omgevingsplanactiviteit voor het afwijken van de dakhelling van bijbehorende bouwwerken;

  • g.

    er is maximaal één gebouw voor berging en sanitair ten behoeve van de verblijfsrecreatie toegestaan onder de volgende voorwaarden:

    • 1.

      de maximum oppervlakte bedraagt 200 m2;

    • 2.

      de maximum goothoogte bedraagt 3,5 meter;

    • 3.

      de maximum bouwhoogte bedraagt 7,5 meter;

  • h.

    in afwijking van het bepaalde onder a tot en met f geldt dat afwijkingen in aantallen, maten en afmetingen, zoals die bestaan op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp omgevingsplan gehandhaafd mogen worden. Voor het oppervlak van bijbehorende bouwwerken geldt als de legaal aanwezige m2 meer bedragen dan 150 m2, vervangende nieuwbouw is toegestaan tot deze bestaande oppervlakte met een maximum van 300 m2, onder voorwaarde van landschappelijke inpassing.

Artikel 19.27 19.69 Specifieke beoordelingregels - boerderijeappartementen recreatie - verblijfsrecreatie

In aanvulling op artikel 4.20 geldt voor het verlenen van een Een omgevingsvergunning voor het bouwen van boerderijappartementen dat ten behoeve van recreatie - verblijfsrecreatie Helhuizerweg 14 in Holten wordt verleend als de oppervlakte, goothoogte, bouwhoogte en inhoud ten hoogste de bestaande oppervlakte, goothoogte, bouwhoogte en inhoud bedraagt.

Artikel 19.28 19.70 Specifieke beoordelingsregels - bouwwerken geen gebouw zijnde recreatie - verblijfsrecreatie

In aanvulling op artikel 4.20 gelden voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, onderstaande bouwregels:

Een omgevingsvergunning voor het bouwen van het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van recreatie - verblijfsrecreatie Helhuizerweg 14 in Holten wordt verleend als:

  • a.

    De maximale bouwhoogte van verkeers-, sport- en spelvoorzieningen is 6 meter;

  • b.

    De maximale bouwhoogte van vlaggenmasten is 6 meter, met een maximum van 4 vlaggenmasten per bedrijf; en

  • c.

    De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde anders dan genoemd onder a, c en d, is maximaal 3 meter waarbij vrijstaande lichtmasten en opstellingen ten behoeve van grondgebonden zonnepanelen niet zijn toegestaan.

Artikel 19.29 19.71 Specifieke beoordelingsregels - inpandig vergroten voormalige boerderij

In aanvulling op artikel 4.20 gelden voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het inpandig vergroten van een voormalige boerderij onderstaande bouwregels

Een omgevingsvergunning voor het inpandig vergroten van een voormalige boerderij ten behoeve van recreatie - verblijfsrecreatie Helhuizerweg 14 in Holten wordt verleend als:

  • a.

    de uitwendige hoofdvorm van de woning gehandhaafd blijft;

  • b.

    de totale inhoud ervan niet wordt vergroot, dan wel met niet meer dan 10% van de inhoud wordt vergoot of verkleind;

  • c.

    geen andere afwijkingen van het omgevingsplan ontstaan;

  • d.

    bij vergroting, het bouwwerk niet hoger wordt dan op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp van het plan;

  • e.

    de woning niet zodanig van karakter verandert, dat het niet of minder in de omgeving past; en

  • f.

    vooraf vaststaat dat daardoor het aantal woningen niet toeneemt.

Artikel 19.30 19.72 Specifieke beoordelingsregels - gebouwen voor onderhoud in bosgebieden

In aanvulling op artikel 4.20 gelden voor het verlenen van een Een omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwen ten behoeve van onderhoud van bosgebieden tevens de volgende beoordelingsregels:

  • a.

    de oppervlakte bedraagt niet meer dan 25 m2;

  • b.

    de goot- en bouwhoogte bedraagt niet meer dan 4 meter en;

  • c.

    dit gebouw kan worden gerealiseerd indien de aaneengesloten oppervlakte van het onderhouds- of beheersgebied niet minder dan 100 ha bedraagt.

Artikel 19.31 19.73 Specifieke beoordelingsregels - bouwwerken geen gebouw zijnde in natuur - natuurlandschap

In aanvulling op artikel 4.20 gelden voor het verlenen van een Een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van natuurlandschap, buiten de bestaande situatie de volgende standaard beoordelingsregels:

  • a.

    de maximale bouwhoogte van trimtoestellen is 3 meter;

  • b.

    de maximale bouwhoogte van wildoberservatieposten is 8 meter;

  • c.

    de maximale bouwhoogte van perceel- en erfafscheidingen voor het weiden van vee is 1,5 meter;

  • d.

    overige perceel- en erfafscheidingen zijn alleen toegestaan als deze:

    • 1.

      passend zijn binnen het gebiedstype en de functie van de locatie; en

    • 2.

      onderdeel uitmaken van de landschappelijke inpassing;

  • e.

    de maximale bouwhoogte van informatievoorzieningen is 2,5 meter;

  • f.

    de maximale bouwhoogte van bruggen en daarmee gelijk te stellen kunstwerken is 15 meter;

  • g.

    voor vissteigers bij een watergang geldt:

    • 1.

      een maximale lengte van 2 meter; en

    • 2.

      een maximale breedte van 1 meter;

  • h.

    een positief advies van de waterbeheerder;

  • i.

    de maximale bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouw zijnde is 3 meter;

  • j.

    vrijstaande lichtmasten zijn niet toegestaan.

Artikel 19.32 19.74 Specifiek overgangsrecht bouwwerken

In afwijking van artikel 15.3 geldt voor een bouwwerk dat: 

  • a.

    In afwijking van artikel 15.3 geldt dat een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het omgevingsplan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:

    • 1.

      gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd of;

    • 2.

      na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk teniet is gegaan.

  • b.

    Het gestelde onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

NNNNNN

Het opschrift van artikel 19.33 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.33 19.75 Omgevingsplanactiviteit in verband met archeologische waarde

OOOOOO

Het opschrift van artikel 19.34 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.34 19.76 Beoordelingsregels in verband met archeologische waarde

PPPPPP

Artikel 19.35 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.35 19.77 Voorschriften omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk of werkzaamheden in verband met archeologische waarde

Aan de omgevingsvergunning bedoelt in artikel 19.3319.75 kunnen de volgende voorwaarden worden verbonden:

  • a.

    de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;

  • b.

    de verplichting tot het doen van opgravingen of;

  • c.

    de verplichting de activiteit die tot de bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan de bij de vergunning vast te stellen kwalificaties.

QQQQQQ

Het opschrift van artikel 19.36 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.36 19.78 Omgevingsplanactiviteit in verband met hydrologische bescherming

RRRRRR

Het opschrift van artikel 19.37 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.37 19.79 Beoordelingsregels in verband met hydrologische bescherming

SSSSSS

Het opschrift van artikel 19.38 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.38 19.80 Voorschriften omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk of werkzaamheden in verband met hydrologische bescherming

TTTTTT

Artikel 19.39 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.39 19.81 Omgevingsplanactiviteit overige grondwerkwerkzaamheden 

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren:

    • a.

      het aanleggen of verharden van wegen, paden, of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;

    • b.

      het egaliseren, diepploegen, diepwoelen op een diepte van meer dan 0,5 meter onder maaiveld;

    • c.

      het ophogen van gronden met meer dan 0,2 meter ten opzichte van het oorspronkelijke maaiveld;

    • d.

      het aanleggen of veranderen van waterlopen, sloten en greppels en het vergraven, verruimen en dempen van waterlopen en kolken en het draineren van gronden; of

    • e.

      het aanbrengen van ondergrondse leidingen, constructies, installaties en apparatuur of;

    • f.

      het beplanten van gronden met diepwortelende bomen en struiken.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid is geen omgevingsvergunning vereist voor:

    • a.

      oppervlakteverhardingen met een totale oppervlakte van 100 m2;

    • b.

      die het normale onderhoud betreffen;

    • c.

      reeds in uitvoering zijn dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan;

    • d.

      waarvoor een omgevingsvergunningsplicht op grond van artikel 19.3319.75 vereist is;

    • e.

      het aanleggen of verharden van wegen of paden ter directe ontsluiting van agrarische (bouw)percelen;

    • f.

      het aanleggen van koe- of kavelpaden; of

    • g.

      die uitgevoerd worden in het kader van een door het bevoegd gezag vastgesteld ruimtelijk kwaliteitsplan.

UUUUUU

Artikel 19.40 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.40 19.82 Beoordelingsregels in verband met overige grondwerkzaamheden

Een omgevingsvergunning op grond van artikel 19.3919.81 kan worden verleend: 

  • a.

    mits er geen aantasting plaatsvindt van:

  • b.

    de landschappelijke en natuurlijke waarden;

  • c.

    de milieusituatie;

  • d.

    de verkeersveiligheid;

  • e.

    de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden; of

  • f.

    de externe veiligheid.

VVVVVV

Het opschrift van artikel 19.41 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.41 19.83 Omgevingsvergunnig slopen bouwwerk Helhuizerweg 14 in Holten

WWWWWW

Artikel 19.42 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.42 19.84 Beoordelingsregels slopen bouwwerk Helhuizerweg 14 in Holten

De omgevingsvergunning als bedoelt in artikel 19.4119.83 kan worden verleend, indien nader onderzoek heeft plaatsgevonden naar vleermuizen zoals beschreven in het natuurwaardenonderzoek Helhuizerweg 14 in Holten en eventueel mitigerende maatregelen zijn genomen.

XXXXXX

Paragraaf 19.1.10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 19.1.10 Voormalig hoofdstuk 22i - TAM - omgevingsplan, Kern Rijssen, herontwikkeling Grotestraat 26 in Rijssen (gereserveerd)

Subparagraaf 19.1.10.1 Functies en gebiedsaanwijzingen

Artikel 19.85 Nader bodemonderzoek voorafgaand aan activiteiten en gebruik

Het uitvoeren van de activiteiten en functies zoals toegelaten in paragraaf 19.1.10 zijn uitsluitend toegelaten indien:

  • a.

    er nader bodemonderzoek conform de resultaten van het bodemonderzoek Grotestraat 26 in Rijssen is verricht, om de ernst en omvang van de zinkverontreiniging te bepalen; en

  • b.

    de sanering van de bodem die noodzakelijk is op basis van de resultaten van het onder a bedoelde nader bodemonderzoek, waarbij geldt dat bij het verrichten van de bodemsanering wordt voldaan aan de regels over het saneren van de bodem, zoals bedoeld in paragraaf 4.121 Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 19.86 Centrum - 2
  • 1.

    De voor Centrum - 2 Grotestraat 26 in Rijssen aangewezen gronden mogen worden gebruikt voor:

  • 2.

    Onder strijdig gebruik met de in het eerste lid gegeven functieomschrijving wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de functieomschrijving, waaronder in elk geval wordt begrepen:

    • a.

      het gebruik van bijgebouwen ten behoeve van zelfstandige bewoning;

    • b.

      het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van perifere detailhandel;

    • c.

      horecabedrijven in de vorm van bar-dancings, of nachtclubs of discotheken;

    • d.

      industriële bedrijvigheid;

    • e.

      vuurwerk- opslag en verkoop;

    • f.

      detailhandel in explosieve goederen;

    • g.

      het innemen van een standplaats; of

    • h.

      overnachtingen op een evenemententerrein;

Artikel 19.87 Verkeer - verblijfsgebied

De voor verkeer- verblijf aangewezen locaties mogen worden gebruikt als verblijfsgebied alsmede bijbehorende parkeer- en groenvoorzieningen en bebouwing.

Subparagraaf 19.1.10.2 Vergunningplichten

Subsubparagraaf 19.1.10.2.1 Omgevingsvergunning bouwactiviteit (omgevingsplan)
Artikel 19.88 Algemene beoordelingsregels voor gebouwen

Een omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwen ten behoeve van centrum - 2 wordt verleend als:

  • a.

    het maximum aantal wooneenheden per bouwperceel niet overschreden wordt waarbij zowel woningen als appartementen zijn toegelaten;

  • b.

    minimaal 30% van het aantal woningen of appartementen dient te voldoen aan afdeling 7.1;

  • c.

    gebouwen binnen het bouwvlak worden gebouwd;

  • d.

    de bouwhoogte maximaal 11 meter bedraagt;

  • e.

    in afwijking van sub bedraagt de maximalle bouwhoogte ter plaatse van de aanduiding maximale bouwhoogte de aangegeven bouwhoogte;

  • f.

    gebouwen ten behoeve van ondergrondse parkeervoorzieningen worden gerealiseerd in ten hoogste 1 bouwlaag en mogen in afwijking van het bepaalde onder a zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gebouwd;

Artikel 19.89 Specifieke beoordelingsregels voor bouwwerken geen gebouw zijnde voor centrum - 2

Een omgevingsvergunning voor het bouwen voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van centrum - 2 wordt verleend als:

  • a.

    de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde,  ten hoogste 2 meter bedraagt met dien verstande dat: of

  • b.

    de bouwhoogte van bedrijfsinstallaties en lichtmasten maximaal 8 meter bedraagt;

Artikel 19.90 Specifieke beoordelingsregels voor bouwwerken geen gebouw zijnde verkeer - verblijfsgebied
  • 1.

    Een omgevingsvergunning voor het bouwen voor het bouwen van specifieke gebouwen ten behoeve van verkeer - verblijfsgebied Grotestraat 26 in Rijssen wordt verleend als:

    • a.

      de bouwhoogte van fietsenbergingen maximaal 3 meter bedraagt; of

    • b.

      de bouwhoogte ten behoeve van ondergrondse parkeervoorzieningen ten hoogste 1 bouwlaag bedraagt;

  • 2.

    Een omgevingsvergunning voor het bouwen voor het bouwen van specifieke bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van verkeer - verblijfsgebied Grotestraat 26 in Rijssen wordt verleend als:

    • a.

      de bouwhoogte van lichtmasten, verwijsborden, kunstwerken en fonteinen maximaal 9 meter bedraagt; en

    • b.

      de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, een maximaal 5 meter bedraagt.

Subsubparagraaf 19.1.10.2.2 Omgevingsvergunning sloopactiviteit
Artikel 19.91 Vergunningplicht sloopactiviteit

Voor het slopen van bouwwerken op de locatie Centrum - 2 Grotestraat 26 in Rijssen wordt omgevingsvergunning verleend als:

  • a.

    nader onderzoek heeft plaatsgevonden naar beschermde diersoorten;

  • b.

    de onderzoeksrapportage als bedoeld onder a namens het bevoegd gezag is goedgekeurd door een ter zake deskundige; en

  • c.

    eventueel uit het nader onderzoek voortvloeiende verplichte vervolgstappen zijn genomen, waaronder wordt verstaan het treffen van mitigerende maatregelen en het verkrijgen van een ontheffing voor een flora- en fauna-activiteit betreffende de beschermde diersoorten, en de effectiviteit van eventuele mitigerende maatregelen is aangetoond door een ter zake deskundige.

Subsubparagraaf 19.1.10.2.3 Omgevingsvergunning werk, niet zijnde bouwwerk of werkzaamheid
Artikel 19.92 Vergunningplicht werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid uitvoeren
  • 1.

    Voor de volgende werken, niet zijnde bouwwerken, of werkzaamheden geldt een vergunningplicht tenzij artikel 3.13 van toepassing is;

    • a.

      het ontgronden, vergraven, afgraven, egaliseren, diepploegen, woelen en mengen en ophogen van gronden;

    • b.

      het aanleggen, verbreden en verharden van wegen, paden, banen, parkeervoorzieningen en andere oppervlakteverhardingen;

    • c.

      het aanleggen, verdiepen, verbreden en dempen van sloten, watergangen en overige waterpartijen en het aanbrengen van drainage;

    • d.

      het aanleggen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- of communicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;

    • e.

      het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplantingen, het bebossen van gronden en het rooien van bos of andere houtgewassen waarbij de stobben worden verwijderd; of

    • f.

      het scheuren van grasland.

  • 2.

    Voordat een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend, wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning archeologische waarden (kunnen) worden aangetast, en welke voorschriften aan de omgevingsvergunning moeten worden verbonden.

YYYYYY

Artikel 19.43 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.43 Voormalig hoofdstuk 22i - TAM - omgevingsplan, Kern Rijssen, herontwikkeling Grotestraat 26 in Rijssen (gereserveerd)

[Gereserveerd]

[Vervallen]

ZZZZZZ

Artikel 19.44 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.44 19.93 Gemengd

  • 1.

    Een als 'gemengd' aangewezen aangewezen locatie heeft de volgende functies:

    • a.

      voor zover het de begane grond en kelder betreft;

    • b.

      voor zover het de verdiepingen betreft;

      • 1.

        wonen in appartementen, al dan niet in combinatie met de uitoefening van een aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit; en

    • c.

      een en ander met bijbehorende;

      • 1.

        groenvoorzieningen en water;

      • 2.

        verkeers- en parkeervoorzieningen; en

      • 3.

        tuinen en erven;

  • 2.

    Tot een gebruik in strijd met het omgevingsplan wordt in elk geval gerekend:

    • a.

      het gebruik van bijgebouwen ten behoeve van zelfstandige bewoning; of

    • b.

      het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van perifere detailhandel.

  • 3.

    In afwijking van artikel 15.4 geldt dat:

    • a.

      In afwijking van artikel 15.4 geldt dat het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet, behoudens voor zover uit de Richtlijnen 79/409/EEG en 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand onderscheidenlijk van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna, beperkingen voortvloeien ten aanzien van ten tijde van de inwerkingtreding van het omgevingsplan bestaan gebruik.

    • b.

      Het is verboden het met het omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat omgevingsplan strijdige gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

    • c.

      Indien het gebruik, bedoeld onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

    • d.

      Het gestelde onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan Buitengebied Rijssen-Holten 2012, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

AAAAAAA

Het opschrift van artikel 19.45 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.45 19.94 Waarde - middelhoge archeologische verwachtingswaarde

BBBBBBB

Het opschrift van artikel 19.46 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.46 19.95 Anti-dubbeltelregel

CCCCCCC

Artikel 19.47 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.47 19.96 Specifieke beoordelingsregels - gebouwen gemengd

In aanvulling op artikel 4.20 gelden voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwen tevens de volgende beoordelingsregels:

Een omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwen op de locatie gemengd - Dorpsstraat 55/55a in Holten wordt verleend als;

DDDDDDD

Artikel 19.48 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.48 19.97 Specifieke beoordelingsregels - bouwwerken geen gebouw zijnde gemend

In aanvulling op artikel 4.20 gelden voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen en carports zijnde, gelden tevens de volgende beoordelingsregels:

Een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen en carports zijnde, wordt verleend als:

  • a.

    de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt voor de voorste bebouwingsgrens ten hoogste 1 meter en daarachter ten hoogste 2 meter;

  • b.

    de hoogte van vlaggenmasten bedraagt ten hoogste 6 meter;

  • c.

    de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 2 meterbedragen;

EEEEEEE

Artikel 19.49 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.49 19.98 Specifieke beoordelingsregels - gebruik wonen op begane grond

Met een omgevingsvergunning kan een de functie 'wonen'  wonen worden toegekend in plaats van de functies genoemd in artikel 19.4419.93eerste lid als aangetoond wordt dat:

  • a.

    er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties;

  • b.

    het gebruik stedenbouwkundig toelaatbaar is;

  • c.

    er een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd;

  • d.

    er geen onevenredige nadelige effecten ontstaan voor de gebruiksmogelijkheden van de aangelegen gronden en bouwwerken, en;

  • e.

    de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad.

FFFFFFF

Artikel 19.50 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.50 19.99 Specifiek overgangsrecht bouwwerken

In afwijking van artikel 15.3 geldt dat:

  • a.

    In afwijking van artikel 15.3 geldt dat een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het omgevingsplan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:

    • 1.

      gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd of;

    • 2.

      na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk teniet is gegaan.

  • b.

    Het gestelde onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

GGGGGGG

Het opschrift van artikel 19.51 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.51 19.100 Omgevingsplanactiviteit in verband met archeologische verwachtingswaarde

HHHHHHH

Artikel 19.52 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.52 19.101 Omgevingsplanactiviteit overige grondwerkzaamheden

  • 1.

    Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op de in artikel 19.4519.94 bedoelde gronden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

    • a.

      het ontgronden, vergraven, afgraven, egaliseren, diepploegen, woelen en mengen en ophogen van gronden;

    • b.

      het aanleggen, verbreden en verharden van wegen, paden, banen, parkeervoorzieningen en andere oppervlakteverhardingen

    • c.

      ;het aanleggen, verdiepen, verbreden en dempen van sloten, watergangen en overige waterpartijen en het aanbrengen van drainage;

    • d.

      het aanleggen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- en/of communicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;

    • e.

      het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplantingen, het bebossen van gronden en het rooien van bos of andere houtgewassen waarbij de stobben worden verwijderd;

    • f.

      het scheuren van grasland.

  • 2.

    Het in eerste lid gestelde verbod geldt niet voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden:

    • a.

      werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die het normale onderhoud, gebruik en beheer betreffen, mits de gronden niet dieper dan 0,5 meter worden geroerd;

    • b.

      werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die op het moment van het van kracht worden van het plan in uitvoering zijn of uitgevoerd kunnen worden op grond van een voor dat tijdstip aangevraagde dan wel verleende omgevingsvergunning;

    • c.

      werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden als onderdeel van een ingreep in de bodem met een oppervlakte van maximaal 250 m2;

    • d.

      werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden waarvoor een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 nodig is.

  • 3.

    Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning archeologische waarden (kunnen) worden aangetast, en welke voorschriften aan de omgevingsvergunning moeten worden verbonden.

IIIIIII

Paragraaf 19.1.12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 19.1.12 Voormalig hoofdstuk 22k - TAM - omgevingsplan, Bedrijventerrein Rijssen - FahrenheistraatFahrenheitstraat 2 (gereserveerd)

Subparagraaf 19.1.12.1 Functies en gebiedsaanwijzingen

Artikel 19.102 Bedrijventerrein
  • 1.

    De voor bedrijventerrein - Fahrenheitstraat 2 in Rijssen aangewezen gronden mogen worden gebruikt voor:

    • a.

      bedrijven tot en met de categorie 3.2, zoals gesteld in de staat van bedrijfsactiviteiten;

    • b.

      kantoor behorende bij en gebonden aan bedrijven;

    • c.

      niet voor bewoning bestemde gebouwen, ten dienste van de functie, zoals bedrijfsgebouwen en nutsgebouwen,

    • d.

      wegen met een rijbaanbreedte van ten hoogste 7,5 meter, met bijbehorende paden en bermen, ter ontsluiting van bedrijven en voorzieningen; 

    • e.

      parkeervoorzieningen; 

    • f.

      watergangen en waterpartijen; en

    • g.

      andere bouwwerken, zoals palen, masten, verkeerstekens, luifels, erf- of perceelafscheidingen, technische installaties en reclamezuilen.

  • 2.

    Onder strijdig gebruik met de in eerste lid gegeven functieomschrijving wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de functieomschrijving, waaronder in elk geval wordt begrepen:

    • a.

      detailhandelsbedrijven, behoudens onder a en b bedoelde; 

    • b.

      geluidzoneringplichtige inrichtingen;

    • c.

      bedrijven die in belangrijke mate een verhoging van de veiligheidsrisico's kunnen veroorzaken vanwege risicobronnen die buiten de perceelsgrens van de betreffende bedrijfslocatie waarop die risicobronnen aanwezig zijn, een plaatsgebonden risico veroorzaken van meer dan 10-6 per jaar;

    • d.

      bedrijven die inrichtingen zijn, genoemd in bijlage C of D van het Besluit milieu-effectrapportage 1994, zoals dat laatstelijk is gewijzigd; of

    • e.

      buitenopslag waarbij:

      • 1.

        de afstand van opslag tot wegen met bijbehorende paden en bermen mag minder dan 3 meter bedraagt; en

      • 2.

        vanaf peil gemeten hoogte van opslag mag niet meer bedragen dan de ter plaatse geldende maximale bouwhoogte van gebouwen.

Subparagraaf 19.1.12.2 Vergunningplichten

Subsubparagraaf 19.1.12.2.1 Omgevingsvergunning bouwactiviteit (omgevingsplan)
Artikel 19.103 Algemene beoordelingsregels voor gebouwen en bouwwerken geen gebouw zijnde
  • 1.

    Een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken ten behoeve van de locatie bedrijventerrein - Fahrenheitstraat 2 in Rijssen wordt verleend als:

    • a.

      gebouwen en overkappingen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd; 

    • b.

      zij niet gelegen zijn in het beperkingengebied leiding - gas; en

    • c.

      de minimale bouwhoogte en maximale bouwhoogte bouwhoogte van gebouwen, niet zijnde bedrijfswoningen en bijgebouwen is op kaart weergegeven.

  • 2.

    Een omgevingsvergunning voor het bouwen van andere bouwwerken dan in het eerste lid genoemd wordt verleend als:

    • a.

      de bouwhoogte van reclamezuilen maximaal 18 meter bedraagt; en

    • b.

      de bouwhoogte van lichtmasten, technische installaties en overige andere bouwwerken 12 meter bedraagt.

  • 3.

    In afwijking van artikel 4.23eerste lid onder a, artikel 4.52 van het eerste lid onder sub a en in aanvulling op het eerste lid onder sub b en het tweede lid wordt voor het bouwen van bergingen, fietsenstallingen en andere ondergeschikte dienstgebouwen omgevingsvergunning verleend als:

    • a.

      zij noodzakelijk zijn voor de bedrijfsvoering;

    • b.

      buiten het bouwvlak mogen worden gebouwd;

    • c.

      het bouwen uitsluitend plaatsvindt op gronden achter de voorgevelrooilijn; en

    • d.

      de gezamenlijke oppervlakte van de genoemde bouwwerken per bedrijf niet meer dan 100 m² bedraagt.

     

Artikel 19.104 Specifieke beoordelingsregels voor bouwwerken geen gebouw zijnde
  • 1.

    Een omgevingsvergunning voor het bouwen van andere bouwwerken dan in het eerste lid genoemd wordt verleend als:

    • a.

      de bouwhoogte van reclamezuilen maximaal 18 meter bedraagt; en

    • b.

      de bouwhoogte van lichtmasten, technische installaties en overige andere bouwwerken 12 meter bedraagt.

  • 2.

    In afwijking van artikel 4.23eerste lid onder a, artikel 4.52 van het eerste onder sub a en in aanvulling op het eerste lid onder sub b en het tweede lid wordt voor het bouwen van bergingen, fietsenstallingen en andere ondergeschikte dienstgebouwen omgevingsvergunning verleend als:

    • a.

      zij noodzakelijk zijn voor de bedrijfsvoering;

    • b.

      buiten het bouwvlak mogen worden gebouwd;

    • c.

      het bouwen uitsluitend plaatsvindt op gronden achter de voorgevelrooilijn; en

    • d.

      de gezamenlijke oppervlakte van de genoemde bouwwerken per bedrijf niet meer dan 100 m² bedraagt.

Artikel 19.105 Specifieke beoordelingsregels voor bouwwerken voor een gasleiding
  • 1.

    Een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken ten behoeve van een leiding - gas wordt verleend als;

    • a.

      het bouwwerk uitsluitend gebruikt wordt ten behoeve van de gasleiding;

    • b.

      het maximale oppervlakte 100 m2 bedraagt; en

    • c.

      de bouwhoogte maximaal 3 meter bedraagt.

  • 2.

    In aanvulling op het eerste lid wordt omgevingsvergunning verleend voor andere bouwwerken in het beperkingengebied leiding - gas als:

    • a.

      hierdoor geen blijvend onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de belangen van en de veiligheidssituatie rond de betreffende leiding; en

    • b.

      vooraf advies van de leidingbeheerder is ingewonnen.

Subsubparagraaf 19.1.12.2.2 Omgevingsvergunning gebruiksactiviteit
Artikel 19.106 Omgevingsvergunning gebruiksactiviteit
  • 1.

    In afwijking van artikel 4.52 zijn met omgevingsvergunning andere functies of is ander gebruik toegelaten dan in artikel 19.102eerste lid omschreven mits het bedrijven betreft die gezien de gevolgen daarvan voor de omgeving redelijkerwijs kunnen worden gelijkgesteld met bedrijven die ter plaatse zijn toegestaan.

  • 2.

    In afwijking van artikel 4.52 zijn met omgevingsvergunning de volgende andere functies of ander gebruik toegelaten dan in artikel 19.102eerste lid omschreven ten behoeve van het vestigen van detailhandelsbedrijven in brand- en explosiegevaarlijke goederen, volumineuze detailhandelsbedrijven en aflevercentra, met inachtneming van de volgende bepalingen:

    • a.

      de verkoopoppervlakte van detailhandelsbedrijven in brand- en explosiegevaarlijke goederen en volumineuze detailhandelsbedrijven mag per vestiging niet meer dan 1500 m² bedragen;

    • b.

      de brutovloeroppervlakte van aflevercentra mag per vestiging niet meer dan 1500 m² bedragen.

    • c.

      indien bij de aanvraag wordt aangetoond dat ten behoeve van de betreffende bedrijfs- of andere vestiging waar het volumineuze detailhandelsbedrijf wordt gebouwd, op eigen terrein of elders, in parkeergelegenheid wordt of zal worden voorzien overeenkomstig de normering als vermeld in de parkeernormen Rijssen-Holten.

     

Subsubparagraaf 19.1.12.2.3 Omgevingsvergunning werk, niet zijnde bouwwerk of werkzaamheid
Artikel 19.107 Omgevingsvergunning werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid uitvoeren
  • 1.

    Voor het uitvoeren van de volgende een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden is een omgevingsvergunning vereist:

    • a.

      het aanleggen en verharden van wegen en paden en het aanleggen of aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;

    • b.

      het uitvoeren van graafwerkzaamheden anders dan normaal spit- en ploegwerk;

    • c.

      het verlagen van de bodem en afgraven, ophogen en egaliseren van de gronden;

    • d.

      het aanleggen van geluid- en andere wallen;

    • e.

      het permanent opslaan van goederen waaronder ook begrepen het opslaan van afvalstoffen.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid is geen omgevingsvergunning vereist voor werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden:

    • a.

      in het kader van het normale beheer en onderhoud;

    • b.

      waarmee op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan:

      • 1.

        is begonnen, voor zover daarvoor tot dat tijdstip geen omgevingsvergunning was vereist;

      • 2.

        is of mag worden begonnen krachtens een verleende omgevingsvergunning.

  • 3.

    De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend voor werken en werkzaamheden als:

    • a.

      hierdoor geen blijvend onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de belangen van en de veiligheidssituatie rond de betreffende leiding; en

    • b.

      ter zake daarvan vooraf advies van de leidingbeheerder is ingewonnen.

JJJJJJJ

Artikel 19.53 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.53 Voormalig hoofdstuk 22k - TAM - omgevingsplan, Bedrijventerrein Rijssen - Fahrenheistraat 2 (gereserveerd)

[Gereserveerd]

[Vervallen]

KKKKKKK

Artikel 19.54 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.54 19.108 Agrarisch met waarden - Met grote landschappelijke waarde

  • 1.

    Gronden binnen de functie 'agrarisch met waarden - met grote landschappelijk waarde' mogen worden gebruikt voor de volgende activiteiten:

    • a.

      het behoud en het herstel van de landschappelijke of cultuurhistorische waarden, tot uitdrukking komend in het aanwezige reliëf, de openheid van het landschap of kleinere natuurelementen;

    • b.

      het weiden van vee;

    • c.

      akkerbouw;

    • d.

      voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, waaronder begrepen voorzieningen ten behoeve van het vasthouden, bergen, aan- en afvoeren van water;

    • e.

      voorzieningen ten behoeve van extensief recreatief medegebruik, zoals onverharde en (half)verharde wandel-, fiets- en ruiterpaden; en

    • f.

      met bouwwerken, geen gebouw zijnde en werken, geen bouwwerken zijnde.

  • 2.

    Tot een gebruik in strijd met het eerste lid wordt in elk geval gerekend:

LLLLLLL

Het opschrift van artikel 19.55 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.55 19.109 Overgangsrecht gebruik

MMMMMMM

Het opschrift van artikel 19.56 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.56 19.110 Waarde - middelhoge archeologische verwachtingswaarde

NNNNNNN

Het opschrift van artikel 19.57 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.57 19.111 Waarde - hoge archeologische verwachtingswaarde

OOOOOOO

Artikel 19.58 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.58 19.112 Wonen - landelijk

  • 1.

    Gronden binnen de functie 'wonen - landelijk Oosterhofweg 244 in Rijssen' mogen worden gebruikt voor de volgende activiteiten:

  • 2.

     

    Tot een gebruik in strijd met het eerste lid wordt in elk geval begrepen:

    • a.

      het in gebruik nemen van de gronden en bouwwerken binnen de functie 'Wonen - Landelijk' ten behoeve van de in eerste lid  opgenomen gebruiksactiviteiten, zonder de aanleg en instandhouding van de in erfinrichtingsplan Oosterhofweg 244 in Rijssen opgenomen landschapsmaatregelen, teneinde te komen tot een goede landschappelijke inpassing;

    • b.

      in afwijking van het bepaalde onder a mogen gronden en bouwwerken worden gebruikt voor de functie 'Wonen - Landelijk' onder de voorwaarde dat binnen 2 jaar na het onherroepelijk worden van deze wijziging van het omgevingsplan geheel uitvoering is gegeven aan de aanleg en de instandhouding van de landschappelijke inpassing conform het in erfinrichtingsplan Oosterhofweg 244 in Rijssen opgenomen inrichtingsplan.

PPPPPPP

Het opschrift van artikel 19.59 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.59 19.113 Afstemmingsregel welstand

QQQQQQQ

Artikel 19.60 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.60 19.114 Algemene bouwregels voor alle bouwwerken

Van subparagraaf 4.2.2 is alleen artikel 4.144.15eerste lid en artikel 4.184.19 van toepassing.

RRRRRRR

Het opschrift van artikel 19.61 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.61 19.115 Anti-dubbeltelregel

SSSSSSS

Het opschrift van artikel 19.62 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.62 19.116 Maatwerkbepalingen - diverse omgevingsvergunningen bouwactiviteit (omgevingsplan)

TTTTTTT

Artikel 19.63 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.63 19.117 Overgangsrecht bouwwerken

  • 1.

    Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot;

    • a.

      gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;

    • b.

      na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.

  • 2.

    Het college  bevoegd gezag kan  eenmalig in afwijking van het bepaalde in het eerste lid en een omgevingsvergunning verlenen van voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk met maximaal 10%.

  • 3.

    Het tweede lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

UUUUUUU

Artikel 19.64 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.64 19.118 Specifieke beoordelingsregels - gebouwen en overkappingen

In aanvulling op artikel 4.20 gelden voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwen en overkappingen ten behoeve van wonen gelden de volgende regels:

Een omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwen en overkappingen ten behoeve van wonen wordt verleend als:

VVVVVVV

Artikel 19.65 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.65 19.119 Specifieke beoordelingsregels - hoofdgebouwen

In aanvulling op artikel 4.20 gelden voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van hoofdgebouwen de volgende regels:

Een omgevingsvergunning voor het bouwen van hoofdgebouwen wordt verleend als:

  • a.

    de goot- en bouwhoogte van hoofdgebouwen mogen niet meer dan respectievelijk 3,5 meter en 8,0 meter bedragen, dan wel niet meer dan de bouw- en goothoogte van het bestaande gebouw, indien deze meer bedragen;

  • b.

    de afstand van de hoofdgebouwen tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt minimaal 4 meter aan één zijde, met dien verstande, dat die afstand 0 meter mag bedragen, mits 3 meter achter de voorgevel of het verlengde daarvan en met een maximale goothoogte van 3,5 meter wordt gebouwd; en

  • c.

    de voorgevel van de hoofdgebouwen dient in of maximaal 3 meter achter de naar de weg gekeerde bebouwingsgrens te worden gebouwd.

WWWWWWW

Artikel 19.66 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.66 19.120 Specifieke beoordelingsregels - vrijstaande bijbehorende bouwwerken

In aanvulling op artikel 4.20 gelden voor het verlenen van een Een omgevingsvergunning voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken de volgende regels:

  • a.

    deze bouwwerken niet minder dan 3 meter achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw mogen worden gebouwd, met dien verstande dat de afstand van het bestaande bouwwerk tot (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw in acht mag worden genomen, indien deze afstand minder dan 3 meter bedraagt;

  • b.

    de goot- en bouwhoogte van een vrijstaand bijbehorend bouwwerk mag niet meer dan respectievelijk 3,5 meter en 8,0 meter bedragen, met dien verstande dat:

    • 1.

      ter plaatse van de aanduiding 'asymmetrische kap' mag de goothoogte aan de zijde van de Enterstraat niet meer dan 3 meter bedragen en de goothoogte aan de zijde van de Oosterhofweg niet meer dan 5 meter, waarbij de nokhoogte maximaal 6 meter is;

    • 2.

      dan wel niet meer dan de bouw- en goothoogte van het bestaande gebouw, indien deze meer bedragen; en

  • c.

    de gezamenlijke oppervlakte mag niet meer dan maximaal 350 m2 bedragen per bouwvlak.

XXXXXXX

Artikel 19.67 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.67 19.121 Specifieke beoordelingsregels - voor een uitbouw, zoals een erker, toegangspartij, luifel of balkon

In aanvulling op artikel 4.20 en artikel19.118 19.64 gelden voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen een uitbouw, zoals een erker, toegangspartij, luifel of balkon de volgende regels:

  • a.

    buiten het bouwvlak worden gebouwd tot maximaal 1,5 meter daarbuiten, met dien verstande dat:

  • b.

    de afstand van enig deel van de uitbouw ten minste 2,5 meter uit de perceelgrens bedraagt; en

  • c.

    de hoogte niet meer mag zijn dan 25 centimeter boven de eerste verdiepingsvloer.

YYYYYYY

Artikel 19.68 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.68 19.122 Specifieke beoordelingsregels - bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde

In aanvulling op artikel 4.20 gelden voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde de volgende regels:

Een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen wordt verleend als:

  • a.

    de bouwhoogte van terreinafscheidingen voor de voorgevelrooilijn bedraagt ten hoogste 1 meter en daarachter ten hoogste 2 meter, met dien verstande dat voor hoeksituaties gericht op de openbare weg of openbaar groen geldt dat in het verlengde van de achtergevel van de woning de bouwhoogte ten hoogste 2 meter bedraagt;

  • b.

    de hoogte van vlaggenmasten bedraagt ten hoogste 6 meter;

  • c.

    de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 2,5 meter bedragen.

ZZZZZZZ

Artikel 19.69 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.69 19.123 Specifieke beoordelingsregels - kantoor

In aanvulling op artikel 4.20 gelden voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het in gebruik nemen van een bouwwerk als kantoor Oosterhofweg 244 in Rijssen de volgende regels:

Een omgevingsvergunning voor het in gebruik nemen van een bouwwerk als kantoor op de locatie kantoor Oosterhofweg 244 in Rijssen wordt verleend als:

  • a.

    er geen onenevenredige aantasting plaatsvindt van:

    • 1.

      landschappelijke en natuurlijke waarden;

    • 2.

      de verkeersveiligheid;

    • 3.

      de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;

    • 4.

      de sociale veiligheid; en

    • 5.

      de externe veiligheid;

AAAAAAAA

Artikel 19.70 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.70 19.124 Specifieke beoordelingsregels - bouwwerken geen gebouw zijnde ten behoeve van de functie 'Agrarische met waarden - Met grote landschappelijke waarde'.

  • 1.

    'In aanvulling op artikel 4.20 gelden voor het verlenen van een Een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde ten dienste van de functie agrarisch met waarden - met grote landschappelijk waarde' de volgende regelswordt verleend als:

    • a.

      de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan de volgende hoogtes:

      • 1.

        perceel- en erfafscheidingen 1,25 meter;'

      • 2.

        overige bouwwerken geen gebouw zijnde, met dien verstande dat overkappingen niet zijn toegestaan 3 meter; en

      • 3.

        lichtmasten en overige  voorzieningen met uitzondering van wijnstokken ten behoeve van de druiventeelt niet zijn toegestaan.

  • 2.

    Het college kan aan het bouwen van bouwwerken op basis van het  eerste lid nadere eisen stellen aan de plaats en afmetingen van de bebouwing ten behoeve van:

    • a.

      de verkeersveiligheid;

    • b.

      de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; of

    • c.

      de landschappelijke inpassing.

BBBBBBBB

Artikel 19.71 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.71 19.125 Specifieke beoordelingsregels - bouwen diverse bouwwerken

  • 1.

    'In aanvulling op artikel 4.20 gelden voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van diverse bouwerken de volgende regels:

    Een omgevingsvergunning voor het bouwen voor onderstaande bouwwerken wordt verleend als:

    • a.

      ten behoeve van het bouwen van niet voor bewoning bestemde gebouwen of bouwwerken, zoals kunstwerken, nutsvoorzieningen, fietsenstallingen, wachthuisjes, telefooncellen, bewaarplaatsen van huisvuilcontainers, uitgezonderd verkooppunten voor motorbrandstoffen, waarvan de oppervlakte niet meer dan 30 m² en de bouwhoogte niet meer dan 3 meter mag bedragen;

    • b.

      indien en voor zover afwijkingen ten aanzien van de ligging van functie-, bouw- en aanduidingsgrenzen, mits die afwijkingen ten opzichte van hetgeen is aangegeven niet meer dan 5 meter bedragen;

    • c.

      ten behoeve van het aanbouwen van bijbehorende bouwwerken aan één zijde van een hoofdgebouw, mits deze niet rechtstreeks met elkaar in verbinding staat;

    • d.

      ten behoeve van het bouwen van antennemasten tot een bouwhoogte van 20 meter;

    • e.

      van de functieregels en toestaan dat bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en behoeve van zend- en ontvangstmasten voor telecommunicatie, waarvan de bouwhoogte vanaf peil ten hoogste 55 meter mag bedragen, worden gebouwd, met dien verstande dat:

      • 1.

        de noodzaak voor plaatsing van de antenne is aangetoond waarbij het gedeelde gebruik van masten moet zijn overwogen;

      • 2.

        de mast bij voorkeur op een bedrijventerrein wordt geplaatst;

      • 3.

        de mast bij voorkeur op of in de onmiddellijke nabijheid van hoge gebouwen en/of bouwwerken of langs grote infrastructurele lijnen (zoals hoogspanningsleidingen en (spoor)wegen) wordt geplaatst;

      • 4.

        geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuurlijk, cultuurhistorische en landschappelijke waarden van gebouwen en gebieden.

  • 2.

    Het college  bevoegd gezag kan nadere eisen stellen aan het uiterlijk van zend- en ontvangstmasten als bedoeld in het eerste lid onder e bij plaatsing in of nabij bos- en natuurgebieden en in agrarisch gebied met landschappelijke of natuurwetenschappelijke waarden.

  • 3.

    De in het eerste lid bedoelde omgevingsvergunningen mogen niet leiden tot een onevenredige aantasting van:

    • a.

      de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden of bouwwerken;

    • b.

      de verkeersveiligheid; en

    • c.

      de fysieke veiligheid.

CCCCCCCC

Subsubparagraaf 19.1.13.2.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Subsubparagraaf 19.1.13.2.2 Omgevingsvergunning activiteit werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid uitvoeren

Artikel 19.72 19.126 Omgevingsvergunning werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheden uitvoeren in verband met middelhoge archeologische verwachtingswaarde

  • 1.

    In het belang van de archeologische monumentenzorg en ter voorkoming van onevenredige aantasting van aanwezige dan wel naar verwachting aanwezige archeologische waarden, is het verboden, behoudens het bepaalde in artikel 19.5619.110 zonder een omgevingsvergunning van het college de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, over een oppervlakte van 250 m² of meer:

    • a.

      het uitvoeren van graafwerkzaamheden, het roeren en omwoelen van gronden, dieper dan 0,5 m onder peil;

    • b.

      het verlagen van de bodem en afgraven van gronden, dieper dan 0,5 m onder peil;

    • c.

      het graven of anderszins aanbrengen van watergangen en waterpartijen, dieper dan 0,5 m onder peil;

    • d.

      het aanbrengen van diepwortelende beplantingen;

    • e.

      het ophogen en egaliseren van gronden.

  • 2.

    Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden:

    • a.

      in het kader van het normale beheer en onderhoud;

    • b.

      in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een ter zake deskundige;

    • c.

      waarmee op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan:

      • 1.

        is begonnen, voor zover daarvoor tot dat tijdstip geen omgevingsvergunning was vereist;

      • 2.

        is of mag worden begonnen krachtens een verleende omgevingsvergunning.

  • 3.

    De werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden als bedoeld in eerste lid, zijn slechts toelaatbaar, indien:

    • a.

      door die werken of werkzaamheden, danwel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, één of meer archeologische waarden van de betreffende gronden, niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, danwel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind, en

    • b.

      door aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport is overgelegd waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld.

Artikel 19.73 19.127 Omgevingsvergunning werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheden uitvoeren in gebied met grote landschappelijke waarde

  • 1.

    Het is verboden, indien daardoor de waarden, zoals bedoeld in artikel 19.5419.108, onevenredig worden aangetast, om zonder een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

    • a.

      het ophogen en egaliseren van gronden, het verlagen van de bodem en afgraven van gronden;

    • b.

      het aanleggen of verharden van wegen, voet-, fiets- of ruiterpaden of parkeergelegenheden alsmede het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen groter dan 100 m², met uitzondering van:

    • c.

      het aanleggen van koe- of kavelpaden;

    • d.

      het aanleggen van voorzieningen ten behoeve van recreatief medegebruik;

    • e.

      het aanleggen, verdiepen, verbreden en dempen van sloten, watergangen en overige waterpartijen;

    • f.

      het verwijderen van bos, houtwallen en struwelen;

    • g.

      het aanbrengen van boven- en ondergrondse leidingen, constructies, installaties en apparatuur.

  • 2.

    Het in eerste lid vervatte verbod om zonder omgevingsvergunning werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

    • a.

      het normale onderhoud of de normale exploitatie betreffen;

    • b.

      reeds in uitvoering zijn dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan;

    • c.

      krachtens een subsidiestelsel ten behoeve van natuurontwikkeling worden uitgevoerd.

  • 3.

    De werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden die betrekking hebben op cultuurhistorische waarden, zijn slechts toelaatbaar, als uit een advies van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed danwel de gemeentelijke monumentencommissie blijkt dat de cultuurhistorische waarden niet onevenredig worden aangetast.

Artikel 19.74 19.128 Omgevingsvergunning werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheden uitvoeren in verband met hoge archeologische verwachtingswaarde

  • 1.

    In het belang van de archeologische monumentenzorg en ter voorkoming van onevenredige aantasting van aanwezige dan wel naar verwachting aanwezige archeologische waarden, is het verboden, behoudens het bepaalde in artikel 19.5719.111 zonder een omgevingsvergunning van het college de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, over een oppervlakte van 100 m² of meer:

    • a.

      het uitvoeren van graafwerkzaamheden, het roeren en omwoelen van gronden, dieper dan 0,5 m onder peil;

    • b.

      het verlagen van de bodem en afgraven van gronden, dieper dan 0,5 m onder peil;

    • c.

      het graven of anderszins aanbrengen van watergangen en waterpartijen, dieper dan 0,5 m onder peil;

    • d.

      het aanbrengen van diepwortelende beplantingen;

    • e.

      het ophogen en egaliseren van gronden.

  • 2.

    Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden:

    • a.

      in het kader van het normale beheer en onderhoud;

    • b.

      in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een ter zake deskundige;

    • c.

      waarmee op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan:

      • 1.

        is begonnen, voor zover daarvoor tot dat tijdstip geen omgevingsvergunning was vereist;

      • 2.

        is of mag worden begonnen krachtens een verleende omgevingsvergunning.

  • 3.

    De werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden als bedoeld in eerste lid, zijn slechts toelaatbaar, indien:

    • a.

      door die werken of werkzaamheden, danwel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, één of meer archeologische waarden van de betreffende gronden, niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, danwel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind, en

    • b.

      door aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport is overgelegd waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld.

DDDDDDDD

Subsubparagraaf 19.1.13.2.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Subsubparagraaf 19.1.13.2.3 Omgevingsvergunning gebruik gronden of bouwwerken (omgevingsplan

Artikel 19.75 19.129 Omgevingsvergunning beroep aan huis 

In aanvulling op artikel 4.20 is het met Een omgevingsvergunning toegestaanvoor een beroep aan te realiserenhuis wordt verleend als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a.

    de woonfunctie in ruimtelijke en visuele zin primair moet blijven;

  • b.

    aan huis verbonden activiteiten ten behoeve van het beroep uitsluitend inpandig mogen worden verricht;

  • c.

    maximaal 35% van de brutovloeroppervlakte van hoofd- en bijbehorende bouwwerken mag worden gebruikt voor de aan huis verbonden activiteiten ten behoeve van het beroep met een maximum van 75 m²;

  • d.

    degene die de beroeps- of bedrijfsactiviteiten uitvoert, niet de bewoner van de woning is;

  • e.

    de ruimtelijke uitstraling van de activiteiten qua aard, omvang en intensiteit verenigbaar moet zijn met het karakter van de omringende woonomgeving;

  • f.

    behoudens een beperkte verkoop in het klein, in direct verband met het aan huis verbonden beroep, geen detailhandel mag plaatsvinden; en

  • g.

    het gebruik geen nadelige invloed mag hebben op de verkeersafwikkeling en de parkeersituatie ter plaatse; ten aanzien van het laatste geldt als uitgangspunt dat dient te worden geparkeerd op eigen terrein.

Artikel 19.76 19.130 Omgevingsvergunning bedrijf aan huis

In aanvulling op artikel 4.20 is het met omgevingsvergunning toegestaan een bedrijf te realiseren in een vrijstaand bijbehorend bouwwerk ten behoeve van aan huis verbonden bedrijfsactiviteiten uitsluitend indien aan de navolgende criteria wordt voldaan:

Een omgevingsvergunning voor een bedrijf aan  in een vrijstaand bijbehorend bouwwerk wordt verleend als:

  • a.

    de woonfunctie moet in overwegende mate worden gehandhaafd. Dit betekent dat:

    • 1.

      de woonfunctie in ruimtelijke en visuele zin primair moet blijven;

    • 2.

      de aan huis verbonden activiteiten ten behoeve van het bedrijf uitsluitend inpandig mogen worden verricht;

    • 3.

      maximaal 35% van de brutovloeroppervlakte van hoofd- en bijbehorende bouwwerken mag worden gebruikt voor de aan huis verbonden activiteiten ten behoeve van het bedrijf met een maximum van 75 m²;

    • 4.

      degene die de gebruiker is van de woning ook degene moet zijn die het aan huis verbonden bedrijf uitoefent;

  • b.

    het gebruik mag geen ernstige hinder voor het woonmilieu opleveren, dan wel mag geen afbreuk doen aan het woonkarakter van de wijk of de buurt. Dit betekent dat:

    • 1.

      de ruimtelijke uitstraling van de activiteiten qua aard, omvang en intensiteit verenigbaar moet zijn met het karakter van de omringende woonomgeving;

    • 2.

      bedrijfsactiviteiten uitsluitend zijn toegestaan indien deze voorkomen in of gelijk zijn te stellen met de categorieën 1 en 2 zoals vermeld in de bij deze regels behorende 'Staat van bedrijven' ( staat van bedrijfsactiviteiten);

    • 3.

      geen detailhandel mag plaatsvinden; en

    • 4.

      het gebruik geen nadelige invloed mag hebben op de verkeersafwikkeling en de parkeersituatie ter plaatse; ten aanzien van het laatste geldt als uitgangspunt dat dient te worden geparkeerd op eigen terrein.

EEEEEEEE

Paragraaf 19.1.14 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 19.1.14 Voormalig hoofdstuk 22m - TAM - omgevingsplan, Buitengebied verbranden snoeiafval buiten een installatie

Subparagraaf 19.1.14.1 Beoordelingsregels ten behoeve van milieubelastende activiteit

[Vervallen]

[Vervallen]

FFFFFFFF

Het opschrift van paragraaf 19.1.15 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 19.1.15 19.1.14 Voormalig hoofdstuk 22n - TAM - omgevingsplan - Buitengebied Rijssen, Veendijk 3-4, BuitenInn het Overveen (gereserveerd)

GGGGGGGG

Het opschrift van artikel 19.79 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.79 19.131 Voormalig hoofdstuk 22n - TAM - omgevingsplan - Buitengebied Rijssen, Veendijk 3-4, BuitenInn het Overveen (gereserveerd)

HHHHHHHH

Na paragraaf 19.1.15 worden twintig paragrafen ingevoegd, luidende:

Paragraaf 19.1.15 Voormalig hoofdstuk 22o - TAM - omgevingsplan, Buitengebied Holten, Helhuizerweg 28-30

Subparagraaf 19.1.15.1 Functies en gebiedsaanwijzingen

Artikel 19.132 Agrarisch landschap - gemengde functies
  • 1.

    Binnen de basisfunctie agrarisch landschap - gemengde functies is het volgende gebruik van de gronden toegestaan:

    • a.

      bestaande agrarische bedrijven en de uitoefening van het agrarische bedrijf;

    • b.

      bestaande niet-agrarische bedrijven;

    • c.

      bestaande woningen;

    • d.

      bestaande bedrijfswoningen;

    • e.

      bestaande tuin, erf, erfontsluiting en parkeervoorzieningen;

    • f.

      bestaande groenstructuren;

    • g.

      het aanleggen van kabels en leidingen ten behoeve van nutsvoorzieningen, met uitzondering van:

      • 1.

        aardgastransportleidingen met een diameter van meer dan 4" of een druk van meer dan 40 bar;

      • 2.

        transportleidingen voor brandbare vloeistoffen van de K1-, K2-, en K3-categorie met een diameter van meer dan 4";

      • 3.

        hoogspanningsleidingen;

      • 4.

        buisleidingen voor het transport van water, afvalwater of stoom met een doorsnede van 1 m of meer en een lengte van 10 km of meer;

    • h.

      transformatorstations ten dienste van nutsvoorzieningen;

    • i.

      een bestaande veldschuur;

    • j.

      een bestaand recreatief nachtverblijf;

    • k.

      bestaande sportactiviteiten;

    • l.

      hobbymatig agrarisch grondgebruik, waaronder mede begrepen het hobbymatig houden van dieren, anders dan ten behoeve van een agrarisch bedrijf;

    • m.

      bestaande dagrecreatie;

    • n.

      bestaande druiventeelt of;

    • o.

      het weiden van vee.

  • 2.

    Onder gebruik in strijd met deze functie wordt in ieder geval begrepen het gebruik van gronden voor gronden en gebouwen voor:

    • a.

      het nieuwvestigen van een (intensief) agrarisch bedrijf;

    • b.

      het omschakelen naar, uitbreiden met of toevoegen van geiten aan een bestaand (intensief) agrarisch bedrijf;

    • c.

      huisvesten van landbouwhuisdieren op een verdieping;

    • d.

      een kwekerij, tenzij dit gebruik expliciet is toegelaten in het locatiespecifieke artikel;

    • e.

      het vergisten van mest en het verhandelen van de daarbij vrijkomende energie, tenzij vergund met een omgevingsvergunning;

    • f.

      opslag van:

      • 1.

        afval anders dan ten gevolge van de toegelaten bedrijfsvoering;

      • 2.

        materialen of goederen in de openlucht anders dan ten behoeve van de toegelaten bedrijfsvoering;

      • 3.

        gevaarlijke stoffen anders dan ten behoeve van de toegelaten bedrijfsvoering;

      • 4.

        aan het gebruik onttrokken materialen en goederen, of;

      • 5.

        aan het gebruik onttrokken voer- en vaartuigen;

    • g.

      dagrecreatie of het plaatsen van kampeermiddelen, tenzij dit expliciet is toegelaten in het locatiespecifieke artikel of plaatsvindt op de daarvoor bewegwijzerde routes of aangewezen locaties;

    • h.

      detailhandel, tenzij dit gebruik expliciet is toegelaten in een locatiespecifiek artikel;

    • i.

      bewoning van vrijstaande bijbehorende bouwwerken als zelfstandige woning, tenzij dit gebruik expliciet is toegelaten in het locatiespecifieke artikel;

    • j.

      het splitsen van woningen, het toevoegen van woningen of het samenvoegen van woningen, tenzij dit gebruik expliciet is toegelaten in het locatiespecifieke artikel of vergund met een omgevingsvergunning;

    • k.

      recreatief verblijf in vrijstaande bijbehorende bouwwerken, tenzij vergund met een omgevingsvergunning;

    • l.

      bewoning van een (agrarische) bedrijfswoning anders dan ten dienste van de bedrijfsvoering, tenzij deze bewoning is aangevangen voor 1 november 2012;

    • m.

      bewoning van een woning door meer dan één huishouden, tenzij dit op basis van een melding of omgevingsvergunning is toegestaan

    • n.

      het uitbreiden van de verblijfsrecreatieve functie;

    • o.

      het uitbreiden van de horecabedrijf; of

    • p.

      een paardrijbak tenzij vergund met een omgevingsvergunning of op 1 januari 2024 legaal aanwezig was.

Artikel 19.133 Archeologische verwachtingswaarde Helhuizerweg 28-30 in Holten

Ter plaatse van de zonering archeologische verwachtingswaarde zijn de gronden behalve voor de daar al toegelaten functies, mede aangewezen voor het behoud, de bescherming of het herstel van de archeologische waarden.

Artikel 19.134 Hydrologische bescherming

Ter plaatse van de hydrologische beschermingszone zijn de gronden behalve voor de daar al toegelaten functies, mede aangewezen voor functies die de grondwaterstanden in het naastgelegen natuurgebied niet aantasten.

Artikel 19.135 Landschap Westflank Holterberg

Het landschap Westflank Holterberg wordt gevormd door kleinschalige akker- en graslanden, met beplante steilranden, houtwallen, gegroepeerde boerderijen en behoort tot het kampenlandschap.Dit landschap, waarin de hoogteligging afneemt van oost naar west, wordt gevormd door onregelmatige wegenpatroon, verspreide boerderijen, glooiende landerijen en beplantingselementen. Het gebied is gevarieerd en kleinschalig. Opgaven voor het landschap:

  • a.

    behoud en versterken kleinschalig landschap met als inspiratiebron het landschap van 1900 door houtwallen met zomereik als hoofdsoort;

  • b.

    behoud en versterken zichtrelatie met de Holterberg;

  • c.

    cultuurhistorisch beeld van boerderijen en erven behouden en versterken;

  • d.

    behoud van onverharde wegen ten behoeve van natuur en recreatie;

  • e.

    versterken landgoed en bos in de omgeving.

Artikel 19.136 Wonen twee-aaneen, Helhuizerweg 28-30
  • 1.

    Binnen de locatie wonen Helhuizerweg 28 - 30 in Holten is het volgende gebruik en zijn de volgende functies toegestaan:

    • a.

      wonen in de bestaande woningen met daarbij behorende:

      • 1.

        gebouwen;

      • 2.

        bouwwerken, geen gebouw zijnde;

      • 3.

        werken, geen bouwwerk zijnde;

    • b.

      voorzieningen zoals:

      • 1.

        in- en uitritten, parkeerplaatsen, paden en wegen;

      • 2.

        groen, landschappelijke inpassing zoals tuinen en/of erfbeplanting;

      • 3.

        speelvoorzieningen;

      • 4.

        water;

    • c.

      bed and breakfast in de woning, mits:

      • 1.

        niet meer dan drie kamers worden verhuurd; en

      • 2.

        de bed & breakfast ondergeschikt is aan de woonfunctie;

    • d.

      de mogelijkheid tot het opwekken van duurzame energie:

      • 1.

        met gebruik van een zelfstandige opstelling van zonnepanelen met de daarbij behorende voorzieningen of;

      • 2.

        met gebruik van windturbines op het dak van de woning met de daarbij behorende voorzieningen;

    • e.

      met dien verstande dat de gronden niet mogen worden beschouwd als erf.

  • 2.

    Onder strijdig gebruik met deze functie wordt in ieder geval begrepen het gebruik dat afwijkt van de functieomschrijving, waaronder in elk geval begrepen:

    • a.

      detailhandel;

    • b.

      bewoning van vrijstaande bijbehorende bouwwerken als zelfstandige woning;

    • c.

      het splitsen van woningen, het toevoegen van woningen of het samenvoegen van woningen;

    • d.

      bewoning van een woning door meer dan één huishouden, tenzij dit op basis van een melding/omgevingsvergunning is toegestaan;

    • e.

      een paardrijbak;

    • f.

      vrijstaande lichtmasten;

    • g.

      bewoning van vrijstaande bijbehorende bouwwerken als zelfstandige woning, tenzij dit gebruik expliciet is toegelaten in het locatiespecifieke artikel;

    • h.

      recreatief verblijf in vrijstaande bijbehorende bouwwerken, tenzij vergund met een omgevingsvergunning;

    • i.

      dagrecreatie of het plaatsen van kampeermiddelen, tenzij dit plaatsvindt op de daarvoor bewegwijzerde routes of aangewezen locaties;

    • j.

      het gebruik van een recreatief verblijfsobject of recreatiewoning anders dan voor recreatief verblijf. Daaronder moet in elk geval worden verstaan het gebruik ten behoeve van (reguliere) bedrijfsactiviteiten die niet gericht zijn op toerisme of het bieden van recreatief verblijf; 

    • k.

      zelfstandige kortdurende recreatieve activiteiten, zoals een wellness of sauna;

    • l.

      het gebruik van en het in gebruik laten nemen van gronden en bouwwerken zonder de aanleg en instandhouding van de landschappelijke inpassing zoals opgenomen in het erfinrichtingsplan Helhuizerweg 28 - 30 in Holten;

    • m.

      in afwijking van het bepaalde onder l mogen gronden en bouwwerken worden gebruikt voor de locatie wonen Helhuizerweg 28 - 30 in Holten onder de voorwaarde dat binnen 2 jaar na het onherroepelijk worden van dit TAM-omgevingsplan geheel uitvoering is gegeven aan de aanleg en de instandhouding van de landschappelijke inpassing conform het in het erfinrichtingsplan Helhuizerweg 28 - 30 in Holten.

Subparagraaf 19.1.15.2 Meldings- en vergunningplichten

Subsubparagraaf 19.1.15.2.1 Meldingsplichten (omgevingsplanactiviteit)
Artikel 19.137 Melding beroep of bedrijf aan huis

Het is toegestaan een beroep of bedrijf aan huis te realiseren als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a.

    een melding op grond van artikel 8.12 is gedaan;

  • b.

    de beroeps- of bedrijfsfunctie niet ondergeschikt is aan de woonfunctie;

  • c.

    minder dan 35% van het vloeroppervlak van de woning en de bijbehorende bouwwerken wordt gebruikt voor een aan huis gebonden beroeps- of bedrijfsactiviteit tot een maximale oppervlakte van:

    • 1.

      75 m², dan wel;

    • 2.

      indien de bestaande oppervlakte groter is, de oppervlakte zoals die bestond op 1 januari 2024;

  • d.

    degene die de beroeps- of bedrijfsactiviteiten uitvoert, de bewoner van de woning is;

  • e.

    de ruimtelijke uitstraling in overeenstemming is met de woonfunctie en woonomgeving;

  • f.

    er geen detailhandel en horeca-gerelateerde activiteiten plaatsvinden; en

  • g.

    de uitoefening van een aan huis gebonden beroeps- of bedrijfsactiviteit niet uitsluitend plaatsvindt in een bijbehorend bouwwerk.

Subsubparagraaf 19.1.15.2.2 Omgevingsvergunning bouwactiviteit (omgevingsplan)
Artikel 19.138 Algemene beoordelingsregels voor gebouwen en overkappingen

Een omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwen en overkappingen ten behoeve van wonen wordt verleend als:

  • a.

    situering en inpassing van bouwwerken op het (bestaande) erf vindt plaats aan de hand van het erfinrichtingsplan Helhuizerweg 28 - 30 in Holten;

  • b.

    nieuwe of te verbouwen bouwwerken worden op voldoende afstand van de weg opgericht vanwege het wegbeheer en de verkeersveiligheid. Voldoende afstand ten opzichte van de as van de weg is in ieder geval:

    • 1.

      provinciale weg: 50 meter

    • 2.

      lokale weg verhard: 20 meter

    • 3.

      lokale weg onverhard: 10 meter

  • c.

    Een kortere afstand dan onder sub b kan alleen als:

    • 1.

      dit vanuit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar is; en 

    • 2.

      de wegbeheerder vanuit wegbeheer en verkeersveiligheid geen bezwaar heeft;

  • d.

    Nieuwe vrijstaande bouwwerken worden in ieder geval 5 meter van andere bouwwerken opgericht, maar nooit verder dan 25 meter tenzij aan(een)gebouwde bouwwerken specifiek zijn toegelaten;

  • e.

    Nieuwe bouwwerken of te verbouwen bouwwerken voldoen aan redelijke eisen van beeld- en erfkwaliteit, zoals opgenomen in de welstandsnota;

  • f.

    Nieuwe bouwwerken op een onbebouwde of volledig gesaneerde locatie worden binnen een logische structuur ten opzichte van elkaar gesitueerd. De structuur wordt afgestemd met de opzet binnen het geldende landschapstype en de redelijke eisen van beeld- en erfkwaliteit zoals opgenomen in de welstandsnota.

Artikel 19.139 Specifieke beoordelingsregels voor wonen twee-aaneen

Een omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwen en overkappingen ten behoeve van wonen wordt verleend als:

  • a.

    per functie zijn maximaal twee woningen toegestaan, met dien verstande dat deze uitsluitend twee-aan-één worden gebouwd;

  • b.

    het maximum oppervlak is 150 m² per woning;

  • c.

    de maximale bouwhoogte is 10 meter;

  • d.

    de maximale goothoogte is 3,5 meter;

  • e.

    de minimale dakhelling is 30°; en

  • f.

    in afwijking van a tot en met e geldt dat afwijkingen in maten en afmetingen, zoals die bestaan op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp TAM-omgevingsplan gehandhaafd mogen worden;

Artikel 19.140 Specifieke beoordelingsregels voor bijbehorende bouwwerken

Een omgevingsvergunning voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken ten behoeve van wonen wordt verleend als:

  • a.

    het maximale oppervlak is 150 m² per woning, waarvan maximaal 30 m² aangebouwd;

  • b.

    per perceel mogen maximaal 2 vrijstaande bijbehorende bouwwerken worden gebouwd;

  • c.

    de maximale bouwhoogte van een vrijstaand bijbehorend bouwwerk is 6 meter;

  • d.

    de bouwhoogte van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk is tenminste 1 meter lager dan de vergunde bouwhoogte van het hoofdgebouw;

  • e.

    de maximale goothoogte is 3,5 meter;

  • f.

    de minimale dakhelling is 30°.

Artikel 19.141 Specifieke beoordelingsregels voor bouwwerken, geen gebouw zijnde

Een omgevingsvergunning voor het bouwen van de volgende specifieke bouwwerken, geen gebouw zijnde ten behoeve van wonen wordt verleend als:

  • a.

    zelfstandige opstelling van zonnepanelen voldoen aan de volgende voorwaarden:

    • 1.

      zelfstandige opstelling van zonnepanelen aansluitend aan bestaande bebouwing zijn alleen toegelaten als zonnepanelen op bebouwing of binnen de open ruimte tussen de bestaande bebouwing niet mogelijk zijn, omdat de opbrengst van de panelen op die plekken beperkt is;

    • 2.

      De maximale bouwhoogte van de opstelling is 2,5 meter;

    • 3.

      Het maximale oppervlak aan zonnepanelen in veldopstelling is 50 m²;

    • 4.

      Zonnepanelen in veldopstelling worden landschappelijk ingepast aan de hand van het geldende landschapstype en de welstandsnota;

    • 5.

      Als de opstelling binnen 200 meter is gelegen van de hartlijn van leiding - gas wordt advies aan de leidingbeheerder gevraagd voordat de omgevingsvergunning verleend kan worden;

  • b.

    de maximale bouwhoogte van windturbines die op het dak geplaatst worden, is 2 meter boven de nok van het dak;

  • c.

    de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde anders dan genoemd onder a, c en d, is maximaal 3 meter waarbij vrijstaande lichtmasten niet zijn toegestaan.

Artikel 19.142 Specifieke beoordelingsregels voor een paardrijbak

Een omgevingsvergunning voor het realiseren van een paardrijbak wordt in afwijking van het algemene strijdige gebruik in artikel 19.132 verleend als:

  • a.

    de paardrijbak in het achtererfgebied is gelegen;

  • b.

    er maximaal 1 paardrijbak per (bedrijfs)woning wordt gerealiseerd;

  • c.

    de paardrijbak aansluitend aan het bestaande erf gerealiseerd wordt, volgens het beginsel van bebouwingsconcentratie;

  • d.

    de oppervlakte van een paardrijbak bedraagt maximaal 1.300 m2;

  • e.

    de afstand tot de perceelgrens bedraagt minimaal 5 meter;

  • f.

    de omheiningen hebben een maximale hoogte van 1,8 meter;

  • g.

    lichtmasten zijn niet toegestaan.

Subsubparagraaf 19.1.15.2.3 Omgevingsvergunning activiteit werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid uitvoeren
Artikel 19.143 Omgevingsvergunning werk, niet zijnde bouwwerk of werkzaamheid uitvoeren
  • 1.

    Er geldt een omgevingsvergunningsplicht voor de volgende werken of werkzaamheden:

    • a.

      het aanleggen of verharden van wegen, paden, of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;

    • b.

      het egaliseren, diepploegen, diepwoelen op een diepte van meer dan 0,5 m onder maaiveld;

    • c.

      het ophogen van gronden met meer dan 0,2 m ten opzichte van het oorspronkelijke maaiveld;

    • d.

      het aanleggen of veranderen van waterlopen, sloten en greppels en het vergraven, verruimen en dempen van waterlopen en kolken en het draineren van gronden;

    • e.

      het aanbrengen van ondergrondse leidingen, constructies, installaties en apparatuur of;

    • f.

      het beplanten van gronden met diepwortelende bomen en struiken.

  • 2.

    In afwijking van de omgevingsvergunningsplicht is geen vergunning vereist voor werken of werkzaamheden:

    • a.

      voor oppervlakteverhardingen met een totale oppervlakte van 100 m²;

    • b.

      die het normale onderhoud betreffen;

    • c.

      die het aanleggen of laten aanleggen van kabels en leidingen ten behoeve van nutsvoorzieningen betreffen binnen de basisfunctielaag Infrastructuur en Agrarisch landschap - gemengde functies met toestemming van de net- of leidingbeheerder, met uitzondering van:

      • 1.

        aardgastransportleidingen met een diameter van meer dan 4" of een druk van meer dan 40 bar;

      • 2.

        transportleidingen voor brandbare vloeistoffen van de K1-, K2-, en K3-categorie met een diameter van meer dan 4";

      • 3.

        hoogspanningsleidingen;

      • 4.

        buisleidingen voor het transport van water, afvalwater of stoom met een doorsnede van 1 m of meer en een lengte van 10 km of meer;

    • d.

      reeds in uitvoering zijn dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan;

    • e.

      waarvoor een omgevingsvergunningsplicht en voorwaarden in verband met archeologie vereist is;

    • f.

      het aanleggen of verharden van wegen of paden ter directe ontsluiting van agrarische (bouw)percelen;

    • g.

      het aanleggen van koe- of kavelpaden; of

    • h.

      die uitgevoerd worden in het kader van een door het bevoegd gezag vastgesteld ruimtelijk kwaliteitsplan.

Artikel 19.144 Beoordelingsregels in verband met overige grondwerkzaamheden

Een omgevingsvergunning op grond van artikel 19.143 kan worden verleend: 

  • a.

    mits er geen aantasting plaatsvindt van:

  • b.

    de landschappelijke en natuurlijke waarden;

  • c.

    de milieusituatie;

  • d.

    de verkeersveiligheid;

  • e.

    de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden; of

  • f.

    de externe veiligheid.

Artikel 19.145 Omgevingsplanactiviteit in verband met hydrologische bescherming
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een nieuwe ontwikkeling binnen de hydrologische beschermingszone uit te voeren.

  • 2.

    Er is geen omgevingsvergunning nodig voor:

    • a.

      bouwwerken of werken waarbij de bodem niet op een grotere diepte dan 0,5 meter wordt verstoord;

    • b.

      bouwwerken of werken waarvoor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen is verleend en waarbij een rapport is overlegd waarin de effecten op de hydrologie zijn vastgesteld. Dit rapport mag niet ouder dan 5 jaar zijn; of

    • c.

      het vervangen van bouwwerken op de bestaande fundering.

Artikel 19.146 Beoordelingsregels in verband met hydrologische bescherming

Voor een besluit op de aanvraag wordt genomen wint het college schriftelijk advies in bij de grondwater- en leidingbeheerder, alsmede het betreffende waterschap en de provincie Overijssel.

Artikel 19.147 Voorschriften omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk of werkzaamheden in verband met hydrologische bescherming

Aan de omgevingsvergunning kunnen voorwaarden worden verbonden met de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor geen nadelige hydrologische effecten optreden;

Paragraaf 19.1.16 Voormalig hoofdstuk 22p - TAM - omgevingsplan, Buitengebied Holten, Langstraat 26 (gereserveerd)

Artikel 19.148 Voormalig hoofdstuk 22p - TAM - omgevingsplan, Buitengebied Holten, Langstraat 26 (gereserveerd)

[Gereserveerd]

Paragraaf 19.1.17 Voormalig hoofdstuk 22q - TAM - omgevingsplan, Buitengebied Holten, Kwintenweg 8-10 (gereserveerd)

Artikel 19.149 Voormalig hoofdstuk 22q - TAM - omgevingsplan, Buitengebied Holten, Kwintenweg 8-10 (gereserveerd)

[Gereserveerd]

Paragraaf 19.1.18 Voormalig hoofdstuk 22r - TAM-omgevingsplan, Buitengebied Holten, Rutgersweg 4 (gereserveerd)

Artikel 19.150 Voormalig hoofdstuk 22r - TAM-omgevingsplan, Buitengebied Holten, Rutgersweg 4 (gereserveerd)

[Gereserveerd]

Paragraaf 19.1.19 Voormalig hoofdstuk 22s - TAM-omgevingsplan, Buitengebied Holten, Sangeldijk 10 (gereserveerd)

Artikel 19.151 Voormalig hoofdstuk 22s - TAM-omgevingsplan, Buitengebied Holten, Sangeldijk 10 (gereserveerd)

[Gereserveerd]

Paragraaf 19.1.20 Voormalig hoofdstuk 22t - TAM-omgevingsplan, Wonen Holten, Maatmansweg 4a (gereserveerd)

Artikel 19.152 Voormalig hoofdstuk 22t - TAM-omgevingsplan, Wonen Holten, Maatmansweg 4a (gereserveerd)

[Gereserveerd]

Paragraaf 19.1.21 Voormalig hoofdstuk 22u - TAM-omgevingsplan, Wonen Holten, Nieuwbouw Kulturhus Dijkerhoek (gereserveerd)

Artikel 19.153 Voormalig hoofdstuk 22u - TAM-omgevingsplan, Wonen Holten, Nieuwbouw Kulturhus Dijkerhoek (gereserveerd)

[Gereserveerd]

Paragraaf 19.1.22 Voormalig hoofdstuk 22v - TAM-omgevingsplan, Buitengebied Holten, Maneschijnsweg 2 (gereserveerd)

Artikel 19.154 Voormalig hoofdstuk 22v - TAM-omgevingsplan, Buitengebied Holten, Maneschijnsweg 2 (gereserveerd)

[Gereserveerd]

Paragraaf 19.1.23 Voormalig hoofdstuk 22w - TAM-omgevingsplan, Buitengebied Holten, Rutgersweg 4 (gereserveerd)

Artikel 19.155 Voormalig hoofdstuk 22w - TAM-omgevingsplan, Buitengebied Holten, Rutgersweg 4 (gereserveerd)

[Gereserveerd]

Paragraaf 19.1.24 Voormalig hoofdstuk 22x - TAM-omgevingsplan, Wonen Holten, nieuwbouw Waerdenborch (gereserveerd)

Artikel 19.156 Voormalig hoofdstuk 22x - TAM-omgevingsplan, Wonen Holten, nieuwbouw Waerdenborch (gereserveerd)

[Gereserveerd]

Paragraaf 19.1.25 Voormalig hoofdstuk 22y - TAM-omgevingsplan, Buitengebied Holten, Helhuizerweg 22 en Postweg 124 (gereserveerd)

Artikel 19.157 Voormalig hoofdstuk 22y - TAM-omgevingsplan, Buitengebied Holten, Helhuizerweg 22 en Postweg 124 (gereserveerd)

[Gereserveerd]

Paragraaf 19.1.26 Voormalig hoofdstuk 22z - TAM-omgevingsplan, Wonen Rijssen, Stokmansveldweg 9a (gereserveerd)

Artikel 19.158 Voormalig hoofdstuk 22z - TAM-omgevingsplan, Wonen Rijssen, Stokmansveldweg 9a (gereserveerd)

[Gereserveerd]

Paragraaf 19.1.27 Voormalig hoofdstuk 22aa - TAM-omgevingsplan, Wonen Rijssen, Vennekesgaarden 49-59a (gereserveerd)

Artikel 19.159 Voormalig hoofdstuk 22aa - TAM-omgevingsplan, Wonen Rijssen, Vennekesgaarden 49-59a (gereserveerd)

[Gereserveerd]

Paragraaf 19.1.28 Voormalig hoofdstuk 22ab - TAM-omgevingsplan, Buitengebied Holten, Sangeldijk 7 (gereserveerd)

Artikel 19.160 Voormalig hoofdstuk 22ab - TAM-omgevingsplan, Buitengebied Holten, Sangeldijk 7 (gereserveerd)

[Gereserveerd]

Paragraaf 19.1.29 Voormalig hoofdstuk 22ac - TAM-omgevingsplan, Buitengebied Rijssen, Venegge 8 (gereserveerd)

Artikel 19.161 Voormalig hoofdstuk 22ac - TAM-omgevingsplan, Buitengebied Rijssen, Venegge 8 (gereserveerd)

[Gereserveerd]

Paragraaf 19.1.30 Voormalig hoofdstuk 22ad - TAM-omgevingsplan, Buitengebied Holten, Hessenweg 1-3 (gereserveerd)

Artikel 19.162 Voormalig hoofdstuk 22ad - TAM-omgevingsplan, Buitengebied Holten, Hessenweg 1-3 (gereserveerd)

[Gereserveerd]

Paragraaf 19.1.31 Voormalig hoofdstuk 22af, TAM-omgevingsplan, Enterstraat 101 (gereserveerd)

Artikel 19.163 Voormalig hoofdstuk 22af, TAM-omgevingsplan, Enterstraat 101 (gereserveerd)

[Gereserveerd]

Paragraaf 19.1.32 Voormalig hoofdstuk 22ag, TAM-omgevingsplan, Buitengebied Holten, Beumersteeg 10 (gereserveerd)

Artikel 19.164 Voormalig hoofdstuk 22ag, TAM-omgevingsplan, Buitengebied Holten, Beumersteeg 10 (gereserveerd)

[Gereserveerd]

Paragraaf 19.1.33 Voormalig hoofdstuk 22ah, TAM-omgevingsplan, Buitengebied Holten, Beusebergerweg 43 (gereserveerd)

Artikel 19.165 Voormalig hoofdstuk 22ah, TAM-omgevingsplan, Buitengebied Holten, Beusebergerweg 43 (gereserveerd)

[Gereserveerd]

Paragraaf 19.1.34 Voormalig hoofdstuk 22ai - TAM-omgevingsplan, Wonen Rijssen, actualisatie Opbroek Oost fases 2, 3 en 4 (gereserveerd)

Artikel 19.166 Voormalig hoofdstuk 22ai - TAM-omgevingsplan, Wonen Rijssen, actualisatie Opbroek Oost fases 2, 3 en 4 (gereserveerd)

[Gereserveerd]

IIIIIIII

Na afdeling 19.1 worden twee afdelingen ingevoegd, luidende:

Afdeling 19.2 Reparaties en aanpassingen tijdelijk deel omgevingsplan

Paragraaf 19.2.1 Ambtsgebied

[Gereserveerd]

Paragraaf 19.2.2 Buitengebied

Artikel 19.167 Bovenleiding 1 Rijssen
  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op de locatie Bovenleiding 1 Rijssen hoogspanning station.

  • 2.

    Artikel 8.9 'overige zone - Zonering grondgebonden zonnepanelen 'ja, mits'' uit het bestemmingsplan Buitengebied Rijssen, Hoogspanningsstation 110kV (NL.IMRO.1742.BP2021004-0401)van het tijdelijk deel omgevingsplan is niet meer van toepassing.

  • 3.

    De gebiedsaanduiding 'overige zone - Zonering grondgebonden zonnepanelen 'ja, mits'' op grond van artikel 8.9 van het bestemmingsplan Buitengebied Rijssen, Hoogspanningsstation 110kV (NL.IMRO.1742.BP2021004-0401) niet meer van toepassing is.

  • 4.

    Artikel 610 'Zonering risicobronnen in de vorm van opslagtanks' uit het Chw Veegplan Buitengebied Rijssen-Holten (NL.IMRO.1742.BPB2023000-0401) van het tijdelijk deel omgevingsplan is van toepassing. 

Artikel 19.168 Deventerweg 73 Holten
  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op de locatie Deventerweg 73 Holten.

  • 2.

    Artikel 69 'Agrarisch bedrijf Deventerweg 73 in Holten' uit het Chw Veegplan Buitengebied Rijssen-Holten (NL.IMRO.1742.BPB2023000-0401) van het tijdelijk deel omgevingsplan is niet langer van toepassing.

Artikel 19.169 Karakteristieke woning
  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op locaties karakteristieke woning

  • 2.

    Artikel 18 'Karakteristieke woning' uit het Chw Veegplan Buitengebied Rijssen-Holten (NL.IMRO.1742.BPB2023000-0401) van het tijdelijk deel omgevingsplan is niet meer van toepassing.

  • 3.

    Artikel 17.1 tot en met 17.4.3 uit het Chw Veegplan Buitengebied Rijssen-Holten (NL.IMRO.1742.BPB2023000-0401) van het tijdelijk deel omgevingsplan is van toepassing.

Artikel 19.170 Karakteristieke woning met inwoning
  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op locaties karakteristieke woning met inwoning.

  • 2.

    Artikel 17 uit het Chw Veegplan Buitengebied Rijssen-Holten (planidentificatie NL.IMRO.1742.BPB2023000-0401) van het tijdelijk deel omgevingsplan is niet meer van toepassing. 

  • 3.

    Artikel 19.1 tot en met 19.4.3 uit het Chw Veegplan Buitengebied Rijssen-Holten (planidentificatie NL.IMRO.1742.BPB2023000-0401) van het tijdelijk deel omgevingsplan is van toepassing. 

Artikel 19.171 Karakteristieke woning met inwoning met voormalige agrarische bedrijfsbebouwing
Artikel 19.172 Middeldijk ongenummerd Rijssen
  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op de locatie Middeldijk ong. Rijssen.

  • 2.

    Artikel 518 'opslag agrarische doeleinden met bestaande bebouwing' uit het Chw Veegplan Buitengebied Rijssen-Holten (NL.IMRO.1742.BPB2023000-0401) van het tijdelijk deel omgevingsplan is van toepassing. 

Artikel 19.173 Oude Stationsweg 8 Holten
  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op de locatie Oude Stationsweg 8 Holten.

  • 2.

    Artikel 46.3 sub d 'Agrarisch landschap - gemengde functies' uit het Chw Veegplan Buitengebied Rijssen-Holten (NL.IMRO.1742.BPB2023000-0401) van het tijdelijk deel omgevingsplan is niet van toepassing voor wat betreft de teelt van sedum en vergelijkbare plantsoorten voor groendaken. 

  • 3.

    In aanvulling op het toegelaten gebruik op grond van artikel 46.2 'Agrarisch landschap - gemengde functies' uit het Chw Veegplan Buitengebied Rijssen-Holten (NL.IMRO.1742.BPB2023000-0401) van het tijdelijk deel omgevingsplan is de teelt van sedum en vergelijkbare plantsoorten voor groendaken toegestaan. 

Artikel 19.174 Ploegweg ongenummerd Rijssen
  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op de locatie Ploegweg ong. Rijssen.

  • 2.

    Op de locatie Ploegweg ong. Rijssen is het mogelijk om met omgevingsvergunning één veldschuur te bouwen met de volgende maatvoering;

    • a.

      de maximale oppervlakte is 35 m2;

    • b.

      de maximale bouwhoogte is 5 m;

    • c.

      de maximale goothoogte van 3,5 m;

    • d.

      de minimale dakhelling is 15°.

  • 3.

    De bestaande veldschuur Ploegweg dient binnen twee maanden na gereed melding van de bouw van de nieuwe veldschuur als bedoeld in tweede lid volledig gesloopt te zijn (inclusief fundering). 

Artikel 19.175 Postweg 84 Holten
  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op de locatie Postweg 84 Holten.

  • 2.

    Artikel 285.1, 285.2, 285.3, 285.4.2 onder c en 285.4.4 van het Chw Veegplan Buitengebied Rijssen-Holten (NL.IMRO.1742.BPB2023000-0401) van het tijdelijk deel omgevingsplan zijn niet meer van toepassing. 

  • 3.

    Artikelen 35.1 tot en met 35.3 'Woning' van het Chw Veegplan Buitengebied Rijssen-Holten (NL.IMRO.1742.BPB2023000-0401) uit het tijdelijk deel omgevingsplan zijn van toepassing

Artikel 19.176 Voorwaardelijke verplichting - erfinrichtingsplan Koerselmansweg 14 Okkenbroek
  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op de locatie Koerselmansweg 14 Okkenbroek.

  • 2.

    In aanvulling op artikel 46.2 'Agrarisch landschap - gemengde functies' en 103.2 'Agrarisch bedrijf Koerselmansweg 14 in Okkenbroek ' van het Chw Veegplan Buitengebied Rijssen-Holten (NL.IMRO.1742.BPB2023000-0401) uit het tijdelijk deel omgevingsplan geldt, dat tot een gebruik in strijd met het omgevingsplan in ieder geval gerekend wordt:

    • a.

      het gebruik van en het in gebruik laten nemen van gronden en bouwwerken zonder de uitvoering en instandhouding van de (landschaps)maatregelen conform het in bijlage III opgenomen erfinrichtingsplan Koerselmansweg 14 Okkenbroek.

    • b.

      in afwijking van bepaalde onder a mogen gronden en bouwwerken worden gebruikt onder de voorwaarde dat binnen 18 maanden na het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan Koerselmansweg 14 - Oerdijk 238 (NL.IMRO.0150.P417-VG01) uitvoering wordt gegeven aan de aanleg en instandhouding van de (landschaps)maatregelen conform conform het in bijlage III opgenomen erfinrichtingsplan Koerselmansweg 14 Okkenbroek.

Artikel 19.177 Woning met inwoning
  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op locaties voor een woning met inwoning.

  • 2.

    Artikel 35 'Woning' van het Chw Veegplan Buitengebied Rijssen-Holten (NL.IMRO.1742.BPB2023000-0401) uit het tijdelijk deel omgevingsplan is niet meer van toepassing.

  • 3.

    Artikel 40.1 tot en met 40.4.3 'Woning' van het Chw Veegplan Buitengebied Rijssen-Holten (NL.IMRO.1742.BPB2023000-0401) uit het tijdelijk deel omgevingsplan is van toepassing.

Artikel 19.178 Woning met inwoning met voormalige agrarische bebouwing
  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op locaties woning met inwoning met voormalige agrarische bedrijfsbebouwing.

  • 2.

    Artikel 42 'Woning met voormalige agrarische bedrijfsbebouwing' uit het Chw Veegplan Buitengebied Rijssen-Holten (planidentificatie NL.IMRO.1742.BPB2023000-0401) van het tijdelijk deel omgevingsplan is niet meer van toepassing. 

  • 3.

    Artikel 41.1 tot en met 41.1.3 'Woning met inwoning met voormalige agrarische bedrijfsbebouwing' uit het Chw Veegplan Buitengebied Rijssen-Holten (planidentificatie NL.IMRO.1742.BPB2023000-0401) van het tijdelijk deel omgevingsplan is van toepassing. 

Paragraaf 19.2.3 Stedelijk gebied

Artikel 19.179 Fuut 5 en 7 e.o. in Rijssen
  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op de locatie Fuut 5 en 7 e.o in Rijssen.

  • 2.

    Het bestemmingsvlak ‘Groen’ op de plankaart van het bestemmingsplan Wonen Rijssen (NL.IMRO.1742.BPRW2009000-0401) van het tijdelijk deel omgevingsplan is niet meer van toepassing.

  • 3.

    Het bestemmingsvlak ‘Wonen - vrijstaand’ op de plankaart van het bestemmingsplan Wonen Rijssen (NL.IMRO.1742.BPRW2009000-0401) van het tijdelijk deel omgevingsplan is van toepassing.

  • 4.

    Het ‘bouwvlak’ van de plankaart van het bestemmingsplan Wonen Rijssen (NL.IMRO.1742.BPRW2009000-0401) van het tijdelijk deel omgevingsplan is van toepassing.

  • 5.

    De bouwaanduiding 'specifieke bouwaanduiding - lage goot' van de plankaart van het bestemmingsplan Wonen Rijssen (NL.IMRO.1742.BPRW2009000-0401) van het tijdelijk deel omgevingsplan is van toepassing.

  • 6.

    Artikel 8 ‘Groen' uit het Veegplan Wonen Rijssen (NL.IMRO.1742.BPRW2017000-0401) van het tijdelijk deel omgevingsplan is niet meer van toepassing.

  • 7.

    Artikel 25.1 onder a, 25.2.1 en 25.2.2 en 25.2.3 ‘Wonen - vrijstaand' uit het Veegplan Wonen Rijssen (NL.IMRO.1742.BPRW2017000-0401 van het tijdelijk deel omgevingsplan  is van toepassing.

Artikel 19.180 Sport - grenzend voormalig RV-terrein
  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op de locatie RSN01 B10049 (strook naast voormalig RV-terrein).

  • 2.

    Van artikel 15 'Sport' van het bestemmingsplan Wonen Rijssen (NL.IMRO.1742.BPRW2009000-0401) en Veegplan Wonen Rijssen (NL.IMRO.1742.BPRW2017000-0401) uit het tijdelijk deel omgevingsplan is alleen artikel 15.1 onder e van toepassing.

  • 3.

    De overige delen van artikel 15.1 uit het artikel 15 'Sport' van het bestemmingsplan Wonen Rijssen (NL.IMRO.1742.BPRW2009000-0401) en Veegplan Wonen Rijssen (NL.IMRO.1742.BPRW2017000-0401) uit het tijdelijk deel omgevingsplan zijn niet meer van toepassing.

Artikel 19.181 Toegelaten horeca-categorie
  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op de locatie buurtcentrum

  • 2.

    Van artikel 16.1 van het bestemmingsplan Wonen Rijssen (NL.IMRO.1742.BPRW2009000-0401) en Veegplan Wonen Rijssen (NL.IMRO.1742.BPRW2017000-0401) uit het tijdelijk deel omgevingsplan zijn alleen horecabedrijven overeenkomstig de categorieën 1 en 2 zoals vermeld in de bij die regels horende bijlage 3 (Categorie-indeling horecabedrijven) toegelaten.

  • 3.

    Van artikel 16.1 van het bestemmingsplan Wonen Rijssen (NL.IMRO.1742.BPRW2009000-0401) uit het tijdelijk deel omgevingsplan is de functieaanduiding 'horeca tot en met horecacategorie 2' niet meer van toepassing.

Afdeling 19.3 Ontwikkelgebieden en locatiespecifieke ontwikkelingen (gereserveerd) 

[Gereserveerd]

JJJJJJJJ

Bijlage I wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage I Begripsbepalingen, bij artikel 1.1, tweede lid van dit omgevingsplan

aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik of het bebouwen van deze gronden

aansluitafstand:

afstand tussen een leiding van het distributienet en het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij die leiding bevindt, gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt

aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit

een beroeps- of bedrijfsactiviteit, uitgevoerd door (een van) de hoofdbewoner(s) van de woning, waarvan de activiteiten in hoofdzaak niet verkeersaantrekkend of milieuhinderlijk zijn en geen betrekking hebbend op detailhandel of horecagerelateerde activiteiten, die op kleine schaal in een woning of daarbij behorende bijgebouwen wordt uitgeoefend, waarbij de desbetreffende activiteit een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie en de woonomgeving ter plaatse

ander bouwwerk

een bouwwerk, geen gebouw zijnde

archeologische waarde

de waarde die van belang is voor de archeologie en voor de kennis van de beschavingsgeschiedenis die vanwege hun zeldzaamheid of vanwege hun betekenis voor archeologisch onderzoek in aanmerking komen voor behoud, bescherming en - zo mogelijk - herstel of bijzonder beheer

AS SIKB 2000:

AS SIKB 2000: Accreditatieschema Veldwerk bij Milieuhygiënisch Bodem- en waterbodemonderzoek, versie 2.8, 07‑02‑2014, met wijzigingsblad van 10‑02‑2018

bebouwing

één of meer gebouwen of bouwwerken geen gebouwen zijnde

bebouwingsgebied:

achtererfgebied en de grond onder het hoofdgebouw, uitgezonderd de grond onder het oorspronkelijk hoofdgebouw

bebouwingspercentage

een in de regels aangegeven percentage dat de grootte aangeeft van een bouwperceel dat ten hoogste mag worden bebouwd

bedrijfswoning

een woning in of bij een gebouw op een terrein, die behoort bij en functioneel gebonden is aan een bedrijf, bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting gelet op de functie van het gebouw of gronden noodzakelijk is

bedrijventerrein

cluster aaneengesloten percelen met overwegend bedrijfsfuncties of een aangewezen gebied voor bedrijven met uitzondering van een industrieterrein of locatie met een geluidproductieplafond

bed and breakfast

het binnen de (bedrijfs)woning bieden van, ten opzichte van het hoofdgebruik ondergeschikte, een mogelijkheid tot recreatief nachtverblijf en ontbijt. Hieronder wordt in ieder geval niet verstaan overnachting, noodzakelijk in verband met het verrichten van tijdelijke of seizoensgebonden werkzaamheden, studie of arbeid of permanente kamerverhuur

bedrijf

een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis verbonden beroepen daaronder niet begrepen

bedrijfsgebouw

een gebouw, dat gebruikt wordt voor de uitoefening van een bedrijf

bedrijfswoning

een woning in of bij een gebouw of op of bij een terrein, die hoort bij en functioneel gebonden is aan een bedrijf, instelling of voorziening in dat gebouw of op dat terrein

beheerder openbaar riool

beheerder van het openbaar riool is het college van burgemeester en wethouders

begane grond

de bouwlaag van een gebouw ter hoogte van het peil

beginsel van bebouwingsconcentratie

het uitgangspunt dat bebouwing in logische samenhang en of samenhangende afstand wordt gebouwd

bestaand
  • het gebruik dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan aanwezig is binnen het betreffende bouwperceel of bebouwing die op dat tijdstip aanwezig of in uitvoering is, dan wel kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning;

  • het onder 1 bedoelde geldt niet voor zover sprake was van strijd met het voorheen geldende omgevingsplan, de voorheen geldende Beheersverordening, daaronder mede begrepen het overgangsrecht van het omgevingsplan of de Beheersverordening, of een andere planologische toestemming;

bevoegd gezag

het college van burgemeester en wethouders, tenzij in dit plan of bij wettelijk voorschrift anders is bepaald

bijgebouw

een vrijstaand gebouwd, betreffende bij een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw

binnenplanse omgevingsplanactiviteit

het wijzigen, toevoegen of afwijken van een functie onder voorwaarden zoals genoemd in dit omgevingsplan

boederijeappartementen

een deel van een bedrijf, welke dient voor recreatief nachtverblijf, waarbij wordt overnacht in zelfstandige eenheden. Het gaat om een vorm van verblijfsrecreatie die mede tot doel heeft de agrarische c.q. plattelandsomgeving te ervaren

boom

een vrijstaande boom, bomen in rijen of als bos, een houtwal en één of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen

bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats

bouwgrens

de grens van een bouwvlak

bouwlaag

een verdieping van zodanige afmeting en vorm dat de daardoor ontstane ruimte zonder ingrijpende voorzieningen geschikt kan worden gemaakt voor de betreffende functie.

bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten

bouwperceelsgrens

de grens van een bouwperceel

bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten

BRL SIKB 2000:

BRL SIKB 2000: Beoordelingsrichtlijn 2000, Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek, versie 5, 12‑12‑2013

BRL SIKB 7000:

BRL SIKB 7000: Beoordelingsrichtlijn 7000, Uitvoering van (water)bodemsaneringen en ingrepen in de waterbodem, versie 5, 19‑06‑2014, met wijzigingsblad van 12‑02‑2015

carport

een bouwwerk in de vorm van een overkapping, kennelijk bedoeld voor het stallen van motorvoertuigen, bestaande uit maximaal drie wanden waarvan maximaal twee tot de constructie zelf behoren

coffee-, head- of growshop

winkel waar softdrugs, producten waarin softdrugs verwerkt zijn of paddenstoelen of attributen voor het gebruiken of telen van softdrugs en paddenstoelen te koop zijn

college

college van burgemeester en wethouders

concentratiegebied geurhinder en veehouderij:

gebied I of gebied II, bedoeld in bijlage I bij de Meststoffenwet, of een in dit omgevingsplan aangewezen concentratiegebied

crossterrein

terrein gebruikt voor een wedstrijd of training met motorfietsen of een daarmee gelijk te stellen voertuig. Op het terrein is een parcours uitgezet met natuurlijke hindernissen

cultuurhistorische waarde

de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan door het gebruik van de mens door de jaren heen.

DAEB-norm

de inkomensgrens bedoeld in artikel 48, eerste lid van de Woningwet

dagrecreatie

ondergeschikt medegebruik van gronden voor niet-gemotoriseerde recreatieve of niet in wedstrijdverband georganiseerde sportieve activiteiten, zoals wandelen, hardlopen, nordic-walken, fietsen, mountainbiken, racefietsen, skaten, paardrijden, vissen, zwemmen en natuurobservatie of een naar de aard daarmee gelijk te stellen (mede)gebruik. De activiteiten dienen plaats te vinden tussen zonsopgang en zonsondergang, tenzij de grondeigenaar anders kenbaar maakt

dak

iedere bovenbeëindiging van een gebouw

darkstore

distriebutiecentrum of magazijn dat alleen dagelijkse boodschappen en producten op (online) bestelling levert

detailhandel

het bedrijfsmatig voor verhuur, lease of te koop aanbieden van goederen, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan degenen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit

dienstverlening

het bedrijfsmatig verlenen van diensten aan derden, waarbij afnemers rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen

distributienet voor warmte:

collectief circulatiesysteem voor het transport van warmte door een circulerend medium voor verwarming of warmtapwater

doorstromer op de koopmarkt

een huishouden dat al over een koopwoning beschikt, maar door economische groei of demografische verandering wil overstappen naar een duurdere categorie woning

dunning

het kappen van houtopstanden als onderhoudsmaatregel die erop gericht is de resterende houtopstanden een (betere) overlevingskans te bieden

erf

bebouwd of onbebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, waarbij het omgevingsplan die inrichting niet verbiedt. Deze definitie is van invloed op de mogelijkheden om een bouwwerk zonder omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen of handelen in strijd met de regels ruimtelijke ordening te kunnen bouwen (het zogenoemde vergunningsvrij bouwen)

erfinrichtingsplan

plan dat aangeeft op welke wijze de inpassing van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen in het desbetreffende gebied plaatsvindt; tot deze inpassing behoren de situering van opstallen en de inrichting van het perceel, waaronder de erfbeplanting ten opzichte van het landschap; het gaat om bestaande en gewenste karakteristieken en kwaliteiten van het landschap

evenement

elke voor publiek toegankelijke verrichting, georganiseerde gebeurtenis, openluchtmanifestatie, (thema-)dag of week en/of herdenking die al dan niet met een zekere regelmaat (bijvoorbeeld maandelijks, jaarlijks of jaaroverstijgend) plaatsvindt;

  • a.

    waardoor het normaal maatschappelijk gebruik van de gronden niet mogelijk is gedurende:

    • 1.

      tenminste één aanééngesloten periode van 24 uur (inclusief het opbouwen en afbreken): of

    • 2.

      tenminste twee niet opéénvolgende dagen of vier niet opéénvolgende dagdelen: en

  • b.

    met een omvang van meer dan 250 bezoekers/deelnemers/toeschouwers/gasten gelijktijdig aanwezig: en

  • c.

    met een langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (Lar,lt) van meer dan 40 dB(A) op de gevel van de dichtst bij gelegen woningen om en nabij het (evenementen)terrein.

evenement categorie 1

Evenementen in de categorie 1 hebben een:

  • a.

    maximale duur van 72 aaneengesloten uren (inclusief het opbouwen en afbreken)

  • b.

    maximum aantal bezoekers van 500 gelijktijdig aanwezig; of

  • c.

    maximaal langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (Lar,lt) van 65 dB(A) op de gevels van de woningen om en nabij het (evenementen)terrein.

evenement categorie 2

Evenementen in de categorie  hebben een:

  • a.

    maximale duur van 120 aaneengesloten uren (inclusief het opbouwen en afbreken)

  • b.

    maximum aantal bezoekers van 1000 gelijktijdig aanwezig; of

  • c.

    maximaal langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (Lar,lt) van 75 dB(A) op de gevels van de woningen om en nabij het (evenementen)terrein.

evenement categorie 3

Evenementen in de categorie 3 hebben een:

  • a.

    minimale duur van 120 aaneengesloten uren (inclusief het opbouwen en afbreken)

  • b.

    maximum aantal bezoekers van 1000 gelijktijdig aanwezig; of

  • c.

    maximaal langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (Lar,lt) van 85 dB(A) op de gevels van de woningen om en nabij het (evenementen)terrein.

familiewoning

een (gedeelte van een) bijgebouw bij een hoofdgebouw binnen de functie wonen dat dient voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden van maximaal twee personen, van wie ten minste één persoon een eerste graad familieband heeft met één of meer bewoners van het hoofdgebouw.

functie

het gebruiksdoel of de status (in de betekenis van bijzondere eigenschap) die een onderdeel van de fysieke leefomgeving op een bepaalde locatie heeft. Veelal wordt een functie begrensd door een werkingsgebied met daarbinnen geldende regels over gebruik of bouwwerken.

gebouw

elk bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt

geliberaliseerde woning voor de middenhuur

huurwoning als bedoeld in artikel 5.161c lid 1 onder c van het Besluit kwaliteit leefomgeving met keuken-, toilet- en badkamerinrichting

geluidgevoelig gebouw

gebouw,  zoals bedoeld in artikel 3.21 Besluit kwaliteit leefomgeving, dat:

  • a.

    is toegelaten op basis van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor beide voor een periode van meer dan 10 jaar; of

  • b.

    is toegelaten op basis van het tijdelijke deel omgevingsplan voor een periode van maximaal 10 jaar.

 

geluidscherm

een verticale barrière tussen de bron en de ontvanger van het geluid in de vorm van een geluidscherm, muur of soortgelijke voorziening met een massa van tenminste 10 kg/m2 en wat kierdicht is

geluidsreducerende maatregel

voorzieningen ten behoeve van de wering of reducering van geluid(soverlast)

geluidswal

een geluidwerende voorziening van aarde

gemeentelijk erfgoedregister

door het college bijgehouden register dat gegevens bevat over de inschrijving en ter identificatie van het aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed

geurgevoelig gebouw

gebouw, gedeelte van een gebouw of een nog niet gerealiseerd gebouw of gedeelte daarvan dat: 

  • a.

    is toegelaten op grond van het omgevingsplan; of

  • b.

    een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van meer dan 10 jaar; en

  • c.

    dat gezien de aard, indeling, inrichting en de in het omgevingsplan gegeven functie geschikt is voor menselijk verblijf.

glastuinbouwbedrijf

deel van de tuinbouwsector waarbij de planten in kglazen) kassen groeien

industrieterrein of locatie met een geluidproductieplafond

cluster aaneengesloten percelen met overwegend bedrijfsfuncties, een aangewezen gebied voor industrie of een losse locatie, waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld

hoofdgebouw

een of meer panden, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige functie van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op die functie het belangrijkste is

horecabedrijf

een bedrijf waar hoofdzakelijk dranken of etenswaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt of waarin logies wordt verstrekt, zoals bijvoorbeeld een café, restaurant, hotel, pension, en naar de aard en openingstijden daarmee gelijk te stellen bedrijven, een en ander al dan niet in combinatie met een vermaaksfunctie met uitzondering van een erotisch getinte vermaaksfunctie

huishouden(s)

een huishouden bestaande uit een natuurlijk persoon of een natuurlijk persoon en zijn niet duurzaam gescheiden levende echtgenoot, geregistreerd partner of degene die met hem een gemeenschappelijke huishouding voert of zal gaan voeren in de te huren of aan te kopen woning, niet zijnde kinderen of pleegkinderen

samenlevingsvorm van één gezin of met een gezin gelijk te stellen samenlevingsverband

huishoudinkomen

inkomen als bedoeld in artikel 1 van de Woningwet

huisvesting in verband met mantelzorg

huisvesting in of bij een woning van één huishouden van maximaal twee personen, van wie ten minste één persoon mantelzorg verleent aan of ontvangt van een bewoner van de woning. Mantelzorg is onbetaalde, structurele zorg die de normale zorgbehoefte voor anderen overstijgt

hyperscale datacentra

het exploiteren van een rekencentrum of datacentrum, als bedoeld in artikel 3.235 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om een bebouwd vloeroppervlakte van meer dan 10 ha en een elektrisch aansluitvermogen van 70 MW of meer.

Een hyperscale datacentrum omvat ook andere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die het hyperscale datacentrum functioneel ondersteunen.

inwoning

een in eenzelfde woning huisvesten van één ander huishouden met eigen voorzieningen

ISO 11423-1:

ISO 11423-1:1997: Water – Bepaling van het gehalte aan benzeen en enige afgeleiden – Deel 1: Gaschromatografische methode met bovenruimte, versie 1997

kampeermiddelen

een tent, vouwwagen, caravan, of kampeerwagen, niet zijnde een niet-plaatsgebonden recreatieverblijf. Een bijzettentje wordt niet als zelfstandig kampeermiddel gezien

kampeerplaats

een in of op het terrein aangegeven, zichtbaar gemarkeerde plek, door middel van nummering, stroomvoorziening, erfafscheiding of anderszins, voor het plaatsen of geplaatst houden van een kampeermiddel

kampeerterrein

een terrein of plaats geheel of gedeeltelijk aangewezen en ingericht, om daarop gelegenheid te geven tot het plaatsen of geplaatst houden van kampeermiddelen ten behoeve van recreatief nachtverblijf, met dien verstande dat stacaravans niet zijn toegestaan

kantoor

Een een gebouw dat dient voor de uitoefening van administratieve, boekhoudkundige c.q. financiële, organisatorische en/of zakelijke dienstverlening - niet zijnde detailhandel - al dan niet met een (publiekgerichte) baliefunctie.

kappen

het rooien, verplanten of verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van een houtopstand ten gevolge (kunnen) hebben

NEN 5725:

NEN 5725:2017: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, versie 2017

karakteristiek

van lokale cultuurhistorische waarde die op grond van de typologie, architectuur, landschappelijke of stedenbouwkundige situering, gaafheid of zeldzaamheid bijdragen aan de identiteit van de omgeving

kleinschalig graven

graven van maximaal 25 m3 vaste grond

NEN 5740:

NEN 5740:2009/A1:2016: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond, versie 2009+A1 en 2016

kwekerij

bedrijf waar siergewassen, bloemen(bollen), fruitbomenbloembollen, (fruit)bomen, struiken en vaste planten, onder meer bestemd voor tuinen en parken, één en ander in de vorm van vollegrondsteelt dan wel pot- of containerteelt worden voortgebracht of daarmee vergelijkbaar van aard.

NEN 6090:

NEN 6090:2017: Bepaling van de vuurbelasting, versie 2017

landbouwhuisdieren met geuremissiefactor:

landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling een emissiefactor voor geur is vastgesteld en die vallen binnen een van de volgende diercategorieën:

  • a.

    varkens, kippen, schapen of geiten; en

  • b.

    als deze worden gehouden voor de vleesproductie:

    • 1.

      rundvee tot 24 maanden;

    • 2.

      kalkoenen;

    • 3.

      eenden; of

    • 4.

      parelhoenders;

NEN 6578:

NEN 6578:2011: Water – Potentiometrische bepaling van het totale gehalte aan totaal fluoride, versie 2011

landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor:

landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen emissiefactor voor geur is vastgesteld, met uitzondering van pelsdieren

NEN 6589:

NEN 6589:2005/C1:2010: Water – Potentiometrische bepaling van het gehalte aan totaal anorganisch fluoride met doorstroomsystemen (FIA en CFA), versie 2010

landschappelijke inpassing

een plan waarmee inzichtelijk wordt gemaakt hoe een nieuwe ontwikkeling zich verhoudt tot de bestaande bebouwing en bestaande omgeving. In het plan moet in elk geval de erfinrichting en (erf)beplanting worden opgenomen en hoe deze zich verhouden tot de omgeving

NEN 6600-1:

NEN 6600-1:2019: Water – Monsterneming – Deel 1: Afvalwater, versie 2019

landschappelijke waarde

de aan een gebied toegekende landschappelijke waarde, in verband met de voor het gebied kenmerkende waarneembare verschijningsvorm

NEN 6965:

NEN 6965:2005: Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire-absorptiespectrometrie met vlamtechniek, versie 2005

NEN 6966:

NEN 6966:2006: Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma, versie 2005 + C1:2006

NEN-EN 858-1/A1:

NEN-EN 858-1:2002/A1:2004: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2002 + A1: 2004

NEN-EN 858-2:

NEN-EN 858-2:2003: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) – Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2003

NEN-EN 872:

NEN-EN 872:2005: Water – Bepaling van het gehalte aan onopgeloste stoffen – Methode door filtratie over glasvezelfilters, versie 2005

NEN-EN 1825-1:

NEN-EN 1825-1:2004: Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2004 + C1:2006

NEN-EN 1825-2:

NEN-EN 1825-2:2002: Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2002

legaal bouwwerk

een bouwwerk waarvoor omgevingsvergunning is verleend of dat op basis van regels van het Rijk of dit omgevingsplan zonder omgevingsvergunning gebouwd kon worden

lichtmast

een vrijstaande constructie waaraan één of meerdere lampen zijn opgehangen

locatie

plaats, plek of ligging

lokale weg - onverhard

een weg, bestaande uit zand, die niet als rijksweg of provinciale weg is aangemerkt maar wel op de wegenlegger staat. Ook een half verharde weg, bestaande uit menggranulaat of grind, wordt aangemerkt als een onverharde weg

lokale weg - verhard

een weg, bestaande uit klinkers/tegels (open) of asfalt (gesloten), die niet als een rijksweg of provinciale weg is aangemerkt maar wel op de wegenlegger staat

maaiveld

de gemiddelde bestaande hoogte van het (aangrenzende) terrein

maatschappelijke (sport)voorzieningen

educatieve, (sociaal-)medische, sociaal-culturele en levensbeschouwelijke voorzieningen, kinderopvang, voorzieningen ten behoeve van sport en sportieve recreatie alsook ondergeschikte horeca ten dienste van deze voorzieningen, met uitzondering van voorzieningen ten behoeve van gemotoriseerde en gemechaniseerde sporten

NEN-EN 12566-1:

NEN-EN 12566-1:2016: Kleine afvalwaterzuiveringsinstallaties ≤ 50 IE – Deel 1: Geprefabriceerde septictanks, versie 2016

mantelzorg

intensieve zorg of ondersteuning, die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, maar ten behoeve van zelfredzaamheid of participatie, rechtstreeks voortvloeiend uit een tussen personen bestaande sociale relatie, die de gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar overstijgt, en waarvan de behoefte met een (eigen) verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur kan worden aangetoond

NEN-EN 12673:

NEN-EN 12673:1999: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal geselecteerde chloorfenolen in water, versie 1999

melding

een schriftelijke voorafgaande mededeling aan burgemeester en wethouders om een activiteit, zoals aangewezen in dit plan, te mogen verrichten. Voor een melding gelden de in dit plan opgenomen indieningsvereisten

NEN-EN 16693:

NEN-EN 16693:2015: Water – Bepaling van de organochloor pesticiden (OCP) in watermonsters met behulp van vaste fase extractie (SPE) met SPE-disks gecombineerd met gaschromatografie-massaspectrometrie (GC-MS), versie 2015

natuurlijke waarde

de aan een gebied toegekende waarde die samenhangt met de geologische, bodemkundige en biologische elementen

NEN-EN-ISO 2813:

NEN-EN-ISO 2813:2014: Verven en vernissen – Bepaling van de glans (spiegelende reflectie) van niet-metallieke verflagen onder 20 graden, 60 graden en 85 graden, versie 2014

NEN-EN-ISO 5667-3:

NEN-EN-ISO 5667-3:2018: Water – Monsterneming – Deel 3: Conservering en behandeling van watermonsters, versie 2018

niet-plaatsgebonden recreatieverblijf

een recreatieverblijf bestaande uit een lichte constructie van één bouwlaag, dat geen vaste verankering in de grond heeft en zonder ingrijpende maatregelen demontabel of verplaatsbaar is, zoals een stacaravan, chalet, tenthuisje, trekkershut, blokhut, cabin of 'tiny house'. Het dient voor recreatief (nacht)verblijf voor recreaten die hun hoofdverblijf elders hebben

NEN-EN-ISO 5815-1:

NEN-EN-ISO 5815-1:2019: Water – Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) – Deel 1: Verdunning en enting onder toevoeging van allylthioureum, versie 2019

ondergeschikte sportgebouwen

een gebouw of een onderdeel van een gebouw ten dienste van de functie zoals een dug-out en/of materiaalhok en daarmee gelijk te stellen gebouwen die in stedenbouwkundig opzicht qua omvang en situering als ondergeschikt aan het hoofdgebouw vallen aan te merken

NEN-EN-ISO 5815-2:

NEN-EN-ISO 5815-2:2003: Water – Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) – Deel 2: Methode voor onverdunde monsters, versie 2003

opslagtanks opslagtank

opslagvoorziening voor gas met een inhoud van ten minste 150 liter. Met een opslagtank wordt het geheel van een tank, leidingwerk en appendages bedoeld (Besluit activiteiten leefomgeving)

NEN-EN-ISO 9377-2:

NEN-EN-ISO 9377-2:2000: Water – Bepaling van de minerale-olie-index – Deel 2: Methode met vloeistofextractie en gas-chromatografie, versie 2000

overig bouwwerk

een bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden

NEN-EN-ISO 9562:

NEN-EN-ISO 9562:2004: Water – Bepaling van adsorbeerbare organisch gebonden halogenen (AOX), versie 2004

overkapping

een bouwwerk in de vorm van een overkapping bestaande uit maximaal drie wanden waarvan maximaal twee tot de constructie zelf behoren

NEN-EN-ISO 10301:

NEN-EN-ISO 10301:1997: Water – Bepaling van zeer vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen – Gaschromatografische methoden, versie 1997

padelbaan

een baan bedoeld voor een balsport, waarbij met een racket de bal over het net wordt gespeeld en er ook gebruik wordt gemaakt van de wanden en hekken die de baan omgeven

NEN-EN-ISO 10523:

NEN-EN-ISO 10523:2012: Water – Bepaling van de pH, versie 2012

pand

de kleinste bij de totstandkoming functioneel en bouwkundig-constructief zelfstandige eenheid die direct en duurzaam met de aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar is

NEN-EN-ISO 11885:

NEN-EN-ISO 11885:2009: Water – Bepaling van geselecteerde elementen met atomaire-emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma (ICP-AES), versie 2009

paardrijbak

buitenrijbaan ten behoeve van paardrijactiviteiten, voorzien van een zandbed en al dan niet voorzien van een omheining

NEN-EN-ISO 12846:

NEN-EN-ISO 12846:2012: Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaire-absorptiespectrometrie met en zonder concentratie, versie 2012

paasvuur

een locatiegebonden vreugdevuur, dat bij wijze van traditie ter gelegenheid van Pasen op 1e of 2e Paasdag wordt ontstoken

NEN-EN-ISO 14403-1:

NEN-EN-ISO 14403-1:2012: Water – Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) – Deel 1: Methode met doorstroominjectie analyse (FIA), versie 2012

NEN-EN-ISO 14403-2:

NEN-EN-ISO 14403-2:2012: Water – Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) – Deel 2: Methode met continu doorstroomanalyse (CFA), versie 2012

peil

 

  • a.

    voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; of

  • b.

    voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw

peiljaar

indien de datum van de start inschrijfprocedure voor een sociale koopwoning in de eerste helft van een kalenderjaar ligt: het kalenderjaar dat twee jaar vooraf gaat aan deze startdatum; indien de inschrijfprocedure start in de tweede helft van een kalenderjaar: het kalenderjaar voorafgaande aan deze datum

NEN-EN-ISO 15587-1:

NEN-EN-ISO 15587-1:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 1: Koningswater ontsluiting, versie 2002

perceel

een perceel is een onroerend goed (al dan niet met bebouwing) met dezelfde eigenaar en hetzelfde eigendomsrecht, dat is ingeschreven bij het Kadaster

NEN-EN-ISO 15587-2:

NEN-EN-ISO 15587-2:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 2: Ontsluiting met salpeterzuur, versie 2002

perceelsgrens

de scheiding tussen percelen, die niet aan éénzelfde eigenaar behoren dan wel niet door één gebruiker worden benut

NEN-EN-ISO 15680:

NEN-EN-ISO 15680:2003: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal monocyclische aromatische koolwaterstoffen, naftaleen en verscheidene gechloreerde verbindingen met «purge-and-trap» en thermische desorptie, versie 2003

permanente bewoning

er is sprake van permanente bewoning als een recreatiewoning, een stacaravan of ander kampeermiddel het hoofdverblijf voor de gebruiker is of voor bewoning anders dan in het kader van recreatief verblijf wordt gebruikt

NEN-EN-ISO 15682:

NEN-EN-ISO 15682:2001: Water – Bepaling van het gehalte aan chloride met doorstroomanalyse (CFA en FIA) en fotometrische of potentiometrische detectie, versie 2001

persoonsgebonden overgangsrecht

een persoonsgebonden overgangsrecht is een overgangsrecht zoals bedoeld in artikel 4 lid 11 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht of artikel 3.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit betekent dat het strijdige gebruik mag worden voortgezet door die perso(o)n(en) die op de datum van vaststelling van het omgevingsplan een persoongebonden overgangsrecht hebben

NEN-EN-ISO 15913:

NEN-EN-ISO 15913:2003: Water – Bepaling van geselecteerde fenoxyalkaanherbicide, inclusief bentazonen en hydroxybenzonitrillen met gaschromatografie en massaspectrometrie na vastefase-extractie en derivatisering, versie 2003

NEN-EN-ISO 17294-2:

NEN-EN-ISO 17294-2:2016: Water – Toepassing van massaspectrometrie met inductief gekoppeld plasma – Deel 2: Bepaling van geselecteerde elementen inclusief uranium isotopen, versie 2016

NEN-EN-ISO 17852:

NEN-EN-ISO 17852:2008: Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaire fluorecentiespectometrie, versie 2008

NEN-EN-ISO 17993:

NEN-EN-ISO 17993:2004: Water – Bepaling van 15 polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) in water met HPLC met fluorescentiedetectie na vloeistof-vloeistof extractie, versie 2004

pré-mantelzorgwoning

een (gedeelte van een) bijgebouw bij een hoofdgebouw binnen de functie wonen dat dient voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden van maximaal twee personen, van wie ten minste één persoon de wettelijke AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereik óf van wie ten minste één persoon een ontwikkelend ziektebeeld, handicap of chronische ziekte heeft waarbij op (relatief) korte termijn een mantelzorgsituatie ontstaat. 

provinciale weg

een weg, bestaande uit asfalt of vergelijkbare materialen, die als provinciale weg is aangemerkt en op de wegenlegger staat

recreatiewoning

een verblijfsobject bestemd voor het recreatieve verblijf van recreanten die hun hoofdverblijf elders hebben en waar permanente bewoning en zelfstandige kortdurende recreatieve activiteiten zijn uitgesloten

recreatief nachtverblijf

een verblijfsobject in de vorm van een stacaravan, chalet, tiny house, boomhut, trekkershut, (hooiberg)recreatiewoning of een ander kampeermiddel bestemd voor het recreatieve verblijf van recreanten die hun hoofdverblijf elders hebben en waar permanente bewoning is uitgesloten

NEN-ISO 15705:

NEN-ISO 15705:2003: Water – Bepaling van het chemisch zuurstofverbruik (ST-COD) – Kleinschalige gesloten buis methode, versie 2003

recreatief verblijf

verblijf dat plaatsvindt in het kader van verblijfsrecreatie en dat enkel gericht is op ontspanning of vrijetijdsbesteding, niet zijnde zelfstandige kortdurende recreatieve activiteiten;

NEN-ISO 15923-1:

NEN-ISO 15923-1:2013: Waterkwaliteit – Bepaling van de ionen met een discreet analysesysteem en spectrofotometrische detectie – Deel 1: Ammonium, chloride, nitraat, nitriet, ortho-fosfaat, silicaat en sulfaat, versie 2013

Rijksweg

een weg, bestaande uit asfalt of vergelijkbare materialen, die als rijksweg is aangemerkt en op de wegenlegger staat

risicobron

een activiteit waaraan een veiligheidsafstand is verbonden ten opzichte van beperkt kwetsbare en kwetsbare objecten

seksinrichting

een voor publiek toegankelijke, maar besloten ruimte waar bedrijfsmatig of op een daarmee vergelijkbare wijze seksuele handelingen worden verricht of voorstellingen van erotisch-pornografische aard worden gegeven

snoeiafval

afval afkomstig na onderhoudswerkzaamheden in tuinen, parken, plantsoenen en bosgebieden dat alleen bestaat uit takken, blad of stammen

Staat van bedrijfsactiviteiten

een van het omgevingsplan deel uitmakende staat van bedrijfsactiviteiten van bedrijven en instellingen

straatpeil:
  • a.

    voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;

  • b.

    voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;

standplaats

het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel

starter op de koopmarkt

een huishouden, ongeacht de leeftijd van de daartoe horende personen dat woont in een huurwoning of dat niet beschikt over zelfstandige woonruimte

streekeigen producten

producten die zijn voortgebracht in dezelfde streek waar ook de grondstoffen vandaan komen en in de streek worden aangeboden

sociale huurwoning

huurwoning als bedoeld in artikel 5.161c lid 1 onder a van het Besluit kwaliteit leefomgeving met keuken-, toilet- en badkamerinrichting

sociale koopwoning

koopwoning als bedoeld in artikel 5.161c lid 1 onder b van het Besluit kwaliteit leefomgeving met keuken-, toilet- en badkamerinrichting

teeltondersteunende voorzieningen

voorzieningen in, op of boven de grond die door agrarische bedrijven met plantaardige teelten worden gebruikt om de volgende doelen na te streven:

  • verbetering van de productie, onder meer door teeltvervroeging en -verlating, terugdringing van onkruidgroei en beperking van vraatschade;

  • verbetering van de arbeidsomstandigheden, onder meer door gewassen verhoogd te telen of

  • het bereiken van positieve effecten op milieu en water (bodembescherming, terugdringing onkruidbestrijding, effectief omgaan met water);

  • het voorkomen van schade door vorst;

  • die op dezelfde locatie gebruikte kunnen worden zo lang de teelt dit vereist, met een maximum van zes maanden. Deze tijdelijke voorzieningen hebben een directe relatie met het grondgebruik. Hieronder worden verstaan folies, insectengaas, acryldoek, wandelkappen, schaduwhallen, hagelnetten;

met dien verstande dat dit niet geldt voor vollegrondsteelt zoals bij wijnbouw, aspergeteelt of maïsteelt

tijdelijk deel omgevingsplan

het tijdelijk deel van het omgevingsplan zoals bedoeld in artikel 22.1 onder a en b van de Omgevingswet

toekomstig geluidgevoelig gebouw 

nog niet gerealiseerd gebouw, zoals bedoeld in artikel 3.21 Besluit kwaliteit leefomgeving, dat:

toestemmingsvrije

activiteiten waarvoor op basis van de algemene regels in het omgevingsplan geen voorafgaande toestemming van het college nodig is mits aan de genoemde regels wordt voldaan

trillinggevoelig gebouw

gebouw, zoals bedoeld in artikel 5.80 Besluit kwaliteit leefomgeving, dat:

  • a.

    is toegelaten op grond van een omgevingsplan; of 

  • b.

    een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van meer dan 10 jaar.

veldschuur

een vrijstaand eenvoudig gebouw zonder verdieping die wordt gebruikt als schuilplaats voor vee, opslag van agrarische hulpmaterialen zoals machines of opslag van gewassen zoals stro, hooi en zaagsel

verkoopoppervlakte

de vloeroppervlakte van alle voor mensen toegankelijke ruimten binnen een gebouw ten behoeve van detailhandel, onder welke ruimten niet zijn begrepen opslag-, personeels-, sanitaire en andere

dienstruimten, garderobes en keukens

verplaatsbaar mijnbouwwerk

verplaatsbaar mijnbouw als bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving

volumineuze detailhandel

detailhandelsbedrijf in:

  • a.

    auto's, motoren, boten en landbouwwerktuigen en daarmee rechtstreeks samenhangende artikelen, zoals accessoires, onderhoudsmiddelen, onderdelen of materialen, mits de

    verkoopvloeroppervlakte ten behoeve van deze samenhangende artikelen niet meer bedraagt dan 20% van de brutovloeroppervlakte van het desbetreffende bedrijf;

  • b.

    caravans, tenten, zwembaden en de daarmee rechtstreeks samenhangende artikelen, zoals specifieke onderhoudsmiddelen, onderdelen of materialen, recreatie- en campingbenodigdheden,

    mits de verkoopvloeroppervlakte ten behoeve van deze samenhangende artikelen niet meer bedraagt dan 20% van de brutovloeroppervlakte van het desbetreffende bedrijf, met een maximum van 100 m²;

  • c.

    grove bouwmaterialen en bouwstoffen voor de ruwbouw van gebouwen en dergelijke, zoals stenen, zand, beton, bestrating materiaal, hout;

  • d.

    keukens, badkamers en sanitair en daarmee rechtstreeks samenhangende artikelen, zoals accessoires, inbouwapparatuur en tegels, mits de verkoopvloeroppervlakte ten behoeve van deze

    samenhangende artikelen niet meer bedraagt dan 20% van de brutovloeroppervlakte van het desbetreffende bedrijf;

  • e.

    artikelen en goederen die naar aard en omvang en effecten voor de omgeving gelijk kunnen worden gesteld met de hiervoor onder a t/m e bedoelde artikelen en goederen, in ieder geval met

    uitzondering van voedings- en genotmiddelen;

  • f.

    fmeubelen en woninginrichtingsartikelen en daarmee rechtstreeks samenhangende artikelen als vloerbedekking, parket, verlichting, kachels en zonwering;

  • g.

    de vorm van bouwmarkten, zijnde detailhandel met een al dan niet geheel overdekte verkoopvloeroppervlakte, waarop het volledige assortiment van bouw- en doe-het-zelfproducten uit

    voorraad op basis van zelfbediening wordt aangeboden; of

  • h.

    de vorm van tuincentra, zijnde detailhandel met een al dan niet geheel overdekte verkoopvloeroppervlakte, waarop artikelen voor de inrichting en het onderhoud van tuinen en de

    daarmee rechtstreeks samenhangende artikelen worden aangeboden met per detailhandelsbedrijf:1een totale verkoopvloeroppervlakte van ten minste 400 m², voor zover betreft de onder a t/m e bedoelde;2een totale verkoopvloeroppervlakte van ten minste 700 m², voor zover betreft de onder f t/m h bedoelde; of3een verkoopvloeroppervlakte voor goederen die duidelijk als branchevreemd kunnen worden aangemerkt,

voorgevelrooilijn

achter de lijn die langs de voorkant van dat gebouw evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied

vreugdevuur

een locatiegebonden vuur dat ter ere van een feestdag wordt ontstoken

vrije veldopstelling zonnepanelen

het op of in de grond zetten van een constructie met zonnepanelen

vrijstaande woning

een woning waarvan het hoofdgebouw niet direct is verbonden met het hoofdgebouw van een andere woning

warmteplan:

besluit over de aanleg van een distributienet voor warmte in een bepaald gebied, waarin voor een periode van ten hoogste 10 jaar, uitgaande van het voor die periode geplande aantal aansluitingen op dat distributienet, de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu, gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte, bij aansluiting op dat distributienet is opgenomen

winkelvloeroppervlak

De voor winkelend publiek toegankelijke verkoopruimte van een detailhandelsbedrijf. Onder winkelvloeroppervlak wordt in ieder geval niet begrepen etalages, (verkeer)ruimtes achter de toonbank(en) en de kassa's, loopbanden (tapis roulants), trappen en/of liften, winkelwagenvoorzieningen, de entreezone van en naar het detailhandelsbedrijf en aan het detailhandelsbedrijf ondersteunende ruimtes, zoals magazijnruimtes, koel- of diepvriescel(len), kantoorruimtes en kantines. Kolommen en leidingschachten groter dan 0,5 m² zijn in het winkelvloeroppervlak niet inbegrepen

woning

een gebouw dat dient voor huisvesting van één huishouden en bij de oplevering na nieuwbouw/verbouw geschikt is voor directe bewoning (met keuken- , toilet- en badkamerinrichting)

woonperceel

een bouwperceel dat gebruikt wordt voor woonactiviteitendoeleinden

zelfstandige opstelling van zonnepanelen

installatie voor de opwekking van zonne-energie die niet gecombineerd wordt met bebouwing, maar zelfstandig is opgesteld in het vrije veld

zelfstandige woonruimte

een zelfstandige woonruimte is een woning met eigen toegang en eigen voorzieningen, zoals: keuken, toilet, wasgelegenheid (douche/bad), meterkast en overige aansluitingen

zijerf

Erf aan de zijkant van een hoofdgebouw dat geen voorerf of achterf is. Het zijerf wordt gemeten 1 meter achter de voorgevel van een hoofdgebouw

KKKKKKKK

Bijlage II wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage II Overzicht Informatieobjecten

agrarisch landschap - gemengde functies

/join/id/regdata/gm1742/2025/a2ddd487df564013b954b32e6352dcf6/nld@2025‑10‑30;15033261

agrarisch met waarden - met grote landschappelijk waarde

/join/id/regdata/gm1742/2025/463e290a28d04058b9eefd81d7157e56/nld@2025‑05‑06;13262194

AMK-terrein

/join/id/regdata/gm1742/2025/c3dd5ee972eb4cd692c399d32c247992/nld@2025‑05‑06;13262194

archeologisch monument

/join/id/regdata/gm1742/2025/aeefaaff62a54ebf83662d761a9cb6e0/nld@2025‑05‑06;13262194

archeologische verwachtingswaarde

/join/id/regdata/gm1742/2025/fc8f64a0c8594ba99bfc9fd75ad3919d/nld@2025‑05‑06;13262194

archeologische verwachtingswaarde - hoog

/join/id/regdata/gm1742/2025/959b09fead7b4041a4a5ac884ee7ffb3/nld@2025‑05‑06;13262194

archeologische verwachtingswaarde - middelhoog

/join/id/regdata/gm1742/2025/e8e44d6a05ee4a98b29fdfa8f3f1c354/nld@2025‑05‑06;13262194

asymmetrische kap

/join/id/regdata/gm1742/2025/624a8d484455486ca0266a9df3fb9983/nld@2025‑05‑06;13262194

bebouwingscontour geur

/join/id/regdata/gm1742/2025/c414bd4d844045f8bbfcc6c2eb9e11af/nld@2025‑05‑06;13262194

bebouwingscontour houtkap

/join/id/regdata/gm1742/2025/695a5ff42983469c9183d456da97dd51/nld@2025‑05‑06;13262194

bebouwingscontour jacht

/join/id/regdata/gm1742/2025/3102a2eb902a4419a3609a5774c500b1/nld@2025‑05‑06;13262194

bedrijf

/join/id/regdata/gm1742/2025/513ec9f827cd4cc3add4998ae891ffa5/nld@2025‑10‑30;15033261

bedrijf - Schuppertsweg 2-4 Holten

/join/id/regdata/gm1742/2025/94ee9c56cb5243bdb97b77e222f56a8c/nld@2025‑10‑30;15033261

bedrijf tot en met categorie 2

/join/id/regdata/gm1742/2025/df25b0977f1f4658b2e69d90c1906ef4/nld@2025‑10‑30;15033261

bedrijventerrein

/join/id/regdata/gm1742/2025/65dafaca3f68412aa2e0d295178a9ca8/nld@2025‑05‑06;13262194

bouwvlak tennispark Opbroek in Rijssen

/join/id/regdata/gm1742/2025/37a6437316764959834035e407ba3c00/nld@2025‑05‑06;13262194

bedrijventerrein - Fahrenheitstraat 2 in Rijssen

/join/id/regdata/gm1742/2025/d51fcbcd64174189bf2ec3b5638c4b5d/nld@2025‑10‑30;15033261

beschermd landschapselement - geaccidenteerde houtopstanden

/join/id/regdata/gm1742/2025/6008fb1342204395ab92e6defb321620/nld@2025‑10‑30;15033261

beschermd landschapselement - holle weg

/join/id/regdata/gm1742/2025/ef38fb52dc38490c9674408cd4793232/nld@2025‑10‑30;15033261

beschermd landschapselement - holle weg met houtopstanden

/join/id/regdata/gm1742/2025/c8e0c5ca26f74ac28f4ed1ea5a7814a1/nld@2025‑10‑30;15033261

beschermde landschapselementen

/join/id/regdata/gm1742/2025/771f0759ebf143e291b77345c8171f9d/nld@2025‑05‑06;13262194

bestaande veldschuur Ploegweg

/join/id/regdata/gm1742/2025/7f5a8ff399c74d8b9859341b67e5a6f7/nld@2025‑10‑30;15033261

binnen de bebouwingscontour geur (landbouwhuisdieren met emissiefactor)

/join/id/regdata/gm1742/2025/e6d0c73adef4478c9578cbf5b9e9a9fb/nld@2025‑05‑06;13262194

binnen de bebouwingscontour geur (zuiveringstechnische werken)

/join/id/regdata/gm1742/2025/096fed3aedad4487b01cab968f064514/nld@2025‑05‑06;13262194

boerderijappartementen Helhuizerweg 14 in Holten

/join/id/regdata/gm1742/2025/628d6fc786b94feab586f8963812ba6b/nld@2025‑05‑06;13262194

bouwvlak

/join/id/regdata/gm1742/2025/8d69be78b1944091a3d1e5f14ab63fbe/nld@2025‑10‑30;15033261

bouwvlak 1 Oosterhofweg 244 in Rijssen

/join/id/regdata/gm1742/2025/f3fb77d651094d74a626dc7802a3c461/nld@2025‑05‑06;13262194

bouwvlak 2 Oosterhofweg 244 in Rijssen

/join/id/regdata/gm1742/2025/c8d2883bad5349c981d94eaddb7d76e9/nld@2025‑05‑06;13262194

bouwvlak Dorpsstraat 55/55a in Holten

/join/id/regdata/gm1742/2025/ed924b4a70ea4d409d6875d6b9817939/nld@2025‑05‑06;13262194

Bovenleiding 1 Rijssen hoogspanning station

/join/id/regdata/gm1742/2025/1ba49ef4760e4471a6a2373c877d746e/nld@2025‑10‑30;15033261

brandgang

/join/id/regdata/gm1742/2025/6ce78a05262c4d3390e4a1999f1807c1/nld@2025‑05‑06;13262194

buiten de bebouwingscontour geur

/join/id/regdata/gm1742/2025/2b5d503677464f1c99ba3f2e116687c6/nld@2025‑05‑06;13262194

buiten de bebouwingscontour geur (landbouwhuisdieren met emissiefactor)

/join/id/regdata/gm1742/2025/bd214b6a629c4180aa0fdf94ed7b63de/nld@2025‑05‑06;13262194

buiten de bebouwingscontour geur (zuiveringstechnische werken)

/join/id/regdata/gm1742/2025/b23c7352349c42d8867be8bf2d3ff369/nld@2025‑05‑06;13262194

buiten de bebouwingscontour houtkap

/join/id/regdata/gm1742/2025/ca4cba5aeb9944fa966786da21ce4ad4/nld@2025‑05‑06;13262194

/join/id/regdata/gm1742/2025/ca4cba5aeb9944fa966786da21ce4ad4/nld@2025‑10‑30;15033261

buiten de bebouwingscontour jacht

/join/id/regdata/gm1742/2025/fb23b4dbaaed4176924575f5b003b27e/nld@2025‑05‑06;13262194

/join/id/regdata/gm1742/2025/fb23b4dbaaed4176924575f5b003b27e/nld@2025‑10‑30;15033261

buitengebied

/join/id/regdata/gm1742/2025/92c0b1f7f3284361b997eb26d62030cd/nld@2025‑05‑06;13262194

buurtcentrum

/join/id/regdata/gm1742/2025/56dc753baccc44c28261dac13725e80e/nld@2025‑10‑30;15033261

centrum - 2

/join/id/regdata/gm1742/2025/9f402e52ba0248be96edcd3cb9029e26/nld@2025‑10‑30;15033261

Centrum - 2 Dorpsstraat in Holten

/join/id/regdata/gm1742/2025/3cbc35fcda5349b4b646a5e8ef93fcdc/nld@2025‑10‑30;15033261

Centrum - 2 Grotestraat 26 in Rijssen

/join/id/regdata/gm1742/2025/5f7ae632db2847bdb64dfe118f92b8ab/nld@2025‑10‑30;15033261

centrum - commerciële functies

/join/id/regdata/gm1742/2025/12aa868a9a7d419e8770a0e525f4f39a/nld@2025‑10‑30;15033261

Deventerweg 73 Holten

/join/id/regdata/gm1742/2025/d7e9494c400246809762b704f38fd200/nld@2025‑10‑30;15033261

hekwerk, schutting of andere erf- enof perceelafscheiding in woonwijken

/join/id/regdata/gm1742/2025/25a0243e1f864a8a9f62f03751b2dd95/nld@2025‑05‑06;13262194

/join/id/regdata/gm1742/2025/25a0243e1f864a8a9f62f03751b2dd95/nld@2025‑10‑30;15033261

hekwerk of andere afscheiding op aangewezen plekken met twee voorgevels

/join/id/regdata/gm1742/2025/2087b85fb8184ee8ac8e8f7103814d57/nld@2025‑05‑06;13262194

erf- of perceelafscheiding op aangewezen plekken met twee voorgevels

/join/id/regdata/gm1742/2025/2087b85fb8184ee8ac8e8f7103814d57/nld@2025‑10‑30;15033261

hekwerk of andere afscheiding op bedrijventerreinen of in centra

/join/id/regdata/gm1742/2025/5c9fdd70d57343e389411d263573c4d6/nld@2025‑05‑06;13262194

erf- of perceelafscheiding op bedrijventerreinen of in centra

/join/id/regdata/gm1742/2025/5c9fdd70d57343e389411d263573c4d6/nld@2025‑10‑30;15033261

hekwerk of andere afscheiding op sportparken of begraafplaatsen

/join/id/regdata/gm1742/2025/d3bbc653fff94670a2e9a017b254677e/nld@2025‑05‑06;13262194

erf- of perceelafscheiding op sportparken of begraafplaatsen

/join/id/regdata/gm1742/2025/d3bbc653fff94670a2e9a017b254677e/nld@2025‑10‑30;15033261

hekwerk of andere afscheiding voor het weiden van vee

/join/id/regdata/gm1742/2025/97fe589afac444deb1ba8e33e435e09a/nld@2025‑05‑06;13262194

erf- of perceelafscheiding voor het weiden van vee

/join/id/regdata/gm1742/2025/97fe589afac444deb1ba8e33e435e09a/nld@2025‑10‑30;15033261

evenemententerrein

/join/id/regdata/gm1742/2025/5f1180c8e528477082223014d86a1e03/nld@2025‑05‑06;13262194

evenemententerrein 1

/join/id/regdata/gm1742/2025/9f63df9fa1764533bf998ae44deb8840/nld@2025‑05‑06;13262194

evenemententerrein 2

/join/id/regdata/gm1742/2025/6290b44b1d7e441ab142fcf8f9e74501/nld@2025‑05‑06;13262194

evenemententerrein 3

/join/id/regdata/gm1742/2025/5f2e931b2bc44579a708695f997ef019/nld@2025‑05‑06;13262194

evenemententerrein 4

/join/id/regdata/gm1742/2025/8f672fdbf6eb4e33ba78ac801e2c2fba/nld@2025‑05‑06;13262194

Fuut 5 en 7 e.o in Rijssen

/join/id/regdata/gm1742/2025/e91d9a6a327f40c19a1c2531ad1efde4/nld@2025‑10‑30;15033261

gemeentelijk monument 

/join/id/regdata/gm1742/2025/e0109659522b4c699eced19d379183ec/nld@2025‑05‑06;13262194

/join/id/regdata/gm1742/2025/e0109659522b4c699eced19d379183ec/nld@2025‑10‑30;15033261

gemengd

/join/id/regdata/gm1742/2025/476c9719f6ca40b9a3e9f40e2ae85ab4/nld@2025‑05‑06;13262194

gemengd - Dorpsstraat 55/55a in Holten

/join/id/regdata/gm1742/2025/14c7655bd34242c3bf7e774d2fdb9508/nld@2025‑10‑30;15033261

gevellijn Dorpsstraat 17 in Holten

/join/id/regdata/gm1742/2025/bcfc9feabdbe4a53aef5b359fd7e39f8/nld@2025‑10‑30;15033261

groen

/join/id/regdata/gm1742/2025/b90a64b6c5004f86ad4876e78a48cbaa/nld@2025‑05‑06;13262194

hekwerk of andere afscheiding in bijzondere gebieden

/join/id/regdata/gm1742/2025/b80e0a5bdef640baa8a1de4e3c030287/nld@2025‑05‑06;13262194

hydrologische beschermingszone

/join/id/regdata/gm1742/2025/dfd2d3003fc44332aa18ebd1ff5bed43/nld@2025‑05‑06;13262194

kampeerterrein Helhuizerweg 14 in Holten

/join/id/regdata/gm1742/2025/c6db3b6c2c014301bb67963924c81742/nld@2025‑05‑06;13262194

kantoor Oosterhofweg 244 in Rijssen

/join/id/regdata/gm1742/2025/b79e951b6afe4229a364e4168493340b/nld@2025‑05‑06;13262194

karakteristiek

/join/id/regdata/gm1742/2025/0b260726efcb4336b3d6e72fa00a9a35/nld@2025‑05‑06;13262194

specifieke vorm van sport - geluidscherm 3 tennispark Opbroek

/join/id/regdata/gm1742/2025/2970115f596f4a9d985b407bc21e9d2a/nld@2025‑05‑06;13262194

specifieke vorm van sport - padelbanen tennispark Opbroek

/join/id/regdata/gm1742/2025/599456ff9771435199c459c7d4b82e07/nld@2025‑05‑06;13262194

karakteristieke woning

/join/id/regdata/gm1742/2025/bc2622d99fb0409db6eb599bc653d614/nld@2025‑10‑30;15033261

karakteristieke woning met inwoning

/join/id/regdata/gm1742/2025/9e1465a0664849dea1cf42b5f76bb4c8/nld@2025‑10‑30;15033261

karakteristieke woning met inwoning met voormalige agrarische bedrijfsbebouwing

/join/id/regdata/gm1742/2025/8d594d84562549898dc18e3ea5c8d702/nld@2025‑10‑30;15033261

kleiduivenschietvereniging

/join/id/regdata/gm1742/2025/f509d48a2ffb49c89d8f15a2cc0a525c/nld@2025‑05‑06;13262194

Koerselmansweg 14 Okkenbroek

/join/id/regdata/gm1742/2025/70e983a4c5ce4f91bd08942279a1d805/nld@2025‑10‑30;15033261

landschap Beuseberg, Zuurberg en Borkeld

/join/id/regdata/gm1742/2025/02516d5aec2f4be48be2e2b16d314822/nld@2025‑10‑30;15033261

landschap de Holterberg (deelgebied 5)

/join/id/regdata/gm1742/2025/7729bfe271d04a91bb328364211ad16e/nld@2025‑05‑06;13262194

/join/id/regdata/gm1742/2025/7729bfe271d04a91bb328364211ad16e/nld@2025‑10‑30;15033261

landschap Westflank Holterberg (deelgebied 2)

/join/id/regdata/gm1742/2025/d8479874c3f84d4c9af94e0042e9361b/nld@2025‑05‑06;13262194

/join/id/regdata/gm1742/2025/d8479874c3f84d4c9af94e0042e9361b/nld@2025‑10‑30;15033261

leiding - gas

/join/id/regdata/gm1742/2025/b35c7fac26d44c8ea5a3278be6b6afd1/nld@2025‑10‑30;15033261

locaties met afwijkende afstanden in verband met voormalige geurverordening

/join/id/regdata/gm1742/2025/51aef5b4f6984ed6969e3d4660c01ba8/nld@2025‑05‑06;13262194

maximale bouwhoogte

/join/id/regdata/gm1742/2025/ae27e989957a405a82696e5c712e9198/nld@2025‑10‑30;15033261

maximum aantal wooneenheden

/join/id/regdata/gm1742/2025/829c81e8ac80433b94c913e80b08c3ce/nld@2025‑10‑30;15033261

maximum bebouwingspercentage tennispark Opbroek

/join/id/regdata/gm1742/2025/1cd51f5a4a4b4928b898f00694ed64f1/nld@2025‑05‑06;13262194

maximum bouwhoogte Dorpsstraat 55/55a in Holten

/join/id/regdata/gm1742/2025/b2ce8bad283c42f48f15f34d8ee83713/nld@2025‑05‑06;13262194

/join/id/regdata/gm1742/2025/b2ce8bad283c42f48f15f34d8ee83713/nld@2025‑10‑30;15033261

maximum bouwhoogte tennispark Opbroek

/join/id/regdata/gm1742/2025/c31a293f06bb4a52a7c93df45fcc0fd5/nld@2025‑05‑06;13262194

maximum goothoogte Dorpsstraat 55/55a in Holten

/join/id/regdata/gm1742/2025/5b24db8f7bb44d90b9ebd17bd3c634e8/nld@2025‑05‑06;13262194

maximum goothoogte tennispark Opbroek

/join/id/regdata/gm1742/2025/cce7a2b000fb4ec884376bd31e1dad3a/nld@2025‑05‑06;13262194

Middeldijk ong. Rijssen

/join/id/regdata/gm1742/2025/570d6b84137b4116af39a8c647165dc1/nld@2025‑10‑30;15033261

minimale bouwhoogte

/join/id/regdata/gm1742/2025/5c522645d5694e13815001054a3aa193/nld@2025‑10‑30;15033261

minimum aantal sociale koopwoningen

/join/id/regdata/gm1742/2025/66ffb6854f3c413880aeb04ab005c98e/nld@2025‑05‑06;13262194

molenbiotoop

/join/id/regdata/gm1742/2025/673c0929b4c0445da19553a18cedf73c/nld@2025‑05‑06;13262194

Molendijk Zuid 3 in Rijssen

/join/id/regdata/gm1742/2025/836dd48aa5e64be7860b247dc755eb1c/nld@2025‑05‑06;13262194

monumenten

/join/id/regdata/gm1742/2025/86d3344b3bca47f2a1fc7fd06cbaeb97/nld@2025‑10‑30;15033261

natuurlandschap

/join/id/regdata/gm1742/2025/75c72689975c4493808659b75093e0d6/nld@2025‑05‑06;13262194

Oosterhof en omgeving volkspark Rijssen

/join/id/regdata/gm1742/2025/703db3ea0cc94419ae061b205b05a26d/nld@2025‑05‑06;13262194

Oude Stationsweg 8 Holten

/join/id/regdata/gm1742/2025/92c210f7a12c492682802b0303ede156/nld@2025‑10‑30;15033261

parkeergarage Dorpsstraat 17 in Holten

/join/id/regdata/gm1742/2025/573d33841bdd439c80fdc6d59927db5b/nld@2025‑10‑30;15033261

Placeholder TAM-IMRO

/join/id/regdata/gm1742/2025/e62588074ecf4297b74a6c69a53c27ea/nld@2025‑05‑06;13262194

Ploegweg ong. Rijssen

/join/id/regdata/gm1742/2025/d86b6ae33fda4669baf8d3725a9f6faf/nld@2025‑10‑30;15033261

Postweg 84 Holten

/join/id/regdata/gm1742/2025/18ba999474504994b1646794c5aff722/nld@2025‑10‑30;15033261

recreatie - verblijfsrecreatie Helhuizerweg 14 in Holten

/join/id/regdata/gm1742/2025/27c581f7828f4da58a982b162926f5b9/nld@2025‑05‑06;13262194

reliëf

/join/id/regdata/gm1742/2025/69eaf45e63fd4987903e107163fe97fa/nld@2025‑10‑30;15033261

rijksmonument

/join/id/regdata/gm1742/2025/29f8204034164296b172a2fd59928187/nld@2025‑05‑06;13262194

RSN01 B10049 (strook naast voormalig RV-terrein)

/join/id/regdata/gm1742/2025/dc20d46c5a6948e9a3c445af6b21c753/nld@2025‑10‑30;15033261

Sociale huurwoningen gemeente Rijssen - Holten

/join/id/regdata/gm1742/2025/6d1d92b7525d4460bd39a9296f99517e/nld@2025‑05‑06;13262194

/join/id/regdata/gm1742/2025/6d1d92b7525d4460bd39a9296f99517e/nld@2025‑10‑30;15033261

Sociale koopwoningen gemeente Rijssen - Holten

/join/id/regdata/gm1742/2025/db924685f7b64b268a7696712dbadf4e/nld@2025‑05‑06;13262194

/join/id/regdata/gm1742/2025/db924685f7b64b268a7696712dbadf4e/nld@2025‑10‑30;15033261

sociale koopwoningen herontwikkeling Larenseweg 56 in Holten

/join/id/regdata/gm1742/2025/fb5410dd89a24cbaae586ddc1a241072/nld@2025‑05‑06;13262194

specifieke vorm van bedrijf - compostering tot en met milieucategorie 4.2

/join/id/regdata/gm1742/2025/254af4cd6703491687eca069c099a6a0/nld@2025‑10‑30;15033261

specifieke vorm van sport - geluidscherm 3 tennispark Opbroek

/join/id/regdata/gm1742/2025/f2f3fe87c067487ea1a847ac7444c229/nld@2025‑10‑30;15033261

specifieke vorm van sport - padelbanen tennispark Opbroek

/join/id/regdata/gm1742/2025/c9cfafdd464948dca1dd783183439a4d/nld@2025‑10‑30;15033261

sport

/join/id/regdata/gm1742/2025/92896b1a22554936945f4013b86c8b0c/nld@2025‑05‑06;13262194

sport - tennispark Opbroek

/join/id/regdata/gm1742/2025/e0877c61443e46ad830677a36fd8e1ad/nld@2025‑10‑30;15033261

Stokmansveldweg 9 e.o. in Rijssen

/join/id/regdata/gm1742/2025/252c452ade2743cda3c48bf13468c7bf/nld@2025‑05‑06;13262194

supermarkt Dorpsstraat 17 in Holten

/join/id/regdata/gm1742/2025/1938783b86b141069fe0ef2ec5eb0b8b/nld@2025‑10‑30;15033261

tijdelijke geurcontour Oosterhofweg 125 in Rijssen

/join/id/regdata/gm1742/2025/6b929aeacb4b4fae85e0dfc301e6642f/nld@2025‑05‑06;13262194

treinspoor Deventer - Almelo (ambtsgebied Rijssen-Holten)

/join/id/regdata/gm1742/2025/7f706959098049cea725d0cfd4afd037/nld@2025‑05‑06;13262194

verblijfsrecreatie

/join/id/regdata/gm1742/2025/f8a7031271254521a541f8efe411f5d6/nld@2025‑05‑06;13262194

verblijfsrecreatie - Biesterij 1 in Rijssen

/join/id/regdata/gm1742/2025/28e2ff24bc2d47dea0748659740111a2/nld@2025‑05‑06;13262194

verblijfsrecreatie - Camping De Holterberg

/join/id/regdata/gm1742/2025/c7e60746b4094b97aef4f2f94f23cd37/nld@2025‑05‑06;13262194

verblijfsrecreatie - Camping de Holterberg in Holten - stacaravans en recreatiewoningen

/join/id/regdata/gm1742/2025/ab24711106b44182886d6f910198e62b/nld@2025‑05‑06;13262194

verblijfsrecreatie - Enterveenweg 10 in Rijssen

/join/id/regdata/gm1742/2025/1c0b8ed562c3492aa62c768149d152b0/nld@2025‑05‑06;13262194

verblijfsrecreatie - Enterveenweg 5a in Rijssen

/join/id/regdata/gm1742/2025/d87860b495d4458f95199d6536146788/nld@2025‑05‑06;13262194

verblijfsrecreatie - Evertjesweg 3/Brenderweg in Holten

/join/id/regdata/gm1742/2025/50a568348cc64ec68114def7b7893d16/nld@2025‑05‑06;13262194

verblijfsrecreatie - Holterstraatweg 186 I in Rijssen

/join/id/regdata/gm1742/2025/fa1be0e2da1240b3839e2b1aefbb5cd3/nld@2025‑05‑06;13262194

verblijfsrecreatie - Holterstraatweg 186 II in Rijssen

/join/id/regdata/gm1742/2025/03b721ed45554600a4b30a9745fa4bee/nld@2025‑05‑06;13262194

verblijfsrecreatie - Kruisweg 2 in Rijssen

/join/id/regdata/gm1742/2025/255e57b53cf2480ea43909d24d8491bc/nld@2025‑05‑06;13262194

verblijfsrecreatie - Landuwerweg 17 in Holten

/join/id/regdata/gm1742/2025/ec6b7623ae094d0ba0a8fae28ba013e7/nld@2025‑05‑06;13262194

verblijfsrecreatie - Langstraat 2 en 6 in Holten

/join/id/regdata/gm1742/2025/2e59d50a61de4ab8b23c42a7f1a72414/nld@2025‑05‑06;13262194

verblijfsrecreatie - Schietbaanweg 8 in Rijssen

/join/id/regdata/gm1742/2025/7e326fa0d4f14d8d929722900c6169ad/nld@2025‑05‑06;13262194

verblijfsrecreatie - Schreursweg 5 in Holten

/join/id/regdata/gm1742/2025/f4068de70d1f449680302cf9f69d5aae/nld@2025‑05‑06;13262194

verblijfsrecreatie - Veendijk 3 in Rijssen

/join/id/regdata/gm1742/2025/aa4c3f244d56496f9e6c0ebcaaa1f72a/nld@2025‑05‑06;13262194

verblijfsrecreatie - Wildweg e.o. in Holten

/join/id/regdata/gm1742/2025/a822e8347e9549678adb16a19e50a853/nld@2025‑05‑06;13262194

verkeer - verblijf tennispark Opbroek

/join/id/regdata/gm1742/2025/a029e6f30af04c968e0808697eeaa9dd/nld@2025‑10‑30;15033261

verkeer - verblijfsgebied Grotestraat 26 in Rijssen

/join/id/regdata/gm1742/2025/150d536e2fc3455c9f2176beeb8585bd/nld@2025‑10‑30;15033261

verkeer- verblijf

/join/id/regdata/gm1742/2025/c26de842c43e461c97b86126fb03c80d/nld@2025‑05‑06;13262194

waardevolle bomen

/join/id/regdata/gm1742/2025/ac77fa8fe18d4dcd8fec3af092ac783e/nld@2025‑05‑06;13262194

wonen - landelijk

/join/id/regdata/gm1742/2025/b68d70fdc9504ac9bb0ef9d8ec7a1418/nld@2025‑05‑06;13262194

wonen

/join/id/regdata/gm1742/2025/b68d70fdc9504ac9bb0ef9d8ec7a1418/nld@2025‑10‑30;15033261

wonen - landelijk Oosterhofweg 244 in Rijssen

/join/id/regdata/gm1742/2025/a76b3729f6e84367b3d965168699f3ba/nld@2025‑10‑30;15033261

wonen Helhuizerweg 28 - 30 in Holten

/join/id/regdata/gm1742/2025/b194c1aa338b4b5c8e1145f489d083a7/nld@2025‑10‑30;15033261

woning met inwoning

/join/id/regdata/gm1742/2025/439988ecf28b47e99f5a4cd9767aa0e1/nld@2025‑10‑30;15033261

woning met inwoning met voormalige agrarische bedrijfsbebouwing

/join/id/regdata/gm1742/2025/ab07ebddb83f49e3a3824df9284eb730/nld@2025‑10‑30;15033261

woonwagen

/join/id/regdata/gm1742/2025/7b7f54897dcf4e1bba71a9cb605e8ac1/nld@2025‑10‑30;15033261

woonwijken en centra

/join/id/regdata/gm1742/2025/9f2b335f268b4990b58f0dd3be8aa9cf/nld@2025‑05‑06;13262194

zonering grondgebonden zonnepanelen 'ja, mits'

/join/id/regdata/gm1742/2025/b291d6f8942a4e399a638306b86b89d3/nld@2025‑05‑06;13262194

LLLLLLLL

Bijlage III wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage III Overzicht Documentenbijlagen

Erven buitengebied Rijssen-Holten

/join/id/regdata/gm1742/2025/2a0de3a3f87f4e289dff3968412d32ef/nld@2025‑05‑06;13262194

Karakteristieke waarden

/join/id/regdata/gm1742/2025/137407777557461ab4074113c07e23ac/nld@2025‑05‑06;13262194

Maatregelvarianten tennispark Opbroek

/join/id/regdata/gm1742/2025/8cf289e108c8430eb1d0ab448b5c2ef8/nld@2025‑05‑06;13262194

erfinrichtingsplan Helhuizerweg 14 in Holten

/join/id/regdata/gm1742/2025/690a3e152be446b4bd76146683c553bf/nld@2025‑05‑06;13262194

natuurwaardenonderzoek Helhuizerweg 14 in Holten

/join/id/regdata/gm1742/2025/cce86fc55c6a4fb7ac81e751f5e188c7/nld@2025‑05‑06;13262194

staat van bedrijfsactiviteiten

/join/id/regdata/gm1742/2025/8f462a17bc3c4fada4ed7469156e0aa8/nld@2025‑05‑06;13262194

erfinrichtingsplan Oosterhofweg 244 in Rijssen

/join/id/regdata/gm1742/2025/549b7e7dd44d41daa4221e0e4efe10b7/nld@2025‑05‑06;13262194

Erven buitengebied Rijssen-Holten

/join/id/regdata/gm1742/2025/2a0de3a3f87f4e289dff3968412d32ef/nld@2025‑05‑06;13262194

Karakteristieke waarden

/join/id/regdata/gm1742/2025/137407777557461ab4074113c07e23ac/nld@2025‑05‑06;13262194

Maatregelvarianten tennispark Opbroek

/join/id/regdata/gm1742/2025/8cf289e108c8430eb1d0ab448b5c2ef8/nld@2025‑05‑06;13262194

erfinrichtingsplan Helhuizerweg 14 in Holten

/join/id/regdata/gm1742/2025/690a3e152be446b4bd76146683c553bf/nld@2025‑05‑06;13262194

natuurwaardenonderzoek Helhuizerweg 14 in Holten

/join/id/regdata/gm1742/2025/cce86fc55c6a4fb7ac81e751f5e188c7/nld@2025‑05‑06;13262194

staat van bedrijfsactiviteiten

/join/id/regdata/gm1742/2025/8f462a17bc3c4fada4ed7469156e0aa8/nld@2025‑05‑06;13262194

erfinrichtingsplan Oosterhofweg 244 in Rijssen

/join/id/regdata/gm1742/2025/549b7e7dd44d41daa4221e0e4efe10b7/nld@2025‑05‑06;13262194

erfinrichtingsplan Koerselmansweg 14 Okkenbroek

/join/id/regdata/gm1742/2025/48f67b061d1e46efb3bddc8b14a747ad/nld@2025‑10‑30;15033261

erfinrichtingsplan Helhuizerweg 28 - 30 in Holten

/join/id/regdata/gm1742/2025/df6c502472e14c3891f1565268a08537/nld@2025‑10‑30;15033261

beeldkwaliteitsplan Dorpsstraat 17 in Holten

/join/id/regdata/gm1742/2025/49a8725d96554b5d9135ee11a26e3c33/nld@2025‑10‑30;15033261

horeca categorie omgevingsplan gemeente Rijssen - Holten

/join/id/regdata/gm1742/2025/2e4dbe319dea4d7f8b7b37112d3b9fa7/nld@2025‑10‑30;15033261

erfinrichtingsplan Schuppertsweg 2-4 in Holten

/join/id/regdata/gm1742/2025/f32f712bbdd6454ead2250be94517148/nld@2025‑10‑30;15033261

bodemonderzoek Grotestraat 26 in Rijssen

/join/id/regdata/gm1742/2025/a3974e9c1b7f4bddb52ccbe02ef62587/nld@2025‑10‑30;15033261

MMMMMMMM

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

1 Eerste Tweede wijziging omgevingsplan gemeente Rijssen-Holten

Voor u ligt de eerste ontwerp wijziging van het omgevingsplan gemeente Rijssen-Holten. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Op basis van de Invoeringswet Omgevingswet geldt er vanaf 1 januari 2024 een omgevingsplan gemeente Rijssen-Holten van rechtswege (tijdelijk deel). Dat omgevingsplan bevat onder meer onze lokale bestemmingsplannen. Ook zijn bij inwerkingtreding regels van het Rijk voor tientallen activiteiten aan gemeenten overgedragen. Deze voormalige Rijksregels worden ook wel de 'bruidsschat' genoemd.

Het omgevingsplan van rechtswege betreft een juridische samenvoeging. De regels worden als het ware in één document 'geniet', van inhoudelijke afstemming is geen sprake. Daarnaast moeten alle overige verordeningen over de fysieke leefomgeving ook onderdeel uit gaan maken van het omgevingsplan.

Het omgevingsplan van rechtswege geldt tijdelijk. Daarom wordt er ook wel over een 'tijdelijk deel' omgevingsplan gesproken. Gemeenten hebben tot 1 januari 2032 om inhoudelijk af te stemmen en alle documenten met regels over de fysieke leefomgeving samen te voegen tot één omgevingsplan. Het gedeelte van het omgevingsplan met afgestemde regels  wordt het 'nieuwe deel' genoemd.

Het omgevingsplan is een consoliderend plan. Dat betekent dat er geen losse omgevingsplannen worden vastgesteld. We maken voor locaties dus geen losse omgevingsplannen, we passen de locatie in het omgevingsplan in. Er is telkens sprake van één versie van het omgevingsplan waaraan dingen worden toegevoegd of dingen uit verwijderd worden. Omdat er sprake is van één plan, is het zinvol om vooraf na te denken over een structuur waar binnen toekomstige wijzigingen passen. De afgelopen twee jaar is gewerkt aan de structuur voor het omgevingsplan van de gemeente Rijssen-Holten. 

We hanteren als implementatiestrategie voor het vullen van het nieuwe deel dat de bruidsschat als eerste een plek krijgt in die nieuwe structuur. De regels uit de bruidsschat zijn bruikbaar voor veel milieubelastende activiteiten en bevat regels over het toestemmingsvrij bouwen (bouwactiviteit omgevingsplan). Het is daarmee logisch deze als eerste een plek te geven en geen nieuwe (eigen) regels te bedenken. Toekomstige wijzigingen vullen het omgevingsplan verder in. De bruidsschat is een fundament waar op verder gebouwd kan worden. 

Aan de bruidsschat hangt ook de dienstverlening in het loket van het Digitaal Stelsel Omgevingswet. Die is zoveel mogelijk ongewijzigd in stand gelaten. Onder dienstverlening verstaan we de mogelijkheden om een vergunningcheck te doen (Heb ik voor mijn initiatief een omgevingsvergunning nodig?), een aanvraag in te kunnen dienen en voor milieubelastende activiteiten zijn er maatregelen op maat (concrete voorschriften voor milieubelastende activiteiten). Die dienstverlening geldt ook voor lokale activiteiten zoals het kappen van bomen of het aanleggen van een uitrit.

Wat omvat de eerste wijziging?

De eerste wijziging omgevingsplan gemeente Rijssen-Holten bevat:

- de bruidsschat (omgezet naar de lokale situatie voor Rijssen-Holten);

- Kapverordening gemeente Rijssen-Holten 2024;

- (grotendeels) Erfgoedverordening gemeente Rijssen-Holten 2018;

- Doelgroepenverordening gemeente Rijssen-Holten 2024;

- Parapluplannen over evenementen, risicobronnen, parkeren en de voormalige kruimellijst;

- Verordening op de afvoer hemelwater en grondwater 2024;

- Beleid over uitritten (deels Algemene Plaatselijke Verordening, deels specifiek beleid);

- Ontwerp TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22m, buitengebied verbranden snoeiafval buiten een installatie; en

- Omgevingsplanactiviteit voor het omzetten van een inwoonsituatie naar zelfstandige woning (op basis van het nog vast te stellen Beleid ruimtelijke ontwikkelingen buitengebied 2024).

Voor u ligt de tweede ontwerp wijziging van het omgevingsplan gemeente Rijssen-Holten. 

PM uitgebreider toelichting volgt bij vaststelling

Wat omvat de tweede wijziging?

  • a.

    verbeteringen van diverse annotaties; 

  • b.

    diverse nieuwe TAM-plannen in afdeling 19.1;

  • c.

    een nieuwe afdeling 19.2 met reparaties van het tijdelijk deel omgevingsplan;

  • d.

    verbetering van de structuur van erfgoed in het omgevingsplan in hoofdstukken 4, 8 en 13;

  • e.

    diverse kleine verbeteringen in de hoofdstukken om te verduidelijken.

NNNNNNNN

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

2 Verhouding bruidsschat en Besluit kwaliteit leefomgeving

Afdeling 22.3 van de bruidsschat, zoals deze is gaan gelden op het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet, gaat over milieubelastende activiteiten. Deze regels voldoen op een aantal onderdelen niet aan de instructieregels van Besluit kwaliteit leefomgeving hierna Bkl), en moeten daarmee in overeenstemming worden gebracht. In samenwerking met de Omgevingsdienst Twente is een analyse uitgevoerd op welke onderdelen de bruidsschat niet voldoet aan het Bkl. De regels waarvoor geconstateerd is dat ze niet voldoen aan het Bkl zijn aangepast. Verder zijn in overleg met de Omgevingsdienst Twente enkele begrippen geharmoniseerd. Hieronder is op hoofdlijnen weergegeven wat de belangrijkste aanbevelingen zijn geweest.

Aanbevelingen Bkl-proof maken bruidsschat
afbeelding binnen de regeling
Aanpassingen op hoofdlijnenAnalyse bruidsschat regio Twente (20‑9‑2024)

[Vervallen]

OOOOOOOO

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

3 2 Milieueffectrapportage

PPPPPPPP

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

4 Structuur omgevingsplan gemeente Rijssen-Holten

De hoofdstructuur van het omgevingsplan gemeente Rijssen-Holten is als volgt:

  • Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

  • Hoofdstuk 2 Afval

  • Hoofdstuk 3 Archeologie en bodem

  • Hoofdstuk 4 Bouwen en slopen van bouwwerken en gebruik van bouwwerken en gronden

  • Hoofdstuk 5 Emissies naar de lucht

  • Hoofdstuk 6 Geluid

  • Hoofdstuk 7 Grondexploitatie inclusief doelgroepen en nadeelcompensatie

  • Hoofstuk 8 Indieningsvereisten en procedures (aanwijzing en instrumenten)

  • Hoofdstuk 9 Landschap en natuur

  • Hoofdstuk 10 Licht

  • Hoofdstuk 11 Maatwerkvoorschriften

  • Hoofdstuk 12 Monitoring, toezicht en handhaving (gereserveerd)

  • Hoofdstuk 13 Monumenten

  • Hoofdstuk 14 Openbare ruimte

  • Hoofdstuk 15 Overgangsrecht

  • Hoofdstuk 16 Trillingen

  • Hoofdstuk 17 Veiligheid en gezondheid

  • Hoofdstuk 18 Water

  • Hoofdstuk 19 X - Tijdelijk regelingendeel omgevingsplan

 

Een juridische regel worden in een hoofdstuk geplaatst op basis van de 'oogmerken' waarmee de regel gesteld wordt.

De hoofdstukken zijn alfabetisch geordend. Alle thematische hoofdstukken starten met een afdeling 'algemene regels' waarin:

  • de aanwijzing van gebieden en locaties plaatsvindt;

  • de algemene indieningsvereisten, oogmerken en toepassingsbereik te vinden is.

 

De verdere indeling van afdelingen, ((sub)sub)paragrafen en artikelen vindt ook plaats volgens alfabetische volgorde.

In de artikelsgewijze toelichting is terug te vinden wat de oorsprong is van de juridische regel: voormalig bruidsschat of afkomstig uit andere lokale regels/verordeningen.

[Vervallen]

QQQQQQQQ

Na sectie ' Afstanden, bouwhoogten van bouwwerken' wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Artikel 1.6 lid 4

Toelichting

Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet hebben gemeenten regels van het Rijk gekregen. Dat wordt ook wel de bruidsschat genoemd. Die regels zaten in hoofdstuk 22 van het omgevingsplan van de gemeente Rijssen-Holten. Bij deze regels zaten tientallen NEN-normen. NEN-normen bieden een gestandaardiseerde manier van meten of rekenen. Deze normen worden met enige regelmaat bijgewerkt. Dat betekent dat gemeenten de verwijzing naar die normen telkens moeten bijwerken. En dat vraag om een wijziging van het omgevingsplan. Dat levert een bewerkelijke en ongewenste situatie op. Het Rijk heeft daarom besloten de NEN-normen terug te halen naar de Omgevingsregeling (hoofdstuk 6). De NEN-normen zijn uit bijlage I van het omgevingsplan verwijderd.

RRRRRRRR

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.1 lid 2

Toelichting

Tweede lid, onderdeel a

Het tweede lid bevat een voorrangbepaling voor vergunningvoorschriften in een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit, die met toepassing van het recht zoals dat gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, is verleend. Het gaat hierbij om een vergunningplichtige milieubelastende activiteit die in hoofdstuk 3 van het Bal is aangewezen en waarbij deze vergunningvoorschriften bevat voor een onderwerp dat naar het omgevingsplan is verschoven. Op grond van het overgangsrecht van artikel 4.13, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijven deze vergunningvoorschriften gelden. De vergunningvoorschriften gelden naast het omgevingsplan. De strengste regel is dan bepalend. Ten tijde van de vergunningverlening zijn juist bewust strengere of soepeler voorschriften gesteld, afgestemd op de locatie. De regels van de hoofdstukken over milieubelastende activiteiten dit omgevingsplan zijn niet van toepassing, voor zover zo’n vergunningvoorschrift geldt. De uitdrukking «voor zover» betekent «in de mate dat». Dat houdt in dat alleen die voorschriften uit de hoofdstukken over milieubelastende activiteiten  van dit omgevingsplan buiten toepassing blijven waarvoor voorschriften in de omgevingsvergunning zijn gesteld. Als bijvoorbeeld de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit voor geluid alleen voorschriften met waarden bevat, dan blijft artikel 6.19 van dit omgevingsplan met geluidwaarden voor geluidgevoelige gebouwen buiten toepassing. Maar artikel 6.16 van dit omgevingsplan, dat bepaalt wanneer een akoestisch onderzoek gedaan moet worden, is wel van toepassing.

Deze voorrangsbepaling kan relevant zijn voor de volgende onderdelen van de hoofdstukken over milieubelastende activiteiten van dit omgevingsplan:

Hoofdstuk 2  Afval

Hoofdstuk 6 Geluid

Hoofdstuk 16 Trillingen

Paragraaf 18.2.3 Lozen bij maken van betonmortel

Paragraaf 18.2.18 Uitwassen van beton

Paragraaf 18.2.13 Ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal

Paragraaf 3.3.1.1  In werking hebben van een acculader

Dit omgevingsplan voorziet niet in een voorrangsbepaling voor bestaande vergunningvoorschriften of maatwerkvoorschriften op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer die op grond van het algemene overgangsrecht maatwerkvoorschriften zijn geworden en die afwijken van of een nadere invulling geven aan de omgevingsplanregels in dit omgevingsplan. Uit de wetssystematiek volgt al dat een maatwerkvoorschrift voorrang heeft op een algemene bepaling.

Tweede lid, onderdeel b, sub 1 tot en met 7

De onderdelen a tot en met f van het tweede lid sluiten bepaalde milieubelastende activiteiten uit van het algemene toepassingsbereik van deze afdeling. 

Op grond van artikel 22.2, eerste lid, van de Omgevingswet mogen de omgevingsplanregels van rijkswege alleen gaan over regels die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet bij of krachtens de wet waren gesteld of daaraan gelijkwaardige regels. Het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de voormalige Wet geurhinder en veehouderij waren alleen van toepassing op inrichtingen als bedoeld in artikel 1, derde lid, van de Wet milieubeheer. Omdat het begrip milieubelastende activiteit in de Omgevingswet breder is dan dat begrip inrichting, is in dit lid een afbakening van het toepassingsbereik opgenomen.

Bij de overgang naar een nieuwe wetsystematiek en begrippenkader is het niet te voorkomen dat er enkele verschuivingen in de uitvoering van de regelgeving optreden. Aanmerkelijke verschuivingen in het toepassingsbereik zijn niet beoogd. Desondanks zullen er op kleine schaal wel enige verschuivingen optreden, omdat de oude criteria van het begrip inrichting niet één op één zijn overgenomen. De omschrijving van het toepassingsbereik in dit artikel vraagt enige mate van interpretatie. Ook de criteria van het begrip inrichting uit de Wet milieubeheer vroegen om interpretatie, en werden door verschillende bevoegde instanties enigszins verschillend geïnterpreteerd.

Bij de interpretatie van het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, is het raadzaam om aan te sluiten bij de praktijk van de voormalige regelgeving. Als een activiteit als Wet milieubeheer-inrichting werd beschouwd, kan deze ook onder de regels voor milieubelastende activiteiten van deze afdeling vallen.

Een beperkte verschuiving is op zich niet bezwaarlijk, als dit er niet toe leidt dat:

  • a) activiteiten die eerst niet onder rijksregels vielen door de regels van deze afdeling van dit omgevingsplan worden beperkt;

  • b) activiteiten die wel onder de regels vielen en reële risico’s voor de fysieke leefomgeving inhouden ongeregeld blijven.

Situaties als bedoeld onder a zullen niet snel voorkomen. Juist aan de «onderkant» van het inrichtingenbegrip golden er naast de regels van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer ook andere regels die ervoor zorgen dat ook activiteiten die geen inrichting waren toch aan regels ter bescherming van de leefomgeving waren gebonden. Denk bijvoorbeeld aan de regels van de Algemene Plaatselijke Verordening, maar ook het restrisico-artikel van het Bouwbesluit 2012 (artikel 7.22). Deze regels van de Algemene Plaatselijke Verordening blijven op het moment van de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van het algemeen overgangsrecht (artikel 22.4 van de Omgevingswet bepaalt namelijk dat artikel 122 van de Gemeentewet tijdelijk niet van toepassing is) gelden. Het restrisico-artikel van het Bouwbesluit 2012 is ook opgenomen als regel van rijkswege in het omgevingsplan. Bovendien zijn de regels van deze afdeling voor activiteiten waarop ze van toepassing zouden worden zelden feitelijk beperkend, omdat bij het op gebruikelijke wijze uitvoeren van de activiteit aan de regels wordt voldaan.

Ook voor situaties als bedoeld onder b hoeft in zijn algemeenheid niet te worden gevreesd. Veelal gold voor de activiteiten aan de onderkant van het inrichtingenbegrip naast de zorgplicht van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 2.1) alleen een beperkt aantal regels, zoals de geluidregels. Een eventuele overtreding van de zorgplicht van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer zal in veel gevallen ook als overtreding van de algemene zorgplicht van de Omgevingswet kunnen worden aangemerkt. En omdat de rijksregels niet gelden, zal ook de Algemene Plaatselijke Verordening veelal een deel van de bescherming overnemen.

Het algemene overgangsrecht in artikel 22.4 van de Omgevingswet en de mogelijkheden voor maatwerk op grond van deze afdeling zullen eventuele nadelige gevolgen van de beperkte verschuivingen voldoende ondervangen.

Bij het voorbereiden van deze afdeling zijn al verschillende mogelijke verschuivingen in het toepassingsbereik geïdentificeerd. Belangrijke aandachtspunten worden hieronder benoemd.

De onderdelen in dit tweede lid beogen de criteria «een omvang alsof zij bedrijfsmatig is», «binnen een zekere begrenzing» en «pleegt te worden verricht» binnen de omschrijving van het begrip inrichting in de Wet milieubeheer te vervangen. De categorieën uit bijlage I bij het Besluit omgevingsrecht zijn niet overgenomen. Sommige ondergrenzen in die categorieën kunnen eventueel terugkomen in het toepassingsbereik van de paragrafen in deze afdeling.

Kleine winkels waar geen installaties met meer dan 1,5 kW elektromotorisch vermogen aanwezig zijn, waren bijvoorbeeld meestal geen Wet milieubeheer-inrichting, maar vallen nu wel onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling in het omgevingsplan. Alhoewel er geen specifieke voorschriften voor gelden, moeten deze activiteiten wel voldoen aan de specifieke zorgplicht.

Tweede lid, onderdeel b, sub 1

De omgevingsplanregels van rijkswege voor de milieubelastende activiteit zijn alleen van toepassing op milieubelastende activiteiten, anders dan wonen. Hiermee wordt aangesloten op het toepassingsbereik voor de instructieregels voor geluid, trillingen en geur in het Bkl.

Als een hobby een bepaalde omvang overstijgt kan dit ertoe leiden dat het verrichten van een activiteit niet meer onder wonen valt. Denk hierbij aan het in een bepaalde omvang houden van dieren, sleutelen aan auto’s, meubels maken of bereiden van voedingsmiddelen. Waar de grens ligt, is een grijs gebied. Hetzelfde geldt voor bedrijven aan huis. De gemeente mag hier ook zelf invulling aan geven in het omgevingsplan. Overigens was bij de toetsing of er sprake was van een Wet milieubeheer-inrichting het criterium «een omvang alsof zij bedrijfsmatig is» ook altijd een grijs gebied.

Een ander bekend voorbeeld van onduidelijkheid over de vraag of een activiteit een Wet milieubeheer-inrichting was, is het opslaan van huisbrandolie of propaan in tanks bij particulieren. Onder het regime van de Omgevingswet wordt dit afgedekt door het Bal.

Tweede lid, onderdeel b, sub 2

Het feitelijk verrichten van bouw- en sloopactiviteiten of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein, vallen niet onder deze afdeling. Ook in het Bbl zijn eisen opgenomen voor zowel geluid als trillingen bij bouw- en sloopactiviteiten. Het Bbl bevat voor het verrichten van die activiteiten ook een specifieke zorgplicht. Verder bevat de Algemene Plaatselijke Verordening vaak regels ter voorkoming van hinder door bouw- en sloopgerelateerde activiteiten. Het algemene overgangsrecht van de Omgevingswet in artikel 22.4 van de Omgevingswet zorgt ervoor dat deze regels van de Algemene Plaatselijke Verordening bij de inwerkingtreding van de wet blijven gelden. Naast deze regels bevat afdeling 17.2 van dit omgevingsplan een specifieke zorgplicht voor het gebruik van een bouwwerk (artikel 17.2717.28). Het is dus niet zo dat er, door de uitzondering in dit onderdeel, voor deze activiteiten geen regels gelden.

Onder het regime van de Wet milieubeheer gebeurde het in bijzondere gevallen wel dat bouwwerkzaamheden die langer duurden dan zes maanden, als een Wet milieubeheer-inrichting werden gezien. Deze activiteiten vallen buiten het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, maar ook daarvoor geldt dat de hiervoor genoemde regels van toepassing zijn.

Tweede lid, onderdeel b, sub 3

Deze uitzondering beoogt de activiteiten die in de openbare buitenruimte plaatsvinden uit te sluiten. Voorbeelden zijn kermissen en andere evenementen, weekmarkten, mobiele installaties/activiteiten zoals draaiorgels, ophalen van vuilnis en gevelreiniging (met uitzondering van lozen). Het voor korte periode bezetten van een stukje openbaar toegankelijk terrein, maakt het daarmee niet ontoegankelijk. Activiteiten in een openbaar toegankelijk gebouw, zoals een publieke parkeergarage of het stadhuis, vallen wel onder het toepassingsbereik. Ook het laden en lossen op de openbare weg in de onmiddellijke nabijheid van een winkel, of het verkeer van en naar het bedrijf valt wel onder het toepassingsbereik van deze afdeling.

Voor enkele activiteiten zoals het exploiteren van een mobiele vis-, friet-, oliebollen- of marktkraam of het exploiteren van een terras, was het afhankelijk van de situatie en de interpretatie van het bevoegd gezag of ze gezien werden als een Wet milieubeheer-inrichting. Deze interpretatieverschillen kunnen zich ook nu weer voordoen. Zoals al aangegeven in de inleiding van de toelichting op dit artikel is er in principe geen verschuiving in het toepassingsbereik van deze afdeling in het omgevingsplan ten opzichte van het oude begrip Wet milieubeheer-inrichting beoogd.

Tweede lid, onderdeel b, sub 4

Doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen valt niet onder deze afdeling van dit omgevingsplan.

Tweede lid, onderdeel b, sub 5

Dit onderdeel sluit evenementen, waarover geluidregels zijn gesteld in bijvoorbeeld de Algemene Plaatselijke Verordening of een evenementenverordening uit van het toepassingsbereik van deze afdeling over milieubelastende activiteiten. Deels gebeurt dit al met onderdeel c, omdat evenementen vaak plaatsvinden in de openbare buitenruimte. Maar regelmatig zijn evenementen ook besloten of vinden ze plaats in een tijdelijk leegstaand gebouw. Deze uitzondering geldt niet voor activiteiten waarvoor geen geluidregels gelden bij of krachtens een gemeentelijke verordening, maar waarvoor geluidregels waren opgenomen in een omgevingsvergunning voor een inrichting op grond van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Voorbeelden hiervan kunnen zijn permanente evenemententerreinen of evenementenhallen.

Tweede lid, onderdeel b, sub 6

Deze uitzondering beoogt vooral het gebruik van landbouwvoertuigen op weilanden en akkers uit te sluiten van het algemene toepassingsbereik voor deze afdeling. De opslag van vaste mest op een weiland of akker valt wel onder dit algemene toepassingsbereik. Een installatie die verplaatsbaar is maar gedurende een langere periode achtereen op een weiland of akkers wordt gebruikt, wordt niet gezien als mobiele installatie en valt ook onder de regels voor de milieubelastende activiteiten in dit omgevingsplan. Bijvoorbeeld een antihagelkanon. Ook verplaatsbare mijnbouwwerken vallen onder het toepassingsbereik van deze afdeling.

Tweede lid, onderdeel b, sub 7

Vaste objecten zoals bruggen, sluizen en tunnels kunnen door de aanwezigheid van elektromotorisch vermogen gezien worden als milieubelastende activiteiten. Bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen vallen niet onder het toepassingsbereik van dit omgevingsplan.

Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet bleven elektromotoren van bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen buiten beschouwing bij het bepalen of sprake was van een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Dit was bepaald in categorie 1, 1.2, onder c, van bijlage I, onderdeel C, bij het Besluit omgevingsrecht, zoals dat gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

SSSSSSSS

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.5 lid 2

Toelichting

Tweede lid, onderdeel a

Het tweede lid bevat een voorrangbepaling voor vergunningvoorschriften in een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit, die met toepassing van het recht zoals dat gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, is verleend. Het gaat hierbij om een vergunningplichtige milieubelastende activiteit die in hoofdstuk 3 van het Bal is aangewezen en waarbij deze vergunningvoorschriften bevat voor een onderwerp dat naar het omgevingsplan is verschoven. Op grond van het overgangsrecht van artikel 4.13, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijven deze vergunningvoorschriften gelden. De vergunningvoorschriften gelden naast het omgevingsplan. De strengste regel is dan bepalend. Ten tijde van de vergunningverlening zijn juist bewust strengere of soepeler voorschriften gesteld, afgestemd op de locatie. De regels van de hoofdstukken over milieubelastende activiteiten dit omgevingsplan zijn niet van toepassing, voor zover zo’n vergunningvoorschrift geldt. De uitdrukking «voor zover» betekent «in de mate dat». Dat houdt in dat alleen die voorschriften uit de hoofdstukken over milieubelastende activiteiten  van dit omgevingsplan buiten toepassing blijven waarvoor voorschriften in de omgevingsvergunning zijn gesteld. Als bijvoorbeeld de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit voor geluid alleen voorschriften met waarden bevat, dan blijft artikel 6.19 van dit omgevingsplan met geluidwaarden voor geluidgevoelige gebouwen buiten toepassing. Maar artikel 6.16 van dit omgevingsplan, dat bepaalt wanneer een akoestisch onderzoek gedaan moet worden, is wel van toepassing.

Deze voorrangsbepaling kan relevant zijn voor de volgende onderdelen van de hoofdstukken over milieubelastende activiteiten van dit omgevingsplan:

Hoofdstuk 2  Afval

Hoofdstuk 6 Geluid

Hoofdstuk 16 Trillingen

Paragraaf 18.2.3 Lozen bij maken van betonmortel

Paragraaf 18.2.18 Uitwassen van beton

Paragraaf 18.2.13 Ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal

Paragraaf 3.3.1.1  In werking hebben van een acculader

Dit omgevingsplan voorziet niet in een voorrangsbepaling voor bestaande vergunningvoorschriften of maatwerkvoorschriften op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer die op grond van het algemene overgangsrecht maatwerkvoorschriften zijn geworden en die afwijken van of een nadere invulling geven aan de omgevingsplanregels in dit omgevingsplan. Uit de wetssystematiek volgt al dat een maatwerkvoorschrift voorrang heeft op een algemene bepaling.

Tweede lid, onderdeel b, sub 1 tot en met 7

De onderdelen a tot en met f van het tweede lid sluiten bepaalde milieubelastende activiteiten uit van het algemene toepassingsbereik van deze afdeling. 

Op grond van artikel 22.2, eerste lid, van de Omgevingswet mogen de omgevingsplanregels van rijkswege alleen gaan over regels die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet bij of krachtens de wet waren gesteld of daaraan gelijkwaardige regels. Het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de voormalige Wet geurhinder en veehouderij waren alleen van toepassing op inrichtingen als bedoeld in artikel 1, derde lid, van de Wet milieubeheer. Omdat het begrip milieubelastende activiteit in de Omgevingswet breder is dan dat begrip inrichting, is in dit lid een afbakening van het toepassingsbereik opgenomen.

Bij de overgang naar een nieuwe wetsystematiek en begrippenkader is het niet te voorkomen dat er enkele verschuivingen in de uitvoering van de regelgeving optreden. Aanmerkelijke verschuivingen in het toepassingsbereik zijn niet beoogd. Desondanks zullen er op kleine schaal wel enige verschuivingen optreden, omdat de oude criteria van het begrip inrichting niet één op één zijn overgenomen. De omschrijving van het toepassingsbereik in dit artikel vraagt enige mate van interpretatie. Ook de criteria van het begrip inrichting uit de Wet milieubeheer vroegen om interpretatie, en werden door verschillende bevoegde instanties enigszins verschillend geïnterpreteerd.

Bij de interpretatie van het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, is het raadzaam om aan te sluiten bij de praktijk van de voormalige regelgeving. Als een activiteit als Wet milieubeheer-inrichting werd beschouwd, kan deze ook onder de regels voor milieubelastende activiteiten van deze afdeling vallen.

Een beperkte verschuiving is op zich niet bezwaarlijk, als dit er niet toe leidt dat:

  • a) activiteiten die eerst niet onder rijksregels vielen door de regels van deze afdeling van dit omgevingsplan worden beperkt;

  • b) activiteiten die wel onder de regels vielen en reële risico’s voor de fysieke leefomgeving inhouden ongeregeld blijven.

Situaties als bedoeld onder a zullen niet snel voorkomen. Juist aan de «onderkant» van het inrichtingenbegrip golden er naast de regels van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer ook andere regels die ervoor zorgen dat ook activiteiten die geen inrichting waren toch aan regels ter bescherming van de leefomgeving waren gebonden. Denk bijvoorbeeld aan de regels van de Algemene Plaatselijke Verordening, maar ook het restrisico-artikel van het Bouwbesluit 2012 (artikel 7.22). Deze regels van de Algemene Plaatselijke Verordening blijven op het moment van de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van het algemeen overgangsrecht (artikel 22.4 van de Omgevingswet bepaalt namelijk dat artikel 122 van de Gemeentewet tijdelijk niet van toepassing is) gelden. Het restrisico-artikel van het Bouwbesluit 2012 is ook opgenomen als regel van rijkswege in het omgevingsplan. Bovendien zijn de regels van deze afdeling voor activiteiten waarop ze van toepassing zouden worden zelden feitelijk beperkend, omdat bij het op gebruikelijke wijze uitvoeren van de activiteit aan de regels wordt voldaan.

Ook voor situaties als bedoeld onder b hoeft in zijn algemeenheid niet te worden gevreesd. Veelal gold voor de activiteiten aan de onderkant van het inrichtingenbegrip naast de zorgplicht van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 2.1) alleen een beperkt aantal regels, zoals de geluidregels. Een eventuele overtreding van de zorgplicht van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer zal in veel gevallen ook als overtreding van de algemene zorgplicht van de Omgevingswet kunnen worden aangemerkt. En omdat de rijksregels niet gelden, zal ook de Algemene Plaatselijke Verordening veelal een deel van de bescherming overnemen.

Het algemene overgangsrecht in artikel 22.4 van de Omgevingswet en de mogelijkheden voor maatwerk op grond van deze afdeling zullen eventuele nadelige gevolgen van de beperkte verschuivingen voldoende ondervangen.

Bij het voorbereiden van deze afdeling zijn al verschillende mogelijke verschuivingen in het toepassingsbereik geïdentificeerd. Belangrijke aandachtspunten worden hieronder benoemd.

De onderdelen in dit tweede lid beogen de criteria «een omvang alsof zij bedrijfsmatig is», «binnen een zekere begrenzing» en «pleegt te worden verricht» binnen de omschrijving van het begrip inrichting in de Wet milieubeheer te vervangen. De categorieën uit bijlage I bij het Besluit omgevingsrecht zijn niet overgenomen. Sommige ondergrenzen in die categorieën kunnen eventueel terugkomen in het toepassingsbereik van de paragrafen in deze afdeling.

Kleine winkels waar geen installaties met meer dan 1,5 kW elektromotorisch vermogen aanwezig zijn, waren bijvoorbeeld meestal geen Wet milieubeheer-inrichting, maar vallen nu wel onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling in het omgevingsplan. Alhoewel er geen specifieke voorschriften voor gelden, moeten deze activiteiten wel voldoen aan de specifieke zorgplicht.

Tweede lid, onderdeel b, sub 1

De omgevingsplanregels van rijkswege voor de milieubelastende activiteit zijn alleen van toepassing op milieubelastende activiteiten, anders dan wonen. Hiermee wordt aangesloten op het toepassingsbereik voor de instructieregels voor geluid, trillingen en geur in het Bkl.

Als een hobby een bepaalde omvang overstijgt kan dit ertoe leiden dat het verrichten van een activiteit niet meer onder wonen valt. Denk hierbij aan het in een bepaalde omvang houden van dieren, sleutelen aan auto’s, meubels maken of bereiden van voedingsmiddelen. Waar de grens ligt, is een grijs gebied. Hetzelfde geldt voor bedrijven aan huis. De gemeente mag hier ook zelf invulling aan geven in het omgevingsplan. Overigens was bij de toetsing of er sprake was van een Wet milieubeheer-inrichting het criterium «een omvang alsof zij bedrijfsmatig is» ook altijd een grijs gebied.

Een ander bekend voorbeeld van onduidelijkheid over de vraag of een activiteit een Wet milieubeheer-inrichting was, is het opslaan van huisbrandolie of propaan in tanks bij particulieren. Onder het regime van de Omgevingswet wordt dit afgedekt door het Bal.

Tweede lid, onderdeel b, sub 2

Het feitelijk verrichten van bouw- en sloopactiviteiten of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein, vallen niet onder deze afdeling. Ook in het Bbl zijn eisen opgenomen voor zowel geluid als trillingen bij bouw- en sloopactiviteiten. Het Bbl bevat voor het verrichten van die activiteiten ook een specifieke zorgplicht. Verder bevat de Algemene Plaatselijke Verordening vaak regels ter voorkoming van hinder door bouw- en sloopgerelateerde activiteiten. Het algemene overgangsrecht van de Omgevingswet in artikel 22.4 van de Omgevingswet zorgt ervoor dat deze regels van de Algemene Plaatselijke Verordening bij de inwerkingtreding van de wet blijven gelden. Naast deze regels bevat afdeling 17.2 van dit omgevingsplan een specifieke zorgplicht voor het gebruik van een bouwwerk (artikel 17.2717.28). Het is dus niet zo dat er, door de uitzondering in dit onderdeel, voor deze activiteiten geen regels gelden.

Onder het regime van de Wet milieubeheer gebeurde het in bijzondere gevallen wel dat bouwwerkzaamheden die langer duurden dan zes maanden, als een Wet milieubeheer-inrichting werden gezien. Deze activiteiten vallen buiten het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, maar ook daarvoor geldt dat de hiervoor genoemde regels van toepassing zijn.

Tweede lid, onderdeel b, sub 3

Deze uitzondering beoogt de activiteiten die in de openbare buitenruimte plaatsvinden uit te sluiten. Voorbeelden zijn kermissen en andere evenementen, weekmarkten, mobiele installaties/activiteiten zoals draaiorgels, ophalen van vuilnis en gevelreiniging (met uitzondering van lozen). Het voor korte periode bezetten van een stukje openbaar toegankelijk terrein, maakt het daarmee niet ontoegankelijk. Activiteiten in een openbaar toegankelijk gebouw, zoals een publieke parkeergarage of het stadhuis, vallen wel onder het toepassingsbereik. Ook het laden en lossen op de openbare weg in de onmiddellijke nabijheid van een winkel, of het verkeer van en naar het bedrijf valt wel onder het toepassingsbereik van deze afdeling.

Voor enkele activiteiten zoals het exploiteren van een mobiele vis-, friet-, oliebollen- of marktkraam of het exploiteren van een terras, was het afhankelijk van de situatie en de interpretatie van het bevoegd gezag of ze gezien werden als een Wet milieubeheer-inrichting. Deze interpretatieverschillen kunnen zich ook nu weer voordoen. Zoals al aangegeven in de inleiding van de toelichting op dit artikel is er in principe geen verschuiving in het toepassingsbereik van deze afdeling in het omgevingsplan ten opzichte van het oude begrip Wet milieubeheer-inrichting beoogd.

Tweede lid, onderdeel b, sub 4

Doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen valt niet onder deze afdeling van dit omgevingsplan.

Tweede lid, onderdeel b, sub 5

Dit onderdeel sluit evenementen, waarover geluidregels zijn gesteld in bijvoorbeeld de Algemene Plaatselijke Verordening of een evenementenverordening uit van het toepassingsbereik van deze afdeling over milieubelastende activiteiten. Deels gebeurt dit al met onderdeel c, omdat evenementen vaak plaatsvinden in de openbare buitenruimte. Maar regelmatig zijn evenementen ook besloten of vinden ze plaats in een tijdelijk leegstaand gebouw. Deze uitzondering geldt niet voor activiteiten waarvoor geen geluidregels gelden bij of krachtens een gemeentelijke verordening, maar waarvoor geluidregels waren opgenomen in een omgevingsvergunning voor een inrichting op grond van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Voorbeelden hiervan kunnen zijn permanente evenemententerreinen of evenementenhallen.

Tweede lid, onderdeel b, sub 6

Deze uitzondering beoogt vooral het gebruik van landbouwvoertuigen op weilanden en akkers uit te sluiten van het algemene toepassingsbereik voor deze afdeling. De opslag van vaste mest op een weiland of akker valt wel onder dit algemene toepassingsbereik. Een installatie die verplaatsbaar is maar gedurende een langere periode achtereen op een weiland of akkers wordt gebruikt, wordt niet gezien als mobiele installatie en valt ook onder de regels voor de milieubelastende activiteiten in dit omgevingsplan. Bijvoorbeeld een antihagelkanon. Ook verplaatsbare mijnbouwwerken vallen onder het toepassingsbereik van deze afdeling.

Tweede lid, onderdeel b, sub 7

Vaste objecten zoals bruggen, sluizen en tunnels kunnen door de aanwezigheid van elektromotorisch vermogen gezien worden als milieubelastende activiteiten. Bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen vallen niet onder het toepassingsbereik van dit omgevingsplan.

Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet bleven elektromotoren van bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen buiten beschouwing bij het bepalen of sprake was van een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Dit was bepaald in categorie 1, 1.2, onder c, van bijlage I, onderdeel C, bij het Besluit omgevingsrecht, zoals dat gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

TTTTTTTT

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.46 lid 1

Toelichting

De formulering van dit lid is gelijk aan de formulering van artikel 5.6 van het Bal.

Als uit het rapport van het eindonderzoek bodem blijkt dat de bodem is verontreinigd dan moet op grond van het eerste lid uiterlijk binnen zes maanden na het toezenden van het rapport de bodemkwaliteit zijn hersteld.

Voor het herstellen van de bodemkwaliteit kan uit drie opties worden gekozen. Deze keuze wordt gemaakt door degene die de activiteit verricht. De bodemkwaliteit wordt hersteld tot:

  • De waarden van een bodemrapport volgens NEN 5740 waarin de bodem- en grondwaterkwaliteit voor aanvang van de activiteit zijn vastgelegd.

  • De bodemkwaliteit van de zone waarin de activiteit is verricht zoals vastgelegd op een geldende bodemkwaliteitskaart.

  • De achtergrondwaarden, vastgesteld op grond van artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.

Wanneer de bodemkwaliteit voor aanvang van de activiteit niet is vastgelegd of wanneer er geen geldende bodemkwaliteitskaart voor dat gebied voor handen is, dan moet herstel plaatsvinden tot de achtergrondwaarden als vastgesteld op grond van artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.

Dit artikel regelt dat de bodemkwaliteit hersteld moet worden na beëindiging van de activiteit. Dit doet er niks aan af dat eventuele morsingen of lekkages op een bodembeschermende voorziening direct opgeruimd moeten worden. Het opruimen van gelekte of gemorste (vloei)stoffen is onderdeel van de specifieke zorgplicht in artikel 17.4317.46 van dit omgevingsplan of artikel 2.11 van het Bal. Deze verplichtingen bestaan naast elkaar.

UUUUUUUU

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.84.9 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil

VVVVVVVV

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.94.10 Toepassingsbereik paragraaf

WWWWWWWW

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.94.10 lid 2

Lid 1 is voormalig bruidsschat artikelen 22.28 lid 1 en 22.38 onder a. Artikel 22.38 sub b is vervallen omdat Rijssen-Holten geen Rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht kent. Het lid is aangevuld met artikel 2.10 lid 2 van de Erfgoedverordening gemeente Rijssen-Holten 2018. Dat lid regelt dat normaal onderhoud en inpandige wijzigingen, beide onder voorwaarden, toestemmingsvrij zijn. Dat lid is overgenomen om daarmee geen onnodige lastenverzwaring te creëren. 

Toelichting

Dit lid bevat uitzonderingen en aanvullende randvoorwaarden voor de in paragraaf 4.2.2 aangewezen gevallen. Gevolg is dat de vergunningplicht uit artikel 4.234.27 toch blijft gelden voor die gevallen. Deze systematiek is overgenomen uit de artikelen 4a en 5, vierde lid, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. De toestemmingsvrije mogelijkheden zijn in het kader van de bescherming van cultureel erfgoed beperkt in geval van (voor)beschermde monumenten en archeologische monumenten en Rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten. De beide leden zijn een voortzetting van artikel 5, vierde lid, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht, 

De uitzondering op het toestemmingsvrij bouwen van artikel 22.28 lid 4 van de bruidsschat is niet één-op-één overgenomen. Er is voor gekozen de beperkingen vanwege bodemkwaliteit en mogelijk aanwezige archeologische waarden rechtstreeks ter verwerken in artikel 4.114.12 en 4.154.16. Dat heeft tot gevolg dat de mogelijkheden voor het toestemmingsvrij bouwen zijn beperkt tot bouwwerken van 50m2. Daarover is meer te lezen in de betreffende artikelen en hun toelichting.

Verder bevat het omgevingsplan specifieke regels over archeologische onderzoek. Deze zijn opgenomen in afdeling 3.2. Ook kan er omgevingsvergunningplicht gelden voor de activiteit 'werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid uitvoeren'. Deze regels hebben in beginsel geen rechtstreekse invloed op de bouwactiviteit. Het zijn twee zelfstandige kaders. In de voormalige planologische regelingen die onderdeel uitmaken van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is dit uiteraard nog niet tot uitdrukking gebracht. Dat gebeurd met de eerste wijziging van het omgevingsplan.

In aanvulling op de toelichting op artikel 2.30 van het Bbl (bij het Invoeringsbesluit Omgevingswet oorspronkelijk genummerd als artikel 2.15g) wordt hieronder ingegaan op de instructieregels en instructies die in ieder geval in acht genomen moeten worden bij het in het omgevingsplan aanpassen van de artikel 4.234.27 van dit omgevingsplan en de in dit artikel opgenomen uitzonderingen daarop voor cultureel erfgoed. In de toelichting bij artikelen 4.114.12 en 4.154.16 is daarover meer specifiek nog te lezen.

Bij aanpassing van het omgevingsplan moet de gemeente de instructieregels en instructies van de provincie en het Rijk in acht nemen. Bij dit onderwerp gaat het dan in ieder geval om de instructieregels uit het Bkl over het behoud van cultureel erfgoed (artikel 5.130) en werelderfgoed (artikel 5.131), de provinciale instructieregels over werelderfgoed (op grond van artikel 7.4, derde lid, van het Bkl) en de instructies ter bescherming van rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten, bedoeld in artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet (in samenhang met artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet).

Voor omgevingsplanactiviteiten in, aan of op via het omgevingsplan (voor)beschermde monumenten of archeologische monumenten zal het daarbij vooral draaien om de vraag of de activiteit van invloed kan zijn op de monumentale waarden. De omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk valt hier immers één op één samen met de omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een (gemeentelijk of provinciaal) beschermd monument of archeologisch monument. Als een gemeente niet tot een toestemmingsvrij regime per locatie wil overgaan, ligt een vergelijkbaar regime als opgenomen in artikel 13.11 van het Bal, waarin de toestemmingsvrije gevallen voor de rijksmonumentenactiviteit zijn aangewezen, voor de hand. In de omgeving van – bij – (voor)beschermde monumenten is in ieder geval relevant de instructieregel in artikel 5.130, tweede lid, onder d, onder 1°, van het Bkl, dat de aantasting van de omgeving van deze monumenten moet worden voorkomen voor zover deze daardoor zouden worden ontsierd of beschadigd. De mogelijkheden om binnen een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht meer omgevingsplanactiviteiten toestemmingsvrij te maken, worden enerzijds specifiek begrensd door het niveau van bescherming dat ten tijde van de aanwijzing als beschermd gezicht op grond van de Monumentenwet 1988 of de instructie op grond van artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet voldoende beschermend werd geacht. Anderzijds vormt de generieke instructieregel in artikel 5.130, tweede lid, onder d, onder 2°, van het Bkl in algemene zin een ondergrens. Deze instructieregel bepaalt dat aantasting van het karakter van beschermde stads- en dorpsgezichten (ongeacht op welk overheidsniveau deze zijn beschermd) moet worden voorkomen. Hoewel in de artikelsgewijze toelichting bij artikel 5.130 van het Bkl is opgemerkt dat het tweede lid, onder d, onder 2°, zich in eerste instantie richt op stads- en dorpsgezichten (en cultuurlandschappen) die op initiatief van de gemeente zelf worden beschermd, is de bepaling uitdrukkelijk ook van toepassing op rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten. Dit is ook nodig, omdat veel aanwijzingen als rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht inmiddels zo’n vijftig jaar oud zijn en de meeste nog op het oude stelsel zijn geënt, waarin van rechtswege een bouwvergunningplicht gold. Daardoor zijn die als instructie aangemerkte oude aanwijzingen in de praktijk niet altijd leesbaar als een actuele en gedetailleerde instructie als bedoeld in artikel 2.34 van de Omgevingswet. De instructieregel in artikel 5.130, eerste lid, van het Bkl verplicht de gemeente in zo’n geval de karakteristieken van het beschermde gezicht aanvullend te analyseren en te betrekken bij de vraag of er ruimte is voor aanvullende toestemmingsvrij omgevingsplanactiviteiten. Het ligt niet voor de hand dat er op gemeentelijk niveau generiek veel meer toestemmingsvrij zal kunnen worden verklaard. Voornoemde instructieregel voor beschermde stads- en dorpsgezichten geldt overigens ook voor eventuele via het omgevingsplan beschermde cultuurlandschappen, iets wat met name in het buitengebied aan de orde zou kunnen zijn.

In het licht van het voorgaande wordt ook nog gewezen op het – ook rechtstreeks de gemeenten bindende – verdrag van Granada. Op basis van artikel 4 van dat verdrag moet het beschermingsregime zo ingericht worden dat het bevoegd gezag ter voorkoming van ontsiering, vernieling of afbraak van beschermd cultureel erfgoed in een passende controle en goedkeuringsprocedure in kennis wordt gesteld van alle plannen tot het slopen of wijzigen («afbraak of verandering») van een (voor)beschermd monument of aantasting van de omgeving van zo’n monument, of waardoor een beschermd gezicht of cultuurlandschap geheel dan wel gedeeltelijk wordt aangetast als gevolg van de sloop van bestaande gebouwen, de bouw van nieuwe gebouwen, of belangrijke veranderingen waardoor het karakter van het gezicht of cultuurlandschap zou worden aangetast. Artikel 14, eerste lid, van dit verdrag vraagt verder in de verschillende stadia van besluitvorming te zorgen voor passende structuren voor informatie, overleg en samenwerking tussen de centrale overheid, de regionale en lokale overheden, culturele instellingen en verenigingen en het publiek (participatie).

In de meeste gevallen zal een preventieve toets aan het omgevingsplan in de vorm van een vergunningplicht met het oog op bovenstaande overwegingen wenselijk blijven. De hoeveelheid activiteiten in, aan, op en bij beschermde monumenten en archeologische monumenten en in beschermde stads- en dorpsgezichten die in een gebied toestemmingsvrij zullen kunnen worden na aanpassing van het omgevingsplan zal naar verwachting dus ook niet veel afwijken van de mogelijkheden die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet landelijk in het voormalige Besluit omgevingsrecht waren opgenomen.

XXXXXXXX

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.94.10 lid 3

Lid 2 is voormalig bruidsschat artikelen 22.28 lid 2 en 22.38 onder a. Artikel 22.38 sub b is vervallen omdat Rijssen-Holten geen Rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht kent. Het lid is aangevuld met artikel 2.10 lid 2 van de Erfgoedverordening gemeente Rijssen-Holten 2018. Dat lid regelt dat normaal onderhoud en inpandige wijzigingen, beide onder voorwaarden, toestemmingsvrij zijn. Dat lid is overgenomen om daarmee geen onnodige lastenverzwaring te creëren. Verder is het lid afgestemd op de Herijking ruimtelijk erfgoedbeleid gemeente Rijssen-Holten. Dit beleid gaat er onder meer vanuit dat bestaand erfgoed in stand wordt gehouden. Activiteiten die (mogelijk) daar op voorhand niet aan bijdragen zijn vergunningplichtig. Daarmee zij de activiteiten niet op voorhand verboden, ze moet vooraf getoetst worden. Ook hier geldt de uitzondering van normaal onderhoud onder de genoemde voorwaarden en de inpandige wijziging van onderdelen zonder betekenis.

Toelichting

Dit lid bevat uitzonderingen en aanvullende randvoorwaarden voor de in paragraaf 4.2.2 aangewezen gevallen. Gevolg is dat de vergunningplicht uit artikel 4.234.27 toch blijft gelden voor die gevallen. Deze systematiek is overgenomen uit de artikelen 4a en 5, vierde lid, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. De toestemmingsvrije mogelijkheden zijn in het kader van de bescherming van cultureel erfgoed beperkt in geval van (voor)beschermde monumenten en archeologische monumenten en Rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten. De beide leden zijn een voortzetting van artikel 5, vierde lid, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht, 

De uitzondering op het toestemmingsvrij bouwen van artikel 22.28 lid 4 van de bruidsschat is niet één-op-één overgenomen. Er is voor gekozen de beperkingen vanwege bodemkwaliteit en mogelijk aanwezige archeologische waarden rechtstreeks ter verwerken in artikel 4.114.12 en 4.154.16. Dat heeft tot gevolg dat de mogelijkheden voor het toestemmingsvrij bouwen zijn beperkt tot bouwwerken van 50m2. Daarover is meer te lezen in de betreffende artikelen en hun toelichting.

Verder bevat het omgevingsplan specifieke regels over archeologische onderzoek. Deze zijn opgenomen in afdeling 3.2. Ook kan er omgevingsvergunningplicht gelden voor de activiteit 'werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid uitvoeren'. Deze regels hebben in beginsel geen rechtstreekse invloed op de bouwactiviteit. Het zijn twee zelfstandige kaders. In de voormalige planologische regelingen die onderdeel uitmaken van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is dit uiteraard nog niet tot uitdrukking gebracht. Dat gebeurd met de eerste wijziging van het omgevingsplan.

In aanvulling op de toelichting op artikel 2.30 van het Bbl (bij het Invoeringsbesluit Omgevingswet oorspronkelijk genummerd als artikel 2.15g) wordt hieronder ingegaan op de instructieregels en instructies die in ieder geval in acht genomen moeten worden bij het in het omgevingsplan aanpassen van de artikel 4.234.27 van dit omgevingsplan en de in dit artikel opgenomen uitzonderingen daarop voor cultureel erfgoed. In de toelichting bij artikelen 4.114.12 en 4.154.16 is daarover meer specifiek nog te lezen.

Bij aanpassing van het omgevingsplan moet de gemeente de instructieregels en instructies van de provincie en het Rijk in acht nemen. Bij dit onderwerp gaat het dan in ieder geval om de instructieregels uit het Bkl over het behoud van cultureel erfgoed (artikel 5.130) en werelderfgoed (artikel 5.131), de provinciale instructieregels over werelderfgoed (op grond van artikel 7.4, derde lid, van het Bkl) en de instructies ter bescherming van rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten, bedoeld in artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet (in samenhang met artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet).

Voor omgevingsplanactiviteiten in, aan of op via het omgevingsplan (voor)beschermde monumenten of archeologische monumenten zal het daarbij vooral draaien om de vraag of de activiteit van invloed kan zijn op de monumentale waarden. De omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk valt hier immers één op één samen met de omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een (gemeentelijk of provinciaal) beschermd monument of archeologisch monument. Als een gemeente niet tot een toestemmingsvrij regime per locatie wil overgaan, ligt een vergelijkbaar regime als opgenomen in artikel 13.11 van het Bal, waarin de toestemmingsvrije gevallen voor de rijksmonumentenactiviteit zijn aangewezen, voor de hand. In de omgeving van – bij – (voor)beschermde monumenten is in ieder geval relevant de instructieregel in artikel 5.130, tweede lid, onder d, onder 1°, van het Bkl, dat de aantasting van de omgeving van deze monumenten moet worden voorkomen voor zover deze daardoor zouden worden ontsierd of beschadigd. De mogelijkheden om binnen een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht meer omgevingsplanactiviteiten toestemmingsvrij te maken, worden enerzijds specifiek begrensd door het niveau van bescherming dat ten tijde van de aanwijzing als beschermd gezicht op grond van de Monumentenwet 1988 of de instructie op grond van artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet voldoende beschermend werd geacht. Anderzijds vormt de generieke instructieregel in artikel 5.130, tweede lid, onder d, onder 2°, van het Bkl in algemene zin een ondergrens. Deze instructieregel bepaalt dat aantasting van het karakter van beschermde stads- en dorpsgezichten (ongeacht op welk overheidsniveau deze zijn beschermd) moet worden voorkomen. Hoewel in de artikelsgewijze toelichting bij artikel 5.130 van het Bkl is opgemerkt dat het tweede lid, onder d, onder 2°, zich in eerste instantie richt op stads- en dorpsgezichten (en cultuurlandschappen) die op initiatief van de gemeente zelf worden beschermd, is de bepaling uitdrukkelijk ook van toepassing op rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten. Dit is ook nodig, omdat veel aanwijzingen als rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht inmiddels zo’n vijftig jaar oud zijn en de meeste nog op het oude stelsel zijn geënt, waarin van rechtswege een bouwvergunningplicht gold. Daardoor zijn die als instructie aangemerkte oude aanwijzingen in de praktijk niet altijd leesbaar als een actuele en gedetailleerde instructie als bedoeld in artikel 2.34 van de Omgevingswet. De instructieregel in artikel 5.130, eerste lid, van het Bkl verplicht de gemeente in zo’n geval de karakteristieken van het beschermde gezicht aanvullend te analyseren en te betrekken bij de vraag of er ruimte is voor aanvullende toestemmingsvrij omgevingsplanactiviteiten. Het ligt niet voor de hand dat er op gemeentelijk niveau generiek veel meer toestemmingsvrij zal kunnen worden verklaard. Voornoemde instructieregel voor beschermde stads- en dorpsgezichten geldt overigens ook voor eventuele via het omgevingsplan beschermde cultuurlandschappen, iets wat met name in het buitengebied aan de orde zou kunnen zijn.

In het licht van het voorgaande wordt ook nog gewezen op het – ook rechtstreeks de gemeenten bindende – verdrag van Granada. Op basis van artikel 4 van dat verdrag moet het beschermingsregime zo ingericht worden dat het bevoegd gezag ter voorkoming van ontsiering, vernieling of afbraak van beschermd cultureel erfgoed in een passende controle en goedkeuringsprocedure in kennis wordt gesteld van alle plannen tot het slopen of wijzigen («afbraak of verandering») van een (voor)beschermd monument of aantasting van de omgeving van zo’n monument, of waardoor een beschermd gezicht of cultuurlandschap geheel dan wel gedeeltelijk wordt aangetast als gevolg van de sloop van bestaande gebouwen, de bouw van nieuwe gebouwen, of belangrijke veranderingen waardoor het karakter van het gezicht of cultuurlandschap zou worden aangetast. Artikel 14, eerste lid, van dit verdrag vraagt verder in de verschillende stadia van besluitvorming te zorgen voor passende structuren voor informatie, overleg en samenwerking tussen de centrale overheid, de regionale en lokale overheden, culturele instellingen en verenigingen en het publiek (participatie).

In de meeste gevallen zal een preventieve toets aan het omgevingsplan in de vorm van een vergunningplicht met het oog op bovenstaande overwegingen wenselijk blijven. De hoeveelheid activiteiten in, aan, op en bij beschermde monumenten en archeologische monumenten en in beschermde stads- en dorpsgezichten die in een gebied toestemmingsvrij zullen kunnen worden na aanpassing van het omgevingsplan zal naar verwachting dus ook niet veel afwijken van de mogelijkheden die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet landelijk in het voormalige Besluit omgevingsrecht waren opgenomen.

YYYYYYYY

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.94.10 lid 4

Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.39.

Toelichting

Dit lid bevat uitzonderingen op de mogelijkheden om toestemmingsvrije activiteiten als bedoeld in paragraaf 4.2.2  te verrichten vanwege het belang van de externe veiligheid. Deze uitzonderingen waren opgenomen in artikel 5, derde lid, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. Hieraan ligt ten grondslag de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico van ten hoogste een op de miljoen per jaar voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties die op grond van artikel 5.7 van het Bkl in een omgevingsplan in acht moet worden genomen. Voor zover paragraaf 4.2.2 betrekking heeft op die gebouwen – de onderdelen a en c – is het niet wenselijk dat op locaties waar door de in die onderdelen bedoelde activiteiten overschrijding van de norm voor het plaatsgebonden risico aan de orde zou kunnen zijn, toestemmingsvrij de in die onderdelen bedoelde activiteiten zouden kunnen worden verricht.

De locaties waar deze activiteiten niet mogelijk zijn, zijn in de eerste plaats de locaties waarvoor het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, zelf al vanwege de overschrijding van het plaatsgebonden risico bouwmogelijkheden die kunnen leiden tot kwetsbare of zeer kwetsbare gebouwen niet toelaat. Het gaat hier om artikel 4.114.12 en 4.514.62 die een omzetting zijn van artikel 5, derde lid, onder a en b, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. De verwijzing naar dit omgevingsplan is hier uitdrukkelijk beperkt tot het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, dat kort samengevat bestaat uit de onder het voormalige recht geldende planologische regelingen. Dit omdat die regelingen uitgaan van de in de desbetreffende onderdelen van artikel 5, derde lid, gehanteerde begrippen en systematiek, die onder de Omgevingswet anders zijn. Het is aan gemeenten om daar bij het vaststellen van het omgevingsplan toepassing aan te geven. Hierop kan niet in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder c, van de Omgevingswet worden vooruitgelopen.

Artikel 17.917.10 zondert daarnaast ook toestemmingsvrije activiteiten als bedoeld in paragraaf 4.2.2 uit, als de beoogde locatie voor die activiteiten is gelegen binnen afstanden die degene die een toestemmingsvrije milieubelastende activiteit verricht op grond van het Bal in verband met het plaatsgebonden risico in acht moet nemen. Het gaat dan om de afstanden tussen bepaalde installaties of opslagvoorzieningen waar met stoffen wordt gewerkt die een veiligheidsrisico voor de omgeving met zich kunnen brengen en te beschermen gebouwen en locaties. Op grond van het Bal geldt als hoofdregel dat veiligheidsafstanden zoals hier bedoeld gelden tot de begrenzing van de locatie waarop de milieubelastende activiteit wordt verricht. Hierdoor zijn er ook geen beperkingen aan de gebruiksruimte buiten die begrenzing. Maar het Bal staat in een aantal situaties afwijking van deze regel toe. Onderdeel c is alleen voor die gevallen van praktisch belang. De zinsnede «voor zover ... van toepassing is» in de verschillende subonderdelen van artikel 17.917.10, brengt dat tot uitdrukking. Degene die een milieubelastende activiteit als hier bedoeld verricht, moet op grond van het Bal op het moment dat de veiligheidsafstanden van toepassing worden buiten de locatie waar hij zijn activiteit verricht, het bevoegd gezag daarover informeren. Het bevoegd gezag moet ervoor zorgen dat deze gegevens terecht komen in het landelijk register externe veiligheidsrisico’s en aldus voor eenieder kenbaar zijn.

Bij de opsomming van activiteiten in artikel 17.917.10, is aangesloten bij de opsomming van activiteiten in bijlage VII, onder A, bij het Bkl. Dat onderdeel van die bijlage geeft voor de daarin genoemde toestemmingsvrije milieubelastende activiteiten uit het Bal vastgestelde afstanden waarbij wordt voldaan aan de norm voor het plaatsgebonden risico. De opgesomde activiteiten, zoals die in artikel 17.917.10, onder verwijzing naar de desbetreffende artikelen uit het Bal zijn overgenomen, omvatten zes activiteiten die niet worden genoemd in artikel 5, derde lid, onder c, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. Het gaat hier om de subonderdelen 2, 5, 6, 7, 12 en 13. Voor de activiteit, bedoeld in subonderdeel 2 (het tanken van voertuigen of werktuigen met LPG), heeft dat als achtergrond dat deze activiteit onder het recht voor de Omgevingswet nog vergunningplichtig was. Door de verschuiving van vergunningplichtig naar toestemmingsvrij moet de activiteit nu aan de opsomming in artikel 17.917.10, worden toegevoegd. Voor de overige toegevoegde activiteiten is gelet op het belang van de externe veiligheid evenmin aanleiding om deze voor de toepassing van artikel 17.917.10, buiten beschouwing te laten.

ZZZZZZZZ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.94.10 lid 5

Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.23 lid 1.

Toelichting

De in dit artikel opgenomen afbakeningseisen zijn ongewijzigd overgenomen uit artikel 5, eerste en tweede lid, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. In het lid is opgenomen dat toestemmingsvrij bouwen niet is toegestaan als het oorspronkelijke bouwwerk waarin, waaraan, waarop of waarbij gebouwd wordt, zonder de daarvoor vereiste vergunning is gebouwd of wordt gebruikt. Dit kan zowel gaan om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, onder a, van de Omgevingswet als een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder a, van die wet. In het geval het bouwwerk (geheel of gedeeltelijk) illegaal is gebouwd of wordt gebruikt, is het onwenselijk dat eventuele latere aanpassingen van of uitbreidingen aan of bij dit gebouw vergunningvrij en daarmee legaal zouden kunnen zijn. De mogelijkheid tot toestemmingsvrij bouwen is daarom zowel hier, als in het Besluit bouwwerk leefomgeving uitgesloten.

Met dit lid wordt niet beoogd het toestemmingsvrij veranderen van bouwwerken zoals beschreven in artikel 4.124.13 uit te sluiten als het gaat om een bouwwerk dat op basis eerdere regelgeving vergunningvrij gebouwd kon worden. Dit lid sluit alleen de mogelijkheden bij vergunningplichtige bouwwerken zonder vergunning uit.

AAAAAAAAA

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

BBBBBBBBB

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

CCCCCCCCC

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.104.11 Toepasbare regels artikel 2.29 Besluit bouwwerken leefomgeving

DDDDDDDDD

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.114.12 Bijbehorend bouwwerk

Lid omvat voormalig bruidsschat artikel 22.25, 22.27 onder a, artikel 22.36 onder a.. Lid 1 sub c is toegevoegd op basis van artikel 5.89g en h Besluit kwaliteit leefomgeving en vormt een cumulatieve eis met lid 1 sub d.

Lid 3 is voormalig bruidsschat artikel 22.37 lid 1.

Het oorspronkelijke artikel 22.37 lid 2 is vervallen omdat in het tijdelijk deel omgevingsplan (Chw veegplan buitengebied Rijssen-Holten) eigen regels over tijdelijke huisvesting in verband met mantelzorg in een unit zijn opgenomen.

Toelichting

Artikel 22.27 onder a en 22.36 onder a gaan over bijbehorende bouwwerken en liggen in elkaars verlengde. Om de tot één helder nieuwe regeling te komen zijn beide artikelen op elkaar afgestemd. De nieuwe juridische regels zorgen voor een goede balans tussen benutten (het zonder te veel regeldruk kunnen realiseren)  en beschermen (het vooraf toetsen van eventueel met elkaar in strijd zijnde belangen). Met de nieuwe regels kunnen veel voorkomende bijbehorende bouwwerken zoals platte uitbouwen bij woningen gerealiseerd worden. Het mogelijk maken van hoge bijbehorende bouwwerken of meerdere bouwlagen met verblijfsruimten zonder voorafgaande beoordeling is niet wenselijk. Op voorhand is niet voor elke locatie voldoende zicht op de betrokken belangen. Daarom leent dit soort bijbehorende bouwwerken zich niet voor toestemmingsvrij bouwen. Voor het buitengebied gelden er specifieke regels op basis van het tijdelijk deel omgevingsplan waardoor er voor bijbehorende bouwwerken in dit gebied geen toestemmingsvrije mogelijkheden gelden. 

Lid 1 onderdeel c (vervangt voormalig artikel 22.36 sub a onder 3 bruidsschat)

Instructieregels uit het besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) hebben ertoe geleid om in dit artikel met toestemmingsvrije bouwregels een maximaal oppervlak van 50m2 ineens op te nemen. Het betreft dus een toe te voegen maximum per bouwactiviteit. De instructieregels uit het Bkl zien op  ‘bodemgevoelige gebouwen’ en ‘bodemgevoelige locaties’ (zie art. 5.89g en 5.89h Bkl). Van belang is dat bijbehorende bouwwerken van meer dan 50 m2 ook als bodemgevoelig gebouw worden aangemerkt. Het omgevingsplan bevat waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit, zie artikel 4.224.26 (art. 5.89i Bkl). Bij een overschrijding van deze waarden bepaalt het omgevingsplan dat een bodemgevoelig gebouw alleen is toegestaan als in het omgevingsplan omschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89k Bkl). 

Dit leidt ertoe dat wanneer grotere oppervlakten aan bijbehorende bouwwerken toestemmingsvrij zouden toestaan voor de bouwactiviteit, deze bouwwerken alsnog aan deze regels voor bodem onderworpen zijn. Met de keuze om een maximaal oppervlak van 50m2 toestemmingsvrij per bouwactiviteit toe te staan, worden de toestemmingsvrije mogelijkheden gelijk gemaakt met de ‘bodemregelvrije’ mogelijkheden.

De eis van het maximum m2 per bouwactiviteit moet in samenhang gelezen worden met de maximale m2 bijbehorende bouwwerk in het bebouwingsgebied. Per bebouwingsgebied geldt er dus een maximum van alle in dat gebied aanwezige bijbehorende bouwwerken én een maximum van per bouwactiviteit toe te voegen bijbehorende bouwwerken. 

EEEEEEEEE

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.114.12 lid 12

Lid 1 is een samenvoeging van voormalig bruidsschat artikel 22.27 onder a en artikel 22.36 onder a uit de bruidsschat samengevoegd. 

Toelichting

Bepalen bouwhoogte

Dit lid is voortzetting van de bestaande mogelijkheden op basis van voormalig artikel 2, onderdeel 3 en artikel 3, onderdeel 1 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. Naast een bijbehorend bouwwerk kan ook een uitbreiding van een bijbehorend bouwwerk op basis van dit lid toestemmingsvrij worden gebouwd. Denk daarbij bijvoorbeeld aan het uitbreiden van een bestaand bijgebouw. 

Voor zover een bijbehorend bouwwerk zich bevindt binnen de genoemde afstand van niet meer dan 4 meter van het hoofdgebouw, mag het gebruik daarvan overeenkomstig zijn aan het gebruik in het hoofdgebouw zelf. Bij een woning betekent dat bijvoorbeeld dat binnen die afstand een aan- of uitbouw gebruikt mag worden voor het vergroten van een woonkamer, (bij)keuken of serre. Buiten de genoemde afstand geldt als eis dat het gebruik functioneel ondergeschikt dient te zijn. Bij een woning kan het dan bijvoorbeeld slechts gaan om een garage, berging of plantenkas. Een vanuit de woning toegankelijke bijkeuken wordt in dit verband niet als functioneel ondergeschikt aangemerkt, maar dient functioneel als onderdeel van de woning te worden aangemerkt. 

Een bijgebouw met een schuin dak wordt onder meer uit architectonisch oogpunt soms aantrekkelijker gevonden dan een plat dak. Veelal laat de architectuur van een bijbehorend bouwwerk zich met een kap ook beter aansluiten bij de architectuur van het hoofdgebouw. Aan de maatvoeringen van zo’n schuin dak zijn, mede in verband met architectuur en belangen van omwonenden, randvoorwaarden gesteld. De regeling is zo opgezet dat bij hogere daken dan 3 meter, in de regel alleen standaard zadeldaken of schilddaken mogelijk zijn. Voor een dak dat hoger is dan 3 meter geldt dat de dakvoet niet hoger mag zijn dan 3 meter en dat de daknok bestaat uit twee of meer schuine dakvlakken. De hellingshoek van de schuine dakvlakken mag niet meer bedragen dan 55°. Daardoor wordt bereikt dat een lessenaarsdak of mansarde kap niet kan worden gerealiseerd. De daknok mag in ieder geval niet hoger zijn dan 5 meter en wordt verder in hoogte begrensd door een formule. In deze formule is de afstand van de nok tot de perceelsgrens bepalend voor de toegestane hoogte. Hoe dichter bij de perceelsgrens hoe minder hoog een dak mag zijn. De formule voor de daknokhoogte is gebaseerd op de zogenoemde «lichte» TNO-norm. Deze norm gaat uit van minimaal twee mogelijke bezonningsuren per etmaal, in de periode van 19 februari tot 21 oktober. De «lichte» TNO-norm wordt in de praktijk veelvuldig toegepast om aan de hand van bezonningsstudies te onderbouwen dat de kwaliteit van het woon- en leefklimaat, in het bijzonder de bezonningssituatie op gevels van bebouwing op aangrenzende percelen, ten gevolge van een bouwplan in voldoende mate gewaarborgd blijft. Door deze norm als uitgangspunt te nemen voor het bepalen van de randvoorwaarden voor een toestemmingsvrij bijbehorend bouwwerk met een kap, blijft de bezonningssituatie op belendende bebouwing en naburige erven in voldoende mate gewaarborgd. De daknokhoogte dient te worden bepaald met de volgende formule:

maximale daknokhoogte [meter] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [meter] x 0,47) + 3

Ten behoeve van de bezonningssituaties op naburige percelen leidt de formule ertoe dat de daklijn ten opzichte van de perceelsgrenzen slechts geleidelijk in hoogte kan oplopen tot een maximaal toegestane daknokhoogte van 5 meter. De formule is gebaseerd op een zonnestand met een hellingshoek van 25° vanaf een hoogte van 3 meter (de tangens van een hoek van 25° bedraagt naar boven afgerond 0,47). Hieronder zijn voorbeelduitwerkingen gegeven waarin de daknok van een bijbehorend bouwwerk evenwijdig loopt met de perceelsgrens.

AFBEELDING NOG TOEVOEGEN

In onderstaande voorbeelduitwerking is een bijbehorend bouwwerk te zien waarin de daknok haaks op de perceelsgrens is geprojecteerd. In dat geval kan door toepassing van een schilddak worden bereikt dat de daklijn ten opzichte van de perceelsgrens geleidelijk in hoogte oploopt. 

AFBEELDING NOG TOEVOEGEN

Bepalen oppervlakte

Op basis van het Besluit kwaliteit leefomgeving is de gemeente verplicht regels te stellen in het omgevingsplan over de kwaliteit van de bodem in relatie tot bodemgevoelige gebouwen op bodemgevoelige locaties (artikel 5.89g en verder Bkl). Op basis van het Bkl worden bouwwerken van maximaal 50 m2 niet aangemerkt als bodemgevoelig gebouw. De regels van het Bkl stellen gemeenten daarmee voor een keuze. 

Of er worden aanvullende voorwaarden aan het toestemmingsvrij bouwen verbonden of het maximale oppervlak toestemmingsvrije bouwwerken wordt beperkt. Het onder complexe voorwaarden mogelijk maken van een bouwwerk is niet in lijn met het idee van eenvoudige en vooraf voorspelbare dienstverlening. Ook schuift het moment van beoordelen naar de toezichtfase, waarbij bouwwerken wellicht al in gebruik genomen zijn. Beiden zijn niet gewenst. Daarom is gekozen het maximale oppervlak toestemmingsvrije bouwwerken te beperken tot 50 m2. Voor het meerdere is omgevingsvergunning nodig (artikel 4.234.27) waarbij de voorwaarden op dit moment in het tijdelijk deel omgevingsplan zijn opgenomen.

Door toevoeging van het begrip «bebouwingsgebied» wordt duidelijk dat de omvang van het achtererfgebied wordt bepaald aan de hand van de actuele omvang van het hoofdgebouw. Denkbaar is dat een achtererfgebied in omvang wijzigt door dat het oorspronkelijk hoofdgebouw aan de zij- of voorgevel wordt uitgebouwd. Vandaar dat het achtererfgebied wordt bepaald aan de hand van het hoofdgebouw, met inbegrip van naderhand aan het oorspronkelijk hoofdgebouw toegevoegde uitbreidingen (aan- of uitbouwen). Een aanbouw die bestaat uit een garage, berging of andere functioneel ondergeschikt gebruikte ruimte, maakt overigens geen deel uit van het hoofdgebouw en blijft dus buiten beschouwing bij het bepalen van het achtererfgebied. Verder wordt voor het bepalen van het achtererfgebied uitgegaan van de actuele begrenzing van het perceel, nadat het eventueel in de loop der tijd is gewijzigd door aan- of verkoop. Vanuit de actuele omvang van het achtererfgebied wordt de zogenoemde nulsituatie bepaald door het bebouwingsgebied. Het bebouwingsgebied bestaat uit het achtererfgebied en de delen van het hoofdgebouw (aan- of uitbouwen of andere uitbreidingen) die naderhand aan het oorspronkelijke hoofdgebouw zijn toegevoegd (delen van het hoofdgebouw die niet tot het oorspronkelijke hoofdgebouw behoren). Met de oppervlakte van het bebouwingsgebied wordt aan de hand van een bebouwingspercentage bepaald welke oppervlakte aan toestemmingsvrije bijbehorende bouwwerken aanwezig mag zijn. Om een precieze benadering te bereiken van de bebouwingshoeveelheid die in het algemeen planologisch aanvaardbaar wordt geacht bij hoofdgebouwen, wordt gewerkt met een bebouwingspercentage dat verhoudingsgewijs afneemt naarmate een bebouwingsgebied groter is in omvang. Het rekenmodel dat hiertoe wordt toegepast is vergelijkbaar met de belastingsschijven voor de inkomstenbelasting. In onderstaande tabel is het maximaal toelaatbare bebouwingspercentage van bijbehorende bouwwerken gerelateerd aan de omvang van het bebouwingsgebied.

Uitzondering 'erf'

De regeling in het tijdelijk deel omgevingsplan is gelet op de omschrijving van het begrip «erf» uit het voormalige artikel 1 van bijlage I Besluit omgevingsrecht relevant voor de vraag in hoeverre gronden bij een hoofdgebouw als erf kunnen worden aangemerkt en dus in hoeverre binnen het tot het erf behorende achtererfgebied zonder vergunning bijbehorende bouwwerken kunnen worden opgericht. Het is mogelijk om percelen bij een hoofdgebouw geheel of gedeeltelijk een andere bestemming te geven dan de bestemming van het hoofdgebouw. Op het desbetreffende perceelsgedeelte kan in zo’n geval een bestemming rusten die een gebruik als buitenruimte ten dienste van het hoofdgebouw niet of slechts in beperkte mate toestaat. Denk bijvoorbeeld aan flats en appartementengebouwen, waarbij aan de omliggende gronden een bestemming «openbaar groen» of «stedelijk groen» is gegeven. Ook bij perceelsgedeelten die liggen in bijvoorbeeld een agrarisch- of weidegebied, bos, duinen, hei, natuur, stadspark, openbaar plantsoen of openbare weg, zal duidelijk zijn dat met het geven van een andere bestemming geen sprake is van erf.

FFFFFFFFF

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

GGGGGGGGG

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.124.13 Bouwwerk veranderen 

Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.27 sub j.

Toelichting

Ten opzichte van de regeling uit het Besluit omgevingsrecht zijn enkele voorwaarden geschrapt (geen verandering van de draagconstructie of (sub)brandcompartimentering), aangezien die om bouwtechnische redenen gesteld werden en geen invloed hebben op de ruimtelijke kwaliteit van het bouwen zoals die door een omgevingsplan wordt gereguleerd.

Dit artikel is ook van toepassing op veranderingen aan in het verleden toestemmingsvrij gerealiseerde bouwwerken die door wijzingen van (Rijks)regels inmiddels niet meer toestemmingsvrij zijn. Dat wordt duidelijk gemaakt door de uitzondering op de inperkingen toestemmingsvrije bouwwerken (artikel 4.94.10). Het veranderen van een illegaal gebouwd bouwwerk is niet mogelijk.

HHHHHHHHH

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.134.14 Buisleiding  

Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.27 sub i.

Toelichting

Dit lid maakt een uitzondering op artikel 4.234.27 anders dan buisleidingen waarop artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4°, van het Bbl (bij het Invoeringsbesluit Omgevingswet oorspronkelijk genummerd als artikel 2.15f, onder p, aanhef en onder 4°) van toepassing is. Hierdoor ontstaat een vergelijkbare samenhang tussen dit artikelonderdeel van het omgevingsplan en het genoemde artikelonderdeel uit het Bbl als de samenhang tussen de onderdelen in de artikelen 2 en 3 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht.

IIIIIIIII

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.144.15 Hekwerk, schutting of andere erf- en perceelafscheiding 

JJJJJJJJJ

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

KKKKKKKKK

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

LLLLLLLLL

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

MMMMMMMMM

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

NNNNNNNNN

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

OOOOOOOOO

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

PPPPPPPPP

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.154.16 Recreatief nachtverblijf 

Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.27 onder b. 

Toelichting

Dit artikel is alleen van toepassing op de locaties die in het werkingsgebied van dit artikel vallen. Een recreatief nachtverblijf mag alleen toestemmingsvrij gebouwd, in stand gehouden of gebruikt worden als het voldoet aan de voorwaarden gesteld in dit artikel. Als de maatvoering groter is dan aangegeven in dit artikel, geldt er een vergunningplicht en gelden de beoordelingsregels uit het tijdelijk deel omgevingsplan.

Over de vraag wat onder een bouwwerk moet worden verstaan, heeft zich een uitgebreide jurisprudentie ontwikkeld. Daarbij gaat het samengevat om alle met de grond verbonden constructies van enige omvang met een plaatsgebonden karakter. Dit laatste criterium is relevant voor de plaatsing van caravans en andere mobiele of eenvoudig verwijderbare objecten (zoals tenten, tentauto’s, kampeerauto’s). Veelal speelt bij deze objecten de vraag of sprake is van een plaatsgebonden karakter. Alleen bij een langduriger plaatsing zal er pas sprake kunnen zijn van een plaatsgebonden karakter en dient de constructie gezien te worden als een «bouwwerk». Over het antwoord op de vraag hoe lang een object moet staan om als bouwwerk aangemerkt te worden bestaat evenzeer de nodige jurisprudentie. Deze is evenwel in hoge mate casuïstisch en kan niet leiden tot een eenduidig en precies antwoord op die vraag. Naast de termijn van plaatsing van het object is de vraag of sprake is van een bouwwerk mede afhankelijk gesteld van de mate waarin sprake is van (blijvende) planologische gevolgen (zie ABRvS 7 juli 2001, Gst. 7154.7, ABRvS 2 februari 1995, BR 1995, 409). Gezien deze jurisprudentie kan het gedurende 31 dagen geplaatst houden van een tent, niet als bouwen worden aangemerkt. De tenten die voor een periode van drie maanden werden geplaatst voor het lammeren van schapen werden wel als bouwwerk aangemerkt (ABRvS 6 december 2006, 200602330/1, LJN: AZ3744). Een relevant aspect in de betrokken jurisprudentie wordt dus gevormd door de planologische inbreuk die met het geplaatste object wordt gemaakt. Het tijdens de vakantie enkele weken plaatsen van een toercaravan op een camping, in overeenstemming met de geldende planologische regelgeving, zal niet als bouwen aangemerkt hoeven worden. Indien de caravan midden in het bos wordt geplaatst en in strijd met de bestemming gebruikt wordt voor (wild) kamperen ligt dat evenwel anders en kan er al eerder sprake zijn van een bouwwerk. Vastgesteld kan in ieder geval worden dat bij een plaatsing gedurende meer dan drie maanden (plaatsing gedurende een aanmerkelijk deel van een seizoen) sprake is van een bouwwerk. Dankzij de nieuwe regeling is echter in dat geval geen omgevingsvergunning vereist, mits voldaan wordt aan de planologische regelgeving. 

Maximum oppervlakte

Instructieregels uit het besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) hebben ertoe geleid om in dit artikel met toestemmingsvrije bouwregels een maximaal oppervlak van 50m2 op te nemen. De instructieregels uit het Bkl zien op  ‘bodemgevoelige gebouwen’ en ‘bodemgevoelige locaties’ (zie art. 5.89g en 5.89h Bkl). Van belang is dat recreatieve nachtverblijven van meer dan 50 m2 groot ook als bodemgevoelig gebouw worden aangemerkt. Het omgevingsplan bevat waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit, zie artikel 4.224.26 (art. 5.89i Bkl). Bij een overschrijding van deze waarden bepaalt het omgevingsplan dat een bodemgevoelig gebouw alleen is toegestaan als in het omgevingsplan omschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89k Bkl). 

Dit leidt ertoe dat wanneer we grotere oppervlakten aan recreatieve nachtverblijven toestemmingsvrij zouden toestaan voor de bouwactiviteit, deze bouwwerken alsnog aan deze regels voor bodem onderworpen zijn. Met de keuze om een maximaal oppervlak van 50m2 toestemmingsvrij toe te staan, worden de toestemmingsvrije mogelijkheden gelijk gemaakt met de ‘bodemregelvrije’ mogelijkheden.

QQQQQQQQQ

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.164.17 Sport- en speeltoestel voor openbaar gebruik

RRRRRRRRR

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.174.18 Silo of ander bouwwerk ten behoeve of ter ondersteuning van agrarische bedrijfsvoering 

Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.27 onder g.

Toelichting

In dit artikel gaat het om voeder- en kunstmestsilo’s. Deze specifieke bouwwerken worden in de nieuwe e regeling aan een maximale hoogte gebonden op basis van het Chw veegplan buitengebied Rijssen-Holten. De regels gelden dus niet voor mestsilo's of silo's die hoger zijn dan 15 meter. Daarvoor geldt de vergunningplicht uit artikel 4.234.27 en het tijdelijk deel omgevingsplan.

Bij overige bouwwerken, waar een maximale hoogtemaat van 2 meter is gegeven, kan gedacht worden aan kuilvoer- en mestplaten, brandstof-, melk- en spoelwatertanks, sleufsilo’s en dergelijke. Dit artikel is niet bedoelt voor het realiseren van erf- of perceelafscheidingen. Daarvoor zijn in artikel 4.314.38 eigen regels opgenomen.

Onder de Omgevingswet is het meer van belang voor activiteiten explicieter uit te schrijven welke variaties er zijn. Onder de wetgeving van voor 1 januari 2024 gold er altijd een vergunningplicht tenzij een activiteit toestemmingsvrij was. Omdat die 'standaard' vergunningplicht niet meer geldt is het wenselijk explicieter te maken onder welke voorwaarden activiteiten toestemmingsvrij, vergunningplichtig of verboden zijn. 

Dit artikel maakt samen met artikel 4.364.46 duidelijk welke juridische regels er voor het bouwen van een silo of ander agrarisch bouwwerk geen gebouw zijnde gelden. 

SSSSSSSSS

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.184.19 Zwembad, bubbelbad of vijver

TTTTTTTTT

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.194.22 Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken

Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.35.

Toelichting

Dit artikel bevat de aanvraagvereisten voor de aanvraag van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een bouwwerk. De aanvraagvereisten zijn grotendeels ontleend aan de artikelen uit de voormalige Regeling omgevingsrecht met aanvraagvereisten vanwege planologische voorschriften en stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening en vanwege redelijke eisen van welstand, voor zover deze eisen onder de Omgevingswet nog relevant zijn voor in het omgevingsplan geregelde bouwactiviteiten. Anders dan in de Regeling omgevingsrecht zijn deze aanvraagvereisten in artikel 4.194.22 geregeld in één artikel, omdat alle genoemde aspecten, inclusief de redelijke eisen van welstand, onder de Omgevingswet worden geregeld in het omgevingsplan. Voor de redelijke eisen van welstand wordt in dit verband verwezen naar de beoordelingsregel in artikel 4.204.23, aanhef en onder b, van dit omgevingsplan. Aan de aanvraagvereisten is verder toegevoegd de eis dat een opgave van de bouwkosten wordt gedaan. De bouwkosten vormen doorgaans de grondslag voor de legesberekening voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit. In de voormalige Regeling omgevingsrecht was in de algemene aanvraagvereisten geregeld dat van de kosten van de werkzaamheden van de te verrichten activiteiten opgave wordt gedaan. In de Omgevingsregeling komt dit als algemeen aanvraagvereiste niet meer voor. Daarom moet dit bij een activiteit waarvoor dit van belang is, zoals de in dit artikel bedoelde omgevingsplanactiviteit, bij de specifieke aanvraagvereisten voor die activiteit worden geregeld.

Onderdeel j

Bij een aanvraag om een vergunning voor het bouwen wordt een bodemonderzoek overgelegd. Dit bodemonderzoek is noodzakelijk om te bepalen of de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem is overschreden. In dat geval zijn sanerende of andere beschermende maatregelen een voorwaarde voor het bouwen (artikel 4.204.23 en 4.224.26).

Dit is een voortzetting van artikel 8 van de Woningwet in samenhang met de lokale bouwverordening.

UUUUUUUUU

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.204.23 Algemene beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken

Lid 1 sub a tot en met c is voormalig bruidsschat artikel 22.29. Het oorspronkelijke lid 2 is vervallen omdat de gemeente Rijssen-Holten geen welstandsvrije gebieden kent.

Lid 1 sub d, e en f volgen uit artikel 4.2 van het Parapluplan parkeernormen van de gemeente Rijssen-Holten

Lid 2 vloeit voort uit artikel 1.10 van de Vangnetregeling Omgevingswet en voormalige artikelen 2.4.1 en 2.4.2 van de Bouwverordening gemeente Rijssen - Holten (inclusief 15e serie wijzigingen).

Toelichting

Lid 1

Op basis van artikel 4.6 van de Invoeringswet Omgevingswet maken onder andere alle voormalige bestemmingsplannen onderdeel uit van dit omgevingsplan. De inhoud van die plannen geldt, in combinatie met onder meer dit artikel, onverkort. Voor de beoordeling van een aanvraag voor een bouwactiviteit moet dus ook aan het tijdelijk deel omgevingsplan getoetst worden, met inachtneming van artikel 1.5.

Onderdeel a en b

Dit artikel regelt wanneer een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een bouwwerk wordt verleend. Het artikel is een voortzetting van artikel 2.10, eerste lid, onder c en d, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Op grond van artikel 4.204.23 wordt de vergunning alleen verleend als het bouwplan niet in strijd is met de regels die in dit omgevingsplan zijn gesteld over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken (onderdeel a) en dat het uiterlijk en de plaatsing van het bouwwerk, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota (onderdeel b). In onderdeel a zijn artikelen 17.1817.1917.2017.21 en 17.2817.29 expliciet uitgezonderd omdat het hier om voormalige rijksregels gaat waar op grond van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht ook niet aan getoetst werd bij de vergunningverlening. Daarnaast zijn er in dit omgevingsplan (als onderdeel van de omgevingsplanregels van rijkswege) tal van regels opgenomen die niet over bouwwerken gaan, maar bijvoorbeeld over open erven en terreinen. Deze regels vallen alle buiten het beoordelingskader voor de omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op bouwwerken. Het tweede lid bevat een aantal uitzonderingen op de eis dat het bouwwerk niet in strijd mag zijn met redelijke eisen van welstand. Ook deze uitzonderingen zijn een voortzetting van het recht zoals dat gold onder de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Woningwet.

De redactie van het eerste lid sluit aan bij artikel 8.0a, eerste lid, van het Bkl. Het imperatieve karakter («wordt verleend») houdt in dat de vergunning moet worden verleend als het bouwplan niet in strijd is met de daarvoor gestelde regels in het omgevingsplan. Er kunnen buiten het omgevingsplan om dus geen aanvullende redenen worden gehanteerd om een vergunning toch te weigeren. Het limitatieve karakter komt tot uiting doordat «alleen» op grondslag van de in het omgevingsplan gestelde regels het «binnenplans» verlenen van een vergunning mogelijk is. Als het bevoegd gezag op basis van de regels in het omgevingsplan tot het oordeel komt dat vergunningverlening niet mogelijk of (bij beslissingsruimte) niet wenselijk is, moet de activiteit als strijdig met het omgevingsplan worden aangemerkt. In dat geval is sprake van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit geldt dat op grond van artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl, de vergunning alleen wordt verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor een verdere toelichting hierover wordt verwezen naar de nota van toelichting bij artikel 8.0a van het Bkl.

Onderdeel c

Op grond van artikel 4.234.27 is het verboden om zonder vergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.

Dit onderdeel bevat de aanvullende beoordelingsregels waaraan een aanvraag om een binnenplanse omgevingsplanactiviteit wordt getoetst.

Wanneer de bodemkwaliteit de waarde voor de toelaatbare kwaliteit overschrijdt, is bouwen alleen mogelijk na het uitvoeren van sanerende of andere beschermende maatregelen, mits die technisch mogelijk zijn. De vraag is louter of het technisch mogelijk is om het geschikt te maken. Het antwoord op die vraag is niet afhankelijk van de goede wil van de initiatiefnemer maar alleen of het objectief, technisch, milieuhygiënisch mogelijk is.

Saneringsmaatregelen worden uitgevoerd in overeenstemming met de milieubelastende activiteit saneren van de bodem, zoals opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving. Hierin staan twee standaardaanpakken beschreven. Indien deze aanpakken niet voldoen, kan degene die saneert een maatwerkvoorschrift aanvragen bij het bevoegd gezag. In het omgevingsplan van de gemeenten die vallen in het zinkassengebied De Kempen staan maatwerkregels ten opzichte van de voorschriften in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

VVVVVVVVV

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

WWWWWWWWW

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.214.25 Algemene beoordelingsregels bij omgevingsvergunning voor een voormalige wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht

Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.32.

Toelichting

In het eerste lid van dit artikel wordt, in aanvulling op de beoordelingsregels uit artikel 4.204.23, de mogelijkheid gegeven om een omgevingsvergunning toch te verlenen als de activiteit waarop de aanvraag betrekking heeft in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, maar niet in strijd is met de regels die zijn gesteld voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht. Dit betreft regels die in (van het tijdelijke deel van het omgevingsplan deel uitmakende) bestemmingsplannen of inpassingsplannen kunnen zijn opgenomen op grond van artikel 3.6, eerste lid, onder a en b, van de voormalige Wet ruimtelijke ordening. Voor het voortzetten van de figuren van wijzigingsplannen en uitwerkingsplannen is niet in overgangsrecht voorzien. Het college van burgemeester en wethouders kan na inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook geen toepassing meer geven aan deze bepalingen. In plaats van deze specifieke wijzigingsbevoegdheden of uitwerkingsplichten, kan toepassing worden gegeven aan de generieke delegatiemogelijkheid op grond van artikel 2.8 van de Omgevingswet. Als vergunningverlening op grond van artikel 4.204.23, aanhef en onder a, niet mogelijk is, maar een bouwplan niet in strijd is met de regels die zijn gegeven voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht, kan de vergunning echter toch binnenplans worden verleend. Hierbij bestaat overigens beslissingsruimte. Onder de werking van de voormalige Wet ruimtelijke ordening moest bij de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of een uitwerkingsplicht (voor zover de bij een uitwerkingsplicht in acht te nemen regels daarvoor de ruimte laten) ook nog zelfstandig beoordeeld worden of het wijzigings- of uitwerkingsplan, los van de daarbij in acht te nemen regels, in overeenstemming was met een goede ruimtelijke ordening. Om die reden is geen imperatief karakter gegeven aan deze aanvullende mogelijkheid om een vergunning voor een bouwplan, dat niet in strijd is met die voor een wijziging- of uitwerking gegeven regels, toch te kunnen verlenen. Het gevolg hiervan is dat, ook al is een bouwplan met de regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht niet in strijd, ook nog een zelfstandige beoordeling moet plaatsvinden of het bouwplan uit een oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aanvaardbaar kan worden geacht.

In het tweede lid van dit artikel worden alle instructieregels en instructies waaraan moet worden getoetst bij de beslissing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit van overeenkomstige toepassing verklaard op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend. Ook dit vindt zijn oorsprong in de voormalige Wet ruimtelijke ordening. Bij de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of een uitwerkingsplicht moesten, los van de daarbij in acht te nemen regels uit het moederplan, ook de regels uit het voormalige Besluit algemene regels ruimtelijke ordening en de provinciale ruimtelijke verordening in acht worden genomen. Met het tweede lid wordt verzekerd dat ook bij de in het eerste lid geïntroduceerde mogelijkheid om binnenplans een vergunning te verlenen met toepassing van de regels die zijn gesteld voor een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht, geen situatie ontstaat die niet is toegelaten op grond van een onder nieuw recht gestelde instructieregel of gegeven instructie.

XXXXXXXXX

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.214.25 lid 1

Toelichting

In het eerste lid van dit artikel wordt, in aanvulling op de beoordelingsregels uit artikel 4.204.23, de mogelijkheid gegeven om een omgevingsvergunning toch te verlenen als de activiteit waarop de aanvraag betrekking heeft in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, maar niet in strijd is met de regels die zijn gesteld voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht. Dit betreft regels die in (van het tijdelijke deel van het omgevingsplan deel uitmakende) bestemmingsplannen of inpassingsplannen kunnen zijn opgenomen op grond van artikel 3.6, eerste lid, onder a en b, van de voormalige Wet ruimtelijke ordening. Voor het voortzetten van de figuren van wijzigingsplannen en uitwerkingsplannen is niet in overgangsrecht voorzien. Het college van burgemeester en wethouders kan na inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook geen toepassing meer geven aan deze bepalingen. In plaats van deze specifieke wijzigingsbevoegdheden of uitwerkingsplichten, kan toepassing worden gegeven aan de generieke delegatiemogelijkheid op grond van artikel 2.8 van de Omgevingswet. Als vergunningverlening op grond van artikel 4.204.23 aanhef en onder a, niet mogelijk is, maar een bouwplan niet in strijd is met de regels die zijn gegeven voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht, kan de vergunning echter toch binnenplans worden verleend. Hierbij bestaat overigens beslissingsruimte. Onder de werking van de voormalige Wet ruimtelijke ordening moest bij de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of een uitwerkingsplicht (voor zover de bij een uitwerkingsplicht in acht te nemen regels daarvoor de ruimte laten) ook nog zelfstandig beoordeeld worden of het wijzigings- of uitwerkingsplan, los van de daarbij in acht te nemen regels, in overeenstemming was met een goede ruimtelijke ordening. Om die reden is geen imperatief karakter gegeven aan deze aanvullende mogelijkheid om een vergunning voor een bouwplan, dat niet in strijd is met die voor een wijziging- of uitwerking gegeven regels, toch te kunnen verlenen. Het gevolg hiervan is dat, ook al is een bouwplan met de regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht niet in strijd, ook nog een zelfstandige beoordeling moet plaatsvinden of het bouwplan uit een oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aanvaardbaar kan worden geacht.

YYYYYYYYY

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

ZZZZZZZZZ

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.224.26 Nadere invulling algemene beoordelingsregel omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie

AAAAAAAAAA

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.224.26 lid 1

Toelichting

In het omgevingsplan wordt als lokale waarde de interventiewaarde bodemkwaliteit vastgelegd in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving. Voorheen was dit ook de waarde waaraan de bodemkwaliteit getoetst werd.

Een verbod om te bouwen op verontreinigde bodem (boven de lokale waarde) zonder omgevingsvergunning als er geen maatregelen worden getroffen, volgt uit het samenstel van de vergunningplicht voor bouwen die al elders in de bruidsschat is geregeld met de beoordelingsregel in  artikel 4.204.23 (het toegevoegde onderdeel c), dat die vergunning alleen wordt verleend in de situatie die is gedefinieerd in de specifieke beoordelingsregel.

BBBBBBBBBB

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

CCCCCCCCCC

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

DDDDDDDDDD

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.234.27 Omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken (vangnet)

Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.26.

Toelichting

Verhouding vangnet en overige vergunningplichten

In paragraaf 4.2.3 zijn diverse vergunningplichten en (specifieke) beoordelingsregels opgenomen. Deze vergunningplichten en (specifieke) beoordelingsregels vloeien uit de omzetting van de bouwactiviteit (omgevingsplan) uit de bruidsschat voort. Deze paragraaf zal groeien naarmate delen van het tijdelijk deel omgevingsplan overgezet worden. Voor deze transitieperiode is het in elk geval gewenst duidelijk te maken dat voor bouwactiviteiten een omgevingsvergunning nodig is. Ook als de activiteit nog niet specifiek in het omgevingsplan is uitgewerkt. Dit artikel is aan vangnet voor activiteiten die (nog) niet in het omgevingsplan zijn uitgewerkt.

Het omgevingsplan bevat een soortgelijke bepaling voor gebruik (artikel 4.424.52). Daarom is het bestaande artikel 22.26 aangepast en is gebruik niet meer via de bouwactiviteit gereguleerd.

Inhoudelijk

Op grond van dit artikel is het verboden zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken. Als onderdeel van de omgevingsplanregels van rijkswege wordt hiermee de vergunningplicht voortgezet, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, voor zover die betrekking heeft op artikel 2.10, eerste lid, onder c en d, van die wet. In afdeling 3.2 van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Invoeringsbesluit Omgevingswet, is uitvoerig ingegaan op het expliciet maken dat deze vergunningplicht voor een bouwactiviteit ook betrekking heeft op het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk.

Het verbod behoudens vergunning geldt overigens niet als het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, van de Omgevingswet aangewezen geval. Die vergunningvrije gevallen zijn aangewezen in artikel 2.15f van het Bbl. Bij die aanwijzing gaat het om een landelijk uniforme categorie gevallen waarin geen omgevingsvergunning is vereist voor het verrichten van een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een bouwwerk (zoals bouwen, verbouwen, vervangen of uitbreiden). In zo’n geval is geen omgevingsvergunning vereist, ook niet als de bouw in strijd zou zijn met een in het omgevingsplan gestelde regel. Voldoet een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een bouwwerk niet aan de in het besluit gestelde voorwaarden, dan mag die activiteit niet zonder omgevingsvergunning worden verricht. In aanvulling op de landelijke categorie vergunningvrije gevallen kunnen in het omgevingsplan meer categorieën bouwactiviteiten worden aangewezen waarvoor geen omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit is vereist. In paragraaf 4.2.2 is van die bevoegdheid gebruik gemaakt om bouwactiviteiten die voorheen waren opgenomen in artikel 3 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, onder gelijkwaardige voorwaarden, als vergunningvrije omgevingsplanactiviteit mogelijk te maken. In paragraaf paragraaf 4.2.2 is geregeld dat de onderdelen van artikel 2, bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht, die niet langer landelijk uniform vergunningvrij zijn op grond van het Bbl, op grond van het omgevingsplan onder dezelfde voorwaarden vergunningvrij zijn. Het betreft hier de bijbehorende bouwwerken, erf- en perceelafscheidingen hoger dan een meter en gebruik van bestaande bouwwerken voor mantelzorg. 

Artikel 4.94.10tweede en derde lid bevatten uitzonderingen op dat vergunningvrije bouwen als dat bouwen betrekking heeft op monumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en archeologisch erfgoed.

EEEEEEEEEE

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.244.28 Omgevingsvergunning voor afwijken tijdelijk deel omgevingsplan

FFFFFFFFFF

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.244.28 lid 1

Toelichting

Artikel 4.244.28 heeft betrekking op regels uit het tijdelijke deel van het omgevingsplan waarin is bepaald dat bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van daarbij aangegeven regels. Dergelijke afwijkingsmogelijkheden konden op grond van artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de voormalige Wet ruimtelijke ordening worden gesteld in bestemmingsplannen, beheersverordeningen en andere ruimtelijke regelingen. Voor de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht hadden deze bepalingen de vorm van een bevoegdheid om een (binnenplanse) ontheffing te verlenen. Onder de (oude) Wet op de Ruimtelijke Ordening werd nog gesproken van een (binnenplanse) vrijstelling. In de redactie van de ruimtelijke regelingen die onder de voormalige Wet ruimtelijke ordening en de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht zijn vastgesteld, hebben de bepalingen, zoals al vermeld, een vorm waarin wordt bepaald dat bij omgevingsvergunning van een gestelde regel kan worden afgeweken. Uit de letterlijke redactie van dergelijke bepalingen vloeit niet een zelfstandig verbod voort om een activiteit te verrichten zonder omgevingsvergunning. Onder de werking van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht werden al deze bepalingen dan ook in juridische vorm «gevangen» onder de werking van het verbod behoudens omgevingsvergunning uit artikel 2.1, eerste lid, onder c. Deze wet is echter bij de inwerkintreding van de Omgevingswet ingetrokken, zodat de explicitering van de vergunningplicht voor deze afwijkingsmogelijkheden niet langer is geregeld. In plaats daarvan wordt deze explicitering van de vergunningplicht nu in artikel 4.244.28 van dit omgevingsplan geregeld. Met artikel 4.244.28 wordt daarmee buiten twijfel gesteld dat de bepalingen uit het tijdelijke deel waarin de mogelijkheid wordt geboden om bij omgevingsvergunning van regels af te wijken, gelden als binnenplans verbod om de betrokken activiteit zonder omgevingsvergunning te verrichten. Ook de nog voorkomende redacties in oude ruimtelijke regelingen die deel uitmaken van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, met termen als ontheffing en vrijstelling, worden door dit binnenplanse verbod om de betrokken activiteit zonder omgevingsvergunning te verrichten aangestuurd.

GGGGGGGGGG

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.244.28 lid 2

Toelichting

Het tweede lid moet worden gelezen in samenhang met artikel 4.244.28, eerste lid en heeft ook betrekking op de in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan opgenomen mogelijkheden om bij omgevingsvergunning van gestelde regels te kunnen afwijken. Zoals al toegelicht bij artikel 4.244.28, eerste lid vielen dergelijke afwijkingsmogelijkheden onder de juridische werking van de vergunningplicht van artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1°, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, konden deze omgevingsvergunningen worden verleend. De Afdeling advisering van de Raad van State heeft er in haar advies over het ontwerp Invoeringsbesluit Omgevingswet terecht op gewezen dat uit de werking van de beoordelingsregel in artikel 8.0a, eerste lid, van het Bkl een imperatieve werking voortvloeit, die ertoe leidt dat een omgevingsvergunning voor activiteiten als hier bedoeld moet worden verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning. Hierdoor zou de mogelijkheid uit artikel 2.12 van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht om de vergunning, ook als werd voldaan aan de in de betrokken planologische regeling gestelde regels over afwijking, toch te kunnen weigeren, komen te vervallen. Voor zover de regels voor het kunnen verlenen van een omgevingsvergunning voor deze afwijkingsmogelijkheden geen zelfstandige beslissingsruimte bieden (maar een imperatieve redactie kennen die kan dwingen tot vergunningverlening), zou dit onder de werking van het nieuwe stelsel tot het probleem kunnen leiden dat het bevoegd gezag wordt gedwongen een vergunning te verlenen terwijl onder oud recht artikel 2.12 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht nog de afwegingsruimte bood de vergunning in die omstandigheid toch te kunnen weigeren. Om een neutrale overgang naar het nieuwe stelsel te borgen, wordt met het tweede lid beslissingsruimte toegevoegd aan de imperatief geformuleerde regels voor het verlenen van deze vergunningen. Daarmee blijft het net als onder de werking van het oude stelsel mogelijk een afweging te maken en de vergunning voor een geboden afwijkingsmogelijkheid in voorkomende omstandigheden toch te weigeren, in het geval de regels voor het verlenen van de afwijking zouden dwingen om de vergunning te verlenen. Het zal overigens in de praktijk geregeld voorkomen dat een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bestaande uit een dergelijke afwijking van een regel gezamenlijk wordt verleend met een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk.

HHHHHHHHHH

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.244.28 lid 3

Toelichting

Het derde lid biedt voor aanvragen om een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 4.244.28 een aanvullende mogelijkheid de omgevingsvergunning te verlenen als de activiteit waarop de aanvraag betrekking heeft in strijd is met de in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan gestelde regels over afwijking, waardoor vergunningverlening op grond van die regels niet mogelijk is, maar niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht in dat tijdelijke deel. Hiermee wordt een vergelijkbare mogelijkheid geboden zoals artikel 4.214.25 van dit omgevingsplan biedt voor aanvragen om een omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteiten bestaande uit bouwactiviteiten en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk. Omdat de werking identiek is wordt voor de toepassing van deze bepaling verder verwezen naar de toelichting bij artikel 4.214.25.

IIIIIIIIII

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.244.28 lid 4

Toelichting

Artikel 4.244.28vierde lid biedt voor aanvragen om een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in het eerste lid een aanvullende mogelijkheid de omgevingsvergunning te verlenen als de activiteit waarop de aanvraag betrekking heeft in strijd is met de in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan gestelde regels over afwijking, waardoor vergunningverlening op grond van die regels niet mogelijk is, maar niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht in dat tijdelijke deel. Hiermee wordt een vergelijkbare mogelijkheid geboden zoals artike4.214.25van dit omgevingsplan biedt voor aanvragen om een omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteiten bestaande uit bouwactiviteiten en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk. Omdat de werking identiek is wordt voor de toepassing van deze bepaling verder verwezen naar de toelichting bij artikel 4.214.25.

JJJJJJJJJJ

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

KKKKKKKKKK

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.254.29 Overgangsrecht bestaande bouwwerken

LLLLLLLLLL

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.264.30 Voorschrift omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: na einde activiteit

MMMMMMMMMM

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.274.32 Bijbehorend bouwwerk - voormalige kruimellijst

NNNNNNNNNN

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

OOOOOOOOOO

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

PPPPPPPPPP

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

QQQQQQQQQQ

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.284.33 Bouwwerk ten behoeve van mantelzorg

RRRRRRRRRR

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.304.34 Dakkapel in het voordakvlak of naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak - voormalig lokaal dakkapellenbeleid

SSSSSSSSSS

Sectie ' Erker - voormalige kruimellijst' wordt geplaatst na sectie ' Dakkapel in het voordakvlak of naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak - voormalig lokaal dakkapellenbeleid'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.294.35 Erker - voormalige kruimellijst

TTTTTTTTTT

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.314.38 Hekwerk, schutting of andere erf- en perceelafscheiding

In aanvulling op artikel 4.144.15, waar toestemmingsvrije hekwerken, schuttingen, erf- of perceelafscheidingen staan beschreven, zijn er ook erf- of perceelafscheidingen die vergunningplichtig zijn. Dit lid komt ook voor in het TAM-omgevingsplann Hoofdstuk 22h Buitengebied Holten, uitbreiding recreatieterrein Helhuizerweg 14 (artikel 4.3.2 sub d).

In de leden zijn specifieke beoordelingsregels opgenomen. Daarnaast gelden natuurlijk ook de algemene beoordelingsregels uit artikel 4.204.23.

Toelichting

Eerste lid

Is in lijn met de al bestaande vergunningplicht in tijdelijk deel omgevingsplan

Tweede lid

Is een nieuwe juridische regel waarbij het mogelijk wordt om met een binnenplanse vergunning een hekwerk tussen 1 meter en 1,30 meter onder voorwaarden te kunnen vergunnen. 

Derde lid

Is in lijn met de al bestaande regels in het tijdelijk deel omgevingsplan. Deze regels zijn overgenomen.

UUUUUUUUUU

Na sectie ' Hekwerk, schutting of andere erf- en perceelafscheiding' wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Artikel 4.38 lid 1

Dit artikel ligt in het verlengde van artikelen uit het tijdelijk deel omgevingsplan. De beoordelingsregels komen overeen met de juridische regels uit de onderliggende voormalige bestemmingsplannen en de werkpraktijk dat welstand eisen stelt aan groene inpassing. Het is namelijk gewenst dat in situaties grenzend aan de openbare weg of het openbaar groen er geen groene uitstraling ontstaat. Omdat de exacte invulling afhankelijk is van de buurt of locatie is beoordeling via welstand voor de hand liggend.

VVVVVVVVVV

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

WWWWWWWWWW

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.324.39 Gebouw ten behoeve van infrastructurele of openbare voorzieningen - voormalige kruimellijst

XXXXXXXXXX

Na sectie ' Gebouw ten behoeve van infrastructurele of openbare voorzieningen - voormalige kruimellijst' worden vier secties ingevoegd, luidende:

Artikel 4.40 Familiewoning of pré-mantelzorgwoning in bestaand bouwwerk

Toelichting

De artikel vloeit voort uit de werknotitie voor pre-mantelzorgwoningen. De notitie voorzag in een toetsingskader voor omgevingsvergunningen voor een Buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Met dit artikel wordt de activiteit een omgevingsplanactiviteit. De voorwaarden spreken voor zich. Voor het parkeren wordt, in aanvulling op afdeling 14.6,  opgemerkt dat geen nieuwe ontsluiting van een perceel mogelijk is.

Artikel 4.40 lid 3

Toelichting

Het is wenselijk om voorschriften aan de omgevingsvergunning te verbinden. Vooral omdat pré-mantelzorg en familiewoningen tijdelijk van aard zijn is het wenselijk voorschriften te kunnen opnemen over het beëindigen en ontmantelen van het gebruik. In de regel wordt als voorschrift opgenomen dat binnen 3 maanden na het beëindigen van het gebruik de situatie is hersteld in de staat van voor de pré-mantelzorg of familiewoning.

Artikel 4.41 Familiewoning of pré-mantelzorgwoning in nieuw bouwwerk

Toelichting

De artikel vloeit voort uit de werknotitie voor pre-mantelzorgwoningen. De notitie voorzag in een toetsingskader voor omgevingsvergunningen voor een Buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Met dit artikel wordt de activiteit een omgevingsplanactiviteit. De voorwaarden spreken voor zich. Voor het parkeren wordt, in aanvulling op afdeling 14.6,  opgemerkt dat geen nieuwe ontsluiting van een perceel mogelijk is.

Artikel 4.41 lid 3

Toelichting

Het is wenselijk om voorschriften aan de omgevingsvergunning te verbinden. Vooral omdat pré-mantelzorg en familiewoningen tijdelijk van aard zijn is het wenselijk voorschriften te kunnen opnemen over het beëindigen en ontmantelen van het gebruik. In de regel wordt als voorschrift opgenomen dat binnen 3 maanden na het beëindigen van het gebruik de situatie is hersteld in de staat van voor de pré-mantelzorg of familiewoning.

YYYYYYYYYY

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.334.42 Uitbreiden van of bij een hoofdgebouw niet zijnde een woning - voormalige kruimellijst

ZZZZZZZZZZ

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.344.43 Vrijstaande antenne-installatie - voormalige kruimellijst

AAAAAAAAAAA

Na sectie ' Vrijstaande antenne-installatie - voormalige kruimellijst' wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Artikel 4.44 lid 3

In het Chw veegplan buitengebied Rijssen - Holten zijn beoordelingsregels opgenomen om kleinschalige installaties op erven te bouwen. Op locaties waar dit plan niet geldt of als de installatie niet aan de beoordelingsregels voldoet, is het derde lid van toepassing.

BBBBBBBBBBB

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.354.45 Hekwerk, schutting of andere erf- en perceelafscheiding - locatie Stokmansveldweg 9 e.o in Rijssen

CCCCCCCCCCC

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.364.46 Silo of ander bouwwerk voor agrarische bedrijfsvoering

Onder de Omgevingswet is het meer van belang voor activiteiten explicieter uit te schrijven welke variaties er zijn. Onder de wetgeving van voor 1 januari 2024 gold er altijd een vergunningplicht tenzij een activiteit toestemmingsvrij was. Omdat die 'standaard' vergunningplicht niet meer geldt is het wenselijk explicieter te maken onder welke voorwaarden activiteiten toestemmingsvrij, vergunningplichtig of verboden zijn. 

Dit artikel maakt samen met artikel 4.174.18 duidelijk welke juridische regels er voor het bouwen van een silo of ander agrarisch bouwwerk geen gebouw zijnde gelden. 

DDDDDDDDDDD

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

EEEEEEEEEEE

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.364.46 lid 2

Toelichting

Dit lid maakt verhouding met artikel 4.174.18 duidelijk.

FFFFFFFFFFF

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.374.47 Sport- en speeltoestel voor openbaar gebruik

Dit artikel maakt de verhouding met artikel 4.164.17 duidelijk.

GGGGGGGGGGG

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.384.48 Verbod bouwwerken op aangewezen brandgangen

HHHHHHHHHHH

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.404.50 Repressief welstand

Dit is voormalig artikel 22.7 lid 1 van de bruidsschat. Artikel 22.7 lid 2 is niet overgenomen omdat er in de gemeente Rijssen-Holten geen welstandsvrije gebieden zijn.

Toelichting

Dit artikel heeft betrekking op het repressief welstandstoezicht en was voorheen opgenomen in artikel 12 van de Woningwet. Het uiterlijk van bestaande bouwwerken of te bouwen bouwwerken waar op grond van dit plan geen omgevingsvergunning voor nodig is, mogen niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold. Op grond van artikel 4.114 van de Invoeringswet Omgevingswet geldt die welstandsnota als een beleidsregel als bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet. In het voormalige artikel 13a van de Woningwet was opgenomen dat bij een overtreding van artikel 12, eerste lid, het bevoegd gezag de eigenaar kon verplichten zodanige door het bevoegd gezag aan te geven voorzieningen te treffen, dat daarmee werd voldaan aan artikel 12 van die wet. In de systematiek van de Omgevingswet is dit een maatwerkvoorschrift. Op grond van artikel 11.3 kan het bevoegd gezag zo’n maatwerkvoorschrift ook stellen voor het onderwerp welstand. Omdat de vraag of artikel 4.404.50 overtreden is, beantwoord moet worden door de criteria van de welstandsnota te beoordelen, ligt het voor de hand dat het bevoegd gezag door middel van een maatwerkvoorschrift aan de eigenaar van een gebouw duidelijk maakt op welke punten aanpassing nodig is om de ernstige strijd met redelijke eisen van welstand op te heffen.

Als de gemeente geen welstandsnota heeft vastgesteld, gelden er voor de gehele gemeente geen welstandsregels waaraan het uiterlijk van bestaande bouwwerken moet voldoen. Optreden tegen welstandsexcessen is dan niet mogelijk. Op grond van het tweede lid is welstandstoezicht evenmin aan de orde voor door de gemeenteraad aangewezen bouwwerken in daarbij aangewezen (zogenoemde welstandsvrije) gebieden. Op grond artikel 12, tweede lid, van de Woningwet, kon de gemeenteraad die welstandsvrije bouwwerken en gebieden aanwijzen. Deze besluiten zijn in artikel 4.6 van de Invoeringswet Omgevingswet, toegevoegd aan het tijdelijke deel van het omgevingsplan waar zowel voor het repressieve welstandstoezicht (in artikel 4.404.50 ) als voor de beoordeling van een nieuw te bouwen vergunningplichtig bouwwerk aan redelijke eisen van welstand (in artikel 4.204.23, onderdeel a.), een uitzondering is gemaakt. Het repressieve welstandsvereiste is niet van toepassing op tijdelijke bouwwerken, met uitzondering van seizoensgebonden bouwwerken zoals strandtenten.

De vraag of het uiterlijk van nieuw te bouwen bouwwerken waarvoor wel een omgevingsvergunning op grond van het omgevingsplan nodig is aan daarop van toepassing zijnde welstandseisen voldoet, wordt tijdens het proces van vergunningverlening getoetst. Zie hiervoor artikel 4.204.23.

IIIIIIIIIII

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.414.51 Beoordelingsregels omgevingsvergunning gebruik bouwwerken of gronden

JJJJJJJJJJJ

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.424.52 Strijdig gebruik (vangnet)

KKKKKKKKKKK

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.434.53 Verbod op permanente bewoning verblijfsrecreatie

LLLLLLLLLLL

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.444.54 Verbod nieuwvestiging agarisch bedrijf

MMMMMMMMMMM

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.454.55 Verbod nieuwvestigen of uitbreiden supermarkt

NNNNNNNNNNN

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.464.56 Verbod gebruiken grond of bouwwerk in afwijking van geldende parkeerbehoefte

OOOOOOOOOOO

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.474.57 Bestaande functie tijdelijk wijzigen ten behoeve van een evenement - voormalige kruimellijst

PPPPPPPPPPP

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.474.57 lid 2

Toelichting

Voor de paas- en vreugdevuren in onze gemeente geldt voor het snoeiafval geen beperking in termijn voor op- en afbouw. Dit om inwoners en organisatoren voldoende tijd te geven snoeiafval voor de paas- of vreugdevuren in te zamelen alvorens het paas- of vreugdevuur plaatsvindt. De afwijking geldt alleen voor het snoeiafval. Voor tenten en andere objecten geldt het eerste lid onverkort. 

De in dit artikel opgenomen vergunningplicht regelt het ruimtelijk deel voor de paas- en vreugdevuren. In paragraaf 19.1.1417.4.1.8 staan de lokale beoordelingsregels ten behoeve van de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit.

QQQQQQQQQQQ

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.484.58 Bestaande functie tijdelijk wijzigen ten behoeve van opvang van vluchtelingen - voormalige kruimellijst

RRRRRRRRRRR

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.494.59 Bestaande functie tijdelijk wijzigen ten behoeve van een woon- of unit bij vervangende nieuwbouw of een unit bij maatschappelijke functies - voormalige kruimellijst

SSSSSSSSSSS

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

TTTTTTTTTTT

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

UUUUUUUUUUU

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

VVVVVVVVVVV

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.504.60 Andere functie toevoegen - voormalige kruimellijst

WWWWWWWWWWW

Na sectie ' Andere functie toevoegen - voormalige kruimellijst' wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Artikel 4.61 Wonen

Dit artikel bevat locaties die in dit plan opgenomen worden voor wonen.

XXXXXXXXXXX

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.514.62 Gebruiken bestaand bouwwerk voor mantelzorg

YYYYYYYYYYY

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.524.63 Het omzetten van een inwoonsituatie naar een zelfstandige woning

ZZZZZZZZZZZ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.534.64 Omgevingsvergunning slopen karakteristiek bouwwerk

Dit vormt samen met artikel 4.544.66 voormalig bruidsschat artikel 22.279 en artikel 22.285. Het artikel is aangepast op de specifieke regels over slopen van panden uit het tijdelijk deel omgevingsplan. Daarmee wijkt het artikel op onderdelen enigzins af van de letterlijke tekst uit de bruidsschat. De aanpassing vloeit voort uit de Herijking ruimtelijk Erfgoedbeleid Rijssen – Holten (door college vastgesteld op 21 februari 2023). Deze bepaling sluit verder aan bij de bestaande systematiek voor karakteristieke panden in het buitengebied op basis van het Chw veegplan buitengebied Rijssen-Holten.

AAAAAAAAAAAA

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.544.66 Beoordelingsregels slopen van een karakteristiek bouwwerk

Dit vormt samen met artikel 4.534.64 voormalig bruidsschat artikel 22.279 en artikel 22.285. Het artikel is aangepast op de specifieke regels over slopen van panden uit het tijdelijk deel omgevingsplan. Daarmee wijkt het artikel op onderdelen enigzins af van de letterlijke tekst uit de bruidsschat. De aanpassing vloeit voort uit de Herijking ruimtelijk Erfgoedbeleid Rijssen – Holten (door college vastgesteld op 21 februari 2023). Deze bepaling sluit verder aan bij de bestaande systematiek voor karakteristieke panden in het buitengebied op basis van het Chw veegplan buitengebied Rijssen-Holten.

BBBBBBBBBBBB

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.544.66 lid 1

Toelichting

 In artikel 4.544.66 is een beoordelingsregel opgenomen voor in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan opgenomen verbodsbepalingen om zonder omgevingsvergunning een sloopactiviteit te verrichten. Onder «sloopactiviteit» moet op grond van de bijlage bij de Omgevingswet «het slopen van een bouwwerk» worden verstaan. Deze begripsbepaling is op grond van artikel 1.1 van dit omgevingsplan ook van toepassing op dit plan. De vergunningenstelsels voor de hier bedoelde sloopactiviteiten konden op grond van artikel 3.3, aanhef en onder b, van de voormalige Wet ruimtelijke ordening in onder meer bestemmingsplannen, beheersverordeningen en andere ruimtelijke regelingen zijn opgenomen.

Inhoudelijk is de beoordelingsregel afgestemd op de bestaande regels uit de bestemmingsplannen zoals bijvoorbeeld Kern Rijssen 2010 (artikel 17) en Kern Holten 2010 (artikel 19). De beoordelingsregel voorkomt sloop van vooraf bepaalde categorieën zonder garantie op terugkeer van een bepaalde beeldkwaliteit of een beoordeling dat er geen andere mogelijkheid is dan sloop.

CCCCCCCCCCCC

Na sectie '' wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Artikel 4.67 Beoordelingsregels omgevingsvergunning voor het verrichten van activiteiten in, aan of op een (voorbeschermd) gemeentelijk monument of archeologisch monument

Lid 1 is voormalig artikel 2.12 lid 1 van de Erfgoedverordening gemeente Rijssen-Holten 2018.

Lid 2 vormt de schakel tussen de vergunningplicht voor het slopen van bouwwerken zoals opgenomen in artikel 4.66 en de aanwijzing van nieuwe karakteristieke panden.

Lid 3 is voormalig artikel 2.12 lid 2 van de Erfgoedverordening gemeente Rijssen-Holten 2018. Dit artikel is tekstueel in overeenstemming gebracht met artikel 3.2a Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Er wordt daardoor onderscheid gemaakt in overleg bij wijzigingen die geen of beperkte invloed hebben op het belijden van de godsdienst of levensovertuiging of wijzigingen die daar wel wezenlijke invloed op hebben. Bij het eerste is overleg noodzakelijk, bij het laatste overeenstemming. Die nuancering ligt in lijn met de voormalige Rijksregels.

Lid 4 is voormalig artikel 2.10 lid 3 van de Erfgoedverordening gemeente Rijssen-Holten 2018.

Dit artikel is ook van toepassing op voorbeschermde monumenten.

Toelichting

Eerste en derde lid

In het eerste lid ligt op grond van de belangenafweging die moet worden gemaakt tevens besloten dat rekening wordt gehouden met het gebruik van het monument. In het tweede lid is voor wat betreft de vereiste overeenstemming met de eigenaar van een kerkelijk monument aangesloten bij artikel 3.2a van de Wabo.

Vierde lid

Dit artikel is gebaseerd op artikel 2.2 van de Wabo en inhoudelijk grotendeels gelijk aan de oude Erfgoedverordening.

DDDDDDDDDDDD

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.3 lid 2

Toelichting

Tweede lid onder a

Het tweede lid bevat een voorrangbepaling voor vergunningvoorschriften in een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit, die met toepassing van het recht zoals dat gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, is verleend. Het gaat hierbij om een vergunningplichtige milieubelastende activiteit die in hoofdstuk 3 van het Bal is aangewezen en waarbij deze vergunningvoorschriften bevat voor een onderwerp dat naar het omgevingsplan is verschoven. Op grond van het overgangsrecht van artikel 4.13, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijven deze vergunningvoorschriften gelden. De vergunningvoorschriften gelden naast het omgevingsplan. De strengste regel is dan bepalend. Ten tijde van de vergunningverlening zijn juist bewust strengere of soepeler voorschriften gesteld, afgestemd op de locatie. De regels van de hoofdstukken over milieubelastende activiteiten dit omgevingsplan zijn niet van toepassing, voor zover zo’n vergunningvoorschrift geldt. De uitdrukking «voor zover» betekent «in de mate dat». Dat houdt in dat alleen die voorschriften uit de hoofdstukken over milieubelastende activiteiten  van dit omgevingsplan buiten toepassing blijven waarvoor voorschriften in de omgevingsvergunning zijn gesteld. Als bijvoorbeeld de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit voor geluid alleen voorschriften met waarden bevat, dan blijft artikel 6.19 van dit omgevingsplan met geluidwaarden voor geluidgevoelige gebouwen buiten toepassing. Maar artikel 6.16 van dit omgevingsplan, dat bepaalt wanneer een akoestisch onderzoek gedaan moet worden, is wel van toepassing.

Deze voorrangsbepaling kan relevant zijn voor de volgende onderdelen van de hoofdstukken over milieubelastende activiteiten van dit omgevingsplan:

Hoofdstuk 2  Afval

Hoofdstuk 6 Geluid

Hoofdstuk 16 Trillingen

Paragraaf 18.2.3 Lozen bij maken van betonmortel

Paragraaf 18.2.18 Uitwassen van beton

Paragraaf 18.2.13 Ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal

Paragraaf 3.3.1.1  In werking hebben van een acculader

Dit omgevingsplan voorziet niet in een voorrangsbepaling voor bestaande vergunningvoorschriften of maatwerkvoorschriften op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer die op grond van het algemene overgangsrecht maatwerkvoorschriften zijn geworden en die afwijken van of een nadere invulling geven aan de omgevingsplanregels in dit omgevingsplan. Uit de wetssystematiek volgt al dat een maatwerkvoorschrift voorrang heeft op een algemene bepaling.

Tweede lid, onderdeel b, sub 1 tot en met 7

De onderdelen a tot en met f van het tweede lid sluiten bepaalde milieubelastende activiteiten uit van het algemene toepassingsbereik van deze afdeling. 

Op grond van artikel 22.2, eerste lid, van de Omgevingswet mogen de omgevingsplanregels van rijkswege alleen gaan over regels die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet bij of krachtens de wet waren gesteld of daaraan gelijkwaardige regels. Het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de voormalige Wet geurhinder en veehouderij waren alleen van toepassing op inrichtingen als bedoeld in artikel 1, derde lid, van de Wet milieubeheer. Omdat het begrip milieubelastende activiteit in de Omgevingswet breder is dan dat begrip inrichting, is in dit lid een afbakening van het toepassingsbereik opgenomen.

Bij de overgang naar een nieuwe wetsystematiek en begrippenkader is het niet te voorkomen dat er enkele verschuivingen in de uitvoering van de regelgeving optreden. Aanmerkelijke verschuivingen in het toepassingsbereik zijn niet beoogd. Desondanks zullen er op kleine schaal wel enige verschuivingen optreden, omdat de oude criteria van het begrip inrichting niet één op één zijn overgenomen. De omschrijving van het toepassingsbereik in dit artikel vraagt enige mate van interpretatie. Ook de criteria van het begrip inrichting uit de Wet milieubeheer vroegen om interpretatie, en werden door verschillende bevoegde instanties enigszins verschillend geïnterpreteerd.

Bij de interpretatie van het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, is het raadzaam om aan te sluiten bij de praktijk van de voormalige regelgeving. Als een activiteit als Wet milieubeheer-inrichting werd beschouwd, kan deze ook onder de regels voor milieubelastende activiteiten van deze afdeling vallen.

Een beperkte verschuiving is op zich niet bezwaarlijk, als dit er niet toe leidt dat:

  • a) activiteiten die eerst niet onder rijksregels vielen door de regels van deze afdeling van dit omgevingsplan worden beperkt;

  • b) activiteiten die wel onder de regels vielen en reële risico’s voor de fysieke leefomgeving inhouden ongeregeld blijven.

Situaties als bedoeld onder a zullen niet snel voorkomen. Juist aan de «onderkant» van het inrichtingenbegrip golden er naast de regels van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer ook andere regels die ervoor zorgen dat ook activiteiten die geen inrichting waren toch aan regels ter bescherming van de leefomgeving waren gebonden. Denk bijvoorbeeld aan de regels van de Algemene Plaatselijke Verordening, maar ook het restrisico-artikel van het Bouwbesluit 2012 (artikel 7.22). Deze regels van de Algemene Plaatselijke Verordening blijven op het moment van de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van het algemeen overgangsrecht (artikel 22.4 van de Omgevingswet bepaalt namelijk dat artikel 122 van de Gemeentewet tijdelijk niet van toepassing is) gelden. Het restrisico-artikel van het Bouwbesluit 2012 is ook opgenomen als regel van rijkswege in het omgevingsplan. Bovendien zijn de regels van deze afdeling voor activiteiten waarop ze van toepassing zouden worden zelden feitelijk beperkend, omdat bij het op gebruikelijke wijze uitvoeren van de activiteit aan de regels wordt voldaan.

Ook voor situaties als bedoeld onder b hoeft in zijn algemeenheid niet te worden gevreesd. Veelal gold voor de activiteiten aan de onderkant van het inrichtingenbegrip naast de zorgplicht van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 2.1) alleen een beperkt aantal regels, zoals de geluidregels. Een eventuele overtreding van de zorgplicht van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer zal in veel gevallen ook als overtreding van de algemene zorgplicht van de Omgevingswet kunnen worden aangemerkt. En omdat de rijksregels niet gelden, zal ook de Algemene Plaatselijke Verordening veelal een deel van de bescherming overnemen.

Het algemene overgangsrecht in artikel 22.4 van de Omgevingswet en de mogelijkheden voor maatwerk op grond van deze afdeling zullen eventuele nadelige gevolgen van de beperkte verschuivingen voldoende ondervangen.

Bij het voorbereiden van deze afdeling zijn al verschillende mogelijke verschuivingen in het toepassingsbereik geïdentificeerd. Belangrijke aandachtspunten worden hieronder benoemd.

De onderdelen in dit tweede lid beogen de criteria «een omvang alsof zij bedrijfsmatig is», «binnen een zekere begrenzing» en «pleegt te worden verricht» binnen de omschrijving van het begrip inrichting in de Wet milieubeheer te vervangen. De categorieën uit bijlage I bij het Besluit omgevingsrecht zijn niet overgenomen. Sommige ondergrenzen in die categorieën kunnen eventueel terugkomen in het toepassingsbereik van de paragrafen in deze afdeling.

Kleine winkels waar geen installaties met meer dan 1,5 kW elektromotorisch vermogen aanwezig zijn, waren bijvoorbeeld meestal geen Wet milieubeheer-inrichting, maar vallen nu wel onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling in het omgevingsplan. Alhoewel er geen specifieke voorschriften voor gelden, moeten deze activiteiten wel voldoen aan de specifieke zorgplicht.

Tweede lid, onderdeel b, sub 1

De omgevingsplanregels van rijkswege voor de milieubelastende activiteit zijn alleen van toepassing op milieubelastende activiteiten, anders dan wonen. Hiermee wordt aangesloten op het toepassingsbereik voor de instructieregels voor geluid, trillingen en geur in het Bkl.

Als een hobby een bepaalde omvang overstijgt kan dit ertoe leiden dat het verrichten van een activiteit niet meer onder wonen valt. Denk hierbij aan het in een bepaalde omvang houden van dieren, sleutelen aan auto’s, meubels maken of bereiden van voedingsmiddelen. Waar de grens ligt, is een grijs gebied. Hetzelfde geldt voor bedrijven aan huis. De gemeente mag hier ook zelf invulling aan geven in het omgevingsplan. Overigens was bij de toetsing of er sprake was van een Wet milieubeheer-inrichting het criterium «een omvang alsof zij bedrijfsmatig is» ook altijd een grijs gebied.

Een ander bekend voorbeeld van onduidelijkheid over de vraag of een activiteit een Wet milieubeheer-inrichting was, is het opslaan van huisbrandolie of propaan in tanks bij particulieren. Onder het regime van de Omgevingswet wordt dit afgedekt door het Bal.

Tweede lid, onderdeel b, sub 2

Het feitelijk verrichten van bouw- en sloopactiviteiten of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein, vallen niet onder deze afdeling. Ook in het Bbl zijn eisen opgenomen voor zowel geluid als trillingen bij bouw- en sloopactiviteiten. Het Bbl bevat voor het verrichten van die activiteiten ook een specifieke zorgplicht. Verder bevat de Algemene Plaatselijke Verordening vaak regels ter voorkoming van hinder door bouw- en sloopgerelateerde activiteiten. Het algemene overgangsrecht van de Omgevingswet in artikel 22.4 van de Omgevingswet zorgt ervoor dat deze regels van de Algemene Plaatselijke Verordening bij de inwerkingtreding van de wet blijven gelden. Naast deze regels bevat afdeling 17.2 van dit omgevingsplan een specifieke zorgplicht voor het gebruik van een bouwwerk (artikel 17.2717.28). Het is dus niet zo dat er, door de uitzondering in dit onderdeel, voor deze activiteiten geen regels gelden.

Onder het regime van de Wet milieubeheer gebeurde het in bijzondere gevallen wel dat bouwwerkzaamheden die langer duurden dan zes maanden, als een Wet milieubeheer-inrichting werden gezien. Deze activiteiten vallen buiten het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, maar ook daarvoor geldt dat de hiervoor genoemde regels van toepassing zijn.

Tweede lid, onderdeel b, sub 3

Deze uitzondering beoogt de activiteiten die in de openbare buitenruimte plaatsvinden uit te sluiten. Voorbeelden zijn kermissen en andere evenementen, weekmarkten, mobiele installaties/activiteiten zoals draaiorgels, ophalen van vuilnis en gevelreiniging (met uitzondering van lozen). Het voor korte periode bezetten van een stukje openbaar toegankelijk terrein, maakt het daarmee niet ontoegankelijk. Activiteiten in een openbaar toegankelijk gebouw, zoals een publieke parkeergarage of het stadhuis, vallen wel onder het toepassingsbereik. Ook het laden en lossen op de openbare weg in de onmiddellijke nabijheid van een winkel, of het verkeer van en naar het bedrijf valt wel onder het toepassingsbereik van deze afdeling.

Voor enkele activiteiten zoals het exploiteren van een mobiele vis-, friet-, oliebollen- of marktkraam of het exploiteren van een terras, was het afhankelijk van de situatie en de interpretatie van het bevoegd gezag of ze gezien werden als een Wet milieubeheer-inrichting. Deze interpretatieverschillen kunnen zich ook nu weer voordoen. Zoals al aangegeven in de inleiding van de toelichting op dit artikel is er in principe geen verschuiving in het toepassingsbereik van deze afdeling in het omgevingsplan ten opzichte van het oude begrip Wet milieubeheer-inrichting beoogd.

Tweede lid, onderdeel b, sub 4

Doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen valt niet onder deze afdeling van dit omgevingsplan.

Tweede lid, onderdeel b, sub 5

Dit onderdeel sluit evenementen, waarover geluidregels zijn gesteld in bijvoorbeeld de Algemene Plaatselijke Verordening of een evenementenverordening uit van het toepassingsbereik van deze afdeling over milieubelastende activiteiten. Deels gebeurt dit al met onderdeel c, omdat evenementen vaak plaatsvinden in de openbare buitenruimte. Maar regelmatig zijn evenementen ook besloten of vinden ze plaats in een tijdelijk leegstaand gebouw. Deze uitzondering geldt niet voor activiteiten waarvoor geen geluidregels gelden bij of krachtens een gemeentelijke verordening, maar waarvoor geluidregels waren opgenomen in een omgevingsvergunning voor een inrichting op grond van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Voorbeelden hiervan kunnen zijn permanente evenemententerreinen of evenementenhallen.

Tweede lid, onderdeel b, sub 6

Deze uitzondering beoogt vooral het gebruik van landbouwvoertuigen op weilanden en akkers uit te sluiten van het algemene toepassingsbereik voor deze afdeling. De opslag van vaste mest op een weiland of akker valt wel onder dit algemene toepassingsbereik. Een installatie die verplaatsbaar is maar gedurende een langere periode achtereen op een weiland of akkers wordt gebruikt, wordt niet gezien als mobiele installatie en valt ook onder de regels voor de milieubelastende activiteiten in dit omgevingsplan. Bijvoorbeeld een antihagelkanon. Ook verplaatsbare mijnbouwwerken vallen onder het toepassingsbereik van deze afdeling.

Tweede lid, onderdeel b, sub 7

Vaste objecten zoals bruggen, sluizen en tunnels kunnen door de aanwezigheid van elektromotorisch vermogen gezien worden als milieubelastende activiteiten. Bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen vallen niet onder het toepassingsbereik van dit omgevingsplan.

Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet bleven elektromotoren van bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen buiten beschouwing bij het bepalen of sprake was van een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Dit was bepaald in categorie 1, 1.2, onder c, van bijlage I, onderdeel C, bij het Besluit omgevingsrecht, zoals dat gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Tweede lid, onderdeel c

Dit artikel sluit aan bij artikel 5.90 van het Bkl. Daarin zijn geurgevoelige gebouwen die zijn toegelaten voor de duur van niet meer dan tien jaar, uitgesloten van het toepassingsbereik van de bepalingen over geur in dat besluit.

EEEEEEEEEEEE

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.11 lid 1

Toelichting

Met dit artikellid en de begripsomschrijvingen in het Bal zijn de artikelen 3.50, derde lid, en 3.51, elfde lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer omgezet.

Het mestbassin is bovengronds gelegen en kan ook uit een mestzak of foliebassin bestaan. Voor de berekening van de gezamenlijke oppervlakte en de gezamenlijke inhoud worden de oppervlakte en inhoud van mestkelders en ondergrondse mestbassins die zijn voorzien van een afdekking die als vloer fungeert niet meegerekend. Is sprake van meerdere bassins, dan worden deze voor de oppervlakte- of inhoudsbepaling dus bij elkaar opgeteld. Een uitgebreide toelichting over het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie is te lezen in de artikelsgewijze toelichting bij artikel 4.855 van het Bal.

In het Bal staat geen vergunningplicht voor het opslaan van dierlijke meststoffen die verpompbaar zijn in een of meer mestbassins met een gezamenlijke oppervlakte groter dan 750 m2 of een gezamenlijke inhoud groter dan 2.500 m3. Deze vergunningplicht komt wel terug in artikel 17.3717.38 van dit omgevingsplan.

De afstand die ten minste in acht moet worden genomen, is kleiner voor bassins met een (gezamenlijke) oppervlakte kleiner dan 350 m2 dan voor bassins met een (gezamenlijke) oppervlakte van 350 m2 of meer. Verder geldt een kleinere afstand van het bassin tot een geurgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met een veehouderij in de directe omgeving dan een te beschermen gebouw zonder die functionele binding met een veehouderij.

Ondanks dat de afstanden in acht worden genomen, kan toch geuroverlast optreden. Het bevoegd gezag heeft dan de mogelijkheid om aanvullende eisen te stellen met maatwerkvoorschriften. Dit kan bijvoorbeeld voor de situering van het mestbassin, het afdekken ervan en de frequentie en tijdstip van de aan- en afvoer. Dit geldt ook voor mestkelders. Met name het leegpompen van mestkelders kan leiden tot geuroverlast

FFFFFFFFFFFF

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.14 lid 2

Toelichting

Sub a

Bij het opslaan van minder dan 3 m3 vaste mest, champost of dikke fractie gelden geen eisen, anders dan de specifieke zorgplicht.

Sub b

Als vaste mest, champost of dikke fractie korter dan twee weken op één plek opgeslagen ligt, dan is dit artikel niet van toepassing. Wel geldt de specifieke zorgplicht.

Sub c

Een opslag van meer dan 600 m3 vaste mest valt niet onder het toepassingsbereik van dit artikel. In artikel 17.3717.38 is aanvullend op deze bovengrens een vergunningplicht opgenomen voor de opslag van meer dan 600 m3 vaste mest.

Sub d

In beginsel geldt bij geur die veroorzaakt wordt door de activiteiten, bedoeld in de artikelen 5.14 tot en met 5.10, de afstanden die in die artikelen zijn genoemd. Deze afstandseisen gelden niet bij «overbelaste situaties». Dit artikel bevat een regeling met «eerbiedigende werking» voor zulke bestaande situaties. Zie voor een nadere toelichting hierover de artikelsgewijze toelichting bij artikel 5.126 van het Bkl.

Als dit artikel van toepassing is, heeft degene die de activiteit verricht op grond van de specifieke zorgplichtbepaling de plicht om maatregelen of voorzieningen te treffen die geurhinder voorkomen of tot een aanvaardbaar niveau beperken. Hierbij kan gedacht worden aan maatregelen over:

  • de situering van de plaats van de opgeslagen bedrijfsstoffen;

  • het afdekken van de opgeslagen agrarische bedrijfsstoffen; of

  • de frequentie van de afvoer van de opgeslagen agrarische bedrijfsstoffen.

In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer stond ook dat degene die de inrichting drijft op verzoek van het bevoegd gezag aangeeft welke maatregelen of voorzieningen hij daarvoor heeft getroffen of zal treffen. Deze gegevens kan het bevoegd gezag ook vragen op grond van de toezichtsbevoegdheden van de Algemene wet bestuursrecht. Deze plicht komt dus niet expliciet terug in de omgevingsplanregels van rijkswege.

GGGGGGGGGGGG

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.33 Geur: beperken of voorkomen van geurhinder bij het slachten van dieren en bewerken van dierlijke bijproducten of uitsnijden van vlees, vis of organen

Dit is voormalig bruisschat artikel 22.205. Het oorspronkelijke eerste lid is opgeknipt in twee losse leden om de leesbaarheid te vergroten. De oogmerken uit het oorspronkelijke artikel zijn verplaatst naar de generieke oogmerken in artikel 5.4.

Toelichting

Een ontgeuringsinstallatie zoals voorgeschreven in het eerste lid, onder b, van dit artikel moet uiteraard doelmatig zijn. Op grond van de specifieke zorgplichten in artikel 17.4317.46 van dit omgevingsplan of artikel 2.11 van het Bal moet bijvoorbeeld de capaciteit van de ontgeuringsinstallatie groot genoeg zijn en moet de ontgeuringsinstallatie voldoende vaak worden gereinigd.

Het tweede lid bevat oud overgangsrecht van het Activiteitenbesluit milieubeheer dat is overgenomen. Bij het stellen van regels in het nieuwe deel van het omgevingsplan kan worden beoordeeld of dit overgangsrecht voor een specifieke locatie nog noodzakelijk of gewenst is.

HHHHHHHHHHHH

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.1 Aandachtsgebied 

 Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.273.

[Vervallen]

IIIIIIIIIIII

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.8 Geluid: eerbiedigende werking (VERVALT)

Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.69.  Dit artikel is op advies van de Omgevingsdienst Twente vervallen. Het is in het kader van het evenwichtig toelaten van functies aan locaties ongewenst generiek hogere geluidsbelasting toe te laten op basis van oude regelgeving. Maatwerk is een passend instrument om in voorkomende gevallen specifieke geluidsruimte te bieden.

Toelichting

Deze bepaling geldt ter vervanging van artikel 2.17a van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. In de meeste algemene maatregelen van bestuur op grond van het vervallen artikel 8.40 Wet milieubeheer, zoals het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer, was een overgangsbepaling opgenomen die teruggreep op zogenaamde «8.40-AMvB’s» die daarvóór in werking waren. Dit lid is van toepassing op activiteiten die worden verricht op de locatie van inrichtingen die onder de werking van die oudere besluiten vielen. Voor deze activiteiten worden de waarden in tabel 5.2.1 (standaard)  met 5 dB(A) verhoogd, tenzij voordien volgens een milieuvergunning lagere waarden golden. Overigens wordt in artikel 2.17a, eerste tot en met derde lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer abusievelijk verwezen naar artikel 2.17, in plaats van artikel 2.17a.

[Vervallen]

JJJJJJJJJJJJ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.41 Geur: beginnen of uitbreiden activiteit

Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.201. 

Toelichting

Dit artikel is een voortzetting van artikel 3.140, eerste lid van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Het bevoegd gezag kan in afwijking van dit artikel bij maatwerkvoorschrift op grond van artikel 17.4317.46 van dit omgevingsplan een bepaalde mate van nieuwe geurhinder ter plaatse van geurgevoelige gebouwen toestaan.

Ook kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift bepalen dat een bepaalde geurbelasting ter plaatse van geurgevoelige gebouwen niet wordt overschreden, of dat technische voorzieningen worden aangebracht of gedragsregels in acht worden genomen om de geurhinder tot een aanvaardbaar niveau te beperken.

Bij het industrieel vervaardigen of bewerken van levensmiddelen of voeder is de kans op geurhinder reëel. Daarom kan het bevoegd gezag via een maatwerkvoorschrift om een geuronderzoek vragen. In dat geuronderzoek wordt onder meer aangegeven welke maatregelen worden getroffen ter voorkoming of beperking van geurhinder ter plaatse van geurgevoelige gebouwen.

KKKKKKKKKKKK

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.5 lid 2

Toelichting

Tweede, onderdeel a

Het derde lid bevat een voorrangbepaling voor vergunningvoorschriften in een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit, die met toepassing van het recht zoals dat gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, is verleend. Het gaat hierbij om een vergunningplichtige milieubelastende activiteit die in hoofdstuk 3 van het Bal is aangewezen en waarbij deze vergunningvoorschriften bevat voor een onderwerp dat naar het omgevingsplan is verschoven. Op grond van het overgangsrecht van artikel 4.13, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijven deze vergunningvoorschriften gelden. De vergunningvoorschriften gelden naast het omgevingsplan. De strengste regel is dan bepalend. Ten tijde van de vergunningverlening zijn juist bewust strengere of soepeler voorschriften gesteld, afgestemd op de locatie. De regels van de hoofdstukken over milieubelastende activiteiten dit omgevingsplan zijn niet van toepassing, voor zover zo’n vergunningvoorschrift geldt. De uitdrukking «voor zover» betekent «in de mate dat». Dat houdt in dat alleen die voorschriften uit de hoofdstukken over milieubelastende activiteiten  van dit omgevingsplan buiten toepassing blijven waarvoor voorschriften in de omgevingsvergunning zijn gesteld. Als bijvoorbeeld de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit voor geluid alleen voorschriften met waarden bevat, dan blijft artikel 6.19 van dit omgevingsplan met geluidwaarden voor geluidgevoelige gebouwen buiten toepassing. Maar artikel 6.16 van dit omgevingsplan, dat bepaalt wanneer een akoestisch onderzoek gedaan moet worden, is wel van toepassing.

Deze voorrangsbepaling kan relevant zijn voor de volgende onderdelen van de hoofdstukken over milieubelastende activiteiten van dit omgevingsplan:

Hoofdstuk 2  Afval

Hoofdstuk 6 Geluid

Hoofdstuk 16 Trillingen

Paragraaf 18.2.3 Lozen bij maken van betonmortel

Paragraaf 18.2.18 Uitwassen van beton

Paragraaf 18.2.13 Ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal

Paragraaf 3.3.1.1  In werking hebben van een acculader

Dit omgevingsplan voorziet niet in een voorrangsbepaling voor bestaande vergunningvoorschriften of maatwerkvoorschriften op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer die op grond van het algemene overgangsrecht maatwerkvoorschriften zijn geworden en die afwijken van of een nadere invulling geven aan de omgevingsplanregels in dit omgevingsplan. Uit de wetssystematiek volgt al dat een maatwerkvoorschrift voorrang heeft op een algemene bepaling.

Tweede lid, onderdeel b

Een gevel kan bij het toelaten van nieuwe geluidgevoelige gebouwen met toepassing van de artikelen 5.78y of 5.78aa van het Bkl, als niet-geluidgevoelige gevel in het omgevingsplan worden aangemerkt. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting op de artikelen 5.78y en 5.78aa in het (voorgenomen) Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet. Deze niet-geluidgevoelige gevels vervangen in het nieuwe stelsel de gevels die onder de voormalige Wet geluidhinder als «doof» werden aangemerkt of waarvoor met toepassing van de Interimwet stad-en-milieubenadering werd afgeweken van de wettelijke norm.

In het overgangsrecht van het (voorgenomen) Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet is in artikel 12.17 bepaald dat onder «niet-geluidgevoelige gevel» ook wordt verstaan een gevel die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet is aangemerkt als zogenoemde «dove gevel», evenals een gevel waarvoor de Interimwet stad-en-milieubenadering is toegepast. Ook die gevels blijven na inwerkingtreding van de Omgevingswet niet geluidgevoelig.

Tweede lid, onderdeel c

Onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer kregen geprojecteerde en in aanbouw zijnde geluidgevoelige gebouwen geen bescherming tegen geluid van milieubelastende activiteiten. Dit is wel zo bij de instructieregels van het Bkl. De geluidwaarde geldt dan op de locatie waar volgens het omgevingsplan of de omgevingsvergunning de gevel van het gebouw gebouwd mag worden. Omdat de voormalige bestemmingsplannen van rechtswege zijn overgegaan in omgevingsplannen, zou toetsing op een geprojecteerd gebouw ertoe kunnen leiden dat een bestaande activiteit opeens niet meer voldoet aan de geluideisen. In de transitieperiode is dit ongewenst: voor rechtmatige bestaande situaties moeten niet ineens strengere waarden voor geluid gaan gelden. Daarom is in de omgevingsplanregels van rijkswege, voor situaties die al toegestaan zijn voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, de uitzondering opgenomen dat onder een geluidgevoelig gebouw niet wordt verstaan een geprojecteerd gebouw of een geluidgevoelig gebouw in aanbouw.

Het uitgangspunt voor het overgangsrecht is dat de initiatiefnemer onder dezelfde condities zijn activiteit moet kunnen blijven voortzetten. Als na de inwerkingtreding van de Omgevingswet een nieuw geluidgevoelig gebouw wordt toegelaten bij een bestaande activiteit, of een nieuwe activiteit begint bij een bestaand geluidgevoelig gebouw, gelden al wel de nieuwe regels. Dit verschil werkt ook door naar de omgevingsplanregels van rijkswege.

Tweede lid, onderdeel d

Dit onderdeel maakte geen deel uit van de originele bruidsschat, maar is een aanvulling op artikel 22.55 uit de bruidsschat afkomstig uit de Vangnetregeling Omgevingswet, artikel 2.4. Dit onderdeel corrigeert een onvolkomenheid in de bruidsschat. Deze zorgt ervoor dat de geluidsregels niet van toepassing zijn op bovengrondse hoogspanningsverbindingen. In een dergelijke uitzondering was nog niet voorzien, hoewel voor deze activiteit onder oud recht geen geluidsregels golden. Zonder het toevoegen van deze uitzondering zouden deze hoogspanningsverbindingen in een aantal gevallen niet voldoen aan deze geluidsregels. Hoewel er in dergelijke gevallen uitzicht zou zijn op legalisatie door het verlenen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, is dit onredelijk belastend voor de beheerder en de betrokken gemeenten.

Tweede lid, onderdeel f, sub 1 tot en met 7

De onderdelen a tot en met f van het tweede lid sluiten bepaalde milieubelastende activiteiten uit van het algemene toepassingsbereik van deze afdeling. 

Op grond van artikel 22.2, eerste lid, van de Omgevingswet mogen de omgevingsplanregels van rijkswege alleen gaan over regels die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet bij of krachtens de wet waren gesteld of daaraan gelijkwaardige regels. Het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de voormalige Wet geurhinder en veehouderij waren alleen van toepassing op inrichtingen als bedoeld in artikel 1, derde lid, van de Wet milieubeheer. Omdat het begrip milieubelastende activiteit in de Omgevingswet breder is dan dat begrip inrichting, is in dit lid een afbakening van het toepassingsbereik opgenomen.

Bij de overgang naar een nieuwe wetsystematiek en begrippenkader is het niet te voorkomen dat er enkele verschuivingen in de uitvoering van de regelgeving optreden. Aanmerkelijke verschuivingen in het toepassingsbereik zijn niet beoogd. Desondanks zullen er op kleine schaal wel enige verschuivingen optreden, omdat de oude criteria van het begrip inrichting niet één op één zijn overgenomen. De omschrijving van het toepassingsbereik in dit artikel vraagt enige mate van interpretatie. Ook de criteria van het begrip inrichting uit de Wet milieubeheer vroegen om interpretatie, en werden door verschillende bevoegde instanties enigszins verschillend geïnterpreteerd.

Bij de interpretatie van het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, is het raadzaam om aan te sluiten bij de praktijk van de voormalige regelgeving. Als een activiteit als Wet milieubeheer-inrichting werd beschouwd, kan deze ook onder de regels voor milieubelastende activiteiten van deze afdeling vallen.

Een beperkte verschuiving is op zich niet bezwaarlijk, als dit er niet toe leidt dat:

  • a) activiteiten die eerst niet onder rijksregels vielen door de regels van deze afdeling van dit omgevingsplan worden beperkt;

  • b) activiteiten die wel onder de regels vielen en reële risico’s voor de fysieke leefomgeving inhouden ongeregeld blijven.

Situaties als bedoeld onder a zullen niet snel voorkomen. Juist aan de «onderkant» van het inrichtingenbegrip golden er naast de regels van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer ook andere regels die ervoor zorgen dat ook activiteiten die geen inrichting waren toch aan regels ter bescherming van de leefomgeving waren gebonden. Denk bijvoorbeeld aan de regels van de Algemene Plaatselijke Verordening, maar ook het restrisico-artikel van het Bouwbesluit 2012 (artikel 7.22). Deze regels van de Algemene Plaatselijke Verordening blijven op het moment van de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van het algemeen overgangsrecht (artikel 22.4 van de Omgevingswet bepaalt namelijk dat artikel 122 van de Gemeentewet tijdelijk niet van toepassing is) gelden. Het restrisico-artikel van het Bouwbesluit 2012 is ook opgenomen als regel van rijkswege in het omgevingsplan. Bovendien zijn de regels van deze afdeling voor activiteiten waarop ze van toepassing zouden worden zelden feitelijk beperkend, omdat bij het op gebruikelijke wijze uitvoeren van de activiteit aan de regels wordt voldaan.

Ook voor situaties als bedoeld onder b hoeft in zijn algemeenheid niet te worden gevreesd. Veelal gold voor de activiteiten aan de onderkant van het inrichtingenbegrip naast de zorgplicht van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 2.1) alleen een beperkt aantal regels, zoals de geluidregels. Een eventuele overtreding van de zorgplicht van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer zal in veel gevallen ook als overtreding van de algemene zorgplicht van de Omgevingswet kunnen worden aangemerkt. En omdat de rijksregels niet gelden, zal ook de Algemene Plaatselijke Verordening veelal een deel van de bescherming overnemen.

Het algemene overgangsrecht in artikel 22.4 van de Omgevingswet en de mogelijkheden voor maatwerk op grond van deze afdeling zullen eventuele nadelige gevolgen van de beperkte verschuivingen voldoende ondervangen.

Bij het voorbereiden van deze afdeling zijn al verschillende mogelijke verschuivingen in het toepassingsbereik geïdentificeerd. Belangrijke aandachtspunten worden hieronder benoemd.

De onderdelen in dit tweede lid beogen de criteria «een omvang alsof zij bedrijfsmatig is», «binnen een zekere begrenzing» en «pleegt te worden verricht» binnen de omschrijving van het begrip inrichting in de Wet milieubeheer te vervangen. De categorieën uit bijlage I bij het Besluit omgevingsrecht zijn niet overgenomen. Sommige ondergrenzen in die categorieën kunnen eventueel terugkomen in het toepassingsbereik van de paragrafen in deze afdeling.

Kleine winkels waar geen installaties met meer dan 1,5 kW elektromotorisch vermogen aanwezig zijn, waren bijvoorbeeld meestal geen Wet milieubeheer-inrichting, maar vallen nu wel onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling in het omgevingsplan. Alhoewel er geen specifieke voorschriften voor gelden, moeten deze activiteiten wel voldoen aan de specifieke zorgplicht.

Tweede lid, onderdeel f, sub 1

De omgevingsplanregels van rijkswege voor de milieubelastende activiteit zijn alleen van toepassing op milieubelastende activiteiten, anders dan wonen. Hiermee wordt aangesloten op het toepassingsbereik voor de instructieregels voor geluid, trillingen en geur in het Bkl.

Als een hobby een bepaalde omvang overstijgt kan dit ertoe leiden dat het verrichten van een activiteit niet meer onder wonen valt. Denk hierbij aan het in een bepaalde omvang houden van dieren, sleutelen aan auto’s, meubels maken of bereiden van voedingsmiddelen. Waar de grens ligt, is een grijs gebied. Hetzelfde geldt voor bedrijven aan huis. De gemeente mag hier ook zelf invulling aan geven in het omgevingsplan. Overigens was bij de toetsing of er sprake was van een Wet milieubeheer-inrichting het criterium «een omvang alsof zij bedrijfsmatig is» ook altijd een grijs gebied.

Een ander bekend voorbeeld van onduidelijkheid over de vraag of een activiteit een Wet milieubeheer-inrichting was, is het opslaan van huisbrandolie of propaan in tanks bij particulieren. Onder het regime van de Omgevingswet wordt dit afgedekt door het Bal.

Tweede lid, onderdeel f, sub 2

Het feitelijk verrichten van bouw- en sloopactiviteiten of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein, vallen niet onder deze afdeling. Ook in het Bbl zijn eisen opgenomen voor zowel geluid als trillingen bij bouw- en sloopactiviteiten. Het Bbl bevat voor het verrichten van die activiteiten ook een specifieke zorgplicht. Verder bevat de Algemene Plaatselijke Verordening vaak regels ter voorkoming van hinder door bouw- en sloopgerelateerde activiteiten. Het algemene overgangsrecht van de Omgevingswet in artikel 22.4 van de Omgevingswet zorgt ervoor dat deze regels van de Algemene Plaatselijke Verordening bij de inwerkingtreding van de wet blijven gelden. Naast deze regels bevat afdeling 17.2 van dit omgevingsplan een specifieke zorgplicht voor het gebruik van een bouwwerk (artikel 17.2717.28). Het is dus niet zo dat er, door de uitzondering in dit onderdeel, voor deze activiteiten geen regels gelden.

Onder het regime van de Wet milieubeheer gebeurde het in bijzondere gevallen wel dat bouwwerkzaamheden die langer duurden dan zes maanden, als een Wet milieubeheer-inrichting werden gezien. Deze activiteiten vallen buiten het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, maar ook daarvoor geldt dat de hiervoor genoemde regels van toepassing zijn.

Tweede lid, onderdeel f, sub 3

Deze uitzondering beoogt de activiteiten die in de openbare buitenruimte plaatsvinden uit te sluiten. Voorbeelden zijn kermissen en andere evenementen, weekmarkten, mobiele installaties/activiteiten zoals draaiorgels, ophalen van vuilnis en gevelreiniging (met uitzondering van lozen). Het voor korte periode bezetten van een stukje openbaar toegankelijk terrein, maakt het daarmee niet ontoegankelijk. Activiteiten in een openbaar toegankelijk gebouw, zoals een publieke parkeergarage of het stadhuis, vallen wel onder het toepassingsbereik. Ook het laden en lossen op de openbare weg in de onmiddellijke nabijheid van een winkel, of het verkeer van en naar het bedrijf valt wel onder het toepassingsbereik van deze afdeling.

Voor enkele activiteiten zoals het exploiteren van een mobiele vis-, friet-, oliebollen- of marktkraam of het exploiteren van een terras, was het afhankelijk van de situatie en de interpretatie van het bevoegd gezag of ze gezien werden als een Wet milieubeheer-inrichting. Deze interpretatieverschillen kunnen zich ook nu weer voordoen. Zoals al aangegeven in de inleiding van de toelichting op dit artikel is er in principe geen verschuiving in het toepassingsbereik van deze afdeling in het omgevingsplan ten opzichte van het oude begrip Wet milieubeheer-inrichting beoogd.

Tweede lid, onderdeel f, sub 4

Doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen valt niet onder deze afdeling van dit omgevingsplan.

Tweede lid, onderdeel f, sub 5

Dit onderdeel sluit evenementen, waarover geluidregels zijn gesteld in bijvoorbeeld de Algemene Plaatselijke Verordening of een evenementenverordening uit van het toepassingsbereik van deze afdeling over milieubelastende activiteiten. Deels gebeurt dit al met onderdeel c, omdat evenementen vaak plaatsvinden in de openbare buitenruimte. Maar regelmatig zijn evenementen ook besloten of vinden ze plaats in een tijdelijk leegstaand gebouw. Deze uitzondering geldt niet voor activiteiten waarvoor geen geluidregels gelden bij of krachtens een gemeentelijke verordening, maar waarvoor geluidregels waren opgenomen in een omgevingsvergunning voor een inrichting op grond van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Voorbeelden hiervan kunnen zijn permanente evenemententerreinen of evenementenhallen.

In aanvulling op de uitsluitingen uit de voormalige bruidsschat worden ook  evenementen op locaties die zijn aangewezen op basis van artikel 14.4 uitgesloten. Voor deze locaties gelden eigen regels die gebaseerd zijn op de voormalige Parapluregeling evenemententerreinen. Voor dat plan is akoestisch onderzoek gedaan, wat input is geweest voor de opgenomen normen.

Tweede lid, onderdeel f, sub 6

Deze uitzondering beoogt vooral het gebruik van landbouwvoertuigen op weilanden en akkers uit te sluiten van het algemene toepassingsbereik voor deze afdeling. De opslag van vaste mest op een weiland of akker valt wel onder dit algemene toepassingsbereik. Een installatie die verplaatsbaar is maar gedurende een langere periode achtereen op een weiland of akkers wordt gebruikt, wordt niet gezien als mobiele installatie en valt ook onder de regels voor de milieubelastende activiteiten in dit omgevingsplan. Bijvoorbeeld een antihagelkanon. Ook verplaatsbare mijnbouwwerken vallen onder het toepassingsbereik van deze afdeling.

Tweede lid, onderdeel f, sub 7

Vaste objecten zoals bruggen, sluizen en tunnels kunnen door de aanwezigheid van elektromotorisch vermogen gezien worden als milieubelastende activiteiten. Bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen vallen niet onder het toepassingsbereik van dit omgevingsplan.

Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet bleven elektromotoren van bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen buiten beschouwing bij het bepalen of sprake was van een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Dit was bepaald in categorie 1, 1.2, onder c, van bijlage I, onderdeel C, bij het Besluit omgevingsrecht, zoals dat gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Tweede lid, onderdeel f, sub 8

Geluid door spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen valt niet onder de regels van deze paragraaf. Andere geluiden door een spoorwegemplacement, zoals geluid door het wassen van de treinwagons, vallen wel onder deze paragraaf.

Voor het geluid door wegverkeersbewegingen van en naar een spoorwegemplacement geldt de specifieke zorgplicht uit artikel 17.4317.46derde lid, onder a, van dit omgevingsplan.

Tweede lid, onderdeel f, sub 9

Een winkel was onder het oude recht vaak geen Wet milieubeheer-inrichting. De regels van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer golden daarom niet voor activiteiten bij detailhandel. Winkels vielen wel onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer als de volgende installaties aanwezig waren:

  • elektromotoren met een opgeteld vermogen groter dan 1,5 kW (bijvoorbeeld in automatische rolluiken of airco’s); of

  • stookinstallaties met een opgeteld thermisch vermogen van meer dan 130 kW.

Met dit artikel wordt voorkomen dat de geluidwaarden uit deze paragraaf gaan gelden voor die winkels waarvoor de geluidnormen uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer niet golden.

Wel geldt voor deze winkels de specifieke zorgplicht in artikel  17.4317.46 van dit omgevingsplan.

LLLLLLLLLLLL

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.10 Geluid: meerdere activiteiten beschouwen als één activiteit

Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.56. Vanwege het vervallen van bruidsschat artikel 22.41 is de verwijzing uit de oorspronkelijke tekst niet meer opgenomen.

Toelichting

Onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer golden de geluidnormen voor de gehele inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Dus voor het samenstel van activiteiten die binnen de inrichting plaatsvinden. Deze bepaling beoogt hetzelfde. Wanneer op een locatie meerdere, onderling samenhangende activiteiten worden verricht, gelden de geluidregels voor dit samenstel van activiteiten. Dit is bijvoorbeeld aan de orde als de activiteiten behoren tot een bedrijf. Dit artikel geeft aan welke clustering van activiteiten als één activiteit beschouwd moet worden. Dit kunnen twee milieubelastende activiteiten zijn die elkaar functioneel ondersteunen. Uit de systematiek van het Bal volgt al dat een milieubelastende activiteit die is aangewezen in de paragrafen 3.3 tot en met 3.11, bestaat uit de kernactiviteit, inclusief functioneel ondersteunende activiteiten. Dit is ook zo als die functioneel ondersteunende activiteiten zelf ook als milieubelastende activiteit in hoofdstuk 3 aangewezen zijn. Ook twee of meer milieubelastende activiteiten op één locatie die rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan worden op grond van dit artikel beschouwd als één activiteit.

De inhoud van dit artikel wijkt af van artikel 5.58 in het Bkl. Dit is gedaan om de omgevingsplanregels van rijkswege beter aan te laten sluiten bij de situatie zoals die was onder het oude recht.

Deze bepaling beoogt niet het algemene toepassingsbereik van deze afdeling over de milieubelastende activiteit uit te breiden. Bijvoorbeeld met het geluid van een landbouwvoertuig op een akker. Deze bepaling trekt die activiteit niet alsnog «binnen» de activiteit.

Directe hinder, laden en lossen versus indirecte hinder

Ook activiteiten die niet hoofzakelijk op de locatie van het terrein van een bedrijf plaatsvinden, maar in de onmiddellijke nabijheid daarvan, kunnen onderdeel zijn van een activiteit in de zin van dit artikel. Dit wordt beschouwd als «directe hinder». Een voorbeeld hiervan zijn laad- en losactiviteiten die op de openbare weg worden uitgevoerd. Het geluid van dit laden en lossen moet dus ook voldoen aan de waarde voor geluid van een activiteit, zoals opgenomen in deze paragraaf. In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer golden de geluidnormen ook voor deze activiteiten in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting.

De geluidvoorschriften in deze paragraaf gelden dus voor het geluid dat beschouwd wordt als «directe hinder». Geluid, veroorzaakt door het verkeer van personen en goederen van en naar de activiteit (totdat het is opgenomen in het heersende verkeersbeeld) wordt beschouwd als «indirecte hinder». Voor indirecte hinder geldt alleen de specifieke zorgplicht in artikel 17.4317.46 van dit omgevingsplan. Zie ook de de toelichting bij artikel 17.4317.46.

Overigens was het onder het oude recht ook afhankelijk van de omstandigheden van het geval wanneer laden en lossen overgaat in het verkeer van personen en goederen van en naar de activiteit. Deze omgevingsplanregels van rijkswege brengen hier geen verandering in.

MMMMMMMMMMMM

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.1 Toepassingsbereik

Lid 2 en 3 zijn voormalig artikel 6 Verordening doelgroepen woningbouw gemeente Rijssen-Holten 2024.

Toelichting

De Omgevingswet biedt gemeenten de mogelijkheid om in een omgevingsplan, een tijdelijke alternatieve maatregel of een omgevingsvergunning te eisen dat een bepaald percentage sociale huur en/of sociale koopwoningen gerealiseerd moet worden. Sinds 1 juli 2017 is het ook mogelijk om dit voor middenhuur woningen te regelen. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) heeft de rijksoverheid gedefinieerd wat wordt begrepen onder sociale huur- en koopwoningen en geliberaliseerde woning voor middenhuur. De definiëring van de doelgroep voor deze woningen wordt vastgelegd in een Omgevingsplan. Gemeenten hebben tot 

1 januari 2032 tijd om de bestaande verordeningen en tijdelijke omgevingsplannen om te zetten naar een omgevingsplan. Tot het moment dat De regels in hoofdstuk 7 van het omgevingsplan van kracht is, is het verstandig om een verordening doelgroep woningbouw te hebben. Dit biedt   bieden  aan derden duidelijkheid over de voorwaarden waaronder de sociale woningbouw gerealiseerd en in stand gehouden moet worden. In de voorliggende verordening definieert de gemeente Rijssen-Holten de doelgroepen voor sociale huur- en koopwoningen en geliberaliseerde woning voor middenhuur door inkomensgrenzen. Het Bkl gaat bij de bepaling van de hoogte van de maximale VON-prijs uit van de kostengrens, bedoeld in de Voorwaarden en Normen Nationale Hypotheekgarantie. Voor 20242026 is deze bepaald op maximaal € 435.000470.000,=-. In afwijking hiervan is in het Rijksprogramma “Een thuis voor iedereen” en de daarop gebaseerde Woondeal Twente de maximum prijs voor sociale (betaalbare) koop echter bepaald op € 390.000420.000,=- . Gemeenten mogen op basis van hun eigen woningmarkt lagere VON-prijzen hanteren.  Voor het prijspeil van de verschillende categorieën is rekening gehouden met de uitkomsten van het kwalitatief woningonderzoek zoals opgenomen in de Woonvisie 2021 t/m 2023 en de monitor Woonvisie 2024 . Met de vaststelling van deze doelgroepenverordening  regels  ontstaat een wettelijke basis om te borgen dat sociale huurwoningen, sociale koopwoningen en geliberaliseerde woningen voor middenhuur worden gebouwd en blijven behouden voor de doelgroepen en doorstroming op de woningmarkt van Rijssen-Holten op gang komt. De doelgroepenverordening is regels zijn  van toepassing op alle nieuwbouwplannen in de gemeente Rijssen-Holten waarvoor het bestemmingplan omgevingsplan  wordt herzien, een omgevingsplan of tijdelijke alternatieve maatregel voor wordt gemaakt of een omgevingsvergunning voor wordt afgegeven. Een uitzondering hierop zijn die plannen waarvoor op het moment van inwerkingtreding van deze regeling al afspraken zijn gemaakt over de in deze doelgroepenverordening opgenomen onderwerpen in: - Afgesloten (exploitatie)overeenkomsten óf - (Exploitatie)overeenkomsten waarvoor de onderhandelingen over de totstandkoming van deze overeenkomsten al in een zodanig vergevorderd stadium zijn, dat het in strijd is met de goede trouw van de precontractuele fase om de doelgroepenverordening nog van toepassing te laten zijn. De doelgroepenverordening zal daar waar nodig planologisch-juridisch geborgd worden in het betreffende omgevingsplan, tijdelijke alternatieve maatregel of omgevingsvergunning.

NNNNNNNNNNNN

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.3 Doelgroep

Dit Toelichting is voormalig artikel 2 Verordening doelgroepen woningbouw gemeente Rijssen-Holten 2024.

Toelichting

Dit artikel omschrijft de doelgroepen voor nieuw te bouwen sociale huurwoningen en voor middenhuur woningen. De afbakening van de doelgroepen vindt plaats door middel van maximale inkomensgrenzen. Gedurende een vastgelegde termijn (zie artikel 4) moet de woning voor deze doelgroepen in stand gehouden worden. • De inkomensgrens voor de doelgroep voor sociale huur bedraagt voor een eenpersoonshuishouden € 47.699 49.669,-  en voor een meerpersoonshuishouden € 52.67154.847,-  (prijspeil 20242025 ). • De inkomensgrens voor de doelgroep voor geliberaliseerde woningen voor middenhuur ligt op maximaal 1,5 keer de DAEB-normen zoals hierboven benoemd. • De inkomensgrenzen voor sociale koopwoningen zijn afgeleid van informatie die een landelijk werkende bank recent heeft verstrekt. Bij het bepalen van de sociale koopgrenzen zijn we uitgegaan van de prijsklassen behorend bij deze inkomensgrenzen en actuele landelijke normbedragen voor nieuwbouw. Verder beschrijft dit artikel de maximale VON-prijzen van de woningen. Ontwikkelaars c.q. bouwers moeten de aangewezen categorieën woningen voor deze prijzen aanbieden. Het is voor de kopers van belang dat zij de aan te kopen woning zo veel mogelijk in basale toestand kopen en zo weinig mogelijk meerwerk en opties toepassen. Eigenaren kunnen in het kader van woongenot in de woning investeren, maar zij moeten zich er van bewust zijn dat dit geen waardevermeerdering tot effect kan hebben. De woning blijft immers voor de doelgroep beschikbaar waarvoor deze is aangewezen. Bij de doorverkoop binnen de termijn, zoals genoemd in artikel 4, geldt de vastgestelde geïndexeerde  prijs die van toepassing is in de dan geldende verordeninghet jaar van verkoop..   Meerwerk en opties worden dus bij een doorverkoop binnen de instandhoudingstermijn in principe niet vergoed. De toewijzing van sociale koopwoningen (met uitzondering van de categorie sociale koop hoog) verloopt via het lotingssysteem van de gemeente Rijssen-Holten.

Het artikel beoogt een jaarlijkse stijging van de VON-prijzen en de inkomensgrenzen te bewerkstelligen. Als toelichting op de gehanteerde CBS reeks een rekenvoorbeeld hoe de stijging tot stand komt. In de regels van 2025 stond een VON-prijs voor sociale koop laag van € 240.000,- De CBS-index CAO lonen voor het eerste kwartaal 2025 is 123,3. Ten opzichte van de index van een jaar eerder (116,7) is dit een stijging van 1,0565 ((123,3 – 116,7)/116,7+1). De VON-prijs voor sociale koop laag voor 2026 wordt dan  € 240.000 * 1,05,65 = € 253.560,-. Afgerond op duizendtallen naar beneden leidt dit tot een VON-prijs van € 253.000,-

Op basis van de voormalige doelgroepenverordening was het college bevoegd de genoemde prijzen en inkomens te indexeren. Het college is daar nog steeds toe bevoegd, maar op basis van delegatie (artikel 2.7 Omgevingswet). De gemeente Rijssen-Holten kent daarvoor een apart document dat door de raad wordt vastgesteld. De meest actuele versie is raadpleegbaar via de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving.

OOOOOOOOOOOO

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.5 Instandhouding

Dit is voormalig artikel 4 Verordening doelgroepen woningbouw gemeente Rijssen-Holten 2024. Reeds gebouwde sociale huur- of koopwoningen zijn specifiek zichtbaar als locatie. Voor nog in aanbouw zijnde woningen die nog niet specifiek zijn aangewezen geldt dit artikel inhoudelijk onverkort. 

Toelichting

Reeds gebouwde sociale huur- of koopwoningen zijn specifiek zichtbaar als locatie in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (hierna: DSO). Voor nog in aanbouw zijnde woningen die nog niet specifiek zijn aangewezen geldt dit artikel inhoudelijk onverkort. 

De verhuurder of verkoper moet de woning gedurende een minimale instandhoudingstermijn beschikbaar houden voor de doelgroep. De minimale instandhoudingstermijn voor sociale huurwoningen is bepaald op 30 jaar na de eerste ingebruikname. De minimale instandhoudingstermijn voor sociale koop en geliberaliseerde woningen voor middenhuur is bepaald op 10 jaar. Deze liggen in lijn met de wettelijke bepalingen hierover. Sociale koopwoningen die na de instandhoudingstermijn worden verkocht, moeten door de eigenaar onbelemmerd kunnen worden verkocht. Behoudens de verplichtingen uit deze verordeningregels kunnen sociale koopwoningen daarom niet met aanvullende privaatrechtelijke belemmeringen worden belast. Indien woningen binnen de termijn van 10 dan wel 30 jaar worden onttrokken aan de opgelegde categorie, wordt in strijd gehandeld met de doelgroepenverordeningregels voor doelgroepen . Als bijvoorbeeld een woning wordt verkocht voor een hogere prijs dan in deze verordening regels  is opgenomen dan wel voor een te hoge huur wordt verhuurd gedurende die instandhoudingsperiode, kan de gemeente handhavend optreden, bijvoorbeeld door het opleggen van een last onder dwangsom, bestuurlijke boete of bestuursdwang (niet limitatief).

PPPPPPPPPPPP

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.5 lid 1

Toelichting

Reeds gebouwde sociale huurwoningen zijn specifiek zichtbaar als locatie in het DSO. Voor nog in aanbouw zijnde woningen die nog niet specifiek zijn aangewezen geldt dit artikel onverkort.

QQQQQQQQQQQQ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.5 lid 2

Toelichting

Reeds gebouwde sociale koopwoningen zijn specifiek zichtbaar als locatie in het DSO. Voor nog in aanbouw zijnde woningen die nog niet specifiek zijn aangewezen geldt dit artikel onverkort.

RRRRRRRRRRRR

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.6 Meldingsplicht

Dit is voormalig artikel 5 Verordening doelgroepen woningbouw gemeente Rijssen-Holten 2024.

Toelichting

Dit artikel is bedoeld om artikel 47.5 te ondersteunen. Het isDe onder de bedoeling om de intenties (categorieën) van deze verordening publiekrechtelijk viaregels voor doelgroepen vallende woningen worden in het omgevingsplan vast te leggenvastgelegd. Daarnaast nemen we in de exploitatieovereenkomsten de verplichting op dat de inhoud van deze verordening regels  als kettingbeding moet worden opgenomen in de koopovereenkomsten met de kopers van de woningen. Via de notaris ontstaat zo een controle op naleving van de regels uit deze verordeningregels.

SSSSSSSSSSSS

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.7 Hardheidsclausule

Dit is voormalig artikel 7 Verordening doelgroepen woningbouw gemeente Rijssen-Holten 2024.

Toelichting

De hardheidsclausule is bedoeld voor die situaties waarin een verkoper van een sociale koopwoning binnen de instandhoudingstermijn onevenredig financieel wordt getroffen door de maximale verkoopprijs zoals genoemd in artikel 2 van deze verordeningregels. In die gevallen, waarbij de verkoper schriftelijk aantoont dat hij onevenredig schade leidt bij toepassing van de verordeningregels, kan het college van Burgemeester en Wethouders afwijken van deze verordeningregels.

TTTTTTTTTTTT

Sectie ' Aanvraag omgevingsvergunning rijksmonument' wordt geplaatst na sectie ' Plicht tot afkoppelen'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 8.88.7 Aanvraag omgevingsvergunning rijksmonument

UUUUUUUUUUUU

Sectie ' Aanwijzen objecten met cultuurhistorische of landschappelijke waarde ' wordt geplaatst na sectie ' Aanvraag omgevingsvergunning rijksmonument'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 8.78.8 Aanwijzen objecten met cultuurhistorische of landschappelijke waarde 

Dit artikel bevat regels over aanwijzing uit de Erfgoedverordening gemeente Rijssen-Holten 2024. Het artikel omvat de bepalingen rondom de aanwijzing van monumenten en beeldbepalende stedelijke- en landschapsstructuren. De bepalingen over aanwijzing van gemeentelijke monumenten en beeldbepalende stedelijke- en landschapsstructuren leken sterk op elkaar. De regels zijn daarom zoveel mogelijk samengevoegd tot een regelset voor aanwijzing van 'gemeentelijk cultureel erfgoed'.

Toelichting

Lid 1, lid 2 en lid 3

Dit artikel regelt de toekenning van de status van gemeentelijk monument aan een monument of archeologisch monument (een tuin en een park vallen binnen het begrip ‘monument’, natuurlandschap niet). De aanwijzing vergt een belangenafweging tussen het met de aanwijzing te dienen belang en de overige bij de aanwijzing betrokken belangen, waaronder planologische en/of economische belangen of het gebruik van het monument of archeologisch monument. Deze formulering is ontleend aan artikelen 3.1, eerste lid, en 3.16, tweede lid, van de Erfgoedwet. Het college is niet bevoegd tot aanwijzing als de (onroerende) zaak al is aangewezen als Rijks- of provinciaal monument. Dit was in de Erfgoedverordening expliciet uitgesloten, dat is niet noodzakelijk. Het college beslist zelf of zij tot aanwijzing over gaat en zal dat bij Rijks- of provinciale monumenten niet overwegen. Een expliciete uitsluiting voegt daaraan niets toe.

Burgemeester en wethouders hebben beleidsvrijheid bij de aanwijzing van een monument of archeologisch monument als beschermd gemeentelijk monument; er geldt bovendien niet zoiets als de voorheen gehanteerde vijftigjarengrens voor monumenten. Bij de afweging van belangen die daarbij een rol spelen moeten ook de belangen van het gebruik ten opzichte van de te beschermen monumentale waarde uitdrukkelijk en gemotiveerd naar voren komen. Bij de voorbereiding van een aanwijzing moeten deze belangen derhalve in concreto worden onderzocht. Artikel 2 van de oude verordening (vergelijkbaar met het oude artikel 2, eerste lid, van de Monumentenwet 1988) over het gebruik van het monument, keert echter niet terug in deze verordening. Voor de aanwijzing als gemeentelijk monument voegt de bepaling over het gebruik van het (archeologisch) monument geen belang toe dat niet al op grond van artikel 3:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) dient te worden meegewogen. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State gaat het bij een besluit over de aanwijzing als beschermd monument om de afweging van het algemeen belang dat is gemoeid met de bescherming van het cultureel erfgoed tegen de belangen die de eigenaar heeft bij al dan niet aanwijzing. Het gebruik van het monument wordt beschouwd als een aspect van de belangen van de eigenaar en behoeft daarom niet afzonderlijk te worden benoemd.

Lid 4

Ieder monument is gegeven de begripsbepaling van artikel 1.1 van de Erfgoedwet per definitie een onroerende zaak (het gebouw of bouwwerk). Ieder archeologisch monument omvat ten minste één onroerende zaak (het terrein, dat vanwege en samen met de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen, gegeven de begripsbepaling van artikel 1.1 van de Erfgoedwet wordt aangemerkt als archeologisch monument). Voor alle zakelijk gerechtigenden op de betreffende onroerende zaken is ontvangst van het voornemen van een aanwijzing door burgemeester en wethouders van belang, niet alleen voor de eigenaar. Zie ook artikel 1, onder a, onderdeel 1, jo. artikel 1, onder b, onderdeel 5, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Onder zakelijk gerechtigden vallen ook hypothecaire schuldeisers ten aanzien van de onroerende zaak.

Lid 5

De aanwijzing van kerkelijke monumenten wordt vooraf gegaan door overleg over het voornemen met de eigenaar. Deze bepaling komt overeen met de bepalingen over het aanwijzen van kerkelijke monumenten als Rijksmonument. De bepaling doet recht aan de bijzondere positie van het kerkelijk monument als plaats voor het gezamenlijk belijden van godsdienst of levensovertuiging.

Lid 6 en lid 7

Het is wenselijk ook ten aanzien van gemeentelijk monumenten in voorbescherming te voorzien. Dat gebeurt met dit artikel. De voorbescherming start zodra burgemeester en wethouders het voornemen tot aanwijzing hebben bekendgemaakt aan de zakelijk gerechtigden. Het is vergelijkbaar met de voorbescherming voor rijksmonumenten die voortvloeit uit artikel 5 van de Monumentenwet 1988 (dat, zoals dat luidde voor inwerkingtreding van Erfgoedwet, tot inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft gelden voor rijksmonumenten).

Lid 86 en 7

Dit lid vloeit voort uit de verplichtingen van de artikel 16.15a Omgevingswet.

Lid 98

Dit lid omschrijft de minimaal op te nemen onderdelen voor het gemeentelijk erfgoedregister.

Lid 109

Dit artikel geldt naast de algemene verplichting tot bekendmaking van besluiten op basis van de Awb. Ontvangst van de aanwijzing door burgemeester en wethouders is voor alle zakelijk gerechtigden van belang, niet alleen voor de eigenaar. Zie ook artikel 1, onder a, onderdeel 1, jo. artikel 1, onder b, onderdeel 5, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Op een aanwijzingsbesluit is deze wet ook van toepassing. Onder zakelijk gerechtigden vallen ook hypothecaire schuldeisers.

Lid 1110 en lid 1211

Het gemeentelijk erfgoedregister heeft betrekking op al het (beschermd) gemeentelijk aangewezen cultureel erfgoed als dat krachtens deze verordening is gebeurd. In Rijssen-Holten gaat het om door het gemeentebestuur zelf aangewezen (archeologische) monumenten en in de toekomst mogelijk om beeldbepalende stedelijke en landschappelijke structuren. Daarnaast is in het tweede lid geregeld dat ook informatie over rijksmonumenten die in de gemeente zijn gelegen in het gemeentelijk erfgoedregister worden opgenomen. Op grond van de Erfgoedwet ontvangen burgemeester en wethouders deze informatie in afschrift van de minister bij de inschrijving in het rijksmonumentenregister.

Dit artikel geeft uitvoering aan de verplichting van artikel 3.16, derde lid, van de Erfgoedwet en is daarmee van toepassing op al het cultureel erfgoed, ongeacht of het om onroerende of roerende zaken gaat, dat is aangewezen op grond van deze verordening.

Het woord “onherroepelijk” betekent hier dat tegen de aanwijzing geen beroep (of bezwaar) is ingesteld of dat het is afgewezen.

De ambitie is om het gemeentelijk register ook uit te breiden met onroerend cultureel erfgoed dat via het ruimtelijke spoor wordt geborgd, waaronder de karakteristieke panden.

Dit artikel bepaalt dat voor het schrappen uit het register van een aanwijzing als gemeentelijk monument dezelfde procedure geldt als bij de aanwijzing daarvan. Voorts is hierin bepaald dat de aanwijzing als gemeentelijk monument vervalt zodra een monument is opgenomen in het rijksmonumentenregister of in een provinciaal erfgoedregister.

Lid 13, lid 14 en lid 15

Dit artikel biedt burgemeester en wethouders de mogelijkheid om in spoedeisende gevallen een monument of archeologisch monument als gemeentelijk monument aan te wijzen. In dat geval wordt de monumentencommissie zoals bedoeld in artikel 1.3, lid 1, onder a pas ingeschakeld na de voorlopige aanwijzing. De bescherming, geldt echter vanaf het moment dat belanghebbenden schriftelijk in kennis zijn gesteld van de voorlopige aanwijzing. Een bezwaarschrift heeft dus geen opschortende werking en daarmee kan de de voorlopige aanwijzing dus niet eenvoudig omzeild worden. Als de aanwijzing definitief wordt door de opname in het erfgoedregister loopt deze bescherming door. Als er uiteindelijk geen opname in het erfgoedregister plaatsvindt vervalt de bescherming.

VVVVVVVVVVVV

Sectie '' wordt geplaatst na sectie ' Aanwijzen objecten met cultuurhistorische of landschappelijke waarde '. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

WWWWWWWWWWWW

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 8.98.10 Specifieke beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij nog in procedure zijnde bestemmingsplannen 

XXXXXXXXXXXX

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 8.108.11 Intrekken omgevingsvergunning

YYYYYYYYYYYY

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 8.118.12 Melding omgevingsplan

ZZZZZZZZZZZZ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.8 Zonnevelden

Het verbod voor zelfstandige opstellingen van zonnepanelen anders dan beschreven in artikel 4.44 is opgenomen op basis van de instructieregels van de provincie Overijssel (artikel 4.106 van de omgevingsverordening provincie Overijssel 2024) en het gemeentelijk beleid rondom veldopstellingen van zonnepanelen.

AAAAAAAAAAAAA

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 10.1 lid 2

Toelichting

Tweede lid, onderdeel a

Het tweede lid bevat een voorrangbepaling voor vergunningvoorschriften in een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit, die met toepassing van het recht zoals dat gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, is verleend. Het gaat hierbij om een vergunningplichtige milieubelastende activiteit die in hoofdstuk 3 van het Bal is aangewezen en waarbij deze vergunningvoorschriften bevat voor een onderwerp dat naar het omgevingsplan is verschoven. Op grond van het overgangsrecht van artikel 4.13, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijven deze vergunningvoorschriften gelden. De vergunningvoorschriften gelden naast het omgevingsplan. De strengste regel is dan bepalend. Ten tijde van de vergunningverlening zijn juist bewust strengere of soepeler voorschriften gesteld, afgestemd op de locatie. De regels van de hoofdstukken over milieubelastende activiteiten dit omgevingsplan zijn niet van toepassing, voor zover zo’n vergunningvoorschrift geldt. De uitdrukking «voor zover» betekent «in de mate dat». Dat houdt in dat alleen die voorschriften uit de hoofdstukken over milieubelastende activiteiten  van dit omgevingsplan buiten toepassing blijven waarvoor voorschriften in de omgevingsvergunning zijn gesteld. Als bijvoorbeeld de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit voor geluid alleen voorschriften met waarden bevat, dan blijft artikel 6.19 van dit omgevingsplan met geluidwaarden voor geluidgevoelige gebouwen buiten toepassing. Maar artikel 6.16 van dit omgevingsplan, dat bepaalt wanneer een akoestisch onderzoek gedaan moet worden, is wel van toepassing.

Deze voorrangsbepaling kan relevant zijn voor de volgende onderdelen van de hoofdstukken over milieubelastende activiteiten van dit omgevingsplan:

Hoofdstuk 2  Afval

Hoofdstuk 6 Geluid

Hoofdstuk 16 Trillingen

Paragraaf 18.2.3 Lozen bij maken van betonmortel

Paragraaf 18.2.18 Uitwassen van beton

Paragraaf 18.2.13 Ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal

Paragraaf 3.3.1.1  In werking hebben van een acculader

Dit omgevingsplan voorziet niet in een voorrangsbepaling voor bestaande vergunningvoorschriften of maatwerkvoorschriften op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer die op grond van het algemene overgangsrecht maatwerkvoorschriften zijn geworden en die afwijken van of een nadere invulling geven aan de omgevingsplanregels in dit omgevingsplan. Uit de wetssystematiek volgt al dat een maatwerkvoorschrift voorrang heeft op een algemene bepaling.

Tweede lid, onderdeel b, sub 1 tot en met 7

De onderdelen a tot en met f van het tweede lid sluiten bepaalde milieubelastende activiteiten uit van het algemene toepassingsbereik van deze afdeling. 

Op grond van artikel 22.2, eerste lid, van de Omgevingswet mogen de omgevingsplanregels van rijkswege alleen gaan over regels die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet bij of krachtens de wet waren gesteld of daaraan gelijkwaardige regels. Het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de voormalige Wet geurhinder en veehouderij waren alleen van toepassing op inrichtingen als bedoeld in artikel 1, derde lid, van de Wet milieubeheer. Omdat het begrip milieubelastende activiteit in de Omgevingswet breder is dan dat begrip inrichting, is in dit lid een afbakening van het toepassingsbereik opgenomen.

Bij de overgang naar een nieuwe wetsystematiek en begrippenkader is het niet te voorkomen dat er enkele verschuivingen in de uitvoering van de regelgeving optreden. Aanmerkelijke verschuivingen in het toepassingsbereik zijn niet beoogd. Desondanks zullen er op kleine schaal wel enige verschuivingen optreden, omdat de oude criteria van het begrip inrichting niet één op één zijn overgenomen. De omschrijving van het toepassingsbereik in dit artikel vraagt enige mate van interpretatie. Ook de criteria van het begrip inrichting uit de Wet milieubeheer vroegen om interpretatie, en werden door verschillende bevoegde instanties enigszins verschillend geïnterpreteerd.

Bij de interpretatie van het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, is het raadzaam om aan te sluiten bij de praktijk van de voormalige regelgeving. Als een activiteit als Wet milieubeheer-inrichting werd beschouwd, kan deze ook onder de regels voor milieubelastende activiteiten van deze afdeling vallen.

Een beperkte verschuiving is op zich niet bezwaarlijk, als dit er niet toe leidt dat:

  • a) activiteiten die eerst niet onder rijksregels vielen door de regels van deze afdeling van dit omgevingsplan worden beperkt;

  • b) activiteiten die wel onder de regels vielen en reële risico’s voor de fysieke leefomgeving inhouden ongeregeld blijven.

Situaties als bedoeld onder a zullen niet snel voorkomen. Juist aan de «onderkant» van het inrichtingenbegrip golden er naast de regels van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer ook andere regels die ervoor zorgen dat ook activiteiten die geen inrichting waren toch aan regels ter bescherming van de leefomgeving waren gebonden. Denk bijvoorbeeld aan de regels van de Algemene Plaatselijke Verordening, maar ook het restrisico-artikel van het Bouwbesluit 2012 (artikel 7.22). Deze regels van de Algemene Plaatselijke Verordening blijven op het moment van de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van het algemeen overgangsrecht (artikel 22.4 van de Omgevingswet bepaalt namelijk dat artikel 122 van de Gemeentewet tijdelijk niet van toepassing is) gelden. Het restrisico-artikel van het Bouwbesluit 2012 is ook opgenomen als regel van rijkswege in het omgevingsplan. Bovendien zijn de regels van deze afdeling voor activiteiten waarop ze van toepassing zouden worden zelden feitelijk beperkend, omdat bij het op gebruikelijke wijze uitvoeren van de activiteit aan de regels wordt voldaan.

Ook voor situaties als bedoeld onder b hoeft in zijn algemeenheid niet te worden gevreesd. Veelal gold voor de activiteiten aan de onderkant van het inrichtingenbegrip naast de zorgplicht van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 2.1) alleen een beperkt aantal regels, zoals de geluidregels. Een eventuele overtreding van de zorgplicht van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer zal in veel gevallen ook als overtreding van de algemene zorgplicht van de Omgevingswet kunnen worden aangemerkt. En omdat de rijksregels niet gelden, zal ook de Algemene Plaatselijke Verordening veelal een deel van de bescherming overnemen.

Het algemene overgangsrecht in artikel 22.4 van de Omgevingswet en de mogelijkheden voor maatwerk op grond van deze afdeling zullen eventuele nadelige gevolgen van de beperkte verschuivingen voldoende ondervangen.

Bij het voorbereiden van deze afdeling zijn al verschillende mogelijke verschuivingen in het toepassingsbereik geïdentificeerd. Belangrijke aandachtspunten worden hieronder benoemd.

De onderdelen in dit tweede lid beogen de criteria «een omvang alsof zij bedrijfsmatig is», «binnen een zekere begrenzing» en «pleegt te worden verricht» binnen de omschrijving van het begrip inrichting in de Wet milieubeheer te vervangen. De categorieën uit bijlage I bij het Besluit omgevingsrecht zijn niet overgenomen. Sommige ondergrenzen in die categorieën kunnen eventueel terugkomen in het toepassingsbereik van de paragrafen in deze afdeling.

Kleine winkels waar geen installaties met meer dan 1,5 kW elektromotorisch vermogen aanwezig zijn, waren bijvoorbeeld meestal geen Wet milieubeheer-inrichting, maar vallen nu wel onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling in het omgevingsplan. Alhoewel er geen specifieke voorschriften voor gelden, moeten deze activiteiten wel voldoen aan de specifieke zorgplicht.

Tweede lid, onderdeel b, sub 1

De omgevingsplanregels van rijkswege voor de milieubelastende activiteit zijn alleen van toepassing op milieubelastende activiteiten, anders dan wonen. Hiermee wordt aangesloten op het toepassingsbereik voor de instructieregels voor geluid, trillingen en geur in het Bkl.

Als een hobby een bepaalde omvang overstijgt kan dit ertoe leiden dat het verrichten van een activiteit niet meer onder wonen valt. Denk hierbij aan het in een bepaalde omvang houden van dieren, sleutelen aan auto’s, meubels maken of bereiden van voedingsmiddelen. Waar de grens ligt, is een grijs gebied. Hetzelfde geldt voor bedrijven aan huis. De gemeente mag hier ook zelf invulling aan geven in het omgevingsplan. Overigens was bij de toetsing of er sprake was van een Wet milieubeheer-inrichting het criterium «een omvang alsof zij bedrijfsmatig is» ook altijd een grijs gebied.

Een ander bekend voorbeeld van onduidelijkheid over de vraag of een activiteit een Wet milieubeheer-inrichting was, is het opslaan van huisbrandolie of propaan in tanks bij particulieren. Onder het regime van de Omgevingswet wordt dit afgedekt door het Bal.

Tweede lid, onderdeel b, sub 2

Het feitelijk verrichten van bouw- en sloopactiviteiten of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein, vallen niet onder deze afdeling. Ook in het Bbl zijn eisen opgenomen voor zowel geluid als trillingen bij bouw- en sloopactiviteiten. Het Bbl bevat voor het verrichten van die activiteiten ook een specifieke zorgplicht. Verder bevat de Algemene Plaatselijke Verordening vaak regels ter voorkoming van hinder door bouw- en sloopgerelateerde activiteiten. Het algemene overgangsrecht van de Omgevingswet in artikel 22.4 van de Omgevingswet zorgt ervoor dat deze regels van de Algemene Plaatselijke Verordening bij de inwerkingtreding van de wet blijven gelden. Naast deze regels bevat afdeling 17.2 van dit omgevingsplan een specifieke zorgplicht voor het gebruik van een bouwwerk (artikel 17.2717.28). Het is dus niet zo dat er, door de uitzondering in dit onderdeel, voor deze activiteiten geen regels gelden.

Onder het regime van de Wet milieubeheer gebeurde het in bijzondere gevallen wel dat bouwwerkzaamheden die langer duurden dan zes maanden, als een Wet milieubeheer-inrichting werden gezien. Deze activiteiten vallen buiten het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, maar ook daarvoor geldt dat de hiervoor genoemde regels van toepassing zijn.

Tweede lid, onderdeel b, sub 3

Deze uitzondering beoogt de activiteiten die in de openbare buitenruimte plaatsvinden uit te sluiten. Voorbeelden zijn kermissen en andere evenementen, weekmarkten, mobiele installaties/activiteiten zoals draaiorgels, ophalen van vuilnis en gevelreiniging (met uitzondering van lozen). Het voor korte periode bezetten van een stukje openbaar toegankelijk terrein, maakt het daarmee niet ontoegankelijk. Activiteiten in een openbaar toegankelijk gebouw, zoals een publieke parkeergarage of het stadhuis, vallen wel onder het toepassingsbereik. Ook het laden en lossen op de openbare weg in de onmiddellijke nabijheid van een winkel, of het verkeer van en naar het bedrijf valt wel onder het toepassingsbereik van deze afdeling.

Voor enkele activiteiten zoals het exploiteren van een mobiele vis-, friet-, oliebollen- of marktkraam of het exploiteren van een terras, was het afhankelijk van de situatie en de interpretatie van het bevoegd gezag of ze gezien werden als een Wet milieubeheer-inrichting. Deze interpretatieverschillen kunnen zich ook nu weer voordoen. Zoals al aangegeven in de inleiding van de toelichting op dit artikel is er in principe geen verschuiving in het toepassingsbereik van deze afdeling in het omgevingsplan ten opzichte van het oude begrip Wet milieubeheer-inrichting beoogd.

Tweede lid, onderdeel b, sub 4

Doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen valt niet onder deze afdeling van dit omgevingsplan.

Tweede lid, onderdeel b, sub 5

Dit onderdeel sluit evenementen, waarover geluidregels zijn gesteld in bijvoorbeeld de Algemene Plaatselijke Verordening of een evenementenverordening uit van het toepassingsbereik van deze afdeling over milieubelastende activiteiten. Deels gebeurt dit al met onderdeel c, omdat evenementen vaak plaatsvinden in de openbare buitenruimte. Maar regelmatig zijn evenementen ook besloten of vinden ze plaats in een tijdelijk leegstaand gebouw. Deze uitzondering geldt niet voor activiteiten waarvoor geen geluidregels gelden bij of krachtens een gemeentelijke verordening, maar waarvoor geluidregels waren opgenomen in een omgevingsvergunning voor een inrichting op grond van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Voorbeelden hiervan kunnen zijn permanente evenemententerreinen of evenementenhallen.

Tweede lid, onderdeel b, sub 6

Deze uitzondering beoogt vooral het gebruik van landbouwvoertuigen op weilanden en akkers uit te sluiten van het algemene toepassingsbereik voor deze afdeling. De opslag van vaste mest op een weiland of akker valt wel onder dit algemene toepassingsbereik. Een installatie die verplaatsbaar is maar gedurende een langere periode achtereen op een weiland of akkers wordt gebruikt, wordt niet gezien als mobiele installatie en valt ook onder de regels voor de milieubelastende activiteiten in dit omgevingsplan. Bijvoorbeeld een antihagelkanon. Ook verplaatsbare mijnbouwwerken vallen onder het toepassingsbereik van deze afdeling.

Tweede lid, onderdeel b, sub 7

Vaste objecten zoals bruggen, sluizen en tunnels kunnen door de aanwezigheid van elektromotorisch vermogen gezien worden als milieubelastende activiteiten. Bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen vallen niet onder het toepassingsbereik van dit omgevingsplan.

Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet bleven elektromotoren van bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen buiten beschouwing bij het bepalen of sprake was van een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Dit was bepaald in categorie 1, 1.2, onder c, van bijlage I, onderdeel C, bij het Besluit omgevingsrecht, zoals dat gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

BBBBBBBBBBBBB

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 11.3 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel is voormalig artikel 22.4 (lid 1 onder a en lid 2 onder a) en artikel 22.45 (lid 1 onder b lid 2 onder b) van de bruidsschat.

Toelichting

In dit artikel wordt de mogelijkheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften opengesteld voor diverse artikelen in het omgevingsplan. Aangezien alle onderwerpen in deze afdeling van landelijke regelgeving zijn overgeheveld naar de gemeente is het onnodig om de maatwerkmogelijkheid te clausuleren. Voorheen bevatten verschillende artikelen van het Bouwbesluit 2012 een uitdrukkelijke mogelijkheid voor het bevoegd gezag om anders te besluiten dan opgenomen in de in het betrokken artikel opgenomen eis. In deze afdeling wordt die mogelijkheid niet voor afzonderlijke artikelen opgenomen, aangezien maatwerk met dit artikel breed openstaat. Het bevoegd gezag kan dus altijd bepalen of in het concrete geval met een gemotiveerd maatwerkvoorschrift kan worden gewerkt. Een uitzondering op het niet meer specifiek benoemen van afwijkmogelijkheden in het artikel zelf is artikel 17.1417.15 over de aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater. De voorheen in het Bouwbesluit opgenomen mogelijkheid voor het bevoegd gezag om aanwijzingen te geven is voor de duidelijkheid van bevoegd gezag en de gebruiker wel in dit artikel overgenomen. Het is op basis van de brede bevoegdheid om maatwerk te stellen op grond van artikel 11.3 echter ook mogelijk dat het maatwerkvoorschrift in een concreet geval anders moet komen te luiden.

De beperkingen die het Activiteitenbesluit milieubeheer stelde aan de mogelijkheden voor maatwerkvoorschriften, zijn daarbij niet overgenomen. Dit sluit aan bij de systematiek van het Bal. Het is niet logisch om beperkingen op te leggen aan het stellen van maatwerkvoorschriften, omdat die beperkingen altijd omzeild kunnen worden via een buitenplanse omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Met een maatwerkvoorschrift mag er niet toe leiden dat een specifieke zorgplicht buiten werking wordt gesteld, zoals opgenomen in artikel 17.4317.46. Daarmee zou namelijk buiten de oogmerken van deze afdeling worden getreden. Wel mag er met maatwerkvoorschriften invulling gegeven worden aan de specifieke zorgplichten van deze afdeling.

Maatwerk houdt altijd rekening met de oogmerken uit artikel 11.2 en mag daar niet mee in strijd zijn.

Bij het stellen van een maatwerkvoorschrift volgt het bevoegd gezag de instructieregels van het Bkl. Voorbeeld: Dit omgevingsplan bepaalt voor verschillende situaties dat onversterkt stemgeluid niet meegenomen wordt in de beoordeling van de toelaatbare geluidwaarde. Een gemeente kan niet zomaar voorschrijven dat onversterkt stemgeluid toch meegenomen wordt bij de beoordeling van de geluidwaarde. Het Bkl stelt namelijk in artikel 5.73 (uitzonderingen geluidbronnen) dat dit in de meeste gevallen niet kan.

Overzicht transponering mogelijkheid maatwerkvoorschriften

Nummering bruidsschat

Titel bruidsschat

Nieuwe nummering omgevingsplan

Afdeling 22.2

Activiteiten met betrekking tot bouwwerken, open erven en terreinen 

Afdeling 4.2 en 17.2 met uitzondering van reken- en meetbepalingen

Artikel 22.44

Specifieke zorgplicht

artikel 17.43

Artikel 22.49

Informeren bij een ongewoon voorval

artikel 8.5

Artikel 22.50

Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval

artikel 8.5

Paragraaf 22.3.2 tot en met 22.3.26

Milieubelastende activiteiten

Hoofdstuk 2, afdeling 3.3, afdeling 5.3, hoofdstuk 6, hoofdstuk 10, hoofdstuk 16, afdeling 17.4 en afdeling 18.2, afdeling 18.3 en paragraaf 18.4.1

 
Overzicht transponering mogelijkheid maatwerkvoorschriften

Nummering bruidsschat

Titel bruidsschat

Nieuwe nummering omgevingsplan

Afdeling 22.2

Activiteiten met betrekking tot bouwwerken, open erven en terreinen 

Afdeling 4.2 en 17.2 met uitzondering van reken- en meetbepalingen

Artikel 22.44

Specifieke zorgplicht

artikel 17.46

Artikel 22.49

Informeren bij een ongewoon voorval

artikel 8.5

Artikel 22.50

Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval

artikel 8.5

Paragraaf 22.3.2 tot en met 22.3.26

Milieubelastende activiteiten

Hoofdstuk 2, afdeling 3.3, afdeling 5.3, hoofdstuk 6, hoofdstuk 10, hoofdstuk 16, afdeling 17.4 en afdeling 18.2, afdeling 18.3 en paragraaf 18.4.1

CCCCCCCCCCCCC

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 13.313.4 Toepassingsbereik

Dit is gebaseerd op  voormalig bruidsschat artikel 22.2 lid 1. Het oorspronkelijke lid 2 is niet overgenomen omdat in dit omgevingsplan de bestaande (archeologische) monumenten een aanduiding hebben gekregen 13.1. Het artikel is tekstueel aangepast. Het artikel regelt dat eerder aangewezen monumenten of monumenten waarvoor de aanwijzing nog loopt ook onder het regime van het omgevingsplan vallen. Die laatste categorie wordt ook wel 'voorbeschermde' monumenten genoemd.

Toelichting

Bijlage I bij het Bbl bevat de begrippen «gemeentelijk monument» en «voorbeschermd gemeentelijk monument». Deze begrippen gelden op grond van 1.1 van dit omgevingsplan ook voor dit plan. Deze begrippen worden gebruikt in de artikelen 13.513.6 tot en met 13.913.10.

De begripsomschrijvingen van bovengenoemde begrippen zijn toegesneden op de wijze waarop de bescherming van monumenten en archeologische monumenten op gemeentelijk niveau via het toekennen van een beschermde status en daardoor het van toepassing worden van bepaalde regels onder het nieuwe recht van de Omgevingswet vorm krijgt. Dit gebeurt door aan het monument of archeologisch monument in dit omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven en, als het gaat om een voorbeschermd monument of archeologisch monument, door het voor de locatie van het monument of archeologisch monument toevoegen van een voorbeschermingsregel aan dit omgevingsplan via een voorbereidingsbesluit vanwege het voornemen om aan dat monument of archeologisch monument in dit omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven.

Daarmee zouden buiten de reikwijdte van bovengenoemde begrippen vallen monumenten en archeologische monumenten op gemeentelijk niveau die onder het voor de Omgevingswet geldende recht als gemeentelijk monument of archeologisch monument zijn aangewezen op grond van een gemeentelijke verordening of een voorbeschermde status hebben verkregen op grond van een zodanige verordening, en waaraan nog niet direct bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet in dit omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of waarvoor op dat moment in het omgevingsplan nog geen voorbeschermingsregel is opgenomen. In de praktijk werden onder het voormalige recht onder de begrippen «gemeentelijk monument» en «voorbeschermd gemeentelijk monument» dergelijke monumenten en archeologische monumenten verstaan (hierna samen te noemen: gemeentelijke monumenten «oude stijl»).

Dit gevolg, dat niet is beoogd, kan zich voordoen tot het bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip waarop gemeenten over een omgevingsplan moeten beschikken dat voldoet aan alle eisen van de Omgevingswet. Uiteraard moeten de hier bedoelde gemeentelijke monumenten «oude stijl» gedurende deze overgangsfase wel adequaat worden beschermd. Dit is het geval zolang deze in dit omgevingsplan nog niet zijn voorzien van de functie-aanduiding gemeentelijk monument in het omgevingsplan of, voor zover het gaat om voorbeschermde monumenten of archeologische monumenten, ter zake een voorbeschermingsregel in dit omgevingsplan is opgenomen. Daarbij wordt er voor zover het gaat om voorbeschermde monumenten en archeologische monumenten op gewezen dat die onder de Omgevingswet niet per se eerst via een door een voorbereidingsbesluit toe te voegen voorbeschermingsregel aan het omgevingsplan hoeven te worden omgezet naar een voorbeschermd gemeentelijk monument in de zin van de begripsomschrijving uit bijlage I bij het Bbl. Afhankelijk van het tijdsverloop van de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening en van de procedure om tot vaststelling van een nieuw omgevingsplan te komen, kan er voor deze voorbeschermde monumenten en archeologische monumenten ook voor worden gekozen om deze direct, dus zonder hiervoor eerst een voorbeschermingsregel aan het omgevingsplan toe te voegen, in het nieuwe deel van het omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven. Dit zal zich met name voordoen als de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening gedurende hetzelfde tijdvak gaande is als de procedure tot vaststelling van het omgevingsplan. In dat geval kan het zo zijn dat die procedure tot aanwijzing voldoende voorziet in de benodigde voorbescherming en hoeft die voorbescherming niet afzonderlijk met voorbeschermingsregels in het omgevingsplan te worden gecreëerd.

Voor zover het gaat om de continuering van de gelding van de gemeentelijke verordeningen zelf en een eventueel daarin opgenomen vergunningplicht wordt in de bescherming van de hier bedoelde gemeentelijke monumenten «oude stijl» al voorzien door de artikelen 22.4 en 22.8 van de Omgevingswet, zoals die artikelen bij de Invoeringswet Omgevingswet worden toegevoegd. Maar voor een adequate bescherming van deze gemeentelijke monumenten «oude stijl» is ook vereist dat de onderdelen van de artikelen XXXXXX die betrekking hebben op gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten in overeenstemming met de daarvoor geldende begripsomschrijvingen, ook op deze gemeentelijke monumenten «oude stijl» van toepassing zijn. Artikel 13.313.4 van dit omgevingsplan voorziet hierin. Daarbij is het uiteraard zo dat als bij voorbeschermde monumenten en archeologische monumenten de uitkomst van de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening is dat wordt afgezien van de aanwijzing, op dat moment de voorbescherming vervalt en niet langer sprake is van een «monument of archeologisch monument waarop die verordening van overeenkomstige toepassing is» als bedoeld in artikel 13.313.4. Het van toepassing zijn van dit artikel op de hier bedoelde gemeentelijke monumenten «oude stijl» kan dus niet alleen worden beëindigd doordat gedurende de overgangsfase daaraan in het omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument wordt gegeven of ter zake in het omgevingsplan een voorbeschermingsregel wordt opgenomen (de situaties beschreven in artikel 13.313.4), waardoor de desbetreffende monumenten en archeologische monumenten rechtstreeks onder de begrippen gemeentelijk monument en voorbeschermd gemeentelijk monument komen te vallen, maar ook doordat de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening uiteindelijk niet tot een aanwijzing leidt.

DDDDDDDDDDDDD

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 13.513.6 Gegevens omgevingsplanactiviteit: gemeentelijk monument algemeen

EEEEEEEEEEEEE

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

FFFFFFFFFFFFF

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

GGGGGGGGGGGGG

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 13.613.7 Gegevens omgevingsplanactiviteit: gemeentelijk monument voor zover het gaat om een (voorbeschermd) archeologisch monument

Sub a tot en met h zijn voormalig bruidsschat artikel 22.288. Het oorspronkelijke eerste en tweede lid zijn samengevoegd tot één opsomming, 

Sub i is voormalig bruidsschat artikel 22.289. 

Toelichting

In dit artikel staan de specifieke aanvraagvereisten voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument die een archeologisch monument betreft. Een archeologisch monument is in de Erfgoedwet gedefinieerd als een terrein dat deel uitmaakt van cultureel erfgoed vanwege de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen. Dit artikel is van toepassing als de aanvraag een gemeentelijk monument betreft dat een archeologisch monument is, en kan in bepaalde gevallen van toepassing zijn als deze een archeologisch monument betreft dat geen zelfstandig gemeentelijk monument is, maar zich ter plaatse van een gebouwd of aangelegd gemeentelijk monument bevindt. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de resten van een voorganger van een als gemeentelijk monument beschermde kerk die zich daar nog onder bevinden, of aan het bodemarchief onder een slotgracht of kasteeltuin. Als voor die locatie nog geen afweging over de archeologische monumentenzorg heeft plaatsgevonden in het kader van besluitvorming over het toedelen van functies aan locaties, kunnen de archeologische belangen worden meegewogen bij de besluitvorming over de omgevingsvergunning voor een (bodemverstorende) activiteit die een gebouwd of aangelegd gemeentelijk monument betreft. Er kunnen in dat geval aan de omgevingsvergunning in het belang van de archeologische monumentenzorg ook vergunningvoorschriften worden verbonden voor het in situ- of ex situ-behoud van het zich daaronder bevindende archeologisch monument (zie verder de artikel 13.1213.13).

In de meeste gevallen zal het bij een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in dit artikel gaan om het op een of meer plaatsen verstoren van de bodem, maar het kan bij zichtbare archeologische monumenten, zoals terpen/wierden, kasteelterreinen, hunebedden, grafheuvels en scheepswrakken, bijvoorbeeld ook gaan om ontsiering of beschadiging van het zichtbare deel van het archeologisch monument.

Veel voorkomende activiteiten die betrekking hebben op een archeologisch monument, zijn:

  • bouw-, sloop-, inrichtings- en graafwerkzaamheden,

  • de aanleg of het onderhoud van infrastructurele werken zoals (spoor)wegen, rioleringen, kabels en leidingen.

Ook kan het gaan om:

  • het aanbrengen van verhardingen in de openbare ruimte,

  • het aanleggen of dempen van waterlopen en het aanleggen van vaargeulen,

  • het aanplanten en verwijderen van (diepwortelende) bomen en struiken,

  • het ophogen, verlagen of egaliseren van het maaiveld,

  • het wijzigen van het grondwaterpeil,

  • het winnen van grondstoffen,

  • agrarische grondwerkzaamheden, en

  • activiteiten die tot doel hebben de fysieke staat van het archeologisch monument te consolideren of te restaureren.

In dit artikel is geregeld welke gegevens en bescheiden nodig zijn om de exacte locatie(s) te bepalen waar en tot welke diepte het archeologisch monument door de voorgenomen activiteit zal worden verstoord, en op welke wijze.

Onderdeel a en c

In onderdeel a moet de aard van de activiteit worden omschreven.

Als het maaiveldniveau, bedoeld in de onderdelen a en c en elders in dit artikel, niet of lastig is vast te stellen, zoals het geval is binnen een bouwwerk, kan hiervoor het niveau van de bovenkant van de afgewerkte begane grondvloer worden aangehouden.

Onderdeel b

Voor de topografische kaart, bedoeld in onderdeel b, kan gebruik worden gemaakt van de Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT) en voor locaties op zee van de officiële zeekaarten van de Dienst der Hydrografie. De BGT-kaart is een digitale topografische kaart met een schaal variërend van 1:500 – 1:5000 en bevat topografische objecten, zoals gebouwen, wegen, spoorwegen, waterlopen, parken en bossen. Via de Landelijke Voorziening BGT-informatie kan eenieder vrij de beschikbare BGT-informatie opvragen en downloaden.

Met de coördinatenparen in dit onderdeel wordt gedoeld op het coördinatensysteem van de Rijksdriehoeksmeting en, voor locaties op zee, het Europees Terrestrisch Referentiesysteem 1989 (ETRS89). Er zijn minimaal twee coördinatenparen nodig, zodat daaruit de schaal van de tekening kan worden herleid.

Onderdeel d

Met een programma van eisen als bedoeld in onderdeel d kan het bevoegd gezag specifieke eisen aan een archeologische opgraving stellen, gericht op een professionele uitvoering van de archeologische opgraving als bedoeld in de Erfgoedwet. In een programma van eisen worden de onderzoeksvragen en onderzoeksmethoden beschreven en beargumenteerd. Die zijn gebaseerd op de archeologische verwachting uit het aan het veldonderzoek voorafgaande (bureau)onderzoek.

Onderdeel e

Bij booronderzoek als bedoeld in onderdeel e kan in plaats van met een programma van eisen worden volstaan met een (minder uitvoerig) plan van aanpak. Zie verder de toelichting bij onderdeel d.

Onderdeel f

In onderdeel f is geregeld dat als sprake is van een zichtbaar archeologisch monument zoals een terp/wierde of een grafheuvel, de aanvrager gevraagd kan worden aan de hand van foto’s inzichtelijk te maken wat de huidige situatie is en tekeningen te overleggen waaruit blijkt hoe het archeologisch monument eruit zal zien na realisatie van het voorgenomen plan. Behalve het bouwen van bouwwerken kan het ook andere ingrepen betreffen, zoals terreinverhardingen, het graven of dempen van sloten of het planten van bomen. Het gaat er bij dit aanvraagvereiste om de gevolgen van de voorgenomen activiteit voor de zichtbaarheid en de belevingswaarde van het archeologisch monument inzichtelijk te maken.

Eerste lid, onderdeel g

Het aanvraagvereiste in onderdeel g – funderingstekeningen – betreft dat deel van de bouwwerkzaamheden dat in de bodem plaatsvindt. Het bovengrondse deel van het bouwplan is voor de impact op archeologie in de bodem niet relevant.

Eerste lid, onderdeel h

Het eerste lid onder h bevat aanvraagvereisten die niet altijd nodig zijn voor de beoordeling van de gevolgen van de voorgenomen activiteit voor het archeologisch monument. Tijdens het vooroverleg kan het bevoegd gezag aangeven welke aanvraagvereisten in het concrete geval van toepassing zijn. Ook kan het bevoegd gezag die gegevens opvragen naar aanleiding van een ingediende aanvraag, voor de beoordeling waarvan deze gegevens en bescheiden ook nodig blijken.

Onderdeel h sub 1

Onderdeel h sub 1 betreft een volgens de normen van de archeologische beroepsgroep opgesteld rapport van een archeologisch vooronderzoek, waarin de archeologische waarde van het archeologisch monument op de locatie(s) van de voorgenomen activiteit nader is vastgesteld. Het bevoegd gezag moet op basis hiervan voldoende inzicht krijgen in de exacte impact van de activiteit op de archeologische waarde van het archeologisch monument. In die gevallen dat de archeologische waarde eerder al voldoende is vastgesteld, zal dit aanvraagvereiste niet nodig zijn.

Onderdeel h sub 2

Het rapport in sub 2 verschilt in die zin van een rapport als bedoeld in onderdeel a, dat uit dit rapport moet blijken wat de gevolgen van de activiteit zullen zijn voor het archeologisch monument, bijvoorbeeld een zettingsrapport (over het samendrukken van de grond door belasting). Een rapport als hier bedoeld is niet altijd nodig, maar vooral als het om specifieke informatie gaat die niet al blijkt uit de overige gegevens en bescheiden en het bevoegd gezag deze informatie zelf niet al heeft.

Onderdeel h sub 4

Met aanlegwerkzaamheden als bedoeld in onderdeel d worden alle werkzaamheden bedoeld die geen bouwactiviteit, sloopactiviteit of ontgrondingsactiviteit zijn en waarbij de bodem wordt geroerd, een werk wordt aangelegd of het terrein anders wordt ingericht. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het aanbrengen van terreinverhardingen, aan het graven of dempen van sloten, aan het planten van bomen, struiken of andere diepwortelende planten, of aan het (deels) ophogen van een terrein. Als deze aanvraagvereisten moeten worden aangeleverd in het kader van een aanvraag voor een omgevingsplanactiviteit of een ontgrondingsactiviteit, kunnen dezelfde bescheiden ook in dit kader worden ingediend. Deze aanvraagvereisten zijn niet nodig in geval van kleinschalige werkzaamheden die door de grondgebruiker of eigenaar zelf worden uitgevoerd. Het gaat bij deze aanvraagvereisten vooral om omvangrijkere werkzaamheden die door een aannemer worden uitgevoerd, zoals het verbreden of verdiepen van sloten, het uitbaggeren van grachten, het beschoeien van vaarwegen, sloten of grachten, het (gedeeltelijk) ophogen van het maaiveld, het graven van sleuven voor kabels, leidingen of riolering, of de aanleg van wegen, opritten of verhardingen (bestrating, parkeerplaatsen).

Onderdeel h sub 5

In onderdeel e is geregeld dat als de activiteit (ook) bestaat uit het geheel of gedeeltelijk afbreken van een bouwwerk het bevoegd gezag bestaande funderingstekeningen kan verlangen. Dit kan uiteraard niet als deze tekeningen verloren zijn gegaan of redelijkerwijs niet meer te achterhalen zijn.

Onderdeel h sub 6

Bij de sonaropnamen, bedoeld in onderdeel f, gaat het doorgaans om zogenoemde «multibeamopnamen». Deze hebben als doel om de topografische hoogte, de bathymetrie, van de zeebodem ter plekke te bepalen en dienen als nulmeting om de situatie voorafgaand aan de ingreep te kunnen vergelijken met die daarna

Onderdeel i

Dit artikel bevat de eisen aan tekeningen als bedoeld in dit artikel.

HHHHHHHHHHHHH

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 13.713.8 Gegevens omgevingsplanactiviteit: slopen van een gemeentelijk monument voor zover het gaat om een (voorbeschermd) monument of een karakteristiek bouwwerk

Sub a tot en met d zijn voormalig bruidsschat artikel 22.290. Het oorspronkelijke eerste en tweede lid zijn samengevoegd tot één opsomming. In dit lid is artikel 22.295 opgenomen waarmee voorbeschermde gemeentelijke monumenten ook onder het toepassingsbereik van dit artikel vallen.

Sub e is voormalig bruidsschat artikel 22.294. Het oorspronkelijke artikel is voorzien van een andere opsomming en is tekstueel iets anders opgebouwd om de leesbaarheid te vergroten.

Toelichting

Dit artikel bevat de aanvraagvereisten voor zover een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument bestaat uit het slopen van een monument. Onder slopen wordt verstaan het geheel of gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen, zie de begripsbepaling van slopen in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet. Het gaat hierbij dus niet alleen om het slopen van een monument of complete bouwdelen, maar ook over het slopen van kleinere onderdelen zoals muren, houtwerkconstructies, deuren en vensters, of interieurelementen.

De indieningsvereisten gelden ook voor het slopen van karakteristieke panden die op grond van artikel 8.78.8 zijn of worden aangewezen of reeds zijn aangewezen in het tijdelijk deel omgevingsplan. De vergunningplicht voor de omgevingsplanactiviteit voor deze bouwwerken is opgenomen in artikel 4.534.64.

Onderdeel a

De foto’s in onderdeel a moeten een duidelijke indruk geven van de technische staat en de ruimtelijke context van het monument of het te slopen onderdeel, zodat de noodzaak van de voorgenomen sloop voldoende wordt geïllustreerd. Het gaat er hierbij niet om dat het originele (digitale) foto’s moeten zijn, maar het mogen geen onduidelijke kopieën zijn.

Onderdeel b

Situatietekeningen als bedoeld in onderdeel b, onder 1, zijn nodig in geval van het gedeeltelijk afbreken van het monument waarbij de omvang van het monument wijzigt. Als de voorgenomen activiteit alleen bestaat uit inpandig slopen of als het monument geheel wordt gesloopt, geldt dit aanvraagvereiste dus niet.

Opnametekeningen als bedoeld in onderdeel b, onder 2, zijn tekeningen waarop de toestand van het monument voorafgaand aan de activiteit is weergeven. Afhankelijk van de aard, omvang en plaats van de voorgenomen sloop kan het gaan om plattegronden, doorsneden, gevelaanzichten en een dakaanzicht. Als alleen inpandige sloopwerkzaamheden plaatsvinden zullen die laatste twee soorten tekeningen niet nodig zijn.

Uit slooptekeningen als bedoeld in onderdeel b, onder 3, moet blijken welke materialen of onderdelen verwijderd worden. Dit moet de omvang en de exacte impact van de voorgenomen sloopwerkzaamheden op het monument inzichtelijk maken. De opnametekeningen kunnen hiervoor als basis worden gebruikt.

Onderdeel c

Een omschrijving van de aard van en de bestemming voor het door de sloop vrijkomende materiaal als bedoeld in onderdeel c is van belang omdat aan de omgevingsvergunning het voorschrift kan worden verbonden deze onderdelen te hergebruiken of voor hergebruik te bewaren, of ze in het belang van de monumentenzorg voor hergebruik elders beschikbaar te stellen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan historische dakpannen, een monumentale topgevel, gevelsteen of een monumentale schouw.

Onderdeel d

De rapporten, bedoeld in onderdeel d, kunnen nodig zijn om de monumentale waarde van het monument of de te slopen onderdelen (nader) te bepalen. Lang niet altijd zullen de actuele monumentale waarden al in voldoende mate in beeld zijn om de gevolgen van de voorgenomen sloopwerkzaamheden voor de aanwezige monumentale waarden te kunnen beoordelen.

Onderdeel d

Een rapport als bedoeld in onderdeel d kan nodig zijn als dit omgevingsplan voor de locatie van het gebouwde of aangelegde monument (nog) niet voorziet in een adequaat archeologisch regime en de activiteit leidt tot verstoring van de bodem. Zie verder de toelichting bij artikel 13.613.7.

Onderdeel d

Een beschrijving van de technische staat als bedoeld in onderdeel d is bijvoorbeeld nodig in geval van een voorgenomen sloop op grond van de technische staat van een monument of een onderdeel daarvan. Als deze beschrijving en de foto’s niet voor zich spreken, kan een nadere onderbouwing van de beschrijving in de vorm van een of meerdere technische rapporten nodig zijn (onderdeel d).

Onderdeel e

Dit artikel bevat de eisen aan tekeningen als bedoeld in de artikelen 13.713.8, 13.813.9 en 13.913.10. Daar waar er meerdere schalen genoemd zijn, moet een schaal worden gekozen die het onderdeel van het monument adequaat weergeeft. Bij detailtekeningen van stucwerk of ornamenteel stuc kan bijvoorbeeld een schaal van 1:1 gevraagd worden ter verificatie van het profiel. Maar deze schaal zal lang niet altijd nodig zijn om details voldoende duidelijk weer te geven. Het is aan de aanvrager om zijn aanvraag voldoende duidelijk te maken en aan het bevoegd gezag om te beoordelen of de ingediende bescheiden volstaan voor de beoordeling.

IIIIIIIIIIIII

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 13.813.9 Gegevens omgevingsplanactiviteit: verplaatsen van een (voorbeschermd) gemeentelijk monument 

Sub a tot en met d zijn voormalig bruidsschat artikel 22.291. Het oorspronkelijke eerste en tweede lid zijn samengevoegd tot één opsomming. In dit lid is artikel 22.295 opgenomen waarmee voorbeschermde gemeentelijke monumenten ook onder het toepassingsbereik van dit artikel vallen.

Sub e is voormalig bruidsschat artikel 22.294. Het oorspronkelijke artikel is voorzien van een andere opsomming en is tekstueel iets anders opgebouwd om de leesbaarheid te vergroten.

Toelichting

Dit artikel bevat de aanvraagvereisten voor zover een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument bestaat uit het gedeeltelijk of volledig verplaatsen van een monument. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een kerkorgel of een molen. Het bevoegd gezag zal rekening moeten houden met het beginsel uit het verdrag van Granada dat verplaatsing van monumenten of een onderdeel daarvan moet worden voorkomen, tenzij dit dringend vereist is voor het voortbestaan ervan. Gaat het bevoegd gezag in een concreet geval toch over tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor het verplaatsen van het monument, dan zal het gelet op artikel 5 van het verdrag van Granada3 voorschriften aan de vergunning verbinden over het treffen van voorzorgsmaatregelen voor het demonteren, het overbrengen en de herbouw van het monument op de nieuwe locatie. Gelet hierop moeten de gegevens en bescheiden voldoende inzicht geven in de reden en de noodzaak van de voorgenomen verplaatsing, in de huidige en de toekomstige ruimtelijke context van het monument, en in de beoogde wijze van demonteren, verplaatsen en herbouwen. De herbouw op een nieuwe, geschikte locatie mag dus niet onzeker zijn.

Eerste lid

De foto’s in onderdeel b moeten een duidelijke indruk geven van de technische staat van het monument (toestand) of het te verplaatsen onderdeel en van de ruimtelijke context van het monument (situatie) of het onderdeel in de huidige en in de nieuwe situatie en mogen daarom geen onduidelijke kopieën zijn.

Opnametekeningen als bedoeld in onderdeel c, onder 2, zijn tekeningen waarop de toestand van het monument voorafgaand aan de activiteit is weergeven. Bij verplaatsing van een gedeelte van een monument (zoals een kerkorgel) zullen minder tekeningen nodig zijn dan bij verplaatsing van het gehele monument.

Plantekeningen als bedoeld in onderdeel c, onder 3, zijn tekeningen waarop de nieuwe toestand van het monument (na de voorgenomen verplaatsing) is weergeven. Bij verplaatsing van een gedeelte van een monument zijn dit ook tekeningen van de nieuwe toestand van het monument waar het verplaatste gedeelte dan deel van uitmaakt. Zo zijn bij verplaatsing van een orgel van de ene kerk naar de andere kerk ook plantekeningen nodig van de toestand van die andere kerk nadat het orgel daarin is aangebracht.

Als het te verplaatsen monument een molen is, moet op grond van onderdeel e, ook inzicht worden gegeven in de molenbiotoop, zowel op de huidige als de nieuwe locatie. Met de molenbiotoop wordt hier de omgeving van de molen bedoeld, voor zover die van belang is voor de werking van de molen. Het gaat daarbij met name om de windvang (bij een windmolen) of de watertoe- en afvoer (bij een watermolen).

Een rapport als bedoeld in onderdeel f kan nodig zijn als dit omgevingsplan voor de locatie van het gebouwde of aangelegde monument of voor de nieuwe locatie (nog) niet voorziet in een adequaat archeologisch regime en de activiteit leidt tot verstoring van de bodem. Zie verder de toelichting bij artikel 13.613.7.

Aanvullende tekeningen als bedoeld in onderdeel f kunnen bijvoorbeeld nodig zijn als er sprake is van bijzondere detaillering (detailtekeningen) of om een beeld te krijgen van het (functioneren van het) monument op de nieuwe plek, bijvoorbeeld met impressietekeningen of 3D-visualisaties.

Het bevoegd gezag kan bij de beoordeling van vergunningaanvragen voor een rijksmonumentenactiviteit kwaliteitseisen hanteren, bijvoorbeeld door te verwijzen naar de uitvoeringsrichtlijnen die in de beroepsgroep(en) gelden. Bij de beoordeling van een aanvraag is het voor het bevoegd gezag van belang om te weten of de aanvrager het plan dat ten grondslag ligt aan de aanvraag hierop al heeft afgestemd of niet. Op grond van onderdeel f moet hij hier opgave van doen. Het gaat hier overigens niet om algemene uitvoeringsvoorschriften als bedoeld in het Bbl.

Eerste lid, onderdeel e

Dit artikel bevat de eisen aan tekeningen als bedoeld in de artikelen 13.713.813.813.9 en artikel 13.913.10. Daar waar er meerdere schalen genoemd zijn, moet een schaal worden gekozen die het onderdeel van het monument adequaat weergeeft. Bij detailtekeningen van stucwerk of ornamenteel stuc kan bijvoorbeeld een schaal van 1:1 gevraagd worden ter verificatie van het profiel. Maar deze schaal zal lang niet altijd nodig zijn om details voldoende duidelijk weer te geven. Het is aan de aanvrager om zijn aanvraag voldoende duidelijk te maken en aan het bevoegd gezag om te beoordelen of de ingediende bescheiden volstaan voor de beoordeling.

JJJJJJJJJJJJJ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 13.913.10 Gegevens omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument: wijzigen van een (voorbeschermd) monument door herstel ontsieren of in gevaar brengen

Sub a tot en met d zijn voormalig bruidsschat artikel 22.292. Het oorspronkelijke eerste en tweede lid zijn samengevoegd tot één opsomming. In dit lid is artikel 22.295 opgenomen waarmee voorbeschermde gemeentelijke monumenten ook onder het toepassingsbereik van dit artikel vallen.

Sub e is voormalig bruidsschat artikel 22.294. Het oorspronkelijke artikel is voorzien van een andere opsomming en is tekstueel iets anders opgebouwd om de leesbaarheid te vergroten.

Toelichting

Dit artikel omvat de meest voorkomende activiteiten. Onder het wijzigen van een monument vallen bijvoorbeeld het restaureren, reconstrueren, renoveren, verbouwen, uitbouwen, aanbouwen, of het bijvoorbeeld op een andere manier wijzigen van een gebouwd monument of een aangelegd (groen) monument. Denk hierbij ook aan het in een afwijkende kleur schilderen van een gevel of het hanteren van een ander verfsysteem.

Voorbeelden van het herstellen van een monument op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht, zijn het met golfplaten repareren van een rieten dak, of het reinigen of herstellen van een interieurschildering, of gevel, waarbij een onvoldoende deskundige uitvoering in potentie grote gevolgen kan hebben voor de technische staat en de monumentale waarde van het onderdeel (bij een gevel ook het patina).

Onderdeel a

De foto’s in onderdeel a moeten een duidelijke indruk geven van de technische staat en de ruimtelijke context van het monument, zodat de noodzaak van de voorgenomen activiteit voldoende wordt geïllustreerd. Het mogen daarom geen onduidelijke kopieën zijn.

Onderdeel b

Opnametekeningen als bedoeld in onderdeel b, onder 2, zijn tekeningen waarop de toestand van het monument voorafgaand aan de activiteit is weergeven. Welke soort tekeningen in een concreet geval nodig zijn, hangt af van de aard van de activiteit. In de regel zullen plattegronden en doorsnedetekeningen nodig zijn. Als de activiteit ook impact heeft op het exterieur of het aangezicht van het monument, zullen ook geveltekeningen en in voorkomend geval een dakaanzicht nodig zijn.

Gebrekentekeningen als bedoeld in onderdeel b, onder 3, zijn nodig als er gebreken worden hersteld. Het betreft feitelijk opnametekeningen waarop de te verhelpen gebreken adequaat zijn weergegeven.

Plantekeningen als bedoeld in onderdeel b, onder 4, zijn tekeningen waarop de nieuwe toestand van het monument (na afloop van de voorgenomen activiteit) is weergeven.

Als er in het kader van de activiteit ook materiaal wordt verwijderd, moeten er in een dergelijk geval ook enkele gegevens en bescheiden als bedoeld in artikel 13.713.8 (slopen) worden overgelegd. Zoals blijkt uit de begripsbepaling van slopen in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet wordt onder slopen ook verstaan het gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen. In de praktijk van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht bleek dat een aanvrager die zijn monument wil restaureren of verbouwen zich niet altijd realiseert dat het wegnemen van materialen ook onder slopen valt en noodzakelijke gegevens en bescheiden daardoor geregeld ontbraken. Daarom zijn de aanvraagvereisten uit artikel 13.713.8 (slopen) expliciet (en niet met een verwijzing) in dit artikel opgenomen. Op grond van onderdeel b, onder 5, moet de aanvrager in een dergelijk geval ook slooptekeningen overleggen, waaruit blijkt welke materialen of onderdelen verwijderd worden. De slooptekeningen moeten de exacte impact van de voorgenomen sloopwerkzaamheden op het monument inzichtelijk maken.

Onderdeel c

Op grond van onderdeel c moet in het bestek of in de werkomschrijving de sloopmethode en de aard van en bestemming voor het vrijkomend materiaal worden omschreven. Aan de omgevingsvergunning kan namelijk het voorschrift worden verbonden deze onderdelen te hergebruiken of voor hergebruik te bewaren, of ze in het belang van de monumentenzorg voor hergebruik elders beschikbaar te stellen.

Onderdeel d sub 2

Een rapport als bedoeld in onderdeel d sub 2 kan nodig zijn als dit omgevingsplan voor de locatie van het gebouwde of aangelegde monument (nog) niet voorziet in een adequaat archeologisch regime en de activiteit leidt tot verstoring van de bodem. Zie verder de toelichting bij artikel 13.613.7.

Onderdeel d sub 3 en 4

Een beschrijving van de technische staat als bedoeld in onderdeel c kan bijvoorbeeld nodig zijn in geval van het herstellen van technische gebreken. Als deze beschrijving en de foto’s niet voor zich spreken, kan een nadere onderbouwing van de beschrijving in de vorm van een of meerdere technische rapporten nodig zijn (onderdeel d). Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen bij een (complexe) restauratie.

Onderdeel d sub 5

Aanvullende tekeningen als bedoeld in onderdeel d sub 5 kunnen bijvoorbeeld nodig zijn als er sprake is van bijzondere detaillering (detailtekeningen) of om een beeld te krijgen van het (functioneren van het) monument na verrichting van de activiteit, bijvoorbeeld met impressietekeningen of 3D-visualisaties.

Onderdeel d sub 6

Het bevoegd gezag kan bij de beoordeling van vergunningaanvragen voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument kwaliteitseisen hanteren, bijvoorbeeld door te verwijzen naar de uitvoeringsrichtlijnen die in de beroepsgroep(en) gelden. Bij de beoordeling van een aanvraag is het voor het bevoegd gezag van belang om te weten of de aanvrager het plan dat ten grondslag ligt aan de aanvraag hierop al heeft afgestemd of niet. Op grond van onderdeel f moet hij hier opgave van doen. Het gaat hier overigens niet om algemene uitvoeringsvoorschriften als bedoeld in het Bbl.

Onderdeel d sub 7

Een beheervisie als bedoeld in onderdeel d sub 7 is een visie op het beheer van een groenaanleg, gebaseerd op een analyse en een waardering op grond van (cultuur)historisch onderzoek en inventarisaties van natuurwaarden, recreatieve en belevingswaarden, waterhuishouding en bodem, en wensen van belanghebbenden (eigenaar en gebruikers). De beheervisie maakt duidelijk welke keuzes zijn gemaakt voor het beheer en is richtinggevend voor een langere periode, bijvoorbeeld 12 tot 18 jaar, of langer. De visie kan ook worden weergegeven in streefbeelden.

Onderdeel e

Dit artikel bevat de eisen aan tekeningen als bedoeld in de artikelen 13.713.813.813.9 en artikel 13.913.10. Daar waar er meerdere schalen genoemd zijn, moet een schaal worden gekozen die het onderdeel van het monument adequaat weergeeft. Bij detailtekeningen van stucwerk of ornamenteel stuc kan bijvoorbeeld een schaal van 1:1 gevraagd worden ter verificatie van het profiel. Maar deze schaal zal lang niet altijd nodig zijn om details voldoende duidelijk weer te geven. Het is aan de aanvrager om zijn aanvraag voldoende duidelijk te maken en aan het bevoegd gezag om te beoordelen of de ingediende bescheiden volstaan voor de beoordeling.

KKKKKKKKKKKKK

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 13.1013.11 Beoordelingsregels omgevingsvergunning voor het verrichten van activiteiten in, aan of op een (voorbeschermd) gemeentelijk monument of archeologisch monument

Lid 1 is voormalig artikel 2.12 lid 1 van de Erfgoedverordening gemeente Rijssen-Holten 2018.

Lid 2 vormt de schakel tussen de vergunningplicht voor het slopen van bouwwerken zoals opgenomen in artikel 4.544.66 en de aanwijzing van nieuwe karakteristieke panden.

Lid 3 is voormalig artikel 2.12 lid 2 van de Erfgoedverordening gemeente Rijssen-Holten 2018. Dit artikel is tekstueel in overeenstemming gebracht met artikel 3.2a Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Er wordt daardoor onderscheid gemaakt in overleg bij wijzigingen die geen of beperkte invloed hebben op het belijden van de godsdienst of levensovertuiging of wijzigingen die daar wel wezenlijke invloed op hebben. Bij het eerste is overleg noodzakelijk, bij het laatste overeenstemming. Die nuancering ligt in lijn met de voormalige Rijksregels.

Lid 4 is voormalig artikel 2.10 lid 3 van de Erfgoedverordening gemeente Rijssen-Holten 2018.

Dit artikel is ook van toepassing op voorbeschermde monumenten.

Toelichting

Eerste en derde lid

In het eerste lid ligt op grond van de belangenafweging die moet worden gemaakt tevens besloten dat rekening wordt gehouden met het gebruik van het monument. In het tweede lid is voor wat betreft de vereiste overeenstemming met de eigenaar van een kerkelijk monument aangesloten bij artikel 3.2a van de Wabo.

Vierde lid

Dit artikel is gebaseerd op artikel 2.2 van de Wabo en inhoudelijk grotendeels gelijk aan de oude Erfgoedverordening.

LLLLLLLLLLLLL

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 13.1113.12 Omgevingsvergunning voor het activiteiten in, aan of op een (voorbeschermd) gemeentelijk of archeologisch monument

MMMMMMMMMMMMM

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 13.1213.13 Voorschriften over archeologische monumentenzorg binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken

Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.34

Toelichting

Dit artikel is voor de omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit de voortzetting van de regeling in artikel 2.22, tweede lid, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.2, eerste lid, van het voormalige Besluit omgevingsrecht. Het gaat hier om de gevallen, bedoeld in artikel 3.16. Deze bepaling vloeit voort uit artikel 5.2, eerste lid, van het voormalige Besluit omgevingsrecht, waarin de mogelijkheid tot het verbinden van voorschriften aan de omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in het belang van de archeologische monumentenzorg afhankelijk was gesteld van een expliciete regeling in het bestemmingsplan.

Op het verbinden van deze voorschriften is artikel 13.1213.13 van overeenkomstige toepassing. Dat artikellid omschrijft nader welke voorschriften in het belang van de archeologische monumentenzorg in ieder geval kunnen worden verbonden aan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of een werkzaamheid als bedoeld in artikel 3.7, die van invloed is op een archeologisch monument. 

NNNNNNNNNNNNN

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 16.1 lid 3

Toelichting

Onderdeel a

Het tweede lid bevat een voorrangbepaling voor vergunningvoorschriften in een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit, die met toepassing van het recht zoals dat gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, is verleend. Het gaat hierbij om een vergunningplichtige milieubelastende activiteit die in hoofdstuk 3 van het Bal is aangewezen en waarbij deze vergunningvoorschriften bevat voor een onderwerp dat naar het omgevingsplan is verschoven. Op grond van het overgangsrecht van artikel 4.13, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijven deze vergunningvoorschriften gelden. De vergunningvoorschriften gelden naast het omgevingsplan. De strengste regel is dan bepalend. Ten tijde van de vergunningverlening zijn juist bewust strengere of soepeler voorschriften gesteld, afgestemd op de locatie. De regels van de hoofdstukken over milieubelastende activiteiten dit omgevingsplan zijn niet van toepassing, voor zover zo’n vergunningvoorschrift geldt. De uitdrukking «voor zover» betekent «in de mate dat». Dat houdt in dat alleen die voorschriften uit de hoofdstukken over milieubelastende activiteiten  van dit omgevingsplan buiten toepassing blijven waarvoor voorschriften in de omgevingsvergunning zijn gesteld. Als bijvoorbeeld de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit voor geluid alleen voorschriften met waarden bevat, dan blijft artikel 6.19 van dit omgevingsplan met geluidwaarden voor geluidgevoelige gebouwen buiten toepassing. Maar artikel 6.16 van dit omgevingsplan, dat bepaalt wanneer een akoestisch onderzoek gedaan moet worden, is wel van toepassing.

Deze voorrangsbepaling kan relevant zijn voor de volgende onderdelen van de hoofdstukken over milieubelastende activiteiten van dit omgevingsplan:

Hoofdstuk 2  Afval

Hoofdstuk 6 Geluid

Hoofdstuk 16 Trillingen

Paragraaf 18.2.3 Lozen bij maken van betonmortel

Paragraaf 18.2.18 Uitwassen van beton

Paragraaf 18.2.13 Ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal

Paragraaf 3.3.1.1  In werking hebben van een acculader

Dit omgevingsplan voorziet niet in een voorrangsbepaling voor bestaande vergunningvoorschriften of maatwerkvoorschriften op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer die op grond van het algemene overgangsrecht maatwerkvoorschriften zijn geworden en die afwijken van of een nadere invulling geven aan de omgevingsplanregels in dit omgevingsplan. Uit de wetssystematiek volgt al dat een maatwerkvoorschrift voorrang heeft op een algemene bepaling.

Onderdeel b

De onderdelen 1 tot en met 6 sluiten bepaalde milieubelastende activiteiten uit van het algemene toepassingsbereik van deze afdeling.

Op grond van artikel 22.2, eerste lid, van de Omgevingswet mogen de omgevingsplanregels van rijkswege alleen gaan over regels die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet bij of krachtens de wet waren gesteld of daaraan gelijkwaardige regels. Het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de voormalige Wet geurhinder en veehouderij waren alleen van toepassing op inrichtingen als bedoeld in artikel 1, derde lid, van de Wet milieubeheer. Omdat het begrip milieubelastende activiteit in de Omgevingswet breder is dan dat begrip inrichting, is in dit lid een afbakening van het toepassingsbereik opgenomen.

Bij de overgang naar een nieuwe wetsystematiek en begrippenkader is het niet te voorkomen dat er enkele verschuivingen in de uitvoering van de regelgeving optreden. Aanmerkelijke verschuivingen in het toepassingsbereik zijn niet beoogd. Desondanks zullen er op kleine schaal wel enige verschuivingen optreden, omdat de oude criteria van het begrip inrichting niet één op één zijn overgenomen. De omschrijving van het toepassingsbereik in dit artikel vraagt enige mate van interpretatie. Ook de criteria van het begrip inrichting uit de Wet milieubeheer vroegen om interpretatie, en werden door verschillende bevoegde instanties enigszins verschillend geïnterpreteerd.

Bij de interpretatie van het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, is het raadzaam om aan te sluiten bij de praktijk van de voormalige regelgeving. Als een activiteit als Wet milieubeheer-inrichting werd beschouwd, kan deze ook onder de regels voor milieubelastende activiteiten van deze afdeling vallen.

Een beperkte verschuiving is op zich niet bezwaarlijk, als dit er niet toe leidt dat:

  • a) activiteiten die eerst niet onder rijksregels vielen door de regels van deze afdeling van dit omgevingsplan worden beperkt;

  • b) activiteiten die wel onder de regels vielen en reële risico’s voor de fysieke leefomgeving inhouden ongeregeld blijven.

Situaties als bedoeld onder a zullen niet snel voorkomen. Juist aan de «onderkant» van het inrichtingenbegrip golden er naast de regels van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer ook andere regels die ervoor zorgen dat ook activiteiten die geen inrichting waren toch aan regels ter bescherming van de leefomgeving waren gebonden. Denk bijvoorbeeld aan de regels van de Algemene Plaatselijke Verordening, maar ook het restrisico-artikel van het Bouwbesluit 2012 (artikel 7.22). Deze regels van de Algemene Plaatselijke Verordening blijven op het moment van de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van het algemeen overgangsrecht (artikel 22.4 van de Omgevingswet bepaalt namelijk dat artikel 122 van de Gemeentewet tijdelijk niet van toepassing is) gelden. Het restrisico-artikel van het Bouwbesluit 2012 is ook opgenomen als regel van rijkswege in het omgevingsplan. Bovendien zijn de regels van deze afdeling voor activiteiten waarop ze van toepassing zouden worden zelden feitelijk beperkend, omdat bij het op gebruikelijke wijze uitvoeren van de activiteit aan de regels wordt voldaan.

Ook voor situaties als bedoeld onder b hoeft in zijn algemeenheid niet te worden gevreesd. Veelal gold voor de activiteiten aan de onderkant van het inrichtingenbegrip naast de zorgplicht van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 2.1) alleen een beperkt aantal regels, zoals de geluidregels. Een eventuele overtreding van de zorgplicht van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer zal in veel gevallen ook als overtreding van de algemene zorgplicht van de Omgevingswet kunnen worden aangemerkt. En omdat de rijksregels niet gelden, zal ook de Algemene Plaatselijke Verordening veelal een deel van de bescherming overnemen.

Het algemene overgangsrecht in artikel 22.4 van de Omgevingswet en de mogelijkheden voor maatwerk op grond van deze afdeling zullen eventuele nadelige gevolgen van de beperkte verschuivingen voldoende ondervangen.

Bij het voorbereiden van deze afdeling zijn al verschillende mogelijke verschuivingen in het toepassingsbereik geïdentificeerd. Belangrijke aandachtspunten worden hieronder benoemd.

De onderdelen in dit tweede lid beogen de criteria «een omvang alsof zij bedrijfsmatig is», «binnen een zekere begrenzing» en «pleegt te worden verricht» binnen de omschrijving van het begrip inrichting in de Wet milieubeheer te vervangen. De categorieën uit bijlage I bij het Besluit omgevingsrecht zijn niet overgenomen. Sommige ondergrenzen in die categorieën kunnen eventueel terugkomen in het toepassingsbereik van de paragrafen in deze afdeling.

Kleine winkels waar geen installaties met meer dan 1,5 kW elektromotorisch vermogen aanwezig zijn, waren bijvoorbeeld meestal geen Wet milieubeheer-inrichting, maar vallen nu wel onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling in het omgevingsplan. Alhoewel er geen specifieke voorschriften voor gelden, moeten deze activiteiten wel voldoen aan de specifieke zorgplicht.

Onderdeel 1

De omgevingsplanregels van rijkswege voor de milieubelastende activiteit zijn alleen van toepassing op milieubelastende activiteiten, anders dan wonen. Hiermee wordt aangesloten op het toepassingsbereik voor de instructieregels voor geluid, trillingen en geur in het Bkl.

Als een hobby een bepaalde omvang overstijgt kan dit ertoe leiden dat het verrichten van een activiteit niet meer onder wonen valt. Denk hierbij aan het in een bepaalde omvang houden van dieren, sleutelen aan auto’s, meubels maken of bereiden van voedingsmiddelen. Waar de grens ligt, is een grijs gebied. Hetzelfde geldt voor bedrijven aan huis. De gemeente mag hier ook zelf invulling aan geven in het omgevingsplan. Overigens was bij de toetsing of er sprake was van een Wet milieubeheer-inrichting het criterium «een omvang alsof zij bedrijfsmatig is» ook altijd een grijs gebied.

Een ander bekend voorbeeld van onduidelijkheid over de vraag of een activiteit een Wet milieubeheer-inrichting was, is het opslaan van huisbrandolie of propaan in tanks bij particulieren. Onder het regime van de Omgevingswet wordt dit afgedekt door het Bal.

Onderdeel 2

Het feitelijk verrichten van bouw- en sloopactiviteiten of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein, vallen niet onder deze afdeling. Ook in het Bbl zijn eisen opgenomen voor zowel geluid als trillingen bij bouw- en sloopactiviteiten. Het Bbl bevat voor het verrichten van die activiteiten ook een specifieke zorgplicht. Verder bevat de Algemene Plaatselijke Verordening vaak regels ter voorkoming van hinder door bouw- en sloopgerelateerde activiteiten. Het algemene overgangsrecht van de Omgevingswet in artikel 22.4 van de Omgevingswet zorgt ervoor dat deze regels van de Algemene Plaatselijke Verordening bij de inwerkingtreding van de wet blijven gelden. Naast deze regels bevat afdeling 17.2 van dit omgevingsplan een specifieke zorgplicht voor het gebruik van een bouwwerk (artikel 17.2717.28). Het is dus niet zo dat er, door de uitzondering in dit onderdeel, voor deze activiteiten geen regels gelden.

Onder het regime van de Wet milieubeheer gebeurde het in bijzondere gevallen wel dat bouwwerkzaamheden die langer duurden dan zes maanden, als een Wet milieubeheer-inrichting werden gezien. Deze activiteiten vallen buiten het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, maar ook daarvoor geldt dat de hiervoor genoemde regels van toepassing zijn.

Onderdeel 3

Deze uitzondering beoogt de activiteiten die in de openbare buitenruimte plaatsvinden uit te sluiten. Voorbeelden zijn kermissen en andere evenementen, weekmarkten, mobiele installaties/activiteiten zoals draaiorgels, ophalen van vuilnis en gevelreiniging (met uitzondering van lozen). Het voor korte periode bezetten van een stukje openbaar toegankelijk terrein, maakt het daarmee niet ontoegankelijk. Activiteiten in een openbaar toegankelijk gebouw, zoals een publieke parkeergarage of het stadhuis, vallen wel onder het toepassingsbereik. Ook het laden en lossen op de openbare weg in de onmiddellijke nabijheid van een winkel, of het verkeer van en naar het bedrijf valt wel onder het toepassingsbereik van deze afdeling.

Voor enkele activiteiten zoals het exploiteren van een mobiele vis-, friet-, oliebollen- of marktkraam of het exploiteren van een terras, was het afhankelijk van de situatie en de interpretatie van het bevoegd gezag of ze gezien werden als een Wet milieubeheer-inrichting. Deze interpretatieverschillen kunnen zich ook nu weer voordoen. Zoals al aangegeven in de inleiding van de toelichting op dit artikel is er in principe geen verschuiving in het toepassingsbereik van deze afdeling in het omgevingsplan ten opzichte van het oude begrip Wet milieubeheer-inrichting beoogd.

Onderdeel 4

Doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen valt niet onder deze afdeling van dit omgevingsplan.

Onderdeel 5

Dit onderdeel sluit evenementen, waarover geluidregels zijn gesteld in bijvoorbeeld de Algemene Plaatselijke Verordening of een evenementenverordening uit van het toepassingsbereik van deze afdeling over milieubelastende activiteiten. Deels gebeurt dit al met onderdeel c, omdat evenementen vaak plaatsvinden in de openbare buitenruimte. Maar regelmatig zijn evenementen ook besloten of vinden ze plaats in een tijdelijk leegstaand gebouw. Deze uitzondering geldt niet voor activiteiten waarvoor geen geluidregels gelden bij of krachtens een gemeentelijke verordening, maar waarvoor geluidregels waren opgenomen in een omgevingsvergunning voor een inrichting op grond van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Voorbeelden hiervan kunnen zijn permanente evenemententerreinen of evenementenhallen.

Onderdeel 6

Deze uitzondering beoogt vooral het gebruik van landbouwvoertuigen op weilanden en akkers uit te sluiten van het algemene toepassingsbereik voor deze afdeling. De opslag van vaste mest op een weiland of akker valt wel onder dit algemene toepassingsbereik. Een installatie die verplaatsbaar is maar gedurende een langere periode achtereen op een weiland of akkers wordt gebruikt, wordt niet gezien als mobiele installatie en valt ook onder de regels voor de milieubelastende activiteiten in dit omgevingsplan. Bijvoorbeeld een antihagelkanon. Ook verplaatsbare mijnbouwwerken vallen onder het toepassingsbereik van deze afdeling.

Onderdeel 7

Vaste objecten zoals bruggen, sluizen en tunnels kunnen door de aanwezigheid van elektromotorisch vermogen gezien worden als milieubelastende activiteiten. Bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen vallen niet onder het toepassingsbereik van dit omgevingsplan.

Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet bleven elektromotoren van bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen buiten beschouwing bij het bepalen of sprake was van een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Dit was bepaald in categorie 1, 1.2, onder c, van bijlage I, onderdeel C, bij het Besluit omgevingsrecht, zoals dat gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Onderdeel d

In artikel 16.1  tweede lid is de uitzondering opgenomen dat deze paragraaf niet geldt voor trillingen in een trillinggevoelig gebouw dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan 10 jaar.

Op grond van dit artikel, geldt die uitzondering alleen voor een trillinggevoelig gebouw dat na de inwerkingtreding van de Omgevingswet is toegelaten voor een duur van niet meer dan 10 jaar, waarbij getoetst is aan de kwalitatieve norm «aanvaardbaar» uit artikel 5.83, tweede lid, van het Bkl.

OOOOOOOOOOOOO

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 17.717.8 Toepassingsbereik

PPPPPPPPPPPPP

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

QQQQQQQQQQQQQ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 17.717.8 lid 2

Toelichting

Tweede lid, onderdeel a

Het tweede lid bevat een voorrangbepaling voor vergunningvoorschriften in een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit, die met toepassing van het recht zoals dat gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, is verleend. Het gaat hierbij om een vergunningplichtige milieubelastende activiteit die in hoofdstuk 3 van het Bal is aangewezen en waarbij deze vergunningvoorschriften bevat voor een onderwerp dat naar het omgevingsplan is verschoven. Op grond van het overgangsrecht van artikel 4.13, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijven deze vergunningvoorschriften gelden. De vergunningvoorschriften gelden naast het omgevingsplan. De strengste regel is dan bepalend. Ten tijde van de vergunningverlening zijn juist bewust strengere of soepeler voorschriften gesteld, afgestemd op de locatie. De regels van de hoofdstukken over milieubelastende activiteiten dit omgevingsplan zijn niet van toepassing, voor zover zo’n vergunningvoorschrift geldt. De uitdrukking «voor zover» betekent «in de mate dat». Dat houdt in dat alleen die voorschriften uit de hoofdstukken over milieubelastende activiteiten  van dit omgevingsplan buiten toepassing blijven waarvoor voorschriften in de omgevingsvergunning zijn gesteld. Als bijvoorbeeld de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit voor geluid alleen voorschriften met waarden bevat, dan blijft artikel 6.19 van dit omgevingsplan met geluidwaarden voor geluidgevoelige gebouwen buiten toepassing. Maar artikel 6.16 van dit omgevingsplan, dat bepaalt wanneer een akoestisch onderzoek gedaan moet worden, is wel van toepassing.

Deze voorrangsbepaling kan relevant zijn voor de volgende onderdelen van de hoofdstukken over milieubelastende activiteiten van dit omgevingsplan:

Hoofdstuk 2  Afval

Hoofdstuk 6 Geluid

Hoofdstuk 16 Trillingen

Paragraaf 18.2.3 Lozen bij maken van betonmortel

Paragraaf 18.2.18 Uitwassen van beton

Paragraaf 18.2.13 Ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal

Paragraaf 3.3.1.1  In werking hebben van een acculader

Dit omgevingsplan voorziet niet in een voorrangsbepaling voor bestaande vergunningvoorschriften of maatwerkvoorschriften op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer die op grond van het algemene overgangsrecht maatwerkvoorschriften zijn geworden en die afwijken van of een nadere invulling geven aan de omgevingsplanregels in dit omgevingsplan. Uit de wetssystematiek volgt al dat een maatwerkvoorschrift voorrang heeft op een algemene bepaling.

Tweede lid, onderdeel b, sub 1 tot en met 7

De onderdelen a tot en met f van het tweede lid sluiten bepaalde milieubelastende activiteiten uit van het algemene toepassingsbereik van deze afdeling. 

Op grond van artikel 22.2, eerste lid, van de Omgevingswet mogen de omgevingsplanregels van rijkswege alleen gaan over regels die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet bij of krachtens de wet waren gesteld of daaraan gelijkwaardige regels. Het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de voormalige Wet geurhinder en veehouderij waren alleen van toepassing op inrichtingen als bedoeld in artikel 1, derde lid, van de Wet milieubeheer. Omdat het begrip milieubelastende activiteit in de Omgevingswet breder is dan dat begrip inrichting, is in dit lid een afbakening van het toepassingsbereik opgenomen.

Bij de overgang naar een nieuwe wetsystematiek en begrippenkader is het niet te voorkomen dat er enkele verschuivingen in de uitvoering van de regelgeving optreden. Aanmerkelijke verschuivingen in het toepassingsbereik zijn niet beoogd. Desondanks zullen er op kleine schaal wel enige verschuivingen optreden, omdat de oude criteria van het begrip inrichting niet één op één zijn overgenomen. De omschrijving van het toepassingsbereik in dit artikel vraagt enige mate van interpretatie. Ook de criteria van het begrip inrichting uit de Wet milieubeheer vroegen om interpretatie, en werden door verschillende bevoegde instanties enigszins verschillend geïnterpreteerd.

Bij de interpretatie van het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, is het raadzaam om aan te sluiten bij de praktijk van de voormalige regelgeving. Als een activiteit als Wet milieubeheer-inrichting werd beschouwd, kan deze ook onder de regels voor milieubelastende activiteiten van deze afdeling vallen.

Een beperkte verschuiving is op zich niet bezwaarlijk, als dit er niet toe leidt dat:

  • a) activiteiten die eerst niet onder rijksregels vielen door de regels van deze afdeling van dit omgevingsplan worden beperkt;

  • b) activiteiten die wel onder de regels vielen en reële risico’s voor de fysieke leefomgeving inhouden ongeregeld blijven.

Situaties als bedoeld onder a zullen niet snel voorkomen. Juist aan de «onderkant» van het inrichtingenbegrip golden er naast de regels van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer ook andere regels die ervoor zorgen dat ook activiteiten die geen inrichting waren toch aan regels ter bescherming van de leefomgeving waren gebonden. Denk bijvoorbeeld aan de regels van de Algemene Plaatselijke Verordening, maar ook het restrisico-artikel van het Bouwbesluit 2012 (artikel 7.22). Deze regels van de Algemene Plaatselijke Verordening blijven op het moment van de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van het algemeen overgangsrecht (artikel 22.4 van de Omgevingswet bepaalt namelijk dat artikel 122 van de Gemeentewet tijdelijk niet van toepassing is) gelden. Het restrisico-artikel van het Bouwbesluit 2012 is ook opgenomen als regel van rijkswege in het omgevingsplan. Bovendien zijn de regels van deze afdeling voor activiteiten waarop ze van toepassing zouden worden zelden feitelijk beperkend, omdat bij het op gebruikelijke wijze uitvoeren van de activiteit aan de regels wordt voldaan.

Ook voor situaties als bedoeld onder b hoeft in zijn algemeenheid niet te worden gevreesd. Veelal gold voor de activiteiten aan de onderkant van het inrichtingenbegrip naast de zorgplicht van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 2.1) alleen een beperkt aantal regels, zoals de geluidregels. Een eventuele overtreding van de zorgplicht van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer zal in veel gevallen ook als overtreding van de algemene zorgplicht van de Omgevingswet kunnen worden aangemerkt. En omdat de rijksregels niet gelden, zal ook de Algemene Plaatselijke Verordening veelal een deel van de bescherming overnemen.

Het algemene overgangsrecht in artikel 22.4 van de Omgevingswet en de mogelijkheden voor maatwerk op grond van deze afdeling zullen eventuele nadelige gevolgen van de beperkte verschuivingen voldoende ondervangen.

Bij het voorbereiden van deze afdeling zijn al verschillende mogelijke verschuivingen in het toepassingsbereik geïdentificeerd. Belangrijke aandachtspunten worden hieronder benoemd.

De onderdelen in dit tweede lid beogen de criteria «een omvang alsof zij bedrijfsmatig is», «binnen een zekere begrenzing» en «pleegt te worden verricht» binnen de omschrijving van het begrip inrichting in de Wet milieubeheer te vervangen. De categorieën uit bijlage I bij het Besluit omgevingsrecht zijn niet overgenomen. Sommige ondergrenzen in die categorieën kunnen eventueel terugkomen in het toepassingsbereik van de paragrafen in deze afdeling.

Kleine winkels waar geen installaties met meer dan 1,5 kW elektromotorisch vermogen aanwezig zijn, waren bijvoorbeeld meestal geen Wet milieubeheer-inrichting, maar vallen nu wel onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling in het omgevingsplan. Alhoewel er geen specifieke voorschriften voor gelden, moeten deze activiteiten wel voldoen aan de specifieke zorgplicht.

Tweede lid, onderdeel b, sub 1

De omgevingsplanregels van rijkswege voor de milieubelastende activiteit zijn alleen van toepassing op milieubelastende activiteiten, anders dan wonen. Hiermee wordt aangesloten op het toepassingsbereik voor de instructieregels voor geluid, trillingen en geur in het Bkl.

Als een hobby een bepaalde omvang overstijgt kan dit ertoe leiden dat het verrichten van een activiteit niet meer onder wonen valt. Denk hierbij aan het in een bepaalde omvang houden van dieren, sleutelen aan auto’s, meubels maken of bereiden van voedingsmiddelen. Waar de grens ligt, is een grijs gebied. Hetzelfde geldt voor bedrijven aan huis. De gemeente mag hier ook zelf invulling aan geven in het omgevingsplan. Overigens was bij de toetsing of er sprake was van een Wet milieubeheer-inrichting het criterium «een omvang alsof zij bedrijfsmatig is» ook altijd een grijs gebied.

Een ander bekend voorbeeld van onduidelijkheid over de vraag of een activiteit een Wet milieubeheer-inrichting was, is het opslaan van huisbrandolie of propaan in tanks bij particulieren. Onder het regime van de Omgevingswet wordt dit afgedekt door het Bal.

Tweede lid, onderdeel b, sub 2

Het feitelijk verrichten van bouw- en sloopactiviteiten of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein, vallen niet onder deze afdeling. Ook in het Bbl zijn eisen opgenomen voor zowel geluid als trillingen bij bouw- en sloopactiviteiten. Het Bbl bevat voor het verrichten van die activiteiten ook een specifieke zorgplicht. Verder bevat de Algemene Plaatselijke Verordening vaak regels ter voorkoming van hinder door bouw- en sloopgerelateerde activiteiten. Het algemene overgangsrecht van de Omgevingswet in artikel 22.4 van de Omgevingswet zorgt ervoor dat deze regels van de Algemene Plaatselijke Verordening bij de inwerkingtreding van de wet blijven gelden. Naast deze regels bevat afdeling 17.2 van dit omgevingsplan een specifieke zorgplicht voor het gebruik van een bouwwerk (artikel 17.2717.28). Het is dus niet zo dat er, door de uitzondering in dit onderdeel, voor deze activiteiten geen regels gelden.

Onder het regime van de Wet milieubeheer gebeurde het in bijzondere gevallen wel dat bouwwerkzaamheden die langer duurden dan zes maanden, als een Wet milieubeheer-inrichting werden gezien. Deze activiteiten vallen buiten het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, maar ook daarvoor geldt dat de hiervoor genoemde regels van toepassing zijn.

Tweede lid, onderdeel b, sub 3

Deze uitzondering beoogt de activiteiten die in de openbare buitenruimte plaatsvinden uit te sluiten. Voorbeelden zijn kermissen en andere evenementen, weekmarkten, mobiele installaties/activiteiten zoals draaiorgels, ophalen van vuilnis en gevelreiniging (met uitzondering van lozen). Het voor korte periode bezetten van een stukje openbaar toegankelijk terrein, maakt het daarmee niet ontoegankelijk. Activiteiten in een openbaar toegankelijk gebouw, zoals een publieke parkeergarage of het stadhuis, vallen wel onder het toepassingsbereik. Ook het laden en lossen op de openbare weg in de onmiddellijke nabijheid van een winkel, of het verkeer van en naar het bedrijf valt wel onder het toepassingsbereik van deze afdeling.

Voor enkele activiteiten zoals het exploiteren van een mobiele vis-, friet-, oliebollen- of marktkraam of het exploiteren van een terras, was het afhankelijk van de situatie en de interpretatie van het bevoegd gezag of ze gezien werden als een Wet milieubeheer-inrichting. Deze interpretatieverschillen kunnen zich ook nu weer voordoen. Zoals al aangegeven in de inleiding van de toelichting op dit artikel is er in principe geen verschuiving in het toepassingsbereik van deze afdeling in het omgevingsplan ten opzichte van het oude begrip Wet milieubeheer-inrichting beoogd.

Tweede lid, onderdeel b, sub 4

Doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen valt niet onder deze afdeling van dit omgevingsplan.

Tweede lid, onderdeel b, sub 5

Dit onderdeel sluit evenementen, waarover geluidregels zijn gesteld in bijvoorbeeld de Algemene Plaatselijke Verordening of een evenementenverordening uit van het toepassingsbereik van deze afdeling over milieubelastende activiteiten. Deels gebeurt dit al met onderdeel c, omdat evenementen vaak plaatsvinden in de openbare buitenruimte. Maar regelmatig zijn evenementen ook besloten of vinden ze plaats in een tijdelijk leegstaand gebouw. Deze uitzondering geldt niet voor activiteiten waarvoor geen geluidregels gelden bij of krachtens een gemeentelijke verordening, maar waarvoor geluidregels waren opgenomen in een omgevingsvergunning voor een inrichting op grond van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Voorbeelden hiervan kunnen zijn permanente evenemententerreinen of evenementenhallen.

Tweede lid, onderdeel b, sub 6

Deze uitzondering beoogt vooral het gebruik van landbouwvoertuigen op weilanden en akkers uit te sluiten van het algemene toepassingsbereik voor deze afdeling. De opslag van vaste mest op een weiland of akker valt wel onder dit algemene toepassingsbereik. Een installatie die verplaatsbaar is maar gedurende een langere periode achtereen op een weiland of akkers wordt gebruikt, wordt niet gezien als mobiele installatie en valt ook onder de regels voor de milieubelastende activiteiten in dit omgevingsplan. Bijvoorbeeld een antihagelkanon. Ook verplaatsbare mijnbouwwerken vallen onder het toepassingsbereik van deze afdeling.

Tweede lid, onderdeel b, sub 7

Vaste objecten zoals bruggen, sluizen en tunnels kunnen door de aanwezigheid van elektromotorisch vermogen gezien worden als milieubelastende activiteiten. Bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen vallen niet onder het toepassingsbereik van dit omgevingsplan.

Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet bleven elektromotoren van bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen buiten beschouwing bij het bepalen of sprake was van een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Dit was bepaald in categorie 1, 1.2, onder c, van bijlage I, onderdeel C, bij het Besluit omgevingsrecht, zoals dat gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

 

RRRRRRRRRRRRR

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 17.817.9 Oogmerken

SSSSSSSSSSSSS

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 17.917.10 Locaties met inperkingen vergunningsvrij bouwen vanwege externe veiligheid

Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.39

Toelichting

Dit artikel bevat uitzonderingen op de mogelijkheden om vergunningvrije activiteiten als bedoeld in paragraaf 4.2.2  te verrichten vanwege het belang van de externe veiligheid. Deze uitzonderingen waren opgenomen in artikel 5, derde lid, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. Hieraan ligt ten grondslag de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico van ten hoogste een op de miljoen per jaar voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties die op grond van artikel 5.7 van het Bkl in een omgevingsplan in acht moet worden genomen. Voor zover paragraaf 4.2.2 betrekking heeft op die gebouwen – de onderdelen a en c – is het niet wenselijk dat op locaties waar door de in die onderdelen bedoelde activiteiten overschrijding van de norm voor het plaatsgebonden risico aan de orde zou kunnen zijn, vergunningvrij de in die onderdelen bedoelde activiteiten zouden kunnen worden verricht.

De locaties waar deze activiteiten niet mogelijk zijn, zijn in de eerste plaats de locaties waarvoor het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, zelf al vanwege de overschrijding van het plaatsgebonden risico bouwmogelijkheden die kunnen leiden tot kwetsbare of zeer kwetsbare gebouwen niet toelaat. Het gaat hier om artikel 3.5, onder a en b, dat een omzetting is van artikel 5, derde lid, onder a en b, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. De verwijzing naar dit omgevingsplan is hier uitdrukkelijk beperkt tot het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, dat kort samengevat bestaat uit de onder het voormalige recht geldende planologische regelingen. Dit omdat die regelingen uitgaan van de in de desbetreffende onderdelen van artikel 5, derde lid, gehanteerde begrippen en systematiek, die onder de Omgevingswet anders zijn. Het is aan gemeenten om daar bij het vaststellen van het omgevingsplan toepassing aan te geven. Hierop kan niet in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder c, van de Omgevingswet worden vooruitgelopen.

Artikel 17.917.10 zondert daarnaast ook vergunningvrije activiteiten als bedoeld in paragraaf 4.2.2 uit, als de beoogde locatie voor die activiteiten is gelegen binnen afstanden die degene die een vergunningvrije milieubelastende activiteit verricht op grond van het Bal in verband met het plaatsgebonden risico in acht moet nemen. Het gaat dan om de afstanden tussen bepaalde installaties of opslagvoorzieningen waar met stoffen wordt gewerkt die een veiligheidsrisico voor de omgeving met zich kunnen brengen en te beschermen gebouwen en locaties. Op grond van het Bal geldt als hoofdregel dat veiligheidsafstanden zoals hier bedoeld gelden tot de begrenzing van de locatie waarop de milieubelastende activiteit wordt verricht. Hierdoor zijn er ook geen beperkingen aan de gebruiksruimte buiten die begrenzing. Maar het Bal staat in een aantal situaties afwijking van deze regel toe. Onderdeel c is alleen voor die gevallen van praktisch belang. De zinsnede «voor zover ... van toepassing is» in de verschillende subonderdelen van artikel 17.917.10, brengt dat tot uitdrukking. Degene die een milieubelastende activiteit als hier bedoeld verricht, moet op grond van het Bal op het moment dat de veiligheidsafstanden van toepassing worden buiten de locatie waar hij zijn activiteit verricht, het bevoegd gezag daarover informeren. Het bevoegd gezag moet ervoor zorgen dat deze gegevens terecht komen in het landelijk register externe veiligheidsrisico’s en aldus voor eenieder kenbaar zijn.

Bij de opsomming van activiteiten in artikel 17.917.10, is aangesloten bij de opsomming van activiteiten in bijlage VII, onder A, bij het Bkl. Dat onderdeel van die bijlage geeft voor de daarin genoemde vergunningvrije milieubelastende activiteiten uit het Bal vastgestelde afstanden waarbij wordt voldaan aan de norm voor het plaatsgebonden risico. De opgesomde activiteiten, zoals die in artikel 17.917.10, onder verwijzing naar de desbetreffende artikelen uit het Bal zijn overgenomen, omvatten zes activiteiten die niet worden genoemd in artikel 5, derde lid, onder c, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. Het gaat hier om de subonderdelen 2, 5, 6, 7, 12 en 13. Voor de activiteit, bedoeld in subonderdeel 2 (het tanken van voertuigen of werktuigen met LPG), heeft dat als achtergrond dat deze activiteit onder het recht voor de Omgevingswet nog vergunningplichtig was. Door de verschuiving van vergunningplichtig naar vergunningvrij moet de activiteit nu aan de opsomming in artikel 17.917.10, worden toegevoegd. Voor de overige toegevoegde activiteiten is gelet op het belang van de externe veiligheid evenmin aanleiding om deze voor de toepassing van artikel 17.917.10, buiten beschouwing te laten.

Onder c is nummer 14 toegevoegd ten opzicht van het originele artikel 22.39 uit de bruidsschat. De toevoeging is afkomstig uit De Vangnetregeling Omgevingswet. Het corrigeert een onvolkomenheid in de bruidsschat. Deze bepaling zorgt ervoor dat het bouwen, in stand houden of gebruiken van bepaalde bouwwerken niet meer automatisch is toegestaan binnen een bepaalde afstand vanaf opslagtanks waarin organische oplosmiddelen worden opgeslagen.

TTTTTTTTTTTTT

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 17.1017.11 Aansluiting op distributienet voor drinkwater

UUUUUUUUUUUUU

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 17.1117.12 Aansluiting op distributienet voor elektriciteit

Dit artikel is voormalig bruidsschat artikel 22.8. Uit lid 1 is het oogmerk verwijderd en toegevoegd aan artikel 17.817.9 . Lid 1 is verder inhoudelijk overgenomen. Lid 2 is verwerkt in het nieuwe artikel.

Toelichting

Dit artikel schrijft voor in welke gevallen de elektriciteitsvoorziening van een bouwwerk moet zijn aangesloten op het distributienet voor elektriciteit. Een aansluiting is voorgeschreven wanneer de aansluitafstand niet groter is dan 100 m. Bij een afstand van meer dan 100 m is de aansluiting voorgeschreven wanneer de aansluitkosten niet hoger zijn dan ze zouden zijn bij een afstand van 100 m. In gevallen dat de afstand groter is dan 100 m en de aansluitkosten hoger, kan worden gekozen voor een vrijwillige aansluiting op het distributienet of voor een individuele voorziening zoals bijvoorbeeld een generator. De wijze waarop de in dit artikellid genoemde afstanden moeten worden gemeten, vloeit voort uit de in dit omgevingsplan opgenomen begripsbepaling «aansluitafstand».

De aansluitplicht houdt alleen de plicht in tot het aanbrengen van de technische voorzieningen die het betrekken van elektriciteit mogelijk maken. Of elektriciteit daadwerkelijk wordt geleverd, is afhankelijk van een met het energiebedrijf te sluiten contract.

Overigens is een aansluiting op het distributienet niet verplicht wanneer op grond van het gelijkwaardigheidsbeginsel een alternatieve voorziening voor het betrekken van elektriciteit is toegestaan.

De in dit artikel opgenomen aansluitplicht op het distributienet voor elektriciteit geldt niet voor het bouwen van woonfuncties die gebouwd worden in particulier opdrachtgeverschap. Dit sluit aan bij de gelijkluidende uitzonderingen uit het Bouwbesluit 2012. Uiteraard staat het een initiatiefnemer wel vrij om vrijwillig op het distributienet aan te sluiten.

VVVVVVVVVVVVV

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 17.1217.13 Aansluiting op distributienet voor gas

Dit artikel is voormalig bruidsschat artikel 22.9. Uit lid 1 is het oogmerk verwijderd en toegevoegd aan artikel 17.817.9. Lid 1 is verder inhoudelijk overgenomen. Lid 2 is verwerkt in het nieuwe artikel.

Toelichting

Dit artikel schrijft voor in welke gevallen de gasvoorziening van een bouwwerk moet zijn aangesloten op het distributienet voor gas. De aansluitplicht geldt voor een aansluitafstand die niet groter is dan 40 m of wanneer de aansluitkosten niet hoger zijn dan ze zouden zijn bij een aansluitafstand van 40 m. Opgemerkt wordt dat het sinds de wijzigingen in de Gaswet van 1 juli 2018 en de daarop aansluitende wijziging van het Bouwbesluit 2012 in veel gevallen niet meer mogelijk is nieuw te bouwen gebouwen te voorzien van een gasaansluiting voor zogenoemde kleinverbruikers. In dit artikel is net zoals voorheen in het Bouwbesluit 2012 de relatie met artikel 10, zesde lid, onderdeel a of b, van de Gaswet gelegd om duidelijk te maken dat dit artikel van de Gaswet van invloed is op de vraag of er bij nieuwbouw wel een aansluiting op het gasnet gerealiseerd kan worden door de netbeheerder. Het artikel in de Gaswet gaat niet over bestaande aansluitingen die al gerealiseerd zijn. Daarnaast geldt de aansluitplicht in dit artikel alleen als de aansluitafstand 40 m of kleiner is, of als de aansluitkosten niet hoger liggen dan bij een aansluitafstand van 40 m.

De in dit artikel opgenomen aansluitplicht op het distributienet voor gas geldt niet voor het bouwen van drijvende bouwwerken of voor woonfuncties die gebouwd worden in particulier opdrachtgeverschap. Dit sluit aan bij de gelijkluidende uitzonderingen uit het Bouwbesluit 2012. Deze bouwwerken hoeven dus al sinds enkele jaren niet meer aan te sluiten op het distributienet voor gas. Daarnaast is het sinds de bovengenoemde aanpassing van de Gaswet in 2018 in slechts enkele gevallen nog mogelijk is om nieuwe bouwwerken aan te sluiten op het distributienet voor gas. Het artikel bewerkstelligt dat er in een woning gebouwd in particulier opdrachtgeverschap nooit een aansluitplicht geldt.

WWWWWWWWWWWWW

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 17.1317.14 Aansluiting op distributienet voor warmte

Dit artikel is voormalig bruidsschat artikel 22.10. Uit lid 1 is het oogmerk verwijderd en toegevoegd aan artikel 17.817.9. Lid 1, 2 en 3 zijn verder inhoudelijk overgenomen. Lid 4 is vervallen omdat dat wij binnen de gemeente voor inwerkingtreding van de Omgevingswet geen distributienet voor warmte hebben.

Toelichting

Dit artikel stelt een eis voor nieuw te bouwen bouwwerken met een verblijfsgebied. Een dergelijk bouwwerk moet zijn aangesloten op het distributienet voor warmte als de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of de aansluitkosten niet hoger zijn dan ze zouden zijn bij een aansluitafstand van 40 m. Die plicht is niet alleen afhankelijk van de aansluitafstand maar ook van de vraag of het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen op het distributienet op het moment van het indienen van de aanvraag om vergunning voor het bouwen nog niet is bereikt. Bij een distributienet voor warmte kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een netwerk voor stadsverwarming. Op grond van het tweede lid zal bij een beroep op een daaraan gelijkwaardige oplossing niet alleen rekening moeten worden gehouden met veiligheid maar ook met energiezuinigheid en milieu. Met het tweede lid wordt de toepassing van het gelijkwaardigheidsbeginsel op de aansluiting op het distributienet ingekaderd. In dat tweede lid is aangegeven aan welke energiezuinigheids- en milieucriteria een andere oplossing dan een aansluiting op het warmtenet moet voldoen om in een voorkomend geval als gelijkwaardig aan die aansluiting te kunnen worden aangemerkt. Bij de beoordeling van die gelijkwaardigheid moeten de energiezuinigheids- en milieuprestaties van de aangedragen andere oplossing vergeleken worden met de prestaties bij aansluiting op het warmtenet. Referentiekader daarbij is de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu zoals deze in het warmteplan is opgenomen. De prestaties van het warmtenet moeten daarom voldoende concreet in het warmteplan, als onderdeel van het omgevingsplan, zijn opgenomen. Als, bijvoorbeeld, in het warmteplan alleen gegevens over de CO2-uitstoot van het warmtenet zijn opgenomen en niet over NOx-effecten, dan moeten de milieuprestaties van de te beoordelen andere oplossing alleen voor de CO2-uitstoot worden bepaald en mag NOx niet als factor in beschouwing worden genomen. Als een gemeente voor energiezuinigheid de wettelijk vastgestelde energieprestatiecoëfficiënt (EPC) wil realiseren, dan kan de gemeente in het warmteplan volstaan met de vermelding dat de wettelijke EPC wordt nagestreefd. Aanleg van nieuwe warmtenetten geschiedt veelal in gebieden met een grote bouwopgave (bijvoorbeeld een nieuwe woonwijk met meerdere duizenden woningen). De uitvoering van zo’n bouwopgave en – in samenhang daarmee – van de aanleg van het distributienet voor warmte geschiedt niet in één keer, maar gefaseerd. De uiteindelijke prestatie van het distributienet voor energiezuinigheid en bescherming van het milieu treedt pas op vanaf het moment dat het in het warmteplan aangegeven aantal aansluitingen is bereikt. De beoordeling van de gelijkwaardigheid van een aangedragen andere oplossing moet daarom plaatsvinden op basis van die uiteindelijke energiezuinigheids- en milieuprestaties van het warmtenet, zoals die in het warmteplan zijn aangegeven. Zie verder ook de toelichting op de omschrijvingen van de begrippen distributienet voor warmte en warmteplan.

De in dit artikel opgenomen aansluitplicht op het distributienet voor warmte geldt niet voor het bouwen van woonfuncties die gebouwd worden in particulier opdrachtgeverschap. Dit sluit aan bij de gelijkluidende uitzonderingen uit het Bouwbesluit 2012. Uiteraard staat het een initiatiefnemer daarnaast ook vrij om vrijwillig op het distributienet aan te sluiten.

XXXXXXXXXXXXX

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 17.1417.15 Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater

YYYYYYYYYYYYY

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 17.1517.16 Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken

ZZZZZZZZZZZZZ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 17.1617.17 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten

Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.14. Uit het artikel is het oogmerk verwijderd en toegevoegd aan artikel 17.817.9.  Verder is het artikel inhoudelijk overgenomen en aangevuld met het zesde lid specifiek voor de brandgangen op de Borkeld.

Toelichting

Dit artikel bevat regels bestemd voor de bereikbaarheid van gebouwen en bouwwerken die geen gebouw zijn waarin personen kunnen verblijven, voor brandweervoertuigen en voertuigen van andere hulpverleningsdiensten. Op grond van het eerste lid moet tussen de openbare weg en de toegang van een bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg aanwezig zijn die geschikt is voor het te verwachten verkeer, zoals brandweervoertuigen en voertuigen van andere hulpverleningsdiensten. Niet elk gebouw of elk bouwwerk geen gebouw zijnde waarin personen kunnen verblijven hoeft over zo’n verbindingsweg te beschikken. Zo’n weg is niet vereist in de in het tweede lid aangegeven gevallen, zoals bij een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2 of als de toegang tot het bouwwerk op ten hoogste 10 meter van een openbare weg ligt of wanneer het bevoegd gezag van oordeel is dat de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk de aanwezigheid van die voorziening niet nodig maakt..

AAAAAAAAAAAAAA

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

BBBBBBBBBBBBBB

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

CCCCCCCCCCCCCC

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

DDDDDDDDDDDDDD

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

EEEEEEEEEEEEEE

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 17.1717.18 Bluswatervoorziening

FFFFFFFFFFFFFF

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 17.1817.19 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerken, open erf of terrein

Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.17 en 22.21. Uit de artikelen is het oogmerk verwijderd en toegevoegd aan artikel 17.817.9. De artikelen zijn samengevoegd omdat ze inhoudelijk gelijkluidend zijn, maar zien op bouwwerken of open erven en terreinen.

Toelichting

Dit artikel heeft betrekking op het staken van het gebruik van een bouwwerk, open erf of terrein als dat gebruik gevaarlijk is in verband met de bouwvalligheid van een nabij gelegen bouwwerk. Voordat sprake kan zijn van een overtreding waartegen het handhavend kan worden opgetreden is het nodig dat het bevoegd gezag eerst een mededeling heeft gedaan dat het gebruik vanwege de technische kwaliteit van dat andere bouwwerk gevaarlijk is. Die mededeling is een mededeling van feitelijke aard en geen beschikking. Als het gebruik na ontvangst van de bedoelde mededeling toch wordt voortgezet kan op grond van artikel 125 van de Gemeentewet en artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht handhavend worden opgetreden door oplegging van een last onder bestuursdwang of een last onder de dwangsom. In spoedeisende gevallen kan bestuursdwang zo nodig zonder voorafgaande last worden toegepast (artikel 5:31 van de Algemene wet bestuursrecht).

GGGGGGGGGGGGGG

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 17.1917.20 Opstelplaats voor brandweervoertuigen

HHHHHHHHHHHHHH

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 17.2017.21 Overbewoning woonruimte

Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.16. Uit het artikel is het oogmerk verwijderd en toegevoegd aan artikel 17.817.9. Verder is het artikel inhoudelijk overgenomen.

Toelichting

Dit artikel is bedoeld om te voorkomen dat de gezondheid van de bewoners door overbewoning in het geding komt. Dit voorschrift is nadrukkelijk niet bedoeld als normstelling in het kader van de verdeling van woonruimte. Op basis van dit voorschrift kan het bevoegd gezag alleen optreden in het uitzonderlijke geval dat er zoveel mensen in een woning of woonwagen wonen dat dit problemen voor de gezondheid kan opleveren.

IIIIIIIIIIIIII

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

JJJJJJJJJJJJJJ

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

KKKKKKKKKKKKKK

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 17.2317.24 Installatie voor onconventionele winning van gas

LLLLLLLLLLLLLL

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 17.2417.25 Opslag radioactief afval

MMMMMMMMMMMMMM

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 17.2517.26 Seksinrichtingen

NNNNNNNNNNNNNN

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 17.2617.27 Risicobronnen in de vorm van opslagtanks

OOOOOOOOOOOOOO

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 17.2717.28 Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk

PPPPPPPPPPPPPP

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 17.2817.29 Specifieke zorgplicht staat en gebruiken open erven en terreinen

QQQQQQQQQQQQQQ

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 17.2917.30 Verbod jagen binnen bebouwingscontour jacht

RRRRRRRRRRRRRR

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 17.3017.31 Toepassingsbereik

SSSSSSSSSSSSSS

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 17.3117.32 Gegevens werken voor de omgevingsvergunning genetisch gemodificeerde organismen

TTTTTTTTTTTTTT

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 17.3217.33 Omgevingsvergunning genetisch gemodificeerde organismen

UUUUUUUUUUUUUU

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

VVVVVVVVVVVVVV

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

WWWWWWWWWWWWWW

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

XXXXXXXXXXXXXX

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 17.3317.34 Toepassingsbereik

YYYYYYYYYYYYYY

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 17.3417.35 Gegevens voor de omgevingsvergunning kweken maden van vliegende insecten

ZZZZZZZZZZZZZZ

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 17.3517.36 Omgevingsvergunning maden van vliegende insecten te kweken

AAAAAAAAAAAAAAA

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

BBBBBBBBBBBBBBB

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

CCCCCCCCCCCCCCC

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 17.3617.37 Gegevens voor de omgevingsvergunning opslaan propaan of propeen

DDDDDDDDDDDDDDD

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 17.3717.38 Omgevingsvergunning opslaan propaan of propeen

EEEEEEEEEEEEEEE

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 17.3717.38 lid 1

Toelichting

Opslagtanks voor gassen die in elkaars onmiddellijke nabijheid staan, kunnen elkaar beïnvloeden bij incidenten. Het risico op een incident van twee opslagtanks in elkaars nabijheid is meer dan twee keer zo groot als het risico van de twee opslagtanks apart. De PGS-richtlijnen schrijven om die reden voor dat opslagtanks onderling bepaalde afstanden aan moeten houden, en ook een bepaalde afstand tot de erfgrens aan moeten houden. Bij het toelaten van een opslag van gassen op een locatie in meer dan twee opslagtanks moet de veiligheid beoordeeld worden. Dit vergt maatwerk.

Op grond van artikel 17.717.8tweede lid geldt deze vergunningplicht niet voor milieubelastende activiteiten die in hoofdstuk 3 van het Bal aangewezen zijn als vergunningplichtig. Op grond van artikel 3.22 van het Bal geldt er een vergunningplicht voor opslagtanks met een inhoud van meer dan 13 m3.

FFFFFFFFFFFFFFF

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

GGGGGGGGGGGGGGG

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 17.3817.39 Gegevens voor de omgevingsvergunning tanken met LPG

HHHHHHHHHHHHHHH

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 17.3917.40 Omgevingsvergunning tanken met LPG

IIIIIIIIIIIIIII

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

JJJJJJJJJJJJJJJ

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

KKKKKKKKKKKKKKK

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 17.4017.41 Gegevens voor de omgevingsvergunning biologisch agens

LLLLLLLLLLLLLLL

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 17.4117.42 Omgevingsvergunning biologisch agens

MMMMMMMMMMMMMMM

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

NNNNNNNNNNNNNNN

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

OOOOOOOOOOOOOOO

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 17.4217.43 Verbod bedrijfsmatige sierteelt en kwekerijen

PPPPPPPPPPPPPPP

Sectie ' Beoordelingsregels verbranden bedrijfsval buiten een inrichting ' wordt geplaatst na sectie ' Verbod bedrijfsmatige sierteelt en kwekerijen'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.7717.44 Beoordelingsregels verbranden bedrijfsval buiten een inrichting 

QQQQQQQQQQQQQQQ

Sectie '' wordt geplaatst na sectie ' Beoordelingsregels verbranden bedrijfsval buiten een inrichting '. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

RRRRRRRRRRRRRRR

Sectie ' Voorschriften verbinden aan omgevingsvergunning' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.7817.45 Voorschriften verbinden aan omgevingsvergunning

SSSSSSSSSSSSSSS

Sectie ' Specifieke zorgplicht milieubelastende activiteiten' wordt geplaatst na sectie ' Voorschriften verbinden aan omgevingsvergunning'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 17.4317.46 Specifieke zorgplicht milieubelastende activiteiten

TTTTTTTTTTTTTTT

Sectie '' wordt geplaatst na sectie ' Specifieke zorgplicht milieubelastende activiteiten'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

UUUUUUUUUUUUUUU

Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

VVVVVVVVVVVVVVV

Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 18.1 lid 2

Toelichting

Onderdeel a

Het tweede lid bevat een voorrangbepaling voor vergunningvoorschriften in een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit, die met toepassing van het recht zoals dat gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, is verleend. Het gaat hierbij om een vergunningplichtige milieubelastende activiteit die in hoofdstuk 3 van het Bal is aangewezen en waarbij deze vergunningvoorschriften bevat voor een onderwerp dat naar het omgevingsplan is verschoven. Op grond van het overgangsrecht van artikel 4.13, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijven deze vergunningvoorschriften gelden. De vergunningvoorschriften gelden naast het omgevingsplan. De strengste regel is dan bepalend. Ten tijde van de vergunningverlening zijn juist bewust strengere of soepeler voorschriften gesteld, afgestemd op de locatie. De regels van de hoofdstukken over milieubelastende activiteiten dit omgevingsplan zijn niet van toepassing, voor zover zo’n vergunningvoorschrift geldt. De uitdrukking «voor zover» betekent «in de mate dat». Dat houdt in dat alleen die voorschriften uit de hoofdstukken over milieubelastende activiteiten  van dit omgevingsplan buiten toepassing blijven waarvoor voorschriften in de omgevingsvergunning zijn gesteld. Als bijvoorbeeld de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit voor geluid alleen voorschriften met waarden bevat, dan blijft artikel 6.19 van dit omgevingsplan met geluidwaarden voor geluidgevoelige gebouwen buiten toepassing. Maar artikel 6.16 van dit omgevingsplan, dat bepaalt wanneer een akoestisch onderzoek gedaan moet worden, is wel van toepassing.

Deze voorrangsbepaling kan relevant zijn voor de volgende onderdelen van de hoofdstukken over milieubelastende activiteiten van dit omgevingsplan:

Hoofdstuk 2  Afval

Hoofdstuk 6 Geluid

Hoofdstuk 16 Trillingen

Paragraaf 18.2.3 Lozen bij maken van betonmortel

Paragraaf 18.2.18 Uitwassen van beton

Paragraaf 18.2.13 Ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal

Paragraaf 3.3.1.1  In werking hebben van een acculader

Dit omgevingsplan voorziet niet in een voorrangsbepaling voor bestaande vergunningvoorschriften of maatwerkvoorschriften op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer die op grond van het algemene overgangsrecht maatwerkvoorschriften zijn geworden en die afwijken van of een nadere invulling geven aan de omgevingsplanregels in dit omgevingsplan. Uit de wetssystematiek volgt al dat een maatwerkvoorschrift voorrang heeft op een algemene bepaling.

Onderdeel b, sub 1 tot en met 7

De onderdelen a tot en met f van het tweede lid sluiten bepaalde milieubelastende activiteiten uit van het algemene toepassingsbereik van deze afdeling. 

Op grond van artikel 22.2, eerste lid, van de Omgevingswet mogen de omgevingsplanregels van rijkswege alleen gaan over regels die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet bij of krachtens de wet waren gesteld of daaraan gelijkwaardige regels. Het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de voormalige Wet geurhinder en veehouderij waren alleen van toepassing op inrichtingen als bedoeld in artikel 1, derde lid, van de Wet milieubeheer. Omdat het begrip milieubelastende activiteit in de Omgevingswet breder is dan dat begrip inrichting, is in dit lid een afbakening van het toepassingsbereik opgenomen.

Bij de overgang naar een nieuwe wetsystematiek en begrippenkader is het niet te voorkomen dat er enkele verschuivingen in de uitvoering van de regelgeving optreden. Aanmerkelijke verschuivingen in het toepassingsbereik zijn niet beoogd. Desondanks zullen er op kleine schaal wel enige verschuivingen optreden, omdat de oude criteria van het begrip inrichting niet één op één zijn overgenomen. De omschrijving van het toepassingsbereik in dit artikel vraagt enige mate van interpretatie. Ook de criteria van het begrip inrichting uit de Wet milieubeheer vroegen om interpretatie, en werden door verschillende bevoegde instanties enigszins verschillend geïnterpreteerd.

Bij de interpretatie van het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, is het raadzaam om aan te sluiten bij de praktijk van de voormalige regelgeving. Als een activiteit als Wet milieubeheer-inrichting werd beschouwd, kan deze ook onder de regels voor milieubelastende activiteiten van deze afdeling vallen.

Een beperkte verschuiving is op zich niet bezwaarlijk, als dit er niet toe leidt dat:

  • a) activiteiten die eerst niet onder rijksregels vielen door de regels van deze afdeling van dit omgevingsplan worden beperkt;

  • b) activiteiten die wel onder de regels vielen en reële risico’s voor de fysieke leefomgeving inhouden ongeregeld blijven.

Situaties als bedoeld onder a zullen niet snel voorkomen. Juist aan de «onderkant» van het inrichtingenbegrip golden er naast de regels van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer ook andere regels die ervoor zorgen dat ook activiteiten die geen inrichting waren toch aan regels ter bescherming van de leefomgeving waren gebonden. Denk bijvoorbeeld aan de regels van de Algemene Plaatselijke Verordening, maar ook het restrisico-artikel van het Bouwbesluit 2012 (artikel 7.22). Deze regels van de Algemene Plaatselijke Verordening blijven op het moment van de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van het algemeen overgangsrecht (artikel 22.4 van de Omgevingswet bepaalt namelijk dat artikel 122 van de Gemeentewet tijdelijk niet van toepassing is) gelden. Het restrisico-artikel van het Bouwbesluit 2012 is ook opgenomen als regel van rijkswege in het omgevingsplan. Bovendien zijn de regels van deze afdeling voor activiteiten waarop ze van toepassing zouden worden zelden feitelijk beperkend, omdat bij het op gebruikelijke wijze uitvoeren van de activiteit aan de regels wordt voldaan.

Ook voor situaties als bedoeld onder b hoeft in zijn algemeenheid niet te worden gevreesd. Veelal gold voor de activiteiten aan de onderkant van het inrichtingenbegrip naast de zorgplicht van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 2.1) alleen een beperkt aantal regels, zoals de geluidregels. Een eventuele overtreding van de zorgplicht van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer zal in veel gevallen ook als overtreding van de algemene zorgplicht van de Omgevingswet kunnen worden aangemerkt. En omdat de rijksregels niet gelden, zal ook de Algemene Plaatselijke Verordening veelal een deel van de bescherming overnemen.

Het algemene overgangsrecht in artikel 22.4 van de Omgevingswet en de mogelijkheden voor maatwerk op grond van deze afdeling zullen eventuele nadelige gevolgen van de beperkte verschuivingen voldoende ondervangen.

Bij het voorbereiden van deze afdeling zijn al verschillende mogelijke verschuivingen in het toepassingsbereik geïdentificeerd. Belangrijke aandachtspunten worden hieronder benoemd.

De onderdelen in dit tweede lid beogen de criteria «een omvang alsof zij bedrijfsmatig is», «binnen een zekere begrenzing» en «pleegt te worden verricht» binnen de omschrijving van het begrip inrichting in de Wet milieubeheer te vervangen. De categorieën uit bijlage I bij het Besluit omgevingsrecht zijn niet overgenomen. Sommige ondergrenzen in die categorieën kunnen eventueel terugkomen in het toepassingsbereik van de paragrafen in deze afdeling.

Kleine winkels waar geen installaties met meer dan 1,5 kW elektromotorisch vermogen aanwezig zijn, waren bijvoorbeeld meestal geen Wet milieubeheer-inrichting, maar vallen nu wel onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling in het omgevingsplan. Alhoewel er geen specifieke voorschriften voor gelden, moeten deze activiteiten wel voldoen aan de specifieke zorgplicht.

Onderdeel b, sub 1

De omgevingsplanregels van rijkswege voor de milieubelastende activiteit zijn alleen van toepassing op milieubelastende activiteiten, anders dan wonen. Hiermee wordt aangesloten op het toepassingsbereik voor de instructieregels voor geluid, trillingen en geur in het Bkl.

Als een hobby een bepaalde omvang overstijgt kan dit ertoe leiden dat het verrichten van een activiteit niet meer onder wonen valt. Denk hierbij aan het in een bepaalde omvang houden van dieren, sleutelen aan auto’s, meubels maken of bereiden van voedingsmiddelen. Waar de grens ligt, is een grijs gebied. Hetzelfde geldt voor bedrijven aan huis. De gemeente mag hier ook zelf invulling aan geven in het omgevingsplan. Overigens was bij de toetsing of er sprake was van een Wet milieubeheer-inrichting het criterium «een omvang alsof zij bedrijfsmatig is» ook altijd een grijs gebied.

Een ander bekend voorbeeld van onduidelijkheid over de vraag of een activiteit een Wet milieubeheer-inrichting was, is het opslaan van huisbrandolie of propaan in tanks bij particulieren. Onder het regime van de Omgevingswet wordt dit afgedekt door het Bal.

Onderdeel b, sub 2

Het feitelijk verrichten van bouw- en sloopactiviteiten of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein, vallen niet onder deze afdeling. Ook in het Bbl zijn eisen opgenomen voor zowel geluid als trillingen bij bouw- en sloopactiviteiten. Het Bbl bevat voor het verrichten van die activiteiten ook een specifieke zorgplicht. Verder bevat de Algemene Plaatselijke Verordening vaak regels ter voorkoming van hinder door bouw- en sloopgerelateerde activiteiten. Het algemene overgangsrecht van de Omgevingswet in artikel 22.4 van de Omgevingswet zorgt ervoor dat deze regels van de Algemene Plaatselijke Verordening bij de inwerkingtreding van de wet blijven gelden. Naast deze regels bevat afdeling 17.2 van dit omgevingsplan een specifieke zorgplicht voor het gebruik van een bouwwerk (artikel 17.2717.28). Het is dus niet zo dat er, door de uitzondering in dit onderdeel, voor deze activiteiten geen regels gelden.

Onder het regime van de Wet milieubeheer gebeurde het in bijzondere gevallen wel dat bouwwerkzaamheden die langer duurden dan zes maanden, als een Wet milieubeheer-inrichting werden gezien. Deze activiteiten vallen buiten het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, maar ook daarvoor geldt dat de hiervoor genoemde regels van toepassing zijn.

Onderdeel b, sub 3

Deze uitzondering beoogt de activiteiten die in de openbare buitenruimte plaatsvinden uit te sluiten. Voorbeelden zijn kermissen en andere evenementen, weekmarkten, mobiele installaties/activiteiten zoals draaiorgels, ophalen van vuilnis en gevelreiniging (met uitzondering van lozen). Het voor korte periode bezetten van een stukje openbaar toegankelijk terrein, maakt het daarmee niet ontoegankelijk. Activiteiten in een openbaar toegankelijk gebouw, zoals een publieke parkeergarage of het stadhuis, vallen wel onder het toepassingsbereik. Ook het laden en lossen op de openbare weg in de onmiddellijke nabijheid van een winkel, of het verkeer van en naar het bedrijf valt wel onder het toepassingsbereik van deze afdeling.

Voor enkele activiteiten zoals het exploiteren van een mobiele vis-, friet-, oliebollen- of marktkraam of het exploiteren van een terras, was het afhankelijk van de situatie en de interpretatie van het bevoegd gezag of ze gezien werden als een Wet milieubeheer-inrichting. Deze interpretatieverschillen kunnen zich ook nu weer voordoen. Zoals al aangegeven in de inleiding van de toelichting op dit artikel is er in principe geen verschuiving in het toepassingsbereik van deze afdeling in het omgevingsplan ten opzichte van het oude begrip Wet milieubeheer-inrichting beoogd.

Onderdeel b, sub 4

Doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen valt niet onder deze afdeling van dit omgevingsplan.

Onderdeel b, sub 5

Dit onderdeel sluit evenementen, waarover geluidregels zijn gesteld in bijvoorbeeld de Algemene Plaatselijke Verordening of een evenementenverordening uit van het toepassingsbereik van deze afdeling over milieubelastende activiteiten. Deels gebeurt dit al met onderdeel c, omdat evenementen vaak plaatsvinden in de openbare buitenruimte. Maar regelmatig zijn evenementen ook besloten of vinden ze plaats in een tijdelijk leegstaand gebouw. Deze uitzondering geldt niet voor activiteiten waarvoor geen geluidregels gelden bij of krachtens een gemeentelijke verordening, maar waarvoor geluidregels waren opgenomen in een omgevingsvergunning voor een inrichting op grond van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Voorbeelden hiervan kunnen zijn permanente evenemententerreinen of evenementenhallen.

Onderdeel b, sub 6

Deze uitzondering beoogt vooral het gebruik van landbouwvoertuigen op weilanden en akkers uit te sluiten van het algemene toepassingsbereik voor deze afdeling. De opslag van vaste mest op een weiland of akker valt wel onder dit algemene toepassingsbereik. Een installatie die verplaatsbaar is maar gedurende een langere periode achtereen op een weiland of akkers wordt gebruikt, wordt niet gezien als mobiele installatie en valt ook onder de regels voor de milieubelastende activiteiten in dit omgevingsplan. Bijvoorbeeld een antihagelkanon. Ook verplaatsbare mijnbouwwerken vallen onder het toepassingsbereik van deze afdeling.

Onderdeel b, sub 7

Vaste objecten zoals bruggen, sluizen en tunnels kunnen door de aanwezigheid van elektromotorisch vermogen gezien worden als milieubelastende activiteiten. Bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen vallen niet onder het toepassingsbereik van dit omgevingsplan.

Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet bleven elektromotoren van bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen buiten beschouwing bij het bepalen of sprake was van een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Dit was bepaald in categorie 1, 1.2, onder c, van bijlage I, onderdeel C, bij het Besluit omgevingsrecht, zoals dat gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

WWWWWWWWWWWWWWW

Sectie ' Gegevens voor de vangnetvergunning lozen in schoonwaterriool' wordt geplaatst na sectie ' Oogmerken'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 18.3 Gegevens voor de vangnetvergunning lozen in schoonwaterriool

Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.269 lid 3.

Toelichting

In afdeling 18.2 zijn verschillende lozingen in de schoonwaterriolering toegestaan. Voor alle lozingen die niet door deze afdeling worden toegestaan is een voorafgaande toestemming vereist, vanwege de nadelige gevolgen die deze lozingen kunnen hebben voor de doelmatige werking van die riolering en voor de oppervlaktewaterkwaliteit. De voorafgaande toestemming heeft de vorm van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Voorheen was hiervoor een maatwerkvoorschrift op grond van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, het voormalige Besluit lozen buiten inrichtingen of het voormalige Besluit lozing afvalwater huishoudens vereist. Maar een omgevingsvergunning ligt meer voor de hand, omdat de activiteit zonder toestemming geheel verboden is.

Bij de aanvraag van de vergunning moet het maximale debiet van de lozing en het soort afvalwater worden vermeld. Dit gebruikt de gemeente om het risico op wateroverlast en de effecten van de lozing op de riolering en de oppervlaktewaterkwaliteit te beoordelen.

Dit artikel is niet van toepassing op lozingen bij wonen, omdat het voormalige Besluit lozing afvalwater huishoudens alle lozingen bij wonen toestond. Voor wonen wordt daarom volstaan met de specifieke zorgplicht in artikel 17.4317.46.

XXXXXXXXXXXXXXX

Sectie ' Lozen van grondwater bij saneringen' wordt geplaatst na sectie ' Informatieplicht lozing grondwater bij sanering of ontwatering'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 18.34 Lozen van grondwater bij saneringen

Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.139. Lid 1 van het oorspronkelijke artikel is verplaatst naar de generieke oogmerken in artikel 18.2. 

Toelichting

Afvalwater afkomstig van het saneren van de bodem of het grondwater (of een aan een grondwatersanering voorafgaand onderzoek) is qua biologische afbreekbaarheid niet vergelijkbaar met huishoudelijk afvalwater. In lijn met de voorkeursvolgorde voor het omgaan met afvalwater, opgenomen in artikel 10.29a van de Wet milieubeheer, heeft het de voorkeur om dit afvalwater na zuivering lokaal terug te brengen in het milieu en niet af te voeren naar de RWZI (rioolwaterzuiveringsinstallatie) via het openbare vuilwaterriool. Daarom is in dit artikel het lozen op of in de bodem of in een schoonwaterriool (ieder riool dat geen vuilwaterriool is) toegestaan. Deze paragraaf geldt ook voor lozingen afkomstig van milieubelastende activiteiten als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Bal. In dat geval zijn de regels van deze paragraaf maatwerkregels op grond van artikel 2.12 van dat besluit.

Bij het saneren kunnen, naast het positieve milieueffect dat de sanering heeft, ook nadelige gevolgen optreden. Om de nadelige gevolgen voor de bodem of de oppervlaktewaterkwaliteit van bij het saneren vrijkomend afvalwater te beperken, zijn in dit artikel emissiegrenswaarden opgenomen voor het lozen daarvan. Vaak wordt dit water ter plaatse gezuiverd. Het afvalwater wordt vervolgens in de bodem of een schoonwaterriool geloosd.

In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en het voormalige Besluit lozen buiten inrichtingen was ook bepaald dat het afvalwater doelmatig moest kunnen worden bemonsterd. Die regel is nu opgenomen in de specifieke zorgplicht in artikel 17.4317.46.

YYYYYYYYYYYYYYY

Sectie ' Toepassingsbereik' wordt geplaatst na sectie ' Bijzondere omstandigheden: beregeningsverbod bij droogte'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 18.74 Toepassingsbereik

Lid 1 is voormalig bruidsschat artikel 22.142.

Lid 2 is voormalig bruidsschat artikel 22.144 lid 3.

Toelichting

Eerste lid

Deze paragraaf heeft betrekking op het lozen van afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is van een verplichte bodembeschermende voorziening. Het gaat met name om afvloeiend hemelwater van daken en van verhardingen, waar geen bodembedreigende activiteiten plaatsvinden. Dit artikel is wel van toepassing op afvloeiend hemelwater afkomstig van bodembeschermende voorzieningen die vrijwillig zijn aangebracht. Onder afvloeiend hemelwater wordt niet verstaan het hemelwater van een kas als bedoeld in paragraaf 4.78 van het Bal of drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van dat besluit.

Tweede lid

De regeling voor het lozen van hemelwater heeft de voorkeursvolgorde voor het beheer van afwater (artikel 10.29a van de Wet milieubeheer) als uitgangspunt. Over het algemeen kan afvloeiend hemelwater zonder problemen lokaal in het milieu teruggebracht worden. De beheerder van het terrein of oppervlak waar het hemelwater is neergekomen, is verantwoordelijk voor het nemen van deze preventieve maatregelen en kan vervolgens op grond van de specifieke zorgplicht worden aangesproken op het nemen daarvan. De maatregelen kunnen bijvoorbeeld inhouden: het schoonhouden van het terrein, het dusdanig omgaan met milieugevaarlijke stoffen dat verontreiniging van het hemelwater wordt voorkomen, het bij de keuze van materialen die aan hemelwater zijn blootgesteld rekening houden met het feit dat bij contact van hemelwater met deze materialen verontreinigende stoffen in het hemelwater kunnen geraken (uitloging), of een zodanige wijze van onkruidbestrijding dat onnodige verontreiniging van het hemelwater wordt voorkomen. In dit omgevingsplan is ervoor gekozen deze preventieve maatregelen niet in concrete voorschriften te vertalen.

In het tweede lid is het lozen van afvloeiend hemelwater vanaf rijkswegen en provinciale wegen buiten de bebouwde kom geregeld. Tot die wegen behoren eveneens de daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, en overig openbaar gebied. In het verleden is veel onderzoek verricht naar verontreinigingen in afvloeiend hemelwater van wegen en overige openbare ruimte. Afhankelijk van de intensiteit van het verkeer kan het in meer of mindere mate verontreinigd zijn met straatvuil, waarin PAK’s, zware metalen of minerale olie voorkomen. Buiten de bebouwde kom is het lozen van afstromend wegwater in een gemeentelijk rioolstelsel veelal niet mogelijk, omdat daar geen rioolstelsels zijn aangelegd, of alleen rioolstelsels, die niet bestemd zijn voor afvoer van regenwater. Het wegwater vloeit buiten de bebouwde kom meestal af naar de bodem of een eventueel aanwezig oppervlaktewaterlichaam. Hemelwater afkomstig van rijkswegen en provinciale wegen wordt buiten de bebouwde kom bij voorkeur geloosd op de bodem. Als lozen in de bodem niet (of niet volledig) mogelijk is, kan lozing (deels) plaatsvinden in een oppervlaktewaterlichaam. De regels hierover staan in de waterschapsverordening.

De voorkeursvolgorde in het tweede lid is niet van toepassing op lozingen van hemelwater bij de activiteit wonen, omdat het voormalige Besluit lozing afvalwater huishoudens geen inhoudelijke regels over deze lozingen kende. Voor wonen wordt daarom volstaan met de specifieke zorgplicht van artikel 17.4317.46.

ZZZZZZZZZZZZZZZ

Sectie ' Lozen van afvloeiend hemelwater' wordt geplaatst na sectie ' Informatieplicht lozing hemelwater'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 18.76 Lozen van afvloeiend hemelwater

Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.144. Lid 3 van het oorspronkelijke artikel is toegevoegd aan artikel 18.74.

Toelichting

De regeling voor het lozen van hemelwater heeft de voorkeursvolgorde voor het beheer van afwater (artikel 10.29a van de Wet milieubeheer) als uitgangspunt. Over het algemeen kan afvloeiend hemelwater zonder problemen lokaal in het milieu teruggebracht worden. De beheerder van het terrein of oppervlak waar het hemelwater is neergekomen, is verantwoordelijk voor het nemen van deze preventieve maatregelen en kan vervolgens op grond van de specifieke zorgplicht worden aangesproken op het nemen daarvan. De maatregelen kunnen bijvoorbeeld inhouden: het schoonhouden van het terrein, het dusdanig omgaan met milieugevaarlijke stoffen dat verontreiniging van het hemelwater wordt voorkomen, het bij de keuze van materialen die aan hemelwater zijn blootgesteld rekening houden met het feit dat bij contact van hemelwater met deze materialen verontreinigende stoffen in het hemelwater kunnen geraken (uitloging), of een zodanige wijze van onkruidbestrijding dat onnodige verontreiniging van het hemelwater wordt voorkomen. In dit omgevingsplan is ervoor gekozen deze preventieve maatregelen niet in concrete voorschriften te vertalen.

In het tweede lid is het lozen van afvloeiend hemelwater vanaf rijkswegen en provinciale wegen buiten de bebouwde kom geregeld. Tot die wegen behoren eveneens de daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, en overig openbaar gebied. In het verleden is veel onderzoek verricht naar verontreinigingen in afvloeiend hemelwater van wegen en overige openbare ruimte. Afhankelijk van de intensiteit van het verkeer kan het in meer of mindere mate verontreinigd zijn met straatvuil, waarin PAK’s, zware metalen of minerale olie voorkomen. Buiten de bebouwde kom is het lozen van afstromend wegwater in een gemeentelijk rioolstelsel veelal niet mogelijk, omdat daar geen rioolstelsels zijn aangelegd, of alleen rioolstelsels, die niet bestemd zijn voor afvoer van regenwater. Het wegwater vloeit buiten de bebouwde kom meestal af naar de bodem of een eventueel aanwezig oppervlaktewaterlichaam. Hemelwater afkomstig van rijkswegen en provinciale wegen wordt buiten de bebouwde kom bij voorkeur geloosd op de bodem. Als lozen in de bodem niet (of niet volledig) mogelijk is, kan lozing (deels) plaatsvinden in een oppervlaktewaterlichaam. De regels hierover staan in de waterschapsverordening.

De voorkeursvolgorde in het tweede lid is niet van toepassing op lozingen van hemelwater bij de activiteit wonen, omdat het voormalige Besluit lozing afvalwater huishoudens geen inhoudelijke regels over deze lozingen kende. Voor wonen wordt daarom volstaan met de specifieke zorgplicht van artikel 17.4317.46.

AAAAAAAAAAAAAAAA

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.8 lid 1

Dit is voormalig artikel 4.2.1 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Wonen Rijssen, tennispark Opbroek.

[Vervallen]

BBBBBBBBBBBBBBBB

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.8 lid 2

Dit is voormalig artikel 5.2.1 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Wonen Rijssen, tennispark Opbroek.

Toelichting

Het college kan met een omgevingsvergunning een kleinere dakhelling toelaten dan de minimale 10°.  Dit kan onder voorwaarden dat het te bouwen bouwwerk aangebouwd wordt aan een gebouw dat reeds plat is afgedekt.

[Vervallen]

CCCCCCCCCCCCCCCC

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.8 lid 3

Dit is voormalig artikel 5.2.2 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Wonen Rijssen, tennispark Opbroek.

[Vervallen]

DDDDDDDDDDDDDDDD

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.8 lid 4

Dit is voormalig artikel 5.2.3 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Wonen Rijssen, tennispark Opbroek.

Toelichting

In het oorspronkelijke TAM-omgevingsplan was abusievelijk geen maatvoering voor overkappingen opgenomen. Dat is met dit omgevingsplan hersteld waarbij aansluiting is gezocht bij maatvoering uit andere bestemmingsplannen.

[Vervallen]

EEEEEEEEEEEEEEEE

Na sectie ' Toepassingsbereik' worden tien secties ingevoegd, luidende:

Artikel 19.3 Agrarisch landschap - gemengde functies

Dit is artikel 46 Agrarisch landschap - gemengde functies.

Toelichting

Het buitengebied van de gemeente Rijssen-Holten kenmerkt zich door een grote verscheidenheid aan functies. Het primaat ligt hierbij in een groot deel van het buitengebied op de landbouw. De landbouw maakt een ontwikkeling door waarbij schaalgrootte en innovatie belangrijke sleutelbegrippen zijn. Landbouw blijft een belangrijke drager van fysieke en ruimtelijke kenmerken van het buitengebied. In het landschap zien we een tweedeling ontstaan; er zijn relatief geconcentreerde landbouwgebieden en (mix)gebieden waarin ook andere functies voorkomen, zoals wonen en recreatie.

Het landschapsontwikkelingsplan (LOP) van de gemeente Rijssen-Holten deelt het buitengebied op in deelgebieden aan de hand van de ruimtelijke kenmerken. Het LOP is een overkoepelend toetsingskader voor verdeling, uitbreiding, verplaatsing en nieuwvestiging van functies in het buitengebied. Elk gebied is uniek door haar aanwezige kenmerken. Toch zijn er ook overkoepelende kenmerken (of factoren) die mede bepalend zijn in de ruimtelijke kwaliteit van een gebied. Deze factoren zijn echter niet altijd zichtbaar. De ruimtelijke dragers moeten bekeken worden bij een uitbreiding, verplaatsing of nieuwvestiging van functies in het plangebied. Niet alle factoren zullen altijd van belang zijn en soms zullen er specifieke kenmerken zijn die nadere beschouwing behoeven.

Artikel 19.8 Natuurlandschap

Dit artikel 44 van het Chw veegplan buitengebied Rijssen - Holten. 

Toelichting

Het buitengebied kent een diversiteit aan functies. Water, bos en natuur zijn daarbij belangrijke ruimtelijke dragers in het landschap. In dit artikel worden alle drie de dragers meegenomen. Zij vormen samen de basisfunctielaag natuurlandschap in dit omgevingsplan. Dit natuurlandschap dient beschermd te worden. Binnen het natuurlandschap is er niet alleen ruimte voor natuur en ontwikkeling van natuur, maar ook extensieve recreatie is bijvoorbeeld te verenigen met het natuurlandschap. Daarnaast zijn er diverse bouwwerken toegelaten die zich in beginsel verdragen met de aanwezige natuurwaarden. Bouw van nieuwe bouwwerken is slechts in beperkte mate mogelijk. Het gaat dan bijvoorbeeld om voorzieningen voor het keren en beheersen van water zoals dammen, duikers enzovoort.

Binnen het natuurlandschap zijn ook woningen gelegen. Ten behoeve van bestaande woningen zijn binnen het natuurlandschap wel bijbehorende voorzieningen mogelijk. Het gaat dan bijvoorbeeld om een tuin, parkeervoorzieningen, erfontsluiting en aan de woning ondergeschikte functies zoals een bedrijf en beroep aan huis. Voor bestaande woningen is van belang dat bij vergroting, uitbreiding of nieuwbouw het karakter van het natuurlandschap blijft behouden.

Binnen het natuurlandschap komen eveneens recreatiewoningen voor. Dit kunnen ook bedrijfsmatig geëxploiteerde recreatiewoningen zijn. Het gemeentelijk en provinciaal beleid gaat ervan uit dat het aantal recreatiewoningen niet mag toenemen.

Ter bescherming van de natuur- en landschapswaarden worden een aantal werken en werkzaamheden getoetst op hun effect op de natuur- en landschapswaarden. Door een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van diverse werken heeft de gemeente een toetsingsinstrument. Dit instrument geldt bijvoorbeeld voor alle vormen van verharden van onverharde wegen, fietspaden, paden of parkeergelegenheden. De werken of werkzaamheden zijn in sommige gevallen verenigbaar met de aanwezige natuurwaarden. Wanneer de werkzaamheden geen blijvende, wezenlijke invloed hebben op de natuurwaarden, zal de vergunning worden verleend. Dit geldt ook als voldoende compensatie plaatsvindt als behoud niet mogelijk blijkt. Er hoeft geen vergunning te worden aangevraagd wanneer sprake is van normaal onderhoud, beheer of exploitatie.

Voor alle functies binnen de basisfunctie natuurlandschap zijn er algemene of locatiespecifieke bouwregels van toepassing.

Artikel 19.13 lid 1

Lid 1 is voormalig artikel 4.1 van het TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22b herontwikkeling Albert Heijn Holten. Maatvoering (zoals bijvoorbeeld voor de supermarkt) is opgenomen in de artikelen over de vergunningplicht in deze paragraaf.

Artikel 19.13 lid 2

Lid 2 is voormalig artikel 4.4 van het TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22b herontwikkeling Albert Heijn Holten.

Artikel 19.15 Algemene beoordelingsregels voor gebouwen

Dit is voormalig artikel 4.2 van het TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22b herontwikkeling Albert Heijn Holten.

Artikel 19.16 Bodemonderzoek en omgevingsvergunning

Dit is voormalig artikel 7.3 van het TAM-IMRO omgevingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22b herontwikkeling Albert Heijn Holten.

Artikel 19.17 Specifieke beoordelingsregel voor etalages en ingangen buiten bouwgrens

Dit is voormalig artikel 4.3 sub a van het TAM-IMRO omgevingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22b herontwikkeling Albert Heijn Holten.

Artikel 19.18 Specifieke beoordelingsregel voor luifels

Dit is voormalig artikel 4.3 sub b van het TAM-IMRO omgevingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22b herontwikkeling Albert Heijn Holten.

Artikel 19.19 Specifieke beoordelingsregel voor bouwwerken, geen gebouw zijnde

Dit is voormalig artikel 4.2 onder g van het TAM-IMRO omgevingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22b herontwikkeling Albert Heijn Holten.

Artikel 19.20 Omgevingsvergunning gebruiksactiviteiten

 Dit is voormalig artikel 4.5 van het van het TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22b herontwikkeling Albert Heijn Holten. 

FFFFFFFFFFFFFFFF

Sectie ' Groen' wordt geplaatst na sectie ' Voormalig hoofdstuk 22c - TAM - omgevingsplan, Wonen Rijssen - tennispark Opbroek'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

GGGGGGGGGGGGGGGG

Sectie ' Sport' wordt geplaatst na sectie ' Groen'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

HHHHHHHHHHHHHHHH

Sectie ' Verkeer - verblijf' wordt geplaatst na sectie ' Sport'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.619.23 Verkeer - verblijf

IIIIIIIIIIIIIIII

Sectie ' Waarde - Archeologie middelhoge verwachting' wordt geplaatst na sectie ' Verkeer - verblijf'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.719.24 Waarde - Archeologie middelhoge verwachting

JJJJJJJJJJJJJJJJ

Sectie ' Omgevingsvergunning werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheden in verband met archeologische waarden' wordt geplaatst na sectie ' Waarde - Archeologie middelhoge verwachting'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.919.29 Omgevingsvergunning werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheden in verband met archeologische waarden

KKKKKKKKKKKKKKKK

Na sectie ' Omgevingsvergunning werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheden in verband met archeologische waarden' worden 26 secties ingevoegd, luidende:

Artikel 19.33 Agrarisch landschap - gemengde functies

De basisfunctielaag agarisch landschap - gemengde functies ontbrak in het vastgestelde TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Buitengebied Holten, functiewijziging Schuppertsweg 2-4 (NL.IMRO.1742.TAMB2024002-0401) en is met het omzetten naar STOP-TPOD toegevoegd. De inhoud van de regels is afkomstig uit het vastgestelde onderliggende omgevingsplan: Chw Veegplan Buitengebied Rijssen-Holten (NL.IMRO.1742.BPB2023000-0401) van het tijdelijk deel omgevingsplan, artikel 46.2 en 46.3 'agrarisch landschap - gemengde functies'.

Artikel 19.34 Archeologische verwachtingswaarde Schuppertsweg 2-4 in Holten

Dit is voormalig artikel 6.2.1 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Buitengebied Holten, functiewijziging Schuppertsweg 2-4.

Toelichting

In het plangebied zijn gebieden aangewezen waar voor archeologie een verwachtingswaarde geldt. Om de mogelijke archeologische waarden in deze gebieden te beschermen gelden er regels voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden.

Artikel 19.35 lid 1

Dit is voormalig artikel 4.1 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Buitengebied Holten, functiewijziging Schuppertsweg 2-4.

Artikel 19.35 lid 2

Dit is voormalig artikel 4.2 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Buitengebied Holten, functiewijziging Schuppertsweg 2-4.

Artikel 19.35 lid 3

Dit is een deel van voormalig artikel 4.3.1 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Buitengebied Holten, functiewijziging Schuppertsweg 2-4. De resterende vorm van strijdig gebruik zijn generiek in hoofdstukken 3, 4, 9 en 17 verboden.

Artikel 19.35 lid 4

Dit is een deel van voormalig artikel 4.3.2 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Buitengebied Holten, functiewijziging Schuppertsweg 2-4. De resterende vorm van strijdig gebruik zijn generiek in hoofdstukken 3, 4, 9 en 17 verboden.

Artikel 19.36 Landschap Beuseberg, Zuurberg en Borkeld

Dit is voormalig artikel 6.1 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Buitengebied Holten, functiewijziging Schuppertsweg 2-4.

Artikel 19.37 Reliëf

Dit is voormalig artikel 6.6 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Buitengebied Holten, functiewijziging Schuppertsweg 2-4.

Artikel 19.38 Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing

Dit is voormalig artikel 4.3.3. van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Buitengebied Holten, functiewijziging Schuppertsweg 2-4.

Artikel 19.39 Melding beroep of bedrijf aan huis

Dit is voormalig artikel 4.4.4 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Buitengebied Holten, functiewijziging Schuppertsweg 2-4.

Artikel 19.40 Melding inwoonsituatie

Dit is voormalig artikel 4.4.5 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Buitengebied Holten, functiewijziging Schuppertsweg 2-4.

Artikel 19.41 Algemene beoordelingsregels voor bedrijfsgebouwen

Dit is voormalig artikel 4.2.1.1 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Buitengebied Holten, functiewijziging Schuppertsweg 2-4.

Artikel 19.42 Algemene beoordelingsregels voor bedrijfswoningen

Dit is voormalig artikel 4.2.2.1 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Buitengebied Holten, functiewijziging Schuppertsweg 2-4.

Artikel 19.43 Algemene beoordelingsregels voor milieuaspecten voor alle bouwwerken

Dit is een deel van voormalig artikel 4.2.1.4 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Buitengebied Holten, functiewijziging Schuppertsweg 2-4.

Artikel 19.44 Specifieke beoordelingsregels voor bedrijfsgebouwen

Dit is voormalig artikel 4.2.1.2 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Buitengebied Holten, functiewijziging Schuppertsweg 2-4.

Artikel 19.45 Specifieke beoordelingsregels voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde bij de bedrijfsgebouwen

Dit is voormalig artikel 4.2.1.3 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Buitengebied Holten, functiewijziging Schuppertsweg 2-4.

Artikel 19.46 Specifieke beoordelingsregels voor bedrijfswoningen

Dit is voormalig artikel 4.2.2.2 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Buitengebied Holten, functiewijziging Schuppertsweg 2-4.

In het derde lid is artikel 4.5.3 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Buitengebied Holten, functiewijziging Schuppertsweg 2-4 verwerkt.

Artikel 19.47 Specifieke beoordelingsregels voor bijbehorende bouwwerken bij de bedrijfswoning

Dit is voormalig artikel 4.2.2.3 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Buitengebied Holten, functiewijziging Schuppertsweg 2-4.

In sub g is voormalig artikel 4.5.2 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Buitengebied Holten, functiewijziging Schuppertsweg 2-4 verwerkt.

In sub h is voormalig artikel 4.5.4 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Buitengebied Holten, functiewijziging Schuppertsweg 2-4 verwerkt.

Artikel 19.48 Specifieke beoordelingsregels voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde bij de bedrijfswoning

Dit is voormalig artikel 4.2.2.4 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Buitengebied Holten, functiewijziging Schuppertsweg 2-4. Sub a en b over perceel- en erfafscheidingen zijn niet overgenomen, want deze zijn al gesteld artikelen 4.15 en 4.38.

Artikel 19.49 Specifieke beoordelingsregels voor een buitenopslag

Dit is voormalig artikel 4.4.2 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Buitengebied Holten, functiewijziging Schuppertsweg 2-4.

Artikel 19.50 Specifieke beoordelingsregels voor het inpandig vergroten voormalige boerderij

Dit is voormalig artikel 4.5.1 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Buitengebied Holten, functiewijziging Schuppertsweg 2-4.

Artikel 19.51 Specifieke beoordelingsregels voor een paardrijbak

Dit is voormalig artikel 4.4.3 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Buitengebied Holten, functiewijziging Schuppertsweg 2-4.

Artikel 19.52 Omgevingsplanactiviteit in verband met archeologische waarde

Dit is voormalig artikel 6.2.3 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Buitengebied Holten, functiewijziging Schuppertsweg 2-4.

Artikel 19.53 Beoordelingsregels in verband met archeologische waarde

In het TAM-omgevingsplan is een vergunningplicht opgenomen voor bepaalde werkzaamheden binnen de zone 'archeologische verwachtingswaarde'. Aan een vergunningplicht worden normaal beoordelingsregels gekoppeld. Op basis van die regels kan een omgevingsvergunning verleend of geweigerd worden. Abusievelijk zijn aan het TAM-omgevingsplan voor deze locaties geen beoordelingsregels gekoppeld. In het omgevingsplan wordt dit hersteld door de algemene beoordelingsregel uit onder meer de 'moederplannen' Veegplan Wonen Rijssen en Veegplan Wonen Holten te koppelen.

Artikel 19.54 Omgevingsplanactiviteit overige grondwerkwerkzaamheden

Dit zijn voormalig artikelen 7.1.1 en 7.1.3 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Buitengebied Holten, functiewijziging Schuppertsweg 2-4. De zelfstandige herplantplicht uit artikel 9.1.4 is niet overgenomen omdat deze op basis van in hoofdstuk 9 algemeen geldt.

Artikel 19.55 Beoordelingsregels in verband met overige grondwerkzaamheden

Dit is voormalig artikel 7.1.2 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Buitengebied Holten, functiewijziging Schuppertsweg 2-4.

LLLLLLLLLLLLLLLL

Sectie ' Archeologische verwachtingswaarde Helhuizerweg 14 in Holten' wordt geplaatst na sectie ' Voormalig hoofdstuk 22h - TAM - omgevingsplan, Buitengebied Holten, uitbreiding recreatieterrein Helhuizerweg 14'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.1419.56 Archeologische verwachtingswaarde Helhuizerweg 14 in Holten

MMMMMMMMMMMMMMMM

Sectie ' Hydrologische bescherming' wordt geplaatst na sectie ' Archeologische verwachtingswaarde Helhuizerweg 14 in Holten'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.1519.57 Hydrologische bescherming

NNNNNNNNNNNNNNNN

Sectie ' Landschap de Holterberg' wordt geplaatst na sectie ' Hydrologische bescherming'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.1619.58 Landschap de Holterberg

OOOOOOOOOOOOOOOO

Sectie ' Landschap Westflank Holterberg' wordt geplaatst na sectie ' Landschap de Holterberg'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.1719.59 Landschap Westflank Holterberg

PPPPPPPPPPPPPPPP

Sectie '' wordt geplaatst na sectie ' Landschap Westflank Holterberg'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

QQQQQQQQQQQQQQQQ

Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

RRRRRRRRRRRRRRRR

Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

SSSSSSSSSSSSSSSS

Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

TTTTTTTTTTTTTTTT

Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

UUUUUUUUUUUUUUUU

Sectie ' Melding beroep of bedrijf aan huis ' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.2119.63 Melding beroep of bedrijf aan huis 

VVVVVVVVVVVVVVVV

Sectie ' Melding inwoonsituatie' wordt geplaatst na sectie ' Melding beroep of bedrijf aan huis '. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.2219.64 Melding inwoonsituatie

WWWWWWWWWWWWWWWW

Sectie ' Algemene beoordelingsregels - gebouwen recreatie - verblijfsrecreatie' wordt geplaatst na sectie ' Melding inwoonsituatie'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.2319.65 Algemene beoordelingsregels - gebouwen recreatie - verblijfsrecreatie

XXXXXXXXXXXXXXXX

Sectie ' Algemene beoordelingsregels - milieuregels voor alle bouwwerken' wordt geplaatst na sectie ' Algemene beoordelingsregels - gebouwen recreatie - verblijfsrecreatie'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.2419.66 Algemene beoordelingsregels - milieuregels voor alle bouwwerken

YYYYYYYYYYYYYYYY

Sectie ' Specifieke beoordelingsregels - bedrijfswoning recreatie - verblijfsrecreatie' wordt geplaatst na sectie ' Algemene beoordelingsregels - milieuregels voor alle bouwwerken'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.2519.67 Specifieke beoordelingsregels - bedrijfswoning recreatie - verblijfsrecreatie

ZZZZZZZZZZZZZZZZ

Sectie ' Specifieke beoordelingsregels - bijbehorende bouwwerken recreatie - verblijfsrecreatie' wordt geplaatst na sectie ' Specifieke beoordelingsregels - bedrijfswoning recreatie - verblijfsrecreatie'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.2619.68 Specifieke beoordelingsregels - bijbehorende bouwwerken recreatie - verblijfsrecreatie

AAAAAAAAAAAAAAAAA

Sectie ' Specifieke beoordelingregels - boerderijeappartementen recreatie - verblijfsrecreatie' wordt geplaatst na sectie ' Specifieke beoordelingsregels - bijbehorende bouwwerken recreatie - verblijfsrecreatie'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.2719.69 Specifieke beoordelingregels - boerderijeappartementen recreatie - verblijfsrecreatie

BBBBBBBBBBBBBBBBB

Sectie ' Specifieke beoordelingsregels - bouwwerken geen gebouw zijnde recreatie - verblijfsrecreatie' wordt geplaatst na sectie ' Specifieke beoordelingregels - boerderijeappartementen recreatie - verblijfsrecreatie'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.2819.70 Specifieke beoordelingsregels - bouwwerken geen gebouw zijnde recreatie - verblijfsrecreatie

CCCCCCCCCCCCCCCCC

Sectie ' Specifieke beoordelingsregels - inpandig vergroten voormalige boerderij' wordt geplaatst na sectie ' Specifieke beoordelingsregels - bouwwerken geen gebouw zijnde recreatie - verblijfsrecreatie'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.2919.71 Specifieke beoordelingsregels - inpandig vergroten voormalige boerderij

DDDDDDDDDDDDDDDDD

Sectie ' Specifieke beoordelingsregels - gebouwen voor onderhoud in bosgebieden' wordt geplaatst na sectie ' Specifieke beoordelingsregels - inpandig vergroten voormalige boerderij'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.3019.72 Specifieke beoordelingsregels - gebouwen voor onderhoud in bosgebieden

EEEEEEEEEEEEEEEEE

Sectie ' Specifieke beoordelingsregels - bouwwerken geen gebouw zijnde in natuur - natuurlandschap' wordt geplaatst na sectie ' Specifieke beoordelingsregels - gebouwen voor onderhoud in bosgebieden'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.3119.73 Specifieke beoordelingsregels - bouwwerken geen gebouw zijnde in natuur - natuurlandschap

FFFFFFFFFFFFFFFFF

Sectie ' Specifiek overgangsrecht bouwwerken' wordt geplaatst na sectie ' Specifieke beoordelingsregels - bouwwerken geen gebouw zijnde in natuur - natuurlandschap'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.3219.74 Specifiek overgangsrecht bouwwerken

GGGGGGGGGGGGGGGGG

Sectie ' Omgevingsplanactiviteit in verband met archeologische waarde' wordt geplaatst na sectie ' Specifiek overgangsrecht bouwwerken'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.3319.75 Omgevingsplanactiviteit in verband met archeologische waarde

HHHHHHHHHHHHHHHHH

Sectie ' Beoordelingsregels in verband met archeologische waarde' wordt geplaatst na sectie ' Omgevingsplanactiviteit in verband met archeologische waarde'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.3419.76 Beoordelingsregels in verband met archeologische waarde

IIIIIIIIIIIIIIIII

Sectie ' Voorschriften omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk of werkzaamheden in verband met archeologische waarde' wordt geplaatst na sectie ' Beoordelingsregels in verband met archeologische waarde'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.3519.77 Voorschriften omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk of werkzaamheden in verband met archeologische waarde

JJJJJJJJJJJJJJJJJ

Sectie ' Omgevingsplanactiviteit in verband met hydrologische bescherming' wordt geplaatst na sectie ' Voorschriften omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk of werkzaamheden in verband met archeologische waarde'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.3619.78 Omgevingsplanactiviteit in verband met hydrologische bescherming

KKKKKKKKKKKKKKKKK

Sectie ' Beoordelingsregels in verband met hydrologische bescherming' wordt geplaatst na sectie ' Omgevingsplanactiviteit in verband met hydrologische bescherming'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.3719.79 Beoordelingsregels in verband met hydrologische bescherming

LLLLLLLLLLLLLLLLL

Sectie ' Voorschriften omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk of werkzaamheden in verband met hydrologische bescherming' wordt geplaatst na sectie ' Beoordelingsregels in verband met hydrologische bescherming'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.3819.80 Voorschriften omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk of werkzaamheden in verband met hydrologische bescherming

MMMMMMMMMMMMMMMMM

Sectie ' Omgevingsplanactiviteit overige grondwerkwerkzaamheden ' wordt geplaatst na sectie ' Voorschriften omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk of werkzaamheden in verband met hydrologische bescherming'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.3919.81 Omgevingsplanactiviteit overige grondwerkwerkzaamheden 

NNNNNNNNNNNNNNNNN

Sectie ' Beoordelingsregels in verband met overige grondwerkzaamheden' wordt geplaatst na sectie ' Omgevingsplanactiviteit overige grondwerkwerkzaamheden '. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.4019.82 Beoordelingsregels in verband met overige grondwerkzaamheden

OOOOOOOOOOOOOOOOO

Sectie ' Omgevingsvergunnig slopen bouwwerk Helhuizerweg 14 in Holten' wordt geplaatst na sectie ' Beoordelingsregels in verband met overige grondwerkzaamheden'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.4119.83 Omgevingsvergunnig slopen bouwwerk Helhuizerweg 14 in Holten

PPPPPPPPPPPPPPPPP

Sectie ' Beoordelingsregels slopen bouwwerk Helhuizerweg 14 in Holten' wordt geplaatst na sectie ' Omgevingsvergunnig slopen bouwwerk Helhuizerweg 14 in Holten'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.4219.84 Beoordelingsregels slopen bouwwerk Helhuizerweg 14 in Holten

QQQQQQQQQQQQQQQQQ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 19.1.14 Voormalig hoofdstuk 22m - TAM - omgevingsplan, Buitengebied verbranden snoeiafval buiten een installatie

Toelichting

Dit TAM-IMRO omgevingsplan is gericht op het faciliteren van beoordelingsregels voor de milieubelastende activiteit 'Verbranden van afvalstoffen anders dan in een ippc-installatie' en is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22m) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Rijssen-Holten. Dit hoofdstuk is bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. Het is met de landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

[Vervallen]

RRRRRRRRRRRRRRRRR

Na sectie ' Beoordelingsregels slopen bouwwerk Helhuizerweg 14 in Holten' worden negen secties ingevoegd, luidende:

Artikel 19.85 Nader bodemonderzoek voorafgaand aan activiteiten en gebruik

Dit is voormalig artikel 11 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22i Kern Rijssen, herontwikkeling Grotestraat 26 Rijssen.

Artikel 19.86 lid 1

Lid 1 is voormalig artikel 5.2 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22i Kern Rijssen, herontwikkeling Grotestraat 26 Rijssen. Normen zijn opgenomen in de artikelen voor de vergunningplicht in deze paragraaf.

Artikel 19.86 lid 2

Lid 2 is voormalig artikelen 5.5 en 10 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22i Kern Rijssen, herontwikkeling Grotestraat 26 Rijssen. Uit deze artikelen zijn alleen de locatiespecifieke strijdige vormen van gebruik overgenomen. De overige vormen van strijdig gebruik zijn opgenomen in hoofdstukken 3, 4, 9 en 17 van dit omgevingsplan.

Artikel 19.87 Verkeer - verblijfsgebied

Dit is voormalig artikel 6 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22i Kern Rijssen, herontwikkeling Grotestraat 26 Rijssen.

Artikel 19.88 Algemene beoordelingsregels voor gebouwen

Dit artikel is een samenvoeging van voormalig artikel 5.2 en 5.3.1 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22i Kern Rijssen, herontwikkeling Grotestraat 26 Rijssen.

Artikel 19.89 Specifieke beoordelingsregels voor bouwwerken geen gebouw zijnde voor centrum - 2

Dit is voormalig artikel 5.3.2 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22i Kern Rijssen, herontwikkeling Grotestraat 26 Rijssen.

Artikel 19.90 Specifieke beoordelingsregels voor bouwwerken geen gebouw zijnde verkeer - verblijfsgebied

Dit is voormalig artikel 6 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22i Kern Rijssen, herontwikkeling Grotestraat 26 Rijssen.

Artikel 19.91 Vergunningplicht sloopactiviteit

Dit is voormalig artikel 5.4 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22i Kern Rijssen, herontwikkeling Grotestraat 26 Rijssen.

Artikel 19.92 Vergunningplicht werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid uitvoeren

Dit is voormalig artikel 7 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22i Kern Rijssen, herontwikkeling Grotestraat 26 Rijssen.

SSSSSSSSSSSSSSSSS

Sectie '' wordt geplaatst na sectie ' Voormalig hoofdstuk 22j - TAM - omgevingsplan, Dorpstraat 55-55a in Holten'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

TTTTTTTTTTTTTTTTT

Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.4419.93 lid 2

Dit is voormalig artikel 5.4.1 sub b en c van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Kern Holten, Dorpsstraat 55-55a. Sub a is al generiek gereguleerd via artikel 17.2517.26.

UUUUUUUUUUUUUUUUU

Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

VVVVVVVVVVVVVVVVV

Sectie ' Waarde - middelhoge archeologische verwachtingswaarde' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.4519.94 Waarde - middelhoge archeologische verwachtingswaarde

WWWWWWWWWWWWWWWWW

Sectie ' Anti-dubbeltelregel' wordt geplaatst na sectie ' Waarde - middelhoge archeologische verwachtingswaarde'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.4619.95 Anti-dubbeltelregel

XXXXXXXXXXXXXXXXX

Sectie ' Specifieke beoordelingsregels - gebouwen gemengd' wordt geplaatst na sectie ' Anti-dubbeltelregel'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.4719.96 Specifieke beoordelingsregels - gebouwen gemengd

YYYYYYYYYYYYYYYYY

Sectie ' Specifieke beoordelingsregels - bouwwerken geen gebouw zijnde gemend' wordt geplaatst na sectie ' Specifieke beoordelingsregels - gebouwen gemengd'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.4819.97 Specifieke beoordelingsregels - bouwwerken geen gebouw zijnde gemend

ZZZZZZZZZZZZZZZZZ

Sectie ' Specifieke beoordelingsregels - gebruik wonen op begane grond' wordt geplaatst na sectie ' Specifieke beoordelingsregels - bouwwerken geen gebouw zijnde gemend'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.4919.98 Specifieke beoordelingsregels - gebruik wonen op begane grond

AAAAAAAAAAAAAAAAAA

Sectie ' Specifiek overgangsrecht bouwwerken' wordt geplaatst na sectie ' Specifieke beoordelingsregels - gebruik wonen op begane grond'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.5019.99 Specifiek overgangsrecht bouwwerken

BBBBBBBBBBBBBBBBBB

Sectie ' Omgevingsplanactiviteit in verband met archeologische verwachtingswaarde' wordt geplaatst na sectie ' Specifiek overgangsrecht bouwwerken'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.5119.100 Omgevingsplanactiviteit in verband met archeologische verwachtingswaarde

CCCCCCCCCCCCCCCCCC

Sectie ' Omgevingsplanactiviteit overige grondwerkzaamheden' wordt geplaatst na sectie ' Omgevingsplanactiviteit in verband met archeologische verwachtingswaarde'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.5219.101 Omgevingsplanactiviteit overige grondwerkzaamheden

DDDDDDDDDDDDDDDDDD

Na sectie ' Omgevingsplanactiviteit overige grondwerkzaamheden' worden acht secties ingevoegd, luidende:

Artikel 19.102 Bedrijventerrein

Lid 1 is voormalig artikel 4.1 sub a tot en met f en 4.2.1 van het TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22k Bedrijventerrein Rijssen, Fahrenheitstraat 2.

Artikel 19.102 lid 1

Lid 2 is voormalig artikel 4.1 sub g tot en met j en artikel 4.4

Artikel 19.103 Algemene beoordelingsregels voor gebouwen en bouwwerken geen gebouw zijnde

Lid 1, 2 en 3 zijn artikel voormalig 4.2.2 van het TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22k Bedrijventerrein Rijssen, Fahrenheitstraat 2.

Lid 4 en 5 zijn voormalig artikel 5.1 tot en met 5.3 van het TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22k Bedrijventerrein Rijssen, Fahrenheitstraat 2. Het beperkingengebied voor de gasleiding is aangewezen in artikel 17.5.

Artikel 19.104 lid 1

Dit lid is voormalig artikel 4.2.2 onder d van TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22k Bedrijventerrein Rijssen, Fahrenheitstraat 2. Omdat de regels over erf- en perceelafscheidingen al zijn opgenomen in artikel 4.15, zijn deze niet overgenomen.

Artikel 19.104 lid 2

Dit lid is voormalig artikel 4.3.3 van het TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22k Bedrijventerrein Rijssen, Fahrenheitstraat 2.

Artikel 19.105 Specifieke beoordelingsregels voor bouwwerken voor een gasleiding

Dit artikel is voormalig artikel 5.2 en 5.3 van het TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22k Bedrijventerrein Rijssen, Fahrenheitstraat 2.

Artikel 19.106 Omgevingsvergunning gebruiksactiviteit

Lid 1 en 2 zijn voormalig artikel 4.3 van het TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22k Bedrijventerrein Rijssen, Fahrenheitstraat 2.

Artikel 19.107 Omgevingsvergunning werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid uitvoeren

Lid 1 en 2 zijn voormalig artikel 5.4 van het TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22k Bedrijventerrein Rijssen, Fahrenheitstraat 2.

EEEEEEEEEEEEEEEEEE

Sectie ' Agrarisch met waarden - Met grote landschappelijke waarde' wordt geplaatst na sectie ' Voormalig hoofdstuk 22l - TAM - omgevingsplan, Wonen Rijssen - Oosterhofweg 244 in Rijssen'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.5419.108 Agrarisch met waarden - Met grote landschappelijke waarde

FFFFFFFFFFFFFFFFFF

Sectie '' wordt geplaatst na sectie ' Agrarisch met waarden - Met grote landschappelijke waarde'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

GGGGGGGGGGGGGGGGGG

Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

HHHHHHHHHHHHHHHHHH

Sectie ' Overgangsrecht gebruik' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.5519.109 Overgangsrecht gebruik

IIIIIIIIIIIIIIIIII

Sectie ' Waarde - middelhoge archeologische verwachtingswaarde' wordt geplaatst na sectie ' Overgangsrecht gebruik'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.5619.110 Waarde - middelhoge archeologische verwachtingswaarde

JJJJJJJJJJJJJJJJJJ

Sectie ' Waarde - hoge archeologische verwachtingswaarde' wordt geplaatst na sectie ' Waarde - middelhoge archeologische verwachtingswaarde'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.5719.111 Waarde - hoge archeologische verwachtingswaarde

KKKKKKKKKKKKKKKKKK

Sectie '' wordt geplaatst na sectie ' Waarde - hoge archeologische verwachtingswaarde'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.5819.112 lid 1

Dit is voormalig artikel 4.1 en 4.5 van het TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22l Wonen Rijssen, Oosterhofweg 244. Uit artikel 4.5 is alleen het gebruiksdeel overgenomen. De voorwaarden voor een omgevingsvergunning zijn in artikel 19.6919.123 opgenomen.

LLLLLLLLLLLLLLLLLL

Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

MMMMMMMMMMMMMMMMMM

Sectie ' Afstemmingsregel welstand' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.5919.113 Afstemmingsregel welstand

NNNNNNNNNNNNNNNNNN

Sectie ' Algemene bouwregels voor alle bouwwerken' wordt geplaatst na sectie ' Afstemmingsregel welstand'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.6019.114 Algemene bouwregels voor alle bouwwerken

OOOOOOOOOOOOOOOOOO

Sectie ' Anti-dubbeltelregel' wordt geplaatst na sectie ' Algemene bouwregels voor alle bouwwerken'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.6119.115 Anti-dubbeltelregel

PPPPPPPPPPPPPPPPPP

Sectie ' Maatwerkbepalingen - diverse omgevingsvergunningen bouwactiviteit (omgevingsplan)' wordt geplaatst na sectie ' Anti-dubbeltelregel'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.6219.116 Maatwerkbepalingen - diverse omgevingsvergunningen bouwactiviteit (omgevingsplan)

QQQQQQQQQQQQQQQQQQ

Sectie ' Overgangsrecht bouwwerken' wordt geplaatst na sectie ' Maatwerkbepalingen - diverse omgevingsvergunningen bouwactiviteit (omgevingsplan)'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.6319.117 Overgangsrecht bouwwerken

RRRRRRRRRRRRRRRRRR

Sectie ' Specifieke beoordelingsregels - gebouwen en overkappingen' wordt geplaatst na sectie ' Overgangsrecht bouwwerken'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.6419.118 Specifieke beoordelingsregels - gebouwen en overkappingen

SSSSSSSSSSSSSSSSSS

Sectie ' Specifieke beoordelingsregels - hoofdgebouwen' wordt geplaatst na sectie ' Specifieke beoordelingsregels - gebouwen en overkappingen'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.6519.119 Specifieke beoordelingsregels - hoofdgebouwen

TTTTTTTTTTTTTTTTTT

Sectie ' Specifieke beoordelingsregels - vrijstaande bijbehorende bouwwerken' wordt geplaatst na sectie ' Specifieke beoordelingsregels - hoofdgebouwen'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.6619.120 Specifieke beoordelingsregels - vrijstaande bijbehorende bouwwerken

UUUUUUUUUUUUUUUUUU

Sectie ' Specifieke beoordelingsregels - voor een uitbouw, zoals een erker, toegangspartij, luifel of balkon' wordt geplaatst na sectie ' Specifieke beoordelingsregels - vrijstaande bijbehorende bouwwerken'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.6719.121 Specifieke beoordelingsregels - voor een uitbouw, zoals een erker, toegangspartij, luifel of balkon

VVVVVVVVVVVVVVVVVV

Sectie ' Specifieke beoordelingsregels - bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde' wordt geplaatst na sectie ' Specifieke beoordelingsregels - voor een uitbouw, zoals een erker, toegangspartij, luifel of balkon'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.6819.122 Specifieke beoordelingsregels - bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde

WWWWWWWWWWWWWWWWWW

Sectie ' Specifieke beoordelingsregels - kantoor' wordt geplaatst na sectie ' Specifieke beoordelingsregels - bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.6919.123 Specifieke beoordelingsregels - kantoor

Dit is voormalig artikel 4.5 van het TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22l Wonen Rijssen, Oosterhofweg 244. Het gebruik (de functie kantoor) is geregeld in artikel 19.5819.112.

XXXXXXXXXXXXXXXXXX

Sectie '' wordt geplaatst na sectie ' Specifieke beoordelingsregels - kantoor'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

YYYYYYYYYYYYYYYYYY

Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

ZZZZZZZZZZZZZZZZZZ

Sectie ' Specifieke beoordelingsregels - bouwen diverse bouwwerken' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.7119.125 Specifieke beoordelingsregels - bouwen diverse bouwwerken

AAAAAAAAAAAAAAAAAAA

Sectie ' Omgevingsvergunning werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheden uitvoeren in verband met middelhoge archeologische verwachtingswaarde' wordt geplaatst na sectie ' Specifieke beoordelingsregels - bouwen diverse bouwwerken'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.7219.126 Omgevingsvergunning werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheden uitvoeren in verband met middelhoge archeologische verwachtingswaarde

BBBBBBBBBBBBBBBBBBB

Sectie '' wordt geplaatst na sectie ' Omgevingsvergunning werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheden uitvoeren in verband met middelhoge archeologische verwachtingswaarde'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

CCCCCCCCCCCCCCCCCCC

Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

DDDDDDDDDDDDDDDDDDD

Sectie '' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

EEEEEEEEEEEEEEEEEEE

Sectie ' Omgevingsvergunning werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheden uitvoeren in verband met hoge archeologische verwachtingswaarde' wordt geplaatst na sectie ''. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.7419.128 Omgevingsvergunning werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheden uitvoeren in verband met hoge archeologische verwachtingswaarde

FFFFFFFFFFFFFFFFFFF

Sectie ' Omgevingsvergunning beroep aan huis ' wordt geplaatst na sectie ' Omgevingsvergunning werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheden uitvoeren in verband met hoge archeologische verwachtingswaarde'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.7519.129 Omgevingsvergunning beroep aan huis 

GGGGGGGGGGGGGGGGGGG

Sectie ' Omgevingsvergunning bedrijf aan huis' wordt geplaatst na sectie ' Omgevingsvergunning beroep aan huis '. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 19.7619.130 Omgevingsvergunning bedrijf aan huis

HHHHHHHHHHHHHHHHHHH

Na sectie ' Omgevingsvergunning bedrijf aan huis' worden 31 secties ingevoegd, luidende:

Artikel 19.132 Agrarisch landschap - gemengde functies

De basisfunctielaag agarisch landschap - gemengde functies ontbrak in het vastgestelde TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o Buitengebied Holten, Helhuizerweg 28-30. en is met het omzetten naar STOP-TPOD toegevoegd. De inhoud van de regels is afkomstig uit het vastgestelde onderliggende omgevingsplan: Chw Veegplan Buitengebied Rijssen-Holten (NL.IMRO.1742.BPB2023000-0401) van het tijdelijk deel omgevingsplan, artikel 46.2 en 46.3 'agrarisch landschap - gemengde functies'.

Artikel 19.133 Archeologische verwachtingswaarde Helhuizerweg 28-30 in Holten

Dit is voormalig artikel 6.2.1 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o Buitengebied Holten, Helhuizerweg 28-30.

Toelichting

In het plangebied zijn gebieden aangewezen waar voor archeologie een verwachtingswaarde geldt. Om de mogelijke archeologische waarden in deze gebieden te beschermen gelden er regels voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden.

Artikel 19.134 Hydrologische bescherming

Dit is voormalig artikel 6.3.2 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o Buitengebied Holten, Helhuizerweg 28-30.

Artikel 19.135 Landschap Westflank Holterberg

Dit is voormalig artikel 6.1 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o Buitengebied Holten, Helhuizerweg 28-30.

Artikel 19.136 Wonen twee-aaneen, Helhuizerweg 28-30

Dit is voormalig artikel 4.1 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o Buitengebied Holten, Helhuizerweg 28-30.

Artikel 19.136 lid 2

Dit is een deel van voormalig artikel 4.4.1 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o Buitengebied Holten, Helhuizerweg 28-30. De resterende vorm van strijdig gebruik zijn generiek in hoofdstukken 3, 4, 9 en 17 verboden.

Artikel 19.137 Melding beroep of bedrijf aan huis

Dit is voormalig artikel 4.5.2 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o Buitengebied Holten, Helhuizerweg 28-30.

Artikel 19.138 Algemene beoordelingsregels voor gebouwen en overkappingen

Dit is voormalig artikel 4.2.1 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o Buitengebied Holten, Helhuizerweg 28-30.

Artikel 19.139 Specifieke beoordelingsregels voor wonen twee-aaneen

Dit is voormalig artikel 4.2.2 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o Buitengebied Holten, Helhuizerweg 28-30.

Artikel 19.140 Specifieke beoordelingsregels voor bijbehorende bouwwerken

Dit is voormalig artikel 4.2.3  van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o Buitengebied Holten, Helhuizerweg 28-30.

Artikel 19.141 Specifieke beoordelingsregels voor bouwwerken, geen gebouw zijnde

Dit is een deel van voormalig artikel 4.2.4 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o Buitengebied Holten, Helhuizerweg 28-30. Sub a en b over perceel- en erfafscheidingen zijn niet overgenomen, want deze zijn al gesteld artikelen 4.15 en 4.38.

Artikel 19.142 Specifieke beoordelingsregels voor een paardrijbak

Dit is voormalig artikel 4.4.3 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Buitengebied Holten, functiewijziging Schuppertsweg 2-4.

Artikel 19.143 Omgevingsvergunning werk, niet zijnde bouwwerk of werkzaamheid uitvoeren

Dit zijn voormalig artikelen 7.2.1 en 7.2.3 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o Buitengebied Holten, Helhuizerweg 28-30.

Artikel 19.144 Beoordelingsregels in verband met overige grondwerkzaamheden

Dit is voormalig artikel 7.2.2 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o Buitengebied Holten, Helhuizerweg 28-30.

Artikel 19.145 Omgevingsplanactiviteit in verband met hydrologische bescherming

Dit is voormalig artikel 6.3.3 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o Buitengebied Holten, Helhuizerweg 28-30.

Artikel 19.146 Beoordelingsregels in verband met hydrologische bescherming

Dit is voormalig artikel 6.3.3 sub a2 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o Buitengebied Holten, Helhuizerweg 28-30.

Artikel 19.147 Voorschriften omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk of werkzaamheden in verband met hydrologische bescherming

Dit is voormalig artikel 6.3.3 sub a1 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o Buitengebied Holten, Helhuizerweg 28-30.

Artikel 19.167 Bovenleiding 1 Rijssen

Tweede en derde lid

De provincie Overijssel staat het plaatsen van nieuwe grootschalige zonneparken op landbouw- en natuurgrond sinds oktober 2024 niet meer toe. Daarom zorgt dit artikel ervoor dat artikel 8.9 uit het bestemmingsplan Buitengebied Rijssen, Hoogspanningsstation 110kV (NL.IMRO.1742.BP2021004-0401) niet langer van toepassing is.

De overige regels uit het het bestemmingsplan Buitengebied Rijssen, Hoogspanningsstation 110kV (NL.IMRO.1742.BP2021004-0401) blijven onverminderd van toepassing.

Vierde lid

De zonering risicobronnen in de vorm van opslagtanks ontbrak in het bestemmingsplan Buitengebied Rijssen, Hoogspanningsstation 110kV (NL.IMRO.1742.BP2021004-0401) en wordt door middel van het tweede lid van toepassing verklaard op deze locatie. De inhoudelijke regels zijn te lezen in artikel 610 van het Chw Veegplan Buitengebied Rijssen-Holten (NL.IMRO.1742.BPB2023000-0401). 

De overige regels uit het het bestemmingsplan Buitengebied Rijssen, Hoogspanningsstation 110kV (NL.IMRO.1742.BP2021004-0401) blijven onverminderd van toepassing.

Artikel 19.168 Deventerweg 73 Holten

Toelichting

Voor de locatie Deventerweg 73 Holten is in 2021 een herziening van het bestemmingsplan gedraaid (Buitengebied, rood voor rood, Deventerweg 73, NL.IMRO.1742.BP2020014-0401). Deze herziening is in 2023 opgenomen in het Chw Veegplan Buitengebied Rijssen-Holten (NL.IMRO.1742.BPB2023000-0401) van het tijdelijk deel omgevingsplan, hierbij is op de locatie echter artikel 69 'Agrarisch bedrijf Deventerweg 73 in Holten' en ook het werkingsgebied op de kaart niet verwijderd. Dit artikel zorgt ervoor dat artikel 69 als geheel niet langer van toepassing is op deze locatie.

Artikel 19.169 Karakteristieke woning

Toelichting

Artikel 18 'Karakteristieke woning met karakteristiek bijbehorend bouwwerk' uit het Chw Veegplan Buitengebied Rijssen-Holten (NL.IMRO.1742.BPB2023000-0401) van het tijdelijk deel omgevingsplan is niet langer van toepassing en artikel 17.1 tot en met 17.4.3 van het Chw Veegplan Buitengebied Rijssen-Holten (NL.IMRO.1742.BPB2023000-0401) van toepassing wordt. 

Dit artikel zorgt ervoor dat het bijbehorend bouwwerk op de locatie Borkeld 6 in Rijssen niet langer planologisch wordt aangeduid als karakteristiek. Het bijgebouw was in het Chw Veegplan Buitengebied Rijssen-Holten (NL.IMRO.1742.BPB2023000-0401) ten onrechte aangeduid als karakteristiek, terwijl dit in praktijk niet het geval is. De aanduiding karakteristiek bijbehorend bouwwerk leverde daarmee belemmeringen op voor vervangende nieuwbouw van het bijbehorend bouwwerk. 

Artikel 19.170 Karakteristieke woning met inwoning

Toelichting

Dit artikel zorgt ervoor dat voor de gekoppelde locaties artikel 17 van het Chw Veegplan Buitengebied Rijssen-Holten (NL.IMRO.1742.BPB2023000-0401) niet meer van toepassing is en artikel 19.1 tot en met 19.4.3 van het Chw Veegplan Buitengebied Rijssen-Holten (NL.IMRO.1742.BPB2023000-0401) van toepassing wordt. 

Deze wijziging zorgt ervoor dat het duidelijk is dat op deze locaties een vergunde inwoonsituatie reeds aanwezig zijn. De overige regels op de locaties wijzigen niet.

Locatie:

- Tromopsweg 1-1A Holten

Artikel 19.171 Karakteristieke woning met inwoning met voormalige agrarische bedrijfsbebouwing

Toelichting

Dit artikel zorgt ervoor dat voor de gekoppelde locaties artikel 21 van het Chw Veegplan Buitengebied Rijssen-Holten (NL.IMRO.1742.BPB2023000-0401) niet meer van toepassing is en artikel 20.1 tot en met 20.4.3 van het Chw Veegplan Buitengebied Rijssen-Holten (NL.IMRO.1742.BPB2023000-0401) van toepassing wordt. 

Deze wijziging zorgt ervoor dat het duidelijk is dat op deze locaties een vergunde inwoonsituatie reeds aanwezig zijn. De overige regels op de locaties wijzigen niet.

Locatie:

- Borkeld 14A Rijssen

Artikel 19.172 Middeldijk ongenummerd Rijssen

Toelichting 

De bestaande schuren op deze locatie hadden in het Chw Veegplan Buitengebied Rijssen-Holten (NL.IMRO.1742.BPB2023000-0401) geen regels of aanduiding op de kaart. Dit artikel zorgt ervoor dat er een werkingsgebied op de kaart ontstaat waarbij de regels uit artikel 518 'opslag agrarische doeleinden met bestaande bebouwing' uit het Chw Veegplan Buitengebied Rijssen-Holten (NL.IMRO.1742.BPB2023000-0401) van het tijdelijk deel omgevingsplan van toepassing worden verklaard. 

Artikel 19.173 Oude Stationsweg 8 Holten

Toelichting tweede en derde lid

Dit artikel zorgt ervoor dat op de locatie Oude Stationsweg 8 in Holten locatiespecifiek de teelt van sedum en vergelijkbare plantensoorten voor groendaken wordt toegestaan en niet langer meer valt onder het strijdig gebruik van artikel 46.3 sub d 'Agrarisch landschap - gemengde functies' uit het Chw Veegplan Buitengebied Rijssen-Holten (NL.IMRO.1742.BPB2023000-0401) van het tijdelijk deel omgevingsplan.

Artikel 19.174 Ploegweg ongenummerd Rijssen

Toelichting

Tweede lid

Met het oog op de geplande uitbreiding van het bedrijventerrein Lichtenbergerveld-Oost zorgt dit artikel ervoor dat de bestaande veldschuur aan de Ploegweg in Rijssen, die binnen deze geplande uitbreiding gelegen is, verplaatst en opnieuw gebouwd kan worden aan de overkant van de weg op de locatie Ploegweg ong. Rijssen.

Derde lid

Dit lid zorgt ervoor dat geborgd is dat bij nieuwbouw van de veldschuur aan de overkant van de Ploegweg de bestaande veldschuur aan de Ploegweg gesloopt dient te worden.

Artikel 19.175 Postweg 84 Holten

Toelichting

Dit artikel zorgt ervoor dat artikel 285.1, 285.2, 285.3, 285.4.2 onder c en 285.4.4  van het Chw Veegplan Buitengebied Rijssen-Holten niet meer van toepassing zijn. Artikel 35.1 tot en met 35.3 zijn ter vervanging van toepassing. Omdat voor deze locatie specifieke bouwregels golden is er voor gekozen die regels van toepassing te laten. De locatie specifieke bouwregels uit artikel 285.4.1, 285.4.2 sub a en b en 285.4.3 gelden dus onverkort, met uitzondering van de regel over bijbehorende bouwwerken ten behoeve van een bedrijf (artikel 285.4.2 sub c). Die regels zijn niet meer van toepassing.

Artikel 19.176 Voorwaardelijke verplichting - erfinrichtingsplan Koerselmansweg 14 Okkenbroek

Toelichting

De Koerselmansweg 14 is gelegen in de gemeente Deventer. De gemeente Deventer heeft met een voorwaardelijke verplichting een erfinrichtingsplan gekoppeld aan het perceel. Een deel van het perceel van Koerselmansweg 14 is gelegen in de gemeente Rijssen-Holten en daarmee ook een deel van het erfinrichtingsplan. Het erfinrichtingsplan wordt met dit artikel ook planologisch vastgelegd als met dezelfde voorwaardelijke verplichting op het deel van het perceel dat is gelegen in de gemeente Rijssen-Holten. De overige planologische regels van de gemeente Deventer in het bestemmingsplan Koerselmansweg 14 - Oerdijk 238 (NL.IMRO.0150.P417-VG01) voor deze locatie blijven onverminderd van kracht. 

Artikel 19.177 Woning met inwoning

Toelichting

Dit artikel zorgt er, in samenhang met artikel 1.5, voor dat voor de gekoppelde locaties artikel 35 van het Chw Veegplan Buitengebied Rijssen-Holten (NL.IMRO.1742.BPB2023000-0401) niet meer van toepassing is en artikel 40.1 tot en met 40.4.3 'Woning' van het Chw Veegplan Buitengebied Rijssen-Holten (NL.IMRO.1742.BPB2023000-0401) van toepassing wordt. 

Deze wijziging zorgt ervoor dat het duidelijk is dat op deze locaties een vergunde inwoonsituatie reeds aanwezig zijn. De overige regels op de locaties wijzigen niet.

Locaties: 

- Langstraat 30-32 Holten

- Schreursweg 12-12a Holten

- Stroweg 2 Rijssen

Artikel 19.178 Woning met inwoning met voormalige agrarische bebouwing

Toelichting

Dit artikel zorgt er, in samenhang met artikel 1.5, voor dat voor de gekoppelde locaties artikel 42 van het Chw Veegplan Buitengebied Rijssen-Holten (NL.IMRO.1742.BPB2023000-0401) niet meer van toepassing is en artikel 41.1 tot en met 41.1.3 'Woning met inwoning met voormalige agrarische bedrijfsbebouwing' van het Chw Veegplan Buitengebied Rijssen-Holten (NL.IMRO.1742.BPB2023000-0401) van toepassing wordt. 

Deze wijziging zorgt ervoor dat het duidelijk is dat op deze locaties een vergunde inwoonsituatie reeds aanwezig zijn. De overige regels op de locaties wijzigen niet.

Locaties: 

- Schuppertsweg 1-1A Holten

Artikel 19.180 Sport - grenzend voormalig RV-terrein

Toelichting

Dit artikel beperkt de (gebruiks)mogelijkheden van de genoemde locatie tot water en groen(voorzieningen). Door een planwijziging is het voormalig sportterrein omgevormd tot woningbouw (herontwikkeling RV-terrein). Dit perceel is niet meegenomen in het plangebied, de grond heeft daarom de oorspronkelijke 'sport'-bestemming gehouden. Feitelijk is de strook water en groen. Die vormen van gebruik zijn wel toegelaten in de bestemming. De overige vormen van gebruik uit de oorspronkelijke bestemming zijn niet langer gewenst of uitvoerbaar.

Artikel 19.181 Toegelaten horeca-categorie

Dit artikel is een wijziging van artikel 6 van het bestemmingsplan Wonen Rijssen en Veegplan Wonen Rijssen.

Toelichting

Met deze nieuwe regel is het niet meer mogelijk om bestaande horeca categorie 3 te (her)vestigen (of te laten voortbestaan).

Naar boven