Gemeenteblad van Neder-Betuwe
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Neder-Betuwe | Gemeenteblad 2025, 450053 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Neder-Betuwe | Gemeenteblad 2025, 450053 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Het college van burgemeester en wethouders van de Gemeente Neder-Betuwe
gelezen de inhoud van ”Wijziging omgevingsplan gemeente Neder-Betuwe, deelgebied Kernen” d.d. 14 oktober 2025 betreffende de gebiedsgerichte omzetting van de bestemmingsplannen voor het deelgebied Kernen. Hieronder vallen de kernen Dodewaard, Echteld, IJzendoorn, Kesteren, Ochten en Opheusden en het buurtschap Wely. De bestemmingsplanregels zijn zoveel als mogelijk beleidsneutraal omgezet en zijn delen van de bruidsschat (voormalige rijksregels) voor zover ze een samenhang hadden met de regels uit de bestemmingsplannen omgezet naar de nieuwe structuur.
gelet op:
artikel 2.4 van de Omgevingswet, dat bepaalt dat de gemeenteraad voor het gehele grondgebied van de gemeente één omgevingsplan vaststelt waarin regels over de fysieke leefomgeving worden opgenomen;
artikel 16.30 en artikel 16.23, eerste lid, Omgevingswet, die bepalen dat:
op de voorbereiding van een omgevingsplan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is, met dien verstande dat een ieder een zienswijze bij de gemeenteraad mag indienen omtrent het ontwerp wijzigingsbesluit
de artikelen 3:43 tot en met 3:45 en afdeling 3.7 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing zijn op een omgevingsplan;
Besluit;
De "Wijziging omgevingsplan gemeente Neder-Betuwe, deelgebied Kernen" zoals opgenomen in Bijlage A als ontwerp wordt vrijgegeven.
Van de terinzagelegging, de termijn voor terinzagelegging en de mogelijkheid om te reageren wordt kennis gegeven in het gemeenteblad en lokale huis-aan-huisbladen.
Aldus besloten door het college van burgemeester en wethouders van de Gemeente Neder-Betuwe in zijn vergadering van 14 oktober 2025
Gemeente Neder-Betuwe
burgemeester en wethouders
burgemeester
gemeentesecretaris
Bijlage I bevat begripsbepalingen voor de toepassing van dit omgevingsplan.
Begripsbepalingen die in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn ook van toepassing op dit omgevingsplan, tenzij bijlage I een afwijkende begripsomschrijving bevat.
Bijlage II bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan.
De regels in dit omgevingsplan zijn gesteld met het oog op de maatschappelijke doelen, bedoeld in artikel 1.3 Omgevingswet, tenzij uit de regels van dit omgevingsplan volgt dat het oogmerk is beperkt.
Op gronden met de Locatie bestemmingsplannen vervallen, zijn de bestemmingsplannen vervallen.
Op gronden met de Locatie bestemmingsplannen nog niet vervallen zijn de bestemmingsplannen nog niet vervallen.
Tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald, wordt aan de regels over activiteiten in dit omgevingsplan voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.
Als gegevens bij de melding of een informatieplicht worden verstrekt:
een beschrijving van de activiteit, waarop het verstrekken van de gegevens en bescheiden betrekking heeft;
de naam, adres en telefoonnummer van degene die de activiteit verricht;
als de gegevens en bescheiden worden ingediend door een gemachtigde: naam, adres, telefoonnummer en woonplaats van de gemachtigde;
als de gegevens en bescheiden elektronisch wordt ingediend: het e-mailadres van de aanvrager of de gemachtigde;
het adres, de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waarop de activiteit wordt verricht;
een aanduiding van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
de dagtekening.
Dit hoofdstuk heeft betrekking op het gebruiksdoel van de gronden en bouwwerken en het gebruik van gronden en bouwwerken
Het is verboden gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met een in Hoofdstuk 2 aan een locatie gegeven gebruiksdoel en de daarop betrekking hebbende regels, of op een wijze die in strijd is met de regels over gebruik, zoals opgenomen in Hoofdstuk 3.
In afwijking van het eerste lid is het toegestaan om gronden of bouwwerken te gebruiken overeenkomstig het bepaalde in afdeling 2.20.
Tot een gebruik dat in overeenstemming is met een aan een locatie gegeven gebruiksdoel, bedoeld in het eerste lid, behoort, tenzij elders in dit omgevingsplan uitdrukkelijk anders is bepaald, in elk geval het inrichten en/of gebruiken van gronden en bouwwerken voor groenvoorzieningen, voet- en fietspaden, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, infrastructurele en waterstaatkundige kunstwerken, nutsvoorzieningen en geluidwerende voorzieningen.
Tot een gebruik dat in overeenstemming is met het aan een locatie gegeven gebruiksdoel, bedoeld in het eerste lid, behoort in elk geval, tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald, het inrichten en/of gebruiken van gronden en bouwwerken voor bij de functies behorende voorzieningen zoals erven, wegen en paden en parkeervoorzieningen.
Onder het gebruik van een bij een functie behorend erf als bedoeld in het vierde lid wordt verstaan een inrichting en gebruik op een wijze die naar algemene maatstaven als een normale inrichting en gebruik van een bij een functie behorend erf wordt beschouwd.
Tenzij elders in dit omgevingsplan uitdrukkelijk anders is bepaald, is het in ieder geval verboden om:
gronden en bouwwerken te gebruiken ten behoeve van buitenpandige opslag;
vrijstaande bijbehorende bouwwerken te gebruiken ten behoeve van wonen;
gronden en bouwwerken te gebruiken ten behoeve van een seksinrichting;
gronden en bouwwerken te gebruiken ten behoeve van twee of meer bedrijven op één bouwperceel; en
gronden en bouwwerken te gebruiken ten behoeve van internetverkoop, waarbij de te koop aangeboden goederen worden opgeslagen, tentoongesteld en/of kunnen worden afgehaald anders dan op gronden en in bouwwerken waar overeenkomstig het bepaalde in afdeling 2.5, detailhandel, niet zijnde ondergeschikte detailhandel, is toegestaan;
gronden en bouwwerken te gebruiken ten behoeve van het opslaan, storten of bergen van materialen en producten, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is voor het op de locatie toegestane gebruik.
In afwijking van het bepaalde in het vierde lid, is het gebruiken van het voorerfgebied van middenwoningen voor parkeren niet toegestaan.
In afwijking van het zevende lid mag het bestaand(e) gebruik van het voorerfgebied van middenwoningen ten behoeve van het parkeren worden voortgezet.
Het bevoegd gezag kan een maatwerkvoorschrift stellen of een vergunningvoorschrift aan een omgevingsvergunning verbinden over het bepaalde in dit hoofdstuk om onaanvaardbare hinder voor het woon-, leef- en ondernemersklimaat tegen te gaan.
Bestaand gebruik in de zin van dit omgevingsplan is gebruik dat op het tijdstip van de ter inzage legging van het ontwerp-wijzigingsbesluit waarin het artikel met het begrip bestaand(e) is opgenomen of van toepassing is geworden op een locatie, bestond.
Gebruik dat weliswaar bestond maar niet in overeenstemming is met een verleende omgevingsvergunning of het geldende omgevingsplan wordt niet aangemerkt als bestaand gebruik als bedoeld in dit omgevingsplan.
In dit omgevingsplan komen de volgende functies voor:
De regels in deze paragraaf gaan over het wijzigen van het gebruik van een bouwwerk en de aansluitende terreinen op een wijze die niet reeds elders in dit omgevingsplan is toegestaan.
Voor zover het bouwwerk is gelegen buiten de bebouwde kom is deze paragraaf alleen van toepassing op een logiesfunctie voor werknemers of de opvang van asielzoekers of andere categorieën vreemdelingen.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de activiteit bedoeld in artikel 2.7 te verrichten.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden gegevens en bescheiden verstrekt die het bevoegd gezag noodzakelijk acht ter onderbouwing van het bepaalde in artikel 2.9.
Met het oog op de beoordeling aan artikel 2.9 kunnen aan de omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden.
De regels in deze paragraaf gaan over het gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van een herinrichting van het openbare gebied op een wijze die niet reeds elders in dit omgevingsplan is toegestaan.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de activiteit bedoeld in artikel 2.12 te verrichten.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden gegevens en bescheiden verstrekt die het bevoegd gezag noodzakelijk acht ter onderbouwing van het bepaalde in artikel 2.14.
Met het oog op de beoordeling aan artikel 2.14 kunnen aan de omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden.
De regels in deze paragraaf gelden ter plaatse van de Locatie agrarisch.
De gronden zijn aangewezen voor het Gebruiksdoel agrarisch.
De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt ten behoeve van de volgende functies:
Agrarische bedrijven zijn alleen toegestaan ter plaatse van de Functieaanduiding agrarisch bouwvlak.
Ter plaatse van de Functieaanduiding agrarisch bedrijven in de kernen zijn alleen de bestaand(e) agrarische bedrijven toegestaan.
Ter plaatse van een agrarisch bedrijf is productiegebonden detailhandel, overeenkomstig het bepaalde in artikel 2.58 toegestaan.
Dit artikel is van toepassing ter plaatse van de Functieaanduiding landelijke tuin.
Alleen het gebruik van gronden en bouwwerken voor een tuin, moestuin, boomgaard, akker, weide of daarmee gelijk te stellen doeleinde is toegestaan.
Het is in ieder geval verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken ten behoeve van:
De regels in deze paragraaf gelden ter plaatse van de Locatie bedrijf.
De gronden zijn aangewezen voor het Gebruiksdoel bedrijf.
De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt ten behoeve van de volgende functies:
Het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een bedrijf is, tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald, alleen toegestaan indien het bedrijf valt onder categorie 1 of categorie 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten - Kernen en in de kolom 'verkeer' een '1' scoort.
Ter plaatse van de Functieaanduiding bedrijf van categorie 3.1, is ook het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een bedrijf dat valt onder categorie 3.1 van de Staat van bedrijfsactiviteiten - kernen toegestaan.
Bedrijven waar een activiteit plaatsvindt die in Bijlage VII t/m X bij het Besluit kwaliteit leefomgeving is aangewezen, zijn, tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald, uitsluitend toegestaan ter plaatse van de Functieaanduiding risicobedrijf toegestaan.
Het eerste lid is niet van toepassing op:
bedrijven waar een propaantank staat, voor zover:
de afstanden genoemd in tabel 4.899 van het Besluit activiteiten leefomgeving en in Tabel A.7 van bijlage VII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving binnen de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt uitgevoerd; en
er geen andere activiteit uitgevoerd wordt die in Bijlage VII t/m X bij het Besluit kwaliteit leefomgeving is aangewezen.
Activiteiten als bedoeld in artikel 3.30, 3.33 en 3.72, eerste lid, onder f van het Besluit activiteiten leefomgeving zijn niet toegestaan.
Bedrijven die activiteiten uitoefenen die in artikel 5.78b van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn aangewezen als activiteit die in aanzienlijke mate geluid kan veroorzaken zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de Functieaanduiding activiteiten die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken.
Ter plaatse van de Functieaanduiding brandweerkazerne is ook het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een brandweerkazerne toegestaan.
Ter plaatse van de Functieaanduiding garagebedrijf is ook het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een garagebedrijf toegestaan.
Ter plaatse van de Functieaanduiding weg- en waterbouwbedrijf is ook het gebruik ten behoeve van het bestaande weg- en waterbouwbedrijf toegestaan.
Ter plaatse van de Functieaanduiding gemeentewerf is ook het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van de bestaande gemeentewerf toegestaan.
Ter plaatse van de Functieaanduiding metaalbewerkingsbedrijf is ook het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van het bestaande metaalbewerkingsbedrijf dat valt in categorie 3.1 van de Staat van bedrijfsactiviteiten - Kernen.
Ter plaatse van de Functieaanduiding goederenwegvervoerbedrijf is ook het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een goederenwegvervoerbedrijf toegestaan.
Ter plaatse van de Functieaanduiding verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg is ook het bestaande verkooppunt voor motorbrandstoffen zonder de verkoop van lpg toegestaan.
Ter plaatse van de Functieaanduiding verkooppunt motorbrandstoffen met lpg is ook het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van de verkoop van motorbrandstoffen inclusief de verkoop van lpg toegestaan, overeenkomstig het bepaalde in artikel 2.30.
Het vulpunt, de afleverzuilen en de opslagtank ten behoeve van lpg worden zodanig gesitueerd dat de plaatsgebonden risicocontour binnen het Belemmeringengebied plaatsgebonden risico blijft.
Ter plaatse van de Functieaanduiding bedrijf - tuin is alleen het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een tuin toegestaan.
Ter plaatse van de Functieaanduiding alleen opslag en stalling is alleen het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van de opslag en berging van goederen, alsmede de stalling van voertuigen ten dienste van de op het perceel toegestane functie toegestaan.
Ter plaatse van de Functieaanduiding nutsvoorziening is alleen het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een nutsvoorziening toegestaan.
Ter plaatse van de Functieaanduiding opslagbedrijf is alleen het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van het bestaande opslagbedrijf toegestaan.
Ter plaatse van de Functieaanduiding houtverwerkingsbedrijf is het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van het bestaande houtverwerkingsbedrijf toegestaan.
Ter plaatse van de Locatie brandweerkazerne Dodewaard is alleen het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een brandweerkazerne toegestaan.
Ter plaatse van de Functieaanduiding gasdrukregel- en meetstation is alleen het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een gasdrukregel- en meetstation toegestaan.
Ter plaatse van de Functieaanduiding groothandel niet toegestaan is het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een groothandel niet toegestaan.
Ter plaatse van de Functieaanduiding groothandel toegestaan is het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een groothandel toegestaan.
Het gebruik van gronden ten behoeve van buitenpandige opslag is toegestaan onder de voorwaarden dat:
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning gronden en bouwwerken te gebruiken voor bedrijfsactiviteiten die anders zijn dan ingevolge paragraaf 2.3.2 is toegestaan.
Artikel 2.35 Beoordelingsregels
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
het bedrijf qua aard en omvang en invloed op het milieu en de omgeving gelijk te stellen is met de toegestane bedrijfsactiviteiten. Over de vergelijkbaarheid van de invloed op het milieu en de omgeving wordt advies gevraagd aan een onafhankelijke ter zake deskundige;
het betreft geen activiteiten die in aanzienlijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken;
het gaat om kleinschalige, meest ambachtelijke bedrijvigheid;
productie en/of laad- en loswerkzaamheden vinden alleen in de dagperiode plaats; en
de activiteiten (inclusief opslag) geschieden hoofdzakelijk inpandig.
Artikel 2.36 Aanvraagvereisten
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden gegevens en bescheiden verstrekt die het bevoegd gezag noodzakelijk acht ter onderbouwing van het bepaalde in artikel 2.35, waaronder in ieder geval:
Artikel 2.37 Vergunningvoorschriften
Met het oog op de beoordeling aan artikel 2.35 kunnen aan de omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden, waaronder in ieder geval:
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een Energie Opslag Systeem op te richten.
Artikel 2.39 Beoordelingsregels
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als de risico's op het gebied van externe veiligheid en met name brandveiligheid aanvaardbaar zijn.
Over het bepaalde in het eerste lid wint het bevoegd gezag advies in bij de veiligheidsregio.
Artikel 2.40 Aanvraagvereisten
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de gegevens en bescheiden overlegd die nodig zijn voor de beoordeling aan artikel 2.39.
Artikel 2.41 Vergunningvoorschriften
Met het oog op de beoordeling aan artikel 2.39 kunnen aan de omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden.
Artikel 2.42 Toepassingsbereik
Deze regels in deze paragraaf gelden ter plaatse van de Locatie evenementen als medegebruik.
Het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van evenementen als medegebruik is toegestaan onder de volgende voorwaarden:
Het is verboden om gronden en bouwwerken zonder omgevingsvergunning te gebruiken ten behoeve van een evenement dat niet voldoet aan het bepaalde in artikel 2.43.
Artikel 2.45 Beoordelingsregel
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
er dienen voldoende parkeerplaatsen al dan niet op eigen terrein beschikbaar te zijn. Van voldoende parkeergelegenheid is sprake, indien wordt voldaan aan de Nota Parkeernormen of de nadien gewijzigde beleidsregels met betrekking tot parkeren, zoals die gelden ten tijde van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning;
er is vanuit milieuoogpunt (met name externe veiligheid en geluidhinder) sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat;
de aan te brengen voorzieningen dienen tijdelijk te zijn. Dit betekent dat het houden van een evenement niet mag leiden tot onomkeerbare voorzieningen en/of ingrepen; en
er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de binnen het gebied aanwezige waarden.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden gegevens en bescheiden verstrekt die het bevoegd gezag noodzakelijk acht ter onderbouwing van het bepaalde in artikel 2.45.
Artikel 2.47 Vergunningvoorschriften
Met het oog op de beoordeling aan artikel 2.45 kunnen aan de omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden.
De regels in deze paragraaf gelden ter plaatse van de Locatie detailhandel.
De gronden zijn aangewezen voor het Gebruiksdoel detailhandel.
De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt ten behoeve van de volgende functies:
detailhandel, overeenkomstig het bepaalde in paragraaf 2.5.2;
ondersteunende horeca, overeenkomstig het bepaalde in artikel 2.86.
Ter plaatse van het Normgebied maximum bruto-vloeroppervlakte detailhandel bedraagt de maximum bruto-vloeroppervlakte die ten behoeve van detailhandel mag worden gebruikt niet meer dan met de Omgevingsnorm maximum bruto-vloeroppervlakte detailhandel is aangegeven.
Detailhandel is, tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald, alleen toegestaan op de begane grond.
Ter plaatse van de Functieaanduiding detailhandel op eerste verdieping is detailhandel op de eerste verdieping toegestaan
Indien op een perceel de Functieaanduiding laden en lossen is opgenomen, is het laden en lossen alleen ter plaatse van die aanduiding toegestaan.
Bij maatwerkvoorschrift kunnen nadere eisen aan het laden en lossen worden gesteld.
Ter plaatse van de Functieaanduiding laden en lossen Drielplein Ochten geldt dat het laden en lossen uitsluitend is toegestaan met gesloten deuren van de laad- en losplaats en uitsluitend tussen 07.00 uur en 19.00 uur.
Ter plaatse van de Functieaanduiding supermarkt niet toegestaan, is het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een supermarkt niet toegestaan.
Ter plaatse van de Functieaanduiding supermarkt toegestaan is het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een supermarkt toegestaan.
Ter plaatse van de Functieaanduiding kunststof winkelwagens met rubber wielen is het gebruik van de gronden ten behoeve van een supermarkt alleen toegestaan indien gebruik wordt gemaakt van kunststof winkelwagens met rubber wielen waarvan het bronvermogen Lwaeq niet hoger is dan 82 dB(A).
Ter plaatse van de Functieaanduiding volumineuze detailhandel niet toegestaan, is volumineuze detailhandel niet toegestaan.
Ter plaatse van de Functieaanduiding detailhandel in woninginrichting is volumineuze detailhandel toegestaan maar alleen in de vorm van detailhandel in woninginrichting waaronder meubels.
Ter plaatse van de Functieaanduiding uitsluitend detailhandel in woninginrichting toegestaan is alleen het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel in artikelen voor woninginrichting waaronder meubels toegestaan.
De gronden en bouwwerken ter plaatse van de Functieaanduiding supermarkt Dokter M. van Drielplein Ochten mogen niet worden gebruikt ten behoeve van een supermarkt indien de gronden ter plaatse van de Functieaanduiding supermarkt Dokter M. van Drielplein 1 Ochten worden gebruikt ten behoeve van een supermarkt.
De regels in deze paragraaf gelden ter plaatse van de Locatie dienstverlening.
De gronden zijn aangewezen voor het Gebruiksdoel dienstverlening.
De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt ten behoeve van de volgende functies:
Dienstverlening is alleen toegestaan op de begane grond.
Ter plaatse van het Normgebied maximum bruto-vloeroppervlakte dienstverlening bedraagt de maximum bruto-vloeroppervlakte die ten behoeve van dienstverlening mag worden gebruikt niet meer dan met de Omgevingsnorm maximaal bruto-vloeroppervlakte dienstverlening is aangegeven.
Ter plaatse van de Locatie detailhandel is het verboden om zonder omgevingsvergunning gronden en bouwwerken te gebruiken ten behoeve van dienstverlening
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend indien er aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast. Dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
het gebruik mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de parkeersituatie ter plaatse;
het gebruik mag niet leiden tot een onaanvaardbare verkeersdruk ter plaatse;
het leidt niet tot een onevenredige aantasting van de stedenbouwkundige kwaliteit van de omgeving; en
de dienstverlening is alleen op de begane grond toegestaan
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden in ieder geval de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn voor de toetsing aan artikel 2.65.
Aan de omgevingsvergunning kunnen gelet op het bepaalde in artikel 2.65 voorschriften worden verbonden.
Artikel 2.68 Toepassingsbereik
De regels in deze paragraaf gelden ter plaatse van de Locatie stedelijk groen.
De gronden zijn aangewezen voor het Gebruiksdoel stedelijk groen.
Artikel 2.69 Gebruiksdoelomschrijving
De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt ten behoeve van de volgende functies:
Artikel 2.72 Toepassingsbereik
De regels in deze paragraaf gelden ter plaatse van de Locatie landelijk groen.
De gronden zijn aangewezen voor het Gebruiksdoel landelijk groen.
Artikel 2.73 Gebruiksdoelomschrijving
De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt ten behoeve van de volgende functies:
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning nieuwe parkeervoorzieningen en in- en uitritten aan te leggen.
Het verbod van het eerste lid geldt niet voor het vervangen van bestaande parkeervoorzieningen en in- en uitritten voor zover deze in overeenstemming met het omgevingsplan zijn aangelegd.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend indien er geen onevenredige aantasting van de groenstructuur plaatsvindt.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden gegevens en bescheiden verstrekt die het bevoegd gezag noodzakelijk acht ter onderbouwing van het bepaalde in artikel 2.77.
Met het oog op de beoordeling aan artikel 2.77 kunnen aan de omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden.
De regels in deze paragraaf gelden ter plaatse van de Locatie horeca.
De gronden zijn aangewezen voor het Gebruiksdoel horeca.
De gronden en bouwwerken mogen worden gebruik ten behoeve van horecabedrijven, overeenkomstig het bepaalde in paragraaf 2.8.2.
Horeca is uitsluitend op de begane grond toegestaan, tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald.
Ter plaatse van de Functieaanduiding hotel is horeca op de verdieping toegestaan.
Ter plaatse van de Functieaanduiding horeca op de verdieping is horeca op de verdieping toegestaan.
Ter plaatse van de Locatie centrum is horeca in de vorm van logies en een overnachtingsmogelijkheid op de verdieping toegestaan.
Het bevoegd gezag kan een maatwerkvoorschrift stellen over de exploitatie van een terras om onaanvaardbare hinder voor het woon- en leefklimaat tegen te gaan.
Het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van horecabedrijven in horeca categorie 1 en horeca categorie 2a is toegestaan.
Ter plaatse van de Functieaanduiding horeca categorie 2b, is het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een horecabedrijf in horeca categorie 2b toegestaan.
Ter plaatse van de Functieaanduiding horeca categorie 3 is het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een horecabedrijf in horeca categorie 3 toegestaan.
Ter plaatse van de Functieaanduiding café is het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een café toegestaan.
Ter plaatse van de Functieaanduiding hotel is het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een hotel toegestaan.
Dit artikel is van toepassing indien dat elders in dit omgevingsplan is bepaald.
Het bedrijfsvloeroppervlak aan ondersteunende horeca mag niet meer bedragen dan 20% van het totale bedrijfsvloeroppervlak tot een maximum van 35 m2 van het bedrijfsvloeroppervlak, tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald.
Het bedrijfsvloeroppervlak aan ondersteunende horeca mag ter plaatse van de Functieaanduiding grotere oppervlakte ondersteunende horeca, niet meer bedragen dan 175 m².
Indien op een perceel de Functieaanduiding terras toegestaan is opgenomen is een terras alleen ter plaatse van die Functieaanduiding toegestaan.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning gronden en bouwwerken te gebruiken ten behoeve van een ander horecabedrijf dan ingevolge het bepaalde in 2.84 is toegestaan.
Artikel 2.90 Beoordelingsregels
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:
het mag geen ernstige c.q. onevenredige hinder opleveren voor het woon- en leefklimaat en de openbare orde;
het gebruik mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de verkeersontsluitings- en parkeersituatie ter plaatse of er wordt in de onmiddellijke omgeving voorzien in voldoende parkeervoorzieningen;
de activiteit dient qua aard, omvang en uitstraling te passen in de omgeving;
het leidt niet tot een onevenredige aantasting van de stedenbouwkundige kwaliteit van de omgeving.
Artikel 2.91 Aanvraagvereisten
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden gegevens en bescheiden verstrekt die het bevoegd gezag noodzakelijk acht ter onderbouwing van het bepaalde in artikel 2.90.
Artikel 2.92 Vergunningvoorschriften
Met het oog op de beoordeling aan artikel 2.90 kunnen aan de omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden, waaronder in ieder geval:
Het is verboden om in afwijking van het bepaalde in 2.82 de verdieping van gebouwen te gebruiken ten behoeve van horeca.
Artikel 2.94 Beoordelingsregels
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend indien:
de horecafunctie op de verdieping betreft een uitbreiding van een bestaand horecabedrijf op de begane grond binnen dezelfde toegestane horecacategorie;
het mag geen ernstige c.q. onevenredige hinder opleveren voor het woon- en leefklimaat en de openbare orde;
het gebruik mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de parkeersituatie ter plaatse of er wordt in de onmiddellijke omgeving voorzien in voldoende parkeervoorzieningen. Van voldoende parkeergelegenheid is sprake, indien wordt voldaan aan de Nota Parkeernormen of de nadien gewijzigde beleidsregels met betrekking tot parkeren, zoals die gelden ten tijde van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning;
het gebruik mag niet leiden tot een onaanvaardbare verkeersdruk
de activiteit dient qua aard, omvang en uitstraling te passen in de omgeving;
uit milieuoogpunt bestaan geen bezwaren voor horeca op de verdieping;
het leidt niet tot een onevenredige aantasting van de stedenbouwkundige kwaliteit van de omgeving.
In afwijking van het eerste lid onder a kan de omgevingsvergunning ook worden verleend tegelijk met het verlenen van de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.89.
Artikel 2.95 Aanvraagvereisten
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden gegevens en bescheiden verstrekt die het bevoegd gezag noodzakelijk acht ter onderbouwing van het bepaalde in artikel 2.94.
Artikel 2.96 Vergunningvoorschriften
Met het oog op de beoordeling aan artikel 2.94 kunnen aan de omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden, waaronder in ieder geval:
Artikel 2.97 Toepassingsbereik
De regels in deze subparagraaf gelden ter plaatse van de Locatie centrum.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning op andere locaties dan aangegeven in artikel 2.84, gronden en bouwwerken te gebruiken ten behoeve van een horecabedrijf.
Artikel 2.99 Beoordelingsregels
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:
het mag geen ernstige c.q. onevenredige hinder opleveren voor het woon- en leefklimaat en de openbare orde;
het gebruik mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de verkeersontsluitings- en parkeersituatie ter plaatse of er wordt in de onmiddellijke omgeving voorzien in voldoende parkeervoorzieningen;
de activiteit dient qua aard, omvang en uitstraling te passen in de omgeving;
het leidt niet tot een onevenredige aantasting van de stedenbouwkundige kwaliteit van de omgeving.
Artikel 2.100 Aanvraagvereisten
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden gegevens en bescheiden verstrekt die het bevoegd gezag noodzakelijk acht ter onderbouwing van het bepaalde in artikel 2.99.
Artikel 2.101 Vergunningvoorschriften
Met het oog op de beoordeling aan artikel 2.99 kunnen aan de omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden, waaronder in ieder geval:
De regels in deze paragraaf gelden ter plaatse van de Locatie kantoor.
De gronden zijn aangewezen voor het Gebruiksdoel kantoor.
De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt ten behoeve van kantoren, overeenkomstig het bepaalde in paragraaf 2.9.2.
Kantoren zijn alleen toegestaan op de begane grond, tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald.
Ter plaatse van de Functieaanduiding kantoor op de verdieping, is een kantoor op de verdieping toegestaan.
Ter plaatse van het Normgebied maximum bruto-vloeroppervlakte kantoor bedraagt de maximum bruto-vloeroppervlakte die ten behoeve van kantoor mag worden gebruikt niet meer dan met de Omgevingsnorm maximale bruto-vloeroppervlakte kantoor is aangegeven.
Ter plaatse van de Functieaanduiding kantoor met baliefunctie, is alleen het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een kantoor met baliefunctie toegestaan.
Ter plaatse van de Functieaanduiding kantoor zonder baliefunctie, is alleen het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een kantoor zonder baliefunctie toegestaan.
De regels in deze paragraaf gelden ter plaatse van de Locatie maatschappelijk.
De gronden zijn aangewezen voor het Gebruiksdoel maatschappelijk.
De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt ten behoeve van de volgende functies:
maatschappelijke doeleinden, overeenkomstig het bepaalde in paragraaf 2.10.2;
sport- en speelvoorzieningen;
ondersteunende horeca, overeenkomstig het bepaalde in artikel 2.86.
Ter plaatse van de Functieaanduiding maatschappelijke doeleinden uitsluitend op begane grond, zijn maatschappelijke voorzieningen uitsluitend op de begane grond toegestaan.
Ter plaatse van het Normgebied maximum bedrijfsvloeroppervlak maatschappelijk bedraagt de maximum bedrijfsvloeroppervlakte die ten behoeve van maatschappelijke doeleinden mag worden gebruikt niet meer dan met de Omgevingsnorm maximale bedrijfsvloeroppervlak maatschappelijk is aangegeven.
Het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van voorzieningen en/of activiteiten ten behoeve van openbaar bestuur, openbare dienstverlening, religie, verenigingsleven, onderwijs met bijbehorende sport- en gymnastieklokalen, (kinder)dagopvang, naschoolse opvang, opvoeding, bibliotheek, lichamelijke en/of geestelijke gezondheid van mens en dier is toegestaan.
Het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een zorginstelling is toegestaan.
Ter plaatse van de Functieaanduiding intramuraal wonen is ook het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van intramuraal wonen toegestaan.
Het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van asielzoekerscentrum, crematorium, opvang van dieren, justitiële inrichting of militaire zaken is niet toegestaan.
Ter plaatse van de Functieaanduiding begraafplaats is alleen het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een begraafplaats toegestaan.
Ter plaatse van de Functieaanduiding school, is alleen het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een school toegestaan.
Ter plaatse van de Functieaanduiding religie is alleen het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van religie toegestaan.
Ter plaatse van de Functieaanduiding uitsluitend parkeerterrein, is uitsluitend het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van parkeervoorzieningen toegestaan.
Dit artikel geldt ter plaatse van de Functieaanduiding huisartsenpost.
Er is alleen een huisartsenpost toegestaan.
Het aantal behandelkamers dat gebruikt wordt door een huisarts, mag niet meer dan 6 bedragen.
Dit artikel geldt ter plaatse van de de Functieaanduiding maatschappelijke voorziening Betuwestraat Noord.
Maatschappelijke doeleinden zijn alleen toegestaan in de vorm van een kerk, een school met gymzaal en ondersteunde maatschappelijke voorzieningen ten behoeve van een school.
Voor een kerk gelden de volgende regels:
Voor een school gelden de volgende regels:
Voor een gymzaal gelden de volgende regels:
Het bruto vloeroppervlak ten behoeve van andere dan de in de vorige leden genoemde maatschappelijke functies bedraagt niet meer dan 840 m2 bvo.
Het bruto vloeroppervlak ten behoeve van een fietsenstalling/berging ten behoeve van maatschappelijke voorzieningen bedraagt niet meer dan 500 m2 bvo.
Dit artikel geldt ter plaatse van de Functieaanduiding maatschappelijk Dr. M. van Drielplein.
Het gebruik van ruimten voor het ten gehore brengen van onversterkte muziek alleen toegestaan op de eerste verdieping van het hoofdgebouw.
Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid, zijn ramen en deuren gesloten, met uitzondering van de situatie voor het onmiddelijk doorlaten van personen.
De entree van het hoofdgebouw wordt voorzien van een 'geluidsluis' waarbij, tijdens het ten gehore brengen van muziek, altijd één van de deuren (binnen- of buitendeur) gesloten is.
Artikel 2.115 Toepassingsbereik
De regels in deze paragraaf gelden ter plaatse van de Functieaanduiding omgevingsplanactiviteit jongerenontmoetingsplaats.
Artikel 2.116 Vergunningplicht
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een jongerenontmoetingsplaats (JOP) te realiseren.
Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op geldt niet voor bestaande jongerenontmoetingsplaatsen die op het moment van inwerkingtreding van dit artikel in gebruik waren overeenkomstig het op dat moment geldende omgevingsplan of verleende omgevingsvergunning.
Artikel 2.117 Beoordelingsregels
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
Artikel 2.118 Aanvraagvereisten
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden gegevens en bescheiden verstrekt die het bevoegd gezag noodzakelijk acht ter onderbouwing van het bepaalde in artikel 2.117.
Artikel 2.119 Vergunningvoorschriften
Met het oog op de beoordeling aan artikel 2.117 kunnen aan de omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden.
Artikel 2.120 Maatwerkvoorschrift bestaande jongerenontmoetingsplaatsen
Het bevoegd gezag kan een maatwerkvoorschrift stellen over het gebruik van jongerenontmoetingsplaatsen om onaanvaardbare hinder voor het woon- en leefklimaat tegen te gaan.
De regels in deze paragraaf gelden ter plaatse van de Locatie natuur.
De gronden zijn aangewezen voor het Gebruiksdoel natuur.
De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt ten behoeve van natuurgebied.
Artikel 2.123 Toepassingsbereik
De regels in deze paragraaf gelden ter plaatse van de Locatie volkstuin.
De gronden zijn aangewezen voor het Gebruiksdoel volkstuin.
Artikel 2.124 Gebruiksdoelomschrijving
De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt ten behoeve van een volkstuin.
De regels in deze paragraaf gelden ter plaatse van de Locatie sport.
De gronden zijn aangewezen voor het Gebruiksdoel sport.
De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt ten behoeve van de volgende functies:
sportvoorzieningen, overeenkomstig het bepaalde in paragraaf 2.13.2;
ondergeschikte niet-commerciële maatschappelijke activiteiten;
ondersteunende horeca.
Het gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van lawaaisporten zoals autocircuit, kartbaan, motorcrossterrein en modelvliegtuigbaan, is niet toegestaan.
Artikel 2.128 Toepassingsbereik
De regels in deze paragraaf gelden ter plaatse van de Locatie railverkeer.
De gronden zijn aangewezen voor het Gebruiksdoel railverkeer.
Artikel 2.129 Gebruiksdoelomschrijving
De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt ten behoeve van de volgende functies:
Artikel 2.130 Toepassingsbereik
De regels in deze paragraaf gelden ter plaatse van de Locatie verblijfsgebied.
De gronden zijn aangewezen voor het Gebruiksdoel verblijfsgebied.
Artikel 2.131 Gebruiksdoelomschrijving
De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt ten behoeve van de volgende functies:
voorzieningen voor verkeer, vervoer en verblijf overeenkomstig het bepaalde in subparagraaf 2.14.2.2;
hondenuitlaatplaatsen;
terrassen;
speelvoorzieningen;
standplaatsen voor ambulante handel;
beeldende kunstwerken.
Artikel 2.132 Maatwerkvoorschrift ambulante handel
Het bevoegd gezag kan een maatwerkvoorschrift stellen over de uitoefening van ambulante handel om onaanvaardbare hinder voor het woon- en leefklimaat tegen te gaan.
Artikel 2.133 Maatwerkvoorschrift terras
Het bevoegd gezag kan een maatwerkvoorschrift stellen over de exploitatie van een terras om onaanvaardbare hinder voor het woon- en leefklimaat tegen te gaan.
Artikel 2.134 Calamiteitenroute
Dit artikel geldt ter plaatse van de Functieaanduiding calamiteitenroute.
Voorzieningen voor verkeer, vervoer en verblijf zijn alleen toegestaan in de vorm van een verbinding voor:
Artikel 2.135 Toepassingsbereik
De regels in deze paragraaf gelden ter plaatse van de Locatie verkeer.
De gronden zijn aangewezen voor het Gebruiksdoel verkeer.
Artikel 2.136 Gebruiksdoelomschrijving
De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt ten behoeve van wegen met bijbehorende voorzieningen zoals bruggen.
De regels in deze paragraaf gelden ter plaatse van de Locatie water.
De gronden zijn aangewezen voor het Gebruiksdoel water.
De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt ten behoeve van de volgende functies:
Artikel 2.139 Toepassingsbereik
De regels in deze paragraaf zijn van toepassing ter plaatse van de Locatie wonen.
De gronden zijn aangewezen voor het Gebruiksdoel wonen.
Artikel 2.140 Gebruiksdoelomschrijving
De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor de volgende functies:
het wonen in een woning overeenkomstig het bepaalde in subparagraaf 2.16.1.2;
werken aan huis overeenkomstig het bepaalde in subparagraaf 2.16.1.3.
Artikel 2.141 Beperkende regels
Ter plaatse van de Functieaanduiding beperking hoogte beplanting en bebouwing, is het aanwezig hebben van beplanting of bebouwing hoger dan 0,5 m niet toegestaan.
Het gebruik van bouwwerken ten behoeve van kamerbewoning is, tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald, niet toegestaan.
Ter plaatse van de Functieaanduiding kamerbewoning toegestaan is het gebruik van bouwwerken ten behoeve van kamerbewoning toegestaan.
Artikel 2.143 Wonen in het centrum
Dit artikel is van toepassing ter plaatse van de Functieaanduiding wonen in het centrum.
Wonen is, tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald, alleen toegestaan op de verdieping.
Ter plaatse van de Functieaanduiding wonen op de begane grond is wonen op de begane grond toegestaan.
Artikel 2.144 Woon-/werkeenheid
Ter plaatse van de Functieaanduiding woon-/werkeenheid toegestaan, is het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een woon-/werkeenheid toegestaan.
Artikel 2.145 Aan huis gebonden ambacht
Dit artikel geldt ter plaatse van de Functieaanduiding aan huis gebonden ambacht toegestaan.
Het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een aan huis gebonden ambacht is toegestaan.
De activiteit genoemd in het tweede lid moet aan de volgende voorwaarden voldoen:
het bruto-vloeroppervlak bedraagt niet meer dan 100 m2;
de hoofdgebruiker dient tevens de bewoner van de woning te zijn;
er mogen maximaal 2 parkeerplaatsen in het openbaar gebied worden gebruikt.
er mag geen detailhandel plaatsvinden, uitgezonderd een beperkte verkoop als ondergeschikte activiteit en wel in verband met de activiteit;
buitenopslag is niet toegestaan.
Artikel 2.146 Niet-publieksgerichte beroeps- en bedrijfsactiviteit aan huis
Het gebruik van een deel van een (bedrijfs)woning en/of de aangebouwde bijbehorende bouwwerken ten behoeve van de uitoefening van een niet-publieksgerichte aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit is toegestaan, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
maximaal 50 m² van het vloeroppervlak van de woning (begane grond + verdiepingen) met inbegrip van aangebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken, mag worden gebruikt voor een aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit;
degene die de activiteiten in de woning of het daarbij behorende bijbehorende bouwwerken zal uitvoeren, is tevens de bewoner van de woning;
activiteiten die vergunningplichtig zijn krachtens Besluit activiteiten leefomgeving zijn niet toegestaan;
detailhandel mag niet plaatsvinden;
buitenopslag is niet toegestaan;
er mogen maximaal 2 parkeerplaatsen in het openbaar gebied worden gebruikt.
Het bevoegd gezag kan een maatwerkvoorschrift stellen over de uitoefening van een niet-publieksgerichte beroeps- en bedrijfsactiviteit aan huis om onaanvaardbare hinder voor het woon- en leefklimaat tegen te gaan.
Artikel 2.147 Vergunningplicht
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een nieuwe woning op een bouwperceel te realiseren.
Artikel 2.148 Beoordelingsregels
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend indien er wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
de woning mag in de bouwwijze vrijstaand worden gerealiseerd of de bouwwijze van een aanwezige woning veranderen, zolang niet meer dan één extra woning wordt mogelijk gemaakt;
de afstand van het hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt bij een vrijstaande woning aan twee zijden en bij twee aaneengebouwde woningen aan één zijde niet minder dan 3 m;
de maatvoering sluit aan op de stedenbouwkundige karakteristiek van de omgeving;
er is geen sprake van een onevenredige aantasting van de stedenbouwkundige kwaliteit van de omgeving;
uit milieuoogpunt bestaan geen bezwaren voor vestiging van de woning;
er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en de belangen van derden mogen niet onevenredig worden geschaad;
de woning dient direct vanaf de openbare weg te worden ontsloten en dient zich op diezelfde openbare weg te oriënteren;
de afstand van het hoofdgebouw tot de achterste perceelsgrens dient tenminste 8 m te bedragen.
Artikel 2.149 Aanvraagvereisten
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden gegevens en bescheiden verstrekt die het bevoegd gezag noodzakelijk acht ter onderbouwing van het bepaalde in artikel 2.148.
Artikel 2.150 Vergunningvoorschriften
Met het oog op de beoordeling aan artikel 2.148 kunnen aan de omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden.
Artikel 2.151 Toepassingsbereik
De regels in deze subparagraaf gelden ter plaatse van de Functieaanduiding wonen uitsluitend op de verdieping.
Artikel 2.152 Vergunningplicht
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning gronden en bouwwerken te gebruiken ten behoeve van het wonen op de begane grond.
Artikel 2.153 Beoordelingsregels
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend indien er voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
Artikel 2.154 Aanvraagvereisten
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden gegevens en bescheiden verstrekt die het bevoegd gezag noodzakelijk acht ter onderbouwing van het bepaalde in artikel 2.153.
Artikel 2.155 Vergunningvoorschriften
Met het oog op de beoordeling aan artikel 2.153 kunnen aan de omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden, waaronder in ieder geval het aantal woningen dat wordt toegestaan.
De regels in deze paragraaf zijn van toepassing ter plaatse van de Locatie woonwagens.
De gronden zijn aangewezen voor het Gebruiksdoel wonen in woonwagens.
De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor het wonen in een woonwagen.
Artikel 2.158 Toepassingsbereik
De regels in deze paragraaf gelden ter plaatse van de Locatie bedrijfswoning.
De gronden zijn aangewezen voor het Gebruiksdoel wonen in een bedrijfswoning.
Artikel 2.159 Gebruiksdoelomschrijving
De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt ten behoeve van het wonen in een bedrijfswoning.
Artikel 2.161 Vergunningplicht
Het is verboden om zonder een omgevingsvergunning een bedrijfswoning om te zetten naar een reguliere woning.
Artikel 2.163 Aanvraagvereisten
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken worden gegevens en bescheiden verstrekt ter onderbouwing van het bepaalde in artikel 2.162.
Artikel 2.164 Vergunningvoorschriften
Met het oog op de beoordeling aan artikel 2.162 kunnen aan de omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden.
Artikel 2.165 Toepassingsbereik
De regels in deze paragraaf gelden ter plaatse van de Locatie zorgwoning.
De gronden zijn aangewezen voor het Gebruiksdoel wonen in een zorgwoning.
Artikel 2.166 Gebruiksdoelomschrijving
De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt ten behoeve van het wonen in een zorgwoning.
Artikel 2.167 Toepassingsbereik
De regels in deze paragraaf gelden ter plaatse van de Locatie woongebied.
De gronden zijn aangewezen voor het Gebruiksdoel woongebied.
Artikel 2.169 Toepassingsbereik
De regels in deze paragraaf zijn van toepassing ter plaatse van de Locatie woongebied - uit te werken.
Artikel 2.170 Vergunningplicht
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning gronden te transformeren.
Onder transformeren wordt verstaan het gebruiken van de gronden ten behoeve van de in artikel 2.168 genoemde functies.
Artikel 2.171 Beoordelingsregel
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend indien er sprake is van:
een goede omgevingskwaliteit;
een passende stedenbouwkundige structuur;
een voldoende bijdrage aan de woningbouwopgave in de gemeente en een gevarieerd aanbod van woonruimte;
een klimaatbestendige inrichting van de openbare ruimte;
een doelmatige wegenstructuur en ontsluiting; en
voldoende parkeerplaatsen. Van voldoende parkeergelegenheid is sprake, indien wordt voldaan aan de Nota Parkeernormen of de nadien gewijzigde beleidsregels met betrekking tot parkeren, zoals die gelden ten tijde van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning.
Artikel 2.172 Aanvraagvereisten
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de gegevens en bescheiden verstrekt die het bevoegd gezag noodzakelijk acht ter onderbouwing van het bepaalde in artikel 2.171 waaronder in ieder geval een inrichtingsplan als bedoeld in subparagraaf 4.2.4.8.
Artikel 2.173 Vergunningvoorschriften
Met het oog op de beoordeling aan artikel 2.171 kunnen aan de omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een deel van een (bedrijfs)woning en/of de aangebouwde bijbehorende bouwwerken ten behoeve van de uitoefening van een publieksgerichte aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit te gebruiken.
Het verbod van artikel 2.174 geldt niet ter plaatse van de Functieaanduiding publieksgerichte aan huis verbonden beroeps- en bedrijfsactiviteit toegestaan.
Het verbod van artikel 2.174 geldt niet voor bestaande publieksgerichte aan huis verbonden beroeps- en bedrijfsactiviteiten die op het moment van inwerkingtreding van dit artikel in gebruik waren overeenkomstig het op dat moment geldende omgevingsplan of verleende omgevingsvergunning.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
maximaal 50 m² van het vloeroppervlak van de woning (begane grond + verdiepingen) met inbegrip van aangebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken, mag worden gebruikt voor aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit;
degene die de activiteiten in de woning of de aangebouwde bijbehorende bouwwerken zal uitvoeren, dient tevens de bewoner van de woning te zijn;
het gebruik mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de verkeersontsluitings- en parkeersituatie ter plaatse;
de activiteit dient qua aard, omvang en uitstraling te passen in een woonomgeving;
detailhandel mag niet plaatsvinden, uitgezonderd een beperkte verkoop als ondergeschikte activiteit en uitsluitend in verband met die activiteit;
buitenopslag is niet toegestaan;
er mogen maximaal 2 parkeerplaatsen in het openbaar gebied worden gebruikt.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden gegevens en bescheiden verstrekt die het bevoegd gezag noodzakelijk acht ter onderbouwing van het bepaalde in artikel 2.176.
Met het oog op de beoordeling aan artikel 2.176 kunnen aan de omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning in een (bedrijfs)woning en/of daarbij behorende aangebouwde bouwwerken een bed & breakfast te exploiteren.
Het verbod van artikel 2.179 geldt niet voor een bestaande bed en breakfast die op het moment van inwerkingtreding van dit artikel in gebruik waren overeenkomstig het op dat moment geldende omgevingsplan of verleende omgevingsvergunning.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
de bed & breakfast is uitsluitend toegestaan in de woning en/of aangebouwde bijbehorende bouwwerken;
het gebruik ten behoeve van de bed & breakfast is gekoppeld en ondergeschikt aan de woonfunctie van de woning;
het vloeroppervlak van de bed & breakfast mag in niet meer bedragen dan 25% van het vloeroppervlak van de woning, inclusief aangebouwde bijbehorende bouwwerken, met een maximum van 80 m²;
er mag tegelijkertijd aan niet meer dan vier personen in maximaal 4 kamers bed & breakfast worden geboden;
de bed & breakfastvoorziening mag door de bouwkundige opzet, indeling en maatvoering niet kunnen functioneren als een zelfstandige woning. Dit betekent in ieder geval dat een aparte kookgelegenheid bij de voorziening is niet toegestaan;
als gevolg van de bed & breakfast mogen geen onevenredige nadelige gevolgen ontstaan voor het woon- en leefklimaat van omwonenden en de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden gegevens en bescheiden verstrekt die het bevoegd gezag noodzakelijk acht ter onderbouwing van het bepaalde in artikel 2.181.
Met het oog op de beoordeling aan artikel 2.181 kunnen aan de omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden.
Het gebruik van een bestaand bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg is toegestaan.
Sociale huurwoningen hebben een huurprijs tot aan de liberalisatiegrens. Deze wordt jaarlijks vastgesteld conform de betreffende MG Circulaire met betrekking tot o.a. huurprijsgrenzen.
(Gereguleerde) middeldure huurwoningen hebben een huurprijs vanaf de liberalisatiegrens tot ten hoogste € 1.123,- (prijspeil 2024) en vervolgens jaarlijks vastgesteld conform de betreffende MG Circulaire met betrekking tot o.a. huurprijsgrenzen.
Een betaalbare koopwoning dient een gebruiksoppervlak van ten minste 30m² te hebben.
De koopprijs vrij op naam voor een betaalbare koopwoning met een gebruiksoppervlak tot 50m² bedraagt ten hoogste € 250.000,- voor een woning met een gebruiksoppervlak van 50 tot 70m² ten hoogste € 275.000,- voor een woning met een gebruiksoppervlak vanaf 70m² ten hoogste € 350.000,-.
De in het eerste lid bedoelde maximale koopprijzen worden jaarlijks per 1 januari geïndexeerd overeenkomstig het percentage waarmee de liberalisatiegrens wordt aangepast, zoals opgenomen in de jaarlijkse MG Circulaire met betrekking tot o.a. huurprijsgrenzen, en afgerond op een veelvoud van € 500.,-
In overeenkomsten met ontwikkelende partijen worden indexatie-afspraken gemaakt vanaf prijspeildatum tot aan het moment van start verkoop, een en ander in lijn met het bepaalde in dit artikel.
Het gebruiksoppervlak van een betaalbare koopwoning mag gedurende een periode van 5 jaar na de eerste oplevering niet worden vergroot.
De doelgroep voor sociale huurwoningen bestaat uit huishoudens met een huishoudinkomen tot maximaal de DAEB-inkomensgrens (in 2024: € 44.699,- voor een eenpersoonshuishouden en € 52.671,- voor een meerpersoonshuishouden).
De doelgroep voor geliberaliseerde woningen voor middenhuur bestaat uit huishoudens met een huishoudinkomen tot maximaal 1,5 keer de lage DAEB-inkomensgrens.
De doelgroep voor betaalbare koopwoningen bestaat uit huishoudens met een huishoudinkomen tot maximaal 1,5 keer de lage DAEB-inkomensgrens.
Tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald, dienen woningbouwplannen van tenminste 20 woningen minimaal 30% sociale huurwoningen, 20% betaalbare koopwoningen tot € 350.000,- en 15% woningen voor middenhuur of koopwoningen tot € 395.000,- te omvatten.
Tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald, dienen woningbouwplannen van minder dan 20 woningen in minimaal 30% sociale huurwoningen en 35% geliberaliseerde woningen voor middenhuur of betaalbare koopwoningen tot de NHG grens te omvatten. Indien dit om praktische redenen niet mogelijk is, zal in samenspraak met de ontwikkelaar worden bezien of compensatie op een andere locatie van deze ontwikkelaar mogelijk is.
Ter plaatse van de Functieaanduiding sociale huurwoning 30%, mogen niet minder dan 30% van het aantal totaal te bouwen woningen worden gebouwd als sociale huurwoning als bedoeld in artikel 5.161c van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Ter plaatse van de Functieaanduiding sociale koopwoning 10%, mogen niet minder dan 10% van het aantal totaal te bouwen woningen worden gebouwd als sociale koopwoning als bedoeld in artikel 5.161c van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Ter plaatse van de Functieaanduiding sociale huurwoning 20%, mogen niet minder dan 20% van het aantal totaal te bouwen woningen worden gebouwd als sociale huurwoning als bedoeld in artikel 5.161c van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Ter plaatse van de Functieaanduiding sociale huur of koop 20%, mogen niet minder dan 20% van het aantal totaal te bouwen woningen worden gebouwd als sociale huurwoning of sociale koopwoning als bedoeld in artikel 5.161c van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Ter plaatse van de Locatie Herenland-West Opheusden betreft minimaal 21 woningen een sociale huurwoning als bedoeld in artikel 5.161c van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Sociale huurwoningen worden ten minste vijfentwintig jaar na ingebruikname onafgebroken in stand gehouden voor de in artikel 2.187 omschreven doelgroep.
Geliberaliseerde woningen voor middenhuur worden ten minste vijftien jaar na ingebruikname onafgebroken in stand gehouden voor de in artikel 2.188 omschreven doelgroep.
Betaalbare koopwoningen worden ten minste vijf jaar na ingebruikname onafgebroken in stand gehouden voor de in artikel 2.189 omschreven doelgroep als betaalbare koopwoning.
Het aanbieden van een sociale huurwoning dient te geschieden conform de met de corporaties overeengekomen toewijzingscriteria voor sociale verhuur.
Het gestelde in dit artikel geldt niet voor andere partijen dan toegelaten instellingen als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Woningwet, indien de gemeente instemt met een ontheffing.
De verhuurder dient op verzoek van het college een rapportage te overleggen waaruit blijkt dat ten aanzien van de verhuur is voldaan aan de verplichtingen voortvloeiend uit dit plan.
Het gestelde in dit artikel geldt niet voor toegelaten instellingen als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Woningwet.
Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld, of een vergunningvoorschrift kan aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.22 worden verbonden, over het bepaalde in deze paragraaf.
Met een maatwerkvoorschrift of een vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van het bepaalde in deze paragraaf.
Dit artikel geldt ter plaatse van de Functieaanduiding levensloopbestendige woning.
Het aantal woningen dat in de bouwwijze levensloopbestendig wordt gerealiseerd bedraagt niet minder dan met de Omgevingsnorm minimum aantal levensloopbestendige woningen is aangegeven.
De regels in deze afdeling gelden ter plaatse van de Beschermingszone rioolleiding.
De gronden zijn aangewezen voor het Gebruiksdoel rioolleiding.
De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt ten behoeve van de aanleg en instandhouding van een rioolpersleiding.
De regels in deze paragraaf gelden ter plaatse van de Beschermingszone waterkering en de Functieaanduiding vrijwaringszone dijk.
De gronden zijn aangewezen voor het Gebruiksdoel waterkering.
De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt ten behoeve van de aanleg, instandhouding en verbetering van een waterkering.
De regels in deze afdeling gelden ter plaatse van de Beschermingszone primaire watergang.
De gronden zijn aangewezen voor het Gebruiksdoel primaire watergang.
De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt ten behoeve van de bescherming, het beheer en de verbetering van een watergang.
De regels in deze afdeling gaan over specifieke functies op specifieke locaties.
Dit artikel geldt ter plaatse van de Functieaanduiding groothandel in en reparatie en onderhoud van scooters en bromfietsen.
Het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van de groothandel in scooters en bromfietsen is toegestaan.
Het bruto vloeroppervlak van de activiteit bedoeld in het tweede lid, mag niet meer bedragen dan 80 m².
Het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van de reparatie en het onderhoud van scooters en bromfietsen is toegestaan.
Dit artikel geldt ter plaatse van de Functieaanduiding fruitgroothandel.
Het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een groothandel in fruit is toegestaan.
Dit artikel geldt ter plaatse van de Functieaanduiding meubelstoffeerderij.
Het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een meubelstoffeerderij is toegestaan.
Dit artikel geldt ter plaatse van de Functieaanduiding installatiebedrijf.
Het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een installatiebedrijf is toegestaan.
Dit artikel is van toepassing ter plaatse van de Functieaanduiding bakkerij.
Het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een bakkerij is toegestaan.
Dit artikel is van toepassing ter plaatse van de Functieaanduiding buitenpandige opslag.
Het gebruik van gronden ten behoeve van buitenpandige opslag is toegestaan.
Dit artikel is van toepassing ter plaatse van de Functieaanduiding roboticabedrijf.
Het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van de ontwikkeling, reparatie en vermarkten van robotica/systemen en roboticacomponenten is toegestaan.
De bruto-vloeroppervlakte van de activiteit genoemd in het tweede lid mag niet meer dan 125 m² bedragen
Het gebruik van gronden buiten de gebouwen ten behoeve van opslag of ander bedrijfsmatig gebruik, met uitzondering van het parkeren van voertuigen, is verboden.
Dit artikel geldt ter plaatse van de Functieaanduiding binnenpandige opslag toegestaan.
Het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van binnenpandige opslag is toegestaan.
Dit artikel geldt ter plaatse van de Functieaanduiding beperking milieucategorie - 1.
Het gebruik van gronden en bouwwerken is uitsluitend toegestaan indien de activiteiten vallen onder categorie 1 van de Staat van bedrijfsactiviteiten - kernen.
Dit artikel geldt ter plaatse van de Functieaanduiding beperking milieucategorie - 2.
Het gebruik van gronden en bouwwerken is uitsluitend toegestaan indien de activiteiten vallen onder categorie 1 of categorie 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten - kernen.
Dit artikel geldt ter plaatse van de Functieaanduiding atelier.
Het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een atelier is toegestaan.
Dit artikel geldt ter plaatse van de Functieaanduiding atelier met theeschenkerij.
De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt ten behoeve van een atelier met theeschenkerij.
Het bruto vloeroppervlak van de activiteit genoemd in het tweede lid mag niet meer bedragen dan 125 m².
Dit artikel geldt ter plaatse van de Locatie uitsluitend detailhandel in woninginrichting.
Het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel in artikelen voor woninginrichting waaronder meubels toegestaan.
Dit artikel geldt ter plaatse van de Functieaanduiding detailhandel in scooters en bromfietsen.
Het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel in scooters en bromfietsen is toegestaan.
Het bruto vloeroppervlak mag, samengenomen met de activiteit als bedoeld in artikel 2.204, vierde lid, niet meer bedragen dan 70 m².
Dit artikel is van toepassing ter plaatse van de Functieaanduiding detailhandel in fietsen.
Het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel in fietsen is toegestaan.
Dit artikel geldt ter plaatse van de Functieaanduiding verhuur en verkoop van landbouwmachines.
Het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel in landbouwmachines is toegestaan.
Dit artikel geldt ter plaatse van de Functieaanduiding volumineuze detailhandel toegestaan.
Het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van volumineuze detailhandel is toegestaan.
Dit artikel geldt ter plaatse van de Functieaanduiding bruidsmodezaak.
Het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een bruidsmodezaak is toegestaan.
Het gebruik is uitsluitend op de begane grond toegestaan.
Dit artikel geldt ter plaatse van de Functieaanduiding fotostudio.
Het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een fotostudio is toegestaan.
Dit artikel geldt ter plaatse van de Functieaanduiding kapsalon.
Het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een kapsalon is toegestaan.
Dit artikel geldt ter plaatse van de Functieaanduiding café en zalencentrum - 1.
De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt ten behoeve van een café en zalencentrum.
Het bruto-vloeroppervlak van de activiteit genoemd in het tweede lid mag niet meer bedragen dan 485 m².
Dit artikel geldt ter plaatse van de Functieaanduiding café en zalencentrum - 2.
De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt ten behoeve van een café en zalencentrum.
Het bruto-vloeroppervlak van de activiteit genoemd in het tweede lid mag niet meer bedragen dan 250 m².
Het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een terras is alleen aan de zuidzijde van het bouwvlak toegestaan.
De oppervlakte van het terras mag niet meer bedragen dan 45 m².
Dit artikel geldt ter plaatse van de Functieaanduiding cafetaria.
De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt ten behoeve van een cafetaria.
Dit artikel geldt ter plaatse van de Functieaanduiding peuterspeelzaal.
Het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een peuterspeelzaal is toegestaan.
Dit artikel geldt ter plaatse van de Functieaanduiding volière.
Het gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van een volière is toegestaan.
Dit artikel geldt ter plaatse van de Functieaanduiding garagebox.
Het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een garagebox is toegestaan.
Het gebruik anders dan voor de stalling van (motor)voertuigen en voor berging als medegebruik is niet toegestaan.
Dit artikel geldt ter plaatse van de Functieaanduiding parkeerterrein.
Het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een parkeerterrein is toegestaan.
Dit artikel geldt ter plaatse van de Functieaanduiding recreatieve sportactiviteiten.
Het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van recreatieve sportactiviteiten in de sport- en gymnastieklokalen zijn toegestaan.
Deze afdeling is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken.
Deze afdeling is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken.
Het gebruik van het bij een hoofdgebouw behorend erf is in overeenstemming met een in hoofdstuk 2 aan een locatie gegeven gebruiksdoel.
Onder het gebruik van een bij een hoofdgebouw behorend erf dat in overeenstemming is met een in hoofdstuk 2 aan een locatie gegeven gebruiksdoel wordt verstaan een inrichting en gebruik op een wijze die naar algemene maatstaven als een normale inrichting en gebruik van het bijbehorende erf wordt beschouwd.
Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 2 is het verboden het bestaande gebruik te wijzigen naar een andere vorm van gebruik, wanneer niet voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein aanwezig is.
Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van het bepaalde in het eerste lid, indien:
Van voldoende parkeergelegenheid is sprake, indien (voor onder andere aantallen en maatvoering) wordt voldaan aan de Nota Parkeernormen of de nadien gewijzigde beleidsregels met betrekking tot parkeren, zoals die gelden ten tijde van het wijzigen van het bestaande gebruik.
Het is verboden het aantal parkeerplaatsen, dat op eigen terrein feitelijk beschikbaar is, te verminderen.
Het eerste lid is niet van toepassing als het aantal parkeerplaatsen dat feitelijk beschikbaar komt op eigen terrein passend blijft binnen de voor het legaal bestaand gebruik geldende parkeernorm.
Ter plaatse van de Functieaanduiding parkeren - 1 dienen bij vrijstaande woningen en twee-aaneengebouwde woningen ten minste 2 parkeerplaatsen op eigen terrein te worden gerealiseerd en in stand gehouden.
Bij maatwerkvoorschrift kunnen, gelet op het bepaalde in artikel 3.8, nadere eisen worden gesteld aan de situering en uitvoering van het laden- en lossen.
De regels in deze paragraaf gaan over het wijzigen van het gebruik van een gebouw op een zodanige wijze dat er een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie ontstaat.
Ten minste vier weken voor het wijzigen van het gebruik zoals bedoeld in artikel 3.10 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens verstrekt:
een voorafgaand bodemonderzoek zoals bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving (voorafgaand onderzoek); en
als de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem, zoals bedoeld in artikel 4.73 wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen.
De resultaten van een bodemonderzoek worden ook verstrekt in het bestandsformaat XML conform de meest recente versie van het protocol SIKB0101.
Als het gaat om een locatie in een gebied dat is aangewezen als Locatie uitgebreid bodemonderzoek dan moeten de resultaten van het onderzoek zoals bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving waaronder in ieder geval de resultaten van een verkennend bodemonderzoek (volgens NEN 5740) worden ingediend.
Als het gaat om een locatie in een gebied dat is aangewezen als Locatie alternatief bodemonderzoek lood’ dan moeten de resultaten van het onderzoek zoals bedoeld in paragraaf. 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving waaronder in ieder geval de resultaten van een onderzoek naar het voorkomen van lood in de laag tot 0,5 m-mv worden ingediend.
Het gebruiken van een gebouw als bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie is uitsluitend toegestaan als de bodemkwaliteit voldoet aan de toelaatbare bodemkwaliteit zoals bedoeld in artikel 4.73 of als uit de gegevens blijkt dat aannemelijk is dat sanerende of beschermende maatregelen worden getroffen waardoor gezondheidsrisico’s worden weggenomen.
Het gebruiken van een gebouw als bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie is pas toegestaan nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop er een of meer sanerende of andere beschermende maatregelen zijn getroffen.
De regels in deze paragraaf zijn van toepassing ter plaatse van een geluidsaandachtsgebied.
De regels in deze paragraaf zijn van toepassing op het wijzigen van het gebruik van een gebouw naar een:
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder geluid uitsluitend verstaan het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen.
Bij de toepassing van deze paragraaf blijft een beoordeling voor de geluidbronsoort Industrieterreinen buiten toepassing voor zover het gaat om industrieterreinen waarvoor nog geen geluidproductieplafonds als bedoeld in artikel 2.11a of 2.12a Omgevingswet zijn vastgesteld.
Deze paragraaf is niet van toepassing als de wijziging van gebruik naar een geluidgevoelig gebouw reeds betrokken is bij een wijziging van het omgevingsplan, een verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken, een verleende omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, of een verleende omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Op het bepalen van het geluid op een gevel zijn de meet- en rekenvoorschriften, gesteld bij en krachtens de Omgevingswet, van toepassing.
De waarden voor het geluid gelden:
als het gaat om een geluidgevoelig gebouw: op de gevel;
als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw: op de locatie waar een gevel mag komen;
in afwijking van onder a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van dat woonschip of die woonwagen; en
als het gaat om een geluidgevoelige ruimte: in de geluidgevoelige ruimte.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning het gebruik van een gebouw te wijzigen naar een:
De omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.18, wordt alleen verleend als
het met de wijziging beoogde gebruik niet in strijd is met artikel 2.3; en
geluid op de gevel van het geluidgevoelig gebouw, met het oog op de bescherming van de gezondheid, aanvaardbaar is.
Van een aanvaardbaar geluid op de gevel van het geluidgevoelig gebouw is in elk geval sprake als het geluid op de gevel niet hoger is dan de standaardwaarde, bedoeld in tabel 3.20:
Artikel 5.78t, tweede, derde en vierde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving is van overeenkomstige toepassing.
Wanneer het geluid op de gevel van het geluidgevoelig gebouw hoger is dan de in artikel 3.20 bedoelde standaardwaarde kan het geluid aanvaardbaar zijn als:
geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarde te voldoen;
de overschrijding van de standaardwaarde door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt; en
het geluid op geluidgevoelige gebouwen niet hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in tabel 3.21:
Geluidbeperkende maatregelen als bedoeld in het eerste lid worden in aanmerking genomen als die financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan.
Als de aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.18, betrekking heeft op een gebouw of gedeelte van een gebouw waar bewoning is toegestaan, en geluidbeperkende maatregelen om aan de standaardwaarden te voldoen, gelet op het bepaalde in het tweede lid niet doelmatig of bezwaarlijk zijn, is sprake van een aanvaardbare geluidbelasting als elke afzonderlijke woning beschikt over een geluidluwe gevel waarop ten hoogste de standaardwaarde, bedoeld in artikel 3.20, is berekend.
Als de aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in Artikel 3.18, betrekking heeft op een gebouw of gedeelte van een gebouw waar bewoning is toegestaan, en geluidbeperkende maatregelen om aan de standaardwaarden te voldoen gelet op het bepaalde in het tweede lid niet doelmatig of bezwaarlijk zijn en niet elke afzonderlijke woning beschikt over een geluidluwe gevel waarop ten hoogste de standaardwaarde, bedoeld in artikel 3.20, is berekend, kan sprake zijn van een aanvaardbare geluidbelasting als:
Artikel 5.78u, tweede en vierde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving is van overeenkomstige toepassing.
Bij de toepassing van artikel 3.21 wordt het belang van het beschermen van de gezondheid door een geluidluwe gevel betrokken.
Bij de toepassing van artikel 3.21 wordt de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid op het geluidgevoelige gebouw beoordeeld.
Bij het bepalen van het gecumuleerde geluid wordt in ieder geval betrokken:
voor een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied van een weg, spoorweg of industrieterrein: het geluid door die geluidbronsoort;
voor een geluidgevoelig gebouw binnen de 48 Lden geluidcontour of, voor zover de geldende geluidcontouren in Kosteneenheden zijn uitgedrukt, binnen de 20 Kosteneenheden geluidcontour van een luchthaven waarvoor op grond van de Wet luchtvaart een luchthavenindelingbesluit, een luchthavenbesluit of een besluit beperkingengebied buitenlandse luchthaven is vereist: het geluiddoor luchtvaart;
voor een geluidgevoelig gebouw waarop het geluid door een windturbine of een windpark op eenindustrieterrein hoger is dan 43 Lden: het geluid door die windturbine of dat windpark; en
voor een geluidgevoelig gebouw waarop het geluid door een civiele buitenschietbaan, eenmilitaire buitenschietbaan of een militair springterrein op een industrieterrein hoger is dan 50 BS,dan: het geluid door die buitenschietbaan of dat springterrein.
Op het bepalen van het gecumuleerde geluid zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.
Bij de toepassing van artikel 3.21 wordt het gezamenlijk geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen bepaald en in de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.18, vastgelegd.
Aan de omgevingsvergunning worden de voorschriften verbonden die nodig zijn met het oog op het voorkomen van onaanvaardbare geluidhinder.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt een rapport verstrekt:
De regels in deze subparagraaf zijn van toepassing ter plaatse van de Aandachtsgebied geluidzone industrie (Wgh).
De regels van deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op het tegengaan van een te hoge geluidbelasting vanwege industrielawaai op geluidgevoelige gebouwen.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning het gebruik van een gebouw te wijzigen naar een:
De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als er een hogere grenswaarde is vastgesteld als bedoeld in de Wet geluidhinder.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt ten behoeve van het bepaalde in artikel 3.30 een akoestisch onderzoek verstrekt.
Met het oog op het belang van artikel 3.28 kunnen aan de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voorschriften worden verbonden.
Artikel 3.33 Gebruik chemische gewasbeschermingsmiddelen
Dit artikel geldt ter plaatse van de Functieaanduiding spuitvrije zone.
Het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen is niet toegestaan.
Artikel 3.34 Verboden gebruik - voor gewasbestrijdingsmiddelen gevoelige functies
Dit artikel geldt ter plaatse van de Functieaanduiding gewasbestrijdingsmiddelen gevoelige functies.
Het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van voor gewasbestrijdingsmiddelen gevoelige functies is niet toegestaan.
Onder een voor gewasbestrijdingsmiddelen gevoelige functie als bedoeld in het tweede lid wordt gebruik van gronden en/of gebouwen voor functies waar mensen langdurig verblijven en daarmee een groter risico lopen op blootstelling aan (drift van) gewasbeschermingsmiddelen verstaan. Hieronder worden in ieder geval begrepen:
(recreatie)woningen met bijbehorende tuin(en);
bedrijfsgebouwen waar men langdurig verblijft, zoals detailhandel en kantoren;
de volgende gebouwen met bijbehorende terreinen: scholen, kinderdagverblijven, zorginstellingen, recreatieverblijven en andere in aard daarmee gelijk te stellen functies.
Artikel 3.35 Toepassingsbereik
De regels in deze subparagraaf gelden ter plaatse van het Belemmeringengebied plaatsgebonden risico.
Het bepaalde in artikel 3.36 en artikel 3.37 geldt ook ter plaatse van het Belemmeringengebied gasdruk en regelstation.
Artikel 3.37 Verbod gebruik kwetsbaar gebouw of locatie
Het is verboden om een gebouw te gebruiken als kwetsbaar gebouw of gronden als kwetsbare locatie.
Het verbod bedoeld in het eerste lid geldt niet voor kwetsbare gebouwen of kwetsbare locaties die een functionele binding hebben met de activiteit waarvoor het Belemmeringengebied plaatsgebonden risico is opgenomen.
Artikel 3.38 Verbod gebruik beperkt kwetsbaar gebouw of locatie
Het is verboden om een gebouw te gebruiken als beperkt kwetsbaar gebouw of gronden als beperkt kwetsbare locatie.
Het verbod bedoeld in het eerste lid geldt niet voor beperkt kwetsbare gebouwen of beperkt kwetsbare locaties die een functionele binding hebben met de activiteit waarvoor het Belemmeringengebied plaatsgebonden risico is opgenomen.
Het verbod bedoeld in het eerste lid geldt niet voor bestaande beperkt kwetsbare gebouwen die op het moment van inwerkingtreding van dit artikel in gebruik waren overeenkomstig het op dat moment geldende bestemmingsplan of verleende omgevingsvergunning.
Artikel 3.39 Toepassingsbereik
De regels in deze subparagraaf gelden ter plaatse van de gebieden bedoeld in artikel 5.12 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Ter plaatse van het Brandaandachtsgebied zijn gronden aangewezen als brandaandachtsgebied bedoeld in artikel 5.12 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Ter plaatse van het Explosieaandachtsgebied zijn gronden aangewezen als explosieaandachtsgebied als bedoeld in artikel 5.12 lid 2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Artikel 3.40 Verbod gebruik zeer kwetsbare gebouwen
Het is verboden om een gebouw te gebruiken als zeer kwetsbaar gebouw.
Het verbod bedoeld in het eerste lid geldt niet voor (de uitbreiding van) bestaand(e) zeer kwetsbare gebouwen die op het moment van inwerkingtreding van dit artikel in gebruik waren overeenkomstig het op dat moment geldende bestemmingsplan of verleende omgevingsvergunning.
Artikel 3.41 Aanwijzing explosievoorschriftengebied
Ter plaatse van het Explosievoorschriftengebied geldt dat de gronden zijn aangewezen als explosievoorschriftengebied als bedoeld in artikel 5.14, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Er is een bodembelastingkaart die te raadplegen is via deze link bodembelastingkaart.
Bij het toepassen van de regels over bouwen in dit omgevingsplan wordt gemeten op de wijze zoals aangegeven in bijlage III.
Op het bepalen van de bruto-vloeroppervlakte is NEN 2580 van toepassing.
Als in een regel een norm is gegeven die geldt ter plaatse van een aanduiding geldt de betreffende norm per afzonderlijk aanduidingsvlak.
Op het bepalen van het geluid op een gevel zijn de meet- en rekenvoorschriften, gesteld bij en krachtens de Omgevingswet, van toepassing.
Voor de toepassing van dit omgevingsplan wordt onder gemeentelijk monument respectievelijk voorbeschermd gemeentelijk monument ook verstaan een monument of archeologisch monument dat op grond van een gemeentelijke verordening is aangewezen respectievelijk waarop, voordat het is aangewezen, die verordening van overeenkomstige toepassing is.
Het eerste lid is van toepassing: als het gaat om een aangewezen monument of archeologisch monument:
zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de Functieaanduiding gemeentelijk monument is gegeven; en
als het gaat om een monument of archeologisch monument waarop voordat het is aangewezen de verordening van overeenkomstige toepassing is: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of het omgevingsplan nog geen voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om die functie-aanduiding te geven.
Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit is verleend wordt, onverminderd de aan de vergunning verbonden voorschriften, niet begonnen voordat voor zover nodig:
Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over het eerste lid, waarmee kan worden afgeweken van het eerste lid.
Het uiterlijk van de volgende bouwwerken mag niet in ernstige mate in strijd zijn met een goede omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de criteria van de beleidsregels, bedoeld in artikel 4.19 Omgevingswet:
Het eerste lid is niet van toepassing als het gaat om een aangewezen gebied of bouwwerk als bedoeld in artikel 4.51.
Totdat beleidsregels als bedoeld in artikel 4.19 Omgevingswet zijn vastgesteld, geldt overeenkomstig artikel 4.114 Invoeringswet Omgevingswet de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel gold tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet, als de beleidsregels, bedoeld in het eerste lid.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid heeft een bouwwerk een toereikende bluswatervoorziening, tenzij de aard, de ligging of het gebruik van een bouwwerk dat niet vereist.
De afstand tussen de bluswatervoorziening en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129
of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van
het bouwwerk is:
De bluswatervoorziening is onbeperkt toegankelijk voor bluswerkzaamheden.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid ligt tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een gebouw of ander bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
Het eerste lid is niet van toepassing:
op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090;
op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2;
op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090;
als de toegang van het bouwwerk op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt; of
als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen verbindingsweg vereist.
Tenzij elders in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening anders bepaald, heeft een verbindingsweg:
Een verbindingsweg is over de voorgeschreven hoogte en breedte, bedoeld in het derde lid, vrijgehouden voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
Hekwerken die een verbindingsweg afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.
In afwijking van het derde lid onder b geldt dat een verbindingsweg geschikt moet zijn voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 30.000 kilogram voor de locaties waar de bluswatervoorziening niet toereikend is vanwege de aard en de ligging van een gebouw of bouwwerk en de voorzieningen die daar zijn getroffen.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zodanige opstelplaatsen voor brandweervoertuigen dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.
Het eerste lid is niet van toepassing:
op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090;
op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2;
op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; of
als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen opstelplaatsen vereist.
De afstand tussen een opstelplaats en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.
Een opstelplaats voor brandweervoertuigen is over de hoogte en breedte, bedoeld in artikel 4.8, derde lid, vrijgehouden voor brandweervoertuigen.
Hekwerken die een opstelplaats afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van elektriciteit in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor elektriciteit als de aansluitafstand niet groter is dan 100 m of groter is dan 100 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 100 m.
Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en de energiezuinigheid en de bescherming van het milieu is een te bouwen bouwwerk met een of meer verblijfsgebieden aangesloten op het in het warmteplan bedoelde distributienet voor warmte als:
het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen op het distributienet op het moment van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk nog niet is bereikt; en
de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
Een gelijkwaardige maatregel voor een aansluiting op het distributienet voor warmte heeft ten minste dezelfde mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu als wordt bereikt met de in het warmteplan voor die aansluiting opgenomen mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu.
Onverminderd het vierde lid, zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.
Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 9.2, tiende lid, van het Bouwbesluit 2012 voor een gebied een aansluitplicht op het distributienet voor warmte geldt, blijft die aansluitplicht voor dat gebied van toepassing.
Met het oog op het beschermen van de gezondheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van drinkwater in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor drinkwater als de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
Met het oog op het beschermen van de gezondheid ligt een ondergrondse doorvoer van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater door een uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk zoveel mogelijk haaks op de scheidingsconstructie.
De gebouwaansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater op de op het eigen erf of terrein gelegen riolering of een andere voorziening voor afvoer van afvalwater is zodanig dat bij zetting de dichtheid van de aansluiting en de afvoer gehandhaafd blijft.
Een terreinleiding waardoor huishoudelijk afvalwater wordt geleid:
Bij maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 4.2 kan in ieder geval worden bepaald:
als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een ander passend systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, Omgevingswet aanwezig is waarop kan worden aangesloten: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater op dat riool of systeem noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd;
als voor de afvoer van hemelwater een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is waarop kan worden aangesloten, en hemelwater op dat stelsel of riool mag worden gebracht: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van hemelwater op dat stelsel of riool noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; en
of, en zo ja welke voorzieningen in de afvoervoorziening of de op het erf of terrein gelegen riolering moeten worden aangebracht om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een bouwwerk niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat het gebruik in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is.
Degene die een bouwwerk gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten in, op of aan een bouwwerk overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door:
Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik van bouwwerken, bedoeld in afdeling 6.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
Op een open erf of terrein nabij een bouwwerk is geen brandgevaarlijke stof als bedoeld in tabel 4.18 aanwezig.
Het eerste lid is niet van toepassing als:
Het eerste lid is niet van toepassing op:
brandstof in het reservoir van een verbrandingsmotor;
brandstof in een verlichtings-, verwarmings- of ander warmteontwikkelend toestel;
voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken;
gasflessen tot een totale waterinhoud van 115 liter;
dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen de 61 °C en 100 °C tot een totale hoeveelheid van 1.000 liter; en
brandgevaarlijke stoffen voor zover de aanwezigheid daarvan op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving of een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is toegestaan.
Bij het berekenen van de toegestane hoeveelheid, bedoeld in het tweede lid, onder a, wordt een aangebroken verpakking als een volle meegerekend.
In afwijking van het derde lid, aanhef en onder e, is de aanwezigheid van meer dan 1.000 liter van een oliesoort als bedoeld in dat onderdeel toegestaan als die oliesoort op zodanige wijze wordt opgeslagen en gebruikt dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie en de ontwikkeling van brand voldoende worden voorkomen.
ADR-klasse1 | Omschrijving | Verpakkingsgroep | Toegestane maximum hoeveelheid |
2 UN 1950 spuitbussen & UN 2037 houders, klein, gas | Gassen zoals propaan, zuurstof, acetyleen, aerosolen (spuitbussen) | n.v.t. | 50 kg |
3 | Brandbare vloeistoffen zoals bepaalde oplosmiddelen en aceton | II | 25 liter |
3 excl. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen 61°C en 100°C | Brandbare vloeistoffen zoals terpentine en bepaalde inkten | III | 50 liter |
4.1, 4.2, 4.3 | 4.1: brandbare vaste stoffen, zelfontledende vaste stoffen en vaste ontplofbare stoffen in niet-explosieve toestand zoals wrijvingslucifers, zwavel en metaalpoeders 4.2: voor zelfontbranding vatbare stoffen zoals fosfor (wit of geel) en diethylzink 4.3: stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen zoals magnesiumpoeder, natrium en calciumcarbide | II en III | 50 kg |
5.1 | Brandbevorderende stoffen zoals waterstofperoxide | II en III | 50 liter |
5.2 | Organische peroxiden zoals dicumyl peroxide en di-propionyl peroxide | n.v.t. | 1 liter |
1 Classificatie volgens de Europese overeenkomst van 30 september 1957 betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg (Trb. 1959, 171).
De eigenaar of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen aan het open erf of terrein en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de staat van het open erf of terrein tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
Degene die een open erf of terrein gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten op een open erf of terrein overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door:
het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal;
het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en
het nalaten van het normale onderhoud waardoor het open erf of terrein zich niet in een zindelijke staat bevindt.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een open erf of terrein niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat dit in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is.
Afdeling 4.2 is van toepassing op het verrichten van een omgevingsplanactiviteit bouwwerken.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit bouwwerken te verrichten.
De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels over het verlenen van de omgevingsvergunning die in paragraaf 4.2.4 zijn gesteld.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een opgave van de bouwkosten;
het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft;
een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto-vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft;
een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:
de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;
de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;
de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;
de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en
het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bouwwerk;
de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil en het aantal bouwlagen; en
gegevens en bescheiden die samenhangen met een uit te brengen advies van de Agrarische Adviescommissie in geval van een aanvraag voor een bouwactiviteit op een locatie waaraan een agrarische functie is toegedeeld.
Artikel 4.25 Toepassingsbereik
In deze paragraaf worden bouwwerken aangewezen waarop de vergunningplicht, bedoeld in artikel 4.22, niet van toepassing is.
Deze paragraaf is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.
Bij de toepassing van deze paragraaf neemt het aantal woningen niet toe ten opzichte van het maximum aantal dat volgens het omgevingsplan is toegestaan, tenzij het gaat om huisvesting in verband met mantelzorg.
Artikel 4.26 Ruimtelijke bouwregels (Hoofdstuk 5) van toepassing
Artikel 4.27 Bijbehorende bouwwerken
Het bepaalde in dit artikel geldt ter plaatse van:
Het bepaalde in artikel 4.22 is niet van toepassing op het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan, indien:
het bijbehorende bouwwerk op de grond staat;
de bouwhoogte van het bijbehorende bouwwerk niet meer bedraagt dan 5 m;
de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag is gelegen; en
het bijbehorende bouwwerk niet is voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte.
Artikel 4.28 Carport bij een (bedrijfs)woning
Het bepaalde in artikel 4.22 is niet van toepassing op het bouwen, in stand houden en gebruiken van een carport bij een (bedrijfs)woning indien de carport achter de voorgevelrooilijn van de (bedrijfs)woning wordt gesitueerd.
Artikel 4.29 Recreatief nachtverblijf
Het bepaalde in artikel 4.22 is niet van toepassing op een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
Artikel 4.30 Openbare sport- of speeltoestel
Het bepaalde in artikel 4.22 is niet van toepassing op een sport- of speeltoestel anders dan voor alleen particulier gebruik, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
Het bepaalde in artikel 4.22 is niet van toepassing op een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of een vijver op het gebouwerf bij een woning of woongebouw, als deze niet van een overkapping is voorzien.
Artikel 4.32 Erf- of perceelsafscheiding
Het bepaalde in artikel 4.22 is niet van toepassing op het bouwen, in stand houden en gebruiken van een erf- of perceelafscheiding indien:
de erf- of perceelsafscheiding hoger is dan 1 m maar niet hoger dan 2 m;
de erf- of perceelsafscheiding op een erf of perceel staat waarop al een hoofdgebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; en
de erf- of perceelsafscheiding achter de lijn die langs de voorkant van dat hoofdgebouw en vanaf daar evenwijdig met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied loopt, zonder het hoofdgebouw te doorkruisen of in het gebouwerf achter het hoofdgebouw te komen.
Artikel 4.33 Bouwwerk voor agrarische bedrijfsvoering
Het bepaalde in artikel 4.22 is niet van toepassing op een bouwwerk, geen gebouw zijnde, in achtererfgebied voor agrarische bedrijfsvoering, voor zover het gaat om:
Het bepaalde in artikel 4.22 is niet van toepassing op een buisleiding anders dan een buisleiding waarop artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4°, van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is.
Artikel 4.35 Veranderingen aan een bouwwerk
Het bepaalde in artikel 4.22 is niet van toepassing op een te veranderen bouwwerk, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte;
geen uitbreiding van het bouwvolume;
geen toename van de bouwhoogte; en
geen bouwwerk als bedoeld in artikel 2.29, onder b tot en met r, van het Besluit bouwwerken leefomgeving dat niet voldoet aan de voor dat bouwwerk in die onderdelen gestelde eisen;
Artikel 4.36 Gewoon onderhoud monument
Het bepaalde in artikel 4.22 is niet van toepassing op gewoon onderhoud in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument, voor zover detaillering, profilering en vormgeving van het bouwwerk niet worden gewijzigd.
Artikel 4.37 Beperkingen vanwege cultureel erfgoed
Op het bouwen van een bouwwerk en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk dat wordt verricht in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is het bepaalde in 4.2.3.2, met uitzondering van artikel 4.36, niet van toepassing.
Op het bouwen van een bouwwerk en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk dat wordt verricht bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is het bepaalde in 4.2.3.2, met uitzondering van de artikelen 4.30, 4.31, 4.32, 4.34 en 4.35 niet van toepassing.
Op het bouwen van een bouwwerk en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk dat wordt verricht op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de aanduiding 'Beschermingszone integraal ensemble' is gegeven, is subparagraaf 4.2.3.2, alleen van toepassing voor zover het gaat om:
inpandige wijzigingen;
een wijziging van een achtergevel of achterdakvlak, als die gevel of dat dakvlak niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd;
een bouwwerk op een gebouwerf aan de achterkant van een hoofdgebouw, als dat gebouwerf niet ook deel uitmaakt van het gebouwerf aan de zijkant van dat gebouw en niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; of
een bouwwerk op een locatie die onderdeel is van openbaar toegankelijk gebied.
Artikel 4.38 Beperkingen vanwege externe veiligheid
Artikel 5.26 en artikel 5.27 zijn niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht:
ter plaatse van het Belemmeringengebied plaatsgebonden risico;
ter plaatse van het Belemmeringengebied gasdruk en regelstation;
ter plaatse van het Belemmeringengebied buisleiding gevaarlijke stoffen.
Artikel 4.39 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken.
Artikel 4.40 Beoordelingsregel ruimtelijke regels
Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als de omgevingsplanactiviteit bouwwerken niet in strijd is met artikel 5.2.
Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt niet geweigerd op grond van het eerste lid, voor zover de omgevingsplanactiviteit bouwwerken passend is binnen een verleende omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt niet geweigerd op grond van het eerste lid, voor zover de omgevingsplanactiviteit bouwwerken passend is binnen een onder oud recht verleende omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht om af te wijken van ruimtelijke regels over bouwwerken.
Als een omgevingsplanactiviteit bouwwerken in strijd is met de ruimtelijke regels over bouwwerken, bedoeld in artikel 5.2 kan die omgevingsvergunning in afwijking van artikel 4.40, eerste lid, toch worden verleend als de omgevingsplanactiviteit bouwwerken betrekking heeft op:
een bouwwerk, bedoeld in artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, voor zover dat vanwege artikel 2.30 van het Besluit bouwwerken leefomgeving niet vergunningvrij is toegestaan;
een bouwwerk, bedoeld in 4.2.3.2, voorzover dat vanwege het bepaalde in artikel 4.26 of 4.37 niet vergunningvrij is toegestaan;
een bouwwerk, geen gebouw zijnde, of een gedeelte van een dergelijk bouwwerk, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:
een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte aan of op een gebouw, een dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw, de uitbreiding van een bouwwerk met een bouwdeel van ondergeschikte aard dan wel voorzieningen gericht op het isoleren van een gebouw;
bouwwerken geen gebouwen zijnde ten behoeve van kunstwerken en ten behoeve van zend-, ontvang- en/of sirenemasten, mits niet hoger dan 40 m;
een installatie bij een glastuinbouwbedrijf voor warmtekrachtkoppeling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder w, van de Elektriciteitswet 1998;
een installatie bij een agrarisch bedrijf waarmee duurzame energie wordt geproduceerd door het bewerken van uitwerpselen van dieren tot krachtens artikel 5, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet aangewezen eindproducten van een krachtens dat artikellid omschreven bewerkingsprocedé dat ziet op het vergisten van ten minste 50 gewichtsprocenten uitwerpselen van dieren met in de omschrijving van dat procedé genoemde nevenbestanddelen;
een bouwwerk, geen gebouw zijnde, zoals gedenktekens, plastieken, straatmeubilair, vrijstaande muren, keermuren, trapconstructies, bebouwing ten behoeve van al dan niet ondergrondse afvalopslag, geluidwerende voorzieningen, steigers, duikers en andere waterstaatkundige werken, voor zover die niet reeds op grond van artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving zijn toegestaan;
een bouwwerk waarbij sprake is van een overschrijding van het bouwvlak ten behoeve van luifels, bordessen, galerijen en andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen, mits de overschrijding van het bouwvlak niet meer dan 3 meter bedraagt;
een bouwwerk waarbij sprake is van een overschrijding van de maximum bouwhoogte ten behoeve van dakopbouwen, trappenhuizen, liftinstallaties en andere technische installaties, schoorstenen, andere vergelijkbare bouwwerken en ondergeschikte delen van gebouwen, mits de overschrijding ten opzichte van de maximum bouwhoogte niet meer bedraagt dan 3 meter en deze worden gerealiseerd op tenminste een aan de hoogteoverschrijding gelijke afstand van elke dakrand;
een bouwwerk waarbij sprake is van een overschrijding van een in dit omgevingsplan voorgeschreven goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte- en inhoudsmaat, percentage en/of afstandseis;
een bouwwerk waarbij sprake is van een afwijking van de voorgeschreven bouwwijze of nadere regels verbonden aan de voorgeschreven bouwwijze;
een bouwwerk waarbij sprake is van een overschrijding van een bouwvlak en/of een locatievlak met niet meer dan 3 m, voor zover die:
Artikel 4.42 Gebouw voor infrastructurele of openbare voorziening
Als een omgevingsplanactiviteit bouwwerken in strijd is met de ruimtelijke regels over bouwwerken, bedoeld in artikel 5.2 kan die omgevingsvergunning in afwijking van artikel 4.40, eerste lid, toch worden verleend als de omgevingsplanactiviteit bouwwerken betrekking heeft op:
een gebouw ten behoeve van een infrastructurele of openbare voorziening als bedoeld in artikel 2.29, onder p, van het Besluit bouwwerken leefomgeving, dat niet voldoet aan de in dat artikel genoemde eisen, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:
Artikel 4.43 Erf- of perceelsafscheiding
Als een omgevingsplanactiviteit bouwwerken in strijd is met de ruimtelijke regels over bouwwerken, bedoeld in artikel 5.2 kan die omgevingsvergunning in afwijking van artikel 4.40, eerste lid, toch worden verleend als de omgevingsplanactiviteit bouwwerken betrekking heeft op een erf- of perceelsafscheiding die vanuit veiligheidsoogpunt noodzakelijk is.
Artikel 4.44 Een nieuwe woning
Als een omgevingsplanactiviteit bouwwerken in strijd is met de ruimtelijke regels over bouwwerken, bedoeld in artikel 5.2 kan die omgevingsvergunning in afwijking van artikel 4.40, eerste lid, toch worden verleend als de omgevingsplanactiviteit bouwwerken betrekking heeft op de bouw van één nieuwe woning op een bouwperceel, waarbij voldaan wordt aan:
de woning mag in de bouwwijze vrijstaand worden gerealiseerd of de bouwwijze van een aanwezige woning veranderen, zolang niet meer dan één extra woning mogelijk wordt gemaakt;
de woning dient direct vanaf de openbare weg te worden ontsloten en dient zich op diezelfde openbare weg te oriënteren; en
de afstand van het hoofdgebouw tot de achterste perceelsgrens dient tenminste 8 m te bedragen.
Artikel 4.45 Pottemsche veld - aantal woningen
Dit artikel geldt ter plaatse van de Locatie Kesteren Pottemsche Veld.
Als een omgevingsplanactiviteit bouwwerken in strijd is met de ruimtelijke regels over bouwwerken, bedoeld in artikel 5.2 kan die omgevingsvergunning in afwijking van artikel 4.40, eerste lid, toch worden verleend als de omgevingsplanactiviteit bouwwerken betrekking heeft op de bouw van een groter aantal woningen dan voorgeschreven.
Artikel 4.46 Beoordelingsregels
Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt op grond van het bepaalde in subsubparagraaf 4.2.4.3.1 alleen verleend als :
de activiteit niet leidt tot een onevenredige aantasting van het woon-, leef- en ondernemingsklimaat;
door de activiteit de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de locatie en de omgeving daarvan niet onevenredig wordt aangetast;
het belang van het behoud van cultureel erfgoed zich daartegen niet verzet; en
het gebruik van het te bouwen bouwwerk in overeenstemming is met artikel 2.3.
Bij toepassing van subsubparagraaf 4.2.4.3.1 zijn de overige in Paragraaf 4.2.4 opgenomen beoordelingsregels onverkort van toepassing.
Aan subsubparagraaf 4.2.4.3.1, wordt geen toepassing gegeven als sprake is van strijd met een instructieregel, gesteld in hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, of in de provinciale omgevingsverordening.
Artikel 4.47 Aanvraagvereisten
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken worden die gegevens verstrekt die naar het oordeel van het bevoegd gezag nodig zijn om de beoordeling, bedoeld in artikel 4.46, te kunnen doen.
Bij toepassing van subsubparagraaf 4.2.4.3.1 kunnen aan de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken met het oog op de bescherming van de in artikel 4.46 bedoelde belangen voorschriften worden verbonden.
Artikel 4.49 Beoordelingsregel
De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als het uiterlijk van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand.
Of sprake is van strijd met redelijke eisen van welstand als bedoeld in het eerste lid wordt beoordeeld volgens de criteria van de beleidsregels, bedoeld in artikel 4.19 Omgevingswet.
Het eerste lid is niet van toepassing als het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning toch moet worden verleend.
Artikel 4.50 Vergunningvoorschriften
Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken kunnen met betrekking tot het uiterlijk van het bouwwerk voorschriften worden verbonden die nodig zijn met het oog op het in artikel 4.49, eerste lid, genoemde belang.
Voor zover in de beleidsregels, bedoeld in artikel 4.49, derde lid, gebieden of categorieën van bouwwerken zijn aangewezen waarvoor geen regels over het uiterlijk van bouwwerken gelden, dan wordt het uiterlijk van het bouwwerk waarop dit van toepassing is, geacht, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand te zijn.
Artikel 4.52 Aanvraagvereisten
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt voor de toetsing aan de regels over het uiterlijk van het bouwwerk, beoordeeld volgens de criteria, bedoeld in artikel 4.49, tenzij artikel 4.51 van toepassing is:
tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past;
principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk;
kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en
een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking.
Artikel 4.53 Beoordelingsregel parkeren
De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als de parkeergelegenheid op eigen terrein, gelet op het beoogd gebruik, bedoeld in artikel 4.24, onder b, en de omvang daarvan, in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 3.4.
Artikel 4.54 Aanvraagvereisten parkeren
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken worden gegevens en bescheiden verstrekt over de inrichting en maatvoering van parkeervoorzieningen op het eigen terrein.
Artikel 4.55 Voorschriften parkeren
Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken kunnen de voorschriften verbonden worden die nodig zijn om het behoud van een passend aantal parkeerplaatsen te waarborgen.
Artikel 4.56 Toepassingsbereik
De regels in deze subparagraaf zijn van toepassing als voor een locatie een stedenbouwkundig plan als bedoeld in artikel 6.3 is vastgesteld.
Artikel 4.57 Beoordelingsregel
De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als de plaatsing van het bouwwerk, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving (andere bouwwerken en de inrichting van de openbare ruimte) of de te verwachten ontwikkeling daarvan, geen onaanvaardbare afbreuk doet aan een goede omgevingskwaliteit.
Of sprake is van onaanvaardbare afbreuk aan een goede omgevingskwaliteit als bedoeld in het eerste lid wordt beoordeeld volgens de criteria van het stedenbouwkundig plan.
Artikel 4.58 Aanvraagvereisten
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken worden de gegevens en bescheiden verstrekt die noodzakelijk zijn voor de beoordeling aan artikel 4.57.
Artikel 4.59 Vergunningvoorschriften
Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken kunnen voorschriften worden verbonden die nodig zijn met het oog op het in artikel 4.57 genoemde belang.
Artikel 4.60 Toepassingsbereik
De regels in deze subsubparagraaf zijn van toepassing indien er voor een locatie een beeldkwaliteitsplan is vastgesteld zoals bedoeld in artikel 6.2.
Artikel 4.61 Beoordelingsregel
De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als de plaatsing van het bouwwerk, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving (andere bouwwerken en de inrichting van de openbare ruimte) of de te verwachten ontwikkeling daarvan, geen onaanvaardbare afbreuk doet aan een goede omgevingskwaliteit.
Of sprake is van onaanvaardbare afbreuk aan een goede omgevingskwaliteit als bedoeld in het eerste lid wordt beoordeeld volgens de criteria van het beeldkwaliteitsplan.
Artikel 4.62 Aanvraagvereisten
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken worden de gegevens en bescheiden verstrekt die noodzakelijk zijn voor de beoordeling aan artikel 4.61.
Artikel 4.63 Vergunningvoorschriften
Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken kunnen voorschriften worden verbonden die nodig zijn met het oog op het in artikel 4.61 genoemde belang.
Artikel 4.64 Toepassingsbereik
De regels in deze subparagraaf zijn van toepassing ter plaatse van de Functieaanduiding inrichtingsplan.
Artikel 4.65 Beoordelingsregel
De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als de omgevingsplanactiviteit in overeenstemming is met het inrichtingsplan als bedoeld in artikel 4.66.
Artikel 4.66 Aanvraagvereisten
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt een inrichtingsplan overlegd. Het inrichtingsplan voldoet aan het bepaalde in dit artikel.
Het inrichtingsplan voldoet aan de volgende voorwaarden:
het plangebied van het inrichtingsplan strekt zich uit over een stedenbouwkundig logisch afgebakend deel van een te ontwikkelen gebied;
Het inrichtingsplan is in overeenstemming met het handboek openbare ruimte 2024 zoals dat luidt op het moment dat de aanvraag om omgevingsvergunning wordt ingediend;
Het inrichtingsplan is in overeenstemming met een voor een locatie vastgesteld beeldkwaliteitsplan als bedoeld in artikel 6.2;
het inrichtingsplan is in overeenstemming met een voor een locatie vastgesteld stedenbouwkundig plan als bedoeld in artikel 6.3; en
het inrichtingsplan is in overeenstemming met een voor een locatie vastgesteld landschappelijk inpassingsplan als bedoeld in artikel 6.4.
Het inrichtingsplan is voorzien van duidelijk gemaatvoerde tekeningen en bevat in ieder geval de volgende elementen:
de situering van wegen en paden;
de situering van in- en uitritten;
de situering van bouwpercelen en daarbinnen de situering van de hoofdgebouwen;
de situering van parkeerplaatsen, zowel op de bouwpercelen als collectief, vergezeld van een parkeerbalans, waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de Nota Parkeernormen 2017-1 van de gemeente Neder-Betuwe of de nadien gewijzigde beleidsregels met betrekking tot parkeren;
de situering van groen en water, waaruit de verhouding tussen verharde en onverharde ruimte naar voren komt, vergezeld van een berekening waaruit blijkt dat aan de waterbergingseisen van het waterschap Rivierenland is voldaan;
groenvoorzieningen worden gerealiseerd met een minimale omvang van 5% van het uitgeefbare terrein;
de programmering van het aantal woningen, verdeeld naar type (vrijstaande woningen, tweekappers en aaneengebouwde woningen) en verdeeld naar prijscategorie (sociaal, middelduur, duur);
de gebruiksmogelijkheden van de openbare ruimte om te spelen en te verblijven, voorzien van referentiebeelden en voorzien van maatvoering;
de beeldkwaliteit van de beoogde woningen inclusief bouwhoogte;
de beoogde kwaliteit van de groenvoorzieningen en de erfafscheidingen.
In aanvulling op het bepaalde in het tweede lid bevat het inrichtingsplan ter plaatse van de Functieaanduiding inrichtingsplan Betuwestraat Noord ook de wijze waarop bij de inrichting van de percelen aan de Rhenenseweg en het ondergronds parkeren deel ter plaatse van de woontoren rekening wordt gehouden met het karakteristieke open agrarische landschap.
Artikel 4.67 Vergunningvoorschriften
Met het oog op de beoordeling aan artikel 4.65 kunnen aan de omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden.
Artikel 4.68 Toepassingsbereik
De regels in deze subparagraaf zijn van toepassing ter plaatse van de Functieaanduiding groene inpassing.
Artikel 4.69 Beoordelingsregel
De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als er wordt voorzien in voldoende groene inpassing op eigen terrein.
Ter plaatse van de Locatie Dalwagenseweg 18 Opheusden is sprake van een voldoende groene inpassing indien minimaal 75 m² van de gronden een groene of onverharde inrichting krijgt.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken worden de gegevens en bescheiden verstrekt die noodzakelijk zijn voor de beoordeling aan artikel 4.69.
Artikel 4.71 Vergunningvoorschrift
Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken kunnen voorschriften worden verbonden die nodig zijn met het oog op het in artikel 4.69 genoemde belang.
Artikel 4.72 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is alleen van toepassing voor zover de aanvraag betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie.
Onder sanerende maatregel wordt in Subparagraaf 4.2.4.10 verstaan:
Artikel 4.73 Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem
De waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem zijn de interventiewaarden bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving.
Er is sprake van overschrijding van de toelaatbare kwaliteit als voor ten minste één stof de gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit of de maximale waarden toelaatbare kwaliteit van de bodem voor lood uit tabel 4.74a.
Toekomstige Gebruiksfunctie | Waarden (in mg/kg ds) gemeten waarde (niet gecorrigeerd voor standaardbodem) |
Wonen met (onverharde) tuinen | 210 |
Grote moestuin (> circa 200 m2 ) | 210 |
Plaats waar kinderen spelen (intensief gebruikte plantsoenen/parken en recreatieterreinen) | 210 |
Er is sprake van overschrijding van de toelaatbare kwaliteit als het gehalte aan respirabele asbestvezels in de contactzone (0-10 cm-mv) hoger is dan 10 mg/kg d.s. gewogen
Het zinsdeel “in meer dan 25 m3 bodemvolume” in het tweede lid is niet van toepassing als het gaat om de aanwezigheid van:
In afwijking van het eerste lid zijn voor lood in tabel 4.74a de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem (grond) voor de verschillende gebruiksfuncties opgenomen.
In afwijking van het eerste lid zijn voor PFAS-verbindingen en GenX in tabel 4.74b de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem (grond) opgenomen.
Als sprake is van een mengsel van PFAS in de bodem dient rekening te worden gehouden met mengseltoxiciteit. Voor zover in grond sprake is van twee of meer soorten PFAS, en het totaalgehalte PFAS hoger is dan 60 µg/kg in tenminste 25 m3, wordt een risicobeoordeling uitgevoerd om te bepalen of de verontreiniging tevens leidt tot zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is.
Artikel 4.74 Beoordelingsregels
De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt voor zover de aanvraag betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, alleen verleend als:
de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden+ of
een sanering van de bodem wordt uitgevoerd volgens paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
in afwijking van het bepaalde onder b hoeft de sanering niet te voldoen aan de voorschriften in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving als de verontreiniging onder de interventiewaarde bodemkwaliteit is of kleiner dan 25 kubieke meter grond betreft en het niet een verontreiniging met asbest betreft of lood bij een gemeten gehalte van 390 mg/kg ds of hoger;
aannemelijk is dat andere beschermende maatregelen worden getroffen die gezondheidsrisco’s wegnemen.
Van het overschrijden van de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem is sprake als:
voor tenminste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m³ bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA, bij het Besluit activiteiten leefomgeving; of
bij de aanwezigheid van stoffen waarvoor geen interventiewaarde bodemkwaliteit (bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving) is vastgesteld in meer dan 25 m³ bodemvolume een of meer van de waarden in tabel 4.74a worden overschreden waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie:
Het zinsdeel “in meer dan 25 m3 bodemvolume” in het tweede lid is niet van toepassing als het gaat om de aanwezigheid van:
In afwijking van het tweede lid, aanhef en onder a, is ook sprake van overschrijding van de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem als lood aanwezig is en in tabel 4.74b opgenomen maximale waarde wordt overschreden:
Het bevoegd gezag kan, in afwijking van het eerste lid onder a sub 2 , bij een kleinschalige ontwikkeling bepalen dat sanerende maatregelen niet nodig zijn mits de MTR-waarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage Vb en bijlage XIIIb van het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt overschreden.
Artikel 4.75 Vergunningvoorschriften: uitvoering sanering
Aan een omgevingsvergunning kan het voorschrift worden verbonden dat voordat het bodemgevoelige gebouw, of een gedeelte daarvan, in gebruik wordt genomen
Artikel 4.76 Vergunningvoorschriften: bodem of gebouw alsnog geschikt maken
Met het oog op het voorkomen van risico’s voor de gezondheid, kunnen, , als zij van oordeel is, dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt, voorschriften aan de omgevingsvergunning worden verbonden met deze voorwaarden.
Als aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie een voorschrift als bedoeld in het eerste lid wordt verbonden, wordt ook het voorschrift verbonden dat ten minste een week voordat het bodemgevoelige gebouw of een gedeelte daarvan in gebruik wordt genomen het bevoegd gezag wordt geïnformeerd over de manier waarop aan de voorwaarden wordt voldaan.
Artikel 4.77 Aanvraagvereisten
Als de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
de resultaten van onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en
als de waarde toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 4.74, tweede tot en met vijfde lid, wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen.
De resultaten van een bodemonderzoek worden ook verstrekt in het bestandsformaat XML conform de vigerende versie van het protocol SIKB0101.
Artikel 4.78 Bodemonderzoek op locatie uitgebreid bodemonderzoek
Als het gaat om een locatie in een gebied dat is aangewezen als ‘Locatie uitgebreid bodemonderzoek, dan moeten de resultaten van het onderzoek zoals bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving waaronder in ieder geval de resultaten van een verkennend bodemonderzoek, volgens NEN 5740, worden ingediend.
Artikel 4.79 Bodemonderzoek op locatie alternatief bodemonderzoek
Als het gaat om een locatie in een gebied dat is aangewezen als Locatie alternatief bodemonderzoek lood, dan moeten de resultaten van het onderzoek zoals bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving waaronder in ieder geval de resultaten van een onderzoek naar het voorkomen van lood in de laag tot 0,5 m-mv worden ingediend.
Dit artikel is van toepassing indien er voor het bouwen van een bouwwerk geen omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken nodig is maar het bouwwerk wel moet worden aangemerkt als een bodemgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 5.89g van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Het is verboden een bodemgevoelig gebouw te bouwen op een bodemgevoelige locatie zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden bij het bevoegd gezag.
Een melding wordt ondertekend en bevat ten minste:
de naam en het adres van degene die de bouwactiviteit verricht;
het adres waarop de bouwactiviteit wordt verricht;
de dagtekening;
een voorafgaand bodemonderzoek zoals bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving (voorafgaand onderzoek);
als de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem, zoals bedoeld in artikel 4.74 wordt overschreden:
gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt
getroffen.
De resultaten van een bodemonderzoek worden ook verstrekt in het bestandsformaat XML conform de vigerende versie van het protocol SIKB0101.
Artikel 4.81 Maatwerkvoorschrift
Indien artikel 4.80 van toepassing is, kunnen de voorschriften bedoeld in artikel 4.75 en artikel 4.76 bij maatwerkvoorschrift worden opgelegd.
Artikel 4.82 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is alleen van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor zover de aanvraag betrekking heeft op het bouwen, in stand houden en gebruiken van een geluidgevoelig gebouw in een geluidsaandachtsgebied.
Voor de toepassing van deze subparagraaf wordt onder geluid uitsluitend verstaan het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen.
Bij de toepassing van deze subparagraaf blijft een beoordeling van het geluid van de geluidbronsoort Industrieterreinen buiten toepassing voor zover het gaat om geluid van industrieterreinen waarvoor nog geen geluidproductieplafonds als bedoeld in artikel 2.11a of 2.12a Omgevingswet zijn vastgesteld.
Deze paragraaf is niet van toepassing als de wijziging van gebruik naar een geluidgevoelig gebouw reeds betrokken is bij een wijziging van het omgevingsplan, een verleende omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, of een verleende omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Artikel 4.83 Meet- en rekenbepalingen
Op het bepalen van het geluid op een gevel zijn de meet- en rekenvoorschriften, gesteld bij en krachtens de Omgevingswet, van toepassing.
Artikel 4.84 Waar waarden gelden
De waarden voor het geluid gelden:
als het gaat om een geluidgevoelig gebouw: op de gevel;
als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw: op de locatie waar een gevel mag komen;
in afwijking van onder a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen vandat woonschip of die woonwagen; en
als het gaat om een geluidgevoelige ruimte: in de geluidgevoelige ruimte.
Artikel 4.85 Beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit bouwwerken
De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als het geluid op de gevel van het geluidgevoelige gebouw, met het oog op de bescherming van de gezondheid, aanvaardbaar is.
Artikel 4.87 Overschrijding van de standaardwaarde
Wanneer het geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw hoger is dan de in artikel 4.86 bedoelde standaardwaarde, kan het geluid aanvaardbaar zijn als:
geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarde te voldoen;
de overschrijding van de standaardwaarde door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt; en
het geluid op het geluidgevoelige gebouw niet hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in tabel 4.87.
Geluidbeperkende maatregelen als bedoeld in het eerste lid worden in aanmerking genomen als die financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan.
Als de aanvraag betrekking heeft op een gebouw of gedeelte van een gebouw waar bewoning is toegestaan, en geluidbeperkende maatregelen om aan de standaardwaarden te voldoen gelet op het tweede lid niet doelmatig of bezwaarlijk zijn, is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als elke afzonderlijke woning beschikt over een geluidluwe gevel waarop ten hoogste de standaardwaarde, bedoeld in artikel 4.86, is berekend.
Als de aanvraag betrekking heeft op een gebouw of gedeelte van een gebouw waar bewoning is toegestaan, en geluidbeperkende maatregelen om aan de standaardwaarden te voldoen gelet op het tweede lid niet doelmatig of bezwaarlijk zijn, en niet elke afzonderlijke woning beschikt over een geluidluwe gevel waarop ten hoogste de standaardwaarde, bedoeld in artikel 4.86, is berekend, kan sprake zijn van een aanvaardbare geluidbelasting als:
Artikel 5.78u, tweede en vierde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 4.88 Overschrijding grenswaarde; niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen
Wanneer het geluid op een geluidgevoelig gebouw hoger is dan de in artikel 4.87, eerste lid, onder c, bedoelde grenswaarde, kan de geluidbelasting aanvaardbaar zijn als aan de gevel van het geluidgevoelige gebouw waarop de grenswaarde wordt overschreden, bouwkundige maatregelen kunnen worden getroffen die:
bestaan uit een uitwendige scheidingsconstructie die geen te openen delen bevat anders dan als onderdeel van een gemeenschappelijke doorgang; of
borgen dat het geluid op de te openen delen in de uitwendige scheidingsconstructie die direct grenzen aan een verblijfsgebied niet hoger is dan de grenswaarde.
Bij de toepassing van het eerste lid wordt aan de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken in elk geval het voorschrift verbonden dat de in het eerste lid bedoelde gevel een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen is.
Artikel 4.87, derde en vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 4.89 Overschrijding grenswaarde - maatregelen
Artikel 4.88 wordt alleen toegepast als:
Geluidbeperkende maatregelen als bedoeld in het eerste lid worden in aanmerking genomen als die financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan.
Artikel 4.91 Beoordelen aanvaardbaarheid gecumuleerd geluid
Bij de toepassing van artikel 4.87 en artikel 4.88 wordt de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid op het geluidgevoelige gebouw beoordeeld.
Bij het bepalen van het gecumuleerde geluid wordt in ieder geval betrokken:
voor een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied van een weg, spoorweg of industrieterrein: het geluid door die geluidbronsoort;
voor een geluidgevoelig gebouw binnen de 48 Lden geluidcontour of, voor zover de geldende geluidcontouren in Kosteneenheden zijn uitgedrukt, binnen de 20 Kosteneenheden geluidcontour van een luchthaven waarvoor op grond van de Wet luchtvaart een luchthavenindelingbesluit, een luchthavenbesluit of een besluit beperkingengebied buitenlandse luchthaven is vereist: het geluid door luchtvaart;
voor een geluidgevoelig gebouw waarop het geluid door een windturbine of een windpark op een industrieterrein hoger is dan 43 Lden: het geluid door die windturbine of dat windpark; en
voor een geluidgevoelig gebouw waarop het geluid door een civiele buitenschietbaan, een militaire buitenschietbaan of een militair springterrein op een industrieterrein hoger is dan 50 BS, dan: het geluid door die buitenschietbaan of dat springterrein.
Op het bepalen van het gecumuleerde geluid zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.
Artikel 4.92 Bepalen van gezamenlijk geluid
Bij de toepassing van artikel 4.87 en artikel 4.88 wordt het gezamenlijk geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen bepaald en in de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken vastgelegd.
Artikel 4.93 Vergunningvoorschriften
Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken worden de voorschriften verbonden die nodig zijn met het oog op het voorkomen van een onaanvaardbare mate van geluid op het geluidgevoelig gebouw.
Artikel 4.94 Aanvraagvereisten in verband met beoordeling geluidgevoelige gebouwen
Als de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken betrekking heeft op een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied, wordt een rapport verstrekt:
Artikel 4.95 Toepassingsbereik
De regels in deze subparagraaf zijn van toepassing ter plaatse van de Aandachtsgebied geluidzone industrie (Wgh).
De regels van deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op het tegengaan van een te hoge geluidbelasting vanwege industrielawaai op geluidgevoelige gebouwen.
Artikel 4.97 Beoordelingsregels
De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als er een hogere grenswaarde is vastgesteld als bedoeld in de Wet geluidhinder.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt ten behoeve van het bepaalde in artikel 4.97 een akoestisch onderzoek verstrekt.
Met het oog op het belang van artikel 4.96 kunnen aan de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voorschriften worden verbonden.
Artikel 4.100 Toepassingsbereik
De regels in deze subparagraaf zijn van toepassing ter plaatse van de Beschermingszone rioolleiding.
De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op de bescherming van de rioolleiding.
Artikel 4.102 Beoordelingsregels
De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als het belang van artikel 4.101 niet wordt geschaad.
Voordat wordt besloten over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wint het bevoegd gezag schriftelijk of elektronisch advies in bij de leidingbeheerder.
Artikel 4.103 Aanvraagvereiste
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken worden gegevens en bescheiden verstrekt ter onderbouwing van het bepaalde in artikel 4.102.
Met het oog op het belang van artikel 4.101 kunnen aan de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voorschriften worden verbonden.
Artikel 4.105 Toepassingsbereik
De regels in deze subparagraaf zijn van toepassing ter plaatse van de Beschermingszone waterkering en de Functieaanduiding vrijwaringszone dijk.
De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op het beheer, de bescherming en verbetering van de waterkering.
Artikel 4.107 Beoordelingsregels
De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als het belang van artikel 4.106 niet wordt geschaad.
Voordat wordt besloten over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wint het bevoegd gezag schriftelijk of elektronisch advies in bij de beheerder van de waterkering.
Artikel 4.108 Aanvraagvereiste
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken worden gegevens en bescheiden verstrekt ter onderbouwing van het bepaalde in artikel 4.106.
Met het oog op het belang van artikel 4.106 kunnen aan de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voorschriften worden verbonden.
Artikel 4.110 Toepassingsbereik
De regels in deze subparagraaf zijn van toepassing ter plaatse van de Beschermingszone primaire watergang.
De regels van deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op het behoud, beheer en de bescherming van een watergang.
Artikel 4.112 Beoordelingsregels
De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als het belang van artikel 4.111 niet wordt geschaad.
Voordat wordt besloten over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wint het bevoegd gezag schriftelijk of elektronisch advies in bij de beheerder van de watergang.
Artikel 4.113 Aanvraagvereiste
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken worden gegevens en bescheiden verstrekt ter onderbouwing van het bepaalde in artikel 4.112.
Met het oog op het belang van artikel 4.111 kunnen aan de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voorschriften worden verbonden.
Artikel 4.115 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf geldt ter plaatse van de Beschermingszone archeologie.
Deze subparagraaf is niet van toepassing als de omgevingsplanactiviteit bouwwerken plaatsvindt ter plaatse van de Omgevingsnorm maximum oppervlak archeologie, en het oppervlak van de bodemverstoring niet groter is dan de daar in vierkante meters bepaalde waarde.
Deze subparagraaf is niet van toepassing als de omgevingsplanactiviteit bouwwerken geen betrekking heeft op:
werkzaamheden in de bodem dieper dan 30 cm onder het bestaande maaiveld;
een bouwplan dat betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders; of
gebouwen maximaal 2,5 m uit de bestaande fundering worden opgericht.
De regels in deze subparagraaf hebben voorrang op de regels die onderdeel uitmaken van het tijdelijk deel van het omgevingsplan zoals bedoeld in artikel 22.1 onder a Omgevingswet.
De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op het behoud en de bescherming van waardevolle archeologische informatie in de bodem
Artikel 4.117 Beoordelingsregels
De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad.
Voordat wordt besloten over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wint het bevoegd gezag schriftelijk of elektronisch advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van een omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.
Artikel 4.118 Aanvraagvereiste
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt een archeologisch rapport verstrekt dat voldoet aan de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie en waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het college in voldoende mate is vastgesteld.
Het eerste lid is niet van toepassing indien er naar het oordeel van het college voldoende informatie beschikbaar is om de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord in voldoende mate vast te stellen.
Met het oog op artikel 4.116 kunnen aan de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden:
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden zoals alternatieven voor heiwerk, het al of niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;
de verplichting tot het doen van opgravingen; of
de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
Met het oog op artikel 4.116 kunnen aan de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voorschriften worden verbonden met nadere eisen ten aanzien van de situering van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de inrichting en het gebruik van gronden, indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermenswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De nadere eisen zijn erop gericht dat de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) worden behouden.
Artikel 4.120 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf geldt ter plaatse van de Beschermingszone integraal ensemble.
De regels in deze subparagraaf hebben voorrang op de regels die onderdeel uitmaken van het tijdelijk deel van het omgevingsplan zoals bedoeld in artikel 22.1 onder a Omgevingswet.
De regels zoals opgenomen in de artikelen 4, 5, 6 en 7 van het Parapluplan 2023 met IMRO-idn NL.IMRO.1740.bpNBparaplu2023-vst1 zijn niet van toepassing.
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op de bescherming van het aan de gronden toegekende integraal ensemble en de daarbij behorende cultuurhistorische waarden zoals deze nader is aangeduid en beschreven in bijlage VIII.
Artikel 4.122 Beoordelingsregel
De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend indien de beeldkwaliteit van het integraal ensemble, zoals bedoeld in in artikel 4.121, niet onevenredig wordt aangetast dan wel herstel is verzekerd.
Voordat wordt besloten over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wint het bevoegd gezag schriftelijk of elektronisch advies in bij de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit omtrent het bepaalde in het eerste lid, en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.
Artikel 4.123 Aanvraagvereisten
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden die gegevens en bescheiden overlegd die naar het oordeel van B&W, gelet op de bepalingen in deze afdeling, noodzakelijk zijn voor het nemen van een besluit op de aanvraag.
Artikel 4.124 Vergunningvoorschriften
Met het oog op het belang van artikel 4.94 kunnen aan de omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden.
Artikel 4.125 Toepassingsbereik
De regels in deze subparagraaf gelden ter plaatse van het Belemmeringengebied gasdruk en regelstation.
De regels in deze subparagraaf zijn alleen van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken en alleen indien:
Artikel 4.126 Beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit bouwwerken
Artikel 4.127 Aanvraagvereisten
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
Artikel 4.128 Vergunningvoorschriften
Aan de omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden ter bescherming van beperkt kwetsbare gebouwen.
Artikel 4.129 Toepassingsbereik
De regels in deze subparagraaf gelden ter plaatse van de Functieaanduiding vrijwaringszone weg.
De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op het beheer, de bescherming en verbetering van de weg, de bescherming van het wegverkeer en de bescherming van mens, dier of goederen.
Artikel 4.131 Beoordelingsregels
De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als het belang van artikel 4.130 niet wordt geschaad.
Voordat wordt besloten over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wint het bevoegd gezag schriftelijk of elektronisch advies in bij de beheerder van de weg.
Artikel 4.132 Aanvraagvereiste
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken worden gegevens en bescheiden verstrekt ter onderbouwing van het bepaalde in artikel 4.131, eerste lid.
Met het oog op het belang van artikel 4.130 kunnen aan de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voorschriften worden verbonden.
Artikel 4.134 Toepassingsbereik
De regels in deze subparagraaf zijn van toepassing ter plaatse van de Bouwaanduiding nader onderzoek trillinghinder.
Artikel 4.135 Beoordelingsregel
De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als de mate van trillinghinder aanvaardbaar is. De trillinghinder wordt beoordeeld aan de hand van de Beleidsregel trillinghinder spoor of diens rechtsopvolgers.
Artikel 4.136 Aanvraagvereisten
Bij een aanvraag om omgevingsvergunning wordt een onderzoek naar trillinghinder vanwege het spoor aangeleverd.
Artikel 4.137 Vergunningvoorschriften
Met het oog op de beoordeling aan artikel 4.135 kunnen aan de omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden.
Artikel 4.138 Toepassingsbereik
De regels in deze subparagraaf zijn van toepassing ter plaatse van de Bouwaanduiding nader onderzoek verkeer.
Artikel 4.139 Beoordelingsregel
De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als er geen sprake is van een onaanvaardbare toename van verkeer.
Ter plaatse van de Bouwaanduiding nader onderzoek verkeer Betuwestraat Noord is sprake van een onaanvaardbare toename van verkeer indien op en nabij de rotonde Betuwsestraatweg - Cuneraweg sprake is van een conflictbelasting die hoger is dan 1500 pae/uur.
Artikel 4.140 Aanvraagvereisten
Bij een aanvraag om omgevingsvergunning wordt een objectief en onafhankelijk verkeerskundig onderzoek aangeleverd.
Artikel 4.141 Vergunningvoorschriften
Met het oog op de beoordeling aan artikel 4.139 kunnen aan de omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden.
Artikel 4.142 Aanvraagvereiste overige gegevens en bescheiden
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken worden de overige gegevens en bescheiden verstrekt die naar het oordeel van het bevoegd gezag nodig zijn voor toetsing aan dit omgevingsplan.
Artikel 4.143 Aanvraagvereiste hemelwaterafvoer bij gebouwen
Als de aanvraag om omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken betrekking heeft op een bouwwerk waarop afdeling 4.4 van toepassing is, dan worden de gegevens en bescheiden verstrekt waaruit blijkt dat aan dat onderdeel wordt voldaan.
Artikel 4.144 Vergunningvoorschrift vluchtwegen
Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken kunnen tevens voorschriften worden verbonden met betrekking tot de situering van vluchtwegen, voor zover uitvoering ervan redelijkerwijze mogelijk is en dit blijkens een advies van de Veiligheidsregio nodig is ter vergroting van de zelfredzaamheid van gebruikers van de bouwwerken.
Artikel 4.145 Vergunningvoorschrift waterberging
Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken kunnen tevens voorschriften worden verbonden met betrekking tot de realisatie van een voorziening voor waterberging.
Artikel 4.146 Vergunningvoorschrift geluidwering
Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken kunnen tevens voorschriften worden verbonden met betrekking tot het realiseren van een in de voorschriften op te nemen geluidwering van de gevel.
Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken kunnen tevens voorschriften worden verbonden met betrekking tot het realiseren van isolerende of anderszins geluidwerende maatregelen.
Artikel 4.147 Vergunningvoorschrift gevelopeningen
Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken kunnen tevens voorschriften worden verbonden met betrekking tot het niet realiseren van gevelopeningen in een in de voorschriften nader aangeduide gevel van een gebouw.
Artikel 4.148 Vergunningvoorschrift entree
Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken kunnen tevens voorschriften worden verbonden met betrekking tot het niet realiseren van een entree in een in de voorschriften nader aangeduide gevel van een gebouw.
Artikel 4.149 Vergunningvoorschrift klimaatadaptieve maatregelen
Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken kunnen tevens voorschriften worden verbonden met betrekking tot het realiseren van klimaatadaptieve maatregelen zoals een groene daktuin of een groene gevel.
Artikel 4.150 Vergunningvoorschrift of maatwerkvoorschrift erfafscheidingen
Bij maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift verbonden aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken kunnen, als een erfafscheiding grenst aan openbaar toegankelijk gebied, nadere eisen worden gesteld aan de wijze waarop een erfafscheiding wordt gerealiseerd, vanwege het belang van:
Met een maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift als bedoeld in het eerste lid kan worden afgeweken van regels uit hoofdstuk 4 en/of hoofdstuk 5 van dit omgevingsplan.
Artikel 4.151 Geluid - Nedereindsestraat 1
Dit artikel geldt ter plaatse van de Bouwaanduiding karakteristieke geluidwering 31 dB.
De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als de karakteristieke geluidwering (Ga;k) tot 31 dB bedraagt bij een geluidbelasting (Lden) tot 64 dB ten behoeve van het realiseren van verblijfsruimten en verblijfsgebieden.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt een akoestisch onderzoek overlegd ter onderbouwing van het bepaalde in het tweede lid.
Onder GA;k wordt verstaan: grootheid die het verschil tussen het niveau van het invallende geluid aan de buitenzijde van een scheidingsconstructie en het geluidniveau in een ruimte achter deze scheidingsconstructie, herleid naar genormeerde afmetingen van de ontvangruimte, in één getal weergeeft, uitgedrukt in dB.
Artikel 4.152 Geluid - Hoofdstraat 31
Dit artikel geldt ter plaatse van de Bouwaanduiding karakteristieke geluidwering 30 dB.
De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als de karakteristieke geluidwering (Ga;k) tot 30 dB bedraagt bij een geluidbelasting (Lden) tot 63 dB ten behoeve van het realiseren van verblijfsruimten en verblijfsgebieden.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt een akoestisch onderzoek overlegd ter onderbouwing van het bepaalde in het tweede lid.
Onder GA;k wordt verstaan: grootheid die het verschil tussen het niveau van het invallende geluid aan de buitenzijde van een scheidingsconstructie en het geluidniveau in een ruimte achter deze scheidingsconstructie, herleid naar genormeerde afmetingen van de ontvangruimte, in één getal weergeeft, uitgedrukt in dB.
Artikel 4.153 Geluid - Betuwestraat Noord
Dit artikel geldt ter plaatse van de Locatie Betuwestraat Noord.
Een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend indien:
Artikel 4.154 Geluid - binnenwaarde
Dit artikel geldt ter plaatse van de Bouwaanduiding geluid - binnenwaarde.
Een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend indien door middel van een aanvullend bouwakoestisch onderzoek wordt aangetoond dat voor de woningen een binnenwaarde van 33 dB wordt gehaald.
De regels in deze paragraaf zijn van toepassing ter plaatse van de Beschermingszone integraal ensemble.
De regels in deze subparagraaf hebben voorrang op de regels die onderdeel uitmaken van het tijdelijk deel van het omgevingsplan zoals bedoeld in artikel 22.1 onder a Omgevingswet.
De regels zoals opgenomen in de artikelen 4, 5, 6 en 7 van het Parapluplan 2023 met IMRO-idn NL.IMRO.1740.bpNBparaplu2023-vst1 zijn niet van toepassing.
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op de bescherming van het aan de gronden toegekende integraal ensemble en de daarbij behorende cultuurhistorische waarden zoals deze nader is aangeduid en beschreven in bijlage VIII.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit slopen binnen een integraal ensemble te verrichten.
Het bepaalde in artikel 4.157 is niet van toepassing op sloopwerkzaamheden:
ingevolge een aanschrijving van het bevoegd gezag;
die het normale onderhoud betreffen;
die van ondergeschikte betekenis zijn. Het slopen is van ondergeschikte betekenis indien burgemeester en wethouders dit schriftelijk hebben verklaard;
die ten tijde van het van kracht worden van dit artikel in uitvoering waren.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als,
er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de beeldkwaliteit zoals aangegeven in artikel 4.156, of
de karakteristieke hoofdvorm van het bouwwerk niet te handhaven is, of;
het slopen van een bouwwerk betrekking heeft op delen van een pand of bijbehorend bouwwerk die op zichzelf niet als karakteristiek zijn aan te merken en de sloop van het betreffende gedeelte van het bouwwerk niet leidt tot een onevenredige aantasting van de cultuurhistorische waarden zoals aangegeven in artikel 4.156.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de een omgevingsplanactiviteit slopen worden, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag, de volgende gegevens en bescheiden:
Met het oog op het belang van artikel 4.156 kunnen aan de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit slopen voorschriften worden verbonden.
Bij de sloop van een asbesthoudend dak, worden bij de melding de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een voorafgaand bodemonderzoek, asbestonderzoek NEN 5707 zoals bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving (voorafgaand onderzoek). Het onderzoek heeft plaatsgevonden ter plaatse van de druppelzone voor daken zonder dakgoot (afwateringzone onder het dak) of het lozingspunt van de dakgoot voor daken met dakgoot overlegd worden;
als de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem, zoals bedoeld in artikel 4.73 wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen.
De resultaten van het onderzoek worden verstrekt in PDF- en XML-formaat. Hierbij gelden de volgende voorwaarden:
een PDF-bestand bevat één bodemonderzoek. Aparte bodemonderzoeken moeten in aparte bestanden worden aangeleverd;
een XML-bestand bevat gegevens van één bodemonderzoek;
een XML-bestand mag niet uit meerdere delen bestaan. Alle gegevens van één onderzoek moeten in één XMLbestand;
de gegevens van het PDF-bestand moeten identiek zijn aan de gegevens uit het XML-bestand;
het XML-bestand voldoet technisch aan het actuele SIKB0101 uitwisselingsformaat;
het XML-bestand bevat zowel de data van het veldwerk, als de basisdataset onderzoeksgegevens zoals is opgesteld door het SIKB. Deze bestaat minimaal uit de rapportgegevens, meetpuntgegevens, monstergegevens, analysegegevens en contouren/X-Y coördinaten van boorpunten.
Dit artikel is van toepassing ter plaatse van de Bouwaanduiding gebiedsaanwijzing lozingsverbod hemelwater GS..
Het is verboden om afvloeiend hemelwater, afkomstig van de dakvlakken en/of verharding van gebouwen, te lozen op het openbaar vuilwaterriool en/of een hemelwaterafvoerleiding aan te sluiten of aangesloten te houden op dit openbaar vuilwaterriool.
Het hemelwater dient te worden geloosd en aangesloten te zijn op een openbare hemelwater voorziening.
Het is verboden vuilwater te lozen op de openbare hemelwatervoorziening.
Dit artikel is van toepassing ter plaatse van de Bouwaanduiding gebiedsaanwijzing lozingsverbod hemelwater VGS woonwijk.
Het is verboden om afvloeiend hemelwater, afkomstig van de dakvlakken en/of verharding van gebouwen, te lozen op het openbaar vuilwaterriool en/of een hemelwaterafvoerleiding aan te sluiten of aangesloten te houden op dit openbaar vuilwaterriool.
Het hemelwater dient te worden geloosd en aangesloten te zijn op een openbare hemelwater voorziening.
Het is verboden vuilwater te lozen op de openbare hemelwatervoorziening.
Dit artikel is van toepassing ter plaatse van de Bouwaanduiding gebiedsaanwijzing lozingsverbod hemelwater VGS bedrijventerrein.
Het is verboden om afvloeiend hemelwater, afkomstig van de dakvlakken en/of verharding van gebouwen, te lozen op het openbaar vuilwaterriool en/of een hemelwaterafvoerleiding aan te sluiten of aangesloten te houden op dit openbaar vuilwaterriool.
Het hemelwater dient te worden geloosd en aangesloten te zijn op een openbare hemelwater voorziening. Bij de toepassing van dit lid wordt onderscheid gemaakt tussen afvloeiend hemelwaterwater van terrein verharding en hemelwaterwater afkomstig van daken. Dak- en hemelwater riolering in het perceel dient separaat te zijn uitgevoerd en gescheiden te worden aangeboden. Het water van daken moet, al dan niet oppervlakkig worden geloosd op open water indien dit grenst aan of gelegen is tegen het perceel of geloosd worden op een openbare voorziening voor afvoer van dakwater als deze zich bevind binnen 40 meter van de perceelsgrens.
Het is verboden vuilwater te lozen op de openbare hemelwatervoorziening.
Bij maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift verbonden aan omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken, kan worden afgeweken van de regels in deze afdeling, indien van de eigenaar van het gebouw bij wie het afvloeiend hemelwater vrijkomt redelijkerwijs geen andere wijze van afvoer van het hemelwater kan worden gevergd.
Bij het maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift als bedoeld in het eerste lid kunnen in het belang van het goed functioneren van het openbare vuilwaterriool, nadere eisen aan de lozing van hemelwater worden gesteld.
Bij een verzoek om een maatwerkvoorschrift of bij de aanvraag om omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken, wordt door de eigenaar van het gebouw aannemelijk gemaakt dat er geen andere wijze van afvoer kan worden gevergd.
Dit hoofdstuk is van toepassing op de omgevingsplanactiviteit bouwwerken en bevat regels over bouwwerken.
Het is verboden een bouwwerk te bouwen, in stand te houden en te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met de in dit hoofdstuk opgenomen ruimtelijke regels over bouwwerken.
Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op de maatvoering en/of situering van een bouwwerk indien de maatvoering en/of situering in strijd is met een artikel in dit hoofdstuk en het een bestaand bouwwerk betreft.
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld, of een vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 4.5 Omgevingswet kan aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.22 worden verbonden, over het bepaalde in dit hoofdstuk.
Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning kan worden verbonden.
Bestaande bouwwerken in de zin van dit omgevingsplan zijn bouwwerken die feitelijk aanwezig of in uitvoering zijn en gebouwd zijn of kunnen worden in overeenstemming met een verleende omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of met een verleende omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken en met het ten tijde van de bouw van het bouwwerk geldende omgevingsplan.
Een bouwwerk is uitsluitend toegestaan indien het ten dienste staat van het gebruik van gronden en bouwwerken zoals dat:
op grond van het bepaalde in hoofdstuk 2 is toegestaan;
op grond van een verleende omgevingsvergunning voor een (buitenplanse) omgevingsplanactiviteit is toegestaan;
op grond van een verleende omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is toegestaan.
Een gebouw is, tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald, alleen toegestaan ter plaatse van de Bouwaanduiding bouwvlak.
Ondergeschikte delen van een gebouw zijn buiten de Bouwaanduiding bouwvlak toegestaan, indien de overschrijding van het bouwvlak niet meer bedraagt dan 0,5 m.
Onder ondergeschikte delen van een gebouw worden verstaan: ondergeschikte delen zoals, trappen, bordessen, funderingen, kelderingangen, overstekende daken, goten, luifels, balkons, balkonhekken, schoorstenen, liftopbouwen en andere ondergeschikte (dak)opbouwen;
Voor het bouwen van ondergrondse gebouwen geldt het volgende:
ondergrondse gebouwen (kelders) zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de Bouwaanduiding bouwvlak; en
ondergrondse gebouwen zijn uitsluitend toegestaan in één bouwlaag.
De afstand van een niet aaneengebouwde zijde van een hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt, tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald, niet minder dan 3 m.
De afstand van een bedrijfsgebouw tot de zijdelinge perceelsgrens bedraagt niet minder dan 3 m.
Indien de afstand van de niet aaneengebouwde zijde van een bestaand(e) hoofdgebouw of bedrijfsgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens kleiner is dan 3 m, bedraagt deze afstand niet minder dan de bestaande afstand.
De voorgevel van een bestaand hoofdgebouw is gelegen op de bestaande voorgevelrooilijn.
Voor niet bestaande gebouwen geldt, tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald, dat de voorgevel van hoofdgebouwen in de naar de weg gekeerde grens van het bouwvlak dient te staan.
Tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald, is voor een gebouw de bestaande bouwhoogte ervan de maximum bouwhoogte.
Ter plaatse van het Normgebied maximum bouwhoogte gebouwen bedraagt de maximum bouwhoogte van een gebouw niet meer dan met de Omgevingsnorm maximum bouwhoogte gebouwen in meters is aangegeven.
Ter plaatse van het Normgebied minimum bouwhoogte gebouwen bedraagt de minimum bouwhoogte van een gebouw niet minder dan met de Omgevingsnorm minimum bouwhoogte gebouwen is aangegeven.
In afwijking van het bepaalde in lid 2 geldt voor bestaande torens en dakruiters op religieuze gebouwen dat de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan de op het moment van inwerkingtreding van dit artikel bestaande bouwhoogte.
Indien voor een woning in de bouwwijze patiowoning een omgevingsnorm maximale bouwhoogte gebouwen geldt, geldt de aangegeven maximum bouwhoogte voor ten hoogste 80 m² van het hoofdgebouw, voor het overige deel van het hoofdgebouw geldt een maximum bouwhoogte van 4 m.
Tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald, is voor een gebouw de bestaande goothoogte ervan de maximum goothoogte.
Ter plaatse van het Normgebied maximum goothoogte gebouwen bedraagt de maximum goothoogte van een gebouw niet meer dan met de Omgevingsnorm maximum goothoogte gebouwen is aangegeven.
Indien voor een woning in de bouwwijze patiowoning een omgevingsnorm maximale goothoogte gebouwen geldt, geldt de aangegeven maximum goothoogte voor ten hoogste 80 m² van het hoofdgebouw, voor het overige deel van het hoofdgebouw geldt een maximum goothoogte van 4 m.
Ter plaatse van het Normgebied minimum goothoogte gebouwen bedraag de minimale goothoogte van een gebouw niet minder dan met de Omgevingsnorm minimum goothoogte gebouwen is aangegeven.
Ter plaatse van het Normgebied maximum bebouwd oppervlak gebouwen bedraagt het bebouwd oppervlak van gebouwen niet meer dan met de Omgevingsnorm maximum bebouwd oppervlak gebouwen is aangegeven.
Ter plaatse van het Normgebied maximum bebouwingspercentage gebouwen bedraagt het bebouwingspercentage aan gebouwen niet meer dan met de Omgevingsnorm maximum bebouwingspercentage gebouwen is aangegeven.
Ter plaatse van het Normgebied maximum bebouwingspercentage hoofdgebouwen bedraagt het bebouwingspercentage aan hoofdgebouwen niet meer dan met de Omgevingsnorm maximum bebouwingspercentage hoofdgebouwen is aangegeven.
Het aantal woningen mag niet meer bedragen dan het legaal bestaande aantal woningen.
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag het aantal woningen ter plaatse van de Omgevingsnorm maximum aantal wooneenheden niet meer bedragen dan daar is aangegeven.
In dit artikel wordt de bouwwijze van woningen voorgeschreven. Woningen zijn uitsluitend toegestaan in de bouwwijze die in dit artikel wordt voorgeschreven. Indien er meerdere bouwwijzen worden voorgeschreven, zijn woningen in de verschillende voorgeschreven bouwwijzen toegestaan.
Woningen zijn toegestaan in de bestaande bouwwijze.
Ter plaatse van de Bouwaanduiding vrijstaand zijn woningen toegestaan in de bouwwijze vrijstaand.
Ter plaatse van de Bouwaanduiding twee-aaneen zijn woningen toegestaan in de bouwwijze twee-aaneengebouwd.
Ter plaatse van de Bouwaanduiding aaneengebouwd zijn woningen toegestaan in de bouwwijze aaneengebouwd.
Ter plaatse van de Bouwaanduiding gestapeld zijn woningen toegestaan in de bouwwijze gestapeld.
Ter plaatse van der Bouwaanduiding rug aan rugwoningen zijn woningen toegestaan in de bouwwijze rug aan rug.
Ter plaatse van de Bouwaanduiding patiowoning zijn woningen toegestaan in de bouwwijze patiowoning.
Ter plaatse van de Omgevingsnorm maximum volume woning is het maximum volume van de woning de daar bepaalde waarde.
De breedte van een woning mag, tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald, niet meer bedragen dan 12 m.
Indien de breedte van het bouwperceel waarop de woning ligt breder is dan 30 m, mag de breedte van een woning niet meer bedragen dan 15 m.
Ter plaatse van de Bouwaanduiding maximale breedte voorgevel - 1 geldt dat:
De breedte van een woning in de bouwwijze patiowoning mag niet meer bedragen dan 15 m.
Ter plaatse van de Bouwaanduiding maximale breedte voorgevel - 2, mag de breedte van de voorgevel van een woning niet meer bedragen dan 7,5 m.
De afstand tot de achterste bouwperceelsgrens bedraagt minimaal 8 m. Indien de afstand tot de achterste perceelsgrens een wisselende waarde heeft, is de langste afstand bepalend.
In afwijking van het eerste lid bedraagt de afstand van de achtergevel van de woning tot de achterste perceelsgrens niet minder dan met de Omgevingsnorm minimale afstand woning tot achterste perceelsgrens in meter is aangegeven.
De bouwdiepte van een woning mag, tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald, niet meer bedragen dan:
Ter plaatse van de Bouwaanduiding maximale bouwdiepte woning - 1, mag de bouwdiepte van een woning niet meer bedragen dan 13 m.
Dit artikel geldt ter plaatse van de Bouwaanduiding minimum percentage woonprogramma op begane grond.
Ten minste de met de Omgevingsnorm minimum percentage woonprogramma sociale huurwoning begane grond aangegeven percentage aan sociale huurwoningen dienen een volledig woonprogramma (inclusief slaapkamer en badkamer) op de begane grond te hebben.
Ter plaatse van de Bouwaanduiding hoofdgebouw met kap, moeten hoofdgebouwen zijn voorzien van een kap.
Indien met de Omgevingsnorm minimale dakhelling kap een minimale dakhelling is aangegeven, mag de dakhelling niet minder bedragen dan met deze aanduiding is aangegeven.
Dit artikel is van toepassing op het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk bij een (bedrijfs)woning.
Bijbehorende bouwwerken zijn toegestaan ter plaatse van de Bouwaanduiding bouwvlak en de Bouwaanduiding bijbehorende bouwwerken toegestaan.
Dit artikel is niet van toepassing op het bouwen van een bijbehorend bouwwerk bij:
een woonwagen;
een hoofdgebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit of de omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit is bepaald dat de vergunninghouder na het verstrijken van een bij die vergunning gestelde termijn verplicht is de voor de verlening van de vergunning bestaande toestand te hebben hersteld; of
een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf door één huishouden.
Voor bijbehorende bouwwerken ter plaatse van de Bouwaanduiding bijbehorende bouwwerken toegestaan geldt dat:
voor de toegestane bebouwde oppervlakte per bouwperceel geldt het bepaalde in Tabel 5.26;
de bebouwde oppervlakte van de gronden mag niet meer bedragen dan 50%;
indien de Bouwaanduiding bijbehorende bouwwerken is gesitueerd voor de voorgevel, telt de bebouwde oppervlakte van de voor de voorgevel gelegen bijbehorende bouwwerken niet mee voor de toegestane bebouwde oppervlakte als bedoeld onder b;
een bijbehorend bouwwerk moet worden gebouwd op een afstand van minimaal 3 m achter de voorgevelrooilijn van het op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw.
de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3,25 m. Indien het hoofdgebouw bestaat uit één bouwlaag met kap, mag de goothoogte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken niet meer bedragen dan de goothoogte van het hoofdgebouw, maar nooit meer dan 5 m; en
de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 5 m.
Oppervlakte van het bouwperceel | Toegestane bebouwde oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken |
< 200 m² | 60 m² |
200 - 400 m² | 90 m² |
400 - 600 m² | 100 m² |
600 - 800 m² | 110 m² |
800 - 1000 m² | 120 m² |
> 1000 m² | 150 m² |
In afwijking van het bepaalde in het vierde lid onder d en e, mag de goot- en bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken ter plaatse van de Bouwaanduiding bijbehorende bouwwerken - 1, niet meer bedragen dan de goot- en bouwhoogte van de bestaande en legaal gebouwde bijbehorende bouwwerken.
In afwijking van het bepaalde in het vierde lid onder a en b, mag de bebouwde oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken ter plaatse van de Bouwaanduiding bijbehorende bouwwerken - 2, niet meer bedragen dan de bebouwde oppervlakte van de bestaande en legaal gebouwde bijbehorende bouwwerken.
In afwijking van het elders in dit artikel bepaalde geldt ter plaatse van de Bouwaanduiding bijbehorende bouwwerken - 3, het volgende:
er zijn uitsluitend bijbehorende bouwwerken met een plat dak toegestaan;
de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 3,25 m;
het bebouwingspercentage van de gronden achter de achtergevellijn van het hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan 50%;
vrijstaande bijbehorende bouwwerken worden op niet minder dan 5 meter achter de voorgevellijn van het betreffende hoofdgebouw gesitueerd.
Dit artikel is van toepassing op bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk bij een hoofdgebouw met een maatschappelijke functie.
Een bijbehorend bouwwerk is buiten het bouwvlak toegestaan indien:
de oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken niet meer dan 50 m² bedraagt;
de goot- en bouwhoogte niet meer dan respectievelijk 3,5 m en 5 m bedragen;
het bebouwingspercentage van de gronden buiten het bouwvlak niet meer dan 50% bedraagt; en
bijbehorende bouwwerken worden gesitueerd op 1 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw.
Een bijbehorend bouwwerk in de vorm van een erker bij een (bedrijfs)woning is toegestaan, mits:
de bouwdiepte, gemeten vanaf de gevel waar tegenaan wordt gebouwd, mag niet meer bedragen dan 1,5 m;
de breedte mag niet meer bedragen dan 2/3 van de breedte van de gevel waar tegenaan wordt gebouwd, met dien verstande dat de breedte niet meer mag bedragen dan 4 m;
indien de erker in de zijtuin wordt gebouwd, mag de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens niet minder bedragen dan 2 m; en
de afstand tot het openbare gebied mag niet minder bedragen dan 3 m.
Een bijbehorend bouwwerk in de vorm van een carport bij een (bedrijfs)woning is toegestaan, als deze voldoet aan de volgende voorwaarden:
de bouwhoogte van een carport bedraagt niet meer dan 3 m;
de bebouwde oppervlakte van de carport bedraagt niet meer dan 20 m²;
het aantal carports buiten de Bouwaanduiding bouwvlak en de Bouwaanduiding bijbehorende bouwwerken toegestaan niet meer dan 1 bedraagt.
Een dakkapel in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak van een (bedrijfs)woning is toegestaan, als deze voldoet aan de volgende voorwaarden:
Bijbehorende bouwwerken zijn niet toegestaan ter plaatse van de Bouwaanduiding bijbehorende bouwwerken niet toegestaan.
Ter plaatse van de Bouwaanduiding vrijstaande bijbehorende bouwwerken achter de achtergevel zijn vrijstaande bijbehorende bouwwerken uitsluitend toegestaan achter de achtergevel van het hoofdgebouw.
Ter plaatse van het Normgebied beeldend kunstwerk is een beeldend kunstwerk toegestaan met als maximum bouwhoogte de met de Omgevingsnorm maximum bouwhoogte beeldend kunstwerk aangegeven waarde.
Ter plaatse van het Normgebied infrastructureel kunstwerk is een infrastructureel en waterstaatkundig kunstwerk toegestaan met als maximum bouwhoogte de met de Omgevingsnorm maximum bouwhoogte infrastructureel kunstwerk aangegeven waarde.
Tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald, is een erf- of perceelafscheiding toegestaan indien:
de erf- of perceelsafscheiding hoger is dan 1 m maar niet hoger dan 2 m;
de erf- of perceelsafscheiding op een erf of perceel staat waarop al een hoofdgebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; en
de erf- of perceelsafscheiding achter de lijn die langs de voorkant van dat hoofdgebouw en vanaf daar evenwijdig met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied loopt, zonder het hoofdgebouw te doorkruisen of in het gebouwerf achter het hoofdgebouw te komen.
Ter plaatse van het Normgebied afwijkende hoogte erfafscheiding is een erfafscheiding toegestaan met als maximum bouwhoogte de met de Omgevingsnorm afwijkende hoogte erfafscheiding aangegeven waarde.
Ter plaatse van de Bouwaanduiding geluidscherm als erfafscheiding is een geluidscherm met een bouwhoogte van 3 m toegestaan bij wijze van erf- of terreinafscheiding.
Een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening op het gebouwerf bij een (bedrijfs)woning is toegestaan, als deze voldoet aan de volgende voorwaarden:
het aantal zwembaden mag niet meer bedragen dan één per (bedrijfs)woning;
een zwembad is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de Bouwaanduiding bouwvlak en ter plaatse van de Bouwaanduiding bijbehorende bouwwerken toegestaan;
de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 1,2 m;
de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens mag niet minder bedragen dan 3 m.
Een sport- en speeltoestel anders dan voor alleen particulier gebruik is toegestaan, als deze voldoet aan de volgende voorwaarden:
De bouwhoogte van geluidwerende voorzieningen bedraagt, tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald, niet meer dan 4 m.
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde in de vorm van silo´s, sleufsilo´s en mestopslagplaatsen zijn alleen ter plaatse van de Functieaanduiding agrarisch bouwvlak toegestaan.
De bouwhoogte van een silo mag niet meer bedragen dan 12 m.
Ter plaatse van de Bouwaanduiding verlichtingsmasten niet toegestaan, zijn verlichtingsmasten niet toegestaan.
Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van sportterreinen gelden de volgende regels:
tribunes zijn alleen toegestaan binnen het bouwvlak;
de bouwhoogte van tribunes mag niet meer bedragen dan 3 m;
de bouwhoogte van masten voor de verlichting van sportvelden mag niet meer bedragen dan 15 m;
de bouwhoogte van overige bouwwerken, zoals ballenvangers, mag niet meer bedragen dan 10 m.
Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van de railinfrastructuur gelden de volgende regels:
Ter plaatse van de Bouwaanduiding bouwwerken ter plaatse van de waterkering geldt in aanvulling op hetgeen elders in dit omgevingsplan is bepaald, het volgende:
waterstaatkundige bouwwerken, geen gebouwen zijnde waarvan de bouwhoogte niet meer dan 2 m bedraagt, zijn toegestaan;
voor zover de dijk is gelegen aan de rivierzijde van de buitenkruinlijn van de primaire waterkering (de winterdijk): masten ten behoeve van verlichting en bebakening zijn toegestaan als de hoogte niet meer bedraagt dan 10 m;
overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn toegestaan, onder de voorwaarde dat:
Ter plaatse van de Bouwaanduiding loopbrug is een loopbrug toegestaan, met een hoogte die niet minder mag bedragen dan 3,5 m en niet meer mag bedragen dan 7 m.
Ter plaatse van de Bouwaanduiding luifel of overkapping is een luifel of overkapping toegestaan, met een hoogte die niet meer mag bedragen dan 6 m.
Ter plaatse van de Bouwaanduiding lift is een lift toegestaan met een bouwhoogte die niet meer mag bedragen dan 11,5 m.
Tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald, bedraagt de maximum bouwhoogte van een bouwwerk geen gebouw zijnde 3 meter.
In afwijking van het eerste lid, bedraagt de maximum bouwhoogte van een bouwwerk geen gebouw zijnde ter plaatse van het Normgebied afwijkende bouwhoogte bouwwerken, geen gebouwen zijnde de met de Omgevingsnorm afwijkende maximum bouwhoogte bouwwerken geen gebouw zijnde aangegeven waarde.
Ter plaatse van de Bouwaanduiding bouwwerken, geen gebouwen zijnde niet toegestaan, zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde niet toegestaan.
Ter plaatse van het Normgebied maximum oppervlakte bouwwerken, geen gebouwen zijnde bedraagt de oppervlakte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde niet meer dan met de Omgevingsnorm maximum oppervlakte bouwwerken, geen gebouwen zijnde is aangegeven.
Ter plaatse van Bouwaanduiding dierenverblijf is een dierenverblijf toegestaan, met dien verstande dat de maatvoering niet meer mag bedragen dan de bestaande
maatvoering.
Ter plaatse van de Functieaanduiding volière is een volière toegestaan, met dien verstande dat de maatvoering niet meer mag bedragen dan de bestaande
maatvoering.
Gebouwen ten behoeve van een volkstuin zijn toegestaan indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
Gebouwen ten behoeve van een begraafplaats zijn toegestaan indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
Een gebouw ten behoeve van een jongerenontmoetingsplaats is toegestaan indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
Een gebouw ten behoeve van een garagebox is toegestaan indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
Een gebouw ten behoeve van een nutsvoorziening is toegestaan indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
Ter plaatse van de Beschermingszone agrarisch met waarden - kernen zijn de bestaand(e) gebouwen toegestaan, met dien verstande dat de maatvoering niet meer mag bedragen dan de bestaande maatvoering.
Ter plaatse van de Bouwaanduiding laad- en losplaats zijn bouwwerken ten behoeve van een overdekte laad- en losplaats, met dien verstande dat de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 4 m.
Ter plaatse van de Bouwaanduiding specifieke locatie agrarisch - 1 zijn gebouwen in de vorm van verblijven voor huisdieren en plantenkassen toegestaan, met dien verstande dat:
per bouwperceel mag niet meer dan 1 bouwwerk worden gerealiseerd;
de oppervlakte per bouwwerk mag niet meer bedragen dan 12 m2;
de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 5 m;
de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3 m;
per bouwperceel mag niet meer dan 1% van de oppervlakte daarvan bebouwd worden.
Ter plaatse van de Locatie landelijk groen gebouwen toegestaan, met dien verstande dat:
Ter plaatse van de Beschermingszone waterkering zijn gebouwen toegestaan die ten
dienste van de waterkering staan en waarvan de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 2 m.
Ter plaatse van de Bouwaanduiding uitkraging van een gebouw, een uitkraging van een gebouw toegestaan, met dien verstande dat de eerste bouwlaag niet mag worden bebouwd.
Dit artikel geldt ter plaatse van de Bouwaanduiding rijwielstallingen.
Gebouwen ten behoeve van rijwielstallingen zijn toegestaan, mits;
De regels in deze paragraaf gelden ter plaatse van de Locatie woonwagens.
De regels in deze paragraaf gelden in aanvulling op en indien van toepassing in afwijking van de overige regels van hoofdstuk 5.
Voor woonwagens gelden de volgende regels:
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid onder c mag de bebouwde oppervlakte van een woonwagen ter plaatse van de Bouwaanduiding woonwagen - 1, niet meer bedragen dan 120 m².
Een bijbehorend bouwwerk is toegestaan indien:
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid onder b, mag de totale oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken per woonwagen ter plaatse van de Bouwaanduiding woonwagen - 2 niet meer bedragen dan 120 m².
De regels in deze paragraaf gelden ter plaatse van de Locatie woongebied - uit te werken.
De regels in deze paragraaf gelden in aanvulling op danwel in afwijking van de overige regels van hoofdstuk 5.
Ter plaatse van de Functieaanduiding uit te werken - 1 gelden de volgende regels:
uitsluitend zijn grondgebonden halfvrijstaande, rijen- of met garages geschakelde woningen toegestaan;
het aantal woningen mag niet meer bedragen dan met de Omgevingsnorm maximum aantal wooneenheden is aangegeven;
de goothoogte van de woningen mag niet meer bedragen dan 9 m en de bouwhoogte van de woningen mag niet meer bedragen dan 12 m;
de goothoogte van de woningen dient tenminste 6 m te bedragen en de bouwhoogte van de woningen dient tenminste 9 m te bedragen.
Ter plaatse van de Functieaanduiding uit te werken - 2 gelden de volgende regels:
Uitsluitend zijn grondgebonden halfvrijstaande, rijen- of met garages geschakelde woningen toegestaan;
het aantal woningen mag niet meer bedragen dan met de Omgevingsnorm maximum aantal wooneenheden is aangegeven;
de goothoogte van de woningen mag niet meer bedragen dan 6 m en de bouwhoogte van de woningen mag niet meer bedragen dan 12 m.
Ter plaatse van de Functieaanduiding uit te werken - 3 gelden de volgende regels:
uitsluitend zijn niet-grondgebonden woningen toegestaan;
het aantal woningen mag niet meer bedragen dan met de Omgevingsnorm maximum aantal wooneenheden is aangegeven;
de bouwhoogte van het appartementengebouw, waarin de niet-grondgebonden woningen zijn opgenomen, mag niet meer bedragen dan 16 m, met dien verstande dat, met inbegrip van en uitsluitend voor technische ruimten op het gebouw, deze hoogte niet meer dan 18 m mag bedragen.
Dit artikel gaat over het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij een woning.
Bijbehorende bouwwerken zijn toegestaan ter plaatse van de Bouwaanduiding bouwvlak en op een afstand van minimaal 3 m achter de voorgevelrooilijn van het op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw.
Voor de oppervlakte, goothoogte en bouwhoogte geldt het bepaalde in artikel 5.26.
Het bebouwingspercentage van het gedeelte van het bouwperceel dat gelegen is achter de achtergevel van het hoofdgebouw mag niet meer dan 50% bedragen.
De regels in deze paragraaf gelden ter plaatse van de Locatie Kesteren Pottemsche Veld.
De regels in deze paragraaf gelden in aanvulling op danwel in afwijking van de overige regels van hoofdstuk 5.
Voor de bouwwijze van woningen geldt dat vrijstaande woningen, twee aaneengebouwde woningen, aaneengebouwde woningen en beneden-bovenwoningen zijn toegestaan.
In aanvulling op het bepaalde in het eerste lid zijn ter plaatse van de Bouwaanduiding Pottemsche Veld - ook gestapeld toegestaan ook gestapelde woningen toegestaan.
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid zijn ter plaatse van de Bouwaanduiding Pottemsche Veld - uitsluitend gestapeld toegestaan, uitsluitend gestapelde woningen toegestaan.
In aanvulling op het bepaalde in de leden 1 tot en met 3 van dit artikel geldt dat:
ten hoogste 15% van de woningen vrijstaande woningen zijn;
ten hoogste 15% van de woningen twee-aaneengebouwde en/of geschakelde woningen zijn;
ten minste 30% en ten hoogste 65% van de woningen aaneengebouwde woningen of beneden-bovenwoningen zijn; en
ten minste 20% en ten hoogste 40% van de woningen gestapelde woningen zijn;
Aaneengebouwde woningen bestaan uit rijen van maximaal 8 aaneengebouwde woningen.
Maximaal 4 aaneengebouwde woningen mogen dezelfde rooilijn hebben. Bij een rij van meer dan 4 aaneengebouwde woningen is sprake van een rooilijnverspringing van minimaal 0,5 m.
Voor een erker in de zijtuin van hoekwoningen geldt dat de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens (en het openbare gebied) niet minder mag bedragen dan 1 m.
Indien binnen de Locatie wonen - Pottemsche Veld in een bouwperceel de Figuur gevellijn - 1 is opgenomen, wordt de voorgevel van het hoofdgebouw op de Figuur gevellijn georiënteerd.
Ter plaatse van de Bouwaanduiding voorgevel hoofdgebouw - 1 geldt dat de voorgevel van hoofdgebouwen niet minder dan 3 m en niet meer dan 6 m achter de voorste perceelsgrens mag worden gebouwd.
In afwijking van het bepaalde in het tweede lid mag de afstand van (de voorgevel van) aaneengebouwde woningen tot de voorste perceelsgrens minder dan 3 m bedragen, mits:
Bij gestapelde woningen (waaronder ook rug-aan-rugwoningen) zijn bijbehorende bouwwerken uitsluitend toegestaan ter plaatse van de Bouwaanduiding bouwvlak en uitsluitend aangebouwd aan het hoofdgebouw.
De afstand van de niet aaneengebouwde zijde van een hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt ter plaatse van de Bouwaanduiding minimale afstand zijdelingse perceelsgrens woning 1 m niet minder dan 1 meter.
De regels in deze paragraaf gelden ter plaatse van de Locatie Betuwestraat Noord.
De regels in deze paragraaf gelden in aanvulling op danwel in afwijking van de overige regels van hoofdstuk 5.
De bouwhoogte van een klokkentoren behorende bij een kerk bedraagt niet meer dan 38 m.
De bouwhoogte van een school en gymzaal bedraagt niet meer dan 12,5 m.
Dit artikel gaat over het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij een woning.
Bijbehorende bouwwerken zijn toegestaan ter plaatse van de Bouwaanduiding bouwvlak en op een afstand van minimaal 3 m achter de voorgevelrooilijn van het op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw.
Voor de oppervlakte, goothoogte en bouwhoogte geldt het bepaalde in artikel 5.26.
Het bebouwingspercentage van het gedeelte van het bouwperceel dat gelegen is achter de achtergevel van het hoofdgebouw mag niet meer dan 50% bedragen.
De regels in deze paragraaf gelden ter plaatse van de Locatie Margrietlaan 13.
De regels in deze paragraaf gelden in aanvulling op danwel in afwijking van de overige regels van hoofdstuk 5.
De regels in deze paragraaf gelden ter plaatse van de Locatie Bonegraafseweg 3.
De regels in deze paragraaf gelden in aanvulling op danwel in afwijking van de overige regels van hoofdstuk 5.
De voorgevel van de naastgelegen woonblokken dienen onderling minimaal 1 meter ten opzichte van elkaar te verspringen.
De regels in deze paragraaf gelden ter plaatse van de Locatie Kerk Cuneraweg.
De regels in deze paragraaf gelden in aanvulling op danwel in afwijking van de overige regels van hoofdstuk 5 en artikel 4.3.
De regels in deze paragraaf gelden ter plaatse van de Locatie Lindelaan 11, Opheusden.
De regels in deze paragraaf gelden in aanvulling op danwel in afwijking van de overige regels van hoofdstuk 5.
Voor bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels:
Bijbehorende bouwwerken mogen binnen de bouwaanduiding bouwvlak en de Bouwaanduiding bijbehorende bouwwerken worden gebouwd;
het bebouwingspercentage aan bijbehorende bouwwerken mag binnen de Bouwaanduiding bijbehorende bouwwerken toegestaan niet meer bedragen dan met de Omgevingsnorm maximum bebouwingspercentage gebouwen is aangegeven.
de goothoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 3 m. Indien het hoofdgebouw bestaat uit één bouwlaag met kap, mag de goothoogte niet meer bedragen dan de goothoogte van het hoofdgebouw, maar nooit meer bedragen dan 5 m;
de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 5 m.
De regels in deze paragraaf gelden ter plaatse van de Locatie Boveneindsestraat 1.
De regels in deze paragraaf gelden in aanvulling op danwel in afwijking van de overige regels van hoofdstuk 5.
Indien binnen de Locatie wonen - Boveneindsestraat 1 de Figuur gevellijn - 2 is opgenomen, wordt de voorgevel van het hoofdgebouw in of ten hoogste 1 m achter de Figuur gevellijn - 2 gebouwd.
Ter plaatse van de Bouwaanduiding bijbehorende bouwwerken - 4 geldt het volgende:
De regels in deze paragraaf gelden ter plaatse van de Locatie Smachtkamp 60.
De regels in deze paragraaf gelden in aanvulling op danwel in afwijking van de overige regels van hoofdstuk 5.
De voorgevel van het hoofdgebouw mag uitsluitend worden gebouwd in of maximaal 2 m achter de naar de weg gekeerde grens van het bouwvlak.
De regels in deze paragraaf gelden ter plaatse van de Locatie brandweerkazerne Dodewaard .
De regels in deze paragraaf gelden in aanvulling op danwel in afwijking van de overige regels van hoofdstuk 5.
In afwijjking van artikel 5.7 is een overdekte stallingsruimte ten behoeve van stalling van fietsen en oefenmateriaal. Hiervoor gelden de volgende bepalingen:
De regels in deze paragraaf gelden ter plaatse van de Locatie Stationsstraat 24.
De regels in deze paragraaf gelden in aanvulling op danwel in afwijking van de overige regels van hoofdstuk 5.
Dit artikel is van toepassing ter plaatse van de Bouwaanduiding uitbreiding hoofdgebouw maatschappelijk.
Een uitbreiding van het hoofdgebouw is toegestaan, mits:
De regels in deze paragraaf gelden ter plaatse van de Locatie Rijnbandijk 5 Opheusden.
De regels in deze paragraaf gelden in aanvulling op danwel in afwijking van de overige regels van hoofdstuk 5.
De voorgevel van het hoofdgebouw mag uitsluitend worden gebouwd aan de zijde met de Figuur gevellijn - 1.
Voor bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels:
bijbehorende bouwwerken zijn toegestaan ter plaatse van de Bouwaanduiding bouwvlak;
bijbehorende bouwwerken zijn uitsluitend inpandig of aan het hoofdgebouw aangebouwd toegestaan;
het bepaalde in sub a, e en f van het vierde lid van artikel 5.26 is van overeenkomstige toepassing; en
voor carports geldt het bepaalde in artikel 5.29 met dien verstande dat de carport de voorgevelrooilijn niet mag overschrijden.
De regels in deze paragraaf gelden ter plaatse van de Locatie Vicuslaan 2 Kesteren.
De regels in deze paragraaf gelden in aanvulling op danwel in afwijking van de overige regels van hoofdstuk 5.
Voor bijbehorende bouwwerken geldt:
bijbehorende bouwwerken zijn buiten het bouwvlak alleen ter plaatse van de Bouwaanduiding bijbehorende bouwwerken Vicuslaan 2 KE toegestaan; en
het bepaalde van het tweede lid onder a tot en met d van artikel 5.27 is van toepassing.
Ter plaatse van de Locatie beeldkwaliteitsplan geldt een beeldkwaliteitsplan. Dit beeldkwaliteitsplan is te raadplegen via bijlage VI.
Ter plaatse van de Locatie stedenbouwkundig plan geldt een stedenbouwkundig plan. Dit stedenbouwkundig plan is te raadplegen via bijlage V.
Ter plaatse van de Locatie landschappelijk inpassingsplan geldt een landschappelijk inpassingsplan. Dit landschappelijk inpassingsplan is te raadplegen via bijlage IV.
De landschappelijke inpassing zoals opgenomen in het landschappelijk inpassingsplan dient binnen twee jaar na het verlenen van een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken danwel, indien een dergelijke omgevingsvergunning niet noodzakelijk is, twee jaar nadat het gekoppelde gebruik als bedoeld in het derde lid is gestart, te worden aangelegd en duurzaam in stand gehouden.
Indien niet voldaan wordt aan het bepaalde in het tweede lid dan is het gekoppelde gebruik of het gekoppelde bouwen zoals aangegeven in bijlage IV niet toegestaan.
Ter plaatse van de Locatie ecologisch werkprotocol geldt een ecologisch werkprotocol. Dit Ecologische werkprotocol is te raadplegen via bijlage VII.
De activiteiten zoals beschreven in bijlage VII in de kolom de gekoppelde activiteit moeten overeenkomstig het ecologische werkprotocol worden uitgevoerd.
Een maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 6.1 wordt niet eerder verleend of gesteld dan nadat er advies is ingewonnen bij een ecoloog. Als voorwaarde wordt aan het maatwerkvoorschrift verbonden dat de activiteit wordt uitgevoerd onder begeleiding van een ecoloog.
Dit artikel geldt ter plaatse van de Functieaanduiding waterberging.
Er dient een retentievoorziening voor de berging van water te zijn aangelegd. Na de aanleg moet de retentievoorziening duurzaam in stand worden gehouden.
Gronden en bouwwerken mogen niet gebruikt worden overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk 2 indien niet voldaan wordt aan het bepaalde in het tweede lid. Het bepaalde in dit lid heeft geen betrekking op het gebruik zoals dat plaatsvond voordat de verplichting van het tweede lid is gaan gelden.
Ter plaatse van de Locatie Margrietlaan 13 dient:
De diepte ten opzichte van het omliggende maaiveld mag niet meer bedragen dan 40 cm en de bergingscapaciteit dient minimaal de met de Omgevingsnorm minimale bergingscapaciteit aangegeven waarde te zijn.
Ter plaatse van de Locatie Dr. M. van Drielplein Ochten geldt dat ter plaatse van de Locatie Dr. M. van Drielplein Ochten of ter plaatse van het peilgebied zoals aangegeven in Peilgebied Dokter M. van Drielplein Ochten moet worden voorzien in de aanleg en instandhouding van waterhuishoudkundige voorzieningen ten behoeve van waterberging met een minimale omvang van 22 m³.
Indien er geen omgevingsnorm als bedoeld in dit artikel is opgenomen wordt voldaan aan de ten tijde van de verlening van de omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken geldende beleidsregel van het Waterschap Rivierenland.
Indien voor de locatie een landschappelijk inpassingsplan als bedoeld in artikel 6.4 is vastgesteld en dit landschappelijk inpassingsplan eisen bevat voor de aanleg en in stand houding van een voorziening voor waterberging, dan dient de waterberging te worden aangelegd overeenkomstig de eisen van het landschappelijk inpassingsplan.
Ter plaatse van de Locatie Herenland fase 3a heeft de bergingsvoorziening een minimale omvang van 145 m² per 1000 m² dakvlak/terreinverharding.
Ter plaatse van de Functieaanduiding beperking verharding is het aanbrengen van verhardingen bij grondgebonden woningen voor meer dan 70% van het bouwperceel, met uitzondering van de grond onder het hoofdgebouw, niet toegestaan.
Dit artikel geldt ter plaatse van de Bouwaanduiding klimaatadaptieve maatregelen
Indien er gebouwen worden gerealiseerd waarvan het (nagenoeg) platte dakoppervlak groter is dan 200 m², dient ten minste 50% van het dakoppervlak van het gebouw te worden gerealiseerd in de vorm van een vegetatiedak
Het vegetatiedak bedoeld in het tweede lid dient in stand te worden gehouden.
Bij maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van het bepaalde in het eerste lid indien naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is aangetoond dat de realisatie van een vegetatiedak niet uitvoerbaar is én dat op een andere geschikte wijze invulling wordt gegeven aan de aanleg van klimaatadaptieve maatregelen. Deze klimaatadaptieve maatregelen dienen vervolgens in stand gehouden te worden.
Dit artikel geldt ter plaatse van de Functieaanduiding realiseren daktuin.
Er moet een daktuin worden aangelegd. Na de aanleg wordt de daktuin duurzaam in stand gehouden.
Indien voor de locatie een landschappelijk inpassingsplan als bedoeld in artikel 6.4 geldt, dan wordt de daktuin aangelegd en in stand gehouden overeenkomstig de eisen van dit landschappelijk inpassingsplan.
Ter plaatse van de Locatie niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen geldt dat de gevel ter plaatse van of georiënteerd op de Bouwaanduiding niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen, al dan niet nader geduid in artikel 6.11, een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen als bedoeld in het Besluit kwaliteit leefomgeving is.
Totdat de in het eerste lid bedoelde aanduiding aan een locatie is gegeven, is als niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen als bedoeld in het Besluit kwaliteit leefomgeving tevens aangewezen een gevel waarover met toepassing van artikel 4.86, tweede lid, in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken het voorschrift is verbonden dat het een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen is.
Aan de gevel bedoeld in het eerste lid worden maatregelen getroffen en vervolgens duurzaam in stand gehouden die:
bestaan uit een uitwendige scheidingsconstructie die geen te openen delen bevat anders dan als onderdeel van een gemeenschappelijke doorgang; of
borgen dat het geluid op de te openen delen in de uitwendige scheidingsconstructie die direct grenzen aan een verblijfsgebied niet hoger is dan de grenswaarde.
Dit artikel geldt ter plaatse van de Locatie geluidwerende voorziening.
Er moet, tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald, ter plaatse van Functieaanduiding geluidwerende voorziening noodzakelijk, een ononderbroken, gesloten geluidwerende voorziening worden gerealiseerd en duurzaam in stand gehouden.
De hoogte van de geluidwerende voorziening bedraagt niet minder dan met de Omgevingsnorm minimale hoogte geluidwerende voorziening is aangegeven in meters.
Ter plaatse van de Functieaanduiding Boveneindsestraat 1 KE wordt het geluidsscherm gerealiseerd zoals aangegeven in het voor die locatie volgens het bepaalde in artikel 6.4 vastgestelde landschappelijk inpassingsplan.
Dit artikel geldt ter plaatse van de Functieaanduiding geluidgevoelige gebouwen niet toegestaan.
Het gebruik van gebouwen als geluidgevoelig gebouw is niet toegestaan.
In afwijking van het bepaalde in het tweede lid, is het gebruik van bijbehorende bouwwerken wel toegestaan.
Dit artikel geldt ter plaatse van de Locatie tuinmuur.
Ter plaatse van de Bouwaanduiding tuinmuur - 1 dient een tuinmuur te worden gebouwd en in stand gehouden met een hoogte van 2,3 meter en een massa van 15 kg/m².
Dit artikel geldt ter plaatse van de Bouwaanduiding aanbrengen extra dakisolatie.
Er dient extra dakisolatie te worden aangebracht om de geluidsbelasting te verminderen.
Dit artikel geldt ter plaatse van de Functieaanduiding aanleg bluswaterput.
Binnen het aanduidingsvlak of binnen een afstand van 15 meter tot het aanduidingsvlak als bedoeld in het eerste lid, dient een bluswaterput met een minimale capaciteit van 90 m³ per uur te worden aangelegd. Het bluswaterpunt wordt na de aanleg in stand gehouden.
Dit artikel geldt ter plaatse van de Functieaanduiding minder zelfredzame personen.
Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken ten behoeve van zeer kwetsbare gebouwen.
Dit artikel geldt ter plaatse van de Bouwaanduiding gevel zonder entree.
Ter plaatse van de Figuur gevel zonder entree, is geen entree van een hoofdgebouw toegestaan.
Dit artikel geldt ter plaatse van de Functieaanduiding groene erfafscheiding.
Indien de zijdelingse en/of achterste perceelsgrens van een bouwperceel grenst aan openbaar toegankelijk gebied, moet een groene erfafscheiding worden aangelegd en in stand worden gehouden conform de eisen uit het ter plaatse geldende beeldkwaliteitplan als bedoeld in artikel 6.2 of landschappelijk inpassingsplan als bedoeld in artikel 6.4.
Dit artikel geldt ter plaatse van de Locatie windhaag.
Ter plaatse van de Functieaanduiding windhaag dient in verband met het gebruik van gewasbestrijdingsmiddelen een groenblijvende windhaag te worden aangelegd. Na de aanleg dient de haag duurzaam in stand te worden gehouden.
De windhaag heeft, tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald, een hoogte van tenminste 3 m.
Indien voor de locatie een landschappelijk inpassingsplan als bedoeld in artikel 6.4 geldt, dan wordt de windhaag aangelegd en in stand gehouden overeenkomstig de eisen van dit landschappelijk inpassingsplan.
Dit artikel geldt ter plaatse van de Functieaanduiding aaneengesloten groene haag.
Er dient een aaneengesloten groene haag te worden aangelegd. Na de aanleg dient de haag duurzaam in stand te worden gehouden.
De hoogte van de haag mag, tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald, niet minder bedragen dan 2 m.
Indien voor de locatie een landschappelijk inpassingsplan als bedoeld in artikel 6.4 geldt, dan wordt de groene haag aangelegd en in stand gehouden overeenkomstig de eisen van dit landschappelijk inpassingsplan.
Dit artikel geldt ter plaatse van de Functieaanduiding groene afscheiding Dr. M. van Drielplein.
Het gebruik van de gronden ter plaatse van de Locatie Dr. M. van Drielplein Ochten, is uitsluitend toegestaan indien ter hoogte van Bagijnestraat 4, bladhoudende beplanting met een hoogte van 1,00 meter wordt aangeplant en vervolgens in stand wordt gehouden.
Dit artikel geldt ter plaatse van de Functieaanduiding realiseren groene gevel.
Er moet een groene gevel worden gerealiseerd. Na de realisatie wordt de groene gevel duurzaam in stand gehouden.
Indien voor de locatie een landschappelijk inpassingsplan als bedoeld in artikel 6.4 geldt, dan wordt de groene gevel aangelegd en in stand gehouden overeenkomstig de eisen van dit landschappelijk inpassingsplan.
Binnen de Locatie Hoofdstraat 31 geldt ter plaatse van de Bouwaanduiding gevelopening Hoofdstraat 31 dat in de oostelijke gevel van het hoofdgebouw geen gevelopeningen worden gerealiseerd die rechtstreeks uitzicht geven op het perceel Schenkhofstraat 1, Kesteren. Dakramen of dakvensters zijn wel toegestaan.
Binnen de Locatie Boveneindsestraat 1 zijn ter plaatse van de Bouwaanduiding gevelopening Boveneindsestraat 1 KE transparante gevelopeningen op de verdieping(en) uitgesloten in de gevel gericht op het perceel Boveneindsestraat 3a.
Ter plaatse van de Locatie Aldi Opheusden is het gebruik van het gebouw niet toegestaan indien in een gevel van het gebouw die binnen een afstand van 10 m van gronden met de locatie agrarisch is gelegen, te openen delen aanwezig zijn. Wettelijk vereiste nooduitgangen worden niet gezien als te openen delen als bedoeld in het tweede lid.
Ter plaatse van de Locatie Nedereindsestraat 29 zijn de gevels van geluidgevoelige ruimtes ter plaatse van of georiënteerd op de Bouwaanduiding blinde gevel, blinde gevels.
Dit artikel geldt ter plaatse van de Functieaanduiding hoek Dalwagenseweg - Tolsestraat.
Het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van wonen is niet toegestaan indien er voor GMB Civiel B.V. & GMB Services B.V. overeenkomstig het bepaalde in dit omgevingsplan geen voldoende parkeergelegenheid kan worden gewaarborgd, waarbij het gebruik van het parkeerterrein aan de Tolsestraat 4 voor GMB Civiel B.V. & GMB Services B.V. niet wordt meegeteld.
Het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van wonen is niet toegestaan indien de centrale schuur niet is gesloopt.
Dit artikel geldt ter plaatse van de Locatie Margrietlaan 13.
Rondom de woningen en terrassen bij woningen dient binnen twee jaar na de inwerkingtreding van de omgevingsvergunning voor het bouwen van de woningen, een erfafscheiding te worden gerealiseerd met een hoogte van minimaal 0,5 m en maximaal 1 m. Deze erfafscheiding dient te bestaan uit hetzelfde materiaal als de gevels van de woningen. Deze erfafscheiding mag zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gebouwd. Deze erfafscheiding wordt duurzaam in stand gehouden.
Dit hoofdstuk heeft betrekking op het verrichten van een aanlegactiviteit.
Onverminderd afdeling 4.2 is dit hoofdstuk onverkort van toepassing op de aangewezen activiteiten als die plaatsvinden in het kader van het realiseren van een bouwwerk.
De regels in deze afdeling zijn van toepassing ter plaatse van de Beschermingszone archeologie.
De regels in deze subparagraaf hebben voorrang op de regels die onderdeel uitmaken van het tijdelijk deel van het omgevingsplan zoals bedoeld in artikel 22.1 onder a Omgevingswet.
De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het behoud en de bescherming van waardevolle agrarische informatie in de bodem.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende aanlegactiviteiten te verrichten:
grondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren;
bodem verlagen of afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen) van gronden waarvoor geen ontgrondings-vergunning is vereist;
het verlagen van het waterpeil;
het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten;
het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem;
het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, voet-, ruiter- of fietspaden, banen of parkeergelegenheden en het aanleggen van andere oppervlakteverhardingen;
het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
Het verbod van artikel 7.4 geldt niet:
voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft tot een diepte van 30 cm onder het bestaande maaiveld;
voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk;
voor het plaatsen van palen om bomen of hagelnetten vast te zetten;
indien de werken en/of werkzaamheden het gewone onderhoud betreffen, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen, het rooien van bestaande boomgaarden en vervanging door nieuwe bomen;
voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft waarvoor ten tijde van het van kracht worden van dit artikel een omgevingsvergunning is verleend;
voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft die direct samenhangen met een verleende omgevingsvergunning op grond van het bepaalde in subparagraaf 4.2.4.16.
Het verbod van artikel 7.4 geldt ook niet als de daar bedoelde activiteiten plaatsvinden ter plaatse van de Functieaanduiding archeologie - reeds aangetast en het activiteiten betreft tot een diepte van 50 cm onder het bestaande maaiveld.
Het verbod van artikel 7.4 geldt ook niet als de daar bedoelde activiteiten plaatsvinden ter plaatse van de Omgevingsnorm maximum oppervlak archeologie, en het oppervlak van de bodemverstoring niet groter is dan de daar in vierkante meters bepaalde waarde.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend indien er geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden van de gronden.
Voordat wordt besloten over een aanvraag om een omgevingsvergunning wint het bevoegd gezag schriftelijk of elektronisch advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van een omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.4 wordt een archeologisch rapport verstrekt dat voldoet aan de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie en waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het college in voldoende mate is vastgesteld.
Met het oog op het belang van het behoud van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische vindplaatsen kunnen aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.4 voorschriften worden verbonden.
Een voorschrift als bedoeld in artikel 7.8, eerste lid kan in elk geval inhouden:
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden zoals alternatieven voor heiwerk, het al of niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;
de verplichting tot het doen van opgravingen; of,
de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
De regels in deze paragraaf zijn van toepassing ter plaatse van de Beschermingszone integraal ensemble.
De regels in deze subparagraaf hebben voorrang op de regels die onderdeel uitmaken van het tijdelijk deel van het omgevingsplan zoals bedoeld in artikel 22.1 onder a Omgevingswet.
De regels zoals opgenomen in de artikelen 4, 5, 6 en 7 van het Parapluplan 2023 met IMRO-idn NL.IMRO.1740.bpNBparaplu2023-vst1 zijn niet van toepassing.
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op de bescherming van het aan de gronden toegekende integraal ensemble en de daarbij behorende cultuurhistorische waarden zoals deze nader is aangeduid en beschreven in bijlage VIII.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden te verrichten:
het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, voet-, ruiter- of fietspaden, banen of parkeergelegenheden en het aanleggen van andere oppervlakteverhardingen;
het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren;
het vellen of rooien van beplanting en/of bomen ter plaatse van de landschappelijke eenheden en elementen zoals bedoeld in 4.156;
het ophogen, verlagen en/of afgraven van de bodem, of anderszins wijzigen in maaiveld- of weghoogte.
Het verbod van artikel 7.11 geldt niet:
op normale onderhoudswerkzaamheden die noodzakelijk zijn in verband met het beheer of de voltooiing van werken die op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp van dit artikel reeds bestaan of in uitvoering zijn genomen, alsmede werken en/of werkzaamheden die worden of mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende of nog te verlenen omgevingsvergunning;
indien de werken en/of werkzaamheden het gewone onderhoud, beheer en gebruik betreffen, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen, watergangen, vijvers en beplantingen binnen bestaande tracés; of
voor zover het werkzaamheden op de bodem betreft die te maken hebben met het plant- en zaaiklaar maken en oogsten, overeenkomstig het huidig gebruik ten behoeve van de laanboomteelt.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend, indien door de uitvoering van de werken of werkzaamheden, hetzij direct hetzij indirect, geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de beeldkwaliteit van het integraal ensemble zoals beschreven in artikel 7.10.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden die gegevens en bescheiden overlegd die naar het oordeel van B&W, gelet op artikel 7.13, noodzakelijk zijn voor het nemen van een besluit op de aanvraag.
Met het oog op het belang van artikel 7.10 kunnen aan de omgevingsvergunning voor voorschriften worden verbonden.
De regels van deze afdeling gelden ter plaatse van de Beschermingszone waterkering.
De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het behoud, bescherming en verbetering van de waterkerende functie, onder meer door middel van de aanleg en instandhouding van een dijklichaam
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden te verrichten:
Het verbod van artikel 7.18 geldt niet:
werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden, behorende bij het normale onderhoud, gebruik en beheer van de waterkering;
werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden, die op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit artikel in uitvoering waren of konden worden uitgevoerd krachtens een vóór dat tijdstip geldende dan wel aangevraagde vergunning.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend, indien door de uitvoering van de werken of werkzaamheden, hetzij direct hetzij indirect, geen onevenredige aantasting ontstaat of kan ontstaan van de belangen van de waterkering.
Alvorens te beslissen over een omgevingsvergunning wint het bevoegd gezag advies in bij de beheerder van de waterkering.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden die gegevens en bescheiden overlegd die naar het oordeel van B&W, gelet op artikel 7.20, noodzakelijk zijn voor het nemen van een besluit op de aanvraag.
Met het oog op het belang van artikel 7.17 kunnen aan de omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden.
De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het behoud van de natuurlijke en landschappelijke waarden van de gronden.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende aanlegactiviteiten te verrichten:
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend indien er geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de natuurlijke en landschappelijke waarden van het gebied.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt een onderbouwing verstrekt waaruit naar het oordeel van het college in voldoende mate volgt dat er geen onevenredige afbreuk aan de natuurlijke en landschappelijke waarden van het gebied wordt gedaan.
Met het oog op het behoud van de natuurlijke en landschappelijke waarden van de gronden kunnen aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.25 voorschriften worden verbonden.
De regels in deze afdeling gelden ter plaatse van de Beschermingszone landelijk groen.
De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op de bescherming van de aanwezige landschappelijke waarden.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning oppervlakteverhardingen aan te leggen.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend indien door het aanleggen van de oppervlakteverhardingen, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen niet blijvend onevenredig afbreuk wordt gedaan aan de aanwezige groenstructuur.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt een onderbouwing verstrekt waaruit naar het oordeel van het college in voldoende mate volgt dat er geen blijvend onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de aanwezige groenstructuur.
Met het oog op het in artikel 7.31 bedoelde belang kunnen aan de omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden.
De regels van deze afdeling gelden ter plaatse van de Beschermingszone agrarisch met waarden - kernen.
De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op de bescherming van de aanwezige natuurwaarden, cultuurhistorische waarden en landschappelijke waarden.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden te verrichten:
het afgraven, ophogen en egaliseren van gronden en het diepploegen;
het aanleggen van ondergrondse leidingen, constructies, installaties en apparatuur;
het aanleggen en oppervlakteverhardingen;
het verlagen van het waterpeil;
het aanbrengen van opgaande beplanting, niet zijnde beplanting in verband met de uitoefening van een agrarisch bedrijf in de vorm van boomkwekerijen.
Het verbod van artikel 7.38 geldt niet:
voor werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden, behorende bij het normale onderhoud, gebruik en beheer van de gronden;
voor werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden die op het moment van inwerkingtreding van dit artikel in uitvoering waren of konden worden uitgevoerd krachtens een voor dat tijdstip geldende dan wel aangevraagde vergunning.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend indien door de uitvoering van het werk, geen bouwwerk zijnde, of de werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen niet blijvend onevenredig afbreuk wordt gedaan aan de cultuurhistorische waarden van het gebied dan wel hieraan door het stellen van voorwaarden voldoende tegemoet kan worden gekomen.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt een onderbouwing verstrekt waaruit naar het oordeel van het college in voldoende mate volgt dat er geen blijvend onevenredige afbreuk aan de waarden genoemd in artikel 7.37 wordt gedaan.
Met het oog op het in artikel 7.38 bedoelde belang kunnen aan de omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden.
De regels van deze afdeling gelden ter plaatse van de Beschermingszone rioolleiding.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden te verrichten:
het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
het uitvoeren van graafwerkzaamheden;
het uitvoeren van heiwerken of het anderszins indringen van voorwerpen;
het aanbrengen van diepwortelende beplanting en/of bomen;
het wijzigen van het maaiveldniveau door ontgronding of ophoging;
het vellen of rooien van houtgewas.
Het verbod van artikel 7.45 geldt niet:
voor werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden, behorende bij het normale onderhoud, gebruik en beheer van de gronden;
voor werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden die op het moment van inwerkingtreding van dit artikel in uitvoering waren of konden worden uitgevoerd krachtens een voor dat tijdstip geldende dan wel aangevraagde vergunning;
voor werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden die direct samenhangen met een omgevingsplanactiviteit bouwwerken.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend, indien door de werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden geen veiligheidsrisico's ontstaan en de betreffende leiding niet wordt aangetast.
Voordat wordt besloten over een aanvraag om een omgevingsvergunning wint het bevoegd gezag schriftelijk of elektronisch advies in bij de leidingbeheerder.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
Met het oog op het in artikel 7.45 bedoelde belang kunnen aan de omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden.
De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op milieubelastende activiteiten.
Tenzij elders in dit omgevingsplan anders bepaald, zijn de regels in dit hoofdstuk niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan:
een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet onherroepelijke omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit;
een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en na de inwerkingtreding van de Omgevingswet onherroepelijk wordt.
De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op:
het waarborgen van veiligheid;
het beschermen van de gezondheid;
het beschermen van het milieu, waaronder:
het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen;
het doelmatig gebruik van energie en grondstoffen;
een doelmatig beheer van afvalstoffen; het voorkomen of beperken van geluidhinder, trillinghinder, lichthinder en geurhinder;
het evenwichtig toedelen van functies aan locaties.
Degene die een milieubelastende activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 8.3, is verplicht:
alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken;
als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over dit hoofdstuk.
Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van dit hoofdstuk, met uitzondering van artikel 8.3, artikel 8.4 en artikel 8.12.
Een maatwerkvoorschrift wordt gesteld met het oog op de belangen bedoeld in artikel 8.3.
Op het stellen van een maatwerkvoorschrift over een milieubelastende activiteit zijn de instructieregels in paragraaf 5.1.4 en artikel 5.165 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing.
Bij het stellen van een maatwerkvoorschrift wordt rekening gehouden met het belang van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Op verzoek van het bevoegd gezag worden de gegevens en bescheiden verstrekt:
die nodig zijn om te beoordelen of kan worden voldaan aan de regels in dit hoofdstuk, waaronder een beschrijving van de aard en omvang van de activiteiten en processen en een situatieschets van de activiteit en de lozingspunten;
die nodig zijn om te bezien of de algemene regels uit dit omgevingsplan en maatwerkvoorschriften op grond van dit omgevingsplan voor de activiteit toereikend zijn gezien ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu.
Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking
over kan krijgen.
Het bevoegd gezag wordt onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.
Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het bevoegd gezag:
informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan;
informatie over de vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen;
andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en
informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, Omgevingswet.
Het eerste en tweede lid geldt niet voor ongewone voorvallen bij:
Als een aanvraag wordt ingediend voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit als bedoeld in hoofdstuk 3 Besluit activiteiten leefomgeving wordt informatie verstrekt over de gevolgen van de activiteit op het gebied van geluid, geur en trilling en de maatregelen en voorzieningen die kunnen worden getroffen om deze gevolgen te voorkomen of beperken.
De verstrekte informatie is voldoende om te beoordelen of wordt voldaan aan de regels van dit hoofdstuk.
De informatie wordt gelijktijdig met het indienen van de aanvraag verstrekt aan het bevoegd gezag dat beslist op de aanvraag.
Dit artikel is niet van toepassing op informatie die verstrekt moet worden op grond van artikel 7.27 van de Omgevingsregeling.
Afdeling 8.2 is van toepassing op milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 8.1, met uitzondering van:
activiteiten bij wonen;
het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein;
een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht;
verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen;
een evenement:
bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen;
lozingen;
graven, saneren, toepassen van grond of baggerspecie en toepassen van bouwstoffen; en
milieubelastende activiteiten die in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving als vergunningplichtig zijn aangewezen.
In afwijking van het eerste lid, onder a, is afdeling 8.2 wel van toepassing op het exploiteren van een (niet-) publieksgerichte aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit, tenzij het uitoefenen ervan uitsluitend uit administratieve werkzaamheden bestaat, en op andere activiteiten met een bedrijfsmatige omvang.
In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder a, is artikel 8.149 van overeenkomstige toepassing voor zover propaan of propeen in een opslagtank wordt opgeslagen bij wonen.
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld ook verstaan een op het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet aanwezig industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder, totdat de gemeenteraad, respectievelijk provinciale staten, op grond van artikel 2.11a Omgevingswet bij omgevingsplan als omgevingswaarden geluidproductieplafonds heeft vastgesteld, respectievelijk op grond van artikel 2.12a Omgevingswet bij besluit als omgevingswaarden geluidproductieplafonds hebben vastgesteld rondom dat industrieterrein, en dat besluit in werking is getreden.
De plicht, bedoeld in artikel 8.4 houdt met betrekking tot activiteiten als bedoeld in artikel 8.10 in ieder geval in dat:
alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen;
alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen;
de beste beschikbare technieken worden toegepast;
geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt;
alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, Omgevingswet;
afvalwater dat wordt geloosd en gekanaliseerde emissies van stoffen in de lucht doelmatig kunnen worden bemonsterd;
metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund;
meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt, en gepresenteerd;
voor zover verontreiniging van de bodem ontstaat, herstel van de bodem redelijkerwijs mogelijk blijft; en
afvalstoffen worden afgevoerd na beëindiging van een activiteit.
De plicht, bedoeld in artikel 8.4, houdt in ieder geval ook in dat:
Het eerste lid is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 8.17 Opruimen zwerfafval
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen worden binnen een straal van 25 m rond de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, zo vaak als nodig etenswaren, verpakkingen, sport- of spelmaterialen, of andere materialen verwijderd die van de activiteit afkomstig zijn.
Artikel 8.20 Toepassingsbereik
Subparagraaf 8.2.2.3 is van toepassing op het geluid door een activiteit als bedoeld in artikel 8.10, met uitzondering van:
het met een verplaatsbaar mijnbouwwerk aanleggen, aanpassen, testen, onderhouden, repareren en buiten gebruik stellen van een boorgat of stimuleren van een voorkomen via een boorgat, bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
het geluid van spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen die onderdeel zijn van een hoofdspoorweg of een bij omgevingsverordening aangewezen lokale spoorweg, voor zover met dat geluid het geluidproductieplafond met toepassing van artikel 12.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving reeds is gewijzigd; en
windturbines.
Artikel 8.21 Meerdere activiteiten beschouwen als één activiteit
Onverminderd artikel 8.10 worden voor de toepassing van subparagraaf 8.2.2.3 als één activiteit beschouwd, meerdere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die:
Artikel 8.23 Akoestisch onderzoek
In ieder geval in de volgende gevallen wordt er een geluidonderzoek verricht:
als tussen 19.00 en 7.00 uur per dag gemiddeld meer dan vier transportbewegingen plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn, tenzij het gaat om het bieden van gelegenheid voor het tanken aan motorvoertuigen van derden of een activiteit waarvan horeca-activiteiten de kern vormen;
als in de buitenlucht metalen in bulk worden overgeslagen of in de buitenlucht metalen mechanisch worden bewerkt;
bij het reinigen van afvalwater door waterstraal- of oppervlaktebeluchters met een capaciteit van 120.000 of meer vervuilingseenheden;
bij het neutraliseren van airbags of gordelspanners door deze te ontsteken;
bij het vervaardigen van betonmortel of betonwaren;
bij een binnenschietbaan als de afstand van de binnenschietbaan tot het dichtstbijzijnde geluidgevoelige gebouw
kleiner is dan 50 m; en
als het op basis van de aard van de activiteit aannemelijk is dat:
Het gemiddelde aantal transportbewegingen is een gemiddelde gemeten over de periode van een jaar.
Uit het rapport van het geluidonderzoek blijkt op grond van verrichte geluidsmetingen of geluidsberekeningen wat de geluidbelasting is en of daarmee aan de waarden, bedoeld in dit Omgevingsplan of de van toepassing zijnde geluidswaarden van de omgevingsvergunning of maatwerkvoorschrift wordt voldaan. In het rapport wordt aangegeven welke voorzieningen en/of maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat de waarden worden overschreden en wanneer deze worden getroffen.
Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit als bedoeld in lid 1 wordt het rapport van het geluidonderzoek, bedoeld in dit artikel, verstrekt aan het bevoegd gezag
Dit artikel is niet van toepassing als artikel 8.8 van toepassing is.
Artikel 8.24 Akoestisch onderzoek op verzoek
De bevoegdheid om een maatwerkvoorschrift te stellen als bedoeld in artikel 8.5 houdt in ieder geval in dat het bevoegd gezag kan voorschrijven dat een geluidonderzoek wordt verricht.
In het maatwerkvoorschrift wordt aangegeven binnen welke termijn het rapport van het geluidonderzoek wordt verstrekt aan het bevoegd gezag.
Het rapport van het onderzoek bevat de informatie bedoeld in artikel 7.17, derde lid.
Artikel 8.25 Verstrekken gewijzigde gegevens
Ten minste vier weken voordat de activiteit als bedoeld in artikel 8.23 op een andere manier wordt verricht dan op grond van de gegevens in het rapport van het geluidonderzoek, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing bij activiteiten ten aanzien waarvan op grond van artikel 8.24 onderzoek is verzocht.
Artikel 8.26 Buiten beschouwing laten van geluidbronnen
Bij het bepalen van de geluidniveaus, bedoeld in subparagraaf 8.2.2.3, blijft buiten beschouwing:
het geluid door de inzet van motorvoertuigen of helikopters voor spoedeisende medische hulpverlening, ongevallenbestrijding, brandbestrijding, gladheidbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval;
onversterkt menselijk stemgeluid, tenzij het muziekgeluid is of daarmee is vermengd.
het geluid voor het oproepen tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging of het bijwonen van godsdienstige of levensbeschouwelijke bijeenkomsten en lijkplechtigheden, en ook het geluid in verband met het houden van deze bijeenkomsten of plechtigheden.
Bij het bepalen van het maximale geluidniveau (LAmax), bedoeld in subsubparagraaf 8.2.2.3.2 blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van:
Artikel 8.27 Maatregelen of voorzieningen bij stomen van grond
Bij het bepalen van de geluidniveaus, bedoeld in deze subparagraaf, blijft het geluid veroorzaakt door het stomen van grond met een installatie van derden, buiten beschouwing.
Bij het stomen van grond met een installatie van derden worden maatregelen of voorzieningen getroffen die betrekking hebben op:
Artikel 8.28 Meet- en rekenbepalingen
Op het bepalen van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) of het maximaal geluidniveau (LAmax), bedoeld in subparagraaf 8.2.2.3, is afdeling 6.2 van de Omgevingsregeling van toepassing.
Artikel 8.29 Vergunningplicht voor elektro- of verbrandingsmotoren en transformatoren
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een activiteit als bedoeld in artikel 5.78b, eerste lid, onder b en c van het Besluit kwaliteit leefomgeving te verrichten buiten een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend indien:
het geluid door die activiteit op 50 meter afstand van de begrenzing van de locatie waar de activiteit wordt verricht niet hoger is dan de waarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,Lt) bedoeld in tabel 8.37a; en
er geen significante geluidhinder wordt veroorzaakt op of in een geluidgevoelig gebouw. Hierbij wordt in ieder geval rekening gehouden met subsubparagraaf 8.2.2.3.2 van dit omgevingsplan en paragraaf 5.1.4.2.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in het eerste lid worden de volgende gegevens verstrekt:
Artikel 8.32 Toepassingsbereik
Subsubparagraaf 8.2.2.3.2 is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat in dit omgevingsplan, of in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is toegelaten.
In afwijking van het eerste lid is Subsubparagraaf 8.2.2.3.2 niet van toepassing:
Voor de toepassing van subsubparagraaf 8.2.2.3.2 wordt onder een niet-geluidgevoelige gevel ook een bouwkundige constructie die op grond van artikel 1b, vierde lid, van de Wet geluidhinder niet als gevel werd beschouwd, begrepen.
Artikel 8.33 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking
In afwijking van artikel 8.32, tweede lid, onder b, is subsubparagraaf 8.2.2.3.2 ook van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar:
in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, Omgevingswet; of
in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor inwerkingtreding van de
Omgevingswet.
In afwijking van artikel 8.32 is subsubparagraaf 8.2.2.3.2 niet van toepassing op het geluid door een activiteit op en in een geluidgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is als:
die activiteit al werd verricht voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en is toegelaten op grond van:
het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, Omgevingswet; of
een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor inwerkingtreding van de Omgevingswet; en
het geluidgevoelig gebouw mag worden gebouwd op grond van:
het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, Omgevingswet; of
een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Artikel 8.34 Waar waarden gelden
De waarden voor het geluid door een activiteit gelden:
als het gaat om een geluidgevoelig gebouw: op de gevel;
als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw: op de locatie waar een gevel mag komen;
in afwijking van onder a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van dat woonschip of die woonwagen; en
als het gaat om een geluidgevoelige ruimte: in een geluidgevoelige ruimte.
Artikel 8.35 Functionele binding
De waarden voor geluid zijn niet van toepassing op het geluid door een activiteit op een geluidgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit.
Artikel 8.36 Voormalige functionele binding geluid
De waarden voor geluid zijn niet van toepassing op het geluid op of in een geluidgevoelig gebouw ter plaatse van de aanduiding voormalige functionele binding - geluid voor zover het gaat om geluid door een activiteit die eerder met dat geluidgevoelig gebouw functioneel verbonden was.
Het geluid door een activiteit op een geluidgevoelig gebouw is niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 8.37a.
| 07:00 - | 19.00 - | 23.00 - |
Langtijdgemiddelde | 50 dB(A) | 45 dB(A) | 40 dB(A) |
Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid |
| 70 dB(A) | 70 dB(A) |
Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid |
| 65 dB(A) | 65 dB(A) |
Het geluid door een activiteit in een geluidgevoelige ruimte binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw, is niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 8.37b
| 07.00 - | 19.00 - | 23.00 - |
Langtijdgemiddelde | 35 dB(A) | 30 dB(A) | 25 dB(A) |
Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid |
| 55 dB(A) | 55 dB(A) |
Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid |
| 45 dB(A) | 45 dB(A) |
Artikel 8.38 Maximaal geluidniveau binnen in- en aanpandige woning in de avondperiode: eerbiedigende werking
Dit artikel is van toepassing op een activiteit die rechtmatig plaatsvond op het moment dat deze bepaling in werking trad mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals die werd verricht voor de inwerkingtreding van deze bepaling.
In afwijking van artikel 8.37, tweede lid is het maximaal geluidniveau LAmax in een geluidgevoelige ruimte binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw veroorzaakt door andere piekgeluiden dan aandrijfgeluid van transportmiddelen niet hoger dan 50 dB(A) tussen 19.00 en 23.00.
Artikel 8.39 Maximaal geluidniveau op geluidgevoelige gebouwen in dagperiode bij aangewezen activiteiten
Dit artikel is van toepassing op:
In afwijking van artikel 8.37, eerste lid is het maximaal geluidniveau LAmax op een geluidgevoelig gebouw door een activiteit tussen 07.00 - 19.00 uur niet hoger dan 70 dB(A).
Het in het tweede lid genoemde maximale geluidniveau is niet van toepassing op laad- en losactiviteiten.
Artikel 8.40 Maximaal geluidniveau binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen in dagperiode bij aangewezen activiteiten
Dit artikel is van toepassing op:
In afwijking van artikel 8.37, tweede lid is het maximaal geluidniveau LAmax in een geluidgevoelige ruimte binnen een in - of aanpandig geluidgevoelig gebouw door een activiteit tussen 07.00 - 19.00 uur niet hoger dan 55 dB(A).
Het in het tweede lid genoemde maximale geluidniveau is niet van toepassing op laad- en losactiviteiten.
Artikel 8.44 Waarde bestaande tankstations
In afwijking van artikel 8.37 is het geluid door het bieden van gelegenheid voor het tanken aan motorvoertuigen van derden dat rechtmatig plaatsvond op het moment dat deze bepaling in werking trad, op een geluidgevoelig gebouw niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 8.44, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals die werd verricht voor de inwerkingtreding van deze bepaling.
| 07.00 - 21.00 uur | 21.00 - 07.00 uur |
Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau | 50 dB(A) | 50 dB(A) |
Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid | 50 dB(A) | 50 dB(A) |
Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere | 50 dB(A) | 50 dB(A) |
De in het eerste lid opgenomen maximale geluidniveaus LAmax zijn niet van toepassing op laden en lossen in de periode tussen 07.00 en 21.00 uur.
Artikel 8.45 Waarde industrieterrein
Als een activiteit wordt verricht op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld, gelden de waarden van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT), bedoeld in artikel 8.37, eerste lid, en artikel 8.44, eerste lid ook op een afstand van 50 m vanaf de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht.
Artikel 8.46 Maatwerkvoorschrift voor niet-representatief geluid
De bevoegdheid om maatwerkvoorschrift te stellen als bedoeld in artikel 8.5 houdt in ieder geval in dat het bevoegd gezag, in afwijking van de waarden, bedoeld in de artikel 8.37 tot en met artikel 8.45, bij maatwerkvoorschrift voor bepaalde activiteiten, anders dan festiviteiten bedoeld in artikel 7.39 en artikel 7.40, andere waarden kan vaststellen.
In afwijking van artikel 8.20 kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift activiteiten aanwijzen waarop de waarden, bedoeld in de artikel 8.37 tot en met artikel 8.45 niet van toepassing zijn.
Bij de toepassing van het eerste en het tweede lid, kan het bevoegd gezag in ieder geval voorschriften stellen met betrekking tot de duur van de activiteiten, het treffen van maatregelen, de tijdstippen waarop de activiteiten plaatsvinden of het vooraf melden per keer dat de activiteit plaatsvindt.
Artikel 8.47 Collectieve feestdagen
De waarden als bedoeld in artikel 8.37 tot en met artikel 8.45 zijn niet van toepassing binnen bedrijven of instellingen op de in het tweede lid genoemde collectieve feestdagen.
De collectieve feestdagen als bedoeld in het eerste lid zijn:
Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door het bedrijf of instelling, bedraagt niet meer dan 70 dB(A), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter.
De geluidswaarde als bedoeld in het derde lid is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten.
Op de dagen genoemd het tweede lid dient het ten gehore brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm uiterlijk een uur voor sluitingstijd te worden beëindigd.
Artikel 8.48 Maatwerkvoorschrift voor incidentele festiviteiten
Met een maatwerkvoorschrift kan van de waarden als bedoeld in artikel 8.37 tot en met artikel 8.45 worden afgeweken voor ten hoogste zes dagen of delen van dagen per kalenderjaar ten behoeve van incidentele festiviteiten binnen bedrijven of instellingen. Een festiviteit die ten hoogste een etmaal duurt, maar die zowel voor als na 00.00 uur plaatsvindt, wordt beschouwd als plaatshebbende op één dag.
Aanvullend op het bepaalde in het eerste lid geldt voor bedrijven of instellingen die uitsluitend de sportbeoefening in de buitenlucht ten doel hebben, dat bovenop de zes dagen of delen van dagen per kalenderjaar een extra aantal van zes dagen of dagdelen per kalenderjaar waarvoor een maatwerkvoorschrift als bedoeld in het eerste lid kan worden verleend, onder de voorwaarde:
dat de incidentele festiviteiten uitsluitend zien op het afronden van geplande wedstrijden; en
dat noch de incidentele festiviteiten zelf, noch de afronding daarvan (de daaropvolgende dag) op een zondag plaatsvinden; en
dat de hiervoor genoemde geluidsnormen tot maximaal 01.00 uur van de dag volgend op de wedstrijddag (of zoveel eerder als de wedstrijd is afgerond) niet van toepassing zijn.
De aanvraag om een maatwerkvoorschrift kan geweigerd worden indien de naleving van regelgeving door het exploitant met betrekking tot de betreffende horecazaak hiertoe aanleiding geeft.
Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift als bedoeld in het tweede lid worden de volgende gegevens verstrekt:
In het maatwerkvoorschrift kunnen voorschriften gesteld worden die nodig zijn met het oog op het in stand houden van een goede leefomgevingskwaliteit.
Het maatwerkvoorschrift wordt uitsluitend gesteld voor zover dit geen onevenredige afbreuk doet aan het woon- en leefklimaat in de omgeving, waarbij in ieder geval de volgende omstandigheden kunnen worden betrokken:
Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift als bedoeld in het tweede lid worden de volgende gegevens verstrekt:
In het maatwerkvoorschrift kunnen voorschriften gesteld worden die nodig zijn met het oog op het in stand houden van een goede leefomgevingskwaliteit.
Artikel 8.49 Voorrangsbepaling festiviteiten
Artikel 7.39 en artikel 7.40 blijven buiten toepassing zolang de artikelen 4.2 en 4.3 van de Algemene Plaatselijke Verordening nog niet is komen te vervallen
Artikel 8.50 Geluid en bedrijfswoningen van derden-overgangsrecht
Voor een activiteit waarop artikel 22.69 van dit omgevingsplan, zoals dat op grond van het Invoeringsbesluit Omgevingswet op 1 januari 2024 van toepassing was geworden, blijft dat artikel gelden gedurende drie jaar vanaf het in werking treden van dit artikel, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals die werd verricht direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit artikel.
Artikel 8.51 Onversterkte muziek-overgangsrecht
Bij het bepalen van de geluidniveaus, bedoeld in subparagraaf 8.2.2.3 blijft het geluid van het ten gehore brengen van onversterkte muziek buiten beschouwing gedurende drie jaar vanaf de inwerkingtreding van dit artikel voor zover het ten gehore brengen van onversterkte muziek deel uitmaakte van een activiteit op het moment dat dit artikel in werking trad.
Artikel 8.65 Dokter M. van Drielplein Ochten
In afwijking van artikel 8.37 is het geluid (LAr,LT) door de activiteiten ter plaatse van de Functieaanduiding supermarkt Dokter M. van Drielplein Ochten op de gevel van de woning Lambartus van Ingenstraat 1, niet hoger dan 49 dB(A) in de avondperiode (19.00-23.00 uur).
In afwijking van artikel 8.37 is het geluid (LArLT) vanwege het voortbrengen van onversterkte muziek ter plaatse van de Functieaanduiding maatschappelijk Dr. M. van Drielplein op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan 50 dB(A) in de avondperiode (19.00-23.00 uur).
De geluidemissie van de onderstaande voorzieningen mag niet meer bedragen dan:
De geluidemissie van de onderstaande voorzieningen mag niet meer bedragen dan:
Artikel 8.66 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op de trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit als bedoeld in artikel 8.10 in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat in dit omgevingsplan, of in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit op een locatie is toegelaten.
Deze subparagraaf is niet van toepassing op trillingen door een activiteit als bedoeld in het eerste lid:
in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat geheel of gedeeltelijk ligt op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld; en
in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar.
Artikel 8.67 Trillinggevoelig gebouw
Een trillinggevoelig gebouw is een gebouw zoals bedoeld in het eerste lid van artikel 5.80 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Artikel 8.68 Meet-en rekenbepalingen
Op het bepalen van trillingen als bedoeld in deze paragraaf is afdeling 6.2 van de Omgevingsregeling van toepassing.
Artikel 8.69 Eerbiedigende werking
In afwijking van artikel 8.66, tweede lid, onder b, is subparagraaf 8.2.2.4 ook van toepassing op trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar:
in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, Omgevingswet; of
in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet
Artikel 8.70 Meerdere activiteiten beschouwen als een activiteit
Voor de toepassing van deze subparagraaf worden als één activiteit beschouwd, meerdere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die:
Artikel 8.71 Functionele binding
De waarden voor trillingen zijn niet van toepassing op trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van een trillinggevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit.
Artikel 8.72 Voormalige functionele binding trilling
De waarden voor trillingen zijn niet van toepassing in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw ter plaatse van de Functieaanduiding voor zover het gaat om trilling door een activiteit die eerder met dat trillinggevoelig gebouw functioneel verbonden was.
Artikel 8.73 Waarden voor continue trillingen
Met het oog op het voorkomen of het beperken van trillinghinder zijn de continue trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten, niet hoger dan de waarde A1 trillingssterkte Vmax, bedoeld in tabel 8.73.
Als niet voldaan wordt aan de waarde, bedoeld in het eerste lid, is de waarde van continue trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten, niet hoger dan de waarden onder A2 trillingssterkte Vmax en A3 trillingssterkte Vper, bedoeld in tabel 8.73.
Artikel 8.74 Waarden voor herhaald voorkomende trillingen
Met het oog op het voorkomen of het beperken van trillinghinder zijn de herhaald voorkomende trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten, niet hoger dan de waarde A1 trillingssterkte Vmax, bedoeld in tabel 8.74.
Als niet voldaan wordt aan de waarde, bedoeld in het eerste lid, is de waarde van herhaald voorkomende trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten, niet hoger dan de waarden onder A2 trillingssterkte Vmax en A3 trillingssterkte Vper, bedoeld in tabel 8.74.
Artikel 8.76 Toepassingsbereik
Deze subsubparagraaf is van toepassing op de geur door een activiteit als bedoeld in Artikel 8.10 op een geurgevoelig gebouw.
Artikel 8.77 Geurgevoelige gebouw
Een geurgevoelig gebouw is een gebouw als bedoeld in het eerste lid van artikel 5.91 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Artikel 8.78 Voorkomen of beperken van geurhinder
Indien bij een activiteit emissies naar de lucht plaatsvinden, wordt daarbij geurhinder bij geurgevoelige gebouwen voorkomen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is wordt de geurhinder tot een aanvaardbaar niveau beperkt.
De bevoegdheid om maatwerkvoorschrift te stellen als bedoeld in artikel 8.5 houdt in ieder geval in dat het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift:
De bevoegdheid om een maatwerkvoorschrift te stellen als bedoeld in artikel 8.5 houdt in ieder geval in dat het bevoegd gezag, indien het redelijk vermoeden bestaat dat er sprake is van geurhinder, in een maatwerkvoorschrift kan voorschrijven dat een rapport van een geuronderzoek wordt overgelegd. Een geuronderzoek wordt uitgevoerd overeenkomstig de NTA 9065. Het rapport bevat ook een onderzoek naar de beschikbaarheid van technische voorzieningen en gedragsregels om geurhinder te beperken.
Bij het bepalen van een aanvaardbaar niveau van geurhinder kan, voor zover relevant, onder meer rekening worden gehouden met de volgende aspecten:
de bestaande toetsingskaders, waaronder lokaal geurbeleid;
de geurbelasting ter plaatse van geurgevoelige gebouwen;
de aard, omvang en waardering van de geur die vrijkomt bij de betreffende activiteit;
de historie van de betreffende activiteit en het klachtenpatroon met betrekking tot geurhinder;
de bestaande en verwachte geurhinder van de betreffende activiteit, en
de kosten en baten van technische voorzieningen en gedragsregels.
Bij het bepalen van een aanvaardbaar niveau van geurhinder als bedoeld in dit artikel worden ten aanzien van activiteiten als bedoeld in subparagraaf 8.2.3.1 de daarin genoemde waarden en afstanden in acht genomen.
[Gereserveerd]
Artikel 8.90 Toepassingsbereik
Deze subsubparagraaf is van toepassing op het bereiden van voedingsmiddelen met:
Deze subsubparagraaf is niet van toepassing als een activiteit als bedoeld in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat, met uitzondering van het bereiden van voedingsmiddelen voor personen die werken op de locatie waarop de activiteit wordt verricht.
Artikel 8.91 Gegevens en bescheiden
Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 8.90 worden aan het bevoegd gezag de volgende gegevens en bescheiden verstrekt over:
informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen, waaronder in ieder geval de maximale verwerkingscapaciteit;
gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:
een situatietekening, met een schaal van ten minste 1:10.000 aangegeven waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en
gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.
Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op het bereiden van voedingsmiddelen voor personen die wonen of werken op de locatie waarop de activiteit wordt verricht.
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder worden afgezogen dampen en gassen die naar de buitenlucht worden geëmitteerd:
Dampen die vrijkomen bij het bereiden van voedingsmiddelen met grootkeukenapparatuur door frituren, bakken in olie of vet of grillen, anders dan met houtskool, worden afgezogen en geleid door een doelmatig verwisselbaar of reinigbaar vetvangend filter.
Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing:
Artikel 8.93 Niet-industriële voedselbereiding - overgangsrecht geur
Artikel 8.92 is gedurende drie jaar vanaf de inwerkingtreding van dit artikel niet van toepassing als:
het mogelijke effect van de geuremissie van de uittredende lucht van een afzuiginstallatie beperkt blijft tot een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein met minder dan één geurgevoelig gebouw per hectare; en
die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht direct voorafgaan aan de inwerkingtreding van dit artikel.
Artikel 8.92 is gedurende drie jaar vanaf het in werking treden van dit artikel niet van toepassing als:
voor die activiteit voor 1 januari 2008 voorschriften golden op grond van een onherroepelijke vergunning of één van de besluiten, genoemd in artikel 6.43 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet;
de activiteit destijds voldeed aan deze voorschriften; en
de activiteit sinds 1 januari 2008 niet is gewijzigd zodanig dat de geurbelasting op een geurgevoelig gebouw toenam.
Artikel 8.95 Toepassingsbereik
Deze subsubparagraaf is van toepassing op een milieubelastende activiteit bij de voedingsmiddelenindustrie, als bedoeld in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 8.96 Geur: beginnen of uitbreiden activiteit
Het beginnen of uitbreiden in capaciteit van een activiteit als bedoeld in artikel 8.95 is alleen toegestaan als nieuwe geurhinder op een geurgevoelig gebouw wordt voorkomen.
Het eerste lid is ook van toepassing op het wijzigen van de activiteit, als die wijziging leidt tot een grotere of andere geurbelasting ter plaatse van een geurgevoelig gebouw.
Het bevoegd gezag kan in afwijking van het eerste lid bij maatwerkvoorschrift een bepaalde mate van nieuwe geurhinder ter plaatse van geurgevoelige gebouwen toestaan, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet. Bij het stellen van het maatwerkvoorschrift is artikel 8.78 van overeenkomstige toepassing. In het maatwerkschrift kunnen voorschriften worden opgenomen om een aanvaardbaar geurklimaat te borgen.
Artikel 8.97 Gegevens en bescheiden
Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 8.95, wordt aan het bevoegd gezag een onderbouwing verstrekt hoe voldaan kan worden aan het bepaalde in artikel 8.96.
Indien de activiteit wijzigt en door de wijziging een afwijking ontstaat van de situatie die is beschreven in de onderbouwing bedoeld in het eerste lid, wordt ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt de gewijzigde onderbouwing verstrekt aan het bevoegd gezag.
Het bevoegd gezag kan binnen vier weken na ontvangst van de gegevens, bedoeld in het eerste en tweede lid, indien onvoldoende aannemelijk is dat aan artikel 8.96 wordt voldaan, besluiten dat een rapport van een geuronderzoek wordt overgelegd.
Een geuronderzoek als bedoeld in het derde lid wordt uitgevoerd overeenkomstig NTA 9065.
Subsubparagraaf 8.2.3.3.3 Slachten van dieren en bewerken van dierlijke bijproducten of uitsnijden van vlees, vis of organen
Artikel 8.99 Toepassingsbereik
Deze subsubparagraaf is van toepassing op:
Deze subsubparagraaf is niet van toepassing als een activiteit als bedoeld in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.
Artikel 8.100 Gegevens en bescheiden
Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 8.99 worden aan het bevoegd gezag de volgende gegevens en bescheiden verstrekt over:
informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;
gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:
een situatietekening, met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en
gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.
Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
Artikel 8.101 Geur: voorkomen of beperken geurhinder
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder:
Artikel 8.102 Geur slachten van dieren - overgangsrecht
Artikel 8.101 is gedurende drie jaar vanaf de inwerkingtreding van dit artikel niet van toepassing op een activiteit als:
voor die activiteit voor 1 januari 2008 voorschriften golden op grond van een onherroepelijke vergunning of één van de besluiten, genoemd in artikel 6.43 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet;
de activiteit destijds voldeed aan deze voorschriften; en
de activiteit sinds 1 januari 2008 niet is gewijzigd zodanig dat de geurbelasting op een geurgevoelig gebouw toenam.
Artikel 8.103 Bodem: bodembeschermende voorziening
Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem vindt het pekelen van dierlijke bijproducten en organen plaats boven een aaneengesloten bodemvoorziening.
Artikel 8.104 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening
Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.
Artikel 8.105 Bodem: eindonderzoek bodem
Bij het beëindigen van het pekelen van dierlijke bijproducten of organen wordt een eindonderzoek bodem verricht om de kwaliteit van de bodem vast te stellen.
Het bodemonderzoek gaat over de bodembedreigende stoffen die zijn gebruikt, geproduceerd of uitgestoten op het gedeelte van de locatie waar het pekelen van dierlijke bijproducten of organen is verricht.
Het bodemonderzoek voldoet aan NEN 5725 en NEN 5740 en het veldwerk wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie-instantie of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.
Artikel 8.106 Bodem: rapport van het eindonderzoek bodem
Het rapport van het eindonderzoek bodem bevat:
de naam en het adres van degene die het onderzoek heeft verricht;
de wijze waarop het onderzoek is verricht;
de aard en de mate van de aangetroffen verontreinigde stoffen en de herkomst daarvan;
informatie over het huidige en eerdere gebruik van het terrein;
bestaande informatie over bodemmetingen en grondwatermetingen die de toestand van de bodem en het grondwater weergeven op het tijdstip van opstelling van het rapport, of anders nieuwe bodemmetingen en grondwatermetingen voor het constateren van eventuele verontreiniging van de bodem door de bodemverontreinigende stoffen die bij de activiteit zijn gebruikt, zijn geproduceerd of zijn vrijgekomen; en
als de kwaliteit van de bodem wordt hersteld: de wijze waarop en de mate waarin dit gebeurt.
Artikel 8.107 Gegevens en bescheiden: beëindigen activiteit
Ten hoogste zes maanden na het beëindigen van het pekelen van dierlijke bijproducten of organen wordt een rapport van het eindonderzoek bodem verstrekt aan het bevoegd gezag.
Artikel 8.108 Bodem: herstel van de bodemkwaliteit
Als de bodem is verontreinigd, wordt uiterlijk zes maanden na het toezenden van het rapport van het eindonderzoek bodem de bodemkwaliteit hersteld tot:
de bodemkwaliteit en grondwaterkwaliteit, die is vastgesteld in een rapport volgens NEN 5740 dat is opgesteld voor het begin van de het pekelen van dierlijke bijproducten of organen;
de bodemkwaliteit van de locatie waarop de activiteit is verricht, zoals die is vastgelegd op een bodemkwaliteitskaart als bedoeld in artikel 25c, derde lid, van het Besluit bodemkwaliteit; of
de kwaliteitsklasse landbouw/natuur, bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit.
Het herstel wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000.
Artikel 8.110 Water: opruimen gemorste en gelekte stoffen
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater worden bij het pekelen van dierlijke bijproducten en organen de gemorste of gelekte stoffen zoveel mogelijk zonder verder toevoegen van water opgeruimd en afgevoerd als afvalstof en wordt zoveel mogelijk voorkomen dat deze stoffen in het afvalwater terecht kunnen komen.
Artikel 8.112 Toepassingsbereik
Deze subsubparagraaf is van toepassing op het geluid door het opwekken van elektriciteit met een windturbine op een geluidgevoelig gebouw dat in dit omgevingsplan, of in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is toegelaten.
In afwijking van het eerste lid is deze subsubparagraaf niet van toepassing voor zover het gaat om een windpark met 3 of meer windturbines.
In afwijking van het eerste lid is deze subsubparagraaf niet van toepassing:
Voor de toepassing van deze subsubparagraaf wordt als niet-geluidgevoelige gevel ook aangemerkt:
Artikel 8.113 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking
In afwijking van artikel 8.112, derde lid, onder b, is deze subsubparagraaf is ook van toepassing op het geluid door een windturbine op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar:
in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of
in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor inwerkingtreding van de Omgevingswet.
In afwijking van artikel 8.112 is deze subsubparagraaf niet van toepassing op het geluid door een windturbine op en in een geluidgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is als:
die activiteit die al werd verricht voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en is toegelaten op grond van:
het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, Omgevingswet; of
een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor inwerkingtreding van de Omgevingswet; en
het geluidgevoelig gebouw mag worden gebouwd op grond van:
het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, Omgevingswet; of
een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Artikel 8.115 Geluid: waarden windturbines
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door het opwekken van elektriciteit met een windturbine of windpark op een geluidgevoelig gebouw, ten hoogste 47 Lden en 41 Lnight.
Artikel 8.116 Registratie gegevens windturbines
De volgende gegevens worden geregistreerd:
de emissieterm LE, bedoeld in onderdeel 3.1 van bijlage XXV bij de Omgevingsregeling, gebaseerd op de effectieve werking gedurende het afgelopen kalenderjaar; en
de voor de duur van een handhavingsmeting benodigde gegevens ter bepaling van de windsnelheid op ashoogte, bedoeld in paragraaf 1.6 van bijlage XXV bij de Omgevingsregeling.
De gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden gedurende vijf jaar bewaard.
Artikel 8.117 Onderzoek en toezenden rapport
Er wordt een geluidonderzoek verricht.
Uit het rapport van een geluidonderzoek, bedoeld in het eerste lid, blijkt op grond van verrichte geluidsmetingen of geluidsberekeningen wat de geluidbelasting is en of wordt voldaan aan:
de waarden, bedoeld in artikel 8.115; of
de van toepassing zijnde geluidswaarden van de omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift.
In het rapport wordt aangegeven welke voorzieningen en/of maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat de waarden worden overschreden en wanneer deze worden getroffen.
Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit als bedoeld in 8.112 wordt het rapport van een geluidonderzoek, verstrekt aan het bevoegd gezag.
Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan op grond van de gegevens in het rapport van het geluidonderzoek, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
Artikel 8.118 Geluid: meet- en rekenbepalingen
Op het bepalen van het geluid Lden of Lnight, bedoeld in artikel 8.115, is artikel 6.8 van de Omgevingsregeling van toepassing.
Artikel 8.122 Toepassingsbereik
Deze subsubparagraaf is van toepassing op het opwekken van elektriciteit met een windturbine, bedoeld in artikel 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving als:
Deze subsubparagraaf is niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine, in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw dat op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar.
Deze subsubparagraaf is ook niet van toepassing voor zover het gaat om een windpark met 3 of meer windturbines.
Artikel 8.123 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking
In afwijking van artikel 8.122, tweede lid, is deze subsubparagraaf ook van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar:
in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, Omgevingswet; of
in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
In afwijking van artikel 8.122, eerste lid, is deze subsubparagraaf niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is, maar dat mag worden gebouwd op grond van:
het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, Omgevingswet; of
een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Artikel 8.124 Slagschaduw: stilstandvoorziening
Met het oog op het voorkomen of beperken van slagschaduw is de windturbine voorzien van een automatische stilstandvoorziening die de windturbine afschakelt als gemiddeld meer dan zeventien dagen per jaar gedurende meer dan twintig minuten per dag slagschaduw kan optreden in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw en voor zover de afstand tussen de windturbine en een slagschaduwgevoelig gebouw minder dan twaalf keer de rotordiameter bedraagt.
De afstand wordt gemeten van een punt op ashoogte van de windturbine:
Artikel 8.125 Slagschaduw: functionele binding
Artikel 8.124 is niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine in verblijfsruimten van een slagschaduwgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die windturbine.
Artikel 8.126 Slagschaduw: voormalige functionele binding
Artikel 8.124 is niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine bij een activiteit in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw ter plaatse van de Functieaanduiding voormalige functionele binding - slagschaduw voor zover het gaat om slagschaduw door een windturbine bij een activiteit die eerder met dat slagschaduwgevoelig gebouw functioneel verbonden was.
In aanvulling op het eerste lid is bij een agrarische activiteit artikel 8.124 niet van toepassing op of in een slagschaduwgevoelig gebouw dat op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, Omgevingswet of een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangevraagde omgevingsvergunning, behoort of heeft behoord tot die agrarische activiteit en door een derde bewoond mag worden.
Artikel 8.127 Lichtschittering: beperken van reflectie
Lichtschittering wordt bij het opwekken van elektriciteit met een windturbine voorkomen of zoveel mogelijk beperkt door toepassing van niet reflecterende materialen of coatinglagen op de betrokken onderdelen.
Artikel 8.128 Lichtschittering: meten reflectiewaarden
Op het uitvoeren van een meting van reflectiewaarden is NEN-EN-ISO 2813 van toepassing.
Artikel 8.149 Omgevingsvergunning opslaan propaan of propeen
Het is verboden zonder omgevingsvergunning propaan of propeen op te slaan in een opslagtank met een inhoud van meer dan 150 l en met een maximum van 13 m3.
Op het verlenen van een omgevingsvergunning zijn de beoordelingsregels, bedoeld in de artikelen 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het aantal opslagtanks, met voor iedere opslagtank:
als het gaat om het opslaan van ten hoogste 50 m3 propaan of propeen met een jaarlijkse doorzet van ten hoogste 600 m3:
de jaarlijkse doorzet in kubieke meters;
als het gaat om een bovengrondse opslagtank: de coördinaten van het vulpunt en de opslagtank;
als het gaat om een ondergrondse opslagtank: de coördinaten van het vulpunt, de bovengrondse vloeistofvoerende leiding en de aansluitpunten van die leiding en pomp; en
een beschrijving van de ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, Omgevingswet, die zich kunnen voordoen en de passende maatregelen die worden getroffen voor het voorkomen daarvan; en
als het gaat om het opslaan van ten hoogste 50 m3 propaan of propeen met een jaarlijkse doorzet van meer dan 600 m3 of meer dan 50 m3 propaan of propeen:
de gegevens en bescheiden, genoemd onder b;
de berekende afstand in meters tot waar het plaatsgebonden risico ten hoogste 1 op de 1.000.000, 1 op de 10.000.000 en 1 op de 100.000.000 per jaar is en de aan de berekening ten grondslag liggende rekenbestanden; en
de berekende afstand in meters voor de aandachtsgebieden, bedoeld in artikel 5.12 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, en de aan de berekening ten grondslag liggende rekenbestanden.
Artikel 8.150 Omgevingsvergunning tanken met LPG
Het is verboden zonder omgevingsvergunning voertuigen of werktuigen te tanken met LPG.
Op het verlenen van een omgevingsvergunning zijn de beoordelingsregels, bedoeld in de artikelen 8.9 tot en met 8.11van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
Artikel 8.152 Toepassingsbereik
Deze subsubparagraaf is van toepassing op het met een acculader laden van een natte accu die vloeibare bodembedreigende stoffen bevat.
Artikel 8.153 Bodem: bodembeschermende voorziening
Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem vindt het laden van een accu plaats boven een aaneengesloten bodemvoorziening.
Artikel 8.154 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening
Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.
Artikel 8.155 Toepassingsbereik
Deze subsubparagraaf is van toepassing op het bieden van gelegenheid voor het beoefenen van sport in de buitenlucht waarbij terreinverlichting wordt toegepast.
Artikel 8.156 Gegevens en bescheiden
Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 8.155 worden aan het bevoegd gezag de volgende gegevens en bescheiden verstrekt over:
informatie over de aard en omvang van de terreinverlichting;
gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:
een situatietekening, met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en
gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.
Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
Artikel 8.157 Licht, maatwerkvoorschriften
Met het oog op het beperken van lichthinder is de verlichting die hoort bij een gelegenheid voor het beoefenen van sport in de buitenlucht uitgeschakeld:
Het eerste lid is niet van toepassing op Koningsdag.
Met een maatwerkvoorschrift kan ten hoogste twaalf dagen per kalenderjaar afgeweken worden van het bepaalde in het eerste lid voor de viering van incidentele festiviteiten en activiteiten.
Een festiviteit of activiteit als bedoeld in het derde lid die ten hoogste een etmaal duurt, maar die zowel voor als na 00.00 uur plaatsvindt, wordt hierbij beschouwd als plaatshebbende op één dag.
Een maatwerkvoorschrift als bedoeld in het derde lid wordt uitsluitend gesteld voor zover dit geen onevenredige afbreuk doet aan het woon- en leefklimaat in de omgeving, waarbij in ieder geval de volgende omstandigheden kunnen worden betrokken:
Het bevoegd gezag kan in het maatwerkvoorschrift voorschriften opnemen die naar hun oordeel nodig zijn met het oog op het in stand houden van een goede leefomgevingskwaliteit.
Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift als bedoeld in het derde lid worden de volgende gegevens verstrekt:
De leden 2 tot en met 7 blijven buiten toepassing zolang artikel 5.6 van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 nog niet is komen te vervallen.
Artikel 8.159 Toepassingsbereik
Deze subsubparagraaf is van toepassing op het bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage met meer dan 20 parkeerplaatsen die voorzien is van mechanische ventilatie.
Artikel 8.160 Gegevens en bescheiden
Ten minste vier weken voor het begin van het bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage worden aan het bevoegd gezag de volgende gegevens en bescheiden verstrekt over:
informatie over de aard en omvang van de activiteit;
gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:
een situatietekening, met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en
gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.
Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
Artikel 8.161 Lucht en geur: afvoeren emissies
Met het oog op het beschermen van de kwaliteit van de lucht en het voorkomen of beperken van geurhinder:
worden de aanzuigopeningen voor de ventilatie van de parkeergarage in een verkeersluwe omgeving, of, als dat niet mogelijk is, op ten minste 5 m boven het straatniveau en buiten de beïnvloeding van de uitblaasopeningen aangebracht;
wordt de uit de parkeergarage afgezogen lucht verticaal uitgeblazen op ten minste 5 m boven het straatniveau of, als binnen 25 m van de uitblaasopening een gebouw is gelegen met een hoogste daklijn die meer dan vijf meter boven het straatniveau is gelegen, ten minste één meter boven de hoogste daklijn van dat gebouw; en
bedraagt de snelheid van de uitgeblazen lucht, gemeten bij de rand van de uitblaasopening, ten minste tien meter per seconde.
Artikel 8.162 Lucht en geur parkeergarage - overgangsrecht
Artikel 8.161 is gedurende drie jaar vanaf de inwerkingtreding van dit artikel niet van toepassing op een activiteit als:
voor die activiteit voor 1 januari 2008 voorschriften golden op grond van een onherroepelijke vergunning of één van de besluiten, genoemd in artikel 6.43 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet;
de activiteit destijds voldeed aan deze voorschriften; en
de activiteit sinds 1 januari 2008 niet is gewijzigd zodanig dat de geurbelasting op een geurgevoelig gebouw toenam.
Artikel 8.164 Vergunningplicht verwerken polyesterhars
Het is verboden zonder omgevingsvergunning het verwerken van polyesterhars waarbij 1 kg of meer organische peroxiden van ADR klasse 5.2 aanwezig is, te beginnen of te veranderen.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in het eerste lid wordt een beschrijving verstrekt van de maatregelen die worden getroffen om de emissie van styreen te beperken.
De omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in het eerste lid wordt alleen verleend als geurhinder wordt voorkomen of tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt.
Artikel 8.165 Vergunningplicht gesloten bodemenergiesysteem
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een gesloten bodemenergiesysteem aan te leggen of te gebruiken:
De omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in het eerste lid wordt alleen verleend als:
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in het eerste lid worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een plattegrondtekening en situatietekening met daarop de ligging van de lussen van het gesloten bodemenergiesysteem, het middelpunt van het systeem en de einddiepte waarop het systeem zal worden aangelegd;
de coördinaten van het middelpunt en de buitenrand van het gesloten bodemenergiesysteem en de einddiepte van het systeem in meters onder het maaiveld;
gegevens waaruit blijkt dat het gebruiken van het gesloten bodemenergiesysteem niet leidt tot negatieve interferentie met bodemenergiesystemen in de omgeving waarvoor een melding is gedaan of een omgevingsvergunning is verleend;
een verklaring van degene die het gesloten bodemenergiesysteem installeert over het energierendement, uitgedrukt als de SPF, dat het systeem zal behalen;
informatie over het bodemzijdig vermogen van het gesloten bodemenergiesysteem en de omvang van de behoefte aan warmte en koude waarin het systeem zal voorzien; en
de naam en het adres van degene die het gesloten bodemenergiesysteem zal ontwerpen, installeren en van degene die de boringen zal verrichten.
Artikel 8.166 Vergunningplicht kweken van maden van vliegende insecten
Artikel 8.167 Vergunningplicht antihagelkanonnen
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een installatie in werking te hebben waarin gassen worden gemengd en tot ontbranding worden gebracht met als doel het opwekken van een schokgolf.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in het eerste lid worden de volgende gegevens verstrekt:
Artikel 8.168 Vergunningplicht biologische agens
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een praktijkruimte of laboratorium in werking te hebben waar gericht wordt gewerkt met biologische agens, met uitzondering van biologische agens die ingedeeld zijn of worden in groep 1 of groep 2 als gevolg van de indeling van risicogroepen van de richtlijn 2000/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 september 2000 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico’s van blootstelling aan biologische agentia op het werk (zevende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 83/391/EEG) (PbEG 2000, L 262).
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in het eerste lid worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
informatie over de groep waarin het biologisch agens is of wordt ingedeeld als gevolg van de indeling in risicogroepen van de richtlijn biologische agentia;
informatie over de op grond van artikel 2.22, tweede lid, van de Wet dieren aangewezen ziekteverwekkers; en
een aanduiding van de ligging van de ruimten waar gewerkt wordt met het biologisch agens.
Artikel 8.169 Vergunningplicht genetisch gemodificeerde organismen
Het is verboden zonder omgevingsvergunning ingeperkt gebruik als bedoeld in het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013, te verrichten.
Het eerste lid is niet van toepassing op:
ingeperkt gebruik van genetisch gemodificeerde organismen als bedoeld in artikel 2.1 van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013; of
ingeperkt gebruik van genetisch gemodificeerde organismen die door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat op grond van artikel 2.2 of artikel 2.8 van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 zijn ingeschaald in de categorie van fysische inperking S-I.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
Artikel 8.171 Vergunningplicht buitenschietbanen en militaire springterreinen
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een buitenschietbaan of een militair springterrein op een militair terrein te exploiteren.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder het exploiteren van een buitenschietbaan verstaan het exploiteren van een in de buitenlucht of in een gebouw zonder gesloten afdekking of een gebouw met een open zijde gelegen:
civiele schietbaan waar met vuurwapens wordt geschoten, anders dan traditioneel schieten bedoeld in artikel 8.176; of
militaire schietbaan of militair springterrein op een militair terrein.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in het eerste lid worden de volgende gegevens verstrekt:
Artikel 8.172 Beoordelingsregels omgevingsvergunningen milieu
Op het verlenen van een omgevingsvergunning voor de activiteiten, bedoeld in deze subparagraaf, zijn de beoordelingsregels in de artikelen 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.
Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op artikel 8.164 en artikel 8.165.
Artikel 8.173 Vergunningvoorschriften
Met een vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van dit hoofdstuk, met uitzondering van artikel 8.3, 8.4 en 8.12.
Artikel 8.175 Melding recreatieve visvijver
Het is verboden om een recreatieve visvijver te exploiteren zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
De melding bevat:
informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;
gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:
een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en
gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.
Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan
overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
Artikel 8.176 Melding traditioneel schieten
Dit artikel is van toepassing op het traditioneel schieten door schutterijen of schuttersgilden met buksen of geweren vanaf een vaste standplaats op een stilstaand doel in de buitenlucht.
Het is verboden om de activiteit bedoeld in het eerste lid te verrichten zonder dit ten minste acht weken voor het begin ervan te melden.
De melding bevat:
informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;
gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:
een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en
gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.
Ten minste acht weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan
overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
Bij het lozen wordt onder het beschermen van het milieu bedoeld in artikel 8.3 in het bijzonder ook verstaan het doelmatig beheer van afvalwater, waarbij rekening wordt gehouden met:
het beschermen van de doelmatige werking van voorzieningen voor het beheer van afvalwater;
het voorkomen en beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste;
het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen;
het beschermen van de doelmatige werking van het zuiveringtechnisch werk; of
het voorkomen en beperken van verontreiniging van het grondwater.
De zorgplicht bedoeld in artikel 8.4 ziet ook op de belangen bedoeld in artikel 8.179.
Dit artikel is van toepassing op huishoudelijk afvalwater als bedoeld in artikel 1.1 Wet milieubeheer.
Huishoudelijk afvalwater wordt geloosd op een vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk.
Huishoudelijk afvalwater wordt niet geloosd in een schoonwaterriool.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning huishoudelijk afvalwater te lozen op of in de bodem.
Een omgevingsvergunning voor het lozen op de bodem als bedoeld in het vierde lid wordt uitsluitend verleend als het redelijkerwijs niet mogelijk is om aan te sluiten op een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk en het huishoudelijk afvalwater wordt geloosd via een particuliere zuiveringsvoorziening die het water voldoende zuivert.
Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in het vierde lid worden voorschriften verbonden ter bescherming van de belangen genoemd in artikel 8.3 en artikel 8.179.
Bij de aanvraag voor een vergunning als bedoeld in het vierde lid wordt informatie verstrekt over:
Huishoudelijk afvalwater als bedoeld in artikel 1.1 Wet milieubeheer dat voedselresten bevat, die door versnijdende of ermalende apparatuur zijn versneden of vermalen, wordt niet geloosd.
In afwijking van artikel 8.181 kan huishoudelijk afvalwater worden geloosd op of in de bodem als de lozing rechtmatig plaatsvond op het moment dat dit artikel in werking trad, mits de lozing naar aard en omvang niet verschilt van de lozing zoals deze op dat moment plaatsvond.
Bij een lozing als bedoeld in het eerste lid wordt het afvalwater geleid door een septictank:
Artikel 8.184 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het lozen anders dan bij wonen.
In afwijking van het eerste lid is deze paragraaf van toepassing op het lozen bij het exploiteren van een (niet-)publiekgerichte beroeps- en bedrijfsactiviteit aan huis, tenzij het uitoefenen ervan uitsluitend uit administratieve werkzaamheden bestaat, en op andere activiteiten met een bedrijfsmatige omvang.
Deze paragraaf is niet van toepassing als het lozen onderdeel uitmaakt van een milieubelastende activiteit die in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving als vergunningplichtig is aangewezen.
Bij het lozen wordt onder het beschermen van het milieu bedoeld in artikel 8.3 in het bijzonder ook verstaan het doelmatig beheer van afvalwater, waarbij rekening wordt gehouden met:
het beschermen van de doelmatige werking van voorzieningen voor het beheer van afvalwater;
het voorkomen en beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste;
het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen;
het beschermen van de doelmatige werking van het zuiveringtechnisch werk; of
het voorkomen en beperken van verontreiniging van het grondwater.
Artikel 8.186 Specifieke zorgplicht
De zorgplicht bedoeld in artikel 8.4 ziet ook op de belangen bedoeld in het eerste lid.
Artikel 8.187 Nadere concretisering specifieke zorgplicht
Bij het lozen houdt de plicht, bedoeld in artikel 8.4, in ieder geval in dat:
alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen;
alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen;
de beste beschikbare technieken worden toegepast;
geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt;
alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet;
afvalwater dat wordt geloosd doelmatig kan worden bemonsterd;
metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund;
meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt, en gepresenteerd;
voor zover verontreiniging van de bodem ontstaat, herstel van de bodem redelijkerwijs mogelijk blijft; en
afvalstoffen worden afgevoerd na beëindiging van een activiteit.
Het eerste lid is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 8.188 Vergunningplicht lozen op of in de bodem
Het is verboden zonder omgevingsvergunning afvalwater op of in de bodem te lozen, tenzij het lozen op grond van deze paragraaf is toegestaan.
Het eerste lid is niet van toepassing op:
het lozen op of in de bodem bij een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, of
het lozen op of in de bodem waaraan in een omgevingsvergunning voor een wateronttrekkingsactiviteit op grond van artikel 16.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving of een omgevingsvergunning voor een wateronttrekkingsactiviteit op grond van de waterschapsverordening voorschriften zijn gesteld.
Op het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid, zijn de beoordelingsregels in de artikelen 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
Artikel 8.189 Vergunningplicht lozen in schoonwaterriool
Het is verboden zonder omgevingsvergunning afvalwater of andere afvalstoffen te lozen in een schoonwaterriool, tenzij het lozen op grond van deze paragraaf is toegestaan.
Het eerste lid is niet van toepassing op het lozen op of in de bodem een schoonwaterriool bij een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Op het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid, zijn de beoordelingsregels in de artikelen 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
Artikel 8.190 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het lozen van huishoudelijk afvalwater als bedoeld in artikel 1.1 Wet milieubeheer.
Huishoudelijk afvalwater wordt geloosd op een vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk.
In afwijking van artikel 8.189 wordt huishoudelijk afvalwater niet geloosd in een schoonwaterriool.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.188 voor het lozen van huishoudelijk afvalwater op de bodem wordt uitsluitend verleend als het redelijkerwijs niet mogelijk is om aan te sluiten op een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk en het huishoudelijk afvalwater wordt geloosd via een particuliere zuiveringsvoorziening die het water voldoende zuivert.
Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in het derde lid worden voorschriften verbonden te bescherming van de bodem en de belangen genoemd in artikel 8.3 en 8.185.
Bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in het derde lid wordt informatie verstrekt over:
In afwijking van het bepaalde in de voorgaande artikelleden kan huishoudelijk afvalwater vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet in de bodem worden geloosd.
Artikel 8.192 Lozen van huishoudelijk afvalwater bij volkstuinparken
In afwijking van artikel 8.191 kan huishoudelijk afvalwater worden geloosd op of in de bodem als de lozing plaats vindt in een volkstuinpark waar geen vuilwaterriool aanwezig is.
Bij een lozing als bedoeld in het eerste lid wordt het afvalwater geleid door een septictank:
Artikel 8.193 Verbod lozen bij voedselrestvermaling
Huishoudelijk afvalwater dat voedselresten bevat, die door versnijdende of vermalende apparatuur zijn versneden of vermalen, wordt niet geloosd.
Artikel 8.194 Lozen van huishoudelijk afvalwater, anders dan wonen: eerbiedigende werking
In afwijking van artikel 8.191 kan huishoudelijk afvalwater worden geloosd op of in de bodem als de lozing rechtmatig plaatsvond op het moment dat dit artikel in werking trad, mits de lozing naar aard en omvang niet verschilt van de lozing zoals deze op dat moment plaatsvond.
Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt huishoudelijk afvalwater dat wordt geloosd op of in de bodem, geleid via een zuiveringsvoorziening.
Voor dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 8.194.
Als het huishoudelijk afvalwater minder dan zes inwonerequivalenten bevat kan het, in afwijking van het derde lid, voor vermenging met ander afvalwater worden geleid door een septictank:
Artikel 8.196 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het lozen van grondwater afkomstig van ontwatering.
Deze paragraaf is niet van toepassing op drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 8.197 Gegevens en bescheiden
Ten minste vier weken voor het begin van de lozing, bedoeld in artikel 8.196 worden aan het bevoegd gezag gegevens en bescheiden verstrekt over:
Ten minste vier weken voordat de lozing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
Het eerste en tweede lid gelden niet als het lozen niet langer dan 48 uur duurt.
In afwijking van het eerste en tweede lid worden de gegevens en bescheiden ten minste vijf werkdagen voor het begin van het lozen verstrekt, als het lozen langer duurt dan 48 uur maar niet langer dan 12 weken.
Artikel 8.198 Lozen van grondwater bij ontwatering
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan grondwater bij ontwatering worden geloosd op of in de bodem of in een riool.
Het water bedoeld in het eerste lid wordt alleen in een vuilwaterriool geloosd als lozen in een schoonwaterriool, op of in de bodem of op een oppervlaktewaterlichaam redelijkerwijs niet mogelijk is.
Voor het lozen van dat grondwater in een schoonwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 50 mg/l en voor ijzer 5 mg/l, gemeten in een steekmonster.
Voor het lozen van dat grondwater in een vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l.
Het lozen op een riool vindt plaats via een doelmatige en op het te lozen debiet gedimensioneerde bezinkinstallatie.
Het lozen van dat grondwater in een vuilwaterriool duurt niet langer dan 12 weken en de geloosde hoeveelheid is ten hoogste 5 m3/u.
Artikel 8.200 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het lozen van grondwater afkomstig van:
Artikel 8.201 Gegevens en bescheiden
Ten minste vier weken voor het begin van de lozing, bedoeld in artikel 8.200, worden aan het bevoegd gezag gegevens en bescheiden verstrekt over:
Ten minste vier weken voordat de lozing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
Artikel 8.202 Lozen van grondwater bij saneringen
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan grondwater afkomstig van een bodemsanering of grondwatersanering of een onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering, worden geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool.
Voor het lozen van dat grondwater op of in de bodem zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in bijlage XIX bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, gemeten in een steekmonster.
Voor het lozen van dat grondwater in een schoonwaterriool zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 8.202, gemeten in een steekmonster.
Stof | in μg/l of mg/l |
Naftaleen | 0,2 μg/l |
PAK’s | 1 μg/l |
BTEX | 50 μg/l |
Vluchtige organohalogeen-verbindingen uitgedrukt als chloor | 20 μg/l |
Aromatische organohalogeen-verbindingen | 20 μg/l |
Minerale olie | 500 μg/l |
Cadmium | 4 μg/l |
Kwik | 1 μg/l |
Koper | 11 μg/l |
Nikkel | 41 μg/l |
Lood | 53 μg/l |
Zink | 120 μg/l |
Chroom | 24 μg/l |
Onopgeloste stoffen | 50 mg/l |
Het lozen op een riool vindt plaats via een doelmatige en op het te lozen debiet gedimensioneerde bezinkinstallatie.
Dat grondwater wordt niet geloosd in een vuilwaterriool.
Artikel 8.203 Meet- en rekenbepalingen
Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.
Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:
voor BTEX: NEN-EN-ISO 15680;
voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen: NEN-EN-ISO 17993;
voor tetrachlooretheen, trichlooretheen, 1,2-dichlooretheen, 1,1,1-trichloorethaan, vinylchloride, de som van de vijf hiervoor genoemde stoffen, monochloorbenzeen, dichloorbenzeen, trichloorbenzenen: NEN-EN-ISO 10301 of NEN-EN-ISO 15680, waarbij voor vinylchloride enkel NEN-EN-ISO 15680 gebruikt kan worden;
voor minerale olie: NEN-EN-ISO 9377-2;
voor cadmium, koper, nikkel, lood, zink en chroom: NEN 6966 of NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 11885, waarbij de elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2;
voor kwik: NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 12846 of NEN-EN-ISO 17852, waarbij kwik wordt ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2;
voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872;
voor chloride: NEN-EN-ISO 15682;
voor cyaniden totaal: NEN-EN-ISO 14403-1 en NEN-EN-ISO 14403-2;
voor ammonium, nitraat, totaal-fosfaat en sulfaat: NEN-EN-ISO 15923-1;
voor fluoride: NEN 6589 of NEN 6578;
voor endosulfan, α-HCH, y-HCH (lindaan), DDT (incl. DDD en DDE), aldrin, dieldrin, endrin, hexachloorbutadieen en hexachloorbenzeen: NEN-EN 16693;
voor dichloorpropeen: NEN-EN-ISO 15680;
voor mecoprop: NEN-EN-ISO 15913;
voor trichloorfenolen, tetrachloorfenol, dichloorfenolen en pentachloorfenol: NEN-EN 12673;
voor minerale olie: NEN-EN-ISO 9377-2;
voor anthraceen, fenanthreen, chryseen, fluorantheen, benzo(a)anthraceen, benzo(k)fluorantheen, benzo(a)pyreen, benzo(ghi)peryleen en indeno(l23cd)pyreen: NEN-EN-ISO 17993;
voor trihalomethanen (THM): ISO 11423-1;
voor adsorbeerbare organische halogeenverbindingen (AOX): NEN-EN-ISO 9562;
voor de zuurgraad (pH): NEN-EN-ISO 10523; en
voor ijzerverbindingen: NEN-EN-ISO 17294-2.
Artikel 8.204 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het lozen van afvloeiend hemelwater dat:
Artikel 8.205 Gegevens en bescheiden rijkswegen en provinciale wegen
Ten minste zes maanden voor de voorgenomen aanleg van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen en daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, worden aan het bevoegd gezag gegevens en bescheiden verstrekt over:
Ten minste zes maanden voor het veranderen van het lozen door een reconstructie of ingrijpende wijziging van die wegen of daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
Artikel 8.206 Lozen van afvloeiend hemelwater
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvloeiend hemelwater worden geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool.
Afvloeiend hemelwater wordt alleen in een vuilwaterriool geloosd als het lozen op of in de bodem, in een schoonwaterriool, of op een oppervlaktewaterlichaam redelijkerwijs niet mogelijk is.
Het tweede lid is niet van toepassing op het lozen van afvloeiend hemelwater dat al plaatsvond voordat het Activiteitenbesluit milieubeheer of het Besluit lozen buiten inrichtingen op de lozing van toepassing werd.
In afwijking van het eerste lid wordt afvloeiend hemelwater, afkomstig van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen, alleen in een schoonwaterriool geloosd als lozen op of in de bodem redelijkerwijs niet mogelijk is.
Bij het lozen vanuit een pompkelder van een tunnel of een verdiept weggedeelte is, als dat redelijkerwijs mogelijk is, een voorziening aanwezig om, in afwijking van het vierde lid, het meest vervuilde hemelwater in een vuilwaterriool te lozen.
Artikel 8.207 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater, afkomstig van reinigingswerkzaamheden, conserveringswerkzaamheden of andere onderhoudswerkzaamheden aan bouwwerken.
Artikel 8.208 Onderhoudswerkzaamheden aan bouwwerken
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt afvalwater afkomstig van reinigingswerkzaamheden, conserveringswerkzaamheden of andere onderhoudswerkzaamheden aan bouwwerken niet in een riool of op of in de bodem geloosd, tenzij het lozen betreft als bedoeld in het tweede lid.
Afvalwater, afkomstig van reinigingswerkzaamheden die periodiek worden uitgevoerd en waarbij alleen vuilafzetting wordt verwijderd, kan worden geloosd op of in de bodem of in een riool.
Artikel 8.209 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater, afkomstig van het opslaan en overslaan van goederen.
Voor de toepassing van deze subparagraaf worden in ieder geval de volgende goederen als inerte goederen beschouwd, voor zover deze niet verontreinigd zijn:
bouwstoffen als bedoeld in paragraaf 4.123 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
grond en baggerspecie als bedoeld in paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
A-hout en ongeshredderd B-hout;
snoeihout;
banden van voertuigen;
autowrakken bij een autodemontagebedrijf waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt en wrakken van tweewielige motorvoertuigen bij een demontagebedrijf voor tweewielige motorvoertuigen waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt;
straatmeubilair;
tuinmeubilair;
aluminium, ijzer en roestvrij staal;
kunststof anders dan lege, ongereinigde verpakkingen van voedingsmiddelen, smeerolie, verf, lak of drukinkt, gewasbeschermingsmiddelen, biociden of gevaarlijke stoffen;
kunststofgeïsoleerde kabels anders dan oliedrukkabels, gepantserde papier-loodkabels en papiergeïsoleerde grondkabels;
papier en karton;
textiel en tapijt; en
vlakglas.
Artikel 8.211 Gegevens en bescheiden
Ten minste vier weken voor het begin van de lozing, bedoeld in artikel 8.209, worden aan het bevoegd gezag gegevens en bescheiden verstrekt over:
Ten minste vier weken voor de lozing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
Artikel 8.212 Lozen bij opslaan van inerte goederen
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan te lozen afvalwater, dat in contact is geweest met opgeslagen inerte goederen, worden geloosd op of in de bodem of in een riool.
Dat afvalwater wordt alleen in een vuilwaterriool geloosd, als het lozen op of in de bodem, op een oppervlaktewaterlichaam of in een schoonwaterriool redelijkerwijs niet mogelijk is.
Voor het lozen van dat afvalwater in een riool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.
Als de opgeslagen inerte goederen worden bevochtigd, wordt afvalwater dat met opgeslagen goederen in contact is geweest, zoveel mogelijk voor dit bevochtigen gebruikt.
Artikel 8.214 Uitzondering voorgeschreven lozingsroute uitlogende goederen
Als in de waterschapsverordening een andere lozingsroute is toegestaan, wordt, in afwijking van artikel 4.1058, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, het te lozen afvalwater, bedoeld in dat artikel, geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.
Artikel 8.215 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater, afkomstig van het schoonmaken en in gebruik nemen van middelen voor het opslaan, transporteren en distribueren van drinkwater of warm tapwater als bedoeld in artikel 1 van de Drinkwaterwet of van huishoudwater als bedoeld in artikel 1 van het Drinkwaterbesluit.
Artikel 8.216 Schoonmaken drinkwaterleidingen
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater, dat vrijkomt bij het schoonmaken en in gebruik nemen van de middelen voor opslag, transport en distributie van drinkwater of warm tapwater, worden geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool.
Dat afvalwater wordt alleen in een vuilwaterriool geloosd als het lozen op of in de bodem, op een oppervlaktewaterlichaam of in een schoonwaterriool, redelijkerwijs niet mogelijk is.
Bij het lozen op of in de bodem ontstaat geen wateroverlast.
Aan het water dat wordt gebruikt voor het schoonmaken en dat wordt geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool, worden geen chemicaliën toegevoegd.
Artikel 8.217 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater dat vrijkomt bij een calamiteitenoefening.
Het eerste lid geldt niet voor het lozen van afvalwater afkomstig van een permanente voorziening voor het oefenen van brandbestrijdingstechnieken, bedoeld in artikel 3.259 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 8.218 Gegevens en bescheiden
Ten minste vier weken voor het begin van de lozing, bedoeld in artikel 8.217, worden aan het bevoegd gezag gegevens en bescheiden verstrekt over:
Ten minste vier weken voor de lozing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
Artikel 8.219 Lozen bij calamiteitenoefeningen
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater dat vrijkomt bij een calamiteitenoefening worden geloosd op of in de bodem of in een riool.
Artikel 8.220 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het lozen van koelwater dat niet afkomstig is van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal.
Artikel 8.221 Gegevens en bescheiden
Ten minste vier weken voor het begin van de lozing, bedoeld in artikel 8.220, worden aan het bevoegd gezag gegevens en bescheiden verstrekt over:
Ten minste vier weken voor de lozing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
Artikel 8.222 Lozen van koelwater
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan koelwater worden geloosd in een schoonwaterriool.
Koelwater wordt alleen in een vuilwaterriool geloosd als het lozen in een schoonwaterriool, of op een oppervlaktewaterlichaam redelijkerwijs niet mogelijk is.
Aan het te lozen koelwater worden geen chemicaliën toegevoegd.
Artikel 8.223 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig uit:
een openbaar ontwateringsstelsel of een openbaar hemelwaterstelsel; en
een systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, Omgevingswet.
Artikel 8.224 Lozen vanuit openbaar hemelwaterstelsel en openbaar ontwateringsstelsel
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan het afvalwater afkomstig uit een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar ontwateringsstelsel worden geloosd op of in de bodem, als dat stelsel voorkomt op het in het gemeentelijk rioleringsplan of een gemeentelijk rioleringsprogramma opgenomen overzicht van voorzieningen en maatregelen als bedoeld in artikel 2.16, eerste lid, onder a, onder 1° tot en met 3°, Omgevingswet, en dat stelsel volgens dat plan of programma is uitgevoerd en wordt beheerd.
Artikel 8.225 Lozen van huishoudelijk afvalwater vanuit andere systemen
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan huishoudelijk afvalwater als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer afkomstig uit een systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, Omgevingswet, worden geloosd op of in de bodem, als dat systeem voorkomt op het in het gemeentelijk rioleringsplan of een gemeentelijk rioleringsprogramma opgenomen overzicht van die systemen en volgens dat plan of programma is uitgevoerd en wordt beheerd.
Artikel 8.226 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van het reinigen van installaties en voorzieningen voor het maken van betonmortel en het inwendig reinigen van voertuigen waarin betonmortel is vervoerd bij het maken van betonmortel indien paragraaf 4.8 Betoncentrale van het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing is.
Artikel 8.227 Gegevens en bescheiden
Ten minste vier weken voor het begin van de lozing, bedoeld in artikel 8.226 worden aan het bevoegd gezag gegevens en bescheiden verstrekt over:
Ten minste vier weken voor de lozing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
Artikel 8.228 Lozen van afvalwater
In aanvulling op artikel 4.140, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, kan te lozen afvalwater afkomstig van het reinigen van installaties en voorzieningen voor het maken van betonmortel en het inwendig reinigen van voertuigen waarin betonmortel is vervoerd, ook worden geloosd in een riool.
Voor het lozen van dat afvalwater in een schoonwaterriool, zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 8.228, gemeten in een steekmonster.
Voor het lozen van dat afvalwater in een vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.
Artikel 8.230 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van het uitwassen van beton indien paragraaf 4.9 Vormgeven betonproducten van het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing is.
Artikel 8.231 Gegevens en bescheiden
Ten minste vier weken voor het begin van de lozing, bedoeld in artikel 8.230 worden aan het bevoegd gezag gegevens en bescheiden verstrekt over:
Ten minste vier weken voor de lozing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
Artikel 8.232 Lozen van afvalwater
In aanvulling op artikel 4.158, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, kan te lozen afvalwater afkomstig van het uitwassen van beton ook worden geloosd in een vuilwaterriool.
Voor het lozen van dat afvalwater is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.
Artikel 8.235 Gegevens en bescheiden
Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 8.234 worden aan het bevoegd gezag gegevens en bescheiden verstrekt over:
Ten minste vier weken voor de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
Artikel 8.236 Lozen van afvalwater
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal worden geloosd in een vuilwaterriool. Het afvalwater wordt niet geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool.
Er worden in goede staat verkerende afkwetsrollen gebruikt en er wordt een doelmatige zilverterugwininstallatie toegepast.
In afwijking van het tweede lid hoeft geen zilverterugwininstallatie te worden toegepast als per jaar minder dan 700 liter aan gebruiksklare fixeer wordt gebruikt en er gedragsvoorschriften zijn opgesteld en worden nageleefd gericht op het beperken van de emissie van zilver.
Voor het afvalwater is de emissiegrenswaarde voor zilver 4 milligram per liter, gemeten in een steekmonster.
Artikel 8.237 Meet- en rekenbepalingen
Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.
Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
Op het analyseren van zilver is NEN 6966, NEN-EN-ISO 17294-2, NEN-EN-ISO 11885 of NEN 6965 van toepassing, waarbij onopgeloste stoffen worden meegenomen in de analyse en elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2.
Artikel 8.238 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van het telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen indien paragraaf 4.70 Spoelen biologisch geteelde gewassen, 4.72 Sorteren van biologisch geteeld fruit, 4.77 Drainagewater of spoelwater van filters bij grondgebonden teelt in een kas of 4.79 Lozen afvalwater bij telen van gewassen in een gebouw van het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing is.
Artikel 8.240 Lozen bij spoelen van biologisch geteelde gewassen
In afwijking van artikel 4.761, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt te lozen afvalwater, afkomstig van het spoelen van biologisch geteelde gewassen, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden of geloosd in een vuilwaterriool.
Voor het lozen van dat afvalwater in een vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.
Als in de waterschapsverordening een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater, bedoeld in het eerste lid, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden, geloosd in een vuilwaterriool of geloosd via die andere route.
Artikel 8.241 Lozen bij sorteren van biologisch geteeld fruit
In afwijking van artikel 4.773, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt te lozen afvalwater, afkomstig van het sorteren van biologisch geteeld fruit, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden of geloosd in een vuilwaterriool.
Voor het lozen van dat afvalwater in een vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.
Als in de waterschapsverordening een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater, bedoeld in het eerste lid, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden, geloosd in een vuilwaterriool of geloosd via die andere lozingsroute.
Artikel 8.242 Recirculatie bij grondgebonden teelt in een kas
In afwijking van artikel 4.791l van het Besluit activiteiten leefomgeving, hoeft bij het lozen van drainagewater afkomstig van het telen van gewassen in een kas die op materiaal groeien dat in verbinding staat met de ondergrond geen recirculatiesysteem aanwezig en in gebruik te zijn, als hergebruik van drainagewater niet doelmatig is en het lozen is aangevangen voor inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Artikel 8.243 Uitzondering voorgeschreven lozingsroute afvalwater uit een gebouw
Als in de waterschapsverordening een andere lozingsroute is toegestaan, wordt, in afwijking van artikel 4.795, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, het te lozen afvalwater, bedoeld in dat artikel, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden, geloosd in een vuilwaterriool of geloosd via die andere route.
[Gereserveerd]
Artikel 8.245 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater bij het bereiden van voedingsmiddelen als bedoeld in subsubparagraaf 8.2.3.3.1.
Artikel 8.246 Gegevens en bescheiden
In aanvulling op artikel 8.91 worden de volgende gegevens verstrekt:
Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op het bereiden van voedingsmiddelen voor personen die wonen of werken op de locatie waarop de lozing wordt verricht.
Artikel 8.247 Lozen van afvalwater: lozingsroute en vetafscheider
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen op het vuilwaterriool worden geloosd.
Het afvalwater wordt niet geloosd in een schoonwaterriool of op of in de bodem.
Vethoudend afvalwater dat wordt geloosd, wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door:
In afwijking van NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2 kan met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan daar vermeld worden volstaan als dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider.
Artikel 8.248 Verbod lozen bij voedselrestvermaling
Afvalwater dat voedselresten bevat die door versnijdende of vermalende apparatuur zijn versneden of vermalen wordt niet geloosd.
Artikel 8.249 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater bij het slachten van dieren en bewerken van dierlijke bijproducten of uitsnijden van vlees, vis of organen als bedoeld in subsubparagraaf 8.2.3.3.3.
Artikel 8.250 Gegevens en bescheiden
In aanvulling op artikel 8.100 worden de volgende gegevens verstrekt:
Ten minste vier weken voordat de lozing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
Artikel 8.251 Lozen van afvalwater: lozingsroute en zuivering
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater vindt het slachten van dieren en het broeien, koken of pekelen van daarbij vrijkomende dierlijke bijproducten inpandig plaats.
Te lozen afvalwater kan worden geloosd in een vuilwaterriool, als dat afvalwater afkomstig is van:
het bewerken van dierlijke bijproducten; of
het reinigen en desinfecteren van ruimtes waar een activiteit als bedoeld in artikel 8.249 is uitgevoerd.
Het afvalwater wordt niet geloosd in een schoonwaterriool of op of in de bodem.
Vethoudend afvalwater dat wordt geloosd, wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door:
een vetafscheider en slibvangput volgens NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2;
een vetafscheider en slibvangput die zijn geplaatst voor 14 september 2004 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd; of
een flocculatieafscheider die is geplaatst voor 1 januari 2013 en is afgestemd op de hoeveelheid afvalwater die wordt geloosd.
In afwijking van NEN-EN 1825-1en NEN-EN 1825-2 kan met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan daar vermeld worden volstaan als dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider.
Het afvalwater wordt niet door een biologische zuivering geleid.
Artikel 8.252 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het uitwendig wassen van motorvoertuigen.
Deze subparagraaf is niet van toepassing als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.
Artikel 8.253 Gegevens en bescheiden
Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 8.252 worden aan het bevoegd gezag gegevens en bescheiden verstrekt over:
Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
Artikel 8.254 Opvangen van afvalwater
Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met oliën, vetten en koelvloeistof wordt gewassen boven een vloeistofdichte bodemvoorziening.
Motorvoertuigen kunnen ook worden gewassen op een mobiele wasinstallatie die zodanig is uitgevoerd dat vloeistoffen niet in de bodem kunnen geraken, als die mobiele wasinstallatie niet langer dan zes maanden aaneengesloten op eenzelfde locatie is geplaatst.
Het eerste lid is niet van toepassing, als per week ten hoogste één motorvoertuig waarmee geen gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast, uitwendig wordt gewassen.
Artikel 8.255 Lozen van afvalwater
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het uitwendig wassen van motorvoertuigen op het vuilwaterriool worden geloosd.
Het afvalwater wordt niet geloosd in een schoonwaterriool.
Het lozen op of in de bodem is uitsluitend toegestaan als per week ten hoogste één motorvoertuig waarmee geen gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast, uitwendig wordt gewassen.
Voor het afvalwater dat wordt geloosd op het vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor olie 20 mg/l, en de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen is 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.
In afwijking van het tweede lid mag het afvalwater voor vermenging met ander afvalwater worden geleid door een slibvangput en olieafscheider:
Artikel 8.256 Meet- en rekenbepalingen
Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.
Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is voor olie NEN-EN-ISO 9377-2 van toepassing.
Artikel 8.257 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van het zuiveren van water door omgekeerde osmose of ionenwisselaars.
In afwijking van het eerste lid is deze subparagraaf niet van toepassing op:
het lozen van dit afvalwater bij een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving voor zover hierover regels zijn gesteld in dat Besluit;
het lozen van dit afvalwater op of in de bodem voor zover in een omgevingsvergunning voor een wateronttrekkingsactiviteit op grond van artikel 16.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving of in een omgevingsvergunning voor een wateronttrekkingsactiviteit op grond van de waterschapsverordening hieraan voorschriften zijn gebonden.
In afwijking van het eerste lid is deze subparagraaf niet van toepassing op een lozing die voor de gelding van dit artikel rechtmatig plaatsvond.
Artikel 8.258 Vergunningplicht lozen brijn
Het is verboden zonder omgevingsvergunning afvalwater als bedoeld in artikel 8.257 te lozen op of in de bodem of in een riool.
Op het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid, zijn de beoordelingsregels in de artikelen 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
Er is een Locatie uitgebreid bodemonderzoek waarvoor bij een voorafgaand bodemonderzoek naast de onderzoeken als bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving in ieder geval de resultaten van een verkennend bodemonderzoek volgens NEN 5740 en de eventueel daaruit volgende onderzoeken (NTA 5755, NEN 5707 en/of NEN 5897) moeten worden verstrekt.
Er is een Locatie alternatief bodemonderzoek lood waarvoor bij een voorafgaand bodemonderzoek, naast de onderzoeken als bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, altijd de resultaten van een bodemonderzoek naar het voorkomen van lood in de laag van maaiveld tot 0,5 m-mv moeten worden verstrekt.
Er zijn Locaties afwijkende waarden, waar afwijkende waarden gelden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie of het aanwijzen van een bodemgevoelige locatie, als bedoeld in subparagraaf 4.2.4.10.
Er is een Locatie boven de interventiewaarde bodemkwaliteit, waar de regels uit subsubparagraaf 8.4.2.1.1 ook van toepassing zijn. Geregistreerde voormalige stortplaatsen worden als zodanig aangewezen
Er is een Locatie bodembeheergebied grond en baggerspecie en er zijn Zones op basis van de ontgravingskwaliteit en Zones op basis van de toepassingseisen voor het afwijken van de kwaliteitseisen voor het toepassen van grond of baggerspecie op of in de landbodem op grond van de artikelen 4.1273, artikel 4.1275; artikel 4.1279 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Locaties zijn ingedeeld in de volgende bodemfunctieklassen:
Artikel 8.265 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het graven in de bodem waarbij het bodemvolume waarin wordt gegraven kleiner dan of gelijk is aan 25 m3 en sprake is van:
locaties waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking is verleend als bedoeld in artikel 29 in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, waarin is vastgesteld dat bij het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is; of
locaties of gebieden waar de bodem diffuus is verontreinigd tot boven de interventiewaarde bodemkwaliteit zoals dat blijkt uit:
een bodemkwaliteitskaart als bedoeld in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder b Omgevingswet; of
een bodemkwaliteitskaart vastgesteld op grond van artikel 28, derde lid van het Besluit bodemkwaliteit; en
locaties die zijn aangewezen als Locatie boven de interventiewaarde bodemkwaliteit.
Het eerste lid is niet van toepassing op het graven in de waterbodem
Artikel 8.266 Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit
Ten minste een week voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 8.265 worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:
Onverwijld na het wijzigen van de begrenzing of de verwachte datum van het begin van de activiteit worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Het eerste lid is niet van toepassing:
Artikel 8.267 Informeren toezichthouder
Bij een spoedreparatie in grond die is verontreinigd boven de interventiewaarde bodemkwaliteit wordt de toezichthoudende instantie bodem zo spoedig mogelijk geïnformeerd over de locatie, tijdstip en aard van de spoedreparatie. De contactgegevens zijn post@ODRivierenland.nl
Artikel 8.268 Tijdelijke opslag van vrijkomende grond
Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen wordt grond die bij het graven is vrijgekomen niet langer dan acht weken na beëindiging van het graven in de directe nabijheid van de ontgravingslocatie opgeslagen.
Artikel 8.269 Gescheiden houden van grond
Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen worden bij het graven, terugplaatsen of afvoeren van grond, partijen grond van verschillende kwaliteitsklassen, waarin de partijen op grond van artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit zijn ingedeeld, gescheiden gehouden. Aanvullend daarop worden partijen grond gescheiden gehouden als:
Verschillende partijen worden opgeslagen met 1 meter ruimte aan de voet van verschillende partijen.
Om contact met een onbevoegde te voorkomen worden partijen grond, zover redelijkerwijs mogelijk, omgeven met een hekwerk.
Artikel 8.270 Milieukundige begeleiding bij nazorg
Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen, wordt de activiteit op locaties als bedoeld in artikel 8.265 eerste lid onder a milieukundig begeleid volgens BRL SIKB 6000 als op de locatie sprake is van een afdeklaag in de vorm van een leeflaag of een andere duurzame afdeklaag aanwezig is en/of de ontgraving dieper reikt dan deze laag.
Artikel 8.271 Gescheiden houden van grond
Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen worden bij het graven, terugplaatsen of afvoeren van grond, partijen grond van verschillende kwaliteitsklassen, waarin de partijen op grond van artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit zijn ingedeeld, gescheiden gehouden. Aanvullend daarop worden partijen grond gescheiden gehouden als:
Verschillende partijen worden opgeslagen met 1 meter ruimte aan de voet van verschillende partijen.
Om contact met een onbevoegde te voorkomen worden partijen grond zover redelijkerwijs mogelijk omgeven met een hekwerk.
Artikel 8.272 Informeren toezichthouder
Bij een spoedreparatie in grond die is verontreinigd boven de interventiewaarde bodemkwaliteit wordt de toezichthoudende instantie bodem zo spoedig mogelijk geïnformeerd over de locatie, tijdstip en aard van de spoedreparatie. De contactgegevens zijn post@ODRivierenland.nl.
Artikel 8.273 Tijdelijk uitnemen van grond
Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen, wordt in aanvulling op artikel 4.1230a van het Besluit activiteiten leefomgeving grond na het tijdelijk uitnemen ook niet teruggebracht in de bodem als de grond boven de interventiewaarde bodemkwaliteit is verontreinigd met asbest, respirabele asbestvezels en/of mobiele verontreinigingen boven de interventiewaarde bodemkwaliteit of sporen van exoten bevatten.
Artikel 8.274 Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit
Degene die een activiteit, bedoeld in artikel 4.1219 Besluit activiteiten leefomgeving, gaat uitvoeren, overlegt ten minste een week voor het begin van de activiteit aanvullend aan de gegevens en bescheiden genoemd in artikel 4.1220 van het Besluit activiteiten leefomgeving tevens de resultaten van het bodemonderzoek zoals bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving aan het bevoegd gezag.
De resultaten van het bodemonderzoek worden ook verstrekt in het bestandsformaat XML conform de vigerende versie van het protocol SIKB0101.
Artikel 8.275 Gescheiden houden verschillende grondsoorten
Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen worden bij het graven, terugplaatsen of afvoeren van grond, partijen grond van verschillende kwaliteitsklassen, waarin de partijen op grond van artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit zijn ingedeeld, gescheiden gehouden. Aanvullend daarop worden partijen grond gescheiden gehouden als:
Verschillende partijen worden opgeslagen met 1 meter open ruimte tussen de verschillende partijen.
In aanvulling op het gestelde in artikel 4.1236 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden de resultaten van een bodemonderzoek ook verstrekt in het bestandsformaat XML conform de vigerende versie van het protocol SIKB0101.
Na een sanering wordt een recente kaart (niet ouder dan 3 maanden) met de kadastrale gegevens en de exacte contour van de sanering en nazorgmaatregel verstrekt.
In afwijking van artikel 4.1240 van het Besluit activiteiten leefomgeving in samenhang met artikel 4.1241, vierde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving zijn waterdoorlatende verhardingen toegestaan als afdeklaag, mits de verontreiniging niet mobiel of vluchtig is.
In afwijking van artikel 4.1240 van het Besluit activiteiten leefomgeving in samenhang met artikel 4.1241, derde lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, heeft een laag grond of baggerspecie die wordt aangebracht als afdeklaag de minimale dikte die in tabel 8.279 is aangegeven.
In aanvulling op artikel 4.1241, derde lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving moet de kwaliteit van de leeflaag ook voldoen aan artikel 8.283.
In afwijking van artikel 4.1242 van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt verontreiniging van de bodem verwijderd door de grond te ontgraven tot dat de stof die boven de waarde, zoals bedoeld in artikel 4.73 was aangetroffen, niet meer voorkomt in een gehalte hoger dan het niveau van de waarde die gelijk is aan de waarde zoals opgenomen in Tabel 4.74a voor lood.
Het is verboden de activiteit, bedoeld in artikel 4.1257 van het Besluit activiteiten leefomgeving, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden als het gaat om het toepassen van AVI bodemassen, immobilisaten en/of metaalslakken en producten/mengsels waarin metaalslakken zijn verwerkt.
Een melding bevat:
de aanduiding van de functionele toepassing, bedoeld in artikel 4.1260 van het Besluit activiteiten leefomgeving, in het kader waarvan de AVI bodemassen, immobilisaten en/of metaalslakken en producten/mengsels waarin metaalslakken zijn verwerkt worden toegepast, en een onderbouwing van de functionaliteit van de toepassing;
de dimensionering van de functionele toepassing in het kader waarvan de AVI bodemassen, immobilisaten en/of metaalslakken en producten/mengsels waarin metaalslakken zijn verwerkt worden toegepast;
de verwachte datum van het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 4.1257 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
de verwachte datum waarop het werk zal zijn voltooid;
een milieuverklaring bodemkwaliteit die betrekking heeft op de toe te passen AVI bodemassen, immobilisaten en/of metaalslakken en producten/mengsels waarin metaalslakken zijn verwerkt, aangevuld met de zuurgraad, geleidbaarheid(ec) en kritische parameters van deze bouwstof;
als deze op grond van het Besluit bodemkwaliteit bij de afgifte van een milieuverklaring bodemkwaliteit moet worden verstrekt: een afleverbon;
de herkomst van de AVI bodemassen, immobilisaten en/of metaalslakken en producten/mengsels waarin metaalslakken zijn verwerkt;
de kwaliteit van de AVI bodemassen, immobilisaten en/of metaalslakken en producten/mengsels waarin metaalslakken zijn verwerkt;
de hoeveelheid AVI bodemassen, immobilisaten en/of metaalslakken producten/mengsels waarin metaalslakken zijn verwerkt in kubieke meters die in totaal in het werk zal worden toegepast; en
de coördinaten van de ontvangende landbodem, tenzij het adres daarvan is vermeld.
Deze paragraaf gaat over het toepassen van grond of baggerspecie zoals bedoeld in artikel 3.48o van het Besluit activiteiten leefomgeving.
De hoeveelheid hout en steenachtig bodemvreemd materiaal in de toe te passen grond mag niet meer bedragen dan het de hoeveelheid bodemvreemd materiaal in de ontvangende bodem met een maximum van 20 gewichtsprocent.
In afwijking van de kwaliteitseisen in artikel 4.1272 van het Besluit activiteiten leefomgeving gelden Kwaliteitseisen zoals vastgesteld in de vigerende versie van de Nota Bodembeheer Regio Rivierenland.
Artikel 8.285 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het verrichten van nazorg als sanering van de bodem heeft plaatsgevonden op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, dit omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift.
Artikel 8.286 Nazorg na afloop van saneren van de bodem
De eigenaar, erfpachter of gebruiker van een locatie treft de noodzakelijke maatregelen gericht op het voor onbepaalde tijd in stand houden en onderhouden of vervangen van een afdeklaag.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor tijdelijke beschermingsmaatregelen die de bron van verontreiniging niet wegnemen maar de blootstellingsroute blokkeren als bedoeld in artikel 19.9c, Omgevingswet.
Artikel 8.287 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op een activiteit op een locatie waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking is vastgesteld krachtens artikel 29 in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, waarin is vastgesteld dat bij het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is.
Artikel 8.288 Mitigerende maatregelen
Degene die een activiteit, bedoeld in artikel 8.287 verricht, neemt in het belang van bescherming van de bodem maatregelen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd om humane risico’s en verdere verontreiniging van de bodem te voorkomen of te beperken of, – als dat redelijkerwijs mogelijk is in samenhang met de activiteit die wordt verricht, de verontreiniging ongedaan te maken.
Artikel 8.289 Nulonderzoek bij specifieke activiteiten
In aanvulling op artikel 7.27 van de Omgevingsregeling worden de resultaten van het nulonderzoek bodem en het eindonderzoek bodem verstrekt in PDF- en XML-formaat. In artikel 8.291 zijn de hierbij geldende voorwaarden benoemd.
Artikel 8.290 Mobiele dieseltank en mobiele puinbreker
In aanvulling op paragraaf 5.2.1 Besluit activiteiten leefomgeving (eindonderzoek bodem) en artikel 5.6 Besluit activiteiten leefomgeving (herstel van bodemkwaliteit) wordt bij tijdelijke activiteit (mobiele dieseltank, mobiele puinbreker) na beëindiging van de activiteit de volgende voorwaarden gesteld:
als de periode niet langer heeft geduurd dan 6 maanden moet een visuele inspectie plaatsvinden. De resultaten van de visuele inspectie moeten worden verstrekt in een PDF-bestand. Een PDF-bestand bevat één tijdelijke milieubelastende activiteit op één locatie. Als een tijdelijke milieubelastende activiteit op meerdere locaties heeft plaatsgevonden moeten aparte bestanden worden aangeleverd. Het PDF-bestand bevat de volgende informatie:
type activiteit(en);
locaties waar de activiteit(en) hebben plaatsgevonden;
foto van de activiteit(en) in uitvoering: foto van de locatie zelf en foto van de activiteit met voldoende zicht op de omgeving;
foto van de activiteit(en) na beëindiging: foto van de locatie zelf en foto van de activiteit met voldoende zicht op de omgeving;
bevinding van de visuele inspectie.
als de periode langer heeft geduurd dan 6 maanden moet een eindonderzoek bodem worden verstrekt in PDF- en XML-formaat. Onderzoek moet plaatsvinden op de (deel)locatie(s) waar de tijdelijke milieubelastende activiteit heeft plaatsgevonden. Hierbij gelden de volgende voorwaarden:
een PDF-bestand bevat één tijdelijke activiteit op één locatiebodemonderzoek. Aparte bodemonderzoeken moeten in aparte bestanden worden aangeleverd;
een XML-bestand bevat gegevens van één bodemonderzoek;
een XML-bestand mag niet uit meerdere delen bestaan. Alle gegevens van één onderzoek moeten in één XML-bestand;
de gegevens van het PDF-bestand moeten identiek zijn aan de gegevens uit het XML-bestand;
het XML-bestand voldoet technisch aan het actuele SIKB0101 uitwisselingsformaat;
het XML-bestand bevat zowel de data van het veldwerk, als de basisdataset onderzoeksgegevens zoals is opgesteld door het SIKB. Deze bestaat minimaal uit de rapportgegevens, meetpuntgegevens,
monstergegevens, analysegegevens en contouren/X-Y coördinaten van boorpunten.
Artikel 8.291 Gegevens en bescheiden voor het begin van de milieubelastende activiteit
In aanvulling op artikel 7.27 van de Omgevingsregeling worden de resultaten van het bodemonderzoek ook verstrekt in het bestandsformaat XML conform de vigerende versie van het protocol SIKB0101.
Artikel 8.292 Gegevens en bescheiden na beëindiging van de milieubelastende activiteit
In aanvulling op paragraaf 5.2.1 Besluit activiteiten leefomgeving (eindonderzoek bodem) worden de resultaten van het eindonderzoek bodem ook verstrekt in het bestandsformaat XML conform de vigerende versie van het protocol SIKB0101.
Bij de aanvraag van een beschikking ten behoeve van het betalen van een kostenverhaalsbijdrage als bedoeld in art. 13.18, Omgevingswet worden de volgende gegevens verstrekt:
het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft;
een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto-vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft;
een situatietekening, plattegronden, gevels en doorsneden van de bestaande toestand en de nieuwe toestand; en
gegevens en bescheiden welke samenhangen met de toetsing aan de regels voor het kostenverhaalsgebied.
Dit hoofdstuk is van toepassing op het geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen als gevolg van:
de aanleg of wijziging van verharde gemeentewegen en waterschapswegen, niet zijnde een erf in de zin van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met een verwachte verkeersintensiteit van meer dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal als kalenderjaargemiddelde;
de aanleg of wijziging van lokale spoorwegen, voor zover die niet bij omgevingsverordening zijn aangewezen; en
de wijziging van gebruik van een lokale spoorweg.
Dit hoofdstuk is niet van toepassing op het geluid op een niet-geluidgevoelige gevel.
Op het bepalen van het geluid op een gevel zijn de meet- en rekenvoorschriften, gesteld bij en krachtens de Omgevingswet, van toepassing.
De waarden voor het geluid gelden:
als het gaat om een geluidgevoelig gebouw: op de gevel;
als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw: op de locatie waar een gevel mag komen;
in afwijking van onder a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen vandat woonschip of die woonwagen; en
als het gaat om een geluidgevoelige ruimte: in de geluidgevoelige ruimte.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning:
een verharde gemeenteweg of waterschapsweg aan te leggen;
een verharde gemeenteweg of waterschapsweg te wijzigen, voor zover die wijziging bestaat uit:
het verplaatsen van een of meer rijstroken met meer dan 2 m;
het verhogen of verlagen van de rijstroken met meer dan 1 m;
een toename van het aantal rijstroken, niet zijnde voorsorteerstroken en in- en uitvoegstroken;
het vervangen van een wegdek door een minder stil wegdek; of
het verwijderen van geluidbeperkende maatregelen bestaande uit werken of bouwwerken langs de weg.
een lokale spoorweg aan te leggen;
een lokale spoorweg te wijzigen, voor zover die wijziging bestaat uit:
het verplaatsen van een of meer sporen met meer dan 2 m;
het verhogen of verlagen van een of meer sporen met meer dan 1 m;
een toename van het aantal sporen;
het vervangen van een spoorconstructie door een minder stille spoorconstructie; of
het verwijderen van geluidbeperkende maatregelen bestaande uit werken of bouwwerken langs de spoorweg; of
het gebruik van een lokale spoorweg te wijzigen, voor zover die wijziging leidt tot een toename van de geluidemissie met meer dan 1,5 dB door:
De omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 13.4 wordt alleen verleend als:
de activiteit in overeenstemming is met artikel 2.3; en
het geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen, met het oog op de bescherming van de gezondheid, aanvaardbaar is.
De beoordeling of het geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is, heeft uitsluitend betrekking op een geluidgevoelig gebouw dat geheel of gedeeltelijk ligt, of vanwege de voorgenomen omgevingsplanactiviteit (spoor)weg komt te liggen, in het geluidaandachtsgebied van de weg of lokale spoorweg waarop de voorgenomen omgevingsplanactiviteit (spoor)weg betrekking heeft.
Bij de beoordeling of het geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is blijft buiten beschouwing:
Voor zover de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit (spoor)weg betrekking heeft op een wijziging van een gemeenteweg, waterschapsweg of een lokale spoorweg, is het geluid ook aanvaardbaar als het geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen na de wijziging niet hoger zal zijn dan het geluid op die geluidgevoelige gebouwen op het tijdstip van de wijziging.
Wanneer het geluid op een geluidgevoelig gebouw hoger is dan de standaardwaarde, bedoeld in artikel 13.6 of de heersende waarde, bedoeld in artikel 13.7, kan het geluid aanvaardbaar zijn als:
geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de hoogste van de in artikel 13.6 en artikel 13.7 bedoelde waarden te voldoen;
de overschrijding van de hoogste van de in artikel 13.6 en Artikel 13.7 bedoelde waarden door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt; en
het geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen niet hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in tabel 13.8.
Geluidbeperkende maatregelen als bedoeld in het eerste lid worden in aanmerking genomen als die financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan.
Artikel 5.78n, derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is van overeenkomstige toepassing
Dit artikel is alleen van toepassing ter plaatse van de Functieaanduiding mogelijke toepassing overschrijding grenswaarde vanwege zwaarwegende belangen.
Wanneer het geluid op een gevel van een geluidgevoelig gebouw hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in artikel 13.8, eerste lid, onder c, kan het geluid aanvaardbaar zijn wanneer zwaarwegende economische belangen of zwaarwegende andere maatschappelijke belangen dit rechtvaardigen
Bij de toepassing van de artikel 13.8 en artikel 13.9 wordt de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid op het geluidgevoelige gebouw beoordeeld
Bij het bepalen van het gecumuleerde geluid wordt in ieder geval betrokken:
voor een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied van een weg, spoorweg ofindustrieterrein: het geluid door die geluidbronsoort;
voor een geluidgevoelig gebouw waarop het geluid door een windturbine of een windpark op een industrieterrein hoger is dan 43 Lden: het geluid door die windturbine of dat windpark; en
voor een geluidgevoelig gebouw waarop het geluid door een civiele buitenschietbaan, een militaire buitenschietbaan of een militair springterrein op een industrieterrein hoger is dan 50 BS,dan: het geluid door die buitenschietbaan of dat springterrein
Op het bepalen van het gecumuleerde geluid zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.
Bij de toepassing van artikel 13.8 en artikel 13.9 wordt het gezamenlijk geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen bepaald en in de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 13.4, vastgelegd.
Aan een in artikel 13.4 bedoelde omgevingsvergunning worden de voorschriften verbonden die nodig zijn met het oog op het voorkomen van een onaanvaardbare mate van geluid op geluidgevoelige gebouwen.
Bij een aanvraag om een in artikel 13.4 bedoelde omgevingsvergunning worden in elk geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een akoestisch onderzoek naar:
het geluid dat geluidgevoelige gebouwen binnen het geluidaandachtsgebied onmiddellijk voorafgaand aan de wijziging of aanleg van de weg of spoorweg ondervinden;
het geluid dat geluidgevoelige gebouwen binnen het geluidaandachtsgebied in de toekomst door de weg of spoorweg zouden ondervinden zonder de invloed van maatregelen die de geluidsbelasting beperken;
het geluid door andere wegen of niet te wijzigen delen van de weg, als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de wijziging van een weg zal leiden tot een toename van meer dan 2 dB van het geluid op geluidgevoelige gebouwen door die wegen of delen;
de doeltreffendheid van de in aanmerking komende geluidbeperkende maatregelen om te voorkomen dat het in de toekomst door de weg optredende geluid op de gebouwen, bedoeld onder 1°, de standaardwaarde, bedoeld in artikel 13.6, te boven zou gaan of om te voorkomen dat het geluid op geluidgevoelige gebouwen toeneemt ten opzichte van het geluid onmiddellijk voorafgaand aan de
wijziging;
een beschrijving van de voorgenomen maatregelen, bedoeld onder a, onder 4°;
een beschrijving van te treffen geluidwerende maatregelen aan gevels van gebouwen waarvoor het toekomstige geluid hoger wordt dan de standaardwaarde, bedoeld in artikel 13.6, of toeneemt ten opzichte van de heersende waarde bedoeld in artikel 13.7, voor zover nodig om te voldoen aan de grenswaarde, bedoeld in tabel 3.53 van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en
bij een aanvraag waarop artikel 13.9 van toepassing is: een beschrijving van de zwaarwegende belangen waarop een beroep wordt gedaa
De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van subparagraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, Omgevingswet.
De regels in afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan:
een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet onherroepelijke omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit;
een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en na de inwerkingtreding van die wet onherroepelijk wordt.
[Vervallen]
[Vervallen]
[Vervallen]
[Vervallen]
[Vervallen]
[Vervallen]
[Vervallen]
[Vervallen]
[Vervallen]
[Vervallen]
[Vervallen]
[Vervallen]
[Vervallen]
[Vervallen]
[Vervallen]
[Vervallen]
[Vervallen]
[Vervallen]
Als er in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, Omgevingswet, regels worden gesteld over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, zijn die regels niet van toepassing als die activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van minder dan 100 m2.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor zover er met betrekking tot die regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, Omgevingswet, een andere oppervlakte dan 100 m2 geldt. In dat geval geldt die afwijkende andere oppervlakte.
Artikel 22.23 Algemene afbakeningseisen
Artikel 22.27 en artikel 22.36 zijn niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.
Bij de toepassing van artikel 22.27 en artikel 22.36 blijft het aantal woningen gelijk, tenzij het bij een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in artikel 22.27, onder a, of artikel 22.36, onder a, of een bestaand bouwwerk als bedoeld in artikel 22.36, onder c, gaat om huisvesting in verband met mantelzorg.
Voor de toepassing van subparagraaf 22.2.7.2 en subparagraaf 22.2.7.3 worden de waarden die daarin in m of m2 zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten:
afstanden loodrecht;
hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven; en
maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot ten hoogste 0,5 m buiten beschouwing blijven.
Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder b, wordt een bouwwerk, voor zover dit zich bevindt op een erf- of perceelgrens, gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is.
Voor de toepassing van 22.2.7.2 en 22.2.7.3 wordt huisvesting in verband met mantelzorg aangemerkt als functioneel verbonden met het hoofdgebouw.
Artikel 22.26 Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.
Artikel 22.27 Uitzonderingen op vergunningplicht artikel 22.26 – omgevingsplan onverminderd van toepassing
Het verbod, bedoeld in artikel 22.26, geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een van de volgende bouwwerken:
een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
op de grond staand;
gelegen in achtererfgebied;
op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied;
niet hoger dan 5 m;
de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag; en
niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte;
een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
een dakkapel in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
gelegen in een gebied dat of een bouwwerk dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, Omgevingswet, is aangewezen als gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn;
voorzien van een plat dak;
gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75 m;
onderzijde meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet;
bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok; en
zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak;
een sport- of speeltoestel anders dan voor alleen particulier gebruik, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of een vijver op het gebouwerf bij een woning of woongebouw, als deze niet van een overkapping is voorzien;
een erf- of perceelafscheiding, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
hoger dan 1 m maar niet hoger dan 2 m;
op een erf of perceel waarop al een hoofdgebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; en
achter de lijn die loopt langs de voorkant van dat hoofdgebouw en vanaf daar evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied zonder het hoofdgebouw te doorkruisen of in het gebouwerf achter het hoofdgebouw te komen;
een bouwwerk, geen gebouw zijnde, in achtererfgebied voor agrarische bedrijfsvoering, voor zover het gaat om:
een buisleiding anders dan een buisleiding waarop artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4, van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is; of
een te veranderen bouwwerk, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte;
geen uitbreiding van het bouwvolume; en
geen bouwwerk als bedoeld in artikel 2.29, onder b tot en met r, van het Besluit bouwwerken leefomgeving dat niet voldoet aan de voor dat bouwwerk in die onderdelen gestelde eisen.
Artikel 22.28 Inperkingen artikel 22.27 vanwege cultureel erfgoed
Op een activiteit die wordt verricht in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is artikel 22.27 niet van toepassing.
Op een activiteit die wordt verricht bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is alleen artikel 22.27, aanhef en onder d tot en met i, van toepassing.
Op een activiteit die wordt verricht op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functieaanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven, is artikel 22.27 alleen van toepassing voor zover het gaat om:
inpandige wijzigingen;
een wijziging van een achtergevel of achterdakvlak, als die gevel of dat dakvlak niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd;
een bouwwerk op een gebouwerf aan de achterkant van een hoofdgebouw, als dat gebouwerf niet ook deel uitmaakt van het gebouwerf aan de zijkant van dat gebouw en niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; of
een bouwwerk op een locatie die onderdeel is van openbaar toegankelijk gebied.
Artikel 22.27, aanhef en onder a en b, is ook niet van toepassing als in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, Omgevingswet, voor de locatie waarop de bouwactiviteit wordt verricht, regels zijn gesteld als bedoeld in artikel 22.22 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit, tenzij:
het bouwwerk waarop de activiteit betrekking heeft een oppervlakte heeft van minder dan 50 m2; of
het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, Omgevingswet, een verbod bevat om grondwerkzaamheden die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit zonder omgevingsvergunning te verrichten waarop regels als bedoeld in artikel 22.22 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, van toepassing zijn.
Artikel 22.29 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken algemeen
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als:
de activiteit niet in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, met uitzondering van paragraaf 22.2.4;
het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en
de activiteit betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie en:
de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden; of
bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit van de bodem: als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregelen wordt getroffen. Een sanerende of andere beschermende maatregel is in ieder geval een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing als:
het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn; of
het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder b, toch moet worden verleend.
Artikel 22.30 Nadere invulling beoordelingsregel omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie
De toelaatbare kwaliteit van de bodem, bedoeld in artikel 22.29, eerste lid, onder c, is de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage II A bij het Besluit activiteiten leefomgeving.
Er is sprake van overschrijding van de toelaatbare kwaliteit als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit.
Het zinsdeel “in meer dan 25 m3 bodemvolume” in het tweede lid is niet van toepassing voor zover het gaat om aanwezigheid van asbest.
Artikel 22.31 Voorschrift omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: na einde activiteit
Aan een omgevingsvergunning voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie die is verleend met toepassing van artikel 22.29, eerste lid aanhef en onder c, onder 2, wordt in ieder geval het voorschrift verbonden dat het gebouw, of een gedeelte daarvan, alleen in gebruik wordt genomen nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop er een of meer sanerende of andere beschermende maatregelen zijn getroffen als bedoeld in artikel 22.29.
Artikel 22.32 Specifieke beoordelingsregel aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht
In afwijking van artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a, kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regels toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, Omgevingswet.
Op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend, zijn van overeenkomstige toepassing:
artikel 8.0b, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
artikel 8.0c, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en
artikel 8.0d, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Artikel 22.33 Specifieke beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij voorbereidingsbesluit of aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht
In afwijking van artikel 22.29 wordt de omgevingsvergunning geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft van kracht is:
een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.103 of 4.104 Invoeringswet Omgevingswet, een als voorbereidingsbesluit geldend tracébesluit als bedoeld in artikel 4.49 van de Invoeringswet Omgevingswet of een als voorbereidingsbesluit geldend besluit krachtens de Wet luchtvaart als bedoeld in artikel 4.104a Invoeringswet Omgevingswet; of
een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 4.35 Invoeringswet Omgevingswet waarvoor het omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht nog niet in werking is getreden.
In afwijking van het eerste lid kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan respectievelijk het in voorbereiding zijnde omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht.
In aanvulling op het eerste lid wordt de omgevingsvergunning ook geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft voor de dag van de ontvangst van de aanvraag:
een ontwerp van een bestemmingsplan of van een inpassingsplan ter inzage is gelegd en de termijn voor de vaststelling van het bestemmingsplan of inpassingsplan ingevolge artikel 3.8, eerste lid, onder d, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden;
een bestemmingsplan of inpassingsplan is vastgesteld en de termijn voor de bekendmaking van het bestemmingsplan of inpassingsplan na de vaststelling ingevolge artikel 3.8, derde, vierde of zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden; of
een bestemmingsplan of inpassingsplan na vaststelling is bekendgemaakt, en het bestemmingsplan of inpassingsplan op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag nog niet in werking is getreden of in beroep is vernietigd.
Artikel 22.34 Voorschriften over archeologische monumentenzorg binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
Als dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, Omgevingswet, is bepaald, kunnen aan een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in het belang van de archeologische monumentenzorg voorschriften worden verbonden.
Artikel 22.303, eerste lid, is op het verbinden van die voorschriften van overeenkomstige toepassing.
Artikel 22.35 Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een opgave van de bouwkosten;
het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft;
een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft;
een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:
de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;
de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;
de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;
de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en
het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bouwwerk;
de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil en het aantal bouwlagen;
de inrichting en maatvoering van parkeervoorzieningen op het eigen terrein;
gegevens en bescheiden die samenhangen met een uit te brengen advies van de Agrarische Adviescommissie in geval van een aanvraag voor een bouwactiviteit op een locatie waaraan een agrarische functie is toegedeeld;
voor zover dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, Omgevingswet, is bepaald: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld;
de volgende gegevens en bescheiden voor de toetsing aan de regels over redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet:
tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past;
principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk;
kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en
een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking;
als de aanvraag betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie:
de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 22.30, redelijkerwijs is uit te sluiten; en
als de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 22.30, wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 22.30, redelijkerwijs is uit te sluiten; en
overige gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan dit omgevingsplan.
Artikel 22.36 Binnenplanse vergunningvrije activiteiten van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan
Onverminderd de overige bepalingen van deze afdeling en de bepalingen van afdeling 22.3 zijn in ieder geval in overeenstemming met dit omgevingsplan:
het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in artikel 22.27, onder a, als in aanvulling op de in dat onderdeel gestelde eisen ook wordt voldaan aan de volgende eisen:
voor zover op een afstand van niet meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw, niet hoger dan:
voor zover op een afstand van meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw:
als het bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding daarvan hoger is dan 3 m: voorzien van een schuin dak, de dakvoet niet hoger dan 3 m, de daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van niet meer dan 55°, en waarbij de hoogte van de daknok niet meer is dan 5 m en verder wordt begrensd door de volgende formule: maximale daknokhoogte [m] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3; en
functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw, tenzij het gaat om huisvesting in verband met mantelzorg;
de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied niet meer dan:
bij een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m2: 50% van dat bebouwingsgebied;
bij een bebouwingsgebied groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2: 50 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2; en
bij een bebouwingsgebied groter dan 300 m2: 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m2; en
uitbreiding van of gelegen aan of bij een hoofdgebouw, anders dan:
een woonwagen;
een hoofdgebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit of de omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit is bepaald dat de vergunninghouder na het verstrijken van een bij die vergunning gestelde termijn verplicht is de voor de verlening van de vergunning bestaande toestand te hebben hersteld; of
een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf door één huishouden;
het bouwen, in stand houden en gebruiken van een erf- of perceelafscheiding als bedoeld in artikel 22.27, onder f; en
het gebruiken van een bestaand bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg.
Artikel 22.37 Bijbehorend bouwwerk in bijzondere gevallen
Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 22.36, onder a, bestaat uit een deel dat op meer, en een deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen zonder een inwendige scheidingsconstructie tussen beide delen, is op het deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen artikel 22.36, onder a, onder 2, onder ii, van overeenkomstige toepassing.
Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 22.36, onder a, wordt gebruikt voor huisvesting in verband met mantelzorg, gelden in plaats van de in artikel 22.36, onder a, onder 3°, gestelde eisen de volgende eisen:
Artikel 22.38 Inperkingen artikel 22.36 vanwege cultureel erfgoed
Artikel 22.36 is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht:
in, aan, op of bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument; of
op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven.
Artikel 22.39 Inperkingen artikel 22.36 vanwege externe veiligheid
Artikel 22.36, aanhef en onder a en c, is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht:
op een locatie in een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, Omgevingswet, opgenomen veiligheidszone, getypeerd als A-zone of B-zone, rondom een munitieopslag of een locatie voor activiteiten met ontplofbare stoffen;
op een locatie waarop de activiteit op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, niet is toegestaan vanwege het overschrijden van het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar als gevolg van de aanwezigheid van een locatie voor een vergunningplichtige milieubelastende activiteit, transportroute of buisleiding of vanwege de ligging in een belemmeringenstrook voor het onderhoud van een buisleiding; of
op een locatie binnen een afstand als bedoeld in:
artikel 4.421, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.472c, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.484, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.524, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.532, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.542, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.866, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.899, eerste lid, onder b, of derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.905, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.914, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.962, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.1008, eerste lid, onder b, of tweede lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, het tweede lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.1101, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is; of
artikel 4.963, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van laatstbedoeld artikel van toepassing is.
Een bouwwerk waarop het overgangsrecht voor bestaande bouwwerken in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, Omgevingswet, van toepassing is, mag in stand worden gehouden.
Deze afdeling is van toepassing op een milieubelastende activiteit als bedoeld in de bijlage bij de Omgevingswet.
Deze afdeling is niet van toepassing op:
wonen;
het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein;
een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht;
doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen;
een evenement:
het verrichten van werkzaamheden met een mobiele installatie op een weiland, akker of bos die geen verplaatsbaar mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en
bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen.
Het tweede lid geldt niet voor milieubelastende activiteiten die bestaan uit het lozen op of in de bodem of op de riolering, voor zover het gaat om de gevolgen van het lozen voor de bodem, voor de voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater of voor het zuiveringtechnisch werk.
Het tweede lid geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in paragraaf 22.3.7
De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op:
Aan deze afdeling wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.
Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 22.42, is verplicht:
alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en
als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
Deze plicht houdt in ieder geval in dat:
alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen;
alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen;
de beste beschikbare technieken worden toegepast;
geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt;
alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet;
afvalwater dat wordt geloosd en gekanaliseerde emissies van stoffen in de lucht doelmatig kunnen worden bemonsterd;
metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund;
meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt, en gepresenteerd;
voor zover verontreiniging van de bodem ontstaat, herstel van de bodem redelijkerwijs mogelijk blijft; en
afvalstoffen worden afgevoerd na beëindiging van een activiteit.
De plicht, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval ook in dat:
Het eerste lid, voor zover het ziet op het tweede lid, en het tweede lid, zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
[Vervallen]
Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders, worden die ondertekend en voorzien van:
Voordat de naam of het adres, bedoeld in artikel 22.46, wijzigen, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
[Vervallen]
[Vervallen]
[Vervallen]
Deze paragraaf is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die is aangewezen in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen worden binnen een straal van 25 m rond de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, zo vaak als nodig etenswaren, verpakkingen, sport- of spelmaterialen, of andere materialen verwijderd die van de activiteit afkomstig zijn.
Artikel 22.54 Toepassingsbereik
Paragraaf 22.3.4 is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit
In afwijking van het eerste lid is deze paragraaf niet van toepassing op geluid door een activiteit:
op of in een geluidgevoelig gebouw, dat geheel of gedeeltelijk ligt op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;
op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar; en
op een niet-geluidgevoelige gevel.
Deze paragraaf is niet van toepassing op het geluid van:
Deze paragraaf is alleen van toepassing op het geluid door activiteiten bij detailhandel als:
Artikel 22.55 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking
In afwijking van artikel 22.54, tweede lid, onder b, is deze paragraaf ook van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar:
In afwijking van artikel 22.54 is deze paragraaf niet van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is als:
Paragraaf 22.3.4 is niet van toepassing op het geluid door bovengrondse hoogspanningsverbindingen met een spanning van ten minste 110 kV.
Artikel 22.56 Geluid: meerdere activiteiten beschouwen als één activiteit
Onverminderd artikel 22.41 worden voor de toepassing van paragraaf 22.3.4 als één activiteit beschouwd, meerdere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die:
Artikel 22.57 Geluid: waar waarden gelden
De waarden voor het geluid door een activiteit gelden:
als het gaat om een geluidgevoelig gebouw: op de gevel;
als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw: op de locatie waar een gevel mag komen;
in afwijking van onder a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van dat woonschip of die woonwagen; en
als het gaat om een geluidgevoelige ruimte: in een geluidgevoelige ruimte.
Artikel 22.58 Geluid: functionele binding
De waarden voor geluid zijn niet van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit.
Artikel 22.59 Geluid: voormalige functionele binding
Bij een agrarische activiteit zijn de waarden voor geluid niet van toepassing op of in een geluidgevoelig gebouw dat:
op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet of een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangevraagde omgevingsvergunning, behoort of heeft behoord tot die agrarische activiteit en door een derde bewoond mag worden; of
eerder functioneel verbonden was met die agrarische activiteit en waarvoor op grond van artikel 5.62 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is bepaald dat de waarden voor geluid niet van toepassing zijn.
Artikel 22.60 Geluid: onderzoek
In de volgende gevallen wordt er een geluidonderzoek verricht:
als tussen 19.00 en 7.00 uur per dag gemiddeld meer dan vier transportbewegingen plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn, tenzij het gaat om het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden of een activiteit waarvan horeca-activiteiten de kern vormen;
bij het opwekken van elektriciteit met een windturbine met een rotordiameter van meer dan 2 m, bedoeld in artikel 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
als in de buitenlucht metalen in bulk worden overgeslagen of in de buitenlucht metalen mechanisch worden bewerkt;
bij het reinigen van afvalwater door waterstraal- of oppervlaktebeluchters met een capaciteit van 120.000 of meer vervuilingseenheden;
bij het neutraliseren van airbags of gordelspanners door deze te ontsteken;
bij het vervaardigen van betonmortel of betonwaren;
bij een binnenschietbaan als de afstand van de binnenschietbaan tot het dichtstbijzijnde geluidgevoelige gebouw kleiner is dan 50 m;
bij een buitenschietbaan als bedoeld in artikel 22.79; en
als het op basis van de aard van de activiteit aannemelijk is dat:
Het gemiddelde aantal transportbewegingen is een gemiddelde gemeten over de periode van een jaar.
Voor een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen, geldt in afwijking van het eerste lid, onder a, het aantal transportbewegingen tussen 19.00 en 6.00 uur.
Uit het rapport van een geluidonderzoek, bedoeld in het eerste lid, blijkt op grond van verrichte geluidsmetingen of geluidsberekeningen of wordt voldaan aan:
de waarden, bedoeld in de subparagrafen 22.3.4.2, 22.3.4.3 en 22.3.4.4; of
de van toepassing zijnde geluidswaarden van de omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift. In het rapport wordt aangegeven welke voorzieningen worden getroffen om te voorkomen dat de waarden, bedoeld onder a en b, worden overschreden.
Artikel 22.61 Gegevens en bescheiden
Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit wordt het rapport van het geluidonderzoek, bedoeld in artikel 22.60, verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan op grond van de gegevens in het rapport van het geluidonderzoek, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
De leden 4, 5, 6 en 7 zijn van toepassing op een activiteit op een gezoneerd industrieterrein en op activiteiten die worden verricht op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld.
De leden 4, 5, 6 en 7 zijn niet van toepassing op een activiteit waar:
tussen 19.00 en 7.00 uur gemiddeld niet meer dan vier transportbewegingen per dag plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn;
het mede op basis van de aard van de activiteit, niet aannemelijk is dat in enige ruimte op de locatie waarop de activiteit wordt verricht het equivalente geluidsniveau (LAeq) veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan:
in de buitenlucht of op een open terrein geen muziek ten gehore wordt gebracht;
in de buitenlucht geen oefenterrein voor motorvoertuigen aanwezig is;
geen koelinstallatie aanwezig is die volgens de gebruiksaanwijzing behoort te zijn gevuld met meer dan 30 kg synthetisch koudemiddel;
geen gemotoriseerde modelvliegtuigen, modelvaartuigen of modelvoertuigen in de open lucht worden gebruikt;
geen parkeergelegenheid wordt geboden in een parkeergarage voor meer dan 30 personenauto’s;
geen noodstroomaggregaat aanwezig is dat meer dan 50 uren per jaar in werking is; en
geen transformatoren met een maximaal gelijktijdig in te schakelen elektrisch vermogen van 200 MVA of meer, die zijn ondergebracht in een gesloten gebouw, worden gebruikt;
De leden 4, 5, 6 en 7 zijn ook niet van toepassing op een activiteit waarvoor op grond van hoofdstuk 2, 3, 4 of 5 van het Besluit activiteiten leefomgeving, artikel 22.61 of een ander artikel in deze afdeling een verplichting geldt om gegevens en bescheiden te verstrekken of een omgevingsvergunning aan te vragen voor het beginnen of wijzigen van die activiteit.
Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;
gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:
een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en
gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.
Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Artikel 22.62 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw, met uitzondering van een activiteit als bedoeld in de subparagrafen 22.3.4.3 en 22.3.4.4.
Deze paragraaf is niet van toepassing op het geluid waarvoor bij maatwerkvoorschrift of maatwerkregel is bepaald dat het niet representatief is voor een activiteit.
Deze paragraaf is niet van toepassing op een windpark met 3 of meer windturbines.
Artikel 22.63 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door een activiteit op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.1.
Tabel 22.3.1 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van het eerste lid, het geluid van een activiteit die wordt verricht op een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein, op een geluidgevoelig gebouw op dat terrein, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.2.
Tabel 22.3.2 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw gelegen op een Activiteitenbesluitbedrijventerrein
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door een activiteit, in een geluidgevoelige ruimte binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.3.
Tabel 22.3.3 Waarde voor geluid in een geluidgevoelige ruimte binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw
De in het eerste tot en met derde lid opgenomen maximale geluidniveaus LAmax zijn niet van toepassing op het laden en lossen in de periode tussen 07.00 en 19.00 uur.
Artikel 22.64 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen: tankstation
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van artikel 22.63, eerste, derde en vierde lid, het geluid door het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden, op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.4.
Tabel 22.3.4 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw door het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden
De in het eerste lid opgenomen maximale geluidniveaus LAmax zijn niet van toepassing op laden en lossen in de periode tussen 07.00 en 21.00 uur.
Artikel 22.65 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen: agrarische activiteit, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van artikel 22.63, eerste lid, het geluid door een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen, maar dat geen glastuinbouwbedrijf is dat is gelegen in een glastuinbouwgebied, op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.5.
Tabel 22.3.5 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw door een agrarische activiteit, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van artikel 22.63, derde lid, het geluid door een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen, maar dat geen glastuinbouwbedrijf is dat is gelegen in een glastuinbouwgebied, in geluidgevoelige ruimten binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.6.
Tabel 22.3.6 Waarde voor geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- of aanpandige geluidgevoelige gebouwen, door een agrarische activiteit, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied.
Bij het bepalen van het maximaal geluidniveau (LAmax), bedoeld in het eerste en tweede lid, blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van:
laden en lossen en het in- en uitrijden van landbouwtractoren of motorvoertuigen met beperkte snelheid, in de periode tussen 06.00 uur en 19.00 uur;
laden en lossen in de periode tussen 19.00 uur en 06.00 uur, voor zover dat ten hoogste één keer in die periode plaatsvindt; en
het wassen van kasdekken in de periode tussen 19.00 uur en 6.00 uur.
Artikel 22.66 Geluid: waarde voor geluidgevoelige gebouwen: glastuinbouwbedrijf binnen een glastuinbouwgebied
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van artikel 22.63, eerste lid, het geluid door een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied, op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.7.
Tabel 22.3.7 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw door een glastuinbouwbedrijf binnen een glastuinbouwgebied
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is in afwijking van artikel 22.63 derde lid, het geluid door een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied, in geluidgevoelige ruimten binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.8.
Tabel 22.3.8 Waarde voor geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen, door een glastuinbouwbedrijf binnen een glastuinbouwgebied
Bij het bepalen van het maximaal geluidniveau (LAmax), bedoeld in het eerste en tweede lid, blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van:
Artikel 22.67 Geluid: waarden bij of krachtens een voor inwerkingtreding van de Omgevingswet vastgestelde gemeentelijke verordening
Als een activiteit wordt verricht in een concentratiegebied voor horecabedrijven of in een concentratiegebied voor detailhandel en ambachtsbedrijven dat bij of krachtens een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet vastgestelde gemeentelijke verordening als zodanig is aangewezen en waarin andere waarden zijn opgenomen dan de waarden, bedoeld in artikel 22.63, gelden de waarden die zijn opgenomen in die verordening.
Als een agrarische activiteit wordt verricht in een gebied waarvoor bij of krachtens een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet vastgestelde gemeentelijke verordening andere waarden gelden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) op geluidgevoelige gebouwen, bedoeld in het artikel 22.65, eerste lid, en artikel 22.66, eerste lid, gelden de waarden die zijn opgenomen in die verordening.
Artikel 22.68 Geluid: waarden op drijvende woonfunctie voor 1 juli 2012
Voor een drijvende woonfunctie is de waarde 5 dB(A) hoger dan de waarden, bedoeld in artikel 22.63, eerste lid, 22.64, eerste lid, artikel 22.65, eerste lid en artikel 22.66, eerste lid, als de locatie van de drijvende woonfunctie voor 1 juli 2012:
Artikel 22.69 Geluid: eerbiedigende werking
Voor een activiteit waarop artikel 2.17a, derde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, van toepassing was, blijven het eerste en tweede lid van dat artikel gelden.
Voor een activiteit waarop artikel 2.17a, zesde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, van toepassing was, blijft dat lid gelden.
Artikel 22.70 Geluid: buiten beschouwing laten van geluidbronnen
Bij het bepalen van de geluidniveaus, bedoeld in artikel 22.63 tot en met artikel 22.69 en artikel 22.71, blijft buiten beschouwing:
het geluid door de inzet van motorvoertuigen of helikopters voor spoedeisende medische hulpverlening, ongevallenbestrijding, brandbestrijding, gladheidbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval;
het stemgeluid van personen op een onverwarmd en onoverdekt terrein, tenzij dit terrein kan worden aangemerkt als een binnenterrein;
het stemgeluid van bezoekers op het open terrein bij sport- of recreatieactiviteiten;
het stemgeluid van kinderen op een onverwarmd of onoverdekt terrein dat onderdeel is van een instelling voor het primair onderwijs, in de periode vanaf een uur voor aanvang van het onderwijs tot een uur na beëindiging van het onderwijs;
het stemgeluid van kinderen op een onverwarmd of onoverdekt terrein dat onderdeel is van een instelling voor kinderopvang;
het geluid voor het oproepen tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging of het bijwonen van godsdienstige of levensbeschouwelijke bijeenkomsten en lijkplechtigheden, en ook het geluid in verband met het houden van deze bijeenkomsten of plechtigheden;
het geluid van het traditioneel ten gehore brengen van muziek tijdens het hijsen en strijken van de nationale vlag bij zonsopkomst en zonsondergang op militaire terreinen;
het ten gehore brengen van muziek wegens het oefenen door militaire muziekkorpsen in de buitenlucht gedurende de dagperiode met een maximum van twee uur per week op militaire terreinen;
het ten gehore brengen van onversterkte muziek, behalve voor zover daarvoor bij gemeentelijke verordening regels zijn gesteld; en
het traditioneel schieten, bedoeld in paragraaf 22.3.21, behalve voor zover daarvoor bij gemeentelijke verordening regels zijn gesteld.
Bij het bepalen van het maximale geluidniveau (LAmax), bedoeld in artikel 22.63 tot en met, artikel 22.67 en artikel 22.69, blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van:
De maximale geluidniveaus (LAmax), bedoeld in artikel 22.63 tot en met artikel 22.69, zijn tussen 23.00 en 7.00 uur niet van toepassing op aandrijfgeluid van motorvoertuigen bij het laden en lossen als:
Artikel 22.71 Geluid: waar waarden gelden voor een activiteit op een gezoneerd industrieterrein
Als de activiteit wordt verricht op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld, gelden de waarden van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT), bedoeld in artikel 22.63, eerste lid, en artikel 22.64, eerste lid, eerste lid ook op een afstand van 50 m vanaf de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht.
Artikel 22.72 Geluid: maatregelen of voorzieningen bij stomen van grond
Bij het bepalen van de geluidniveaus, bedoeld in artikel 22.63 tot en met artikel 22.69, blijft het geluid veroorzaakt door het stomen van grond met een installatie van derden, buiten beschouwing.
Bij het stomen van grond met een installatie van derden worden maatregelen of voorzieningen getroffen die betrekking hebben op:
Artikel 22.73 Geluid: festiviteiten
De waarden, bedoeld in artikel 22.63 tot en met artikel 22.71, zijn voor zover de naleving van deze normen redelijkerwijs niet kan worden gevergd, niet van toepassing op dagen of dagdelen in verband met de viering van:
festiviteiten die bij of krachtens gemeentelijke verordening zijn aangewezen, in de gebieden in de gemeente waarvoor die verordening geldt; en
andere festiviteiten die plaatsvinden op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het aantal bij of krachtens die verordening aan te wijzen dagen of dagdelen per gebied of categorie van bedrijfssector kan verschillen en niet meer bedraagt dan twaalf per kalenderjaar.
Een festiviteit die ten hoogste een etmaal duurt, maar die zowel voor als na 00.00 uur plaatsvindt, wordt beschouwd als plaatshebbende op één dag.
Artikel 22.74 Geluid: meet- en rekenbepalingen
Op het bepalen van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) of het maximaal geluidniveau (LAmax), bedoeld in deze paragraaf, zijn de artikelen 6.6 en 6.7 van de Omgevingsregeling van toepassing.
Artikel 22.75 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het geluid door het opwekken van elektriciteit met een windturbine met een rotordiameter van meer dan 2 m, bedoeld in artikel 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving, op een geluidgevoelig gebouw.
Deze paragraaf is ook niet van toepassing voor zover het gaat om een windpark met 3 of meer windturbines.
Artikel 22.76 Geluid: waarden windturbines
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door het opwekken van elektriciteit met een windturbine of windpark op een geluidgevoelig gebouw, ten hoogste 47 dB Lden en 41 dB Lnight.
Artikel 22.77 Registratie gegevens windturbines
De volgende gegevens worden geregistreerd:
de emissieterm LE, bedoeld in onderdeel 3.1 van bijlage XXV bij de Omgevingsregeling, gebaseerd op de effectieve werking gedurende het afgelopen kalenderjaar; en
de voor de duur van een handhavingsmeting benodigde gegevens ter bepaling van de windsnelheid op ashoogte, bedoeld in paragraaf 1.6 van bijlage XXV bij de Omgevingsregeling.
De gegevens worden gedurende vijf jaar bewaard.
Artikel 22.78 Geluid: meet- en rekenbepalingen
Op het bepalen van het geluid Lden of Lnight, bedoeld in artikel 22.76, is artikel 6.8 van de Omgevingsregeling van toepassing.
Artikel 22.79 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het geluid op een geluidgevoelig gebouw door het exploiteren van een in de buitenlucht of in een gebouw zonder gesloten afdekking of een gebouw met een open zijde gelegen:
Deze paragraaf is niet van toepassing op het traditioneel schieten door schutterijen of schuttersgilden.
Artikel 22.80 Geluid: waarden buitenschietbanen
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door een activiteit als bedoeld in artikel 22.79 op een geluidgevoelig gebouw ten hoogste 50 dB Bs,dan.
Artikel 22.82 Geluid: meet- en rekenbepalingen
Op het bepalen van het geluid Bs,dan, bedoeld in artikel 22.80, is artikel 6.9 van de Omgevingsregeling van toepassing.
Deze paragraaf is van toepassing op de trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit.
Deze paragraaf is niet van toepassing op trillingen door een activiteit:
in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat geheel of gedeeltelijk ligt op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld; en
in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar.
In afwijking van artikel 22.83, tweede lid, onder b, is deze paragraaf ook van toepassing op trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar:
Onverminderd artikel 22.41 worden voor de toepassing van deze paragraaf als één activiteit beschouwd, meerdere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die:
De waarden voor trillingen zijn niet van toepassing op trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van een trillinggevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit.
Bij een agrarische activiteit zijn de waarden voor trillingen niet van toepassing in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat:
op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, of op grond van een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangevraagde omgevingsvergunning, behoort of heeft behoord tot die agrarische activiteit en door een derde bewoond mag worden; of
eerder functioneel verbonden was met die agrarische activiteit en waarvoor op grond van artikel 5.85 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is bepaald dat de waarden voor trillingen niet van toepassing zijn.
Met het oog op het voorkomen of het beperken van trillinghinder zijn de continue trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten, niet hoger dan de waarde A1 trillingssterkte Vmax, bedoeld in tabel 22.3.9.
Als niet voldaan wordt aan de waarde, bedoeld in het eerste lid, is de waarde van continue trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten, niet hoger dan de waarden onder A2 trillingssterkte Vmax en A3 trillingssterkte Vper, bedoeld in tabel 22.3.9.
Tabel 22.3.9 Waarde voor continue trillingen in trillinggevoelige ruimten
Op het bepalen van de continue trillingen, bedoeld in deze paragraaf, is artikel 6.11 van de Omgevingsregeling van toepassing.
Artikel 22.90 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig object.
In afwijking van het eerste lid zijn de waarden, bedoeld in subparagrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in subparagrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.4 en artikel 22.245, niet van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig object dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar.
Artikel 22.91 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking
In afwijking van 22.90, tweede lid, zijn de waarden, bedoeld in subparagrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in subparagrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.4 en artikel 22.245, ook van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig object dat voor een duur van niet meer dan tien jaar is toegelaten:
In afwijking van artikel 22.90, eerste lid, zijn de waarden, bedoeld in subparagrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in subparagrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.4 en artikel 22.245, niet van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is maar mag worden gebouwd op grond van:
Artikel 22.92 Geur: waar waarden en tot waar afstanden gelden
De waarden, bedoeld in subparafen 22.3.6.2 en 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in subparagrafen 22.3.6.2, 22.3.6.3 en 22.3.6.4 en artikel 22.245, voor de geur door een activiteit op een geurgevoelig object gelden:
als het gaat om een geurgevoelig object op of tot de gevel;
als het gaat om een nieuw te bouwen geurgevoelig gebouw: op of tot de locatie waar een gevel mag komen; en
in afwijking van de onderdelen a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen: op of tot de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van het woonschip of de woonwagen.
Artikel 22.93 Geur: functionele binding
De waarden, bedoeld in de subparagrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in subparagrafen 22.3.6.2, 22.3.6.3 en 22.3.6.4 en artikel 22.245, zijn niet van toepassing als het geurgevoelig object een functionele binding heeft met de activiteit.
Artikel 22.94 Geur: voormalige functionele binding
Bij een activiteit zijn de waarden, bedoeld in subparagraaf 22.3.6.2, en de afstanden, bedoeld in subparagrafen 22.3.6.2, 22.3.6.3 en 22.3.6.4 en artikel 22.245, niet van toepassing op een geurgevoelig object dat:
op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, behoort of heeft behoord tot die activiteit en door een derde bewoond mag worden; of
eerder functioneel verbonden was met die activiteit en waarvoor op grond van artikel 5.96 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is bepaald dat de waarden en afstanden voor geur niet van toepassing zijn.
Bij de waarden, bedoeld in subparagrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in subparagrafen 22.3.6.2, 22.3.6.3 en 22.3.6.4 en artikel 22.245, is geen rekening gehouden met de cumulatie van geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen.
Artikel 22.96 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het beginnen met of het wijzigen of uitbreiden van het in een dierenverblijf houden van:
Deze paragraaf is niet van toepassing op het houden van minder dan 10 schapen, 5 paarden en pony's, 10 geiten, 25 stuks pluimvee, 25 konijnen en 10 overige landbouwhuisdieren.
Artikel 22.97 Geur vanaf waar afstanden gelden
Een afstand als bedoeld in deze paragraaf geldt vanaf het emissiepunt van een dierenverblijf, bedoeld in artikel 4.806, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 22.98 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: waarden
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor de geur op een geurgevoelig object door de activiteit niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.10.
Tabel 22.3.10 Waarde voor geur ouE/m3als 98-percentiel op een geurgevoelig object bij geur door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor
Waarde
| |
Gelegen binnen de bebouwde kom en buiten een concentratiegebied geurhinder en veehouderij | 2,0 ouE/m3 |
Gelegen binnen de bebouwde kom en binnen een concentratiegebied geurhinder en veehouderij | 3,0 ouE/m3 |
Gelegen buiten de bebouwde kom en buiten een concentratiegebied geurhinder en veehouderij | 8,0 ouE/m3 |
Gelegen buiten de bebouwde kom en binnen een concentratiegebied geurhinder en veehouderij | 14,0 ouE/m3 |
Op het berekenen van de geur, bedoeld in het eerste lid, is artikel 6.14 van de Omgevingsregeling van toepassing.
Artikel 22.99 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: eerbiedigende werking bij waarden
Als onmiddellijk voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet de geur op een locatie rechtmatig meer bedraagt dan de waarde, bedoeld in artikel 22.98, eerste lid, mag, in afwijking van artikel 22.98, bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor:
het aantal landbouwhuisdieren met geuremissiefactor per diercategorie niet toenemen, en
de geur door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op die locatie niet toenemen.
Voor gevallen als bedoeld in het eerste lid mag het aantal landbouwhuisdieren van een of meer diercategorieën met geuremissiefactor alleen toenemen als:
een geurbelastingreducerende maatregel wordt getroffen; en
de totale geur na het uitbreiden niet meer bedraagt dan het gemiddelde van de waarde, bedoeld in artikel 22.96, en de waarde van de geur die de activiteit onmiddellijk voorafgaand aan het treffen van de maatregel rechtmatig mocht veroorzaken.
Artikel 22.100 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: afstand tot bijzondere geurgevoelige objecten
Artikel 22.98, eerste lid, is niet van toepassing bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor, als de afstand op een locatie gelijk of groter is dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.11, tot de volgende geurgevoelige objecten:
een geurgevoelig object dat een functionele binding heeft met een dierenverblijf in de directe omgeving daarvan;
een geurgevoelig object dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden een functionele binding te hebben met een dierenverblijf in de directe omgeving daarvan;
een geurgevoelig object met een woonfunctie dat op of na 19 maart 2000 is gebouwd:
op een locatie die op dat tijdstip werd gebruikt voor het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf;
in samenhang met het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen van het dierenverblijf; en
in samenhang met de sloop van een dierenverblijf of bedrijfsgebouw dat onderdeel heeft uitgemaakt van een gebouw voor het houden van landbouwhuisdieren of voor functioneel ondersteunende activiteiten; en
een geurgevoelig object dat aanwezig is op een locatie waar een geurgevoelig object met een woonfunctie als bedoeld onder c is gebouwd.
Tabel 22.3.11 Afstand tot een geurgevoelig object met functionele binding of geen functionele binding meer op of na 19 maart 2000 en ruimte-voor-ruimtewoning bij geur door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor
geurgevoelig object
met functionele binding of functionele binding tot 19 maart 2000
|
Afstand
|
Gelegen binnen de bebouwde kom | 100 m |
Gelegen buiten de bebouwde kom | 50 m |
Artikel 22.101 Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s voor het berijden: afstand
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is bij het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony's die gehouden worden voor het berijden, de afstand tot een geurgevoelig object, niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.12.
Tabel 22.3.12 Afstand tot een geurgevoelig object bij geur door het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony's die gehouden worden voor het berijden
Artikel 22.102 Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s voor het berijden: eerbiedigende werking voor afstand
Artikel 22.101 is niet van toepassing als op een locatie waarop onmiddellijk voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet rechtmatig niet wordt voldaan aan de afstand, bedoeld in dat artikel.
In een geval als bedoeld in het eerste lid mag het aantal landbouwhuisdieren per diercategorie zonder geuremissiefactor of het aantal paarden en pony's die gehouden worden voor het berijden, niet toenemen en de afstand tot een geurgevoelig object niet afnemen.
Artikel 22.103 Geur landbouwhuisdieren en paarden of pony’s voor het berijden: afstand vanaf de gevel dierenverblijf
Onverminderd artikel 22.98 tot en met artikel 22.102 is bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor of zonder geuremissiefactor of paarden en pony's die gehouden worden voor het berijden, de afstand niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.13.
Tabel 22.3.13 Afstand gevel dierenverblijf tot een
geurgevoelig object
bij geur door het houden van landbouwhuisdieren of paarden en pony's die gehouden worden voor het berijden
In afwijking van artikel 22.97 geldt de afstand, bedoeld in het eerste lid, vanaf de gevel van een dierenverblijf.
Artikel 22.104 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: eerbiedigende werking voor afstand vanaf gevel dierenverblijf
Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet voor het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op een locatie rechtmatig niet wordt voldaan aan de afstand, bedoeld in artikel 22.103, mag, in afwijking van dat artikel, bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor:
die afstand niet afnemen;
de geur door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op een geurgevoelig object niet toenemen; en
het aantal landbouwhuisdieren per diercategorie met geuremissiefactor niet toenemen.
Artikel 22.105 Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor en paarden en pony’s voor het berijden: eerbiedigende werking voor afstand vanaf gevel dierenverblijf
Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet voor het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden of pony's die gehouden worden voor het berijden, op een locatie rechtmatig niet wordt voldaan aan de afstand, bedoeld in artikel 22.103, eerste lid, mag, in afwijking van dat artikel, bij het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony's die gehouden worden voor het berijden:
die afstand niet afnemen; en
het aantal landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of het aantal paarden en pony's die gehouden worden voor het berijden, niet toenemen.
Artikel 22.114 Geur opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie: afstand
Dit artikel is van toepassing op het opslaan van:
Dit artikel is niet van toepassing op:
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de afstand voor geur door het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie vanaf het dichtstbijzijnde punt van de opslagplaats tot een geurgevoelig object niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.17
Tabel 22.3.17 Afstand tot een geurgevoelig object bij geur door het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie
Opslaan van vaste mest, champost en dikke fractie
|
Afstand
|
geurgevoelig object gelegen binnen de bebouwde kom | 100 m |
geurgevoelig object gelegen buiten de bebouwde kom | 50 m |
Artikel 22.115 Geur opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong: afstand
Dit artikel is van toepassing op het opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong met een totaal volume van meer dan 3 m3.
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de afstand voor geur door het opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong vanaf het dichtstbijzijnde punt van de opslagplaats tot een geurgevoelig object niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.18.
Tabel 22.3.18 Afstand tot een geurgevoelig object bij geur door het opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong
Opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong
|
Afstand
|
geurgevoelig object gelegen binnen de bebouwde kom | 100 m |
geurgevoelig object gelegen buiten de bebouwde kom | 50 m |
Artikel 22.116 Geur opslaan kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen: afstand
Dit artikel is van toepassing op het opslaan van:
Dit artikel is niet van toepassing op in plasticfolie verpakte veevoederbalen.
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de afstand voor geur door het opslaan van kuilvoer en vaste bijvoedermiddelen vanaf het dichtstbijzijnde punt van de opslagplaats tot een geurgevoelig object, niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.19.
Tabel 22.3.19 Afstand tot een geurgevoelig object bij geur door het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen
Artikel 22.117 Geur opslaan drijfmest, digestaat en dunne fractie: afstand
Dit artikel is van toepassing op het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een of meer mestbassins met een gezamenlijke oppervlakte van ten hoogste 750 m2 of een gezamenlijke inhoud van ten hoogste 2.500 m3.
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de afstand voor geur door het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een mestbassin vanaf het dichtstbijzijnde punt van het mestbassin tot een geurgevoelig object niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.20.
Tabel 22.3.20 Afstand tot een geurgevoelig object bij geur door het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een mestbassin
Opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een mestbassin
|
Afstand tot geurgevoelig gevoelig object
|
|
|
Zonder functionele binding met dierenverblijf in directe omgeving
|
Met functionele binding met dierenverblijf in directe omgeving
|
Gezamenlijke oppervlakte minder dan 350 m2 | 50 m | 25 m |
Gezamenlijke oppervlakte 350 m2 tot en met 750 m2 | 100 m | 50 m |
Artikel 22.118 Geur voorziening biologisch behandelen dierlijke meststoffen voor of na vergisten: afstand
Dit artikel is van toepassing op het exploiteren van een voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten van dierlijke meststoffen, bedoeld in artikel 4.864 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Dit artikel is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de afstand vanaf het dichtstbijzijnde punt van de voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten tot een geurgevoelig object niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.21.
Tabel 22.3.21 Afstand tot een geurgevoelig object bij geur door een voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten
Voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten
|
Afstand
|
geurgevoelig object, gelegen binnen de bebouwde kom | 100 m |
geurgevoelig object, gelegen buiten de bebouwde kom | 50 m |
Artikel 22.119 Geur composteren of opslaan van groenafval: afstand
Dit artikel is van toepassing op het composteren of opslaan van groenafval met een volume van 3 m3 tot en met 600 m3.
Dit artikel is niet van toepassing op groenafval dat een gevaarlijke afvalstof of gebruikt substraatmateriaal is.
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de afstand vanaf het dichtstbijzijnde punt van de composteringshoop of de opslagplaats voor groenafval tot een geurgevoelig object niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.22.
Tabel 22.3.22 Afstand tot een geurgevoelig object bij geur door het composteren of opslaan van groenafval
Composteren of opslaan van groenafval
|
Afstand
|
geurgevoelig object, gelegen binnen de bebouwde kom | 100 m |
geurgevoelig object, gelegen buiten de bebouwde kom | 50 m |
Artikel 22.120 Geur overige agrarische activiteiten: eerbiedigende werking
Dit artikel is van toepassing op het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie, bedoeld in artikel 22.114, het opslaan van substraatmateriaal van plantaardige oorsprong, bedoeld in artikel 22.113, het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen, bedoeld in artikel 22.116, en het composteren of opslaan van groenafval, bedoeld in artikel 22.119, als:
het opslaan al voor 1 januari 2013 plaatsvond;
de afstand tussen een activiteit en een geurgevoelig object op 1 januari 2013 rechtmatig kleiner was dan de afstand, bedoeld in artikel 22.114, derde lid, artikel 22.115, tweede lid, artikel 22.116, derde lid, of artikel 22.119, derde lid; en
verplaatsing van de opslagplaats of composteringshoop redelijkerwijs niet kan worden gevergd.
Dit artikel is ook van toepassing op het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een of meer mestbassins, bedoeld in artikel 22.117, eerste lid, als:
de afstand tussen de activiteit, bedoeld in artikel 22.117, eerste lid, en een geurgevoelig object op 1 januari 2013 rechtmatig kleiner was dan de afstand, bedoeld in artikel 22.117, tweede lid;
het mestbassin voor 1 januari 2013 is opgericht; en
verplaatsing van het mestbassin redelijkerwijs niet kan worden gevergd.
In een geval als bedoeld in het eerste of tweede lid is artikel 22.114, derde lid, artikel 22.115, tweede lid, artikel 22.116, derde lid, artikel 22.117, tweede lid, of artikel 22.119, derde lid, niet van toepassing en neemt de afstand tot een geurgevoelig object niet af.
Artikel 22.121 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk, bedoeld in artikel 3.173 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 22.122 Geur zuiveringtechnisch werk: waarde
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de geur op een geurgevoelig object niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.23.
Tabel 22.3.23 Waarde voor geur ouE/m3 als 98-percentiel door een zuiveringtechnisch werk op een geurgevoelig object
Activiteit
|
Grenswaarde
| |
Het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk | Gelegen binnen de bebouwde kom, anders dan op een gezoneerd industrieterrein, een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld of een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein | 0,5 ouE/m3 |
Het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk | Gelegen: | 1 ouE/m3 |
In afwijking van het eerste lid is de geur op een geurgevoelig object door het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk dat is opgericht voor 1 februari 1996 en waarvoor op 1 februari 1996 een vergunning op grond van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer in werking en onherroepelijk was, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.24.
Tabel 22.3.24 Waarde voor geur ouE/m3 als 98-percentiel door een zuiveringtechnisch werk opgericht voor 1 februari 1996 op een geurgevoelig object
Activiteit
|
Grenswaarde
| |
Het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk, opgericht voor | Gelegen binnen de bebouwde kom, anders dan op een gezoneerd industrieterrein, een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld of een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein | 1,5 ouE/m3 |
Het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk, opgericht voor | Gelegen: | 3,5 ouE/m3 |
Op het berekenen van de geur is artikel 6.13 van de Omgevingsregeling van toepassing.
Artikel 22.123 Geur zuiveringtechnisch werk: geen waarde bij specifieke geurgevoelige objecten
De waarden, bedoeld in artikel 22.122, eerste lid, zijn niet van toepassing op de geur door het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk waarvoor tot 1 januari 2011 een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in werking en onherroepelijk was, op geurgevoelige objecten die:
Artikel 22.124 Geur zuiveringtechnisch werk: eerbiedigende werking
Bij het wijzigen van een zuiveringtechnisch werk als bedoeld in artikel 22.122, tweede lid, en artikel 22.123, is de waarde van de geur op een geurgevoelig object als gevolg van dat zuiveringtechnisch werk niet hoger dan de waarde voor geur op een geurgevoelig object, voorafgaand aan de verandering, tenzij de waarden, bedoeld in artikel 22.122, eerste lid, niet worden overschreden.
Artikel 22.125 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het verrichten van nazorg als saneren van de bodem heeft plaatsgevonden op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, dit omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift.
Artikel 22.126 Nazorg na afloop van saneren van de bodem
De eigenaar, erfpachter of gebruiker van een locatie treft de noodzakelijke maatregelen gericht op het voor onbepaalde tijd in stand houden en onderhouden of vervangen van een afdeklaag.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor tijdelijke beschermingsmaatregelen die de bron van verontreiniging niet wegnemen maar blootstelling aan de verontreiniging voorkomen in verband met een toevalsvondst als bedoeld in artikel 19.9a van de Omgevingswet.
Artikel 22.127 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het graven in de bodem waarbij het bodemvolume waarin wordt gegraven kleiner dan of gelijk is aan 25 m3 en sprake is van:
locaties waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking is verleend als bedoeld in artikel 29 in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, waarin is vastgesteld dat bij het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is; of
locaties of gebieden waar de bodem diffuus is verontreinigd tot boven de interventiewaarde bodemkwaliteit zoals dat blijkt uit:
Graven in de bodem als bedoeld in het eerste lid omvat ook:
Het eerste lid is niet van toepassing op het graven in de waterbodem.
Artikel 22.128 Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit
Ten minste een week voor het begin van de activiteit, bedoeld in 22.127, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:
Onverwijld na het wijzigen van de begrenzing of de verwachte datum van het begin van de activiteit worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Het eerste lid is niet van toepassing:
Artikel 22.129 Bodem en afval: tijdelijke opslag van vrijkomende grond
Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen wordt grond die bij het graven is vrijgekomen niet langer dan acht weken na beëindiging van het graven in de directe nabijheid van de ontgravingslocatie opgeslagen.
Artikel 22.130 Bodem en afval: milieukundige begeleiding bij kleinschalig graven
Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen, wordt de activiteit milieukundig begeleid volgens BRL SIKB 6000 als het graven plaatsvindt op een locatie waar een afdeklaag is aangebracht als saneringsaanpak en de ontgraving dieper reikt dan deze afdeklaag.
Artikel 22.131 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op een activiteit op een locatie waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking is vastgesteld krachtens artikel 29 in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, waarin is vastgesteld dat bij het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is.
Artikel 22.132 Bodem: mitigerende maatregelen
Degene die een activiteit als bedoeld in 22.131, verricht, neemt in het belang van bescherming van de bodem maatregelen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd om verdere verontreiniging van de bodem te voorkomen of te beperken of, als dat redelijkerwijs mogelijk is in samenhang met de activiteit die wordt verricht, ongedaan te maken.
Artikel 22.137 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van grondwater afkomstig van:
Artikel 22.138 Gegevens en bescheiden
Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in 22.137, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:
Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Het eerste en tweede lid gelden niet voor het lozen van grondwater afkomstig van ontwatering, als:
In afwijking van het eerste en tweede lid worden de gegevens en bescheiden ten minste vijf werkdagen voor het begin van het lozen van grondwater afkomstig van ontwatering verstrekt, als het lozen langer duurt dan 48 uur maar niet langer dan 8 weken.
Artikel 22.139 Lozen van grondwater bij saneringen
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan grondwater afkomstig van een bodemsanering of grondwatersanering of een onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering, worden geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool.
Voor het lozen van dat grondwater op of in de bodem zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in bijlage XIX bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, gemeten in een steekmonster.
Voor het lozen van dat grondwater in een schoonwaterriool zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 22.3.26, gemeten in een steekmonster.
Dat grondwater wordt niet geloosd in een vuilwaterriool.
Tabel 22.3.26 Emissiegrenswaarden
Stof
|
Emissiegrenswaarden in µg/l of mg/l
|
Naftaleen | 0,2 µg/l |
PAK's | 1 µg/l |
BTEX | 50 µg/l |
Vluchtige organohalogeen-verbindingen uitgedrukt als chloor | 20 µg/l |
Aromatische organohalogeen-verbindingen | 20 µg/l |
Minerale olie | 500 µg/l |
Cadmium | 4 µg/l |
Kwik | 1 µg/l |
Koper | 11 µg/l |
Nikkel | 41 µg/l |
Lood | 53 µg/l |
Zink | 120 µg/l |
Chroom | 24 µg/l |
Onopgeloste stoffen | 50 mg/l |
Artikel 22.140 Lozen van grondwater bij ontwatering
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan grondwater bij ontwatering, dat niet afkomstig is van een bodemsanering, een grondwatersanering of een onderzoek voorafgaand aan een bodemsanering of grondwatersanering en dat geen drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving is, worden geloosd op of in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.
Voor het lozen van dat grondwater in een schoonwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 50 mg/l en voor ijzer 5 mg/l, gemeten in een steekmonster.
Voor het lozen van dat grondwater in een vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l.
Het lozen van dat grondwater in een vuilwaterriool duurt niet langer dan 8 weken en de geloosde hoeveelheid is ten hoogste 5 m3/u.
Het tweede tot en met vierde lid zijn niet van toepassing op het lozen van grondwater afkomstig van ontwatering bij wonen.
Artikel 22.141 Meet- en rekenbepalingen
Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.
Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:
voor BTEX: NEN-EN-ISO 15680;
voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen: NEN-EN-ISO 17993;
voor tetrachlooretheen, trichlooretheen, 1,2-dichlooretheen, 1,1,1-trichloorethaan, vinylchloride, de som van de vijf hiervoor genoemde stoffen, monochloorbenzeen, dichloorbenzeen, trichloorbenzenen: NEN-EN-ISO 10301 of NEN-EN-ISO 15680, waarbij voor vinylchloride enkel NEN-EN-ISO 15680 gebruikt kan worden;
voor minerale olie: NEN-EN-ISO 9377-2;
voor cadmium, koper, nikkel, lood, zink en chroom: NEN 6966 of NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 11885, waarbij de elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2;
voor kwik: NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 12846 of NEN-EN-ISO 17852, waarbij kwik wordt ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2;
voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872;
voor chloride: NEN-EN-ISO 15682;
voor cyaniden totaal: NEN-EN-ISO 14403-1 en NEN-EN-ISO 14403-2;
voor ammonium, nitraat, totaal-fosfaat en sulfaat: NEN-ISO 15923-1;
voor endosulfan, α-HCH, y-HCH (lindaan), DDT (incl. DDD en DDE), aldrin, dieldrin, endrin, hexachloorbutadieen en hexachloorbenzeen: NEN-EN 16693;
voor dichloorpropeen: NEN-EN-ISO 15680;
voor mecoprop: NEN-EN-ISO 15913;
voor trichloorfenolen, tetrachloorfenol, dichloorfenolen en pentachloorfenol: NEN-EN 12673;
voor minerale olie: NEN-EN-ISO 9377-2;
voor anthraceen, fenanthreen, chryseen, fluorantheen, benzo(a)anthraceen, benzo(k)fluorantheen, benzo(a)pyreen, benzo(ghi)peryleen en indeno(l23cd)pyreen: NEN-EN-ISO 17993;
voor trihalomethanen (THM): ISO 11423-1;
voor adsorbeerbare organische halogeenverbindingen (AOX): NEN-EN-ISO 9562;
voor de zuurgraad (pH): NEN-EN-ISO 10523; en
voor ijzerverbindingen: NEN-EN-ISO 17294-2.
Artikel 22.142 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvloeiend hemelwater dat:
Artikel 22.143 Gegevens en bescheiden
Ten minste zes maanden voor de voorgenomen aanleg van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen en daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:
Ten minste zes maanden voor het veranderen van het lozen door een reconstructie of ingrijpende wijziging van die wegen of daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Artikel 22.144 Lozen van afvloeiend hemelwater
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvloeiend hemelwater worden geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool.
Afvloeiend hemelwater wordt alleen in een vuilwaterriool geloosd als het lozen op of in de bodem, in een schoonwaterriool of op een oppervlaktewaterlichaam redelijkerwijs niet mogelijk is.
Het tweede lid is niet van toepassing op het lozen van afvloeiend hemelwater dat:
In afwijking van het eerste lid wordt afvloeiend hemelwater afkomstig van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen, alleen in een schoonwaterriool geloosd als lozen op of in de bodem redelijkerwijs niet mogelijk is.
Bij het lozen vanuit een pompkelder van een tunnel of een verdiept weggedeelte is, als dat redelijkerwijs mogelijk is, een voorziening aanwezig om, in afwijking van het vierde lid, het meest vervuilde hemelwater in een vuilwaterriool te lozen.
Artikel 22.145 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van huishoudelijk afvalwater.
Artikel 22.146 Gegevens en bescheiden
Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in 22.148, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:
Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Het eerste en tweede lid gelden niet voor het lozen van huishoudelijk afvalwater:
Artikel 22.147 Geen voedselvermaling
Huishoudelijk afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen in een huishouden en daarmee samenhangende activiteiten, dat afvalstoffen bevat die door versnijdende of vermalende apparatuur zijn versneden of vermalen, wordt niet geloosd.
Artikel 22.148 Lozen van huishoudelijk afvalwater
Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt huishoudelijk afvalwater alleen op of in de bodem geloosd als het lozen plaatsvindt buiten een bebouwde kom of binnen een bebouwde kom van waaruit stedelijk afvalwater wordt geloosd met een vervuilingswaarde van minder dan 2000 inwonerequivalenten, en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk waarop kan worden aangesloten meer bedraagt dan:
40 m bij niet meer dan 10 inwonerequivalenten;
100 m bij meer dan 10 maar minder dan 25 inwonerequivalenten;
600 m bij 25 of meer inwonerequivalenten maar minder dan 50 inwonerequivalenten;
1.500 m bij 50 of meer inwonerequivalenten maar minder dan 100 inwonerequivalenten; en
3.000 m bij 100 of meer inwonerequivalenten.
De afstand, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend:
In afwijking van het tweede lid, aanhef en onder a, wordt de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk bij voortzetting van het lozen van huishoudelijk afvalwater op of in de bodem dat voor 1 juli 1990 al plaatsvond, berekend vanaf het gedeelte van het gebouw dat zich het dichtst bij een vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk bevindt.
In afwijking van het eerste lid kan huishoudelijk afvalwater in de bodem worden geloosd:
Artikel 22.149 Zuiveringsvoorziening huishoudelijk afvalwater
Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt huishoudelijk afvalwater dat wordt geloosd op of in de bodem, geleid via een zuiveringsvoorziening.
Voor dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 22.3.27.
Tabel 22.3.27 Emissiegrenswaarden
Als het huishoudelijk afvalwater minder dan zes inwonerequivalenten bevat kan het, in afwijking van het tweede lid, voor vermenging met ander afvalwater worden geleid door een septictank:
met een nominale inhoud van 6 m3 of meer, volgens NEN-EN 12566-1, en met een hydraulisch rendement van niet meer dan 10 g, volgens annex B van NEN-EN 12566-1; of
die is geplaatst voor 1 januari 2009 en is afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd.
Het eerste en tweede lid gelden niet voor het lozen van huishoudelijk afvalwater:
Artikel 22.150 Meet- en rekenbepalingen
Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.
Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:
voor biochemisch zuurstofverbruik: NEN-EN-ISO 5815-1 / NEN-EN-ISO 5815-2; en
voor chemisch zuurstofverbruik: NEN 6633 of NEN-ISO 15705.
Artikel 22.151 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van koelwater dat niet afkomstig is van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 22.152 Gegevens en bescheiden
Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in 22.151, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:
Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan koelwater worden geloosd in schoonwaterriool.
Koelwater wordt alleen in een vuilwaterriool geloosd als het lozen in een schoonwaterriool of op een oppervlaktewaterlichaam redelijkerwijs niet mogelijk is.
Aan het te lozen koelwater worden geen chemicaliën toegevoegd.
Artikel 22.154 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van reinigingswerkzaamheden, conserveringswerkzaamheden of andere onderhoudswerkzaamheden aan bouwwerken.
Artikel 22.155 Periodiek reinigen
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt afvalwater afkomstig van reinigingswerkzaamheden, conserveringswerkzaamheden of andere onderhoudswerkzaamheden aan bouwwerken niet in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater of op of in de bodem geloosd, tenzij het gaat om afvalwater afkomstig van reinigingswerkzaamheden die periodiek worden uitgevoerd en waarbij alleen vuilafzetting wordt verwijderd.
Artikel 22.156 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van het opslaan en overslaan van goederen.
Artikel 22.157 Inerte goederen
Voor de toepassing van deze paragraaf worden in ieder geval de volgende goederen als inerte goederen beschouwd, voor zover deze niet verontreinigd zijn:
bouwstoffen als bedoeld in paragraaf 4.123 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
grond en baggerspecie als bedoeld in paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
A-hout en ongeshredderd B-hout;
snoeihout;
banden van voertuigen;
autowrakken bij een autodemontagebedrijf waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt en wrakken van tweewielige motorvoertuigen bij een demontagebedrijf voor tweewielige motorvoertuigen waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt;
straatmeubilair;
tuinmeubilair;
aluminium, ijzer en roestvrij staal;
kunststof anders dan lege, ongereinigde verpakkingen van voedingsmiddelen, smeerolie, verf, lak of drukinkt, gewasbeschermingsmiddelen, biociden of gevaarlijke stoffen;
kunststofgeïsoleerde kabels anders dan oliedrukkabels, gepantserde papier-loodkabels en papiergeïsoleerde grondkabels;
papier en karton;
textiel en tapijt; en
vlakglas.
Artikel 22.158 Gegevens en bescheiden
Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in 22.156, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:
Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Dit artikel is niet van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van wonen.
Artikel 22.159 Lozen bij opslaan van inerte goederen
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater dat in contact is geweest met opgeslagen inerte goederen, worden geloosd op of in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.
Dat afvalwater wordt alleen in een vuilwaterriool geloosd, als het lozen op of in de bodem, op een oppervlaktewaterlichaam of in een schoonwaterriool redelijkerwijs niet mogelijk is.
Voor het lozen van dat afvalwater in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.
Als de opgeslagen inerte goederen worden bevochtigd, wordt afvalwater dat met opgeslagen goederen in contact is geweest, zoveel mogelijk voor dit bevochtigen gebruikt.
Het tweede tot en met vierde lid zijn niet van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van wonen.
Artikel 22.160 Meet- en rekenbepalingen
Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.
Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
Op het analyseren van onopgeloste stoffen is NEN-EN 872 van toepassing.
Artikel 22.161 Uitzondering voorgeschreven lozingsroute bij opslaan van lekkende, uitlogende en vermestende goederen
Als in de waterschapsverordening een andere lozingsroute is toegestaan, wordt, in afwijking van artikel 4.1057, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, het te lozen afvalwater, bedoeld in dat artikel, geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.
Artikel 22.162 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig uit:
Artikel 22.163 Lozen vanuit openbaar hemelwaterstelsel en openbaar ontwateringsstelsel
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan het afvalwater afkomstig uit een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar ontwateringsstelsel worden geloosd op of in de bodem, als dat stelsel voorkomt op het in het gemeentelijk rioleringsplan of een gemeentelijk rioleringsprogramma opgenomen overzicht van voorzieningen en maatregelen als bedoeld in artikel 2.16, eerste lid, onder a, onder 1° en 2°, van de Omgevingswet, en dat stelsel volgens dat plan of programma is uitgevoerd en wordt beheerd.
Artikel 22.164 Lozen van huishoudelijk afvalwater vanuit andere systemen
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan huishoudelijk afvalwater afkomstig uit een systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet, worden geloosd op of in de bodem, als dat systeem voorkomt op het in het gemeentelijk rioleringsplan of een gemeentelijk rioleringsprogramma opgenomen overzicht van die systemen en volgens dat plan of programma is uitgevoerd en wordt beheerd.
Artikel 22.165 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van het schoonmaken en in gebruik nemen van middelen voor het opslaan, transporteren en distribueren van drinkwater of warm tapwater als bedoeld in artikel 1 van de Drinkwaterwet of van huishoudwater als bedoeld in artikel 1 van het Drinkwaterbesluit.
Artikel 22.166 Schoonmaken drinkwaterleidingen
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater dat vrijkomt bij het schoonmaken en in gebruik nemen van de middelen voor opslag, transport en distributie van drinkwater of warm tapwater, worden geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool.
Dat afvalwater wordt alleen in een vuilwaterriool geloosd als het lozen op of in de bodem, op een oppervlaktewaterlichaam of in een schoonwaterriool redelijkerwijs niet mogelijk is.
Bij het lozen op of in de bodem ontstaat geen wateroverlast.
Aan het water dat wordt gebruikt voor het schoonmaken en dat wordt geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool worden geen chemicaliën toegevoegd.
Artikel 22.167 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater dat vrijkomt bij een calamiteitenoefening.
Het eerste lid geldt niet voor het lozen van afvalwater afkomstig van een permanente voorziening voor het oefenen van brandbestrijdingstechnieken, bedoeld in artikel 3.259 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 22.168 Gegevens en bescheiden
Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in 22.167, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:
Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Artikel 22.169 Lozen bij calamiteitenoefeningen
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater dat vrijkomt bij een calamiteitenoefening worden geloosd op of in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.
Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van het telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen, als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.
Ten minste vier weken voor het begin van het lozen, bedoeld in 22.174 en 22.175, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:
Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
In afwijking van artikel 4.791l van het Besluit activiteiten leefomgeving hoeft bij het lozen van drainagewater afkomstig van het telen van gewassen in een kas die op materiaal groeien dat in verbinding staat met de ondergrond geen recirculatiesysteem aanwezig en in gebruik te zijn, als hergebruik van drainagewater niet doelmatig is en het lozen is aangevangen voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
In afwijking van artikel 4.761, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt te lozen afvalwater afkomstig van het spoelen van biologisch geteelde gewassen, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden of geloosd in een vuilwaterriool.
Voor het lozen van dat afvalwater in een vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.
Als in de waterschapsverordening een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater, bedoeld in het eerste lid, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden, geloosd in een vuilwaterriool of geloosd via die andere route.
In afwijking van artikel 4.773, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt te lozen afvalwater afkomstig van het sorteren van biologisch geteeld fruit, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden of geloosd in een vuilwaterriool.
Voor het lozen van dat afvalwater in een vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.
Als in de waterschapsverordening een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater, bedoeld in het eerste lid, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden, geloosd in een vuilwaterriool of geloosd via die andere lozingsroute.
Als in de waterschapsverordening een andere lozingsroute is toegestaan, wordt, in afwijking van artikel 4.795, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, het te lozen afvalwater, bedoeld in dat artikel, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden of geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.
Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.
Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
Op het analyseren van onopgeloste stoffen is NEN-EN 872 van toepassing.
Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van het reinigen van installaties en voorzieningen voor het maken van betonmortel en het inwendig reinigen van voertuigen waarin betonmortel is vervoerd, als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.
Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in 22.177 worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:
Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
In aanvulling op artikel 4.140, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving kan te lozen afvalwater afkomstig van het reinigen van installaties en voorzieningen voor het maken van betonmortel en het inwendig reinigen van voertuigen waarin betonmortel is vervoerd, ook worden geloosd in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.
Voor het lozen van dat afvalwater in een schoonwaterriool zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 22.3.28, gemeten in een steekmonster.
Tabel 22.3.28 Emissiegrenswaarden
Voor het lozen van dat afvalwater in een vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.
Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.
Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:
voor chemisch zuurstofverbruik: NEN 6633 of NEN-ISO 15705; en
voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872.
Deze paragraaf is van toepassing op het uitwassen van beton, als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.
Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in 22.181 worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:
Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
In aanvulling op artikel 4.158, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, kan te lozen afvalwater afkomstig van het uitwassen van beton ook worden geloosd in een vuilwaterriool.
Voor het lozen van dat afvalwater is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.
Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.
Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
Op het analyseren van onopgeloste stoffen is NEN-EN 872 van toepassing.
[Vervallen]
[Vervallen]
Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met oliën, vetten en koelvloeistof wordt gewassen boven een vloeistofdichte bodemvoorziening.
Motorvoertuigen kunnen ook worden gewassen op een mobiele wasinstallatie die zodanig is uitgevoerd dat vloeistoffen niet in de bodem kunnen geraken, als die mobiele wasinstallatie niet langer dan zes maanden aaneengesloten op eenzelfde locatie is geplaatst.
Het eerste lid is niet van toepassing, als per week ten hoogste één motorvoertuig waarmee geen gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast, uitwendig wordt gewassen.
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het wassen van motorvoertuigen worden geloosd in een vuilwaterriool. Het afvalwater wordt niet geloosd in een schoonwaterriool.
Het lozen op of in de bodem is toegestaan, als per week ten hoogste één motorvoertuig waarmee geen gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast, uitwendig wordt gewassen.
Voor het afvalwater dat wordt geloosd in een vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor olie 20 mg/l, gemeten in een steekmonster, of dat afvalwater wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door een slibvangput en olieafscheider:
volgens NEN-EN 858-1 of NEN-EN 858-1 A1 en NEN-EN 858-2; of
die zijn geplaatst voor 2 november 2010 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd
Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.
Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is voor olie NEN-EN-ISO 9377-2 van toepassing.
Deze paragraaf is van toepassing op het opwekken van elektriciteit met een windturbine, bedoeld in artikel 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving als:
Deze paragraaf is niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine, in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw dat op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar.
Deze paragraaf is ook niet van toepassing voor zover het gaat om een windpark met 3 of meer windturbines.
In afwijking van tweede, is deze paragraaf ook van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar:
In afwijking van eerste, is deze paragraaf niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is maar mag worden gebouwd op grond van:
Met het oog op het voorkomen of beperken van slagschaduw is de windturbine voorzien van een automatische stilstandvoorziening die de windturbine afschakelt als gemiddeld meer dan zeventien dagen per jaar gedurende meer dan twintig minuten per dag slagschaduw kan optreden in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw en voor zover de afstand tussen de windturbine en een slagschaduwgevoelig gebouw minder dan twaalf maal de rotordiameter bedraagt.
De afstand wordt gemeten van een punt op ashoogte van de windturbine:
22.216 is niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een slagschaduwgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met de windturbine.
Bij een agrarische activiteit is 22.216 niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw dat:
op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet of een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangevraagde omgevingsvergunning behoort of heeft behoord tot die agrarische activiteit en door een derde bewoond mag worden; of
eerder functioneel verbonden was met die agrarische activiteit en waarvoor op grond van artikel 5.62 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is bepaald dat regels voor slagschaduw niet van toepassing zijn.
Lichtschittering wordt bij het opwekken van elektriciteit met een windturbine voorkomen of zoveel mogelijk beperkt door toepassing van niet reflecterende materialen of coatinglagen op de betrokken onderdelen.
Op het uitvoeren van een meting van reflectiewaarden is NEN-EN-ISO 2813 van toepassing.
[Vervallen]
[Vervallen]
Deze paragraaf is van toepassing op het traditioneel schieten door schutterijen of schuttersgilden met buksen of geweren vanaf een vaste standplaats op een stilstaand doel in de buitenlucht.
Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in 22.227 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;
gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:
een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en
gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.
Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en het beperken van verontreiniging van de bodem vindt het schieten op zodanige wijze plaats dat alle afgeschoten kogels worden opgevangen in een voorziening.
Met het oog op het beperken van verontreiniging van de bodem, vindt traditioneel schieten plaats boven een bodembeschermende voorziening, als bij het schieten hulzen van verschoten munitie vrijkomen.
De voorziening voor het opvangen van afgeschoten kogels, bedoeld in 22.229, is opgesteld boven een bodembeschermende voorziening.
Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.
Bij het beëindigen van het traditioneel schieten wordt een eindonderzoek bodem verricht om de kwaliteit van de bodem vast te stellen.
Het eindonderzoek bodem gaat over de bodembedreigende stoffen die zijn gebruikt op het gedeelte van de locatie waar het traditioneel schieten heeft plaatsgevonden.
Het bodemonderzoek voldoet aan NEN 5725 en NEN 5740 en het veldwerk wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie-instantie of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.
Het rapport van het eindonderzoek bodem bevat:
de naam en het adres van degene die het onderzoek heeft verricht;
de wijze waarop het onderzoek is verricht;
de aard en de mate van de aangetroffen verontreinigde stoffen en de herkomst daarvan;
informatie over het huidige en eerdere gebruik van het terrein;
bestaande informatie over bodemmetingen en grondwatermetingen die de toestand van de bodem en het grondwater weergeven op het tijdstip van opstelling van het rapport, of anders nieuwe bodemmetingen en grondwatermetingen voor het constateren van eventuele verontreiniging van de bodem door de bodemverontreinigende stoffen die bij de activiteit zijn gebruikt, zijn geproduceerd of zijn vrijgekomen; en
als de kwaliteit van de bodem wordt hersteld, de wijze waarop en de mate waarin dit gebeurt.
Ten hoogste zes maanden na het beëindigen van het traditioneel schieten wordt een rapport van het eindonderzoek bodem verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Als de bodem is verontreinigd, wordt uiterlijk zes maanden na het toezenden van het rapport van het eindonderzoek bodem, de bodemkwaliteit hersteld tot:
de bodemkwaliteit en grondwaterkwaliteit, die is vastgesteld in een rapport volgens NEN 5740 dat is opgesteld voor het begin van de activiteit;
de bodemkwaliteit van de locatie waarop de activiteit is verricht, zoals die is vastgelegd op een bodemkwaliteitskaart als bedoeld in artikel 47, onder a, of artikel 57, tweede lid, van het Besluit bodemkwaliteit; of
de achtergrondwaarden, vastgesteld op grond van artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.
Het herstel wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000.
Het college van burgemeester en wethouders wordt ten minste vijf dagen voor het begin van de herstelwerkzaamheden, bedoeld in 22.235 geïnformeerd over de begindatum.
Het college van burgemeester en wethouders wordt ten hoogste vijf dagen na beëindiging van de herstelwerkzaamheden, bedoeld in 22.235 geïnformeerd over de einddatum.
Deze paragraaf is van toepassing op het bieden van gelegenheid voor het beoefenen van sport in de buitenlucht waarbij terreinverlichting wordt toegepast.
Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in 22.237 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;
gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:
een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en
gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.
Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Met het oog op het beperken van lichthinder is de verlichting die hoort bij een gelegenheid voor het beoefenen van sport in de buitenlucht uitgeschakeld:
Het eerste lid is niet van toepassing op dagen of dagdelen in verband met:
de viering van festiviteiten die bij of krachtens een gemeentelijke verordening zijn aangewezen in de gebieden in de gemeente waarvoor de verordening geldt;
de viering van andere festiviteiten die plaatsvinden op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het aantal bij of krachtens een gemeentelijke verordening aan te wijzen dagen of dagdelen niet meer mag bedragen dan twaalf per kalenderjaar;; of
door het college van burgemeester en wethouders aangewezen activiteiten, anders dan festiviteiten als bedoeld onder b, waarbij het aantal aan te wijzen dagen of dagdelen gebaseerd op dit artikel samen niet meer bedraagt dan twaalf dagen per kalenderjaar.
Een festiviteit of activiteit als bedoeld in het tweede lid die ten hoogste een etmaal duurt, maar die zowel voor als na 00.00 uur plaatsvindt, wordt hierbij beschouwd als plaatshebbende op één dag.
Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in 22.240 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;
gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:
de grenzen van het terrein;
de ligging en de indeling van de gebouwen;
het gebruik van de te onderscheiden ruimten;
de ligging van de bedrijfsriolering;
op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;
of de punten waarop afvalwater wordt geloosd, zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en
op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen;
een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en
gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.
Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt vaste mest, met uitzondering van gedroogde pluimveemest, opgeslagen:
Gedroogde pluimveemest wordt opgeslagen:
in een gebouw met een aaneengesloten bodemvoorziening waar de pluimveemest wordt beschermd tegen weersinvloeden en waar voldoende ventilatie is om condensvorming te voorkomen;
in een afgedekte container als de pluimveemest ten minste elke twee weken wordt afgevoerd; of
op een voldoende dikke absorberende laag als de opslag niet meer dan zes maanden duurt en tegen inregenen is beschermd.
Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder wordt vaste mest opgeslagen:
in een afgesloten voorziening voor een periode van ten hoogste twee weken; of
op ten minste 50 m afstand vanaf de begrenzing van de opslag van vaste mest tot een geurgevoelig object.
Het eerste lid is niet van toepassing op het opslaan van vaste mest afkomstig van landbouwhuisdieren of van paarden en pony's die worden gehouden voor het berijden.
Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in 22.246 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;
gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:
de grenzen van het terrein;
de ligging en de indeling van de gebouwen;
het gebruik van de te onderscheiden ruimten;
de ligging van de bedrijfsriolering;
op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;
of de punten waarop afvalwater wordt geloosd, zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en
op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen;
een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl;
gegevens over de lozingsroutes; en
gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.
Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem worden kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen opgeslagen op een elementenbodemvoorziening, waarbij de vloeistoffen die vrijkomen worden opgevangen.
Het eerste lid is niet van toepassing als kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen als veevoederbalen in plastic folie zijn verpakt.
Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kunnen vrijkomende vloeistoffen afkomstig van de opslag van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen gelijkmatig worden verspreid over onverharde bodem.
De vrijkomende vloeistoffen worden niet geloosd in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.
Dit artikel is niet van toepassing op afvalwater afkomstig van wonen.
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van de bodembeschermende voorziening voor opslag van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen worden geloosd op of in de bodem als:
Het afvalwater wordt niet geloosd in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.
Dit artikel is niet van toepassing op afvalwater afkomstig van wonen.
Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in 22.252 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;
gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:
een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl;
per dierenverblijf voor het houden van landbouwhuisdieren:
per dierenverblijf waar landbouwhuisdieren met geuremissiefactor worden gehouden,:
gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.
Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem vindt het fokken, houden of trainen van vogels of zoogdieren plaats boven een aaneengesloten bodemvoorziening.
Het eerste lid is niet van toepassing op het fokken, houden of trainen van vogels of zoogdieren in de buitenlucht als uitwerpselen en voedselresten regelmatig worden verwijderd.
Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het reinigen en ontsmetten van een dierenverblijf waarin landbouwhuisdieren of paarden of pony’s voor het berijden worden gehouden, worden geloosd in een vuilwaterriool als meer dan 10 schapen, 5 paarden of pony’s, 10 geiten, 25 stuks pluimvee, 25 konijnen of 10 overige landbouwhuisdieren worden gehouden. Het afvalwater wordt niet geloosd in een schoonwaterriool of op of in de bodem.
Het te lozen afvalwater bevat niet meer dan 300 milligram onopgeloste stoffen per liter.
Dit artikel is niet van toepassing op afvalwater afkomstig van wonen.
Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.
Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
Op het analyseren van onopgeloste stoffen is NEN-EN 872 van toepassing.
Deze paragraaf is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning het verwerken van polyesterhars waarbij 1 kg of meer organische peroxiden van ADR klasse 5.2 aanwezig is, te beginnen of te veranderen.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt een beschrijving verstrekt van de maatregelen die worden getroffen om de emissie van styreen te beperken.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als geurhinder wordt voorkomen of tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een gesloten bodemenergiesysteem aan te leggen of te gebruiken:
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een plattegrondtekening en situatietekening met daarop de ligging van de lussen van het gesloten bodemenergiesysteem, het middelpunt van het systeem en de einddiepte waarop het systeem zal worden aangelegd;
de coördinaten van het middelpunt van het gesloten bodemenergiesysteem en de einddiepte van het systeem in meters onder het maaiveld;
gegevens waaruit blijkt dat het gebruiken van het gesloten bodemenergiesysteem niet leidt tot negatieve interferentie met bodemenergiesystemen in de omgeving waarvoor een melding is gedaan of een omgevingsvergunning is verleend;
een verklaring van degene die het gesloten bodemenergiesysteem installeert over het energierendement, uitgedrukt als de SPF, dat het systeem zal behalen;
informatie over het bodemzijdig vermogen van het gesloten bodemenergiesysteem en de omvang van de behoefte aan warmte en koude waarin het systeem zal voorzien; en
de naam en het adres van degene die het gesloten bodemenergiesysteem zal ontwerpen, installeren en van degene die de boringen zal verrichten.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:
Het is verboden zonder omgevingsvergunning propaan of propeen op te slaan in meer dan twee opslagtanks met een inhoud van meer dan 150 l.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het aantal opslagtanks, met voor iedere opslagtank:
als het gaat om het opslaan van ten hoogste 50 m3 propaan of propeen met een jaarlijkse doorzet van ten hoogste 600 m3:
de jaarlijkse doorzet in kubieke meters;
als het gaat om een bovengrondse opslagtank: de coördinaten van het vulpunt en de opslagtank;
als het gaat om een ondergrondse opslagtank: de coördinaten van het vulpunt, de bovengrondse vloeistofvoerende leiding en de aansluitpunten van die leiding en pomp; en
een beschrijving van de ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet, die zich kunnen voordoen en de passende maatregelen die worden getroffen voor het voorkomen daarvan; en
als het gaat om het opslaan van ten hoogste 50 m3 propaan of propeen met een jaarlijkse doorzet van meer dan 600 m3 of meer dan 50 m3 propaan of propeen:
de gegevens en bescheiden, genoemd onder b;
de berekende afstand in meters tot waar het plaatsgebonden risico ten hoogste 1 op de 1.000.000, 1 op de 10.000.000 en 1 op de 100.000.000 per jaar is en de aan de berekening ten grondslag liggende rekenbestanden; en
de berekende afstand in meters voor de aandachtsgebieden, bedoeld in artikel 5.12 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, en de aan de berekening ten grondslag liggende rekenbestanden.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning voertuigen of werktuigen te tanken met LPG.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een installatie in werking te hebben waarin gassen worden gemengd en tot ontbranding worden gebracht met als doel het opwekken van een schokgolf.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het in werking hebben van een installatie waarin gassen worden gemengd en tot ontbranding gebracht, worden de volgende gegevens verstrekt:
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een praktijkruimte of laboratorium in werking te hebben waar gericht wordt gewerkt met biologische agens, met uitzondering van biologische agens die ingedeeld zijn of worden in groep 1 of groep 2 als gevolg van de indeling van risicogroepen van de richtlijn 2000/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 september 2000 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's van blootstelling aan biologische agentia op het werk (zevende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 83/391/EEG) (PbEG 2000, L 262).
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
informatie over de groep waarin het biologisch agens is of wordt ingedeeld als gevolg van de indeling in risicogroepen van de richtlijn biologische agentia;
informatie over de op grond van artikel 2.22, tweede lid, van de Wet dieren aangewezen ziekteverwekkers; en
een aanduiding van de ligging van de ruimten waar gewerkt wordt met het biologisch agens.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning ingeperkt gebruik als bedoeld in het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 te verrichten.
Het eerste lid is niet van toepassing op:
ingeperkt gebruik van genetisch gemodificeerde organismen als bedoeld in artikel 2.1 van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013; of
ingeperkt gebruik van genetisch gemodificeerde organismen die door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat op grond van artikel 2.2 of 2.8 van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 zijn ingeschaald in de categorie van fysische inperking S-I.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
Het is verboden zonder omgevingsvergunning afvalwater op of in de bodem te lozen, tenzij het lozen op grond van deze afdeling is toegestaan.
Het eerste lid is niet van toepassing op:
wonen;
een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of
het lozen op of in de bodem waaraan in een omgevingsvergunning voor een wateronttrekkingsactiviteit op grond van artikel 16.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving of een omgevingsvergunning voor een wateronttrekkingsactiviteit op grond van de waterschapsverordening voorschriften zijn gesteld.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater op of in de bodem worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
Het is verboden zonder omgevingsvergunning afvalwater of andere afvalstoffen te lozen in een schoonwaterriool, tenzij het lozen op grond van deze afdeling is toegestaan.
Het eerste lid is niet van toepassing op:
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater in die voorziening worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
Op het verlenen van een omgevingsvergunning voor de activiteiten, bedoeld in Artikel 22.261 tot en met Artikel 22.269, zijn de beoordelingsregels, bedoeld in de artikelen 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing.
Deze afdeling is van toepassing op het aanleggen of wijzigen van een weg of spoorweg, tenzij:
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een weg of spoorweg aan te leggen of te wijzigen als op grond van een omgevingsplan of bij omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit een geluidgevoelig gebouw is toegelaten binnen het aandachtsgebied van die weg of spoorweg.
Het eerste lid is niet van toepassing op een weg als:
deze is gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied;
een maximumsnelheid van 30 km per uur geldt;
de snelheid wordt verlaagd;
een wegdeklaag wordt vervangen door een wegdeklaag met dezelfde of een grotere geluidsreducerende werking;
de snelheid wordt verhoogd tot ten hoogste de maximumsnelheid, zoals die gold voor een tijdelijke snelheidsverlaging die als maatregel is opgenomen in een programma als bedoeld in artikel 5.12 van de Wet milieubeheer, zoals dat luidde voor inwerkingtreding van de Omgevingswet; of
het wijzigen, gerekend zonder het treffen van maatregelen, leidt tot:
niet meer dan 50 dB op de gevel van een geluidgevoelig gebouw;
als een hogere waarde is vastgesteld op grond van de Wet geluidhinder, de Experimentenwet Stad en Milieu, de Interimwet stad-en-milieubenadering of de Spoedwet wegverbreding: niet meer dan 2 dB meer geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw dan die hogere waarde of, als de heersende waarde lager is, de heersende waarde; of
als de weg en het geluidgevoelige gebouw op 1 januari 2007 waren toegelaten, niet eerder een hogere waarde is vastgesteld dan 48 dB en de heersende waarde hoger is dan 48 dB: niet meer dan 2 dB meer dan de heersende waarde.
Het eerste lid is niet van toepassing op een spoorweg als:
de intensiteit, de verkeerssnelheid of een combinatie van beide wordt gewijzigd waardoor het geluid onafgerond niet meer dan 1,0 dB toeneemt ten opzichte van het geluid gedurende de drie jaren voorafgaand aan de wijziging;
spoorstaven horizontaal worden verplaatst over een afstand van minder dan 2 m;
spoorstaven verticaal worden verplaatst over een afstand van minder dan 1 m;
de baanconstructie wordt vervangen door een baanconstructie die niet meer geluid emitteert dan de te vervangen constructie; of
het wijzigen, gerekend zonder het treffen van maatregelen, leidt tot:
Het aandachtsgebied van een weg, met inbegrip van een spoorweg die is verweven of gebundeld met delen van die weg, bedoeld in eerste, strekt zich aan weerszijden van de as van de weg uit tot de volgende afstand, gemeten vanaf de buitenste rijstrook of spoorstaaf:
Het aandachtsgebied van een spoorweg die niet is verweven of gebundeld met delen van een weg, bedoeld in eerste, strekt zich aan weerszijden van de as van de spoorweg uit tot de volgende afstand, gemeten vanaf de buitenste spoorstaaf:
Als zich langs een weg of spoorweg een aandachtsgebied bevindt dat bestaat uit delen met een onderling verschillende breedte, geldt voor de aansluiting van de verschillende delen dat het breedste deel over een afstand gelijk aan een derde van de breedte van dat deel, gemeten vanaf het punt van versmalling van de breedte, nog langs de as van de weg of spoorweg doorloopt en met een loodlijn aansluit op het smalste aandachtsgebied.
Aan de uiteinden van een weg of spoorweg loopt het aandachtsgebied door over een afstand gelijk aan de breedte van dat gebied ter hoogte van dat uiteinde. Het aandachtsgebied loopt door langs een lijn die is gelegen in het verlengde van de as van de weg of spoorweg en behoudt de breedte die het had ter hoogte van het uiteinde.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in Artikel 22.272, eerste lid, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een akoestisch onderzoek naar:
het geluid dat geluidgevoelige gebouwen binnen het aandachtsgebied onmiddellijk voorafgaand aan de wijziging of aanleg van de weg of spoorweg ondervinden;
het geluid dat geluidgevoelige gebouwen binnen het aandachtsgebied in de toekomst door de weg of spoorweg zouden ondervinden zonder de invloed van maatregelen die de geluidsbelasting beperken;
het geluid door andere wegen of niet te wijzigen delen van de weg, als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de wijziging van een weg zal leiden tot een toename van meer dan 2 dB van het geluid op geluidgevoelige gebouwen door die wegen of delen;
de doeltreffendheid van de in aanmerking komende verkeersmaatregelen en andere maatregelen om te voorkomen dat het in de toekomst door de weg optredende geluid op de gebouwen, bedoeld onder 1, de standaardwaarde, zijnde 53 Lden voor een weg en 55 Lden voor een spoorweg, te boven zou gaan of om te voorkomen dat het geluid op geluidgevoelige gebouwen toeneemt ten opzichte van het geluid onmiddellijk voorafgaand aan de wijziging;
een beschrijving van de voorgenomen maatregelen, bedoeld onder a, onder 4; en
een beschrijving van te treffen geluidwerende maatregelen aan gevels van gebouwen waarvoor het toekomstige geluid hoger wordt dan de standaardwaarde en toeneemt ten opzichte van de situatie voor de wijziging of aanleg, voor zover nodig om te voldoen aan de grenswaarde, bedoeld in tabel 3.53 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 22.272, eerste lid, wordt alleen verleend als de activiteit er niet toe leidt dat de grenswaarde 70 Lden wordt overschreden.
Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 22.272, eerste lid, worden voorschriften verbonden die ertoe strekken dat:
Deze paragraaf is van toepassing op een regel in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet, op grond waarvan:
het is verboden zonder omgevingsvergunning werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren;
het is verboden zonder omgevingsvergunning een sloopactiviteit te verrichten; of
bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van daarbij aangegeven regels in dat tijdelijke deel van dit omgevingsplan.
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of werkzaamheid waarvoor op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een omgevingsvergunning is vereist, wordt, als die activiteit niet in strijd is met de in dat tijdelijke deel gestelde regels over het verlenen van de vergunning voor die activiteit, in afwijking van die regels de omgevingsvergunning voor die activiteit geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft van kracht is:
een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.103 of 4.104 van de Invoeringswet Omgevingswet, een als voorbereidingsbesluit geldend tracébesluit als bedoeld in artikel 4.49 van de Invoeringswet Omgevingswet, of een als voorbereidingsbesluit geldend besluit krachtens de Wet luchtvaart als bedoeld in artikel 4.104a van de Invoeringswet Omgevingswet; of
een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet waarvoor het omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht nog niet in werking is getreden.
In afwijking van het eerste lid kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan respectievelijk het in voorbereiding zijnde omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht.
In aanvulling op het eerste lid wordt de omgevingsvergunning ook geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft voor de dag van de ontvangst van de aanvraag:
een ontwerp van een bestemmingsplan of van een inpassingsplan ter inzage is gelegd en de termijn voor de vaststelling van het bestemmingsplan of inpassingsplan ingevolge artikel 3.8, eerste lid, onder d, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden;
een bestemmingsplan of inpassingsplan is vastgesteld en de termijn voor de bekendmaking van het bestemmingsplan of inpassingsplan na de vaststelling ingevolge artikel 3.8, derde, vierde of zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden; of
een bestemmingsplan of inpassingsplan na vaststelling is bekendgemaakt, en het bestemmingsplan of inpassingsplan op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag nog niet in werking is getreden of in beroep is vernietigd.
Voor zover in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald dat het is verboden zonder omgevingsvergunning een sloopactiviteit te verrichten, kan de omgevingsvergunning in ieder geval worden verleend als het naar het oordeel van het bevoegd gezag aannemelijk is dat op de locatie van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.
Voor zover voor een activiteit in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald dat bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van daarbij aangegeven regels, geldt deze bepaling als verbod om de activiteit zonder omgevingsvergunning te verrichten.
Voor zover de in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet gestelde regels over het voor een activiteit als bedoeld in 22.280 bij omgevingsvergunning afwijken van regels in dat tijdelijke deel de verplichting bevatten om als de activiteit niet in strijd is met die regels de omgevingsvergunning te verlenen, wordt deze verplichting gelezen als een bevoegdheid.
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in 22.280 die in strijd is met de in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet, gestelde regels over afwijking, kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in dat tijdelijke deel.
Op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend, zijn van overeenkomstige toepassing:
artikel 8.0b, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
artikel 8.0c, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en
artikel 8.0d, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Artikel 22.283 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het verstrekken van gegevens en bescheiden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning die is vereist op grond van:
het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet;
22.280 van dit omgevingsplan;
een andere gemeentelijke regeling dan dit omgevingsplan in samenhang met artikel 22.8 van de Omgevingswet; of
artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.
Artikel 22.284 Omgevingsplanactiviteit: uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of een werkzaamheid worden gegevens en bescheiden verstrekt over:
Voor zover dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld
Artikel 22.285 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een bouwwerk
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit wordt aannemelijk gemaakt dat op de locatie van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.
Artikel 22.286 Omgevingsplanactiviteit: afwijking van regels van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in 22.280 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het beoogde en het huidige gebruik van de locaties en bouwwerken waarop de aanvraag betrekking heeft;
een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:
de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;
de situering van bouwwerken ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;
de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;
de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en
het beoogd gebruik van de locatie behorende bij het voorgenomen bouwwerk.
Zo nodig wordt een rapport verstrekt waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld.
Artikel 22.287 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument: algemeen
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het monumentnummer en, voor zover van toepassing, de naam van het monument of de plaatselijke aanduiding van het archeologisch monument;
de opgave van het huidige gebruik van het gemeentelijk monument en het voorgenomen gebruik, als dat afwijkt van het huidige gebruik; en
de motivering voor het verrichten van de activiteit en een omschrijving van de gevolgen ervan voor het gemeentelijk monument.
Artikel 22.288 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument voor zover het gaat om een archeologisch monument
Bij een aanvraag als bedoeld in 22.287, worden, voor zover het gaat om een archeologisch monument, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een omschrijving van de aard van de activiteit, met vermelding van:
een topografische kaart voorzien van een noordpijl en minimaal twee coördinatieparen, met de exacte locatie en omvang van de activiteit;
doorsnedetekeningen met de exacte locatie, omvang en diepte van de afzonderlijke ingrepen ten opzichte van het maaiveld;
als sprake is van een opgraving, ook als deze alleen bestaat uit een proefsleuvenonderzoek of een proefputtenonderzoek: een programma van eisen voor de opgraving;
als sprake is van een booronderzoek met boren met een diameter groter dan 10 cm: een plan van aanpak voor een booronderzoek;
als sprake is van een zichtbaar archeologisch monument: overzichtsfoto's van de bestaande situatie en plantekeningen van de nieuwe toestand; en
voor zover de activiteit bestaat uit een bouwactiviteit: funderingstekeningen.
Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een rapport waarin de archeologische waarde van dat deel van het archeologisch monument waarop de activiteit van invloed is, in voldoende mate nader is vastgesteld;
een rapport waarin de gevolgen van de activiteit op de archeologische waarden in voldoende mate inzichtelijk zijn gemaakt;
detailtekeningen met van de afzonderlijke ingrepen:
voor zover de activiteit bestaat uit aanlegwerkzaamheden of een ontgrondingsactiviteit:
als sprake is van een sloopactiviteit: bestaande funderingstekeningen; of
als sprake is van een archeologisch monument onder water: een vlakdekkende hoge resolutie sonaropname van de waterbodem en ultrahoge resolutie sonaropnamen van details.
Artikel 22.289 Eisen aan tekeningen als bedoeld in artikel 22.288
Tekeningen als bedoeld in 22.288 hebben een schaal die niet kleiner is dan:
Artikel 22.290 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een gemeentelijk monument voor zover het gaat om een monument
Bij de aanvraag, bedoeld in 22.287, worden, voor zover het gaat om het slopen van een monument, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
de volgende kleurenfoto's die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen sloop:
de volgende tekeningen:
een omschrijving van de sloopmethode en de aard van en bestemming voor het vrijkomend materiaal.
Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie of tuinhistorie;
als sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van de bodem onder het te slopen bouwwerk in voldoende mate is vastgesteld;
een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft; of
een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische en constructieve aspecten.
Artikel 22.291 Omgevingsplanactiviteit: verplaatsen van een gemeentelijk monument voor zover het gaat om een monument
Bij de aanvraag, bedoeld in 22.287, worden, voor zover het gaat om het gedeeltelijk of volledig verplaatsen van een monument, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft;
de volgende kleurenfoto's die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen verplaatsing:
de volgende tekeningen:
een bestek of werkomschrijving van de wijze van demonteren, van het verplaatsen naar de nieuwe locatie en de herbouw; en
als de activiteit bestaat uit het verplaatsen van een molen; een rapport over de molenbiotoop van de bestaande en de nieuwe situatie.
Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie, tuinhistorie of over de relatie van het monument tot zijn historische omgeving;
als op de bestaande of op de nieuwe locatie sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van het terrein dat volgens de aanvraag door de activiteit zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld;
een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische, constructieve, materiaaltechnische of preventieve aspecten;
aanvullende tekeningen van de bestaande en nieuwe toestand, met inbegrip van detailtekeningen; of
een opgave van de bij de voorbereiding en het verrichten van de activiteit te hanteren uitvoeringsrichtlijnen.
Artikel 22.292 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument: wijzigen van een monument of monument door herstel ontsieren of in gevaar brengen
Bij de aanvraag, bedoeld in 22.287, worden, voor zover het gaat om het wijzigen van een monument of het herstellen daarvan waardoor het kan worden ontsierd of in gevaar kan worden gebracht, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
de volgende kleurenfoto's die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen activiteit:
de volgende tekeningen:
een situatietekening van de bestaande situatie, en als de nieuwe situatie daarvan afwijkt: een situatietekening van de nieuwe situatie;
opnametekeningen van de bestaande toestand met voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag:
als er gebreken worden hersteld: gebrekentekeningen;
plantekeningen van de nieuwe toestand en van de voorgenomen werkzaamheden, met inbegrip van de te vervangen of te veranderen onderdelen en de te verhelpen gebreken, met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag:
als sprake is van verwijdering van materiaal: slooptekeningen; en
een omschrijving van de aard en omvang van de activiteit in de vorm van een bestek of werkomschrijving, met:
Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie of tuinhistorie;
als sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld;
een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft;
een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische, constructieve, materiaaltechnische of preventieve aspecten;
aanvullende tekeningen van de bestaande en nieuwe toestand, met inbegrip van detailtekeningen;
voor zover er algemene kwaliteitsnormen of uitvoeringsrichtlijnen voor de instandhouding van monumenten op de activiteit van toepassing zijn: een opgave of de voorgenomen activiteit hierop is afgestemd; of
als de activiteit een monument betreft dat een tuinaanleg, parkaanleg of andere groenaanleg is: een beheervisie.
Artikel 22.293 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument: monument door gebruik ontsieren of in gevaar brengen
Bij een aanvraag als bedoeld in 22.287 wordt, voor zover het gaat om het gebruiken van een monument waardoor het kan worden ontsierd of in gevaar gebracht, een opgave verstrekt van de maatregelen die worden getroffen om deze nadelige gevolgen te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.
Artikel 22.294 Eisen aan tekeningen als bedoeld in de artikelen 22.290 tot en met 22.292
Bij een aanvraag als bedoeld in 22.290 tot en met 22.292 hebben tekeningen een schaal die niet kleiner is dan:
Een detailtekening heeft een schaal van 1:1, 1:2 of 1:5 en is voorzien van een omschrijving van de materiaaltoepassing en de maatvoering.
Uit een situatietekening die is voorzien van een noordpijl blijkt de oriëntatie van het monument op het perceel en ten opzichte van omliggende bebouwing en wegen.
Een plattegrondtekening en een doorsnedetekening bevatten de volgende historische gegevens:
balklagen:
geornamenteerde plafonds, gestippeld aangegeven in plattegronden van de ruimten waar deze zich bevinden;
houtafmeting, balklagen en kapconstructie, aangegeven in doorsneden van de bestaande en van de nieuwe toestand; en
bijzondere ruimten of bouwdelen, direct of indirect betrokken bij de activiteit, aangegeven in plattegronden en doorsneden.
Artikel 22.295 Overeenkomstige toepassing voorbeschermd gemeentelijk monument
22.287 tot en met 22.294 zijn van overeenkomstige toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een voorbeschermd gemeentelijk monument.
Artikel 22.296 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een bouwwerk in een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit in een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht wordt aannemelijk gemaakt dat op de locatie van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.
Zo nodig wordt een rapport verstrekt waarin de archeologische waarde van de bodem onder het te slopen bouwwerk in voldoende mate is vastgesteld.
Artikel 22.297 Omgevingsplanactiviteit: uitweg
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het maken, hebben of veranderen van een uitweg of het gebruik daarvan worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
de locatie van de uitweg aan het voor-, zij- of achtererf;
de afmeting van de nieuwe uitweg of de te veranderen bestaande uitweg en de beoogde verandering daarvan;
de te gebruiken materialen; en
de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan voor het aanleggen of het gebruik van de uitweg, zoals bomen, lantaarnpalen en nutsvoorzieningen.
Artikel 22.298 Omgevingsplanactiviteit: alarminstallatie
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het hebben van een alarminstallatie in, op of aan een onroerende zaak die een voor de omgeving opvallend geluid of lichtsignaal kan produceren, bedoeld in een gemeentelijke verordening, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
Artikel 22.299 Omgevingsplanactiviteit: vellen van houtopstand
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand, identificeert de aanvrager op de aanduiding, bedoeld in artikel 7.3, onder d, van de Omgevingsregeling, iedere houtopstand waarop de aanvraag betrekking heeft met een nummer.
Per genummerde houtopstand worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
de soort houtopstand;
de locatie van de houtopstand op het voor-, zij-, of achtererf;
de diameter in centimeters, gemeten op 1,30 meter vanaf het maaiveld; en
de mogelijkheid tot herbeplanten of het voornemen om op een daarbij te vermelden locatie tot herbeplanten van een daarbij te vermelden aantal soorten over te gaan.
Artikel 22.300 Omgevingsplanactiviteit: handelsreclame
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het maken of voeren van handelsreclame op of aan een onroerende zaak met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die zichtbaar is vanaf een voor het publiek toegankelijke plaats, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
Als een andere dan de eigenaar, beperkt zakelijk gerechtigde of gebruiker van de onroerende zaak met diens toestemming handelsreclame maakt of voert, vermeldt de aanvrager in de aanvraag de naam, het adres en de woonplaats van die ander.
Artikel 22.301 Omgevingsplanactiviteit: opslaan roerende zaken
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het opslaan van roerende zaken in een daarbij aangewezen gedeelte van de gemeente worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
Als een ander dan de eigenaar, beperkt zakelijk gerechtigde of gebruiker van de onroerende zaak met diens toestemming roerende zaken opslaat, vermeldt de aanvrager in de aanvraag de naam, het adres, en de woonplaats van die ander.
Artikel 22.302 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een bouwwerk in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht wordt aannemelijk gemaakt dat op de locatie van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.
Zo nodig wordt een rapport verstrekt waarin de archeologische waarde van de bodem onder het te slopen bouwwerk in voldoende mate is vastgesteld.
Aan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of een werkzaamheid als bedoeld in het eerste lid, die van invloed is op een archeologisch monument kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg in ieder geval voorschriften worden verbonden, die inhouden een plicht tot:
het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in situ kunnen worden behouden;
het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;
het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties; en
het verrichten van een opgraving of een archeologische begeleiding op een bepaalde wijze, als die wijze in overeenstemming is met artikel 5.4, eerste en tweede lid, van de Erfgoedwet.
Aan een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit op of in een archeologisch monument in een beschermd stads- of dorpsgezicht kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg voorschriften over de wijze van slopen worden verbonden.
Een vergunning, ontheffing, maatwerkvoorschrift, of een ander besluit dat genomen is op grond van een gemeentelijke verordening die is vervangen door dit omgevingsplan, blijft gelden, hetzij tot het einde van de looptijd, hetzij tot het tijdstip dat het besluit met toepassing van dit omgevingsplan wordt gewijzigd of ingetrokken.
Een omgevingsvergunning of maatwerkvoorschrift verleend of gesteld op grond van dit omgevingsplan blijft ook na wijziging van de daarop betrekking hebbende regels in dit omgevingsplan gelden, hetzij tot het einde van de looptijd, hetzij tot het tijdstip dat het besluit met toepassing van dit omgevingsplan wordt gewijzigd of ingetrokken.
Op een aanvraag om een omgevingsvergunning of maatwerkvoorschrift op grond van dit omgevingsplan wordt de beslissing genomen met toepassing van de regels zoals die gelden op het moment dat op de aanvraag wordt beslist.
In afwijking van het eerste lid geldt voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken dat de regels over die activiteit worden toegepast zoals die op grond van het omgevingsplan golden op het moment van de aanvraag, maar uitsluitend indien ten tijde van het indienen van de aanvraag sprake was van een rechtstreekse aanspraak op het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken, en er ook geen voorbeschermingsregels van toepassing waren.
Als op grond van dit omgevingsplan voor een activiteit een meldingsplicht of informatieplicht van toepassing wordt, dient de melding of kennisgeving uiterlijk zes maanden na inwerkingtreding van de verplichting te zijn gedaan, tenzij elders in dit omgevingsplan een andere termijn is gesteld.
Als eerder op grond van een gemeentelijke verordening een meldingsplicht of informatieplicht gold, en die verplichting is opgegaan in dit omgevingsplan, dan geldt een eerdere melding of kennisgeving op grond van die verordening als een melding of kennisgeving op grond van dit omgevingsplan.
Als eerder op grond van een gemeentelijke verordening een vergunningplicht of een ontheffingsmogelijkheid gold, en die verplichting of mogelijkheid is als meldingsplicht of informatieplicht opgegaan in dit omgevingsplan, dan geldt de aanvraag van een verleende vergunning of ontheffing als een melding of kennisgeving op grond van dit omgevingsplan.
Als een activiteit voor de inwerkingtreding van een wijziging van dit omgevingsplan zonder ontheffing of vergunning onafgebroken rechtmatig is verricht, en als gevolg van een wijziging van het omgevingsplan een vergunningplicht gaat gelden, dan geldt voor die activiteit bij de inwerkingtreding van die nieuwe vergunningplicht een omgevingsvergunning van rechtswege voor een termijn van twee jaar, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van die vergunningplicht.
De in het eerste lid bedoelde omgevingsvergunning van rechtswege vervalt indien de vergunningplichtige activiteit, bedoeld in het eerste lid, na inwerkingtreding van de in het eerste lid bedoelde nieuwe vergunningplicht, voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken.
In afwijking van artikel 23.5, eerste lid, geldt dat het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip waarop een wijziging van dit omgevingsplan in werking is getreden, en, als gevolg van die wijziging in strijd is gekomen met de regels over gebruik, gesteld in hoofdstuk 2, mag worden voortgezet.
Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip waarop een wijziging van dit omgevingsplan in werking is getreden, voor zover met die wijziging van hoofdstuk 2 expliciet is voorzien in een verbod om zonder omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit een bepaalde activiteit te verrichten. In dat geval is artikel 23.5 onverkort van toepassing.
Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat voorafgaand aan wijziging van dit omgevingsplan reeds in strijd was met de voorheen geldende regels over gebruik in dit omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen daarvan.
Het is verboden het strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen in een ander met het omgevingsplan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot.
Indien het strijdig gebruik, bedoeld in het eerste lid, na inwerkingtreding van de in het eerste lid bedoelde wijziging voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
Een bouwwerk dat op het tijdstip dat een wijziging van dit omgevingsplan in werking is getreden aanwezig is en afwijkt van het omgevingsplan na wijziging, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
in stand worden gehouden, gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd en in vernieuwde of veranderde staat in stand worden gehouden;
na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd en in vernieuwde of veranderde staat in stand worden gehouden, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
Onder een bouwwerk dat op het tijdstip dat een wijziging van dit omgevingsplan in werking is getreden aanwezig is, wordt in dit artikel tevens verstaan een bouwwerk dat in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen.
Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip dat een wijziging van dit omgevingsplan in werking is getreden, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met de voorheen geldende regels over bouwwerken in dit omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen daarvan.
Burgemeester en wethouders kunnen eenmalig in afwijking van het eerste lid bij omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken instemmen met het vergroten van de inhoud van een bouwwerk, bedoeld in het eerste lid, met maximaal 10%.
Een bouwwerk waarop het overgangsrecht voor bestaande bouwwerken in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet, van toepassing is, mag in stand worden gehouden.
Op een bestuurlijke sanctie ter uitvoering of handhaving van regels in een gemeentelijke verordening die nadat het besluit is genomen zijn opgegaan in dit omgevingsplan, blijft het recht zoals dat luidde voor de wijziging op die bestuurlijke sanctie van toepassing tot het tijdstip waarop:
Op een bestuurlijke sanctie ter uitvoering of handhaving van regels in dit omgevingsplan, die nadat het besluit is genomen gewijzigd in werking zijn getreden, blijft het recht zoals dat luidde voor de wijziging op die bestuurlijke sanctie van toepassing tot het tijdstip waarop:
Een bouwwerk – geen mestopslagplaats zijnde – voor het opslaan van agrarische producten ten behoeve van de veehouderij en/of kuilvoer.
Een aan een hoofdgebouw gebouwde zelfstandige ruimte, die daaraan ruimtelijk (door zijn constructie of afmetingen) ondergeschikt is - maximaal bestaande uit één bouwlaag al dan niet met kap en die vanuit het hoofdgebouw rechtstreeks toegankelijk is.
Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.
De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.
De grens van een aanduidingsvlak.
Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde aanduiding.
Omgevingsplanactiviteit bestaande uit het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, ongeacht of die werkzaamheden plaatsvinden in het kader van het realiseren van een bouwwerk.
Een aanlegactiviteit, bedoeld in afdeling 7.2 van dit omgevingsplan.
afstand tussen een leiding van het distributienet en het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij die leiding bevindt, gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt;
Horecabedrijf dat tevens is gericht op de verkoop van ter plaatse bereide etenswaren voor het nuttigen elders.
Een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren.
Doeleinden die gericht zijn op het bedrijfsmatig voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren.
Gebouwen ten dienste van agrarische doeleinden, niet zijnde een dienstwoning.
Een door burgemeester en wethouders aan te wijzen onafhankelijke deskundige met een aantoonbare specifieke deskundigheid op het gebied van de archeologische monumentenzorg.
De aan een gebied toegekende waarde in verband met de kennis en studie van de in de bodem voorkomende overblijfselen uit oude tijden.
Accreditatieschema Veldwerk bij Milieuhygiënisch Bodem- en waterbodemonderzoek, versie 2.8, 07‑02‑2014, met wijzigingsblad van 10‑02‑2018.
Een opvangcentrum voor asielzoekers die tijdelijk in het land verblijven tot over hun asielaanvraag is beslist.
Één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.
Het percentage van gronden, nader bepaald in de regels, dat ten hoogste mag worden bebouwd.
Een kleinschalige, aan de woonfunctie ondergeschikte, verblijfsvoorziening in een woning en/of aangebouwde bijbehorende bouwwerken, gericht op het aanbieden van logies en ontbijt. Onder een bed & breakfast voorziening wordt niet verstaan overnachting, noodzakelijk in verband met het verrichten van tijdelijke of seizoensgebonden werkzaamheden en/of arbeid of permanente kamerverhuur.
Een onderneming, zaak of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis verbonden beroepen daaronder niet begrepen
De totale vloeroppervlakte van kantoren, winkels of bedrijven met inbegrip van de daartoe behorende magazijnen en overige dienstruimten.
Een woning, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de aard van de bedrijfsvoering noodzakelijk is.
De onderste bouwlaag van een gebouw, niet zijnde een kelder.
Bestaand als bedoeld in de artikel 2.5 (bestaand gebruik) en artikel 5.5 (bestaand bouwwerk).
De bestaande bouwhoogte van elk afzonderlijk punt van het legaal gebouwd bestaand gebouw.
De bestaande goothoogte van elk afzonderlijk punt van het legaal gebouwd bestaand gebouw.
bodemgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 5.89g van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
bodemgevoelige locatie als bedoeld in artikel 5.89h van het Besluit kwaliteit leefomgeving of een locatie waar als gevolg van het gebruik sprake is van een verhoogde kans op blootstelling aan de grond, zijnde een:
Het telen van laan- en sierbomen, vruchtbomen en/of heesters.
Elk terrein waarop bosbouw wordt uitgeoefend, zijnde het geheel van bedrijfsmatig handelen en activiteiten gericht op de duurzame instandhouding en ontwikkeling van bestaande en nieuwe bossen ten behoeve van (één of meerdere van de functies) natuur, houtproductie, landschap, milieu (waaronder begrepen waterhuishouding) en recreatie.
Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.
De grens van een bouwvlak.
Een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd; zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van kelder (ruimte onder peil) en zolder (ruimten onder de kap). De bouwhoogte van een bouwlaag bedraagt niet meer dan 4 m.
Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.
Een grens van een bouwperceel.
Een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.
Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.
De wijze van bouwen van een hoofdgebouw, waarbij wordt verstaan onder:
aaneengebouwd:
bebouwing die wordt gekenmerkt door een rij van minimaal drie aan elkaar gebouwde hoofdgebouwen, niet zijnde gestapelde woningen;
geschakeld:
bebouwing, waarvan het hoofdgebouw door middel van een bijbehorend bouwwerk verbonden is aan een ander hoofdgebouw en waarbij één zijgevel van het hoofdgebouw in de zijdelingse perceelsgrens mag worden gebouwd;
gestapeld:
bebouwing bestaande uit zich in één hoofdgebouw boven en naast elkaar bevindende zelfstandige woningen en/of bijzondere woonruimten;
twee-aan-een:
bebouwing waarvan het hoofdgebouw aan maximaal één zijde grenst aan een ander hoofdgebouw en daardoor aan die zijde in de zijdelingse perceelsgrens is gebouwd;
vrijstaand:
bebouwing waarbij het hoofdgebouw aan beide zijden niet in de perceelsgrens is gebouwd;
rug-aan-rug:
een woning waarbij de achtergevel gedeeld wordt met een andere woning.
Beoordelingsrichtlijn 2000, Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek, versie 5, 12‑12‑2013.
Beoordelingsrichtlijn 7000, Uitvoering van (water)bodemsaneringen en ingrepen in de waterbodem, versie 5, 19‑06‑2014, met wijzigingsblad van 12‑02‑2015
het bruto-vloeroppervlak berekend volgens NEN 2580.
Een horecabedrijf, niet zijnde een discotheek of bar-dancing, dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van alcoholische en niet-alcoholische dranken voor consumptie ter plaatse, met als nevenactiviteiten het verstrekken van kleinere etenswaren, al dan niet ter plaatse bereid.
Een niet-omgevingsvergunningplichtige ruimte, niet zijnde een gebouw (waaronder een stacaravan), in de vorm van een aanhangwagen, gefabriceerd, ingericht en bestemd voor het genieten van recreatief verblijf elders en bedoeld om achter een personenauto voortbewogen te worden.
Een overdekte stallingsruimte die dient als stallingsplaats voor een motorvoertuig, die geen eigen wanden of deuren heeft en waarvan de begrenzing wordt gevormd door maximaal 3 wanden van gebouwen en/of ondersteuningen van het dak;
De aan een bouwwerk of een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan en door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk of gebied heeft gemaakt.
Een kleine toren op de nok van een dak, uitsluitend ter decoratie van een gebouw.
Het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit en waarbij een showroom en/of verkoopruimte ter plaatse aanwezig is; horeca-activiteiten zijn hieronder niet begrepen.
Het verkopen van producten, die door het toegelaten bedrijf zijn voortgebracht, geteeld of vervaardigd.
Het verkopen van plaatselijk gekweekte of vervaardigde producten op een agrarisch bedrijf al dan niet in combinatie met een nevenfunctie, als ondergeschikte nevenactiviteit, aan personen die deze producten kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;
Detailhandel in auto's, boten, caravans, bouwmarkten en grove bouwmaterialen, keukens, sanitair en woninginrichting waaronder meubels.
Dienstverlening door een bedrijf met uitsluitend of in hoofdzaak een verzorgende taak met een publieksgerichte functie zoals wasserette, kapsalon, schoonheidssalon, opticien, autorijschool, videotheek, uitzendbureau, reisbureau, bank, postkantoor, telefoon-/internetdienst, makelaarskantoor, foto-atelier (inclusief ontwikkelen), kopieerservicebedrijf, schoenreparatiebedrijf, alsmede naar aard en uitstraling overeenkomstige bedrijven;
Het omzetten van de grond, gemeten vanaf peil met een diepte van minimaal 0,80 m, ten behoeve van het agrarisch gebruik.
Een horecabedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van dranken voor gebruik ter plaatse waarbij het doen beluisteren van (overwegend mechanische) muziek en het gelegenheid geven tot dansen een wezenlijk onderdeel vormt.
collectief circulatiesysteem voor het transport van warmte door een circulerend medium voor verwarming of warmtapwater;
Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
Agrarische bedrijfsvoering gericht op het ontwikkelen van activiteiten, waarbij de productie geheel of nagenoeg geheel afhankelijk is van het producerend vermogen van de grond, bijvoorbeeld melkveehouderijen en akkerbouw.
Het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan wederverkopers, dan wel aan instellingen of personen ter aanwending in een andere bedrijfsactiviteit.
Vormen van horeca-activiteiten waar in hoofdzaak maaltijden wordt verstrekt en waarvan de exploitatie doorgaans geen aantasting van het woon- en leefklimaat veroorzaakt: restaurants, hotels, pensions.
Vormen van horeca-activiteiten die:
qua exploitatievorm aansluiten bij winkelvoorzieningen en waar naast kleinere etenswaren in hoofdzaak alcoholvrije dranken wordt verstrekt: broodjeszaken, cafetaria's, ijssalons, eethuisjes, lunchrooms, automatiek, internetcafé voor zover een horeca-activiteit wordt ontplooid, afhaalhoreca; en
qua exploitatie en qua openingstijden richten op de winkelactiviteiten en geen druk op de omgeving veroorzaken.
Vormen van horeca-activiteiten die:
qua exploitatievorm aansluiten bij winkelvoorzieningen en waar naast kleinere etenswaren in hoofdzaak alcoholvrije dranken wordt verstrekt: broodjeszaken, cafetaria's, ijssalons, eethuisjes, lunchrooms, automatiek, internetcafé voor zover een horeca-activiteit wordt ontplooid, afhaalhoreca; en
qua exploitatie en qua openingstijden richten op de reguliere horeca en druk op de omgeving kunnen veroorzaken.
Vormen van horeca-activiteiten waarbij in hoofdzaak alcoholische drank wordt verstrekt en waarvan de exploitatie een aantasting van het woon- en leefklimaat kan veroorzaken en een grote druk op de openbare orde met zich meebrengt: café, bars, dancings, discotheken en nachtclubs, alsmede horeca met zaalaccommodatie.
Bedrijven, gericht op het verstrekken van ter plaatse te nuttigen voedsel en dranken en/of het exploiteren van zaalaccommodatie en/of het bieden van nachtverblijf.
Een horecabedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van logies (per nacht) met als nevenactiviteiten het verstrekken van maaltijden en/of dranken voor consumptie ter plaatse en/of de verhuur van een zaalruimte voor feesten en partijen.
Het voortbrengen van hout op bedrijfsmatige wijze door een mede daarop afgestemd duurzaam beheer van bos.
Één of meerdere personen die in vast verband samenleven (eventueel met (hun) kinderen) waarbij sprake is van continuïteit in de samenstelling ervan en van onderlinge verbondenheid.
Detailhandel zonder showroom en verkoopruimte, waarvan de handel via internet en andere media loopt.
Een voorziening waar jongeren bij elkaar kunnen komen of elkaar kunnen ontmoeten, al dan niet met een zitgelegenheid en beschutting tegen regen en wind.
Een onzelfstandige woonruimte in een woning en/of vrijstaand bijbehoren bouwwerk, die geen eigen adres heeft en waarbij de bewoner afhankelijk is van één of meer gedeelde wezenlijke voorzieningen (keuken, douche en/of toilet) buiten die woonruimte.
Bewoning van een kamer.
Een verblijfsruimte die door haar aard, indeling en inrichting kennelijk is bedoeld voor het verrichten van werkzaamheden van hoofdzakelijk administratieve aard.
Een geheel of gedeeltelijke niet horizontale dakconstructie gevormd door ten minste twee schuin hellende dakschilden met een helling van elk ten minste 15° en ten hoogste 75°.
Een agrarisch gebouw waarvan de wanden en het dak voornamelijk bestaan uit glas en ander lichtdoorlatend materiaal.
Een overdekte, met wanden omsloten, voor mensen toegankelijke ruimte, beneden of tot ten hoogste 1 m boven de gemiddelde, bestaande hoogte van het aan het gebouw grenzende terrein.
De aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het waarneembare deel van het aardoppervlak, die wordt bepaald door de onderlinge samenhang en beïnvloeding van de levende en niet-levende natuur.
drempelloos, brede deuren en draaicirkels geschikt voor minimaal rollator, toegankelijke bergingsruimte met elektriciteit voor stalling scootmobiel, aanwezigheid van of mogelijkheid voor alle primaire voorzieningen op 1 verdieping (toilet, badkamer, 1 slaapkamer, woonkamer, keuken).
Afdak of overkapping met een diepte van tenminste 1 m, aan of bij een gebouw, al of niet ondersteund.
Voorzieningen en/of activiteiten ten behoeve van openbaar bestuur, openbare dienstverlening, religie, verenigingsleven, onderwijs met bijbehorende sport- en gymnastieklokalen, (kinder)dagopvang, naschoolse opvang, opvoeding, bibliotheek, lichamelijke en/of geestelijke gezondheid van mens en dier.
De aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door geologische, geomorfologische, bodemkundige en biologische elementen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang.
Activiteiten die in ruimtelijke en bedrijfseconomische zin een ondergeschikt bestanddeel vormen van de totale bedrijfsactiviteiten op een agrarisch bouwperceel.
Een beroeps- of bedrijfsactiviteit, waarvan de activiteiten niet specifiek publiekgericht zijn, en dat op kleine schaal in een woning en/of de daarbij behorende bijbehorende bouwwerken wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende activiteit een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie ter plaatse.
Een onderdeel van een bedrijf, dat andere bedrijfsactiviteiten als inkomstenbron heeft en waarvoor het kantoor uitsluitend een ondersteunende functie heeft.
Voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie.
De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen.
Omgevingsplanactiviteit bestaande uit het bouwen van een bouwwerk en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk.
Omgevingsplanactiviteit bestaande uit het geheel of gedeeltelijk afbreken van een bouwwerk.
Detailhandel die als activiteit in ruimtelijk, functioneel en inkomenswervend opzicht duidelijk ondergeschikt en gerelateerd is aan de hoofdfunctie en waarbij geen specifieke inrichting voor de detailhandelsfunctie is toegestaan.
Onder peil.
Een horecavoorziening binnen een activiteit waarvan de functie een andere dan horeca is, maar waar men ten behoeve van de hoofdfunctie en ondergeschikt en ondersteunend aan deze hoofdfunctie een ruimte specifiek heeft ingericht voor de consumptie van drank en etenswaren;
Een aan- of uitgebouwd bouwdeel, dat gelegen is op minimaal 2,5 m boven peil, dat geen grotere hoogte heeft dan het aangrenzende bouwdeel, dat uitsteekt ten opzichte van het eronder gelegen deel en dat geen rechtstreekse verbinding heeft met het aansluitend afgewerkte terrein.
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde met één dakvlak en maximaal één gesloten wand.
Gebruik van een woning, recreatiewoning of andere woonruimte door eenzelfde persoon of eenzelfde huishouden op een wijze die ingevolge het bepaalde in de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens noopt tot inschrijving in het bevolkingsregister van de gemeente Neder-Betuwe.
Het omgevingsplan 'Neder-Betuwe' met identificatienummer XXXX van de gemeente Neder-Betuwe.
Een dak met een dakhelling van minder dan 15º.
De verkoop van goederen die ter plaatse worden vervaardigd, gerepareerd en/of toegepast in het productieproces waarbij de detailhandelsfunctie ondergeschikt is aan de productiefunctie.
Een publieksgerichte beroeps- of bedrijfsactiviteit, waarvan de activiteiten in hoofdzaak publieksgericht zijn en waarvan de omvang en uitstraling zodanig is, dat de activiteit past binnen de desbetreffende woonomgeving en derhalve in een woning en/of de daarbij behorende bijbehorende bouwwerken, met behoud van de woonfunctie, kan worden toegestaan.
Een kleinschalige, niet-bedrijfsmatige voorziening met een dagrecreatief karakter, zoals zwembad of tennisbaan.
Een permanent aanwezig gebouw, geen stacaravan zijnde, bestemd om uitsluitend door een huishouden of daarmee gelijk te stellen groep van personen, dat het hoofdverblijf elders heeft, gedurende een gedeelte van het jaar bewoond te worden uitsluitend voor recreatieve doeleinden. Hieronder wordt tevens verstaan een chalet en een vakantiehuisje.
Bedrijven waar een activiteit plaatsvindt die in Bijlage VII t/m X bij het Besluit kwaliteit leefomgeving is aangewezen.
Een voor publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in omvang als zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in elk geval verstaan: een (raam)prostitutiebedrijf, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater, een parenclub of een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar.
Een caravan of soortgelijk onderkomen op wielen, dat mede, gelet op de afmetingen, niet bestemd is om regelmatig en op normale wijze op de verkeerswegen over grote afstanden als aanhangsel van een auto te worden voortbewogen.
Een detailhandelsbedrijf met een winkelvloeroppervlak van meer dan 500 m² en een grote verscheidenheid aan artikelen, merendeels levensmiddelen, waarbij sprake is van zelfbediening door de klanten.
Een gebouw met een eenvoudige constructie, uitsluitend bestemd voor recreatief nachtverblijf zonder sanitaire voorzieningen.
Een bedrijf dat is gericht op het telen en voornamelijk verkopen van planten en siergewassen, alsmede het verkopen en leveren van andere goederen en materialen voor het aanleggen, onderhouden en verfraaien van tuinen.
Een aan een hoofdgebouw gebouwde uitbreiding van een reeds bestaande ruimte van het hoofdgebouw, die daaraan ruimtelijk (door zijn constructie of afmetingen) ondergeschikt is - maximaal bestaande uit één bouwlaag al dan niet met kap.
Een vorm van recreatie waarbij de recreant voor een bepaalde tijd, maar ten minste één nacht in het recreatiegebied verblijft, met dien verstande dat geen sprake mag zijn van permanente bewoning.
Een oppervlakte welke bij regenval komt tot afstroming bestaande uit materiaal dat een solide nagenoeg waterdicht geheel vormt welke is gemaakt van asfalt, beton of bestaande uit losse aaneengesloten elementen.
De naar architectuur, indeling en/of uitstraling meest gezichtsbepalende gevel(s) van een hoofdgebouw, (doorgaans) gekeerd naar de weg of het openbaar gebied.
De lijn die gelijk loopt aan voorgevel(s) van het hoofdgebouw en het verlengde daarvan. (Van een hoofdgebouw gelegen op de hoek van twee straten moeten beide gevels van het hoofdgebouw, gelegen aan de straatkant, gezien worden als voorgevel).
Het bij de woning behorende perceelsgedeelte dat is gelegen vóór de voorgevelrooilijn(en).
besluit over de aanleg van een distributienet voor warmte in een bepaald gebied, waarin voor een periode van ten hoogste 10 jaar, uitgaande van het voor die periode geplande aantal aansluitingen op dat distributienet, de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu, gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte, bij aansluiting op dat distributienet is opgenomen.
De oppervlakte van een ruimte, die uitsluitend gebruikt wordt voor het verkopen van producten, niet zijnde de ruimte voor opslag of het vervaardigen/ bewerken van producten.
Het houden van verblijf, het huren of het gehuisvest zijn in een woning.
Een complex van ruimten, geschikt en bestemd voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden.
Een ruimte, in en in combinatie met een woning, waarin een al dan niet publieksgerichte beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis wordt uitgeoefend.
Een voor wonen bestemd gebouw dat is geplaatst op een woonwagenstandplaats en dat in zijn geheel of in delen kan worden verplaatst.
Een horecabedrijf dat in hoofdzaak bestaat uit het verstrekken van gelegenheid tot het houden van bruiloften, feesten en partijen, alsmede tot het houden van congressen, conferenties en andere vergaderingen en waarbij het verstrekken van voedsel en dranken (daaraan) ondergeschikt is.
Een kantoor dat op zichzelf het bedrijf vormt.
Het bij de woning behorende perceelsgedeelte, dat is gelegen naast de zijgevel, tussen de voor- en achtergevelrooilijn, indien het perceelsgedeelte niet reeds is aangemerkt als voortuin.
Een woning die gekoppeld is aan een zorgfunctie ten behoeve van de bewoner(s) met een zekere zorgbehoefte.
AS SIKB 2000: Accreditatieschema Veldwerk bij Milieuhygiënisch Bodem- en waterbodemonderzoek, versie 2.8, 07‑02‑2014, met wijzigingsblad van 10‑02‑2018;
cluster aaneengesloten percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen, binnen een in het omgevingsplan als bedrijventerrein aangewezen gebied, daaronder niet begrepen een gezoneerd industrieterrein of een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;
BRL SIKB 2000: Beoordelingsrichtlijn 2000, Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek, versie 5, 12‑12‑2013;
BRL SIKB 7000: Beoordelingsrichtlijn 7000, Uitvoering van (water)bodemsaneringen en ingrepen in de waterbodem, versie 5, 19‑06‑2014, met wijzigingsblad van 12‑02‑2015;
ISO 11423-1:1997: Water – Bepaling van het gehalte aan benzeen en enige afgeleiden – Deel 1: Gaschromatografische methode met bovenruimte, versie 1997;
NEN 5725:2017: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, versie 2017;
NEN 5740:2009/A1:2016: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond, versie 2009+A1 en 2016;
NEN 6090:2017: Bepaling van de vuurbelasting, versie 2017;
NEN 6578:2011: Water – Potentiometrische bepaling van het totale gehalte aan totaal fluoride, versie 2011;
NEN 6589:2005/C1:2010: Water – Potentiometrische bepaling van het gehalte aan totaal anorganisch fluoride met doorstroomsystemen (FIA en CFA), versie 2010;
NEN 6600-1:2019: Water - Monsterneming - Deel 1: Afvalwater, versie 2019;
NEN 6965:2005: Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire-absorptiespectrome- trie met vlamtechniek, versie 2005;
NEN 6966:2006: Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma, versie 2005 + C1:2006;
NEN-EN 12566-1:2016: Kleine afvalwaterzuiveringsinstallaties = 50 IE – Deel 1: Geprefabriceerde septictanks, versie 2016;
NEN-EN 12673:1999: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal geselecteerde chloorfenolen in water, versie 1999;
NEN-EN 16693:2015: Water – Bepaling van de organochloor pesticiden (OCP) in watermonsters met behulp van vaste fase extractie (SPE) met SPE-disks gecombineerd met gaschromatografie-massaspectrometrie (GC-MS), versie 2015;
NEN-EN 1825-1:2004: Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2004 + C1:2006;
NEN-EN 1825-2:2002: Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2002;
NEN-EN 858-1:2002/A1:2004: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2002 + A1: 2004;
NEN-EN 858-2:2003: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) – Deel 2: Bepaling van nomi- nale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2003;
NEN-EN 872:2005: Water – Bepaling van het gehalte aan onopgeloste stoffen – Methode door filtratie over glasvezelfilters, versie 2005;
NEN-EN-ISO 10301:1997: Water – Bepaling van zeer vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen – Gaschromatografische methoden, versie 1997;
NEN-EN-ISO 10523:2012: Water – Bepaling van de pH, versie 2012;
NEN-EN-ISO 11885:2009: Water – Bepaling van geselecteerde elementen met atomaire-emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma (ICP-AES), versie 2009;
NEN-EN-ISO 12846:2012: Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaireabsorptiespectrometrie met en zonder concentra- tie, versie 2012;
NEN-EN-ISO 14403-1:2012: Water – Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) – Deel 1: Methode met doorstroominjectie analyse (FIA), versie 2012;
NEN-EN-ISO 14403-2:2012: Water – Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) – Deel 2: Methode met continu doorstroomanalyse (CFA), versie 2012;
NEN-EN-ISO 15587-1:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 1: Koningswater ontsluiting, versie 2002;
NEN-EN-ISO 15587-2:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 2: Ontsluiting met salpeterzuur, versie 2002;
NEN-EN-ISO 15680:2003: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal monocyclische aromatische koolwaterstoffen, naftaleen en verscheidene gechloreerde verbindingen met «purge-and-trap» en thermische desorptie, versie 2003;
NEN-EN-ISO 15682:2001: Water – Bepaling van het gehalte aan chloride met doorstroomanalyse (CFA en FIA) en fotometrische of potentiometrische detectie, versie 2001;
NEN-EN-ISO 15913:2003: Water – Bepaling van geselecteerde fenoxyalkaanherbicide, inclusief bentazonen en hydroxybenzonitrillen met gaschromatografie en massaspectrometrie na vastefase-extractie en derivatisering, versie 2003;
NEN-EN-ISO 17294-2:2016: Water – Toepassing van massaspectrometrie met inductief gekoppeld plasma – Deel 2: Bepaling van geselecteerde elementen inclusief uranium isotopen, versie 2016;
NEN-EN-ISO 17852:2008: Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaire fluorecentiespectometrie, versie 2008;
NEN-EN-ISO 17993:2004: Water – Bepaling van 15 polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) in water met HPLC met fluorescentiedetectie na vloeistof-vloeistof extractie, versie 2004;
NEN-EN-ISO 2813:2014: Verven en vernissen – Bepaling van de glans (spiegelende reflectie) van niet-metallieke verflagen onder 20 graden, 60 graden en 85 graden, versie 2014;
NEN-EN-ISO 5667-3:2018: Water - Monsterneming - Deel 3: Conservering en behandeling van watermonsters, versie 2018;
NEN-EN-ISO 5815-1:2019: Water - Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) - Deel 1: Verdunning en enting onder toevoeging van allylthioureum, versie 2019;
NEN-EN-ISO 5815-2:2003: Water - Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) - Deel 2: Methode voor onverdunde monsters, versie 2003;
NEN-EN-ISO 9377-2:2000: Water – Bepaling van de mineraleolie-index – Deel 2: Methode met vloeistofextractie en gaschromatografie, versie 2000;
NEN-EN-ISO 9562:2004: Water – Bepaling van adsorbeerbare organisch gebonden halogenen (AOX), versie 2004;
NEN-ISO 15705:2003: Water – Bepaling van het chemisch zuurstofverbruik (ST-COD) – Kleinschalige gesloten buis methode, versie 2003;
NEN-ISO 15923-1:2013: Waterkwaliteit – Bepaling van de ionen met een discreet analysesysteem en spectrofotometrische detectie – Deel 1: Ammonium, chloride, nitraat, nitriet, ortho-fosfaat, silicaat en sulfaat, versie 2013;
achtererfgebied en de grond onder het hoofdgebouw, uitgezonderd de grond onder het oorspronkelijk hoofdgebouw;
gebied I of gebied II, bedoeld in bijlage I bij de Meststoffenwet, of een in dit omgevingsplan aangewezen concentratiegebied;
a. gebouw
1.dat op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en;
2.dat gezien de aard, indeling en inrichting geschikt is om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en
3.dat permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze wordt gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; of
b.geurgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is, maar op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebouwd;
industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet;
landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling een emissiefactor voor geur is vastgesteld en die vallen binnen een van de volgende diercategorieën:
a.varkens, kippen, schapen of geiten; en
b.als deze worden gehouden voor de vleesproductie:
1.rundvee tot 24 maanden;
2.kalkoenen;
3.eenden; of
4.parelhoenders
landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen emissiefactor voor geur is vastgesteld, met uitzondering van pelsdieren.
a. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
b. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;
De afstand van een gebouw tot de perceelsgrens wordt bepaald door het buitenwerks meten van de kortste afstand van een gevel van het gebouw tot de perceelsgrens.
Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.
Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeiboord of daarbij gelijk te stellen constructiedeel.
Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
Het peil wordt als volgt bepaald:
voor gebouwen, waarvan de hoofdtoegang van het perceel aan een weg grenst, mits het gebouw op een afstand van niet meer dan 12 m van die weg is gelegen: 35 cm boven de kruin van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang van het perceel;
in andere gevallen bij gebouwen: de gemiddelde bestaande hoogte van het aan het gebouw grenzende terrein
voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de gemiddelde bestaande hoogte van het aan het bouwwerk grenzende terrein.
Locatie | Naam plan en te raadplegen via | het gekoppelde gebruik | het gekoppelde bouwen |
Dalwagen 80a, Dodewaard | Het gebruiken van de gronden ten behoeve van een brandweerkazerne. | - | |
Kerk Cuneraweg, Ochten | Het gebruik van de gronden ten behoeve van de kerk. | - | |
Boveneindsestraat 1, Kesteren | landschappelijke inrichtingsplan boveneindsestraat 1 kesteren | Het gebruik van de gronden ten behoeve van wonen. | - |
Meidoornstraat 3, Opheusden | Het in gebruik nemen van de woning. | - | |
Stationsstraat 34, Kesteren | Het in gebruik nemen van de woningen. | - | |
Stationsstraat 34a, Kesteren | - | Het bouwen van woningen | |
Dalwagenseweg 64a, Kesteren | Het in gebruik nemen van de woningen. | - | |
Smachtkamp 60, Opheusden | Het in gebruik nemen van de woningen. | - | |
Rijnbandijk 5, Opheusden | Het in gebruik nemen van de woning. | - | |
Molenhof 5, Ochten | Het in gebruik nemen van de woning | - | |
Hoofdstraat 99, Kesteren | Het gebruik van de gronden voor wonen | - | |
Broekdijk naast 42b, Kesteren | Het gebruik van de als wonen aangewezen gronden | - |
Locatie | Naam plan en te raadplegen via |
Pottemsche Veld , Kesteren | |
Nedereindsestraat 29, Kesteren | |
Casterhoven, oostzijde Hoofdstraat, Kesteren | |
Casterhoven, hoek Mr. A. Datemalaan en Prof. dr. J.E. Bogaerslaan, Kesteren | |
Casterhoven, Kavels Broekdijk en Hoofdstraat, Kesteren | |
Casterhoven, westzijde Hoofdstraat, Kesteren | |
Casterhoven, bedrijfslocatie Hoofdstraat/Vicuslaan, Kesteren | |
Fructus, Dodewaard | |
Prunusstraat, Ochten | |
Stationsstraat 34a, Kesteren |
Locatie | Naam plan en te raadplegen via | de gekoppelde activiteit |
Pottemsche veld, Kesteren | Ecologisch werkprotocol grote modderkruiper Pottemsche veld Kesteren | Het graven, vergraven of verruimen van de watergang. |
Integraal ensemble | Beschrijving | Te raadplegen via |
Rijnbandijk - Boveneindsestraat | Het integraal ensemble betreft het gebied dat is opgenomen op de waardenkaart zoals deze via de link hiernaast is te raadplegen. Op deze kaart zijn de ensemblewaarden en de cultuurhistorische, stedenbouwkundige en landschappelijke waarden en elementen aangegeven. De onderlinge samenhang van deze waarden en elementen vormt de beeldkwaliteit. Zowel de individuele waarden en elementen als de onderlinge samenhang (beeldkwaliteit) dienen behouden en waar mogelijk versterkt te worden. In paragraaf 2.2 Rijnbandijk – Boveneindsestraat van het rapport 'Het beste van Neder-Betuwe; cultuurhistorische beschrijvingen van waardevolle integrale ensembles' is de waardering van dit integrale ensemble beschreven. De waarden hebben betrekking op:
| Waardenkaart: Rijnbandijk - Boveneindsestraat Rapport: Het beste van Neder-Betuwe; cultuurhistorische beschrijvingen van waardevolle integrale ensembles |
De Spees - Rijnbandijk - Opheusdens Veer | Het integraal ensemble betreft het gebied dat is opgenomen op de waardenkaart zoals deze via de link hiernaast is te raadplegen. Op deze kaart zijn de ensemblewaarden en de cultuurhistorische, stedenbouwkundige en landschappelijke waarden en elementen aangegeven. De onderlinge samenhang van deze waarden en elementen vormt de beeldkwaliteit. Zowel de individuele waarden en elementen als de onderlinge samenhang (beeldkwaliteit) dienen behouden en waar mogelijk versterkt te worden. In paragraaf 2.3 De Spees - Rijnbandijk - Opheusdens Veer van het rapport 'Het beste van Neder-Betuwe; cultuurhistorische beschrijvingen van waardevolle integrale ensembles' is de waardering van dit integrale ensemble beschreven. De waarden hebben betrekking op:
| Waardenkaart: De Spees - Rijnbandijk - Opheusdens Veer Rapport: Het beste van Neder-Betuwe; cultuurhistorische beschrijvingen van waardevolle integrale ensembles' |
Dijkzone Dodewaard & Hien | Het integraal ensemble betreft het gebied dat is opgenomen op de waardenkaart zoals deze via de link hiernaast is te raadplegen. Op deze kaart zijn de ensemblewaarden en de cultuurhistorische, stedenbouwkundige en landschappelijke waarden en elementen aangegeven. De onderlinge samenhang van deze waarden en elementen vormt de beeldkwaliteit. Zowel de individuele waarden en elementen als de onderlinge samenhang (beeldkwaliteit) dienen behouden en waar mogelijk versterkt te worden. In paragraaf 2.4 Dijkzone Dodewaard & Hien van het rapport 'Het beste van Neder-Betuwe; cultuurhistorische beschrijvingen van waardevolle integrale ensembles' is de waardering van dit integrale ensemble beschreven. De waarden hebben betrekking op:
| Waardenkaart: Dijkzone Dodewaard & Hien Rapport: Het beste van Neder-Betuwe; cultuurhistorische beschrijvingen van waardevolle integrale ensembles' |
Echteld | Het integraal ensemble, betreft het gebied dat is opgenomen op de waardenkaart zoals deze via de link hiernaast is te raadplegen. Op deze kaart zijn de ensemblewaarden en de cultuurhistorische, stedenbouwkundige en landschappelijke waarden en elementen aangegeven. De onderlinge samenhang van deze waarden en elementen vormt de beeldkwaliteit. Zowel de individuele waarden en elementen als de onderlinge samenhang (beeldkwaliteit) dienen behouden en waar mogelijk versterkt te worden. In paragraaf 2.5 Echteld van het rapport 'Het beste van Neder-Betuwe; cultuurhistorische beschrijvingen van waardevolle integrale ensembles' is de waardering van dit integrale ensemble beschreven. De waarden hebben betrekking op:
| Waardenkaart: Echteld Rapport: Het beste van Neder-Betuwe; cultuurhistorische beschrijvingen van waardevolle integrale ensembles'
|
/join/id/regdata/gm1740/2025/96d04b4e897c4fa7948a92e9bdf97669/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/9416386f2f42421cb976f1cd1a1337ea/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/8736f6cee06d4b4c8e52bcefe40e2102/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2024/6b841b3503ec47e0844a8887a7e28dfe/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2024/1243d306f2534aeaa526a87dd726eb29/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/a86ce62abc29413eb33fa25c36908191/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/fd20ff35bf144fa68e87154c928dcbb9/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2024/9747537844a44d2ba6993c78c6ec8f79/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/6488595eaa944b26a28a2d2aaca44c48/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/689e2f29df23435facff856d796a2520/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/25253e1c72fa46c28863a67676374692/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/4e597fbf4d8642b99eb5af264c0e57c0/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/63f9145c6ad44c4f9b26476dac10149a/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/fa5528194c7940748253ceabd0ae4179/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/7205f71079184e4bb10f38b658082b1f/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/6b78fb55e25249f980f3eb2efeb82eb4/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/7b53815e5b9240bea569fd978deb2e1d/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/40e1fb8248794130a46d1f4f12f577d0/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/7b779ff0e2bd4b59b256b3607d603b38/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/1dee48273f8044fbaee3ae7969a4cc90/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/356495bedbb741109177fd4d0d1512f9/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/54fafa21f6244eecbef93ae4ad70d7d2/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/1d4f820f23ac4794b3e0263db11d3040/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/dc20b5e510204629a30ed04ff93a6129/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/1ad7422958f94f7db04ead20422fd686/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/348aa64336d74fb0901a1224a3e2adbf/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/843fd0142c9e4e9aacbfeeff4379529e/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/9c6173af329344ccbf9ba1869177a5f5/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/579302e22f5c4bf293d7777be4629e6d/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/2097ac9b64644521a068b4e789b28b88/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/16776c4b100a438bb408453a2ef02330/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/7bbce0c9d5e8483b83f1403f7161d765/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/95edf371d1154cab809748fb46c4deaf/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/07ce8771b04349738a459938ecb2c96c/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/10b0bdf2bb6b4eecbae9d2edb4ce5103/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/10ed0281f89d409f9e9815025f280498/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/3e94099d0801469e9d340ff6d6643bb2/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/ab3ee9a958f740619b3e093487ae22e6/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/6d71f2300372438b82af49ceca23dab0/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/16deaa80776844a38bc93521a20c0c74/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/6dab03af043a4d3db9fba03d5bd8b42b/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/5662275f41ba4cc0aaf7b2a19380dc84/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/c37e3911fff643d5a5e251a1bfb6e132/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/fa241c98348e4b3cb534a471097441df/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/ec08eafdc9f64adda172136d4bde2fe0/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/2d2db5c159fe40ffa9752d9ad15e309a/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/5dd95845f2f040d48311b85dfd9f154f/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/8508708813ae4d90ad600e7bafcefc52/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/fa63a1a6d7044428a4ca1f6e8a5b0b9a/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/af23f91274d844718665478b0fc76441/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/c872b906b02c433085817f6b4e90f599/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/abeb72687ed24a9ba6d63ff5a0efb8df/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/4d7198cae15e4b60aa01219f85c7444f/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/0410156e56424605893763cb98d79b8f/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/db7e7896752848b6b31557d6e03f378c/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/9f2ead99afb949d88d2888c1a40fd3de/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/18805f3d04e34e739a1350ac7ff27f20/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/e4f434eb5d734663a1a9438b996fa96c/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/ce0ae9ba1cd34aa0badf4b5740767596/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/dfa6e29e2c194a49b9226072d1ee7620/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/7d17ba117df246678fcc04c0333ffce9/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/d5d3b5146c8144c0b05dc4bb2eff78ab/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/011272b589c8416cad083bdecf34f1ec/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/7c2e494a377145d684bf7e171ddffe61/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/519de6d40b7b45f5872b340faccfdccb/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/f2ab7a631d2147ffb3195f78efec13b6/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/0d51959ea1d54b3695fce392571687d6/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/89fdf644caab49c2ad881e5ee4e1e7f0/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2024/a482221ac87c4f739ca2e2cbb2fc67f1/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/4917828df6f447baa1129332a29c2fd7/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/e3b6823b7f54487882fc2c34c48c9868/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/ed5ba8c65bd44834830f05a25d65c97b/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/5167a70a2a8046bca65dbe4d06f9f14f/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/ee15a2cc406c46efb4bd3be7dc670d70/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/6e1f3d1d64b0405e98a2d74fd755d708/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2024/a13ce2bdf8534130ae692a81333dc0eb/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/24335506a5fb4eb8b3ac02390fc6746c/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2024/2bb3271aa3c24809a1a74d536449d6bc/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2024/2bf00fe805ad412fa92e1845bf5b1161/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/b177b4039936439583b2a570603e837c/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2024/f566e51aa6454d07b9d4934ea62d73dd/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2024/df6449cd772843a99e628517a74e2909/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2024/5d2344ba56784afeb088b008cf7ed62a/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2024/6d9fd7bdd7c144fd943d44a4518b6fca/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2024/098843c7d35148d7a3e0495afeb96237/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2024/c13efbe922e74249b5fb9d072f61c82b/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/66147441874347d6a77a6cbe198990a4/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/0002345c514f4337997e7e8196f775dc/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/66eebe9f94e248d087462d615c57a90b/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/17d35b0c35624da0beda2bc1badb38a0/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/9b380244974149199d95a4bbace54db0/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/623487f3d564488995ba70c9b95b607f/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2024/28f75586ce4146b9bf0fb761fbb2ba72/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/41aea927ad73428aa1d160c309b93982/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2024/4018a47f478e4d9e8e2bdbb4067cfc1d/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2024/3226cc6ebe01454c94ac0eff20f65c3d/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/0f3eff44efcd4e8296eaf9f166a28e75/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2024/f2a6833bb4414c338db7c07f8ae17cca/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/491353128c7143eb9ae60f7019d89000/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/5dbc492c7f07404f9e07f5c9007bbfa6/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2024/33cb85d6842d42c38b9cfa169ade5fcf/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2024/6e0db1d56c074b88ad4cd6c989e62ab5/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2024/251ff27ccae345cc8d4770351b9edd19/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2024/e588b234e5a644cdad993b7bcff9b466/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2024/1687db61227341069e44ef4f9f931832/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2024/924341865efd4c8d97e7fd78e5b78458/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2024/f4b15dc9be41415686d53546c2cf4f55/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2024/5043721ab2b945059a679b401a890fa7/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/70f1e333ff034430b7997a3d013b29c0/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/78a36eb873dc41efad27d5ac5fd634bf/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/a347a79efb81445585e20ce34aee02a8/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2024/9516f7e6f5e4418e8da3d11b1215eb49/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/b2198c821bf14c1db812de744be4cc4b/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2024/2ba3afa99986422688f1aba70d24ddc7/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/792f7552a2654c0f94eb7f157a912256/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/192ea082eabe413f966646ea26f157f1/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/38ff001327fa43ebb58e928e0e01eaef/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2024/bff1c4be77fa44d3a9e91ab9d012baa5/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2024/cb998605da6b4c7f9e84b2b980f3705d/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/e8b3580acfde40e88224134a9beb41e7/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2024/949fcd27691b4fe99b9e52e3b78311b5/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/0950b8b537f14fd6aa887ddddf0ae147/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2024/9f01b90271c149d0992a587ae8c8d61e/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2024/3a8cce19a90441b6a9d8e78bce39373f/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/e3690a31400744bab1adc83e3fbf131a/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2024/ca74590b87c542cb824b710555c7b034/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2024/c05bf82d2a0845c89ad9e1f41f0f325b/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/342c95f9a2744471945da45ccc2fb193/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/f4a799ee627d41eebe06d2d441c44059/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/b0d73151863849eeac9efd1df6a08db5/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2024/21b6a8c18c034912a41d9689bb7f5b03/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2024/bd285cb031b340d99534c5195bfe7aee/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/fce0e9a482354ae8b9087bb2d5bf98d5/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2024/69dc474a784a4cbe9eb1e9d1ce5289d7/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2024/d4fb90b5f7dc48578239ea7ad662b4c0/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2024/947af2c47d1a4934b3cef0084df4bc3e/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2024/9be83a0b36364b40ab325e375bed7a20/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/eaa7666bc4414d9e8910ceebec320903/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2024/ec591865e32046b59017c6ff0fe1df56/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/b51ace8f71e34ed6961f6d3514ab5dcc/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2024/6d570922bdb347baa479d0d51819f456/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/d71e9a1d06c54fc989771340445e96cc/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/34585f7c5a8f4e04957fa1665b96411a/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/78472ed2f89346a0a5b113f82be46db8/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/811f741dd4a6420599399426315f28bf/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2024/8ccdf95d9da541839e3cdfe741381a2f/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2024/805ee9cb133744a3bc079b086f1a36cf/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/e7ced3e06b9041a08a59b5d69d750782/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2024/e66f175bf940402ebffcd2757264c77f/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/cb02fe217c684357b70919029e7adcf7/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2024/9732ed3521af442c9771711166bcce91/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/e7361a166ee04f75abf9e62cb3a4689e/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/0af535177c25461f9d35fcd086c2e212/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/a9ef70edf8724114a1c7b919cf030f3a/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/992ecf5573444a289b98f5209f9d622c/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/cb1502c07dfc43f8853e522a805d7199/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/c92e2d77929940b18040f8cbf6bd07ac/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/c7ff00083fe14554a3c8f9ed6c2b43f2/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2024/2b702cfd5f7e48508d9f13780bcf004f/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2024/d3aaea5e161749ebb777ea83a379050e/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/0addbb0f42e04aca83e87129dfb2ae10/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2024/ef574a64d036485c9b5bd16cedc325ed/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/a2c79fe2e0024188baab810c6105e361/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/965d26ae513f4f798c093eb9b66f72c9/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/ca8f9d5ca903416db9752bb37905fe10/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/748d29818ec7447b9868b0fb766aa590/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/c79c158fd10345ea8b2d476393bde0c3/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/97766dd815814c8aa7af95698b31338d/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/751acaecc76743e9b738ed2b5c6c7c1b/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/0dcee61556e04f08bb9c421fcbf965b2/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2024/e5fe965ab8124249a9a5d2476d3ba141/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/2fc48d6702814cf3aa5d748becbcf7ce/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/0dda370efa794ee884c5b0955d46e5b2/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/a43f5b46cb79436491176fe9bb4af43f/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/391a06739e544d5a95e68c33ade620cc/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/6488e918e5204e4cb979c887e38694ea/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/05b6b57bbab84cf9b19d9b86d015b856/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/0c100d1f31044399b331c4e3c5775fe2/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2024/6905ba55ade64df29e2f2cf90d94ddfa/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2024/ef872480ce9b4a6e967739e3cdd58975/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2024/5d58ff674f3a415a925c335e8ef2f362/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2024/052bf393f95b488e9bea57217cbedb79/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/1162c8f61ce2479db649e86d37a226d9/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/5f1dd9f0134a4ac0a910a25d174a9264/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/426928086872446e8d3e4e8affd6f160/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/d23e719824c84e8facaf9f139c019149/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/f341b4ee0c814f7bb540ef83a137d3e6/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2024/7fdcd7b88f5a42bb97f97501cebdffea/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/f47a79a6d5d74fea8ed3ccb5243d8717/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/0428846d65e14946887fa0b45f505f66/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/55633d8daa6c467eb6d9bce774a39527/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/44ea78c21a2b41ceb227d5499fbb4d9b/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2024/6ab959673bc340f6824a34160478b3a7/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2024/9c6ca47f271749c7876fab5e50102662/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/7b7adb2e3144444a9b6d7f352c1d8423/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/5110998213794a66a90edd92d0d8ad7e/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2024/c819282311224dcc8e1ef8d74f25c572/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/a99d3945b29c47be8d3e79d6e31e5dd5/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/919c4356002b4c109ff064b57ab1e33c/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/573ac8eb6e094a8382ab783543f43c83/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2024/cdc2c44b9e1643f4b9e1cb0365004b69/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2024/7921e634b50144f1a06aa489805599be/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/d9405d0ba1574f4aa5e13e5dd04e7aaa/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2024/9cf41ccfeb734761b0a045f5fae6969d/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/f3111627312244fca4014e70cf674663/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2024/07292ba6121949349e73dd36d9a29457/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2024/ce765c2261144f8aaa99777ae2a8b523/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2024/88568de6c29740ca87bf228a40211982/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/651c45e4ced146efb31218705faf7907/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2024/2006a1da8dde472da1ec1312669250fd/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/93b05815f2f84f669534d2ec679b9fee/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/f5e0d46805ff4ad4a28bd2e968966b81/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/1092cbc7fa034ba49554a67991d84bf8/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/715fee0f26f94cca906b4b3c72ce462e/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/670a59f43fe24bf4ae0c5bbb89975829/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/369f2fc4c7b24f889dfe4e0178587d23/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/60e132a01bf24e3881a6d83b70582a07/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2024/d37c7e414bcb43e5ab414b3642e544bf/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/43d295faba0144b6a3ca562db2fbb3e0/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/5e35178322e44b3c8dd7afce16ff8d63/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2024/43b6d929a3634c389379ae9751ae06c5/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/f42d0a9cf6bc4d1eb3561126725212f7/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/09b1638ffd074167a1f239819a3907ee/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/5bbe33a967224e868f410f7a12f53f63/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2024/49f616a0fd4543e5ac9064a652834ae4/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/03cd840da07e45c584332cb786d41d4e/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/7886851ecceb42e2a6b0409b9a2757fe/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/6d7418c43ad94cf49f51b46c4f46dc04/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/97523b65f91d427a8c87dddc82255498/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/b1927ce457454539bb2cb2fb6ea31610/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/89ffbdbb6aa2490e8b17fdc1b9060923/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2024/8bb571687dc44540b8f1a1cae6c0cfe0/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/1edec1b8bcd34f17854d33c4f45c1c29/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2024/eec31568afb1438686451b08bce9ffb5/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2024/ed590913a7ea4908bedc5a560166b491/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/6137fc54cf4146c18757bf31b9f4e0c1/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/ec1f74225cb747bc98f5c5f87a349f96/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/7208d0ef5280472db439cd48589aa7e5/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/9057ae0929324b5da1e2e8a0a3295a2a/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/a6b6684d932d421ea8720ab61fccc482/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/2fc81051a1b64275a0796e77980ce8e4/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/bce3e9794d174f3abe31b418a070bc63/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/954d378de8fe48ddaa74e7278f2c9c2a/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/1baa79c6a9db4f138fd692eb2ac278e8/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/b0a7ce90e4e345ea8fd9ee4f9626c285/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/cb74eed272414b3bac27238404726098/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/ae9fa55f72754f889f6184742ea7934a/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/e42b9ffdae2c45b8ba5d88137fa01c7b/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/77bc2928223e4a838958f7fff3ebf7ae/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2024/7ed79b1c3bfb427eb7bd0fe73b2f1ce2/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/9eaff3d394e145838b7eff5973cc4a15/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2024/115577af339b4c51b761f6c8db39291a/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/14bc944ab46f4057bca08b7a3f95ff30/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/28c11d78845341ccbb0417b60d01f375/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2024/6fafbde460f74a3da9073864fb7aacd8/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/36e653de81394d869a0a383262f51022/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/2f9f76c08c8444f9a0f36eba7b9a3ce0/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2024/db025d9937fd4c07859ca7b7c2185f97/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/5c37c00d147c4658afbbe7c8fb38ac63/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2024/a1450d9e24e54f5c873292f3d6b0da13/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/413debf95baf43a0b1336a2aaf65b5aa/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/82171550f284460385b5eb22b6635bb9/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/db2e8190f9844c56bcd64c1afa021e55/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2024/83affc9df51340ceb45a12e19d2d9676/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/373247719e0b4440a0debc720650cf67/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/2d1c17ed389f4776a466610e0fb39ca3/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2024/0a42c3f68d3a4e2f927b97d5d3f6c0fb/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/11291f81d5e745b584fde7ef38ade00f/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/66afc9f2af1d4ef0971f9ec635f3ad21/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/de6327c997dd4e1ab18e8c347306043e/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/83bdb7ccf65e468abdaf438b975b4a28/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/b4ba2728c9d043399b33a7fba42c657b/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/49391c4e4cbd4a96a980ac1a7160d9d0/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2024/820b5b18fff444f28908c7757cc53071/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/9469fd7c17a24c908c45dba359d68600/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/c427162eecd04f8898504ac9aad8a718/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/badfd63be7ba49ec9eb171e999a26401/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/e56a4820b61a4df084577654db16622e/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/db6b9b35b41d402fb90ae074ce148b39/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/6eed5da44d5a42b697e36ac5bed29178/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/a166aee7768d468aa6960cc734fdefdd/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/ae693674023e4f36b2212de4e29e462e/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/01e613d705bb41b2ae56e7ba170d3960/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/fc773a344e9e46d19d6ffb66ecca3099/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/3b1cb874a4474c52baee37cce1ad576f/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/91f9a1cd0624461498752fa03f408e1c/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/10cc49f777f24560b63f1383942c53fd/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/d3e86bffb23e45e489a02f187714f9f9/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/3b21451741254cbea3c33bd5f44a3412/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/e5a15d9104bc457dbdb42ed09a8a3807/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/548db0137647471da6dcd028702fae97/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/6037d23d78ba4cbd92cb4e51333920ba/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/556e8d10cf25449db321b2914d51e991/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/8d3709ca0b894475b36b5b0550015112/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/5df0907e7d6043038d7248ff18e2ae65/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2024/87f9e87cec424caf94cbb5b93226e31f/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/4258ae578ec943e9af179260063cb501/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/d5c22e8213a04617a8cba21a52eee4ed/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/499216713df2423683389c7fd78aeef9/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/f48bc090b774497b9204b4f2d0008a87/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/e1cc807d358b4afc951a18e285d647d1/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/4e58b74943134245a8b89fb70bb10c51/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/af5a57825559485cbf172a3f5a81d60a/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/d3e2f9317b074ffc94c3a0f93962cd07/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/8f284b5584424ea5b227d5266a375847/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2024/5467d7b099874815b70b2a9c4171eca3/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/cc843d5315ac4864ae076680da83b419/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/55d5c91b058b40bdadd63514494eddd8/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/24d74db0878d4e0cab5bd58ae0069333/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/dc7244243eb34360a5ca919347eddb80/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/756cbd08540f47e99253dfa6b655b43d/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/f90d3c1c8845438488381e0942046bd8/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/11119f6446ec49e4b1396b54b930d84d/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/6194aab130594ba09b1a989f3868cfb7/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/9440ae5a85364a18a4d05d8da420cba7/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/80ce34fa142c4f249f49e154a52c4fa4/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/fed9fbe0e2c84bb2a09a872f857bcb57/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/114b9d54e2464d0f93e313e529e2ff25/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/c82038d5e71e433cb62d170f6c3e8d04/nld@2025‑10‑14;11260156
/join/id/regdata/gm1740/2025/039d431a2b6e4552879071132395502a/nld@2025‑10‑14;11260156
Voor u ligt de toelichting op het omgevingsplan voor Neder-Betuwe. Met het omgevingsplan wordt uitvoering gegeven aan de verplichtingen van de nieuwe Omgevingswet. Het omgevingsplan is op gemeentelijk niveau het nieuwe juridisch ordeningsinstrument als het gaat om de zorg voor de fysieke leefomgeving en de regulering van activiteiten die gevolgen (kunnen) hebben voor de fysieke leefomgeving. Binnen het stelsel van het omgevingsrecht is het omgevingsplan voor burgers en bedrijven primair bepalend voor de vraag welke activiteiten op welke locatie, en onder welke voorwaarden kunnen plaatsvinden. Het omgevingsplan komt daarmee in de plaats van alle afzonderlijke bestemmingsplannen. Ook een deel van de gemeentelijke verordeningen gaat op in het omgevingsplan. Hetzelfde geldt voor een groot deel van de milieu- en bouwregels die nu nog door het Rijk worden gesteld, maar die worden gedecentraliseerd.
Kwaliteit fysieke leefomgeving centraal
In het omgevingsplan staan de kwaliteit van de fysieke leefomgeving en regulering van activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor die kwaliteit centraal. Het omgevingsplan is (anders dan het bestemmingsplan) dan ook niet beperkt tot planologische aspecten. Het omgevingsplan bevat daarom niet alleen regels over bouwen en het gebruik van gronden en bouwwerken, maar ook regels over andere activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. Tegelijkertijd is het omgevingsplan ook niet onbeperkt in het toepassingsbereik; er zijn beperkingen voor waar regels over mogen gaan. Regels die in het omgevingsplan worden gesteld, moeten betrekking hebben op de fysieke leefomgeving en op activiteiten die daarop gevolgen kunnen hebben.
Eén omgevingsplan voor heel Neder-Betuwe
Het omgevingsplan geldt voor het gehele gemeentelijke grondgebied. De wet gaat uit van één consistent, samenhangend en actueel omgevingsplan. Om dat te bereiken zijn in het omgevingsplan voor Neder-Betuwe die activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving, en de regulering daarvan, centraal gesteld. Overigens worden daarbij alleen die activiteiten gereguleerd waarvan dat gelet op de zorg voor de fysieke leefomgeving noodzakelijk wordt geacht. Niet elke activiteit met een (mogelijk) gevolg voor de fysieke leefomgeving behoeft immers regulering. Zo is bijvoorbeeld bij het vervangen van een gazon in de tuin door een bloemperk ongetwijfeld sprake van een activiteit, en wijzigt die activiteit zelfs de fysieke leefomgeving, toch kan regulering hiervan achterwege blijven. Regels zijn alleen nodig als de zorg voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving daar om vraagt.
Gefaseerde overgang
Het omgevingsplan zal onder andere alle bestemmingsplannen, delen van gemeentelijke verordeningen en een groot aantal voormalige rijksregels moeten vervangen. De overgang naar één omgevingsplan voor heel Neder-Betuwe is dan ook een zeer grootschalige wijziging van het gemeentelijk omgevingsrecht. Deze overgang zal ook niet in één keer plaatsvinden, maar gebiedsgewijs en onderwerpsgewijs. Het Rijk geeft gemeenten tot en met in elk geval 2031 om deze opgave te realiseren.
Met name de regels uit bestaande ruimtelijke besluiten, zoals bestemmingsplannen, zullen gebiedsgewijs worden vervangen. De gemeente Neder-Betuwe pakt deze 'verhuizing' als volgt aan: eerst worden de bestemmingsplannen voor de Kernen overgezet naar het omgevingsplan, daarna de bestemmingsplannen voor het Buitengebied en daarna de bestemmingsplannen voor de bedrijventerreinen. Naast de bestemmingsplannen zullen ook de met de bestemmingsplannen verwante voormalige rijksregels worden meegenomen bij de verschillende gebieden. De (delen van de) gemeentelijke verordeningen zullen op natuurlijke momenten worden overgezet. Natuurlijke momenten zijn momenten waarop de verordening moet worden aaangepast vanwege een beleidswijziging of andere actualisatie. De regels uit de Verordening op de afvoer van hemelwater gemeente Neder-Betuwe en de Verordening doelgroepen woningbouw gemeente Neder-Betuwe worden meegenomen bij de 'verhuizing' van de bestemmingsplannen voor de Kernen omdat de wettelijke grondslag van deze verordeningen met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is komen te vervallen.
Regelingen naast het omgevingsplan
Hoewel inzichtelijkheid, voorspelbaarheid en gebruiksgemak belangrijke doelen van de wet zijn, komen niet alle voor een burger relevante regels in het omgevingsplan terecht. Naast het omgevingsplannen blijven er ook regelingen van Rijk, provincie en waterschappen die rechtstreeks bindende regels bevatten. Zo bevat het Besluit bouwwerken leefomgeving algemene regels over bouwwerken, die rechtstreeks aan de initiatiefnemer die voornemens is een bouwactiviteit te verrichten, zijn gericht. Bovendien zullen er naast het omgevingsplan ook andere gemeentelijke verordeningen van toepassing blijven. Die verordeningen kunnen ook regels bevatten over onderwerpen of activiteiten die 'aanleunen' tegen de fysieke leefomgeving, zoals bijvoorbeeld de Algemene Plaatselijke Verordening en de Huisvestingsverordening.
De toelichting op het omgevingsplan bevat een algemeen deel en een artikelgewijs deel. In het algemene deel van de toelichting wordt inzicht gegeven in de juridische aard en opbouw van het omgevingsplan. Daarbij wordt ook ingegaan op de wetgeving die aan het omgevingsplan ten grondslag ligt, en op de doelstellingen daarvan. Om allerlei juridische keuzes die in het omgevingsplan worden gemaakt te onderbouwen, wordt stilgestaan bij de mogelijkheden en verplichtingen die de Omgevingswet voor de opbouw van het omgevingsplan biedt en stelt. Wanneer in de regels wordt gekozen voor het instellen van een bepaalde vergunningplicht of meldingsplicht, dan moet bekend zijn wat een vergunningplicht of meldingsplicht inhoud en in welke gevallen die kunnen worden ingesteld. Maar ook wordt stilgestaan bij wetgeving die eisen stelt aan de inhoud en normering van regels. Zo zijn veel algemene regels in het omgevingsplan opgenomen ter uitvoering van door het Rijk gestelde instructieregels. Om te begrijpen waarom die regels zijn gesteld, is het van belang om te weten wat instructieregels zijn, en welke instructieregels leiden tot welke regels. Ook dat wordt in het algemene deel van de toelichting beschreven.
Veel van de keuzes die zijn gemaakt en de regels die zijn opgenomen, vormen een vertaling van bestaande kaders. Die kaders kunnen bestaan uit hogere wet- en regelgeving, maar het kan ook gaan om gemeentelijke beleidskaders. Omdat keuzes en regels een uitvloeisel zijn van die hogere kaders, is inzicht in die hogere kaders nodig om de keuzes en regels te kunnen begrijpen. Daarom wordt in deze toelichting ook inzicht in de relevante kaders gegeven.
Al deze achtergrond die in de algemene toelichting wordt beschreven, is dus een toelichting op de gemaakte keuzes, maar vormt ook de juridische onderbouwing ervan. Daarmee is deze toelichting van belang voor iedereen die met het omgevingsplan te maken krijgt. De bestuurder die het omgevingsplan moet vaststellen, de ambtenaar die ermee moet werken, maar ook de burger, de ondernemer, de ontwikkelaar. Al die uiteenlopende doelgroepen zullen waar en wanneer nodig achterliggende informatie of onderbouwing van keuzes (terug) moeten kunnen vinden. Hetgeen in de toelichting is aangegeven is van belang om het nieuwe instrument omgevingsplan te begrijpen, maar om ook te kunnen beoordelen of het omgevingsplan in zijn vorm en inhoud aan de daaraan gestelde wettelijke vereisten voldoet. Wat dat laatste betreft is van belang dat een wijzigingsbesluit van het omgevingsplan voor beroep vatbaar is. De algemene toelichting dient ook als juridische onderbouwing van de in het omgevingsplan gemaakte keuzes, wat ook relevant kan zijn in beroep. De algemene toelichting bevat daartoe waar nodig verwijzingen naar bovenliggende wet- en regelgeving, maar ook naar parlementaire stukken, waarin de wetgever tekst en uitleg over de Omgevingswet heeft gegeven.
Het omgevingsplan is opgesteld vanuit een verplichting van de Omgevingswet. Bij het opstellen van het omgevingsplan is rekening gehouden met die Omgevingswet en met de daaronder hangende Algemene maatregelen van bestuur. Die landelijke wet- en regelgeving vormt het kader voor allerlei keuzes. Om de controleerbaarheid te vergroten wordt waar nodig verwezen naar wetsartikelen. Voor een deel vindt de onderbouwing ook plaats vanuit de toelichting op die wet- en regelgeving. Waar nodig wordt in dat geval verwezen naar de parlementaire stukken. Via het daarbij aangegeven kamernummer zijn deze stukken digitaal raadpleegbaar.
Een algemeen gedeelte en een artikelsgewijs gedeelte
De toelichting van het omgevingsplan bestaat uit een algemeen deel en een artikelsgewijs gedeelte. Waar in het algemene deel met betrekking tot de regels allerlei algemene uitgangspunten, doelen en principes worden toegelicht, wordt in het artikelsgewijze deel, voor zover dat nodig is om het artikel te begrijpen, per artikel uitgelegd wat de concrete strekking ervan is, en met het oog op welke specifieke doelen de regels in het artikel zijn gesteld. In sommige gevallen bevat die artikelsgewijze uitleg ook een juridische of beleidsmatige onderbouwing.
Zo bevat het algemene deel van de toelichting bijvoorbeeld een beschrijving van wet- en regelgeving en gemeentelijk beleid met betrekking tot geluidgevoelige gebouwen, en wordt in zijn algemeenheid beschreven hoe daaraan in het omgevingsplan uitvoering wordt gegeven. In de artikelsgewijze toelichting wordt vanuit die achtergrond per artikel het oogmerk en de werking van de erin opgenomen regel(s) toegelicht, maar een beschrijving van het achterliggend kader kan achterwege blijven. Dat is immers al gegeven in het algemene deel van de toelichting en daar leent de artikelsgewijze toelichting zich juist vanwege die artikelgewijze opzet ook niet goed voor.
De toelichting bevat weliswaar een toelichting op en onderbouwing van de regeling, afzonderlijke regelonderdelen en regels, maar de toelichting bevat niet altijd de volledige bestuurlijke en juridische onderbouwing van de besluiten waarmee het omgevingsplan tot stand wordt gebracht en wordt gewijzigd. Daarvoor dient de motivering van het besluit tot wijziging van het omgevingsplan.
Het omgevingsplan is geen regeling die ineens voor heel Neder-Betuwe kan worden vastgesteld. Dat zal gebiedsgewijs en onderwerpsgewijs gebeuren. Omdat er vanaf het eerste moment sprake is van een omgevingsplan (het omgevingsplan van rechtswege, zie hoofdstuk 6 van deze toelichting) gebeurt dit door middel van wijzigingsbesluiten. Het zijn de wijzigingsbesluiten waarmee het omgevingsplan of delen ervan in werking treden. Dat inwerkingtreden leidt tot rechtsgevolgen. Die rechtsgevolgen moeten zowel bestuurlijk als juridisch worden gemotiveerd. Dat gebeurt in de motivering bij het wijzigingsbesluit.
Bestanddelen van een besluit tot wijziging van het omgevingsplan
Het besluit waarbij een omgevingsplan wordt gewijzigd zal, net zoals dat bij een besluit tot vaststelling of aanpassing van een gewone verordening vaak gebruikelijk is, bestaan uit drie onderdelen. De wetgever heeft hierover het volgende aangegeven (Staatsblad 2018 290, p. 94):
In het eerste deel van het vaststellingsbesluit wordt gemotiveerd om welke redenen het omgevingsplan wordt aangepast. In dit motiveringsdeel wordt aangegeven op welke onderdelen een omgevingsplan wordt aangepast en wordt verwezen naar voor die aanpassingen relevant beleid uit de omgevingsvisie van gemeente, provincie of Rijk. Er wordt toegelicht op welke wijze gevolg is gegeven aan de toepasselijke instructieregels en instructies van de provincie en het Rijk. Er wordt gemotiveerd om welke redenen het besluit voorziet in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en er wordt aandacht geschonken aan de wijze waarop met ingekomen zienswijzen is omgegaan. Als onderdeel van de motivering kunnen ook onderzoeksgegevens en bescheiden als bijlage bij dit deel van het vaststellingsbesluit zijn verbonden. Dit deel van het vaststellingsbesluit zal overeenkomsten vertonen met het algemene deel van de toelichting bij andere verordeningen en met de toelichting bij een bestemmingsplan.
Het tweede deel van het vaststellingsbesluit bestaat uit de regels die deel gaan uitmaken van het omgevingsplan. Vergelijkbaar met een wetswijziging of de wijziging van een verordening, wordt hierin aangegeven op welke wijze de regels van het omgevingsplan worden aangepast. Aangegeven wordt welke regels worden toegevoegd, geschrapt, gewijzigd of vervangen door andere regels. Ook wordt als onderdeel van de regels door coördinaten vastgelegd voor welke locatie(s) de regels gelden. Dit wordt ook wel het werkingsgebied genoemd. Het werkingsgebied kan het gehele gemeentelijke grondgebied zijn (het ambtsgebied van de gemeente), maar ook een of meer delen daarvan. Regels kunnen zo per locatie (per gebied, per perceel of delen daarvan) verschillen. Regels kunnen ook een kwantitatieve norm bevatten. Zo’n waarde kan bijvoorbeeld aangeven dat op een locatie een maximale bouwhoogte, oppervlakte of andere maatvoering in acht moet worden genomen. Dit tweede deel van het besluit gaat onderdeel uitmaken van de geconsolideerde (doorlopende) versie van het omgevingsplan.
Een derde deel van het vaststellingsbesluit bestaat uit aanpassingen die worden aangebracht in de geconsolideerde toelichting die bij het omgevingsplan wordt gegeven. Een dergelijke geconsolideerde toelichting is weliswaar niet verplicht, maar naar verwachting zullen gemeenten, aldus de wetgever, een dergelijke toelichting in geactualiseerde vorm bijhouden, zoals dat ook bij veel andere verordeningen gebruikelijk is. Een actuele toelichting kan de raadpleegbaarheid en toepasbaarheid van een omgevingsplan immers ten goede komen. Bij elke aanpassing van regels in het omgevingsplan wordt ook de toelichting op die regels geactualiseerd en opgenomen bij de geconsolideerde, digitaal raadpleegbare versie van het omgevingsplan.
De bij een besluit tot vaststelling van een omgevingsplan opgenomen motivering en de daarbij behorende gegevens en bescheiden over bijvoorbeeld onderzoek en zienswijzen, maken geen deel uit van het omgevingsplan zelf. Dat geldt ook voor de toelichting uit het derde deel van het vaststellingsbesluit. Deze delen van het omgevingsplan zijn, net als de toelichting bij een bestemmingsplan en de (artikelsgewijze) toelichting bij andere algemeen verbindende voorschriften, niet juridisch bindend. Wel kunnen deze delen uiteraard een doorslaggevende rol spelen bij de interpretatie van de regels van het omgevingsplan.
In de praktijk zal de motivering van het wijzigingsbesluit in sommige gevallen één op één worden toegevoegd aan of verwerkt in de toelichting. Dat is met name het geval wanneer een wijzigingsbesluit voorziet in nieuwe regels in het omgevingsplan, of in een wijziging van de bestaande regels. Bij gebiedsontwikkeling zal echter vaak sprake zijn van een gebruikmaken van reeds bestaande regels. De voorgenomen ontwikkeling wordt dan gefaciliteerd doordat met het wijzigingsbesluit bepaalde regels over bouwwerken en gebruik voor een daarbij specifiek bepaalde locatie van toepassing worden. Het wijzigingsbesluit voorziet dan hoofdzakelijk in het wijzigen van het werkingsgebied van regels of het locatiegericht opnemen van normen. In dat geval voorziet de motivering vooral in een onderbouwing van de voorgenomen ontwikkeling in dat betreffende gebied. Die motivering wordt niet opgenomen in de toelichting van het omgevingsplan.
De motivering van het wijzigingsbesluit
De motivering van het wijzigingsbesluit staat in een bepaalde verhouding tot de toelichting bij het omgevingsplan. De toelichting heeft betrekking op de regeling (van het omgevingsplan) als geheel en de regels binnen die regeling, en onderbouwt de daarin gemaakte keuzes. Deze toelichting bevat (anders dan de meeste andere gemeentelijke verordeningen) niet de volledige onderbouwing van de rechtsgevolgen van het omgevingsplan. Dat is ook niet mogelijk, omdat het omgevingsplan niet alleen veel algemene, overal geldende regels bevat, maar juist ook veel locatiegerichte regels. Het rechtsgevolg van het op een bepaalde locatie van toepassing worden van een locatiegerichte regel is niet in zijn algemeenheid te onderbouwen. Dat zal per wijzigingsbesluit waarmee een locatiegerichte regel op een locatie van toepassing wordt, moeten gebeuren. Daarbij kan vaak wel voor een deel, maar soms ook geheel, worden teruggevallen op de toelichting.
Een voorbeeld maakt dit duidelijk. Het omgevingsplan bevat regels over onder meer planologisch gebruik van gronden en bouwwerken, en over bouwwerken. Het betreft locatiegerichte regels waarmee wordt bepaald waar bepaalde vormen van planologisch gebruik zijn toegestaan, waar bouwwerken zijn toegestaan. Daarbij kunnen aanvullende locatiegerichte regels over dat gebruik en het bouwwerk kunnen worden gesteld. Waar een bepaalde vorm van planologisch gebruik, bijvoorbeeld detailhandel, is toegestaan, en waar en hoe hoog gebouwd mag worden, wordt echter niet ineens voor heel Neder-Betuwe bepaald. Dat kan ook niet, dat zal gebiedsgewijs gebeuren. De onderbouwing van de regels vindt plaats in de toelichting. Zo wordt in de toelichting op de regels over detailhandel de daarbij gemaakte keuzes aan de hand van onder meer het detailhandelsbeleid onderbouwd. En voor wat betreft de regels over bouwwerken wordt de keuze voor een vergunningplicht voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken ook in de toelichting onderbouwd. In het geval van een initiatief / ontwikkeling dat leidt tot een wijziging van het omgevingsplan waarbij op een specifieke locatie een bouwwerk mag komen van 10 meter hoog, en dat daarin detailhandel mag komen wordt echter niet onderbouwd in de toelichting, maar in de motivering van het wijzigingsbesluit waarmee dat bouwwerk en het gebruik voor detailhandel op de betreffende locatie worden toegestaan. In het verleden gebeurde dit bij vaststelling van een bestemmingsplan in de toelichting op het bestemmingsplan. Daarin werd dan zowel een beschrijving van het achterliggend kader (detailhandelsbeleid) als de keuze voor het bouwwerk en het gebruik voor detailhandel op de betreffende locatie opgenomen. De beschrijving van het achterliggend kader is echter opgenomen in het algemene deel van de toelichting. In de motivering van het wijzigingsbesluit kan worden volstaan met aan te geven hoe de concrete keuze voor detailhandel op deze specifieke locatie zich verhoudt tot dat beleid. Het zal ook de motivering van het wijzigingsbesluit zijn waaraan onderbouwende onderzoeken en andere bijlagen die het besluit motiveren, worden gekoppeld. Zo zal bij een gebiedsontwikkeling een eventueel benodigd milieueffectrapport, een verkeersonderzoek en een akoestisch onderzoek niet aan de toelichting van het omgevingsplan worden gehangen, maar aan de motivering van het wijzigingsbesluit.
Wanneer sprake is van regels die overal binnen de gemeente gelden, zal de motivering veelal bestaan uit een toelichting die in het algemene en artikelgewijze deel van de toelichting moet landen. Zo zal bij de regels over onderwerpen die overal binnen de gemeente gaan werken, zoals regels over milieubelastende activiteiten (hoofdstuk 8 van de regels), de algemene of artikelgewijze toelichting een groot deel van de inhoudelijke motivering bevatten. Het is met name bij wijzigingsbesluiten van meer planologische aard dat een uitgebreide aanvullende motivering nodig zal zijn. Gedacht moet worden aan wijzigingsbesluiten waarmee de bestaande ruimtelijke besluiten worden vervangen, of besluiten waarmee gebiedsontwikkeling of transformatie worden mogelijk gemaakt.
Tegen elk besluit tot wijziging van het omgevingsplan staat beroep open. Nadat een besluit tot wijziging van het omgevingsplan is genomen, zal het wijzigingsbesluit inclusief motivering en bijlagen worden gepubliceerd.
Het omgevingsplan wordt langs elektronische weg raadpleegbaar in het Digitale Stelsel Omgevingswet (DSO). De wetgever geeft hierover het volgende aan (Staatsblad 2018 290, p. 95):
"Digitale raadpleegbaarheid is nodig omdat elke regel in het plan een werkingsgebied heeft dat met het vastleggen van coördinaten wordt bepaald. Het omgevingsplan bestaat uit regels waarin tekst is opgenomen, met een eventuele waarde zoals een bouwhoogte, en waarin met coördinaten het werkingsgebied van de regel is vastgelegd. Per locatie zullen regels en delen daarvan dus kunnen verschillen. Een omgevingsplan bestaat uit het (eerste) initiële omgevingsplan en de daarop volgende wijzigingsbesluiten. Zowel een afzonderlijk besluit tot vaststelling van het omgevingsplan (een wijzigingsbesluit) als alle besluiten tot vaststelling van het omgevingsplan die samen de actuele geconsolideerde versie van het omgevingsplan vormen, worden elektronisch beschikbaar worden gesteld. Bij de raadpleging van het omgevingsplan kan ook de relevante achterliggende informatie worden opgevraagd. Zo kan bij het raadplegen van de geconsolideerde versie van het omgevingsplan per regel (of onderdeel daarvan) worden nagegaan bij welk besluit de betreffende regel (of onderdeel daarvan) in het omgevingsplan terecht is gekomen. Ook dit besluit waarmee de betreffende regel in het omgevingsplan is vastgesteld kan worden opgevraagd en geraadpleegd. Verder wordt de achterliggende wetstechnische informatie raadpleegbaar. Bekeken kan worden welk orgaan, op welk moment, bij welk besluit de regel heeft vastgesteld. Te vinden is wanneer de regel in werking is getreden en onherroepelijk is geworden. Als aan de regel een delegatiebesluit ten grondslag ligt, omdat de gemeenteraad de bevoegdheid om bepaalde delen van het omgevingsplan vast te stellen aan het college van burgemeester en wethouders heeft gedelegeerd, kan ook dat besluit worden geraadpleegd."
Tot zover de wetgever. Omdat het omgevingsplan tot stand zal komen door middel van vele wijzigingsbesluiten, en ook gewijzigd zal blijven worden, is van belang dat die wijzigingsbesluiten worden verwerkt in de regeling. Dat gebeurt in de vorm van een geconsolideerde regeling. Daarin zal de regeling zichtbaar zijn zoals die op dat moment geldt. Van ontwerpwijzigingen of genomen besluiten die nog niet in werking zijn getreden zal een consolidatie beschikbaar zijn waarin ook die toekomstige wijzigingen raadpleegbaar zijn.
In sommige gevallen zal een wijziging van het omgevingsplan ook leiden tot een aanpassing van de toelichting. Wanneer er bij het vervangen van een bestemmingsplan behoefte blijkt aan een extra bouwregel, dan zal die behoefte niet alleen moeten worden gemotiveerd in de motivering bij het wijzigingsbesluit, maar zal die motivering waarschijnlijk ook moeten worden vertaald naar een artikelgewijze toelichting. En wanneer een heel nieuw regelonderdeel wordt toegevoegd aan het omgevingsplan (bijvoorbeeld bij het op enig moment inpassen van de bomenverordening), dan zal de motivering van dat wijzigingsbesluit geheel of gedeeltelijk landen in zowel het algemene deel als de artikelgewijze van de toelichting. Dergelijke wijzigingen van het omgevingsplan vragen dus niet alleen om een geconsolideerde weergave van de regeling, maar ook om een geconsolideerde weergave van de toelichting.
Zoals in paragraaf 1.1 reeds aangegeven, komt het omgevingsplan in de plaats van heel veel verschillende regelingen, en zal het gefaseerd tot stand komen. Gedurende die overgangsfase zullen de bestemmingsplannen gebied voor gebied worden vervangen door nieuwe regels. Ook zullen verschillende verordeningen geheel of gedeeltelijk overgaan naar het omgevingsplan.
Bij koninklijk besluit is de overgangstermijn voor het omgevingsplan bepaald. Daarbij wordt uitgegaan van een transitietermijn van 8 jaar. Dat betekent dat de overgang in 2031 moet zijn afgerond. De wetgever acht dit een haalbare termijn om tot een gefaseerde ombouw te komen van bestemmingsplannen, andere ruimtelijke planfiguren en lokale verordeningen naar het nieuwe deel van het omgevingsplan. Tegelijkertijd erkent het Rijk dat het omzetten van alle huidige plannen naar 1 samenhangend omgevingsplan voor gemeenten een forse klus is. De voortgang wordt daarom jaarlijks gemonitord. Na 3 jaar wordt, mede in afstemming met de VNG, bezien of het nodig is om de datum van het einde van de transitietermijn te heroverwegen. Ook wordt dan bekeken in hoeverre aanvullende actie, bijvoorbeeld in de vorm van extra ondersteuning, nodig is.
Het gefaseerd vervangen van allerlei bestaande regelingen zal zowel gebiedsgewijs als themagewijs gebeuren. Gebiedsgewijs wil zeggen dat in bepaalde delen van Neder-Betuwe al wel de nieuwe regels gaan gelden, terwijl elders de oude regels nog van toepassing zijn. Zo worden de onder oud recht vastgesteld bestemmingsplannen gebied voor gebied vervangen (eerst de Kernen, dan het Buitengebied en tot slot de Bedrijventerreinen). Dat betekent onder meer dat op enig moment in sommige delen van Neder-Betuwe nog de ruimtelijke regels van een onder oud recht vastgesteld bestemmingsplan van toepassing zijn, terwijl elders al nieuwe ruimtelijke regels daarvoor in de plaats zijn gekomen. Themagewijs wil zeggen dat bepaalde regels voor heel Neder-Betuwe ineens worden vervangen. Dat gebeurt met name met regelonderdelen die voor heel Neder-Betuwe gelden. Zo zullen de regels waarmee de hemelwaterverordening wordt vervangen, voor heel Neder-Betuwe van toepassing zijn.
Gedurende deze overgang moet uiteraard duidelijk zijn welke regels waar gelden. Een belangrijke rol is daarbij weggelegd voor het Digitale Stelsel Omgevingswet (DSO). Dat is een landelijke voorziening. Het bevat het Omgevingsloket, met als onderdeel een viewer waarin het omgevingsplan raadpleegbaar is. Met die viewer worden zowel de nieuwe regels als de onder oud recht vastgestelde bestemmingsplannen getoond. Dat laatste zolang dat nog ergens geldt.

Waar het bestemmingsplan nog niet is vervangen, moet voor de ruimtelijke regels over bouwwerken en gebruik in dat bestemmingsplan worden gekeken. Voor allerlei andere regels moet wel al in het omgevingsplan zelf worden gekeken. Dat geldt bijvoorbeeld voor de regels waarmee een vergunningplicht voor het bouwen van een bouwwerk in het leven wordt geroepen. Is het bestemmingsplan komen te vervallen, dan wordt dat niet meer getoond. Voor ruimtelijke regels over gebruik en bouwwerken wordt dan gekeken in het nieuwe deel.
Overigens zal het ook veel voorkomen dat het bestemmingsplan nog niet is vervangen, maar dat er al wel algemene regels in heel Neder-Betuwe gaan gelden over onderwerpen die ook door bestemmingsplannen worden geregeld. Daaraan valt niet te ontkomen. Het gevolg daarvan is dat er innerlijk tegenstrijdige regels kunnen gaan gelden. In dat geval zal in het omgevingsplan zelf worden gewerkt met voorrangsregels. Die bepalen dan welke regel van toepassing is, en welke niet.
Voor bestaande verordeningen die geheel of gedeeltelijk op moeten gaan in het omgevingsplan geldt dat die, zolang ze nog niet zijn vervangen, op de gebruikelijke wijze vindbaar blijven.
In hoofdstuk 6 van deze toelichting wordt meer inhoudelijk ingegaan op de transitie, en op de wijze waarop die voor Neder-Betuwe wordt vormgegeven.
De verplichting om voor heel de gemeente Neder-Betuwe één omgevingsplan vast te stellen volgt uit de Omgevingswet, die op 1 januari 2024 in werking is getreden. De Omgevingswet gaat over de fysieke leefomgeving en over activiteiten die gevolgen (kunnen) hebben voor die fysieke leefomgeving. De Omgevingswet heeft kort gezegd als doel om een goede balans te vinden tussen het bereiken en in stand houden van enerzijds een goede omgevingskwaliteit en anderzijds het gebruik en de ontwikkeling van die fysieke leefomgeving. De Omgevingswet bundelt de nu nog sterk versnipperde wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Met de Omgevingswet is het voorheen geldende stelsel van ruimtelijke regels volledig herzien en is het fundament van het nieuwe stelsel voor het omgevingsrecht gelegd.
Dit heeft grote gevolgen voor het gemeentelijk juridisch stelsel dat betrekking heeft op de fysieke leefomgeving. Gemeenten hebben ten opzichte van het voorheen geldende stelsel nieuwe instrumenten gekregen waarvan ze gebruik kunnen én moeten maken. Het omgevingsplan is op gemeentelijk niveau het nieuwe juridisch ordeningsinstrument als het gaat om de fysieke leefomgeving. Met het omgevingsplan wordt voorzien in integratie van allerlei regelingen op gemeentelijk niveau. Zo is niet alleen sprake van een stelstelselherziening op landelijk niveau, maar ook op gemeentelijk niveau. Bovendien is het omgevingsplan een nieuw instrument, waarvoor niet is bepaald hoe dat vormgegeven moet worden. De vormgeving is medebepalend voor de mate waarin het instrument daadwerkelijk een bijdrage kan leveren aan het bieden van oplossing voor gemeente-specifieke vraagstukken. De opgave om te komen tot daadwerkelijk één consistent, samenhangend en actueel omgevingsplan is aan de gemeenten zelf. Daarbij moet uiteraard oog zijn voor de verbeterdoelstellingen van de wet.
Met de stelselherziening heeft de wetgever vier verbeterdoelen voor ogen:
het vergroten van de inzichtelijkheid, de voorspelbaarheid en het gebruiksgemak van het omgevingsrecht,
het bewerkstelligen van een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving in beleid, besluitvorming en regelgeving,
het vergroten van de bestuurlijke afwegingsruimte door een actieve en flexibele aanpak mogelijk te maken voor het bereiken van doelen voor de fysieke leefomgeving,
het versnellen en verbeteren van besluitvorming over projecten in de fysieke leefomgeving.
Om deze doelstellingen te verwezenlijken op gemeentelijk niveau dient elke gemeente straks één omgevingsplan te hebben met daarin regels met betrekking tot de fysieke leefomgeving.
Voor de achterliggende redenen bij de verbeterdoelstellingen wordt verwezen naar onder andere Tweede Kamer, vergaderjaar 2017-2018, 34 986, nr. 3, onder meer blz. 6.
Het omgevingsplan is het instrument waarmee de doelen van de Omgevingswet op gemeentelijk niveau worden uitgewerkt, geoperationaliseerd en juridische doorwerking krijgen naar burgers en bedrijven. Artikel 2.4 van de Omgevingswet schrijft voor dat de gemeenteraad voor het gehele grondgebied van de gemeente één omgevingsplan vaststelt waarin regels over de fysieke leefomgeving worden opgenomen. De regels in het omgevingsplan gaan altijd over activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. Met het reguleren van activiteiten vervult het omgevingsplan een sleutelrol in de overheidszorg voor het verenigen van het gebruiken en het ontwikkelen van de fysieke leefomgeving (zie ook de Nota van Toelichting bij het Omgevingsbesluit, Staatsblad 2018 290, blz. 91, 92).
Het omgevingsplan is juridisch primair bepalend voor de vraag welke activiteiten op welke locatie, en onder welke voorwaarden kunnen plaatsvinden. Het omgevingsplan doet daarmee wat voorheen in bestemmingsplannen werd geregeld. Een vergelijking met bestemmingplannen wordt dan ook snel gemaakt, maar er zijn belangrijke verschillen. Zo bevat het omgevingsplan niet alleen regels over gebruik van gronden en bouwwerken maar ook andere regels over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. De wet gaat uit van één consistent, samenhangend en actueel omgevingsplan voor het gehele gemeentelijk grondgebied. Het omgevingsplan bestaat uit algemeen verbindende voorschriften. En net als andere algemeen verbindende voorschriften zijn de regels in het omgevingsplan gericht op een herhaalde toepassing. Het omgevingsplan lijkt in die opzichten meer op een gemeentelijke verordening dan op een bestemmingsplan. Het omgevingsplan is in bepaalde opzichten wel anders dan veel gemeentelijke verordeningen, omdat in die verordeningen de werking van regels meestal niet naar specifieke locaties binnen het gemeentelijk grondgebied is toegedeeld. Een locatiegerichte benadering is juist weer kenmerkend voor het omgevingsplan en geldt voor veel van de onderwerpen die daarin worden gereguleerd. Veel van de regels zijn op de specifieke kenmerken van locaties afgestemd en kunnen tot op perceelsniveau en binnen percelen verschillen (zie ook de Nota van toelichting Omgevingsbesluit, Staatsblad 2018, nr. 290, blz. 96).
Met het vereiste van één omgevingsplan per gemeente wordt afscheid genomen van de systematiek die we onder oud recht binnen de ruimtelijke ordening kenden. Onder de Wet ruimtelijke ordening konden per gemeenten meerdere bestemmingsplannen worden vastgesteld. Per bestemmingsplan werden regels opgenomen die uitsluitend voor het plangebied van het desbetreffende bestemmingsplan golden. Dit heeft geleid tot een situatie waarbij bestemmingsplannen inhoudelijk sterk van elkaar verschillen, zowel in de formulering als in de normering over gevallen die in feite gelijk zijn. Het leidde ook tot een situatie waarbij beleidsdoorwerking naar juridische regels moeilijk en in elk geval traag realiseerbaar is. De doorwerking moest immers per bestemmingsplan worden gerealiseerd. Doordat die niet allemaal tegelijk zijn vastgesteld en worden herzien, lag aan de verschillende bestemmingsplannen uiteenlopend beleid over gelijke onderwerpen ten grondslag. Dat was inherent aan het voorheen geldende stelsel. De opgave is om vanuit dit versnipperde landschap van honderden op zichzelf staande bestemmingsplannen met uiteenlopende ruimtelijke regels, te komen tot een integraal geheel van regels waarmee onder andere planologisch gebruik en bouwen worden gereguleerd.
Daarbij kwam dat er allerlei gemeentelijke verordeningen en andere regelingen werden vastgesteld die aanvullende regels bevatten over activiteiten in de fysieke leefomgeving. Een voorbeeld daarvan is de Verordening op de afvoer van hemelwater gemeente Neder-Betuwe die met het oog op de kwaliteit van de fysieke leefomgeving (tegengaan van wateroverlast) regels bevat over de uitvoering van bouwwerken. Het bestaan van al die afzonderlijke regelingen draagt niet bij aan samenhang in de besluitvorming, maakt het omgevingsrecht weinig voorspelbaar omdat er voor één en dezelfde activiteit meerdere toestemmingen nodig zijn, en maakt besluitvorming ook traag, aldus de wetgever. Onder de Omgevingswet zal een aantal van deze regelingen of delen ervan moeten of kunnen opgaan in het omgevingsplan. Voor regelingen of onderdelen daarvan die zelfstandig blijven bestaan, is de opgave om te komen tot een goede onderlinge afstemming met het omgevingsplan.
Integratie van regelgeving speelt ook voor een groot aantal regels over onderwerpen waarvoor onder oud recht regels door het Rijk waren gesteld. Over een aantal onderwerpen heeft het Rijk de regelgevende bevoegdheid overgedragen aan gemeenten. Het gaat onder meer om een groot aantal bouw- en milieuregels. Die moeten op een goede manier worden geïntegreerd in het omgevingsplan. Tegelijkertijd blijft er een groot aantal regels op Rijksniveau bestaan. Hetzelfde geldt voor regelgeving door provincie en waterschappen. Een goede afstemming van de regels in het omgevingsplan op die hogere regelgeving is vereist.
Plan van aanpak transitieperiode omgevingsplan 30‑6‑2021
Op 30‑6‑2021 heeft de gemeenteraad van de gemeente Neder-Betuwe het plan van aanpak transitieperiode omgevingsplan vastgesteld. Dit plan van aanpak is te raadplegen via de volgende link: Plan van aanpak transitieperiode omgevingsplan. In het plan van aanpak wordt in globale zin een schets gegeven van het proces dat moet leiden tot een omgevingsplan voor het hele grondgebied van de gemeente Neder-Betuwe. Verder worden ook enkele uitgangspunten gegeven voor het op te stellen omgevingsplan. Het belangrijkste uitgangspunt is dat het omgevingsplan een zoveel als mogelijk beleidsneutrale 'verhuizing' moet zijn van de gemeentelijke regels zoals die golden voordat het omgevingsplan wordt vastgesteld. De woorden zoveel als mogelijk slaan op het feit dat de gewijzigde wetgeving en met name de (digitale) vereisten die worden gesteld aan een omgevingsplan tot gevolg hebben dat een simpele één op één verhuizing niet mogelijk is.
Nota van uitgangspunten omgevingsplan deelgebied Kernen
In de raadsvergadering van 7‑12‑2023 heeft de gemeenteraad van de gemeente Neder-Betuwe de nota van uitgangspunten voor een omgevingsplan voor het deelgebied Kernen vastgesteld. Deze nota van uitgangspunten is te raadplegen via de volgende link Nota van uitgangspunten omgevingsplan deelgebied Kernen. In de Nota van Uitgangspunten staan alle uitgangspunten en keuzes voor de verhuizing van de bestemmingsplannen (inclusief aan de bestemmingsplannen verwante regels die in de Bruidsschat staan) naar het omgevingsplan Kernen, het (permanente) omgevingsplan voor de kernen. In de Nota van Uitgangspunten is per thema/beleidsonderdeel bekeken hoe het nu is geregeld, of er nieuw beleid of regelgeving is op het thema/onderdeel en daarna is er een voorstel gedaan hoe we het gaan regelen in het omgevingsplan. Deze voorstellen zijn integraal afgewogen door intensief overleg met alle bij de fysieke leefomgeving betrokken vakdisciplines. Ook de omgevingsdienst Rivierenland en diverse andere ketenpartners zijn bij het proces betrokken.
Benadering vanuit activiteiten
Regels in het omgevingsplan gaan direct of indirect altijd over activiteiten (zoals bouwen, gebruiken van gronden en gebouwen, kappen, etc.) die gevolgen kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. Het is het reguleren van activiteiten die moet zorgen voor een zorgvuldig gebruik van de fysieke leefomgeving. Regulering van activiteiten staat derhalve centraal. Het omgevingsplan is daarom ook opgebouwd vanuit een activiteitgerichte benadering. Uitgangspunt is dat per te reguleren activiteit die regels worden gesteld die nodig zijn. Deze regels werken in beginsel overal door waar de desbetreffende activiteit is toegestaan. Een opbouw vanuit regels per activiteit draagt zo goed als automatisch bij aan regelharmonisatie.
Hiermee wordt afscheid genomen de systematiek in bestemmingsplannen, waarin de bestemming centraal stond. Daarbij werden per bestemming regels over meerdere activiteiten opgenomen. De regels hadden in elk geval betrekking op zowel het gebruik van gronden en bouwwerken, als op het bouwen van bouwwerken. Daarbij konden ook nog per bestemming regels worden gesteld over verschillende vormen van gebruik. Daarmee kreeg in feite elke afzonderlijke bestemming een eigen, voor dat gebied autonome set van regels. Omdat die regels alleen dáár golden, hoefden regels tussen bestemmingsplannen en zelfs bestemmingen binnen een bestemming niet op elkaar te zijn afgestemd. En dat waren ze dan ook veelal niet. Dat leidde tot uiteenlopende regelgeving over dezelfde onderwerpen. Dat wordt met de keuze om in het omgevingsplan de activiteiten als uitgangspunt te nemen anders. De activiteit staat centraal, en bij de regels over die activiteit wordt onder meer bepaald waar die mag worden uitgeoefend, en eventueel onder welke aanvullende locatiegerichte beperkingen. Ook die beperkingen worden generiek geformuleerd, waarbij ze locatiegericht doorwerken.
Een voorbeeld hiervan is de regel die bepaald hoe hoog gebouwd mag worden:
“Ter plaatse van het Normgebied maximum bouwhoogte gebouwen bedraagt de maximum bouwhoogte van een gebouw niet meer dan met de Omgevingsnorm maximum bouwhoogte gebouwen in meters is aangegeven."
Deze regel is generiek geformuleerd en daarmee in heel Neder-Betuwe toepasbaar. Per locatie waar deze regel gaat gelden wordt de concrete bouwhoogte bepaald. Die waarde wordt niet in de regeltekst, maar op kaart weergegeven.
Vanuit de bestaande juridische kaders is geïnventariseerd welke activiteiten gevolgen kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving, en regulering vergen. Allerlei activiteiten (wonen, bouwen, kappen van bomen) komen overal in de gemeente voor, en kunnen redactioneel een uniforme opzet krijgen. Dit leidt tot een ‘catalogus’ van regels over activiteiten als onderdeel van het omgevingsplan. Waar een regel dan geldt, of waar een activiteit dan is toegestaan, wordt bepaald door de geografische component van die regel (in hoofdstuk 7 van deze toelichting wordt inhoudelijk op die geografische component ingegaan). Het blijft mogelijk om gebiedsgericht te werken, maar wel vanuit qua opbouw geharmoniseerde regels. In de hierna volgende paragraaf wordt op de achterliggende techniek ingegaan.
Een omgevingsplan dat is opgebouwd vanuit regels over activiteiten leidt in die zin automatisch tot harmonisatie van regels. Wanneer een bepaalde regel wordt gewijzigd, werkt die ook automatisch overal door waar die regel van toepassing is. Dit draagt bij aan snelle doorwerking van beleid naar juridische regels.
Lokaal maatwerk
De wens om te komen tot regelharmonisatie neemt niet weg dat lokaal maatwerk mogelijk moet zijn. Dat lokaal maatwerk wordt allereerst gerealiseerd met locatiegerichte regels, waarmee bepaald kan worden waar een bepaalde activiteit wel of niet is toegestaan, en onder welke voorwaarden. Die voorwaarden kunnen ook weer locatiegericht zijn. Zo kan met één locatiegerichte regel worden bepaald waar gebouwd mag worden, en kan met een andere locatiegerichte regel worden bepaald hoe hoog gebouwd mag worden. De norm in die regel verschilt dan per locatie. Dat lokaal maatwerk betekent bijvoorbeeld ook dat lokaal van algemeen geldende regels kan worden afgeweken. In de opzet van het omgevingsplan is daartoe alle ruimte. Via locatiegericht maatwerk kan dit worden gerealiseerd. Vanuit de wens van regelharmonisatie en de achterliggende doelen zal daarbij wel altijd de vraag worden gesteld of een afwijkende regel daadwerkelijk nodig is. Die noodzaak zal uit de motivering bij voorgesteld locatiegericht maatwerk moeten blijken.
Naast het juridisch instrumentarium is digitalisering een ander belangrijk instrument voor het behalen van de verbeterdoelen van de wetgever. De Omgevingswet bevat de grondslagen voor het Digitaal Stelsel Omgevingswet. Daarmee is de juridische basis gelegd voor de ontwikkeling van het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) en kunnen er regels worden gesteld over onder andere gemeenschappelijke definities in de standaarden en voorzieningen die onderdeel zijn van het stelsel. Het DSO moet zorgen voor samenhangende, eenduidige en toegankelijke informatie van goede kwaliteit en draagt bij aan de verbetering van het stelsel van het omgevingsrecht. Het DSO moet een snellere en integrale besluitvorming onder de Omgevingswet stimuleren en het gebruikersgemak vergroten. Het DSO moet een digitale loket bieden waar initiatiefnemers, overheden en belanghebbenden snel kunnen zien wat kan en mag in de fysieke leefomgeving.
Het DSO zal drie functies krijgen:
gebruikers moeten zich kunnen oriënteren op alle op een bepaalde locatie van toepassing zijnde regels
gebruikers moeten kunnen nagaan of een specifieke activiteit is toegestaan, en onder welke voorwaarden (bijvoorbeeld een vergunning)
gebruikers moeten een vergunning kunnen aanvragen via het DSO
Het kunnen oriënteren op de voor een bepaalde locatie geldende regels gaat verder dan dat met ‘een klik op de kaart’ de daar geldende regels in beeld komen. Het gaat ook verder dan het bedienen van de burger die iets wil weten of op een bepaalde plek een specifieke activiteit is toegestaan en onder welke voorwaarden.
Het omgevingsplan schept rechten en plichten, en die rechten en plichten hebben gevolgen voor iedereen, of het nu gaat om bijvoorbeeld burgers, ondernemers of ontwikkelaars. Regels stellen beperkingen aan het uitoefenen van bepaalde activiteiten, of maken gebiedsontwikkeling mogelijk. Een wijziging van het omgevingsplan leidt tot rechtsgevolgen. En een ieder moet in staat worden gesteld te beoordelen wat die rechtsgevolgen zijn. Aan vaststelling van regels in het omgevingsplan gaat daarom een procedure vooraf, waarbij een ieder zienswijzen over de voorgenomen wijziging naar voren kan brengen. Uiteindelijk kan een belanghebbende ook tegen een wijziging van het omgevingsplan in beroep komen.
Het omgevingsplan wordt vanaf het moment dat een ontwerp omgevingsplan ter inzage wordt gelegd, raadpleegbaar in het omgevingsloket van het DSO. Dat omgevingsloket bevat een viewer waarmee de voor een locatie geldende regels kunnen worden geraadpleegd. Bij de opbouw en formulering van de regels in het omgevingsplan is rekening gehouden met de wijze waarop regels in die viewer worden weergegeven.
Zoals in paragraaf 2.2 is toegelicht, wordt het omgevingsplan vaak vergeleken met het bestemmingsplan, maar heeft het een ander juridisch karakter. Ook inhoudelijk is er een verschil. Anders dan het bestemmingplan, blijft de inhoud van het omgevingsplan niet beperkt tot planologische aspecten. In het omgevingsplan worden allerlei bestaande gemeentelijke regelingen geïntegreerd. Dit brengt mee dat het omgevingsplan regels over uiteenlopende onderwerpen bevat. Het toepassingsbereik van het omgevingsplan is daarmee ruim, maar niet onbeperkt. Waarover het omgevingsplan regels kan bevatten en met welk doel (oogmerk) het omgevingsplan regels mag bevatten, wordt bepaald door de Omgevingswet.
Over het omgevingsplan is in artikel 2.4 van de Omgevingswet verder bepaald dat de gemeenteraad voor het gehele grondgebied van de gemeente één omgevingsplan vaststelt waarin regels over de fysieke leefomgeving worden opgenomen. Met het oog op de doelen van de wet kunnen in het omgevingsplan regels worden gesteld over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving (artikel 4.1, eerste lid, Omgevingswet). Het omgevingsplan moet voor het gehele grondgebied van de gemeente in ieder geval de regels bevatten die nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2, eerste lid, Omgevingswet).
Artikel 1.2 van de Omgevingswet bepaalt dat de wet gaat over de fysieke leefomgeving en over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor die fysieke leefomgeving. Regels in het omgevingsplan kunnen met het oog op de doelen van de wet worden gesteld over activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor die fysieke leefomgeving. Hierin is een aantal elementen te onderscheiden.
De fysieke leefomgeving
Allereerst moet het gaan om de fysieke leefomgeving. In de wet is vastgelegd dat de fysieke leefomgeving in elk geval bouwwerken, infrastructuur, watersystemen, water, bodem, lucht, landschappen, natuur, cultureel erfgoed en werelderfgoed omvat (artikel 1.2, lid 2 Omgevingswet). Hoewel de opsomming niet limitatief is, zijn dit volgens de wetgever in beginsel wel alle fysieke onderdelen van de fysieke leefomgeving (Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 33 962, nr. 3, blz. 391).
Het is deze fysieke leefomgeving waarop vervolgens de maatschappelijke doelen van de wet betrekking hebben. Het maatschappelijke doel van ‘het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit’ benadrukt de opdracht tot het waarborgen van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Het tweede doel, ‘het op een doelmatige wijze beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeftes’, ziet op het benutten van de fysieke leefomgeving door de mens. Beide aspecten wegen even zwaar (Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 33 962, nr. 3, blz. 394). Dat betekent dat daar waar deze doelen op gespannen voet met elkaar kunnen komen, een bestuurlijke afweging van belangen moet worden gemaakt.
Activiteiten met (mogelijke) gevolgen voor de fysieke leefomgeving
De Omgevingswet gaat over de fysieke leefomgeving en over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. Er is geen definitie van het begrip activiteit in het wetsvoorstel opgenomen. Wat hieronder wordt verstaan, moet blijken uit de context van de artikelen in de wet waarin het begrip activiteit wordt gebruikt, aldus de wetgever. Doorgaans zal het echter gaan om een feitelijke handeling, of om het nalaten van een feitelijke handeling.
Niet elke activiteit valt onder de reikwijdte van de wet. Het moet gaan om activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. Dat zijn in elk geval handelingen in de zin van directe fysieke ingrepen door de mens in de tastbare leefomgeving, die de fysieke leefomgeving of onderdelen ervan wijzigen. Het gaat ook om het gebruik van de fysieke leefomgeving zonder dat dat gebruik leidt tot een wijzing van de fysieke leefomgeving. Ook dan gaat het echter wel om activiteiten die een bepaald effect hebben op de fysieke leefomgeving, bijvoorbeeld in de vorm van emissies, hinder of risico’s. En het gaat ook om activiteiten die verandering brengen in de bruikbaarheid, gezondheid of veiligheid van de fysieke leefomgeving voor anderen of voor de intrinsieke waarde die de maatschappij aan onderdelen van de fysieke leefomgeving toekent. Vanwege de gevolgen voor de fysieke leefomgeving kunnen ook regels worden gesteld over handelingen met stoffen of objecten die niet tot de fysieke leefomgeving behoren (Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 33 962, nr. 3, blz. 61, 62).
Het gaat erom dat de (negatieve) gevolgen van activiteiten op de fysieke leefomgeving gereguleerd kunnen worden. In de wet is verduidelijkt dat het in ieder geval gaat om gevolgen die kunnen voortvloeien uit (artikel 1.2, derde lid, Omgevingswet):
het wijzigen van onderdelen van de fysieke leefomgeving of het gebruik daarvan,
het gebruik van natuurlijke hulpbronnen,
activiteiten waardoor emissies, hinder of risico’s worden veroorzaakt,
het nalaten van activiteiten.
Vervolgens is nog bepaald dat als gevolgen voor de fysieke leefomgeving ook aangemerkt worden gevolgen voor de mens, voor zover deze wordt of kan worden beïnvloed door of via onderdelen van de fysieke leefomgeving (artikel 1.2, vierde lid, Omgevingswet). Hiermee wordt uitdrukkelijk bepaald dat gevolgen voor de fysieke leefomgeving ook betrekking kunnen hebben op gevolgen voor de mens. Beschermende regels van de Omgevingswet hebben betrekking op de fysieke leefomgeving, maar zijn uiteindelijk grotendeels gericht op het beschermen van de veiligheid en gezondheid van de mens en de omgevingskwaliteit voor de mens. Dit betekent dat overal waar de Omgevingswet regels stelt over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving of onderdelen daarvan, dit ook de bevoegdheid impliceert om ook gevolgen voor de mens erbij te betrekken, echter wel voor zover de mens wordt of kan worden beïnvloed door of via de fysieke leefomgeving (Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 33 962, nr. 3, blz. 392).
In dat laatste zit ook een grens aan het toepassingsbereik van het omgevingsplan. Activiteiten, handelingen, gedragingen en dergelijke die rechtstreeks van invloed zijn op de gezondheid of veiligheid van de initiatiefnemer zelf of op die van anderen, vallen niet onder de reikwijdte van de Omgevingswet. De wetgever zelf geeft hierover aan dat de Omgevingswet niet de directe betrekkingen tussen mensen reguleert. Onderwerpen als veilig verkeersgedrag, voedselveiligheid, arbeidsomstandigheden, dierenwelzijn, openbare orde en woonruimteverdeling behoren niet tot de reikwijdte van de wet (Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 33 962, nr. 3, blz. 61).
De Omgevingswet is niet bedoeld om te sturen op gedrag dat ongezond of onveilig is, maar op activiteiten die via de fysieke leefomgeving gevolgen kunnen hebben op het gebied van gezondheid, veiligheid, of omgevingskwaliteit. In de kern gaat het er dus om dat het de fysieke leefomgeving moet zijn waarlangs activiteiten van de één, gevolgen hebben voor de ander.
Artikel 2.1 van de Omgevingswet bepaalt in het eerste lid dat onder andere bestuursorganen van gemeenten hun taken en bevoegdheden op grond van de Omgevingswet uitoefenen met het oog op de doelen van de wet, tenzij daarover specifieke regels zijn gesteld. Dat betekent dat de bevoegdheid om het omgevingsplan te wijzigen moet worden uitgeoefend met het oog op de doelen van de wet.
Artikel 1.3 van de Omgevingswet bepaalt dat de wet, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht is op het in onderlinge samenhang:
bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur, en
doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.
Een wijziging van het omgevingsplan kan niet tot een ander doel strekken dan die aangegeven zijn in artikel 1.3 van de Omgevingswet.
Ook in de maatschappelijke doelen van de wet werkt het toepassingsbereik door. De doelen met het oog waarop regels mogen worden gesteld, hebben telkens betrekking op de fysieke leefomgeving. Het is die fysieke leefomgeving die ook in de te bereiken doelen centraal staat. Dat betekent bijvoorbeeld dat regels wel mogen worden gesteld met als doel een gezonde fysieke leefomgeving te bereiken, maar niet met als doel gezond gedrag te bevorderen.
Dat betekent dat de regels die in het omgevingsplan niet alleen betrekking moeten hebben op de fysieke leefomgeving, maar dat ook de doelen van die regels daarop betrekking moeten hebben. Dit geeft een beperking voor wat betreft de inzetbaarheid van het omgevingsplan als instrument om beleidsdoelen te bereiken die niet in hoofdzaak de kwaliteit van de fysieke leefomgeving tot doel hebben. Overigens moet daarbij worden opgemerkt dat een harde scheiding niet altijd goed is aan te geven. Bovendien komt het voor dat regelgeving meerdere doelen dient. Zo worden regels die horeca reguleren niet alleen ingegeven met het oog op de bescherming van de omgevingskwaliteit, maar ook met het oog op de bescherming van openbare orde en veiligheid. En regels in de Huisvestingsverordening worden niet alleen gesteld met het oog op woonruimtevoorraad, maar ook met het oog op de omgevingskwaliteit. Wanneer meerdere doelen aan de orde zijn, moet worden bekeken welk instrument het beste kan worden ingezet. Dat hoeft niet altijd het omgevingsplan te zijn, maar dat kan ook een andere gemeentelijke verordening zijn, zoals de APV of de Huisvestingsverordening. In de volgende paragraaf zal hier nader op worden ingegaan.
Een andere beperking met betrekking tot de mogelijkheid tot het opnemen van regels in het omgevingsplan, volgt uit enkele wettelijke bepalingen die gaan over de inpassing van gemeentelijke verordeningen in het omgevingsplan. Met de Omgevingswet wordt erin voorzien dat ook een aantal gemeentelijke verordeningen of onderdelen daarvan, opgaan in het omgevingsplan. Behalve dat het daarbij in elk geval moet gaan om regels die onder het toepassingsbereik van de Omgevingswet vallen, gelden er enkele aanvullende beperkingen. In de Omgevingswet is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur gevallen kunnen worden aangewezen waarin regels over de fysieke leefomgeving alleen in het omgevingsplan mogen worden opgenomen, maar ook gevallen waarin regels over de fysieke leefomgeving niet in het omgevingsplan mogen worden opgenomen (artikel 2.7 Omgevingswet).
Verplichte opname
In het Omgevingsbesluit is dit geconcretiseerd. Allereerst geldt de verplichting dat regels over activiteiten die onderdelen van de fysieke leefomgeving wijzigen alleen in het omgevingsplan mogen worden opgenomen (artikel 2.1, eerste lid Omgevingsbesluit).
Vooropgesteld wordt dat hierin geen plicht moet worden gelezen tot het stellen van regels over activiteiten die de fysieke leefomgeving wijzigingen. Wanneer een activiteit is toe te staan zonder daaraan beperkingen te stellen, dan hoeven daarover geen regels te worden gesteld, en hoeven dergelijke regels ook nergens te worden opgenomen. Maar als dergelijke regels noodzakelijk worden geacht, dan mag dat (niet langer) in een separate verordening, maar dan moet dit in het omgevingsplan.
Wat wordt verstaan onder het wijzigen van onderdelen van de fysieke leefomgeving, wordt nader toegelicht in de toelichting op artikel 2.1 van het Omgevingsbesluit (Nota van Toelichting Omgevingsbesluit, Staatsblad 2020 400, p. 1702):
Bij het wijzigen van onderdelen van de fysieke leefomgeving gaat het om directe fysieke ingrepen door de mens in de tastbare leefomgeving, zowel boven- als ondergronds. Gedacht kan worden aan activiteiten als bouwen en slopen, kappen van bomen, ontsieren van een monument, aanleggen van een (uit)weg, aanleggen van buisleidingen, aanbrengen van zichtbare reclame of plaatsen van een hekwerk, het plaatsen van een ondergrondse afvalcontainer en het opspuiten van zand.
De woorden 'wijzigen van onderdelen van de fysieke leefomgeving' impliceren dat het gaat om activiteiten die een blijvende en tastbare verandering van de fysieke leefomgeving teweegbrengen. Om misverstanden te voorkomen wordt hierbij opgemerkt dat het plaatsen van een bouwwerk altijd moet worden gezien als een wijziging van de fysieke leefomgeving, ook als het een tijdelijk bouwwerk betreft, omdat elk bouwwerk op grond van artikel 1.2, tweede lid, van de Omgevingswet tot de fysieke leefomgeving behoort. Ook het plaatsen van een woonwagen of het aanmeren van een woonschip (dat niet is bestemd of wordt gebruikt voor de vaart) is daarom een wijziging van de fysieke leefomgeving.
Regels over gebruik van de fysieke leefomgeving zonder dat dat gebruik de fysieke leefomgeving wijzigt, vallen buiten de verplichte opname
Zoals volgt uit artikel 1.2, derde lid, onder a, van de Omgevingswet moet het wijzigen van onderdelen van de fysieke leefomgeving worden onderscheiden van het gebruik van de fysieke leefomgeving. Regels over activiteiten over gebruik van de fysieke leefomgeving zonder dat dat gebruik leidt tot een wijziging, vallen niet binnen het bereik van artikel 2.1, eerste lid, van het Omgevingsbesluit. Bij gebruik van de fysieke leefomgeving dat de fysieke leefomgeving niet wijzigt kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het maken van muziek in de openbare ruimte, het plaatsen van terrasmeubilair, het aanbieden van vuilnis in rolcontainers, het anders benutten van een gebouw zonder dat daarvoor bouwactiviteiten nodig zijn (bijvoorbeeld anti-kraak) of het gebruik van een tijdelijke evenementenlocatie.
Ook regels die gaan over activiteiten waardoor emissies, hinder of risico’s worden veroorzaakt, vallen niet onder het bereik van het eerste lid van de artikel 2.1, eerste lid, van het Omgevingsbesluit, omdat ook het veroorzaken van emissies, hinder of risico’s in artikel 1.2, derde lid van de Omgevingswet wordt onderscheiden van het wijzigen van de fysieke leefomgeving. Dit brengt bijvoorbeeld met zich dat regels over activiteiten die emissies in de fysieke leefomgeving veroorzaken (zoals geluid, geur of fijn stof) buiten het bereik van deze bepaling vallen. Als dergelijke regels ergens in een verordening zijn gesteld, mogen ze wel worden opgenomen in het omgevingsplan, maar noodzakelijk is dat niet. Een complicerende factor hierbij is dat als het Besluit kwaliteit leefomgeving vereist dat een omgevingsplan voorziet in een aanvaardbare geluidsniveau op de gevels van woningen, het wel weer noodzakelijk kan zijn om gemeentelijke regels over geluid op te nemen in het omgevingsplan.
Verbod op opname
Naast een bepaling over welke regels (als ze worden gesteld) in het omgevingsplan moeten komen te staan, is er ook een bepaling die opname van bepaalde regels verbiedt (artikel 2.1, tweede lid, Omgevingsbesluit). Het gaat in hoofdlijnen om regels op het gebied van openbare orde en veiligheid en belastingmaatregelen.
Het gaat om regels als bedoeld in de volgende bepalingen van de Gemeentewet:
de artikelen 151a, eerste lid, 151b, eerste lid, 151c, eerste lid, 151d, eerste lid, en 154a, eerste lid;
artikel 216.
De bepaling gaat ten eerste over regels die (deels) wel betrekking kunnen hebben op de fysieke leefomgeving maar die hoofdzakelijk worden gesteld met het oog op de handhaving van de openbare orde en (openbare) veiligheid. Dat zijn in beginsel regels over gedrag van personen die vanwege het motief waarmee ze worden gesteld (het gaat niet om het effect van het gedrag op de fysieke leefomgeving maar om het effect op de openbare orde) niet onder de reikwijdte van de Omgevingswet vallen. Omdat het veelal wel gaat om gedragingen in de fysieke leefomgeving en daarom twijfel zou kunnen bestaan over de vraag of dergelijke regels in het omgevingsplan thuishoren, wordt hierover in deze bepaling uitsluitsel gegeven. Het betekent dat als regels over activiteiten worden gesteld op grond van de bepalingen die zijn opgenomen in artikel 2.1, tweede lid, onderdelen a en c, van het Omgevingsbesluit, deze niet in het omgevingsplan mogen worden opgenomen. Ten tweede gaat deze bepaling over regels met strafbaarstellingen (onderdeel b) en over financiële regels (onderdeel d).
Een belangrijk onderdeel van de zorg voor de fysieke leefomgeving betreft het verenigen van het gebruik en de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving met het belang van een goede kwaliteit van de fysieke leefomgeving.
Bij het vinden van een balans tussen “beschermen en benutten” speelt een evenwichtige toedeling van functies aan locaties een cruciale rol (Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 33 962, nr. 3, blz. 137). Artikel 4.2, eerste lid, van de Omgevingswet bepaalt daartoe dat het omgevingsplan in elk geval de regels bevat die nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Betekenis van het begrip ‘functie’ in de Omgevingswet
Het evenwichtig toedelen van functies aan locaties is het basisvereiste dat in de wet wordt gesteld aan het omgevingsplan. Over het begrip ‘functie’ heeft de wetgever het volgende aangegeven (Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 33 962, nr. 3, p. 137):
Het begrip functie heeft in het wetsvoorstel een algemene betekenis. De functie is het gebruiksdoel dat, of de status (in de betekenis van bijzondere eigenschap) die een onderdeel van de fysieke leefomgeving op een bepaalde locatie heeft.
Elke functietoekenning heeft tenminste twee essentiële kenmerken: functiekenmerken en locatiekenmerken, aldus de wetgever. De functiekenmerken drukken een bepaalde rol, taak of dienstbaarheid uit van het desbetreffende onderdeel van de fysieke leefomgeving. De toekenning van bijvoorbeeld de functies ‘weg’ of ‘bedrijventerrein’ ziet op de taak die dat deel van de fysieke leefomgeving heeft. Die functie heeft een invloed op of stelt bijzondere eisen aan de directe omgeving daarvan of aan activiteiten die binnen dat onderdeel (kunnen) worden verricht. De toekenning van de functie ‘monument’ ziet op de bijzondere en te beschermen status van dat object (bouwwerk of terrein), waarbij uit de regels die daarvoor zijn gesteld beperkingen kunnen voortvloeien voor het gebruik of het wijzigen daarvan.
De locatiekenmerken worden door de wetgever als volgt toegelicht. De term ‘locatie’ is een ruimtelijk begrip dat een onderdeel van de fysieke leefomgeving aanduidt. Dat begrip omvat een punt, een perceel, een plaats, een gebied, een bouwwerk of ander object. Het zijn locaties die een bepaalde functie kunnen hebben. Een locatie kan in omvang heel verschillend zijn, van een enkel punt, een lange strook (infrastructuur) tot een groot gebied. De locatie wordt begrensd door middel van een geometrische plaatsbepaling. Aan een locatie kunnen ook meerdere functies worden toegekend. Zo kunnen bijvoorbeeld de functies ‘wonen’ en ‘detailhandel’ op één locatie van toepassing zijn.
Niet iedere denkbare functie van de fysieke leefomgeving is relevant voor het reguleren van activiteiten. Een stuk grond kan voor iemand een beleggingsfunctie hebben, voor een ander een productiefunctie. Of een functie relevant is, hangt af van de mate waarin de betrokken functie invloed heeft op zijn omgeving of daaraan specifieke eisen stelt voor het uitoefenen van bepaalde activiteiten.
Het bovenstaande maakt duidelijk dat het begrip ‘functie’ een brede betekenis heeft, breder wellicht dan de betekenis die het begrip in het normale spraakgebruik heeft, aldus de wetgever. Het is ook breder dan het begrip ‘bestemming’ dat onder oud recht werd gehanteerd om functies van gronden aan te duiden in bestemmingsplannen. Zo wordt ook een te beschermen (waardevol) object een functie genoemd.
Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bereikt door activiteiten onderling evenwichtig over locaties te reguleren
Over het evenwichtig toedelen van functies aan locaties heeft de wetgever aangegeven dat dat in het omgevingsplan wordt bereikt door activiteiten onderling evenwichtig over locaties te reguleren. Dit impliceert een locatiegerichte benadering waarbij de schaarse ruimte binnen de fysieke leefomgeving op een zo goed mogelijke wijze wordt verdeeld, ingericht en benut. De evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet als resultante worden beschouwd van alle regels in het omgevingsplan (Tweede Kamer, vergaderjaar 2017–2018, 34 986, nr. 3, blz. 58 en 59):
De opdracht om activiteiten onderling evenwichtig over locaties te reguleren houdt geen verplichting in om locaties evenwichtig te etiketteren met functie-aanduidingen. Daar waar onder de Wet ruimtelijke ordening alle gronden een bestemming moeten hebben, is het onder de Omgevingswet niet noodzakelijk dat alle gronden zijn voorzien van een functie-aanduiding. Centraal staat de evenwichtige regulering van activiteiten over locaties.
Regels die bepalen waar wonen is toegestaan, of een kantoor, of onder welke voorwaarden een café mag worden geëxploiteerd, regels die bepalen waar bebouwing mag komen en hoe hoog die mag worden, regels die strekken ter bescherming van een gemeentelijk monument of archeologische of natuurwaarden, regels over milieubelastende activiteiten of regels over het kappen van bomen; ze dragen allemaal bij aan de evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Gebruik van het begrip ‘functie’ in het omgevingsplan
Door de ruime betekenis van het begrip ‘functie’ dat zich uit in een uiteenlopend doel van het gebruik van het begrip, kan verwarring ontstaan. Zoals de wetgever zelf heeft aangegeven is de betekenis ervan ook ruimer dan in het algemeen spraakgebruik het geval is. Tegelijkertijd hoeft ook niet elke functie van een locatie te worden vertaald naar regels in het omgevingsplan.
Wanneer het begrip wordt gebruikt in die zin van het ‘gebruiksdoel’ van een locatie, heeft het min of meer dezelfde betekenis als het begrip ‘bestemming’ zoals dat in bestemmingsplannen werd gehanteerd. Het heeft betrekking op een bepaald gebruik dat op een bepaalde locatie is toegestaan.
In het omgevingsplan Neder-Betuwe is de keuze gemaakt om locaties (vergelijkbaar met de bestemmingen zoals we die kennen uit de bestemmingsplannen) te koppelen aan een gebruiksdoel. Binnen een gebruiksdoel zijn bepaalde functies toegestaan. Als een locatie op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan meerdere gebruiksdoelen kende, zijn die allen apart aangeduid. Dit betekent dat een locatie die onder het regime van het bestemmingsplan de bestemming Centrum had, nu is aangeduid voor de gebruiksdoelen detailhandel, horeca, etc. Als er op een locatie een functie aanwezig is die niets van doen heeft met het aan de locatie toegekende gebruiksdoel (bijvoorbeeld een peuterspeelzaal binnen het gebruiksdoel wonen) dan is voor die peuterspeelzaal een Functieaanduiding opgenomen die vanwege technische redenen is geplaatst in een separate afdeling (afdeling 2.20).
In alle overige gevallen wordt de betreffende locatie aangeduid met een betekenisvolle naam. Zo worden in hoofdstuk 7 van de planregels bepaalde gebieden als ‘beschermingszone’ aangewezen. Het gaat om gebied waar vanwege de aanwezigheid van een bepaald te beschermen belang (bijvoorbeeld mogelijke archeologische vindplaatsen) beperkingen worden gesteld aan de uitoefening van bepaalde activiteiten (zoals het doen van grondbewerkingen). Het gebruik van het begrip ‘beschermingszone’ geeft uiting aan het doel van de regels die daar gelden.
Evenwichtige regulering van activiteiten
Hoewel de Omgevingswet ertoe verplicht dat het omgevingsplan in ieder geval de regels bevat die nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, gaat het, zoals ook blijkt uit de parlementaire stukken, in feite om een evenwichtige regulering van activiteiten die met de Omgevingswet wordt beoogd. Naast het omgevingsplan zullen ook regels van het Rijk, provincies en waterschappen bijdragen aan een evenwichtige regulering van activiteiten, waar bij het vaststellen van het omgevingsplan rekening mee moet worden gehouden.
Dat geldt ook voor de regels die een gemeente in andere verordeningen heeft gesteld. Het is niet nodig – en in sommige gevallen ook niet mogelijk – om regels te stellen in het omgevingsplan die elders al zijn gesteld (Tweede Kamer, vergaderjaar 2017–2018, 34 986, nr. 3, blz. 58 e.v.).
Hoewel het omgevingsplan juridisch primair bepalend is voor de vraag welke activiteiten op welke locatie, onder welke voorwaarden kunnen plaatsvinden, staat het omgevingsplan niet op zichzelf, maar in een bepaalde relatie tot andere kerninstrumenten uit de Omgevingswet. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de werking en de onderlinge relaties tussen de verschillende kerninstrumenten. Naast verschillende kerninstrumenten biedt de Omgevingswet ook juridisch gereedschap dat in het omgevingsplan zelf kan worden benut. Hierop wordt in hoofdstuk 5 meer inhoudelijk ingegaan.
4.2.1 De omgevingsvisie: integraal strategisch beleid voor de lange termijn
Vanuit de gedachte van de beleidscyclus, is in het instrumentarium een onderscheid gemaakt tussen strategisch beleid en meer uitvoeringsgericht beleid. De omgevingsvisie zal het strategisch omgevingsbeleid voor de langere termijn bevatten. Juist op het strategische niveau is integratie van belang. Op strategisch niveau worden verbanden in de fysieke leefomgeving gelegd en wordt één overkoepelend en richtinggevend beeld voor de langere termijn vastgelegd dat moet leiden tot een duurzame ontwikkeling van de leefomgeving. Het is de bedoeling dat het strategische beleid voor langere tijd wordt vastgelegd (Tweede Kamer, vergaderjaar 2013-2014, 33 962, 3, p. 116, 445).
De gemeenteraad van de gemeente Neder-Betuwe heeft op 24‑2‑2022 de omgevingsvisie vastgesteld. De omgevingsvisie is te raadplegen via de volgende link https://www.omgevingsvisienederbetuwe.nl. In de Nota's van Uitgangspunten voor verschillende deelgebieden, zie paragraaf 2.4 van deze toelichting, staat beschreven op welke wijze de omgevingsvisie is betrokken bij het opstellen van het omgevingsplan.
4.2.2 Het programma: integraal of sectoraal uitvoeringsgericht beleid
Het uitvoeringsbeleid kan worden vastgelegd in een of meerdere programma’s. Zo’n programma is een apart instrument en daarmee dus geen onderdeel van de omgevingsvisie. Dit maakt mogelijk de uitvoering flexibel in te richten zonder het ontwikkelingsbeeld voor de lange termijn geweld aan te doen. Zo kan een evenwicht worden gevonden tussen continuïteit en zekerheid aan de ene kant en flexibiliteit aan de andere kant. Overigens kan een omgevingsvisie ook uitvoeringsgerichte elementen bevatten. In een omgevingsvisie kan bijvoorbeeld worden vermeld hoe de uitwerking en uitvoering zal worden vormgegeven, waarbij programma’s kunnen worden aangekondigd of tegelijkertijd met de visie worden uitgebracht (Tweede Kamer, vergaderjaar 2013-2014, 33 962, 3, p. 116, 445).
Een programma kan sectoraal zijn, of gebiedsgericht. Een programma over de ontwikkeling van een gebied kan gebruikt worden als beleidsmatig kader voor één of meer wijzingen van het omgevingsplan. Een programma bindt alleen het vaststellend bestuursorgaan zelf bij de uitoefening van zijn bevoegdheden en moet binnen de beleidscyclus worden gerekend tot beleidsontwikkeling. Wel kunnen maatregelen in een programma zich onder meer vertalen in algemene regels in een omgevingsplan, bijvoorbeeld in maatwerkregels voor milieubelastende activiteiten (Nota van Toelichting Omgevingsbesluit, Staatsblad 2018 290, p. 120).
4.2.3 Beleid en juridische besluitvorming
Zoals uit het voorgaande blijkt zijn de omgevingsvisie en programma’s belangrijke schakels in de beleidscyclus van een bestuursorgaan. Er is echter geen juridische koppeling tussen de omgevingsvisie, een programma, en wijziging van het omgevingsplan of het verlenen van een omgevingsvergunning. Het is niet zo dat een onderwerp in een omgevingsvisie aan de orde moet komen, voordat een programma kan worden opgesteld of andere instrumenten zoals het omgevingsplan of de omgevingsvergunning kunnen worden ingezet (Tweede Kamer, vergaderjaar 2013-2014, 33 962, nr. 3, p. 119, 120.)
Anders is het wanneer met een juridisch besluit wordt afgeweken van in de omgevingsvisie of een programma vastgelegd beleid. Vanwege het zelfbindende karakter daarvan mogen derden er wel aanspraak op maken dat het gemeentebestuur zich aan het zelf vastgestelde beleid uitvoering geeft.
Uitgangspunt van de Omgevingswet is dat binnen het nieuwe stelsel zo veel mogelijk wordt volstaan met het stellen van algemene regels voor activiteiten, waardoor voor de initiatiefnemer geen voorafgaande toestemming van het bestuursorgaan is vereist. Dit uitgangspunt geldt voor regelgeving op zowel Rijksniveau, provinciaal en waterschapsniveau, als op gemeentelijk niveau. Wanneer de gevolgen van een activiteit voor de fysieke leefomgeving groot kunnen zijn, en de specifieke situatie van het geval bij de beoordeling van die gevolgen een rol speelt, is een voorafgaande beoordeling door een bestuursorgaan soms echter noodzakelijk. Dat kan worden geborgd in de vorm van een vergunningplicht (o.a. Tweede Kamer, vergaderjaar 2013-2014, 33 962, nr. 3, blz. 157).
De Omgevingswet bevat daartoe het instrument van de omgevingsvergunning. Er zijn verschillende omgevingsvergunningen. Een vergunningplicht geldt altijd voor een bepaalde activiteit, en volgt uit landelijke wetgeving of uit de provinciale of waterschapsverordening. Voor die activiteiten geldt dat het verboden is deze zonder omgevingsvergunning te verrichten (artikel 5.1 Omgevingswet). Het gaat onder meer om activiteiten met betrekking tot rijksmonumenten, ontgrondingsactiviteit, stortingsactiviteiten op zee, bouwactiviteit, milieubelastende activiteit, en lozingsactiviteit. In de meeste gevallen gaat het om activiteiten waarop hogere wet- en regelgeving van toepassing is.
In één specifiek geval staan de regels in het omgevingsplan centraal, namelijk in geval van de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit (artikel 5.1, lid 1, onder a, Omgevingswet). Deze categorie heeft betrekking op een vergunningplicht die volgt uit het omgevingsplan. Er zijn twee manieren waarop een vergunningplicht kan volgen uit het omgevingsplan. Wanneer een bepaalde activiteit in strijd is met het omgevingsplan, dan kan daarvoor een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit worden aangevraagd en verleend. Daarmee kan in afwijking van de regels in het omgevingsplan alsnog vergunning voor de uitoefening van die activiteit worden verleend. Deze omgevingsvergunning zal in het vervolg van deze toelichting worden aangeduid als buitenplanse omgevingsvergunning.
Daarnaast kan het omgevingsplan zelf vergunningplichten bevatten. Dit is een omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit. In deze toelichting wordt verder kortheidshalve gesproken van een binnenplanse omgevingsvergunning.
Wanneer een initiatiefnemer een activiteit wil uitoefen, zal deze moeten bekijken of de activiteit op grond van het omgevingsplan is toegestaan. Is de activiteit in overeenstemming met de regels in het omgevingsplan, dan mag de activiteit worden uitgeoefend. Is er sprake van strijd met het omgevingsplan, dan kan de initiatiefnemer een aanvraag indienen voor een buitenplanse omgevingsvergunning. Het bevoegd gezag moet in dat geval nagaan of de vergunning kan worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Als de activiteit daarnaast niet in strijd is met instructieregels en instructies die het Rijk en de provincie voor het omgevingsplan hebben gesteld, kan de vergunning toch worden verleend. In paragraaf 4.3 wordt ingegaan op het instrument van instructieregels en instructies
Het is ook mogelijk dat voor de betreffende activiteit in het omgevingsplan zelf al een vergunningplicht is opgenomen. Het initiatief zal in dat geval aan de hand van een vergunningaanvraag worden getoetst aan de beoordelingsregels die in het omgevingsplan zijn opgenomen. In het Besluit kwaliteit leefomgeving is bepaald dat als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning, de vergunning moet worden verleend. Als een vergunning wordt gevraagd voor een omgevingsplanactiviteit moet eerst worden nagegaan of de activiteit met toepassing van binnenplanse beoordelingsregels kan worden vergund. Wanneer de vergunning op grond van deze beoordelingsregels niet kan worden geweigerd, moet de vergunning worden verleend. Deze kant van het stelsel werkt limitatief-imperatief. Buiten het gelimiteerde stelsel van beoordelingsregels in het omgevingsplan (limitatief), kunnen geen andere gronden worden aangevoerd om de vergunning te weigeren. Wanneer de aangevraagde activiteit voldoet aan de binnenplanse beoordelingsregels, moet (imperatief) de vergunning worden verleend.
Een initiatiefnemer kan er dus op vertrouwen dat een vergunning voor een omgevingsplanactiviteit in ieder geval wordt verleend als zijn activiteit voldoet aan de beoordelingsregels van het omgevingsplan. Kan de vergunning op grond van de binnenplanse beoordelingsregels niet worden verleend, en moet die dus worden geweigerd, dan dient nog wel te worden nagegaan of de vergunning buitenplans kan worden verleend. Wel is het zo dat de op een vergunningplicht van toepassing zijnde beoordelingsregels vaak een open norm (bijvoorbeeld er mag geen sprake zijn van een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van naburige gronden) bevatten. Dat geeft het bevoegd gezag beoordelingsruimte bij het beantwoorden van de vraag of aan de gestelde norm is voldaan.
Wanneer de activiteit op grond van de beoordelingsregels niet aanvaardbaar is te achten, kan de vergunning op grond van die enkele reden nog niet worden geweigerd. Het bevoegd gezag moet in dat geval ook nagaan of een buitenplanse omgevingsvergunning kan worden verleend. Beoordeeld moet dan worden of de vergunning met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties kan worden verleend. Als de activiteit daarnaast niet in strijd is met instructieregels en instructies die het Rijk en de provincie voor het omgevingsplan hebben gesteld, kan de vergunning toch worden verleend.
4.3.1 Rechtstreeks doorwerkende regels
Hoewel regulering over veel onderwerpen wordt gedecentraliseerd, blijft er allerlei hogere wet- en regelgeving bestaan die rechtstreeks bindend is voor een ieder, maar ook opdrachten kan bevatten aan gemeenten ten aanzien van regelgeving in het omgevingsplan. Die opdrachten kunnen worden gesteld bij algemene maatregel van bestuur of provinciale verordening en kunnen de vorm hebben van instructies of instructieregels.
Voor zover de regels rechtstreeks bindend zijn voor een ieder, gaan deze regels voor op het omgevingsplan. Zo bevat het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) algemene regels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving. Burgers, bedrijven en overheden moeten zich aan deze regels houden. In het Bal staat ook of voor die activiteiten een melding of omgevingsvergunning nodig is. Daarnaast regelt het Bal wie bevoegd gezag is.
Hetzelfde geldt voor het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Hierin staan regels over veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid van bouwwerken. Daarnaast heeft het Bbl regels over de staat en het gebruik van een bouwwerk. En over het uitvoeren van bouw- en sloopwerkzaamheden. Ook bevat het Bbl een regeling voor een omgevingsplanactiviteit bouwen. Het Bbl bevat een opsomming van bouwwerken die ongeacht het omgevingsplan zonder vergunning zijn toegestaan. Deze lijst van bouwwerken is overigens aanzienlijk korter dan een soortgelijke lijst die onder oud recht in het Besluit omgevingsrecht was opgenomen.
Hogere regelgeving kan instructies bevatten voor het omgevingsplan. Een instructie is een eenmalige opdracht van een hoger bestuursorgaan aan een lager bestuursorgaan en geldt dus niet voor burgers en bedrijven. De instructie kan ook een opdracht zijn om iets niet te doen. Voordat het Rijk of de provincie de instructie stelt, moet het noodzakelijke nationaal of provinciaal belang bekend zijn gemaakt in een openbaar document.
Met een instructie geven bestuursorganen aan hoe lagere overheden hun taken of bevoegdheden moeten uitvoeren. Daarmee krijgt beleid van hogere overheden een plek in het beleid van lagere overheden. De provincie kan een instructie geven aan de gemeenteraad of het waterschapsbestuur. Het Rijk kan een instructie geven aan het bestuur van een gemeente, een waterschap of een provincie.
Een instructie is bedoeld voor beleidsdoorwerking. Het is geen correctie-instrument achteraf.
Een instructie kan een opdracht bevatten om:
een besluit omtrent het wijzigen van het omgevingsplan te nemen;
een besluit omtrent het wijzigen van het omgevingsplan niet te nemen;
een besluit omtrent het wijzigen van het omgevingsplan op een voorgeschreven wijze te nemen.
Ook kan een instructie gaan om een feitelijk handelen (doen of nalaten) om een taak of bevoegdheid uit te voeren. De instructie omvat dus niet alleen normstelling.
Als bestuursorganen een instructie geven, moeten zij daarbij een termijn stellen waarbinnen de overheid die de instructie heeft gekregen de instructie moet uitvoeren. Het bestuursorgaan dat de instructie moet opvolgen, moet dit juist, volledig en op tijd uitvoeren. Wanneer dat niet gebeurt, kan dat bestuursorgaan niet opnieuw een instructie of instructieregel krijgen. In zo'n geval kan het hogere bestuursorgaan andere interbestuurlijke toezichtsinstrumenten toepassen, zoals schorsing of vernietiging van besluiten.
Behalve instructies bevat hogere regelgeving ook instructieregels. Een instructieregel is een algemene regel waarmee een bestuursorgaan aan een ander bestuursorgaan aangeeft hoe dat orgaan een taak of bevoegdheid moet uitoefenen. Instructieregels gaan over de inhoud, toelichting of motivering van een instrument dat een bestuursorgaan op grond van de Omgevingswet kan inzetten.
Instructieregels zijn er voor situaties die zich herhalen of voor overheden die een norm steeds moeten toepassen. Instructieregels op rijksniveau zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Provinciale instructieregels zijn onderdeel van de provinciale omgevingsverordening.
Wanneer het bestuursorgaan dat de instructieregel moet uitvoeren dit niet juist, niet volledig of niet op tijd doet, kan dat gevolgen hebben. De bestuursrechter kan het instrument waarover de instructieregel gaat (omgevingsplan, omgevingsverordening of waterschapsverordening) geheel of gedeeltelijk schorsen of vernietigen.
Een belangrijk deel van het omgevingsplan bestaat uit bepalingen waarmee uitvoering wordt gegeven aan instructieregels. Deze zijn her en der in het omgevingsplan te vinden. Zo geven beoordelingsregels met betrekking tot geluidgevoelige gebouwen die in de planregels zijn opgenomen uitvoering aan de instructieregels met betrekking tot geluid, en wordt met hoofdstuk dat gaat over milieubelastende activiteiten uitvoering gegeven aan een grote hoeveelheid instructieregels met betrekking tot milieubelastende activiteiten. In hoofdstuk 9 wordt ingegaan op de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan de diverse instructieregels.
4.3.4 De waterschapsverordening
Naast het omgevingsplan komt de waterschapsverordening te staan. De waterschapsverordening wordt vastgesteld door de waterschappen. De waterschapsverordening bevat regels specifiek gericht op het watersysteem en waterstaatswerken binnen het beheergebied van een waterschap. Samen met het omgevingsplan bevat de waterschapsverordening de regels voor de fysieke leefomgeving op lokaal niveau. Er staan regels in voor verschillende soorten activiteiten.
Het waterschap kan voor directe lozingen regels stellen in de waterschapsverordening. Ook kan het waterschap een vergunningplicht of meldingsplicht instellen en met maatwerkvoorschriften en maatwerkregels werken. Het waterschap kan voor bepaalde wateronttrekkingsactiviteiten regels opnemen in de waterschapsverordening. Dat kunnen ook vergunningplichten zijn. Sommige waterschappen zijn ook belast met het beheer van wegen. De regels in de waterschapsverordening gaan over het beoordelen van de staat en de werking van de openbare wegen. Ze zijn gericht op activiteiten die nadelige gevolgen hebben voor die wegen. Voor regionale waterstaatswerken kan het waterschap regels stellen. Een waterschap kan beperkingengebieden aanwijzen bij waterstaatswerken en daarvoor regels stellen.
Deze regels gelden voor iedereen. De regels van de waterschapsverordening komen ook in het Omgevingsloket en het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Hiervoor publiceren waterschappen hun waterschapsverordening en vertalen ze juridische regels in toepasbare regels.
Een waterschapsverordening kan geen instructies of instructieregels voor gemeenten bevatten. Wel is van belang bij het wijzigen van het omgevingsplan goed rekening te houden met de waterschapsverordening. Wanneer bijvoorbeeld de waterschapsverordening beperkingen bevat voor het bouwen van bouwwerken binnen een beperkingengebied van een regionale waterkering, dan zal bij het omgevingsplan rekening worden gehouden met die beperkingen. Het met het omgevingsplan volop mogelijk maken van ontwikkelingen binnen dat gebied ligt dan minder voor de hand.
De Omgevingswet biedt verschillende instrumenten om in het omgevingsplan te gebruiken. Een aantal van die instrumenten kon al wel worden toegepast in gemeentelijke verordeningen, maar niet in bestemmingsplannen.
Het omgevingsplan kan algemene verboden bevatten, algemene regels waarbinnen bepaalde activiteiten zijn toegestaan, vergunningplichten met specifieke beoordelingsregels, het kan meldingsplichten bevatten, mogelijkheden bieden voor maatwerk- of vergunningvoorschriften, en er kunnen specifieke zorgplichten worden vastgesteld. Ook is er nieuw instrumentarium, zoals de omgevingswaarde en de mogelijkheid om programma's met een programmatische aanpak aan te wijzen. De omgevingswaarde en de programma´s met programmatische aanpak hebben vooralsnog geen plaats gekregen in het omgevingsplan Neder-Betuwe. Nadere bespreking van deze instrumenten blijft dan ook achterwege.
Om een goede keuze te kunnen maken over de inzet van dit binnenplanse instrumentarium is inzicht in de toepassingsmogelijkheden van belang. In de hierna volgende paragrafen wordt in algemene zin op de mogelijkheden ingegaan.
Het omgevingsplan bevat algemene regels. Algemene regels zijn regels die rechtstreeks bepalen binnen welke grenzen een bepaalde activiteit is toegestaan. Algemene regels zijn rechtstreeks gericht tot de initiatiefnemer. Er vindt geen voorafgaande beoordeling door een bestuursorgaan over de toelaatbaarheid plaats. Degene die de activiteit wil ondernemen moet zelf beoordelen of dat mag.
Het uitgangspunt dat de wetgever met de Omgevingswet voor ogen heeft, is waar mogelijk te volstaan met het stellen van algemene regels voor activiteiten, waardoor voor de initiatiefnemer van een activiteit geen voorafgaande toestemming in de vorm van een vergunning is vereist. Hiermee wordt de lastendruk beperkt. Wanneer de gevolgen die een activiteit heeft of kan hebben voor de fysieke leefomgeving groot zijn en de specifieke situatie bij het beoordelen van deze gevolgen een rol speelt, is het echter soms noodzakelijk dat een bestuursorgaan de toelaatbaarheid van de activiteit beoordeelt. In dat laatste geval ligt een vergunningplicht meer voor de hand.
Omdat het bij algemene regels de initiatiefnemer zelf is, die beoordeelt of de activiteit en binnen welke voorwaarden deze mag worden uitgevoerd, moeten algemene regels concreet, helder, beperkt in aantal en overzichtelijk vast zijn te leggen. Is dat niet mogelijk, dan kan worden gekozen voor een binnenplanse vergunningplicht. Een vergunningplicht gaat altijd vergezeld van beoordelingsregels. Het bevoegd gezag beoordeelt of in het specifieke geval wordt voldaan aan de beoordelingsregels.
Algemene regels ontlasten in beginsel de burger en ook de gemeente, omdat er geen vergunningplicht geldt. De beoordeling of met de activiteit binnen de aangegeven grenzen wordt gebleven, is aan de initiatiefnemer (de burger, de ondernemer) zelf. Wanneer iemand van mening is dat een initiatiefnemer de regels overschrijdt, kan deze een verzoek om handhaving doen. Een verschuiving van vergunningplichten naar algemene regels betekent dan ook een verschuiving van vergunningverlening naar toezicht en handhaving.
Ten opzichte van het voorheen geldende recht is met de keuzes die in het omgevingsplan Neder-Betuwe zijn gemaakt overigens geen sprake van een verschuiving van een aantal vergunningplichten naar algemene regels. De redenen die (vaak het Rijk) in het verleden aanleiding gaven te kiezen voor een vergunningplicht, zijn met de Omgevingswet niet anders geworden. In de volgende paragraaf wordt op die redenen ingegaan.
5.3.1 Binnenplanse vergunningplicht: algemeen
Naast algemene regels kunnen in het omgevingsplan ook vergunningplichten worden opgenomen. De grondslag daarvoor is opgenomen in artikel 4.4, tweede lid, van de Omgevingswet. Deze omgevingsvergunning heet een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit (artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet).
Op grond van de wet wordt onder een omgevingsplanactiviteit verstaan een activiteit, inhoudende:
een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die niet in strijd is met het omgevingsplan,
een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan, of
een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan.
Behalve de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit kent de Omgevingswet nog veel meer soorten omgevingsvergunning (zie artikel 5.1 van de Omgevingswet). Zo is er sprake van onder andere een vergunningplicht voor rijksmonumentenactiviteiten, Natura 2000-activiteiten, milieubelastende activiteiten en flora- en fauna-activiteiten. In de Omgevingswet is bepaald waar de vergunningplichtige activiteiten uit bestaan, welke beoordelingsregels erop van toepassing zijn, en welke aanvraagvereisten er gelden.
Een bijzondere in de Omgevingswet aangewezen vergunningplichtige activiteit, niet zijnde een omgevingsplanactiviteit, betreft de bouwactiviteit. In artikel 5.1 Omgevingswet wordt bouwen in een technisch en ruimtelijk deel gescheiden. Dat levert 2 activiteiten op: de technische bouwactiviteit en de omgevingsplanactiviteit voor een bouwwerk. Deze scheiding wordt wel ‘de knip' genoemd. De technische bouwactiviteit gaat over de toets van een aanvraag aan de regels voor de technische bouwkwaliteit uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Bijvoorbeeld de constructieve veiligheid van een bouwwerk. Door de knip zijn er meer technische bouwactiviteiten vergunningvrij, omdat ruimtelijke randvoorwaarden niet langer een rol spelen bij deze activiteit. De toets van het bouwen van een bouwwerk voor het ruimtelijk bouwen, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk aan het omgevingsplan wordt een omgevingsplanactiviteit voor een bouwwerk genoemd. Voor deze activiteit zijn regels opgenomen in hoofdstuk 4 en 5 . Het gaat onder meer om ruimtelijke regels over bouwwerken, zoals die voorheen in het bestemmingsplan werden gesteld, zoals regels over bouwhoogte, oppervlakte en dergelijk. Deze zijn in hoofdstuk 5 opgenomen. Maar ook gaat het om een vergunningplicht, en daarop van toepassing zijnde beoordelingsregels, zoals die voorheen werden gesteld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Deze regels zijn opgenomen in hoofdstuk 4 . In de toelichting op dat hoofdstuk wordt dieper op de knip ingegaan.
Een vergunningplicht heeft altijd de vorm van een verbod om een activiteit zonder omgevingsvergunning te verrichten. Op verschillende plaatsen in het omgevingsplan zijn vergunningplichten terug te vinden.
Een binnenplanse vergunningplicht gaat gepaard met beoordelingsregels: regels die bepalen of een omgevingsvergunning verleend kan worden. Er zijn geen bijzondere vormvereisten gesteld aan dergelijke beoordelingsregels. Er kan sprake zijn van weigeringsgronden of verleningsgronden.
De wet geeft de mogelijkheid dat in het omgevingsplan onderwerpen worden aangewezen waarover bij de binnenplanse omgevingsvergunning vergunningvoorschriften worden gegeven (artikel 4.5 Omgevingswet). Dit biedt verdere mogelijkheden voor maatwerk per geval, rekening houdend met de lokale omstandigheden van dat geval.
5.3.2 Vergunningplicht: flexibiliteit en verschuiving onderzoekslast
Wanneer de gevolgen van een activiteit voor de fysieke leefomgeving groot kunnen zijn, en de specifieke situatie van het geval bij de beoordeling van die gevolgen een rol speelt, is een voorafgaande beoordeling per geval door een bestuursorgaan gewenst. Dat kan worden vormgegeven in de vorm van een vergunningplicht. Een vergunningplicht gaat gepaard met beoordelingsregels. Boordelingsregels zullen veelal een open norm bevatten. Dat vormt immers een van de redenen om te kiezen voor een vergunningplicht.
Gebruikmaking van open normen schept ruimte voor een op de situatie en concrete activiteit afgestemde afweging op het moment dat een concreet initiatief zich aandient. Met open normen kan bij de afweging van de toelaatbaarheid van activiteiten rekening worden gehouden met de omstandigheden van het concrete geval. De hoofdlijnen van ruimtelijke ontwikkelingsmogelijkheden worden bij een open norm bepaald bij de vaststelling van het omgevingsplan. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt op basis van de in het omgevingsplan opgenomen regel beoordeeld in hoeverre een concreet initiatief toelaatbaar is.
Open normen als onderdeel van de beoordelingsregels voor vergunningverlening bieden het bevoegd gezag beoordelingsruimte voor de toelaatbaarheid van activiteiten op basis van de omstandigheden van het concrete geval. Het maakt een meer dynamische aanpak mogelijk. Met een minder gedetailleerd en meer open geformuleerd normenstelsel kan het omgevingsplan flexibeler zijn, en kunnen tegelijkertijd onderzoeksopgaven voor een belangrijk deel verschuiven naar de fase van vergunningverlening. In die realisatiefase kan onderzoek zich toespitsen op de concreet voorgenomen initiatieven en hoeven er bij de vaststelling van een omgevingsplan geen fictieve varianten meer te worden doorgerekend van ontwikkelingen die mogelijkerwijs helemaal niet in die vorm zullen plaatsvinden. Hiermee vindt een verschuiving van de onderzoekslast plaats van het moment van wijziging omgevingsplan naar het moment van een vergunningaanvraag. Daarmee verschuift die onderzoekslast ook van de gemeente naar de initiatiefnemer van de vergunningplichtige activiteit. Die is immers degene die de vergunning aanvraagt, en zal, om een ontvankelijke aanvraag te kunnen doen, die onderzoeken aan moeten leveren die blijkens de aanvraagvereisten nodig zijn om de aanvraag te kunnen beoordelen.
Veelal zal overigens sprake zijn van een combinatie van gesloten en open normen. Zo kunnen de beoordelingsregels die betrekking hebben op een omgevingsplanactiviteit oprichten van bouwwerken bestaan uit gesloten normen die aangegeven waar en hoe hoog maximaal gebouwd mag worden, terwijl een andere regels de open norm bevat dat voldaan moet worden aan de redelijke eisen van welstand. In het geval van een combinatie ligt uiteraard een vergunningplicht voor de hand.
5.3.3 Afweging op hoofdlijnen bij vaststelling omgevingsplan
Dat de wet de mogelijkheid biedt in het omgevingsplan een vergunningplicht in het leven te roepen, betekent niet dat daarmee de volledige afweging naar die vergunning kan worden doorgeschoven. De in het omgevingsplan opgenomen beoordelingsregels bepalen de nog te maken afweging. Die afweging zal veelal beperkt blijven tot enkele onderwerpen binnen de totale reikwijdte van de Omgevingswet. Wanneer voor een bepaalde activiteit in het omgevingsplan een vergunningplicht in het leven wordt geroepen, dan betekent dat ook niet dat daarmee de volledige afweging, met inbegrip van de daarbij behorende onderzoeksplicht, verschuift naar het moment van vergunningverlening. De hoofdlijnen van ontwikkelingsmogelijkheden worden reeds bepaald bij de vaststelling van het omgevingsplan. De aanvaardbaarheid daarvan moet dan ook al wel bij het omgevingsplan worden aangegeven. Alleen op die onderdelen waarop een nadere afweging plaats moeten vinden, zullen de beoordelingsregels door middel van open normen voorzien in de nodige beoordelingsruimte. Op die punten is ook sprake van verschuiving van de onderzoeksplicht.
5.3.4 Gebruik van open of gesloten normen
Het omgevingsplan zal heel veel regels over activiteiten bevatten die de voorwaarden stellen waaronder een bepaalde activiteit is toegestaan. Aan de hand van die regels kan worden beoordeeld of een bepaalde activiteit kan plaatsvinden. Dergelijke beoordelingsregels kennen zowel open als gesloten normen. Het verschil in open of gesloten normen hangt samen met de mate van concreetheid van een bepaalde regel. Bij een gesloten norm is de norm objectief bepaald (bijv. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 6 meter). Bij een open norm is sprake van een norm waarbij de beoordeling of aan de norm wordt voldaan, interpretatie vraagt (bijv. er wordt voldaan aan redelijke eisen van welstand).
De keuze voor gebruikmaking van een open dan wel gesloten norm is relevant in verband met de vorm die regels krijgen. Een regel met een gesloten norm laat geen ruimte voor interpretatie; er geldt een concrete begrenzing waaraan wordt voldaan of niet. Dergelijke regels lenen zich er daardoor in veel gevallen toe dat een initiatiefnemer zelf beoordeelt of een bepaalde activiteit gelet op de norm wel of niet is toegestaan. In dat geval kan worden gekozen voor een algemene regel, die rechtstreeks bindend is. Bij gebruikmaking van open normen ligt dat anders. Dergelijke normen vergen een interpretatie. Om die interpretatie door het bevoegde gezag te vereenvoudigen kunnen (zogenoemde wetsinterpreterende) beleidsregels worden vastgesteld. In dat geval is een vergunningplicht het meest aangewezen.
Deze principes zijn als uitgangspunt gehanteerd. Daarmee wordt invulling gegeven aan het uitgangspunt van de Omgevingswet om zo veel mogelijk uit te gaan van algemene regels voor activiteiten. In die gevallen is geen voorafgaande beoordeling door een bestuursorgaan nodig. De initiatiefnemer beoordeelt zelf of hij aan de algemene regels voldoet.
Dit is niet nieuw. Diegene die een boom wil kappen kan zelf bepalen of een vergunning nodig is of niet. Bepalend is of sprake is van een boom zoals die is gedefinieerd in de artikelen 4.10 t/m 4.12 van de Algemene Plaatselijke Verordening. Is de boom van een bepaalde omvang, dan is een vergunning nodig; is dat niet het geval dan mag de ‘boom’ zonder vergunning worden gekapt.
Bij vaststelling in het omgevingsplan van een beoordelingsregel met daarin een open norm geeft de gemeenteraad beoordelingsruimte aan het college van burgemeester en wethouders. Open normen vergen immers een interpretatie, en die is aan het bevoegd gezag dat gaat over vergunningverlening of handhaving, het college.
5.3.5 Eén feitelijke handeling, meerdere juridische activiteiten
Reeds onder voorheen geldend recht kwam het voor dat één feitelijke fysieke handeling bestond uit meerdere juridische activiteiten. Gedacht kan worden aan het verbouwen van een gemeentelijk monument. De feitelijke handeling van het verbouwen bestaat uit de juridische activiteit bouwen van een bouwwerk, waarvoor op grond van de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht een vergunningplicht bestond. Daarnaast was sprake van verstoren van een gemeentelijk monument, waarvoor op grond van de gemeentelijke erfgoedverordening (en de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht) eveneens een vergunningplicht gold. De handeling valt met andere woorden onder verschillende categorieën vergunningplichtige activiteiten, die in de tijd niet gescheiden kunnen worden verricht.
Onder de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht gold voor dergelijke activiteiten het vereiste van onlosmakelijke samenhang. Voor onlosmakelijke activiteiten gold onder de Wabo dat deze tegelijk in één aanvraag moeten worden aangevraagd. Met het vereiste van onlosmakelijke samenhang beperkte de Wabo de aanvrager in flexibiliteit.
Het uitgangspunt van de Omgevingswet is dat een initiatiefnemer zelf bepaalt voor welke activiteiten hij een vergunning aanvraagt en wanneer hij dat doet. Daarbij kan de aanvrager voor meerdere vergunningplichtige activiteiten tegelijk één aanvraag indienen of de aanvragen los en gespreid in de tijd doen.
Belangrijk voordeel van gelijktijdige indiening van twee of meer activiteiten is dat hiermee een samenhangende beoordeling van de betrokken activiteiten aan de daarop van toepassing zijnde beoordelingsregels mogelijk is en dat voorschriften die aan een vergunning worden verbonden inhoudelijk beter op elkaar kunnen worden afgestemd. De aanvrager ontvangt hiermee één besluit van één bestuursorgaan dat ook integraal bevoegd gezag is voor toezicht en handhaving van de omgevingsvergunning. Maar de aanvrager kan er ook voor kiezen voor de verschillende activiteiten afzonderlijk vergunning aan te vragen.
Een aanvrager is er zelf verantwoordelijk voor dat hij voor alle activiteiten die hij verricht beschikt over de vereiste vergunningen. De Omgevingswet faciliteert de aanvrager hierbij doordat hij met het doorlopen van de 'vergunningscheck' uit het Omgevingsloket online kan zien voor welke activiteiten een vergunning is vereist. Bovendien rust op grond van artikel 3:20 Awb op het bevoegd gezag de inspanningsverplichting om een aanvrager in kennis te stellen van eventuele andere op aanvraag te nemen besluiten die ook nodig zijn met het oog op de activiteiten die hij wil verrichten. De initiatiefnemer kan er vervolgens zelf voor kiezen om alle activiteiten tegelijk of afzonderlijk en gespreid in de tijd aan te vragen. Zo heeft de initiatiefnemer het zelf in de hand om een fasering aan te brengen in het traject van aanvragen en verkrijgen van de vergunningen. Het is de verantwoordelijkheid van een initiatiefnemer om zich te laten informeren over de geldende wet- en regelgeving en dat hij beschikt over de vereiste vergunning voor alle activiteiten die hij gaat verrichten. Eveneens is het de verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer dat hij activiteiten tegelijk aanvraagt in gevallen waarin een gelijktijdige beoordeling van activiteiten voordelen biedt. Echter ook het bevoegd gezag vervult hierin een rol om een aanvrager te informeren over geldende wet- en regelgeving. Het vooroverleg, dat zeker bij complexere projecten vanzelfsprekend is, heeft hierin een belangrijke functie. Uiteindelijk is het aan de initiatiefnemer om te voorkomen dat hij een vergunning vraagt voor bijvoorbeeld een bouwplan dat hij, naar later eventueel blijkt, nog moet aanpassen vanwege eisen die voorvloeien uit algemene regels of een later aangevraagde vergunning voor een andere activiteit waaruit eisen voortvloeien voor dat bouwwerk.
Met het omgevingsplan wordt ervoor gekozen de onderscheiden activiteiten strikt gescheiden te houden. Dat houdt bijvoorbeeld in dat bepaalde werkzaamheden die plaatsvinden in het kader van het feitelijk bouwproces, zoals het afgraven van grond ter plaatse van een archeologisch verwachtingengebied, zelfstandig vergunningplichtig zijn. De beoordeling of in een dergelijk geval het belang van het behoud van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten zich tegen vergunningverlening verzet, wordt gemaakt in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit archeologische beschermingszone, bedoeld in afdeling 7.2, en niet in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken, bedoeld in afdeling 4.2. Beide activiteiten kunnen in één vergunningaanvraag worden betrokken, maar dat hoeft niet. Een gefaseerde aanvraag kan in dit voorbeeld als voordeel hebben dat pas een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken, met alle bijkomende kosten van dien, hoeft te worden aangevraagd, als zeker is dat de aanwezigheid van archeologische monumenten geen belemmering voor de uitvoering vormt.
In artikel 1.6 van de Omgevingswet is een algemene zorgplicht opgenomen die bepaalt dat een ieder voldoende zorg draagt voor de fysieke leefomgeving. Aanvullend daarop kan het omgevingsplan specifieke zorgplichten bevatten. Een specifieke zorgplicht is gericht tot degene die een bepaalde activiteit onderneemt.
Specifieke zorgplichten geven voor een activiteit het doel aan dat bij de bescherming van de fysieke leefomgeving moet worden bereikt zonder daarbij aan te geven met welke middelen dat doel bereikt moet worden, en zonder dat doel in kwantificeerbare termen te omschrijven.
Specifieke zorgplichten kunnen bij een evenwichtig gebruik een positieve rol spelen in verschillende situaties:
ze dragen bij aan het beperken van gedetailleerde regels, zonder dat dit afbreuk doet aan de duidelijkheid voor zowel degene die de activiteit verricht als het bevoegd gezag;
ze voorzien in bescherming van de leefomgeving bij nieuwe activiteiten of het op een andere manier dan gebruikelijk verrichten van bestaande activiteiten, waarmee bij het opstellen van regels geen rekening kon worden gehouden;
ze geven aan hoe gehandeld moet worden in gevallen waarin vanwege de verschillen in de fysieke leefomgeving een algemene regel niet kwantificeerbaar kan worden gemaakt;
ze geven een maatstaf voor handelen in bijzondere situaties, waarin de bescherming van de leefomgeving tijdelijk een andere of aanvullende inspanning vraagt.
De specifieke zorgplichten laten in al deze situaties de verantwoordelijkheid voor het op een voor de leefomgeving aanvaardbare manier verrichten van een activiteit bij de initiatiefnemer, zonder elke handeling die de initiatiefnemer zou kunnen verrichten en elke situatie die in de fysieke leefomgeving op zou kunnen treden, in gedetailleerde geboden en verboden proberen te vangen.
Bij het opstellen van regels over activiteiten is het vinden van de juiste balans bij de inzet van verschillende typen regels van groot belang. Dat speelt ook bij een keuze tussen inzet van specifieke zorgplichten in verhouding tot de meer uitgewerkte regels. Voorkomen moet worden dat het werken met specifieke zorgplichten leidt tot vergroting van rechtsonzekerheid, ontwikkeling van pseudoregelgeving, of beleidsregels en jurisprudentie die feitelijk de rol van de ontbrekende, meer uitgewerkte regels gaan overnemen. Steeds moet worden afgewogen tot hoe ver opnemen van meer uitgewerkte regels zinvol is, en voor welke handelingen een specifieke zorgplicht een meer passend instrument is.
Bij een evenwichtige toepassing van de specifieke zorgplicht hoort in ieder geval dat voor de initiatiefnemer redelijkerwijs te voorzien moet zijn, wat de specifieke zorgplicht in een concreet geval inhoudt. Is dat niet het geval, dan is het stellen van een maatwerkvoorschrift of maatwerkregel de aangewezen weg.
De specifieke zorgplicht gaat niet zo ver dat daaronder ook het voorkomen of beperken van nadelige gevolgen valt die in redelijkheid voor degene die de activiteit verricht niet te voorzien zijn. In dergelijke situaties zal het bevoegd gezag eerst moeten concretiseren dat maatregelen nodig zijn. Dat kan door middel van een maatwerkvoorschrift.
Inzet van maatwerkvoorschriften biedt de mogelijkheid om concrete regels te stellen die zijn toegesneden op de lokale situatie, waarmee feitelijk de betekenis van de specifieke zorgplicht voor die situatie wordt verduidelijkt. De procedure van een maatwerkvoorschrift biedt het bevoegd gezag en degene die de activiteit verricht, de ruimte om een constructieve discussie te voeren over de noodzaak van bepaalde maatregelen ter invulling van de specifieke zorgplicht, die niet wordt overschaduwd door de dreiging van een sanctie of kostenverhaal. Als een vastgesteld maatwerkvoorschrift vervolgens niet wordt nageleefd, kan alsnog handhavend worden opgetreden tegen overtreding daarvan.
Het initiatief voor het concreet invullen van wat onder de specifieke zorgplicht valt, hoeft overigens niet altijd bij het bevoegd gezag te liggen. Het is ook mogelijk dat degene die de activiteit verricht of een derde belanghebbende zekerheid wil verkrijgen over die gekozen invulling. Een van de mogelijkheden om deze zekerheid te verkrijgen is het verzoek aan het bevoegd gezag om een maatwerkvoorschrift te stellen. Een andere optie is overleg met het bevoegd gezag over de nadere invulling van de specifieke zorgplicht zonder de uitkomst van het overleg te formaliseren in een maatwerkvoorschrift, bijvoorbeeld als alle betrokkenen het eens zijn met die invulling.
In dit omgevingsplan wordt een zorgplicht opgenomen als een bepaald onderwerp niet of niet volledig wordt gereguleerd door specifieke regels. Hiermee heeft de zorgplicht een vangnetfunctie. Het is in de betreffende situaties niet mogelijk, noch wenselijk, alle theoretisch mogelijke activiteiten te reguleren.
Zo zijn er activiteiten die in het algemeen geen problemen veroorzaken, maar in specifieke gevallen toch onacceptabele gevolgen hebben voor de fysieke leefomgeving. Er zal dan niet gauw sprake zijn van overtreding van de zorgplicht, maar in extreme situaties kan het ingeroepen worden.
Er zijn ook activiteiten of aspecten waarvoor geen specifieke regels worden gesteld of daarvan expliciet zijn uitgezonderd omdat de toepassing van specifieke regels op moeilijkheden stuit. Zo is bijvoorbeeld het onversterkt menselijk stemgeluid uitgezonderd van de geluidnormering. De reden hiervoor is dat een getalsmatige normering in de praktijk slecht toepasbaar en handhaafbaar is. Andere generieke eisen zijn ook moeilijk denkbaar. Op het stemgeluid blijft wel de specifieke zorgplicht voor het milieu gelden als vangnet. Dat kan de basis vormen om in specifieke gevallen wel nadere eisen te stellen (door een maatwerkvoorschrift te nemen) om geluidhinder te beperken (bv. gedragsregels).
In individuele gevallen kan de zorgplicht nader ingevuld/uitgewerkt worden in een maatwerkvoorschrift waarin concrete maatregelen worden verplicht. Hiermee wordt voor degene die de activiteit verricht duidelijk gemaakt wat van hem wordt verwacht. In paragraaf 5.6 wordt nader ingegaan op het maatwerkvoorschrift.
Wanneer er met betrekking tot een bepaalde activiteit sprake is van voldoende concrete regels en er om die reden geen voorafgaande toestemming in de vorm van een vergunning is vereist, geldt als uitgangspunt dat wordt gekozen voor het stellen van algemene regels. In dat geval is het aan de initiatiefnemer zelf om te beoordelen of de activiteit mag worden ondernomen, en de daarop betrekking hebbende regels in acht te nemen. Gemeente en belanghebbenden zullen normaal gesproken niet op de hoogte zijn van het uitvoeren van de activiteit. In veel gevallen is dat niet bezwaarlijk, maar in sommige gevallen kan een voorafgaande melding wenselijk zijn. Artikel 4.4, eerste lid, van de Omgevingswet biedt de mogelijkheid om in het omgevingsplan voor die gevallen een meldingsplicht in het leven te roepen. De activiteit mag dan pas starten, wanneer de melding is gedaan.
Vooral wanneer de activiteit potentieel een zwaarder gevolg voor de fysieke leefomgeving kan hebben, kan het via een melding nodig zijn dat het bestuursorgaan in staat wordt gesteld om voorafgaand aan het starten van de activiteit nog acties te verrichten, zoals:
het uitvoeren van een initiële controle voordat de activiteit van start gaat, zodat het bestuursorgaan zich er van kan vergewissen dat de regels worden nageleefd en er geen onaanvaardbare risico’s voor de fysieke leefomgeving optreden,
het beoordelen of gelet op de kwetsbaarheid van de fysieke leefomgeving of cumulatie met andere activiteiten het wellicht noodzakelijk is om aanvullende eisen te stellen in de vorm van maatwerkvoorschriften (het omgevingsplan moet die mogelijkheid dan wel expliciet bieden),
via een publieke kennisgeving de directe omgeving over de voorgenomen activiteit te informeren.
Omdat het niet melden het bestuursorgaan de mogelijkheid om actie te ondernemen ontneemt en tot oneigenlijk voordeel voor de initiatiefnemer kan leiden, wordt de meldingsplicht geformuleerd als een verbod om de activiteit zonder voorafgaande melding uit te voeren. Mocht een initiatiefnemer daartoe toch overgaan, dan kan in het kader van de handhaving de activiteit zo nodig zelfs stilgelegd worden, om het bevoegd gezag alsnog de tijd te bieden voor de noodzakelijke geachte acties.
Het bevoegd gezag is vrij in de keuze op welke wijze het met een melding omgaat. Het kan een ontvangstbevestiging zenden, of schriftelijk een mening kenbaar maken over de juistheid van de melding.
Daar waar in voorliggend omgevingsplan voor een meldingsplicht is gekozen, wordt die keuze in de artikelsgewijze toelichting van het desbetreffende artikel nader gemotiveerd.
Naast een meldingsplicht kan het omgevingsplan ook informatieplichten bevatten. Dat houdt in de verplichting om (in enige vorm) informatie te verstrekken aan een bestuursorgaan of andere instantie gedurende het verrichten van een activiteit of binnen een bepaalde termijn voorafgaand aan het starten van een activiteit, zonder dat daaraan een verbod is gekoppeld de activiteit te verrichten. Een dergelijke verplichting heeft geen bijzondere wettelijke grondslag nodig (Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 33 962, nr. 3 blz. 469).
Waar mogelijk worden activiteiten in dit omgevingsplan gereguleerd door middel van algemene regels die voor iedereen gelden. In sommige specifieke gevallen past een algemene regel echter niet. Het kan dan zijn dat in zijn algemeenheid gebruik kan worden gemaakt van algemene regels, maar dat de behoefte bestaat om in bepaalde specifieke gevallen maatwerkvoorschriften te stellen. Artikel 4.5, eerste lid, van de Omgevingswet biedt dan de mogelijkheid een maatwerkvoorschrift te stellen. Met een maatwerkvoorschrift kan het bevoegd gezag voor een individueel geval van de algemene regel afwijken.
Een maatwerkvoorschrift houdt in dat het bestuursorgaan door middel van een beschikking in een individueel geval de plicht oplegt te voldoen aan bepaalde voorschriften in aanvulling op of in afwijking van geldende algemene regels. Maatwerkvoorschriften worden bij beschikking gesteld, zodat daartegen bezwaar en beroep open staat.
Het stellen van maatwerkvoorschriften kan uitsluitend als dat in het omgevingsplan (of een hogere regeling) is bepaald.
Maatwerkvoorschriften komen in vier vormen voor:
maatwerkvoorschriften waarbij strengere eisen worden opgelegd dan opgenomen in algemene regels,
maatwerkvoorschriften waarbij minder strenge eisen worden opgelegd dan opgenomen in algemene regels,
maatwerkvoorschriften waarbij onderwerpen nader worden ingevuld of aangevuld, en
maatwerkvoorschriften waarbij van een in algemene regels expliciet opgenomen verbod ontheffing wordt verleend, al dan niet onder beperkingen of voorwaarden.
Het van de algemene regels afwijkende maatwerkvoorschrift kan strenger of soepeler zijn. Aanleiding voor een strenger voorschrift kan bijvoorbeeld cumulatie zijn; er zijn bijvoorbeeld meerdere overlast gevende bronnen in de omgeving aanwezig waardoor de gezamenlijk belasting onwenselijk groot is. Aanleiding voor een meer soepele norm kan zijn bijzondere omstandigheden bij de bedrijfsvoering van een bedrijf, waardoor het voldoen aan de reguliere norm in alle redelijkheid niet te vergen is.
Een maatwerkvoorschrift kan ook gebruikt worden om een algemene regel nader te concretiseren of aan te vullen voor de betere handhaafbaarheid ervan. Het is ook mogelijk om in een maatwerkvoorschrift nader te bepalen wat een open norm of een zorgplicht in een concreet geval inhoudt.
Maatwerkvoorschriften bieden dus niet alleen de mogelijkheid om in bepaalde gevallen nadere eisen te stellen, maar ook de mogelijkheid om ontheffing te verlenen waarmee kan worden afgeweken van bepaalde algemene regels.
Van de mogelijkheid maatwerkvoorschriften te kunnen geven wordt op verschillende plekken in het omgevingsplan gebruik gemaakt. Zo is in het hoofdstuk dat gaat over milieubelastende activiteiten een brede grondslag opgenomen om maatwerk te kunnen leveren op de algemene regels van dat hoofdstuk. De mogelijkheid wordt daarbij zoveel mogelijk begrensd. Voor zover dit niet expliciet is gebeurd in de bepaling waarmee de mogelijkheid tot het geven van een maatwerkvoorschrift is gecreëerd, dan volgt dit uit het doel met het oog waarop de regel is gesteld waarover een maatwerkvoorschrift kan worden gegeven.
Het maatwerkvoorschrift kan zowel op verzoek als ambtshalve (bijvoorbeeld naar aanleiding van klachten of om een eigen beleidsambitie te halen) genomen worden.
Allerlei regels over activiteiten zullen normen bevatten die gaan over de aanvaardbaarheid van die bepaalde activiteit. Veel van deze normen hebben betrekking op een specifieke activiteit. Gedacht kan worden aan een regel met een norm die bepaalt hoe hoog gebouwd mag worden, welke geluidsbelasting bij een evenement aanvaardbaar is, of wat de omvang (bvo) van een horecaonderneming mag zijn.
Er zijn echter ook normerende regels denkbaar die algemeen toepasbaar zijn in de zin dat ze betrekking hebben op allerlei typen of alle activiteiten. Ongeacht welke activiteit worden ondernomen, de initiatiefnemer dient dan te voldoen aan die regels. Gedacht kan worden aan regels ter voorkoming van onaanvaardbare geluidhinder. Dergelijke normen hebben gemeen dat ze niet zozeer een bepaalde activiteit centraal stellen en de condities waaronder die mag plaatsvinden, maar dat ze een bepaalde kwaliteit van de fysieke leefomgeving centraal stellen (bijv. geluidsbelasting op de gevel van woningen), ten behoeve van die kwaliteit normen stellen, die vervolgens doorwerken naar alle activiteiten. Dergelijke omgevingsnormen zijn onder meer opgenomen in hoofdstuk 8.
Het omgevingsplan bevat regels over de fysieke leefomgeving en over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. Het omgevingsplan komt daarmee in de plaats van allerlei bestaande juridische regelingen. Met regelingen wordt gedoeld op besluiten van algemene strekking zoals bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht.
Ruimtelijke besluiten
Het omgevingsplan komt in de plaats van alle ruimtelijke besluiten van de gemeente, zoals bestemmingsplannen, wijzigings- en uitwerkingsplannen, beheersverordeningen, maar ook exploitatieplannen, voorbereidingsbesluiten en hogere waarden-besluiten (geluid). In het vervolg van deze toelichting worden deze besluiten gezamenlijk aangeduid als ruimtelijke besluiten. Al deze ruimtelijke besluiten zullen moeten worden vervangen door het omgevingsplan.
Bepaalde gemeentelijke verordeningen
Ook een deel van de gemeentelijke verordeningen zal op enig moment moeten of kunnen opgaan in het omgevingsplan. Voor zover een verordening regels bevat over activiteiten die onderdelen van de fysieke leefomgeving wijzigen, dan moeten die regels worden overgeheveld naar het omgevingsplan. Gedacht kan worden aan de regels over het kappen van bomen. Regels die gaan om het gebruik van de fysieke leefomgeving zonder dat dat gebruik leidt tot een wijzing van de fysieke leefomgeving, mogen in het omgevingsplan worden opgenomen.
Gedecentraliseerde rijksregels
Tot slot geldt voor een groot deel van de milieu- en bouwregels die voor inwerkingtreding van de Omgevingswet door het Rijk bij wet of algemene maatregel van bestuur werden gesteld, dat de regelgevende bevoegdheid is gedecentraliseerd. Het gaat met name om regels over bouwwerken die voorheen werden gesteld in de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en het toenmalige Besluit omgevingsrecht (waaronder de aanwijzing van gevallen van bouwwerken die vergunningvrij zijn), en om regels over milieubelastende activiteiten, die voor een groot deel waren gesteld in het toenmalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
Het vervangen van al deze regels en regelingen zal zowel gebiedsgewijs als onderwerpgewijs plaatsvinden. Zo kunnen de regels uit ruimtelijke besluiten alleen gebiedsgewijs worden vervangen, terwijl bijvoorbeeld de gemeentelijke regels over het kappen van bomen thematisch ineens voor heel Neder-Betuwe in het omgevingsplan kunnen worden ingepast.
Het omgevingsplan zal dus gebiedsgewijs en onderwerpsgewijs worden opgebouwd, waarbij de nieuwe regels in het omgevingsplan de oude regelingen vervangen. Dat gebeurt door besluiten van de gemeenteraad. Die opgave is behoorlijk complex, met name voor wat betreft de ruimtelijke besluiten en de rijksregels. Maar ook voor het vervangen van delen van verordeningen geldt dat er haken en ogen aan zitten. In de hierna volgende paragrafen wordt de wijze toegelicht waarop deze transitie is voorzien.
6.2.1 Het ‘omgevingsplan van rechtswege’
Omdat veel bestaande wetgeving vervalt, zorgt de wetgever door middel van overgangsrecht ervoor dat er geen rechtsvacuüm ontstaat. Dat overgangsrecht voorziet er onder meer in dat op het moment dat de Omgevingswet in werking treedt er voor elke gemeente automatisch (van rechtswege) een omgevingsplan ontstaat. Dat omgevingsplan van rechtswege bestaat uit een bundeling van bestaande ruimtelijke besluiten en enkele andere besluiten en regels tot een omgevingsplan dat van rechtswege ontstaat. Ook zijn hierin regels overgenomen die voorheen door het Rijk werden gesteld, maar waarover de bevoegdheid door het Rijk is overgeheveld naar gemeenten (de ‘bruidsschat’).
Het omgevingsplan dat van rechtswege dat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet tot stand is gekomen bestaat uit:
bestaande ruimtelijke besluiten
een beperkt aantal (regels uit) verordeningen
de ‘bruidsschat’ van het Rijk
Met het ‘omgevingsplan van rechtswege’ wordt een rechtsvacuüm voorkomen. Het deel van het omgevingsplan dat van rechtswege ontstaat voldoet niet aan alle wettelijke vereisten van de Omgevingswet en de daarop gebaseerde regelgeving. Dit deel zal binnen een daartoe gestelde termijn moeten worden vervangen. Dit deel wordt daarom aangeduid als ‘tijdelijk deel’. Vervolgens zal het omgevingsplan (het nieuwe deel) gevuld raken met regels die dat tijdelijke deel gaan vervangen.
Het opbouwen van het omgevingsplan gebeurt dus niet vanuit een blanco-situatie, maar vanuit de situatie zoals die er ligt op het moment dat de Omgevingswet in werking treedt. Die situatie is medebepalend voor de te volgen werkwijze. In het vervolg van deze toelichting wordt met 'omgevingsplan van rechtswege' gedoeld op het omgevingsplan zoals dat van rechtswege is ontstaan op 1‑1‑2024, en zoals dat blijft bestaan totdat het eerste wijzigingsbesluit is genomen.
Het ‘omgevingsplan van rechtswege’ bestaat zogezegd in het begin uitsluitend uit een tijdelijk deel en een nieuw deel:
Het is aan gemeenten om binnen een bepaalde wettelijk vastgelegde termijn (vooralsnog is dit uiterlijk 1 januari 2032) dit tijdelijk deel te vervangen door nieuwe regels.
Het nieuwe deel van het omgevingsplan is leeg. Dat moet gebiedsgewijs en onderwerpsgewijs gevuld raken. Maar er is ook een tijdelijk deel dat al wel inhoud bevat. Het vullen van het nieuwe deel gaat dus (deels) gepaard met het vervangen van het tijdelijk deel.
Visueel is de situatie op het moment dat de Omgevingswet in werking treedt, en waar vervolgens naar toe gewerkt moet worden, als volgt weer te geven:

De te onderscheiden tijdelijke onderdelen van het tijdelijk deel (ruimtelijke besluiten, verordeningen en bruidsschat) kunnen, aldus de wetgever, gebiedsgewijs en onderwerpgewijs worden vervangen. Dat is echter niet voor elk van die onderdelen in gelijke mate het geval. Zo kunnen de ruimtelijke besluiten alleen gebiedsgewijs worden vervangen, en geldt voor de verordeningen en de bruidsschat juist dat er aan gebiedsgewijs vervangen grote nadelen kleven. In de volgende paragraaf wordt hierop ingegaan.
Het proces van de transitieopgave en de Neder-Betuwse aanpak staat beschreven in het plan van aanpak voor de transitieperiode omgevingsplan. Dit plan van aanpak is te raadplegen via de volgende link Plan van Aanpak transitieperiode
6.2.2.1 Bestaande ruimtelijke besluiten
In artikel 4.6 van de Invoeringswet Omgevingswet is bepaald welke gemeentelijke ruimtelijke plannen en besluiten tot het tijdelijk deel van het omgevingsplan behoren. Het gaat om bestemmingsplannen, wijzigingsplannen, uitwerkingsplannen, beheersverordeningen, inpassingsplannen, exploitatieplannen en voorbereidingsbesluiten.
In artikel IX van het Aanvullingsbesluit geluid is geregeld dat ook hogere waarde besluiten (artikel 110a, Wet geluidhinder) gelden als deel van het omgevingsplan als bedoeld in artikel 4.6, lid 1, Invoeringswet.
Bestuurlijke bevoegdheden en verplichtingen op grond van de ruimtelijke besluiten
Ruimtelijke plannen kunnen bevoegdheden en verplichtingen aan het college van burgemeester en wethouders toekennen. Zo bevatten veel bestemmingsplannen binnenplanse afwijkmogelijkheden, de mogelijkheid om nadere eisen te stellen, het bestemmingsplan met inachtneming van de daarbij gestelde regels te wijzigingen, of een uitwerkingsplicht. Zolang het betreffende ruimtelijk plan nog onderdeel is van het omgevingsplan van rechtswege, moet aan deze bevoegdheden en verplichtingen uitvoering gegeven kunnen worden. Via overgangsrecht is hierin voorzien (zie bijv. artikel 22.32 en artikel 22.280).
Vindbaarheid en raadpleegbaarheid
Deze besluiten zijn juridisch onderdeel geworden van het omgevingsplan van rechtswege. Technisch zijn ze daarin echter niet opgegaan. De regels die deze besluiten bevatten zijn niet opgenomen in de regelstructuur van het omgevingsplan. Voor alle afzonderlijke ruimtelijke besluiten geldt dat ze in hun bestaande vorm als ‘losse regeling’ behouden blijven. Dat betekent dat ze in die vorm vindbaar en raadpleegbaar daar waar ze in het verleden zijn gepubliceerd. Voor ruimtelijke plannen die op ruimtelijkeplannen.nl zijn gepubliceerd geldt dat die via de viewer van het DSO vindbaar en raadpleegbaar zijn.
Wanneer voor een bepaald gebied het onder oud recht vastgestelde ruimtelijk plan is vervangen, moet duidelijk zijn dat dat plan daar niet meer geldt. Het bevoegd gezag kan bij het aanleveren voor de bekendmaking van een besluit tot vaststelling of wijziging van het omgevingsplan aangeven of dat besluit een deel van het tijdelijk omgevingsplan vervangt en daarmee dus bijvoorbeeld een bestemmingsplan vervangt. Het vervallen deel wordt dan in de viewer niet meer getoond. De extra informatie die daarvoor moet worden aangeleverd wordt de Pons genoemd. Daarmee kan een bevoegd gezag aangeven dat één of meerdere delen van o.a. een bestemmingsplan dat in de overbruggingsfunctie van DSO-LV aanwezig is, niet langer geldig is/zijn. De Pons zorgt er daarbij voor dat het deel van het bestemmingsplan niet meer wordt getoond.
Beoogde wijze waarop ruimtelijke besluiten zullen worden vervangen
Het vervangen van ruimtelijke besluiten vindt plaats door het van toepassing laten worden van nieuwe ruimtelijke regels en het tegelijkertijd laten vervallen van de oude ruimtelijke regels. De Omgevingswet bevat een beperking, waardoor het alleen mogelijk is dit gebiedsgewijs te doen. Artikel 22.6, eerste lid, van de Omgevingswet bepaalt namelijk dat de voor een locatie geldende regels die zijn opgenomen in een ruimtelijk besluit (zoals bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet) alleen alle tegelijk komen te vervallen. Het onderwerpgewijs vervangen van ruimtelijke regels is dus niet mogelijk. Het gaat per gebied. Dat betekent overigens niet dat bij het vervangen van ruimtelijke besluiten de begrenzing van die ruimtelijke besluiten moet worden gevolgd. De ruimtelijke regels uit een bestemmingsplannen kunnen in één keer voor het hele plangebied van dat bestemmingsplan worden vervangen, maar het kan ook voor meerdere bestemmingsplannen tegelijk worden gedaan, en het kan ook voor een kleiner gebied dan een plangebied van een bestemmingsplan worden gedaan.
De ruimtelijke regels uit ruimtelijke besluiten zullen gebiedsgewijs moeten worden vervangen. Gelet op de omvang van Neder-Betuwe, het aantal bestemmingsplannen en de periode waarbinnen dit moet gebeuren, zal dat niet in één klap gebeuren. Zoals is uitgewerkt in het plan van aanpak voor de transitieperiode omgevingsplan zullen wij dit gebiedsgericht aanpakken, waarbij de volgende volgorde wordt gehanteerd: de Kernen, het Buitengebied en de Bedrijventerreinen. Met het vaststellen van het omgevingsplan voor het deelgebied Kernen wordt ook meteen de structuur, opzet en indeling voor de overige deelgebieden vastgelegd.
6.2.2.2 Een beperkt aantal regels uit verordeningen
In artikel 4.6 van de Invoeringswet Omgevingswet is verder bepaald dat een drietal gemeentelijke verordeningen geheel of gedeeltelijk tot het tijdelijk deel van het omgevingsplan behoren.
Regels uit de Erfgoedverordening
Allereerst gaat het om regels uit de Erfgoedverordening die daarin zijn opgenomen op grond van artikel 38, eerste lid, van de Monumentenwet 1988, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet. Omdat de Monumentenwet 1988 op het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet volledig vervalt, wordt hiermee een rechtsvacuüm voorkomen. De ratio achter artikel 38 van de Monumentenwet 1988 was (aldus de wetgever) dat zaken die uit systematisch oogpunt niet bij bestemmingsplan konden worden geregeld, bij verordening geregeld konden worden. Deze regels passen wel in het omgevingsplan.
Het gaat om regels over archeologie die in de gemeente Neder-Betuwe reeds zijn verwerkt in bestemmingsplannen. Met het gebiedsgericht 'verhuizen' van de bestemmingsplannen, worden deze 'erfgoedregels' ook verwerkt in het 'nieuwe deel' van het omgevingsplan.
De Hemelwaterverordening
Ten tweede gaat het om de regels, opgenomen in de Hemelwaterverordening. Het voorheen geldende artikel 10.32a van de Wet milieubeheer gaf de bevoegdheid aan de gemeenteraad om bij verordening regels te stellen over het brengen van afvloeiend hemelwater of van grondwater op of in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater. Dit artikel is niet teruggekomen in de Omgevingswet. Voor zover het om lozingen op de riolering gaat waar het Rijk geen regels over heeft gesteld, kan het gemeentebestuur daarover zelf regels stellen in het omgevingsplan. Voor zover het Rijk wel regels stelt over deze lozingen in het Besluit activiteiten leefomgeving, kan de gemeente via maatwerkregels hetzelfde bereiken als wat artikel 10.32a van de Wet milieubeheer mogelijk maakte. Om een rechtsvacuüm te voorkomen, is ook deze verordening onderdeel gaan uitmaken van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. In Neder-Betuwe betreft het de Verordening op de afvoer van hemelwater.
Met deze verordening heeft de gemeenteraad gebruik gemaakt van de hiervoor bedoelde bevoegdheid. De verordening bevat regels over waterberging bij nieuwe gebouwen. Deze regels gelden voor zowel vergunningplichtige als vergunningvrije bouwwerken. Deze regels zijn dus onderdeel geworden van het tijdelijk deel van het omgevingsplan en worden meegenomen bij de vaststelling van de eerste gebiedsgerichte verhuizing; het omgevingsplan voor het deelgebied Kernen.
Geurverordening
Op grond van artikel 6 Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) kan een gemeente met een zogenoemde geurverordening afwijken van de waarden of afstanden van de Wgv. Dit artikel is met de inwerkingtreding van de Omgevingswet komen te vervallen. Om een rechtsvacuüm te voorkomen, is ook deze verordening onderdeel gaan uitmaken van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. De gemeenteraad kon aan de hand van dit artikel bepalen dat voor (delen van) het grondgebied andere waarden of afstanden gelden. De gemeente Neder-Betuwe heeft met de vaststelling van de Geurverordening Neder-Betuwe 2011 gebruik gemaakt van deze mogelijkheid. De regels uit deze verordening worden meegenomen bij de vaststelling van de tweede gebiedsgerichte verhuizing; het omgevingsplan voor het deelgebied Buitengebied.
Overige delen van verordeningen maken geen deel uit van het tijdelijk deel omgevingsplan
Alleen de hiervoor genoemde (delen van) verordeningen maken deel uit van het ‘omgevingsplan van rechtswege’. Voor alle andere (delen van) verordeningen geldt dat die geen deel uitmaken van het omgevingsplan van rechtswege. Dat geldt zowel voor de (onderdelen van) verordeningen die in het omgevingsplan mogen worden opgenomen, als voor de onderdelen van) verordeningen die erin moeten worden opgenomen. Deze gemeentelijke verordeningen of onderdelen ervan moeten op enig moment opgaan in het omgevingsplan, maar blijven na inwerkingtreding van de Omgevingswet gewoon als verordening bestaan. Ze zijn geen onderdeel geworden van het omgevingsplan, en ze kunnen ook op de te doen gebruikelijke manier worden gewijzigd. Deze (delen van) verordeningen moeten uiteindelijk opgaan in het omgevingsplan. Dat gebeurt door middel van wijziging van het omgevingsplan. Daarbij zal tevens moeten worden voorzien in het vervallen van de (delen van) de verordening zelf.
Vindbaarheid en raadpleegbaarheid
Voor de betreffende regels uit de Hemelwaterverordening en de Geurverordening geldt dat deze besluiten juridisch onderdeel zijn geworden van het omgevingsplan van rechtswege. Technisch zijn ze daarin echter niet opgegaan. De regels die deze besluiten bevatten zijn niet opgenomen in de regelstructuur van het omgevingsplan. Ze zijn pas technisch geïntegreerd in het omgevingsplan nadat daarin met een wijzigingsbesluit omgevingsplan is voorzien. Voor de betreffende besluiten geldt dat ze tot die tijd in hun bestaande vorm als ‘losse regeling’ behouden blijven. Dat betekent dat ze in die vorm vindbaar en raadpleegbaar daar waar ze in het verleden zijn gepubliceerd. Voor de verordeningen is dat https://www.overheid.nl/. Vanuit de DSO-viewer is daarheen geen koppeling gelegd. Directe links: Verordening op de afvoer van hemelwater gemeente Neder-Betuwe, Verordening geurhinder en veehouderij 2011
Voor de (delen van) verordeningen die moeten of kunnen opgegaan in het omgevingsplan, maar die niet automatisch zijn opgegaan in het omgevingsplan van rechtswege, geldt dat die sowieso pas opgaan in het omgevingsplan wanneer daartoe bij wijzigingsbesluit omgevingsplan is besloten. Tot dan zullen ook die (delen van) verordeningen niet via de DSO-viewer maar via https://overheid.nl/ vindbaar en raadpleegbaar zijn. Dat zal het geval blijven voor alle verordeningen of delen ervan die nooit in het omgevingsplan opgaan.
Beoogde wijze waarop verordeningsregels tijdelijk deel zullen worden vervangen
Er zijn geen wettelijke beperkingen gesteld aan de wijze waarop de betreffende regels uit de Erfgoedverordening en de Hemelwaterverordening kunnen worden vervangen. Dat kan zowel gebiedsgewijs als onderwerpgewijs. Dat betekent dat de betreffende regels niet tegelijk met het vervangen van een ruimtelijk besluit voor een gebied van toepassing hoeven te worden. Ze kunnen los daarvan in het nieuwe deel van het omgevingsplan worden opgenomen. Dat kan gebied voor gebied, maar dat kan ook ineens voor heel Neder-Betuwe.
De regels in de verordeningen gelden sowieso voor heel Neder-Betuwe. Het ligt voor de hand ook het vervangen van die regels in eens voor heel Neder-Betuwe te doen. Resteert de vraag op welk moment dat zou kunnen gebeuren.
Voor de Hemelwaterverordening geldt dat daarin regels over bouwwerken zijn opgenomen die van toepassing zijn op zowel vergunningplichtige als vergunningvrije bouwwerken. De situatie zoals die bij inwerkingtreding van de Omgevingswet is ontstaan, is voor wat betreft de vindbaarheid van de regels niet optimaal. Ze zijn onderdeel van het omgevingsplan van rechtswege, maar als zodanig niet vindbaar via de DSO-viewer. Vanwege de samenhang met andere regels over bouwwerken en de vindbaarheid daarvan is er voor gekozen de Hemelwaterverordening zo snel mogelijk te integreren in het omgevingsplan. Deze integratie van de Hemelwaterverordening is direct voorzien bij de eerste wijziging van het omgevingsplan, het omgevingsplan deelgebied Kernen.
6.2.2.3 De ‘bruidsschat’ van het Rijk
Artikel 22.2 van de Omgevingswet bepaalt dat bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat regels die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet bij of krachtens landelijke wetgeving waren gesteld, al dan niet tijdelijk deel uitmaken van het omgevingsplan. Het betreft regels over onderwerpen die voorheen door het Rijk waren gesteld, maar nu gemeentelijke regels zijn. Deze regels komen in het omgevingsplan van rechtswege te staan. Dit is wat veelal als de ‘bruidsschat’ wordt aangeduid. Bij een besluit tot wijziging van een omgevingsplan kunnen die regels worden gewijzigd.
Het gaat grotendeels over regels met betrekking tot bouwen en bouwwerken, en over regels met betrekking tot milieubelastende activiteiten.
De regels over bouwen en bouwwerken komen in de plaats van regels uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Bouwbesluit. Zo wordt de bouwvergunningplicht uit de Wabo (voor zover het betreft de ‘ruimtelijke bouwactiviteit’) bij wijze van bruidsschat in het omgevingsplan van rechtswege opgenomen. Hetzelfde geldt voor de daarop betrekking hebbende beoordelingsregels (zoals de welstandsbeoordeling), en de regeling voor vergunningvrije bouwwerken en bouwwerken die overal zijn toegestaan (voorheen artikelen 3 en 2 van het toenmalige Bor). Ook allerlei algemene regels met betrekking tot bouwwerken, open erven en terreinen, die voorheen in het Bouwbesluit werden gesteld, zijn in het omgevingsplan van rechtswege opgenomen.
De regels over milieubelastende activiteiten komen in de plaats van regels die voorheen in het Activiteitenbesluit milieubeheer werden gesteld. Het betreft een grote hoeveelheid veelal zeer technische regels over onderwerpen waarover gemeenten tot nu toe vrijwel uitsluitend uitvoeringsbevoegdheid heeft gehad. Deze uitvoeringsbevoegdheden werden (en worden) grotendeels uitgevoerd door de Omgevingsdienst Regio Rivierenland.
Vindbaarheid en raadpleegbaarheid
De voorheen landelijke regels die juridisch onderdeel zijn geworden van het omgevingsplan zijn ook technisch in het omgevingsplan geplaatst. Anders dan de ruimtelijke besluiten en verordeningen die onderdeel zijn geworden van het omgevingsplan van rechtswege, zitten deze regels dus echt ‘in’ het omgevingsplan. De regels zijn terecht gekomen in hoofdstuk 22 van het omgevingsplan. Daarnaast zijn ook een hoofdstuk 1 (met daarin begripsbepalingen) en een hoofdstuk 23 (met daarin de citeertitel) opgenomen. De tussenliggende hoofdstukken 2 tot en met 21 zijn dus leeg.
Hoofdstuk 22 bestaat uit de volgende onderdelen:
Afdeling 22.1: algemeen
Afdeling 22.2: activiteiten met betrekking tot bouwwerken, open erven en terreinen
Afdeling 22.3: milieubelastende activiteiten
Afdeling 22.4: aanleggen of wijzigen van wegen of spoorwegen zonder geluidproductieplafond
Afdeling 22.5: regels over overige activiteiten
Gemeenten moeten zelf beslissen of regels over de onderwerpen, zoals opgenomen in hoofdstuk 22, behouden moeten blijven. Daarbij zal veelal sprake zijn van aanpassing van de regels, teneinde te voldoende aan de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving. De regels zoals ze in hoofdstuk 22 zijn geplaatst, voldoen daaraan namelijk nog niet. Daarbij zal moeten worden nagedacht over de plek in de structuur van het omgevingsplan waar de regels moeten worden opgenomen.
Beoogde wijze waarop de bruidsschat wordt vervangen
Er zijn meerdere redenen om de tijdelijke regels uit hoofdstuk 22 snel en integraal te vervangen door regels in het nieuwe deel. De tijdelijke regels voldoen niet aan de instructieregels van het rijk. Dat geldt met name voor afdeling 22.3 en 22.4 van de bruidsschatregels. Wanneer de regels over milieubelastende activiteiten (afdeling 22.3) niet voldoen aan de instructieregels, dan heeft dat gevolgen voor onder meer het faciliteren van gebiedsontwikkeling. Dat komt omdat bij gebiedsontwikkeling al snel sprake is van het mogelijk maken van vormen van gebruik waarbinnen milieubelastende activiteiten plaatsvinden die worden gereguleerd door afdeling 22.3. Wanneer die regels in afdeling 22.3niet voldoen aan de instructieregels, zouden voor de gebiedsontwikkeling specifieke regels over de betreffende milieubelastende activiteiten moeten worden vastgesteld, om te voldoen aan de wet. Dat zou er toe leiden dat per gebied gekeken wordt naar de wijze waarop van toepassing zijnde regels over milieubelastende activiteiten zouden moeten worden aangepast. Dat is ongewenst. De regels hebben nu de vorm van algemene regels die overal gelden binnen Neder-Betuwe. De regels uit de Bruidsschat worden zo snel als mogelijk overgezet naar het 'nieuwe deel' van het omgevingsplan. Voor het grootste gedeelte vindt dit al plaats met het omgevingsplan voor het deelgebied Kernen. Als daar een beleidsmatige reden voor is (geluid en geur in het buitengebied en op bedrijventerreinen) verhuizen de betreffende regels van de Bruidsschat gezamenlijk met het betreffende deelgebied; Buitengebied of Bedrijventerreinen.
Een tweede reden voor het snel en integraal vervangen van hoofdstuk 22 heeft te maken met de inhoud van dat hoofdstuk en de gewenste structuur van het omgevingsplan. Hoofdstuk 22 bevat een groot aantal structuurbepalende artikelen. Dat geldt met name de bepalingen die gaan over bouwen. Zo bevat afdeling 22.2 de binnenplanse bouwvergunningplicht (voorheen geregeld in de Wabo), maar ook de uitzonderingen op die vergunningplicht, beoordelingsregels, en allerlei algemene regels over bouwwerken. De ruimtelijke regels waarmee ruimtelijke besluiten worden vervangen, bevatten ook algemene regels over bouwwerken. Voor de overzichtelijkheid van de regeling dienen die regels op een juiste wijze ten opzichte van elkaar in de regelingstructuur te worden geplaatst. Er is vanwege het vervangen van ruimtelijke besluiten ook behoefte aan aanvullende beoordelingsregels met betrekking tot de bouwvergunning, onder meer ter vervanging van de mogelijkheid tot het stellen van nadere eisen zoals die in veel ruimtelijke besluiten is opgenomen. Voorkomen moet worden dat die beoordelingsregels, die van toepassing zijn op één specifieke vergunningplicht, her en der in het omgevingsplan verzeild raken. Voor de overzichtelijkheid en kenbaarheid van de regeling is het gewenst dat alle beoordelingsregels ook bij elkaar gegroepeerd zijn te vinden, in plaats van dat deze door het hele omgevingsplan verspreid zijn opgenomen.
Bij de terinzagelegging van het ontwerp omgevingsplan deelgebied Kernen zal een transponeringstabel worden opgenomen. Daarin is aangegeven waar de regels uit hoofdstuk 22 zijn terechtgekomen.
De tijdelijke regels zoals opgenomen in hoofdstuk 22 gelden voor heel Neder-Betuwe. Het ligt om bovenstaande redenen voor de hand ook het vervangen van die regels zo snel mogelijk voor heel Neder-Betuwe te doen. Daarmee kan ook de structuur van het omgevingsplan worden bepaald. De opname en wijziging van veel tijdelijke regels uit hoofdstuk 22 is daarom direct voorzien bij de eerste wijzigingen van het omgevingsplan (voor het deelgebied Kernen).
6.3.1 Eerste stap in de transitie: het vaststellen van een basisregeling met het omgevingsplan deelgebied Kernen
Het opbouwen van het omgevingsplan vindt plaats vanuit het ‘omgevingsplan van rechtswege’. De regels en regelingen die onderdeel zijn van dat ‘omgevingsplan van rechtswege’ moeten worden vervangen door nieuwe regels. Daarnaast zullen bepaalde (delen van) verordeningen eveneens op enig moment worden opgenomen in het omgevingsplan. Tot slot zullen er ook nieuwe regels worden opgenomen over onderwerpen waarover nu nog nergens regels zijn gesteld. Dit zijn verschillende vormen van wijziging van het omgevingsplan, met elk een eigen aanpak. In dit hoofdstuk wordt op de aanpak van deze verschillende wijzigingen ingegaan.
Een eerste stap die daarbij is voorzien in de transitie van het ‘omgevingsplan van rechtswege’ naar het 'nieuwe deel' van het omgevingsplan, is het in procedure brengen en vaststellen van een omgevingsplan voor het deelgebied Kernen. Dit omgevingsplan bevat in feite een basisregeling met regelstructuur waarbinnen regels uit bestemmingsplannen buitengebied en bedrijventerreinen en overige verordeningen kunnen worden opgenomen. Die regelstructuur is nodig omdat bepaalde typen regels altijd in een bepaalde verhouding tot elkaar staan, die ook in de volgorde van die regels en dus in de regelstructuur is terug te vinden.
Zo kent bijvoorbeeld een regeling over een activiteit die door een vergunningplicht wordt gereguleerd (zoals het bouwen van een bouwwerk) veelal de volgende volgorde:
Toepassingsbereik (waarop hebben de regels betrekking?)
Vergunningplicht
Uitzonderingen op de vergunningplicht
Beoordelingsregels voor vergunningaanvragen
Aanvraagvereisten
Voorschriften
Eventueel algemene regels die op de activiteit van toepassing zijn, of ze nu vergunningplichtig zijn of vergunningvrij
Een dergelijke regelopbouw komt de begrijpelijkheid en toepasbaarheid van de regels ten goede. Het maakt dat de regels die op dezelfde activiteit betrekking hebben op een toegankelijke en zo begrijpelijk mogelijke manier bij elkaar staan. Dat voorkomt dat bijvoorbeeld beoordelingsregels die op een bepaalde vergunningplicht van toepassing zijn, verspreid over het hele omgevingsplan worden opgenomen. Dat zou leiden tot een onnavolgbare regeling. Hetzelfde geldt voor algemene regels die op een specifieke activiteit van toepassing zijn.
Bij het opbouwen van de basisregeling voor het omgevingsplan is gezocht naar een regelstructuur die zo goed mogelijk invulling geeft aan de vindbaarheid van regels. In die structuur zijn de tijdelijke regels uit hoofdstuk 22 en allerlei ruimtelijke regels ter vervanging van ruimtelijke besluiten opgenomen. Ook de regels uit de Hemelwaterverordening hebben daarin een plaats gekregen. Die regelstructuur zal ook ruimte moeten bieden voor de latere inpassing van verordeningen en aanvulling met andere regels.
6.3.2 Verdere uitbouw: het vervangen van ruimtelijke besluiten
De basisregeling en daarmee dus het omgevingsplan deelgebied Kernen vormt het uitgangspunt voor het vervangen van ruimtelijke besluiten in het buitengebied en de bedrijventerreinen. In de basisregeling is voorzien in regels over die onderwerpen die ook door die ruimtelijke besluiten worden gereguleerd. Het gaat hoofdzakelijk om ruimtelijke regels over gebruik, bouwwerken en aanlegactiviteiten.
Met de ruimtelijke regels zoals die in het omgevingsplan voor het deelgebied Kernen zijn opgenomen, kan een groot deel van de ruimtelijke besluiten voor het buitengebied en de bedrijventerreinen worden vervangen. Dat gebeurt door de benodigde regels ook voor het gebied (of locaties binnen het gebied) waarop het te vervangen ruimtelijk besluit betrekking heeft, van toepassing te laten worden. Dat gebeurt door middel van wijzigingsbesluiten. Een wijziging van het omgevingsplan hoeft dus niet te betekenen dat er nieuwe regels worden toegevoegd of dat bestaande regels wijzigen. Een wijziging van het omgevingsplan kan ook bestaan uit alleen het wijzigen van het werkingsgebied van een al bestaande regel.
6.3.3 Verdere uitbouw: het opnemen van (delen van) verordeningen die geen deel zijn van het ‘omgevingsplan van rechtswege’
Met uitzondering van de in paragraaf 6.2.2 genoemde (onderdelen van) verordeningen, maken gemeentelijke verordeningen geen deel uit van het omgevingsplan van rechtswege. Dat geldt voor de (onderdelen van) verordeningen die in het omgevingsplan mogen worden opgenomen, maar ook voor de onderdelen van) verordeningen erin moeten worden opgenomen. De gemeentelijke verordeningen zijn na inwerkingtreding van de Omgevingswet (1‑1‑2024) gewoon als zodanig blijven bestaan. En ze kunnen ook gewoon worden gewijzigd.
Voor de (onderdelen van) verordeningen die in het omgevingsplan moeten worden opgenomen, hebben gemeenten naar verwachting tot en met 2031 de tijd om dit te realiseren. Voor (onderdelen van) verordeningen die in het omgevingsplan mogen worden opgenomen geldt dat die integratie ook na 2031 kan plaatsvinden. Van daaruit zit er weinig druk op integratie van de verordeningen.
Bovendien zijn de meeste verordeningen sterk thematisch van inhoud. Daarmee wordt bedoeld dat ze betrekking hebben op een of meerdere specifieke, op zichzelf staande activiteiten. Zo is de activiteit ‘vellen van een houtopstand’ zoals die in de APV wordt gereguleerd, een op zichzelf staande activiteit met een geheel eigen, daarop van toepassing zijnde regeling. Inhoudelijke afstemming met regels over andere activiteiten is veelal niet, of slechts in beperkte mate, aan de orde.
Tot slot hebben de meeste verordeningen geen locatiegerichte benadering (zie ook hoofdstuk 7). Dat betekent dat ze zich als regeling ervoor lenen om op enig moment integraal, voor heel de gemeente, in het omgevingsplan te worden geïntegreerd.
Hoewel de integratie in het omgevingsplan uiteindelijk de vindbaarheid van de betreffende regels ten goede komt, is er in de meeste gevallen geen sprake van urgentie. Daar waar wel sprake is van een sterke mate van inhoudelijke verwevenheid van (delen van) verordeningen of van een locatiegerichte benadering wordt integratie naar voren gehaald. Dat is bijvoorbeeld het geval met de Verordening afvoer van hemelwater en de Verordening doelgroepen woningbouw Neder-Betuwe. Om die reden worden die verordeningen wel vervangen door het omgevingsplan voor het deelgebied Kernen.
Vanwege problemen rondom het Digitale Stelsel Omgevingswet heeft het Rijk tijdelijk een alternatieve maatregel beschikbaar gesteld: de TAM-IMRO. Daarmee hoeft niet via de nieuwe digitale standaarden een wijziging van het omgevingsplan beschikbaar gesteld te worden, maar kan dat nog via de IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening). Direct na de inwerkingtreding van de Omgevingswet is er tijdelijk geen plicht om de STOP/TPOD te gebruiken. Dit regelt artikel 11.1, lid 2 van het Besluit elektronische publicaties.
Deze regeling is bedoeld de mogelijkheid te bieden nog enige tijd gebruik kan maken van de software die onder de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) wordt gebruikt voor vormgeving en publicatie overeenkomstig de zogenoemde IMRO-standaarden. Daarmee kan publicatie van een wijziging van een omgevingsplan plaatsvinden op ruimtelijkeplannen.nl, waarmee ontsluiting in het DSO mogelijk is. De publicatie van het hoofdbestanddeel van het besluit vindt daarbij plaats in het publicatieblad op officiëlebekendmakingen.nl.
Een wijziging van het omgevingsplan met toepassing van TAM-IMRO wordt een TAM-omgevingsplan genoemd. Een TAM-omgevingsplan maakt in juridisch opzicht deel uit van het (nieuwe deel van het) omgevingsplan, maar hebben technisch gezien het 'oude' formaat (namelijk IMRO). De landelijke voorziening ruimtelijkeplannen.nl blijft na inwerkingtreding van de Omgevingswet tijdelijk beschikbaar voor gemeenten, adviesbureaus en softwareleveranciers. Dit regelt artikel 4.25 van de Invoeringswet Omgevingswet.
Omdat het TAM-omgevingsplan juridisch onderdeel is van het omgevingsplan, maar technisch technisch gezien als een zelfstandig besluit oogt en regels heeft die van toepassing zijn op het besluit gebied, bevat het TAM-omgevingsplan regels over onderwerpen die ook elders in het omgevingsplan zijn gesteld. Zo bevat een TAM-omgevingsplan veelal begripsbepalingen die op de in erin opgenomen regels van toepassing zijn. Ook bevat een TAM-omgevingsplan, gelet op het doel ervan, veelal ruimtelijke regels over het gebruik van gronden en bouwwerken, en over bouwwerken. Voor een goede werking van de regels worden daar waar nodig in het omgevingsplan voorrangsbepalingen opgenomen.
De gemeente moet met gebruikmaking van TAM-IMRO vastgestelde regels in het omgevingsplan bij omzetting naar STOP-TPOD opnieuw vaststellen. Bij een beleidsneutrale omzetting kan in de publicatie worden vermeld dat deze wijziging om technische redenen gebeurt en het een beleidsneutrale omzetting betreft. De TAM-omgevingsplannen die de gemeenteraad van Neder-Betuwe heeft vastgesteld, worden op het moment dat zij onherroepelijk worden 'verhuisd' naar het omgevingsplan dat met STOP/TP is opgesteld; in eerste instantie het omgevingsplan voor het deelgebied Kernen.
Zoals eerder aangegeven lijkt het omgevingsplan in meerdere opzichten meer op een gewone gemeentelijke verordening dan op een bestemmingsplan. In één belangrijk opzicht is het omgevingsplan wel anders dan de meeste gemeentelijke verordening. Het omgevingsplan bevat namelijk (net als voorheen het bestemmingsplan) locatiegerichte regels. Het gaat om regels met een beperkt werkingsgebied (ze gelden alleen in bepaalde delen van Neder-Betuwe), om regels die bepalen waar binnen Neder-Betuwe een bepaalde activiteit wel of niet is toegestaan, en regels met een locatiegerichte norm. Dergelijke regels kwamen voorheen veel voor in ruimtelijke besluiten en zijn ook weer in het omgevingsplan opgenomen. Zo bevat het omgevingsplan regels over planologisch gebruik, waarmee onder meer wordt bepaald waar een bepaalde vorm van gebruik wel of niet is toegestaan, en in welke omvang. En ook bevat het omgevingsplan allerlei locatiegerichte bouwregels waarmee onder andere wordt bepaald waar gebouwd mag worden, en hoe hoog. In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de verschillende vormen van locatiegerichte regels.
Elk juridische regel heeft een geografische component, omdat elke regel een werkingsgebied heeft. Daarmee wordt gedoeld op het gebied waar de regel geldt. Veel regels in het omgevingsplan hebben (net als bij de meeste verordeningen) heel de gemeente Neder-Betuwe als werkingsgebied; ze gelden overal. Vaak geldt ook dat de normering overal gelijk is.
Maar het omgevingsplan bevat ook heel veel regels die locatiegericht zijn. Die locatiegerichtheid kan erin zitten dat het werkingsgebied van een regel beperkt is, of dat er in de regel naar een specifieke aangewezen locatie binnen het werkingsgebied wordt verwezen waar iets wel of juist niet is toegestaan. Ook kan het gaan om regels met locatiespecifieke normen, waarbij de regel in heel Neder-Betuwe geldt, of binnen een bepaald gebied, maar waarbij de norm zelf van locatie tot locatie verschilt.
Die uiteenlopende geografische componenten van regels zijn juridisch zeer relevant. Ze bepalen waar een regel geldt, en waar een bepaalde activiteit wel of niet is toegestaan. Ze bepalen dat er op de aangegeven locatie gebouwd mag worden, dat daarbij wel of geen maximum bouwhoogte is gegeven, maar ook per locatie hoe hoog die maximum bouwhoogte is.
Tegelijkertijd is het vaststellen van dergelijke regels complex, in die zin dat het bepalen waar een locatiespecifieke regel moet gelden, waar een bepaalde activiteit is toegestaan, waar een bepaalde norm moet gelden, niet ineens voor heel de gemeente kan worden gedaan. Dit gebeurt in fasen; eerst voor de Kernen, dan voor het Buitengebied en tot slot voor de Bedrijventerreinen.
Elke juridische regel heeft een geografisch werkingsgebied. Daarmee wordt gedoeld op het geografisch gebied waar de regel geldt. Uitgangspunt van elke gemeentelijke juridische regeling is dat die overal binnen het grondgebied van de gemeente geldt, tenzij dit in de regel is beperkt.
Dit principe geldt ook voor het omgevingsplan. Het omgevingsplan geldt voor heel het grondgebied van de gemeente Neder-Betuwe (hierna: het ambtsgebied). Alle regelonderdelen en regels daarbinnen, gelden dus overal, tenzij dit is beperkt. Wanneer niet in de regels is bepaald dat er een beperkt werkingsgebied geldt, dan geldt het hele ambtsgebied als werkingsgebied.
Het in de regel expliciet bepalen van een beperkt werkingsgebied vindt vaak plaats bij het beperken van het werkingsgebied voor een heel regelonderdeel. In zo’n regelonderdeel wordt dan aan het begin een bepaling opgenomen waarmee het werkingsgebied van alle regels in dat onderdeel wordt beperkt. Alle regels binnen zo’n regelonderdeel hebben in dat geval als werkingsgebied het gebied dat is aangegeven in die ene bepaling.
Zie bijvoorbeeld artikel 2.139, lid 1: De regels in deze paragraaf zijn van toepassing ter plaatse van de Locatie wonen. Daarmee wordt bepaald dat de betreffende paragraaf, die over wonen gaat, alleen geldt ter plaatse van de betreffende aanduiding. Het geografisch gebied van die locatie wordt door de gemeenteraad vastgesteld en in de viewer op kaartbeeld weergegeven. Alle regels binnen die paragraaf gelden dus uitsluitend daar.
Regels binnen een regelonderdeel met een beperkt werkingsgebied kunnen zelf wel weer een meer beperkt werkingsgebied hebben. Vaak volgt dat uit de regelformulering in de regel zelf, zonder dat dit expliciet is gedaan.
Zie bijvoorbeeld artikel 2.144, dat onderdeel is van de paragraaf die over wonen gaat: Ter plaatse van de Functieaanduiding woon-/werkeenheid toegestaan, is het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een woon-/werkeenheid toegestaan.Die regel heeft alleen betrekking op de aangegeven locatie, en heeft dus die locatie als werkingsgebied.
Koppeling van de regel aan het werkingsgebied
Het werkingsgebied van een regel wordt in plansoftware aan de regels gekoppeld. Binnen het DSO wordt zichtbaar gemaakt op kaart waar die regel geldt. Binnen het DSO is ook mogelijk om voor een locatie alleen die regels in beeld te krijgen die daar gelden. Dat draagt bij aan de toegankelijkheid van de regeling.
Behalve dat regels een al dan niet beperkt werkingsgebied hebben, kan in een regel een locatie binnen dat werkingsgebied worden aangeduid waar vervolgens blijkens de regel iets wel of juist niet mag.
Zie bijvoorbeeld artikel 5.7. Dat bepaalt waar gebouwen zijn toegestaan:
Een gebouw is, tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald, alleen toegestaan ter plaatse van de Bouwaanduiding bouwvlak.Deze regel moet (uiteindelijk) binnen heel Neder-Betuwe gelden. De regel bepaalt waar binnen Neder-Betuwe een gebouw is toegestaan, namelijk ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’. Maar tegelijkertijd bepaalt deze regel dat op locaties waaraan niet de aanduiding ‘bouwvlak’ is gegeven, géén gebouw is toegestaan. Dit type regel werkt dus twee kanten op. Dat is ook de reden waarom artikel 5.7 gefaseerd (eerst voor de Kernen, dan voor het Buitengebied en daarna voor de Bedrijventerreinen) heel Neder-Betuwe als werkingsgebied moet hebben.
Koppeling van de regel aan het werkingsgebied en nadere aanduiding
Ook voor dit type regel geldt dat het werkingsgebied van een regel in de plansoftware aan de regels wordt gekoppeld. Dat geldt ook voor de nadere aanduiding. Binnen het DSO wordt zichtbaar gemaakt op kaart waar die regel geldt, en waar de begrenzing van de aanduiding ligt. Doordat in het DSO zowel de regel als de daarbij behorende locaties (werkingsgebied en aanduiding) in samenhang worden weergegeven is het mogelijk om locatiegericht te zien waar een betreffende activiteit wel of niet is toegestaan.
Onderscheid tussen een werkingsgebied en nadere aanduiding volgt uit de strekking van de regel
Het verschil tussen het in een regel beperken van het werkingsgebied of het binnen een bepaald werkingsgebied aanduiden van een locatie, is niet altijd even makkelijk te zien. Uit de regelopbouw en de strekking van de regel blijkt of sprake is van het werkingsgebied of van een nadere locatieaanduiding.
Zo bevat de regeling over kantoor een onderdeel kantoor met baliefunctie, waar kantoren met baliefunctie zijn toegestaan.
Artikel 2.102 : De regels in deze paragraaf gelden ter plaatse van de Locatie kantoor.
Artikel 2.103: De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt ten behoeve van kantoren, overeenkomstig het bepaalde in paragraaf 2.9.2.
Artikel 2.105 (uit paragraaf 2.9.2): Ter plaatse van de Functieaanduiding kantoor met baliefunctie, is het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een kantoor met baliefunctie toegestaan.
Het eerste lid van artikel 2.102 moet overal gelden waar kantoor is toegestaan. Binnen dat gebied geldt voor kantoor de beperking dat kantoor met baliefunctie uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de Functieaanduiding kantoor met baliefunctie. De in de regel opgenomen locatieaanduiding is dus kleiner dan het werkingsgebied. Het is de activiteit kantoor met baliefunctie waarop de beperking is gericht. Zonder de beperking zou die activiteit in het gehele werkingsgebied zijn toegestaan. De beperking voorziet erin dat dit niet het geval is.
Er zijn ook regels die een locatiegerichte norm bevatten. Binnen het werkingsgebied van de betreffende regel wordt dan voor verschillende locaties een uiteenlopende norm gegeven.
Zie bijvoorbeeld artikel 5.11 dat regels over de bouwhoogte van gebouwen bevat. Het eerste lid bepaalt dat in tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald, voor een gebouw de bestaande bouwhoogte ervan de maximum bouwhoogte is. Het tweede lid bepaalt echter:
Ter plaatse van het Normgebied maximum bouwhoogte gebouwen bedraagt de maximum bouwhoogte van een gebouw niet meer dan met de Omgevingsnorm maximum bouwhoogte gebouwen in meters is aangegeven.
Het eerste lid bevat als hoofdregel dat de maximum bouwhoogte van een gebouw de bestaande bouwhoogte is. Die regel heeft de hele gemeente Neder-Betuwe als werkingsgebied. Voor situaties waar de bouwhoogte anderszins is vastgelegd, is het tweede lid van toepassing. Dat tweede lid heeft een beperkt werkingsgebied, namelijk de locatie met de aanduiding ‘maximum bouwhoogte gebouw’. De locatie bevat uit allemaal afzonderlijke locaties, met elk een eigen norm:

Koppeling van de regel aan het werkingsgebied en normen aan locaties binnen dat werkingsgebied
Ook voor dit type regel geldt dat werkingsgebied van een regel in plansoftware aan de regels wordt gekoppeld. Dat geldt ook voor de normen en de locaties waar die gelden. Binnen het DSO wordt zichtbaar gemaakt op kaart waar die regel geldt, en waar welke norm geldt. Doordat in het DSO zowel de regel als de daarbij behorende locaties en normen in samenhang worden weergegeven is het mogelijk om locatiegericht te zien waar de regel geldt en waar welke norm geldt.
Dat sommige regels overal moeten gaan gelden, en andere regels binnen meer beperkte werkingsgebieden, heeft gevolgen voor de wijze waarop de regels kunnen worden vastgesteld. Regels die overal moeten gelden, zouden ineens voor heel Neder-Betuwe van toepassing kunnen worden. Voor regels met een beperkt werkingsgebied zal gebied voor gebied bekeken moeten worden of die regels binnen dat gebied moeten gaan gelden. De regels met een beperkter werkingsgebied zijn veelal de planologische regels uit de bestemmingsplannen. Deze regels worden gefaseerd 'verhuisd' naar het omgevingsplan 'nieuwe stijl'. De eerste fase van deze verhuizing; deelgebied Kernen, bevat echter ook regels die gelden voor het hele grondgebied. Dit zijn bijvoorbeeld de regels over afvalwater, doelgroepen, bodem en hemelwater.
Naast het juridisch instrumentarium is digitalisering een belangrijk instrument voor het behalen van de verbeterdoelen. De Omgevingswet bevat de grondslagen voor het Digitaal Stelsel Omgevingswet. Daarmee is de juridische basis gelegd voor de ontwikkeling van het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) en kunnen er regels worden gesteld over onder andere gemeenschappelijke definities in de standaarden en voorzieningen die onderdeel zijn van het stelsel.
Het digitale stelsel is onder meer nodig om het omgevingsplan raadpleegbaar te maken. Dat stelt eisen aan zowel het digitale stelsel, als aan het omgevingsplan. De eisen aan het omgevingsplan zijn deels van digitale aard. Om het omgevingsplan te kunnen publiceren moet worden voldaan aan bepaalde digitale standaarden. Het voldoen aan die standaarden moet vervolgens weer bijdragen aan een optimale weergave in het DSO.
Het DSO bevat daartoe meerdere voorzieningen: de LVBB, overheid.nl en DSO-LV. In paragraaf 8.2 wordt nader ingegaan op het DSO, de digitale standaarden en wat dit voor het omgevingsplan betekent. Hoewel de digitale standaarden voorwaarden stellen aan de digitale kant van het omgevingsplan, laten ze gemeenten veel ruimte in de opzet van het omgevingsplan.
Een van de functies van het DSO is een digitaal loket. Via de loketfunctie van de landelijke voorziening, het omgevingsloket, kunnen diverse soorten berichten worden ingediend. Het gaat om het elektronisch kunnen indienen van een aanvraag om een besluit, het doen van een melding, het voldoen aan een andere informatieverplichting dan een melding en het verzenden van een ander bericht op grond van de Omgevingswet. Een andere beoogde toepassing van het digitaal loket zijn vragenbomen, waarmee de vergunningencheck kan worden gedaan. Daarmee wordt het omgevingsplan bevraagbaar gemaakt.
8.2.1 LVBB, overheid.nl en DSO-LV
Het omgevingsplan moeten worden bekendgemaakt en gepubliceerd. Daartoe moet het omgevingsplan langs elektronische weg worden aangeleverd aan de Landelijke Voorziening Bekendmaken en Beschikbaarstellen (verder: LVBB). De LVBB verzorgt vervolgens de bekendmaking van de besluiten en de consolidatie van wijzigingsbesluiten in het (geconsolideerde) omgevingsplan. Beide worden geplaatst op het internetportaal overheid.nl: de bekendmaking van de besluiten komt op www.officielebekendmakingen.nl in het digitale publicatieblad van het bevoegde gezag, en het geconsolideerde omgevingsplan komt in de (lokale) regelingenbank. Het geconsolideerde omgevingsplan wordt doorgeleverd aan de DSO-LV.
DSO-LV staat voor Landelijke Voorziening Digitaal Stelsel Omgevingswet. De DSO-LV moet onder meer zorgen voor samenhangende, eenduidige en toegankelijke informatie van goede kwaliteit . DSO-LV biedt een digitaal loket waar initiatiefnemers, overheden en belanghebbenden snel kunnen zien wat kan en mag in de fysieke leefomgeving: het Omgevingsloket. Dit omgevingsloket bevat ook een viewer, waarmee het omgevingsplan gebiedsgericht raadpleegbaar is.
DSO-LV moet zorgen voor samenhangende, eenduidige en toegankelijke informatie van goede kwaliteit en bijdragen aan de verbetering van het stelsel van het omgevingsrecht. Het stimuleert een snellere en integrale besluitvorming onder de Omgevingswet en vergroot het gebruikersgemak. DSO-LV biedt het digitale loket waar initiatiefnemers, overheden en belanghebbenden snel kunnen zien wat kan en mag in de fysieke leefomgeving: het Omgevingsloket.
Via het Omgevingsloket kunnen zij in elk geval:
vergunningen aanvragen en meldingen doen;
zien welke regels en beleid van toepassing zijn op een locatie.
Om aan deze doelstellingen van DSO-LV te kunnen voldoen, is het nodig om bepaalde besluiten en andere rechtsfiguren machineleesbaar te maken en de gebruikte gegevens uitwisselbaar te maken. Dat betekent dat ze vanuit informatiekundig en technisch oogpunt moeten worden gestructureerd en gestandaardiseerd. De Omgevingswet biedt daartoe de mogelijkheid door het stellen van regels over die besluiten en andere rechtsfiguren.
Het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) is een geheel aan digitale voorzieningen dat bijdraagt aan een effectieve werking van de Omgevingswet. Het stelsel als geheel bestaat uit een landelijke voorziening en verbindingen met en tussen lokale voorzieningen, zoals eigen behandelsystemen voor het behandelen van vergunningen en meldingen van de aangesloten overheden.
De wettelijk geregelde landelijke voorziening heeft twee functies (Staatsblad 2020 400, p. 1133):
het elektronisch ontsluiten van informatie over de fysieke leefomgeving; en
het elektronisch kunnen indienen van een bericht. Daaronder wordt verstaan het indienen van een aanvraag om een besluit, het doen van een melding, het voldoen aan een andere informatieverplichting dan een melding en het verzenden van een ander bericht op grond van de Omgevingswet.
Dit zijn harde voorwaarden waaraan het DSO moet voldoen. Het op een voor een ieder toegankelijke manier ontsluiten van informatie over de fysieke leefomgeving heeft meerdere kanten. Het moet in elk geval voorzien in een gebiedsgerichte raadpleegbaarheid. Van belang daarbij is dat de juridische informatie in samenhang kan worden geraadpleegd. Naast deze gebiedsgerichte raadpleegbaarheid wordt met de DSO ook voorzien in locatiegerichte raadpleegbaarheid en activiteitgerichte bevraagbaarheid.
Op www.officielebekendmakingen.nl (zie vorige subparagraaf) wordt het besluit formeel bekend gemaakt in het digitale publicatieblad van het bevoegde gezag. De authentieke tekst van het besluit wordt in PDF-formaat weergegeven en er is een zogeheten landingspagina voor de informatieobjecten. Tevens is er een web-versie van het besluit. Daarnaast worden de consolidatie-instructies verwerkt in de geldende regeling van dat moment. Dit resulteert in een documentgerichte weergave van de regeling van waaruit de informatieobjecten kunnen worden benaderd. De informatieobjecten worden afzonderlijk getoond in een interactieve viewer en kunnen vanuit daar ook worden gedownload. Raadplegen is alleen mogelijk per omgevingsdocument of regeling en dus ook alleen van één bevoegd gezag. Er is geen integraal overzicht van alle regels voor de leefomgeving.
Het is op www.officielebekendmakingen.nl niet mogelijk de regels in samenhang met elkaar te raadplegen. Daarvoor is de DSO-LV bedoelt. In het Omgevingsloket zijn diverse functies beschikbaar voor de gebruiker. Het biedt de mogelijkheid tot het oriënteren op de integrale regels of het integrale beleid over de fysieke leefomgeving via de kaart. Met een klik op de kaart zijn de daar geldende regels en het geldende beleid te raadplegen. De locaties uit de diverse regelingen worden via een legenda gesymboliseerd op de kaart. De tekst en kaart geven ook selectiemogelijkheden, bijvoorbeeld het tonen van regeltekst en locaties voor een specifieke activiteit, het uitsluitend tonen van regels die voor iedereen gelden of het tonen van beleid over een specifiek beleidsaspect met de bijbehorende locaties.
8.2.3 Toepassingsprofiel omgevingsplan
De regels in het omgevingsplan kunnen niet los worden gezien van de daarbij horende geografische elementen en de weergave ervan in DSO-LV. Het op een toegankelijke en samenhangende wijze weergeven van regels en geografische elementen is essentieel voor de raadpleegbaarheid van het plan. Maar bovendien moet het omgevingsplan via de verschillende landelijke voorzieningen toegankelijk zijn.
Om hierin te voorzien, is het nodig om het omgevingsplan machineleesbaar te maken en de gebruikte gegevens uitwisselbaar te maken. Dat betekent dat ze vanuit informatiekundig en technisch oogpunt moeten worden gestructureerd en gestandaardiseerd. De Omgevingswet biedt daartoe de mogelijkheid door het stellen van regels over onder meer het omgevingsplan. Voor het omgevingsplan is dit gedaan met het Toepassingsprofiel Omgevingsplan.
Dit toepassingsprofiel stelt een aantal (overwegend technische en structurerende) normen voor het opstellen van het omgevingsplan. Hierin is voor het omgevingsplan onder meer vastgelegd hoe de regels moeten worden ingedeeld en geannoteerd, en hoe tekst en normen aan locaties moeten worden gekoppeld, en hoe het resultaat vervolgens uitgewisseld moet worden. Het is aan de bevoegde gezagen om de inhoud te bepalen. Het toepassingsprofiel stelt ook eisen aan het door de gemeenteraad (of, indien gedelegeerd, het college) te nemen wijzigingsbesluit en de motivering ervan.
In het Toepassingsprofiel omgevingsplan is vastgelegd hoe de regeling mag worden onderverdeeld in structuurelementen en uit welke elementen artikelen mogen bestaan. Met structuurelementen wordt gedoeld op de onderverdeling in hoofdstuk, titel, afdeling, paragraaf, subparagraaf en subsubparagraaf. Het zijn uitsluitend deze structuurelementen die gebruikt mogen worden.
De regels in het omgevingsplan moeten worden geannoteerd. Onder annoteren wordt verstaan het toevoegen van gegevens aan (onderdelen van) regelingen, gegevens die de regelingen machineleesbaar maken. Dit zorgt ervoor dat de bij de regels behorende geografische regeling gestructureerd bevraagbaar is en dat locaties en andere gegevens op een kaart weergegeven worden. In omgevingsdocumenten met artikelstructuur waarin regels over activiteiten worden gesteld, is het annoteren nodig om toepasbare regels, oftewel vragenbomen, aan regels met locaties te verbinden. Deze toepasbare regels kunnen de vorm krijgen van aanvraagformulieren en vergunningenchecks.
In artikel 14.1 van het Omgevingsbesluit is bepaald dat via de loketfunctie van de landelijke voorziening, het omgevingsloket, diverse soorten berichten kunnen worden ingediend. Het gaat om het elektronisch kunnen indienen van een aanvraag om een besluit, het doen van een melding, het voldoen aan een andere informatieverplichting dan een melding en het verzenden van een ander bericht op grond van de Omgevingswet.
Het doen van een aanvraag of melding gaat via een elektronisch formulier. Het bevoegd gezag is verplicht om de informatie die nodig is voor het samenstellen van het elektronisch formulier aan te leveren bij de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Het digitale loket van de landelijke voorziening zal gebruik maken van interactieve elektronische formulieren. In dit formulier zullen zoveel mogelijk gegevens, die al bekend zijn bij de overheid, zoals die uit de basisregistraties, vooraf worden ingevuld. De vooraf ingevulde gegevens uit bijvoorbeeld de Basisregistratie Personen of het Handelsregister kunnen door de initiatiefnemer niet worden aangepast binnen het DSO. Als een initiatiefnemer wil aangeven dat er iets gewijzigd zou moeten worden, kan dit als vrije tekst bij het veld toelichting worden opgenomen. Dit vrije veld kan echter niet gebruikt worden als officieel verzoek tot het aanpassen van de gegevens in de genoemde basisregistraties (Staatsblad 2020 400 p. 1138).
Met interactieve formulieren wordt alleen die informatie gevraagd, die nodig is voor het behandelen van het bericht. Daar waar nodig zal worden gevraagd om bijlagen bij te voegen, zoals bouwtekeningen bij de aanvraag voor het oprichten van een bouwwerk. Op die manier kan het bevoegd gezag zorgen dat de initiatiefnemer alle informatie die nodig is voor het beoordelen van het bericht, aanlevert via de landelijke voorziening. De vragen die via het interactieve formulier worden gesteld en de velden die moeten worden ingevuld zijn gebaseerd op de voor de betreffende activiteit(en) relevante indieningsvereisten in specifieke rechtsfiguren, zoals het omgevingsplan, de omgevingsverordening, de waterschapsverordening of de omgevingsregeling en de andere AMvB’s onder de Omgevingswet. Onder het begrip indieningsvereisten worden in dit verband verstaan de aanvraagvereisten voor een omgevingsvergunning, de indieningsvereisten voor een melding of de vereisten ten aanzien van het voldoen aan andere informatieverplichtingen dan een melding of een vergunningaanvraag.
De interactieve formulieren, die in de landelijke voorziening worden gebruikt, worden samengesteld uit een groot aantal mogelijke vragen. De vragen die een initiatiefnemer voorgelegd krijgt, zijn afhankelijk van de antwoorden op eerdere vragen. Welke vragen worden gesteld hangt bovendien volledig af van de vraag welke activiteiten een initiatiefnemer van plan is te gaan verrichten. In theorie kunnen alle op grond van de Omgevingswet geregelde activiteiten in alle mogelijke combinaties met elkaar worden aangevraagd c.q. gemeld via de landelijke voorziening. Door deze veelheid aan mogelijke combinaties is het niet mogelijk om een gebruiksvriendelijk generiek papieren formulier te ontwikkelen. Het staat overheden vrij om voor bepaalde veel voorkomende aanvragen of meldingen een papieren formulier te ontwikkelen en bijvoorbeeld via de balie of online beschikbaar te stellen.
Voor mensen die hulp nodig hebben bij het invullen van het elektronische formulier in de landelijke voorziening, bestaan meerdere opties. Ze kunnen iemand machtigen de aanvraag namens hen in te dienen, bijvoorbeeld de architect die de bouwtekening en het programma van eisen voor de verbouwing heeft opgesteld. Ook kan een initiatiefnemer contact zoeken met de gemeente. Denkbaar is dat de gemeente dan samen met de initiatiefnemer het elektronische formulier zo volledig mogelijk invult. De initiatiefnemer kan het formulier daarna elektronisch indienen en nog ontbrekende bijlagen op papier sturen of het ingevulde interactieve formulier (laten) uitdraaien en deze uitdraai inclusief de benodigde bijlagen op papier indienen. Daarnaast kan een initiatiefnemer die op papier zijn bericht wil indienen, zelf nagaan welke indieningsvereisten voor het bericht gelden en deze informatie zelf op papier in een brief zetten en versturen aan het bevoegde gezag (Staatsblad 2020 400 p. 1139 ).
Het DSO zal meer bieden dan alleen de digitale weergave van het omgevingsplan. Eén van de beoogde toepassingen van het digitaal loket zijn vragenbomen, waarmee de vergunningencheck kan worden gedaan. Daarmee wordt het omgevingsplan bevraagbaar gemaakt. Met een vragenboom krijgt een gebruiker, zoals een initiatiefnemer, concreet antwoord op bijvoorbeeld de vraag: “Mag ik hier (op deze locatie) mijn initiatief starten of heb ik daar bijvoorbeeld een vergunning voor nodig?”.
Om deze vragenbomen zo gebruiksvriendelijk mogelijk te laten werken moeten de (juridische) regels over de fysieke leefomgeving vertaald worden naar ‘toepasbare regels’. Toepasbare regels gaan dus verder dan de vaak wat juridisch ervaren regels in verordeningen en omgevingsplannen. Juridische regels zetten het (lokale) beleid centraal. Toepasbare regels zetten de gebruiker en zijn activiteiten centraal.
Bij de juridische regels staat in beginsel de zorg voor de fysieke leefomgeving centraal. Dat vraagt in bepaalde gevallen juridisch taalgebruik. Om de juridische regels zo goed mogelijk te kunnen vertalen naar toepasbare regels, is van belang dat bij het opstellen van de juridische regels wel zo veel mogelijk met ook dat doel rekening wordt gehouden. Dat moet ook bijdragen aan zo goed mogelijk begrijpbare juridische regels. Daarbij dient echter wel het maatschappelijke doel van de juridische regel voorop te staan.
Bij toepasbare regels zijn juridische regels omgezet in vragenbomen, waarmee op eenvoudige wijze bijvoorbeeld kan worden nagegaan of voor een voorgenomen activiteit een vergunningaanvraag of melding nodig is. Voor het beschikbaar stellen van toepasbare regels zijn geen landelijke regels gesteld, omdat die beschikbaarstelling niet verplicht wordt gesteld. De afweging of en welke toepasbare regels aan de gebruikers van de landelijke voorziening beschikbaar worden gesteld, is aan het bestuursorgaan dat de regels heeft vastgesteld. Wel zullen in de Omgevingsregeling regels worden gegeven over onder andere het gebruik van een standaard voor het aanleveren van toepasbare regels aan de landelijke voorziening.
Het DSO is een belangrijk hulpmiddel voor de uitvoering van de Omgevingswet. Ook de ontsluiting van informatie via de landelijke voorziening is als hulpmiddel bedoeld en treedt niet in de plaats van geldende regels of van besluiten van het bevoegd gezag. Overheden die informatie aan de landelijke voorziening leveren, zijn verantwoordelijk voor de kwaliteit van die informatie, maar gebruikers blijven zelf verantwoordelijk voor de juistheid van informatie die zij invullen. Zo zal bijvoorbeeld de uitkomst van een vragenboom ter oriëntatie op vergunningplichten de geldende regelgeving als zodanig niet vervangen. De uitkomst van een vergunningcheck is geen besluit en heeft ook niet dezelfde juridische status. Gebruikers kunnen er daarom ook niet in gelijke mate rechten aan ontlenen. Bij het presenteren van informatie via de landelijke voorziening zal de gebruiker uiteraard goed worden geïnformeerd over de rechten die aan de informatie kunnen worden ontleend (Staatsblad 2020 400 p. 1135).
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wijze waarop aan instructieregels uitvoering wordt gegeven. Een instructieregel is een algemene regel waarmee een bestuursorgaan aan een ander bestuursorgaan aangeeft hoe dat orgaan een taak of bevoegdheid moet uitoefenen. Instructieregels gaan over de inhoud, toelichting of motivering van een instrument dat een bestuursorgaan op grond van de Omgevingswet kan inzetten. Zie ook paragraaf 4.3.3 van deze toelichting, en meer uitgebreid paragraaf 2.3.2 van de Nota van Toelichting bij het Besluit kwaliteit leefomgeving (Staatsblad 2018, nr. 292).
In hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn onderwerpgewijs instructieregels voor omgevingsplannen opgenomen. In paragraaf 9.2 wordt ingegaan op de wijze waarop aan deze instructieregels uitvoering wordt gegeven.
Behalve het Besluit kwaliteit leefomgeving kan ook de provinciale omgevingsverordening instructieregels bevatten. In paragraaf 9.3 wordt ingegaan op de wijze waarop aan die instructieregels uitvoering wordt gegeven.
Typen instructieregels
Het voorheen geldende omgevingsrecht bevatte honderden instructieregels die erop waren gericht doelstellingen van het nationale beleid te effectueren. Met het Besluit kwaliteit leefomgeving is getracht deze instructieregels te harmoniseren. Voor het harmoniseren van al deze regels, voor zover ze terugkeren in het nieuwe stelsel, is een model ontworpen waarbij in beginsel alle regels zijn in te delen in een beperkt aantal basistypen regels.
Wijze van bevoegdheidsuitoefening | 1. Betrekken bij: aandacht schenken aan feiten of verwachtingen over feiten | - |
2. Rekening houden met: stuurt inhoudelijk de belangenafweging; als het bestuursorgaan daar goede redenen voor heeft, is afwijken (mits gemotiveerd) toegestaan | - | |
3. Harde, dwingende doorwerking («in acht nemen» of vergelijkbare dwingende formulering): het bestuursorgaan moet zich bij de uitoefening van de bevoegdheid aan de achterliggende norm houden | Voorbeelden: In acht nemen Bevatten Wordt alleen verleend als |
De instructieregels over besluiten zijn – voor zover dat past binnen de internationale verplichtingen – steeds geformuleerd volgens één van deze basistypen. Daardoor wordt uit de formulering van de instructieregel duidelijk welke afwegingsruimte het bevoegde bestuursorgaan toekomt en wordt bijgedragen aan het vergroten van de inzichtelijkheid van het omgevingsrecht, één van de verbeterdoelen van de stelselherziening. Een instructieregel omvat steeds twee elementen. Ten eerste de wijze waarop een bevoegdheid mag of moet worden uitgeoefend. En ten tweede de aard van de norm. Voor een meer uitgebreide toelichting dan hieronder wordt kortheidshalve verwezen naar paragraaf 2.3.2.3 van de Nota van Toelichting van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Staatsblad 2018, 292).
Basistype 1: 'betrekken bij'
Een instructieregel 'betrekken bij' wordt gebruikt om voor te schrijven dat (verwachtingen over) feiten of feitelijke ontwikkelingen moeten worden meegenomen bij de besluitvorming. Een dergelijke instructieregel is een concretisering van de eis van een zorgvuldige voorbereiding van besluiten (artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht: Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen). Een instructieregel van dit type betekent dat het bestuursorgaan zich bij de voorbereiding van het besluit rekenschap moet geven van de in die regel aangeduide elementen. Deze categorie instructieregels wordt daarom ook wel aangeduid als aandachtscriteria. Als bepaalde gegevens door het bestuursorgaan bij de besluitvorming moeten worden betrokken, zal het besluit duidelijk moeten maken in hoeverre en waarom dat (ook) is gebaseerd op die gegevens.
Basistype 2: 'rekening houden met'
Bij instructieregels van type 'rekening houden met' gaat het, anders dan bij de categorie 'betrekken bij', niet om elementen die omwille van een zorgvuldige voorbereiding bij de besluitvorming moeten worden meegenomen, maar om inhoudelijke sturing op de door het bestuursorgaan uit te voeren belangenafweging. Er is sprake van een minder zware vorm van binding dan bij instructieregels van basistype 3 ('in acht nemen'). De formulering betekent dat het bestuursorgaan beoordelingsvrijheid heeft. Andere belangen dan het belang dat gediend wordt met de instructieregel kunnen de doorslag geven. Het bestuursorgaan moet daar dan wel goede redenen voor hebben en dit moet deugdelijk gemotiveerd worden (artikel 3:46 Algemene wet bestuursrecht). Deze motivering moet worden vermeld bij de bekendmaking van het besluit (artikel 3:47, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht). Een eventuele afwijking van de norm mag op grond van het evenredigheidsbeginsel nooit groter zijn dan noodzakelijk om het gestelde doel te bereiken (artikel 3:4 Algemene wet bestuursrecht). Dit kan bijvoorbeeld inhouden dat mitigerende of compenserende maatregelen worden vastgelegd in het besluit. Een instructieregel van basistype 2 brengt de zwaarwegende positie van een belang bij de belangenafweging tot uitdrukking, zonder echter dwingend te sturen op de uitkomst daarvan.
Basistype 3: 'in acht nemen'
Instructieregels van het type 'in acht nemen' voorzien in een harde, dwingende doorwerking. Het bestuursorgaan moet zich bij de uitoefening van de bevoegdheid aan de gestelde regel houden. Hiervoor wordt in beginsel de formulering 'in acht nemen' gebruikt. In sommige gevallen is voor een alternatieve redactie gekozen, wanneer 'in acht nemen' in de betrokken instructieregel technisch gezien niet goed gebruikt kon worden. Voorbeelden hiervan zijn formuleringen als 'bevat ...', 'voldoet aan ...' en 'wordt alleen verleend als is voldaan aan ...'. Hierbij is gestreefd naar een zo beperkt mogelijke set formuleringen. Al deze instructieregels sturen dwingend op de uitkomst van de belangenafweging. Instructieregels van basistype 2 en 3 beïnvloeden de uitkomst van de besluitvorming inhoudelijk. Deze regels beperken de afwegingsruimte van het bestuursorgaan in meer of mindere mate. Daarom worden deze instructieregels ook wel aangeduid als beslissingscriteria. Hierbij geldt dat de mate van binding voor het bestuursorgaan tot wie ze zijn gericht, oploopt: bij basistype 3 is sprake van de sterkste binding.
Aard van de norm
De uiteindelijke afwegingsruimte voor het bestuursorgaan is niet alleen afhankelijk van het type instructieregel zoals hiervoor bedoeld, maar ook van de aard van de norm waaraan de instructieregel is gekoppeld. De afwegingsruimte voor het bestuursorgaan verschilt al naar gelang de instructieregel is gekoppeld aan een open norm of juist aan een duidelijk, concreet criterium.
Moment waarop met het omgevingsplan aan instructieregels uitvoering wordt gegeven
Aan de instructieregels moet uitvoering worden gegeven. De wijze waarop dat gebeurt is allereerst afhankelijk van het type instructieregel, en de aard van de norm. Het kan betekenen dat volstaan wordt met een motivering bij een besluit tot wijziging van het omgevingsplan, maar het kan ook zijn dat concrete regels in het omgevingsplan worden opgenomen. Het omgevingsplan wordt echter niet ineens voor heel Neder-Betuwe in zijn 'eindvorm' vastgesteld; het zal voortdurend onderhevig zijn aan wijzigingen. Het omgevingsplan zal regels bevatten die (al dan niet ineens) voor heel Neder-Betuwe gaan gelden (bijvoorbeeld de regels over gemeentelijke monumenten), maar ook regels die locatiegericht zijn, en met locatiegerichte wijzigingsbesluiten van toepassing worden (bijvoorbeeld ruimtelijke regels over gebruik en bouwwerken). Dat betekent dat aan de uiteenlopende instructieregels op verschillende momenten uitvoering wordt gegeven.
Voor een deel gebeurt dat reeds bij de eerste wijziging van het omgevingsplan. Zo wordt bijvoorbeeld aan instructieregels met betrekking tot milieubelastende activiteiten uitvoering gegeven door het stellen van algemene regels over onder meer geur en geluid. Het kan ook dat een vergunningplicht voor een bepaalde activiteit in het leven wordt geroepen, waarbij de instructieregels zijn vertaald naar beoordelingsregels over die vergunningplicht. Dat is bijvoorbeeld het geval bij de instructieregels over het geluid door gemeentewegen, waaraan uitvoering is gegeven met een vergunningplicht voor de aanleg daarvan. Het omgevingsplan geeft dan wel uitvoering aan de desbetreffende instructieregel, maar de definitieve beoordeling vindt dan plaats in het kader van een vergunningaanvraag op niveau van het concrete geval.
In heel veel gevallen hebben de instructieregels betrekking op het al dan niet toestaan van bepaalde vormen van gebruik of bouwwerken. Het toestaan van bepaalde vormen van gebruik en bouwwerken wordt (hoofdzakelijk) geregeld in de hoofdstukken 2 en 5. Het toelaten daarvan gebeurt door middel van gebiedsgerichte wijzigingen van het omgevingsplan. Het is bij die afzonderlijke wijzigingsbesluiten dat gemotiveerd moet worden dat en op welke wijze aan desbetreffende instructieregels wordt voldaan. Het uitvoering geven aan een instructieregel kan dan bestaan uit het motiveren van bepaalde keuzes die zijn gemaakt, of het daarbij stellen van bepaalde regels met betrekking tot het belang waarop de instructieregel ziet. De motivering van de wijze waarop aan de instructieregel uitvoering wordt gegeven, vindt dan plaats bij het specifieke wijzigingsbesluit.
In deze paragraaf wordt ingegaan op de wijze waarop aan de instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving uitvoering wordt gegeven. Afhankelijk van het belang waarop de instructieregel betrekking heeft, de complexiteit ervan, en de relevantie voor Neder-Betuwe, wordt daarbij een toelichting gegeven. Meer achtergrondinformatie bij de instructieregels is te vinden in de op het Besluit kwaliteit leefomgeving betrekking hebbende nota's van toelichting. Waar dat relevant wordt geacht, wordt naar specifieke onderdelen van deze nota's verwezen. Deze nota's zijn onder meer te vinden op www.officielebekendmakingen.nl.
Een deel van de instructieregels geldt alleen voor specifiek aangegeven gebieden. De begrenzing van die gebieden is vastgelegd in de Omgevingsregeling. Deze is raadpleegbaar op www.wetten.nl en via de viewer van het Omgevingsloket. Waar een specifieke begrenzing van toepassing is op Neder-Betuwe, dan is in deze toelichting een kaartbeeld van de betreffende begrenzing opgenomen. Daarbij wordt opgemerkt dat deze begrenzingen door middel van een wijziging van de Omgevingsregeling kunnen wijzigen. Bepalend is uiteraard de begrenzing zoals die op grond van de Omgevingsregeling geldt.
Paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels met betrekking tot omgevingsveiligheid. Daarbij gaat het grotendeels om wat voorheen werd genoemd externe veiligheid, met als doel het binnen aanvaardbare grenzen houden van risico's voor de omgeving in relatie tot het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen bij bedrijven met risicovolle milieubelastende activiteiten, het transport van gevaarlijke stoffen via openbare wegen, water- en spoorwegen en buisleidingen, het gebruik van luchthavens en het gebruik van windmolens. Voor een meer uitgebreide toelichting op de instructieregels dan hieronder gegeven, wordt verwezen naar paragraaf 8.1.4 en de artikelgewijze toelichting van de Nota van Toelichting bij het Besluit kwaliteit leefomgeving (Staatsblad 2018, 292).
9.2.2.2 Veiligheidsrisico’s van branden, rampen en crises
Artikel 5.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bepaalt dat in een omgevingsplan voor risico’s van branden, rampen en crises als bedoeld in artikel 10, onder a en b, van de Wet veiligheidsregio’s, rekening wordt gehouden met het belang van het voorkomen, beperken en bestrijden daarvan, de mogelijkheden voor personen om zich daarbij in veiligheid te brengen en de geneeskundige hulpverlening, bedoeld in artikel 1 van de Wet veiligheidsregio’s. Het komt erop neer dat het voorkomen, beperken en bestrijden van een brand, een ramp of een crisis mee moet worden genomen in de belangenafweging.
Dit artikel is een uitwerking van de primaire verantwoordelijkheid van het college van burgemeester en wethouders voor het waarborgen van de veiligheid (artikelen 2 en 3 van de Wet veiligheidsregio’s). Dit betekent dat de gemeenteraad onder meer rekening houdt met een goede toegankelijkheid voor hulpdiensten bij (primaire) hulpverlening en de aanwezigheid van bluswatervoorzieningen. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van de Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid van Brandweer Nederland. Ook de bescherming van personen en de inzet van de geneeskundige hulpverlening bij een brand, een ramp of een crisis, dient op grond van dit artikel in een omgevingsplan in afweging te worden genomen.
Dit artikel heeft ten slotte betrekking op bouwwerken die een vitale functie vervullen op het gebied van communicatie of de levering van energie of water. Te denken valt aan energiecentrales met een regionale of stedelijke verzorgingsfunctie of een gebouw voor vluchtleidingsapparatuur. Rekening moet worden gehouden met het risico op een brand, ramp of crisis die het gevolg kan zijn van het uitvallen van de vitale functie van deze bouwwerken. Deze aandacht is niet alleen van belang binnen een aandachtsgebied als bedoeld in artikel 5.12 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Ook buiten die gebieden moet rekening worden gehouden met dergelijke risico’s met het oog op het voorkomen van maatschappelijke ontwrichting.
De overige instructieregels in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving hebben tot doel bescherming te bieden aan mensen bij een ongeval met gevaarlijke stoffen of een ongeval met een windturbine (externe veiligheid). In het omgevingsplan moet worden voldaan aan de randvoorwaarden voor externe veiligheid die het Rijk stelt voor het bereiken en in stand houden van een veilige fysieke leefomgeving. Een van de eigenschappen van externe veiligheidsrisico’s is dat de hoogte van het risico in belangrijke mate wordt bepaald door afstand. Dat wil zeggen dat het risico afneemt naarmate de afstand tot de risicobron groter is en naarmate er minder personen in de directe omgeving van de risicobron aanwezig zijn. Daarmee is direct het belang van het ruimtelijk scheiden van risicobron en kwetsbare omgeving gegeven. Ruimtelijke maatregelen (het aanhouden van voldoende afstand tot een activiteit met externe veiligheidsrisico’s) zijn dan ook een belangrijk middel om een aanvaardbaar risiconiveau te bereiken en in stand te houden. Om die reden bevat paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving regels voor afstanden die in acht genomen moeten worden of waarmee rekening gehouden moet worden tot gebouwen en locaties waar zich personen bevinden, zoals woningen, scholen en ziekenhuizen.
Naast ruimtelijke maatregelen kunnen in het gebied tussen de risicobron en de (bebouwde) omgeving ook maatregelen getroffen worden ter bescherming van gebouwen of locaties. Bijvoorbeeld door een watergang te graven tussen een activiteit met externe veiligheidsrisico’s en een woonwijk. Het gaat dan om maatregelen die de effecten van een incident op de omgeving beperken. Ook maatregelen die ervoor zorgen dat mensen goed kunnen schuilen of vluchten kunnen daaraan bijdragen. De grootte van de afstanden en het type maatregelen zijn onder meer afhankelijk van de aard van de risico’s die de activiteit meebrengt. Zo moeten bij een Seveso-inrichting veel grotere afstanden worden aangehouden dan bij het opslaan van propaan in een relatief kleine opslagtank.
De instructieregels hebben betrekking op het plaatsgebonden risico, aandachtsgebieden, voorschriftengebieden en het groepsrisico in relatie tot beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Wat onder beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties valt, is opgenomen in Bijlage VI van het Besluit kwaliteit leefomgeving. In de bijlagen VII, VIII, IX en X van het Besluit kwaliteit leefomgeving staan de risicovolle activiteiten genoemd.
Plaatsgebonden risico en groepsrisico
De begrippen plaatsgebonden risico en groepsrisico staan centraal in het beleid en de regelgeving voor externe veiligheid. Ook in het Besluit kwaliteit leefomgeving staan deze begrippen centraal.
Het plaatsgebonden risico is een maat voor de kans dat iemand op een bepaalde plaats in de omgeving van een activiteit met externe veiligheidsrisico’s overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen bij die activiteit of door een ongeval met een windturbine. Dit is om burgers een bepaald basisbeschermingsniveau te garanderen. Met het plaatsgebonden risico gaat het om een risico als rechtstreeks gevolg van een ongeval met een activiteit met externe veiligheidsrisico’s, zowel voor activiteiten met gevaarlijke stoffen als voor risico’s vanwege windturbines.
De overlijdenskans van die persoon mag in beginsel niet meer dan één op de miljoen per jaar zijn. Voor windturbines wordt de norm voor het plaatsgebonden risico in stand gelaten zoals die in het Activiteitenbesluit milieubeheer was opgenomen.
Het groepsrisico geeft de kans weer waarbij een groep van tien of meer personen tegelijkertijd om het leven komt door een ongeval bij een activiteit met externe veiligheidsrisico’s. In een omgevingsplan moet met deze kans rekening gehouden worden binnen bepaalde gebieden in de omgeving van een activiteit met externe veiligheidsrisico’s. Deze verplichting leidt ertoe dat de gemeente bij het toelaten van activiteiten, zoals wonen, binnen een aandachtsgebied omgevingsmaatregelen moet afwegen of zij een dichthedenbeleid moet voeren om het risico op overlijden van groepen te beperken. De verplichting om rekening te houden met het groepsrisico geldt ook bij het toelaten in het omgevingsplan van een activiteit met aandachtsgebied.
Beschermen van personen in gebouwen en op locaties
De instructieregels hebben betrekking op 'gebouwen en locaties' (artikel 5.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving). Gedoeld wordt op beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties zoals bedoeld in bijlage VI van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Het gaat om gebouwen en locaties die, vanwege het gebruik, als beperkt kwetsbaar, kwetsbaar of zeer kwetsbaar worden beschouwd voor externe veiligheidsrisico's. Het gebruik van een gebouw (of delen van een gebouw) bepaalt dus of sprake is van een beperkt kwetsbaar, kwetsbaar of zeer kwetsbaar gebouw en het gebruik van een locatie, anders dan een gebouw, bepaalt of sprake is van een beperkt kwetsbare of kwetsbare locatie.
De categorie zeer kwetsbare gebouwen is nieuw ten opzichte van de voorheen geldende regelgeving, zij het dat de gebouwen die hiertoe behoren toen onder de categorie kwetsbare objecten vielen. De categorie zeer kwetsbaar omvat gebouwen waarin zich groepen personen bevinden die niet in staat zijn om zich bij een ongewoon voorval tijdig in veiligheid te brengen, zoals in basisscholen, ziekenhuizen en verpleeghuizen. Kwetsbare gebouwen zijn in beginsel alle gebouwen met een woonfunctie en bestemd voor nachtverblijf. Daarnaast zijn bepaalde gebouwen en locaties waar doorgaans veel personen gedurende een groot gedeelte van de dag aanwezig zijn kwetsbaar. Een voorbeeld van een kwetsbare locatie is een locatie voor evenementen in de open lucht voor ten minste 5.000 personen. De overige gebouwen en locaties zijn beperkt kwetsbaar.
Aandachtsgebieden en voorschriftengebieden
Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden volgen uit het toestaan van een bepaalde risicobron op een locatie en gelden automatisch (van rechtswege) zodra de risicoactiviteit vergund is dan wel met de risicoactiviteit is begonnen.
Daarmee heeft ook een bestaande risicovolle activiteit als bedoeld in artikel 5.13 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, die is toegelaten in het tijdelijk deel van het omgevingsplan en in werking is op basis van een omgevingsvergunning of melding voor een milieubelastende activiteit, een aandachtsgebied. Als een nieuwe risicovolle activiteit wordt toegelaten, geldt het aandachtsgebied vanaf het moment dat (i) de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit in werking is getreden of (ii) zodra de voor het starten van de activiteit verplichte melding is gedaan. Een aandachtsgebied kan ook gaan gelden door dit toe te laten in het omgevingsplan. Dat kan nuttig zijn als een globale functietoedeling voor bedrijvigheid in het omgevingsplan is opgenomen, die risicovolle activiteiten toestaat zonder specifiek de aard en omvang van die activiteiten te regelen. In dat geval wordt met het toelaten van het aandachtsgebied het maximum aandachtsgebied vastgesteld, waarbinnen toekomstige risicovolle activiteiten dienen te blijven. In dat geval geldt het aandachtsgebied vanaf de inwerkingtreding van de wijziging van het omgevingsplan. Aandachtsgebieden hoeven dus niet in het omgevingsplan te worden vastgelegd, maar het kan wel.
In artikel 5.12 van het Besluit kwaliteit leefomgeving worden drie aandachtsgebieden geïntroduceerd: het brandaandachtsgebied, het explosieaandachtsgebied en het gifwolkaandachtsgebied. In brand-, explosie- of gifwolkaandachtsgebieden, moet je bij het wijzigen van het omgevingsplan, of bij het verlenen van een (buitenplanse) omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, rekening houden met gevaren die door bedrijven of door het transport van gevaarlijke stoffen veroorzaakt worden. Binnen deze aandachtsgebieden kunnen voorwaarden worden gesteld voor bijvoorbeeld het bouwen van woningen, scholen, kantoorpanden en ziekenhuizen.
In een omgevingsplan moet een brandaandachtsgebied worden aangewezen als een brandvoorschriftengebied en een explosieaandachtsgebied als een explosievoorschriftengebied als binnen het aandachtgebied en zeer kwetsbaar gebouw wordt toegelaten. Het gevolg van de aanwijzing als voorschriftengebied is dat binnen dat gebied extra bouweisen (voor nieuwbouw) gelden die in het Besluit bouwwerken leefomgeving zijn opgenomen (paragraaf 4.2.14 en artikel 4.124).
Voor een gifwolkaandachtsgebied kan geen voorschriftengebied worden aangewezen, want naast de mogelijkheid om mechanische ventilatie uit te zetten, kunnen er geen algemeen toepasbare en effectieve extra bouwmaatregelen genomen worden. In het geval van een gifwolk luidt het advies: ramen en deuren gesloten houden en mechanische ventilatie uitschakelen. Het kunnen uitschakelen van mechanische ventilatie is in het Besluit bouwwerken leefomgeving opgenomen als landelijke algemene bouweis voor nieuwe bouwwerken (artikel 4.124 van dat besluit).
9.2.2.4 Toelaten van gebouwen en locaties in het omgevingsplan
Artikel 5.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bepaalt dat de paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van toepassing zijn op het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van bepaalde activiteiten.
Voor het toelaten van gebouwen en locaties in het omgevingsplan geven de instructieregels aan welke afstanden voor het plaatsgebonden risico in acht genomen moeten worden of waarmee rekening gehouden moet worden. Het moment waarop aan de regels getoetst moet worden is afhankelijk van de vormgeving van het omgevingsplan. Bij een omgevingsplan waarin specifieke activiteiten met externe veiligheidsrisico’s worden toegelaten, worden de aan te houden afstanden tussen gebouwen en locaties en deze activiteiten met externe veiligheidsrisico’s in het omgevingsplan zelf in acht genomen, of is daarmee rekening gehouden. Als in een omgevingsplan juist ruime en globale bouw- en gebruiksmogelijkheden gehanteerd worden, zijn de afstanden niet op voorhand duidelijk. Het omgevingsplan kan wel bepaalde activiteiten vooraf uitsluiten, zoals activiteiten met externe veiligheidsrisico’s of de activiteit wonen, of die activiteiten pas na toetsing toelaten. Een andere manier is om de instructieregels voor externe veiligheid op te nemen in het omgevingsplan.
Het bevoegd gezag heeft dus verschillende keuzemogelijkheden bij het toelaten van gebouwen en locaties in het omgevingsplan. In het omgevingsplan Neder-Betuwe is hier als volgt invulling aan gegeven.
Het toelaten van gebouwen en locaties gebeurt met toepassing van de regels over gebruik en bouwwerken zoals opgenomen in hoofdstuk 3 tot en met 5. Welk gebruik waar is toegestaan, wordt bepaald in hoofdstuk 2. Waar gebouwen mogen komen, wordt bepaald in hoofdstuk 5. De afweging wordt gemaakt per afzonderlijk wijzigingsbesluit waarmee vormen van gebruik en gebouwen op een bepaalde locatie worden toegelaten. Bij die afzonderlijke wijzigingsbesluiten wordt dan gemotiveerd op welke wijze aan de instructieregels wordt voldaan. Daarbij kan rekening worden gehouden met de algemeen geldende regels die in het omgevingsplan zijn opgenomen. Zo bevat hoofdstuk 3 een paragraaf over externe veiligheid (3.2.9) waarin regels zijn opgenomen over het gebruik van kwetsbare objecten in het Belemmeringengebied plaatsgebonden risico of een aandachtsgebied. Die regels houden onder meer in dat binnen het Belemmeringengebied plaatsgebonden risico het gebruik van gebouwen als kwetsbaar gebouw of het gebruik van gronden als kwetsbare locatie, niet is toegestaan.
Aanvullend op deze algemene regels in hoofdstuk 3 bevat hoofdstuk 4 een vergunningplicht voor het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk. Ook daaraan zijn beoordelingsregels met het oog op externe veiligheid gesteld (onderdeel 4.2.4.18 ). Dit onderdeel ziet slechts op beperkte gebieden (vooralsnog alleen het Belemmeringengebied gasdruk en regelstation) omdat in hoofdstuk 3 het gebruik als zeer kwetsbaar, kwetsbaar en beperkt kwetsbaar gebouw al is uitgesloten.
9.2.2.5 Veiligheid rond opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines
Paragraaf 5.1.2.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels met betrekking tot externe veiligheid bij opslag, productie, gebruik en vervoer gevaarlijke stoffen en windturbines. In deze paragraaf zijn bepalingen opgenomen op het gebied van externe veiligheidsrisico’s voor omgevingsplannen. Deze regels betreffen, naast het toepassingsbereik, in de eerste plaats instructieregels op het gebied van het zogenaamde plaatsgebonden risico (zie daarvoor artikel 5.6 van het Besluit kwaliteit leefomgeving). Deze instructieregels hebben ofwel het karakter van een in acht te nemen regel ofwel van een regel waarmee rekening moet worden gehouden. Deze paragraaf bevat, naast regels voor het bepalen van zogeheten brand-, explosie- en gifwolkaandachtsgebieden, het aanwijzen van bouwvoorschriftengebieden voor brand en explosie, ook regels voor het afwegen van de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied (groepsrisico).
Artikel 5.4 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bepaalt dat deze paragraaf van toepassing is op het op een locatie toelaten van bepaalde milieubelastende activiteiten in verband met het externe veiligheidsrisico voor beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties die zijn toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Gelet op artikel 5.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is deze paragraaf ook van toepassing op het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties.
De uitvoering van de instructieregels is met verschillende regels in het omgevingsplan geborgd. Ten eerste wordt in hoofdstuk 2 bepaald waar bedrijven met activiteiten als bedoeld 5.4 van het Besluit kwaliteit leefomgeving plaatsvinden (risicobedrijven) mogen komen. Artikel 2.27 bepaalt dat dat uitsluitend mag ter plaatse van de Functieaanduiding risicobedrijf toegestaan. Bij het toelaten van risicobedrijven zoals bedoeld in artikel 2.27 moet worden voldaan aan de overige in paragraaf 5.1.2.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving gestelde instructieregels. Bij een wijziging van het omgevingsplan waarmee de in dat artikel bedoelde risicobedrijven worden toegelaten, moet worden gemotiveerd op welke wijze aan de instructieregels uitvoering wordt gegeven.
LPG-tankstations zijn in 2.29 aangeduid en in artikel 2.30 zijn specifieke vereisten opgenomen voor de plek van het vulpunt, de afleverzuil en de opslagtank LPG. Hiernaast bevat artikel 8.150 een binnenplanse vergunningplicht voor deze activiteit. Daarbij worden de mogelijkheden beoordeeld om ongevallen te voorkomen en de gevolgen van ongevallen te beperken. Deze bepaling is met name van belang voor de vestiging van nieuwe LPG-tankstations dan wel wijziging van bestaande LPG-tankstations als die vestiging of wijziging in hoofdstuk 2 reeds is toegestaan.
Het omgevingsplan bevat geen locatiebeperking voor het opslaan van propaan of propeen in opslagtanks. Deze activiteit komt veelal bij bedrijven voor. Daar geldt wel de beperking voor risicobedrijven. Het valt ook niet uit te sluiten dat opslaan van propaan en propeen in opslagtanks ook bij andere gebruiksdoelen plaats vindt, bijvoorbeeld bij wonen in buitengebieden. In dat geval geldt een binnenplanse vergunningplicht met dezelfde beoordelingscriteria als voor tanken van LPG.
Plaatsgebonden risico
Artikel 5.7 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bepaalt dat in een omgevingsplan (behoudens enkele uitzonderingen) een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico van een activiteit in acht wordt genomen van ten hoogste 1 op de 1.000.000 per jaar voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties. Dit artikel ziet op het uitgangspunt dat mensen in kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen, zoals woningen, scholen en ziekenhuizen en op kwetsbare locaties, zoals grote recreatieterreinen, niet aan een plaatsgebonden risico van meer dan één op de miljoen per jaar mogen worden blootgesteld. Dit is om burgers een bepaald basisbeschermingsniveau te garanderen. Met het plaatsgebonden risico gaat het om een risico als rechtstreeks gevolg van een ongeval met een activiteit met externe veiligheidsrisico’s, zowel voor activiteiten met gevaarlijke stoffen als voor risico’s vanwege windturbines.
Bij een wijziging van het omgevingsplan, moet worden gemotiveerd dat aan het in artikel 5.7 van het Besluit kwaliteit leefomgeving opgenomen vereiste wordt voldaan.
Aandachtsgebieden
In artikel 5.12 van het Besluit kwaliteit leefomgeving worden drie aandachtsgebieden geïntroduceerd: het brandaandachtsgebied, het explosieaandachtsgebied en het gifwolkaandachtsgebied. Het aanwijzen van brand-, explosie- en gifwolkaandachtsgebieden gebeurt in het Besluit kwaliteit leefomgeving zelf. De aandachtsgebieden gelden zonder dat deze in een omgevingsplan worden aangewezen. Doordat aandachtsgebieden gelden wordt in een vroeg stadium duidelijkheid geboden over de mogelijke gevolgen die bij een ongewoon voorval met gevaarlijke stoffen kunnen optreden. Initiatiefnemers, gemeenten en andere belanghebbenden kunnen hier rekening mee houden bij het ontwikkelen van nieuwe initiatieven.
Bij een wijziging van het omgevingsplan die betrekking heeft op een aandachtsgebied moet worden gemotiveerd op welke wijze hiermee rekening is gehouden.
Voorschriftengebieden
Op grond van artikel 5.14 van het Besluit kwaliteit leefomgeving kan in een omgevingsplan een locatie waar een brand- of explosieaandachtsgebied is toegelaten worden aangewezen als een brandvoorschriften- respectievelijk explosievoorschriftengebied. Binnen de voorschriftengebieden gelden bouwvoorschriften voor bouwwerken. Die bouwvoorschriften zijn geregeld in paragraaf 4.2.14 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Na aanwijzing van het gebied gelden deze voorschriften rechtstreeks op grond van dat besluit.
Deze bepaling biedt ruimte voor gemeenteraden om in een omgevingsplan waarvan de concrete invulling nog niet vaststaat toch alvast aandachtsgebieden toe te laten voor toekomstige activiteiten en deze locatie aan te wijzen als brandvoorschriften- of explosievoorschriftengebied. Aangezien deze bepaling een bevoegdheid inhoudt, hoeft niet voor elke locatie waar een aandachtsgebied is toegelaten een voorschriftengebied te worden aangewezen. Als echter eenmaal een aandachtsgebied geldt omdat een bepaalde activiteit met externe veiligheidsrisico’s wordt verricht, dan is aanwijzing van een voorschriftengebied in ieder geval verplicht als op die locatie ook zeer kwetsbare gebouwen zijn toegelaten.
Deze bouwvoorschriftengebieden voor brand en explosie worden wel in het omgevingsplan aangewezen. Dat gebeurt met toepassing van artikel 3.41. De daadwerkelijke aanwijzing vindt per gebied plaats. Bij het wijzigingen van het omgevingsplan waarmee dit gebeurt, wordt gemotiveerd op welke wijze aan de desbetreffende instructieregel uitvoering wordt gegeven.
Groepsrisico
Artikel 5.15 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bepaalt dat in een omgevingsplan voor beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties binnen een brandaandachtsgebied, een explosieaandachtsgebied en een gifwolkaandachtsgebied rekening wordt gehouden met de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door een activiteit.
Deze bepaling heeft als doel de kans op maatschappelijke ontwrichting door het overlijden van grote groepen mensen te beperken. Binnen de aandachtsgebieden kunnen zich ongewone voorvallen met gevaarlijke stoffen voordoen, waarbij afhankelijk van de bevolkingsdichtheid in het gebied meer of minder slachtoffers kunnen vallen. Daarnaast kan schade optreden aan gebouwen, locaties en het milieu. In feite is dit artikel een concretisering van de wettelijke verplichting dat het omgevingsplan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet inhouden ook met het oog op het waarborgen van de veiligheid.
Op grond van het eerste lid moet de gemeenteraad in het omgevingsplan rekening houden met de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied dat wordt veroorzaakt door een activiteit met externe veiligheidsrisico’s. Deze kans wordt aangeduid als het groepsrisico. Dit betekent onder meer dat de gemeenteraad een eigen afwegingsruimte heeft bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen een aandachtsgebied op een locatie buiten de afstand waar de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico geldt. Het noemen van het aantal van tien personen betekent niet dat de kans berekend moet worden. De vraag of van een groepsrisico sprake is, kan ook beantwoord worden aan de hand van demografische gegevens of onderbouwde schattingen.
De wijze waarop de gemeenteraad kan voldoen aan de instructieregel om rekening te houden met het groepsrisico is geregeld in het tweede lid. Om te voldoen aan de plicht om met het groepsrisico rekening te houden worden achtereenvolgens de volgende opties worden overwogen: 1) De ruimtelijke ontwikkeling vindt buiten het aandachtsgebied plaats. 2) Het omgevingsplan biedt waarborgen dat binnen een aandachtsgebied zodanige maatregelen zijn getroffen dat de kans dat personen binnen een gebouw of op een locatie buiten een gebouw overlijden als gevolg van een brand, explosie of giftige stof voldoende wordt beperkt. 3) Het omgevingsplan bevat regels die het mogelijke aantal slachtoffers binnen het aandachtsgebied beperken.
De eerste optie biedt in beginsel de meeste bescherming. Bij de tweede optie gaat het om maatregelen waardoor de kans op het dodelijk letsel voor tien of meer personen in een gebouw en in het verlengde daarvan, schade aan milieu en economie, tot een maatschappelijk verantwoorde kleine kans wordt gereduceerd. De derde optie houdt in dat de gemeenteraad het mogelijke aantal slachtoffers kan beperken door een dichthedenbeleid te ontwikkelen voor het groepsrisico.
Bij een wijziging van het omgevingsplan moet worden gemotiveerd op welke wijze hiermee rekening is gehouden.
9.2.2.6 Belemmeringengebied buisleiding gevaarlijke stoffen
Paragraaf 5.1.2.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels met betrekking tot buisleidingen voor gevaarlijke stoffen. Kort gezegd houd de instructieregel in dat in het omgevingsplan een belemmeringengebied moet wordt aangewezen waar aan bepaalde, beschermende regels worden verbonden.
Voor buisleidingen voor gevaarlijke stoffen is het verplicht om in het omgevingsplan de ligging van buisleidingen voor gevaarlijke stoffen weer te geven. Een belemmeringengebied buisleiding is bedoeld voor de veiligheid en het onderhoud van buisleidingen voor gevaarlijke stoffen. Vanwege de veilige werking van de buisleiding zijn in dit gebied beperkingen gesteld aan het bouwen van bouwwerken en het toelaten van activiteiten die van invloed kunnen zijn op de buisleiding. Voorheen was dit geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen. Ook bij buisleidingen voor gevaarlijke stoffen geldt het veiligheidsbeleid waarbij wordt uitgegaan van het aanhouden van voldoende afstand tot activiteiten met externe veiligheidsrisico’s en de afweging van het groepsrisico in de aandachtsgebieden zoals beschreven bij de beleidsvernieuwing omgevingsveiligheid.
In dit omgevingsplan worden als belemmeringengebied aangewezen de gronden ter plaatse van de aanduiding 'belemmeringengebied buisleidingen gevaarlijke stoffen'. De bescherming van het betreffende belemmeringengebied vindt plaats in verschillende regelonderdelen van dit omgevingsplan.
Artikel 5.19, onderdeel a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving bepaalt dat een omgevingsplan, voor zover het van toepassing is op een belemmeringengebied buisleiding, kwetsbare gebouwen (tenzij die een functionele binding hebben met die buisleiding) en zeer kwetsbare gebouwen niet toelaat. Het toelaten van gebouwen en het gebruik ervan gebeurt met toepassing van de regels over gebruik en bouwwerken zoals opgenomen in hoofdstuk 3 tot en met 5 van het omgevingsplan. Welk gebruik waar is toegestaan, wordt bepaald in hoofdstuk 2. Waar gebouwen mogen komen, wordt bepaald in hoofdstuk 5. De afweging wordt gemaakt per afzonderlijk wijzigingsbesluit waarmee vormen van gebruik en gebouwen op een bepaalde locatie worden toegelaten. Bij die afzonderlijke wijzigingsbesluiten wordt indien van toepassing gemotiveerd op welke wijze aan de instructieregels wordt voldaan.
Artikel 5.19, onderdeel b, onderdeel 1, van het Besluit kwaliteit leefomgeving bepaalt verder dat in het omgevingsplan wordt gewaarborgd dat de veiligheid van de buisleiding niet wordt geschaad bij het toelaten van bouwwerken. Bouwwerken, anders dan bedoeld in artikel 5.19, onderdeel a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, zijn niet per definitie verboden. Ze kunnen worden toegestaan, maar wel onder voorwaarde dat de veiligheid van de buisleiding niet wordt geschaad. Hiertoe zal in paragraaf 4.2.4 van het omgevingsplan een specifieke beoordelingsregel worden opgenomen die betrekking heeft op aanvragen om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Aanvullend daarop is voor bepaalde bouwwerken, waarvoor in zijn algemeenheid geldt dat die zijn toegestaan, in artikel 4.38 van het omgevingsplan bepaald dat dit niet geldt ter plaatse van de aanduiding 'belemmeringengebied buisleiding gevaarlijke stoffen'.
Artikel 5.19, onderdeel b, onderdeel 2, van het Besluit kwaliteit leefomgeving bepaalt tot slot dat in het omgevingsplan wordt gewaarborgd dat de veiligheid van de buisleiding niet wordt geschaad bij het toelaten van activiteiten die van invloed kunnen zijn op de integriteit en werking van de buisleiding, met uitzondering van graafwerkzaamheden als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet informatieuitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten. In hoofdstuk 7 van dit omgevingsplan zal ter uitvoering daarvan aan de betreffende gronden een aanlegvergunningstelsel worden gekoppeld. Daarin zijn beschermende regels met betrekking tot aanlegactiviteiten (het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden) opgenomen.
9.2.2.7 Veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik
In paragraaf 5.1.2.4 van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn voor vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik explosieaandachtsgebieden voorgeschreven. Binnen deze gebieden is de kans op een explosie niet bepalend, maar het effect van de explosie. In het voormalige Vuurwerkbesluit werd voor het opslaan, het herverpakken of het bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik ook al gewerkt met effectafstanden om de veiligheid van omwonenden te waarborgen. De ramp in Enschede was bij de keuze voor de effectbenadering bij activiteiten met vuurwerk een belangrijke factor. Omdat er bij een explosie geen tijd is om omwonenden uit de gevarenzone te krijgen is in dit besluit opnieuw gekozen om effect afstanden te gebruiken. Deze effectafstanden resulteren in explosie-aandachtsgebieden vuurwerk waarbinnen functies zoals wonen of verblijven niet of beperkt zijn toegestaan. Dit wijkt af van de regeling voor explosieaandachtsgebieden rond activiteiten met externe veiligheidsrisico’s waar risicogerichte regels voor gelden. Voor deze locaties is een afweging voor het groepsrisico verplicht en gelden er aanvullende bouwvoorschriften na aanwijzing in het omgevingsplan van (een deel van) het explosieaandachtsgebied als explosievoorschriftengebied. Binnen Neder-Betuwe komen er geen grote vuurwerkopslagen (F4) voor en maken we deze ook niet mogelijk. Voor de kleinere opslagen worden de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving overgenomen.
9.2.2.8 Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten
Voor het opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en rondom militaire objecten voor munitieopslag zijn in het Besluit kwaliteit leefomgeving respectievelijk civiele of militaire explosieaandachtsgebieden voorgeschreven. Binnen deze effectafstanden zijn in militaire of civiele explosieaandachtsgebieden functies zoals wonen of verblijven niet of beperkt toegestaan. Dit komt overeen met de voorheen geldende regelgeving en het beleid waarbij voor de opslag van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en rondom militaire objecten ook gewerkt werd met effectafstanden om de veiligheid van omwonenden te waarborgen.
Binnen Neder-Betuwe komen er geen militaire objecten voor munitieopslag voor.
9.2.2.9 Veiligheid van infrastructuur rond Seveso-inrichtingen
Paragraaf 5.1.2.7 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat een instructieregel met betrekking tot infrastructuur rond Seveso-inrichtingen. Bepaald wordt dat bij het toelaten van een autoweg, autosnelweg of hoofdspoorweg de gevolgen van het exploiteren van een Seveso-inrichting, bedoeld in artikel 3.51, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor de veiligheid van weggebruikers en passagiers wordt betrokken. Dit artikel is de implementatie van artikel 13, tweede lid, aanhef en onder a, van de Seveso-richtlijn. De gemeenteraad dient in zijn beleid, voor zover mogelijk, voldoende afstand te laten bestaan tussen enerzijds een Seveso-inrichting en anderzijds grote transportroutes, namelijk een autoweg, autosnelweg of een hoofdspoorweg.
Binnen het werkingsgebied van de eerste wijziging van het omgevingsplan (deelgebied Kernen) komen geen SEVESO inrichtingen voor. Bij volgende wijzigingen van het omgevingsplan zal deze instructieregel opnieuw moeten worden beoordeeld.
Paragraaf 5.1.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels met betrekking tot het beschermen van waterbelangen. Voor een meer uitgebreide toelichting op de instructieregels dan hieronder gegeven, wordt verwezen naar paragraaf 8.1.5 van de Nota van Toelichting bij het Besluit kwaliteit leefomgeving (Staatsblad 2018, 292).
Ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en kaders voor klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling is van nationaal belang (belang 9 in de SVIR). De instructieregels over de primaire waterkeringen (paragraaf 5.1.3.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving), het kustfundament (paragraaf 5.1.3.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving), de grote rivieren (paragraaf 5.1.3.4 van het Besluit kwaliteit leefomgeving) en het IJsselmeergebied (paragraaf 5.1.3.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving) komen voort uit het rijksbeleid voor deze onderwerpen. Binnen Neder-Betuwe is het aangewezen kustfundament en het IJsselmeergebied niet aan de orde. Deze instructieregels zijn derhalve niet van toepassing.
Naast deze specifieke instructieregels bevat paragraaf 5.1.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving ook een meer algemene instructieregel dat bij het vaststellen van een (wijziging van het) omgevingsplan wordt rekening gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij worden, voor een duiding van die gevolgen, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Deze 'weging van het waterbelang' komt in de plaats van de watertoets zoals die op grond van oud recht moest worden gedaan bij de vaststelling van een bestemmingsplan.
In algemene zin wordt het waterbelang gewogen bij het vaststellen van een omgevingsplan (zie artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving). Dit is mede gericht op het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste. Verder hangt dit samen met het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van die watersystemen en de vervulling van de op grond van de wet aan die watersystemen toegekende maatschappelijke functies. De instructieregels over watersystemen in de paragrafen 5.1.3.2 tot en met 5.1.3.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, zijn nevengeschikt. Met andere woorden, wanneer een omgevingsplan regels stelt in een gebied waar (onderdelen van) watersystemen aanwezig zijn, moet in ieder geval aan alle specifieke instructieregels voldaan worden.
9.2.3.2 Weging van het waterbelang
Artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij worden de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Deze zogenoemde weging van het waterbelang is onder de naam 'watertoets' geïntroduceerd met de Bestuurlijke Notitie Watertoets in 2001, juridisch verankerd in 2003 en bestuurlijk uitgewerkt in het Bestuursakkoord Water.
Op grond van deze instructieregel wordt in het omgevingsplan rekening gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Hiermee worden de waterbelangen sterker verankerd aan de voorkant van het beleidsproces. De toepassing van de watertoets is niet opgehangen aan één moment of één document. In de Bestuurlijke notitie Watertoets (2001) wordt de watertoets als volgt omschreven: 'De Watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten.' De naam 'watertoets' is vervangen door 'weging van het waterbelang'.
Veel gevolgen voor het beheer van watersystemen ontstaan op het moment dat met een besluit tot wijziging van het omgevingsplan voor een specifieke locatie wordt voorzien in bepaalde activiteiten, zoals bouwen. Bij dergelijke toekomstige besluiten tot wijziging van het omgevingsplan, waarbij de wijziging gevolgen kan hebben voor het beheer van watersystemen, wordt uitvoering gegeven aan deze instructieregel.
Het omgevingsplan bevat ook enkele niet-locatie gerichte regelingen die gevolgen hebben voor het beheer van watersystemen. Daarbij kan met name worden gewezen op onderdeel 4.4 van de regeling. Het gaat daarbij om omzetting van bestaande regels naar het omgevingsplan, waarbij in het verleden het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen is betrokken. Dit bestuursorgaan is ook betrokken bij de totstandkoming van het eerste wijzigingsbesluit van dit omgevingsplan, waarmee het onderdeel 4.4 van de regeling in het omgevingsplan zijn opgenomen.
9.2.3.3 Primaire waterkeringen
Paragraaf 5.1.3.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels over primaire waterkeringen met het oog op de waterveiligheid. Primaire waterkeringen in de vorm van dammen, dijken en duinen langs de kust bieden, in combinatie met de hoge gronden, bescherming tegen overstroming vanuit de buitenwateren (de wateren waarvan de waterstand direct beïnvloed wordt bij stormvloed of hoge waterstanden van de grote rivieren, het IJsselmeer, het Markermeer en de zee). Het is van belang dat er voldoende ruimte beschikbaar is voor de instandhouding, het onderhoud en de versterking van primaire waterkeringen. De ligging van de primaire waterkeringen en het daarbij behorende beperkingengebied (inclusief de onder het voorheen geldende recht genoemde 'beschermingszone') wordt door de waterbeheerder vastgelegd.
Artikel 5.38 van het Besluit kwaliteit leefomgeving verzekert dat de gemeenteraad bij het vaststellen van een omgevingsplan de primaire waterkering in aanmerking neemt en zich bewust is van de beperkingen die deze met zich brengt voor de activiteiten die kunnen plaatsvinden. Zo wordt bereikt dat het omgevingsplan op de plek van een primaire waterkering geen activiteiten toelaat die feitelijk niet realiseerbaar zijn omdat de beheerder van de primaire waterkering die activiteit verbiedt. Dit geldt op grond van het tweede lid ook voor een aan de primaire waterkering grenzende zone waar ter bescherming van de primaire waterkering beperkingen gelden voor activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor de primaire waterkering.
De locatie waar de instructieregel van toepassing is, wordt begrensd door de ligging van de primaire waterkering en het daaraan grenzende gebied waar de waterbeheerder regels heeft gesteld ter bescherming van de primaire waterkering. De ligging van het beperkingengebied – dat op grond van artikel 2.21, vierde lid, van de Omgevingswet voor primaire waterkeringen van het Rijk in beginsel eveneens de gehele primaire waterkering omvat – wordt vastgelegd bij ministeriële regeling.

Waterschappen en, in voorkomend geval, provincies nemen de begrenzingen van primaire waterkeringen en een eventueel beperkingengebied in beginsel op in de waterschapsverordening respectievelijk omgevingsverordening. Deze zijn te raadplegen via het Omgevingsloket.
De gemeenteraad dient deze regelgeving te raadplegen om te bepalen op welke locatie de instructieregel van toepassing is. Vervolgens wordt voor zover een omgevingsplan van toepassing is op een primaire waterkering of beperkingengebied, bij het toelaten van activiteiten gewaarborgd dat er geen belemmeringen ontstaan voor de instandhouding, het onderhoud of de versterking van de primaire waterkering. De motivering daarvan en het eventueel stellen van regels vindt plaats bij een wijziging van het omgevingsplan waarmee activiteiten worden toegelaten ter plaatse van een primaire waterkering of een beperkingengebied.
De instructieregel verplicht niet om de aanduiding 'primaire waterkering' in het omgevingsplan op te nemen. Een gemeente kan op eigen initiatief besluiten dat wel te doen, om zo duidelijkheid te bieden aan initiatiefnemers in dat gebied. In het omgevingsplan Neder-Betuwe zijn de waterkeringen aangeduid en voorzien van een beschermingszone waardoor het belang van de bescherming van de dijk bij de vergunningverlening wordt betrokken.
9.2.4 Bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen
Paragraaf 5.1.8 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels over het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen. Artikel 5.162 van het besluit bepaalt dat voor zover een omgevingsplan voorziet in nieuwe ontwikkelingen met gevolgen voor de inrichting van de openbare buitenruimte, in het omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het bevorderen van de toegankelijkheid van die openbare buitenruimte voor personen met een functiebeperking. Voor een meer uitgebreide toelichting op de instructieregels dan hieronder gegeven, wordt verwezen naar paragraaf 8.1.10 van de Nota van Toelichting bij het Besluit kwaliteit leefomgeving (Staatsblad 2018, 292).
De instructieregel brengt mee dat bestuursorganen als zij nieuwe ontwikkelingen mogelijk maken het belang van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen met een beperking moeten afwegen tegen de overige betrokken belangen. De tekst van artikel 5.162 brengt tot uitdrukking dat gemeenten met inachtneming van, vaak al bestaand, beleid het belang van toegankelijkheid kan meewegen met het oog op een gelijkwaardige wijze van gebruikmaking van de openbare ruimte door een ieder. Zo kan bij regels in het omgevingsplan over de inrichting expliciet aandacht worden besteed aan de toegankelijkheid voor mensen in een rolstoel en mensen met bijvoorbeeld visuele beperkingen. Vaak hebben gemeenten een beleidsplan voor de kwaliteit van openbare ruimten waarbij ook vaak al aandacht is besteed aan mindervaliden. Als maatregelen nodig zijn kunnen deze geborgd worden in de regels van het omgevingsplan. De 'Integrale toegankelijkheidsstandaard' (ITS) wordt hierbij betrokken voor zover die gaat over de openbare buitenruimte. In de ITS zijn algemene toegankelijkheidsrichtlijnen en normen omgewerkt naar bouwtechnische eisen die kunnen worden toegepast bij ontwerp en realisatie van integraal toegankelijke projecten. Het gaat er in de openbare buitenruimte, die heel divers is, niet om dat de ITS naar de letter wordt toegepast, maar dat deze behulpzaam is bij het maken van een afweging welke onderdelen van de openbare ruimte voor een ieder toegankelijk moeten zijn en tot welke regels dit in het omgevingsplan leidt. Daarnaast heeft bijvoorbeeld ook het kennisplatform CROW-richtlijnen voor integrale toegankelijkheid van de openbare buitenruimte.
Er is gegeven de huidige praktijk geen aanleiding regels op te nemen te bevordering van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen. Of bij een wijziging van het omgevingsplan waarmee nieuwe ontwikkelingen worden mogelijk gemaakt die gevolgen hebben voor de inrichting van de openbare buitenruimte maatregelen in de vorm van regels nodig zijn, moet per afzonderlijk wijzigingsbesluit worden beoordeeld.
9.2.5.1 Voorkomen belemmeringen gebruik en beheer hoofdspoorweginfrastructuur en rijkswegen
Artikel 5.163 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat een instructieregel over het voorkomen van belemmeringen voor het gebruik en beheer van de hoofdspoorweginfrastructuur en rijkswegen. Het artikel bepaalt dat in een omgevingsplan dat van toepassing is op de hoofdspoorweginfrastructuur of op een weg in beheer bij het Rijk geen regels worden gesteld die het gebruik, de instandhouding, de verbetering of de vernieuwing van die infrastructuur belemmeren. Voor een meer uitgebreide toelichting op de instructieregels dan hieronder gegeven, wordt verwezen naar de artikelgewijze toelichting in de Nota van Toelichting bij het Besluit kwaliteit leefomgeving (Staatsblad 2018, 292).
Doel van deze instructieregel is onder meer om een veilig gebruik en een efficiënte wijze van beheer en onderhoud van die (spoor)wegen te verzekeren, fysieke wijzigingen mogelijk te maken binnen het bestaande profiel en het gebruik niet te beperken. Deze instructieregel ziet op alle regels in het omgevingsplan die het gebruik, de instandhouding, de verbetering en de vernieuwing van hoofdspoorweginfrastructuur en wegen in beheer bij het Rijk rechtstreeks belemmeren, ongeacht het oogmerk daarvan. Het ziet dus niet alleen op het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de wet, maar ook op andere regels in het omgevingsplan zoals lokale omgevingswaarden en maatwerkregels over activiteiten. Een eventuele lokale omgevingswaarde voor bijvoorbeeld luchtkwaliteit dient dus zo gesteld te worden dat deze het gebruik, de instandhouding, de verbetering of de vernieuwing van een rijksweg niet rechtstreeks belemmert.
Gemeenten mogen op grond van artikel 5.163 van dit besluit geen eigen regels stellen die het gebruik, de instandhouding, de verbetering of de vernieuwing van een rijksweg of hoofdspoorweg rechtstreeks belemmeren. Een regel die dat wel doet, is in strijd met artikel 5.163 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Bij elk besluit tot wijziging van het omgevingsplan dient (voor zover van toepassing) aan deze instructieregel uitvoering te worden gegeven.
9.2.5.2 Lozen industrieel afvalwater in openbaar vuilwaterriool
Artikel 5.165 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat een instructieregel over het lozen industrieel afvalwater in openbaar vuilwaterriool. De instructieregel heeft alleen betrekking op die gevallen die niet al onderworpen zijn aan een algemene regel uit het Besluit activiteiten leefomgeving of een omgevingsvergunningplicht. Gedacht kan worden aan lozingen van vet door horeca-activiteiten. De gemeente kan hiervoor regels stellen in het omgevingsplan.
Artikel 5.165 Besluit kwaliteit leefomgeving bepaalt dat bij het toelaten van lozen van industrieel afvalwater, anders dan van activiteiten waarop het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing is, wordt voldaan aan bepaalde eisen van de richtlijn stedelijk afvalwater. De richtlijn vereist dat de kwaliteit van het stedelijk afvalwater in het vuilwaterriool gewaarborgd wordt, ook met het oog op de bescherming van de goede werking van het zuiveringtechnisch werk (geen schade aan het riool en geen hindernis voor de werking van de zuivering).
Aan deze instructieregel is uitvoering gegeven met de regels in paragraaf 8.3.2. Daarin is de zorgplicht voor het milieu zoals opgenomen in artikel 8.4 nader uitgewerkt voor lozingen. Tevens zijn specifieke lozingsregels opgenomen voor bepaalde activiteiten. In lijn met de zogenaamde voorkeursvolgorde zoals opgenomen in artikel 10.29a Wet milieubeheer zijn er regels gesteld om te zorgen dat er zo min mogelijk afvalwater ontstaat, en dat het afvalwater dat ontstaat zo min mogelijk verontreinigingen bevat. Tevens zijn er regels die borgen dat het water wordt hergebruikt of - als dat niet kan - wordt geloosd op de bodem of het oppervlaktewater. Zo worden het riool en de RWZI zo efficiënt mogelijk gebruikt. Met deze regels wordt het vuilwaterriool en de zuivering voldoende beschermd.
9.2.5.3 Bebouwingscontour jacht
Artikel 5.165a van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat een instructieregel over het aanwijzen van een bebouwingscontour jacht. Voor een meer uitgebreide toelichting op de instructieregel dan hieronder gegeven wordt verwezen naar paragraaf 8.2.3 van de Nota van Toelichting bij het Aanvullingsbesluit natuur Omgevingswet (Staatsblad 2021, 22, p. 340).
Om redenen van veiligheid mag er geen jacht plaatsvinden direct bij of tussen bebouwing. Artikel 11.71, vierde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving verbiedt dat. Het is de gemeente die op grond van artikel 5.165a van het Besluit kwaliteit leefomgeving de desbetreffende 'bebouwingscontour jacht' aanwijst. De regeling is een voortzetting van de bepalingen die voorheen waren gesteld in artikel 3.21, derde lid, van de Wet natuurbescherming, en artikel 3.12, derde lid, aanhef en onder e, van het Besluit natuurbescherming. Bij de vaststelling van de bebouwingscontour jacht houdt de gemeenteraad rekening met het belang van veiligheid. De gemeenteraad heeft daarbij enige beoordelingsruimte. Uit de tekst van artikel 5.165a van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waar wordt bepaald dat de bebouwingscontour moet aansluiten bij het stedelijk gebied en de lintbebouwing, en uit de omschrijving van het begrip 'stedelijk gebied' in de bijlage bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, blijkt echter dat het niet de bedoeling is dat de bebouwingscontour in belangrijke mate ook niet-bebouwd gebied met een landelijk karakter van het gemeentelijke grondgebied omvat, waardoor het gebruik van het jachtgeweer in de gemeente feitelijk onmogelijk zou worden gemaakt. In het kader van een zorgvuldige voorbereiding van dit onderdeel van het omgevingsplan ligt het in de rede dat de gemeente de faunabeheereenheid of wildbeheereenheid direct betrekt bij de voorbereiding van de vaststelling van de begrenzing van de bebouwingscontour jacht.
Zolang in het omgevingsplan geen bebouwingscontour jacht is aangewezen, geldt op grond van de bij besluit van de gemeenteraad aangewezen bebouwde kom, bedoeld in artikel 3.21, derde lid, van de Wet natuurbescherming, zoals dat artikel luidde onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 3.1 van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet, als bebouwingscontour jacht (artikel IV, derde lid, van het Aanvullingsbesluit natuur Omgevingswet).
9.2.5.4 Bebouwingscontour houtkap
Artikel 5.165b van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat een instructieregel over het aanwijzen van een bebouwingscontour houtkap. Dat is nodig, omdat de regels in afdeling 11.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving uitsluitend gelden buiten het stedelijk gebied van gemeenten (artikel 11.111, tweede lid, aanhef en onder a, Besluit activiteiten leefomgeving). De grenzen daarvan – de 'bebouwingscontour kap' – worden door de gemeenteraad vastgesteld in het omgevingsplan. Voor een meer uitgebreide toelichting op de instructieregel dan hieronder opgenomen wordt kortheidshalve verwezen naar artikelgewijze toelichting in de Nota van Toelichting bij het Aanvullingsbesluit natuur Omgevingswet (Staatsblad 2021, 22, p. 340 en verder).
Uit de tekst van artikel 5.165b, waar wordt bepaald dat de bebouwingscontour moet aansluiten bij het stedelijk gebied, blijkt dat het niet de bedoeling is dat de bebouwingscontour in belangrijke mate ook niet-bebouwd gebied met een landelijk karakter van het gemeentelijke grondgebied omvat, waardoor de regels van het Bal over de meldingsplicht van houtkap en de herbeplantingsplicht zinledig zouden worden. Ten aanzien van het stellen van regels door gemeenten in het omgevingsplan over houtopstanden binnen de bebouwingscontour houtkap gelden geen beperkingen. Gemeenten kunnen regels over het vellen van houtopstanden en herbeplanten na het vellen of tenietgaan van houtopstanden buiten de bebouwingscontour wel stellen uit andere oogmerken dan natuurbescherming, behoud van het bosareaal in Nederland of bescherming van landschappelijke waarden.
Dergelijke regels zijn nu ook ogenomen in de gemeentelijke APV. Op enig moment zal deze verordening gedeeltelijk of geheel opgaan in het omgevingsplan. Hoofdstuk 10 is daarvoor gereserveerd. Het ligt voor de hand de aanwijzing van de bebouwingscontour houtkap in hoofdstuk 10 op te nemen. Zolang in het omgevingsplan geen bebouwingscontour houtkap is aangewezen, geldt de bij besluit van de gemeenteraad aangewezen bebouwde kom, bedoeld in artikel 4.1, onder a, van de Wet natuurbescherming, zoals dat artikel luidde onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 3.1 van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet, als bebouwingscontour houtkap (artikel IV, vierde lid, van het Aanvullingsbesluit natuur Omgevingswet).
Provinciale Staten van Gelderland hebben de omgevingsverordening Gelderland vastgesteld. In hoofdstuk 5 van deze omgevingsverordening zijn instructieregels opgenomen voor gemeentelijke omgevingsplannen. In deze paragraaf zullen de instructieregels en hun betekenis voor het omgevingsplan Neder-Betuwe worden nagelopen.
De instructieregel beoogt het Gelderse natuurnetwerk te beschermen tegen activiteiten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de oppervlakte, samenhang of kwaliteit van het Gelderse natuurnetwerk. Voor zover het omgevingsplan ziet op gronden die binnen het Gelderse natuurnetwerk zijn gelegen, zijn de gronden in het omgevingsplan aangewezen voor het gebruiksdoel natuur. Binnen dit gebruiksdoel zijn geen nieuwe activiteiten toegestaan die nadelige gevolgen kunnen hebben voor het Gelderse natuurnetwerk.

9.3.3 Groene ontwikkelingszone
De instructieregel schrijft voor dat een omgevingsplan voor zover dat betrekking heeft op gronden die binnen de Groene ontwikkelingszone zijn gelegen, alleen activiteiten toelaat die de kernkwaliteiten of ontwikkelingsdoelen van de Groene ontwikkelingszone per saldo en naar rato van de activiteit versterkt en geen afbreuk doet aan de samenhang. Voor zover het omgevingsplan betrekking heeft op gronden binnen de Groene ontwikkelingszone, worden er geen activiteiten mogelijk gemaakt die aan deze instructieregel moeten worden getoetst.

Een deel van het grondgebied van de gemeente Neder-Betuwe is aangewezen als ganzenrustgebied.
Het omgevingsplan voor het deelgebied de Kernen heeft geen betrekking op gronden die zijn aangewezen als ganzenrustgebied.
Een deel van het grondgebied van de gemeente Neder-Betuwe is aangewezen als weidevogelgebied.
Het omgevingsplan voor het deelgebied de Kernen heeft geen betrekking op gronden die zijn aangewezen als weidevogelgebied.
9.3.6 Beschermen landschap Gelderse streken: Betuwe en Tielerwaard
Het gehele grondgebied van de gemeente Neder-Betuwe valt onder het Landschap 'Betuwe en Tielerwaard'. Indien het omgevingsplan nieuwe activiteiten mogelijk maakt, bevat de toelichting bij dat omgevingsplan een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de kernkwaliteiten zoals beschreven in de bijlage Kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen landschap Gelderse streek Betuwe en Tielerwaard behorend bij artikel 5.35 van de omgevingsverordening Gelderland.
Het omgevingsplan voor het deelgebied de Kernen is een consoliderend omgevingsplan en maakt geen nieuwe activiteiten in de zin van artikel 5.35 van de omgevingsverordening Gelderland mogelijk.
Op het omgevingsplan is een aantal algemeen bepalingen van toepassing. Deze zijn opgenomen in hoofdstuk 1. Het hoofdstuk bevat regels over begrippen (artikel 1.1), het oogmerk van de regels (artikel 1.2), de normadressaat van regels (artikel 1.4), en regels over het verstrekken van gegevens en bescheiden (artikel 1.5). Deze bepalingen hebben een algemeen karakter en zijn van belang voor het volledige Omgevingsplan.
In ruimtelijke plannen zoals het bestemmingsplan werd het gebruik gereguleerd vanuit bestemmingen. Per bestemming werd bepaald voor welk gebruik de gronden waren bestemd. Met specifieke gebruiksregels konden daaraan voor wat betreft het gebruik nadere regels worden verbonden. Met het omgevingsplan wordt voor een soortgelijke aanpak gekozen. Centraal begrip daarbij is niet het begrip 'bestemming', maar het begrip 'gebruiksdoel'. Aan gronden en bouwwerken kunnen een of meerdere gebruiksdoelen worden toegekend.
Dat gebeurt in hoofdstuk 2, dat locatiegerichte regels bevat waarmee gebruiksdoelen aan locaties worden toegekend. Met deze regels wordt bepaald welke vormen van gebruik waar zijn toegestaan. Daarmee bevat dit hoofdstuk regels over gebruik zoals die voorheen in bestemmingsplannen werden opgenomen. De gebruiksdoelen, de binnen een gebruiksdoel toegestane functies en de daarop betrekking hebbende regels zijn bepalend voor het gebruik dat is toegestaan. Anders dan bij bestemmingen bevatten de regels over gebruiksdoelen alleen regels over gebruik. Regels over bouwwerken of werkzaamheden en werken, geen bouwwerken zijnde (aanlegactiviteiten) worden in aparte hoofdstukken van dit omgevingsplan geregeld. Bovendien staan binnen de regels over gebruiksdoelen niet het gebruiksdoel zelf centraal, maar het gebruik dat is toegestaan en onder welke voorwaarden dat is toegestaan (de gebruiksactiviteiten). Tot slot kunnen gebruiksdoelen op een locatie worden gestapeld. Waar meerdere vormen van gebruik zijn toegestaan, worden meerdere gebruiksdoelen aan een locatie toegekend.
10.2.2.1 Het gebruiksdoel van locaties
Met de regels in dit hoofdstuk worden aan de gronden en bouwwerken in Neder-Betuwe één of meerdere gebruiksdoelen gegeven. De gebruiksdoelen en de daarop betrekking hebbende regels zijn opgenomen in hoofdstuk 2. Elk onderscheiden gebruiksdoel heeft daarin een eigen paragraaf of subparagraaf, met regels die betrekking hebben op dat gebruiksdoel.
Elk gebruiksdoel heeft betrekking op een specifieke vorm van planologisch gebruik. Waar welk gebruiksdoel geldt, wordt bepaald door koppeling van de betreffende regels aan een locatie. Dat gebeurt door middel van een aanduiding, zie hoofdstuk 7.
Per gebruiksdoel wordt bepaald welk gebruik daarbinnen is toegestaan. Zo zijn de gronden met het gebruiksdoel wonen bedoeld voor een gebruik ten behoeve van het wonen in een woning. Dat de afzonderlijke regelingen betrekking hebben op zowel het gebruiksdoel als het gebruik dat daarbinnen is beoogd, volgt ook uit het artikel dat het toepassingsbereik bepaalt, waarmee elk afzonderlijk onderdeel mee begint. Zo wordt in artikel 2.139 bepaald dat ‘paragraaf 2.16.1 Wonen in de kernen’ van toepassing is op de locatie wonen en dat de gronden zijn aangewezen voor het gebruiksdoel wonen.
Het artikel dat het toepassingsbereik bepaalt, regelt alleen waarover het regelonderdeel gaat. Het regelt nog niet waar het betreffende gebruiksdoel geldt, en welk gebruik daar is toegestaan. Dat gebeurt in een ander artikel, dat vast onderdeel is van elk regelonderdeel dat gaat over een bepaald gebruiksdoel. Daarin wordt het daar beoogde gebruik regelt. Zo regelt artikel 2.140 dat de gronden met het gebruiksdoel wonen mogen worden gebruikt voor het wonen in een woning.
Doordat de regels alleen gelden ter plaatse van de aangegeven locatie, is wel gezorgd dat bijvoorbeeld wonen is toegestaan ter plaatse van de locatie wonen, maar daarmee is nog niet bepaald dat wonen op andere locaties niet is toegestaan. Daarvoor zorgt artikel 2.3. Dat artikel bepaalt dat het verboden is gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met een in hoofdstuk 2 aan een locatie gegeven gebruiksdoel en de daarop betrekking hebbende regels. Artikel 2.3 vormt daarmee als het ware een vangnet, waardoor de regels die gaan over de verschillende gebruiksdoelen alleen hoeven te gelden waar dat gebruiksdoel wel is toegestaan.
In aanvullende artikelen kunnen per regelonderdeel met betrekking tot het beoogde gebruik allerlei extra regels worden gesteld, bijvoorbeeld over omvang en situering van het betreffende gebruik. Verreweg de meeste van die aanvullende regels zijn locatiegericht, en gelden alleen daar waar dat in de regel is aangegeven. De betreffende regel geldt alleen daar.
De gebruiksdoelen en de daarop betrekking hebbende regels vertonen veel gelijkenis met bestemmingen zoals we die kennen uit bestemmingsplannen. De regels bepalen dat een aangegeven locatie dat bepaalde gebruiksdoel heeft, en dat de gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt overeenkomstig de daarop betrekking hebbende regels. Anders dan bij in bestemmingsplannen opgenomen bestemmingen, bevatten de regels over het gebruiksdoel alleen regels over gebruik, en niet over bouwwerken. Regels over bouwen en bouwwerken zijn opgenomen in de hoofdstukken 4 en 5. Ook aanlegvergunningplichten zijn elders geregeld, namelijk in hoofdstuk 7. Ook anders dan bij bestemmingen is dat elk afzonderlijk gebruiksdoel betrekking heeft op één specifieke vorm van gebruik. Over die vorm van gebruik bevat het regelonderdeel regels. Waar binnen een hoofdbestemming ook andere functies konden worden toegestaan (bijvoorbeeld detailhandel binnen een woonbestemming), zullen in de systematiek van dit omgevingsplan in dat geval meerdere gebruiksdoelen aan de betreffende locatie moeten worden gegeven. Dit is alleen anders indien een ondergeschikte functie (bijvoorbeeld productiegebonden detailhandel) als onderdeel van een gebruiksdoel (bedrijf) moet worden gezien. Uiteindelijk komt dat de raadpleegbaarheid van het omgevingsplan ten goede. Het zorgt ervoor dat niet alleen op een locatie kan worden bekeken wat dáár is toegestaan, maar ook dat vanuit de regels kan worden gezocht waar een bepaalde vorm van planologisch gebruik is toegestaan.
10.2.2.2 Regulering van gebruiksactiviteiten
Elk onderscheiden gebruiksdoel wordt in een apart regelonderdeel (afdeling of paragraaf) gereguleerd. Elk van deze onderdelen begint met een artikel waarmee het toepassingsbereik van het betreffende onderdeel wordt bepaald. Zie bijvoorbeeld artikel 2.139. Daarin is bepaald dat paragraaf 2.16.1 van toepassing op het gebruiksdoel ter plaatse van de locatie wonen en dat de gronden zijn aangewezen voor het gebruiksdoel wonen.
Hiermee wordt bepaald op welk gebruiksdoel het onderdeel van toepassing is, op welke vormen van gebruik, en waar het onderdeel geldt. Daarop volgt een artikel waarin wordt bepaald welk gebruik daar is toegestaan. Hiermee wordt dus een gebruiksdoel aan een locatie toegekend, en wordt bepaald welk gebruik binnen dat gebruiksdoel is toegestaan.
Het verbinden van een gebruiksdoel aan locaties gebeurt door wijziging van het omgevingsplan. De wijziging wordt nadat de gemeenteraad (of indien daartoe gemandateerd: het college) een wijzigingsbesluit heeft genomen, gepubliceerd in de landelijke voorzieningen. In de viewer van die landelijke voorziening is op een kaart vindbaar waar welke gebruiksdoelen gelden.
Aanvullende beperkingen gebruik
In de verschillende regelonderdelen zijn aanvullende regels opgenomen met betrekking tot het gebruik dat binnen het gegeven gebruiksdoel is toegestaan. Deze aanvullende regels kunnen nooit betrekking hebben op vormen van gebruik die buiten het toepassingsbereik van het betreffende onderdeel vallen.
De beperkingen kunnen betrekking hebben op bijvoorbeeld omvang of situering van toegestane vormen van gebruik. Daarmee kan bijvoorbeeld voor een bepaald gebied een maximum oppervlak worden gegeven aan detailhandel die mag plaatsvinden, of een maximum aantal woningen dat mag worden gebouwd. Ook kunnen beperkingen worden gesteld aan de bouwlaag waarin de betreffende vorm van gebruik is toegestaan. Dergelijke beperkingen worden alleen gesteld waar dat met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties nodig is. Deze beperkingen gelden ook alleen ter plaatse van de aangegeven locaties.
De beperkingen kunnen ook betrekking hebben op specifieke gebruiksvormen die vallen binnen het hoofdgebruik dat met het gebruiksdoel is toegestaan. Zo worden er binnen het onderdeel dat detailhandel regelt, beperkende regels gesteld over waar bepaalde vormen van detailhandel zijn toegestaan. Ook daarvoor geldt dat dergelijke beperkingen alleen worden opgenomen waar dit met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties nodig is.
Aanvullende beperkingen kunnen ook een vergunningplicht voor het daadwerkelijk uitoefenen van de toegestane vormen van gebruik inhouden. Met het aan een locatie toegekend gebruiksdoel wordt op die locatie dan al wel voorzien in de daarmee samenhangende vorm van gebruik, maar met het oog op een aantal aspecten is nog een nadere beoordeling van het specifieke geval nodig. Zo is in afdeling 2.3 een vergunningplicht opgenomen voor het gebruiken van gronden en bouwwerken voor een ander type bedrijf dan ingevolge de hoofdregel is toegestaan. Op deze wijze kan vanwege de mogelijke effecten op de omgeving een nadere beoordeling plaatsvinden.
Beperkingen kunnen ook betrekking hebben op het gebruik van specifieke locaties binnen de locaties die een bepaald gebruiksdoel hebben. Voor een betreffende locatie wordt dan bepaald dat alleen een specifieke vorm van gebruik is toegestaan. Zo is in artikel 2.31 lid 2 bepaald dat Ter plaatse van de Functieaanduiding alleen opslag en stalling is alleen het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van de opslag en berging van goederen, alsmede de stalling van voertuigen ten dienste van de op het perceel toegestane functie toegestaan. Andere vormen van bedrijfsmatig gebruik zijn op de betreffende locatie niet toegestaan.
Pas bij wijziging van het omgevingsplan waarmee voor een locatie nieuwe gebruiksdoelen gaan gelden, of bestaande gebruiksdoelen worden gewijzigd, ontstaat er een rechtsgevolg. Door het op een locatie laten gelden van een nieuw gebruiksdoel mag daar een nieuwe vorm van gebruik plaatsvinden. Of door het laten vervallen van een gebruiksdoel is een voorheen toegestane vorm van gebruik niet langer toegestaan. De bestuurlijke en juridische onderbouwing van de rechtsgevolgen van die wijzigingen wordt opgenomen in de motivering bij het betreffende wijzigingsbesluit.
10.2.2.3 Onderscheid tussen verschillende vormen van gebruik
Elke onderscheiden vorm van gebruik krijgt een eigen regelonderdeel. Zo bevat paragraaf 2.16.1 regels over wonen, afdeling 2.10 regels over maatschappelijke dienstverlening, enzovoort. In een aantal van die regelonderdelen wordt de betreffende vorm van gebruik verder onderverdeeld. De verdeling in verschillende vormen van gebruik maakt een goede sturing mogelijk waar dat nodig is.
Om te bepalen of een bepaald onderscheid relevant is, is gekeken naar de volgende aspecten. Allereerst of een bepaalde activiteit ten opzichte van andere activiteiten relevante verschillen in de effecten op de fysieke leefomgeving heeft. Ten tweede naar de mate van gevoeligheid voor effecten vanuit de fysieke leefomgeving. Ten derde kan het nodig zijn om specifieke vormen van gebruik te onderscheiden omdat de daarvoor geschikte en beschikbare hoeveelheid locaties beperkt zijn. Een beoordeling op basis van bovengenoemde criteria kan leiden tot uiteenlopende normering of beperkingen aan situering tussen verschillende activiteiten die nu nog onder één noemer zijn geplaatst. Ten vierde spelen op de achtergrond ook distributie-planologische aspecten een rol. Het is evident dat het overal toestaan van bijvoorbeeld detailhandel waar dit gelet op de gevolgen voor of vanuit de fysieke leefomgeving mogelijk is, onwenselijk is. Dat zou niet alleen leiden tot een ongebreidelde versnippering van bepaalde functies, maar ook tot een situatie waarin in bepaalde essentiële functies voor hele gebieden zouden verdwijnen. Dat is ongewenst. Er moet een zekere mate van planologisch evenwicht zijn, waarbij gestuurd moet worden op omvang van bepaalde activiteiten, en waarbij gezocht moet worden naar de meest optimale positionering ervan. Al deze aspecten hebben betrekking op het evenwichtig toedelen van functies aan locaties.
10.2.3 Algemene bepalingen (afdeling 2.1 van de regels)
Deze afdeling bevat enkele bepalingen van algemene aard. In deze afdeling wordt het toepassingsbereik van dit hoofdstuk bepaald. Tevens zijn er meet- en rekenregels opgenomen, die van toepassing zijn op dit hoofdstuk.
In artikel 2.3 is bepaald dat het verboden is gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met een in hoofdstuk 2 aan een locatie gegeven gebruiksdoel en de daarop betrekking hebbende regels, of op een wijze die in strijd is met de regels over gebruik, bedoeld in afdeling 3.2. In combinatie met de afdelingen 2.2 en verder wordt hier bepaald welke vormen van planologisch gebruik zijn toegestaan op een bepaalde locatie.
Artikel 2.3 geldt overal binnen Neder-Betuwe. De betekenis van het begrip ‘gebruiksdoel’ komt vrijwel overeen met het begrip ‘bestemming’ zoals we dat onder de Wet ruimtelijke ordening kenden. Een locatie kan als gebruiksdoel bijvoorbeeld ‘wonen’ hebben, ‘maatschappelijk’, of ‘groen’. Aan locaties worden één of meerdere gebruiksdoelen gegeven. Artikel 2.3 bepaalt dat het gebruik daar dan mee in overeenstemming dient te zijn. Regels over de gebruiksdoelen zelf zijn opgenomen in hoofdstuk 2. In dat hoofdstuk wordt met locatiegerichte regels bepaald waar de gebruiksdoelen gelden. Daarin worden ook per gebruiksdoel waar nodig aanvullende regels gesteld, bijvoorbeeld over de omvang van een bepaald gebruik.
De systematiek met de in artikel 2.3 opgenomen vangnetbepaling maakt het mogelijk dat de regels die in de afdelingen 2.2 en verder een beperkt werkingsgebied kunnen krijgen. De regels over wonen hoeven bijvoorbeeld alleen te gelden ter plaatse van de gronden met als gebruiksdoel wonen. Er hoeft niet per gebruik te worden bepaald dat die elders niet zijn toegestaan. Die 'negatieve' regel wordt immers in zijn algemeenheid overgenomen door artikel 2.3, eerste lid, dat daarmee als het ware als vangnet fungeert.
10.2.4 Gebruiksdoelen van gronden en bouwwerken, toegestaan gebruik en regels over dat gebruik (hoofdstuk 2 van de regels)
In afdeling 2.2 is het gebruiksdoel agrarisch geregeld. Binnen het gebruiksdoel is het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van grondgebonden agrarische activiteiten is toegestaan. Het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een agrarisch bedrijf is alleen toegestaan ter plaatse van de functieaanduiding agrarisch bouwvlak. Voor het gebruiksdoel agrarisch binnen de kernen geldt dat alleen het bestaande agrarische bedrijf is toegestaan.
Afdeling 2.3 regelt het gebruiksdoel bedrijf. Geregeld wordt dat daar waar een gebruiksdoel bedrijf geldt, het uitoefenen van een bedrijf als activiteit is toegestaan. Het begrip bedrijf heeft in algemeen spraakgebruik een bredere betekenis dan in deze paragraaf. In het algemeen spraakgebruik (en dus ook in andere afdelingen of hoofdstukken in dit omgevingsplan) wordt onder bedrijf een onderneming of zaak verstaan. Deze afdeling gaat echter alleen over bedrijf in engere zin, namelijk een onderneming, zaak of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis verbonden beroepen daaronder niet begrepen. Met deze afbakening van wat onder een bedrijf bedoeld in deze paragraaf (bedrijf in enge zin) wordt verstaan, wordt aangesloten bij de begripsbepaling die in de bestemmingsplannen werd gebruikt.
In de paragraaf zijn aanvullende regels opgenomen waarmee het uitoefenen van een bedrijf nader kan worden gereguleerd. Voor de meeste van die regels geldt dat ze alleen van toepassing zijn ter plaatse van specifiek aangegeven aanduidingen. In de artikelgewijze toelichting wordt de strekking van de inhoudelijke regels nader toegelicht.
Bedrijvenregeling
Behalve dat in de paragraaf wordt bepaald waar de uitoefening van een bedrijf is toegestaan, bevat de paragraaf ook een zogenaamde bedrijvenregeling, opgenomen paragraaf 2.3.2. Dit onderdeel regelt of bedrijven zijn toegestaan en zo ja, onder welke voorwaarden. De regels verschillen van vrij algemeen (bedrijven in categorie 1 en 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan) tot heel specifiek (de afleverzuilen voor LPG zijn alleen toegestaan ter plaatse van de functieaanduiding afleverzuil LPG). Verder verschillen de regels omdat ze bovenop de algemene regel voor het toestaan van bedrijven nog iets aanvullends kunnen toestaan ( Ter plaatse van de functieaanduiding gemeentewerf is ook het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van de bestaande gemeentewerf toegestaan) of een beperking kunnen bevatten ten opzichte van de algemene regel (Ter plaatse van de functieaanduiding opslagbedrijf is alleen het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van het bestaande opslagbedrijf toegestaan. ).
Het onderdeel bevat (net zoals de bestemmingsplannen) een regeling voor een vergunning voor het toelaten van andere maar (uit milieuhinder oogpunt bezien) vergelijkbare bedrijven.
10.2.4.3 Cultuur en ontspanning
In afdeling 2.4 is het gebruiksdoel cultuur en ontspanning geregeld. Dit gebruiksdoel kent vooralsnog geen zelfstandige invulling maar wordt gebruikt om de functie evenementen als medegebruik te regelen. Deze functie werd voorheen onder de diverse bestemmingen geregeld maar krijgt vanwege de systematiek van het omgevingsplan een zelfstandige plaats in de afdeling cultuur en ontspanning.
Afdeling 2.5 regelt het gebruiksdoel 'detailhandel'. Geregeld wordt dat daar waar een gebruiksdoel detailhandel geldt, detailhandel als activiteit is toegestaan. Onder detailhandel wordt verstaan Het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit en waarbij een showroom en/of verkoopruimte ter plaatse aanwezig is; horeca-activiteiten zijn hieronder niet begrepen. In de paragraaf zijn aanvullende regels opgenomen waarmee detailhandel nader kan worden gereguleerd. Voor de meeste van die regels geldt dat ze alleen van toepassing zijn ter plaatse van specifiek aangegeven aanduidingen. In de artikelgewijze toelichting wordt de strekking van de inhoudelijke regels nader toegelicht.
Afdeling 2.6 regelt het gebruiksdoel 'dienstverlening'. Geregeld wordt dat daar waar een gebruiksdoel dienstverlening geldt, dienstverlening als activiteit is toegestaan. Onder dienstverlening wordt verstaan dienstverlening door een bedrijf met uitsluitend of in hoofdzaak een verzorgende taak met een publieksgerichte functie zoals wasserette, kapsalon, schoonheidssalon, opticien, autorijschool, videotheek, uitzendbureau, reisbureau, bank, postkantoor, telefoon-/internetdienst, makelaarskantoor, foto-atelier (inclusief ontwikkelen), kopieerservicebedrijf, schoenreparatiebedrijf, alsmede naar aard en uitstraling overeenkomstige bedrijven.
Het onderdeel bevat (net zoals de bestemmingsplannen) een regeling voor een vergunning voor het toelaten van detailhandel als gebruiksactiviteit. In de artikelgewijze toelichting wordt de strekking van de inhoudelijke regels nader toegelicht.
Afdeling 2.7 regelt het gebruiksdoel groen. De afdeling is opgeknipt in twee paragrafen; paragraaf 2.7.1 gaat over het stedelijk groen. Dit is het structurerende groen in de kernen. Paragraaf 2.7.2 gaat over het landelijk groen. Dit zijn de groendelen met een meer landelijke uitstraling zoals kleine weilandjes in de kernen). Ten opzichte van het openbaar gebied met het gebruiksdoel verblijfsgebied, zijn de gebruiksmogelijkheden van deze gronden beperkt.
In afdeling 2.8 is het gebruiksdoel horeca geregeld. De gronden die zijn aangewezen met dit gebruiksdoel mogen worden gebruikt voor horecabedrijven overeenkomstig de horecabedrijvenregeling van 2.8.2. De horecabedrijvenregeling werkt met een aantal horeca categorieën. De categorieën die worden gebruikt zijn
horeca categorie 1: Vormen van horeca-activiteiten waar in hoofdzaak maaltijden wordt verstrekt en waarvan de exploitatie doorgaans geen aantasting van het woon- en leefklimaat veroorzaakt: restaurants, hotels, pensions.
Vormen van horeca-activiteiten die:
qua exploitatievorm aansluiten bij winkelvoorzieningen en waar naast kleinere etenswaren in hoofdzaak alcoholvrije dranken wordt verstrekt: broodjeszaken, cafetaria's, ijssalons, eethuisjes, lunchrooms, automatiek, internetcafé voor zover een horeca-activiteit wordt ontplooid, afhaalhoreca; en
qua exploitatie en qua openingstijden richten op de winkelactiviteiten en geen druk op de omgeving veroorzaken.
Vormen van horeca-activiteiten die:
qua exploitatievorm aansluiten bij winkelvoorzieningen en waar naast kleinere etenswaren in hoofdzaak alcoholvrije dranken wordt verstrekt: broodjeszaken, cafetaria's, ijssalons, eethuisjes, lunchrooms, automatiek, internetcafé voor zover een horeca-activiteit wordt ontplooid, afhaalhoreca; en
qua exploitatie en qua openingstijden richten op de reguliere horeca en druk op de omgeving kunnen veroorzaken.
horeca categorie 3: Vormen van horeca-activiteiten waarbij in hoofdzaak alcoholische drank wordt verstrekt en waarvan de exploitatie een aantasting van het woon- en leefklimaat kan veroorzaken en een grote druk op de openbare orde met zich meebrengt: café, bars, dancings, discotheken en nachtclubs, alsmede horeca met zaalaccommodatie.
In zijn algemeenheid zijn horecacategorie 1 en 2a toegestaan op locaties die zijn aangewezen voor het gebruiksdoel horeca. Horeca van categorie 2b en 3 zijn alleen toegestaan indien een locatie een specifieke functieaanduiding heeft.
Ondersteunende horeca
In deze afdeling is ook de nadere regeling voor ondersteunende horeca opgenomen. Ondersteunende horeca is een horecavoorziening binnen een activiteit waarvan de functie een andere dan horeca is, maar waar men ten behoeve van de hoofdfunctie en ondergeschikt en ondersteunend aan deze hoofdfunctie een ruimte specifiek heeft ingericht voor de consumptie van drank en etenswaren. Indien binnen een gebruiksdoel bijvoorbeeld maatschappelijk, ook ondersteunende horeca is toegestaan, wordt verwezen naar dit regelonderdeel.
Afdeling 2.9 regelt het gebruiksdoel 'kantoor'. Geregeld wordt dat daar waar een gebruiksdoel kantoor geldt, een kantoor is toegestaan. Onder een kantoor wordt verstaan: een verblijfsruimte die door haar aard, indeling en inrichting kennelijk is bedoeld voor het verrichten van werkzaamheden van hoofdzakelijk administratieve aard. Binnen de locatie kantoor is door middel van een functieaanduiding aangegeven waar een kantoor met baliefunctie en waar een kantoor zonder baliefunctie is toegestaan.
In afdeling 2.10 is een regeling opgenomen voor het gebruiksdoel maatschappelijk. Geregeld wordt dat daar waar een gebruiksdoel maatschappelijk geldt, maatschappelijke doeleinden inclusief sporthallen en zorginstellingen zijn toegestaan. Onder maatschappelijke doeleinden wordt verstaan: voorzieningen en/of activiteiten ten behoeve van openbaar bestuur, openbare dienstverlening, religie, verenigingsleven, onderwijs met bijbehorende sport- en gymnastieklokalen, (kinder)dagopvang, naschoolse opvang, opvoeding, bibliotheek, lichamelijke en/of geestelijke gezondheid van mens en dier. In paragraaf 2.10.2 is een maatschappelijke doeleindenregeling opgenomen waar specifieke regels zijn opgenomen over aanvullende gebruiksactiviteiten of beperkende regels.
In paragraaf 2.10.3.1 is een vergunningplicht opgenomen voor een jongerenontmoetingsplaats. De regeling is opgenomen onder het gebruiksdoel maatschappelijke doeleinden maar het werkingsgebied van de vergunningplicht beslaat ook de gebruiksdoelen stedelijk groen, verblijfsgebied en sport.
De bestaande natuurgebieden hebben de functie natuur gekregen. Het gebruiksdoel van de gronden is beperkt tot natuurgebied. Het gebruik zoals genoemd in het derde lid van artikel 2.3 wordt geacht in overeenstemming te zijn met het gebruiksdoel natuurgebied.
De volkstuinen in de kernen hebben de functie volkstuin gekregen en worden geregeld onder de onder van het gebruiksdoel recreatie.
De bestaande sportvoorzieningen in de kernen hebben de functie sport gekregen en mogen worden gebruikt voor sportvoorzieningen, ondergeschikte niet-commerciële maatschappelijke activiteiten en ondersteunende horeca. Het gebruik van de gronden voor zogenaamde lawaaisporten als bedoeld in artikel 2.127 is niet toegestaan.
De openbare ruimte die niet is aangemerkt als structurele groenvoorziening worden geregeld onder de noemer van het gebruiksdoel verkeer. Hier vallen de functies Railverkeer (De spoorlijn Arnhem - Tiel), Verblijfsgebied (de wegen, straten en verblijfsvoorzieningen binnen de kernen en Verkeer (de provinciale en rijkswegen) onder.
De aanwezige A-Watergangen en ander oppervlaktewater hebben de functie Water gekregen. De gronden mogen worden gebruikt ten behoeve van waterhuishoudkundige doeleinden.
De gronden waarin de bestaande rioolleiding zit, hebben het gebruiksdoel rioolleiding gekregen. De gronden mogen worden gebruikt voor waterhuishoudkundige doeleinden.
De gronden waarop de kernzone van de waterkering is gelegen, hebben het gebruiksdoel waterkering. Deze gronden mogen worden gebruikt voor de aanleg, instandhouding en verbetering van de waterkering. Op de gronden gelden op grond van andere bepalingen in dit omgevingsplan beperkingen voor bouw- en aanlegactiviteiten. De beschermingszone buiten de kernzone zijn aangeduid als vrijwaringszone-dijk.
Voor het beschermen van de hoofdwatergangen (inclusief zone van 5 meter aan weerszijden van de watergang) is het gebruiksdoel A-Watergang opgenomen. De gronden mogen worden gebruikt ten behoeve van de bescherming, het beheer en de verbetering van een watergang. Voor bouw- en aanlegactiviteiten gelden beperkingen (omgevingsvergunningplicht). Voordat de omgevingsvergunning wordt verleend wordt advies gevraagd om advies.
Het omgevingsplan bevat, net als voorheen het bestemmingsplan, regels over het gebruik van gronden en bouwwerken. Deze regels zijn verdeeld over twee hoofdstukken. Hoofdstuk 3 bevat generieke regels over het gebruik van gronden en bouwwerken. Deze regels moeten in principe overal en voor iedereen binnen Neder-Betuwe gaan gelden. Ze zijn in beginsel ook niet beperkt tot een specifiek gebruiksdoel. Wel is het toepassingsbereik van bepaalde onderdelen beperkt tot specifieke gebieden of situaties. Zo gelden de beperkingen voor beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen in een beperkingengebied plaatsgebonden risico alleen ter plaatse van een beperkingengebied plaatsgebonden risico.
10.3.2 Algemene bepalingen (afdeling 3.1 van de regels)
Afdeling 3.1 bevat enkele bepalingen van algemene aard. In deze afdeling wordt het toepassingsbereik van dit hoofdstuk bepaald. Tevens zijn er meet- en rekenregels opgenomen, die van toepassing zijn op dit hoofdstuk.
10.3.3 Algemene regels van ruimtelijke aard over gebruik van gronden en bouwwerken (afdeling 3.2 van de regels)
Hoofdstuk 3 bevat over verschillende onderwerpen algemene regels die betrekking hebben op gebruik. In afdeling 3.2 zijn algemene regels van ruimtelijke aard over gebruik van gronden en bouwwerken opgenomen. Deze regels gaan over onderwerpen waarover onder oud recht veelal regels werden opgenomen in ruimtelijke besluiten zoals bestemmingsplannen, maar bestemming-overstijgend waren. Dergelijke regels werden veelal in algemene regels in hoofdstuk 3 van bestemmingsplannen opgenomen, maar ook vaak per afzonderlijke bestemming. Dergelijke regels zijn ook gebruiksdoel-overstijgend. Ze hebben betrekking op meerdere vormen van gebruik. In het omgevingsplan wordt er daarom voor gekozen om deze regels op te nemen in de vorm van algemene, overal geldende regels. Ze zijn van toepassing op meerdere vormen van ruimtelijk gebruik. Het gaat om de volgende onderwerpen:
Inrichten en gebruik van het bij een hoofdgebouw behorend erf en erfbebouwing (paragraaf 3.2.2 van de regels)
Parkeernormering voor auto’s (paragraaf 3.2.3 van de regels)
Laden en lossen (paragraaf 3.2.4)
Het wijzigen van het gebruik van een gebouw zodat een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie ontstaat (paragraaf 3.2.5)
Het wijzigen van het gebruik als niet-geluidgevoelig gebouw naar een gebruik als geluidgevoelig gebouw (paragraaf 3.2.6 van de regels)
Geluidgevoelig gebouw in geluidzone industrie (paragraaf 3.2.7)
Gewasbestrijdingsmiddelen (paragraaf 3.2.8)
externe veiligheid (gebruik als zeer kwetsbaar gebouw, kwetsbaar gebouw, beperkt kwetsbaar gebouw) (paragraaf 3.2.9)
Deze regels zijn niet op één specifiek gebruiksdoel vast te pinnen. Ze hebben betrekking op uiteenlopende gebruiksdoelen, en zijn dan ook veelal binnen heel Neder-Betuwe van toepassing.
10.3.3.2 Algemeen (paragraaf 3.2.1 van de regels)
De afdeling begint met een algemene paragraaf, met daarin allereerst een artikel dat bepaalt dat deze afdeling van toepassing is op het gebruik van gronden en bouwwerken.
10.3.3.3 Inrichten en gebruik van bij een hoofdgebouw behorend erf en erfbebouwing (paragraaf 3.2.2 van de regels)
Paragraaf 3.2.2 bevat algemene regels over het inrichten en het gebruik van bij een hoofdgebouw behorend erf en erfbebouwing. Uitgangspunt is dat het gebruik van het bij een hoofdgebouw behorend erf in overeenstemming moet zijn met een in hoofdstuk 2 aan een locatie gegeven gebruiksdoel. Daarmee wordt gedoeld op een inrichting en gebruik op een wijze die naar algemene maatstaven als een normale inrichting en gebruik van het bijbehorende erf wordt beschouwd. In de artikelgewijze toelichting wordt dit verduidelijkt. Kortheidshalve wordt daarnaar verwezen.
10.3.3.4 Parkeernormering voor auto’s (paragraaf 3.2.3 van de regels)
In paragraaf 3.2.3 zijn regels opgenomen met betrekking tot autoparkeerplaatsen. De regeling is een vertaling van het beleid zoals vastgesteld in de Nota parkeernormen 2017.
10.3.3.5 Het wijzigen van het gebruik van een gebouw naar een geluidgevoelige functie (paragraaf 3.2.6 van de regels)
Paragraaf 3.2.6 bevat een vergunningplicht voor het wijzigen van het gebruik als niet-geluidgevoelig gebouw naar een gebruik als geluidgevoelig gebouw. Dit wordt in dit onderdeel aangeduid als het wijzigen van het gebruik van een gebouw naar een geluidgevoelige functie. Met deze regeling wordt invulling gegeven aan paragraaf 5.1.4.2a.4 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, voor zover dat niet reeds bij het wijzigen van het omgevingsplan heeft plaatsgevonden. Als bij wijziging van het omgevingsplan al uitvoering is gegeven, dan blijft deze subparagraaf buiten toepassing.
Deze paragraaf is van toepassing op het wijzigen van het gebruik van een gebouw naar een:
woonfunctie of nevengebruiksfuncties daarvan;
onderwijsfunctie of nevengebruiksfuncties daarvan;
gezondheidszorgfunctie met bedgebied of nevengebruiksfuncties daarvan; of
bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied of nevengebruiksfuncties daarvan.
De paragraaf is alleen van toepassing voor zover het betreffende beoogd gebruik in overeenstemming is met hoofdstuk 2. Het omgevingsplan moet dus al wel in het betreffende gebruik voorzien. Er geldt echter een aanvullende vergunningplicht, waarbij een finale beoordeling plaatsvindt van de aanvaardbaarheid van het geluid op de gevel.
Zoals ook aangegeven in de toelichting op het Aanvullingsbesluit geluid is er bij wijziging van het omgevingsplan dat op een locatie een geluidgevoelig gebouw toelaat, soms nog geen gedetailleerde informatie over het te bouwen geluidgevoelige gebouw. Dat is bijvoorbeeld aan de orde bij een omgevingsplan waarin de geluidgevoelige functies alleen in hoofdlijnen zijn aangegeven of zijn gemengd met andere functies. Dan kan het geluid niet goed worden onderzocht, zeker niet als het gaat om meerdere geluidgevoelige gebouwen die elkaar kunnen afschermen of kunnen zorgen voor onderlinge reflecties. Dat probleem werd onder het oude recht vaak opgelost door het onderzoeken van allerlei mogelijke invullingsvarianten voor een plangebied, met alle kosten en tijdsbeslag van dien.
De Omgevingswet biedt de mogelijk om het toelaten en het toetsen aan standaard- en grenswaarden door te schuiven naar het moment waarop wel voldoende gegevens beschikbaar zijn. Dat is bijvoorbeeld het moment waarop een omgevingsvergunning voor bouwen kan worden aangevraagd. Maar het kan ook het moment zijn waarop het gebruik van een bestaand gebouw wijzigt. Daarvoor moet dan een vergunningplicht worden opgenomen. Met de regeling in paragraaf 3.2.6 wordt hierin voorzien. Bij die vergunningverlening wordt dan alsnog getoetst aan de regels zoals die in artikel 5.78t en de daaropvolgende artikelen van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn gesteld.
De geluidtoets voor geluidgevoelige gebouwen op geluidgevoelige locaties wordt in principe gemaakt bij een wijziging van het omgevingsplan waarmee een nieuw geluidgevoelig gebouw wordt toegelaten. Bij een dergelijke wijziging wordt gemotiveerd op welke wijze uitvoering wordt gegeven aan de instructieregels, opgenomen in paragraaf 5.1.4.2a.4 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Daarbij worden in het omgevingsplan die regels opgenomen, die ervoor zorgen dat sprake is van een aanvaardbaar geluid.
Als de toets evenwel wordt doorgeschoven, dan betekent dat overigens niet dat bij het wijzigen van het omgevingsplan helemaal geen onderzoek nodig is. Bij het op grond van het omgevingsplan op een bepaalde locatie toestaan van functies, is reeds op hoofdlijnen getoetst aan de instructieregels zoals opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Daarbij is onderzocht of het niet onaannemelijk is dat omgevingsvergunningen voor omgevingsplanactiviteiten voor de realisatie van geluidgevoelige gebouwen verleend kunnen worden. Het onderbouwende onderzoek wordt afgestemd op de informatie die op dat moment wel voorhanden is.
Beoordelingssystematiek
In artikel 3.19 zijn de feitelijke beoordelingsregels opgenomen. Daarin is allereerst bepaald dat de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.18, alleen wordt verleend als het met de wijziging beoogde gebruik niet in strijd is met artikel 2.3. Het gebruik moet dus op grond van hoofdstuk 2 zijn toegestaan. Ten tweede is bepaald dat de omgevingsvergunning alleen wordt verleend als het geluid op de gevel van het geluidgevoelige gebouw, met het oog op de bescherming van de gezondheid, aanvaardbaar is.
Artikel 3.20 bepaalt vervolgens dat dat het geval is als het geluid op het geluidgevoelig gebouw niet hoger is dan de standaardwaarde. Die standaardwaarde is opgenomen in tabel 3.20. Die waarden zijn gelijk aan de standaardwaarden, bedoeld in tabel 5.78t van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Wanneer aan de standaardwaarde wordt voldaan, dan vormt de geluidbelasting geen reden om de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.18, te weigeren.
Artikel 3.21 bepaalt vervolgens aan dat als die standaardwaarde wordt overschreden, het geluid nog altijd aanvaardbaar kan zijn, maar wel onder voorwaarden. Als eerste voorwaarde geldt dat geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarde te voldoen. Als tweede voorwaarde geldt dat de overschrijding van de standaardwaarde door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt. En tot slot mag het geluid op het geluidgevoelige gebouw niet hoger zijn dan de grenswaarde, bedoeld in tabel 3.21. Die zijn gelijk aan de grenswaarden zoals opgenomen in artikel 5.78u van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
In de artikelgewijze toelichting worden de hiervoor aangehaalde en overige in subparagraaf 4.2.4.11 opgenomen artikelen nader toegelicht.
10.3.3.6 Externe veiligheid (paragraaf 3.2.9 van de regels)
Met paragraaf 3.2.9 wordt uitvoering gegeven aan enkele instructieregels uit paragraaf 5.1.2.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. In deze paragraaf wordt geregeld dat het gebruik van een gebouw of locatie als zeer kwetsbaar, kwetsbaar of beperkt kwetsbaar niet is toegestaan in het belemmeringengebied plaatsgebonden risico. Een zelfde verbod is opgenomen voor het gebruik van zeer kwetsbare gebouwen in explosie/ en brandaandachtsgebieden. Bestaande gebouwen die legaal in gebruik waren op het moment dat de regeling in werking trad, worden uitgezonderd van de verboden.
Verder zijn in deze paragraaf de voorschriftengebieden (brandvoorschriftengebied en explosievoorschriftengebied) aangewezen. Op grond van het Besluit bouwwerken leefomgeving (art 4.90 e.v.) gelden hier voor de nieuwbouw van gebouwen aanvullende bouwkundige eisen om de gevolgen voor personen van het aan het voorschriftengebied verbonden risico op brand of explosie te beperken.
In hoofdstuk 4 zijn regels opgenomen over activiteiten die betrekking hebben op bouwwerken. Het gaat om de omgevingsplanactiviteit bouwwerken en de omgevingsplanactiviteit slopen (zie artikel 4.1). Onder een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt verstaan het bouwen van een bouwwerk, en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk. Onder een omgevingsplanactiviteit slopen wordt verstaan het geheel of gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen van een bouwwerk.
Centraal in dit hoofdstuk staan activiteiten die betrekking hebben op bouwwerken. Wat een 'bouwwerk' is, wordt bepaald door de in bijlage I van de Omgevingswet opgenomen begripsomschrijving. Het gaat om een constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren, met inbegrip van de daarvan deel uitmakende bouwwerkgebonden installaties anders dan een schip dat wordt gebruikt voor verblijf van personen en dat is bestemd en wordt gebruikt voor de vaart.
Afdeling 4.1 bevat enkele artikelen van algemene aard. Daarin is bepaald waarover dit hoofdstuk gaat (het toepassingsbereik). Ook zijn meet- en rekenregels opgenomen, die op dit hoofdstuk van toepassing zijn. Voor een toelichting op de betreffende artikelen kan worden volstaan met een verwijzing naar de artikelgewijze toelichting
Afdeling 4.2 reguleert de omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Onder een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt verstaan een omgevingsplanactiviteit bestaande uit het bouwen van een bouwwerk en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk. Met het vervallen van de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht gaan gemeenten zelf over het wel of niet in het omgevingsplan opnemen van een vergunningplicht voor het bouwen van een bouwwerk. Totdat gemeenten hierover regels hebben vastgesteld, geldt voor de betreffende regels uit de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht dat is voorzien in overgangsrecht. Dat geldt ook voor de regels over vergunningvrije bouwwerken. Die zijn allemaal bij wijze van overgangsrecht tijdelijk opgenomen in hoofdstuk 22 (de 'bruidsschat'). Met afdeling 4.2 wordt voorzien in het vervangen van die regels. Ook de bestemmingsplannen zijn bij wijze van overgangsrecht onderdeel geworden van het omgevingsplan, en moeten op termijn worden vervangen door nieuwe regels. Voor zover het gaat om ruimtelijke regels over bouwwerken worden deze opgenomen in hoofdstuk 5. Het zijn hoofdzakelijk locatiegerichte regels. In paragraaf 10.4.2 van deze toelichting wordt een en ander nader toegelicht.
Afdeling 4.3 reguleert de omgevingsplanactiviteit slopen. Daaronder wordt verstaan een omgevingsplanactiviteit bestaande uit het geheel of gedeeltelijk afbreken van een bouwwerk. In paragraaf 10.4.3 wordt nader op dit onderdeel ingegaan.
Afdeling 4.4 bevat regels die de gemeentelijke Verordening op de afvoer van hemelwater vervangen.
10.4.2 Omgevingsplanactiviteit bouwwerken (afdeling 4.2 van de regels)
10.4.2.1 Inhoud van afdeling 4.2 op hoofdlijnen
Afdeling 4.2 bevat regels over het verrichten van een omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Daaronder wordt op grond van bijlage I bij de regels verstaan een omgevingsplanactiviteit bestaande uit het bouwen van een bouwwerk en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk. Het begrip bouwen moet ruim worden uitgelegd. Op grond van bijlage I bij de Omgevingswet wordt daaronder verstaan 'plaatsen, geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen, veranderen of vergroten'.
In paragraaf 4.2.2 wordt een vergunningplicht in het leven geroepen voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Daarbij is tevens een algemene beoordelingsregel opgenomen, die er in voorziet dat een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken alleen wordt verleend als de activiteit niet in strijd is met de in paragraaf 4.2.4 opgenomen beoordelingsregels (artikel 4.23). Als een omgevingsplanactiviteit bouwwerken niet in strijd is met die beoordelingsregels, dan moet de vergunning worden verleend. Dat is bepaald in artikel 8.0a van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
In paragraaf 4.2.2 zijn verder algemene aanvraagvereisten opgenomen. Deze zijn aanvullend op de algemene aanvraagvereisten, zoals gesteld in de landelijke Omgevingsregeling. In aanvulling op de algemene aanvraagvereisten zijn in paragraaf 4.2.4 specifieke aanvraagvereisten opgenomen, die direct verband houden met de in die paragraaf opgenomen beoordelingsregels.
In paragraaf 4.2.3 wordt geregeld wanneer het het bouwen van een bouwwerk en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk vergunningvrij is.
In paragraaf 4.2.4 zijn de beoordelingsregels opgenomen die van toepassing zijn op aanvragen om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Deze beoordelingsregels hebben betrekking op uiteenlopende onderwerpen, die elk in een eigen subparagraaf aan de orde komen. Daarbij is ook bepaald waarover voorschriften aan de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken kunnen worden verbonden. Tevens zijn per onderdeel specifieke aanvraagvereisten opgenomen.
Afdeling 4.2 komt voor een belangrijk deel in de plaats van het vergunningstelsel voor de activiteiten bouwen van een bouwwerk en afwijken van het bestemmingsplan, zoals dat in de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en het besluit omgevingsrecht was opgenomen. De daarin opgenomen vergunningplichten (artikel 2.1, eerste lid, onder a en c Wabo), beoordelingsregels (artikel 2.10 Wabo) en uitzonderingen op de vergunningplichten (artikel 2 en 3, bijlage II Bor) zijn op het moment dat de Omgevingswet in werking trad bij wijze van overgangsrecht onderdeel geworden van het omgevingsplan, de zogenoemde bruidsschat (zie ook paragraaf 6.2 van deze toelichting). Die bruidsschat is opgenomen in hoofdstuk 22 van elk omgevingsplan. Afdeling 4.2 komt daarvoor dus deels in de plaats. Zo vervangt artikel 4.22 de vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken, zoals die was opgenomen in artikel 22.26. In paragraaf 4.2.3, wordt bepaald voor welke bouwwerken de vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken niet geldt. Dit komt in de plaats van de artikelen 22.27 en 22.36. De beperkingen op artikel 5.26, gesteld in artikel 4.37, komen in de plaats van artikel 22.28. En de beoordelingsregels, opgenomen in subsubparagraaf 4.2.4.2.1, subparagraaf 4.2.4.4 en subparagraaf 4.2.4.10 komen in de plaats van artikel 22.29 tot en met 22.31.
Afdeling 4.2 bevat weliswaar regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, maar het bevat geen ruimtelijke regels over bouwwerken, zoals die onder oud recht in bestemmingsplannen en vergelijkbare besluiten werden vastgesteld. Die ruimtelijke regels over bouwwerken zijn in het omgevingsplan opgenomen in hoofdstuk 5. In dat hoofdstuk wordt bepaald waar een gebouw mag komen, en hoe hoog dat mag zijn. Voorheen gebeurde dat met bestemmingsplannen en daarmee vergelijkbare besluiten. Daar waar een onder oud recht vastgesteld bestemmingsplan of daarmee vergelijkbaar besluit nog niet is vervangen, blijven de daarin opgenomen ruimtelijke regels over bouwwerken van toepassing. Deze ruimtelijke regels over bouwwerken hebben de vorm van algemene regels. Voor zover de vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken van toepassing is, worden vergunningaanvragen aan die ruimtelijke regels over bouwwerken getoetst (artikel 4.40). In paragraaf 10.4.2.2.6 wordt nader op de relatie van afdeling 4.2 met hoofdstuk 5 ingegaan.
10.4.2.2.1 Korte schets van het vergunningstelsel voor een bouwwerken onder de voorheen geldende Wabo
In afdeling 4.2 wordt een vergunningstelsel in het leven geroepen voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Met de vergunningplicht kan worden gestuurd op de ruimtelijke inpassing van bouwwerken. De vergunningplicht gaat gepaard met beoordelingsregels. Vergunningaanvragen worden aan de hand daarvan beoordeeld. Net als onder oud recht geldt niet voor alle bouwwerken dat daarvoor een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken nodig is. Dat neemt niet weg dat het bouwen, in stand houden en gebruiken van die bouwwerken alleen is toegestaan wanneer dat passend is binnen algemene regels die over bouwwerken zijn gesteld. Wordt daaraan niet voldaan, dan is een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit nodig (een buitenplanse afwijkvergunning).
Dit stelsel lijkt in grote lijnen op het stelsel zoals dat ook gold onder de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), maar bevat toch ook enkele grote wijzigingen. Om een goed begrip te hebben van het vergunningstelsel voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken, zoals dat in dit omgevingsplan is opgenomen, wordt een korte schets gegeven van het stelsel zoals dat er onder de voorheen geldende Wet algemene bepalingen omgevingsrecht uit zag.
De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht bepaalde dat voor het bouwen van een bouwwerk een omgevingsvergunning nodig was (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, Wabo). Een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk werd getoetst aan:
landelijk geldende bouwtechnische eisen,
redelijke eisen van welstand, en
ruimtelijke regels over bouwwerken, opgenomen in het geldend bestemmingsplan of andere ruimtelijk plan.
Mocht een bouwplan niet binnen passen binnen de regels van het bestemmingsplan, dan kon met een afwijkvergunning van dat bestemmingsplan worden afgeweken. Die afwijkmogelijkheid had eveneens de vorm van een vergunningplicht (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, Wabo).
Op zowel de vergunningplicht voor het bouwen van een bouwwerk als op de vergunningplicht voor het afwijken van een bestemmingsplan waren uitzonderingen van toepassing. In artikel 2 van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) was bepaald dat voor de daarin aangegeven gevallen geen omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen van een bouwwerk nodig was. Ook gold er voor die gevallen bij strijd met het geldende bestemmingsplan geen vergunningplicht voor het afwijken van het bestemmingsplan. Ongeacht de regels in het bestemmingsplan waren die bouwwerken toegestaan, zonder dat een vergunning voor het bouwen van een bouwwerk of het afwijken van het bestemmingsplan nodig was.
Daarnaast bevatte artikel 3 van Bijlage II Bor een lijst van bouwwerken waarvoor evenmin een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen van een bouwwerk nodig was. In die gevallen moest echter wel worden voldaan aan de regels van het bestemmingsplan. Voldeed een initiatief daaraan niet, dan was weliswaar geen omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen nodig, maar gold wel de vergunningplicht voor het afwijken van het bestemmingsplan.
Ten opzichte van dat stelsel komt een aantal grote veranderingen:
Allereerst komt er een knip tussen de ruimtelijke bouwactiviteit en de technische bouwactiviteit. De technische bouwactiviteit wordt door het rijk gereguleerd; de ruimtelijke bouwactiviteit in principe door de gemeente. Hierop zijn op grond van artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving enkele uitzonderingen van toepassing.
Ten tweede (en dat hangt samen met het eerste) komt een landelijke vergunningplicht voor de ruimtelijke bouwactiviteit, die nu nog in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht zit, te vervallen. Gemeenten gaan daar zelf over, en een dergelijke vergunningplicht komt in het omgevingsplan te staan. Gemeenten krijgen daarbij de mogelijkheid om aanvullende beoordelingsregels op te nemen. Gemeenten gaan ook zelf over het bepalen van gevallen waarvoor de betreffende vergunningplicht geldt.
Ten derde worden ook de ruimtelijke regels over bouwwerken, zoals die nu nog in bestemmingsplannen en dergelijke ruimtelijke plannen staan, in het omgevingsplan geïntegreerd. Dat heeft gevolgen voor de positie in de regeling van de bouwwerken waarvoor onder de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht geen vergunningplicht gold voor het bouwen van een bouwwerk én het afwijken van het bestemmingsplan (toenmalig artikel 2, bijlage II Bor).
Ten vierde wordt het huidig artikel 2, bijlage II Bor opgeknipt in bouwwerken die in beginsel door het Besluit bouwwerken leefomgeving worden gereguleerd (artikel 2.29 en 2.30 Bbl) en bouwwerken waarover het omgevingsplan regels bevat.
10.4.2.2.2 Knip tussen de ruimtelijke bouwactiviteit en de technische bouwactiviteit
Een eerste grote wijziging die met de Omgevingswet wordt doorgevoerd, betreft de zogenoemde ‘knip’ tussen de ruimtelijke bouwactiviteit en de technische bouwactiviteit. In de Wabo werd voorzien in een vergunningplicht voor bouwactiviteiten waarbij werd getoetst aan zowel regels voor technische bouwkwaliteit als aan ruimtelijke regels, zoals de regels van het bestemmingsplan en de gemeentelijke welstandsnota. Met de Omgevingswet wordt deze gecombineerde toets verlaten. Er wordt een ‘knip’ aangebracht tussen de ruimtelijke bouwactiviteit en de technische bouwactiviteit.
Technische bouwactiviteit
In de Omgevingswet is een aparte vergunningplicht opgenomen die erin voorziet dat wordt getoetst op de technische bouwkwaliteit. Het betreft de vergunningplicht voor de bouwactiviteit, opgenomen in artikel 5.1, tweede lid, onder a, van de Omgevingswet. Onder bouwactiviteit wordt verstaan “het bouwen van een bouwwerk”. De bouwactiviteit uit de Omgevingswet gaat over de technische bouwkwaliteit van een bouwwerk, zoals constructie-eisen die opgenomen zijn in het Besluit bouwwerken leefomgeving (het Bbl, de opvolger van het Bouwbesluit). Er wordt daarom wel gesproken van de technische bouwactiviteit. Over deze technische bouwactiviteit bevat het omgevingsplan geen regels. Wel kunnen in het omgevingsplan met het oog op omgevingsveiligheid gebieden worden aangewezen waar vervolgens op grond van het Bbl strengere bouwtechnische eisen gelden, dan de standaardeisen.
Op de vergunningplicht voor de technische bouwactiviteit geldt een aantal uitzonderingen. Deze uitzonderingen zijn opgenomen in artikel 2.25, 2.26 en 2.27 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Wanneer een van de uitzonderingen van toepassing is, is er voor de technische bouwactiviteit geen omgevingsvergunning bouwactiviteit nodig. Daarnaast wordt de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen doorgevoerd. Voor sommige bouwwerken volstaat op grond daarvan een melding in plaats van een omgevingsvergunning bouwactiviteit.
Ruimtelijke bouwactiviteit
Naast deze vergunningplicht voor de technische bouwactiviteit (die geheel door her Rijk wordt geregeld) kunnen gemeenten een vergunningplicht in het omgevingsplan opnemen voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Die vergunningplicht heeft dan betrekking op het ruimtelijke aspect van het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken. In het omgevingsplan wordt dit de omgevingsplanactiviteit bouwwerken genoemd. De vergunningplicht is opgenomen in artikel 4.22 van het omgevingsplan.
Doordat de vergunningplicht voor deze omgevingsplanactiviteit bouwwerken niet langer op rijksniveau wordt geregeld, krijgen gemeenten meer ruimte om deze vorm te geven. Dat betekent dat gemeenten zelf gaan over de afbakening van de vergunningplicht, maar ook over de beoordelingsregels aan de hand waarvan de vergunningaanvragen worden getoetst. Zo wordt in onderdeel 4.2.3 bepaald voor welke gevallen geen vergunningplicht geldt voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken.
Ook zijn, ten opzichte van de beoordelingsregels die onder de voorheen geldende Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing waren, aanvullende beoordelingsregels opgenomen. Net als onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt daarbij getoetst aan ruimtelijke regels over bouwwerken, wordt beoordeeld of het uiterlijk of de plaatsing van een bouwwerk geen onaanvaardbare afbreuk doet aan een goede omgevingskwaliteit (voorheen de welstandstoets) en vindt in bepaalde gevallen een beoordeling op bodemkwaliteit plaats. Aanvullend daarop zijn extra beoordelingscriteria geformuleerd over onderwerpen. Het gaat om afwegingsaspecten die zich beter laten beoordelen op het niveau van een concreet bouwinitiatief dan op planniveau.
Twee vergunningplichten naast elkaar
De vergunningplicht voor de technische bouwactiviteit en de vergunningplicht voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken bestaan naast elkaar. Op beide kunnen uitzonderingen van toepassing zijn. Dat betekent dat een initiatiefnemer altijd voor beide vergunningen moet nagaan of die nodig zijn. Het feit dat voor een bepaald initiatief geen omgevingsvergunning voor een technische bouwactiviteit nodig is, wil niet zeggen dat geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken nodig is. Andersom geldt hetzelfde: voor een initiatief waarvoor op grond van het omgevingsplan geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken nodig is, kan nog altijd wel een vergunningplicht voor de technische bouwactiviteit gelden op grond van de Omgevingswet en het Besluit bouwwerken leefomgeving.
Aangezien het omgevingsplan verder geen regels bevat die op de technische bouwactiviteit van toepassing zijn, wordt in het vervolg van deze toelichting de technische bouwactiviteit buiten beschouwing gelaten.
Wel worden in dit omgevingsplan ter uitvoering van artikel 5.14 Besluit kwaliteit leefomgeving gebieden aangewezen waar vanwege externe veiligheid aanvullende bouwmaatregelen moeten worden getroffen op grond van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
10.4.2.2.3 Vergunningplicht omgevingsplanactiviteit bouwwerken in het omgevingsplan van rechtswege: een tijdelijke situatie
Met het in werking treden van de Omgevingswet is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht vervallen. Gemeenten konden op dat moment nog niet zelf hebben voorzien in een regeling ter vervanging van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht . De wetgever heeft er daarom in voorzien dat gemeenten ‘automatisch’ een omgevingsplan, het omgevingsplan van rechtswege, hebben gekregen, zie ook paragraaf 6.2.1 van deze toelichting. Onderdeel daarvan is de ‘bruidsschat’, een set regels die op rijksniveau zijn komen te vervallen, en die gemeenten uiteindelijk een plaats in het omgevingsplan moeten geven. Deze bruidsschat is opgenomen in hoofdstuk 22 van het omgevingsplan. Daarin is in artikel 22.26 een vergunningplicht opgenomen voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Artikel 22.29 bevat de beoordelingsregels die daarop van toepassing zijn. Die komen overeen met de beoordelingsregels die van toepassing waren op de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen onder de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Zoals dat ook onder de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht het geval was, bevat het omgevingsplan van rechtswege uitzonderingen op de vergunningplicht.
Artikel 22.27 bepaalt dat voor de in dat artikel genoemde bouwwerken de vergunningsplicht voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken zoals opgenomen in artikel 22.26 niet geldt.
Dat de vergunningplicht voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken niet geldt, betekent niet dat de betreffende bouwwerken zondermeer zijn toegestaan. Er moet nog wel worden voldaan aan overige gestelde regels over bouwwerken, waaronder de ruimtelijke regels, zoals opgenomen in nog niet vervangen bestemmingsplannen.
Wordt daaraan niet voldaan, dan geldt weliswaar niet de vergunningplicht van artikel 22.26, maar vanwege strijd met het omgevingsplan is dan een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit nodig (een afwijkvergunning).
Artikel 22.27 is in de plaats gekomen van artikel 3, bijlage II, van het toenmalige Besluit omgevingsrecht.
Artikel 22.36 bepaalt dat de in dat artikel genoemde bouwwerken in ieder geval in overeenstemming met het omgevingsplan zijn.
Voor de in dit artikel genoemde bouwwerken geldt dat ze, ongeacht de regels in een nog niet vervangen bestemmingsplan, ruimtelijk zijn toegestaan. Bij strijd met een onder oud recht vastgesteld en nog geldend ruimtelijk plan geldt dus geen vergunningplicht voor het afwijken van de ruimtelijke regels over bouwwerken.
Omdat de genoemde bouwwerken vallen binnen de bandbreedte van artikel 22.27, bruidsschat, is bovendien de vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken niet van toepassing.
Artikel 22.36 is in de plaats gekomen van artikel 2, bijlage II, van het toenmalige Besluit omgevingsrecht.
Met de eerste grootschalige wijziging van het omgevingsplan wordt dit tijdelijk stelsel vervangen door een nieuw vergunningstelsel voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken.
10.4.2.2.4 Vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken (paragraaf 4.2.2 van de regels)
In het omgevingsplan wordt als uitgangspunt gekozen voor een vergunningplicht voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Die vergunningplicht is opgenomen in artikel 4.22. Deze vergunningsplicht vervangt de vergunningsplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken zoals die bij wijze van overgangsrecht in artikel 22.26 in het omgevingsplan was komen te staan.
Er is voor een vergunningplicht voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken gekozen omdat een vergunningplicht het mogelijk maakt het concrete bouwvoornemen op een aantal aspecten te toetsen die zich niet laten vangen in vooraf, op planniveau vast te stellen concrete en objectieve normen. Zo blijft de wens bestaan om concrete bouwinitiatieven te beoordelen op wat redelijke eisen van welstand werd genoemd. Daarvoor in de plaats komt als beoordelingscriterium dat het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk geen onaanvaardbare afbreuk mag doen aan een goede omgevingskwaliteit. Een toets aan een dergelijke open norm dient door het bestuursorgaan te worden uitgevoerd (die paragraaf 5.3.4 van deze toelichting). Daarnaast laat een aantal aspecten zich het best toetsen op concreet bouwplan niveau. Op dat niveau kunnen dan daarmee verband houdende voorschriften aan de vergunning worden verboden.
Daarnaast worden initiatieven op grond van artikel 4.40 getoetst op de ruimtelijke regels over bouwwerken, zoals opgenomen in hoofdstuk 5 en (voor zover nog niet vervangen) het onder oud recht vastgestelde ruimtelijk plan. Dit laatste betreft in feite een preventieve toets aan de algemene ruimtelijke regels over bouwwerken, zoals ook onder de voorheen geldende Wet algemene bepalingen omgevingsrecht een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk werd getoetst aan het geldende bestemmingsplan.
De aspecten die de reden geven voor de vergunningplicht, zijn vervolgens bepalend voor de beoordelingsregels die gesteld zijn. Aan de hand van die beoordelingsregels bepaalt het bevoegd gezag of de vergunning verleend kan worden. In paragraaf 4.2.2 is daartoe allereerst een algemene beoordelingsregel opgenomen, inhoudende dat een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken alleen wordt verleend als de activiteit niet in strijd is met de in paragraaf 4.2.4 gestelde regels over het verlenen van de omgevingsvergunning. In die laatstgenoemde paragraaf staan thematisch onderverdeeld de inhoudelijke beoordelingsregels voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken.
De omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt in bijlage I van het omgevingsplan omschreven als een omgevingsplanactiviteit bestaande uit het bouwen van een bouwwerk en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk. Deze omschrijving is ontleend aan artikel 22.26, zoals dat van rechtswege onderdeel is geworden van het omgevingsplan bij inwerkingtreding van de Omgevingswet. Dat artikel bevatte het verbod om zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken. Deze vergunningplicht is opgegaan in de vergunningplicht voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken, zoals opgenomen in 4.22.
Die vergunningplicht heeft niet alleen betrekking op het bouwen van een bouwwerk, maar ook op het in het in stand houden en gebruiken van dat te bouwen bouwwerk. Deze omschrijving wijkt af van de omschrijving in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a, van de voorheen geldende Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Met deze nieuwe omschrijving wordt expliciet gemaakt dat deze vergunningplicht niet alleen ziet op een toestemming om het bouwwerk te mogen bouwen, maar eveneens ziet op het in stand mogen houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk in overeenstemming met de opgave in de vergunningaanvraag. Hiermee wordt aangesloten op de rechtspraktijk van voor de Omgevingswet en is geen materiële wijziging beoogd. In overeenstemming met die rechtspraktijk wordt gecodificeerd dat bij de vergunningaanvraag wordt getoetst of het voorgenomen gebruik van het bouwwerk niet in strijd is met de hiervoor in het omgevingsplan gestelde regels. Als aannemelijk is dat een omgevingsplanactiviteit bouwwerken ten dienste staat van een met het omgevingsplan strijdig gebruik, dan is dit een reden om de vergunningaanvraag voor dat strijdig gebruik mede aan te merken als aanvraag voor een buitenplanse omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. De vergunning moet dan worden geweigerd wanneer die met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties niet kan worden verleend. Als de opgave in de vergunningaanvraag over het voorgenomen gebruik geen aanleiding is om de vergunning te weigeren, mag het bouwwerk in overeenstemming met die opgave worden gebruikt.
Van belang is op te merken dat de vergunningplicht ziet op de combinatie van het bouwen, in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk. Er ontstaat met de nieuwe omschrijving dus geen zelfstandige vergunningplicht voor latere gebruiksveranderingen in een bestaand bouwwerk. Zolang voor een wijziging van gebruik op grond van het omgevingsplan geen afzonderlijke vergunningplicht in het leven is geroepen en het nieuwe gebruik in overeenstemming is met de regels voor het gebruik van bouwwerken in het omgevingsplan, is er voor een wijziging van gebruik geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit nodig. Anders is dat wanneer het nieuwe gebruik niet in overeenstemming is met de regels voor gebruik van bouwwerken in het omgevingsplan. In dat geval is vanwege het strijdig gebruik een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit nodig.
Verder is van belang dat een verleende vergunning voor de desbetreffende omgevingsplanactiviteit voorziet in toestemming voor het bouwen, in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, op grond van het omgevingsplan zoals dat luidt ten tijde van de genomen beslissing. Latere wijzigingen in een omgevingsplan, waarbij nieuwe rechtstreeks werkende regels worden toegevoegd, kunnen inbreuk maken op rechten die krachtens een eerder verleende vergunning voor een omgevingsplanactiviteit zijn ontstaan. Dit kan zowel vergunningen voor binnenplanse als buitenplanse omgevingsplanactiviteiten treffen. In hoofdstuk 23 is met betrekking tot die situaties overgangsrecht opgenomen.
10.4.2.2.5 Bouwwerken waarop de vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken niet van toepassing is (paragraaf 4.2.3 van de regels)
Op de vergunningplicht voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken geldt (net als onder oud recht) een aantal uitzonderingen.
Dat geldt allereerst voor ruimtelijke bouwactiviteiten die worden gereguleerd door het Rijk. Daarvoor is in artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving bepaald dat ze ongeacht het omgevingsplan zijn toegestaan. Op deze gevallen is de vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken niet van toepassing. Hierop bestaan vanwege artikel 2.30 besluit bouwwerken leefomgeving ook weer uitzonderingen. Dan is wel het omgevingsplan van toepassing, en geldt, tenzij in het omgevingsplan een uitzondering is gemaakt, de vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken. In paragraaf 10.4.2.2.5.2 wordt dit nader toegelicht.
Ten tweede gaat het om bouwwerken waarvoor in het omgevingsplan wordt bepaald dat de vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken niet van toepassing is. Dit wordt in paragraaf 10.4.2.2.5.3 nader toegelicht.
10.4.2.2.5.2 Ruimtelijke bouwactiviteiten, gereguleerd door het Rijk (artikel 2.29 en 2.30 Besluit bouwwerken leefomgeving)
In paragraaf 10.4.2.2.2 is de 'knip' tussen de technische en de ruimtelijke bouwactiviteit beschreven. Daar waar het Rijk over de technische bouwactiviteit gaat, gaan gemeenten over regulering van de ruimtelijke bouwactiviteit. Onderdeel van die regeling is een vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken.
Hoewel gemeenten met de ‘knip’ zelfstandig een vergunningplicht voor ruimtelijke bouwactiviteiten in het leven kan roepen, heeft het Rijk voor een aantal bouwwerken bepaald dat die zijn vrijgesteld van regels in het omgevingsplan over een omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Voor die bouwwerken geldt dus de vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken, bedoeld in artikel artikel 4.22, niet. Ook hoeft niet te worden voldaan aan ruimtelijke regels over bouwwerken, zoals opgenomen in hoofdstuk 5.
Deze uitzondering is geregeld in artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Het betreft een deel van de bouwwerken die voorheen in artikel 2, Bijlage II van het toenmalige Besluit omgevingsrecht (Bor) waren opgenomen. Voor de betreffende bouwwerken geldt dat ze zonder omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken zijn toegestaan (er kan op grond van het Besluit bouwwerken leefomgeving wel nog een vergunningplicht gelden voor de technische bouwactiviteit). Het gaat om bouwactiviteiten van een beperkte omvang, zoals gewoon onderhoud waarbij detaillering, profilering en vormgeving van het bouwwerk niet wijzigen, en het realiseren van dakkapellen, dakramen, zonnecollectoren en dergelijke onder bepaalde voorwaarden.
Het Besluit bouwwerken leefomgeving bevat echter ook uitzonderingen op artikel 2.29, namelijk wanneer de activiteit plaatsvindt in, aan, op of bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument. Op grond van artikel 2.30 van het Besluit bouwwerken leefomgeving is artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving dan niet van toepassing. Wanneer een van de genoemde uitzonderingen geldt, dan wordt de betreffende omgevingsplanactiviteit bouwwerken wel weer door het omgevingsplan gereguleerd. Vanwege de belangen, genoemd in artikel 2.30 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, zijn deze bouwwerken niet opgenomen in paragraaf 4.2.3. Ze zijn dus niet vrijgesteld van de vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken artikel 4.22.
Als artikel 2.30 van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is, geldt dus dat voor bouwwerken uit artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken moet worden aangevraagd. Op grond van artikel 4.40 van het omgevingsplan kan die vergunning dan alleen worden verleend als het betreffend bouwwerk niet in strijd is met de geldende ruimtelijke regels over bouwwerken. Over het algemeen zullen de betreffende bouwwerken daarmee in strijd zijn. Subsubparagraaf 4.2.4.3.1 biedt in dat geval de mogelijkheid om bij vergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken af te wijken van de ruimtelijke regels over bouwwerken. Een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is dan niet nodig. Wel moet de activiteit, gelet op de van toepassing zijnde beoordelingsregels, zoals opgenomen in artikel 4.46, aanvaardbaar zijn.
De reden om voor die gevallen alsnog de vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken van toepassing te laten zijn, is dat een nadere afweging per geval gemaakt kan worden.
10.4.2.2.5.3 Gemeentelijke uitzonderingen op de vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken (paragraaf 4.2.3 van de regels)
Naast de uitzondering op de vergunningplicht in het Besluit bouwwerken leefomgeving, kunnen ook in het omgevingsplan gevallen worden aangewezen die zijn vrijgesteld van de in het omgevingsplan opgenomen vergunningplicht voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Paragraaf 4.2.3 bevat hierover regels.
In paragraaf 10.4.2.2.4 is aangegeven dat de reden voor een vergunningplicht voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken is dat een vergunningplicht het mogelijk maakt het concrete bouwvoornemen op een aantal aspecten te toetsen die zich niet laten vangen in concrete en objectieve normen. Omgekeerd vormt dat ook de reden om bepaalde gevallen uit te zonderen van de betreffende vergunningplicht. Gelet op de aard, omvang en situering kan die nadere beoordeling juist achterwege blijven. Doordat de vergunningplicht niet geldt, worden de betreffende bouwwerken niet vooraf beoordeeld aan de hand van de beoordelingsregels, opgenomen in paragraaf 4.2.4. Ze worden niet getoetst op de vraag of het uiterlijk en de plaatsing van het bouwwerk wel of geen onaanvaardbare afbreuk doet aan een goede omgevingskwaliteit (voorheen de welstandstoets). Ook een toets op alle overige in paragraaf 4.2.4 opgenomen beoordelingscriteria blijft achterwege.
Er worden een aantal categorie bouwwerken genoemd met daarbij de voorwaarden waaronder zij vergunningvrij kunnen worden gebouwd. Het gaat om de volgende bouwwerken:
bijbehorende bouwwerken bij een (bedrijfs)woning;
carports bij een (bedrijfs)woning;
bijbehorende bouwwerken bij de Locatie woonwagens;
bijbehorende bouwwerken bij hoofdgebouwen met een maatschappelijke functie;
erf- of perceelsafscheiding;
veranderingen aan een bouwwerk;
dakkapel in het voordakvlak en zijdakvlak als er geen regels over uiterlijk en plaatsing gelden.
Indien er niet aan de voorwaarden voor vergunningvrij wordt voldaan, zijn de bouwwerken in strijd met het omgevingsplan. Indien van toepassing kan met behulp van subsubparagraaf 4.2.4.3.1 alsnbog vergunning worden verleend.
10.4.2.2.6 Relatie met ruimtelijke regels over bouwwerken, opgenomen in hoofdstuk 5 van de regels
Behalve dat er een vergunningplicht geldt voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken, gelden er ook ruimtelijke regels over bouwwerken. Het gaat om regels over bouwwerken, die onder oud recht werden opgenomen in bestemmingsplannen en andere ruimtelijke plannen. Deze regels worden opgenomen in hoofdstuk 5.
Wanneer een bouwwerk op grond van de ruimtelijke regels over bouwwerken in hoofdstuk 5 is toegestaan, dan geldt voor dat bouwwerk dat het ruimtelijk in beginsel aanvaardbaar is, zij het dat er nog op een aantal aspecten nog een finale beoordeling plaatsvindt. Die finale beoordeling vindt plaats in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken.
Voor de bouwwerken genoemd in artikel 2, bijlage II Bor gold bovendien dat die ruimtelijk aanvaardbaar waren. Ongeacht wat het bestemmingsplan bepaalde, waren de betreffende bouwwerken ruimtelijk toegestaan. Dat hield in dat óók bij strijd met het bestemmingsplan, geen omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan nodig was. Dat gold niet voor de gevallen, genoemd in artikel 3, bijlage II Bor. Daarvoor gold dat ze nog wel moesten passen binnen het bestemmingsplan. Was dat niet het geval, dan gold wel de vergunningplicht voor het afwijken van het bestemmingsplan, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c toenmalige Wabo.
Artikel 2, bijlage II Bor bepaalde dus niet alleen dat de vergunningplicht voor het bouwen van een bouwwerk niet van toepassing was, maar óók dat de betreffende bouwwerken ruimtelijk aanvaardbaar zijn. Om die reden zijn de betreffende bouwwerken, voor zover niet opgegaan in artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, opgenomen in paragraaf 4.2.3.
De ruimtelijke regels over bouwwerken hebben de vorm van algemene regels. Ze zijn voldoende concreet om rechtstreeks te kunnen gelden. De vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken is dan ook niet in het leven geroepen om bouwinitiatieven aan die ruimtelijke regels te toetsen. Ze zijn voldoende concreet voor een initiatiefnemer om dat zelf te kunnen doen. Toch worden vergunningaanvragen voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken aan de ruimtelijke regels getoetst (artikel 4.40). Met deze preventieve toets op passendheid wordt een vervolg gegeven aan de werkwijze zoals die ook onder oud recht gold. Dat het algemene regels zijn betekent dat ook als de vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken op grond van paragraaf 4.2.3 niet van toepassing is, moet worden voldaan aan de ruimtelijke regels over bouwwerken.
Alleen voor door het Rijk in artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving aangewezen bouwwerken geldt dat de in het omgevingsplan opgenomen ruimtelijke regels over bouwwerken in beginsel niet van toepassing zijn. Het gaat om een groot deel van de bouwwerken die voorheen in artikel 2, bijlage II, toenmalig Bor waren opgenomen. Op artikel 2.29 gelden, op grond van artikel 2.30 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, echter ook weer uitzonderingen. Dan is het omgevingsplan dus wel weer van toepassing op die bouwwerken.
In artikel 5.6 is geregeld dat een bouwwerk uitsluitend is toegestaan indien het bouwwerk ten dienste staat van het gebruik dat op de betreffende locatie is toegestaan. De bestemmingsplannen bevatten ook dergelijke regels. De ruimtelijke regels zijn verder uiteengesplitst in bouwwerkgerichte regels, verder onderverdeeld in gebouwen, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken geen gebouwen zijnde en locatiespecifieke regels. De locatiespecifieke regels zijn regels die alleen op een specifieke (ontwikkel)locatie van toepassing zijn en verder geen werking hebben binnen de gemeente.
10.4.2.2.7 Beoordelingsregels, vergunningvoorschriften en aanvraagvereisten (subparagraaf 4.2.4 van de regels)
Wanneer sprake is van een vergunningplichtige omgevingsplanactiviteit bouwwerken, dan wordt een aanvraag beoordeeld aan de hand van een aantal beoordelingsregels. Deze zijn opgenomen in paragraaf 4.2.4 van het omgevingsplan. De beoordelingsregels hebben betrekking op de volgende aspecten:
beoordeling aan algemene regels over bouwwerken, afwijkmogelijkheden (subparagraaf 4.2.4.2), onderverdeeld in:
een toets aan ruimtelijke regels over bouwwerken (subsubparagraaf 4.2.4.2.1)
een beoordeling om eventueel af te kunnen wijken van ruimtelijke regels over bouwwerken (subsubparagraaf 4.2.4.3.1)
een beoordeling van uiterlijk en de plaatsing van het bouwwerk (subparagraaf 4.2.4.4)
een toets aan de normering voor autoparkeerplaatsen (subparagraaf 4.2.4.5)
een beoordeling op de toelaatbare kwaliteit van de bodem bij bodemgevoelige gebouwen op een bodemgevoelige locatie (subparagraaf 4.2.4.10)
een beoordeling de aanvaardbaarheid van geluidbelasting bij geluidgevoelige gebouwen in geluidaandachtsgebieden (subparagraaf 4.2.4.11)
een beoordeling op externe veiligheidsaspecten bij (beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties in een beperkingengebied plaatsgebonden risico (subparagraaf 4.2.4.18
Een beoordelingsregel met betrekking tot bouwtechnische vereisten is vanzelfsprekend niet opgenomen. Dat betreft immers de technische bouwactiviteit, die wordt gereguleerd door het Besluit bouwwerken leefomgeving.
Ten opzichte van de beoordelingsregels zoals die in de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht waren opgenomen voor de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen van een bouwwerk, is er een aantal beoordelingsaspecten bijgekomen. De reden daarvoor is dat de finale beoordeling op aanvaardbaarheid beter kan plaatsvinden op het detailniveau van de concrete bouwaanvraag.
Artikel 8.0a van het Besluit kwaliteit leefomgeving bepaalt dat voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten, de omgevingsvergunning wordt verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning. De in paragraaf 4.2.4 opgenomen beoordelingsregels zijn dan ook limitatief. Dat wil zeggen dat een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken uitsluitend op de daarin opgenomen beoordelingsregels wordt getoetst.
Gekoppeld aan de beoordelingsregels zijn ook de mogelijkheden bepaald tot het aan de vergunning verbinden van voorschriften. Het doel van die voorschriften moet altijd samengaan met het oogmerk van de betreffende beoordelingsregel.
In afdeling 4.2 zijn tot slot ook de aanvraagvereisten opgenomen die van toepassing zijn op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken (paragraaf 4.2.4). De aanvrager moet voldoen aan deze vereisten om een ontvankelijke vergunningaanvraag in te dienen. De aanvraagvereisten hebben betrekking op aan te leveren stukken, aan de hand waarvan de beoordeling op grond van de beoordelingsregels kan plaatsvinden.
De meeste van deze beoordelingsregels bevatten een open beoordelingsnorm. Die open normen zijn ook de reden voor vergunningplicht (zie paragraaf 5.3.4 van deze toelichting).
Er wordt echter ook getoetst aan een aantal regels met gesloten normen. Zo wordt een vergunningaanvraag getoetst aan de van toepassing zijnde ruimtelijke regels (van hoofdstuk 5). Aangezien de ruimtelijke regels over bouwwerken kwalificeren als algemene regels, kan deze beoordeling worden beschouwd als een preventieve toets aan de ruimtelijke regels over bouwwerken. Het bevoegd gezag beoordeelt dus vooraf of aan de algemene ruimtelijke regels over bouwwerken wordt voldaan. Dat voorkomt dat de initiatiefnemer zelf die beoordeling moet doen, en daarbij fouten maakt. De gevolgen daarvan zijn dusdanig groot, dat net als onder oud recht wordt voorzien in preventieve toetsing.
De toets aan concrete parkeernormen is eveneens als beoordelingsregel vormgegeven. Terwijl ook daar sprake is van algemene regels. Bijkomende reden daarvoor is dat het de mogelijkheid biedt om bij vergunningvoorschrift af te kunnen wijken van de betreffende normen.
Niet alle beoordelingsregels zijn op elke aanvraag van toepassing. Zo vindt een beoordeling op de aanvaardbaarheid van geluidbelasting alleen plaats als de aanvraag betrekking heeft op een geluidgevoelig gebouw, dat bovendien is voorzien in een geluidaandachtsgebied. En de beoordeling op de waarborging van de veiligheid voor de rioolleiding hoeft alleen plaats te vinden daar waar een dergelijke buisleiding ligt.
10.4.2.2.7.2 Het uiterlijk van bouwwerken (welstand)
Onder oud recht beoordeelde de gemeente bij nieuwbouw of verbouw met een welstandstoets of het bouwwerk paste in de omgeving. Dit gebeurde op basis van de aanvraag voor een omgevingsvergunning. Daarbij gold de welstandsnota als beoordelingskader. De welstandsnota volgt uit het toenmalig artikel 12a, lid 1 van de Woningwet. Hierin stond dat bestaande en nieuwe bouwwerken niet in strijd mochten zijn met redelijke eisen van welstand. Nadat de Omgevingswet in werking is getreden, zijn de artikelen over welstand in de Woningwet vervallen. Voor de welstandsnota geldt overgangsrecht.
Onder de Omgevingswet loopt het welstandstoezicht via het omgevingsplan. De Omgevingswet laat gemeenten vrij invulling te geven aan het welstandstoezicht. Wel is in artikel 4.19 van de Omgevingswet bepaalt dat als in het omgevingsplan regels worden opgenomen over het uiterlijk van bouwwerken en de toepassing daarvan uitleg behoeft, de gemeenteraad beleidsregels vaststelt voor de beoordeling of een bouwwerk aan die regels voldoet. Deze beleidsregels zijn zo veel mogelijk toegesneden op de te onderscheiden bouwwerken.
In het omgevingsplan zijn beoordelingsregels voor aanvragen om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken met betrekking tot uiterlijk en plaatsing van bouwwerken opgenomen in paragraaf 4.2.4.4. Daarbij is bepaald dat die beoordeling plaatsvindt volgens de criteria van de beleidsregels, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet. Dat staat in het derde lid van artikel 4.49 van de planregels. Het derde lid bepaalt dat dit, zolang de welstandsnota nog niet is vervangen, gebeurt aan de hand van de welstandsnota.
Hiermee wordt de verplichting van artikel 12a van de Woningwet tot het vaststellen van beleidsregels in de vorm van een welstandsnota inhoudelijk voortgezet. Artikel 12a Woningwet bepaalde dat in die welstandsnota in ieder geval de criteria zijn opgenomen die het bevoegd gezag toepast bij de beoordeling of het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk waarop de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk betrekking heeft, zowel op zichzelf beschouwd, als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd zijn met redelijke eisen van welstand.
Anders dan in artikel 12a Woningwet spreekt artikel 4.19 Omgevingswet alleen nog maar van regels over het uiterlijk van bouwwerken, en niet over uiterlijk en de plaatsing van bouwwerken. Dat neemt niet weg dat het beoordelingscriterium wel betrekking kan hebben op zowel het uiterlijk als de plaatsing van bouwwerken. En over dat laatste kunnen dan eveneens beleidsregels worden vastgesteld (zij het dat daartoe uit artikel 4.19 Omgevingswet geen verplichting volgt).
In de beoordelingsregels die het preventieve welstandstoezicht vervangen, is gekozen om deze betrekking te laten hebben op uiterlijk en plaatsing van bouwwerken. Bepaald is dat de omgevingsvergunning voor een bouwwerk alleen wordt verleend als uiterlijk of plaatsing, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, geen onaanvaardbare afbreuk doet aan een goede omgevingskwaliteit. Daarmee wordt uitdrukking gegeven aan de wens de onder oud recht bestaande rechtspraktijk voort te zetten. Dat houdt tevens in dat de ruimte om bij de beoordeling over plaatsing van het bouwwerk mede wordt bepaald door de mate van concreetheid van de ruimtelijke regels over bouwwerken. De beoordeling van het uiterlijk en plaatsing van een bouwwerk dient zich net als onder oud recht te richten naar de bouwmogelijkheden die de ruimtelijke regels over bouwwerken, zoals opgenomen in afdeling 5.3 tot en met afdeling 5.7, bieden.
Hiermee wordt de lijn in de rechtspraak zoals die gold onder oud recht, voortgezet. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1139: “Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in de uitspraak van 10 april 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1129), dient de welstandstoets zich in beginsel te richten naar de bouwmogelijkheden die het geldende bestemmingsplan biedt. Naarmate het bestemmingsplan meer keuze laat tussen verschillende mogelijkheden om een bouwplan te realiseren, heeft het college - met inachtneming van de uitgangspunten van het bestemmingsplan - meer beoordelingsruimte om in het kader van de welstandstoets een ter beoordeling voorliggend bouwplan in strijd met redelijke eisen van welstand te achten zonder dat dat oordeel geacht moet worden te leiden tot een belemmering van de verwezenlijking van de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. Indien echter uit de voorschriften en de systematiek van het bestemmingsplan volgt dat zulk een keuze niet of slechts in beperkte mate aanwezig is - met name indien de bebouwingsmogelijkheden daarin gedetailleerd zijn aangegeven - vormt die opzet bij de welstandstoets een dwingend gegeven.”.
Een voortzetting van deze lijn houdt concreet in dat naarmate de ruimtelijke regels over bouwwerken in het omgevingsplan, zoals opgenomen in afdeling 5.3 tot en met afdeling 5.7 meer keuze laat tussen verschillende mogelijkheden om een bouwplan te realiseren, het college meer ruimte heeft om in het kader van de beoordeling van het bouwplan het bouwplan in strijd te achten met een goede omgevingskwaliteit. Andersom geldt dat indien uit de ruimtelijke regels over bouwwerken volgt dat een keuze niet of nauwelijks aanwezig is, deze bij de beoordeling als dwingend gegeven moeten worden beschouwd.
Excessenregeling voor bestaande bouwwerken en vergunningvrije bouwwerken
Voor bestaande bouwwerken en bouwwerken waarvoor de vergunningplicht voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken niet geldt, geldt net als onder oud recht een excessenregeling. Voor vergunningvrije bouwwerken is dat nodig omdat die niet vooraf door de gemeenten worden getoetst op welstand. Daartoe was in artikel 22.7, dat bij wijze van bruidsschat onderdeel is geworden van het omgevingsplan, bepaald dat de volgende bouwwerken niet in ernstige mate in strijd mogen zijn met redelijke eisen van welstand:
bestaande bouwwerken, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, en
te bouwen bouwwerken waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit nodig is
Bij een welstandsexces is er ernstige strijd met redelijke eisen van welstand. Dus buitensporigheden in het uiterlijk, die ook voor niet-deskundigen duidelijk zijn. Eventuele welstandsexcessen kan de gemeente via het zogeheten repressief welstandstoezicht aanpakken. Repressief welstandstoezicht wil zeggen dat de gemeente kan handhaven en zo aan de ongewenste situatie een einde kan maken.
Het genoemde artikel 22.7 is omgezet naar artikel 4.6. Het begrippengebruik is daarbij omgezet naar nieuw recht.
10.4.2.2.8 Beoordelingsregels, vergunningvoorschriften en aanvraagvereisten (subparagraaf 4.2.4 van de regels)
[Gereserveerd]
10.4.2.2.9 Toets aan ruimtelijke regels over bouwwerken, mogelijkheid om van die regels af te wijken (subparagraaf 4.2.4.2 van de regels)
Zoals hiervoor is vermeld, wordt een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken beoordeeld aan de hand van een de beoordelingsregels, opgenomen in paragraaf 4.2.4 van het omgevingsplan. Onderdeel van die beoordeling is een toets aan de ruimtelijke regels over bouwwerken (artikel 4.40). Daar waar het onder oud recht vastgestelde bestemmingsplan nog niet is vervangen, wordt getoetst aan de daarin opgenomen ruimtelijke regels. Daar waar dat bestemmingsplan al wel is vervangen, wordt getoetst aan de ruimtelijke regels over bouwwerken, zoals opgenomen in hoofdstuk 5.
Deze algemene ruimtelijke regels hebben betrekking op bouwwerken, ongeacht of voor een bouwwerk de vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken van toepassing is. Bij bouwwerken waarvoor de vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken niet van toepassing is, is het de initiatiefnemer zelf die ervoor zorg moet dragen dat aan deze algemene regels wordt voldaan. Er vindt vooraf immers geen toets plaats door het bevoegd gezag. Bij bouwwerken waarvoor de vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wel geldt, vindt er (net als onder de toenmalige Wabo) een (preventieve) toets aan de ruimtelijke regels over bouwwerken plaats. Dat wordt geregeld met artikel 4.40. De daarin opgenomen beoordelingsregel houdt in dat de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken alleen wordt verleend als de omgevingsplanactiviteit bouwwerken niet in strijd is met artikel 5.2. Daarin is in het eerste lid bepaald dat een bouwwerk uitsluitend mag worden gebouwd, in stand gehouden en gebruikt op een wijze die in overeenstemming is met de in hoofdstuk 5 opgenomen ruimtelijke regels over bouwwerken.
Als een initiatief in strijd is met artikel 5.2, dan moet de vergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken op grond van 4.40 worden geweigerd. In die gevallen zou medewerking alleen kunnen worden verleend met een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Een dergelijke afwijkvergunning is vergelijkbaar met de buitenplanse afwijkmogelijkheid die er ook onder de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht was.
De afwijkmogelijkheid op grond van de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht had betrekking op:
in het bestemmingsplan of de beheersverordening aangewezen gevallen (de zogenoemde binnenplanse afwijkmogelijkheid)
bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen (de zogenoemde kruimelgevallen, waarop de reguliere procedure van toepassing was)
overige gevallen (waarop de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing was).
De Omgevingswet maakt dit onderscheid niet meer, maar laat wel ruimte aan gemeenten om zelf in het omgevingsplan te voorzien in afwijkmogelijkheden. In het omgevingsplan voor Neder-Betuwe is daarvoor gekozen. Die mogelijkheid is opgenomen in subsubparagraaf 4.2.4.3.1 van het omgevingsplan.
Voor de systematiek is van belang dat de mogelijkheid om af te wijken van de ruimtelijke regels over bouwwerken is gekoppeld aan de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Onder de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht bestond er voor zowel de activiteit bouwen van een bouwwerk (artikel 2.1, eerste lid, onder a Wabo) als voor de activiteit afwijken van het bestemmingsplan (artikel 2.1, eerste lid, onder c Wabo) een afzonderlijke vergunningplicht. In het omgevingsplan is ervoor gekozen dat niet te doen. De afweging of in afwijking van de ruimtelijke regels over bouwwerken medewerking kan worden verleend, wordt gemaakt in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken.
De keuze voor een afwijkmogelijkheid voorkomt dat medewerking slechts kan worden verleend met een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
10.4.2.2.10 Samenvatting van het stelsel voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken, opgenomen in het omgevingsplan
Hoewel het bouwvergunningstelsel met de ‘knip’ tussen de bouwtechnische en ruimtelijke bouwactiviteit, en opname van een vergunningplicht voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken in het omgevingsplan, aanzienlijk is gewijzigd ten opzichte van de situatie onder oud recht, zijn veel elementen behouden. Voor een initiatiefnemer die een bouwwerk wil gaan realiseren betekent het nieuwe stelsel op hoofdlijnen dat de hierna volgende route moet worden afgelegd.
Uitgangspunt is dat er voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken een vergunningplicht geldt. Dat is bepaald in artikel 4.22. Daarnaast moet de initiatiefnemer de regels voor de technische bouwactiviteit, zoals opgenomen in het Besluit bouwwerken leefomgeving, volgen. Het onderstaande heeft alleen betrekking op de ruimtelijke bouwactiviteit, zoals gereguleerd door middel van het omgevingsplan: de omgevingsplanactiviteit bouwwerken.
Op de in artikel 4.22 van het omgevingsplan opgenomen vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken gelden uitzonderingen.
Voor wat betreft de uitzonderingen op de vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken moet een initiatiefnemer eerst kijken in artikel 2.29 en 2.30 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of een voorgenomen bouwactiviteit vrijgesteld is van regels in het omgevingsplan. Is dat het geval, dan geldt dat de bouwactiviteit ongeacht wat het omgevingsplan daarover bepaalt, mag worden uitgevoerd. Er gelden echter uitzonderingen:
is het te realiseren bouwwerk opgenomen in artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, dan is het bouwwerk in beginsel zonder omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken toegestaan.
is echter één van de uitzonderingen, genoemd in artikel 2.30 van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing, dan gelden alsnog de regels uit het omgevingsplan.
Als het te realiseren bouwwerk niet is opgenomen in artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, of als dat wel het geval is, maar één van de uitzonderingen van artikel 2.30 van het Besluit bouwwerken leefomgeving is van toepassing, dan moet worden bekeken of op grond van het omgevingsplan een vergunningplicht geldt of niet. Daarvoor wordt gekeken in paragraaf 4.2.3. Deze paragraaf geeft gevallen aan waarvoor de vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken niet geldt:
Valt het te realiseren bouwwerk niet onder deze paragraaf, dan geldt de vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken.
Valt het te realiseren bouwwerk wel onder deze paragraaf, dan geldt in beginsel dat de vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken niet van toepassing is. Hierop gelden op grond van artikel 4.37 en 4.38 echter uitzonderingen. Als dat artikel van toepassing is, geldt alsnog de vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken.
Valt het te realiseren bouwwerk onder de reikwijdte van paragraaf 4.2.3 en is er geen uitzondering van toepassing, dan geldt er geen vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Dat betekent nog niet dat het bouwwerk zondermeer mag worden gerealiseerd. Nog altijd moet worden voldaan aan de ruimtelijke regels over bouwwerken. Dat bepaalt artikel 5.2.
10.4.3 Omgevingsplanactiviteit slopen van een bouwwerk (afdeling 4.3 van de regels)
10.4.3.1 Vergunningplichtige sloopactiviteiten ter plaatse van integrale ensembles
Paragraaf 4.3.1 reguleert de omgevingsplanactiviteit slopen binnen een integraal ensemble. Onder een omgevingsplanactiviteit slopen wordt verstaan een omgevingsplanactiviteit bestaande uit het geheel of gedeeltelijk afbreken van een bouwwerk.
Voor de activiteit slopen was op grond van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in een aantal gevallen een omgevingsvergunning verplicht (artikel 2.1 en artikel 2.2 Wabo).
Dit betrof:
het slopen van een bouwwerk in gevallen waarin dat in een bestemmingsplan, beheersverordening of voorbereidingsbesluit was bepaald (artikel 2.1 lid 1 onder g Wabo);
het slopen van een bouwwerk in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht (artikel 2.1 lid 1 onder h Wabo); en
het slopen van een bouwwerk binnen een gemeentelijk of provinciaal aangewezen stads- of dorpsgezicht, mits deze sloopactiviteit in de verordening als vergunningplichtig was aangemerkt (artikel 2.2 lid 1 onder c Wabo).
Voor integrale ensembles bevatte het bestemmingsplan Parapluplan 2023 een vergunningplicht voor het geheel of gedeeltelijk afbreken van een bouwwerk. Deze vergunningplicht wordt met paragraaf 4.3.1 overgenomen.
Daarnaast kunnen ook onder oud recht vastgestelde bestemmingsplannen die betrekking hebben op beschermde gezichten, sloopvergunningsregelingen bevatten. Al deze regelingen zijn of worden op termijn vervangen met het omgevingsplan. De vergunningplicht voor het slopen van een bouwwerk in gevallen waarin dat in een bestemmingsplan, beheersverordening of voorbereidingsbesluit is bepaald, blijft vooralsnog van toepassing op grond van die afzonderlijke in het betreffende plan opgenomen regeling. De regelingen zijn immers inclusief sloopvergunningplicht opgegaan in het omgevingsplan.
10.4.4 Hemelwaterafvoer bij bouwwerken
De regels in deze paragraaf zijn afkomstig uit de Verordening afvoer van hemelwater Neder-Betuwe die bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet van rechtswege onderdeel werd van het tijdelijk deel van dit omgevingsplan. Met de inwerkingtreding van deze paragraaf is deze verordening ingetrokken. De Hemelwaterverordening is beleidsneutraal omgezet waarbij slechts enkele technische aanpassingen zijn doorgevoerd. De inhoudelijke eisen zijn hetzelfde. Een belangrijk verschil ten opzichte van oude situatie is dat de eisen niet meer in een 'losse' regeling zijn opgenomen, maar zijn geïntegreerd in het omgevingsplan. Hierdoor worden omgevingsvergunningen voor het omgevingsplanactiviteit bouwwerken ook aan deze paragraaf getoetst.
In hoofdstuk 5 zijn ruimtelijke regels over bouwwerken opgenomen. Voor een groot deel gaat het ruimtelijke regels over bouwwerken zoals die onder oud recht in bestemmingsplannen werden opgenomen. Het gaat om locatiegerichte regels, die bepalen wat waar gebouwd mag worden. Deze regels bepalen waar gebouwd mag worden, hoe hoog gebouwd mag worden, etcetera. Deze regels komen met name terecht in afdeling 5.3 tot en met afdeling 5.7.
Als bouwwerken voldoen aan de ruimtelijke regels over bouwwerken, zoals opgenomen in dit hoofdstuk, zijn ze in principe (ruimtelijk) aanvaardbaar. Dat betekent echter niet dat ze zondermeer mogen worden gerealiseerd en in gebruik genomen. Voor het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk geldt immers een vergunningplicht. Die is geregeld in artikel 4.22. Er is voor een vergunningplicht voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken gekozen omdat een vergunningplicht het mogelijk maakt het concrete bouwvoornemen op een aantal aspecten te toetsen die zich niet laten vangen in vooraf, op planniveau vast te stellen concrete en objectieve normen. Meer toelichting daarop is te lezen in paragraaf 10.4.2. Een van de aspecten waarop een vergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt beoordeeld, is passendheid binnen de ruimtelijke regels over bouwwerken, zoals opgenomen in dit hoofdstuk (artikel 4.40).
In artikel 5.6 is een ruimtelijke bouwregel opgenomen die een koppeling legt met het gebruik dat is toegestaan. Hiermee wordt gewaarborgd dat er alleen gebouwd mag worden ten behoeve van het gebruik van gronden zoals het omgevingsplan dit toestaat in hoofdstuk 2 van dit omgevingsplan. In het artikel wordt ook een koppeling gelegd met gebruik zoals dat door een omgevingsvergunning (voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of op grond van artikel 2.1 sub c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht) wordt toegestaan.
De afdelingen 5.3 tot en met 5.7 bevatten locatiegerichte ruimtelijke regels over bouwwerken, zoals die onder oud recht in bestemmingsplannen werden opgenomen. Ze bepalen waar gebouwd mag worden, in welke omvang, welke bouwhoogte is toegestaan, en de mogelijkheid aanvullende bouwregels te stellen.
Er is de volgende onderverdeling gemaakt.
Gebouwen (afdeling 5.3 )
Afdeling 5.3 bevat ruimtelijke regels over gebouwen. Wat onder een gebouw wordt verstaan is bepaald in bijlage I van de Omgevingswet. Het betreft een bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
In deze afdeling worden eerst enkele hoofdregels gesteld. Zo wordt bepaald waar gebouwen mogen komen. Het gaat daarbij om zowel bovengrondse als ondergrondse gebouwen. De afdeling bevat tevens regels die bepalen wat de maximum bouwhoogte is.
Verder kunnen regels van toepassing zijn over bijvoorbeeld de goothoogte, de minimale hoogte van de eerste bouwlaag, het bebouwd oppervlakte dat is toegestaan, etcetera.
Bijbehorende bouwwerken (afdeling 5.4)
Afdeling 5.4 bevat regels over bijbehorende bouwwerken. De afdeling maakt onderscheid in:
bijbehorende bouwwerken bij een (bedrijfs)woning: artikel 5.26 geeft aan onder welke voorwaarden bijbehorende bouwwerken bij een (bedrijfs)woning ruimtelijk aanvaardbaar zijn. Voor bijbehorende bouwwerken binnen de Bouwaanduiding bouwvlak gelden de regels van afdeling 5.3. Indien het bijbehorende bouwwerk voldoet aan het bepaalde in artikel 4.27 is geen omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken nodig. Voor bijbehorende bouwwerken binnen de Bouwaanduiding bijbehorende bouwwerken toegestaan geldt het bepaalde in het vierde lid van artikel 5.26. Indien het bijbehorende bouwwerk voldoet aan het bepaalde in artikel 4.27 is geen omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken nodig.
Voor een aantal bijbehorende bouwwerken is een specifieke regeling opgenomen. Dit geldt met name voor erkers en carports.
Bouwwerken geen gebouwen zijnde (afdeling 5.5 )
Afdeling 5.5 bevat regels over bouwwerken geen gebouw zijnde. Op grond van bijlage I van het Besluit bouwwerken leefomgeving wordt daaronder verstaan een bouwwerk of gedeelte daarvan, voor zover dat geen gebouw of onderdeel daarvan is.
Als uitgangspunt is bepaald dat de maximum bouwhoogte van een bouwwerk geen gebouw zijnde 1 meter bedraagt. Daarop kunnen allerlei locatiespecifieke uitzonderingen van toepassing zijn.
Specifieke regels over bouwwerken (afdeling 5.6 )
Afdeling 5.6 bevat regels over bijzondere bouwwerken, zoals een dierenverblijf en garageboxen.
Specifieke regels over locaties (afdeling 5.7 )
Afdeling 5.7 biedt ruimte voor allerlei regels over bouwwerken. Het gaat veelal om locatiegerichte regels met maatwerk die betrekking hebben op specifieke locaties.
In hoofdstuk 6 zijn regels opgenomen die betrekking hebben op specifieke verplichtingen voor met name nieuwe ontwikkelingen / initiatieven. De specifieke verplichtingen kunnen betrekking hebben op het van toepassing zijn van zogenaamde 'kwaliteitsplannen' zoals een beeldkwaliteitsplan of een landschappelijk inpassingsplan. Via een link in de bijlagen IV (landschappelijke inpassingsplannen) V (stedenbouwkundige plannen), VI (beeldkwaliteitsplannen) zijn deze 'kwaliteitsplannen' te raadplegen. Naast de kwaliteitsplannen zijn in hoofdstuk 6 specifieke verplichtingen op het gebied van water, klimaatadaptatie, geluid, externe veiligheid en groen opgenomen. Deze verplichtingen zijn gekoppeld aan concrete locaties.
Hoofdstuk 7 bevat regels over het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden. Het hoofdstuk bevat vergunningplichten voor het uitvoeren van bepaalde werken die geen bouwwerken zijn of voor het uitvoeren van bepaalde werkzaamheden.
Onder de Wet ruimtelijke ordening kon voor dergelijke activiteiten een aanlegvergunningplicht worden opgenomen in het bestemmingsplan. In dit omgevingsplan worden analoog daaraan activiteiten die bestaan uit het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, kortheidshalve aangeduid als aanlegactiviteit. In bijlage I van de regels is bepaald dat onder een aanlegactiviteit wordt verstaan een omgevingsplanactiviteit bestaande uit het uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid.
Er zijn verschillende doelen met het oog waarop een aanlegvergunningstelsel nodig kan zijn. Dergelijke vergunningstelsels gelden, gelet op die doelen, alleen binnen bepaalde gebieden. Na een algemene afdeling, waarin het toepassingsbereik van het hoofdstuk wordt geregeld, wordt in een afzonderlijke afdeling per onderscheiden belang een vergunningstelsel in het leven geroepen.
10.7.2 Afdeling 7.2 Beschermingszone archeologie
Deze afdeling bevat regels, gesteld met het oog op het belang van het behoud van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Met deze regels wordt uitvoering gegeven aan de instructieregels, opgenomen in artikel 5.130 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Daarin is bepaald dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Met het oog op het belang van het behoud van cultureel erfgoed worden in een omgevingsplan in ieder geval regels gesteld ter bescherming van daarvoor in aanmerking komend cultureel erfgoed, waarbij rekening wordt gehouden met de beginselen van het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur in situ. In het belang van de archeologische monumentenzorg kunnen regels worden gesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie of aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden.
Om hieraan uitvoering te geven is een vergunningplicht in het leven geroepen die van toepassing is op aanlegactiviteiten die het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten, kunnen schaden.
In artikel 7.4 is als uitgangspunt een vergunningplicht opgenomen voor het verrichten van de in dat artikel bedoelde activiteiten. In de regels die hierop volgen worden achtereenvolgens de uitzonderingen op de vergunningplicht aangegeven (artikel 7.5), de beoordelingsregels gegeven op basis waarvan de vergunning al dan niet kan worden verleend (artikel 7.6), de aanvraagvereisten gesteld (artikel 7.7) en de mogelijkheid tot het verbinden van voorschriften geboden (artikel 7.8).
10.7.3 Afdeling 7.3 Beschermingszone integraal ensemble
Afdeling 7.3 bevat regels, gesteld met het oog op het behoud, de bescherming en het herstel van integrale ensembles die van algemeen belang zijn vanwege hun schoonheid, onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang van de samenstellende onroerende zaken of hun wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde.
Met deze regels wordt uitvoering gegeven aan de instructieregel, opgenomen in artikel 5.130 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Dat artikel bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Met het oog op het belang van het behoud van cultureel erfgoed worden in een omgevingsplan in ieder geval regels gesteld ter bescherming van daarvoor in aanmerking komend cultureel erfgoed.
Elders in dit omgevingsplan is met het oog daarop onder meer een sloopvergunningstelsel in het leven geroepen. Ook bij het vaststellen van ruimtelijke regels over bouwwerken voor een betreffend gebied wordt met de waarde van beschermd gezicht rekening gehouden.
Ten aanzien van overige activiteiten wordt aan artikel 5.130 Besluit kwaliteit leefomgeving uitvoering gegeven door een vergunningplicht in het leven te roepen voor aanlegactiviteiten die van invloed kunnen zijn op het beschermde gezicht.
10.7.4 Afdeling 7.4 Waterkering
Afdeling 7.4 bevat regels (een omgevingsvergunningplicht voor werken en werkzaamheden) die zijn gesteld met het oog op de bescherming van de waterkering. De regeling is een vertaling van de regeling die ook reeds in de bestemmingsplannen van de gemeente Neder-Betuwe was opgenomen. Met deze regeling wordt uitvoering gegeven aan de instructieregel zoals opgenomen in artikel 5.38 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Dat artikel bepaalt dat het omgevingsplan moet borgen dat bij het toelaten van activiteiten geen belemmeringen ontstaan voor de instandhouding, het onderhoud of de versterking van de primaire waterkering.
10.7.5 Afdeling 7.5 Natuur
Afdeling 7.5 bevat regels (een omgevingsvergunningplicht voor werken en werkzaamheden) die zijn gesteld met het oog op het behoud van de natuurlijke en landschappelijke waarden van de gronden.
10.7.6 Afdeling 7.6 Landelijk groen
Afdeling 7.6 bevat regels waarmee een omgevingsvergunningplicht wordt geïntroduceerd voor het aanleggen van oppervlakteverhardingen. De regeling heeft betrekking op de gronden die zijn aangeduid als landelijk groen. Dit zijn private gronden die bijdragen aan het groene karakter van de verschillende kernen. De gronden worden voornamelijk gebruikt voor grasvelden en weilanden. Met deze regeling wordt het groene karakter van de betreffende percelen gewaarborgd.
10.7.7 Afdeling 7.7 Agrarisch met waarden
Afdeling 7.7 bevat regels (een omgevingsvergunningplicht voor werken en werkzaamheden) die tot doel hebben om de natuurwaarden, cultuurhistorische waarden en landschappelijke waarden van de gronden te beschermen. De regels hebben betrekking op agrarische percelen met bijzondere waarden. Het verrichten van de in artikel 7.38 genoemde (aanleg)activiteiten is niet toegestaan zonder omgevingsvergunning. Naar aanleiding van een aanvraag om omgevingsvergunning beoordeelt het college van burgemeester en wethouders of de genoemde natuurwaarden, cultuurhistorische waarden en landschappelijke waarden van de gronden in de weg staan van het verrichten van de voorgenomen (aanleg)activiteiten.
10.7.8 Afdeling 7.8 Rioolleiding
Afdeling 7.8 bevat regels die tot doel hebben om de in de gronden aanwezige rioolleiding te beschermen. Het verrichten van de in artikel 7.45 genoemde (aanleg)activiteiten is niet toegestaan zonder omgevingsvergunning. Naar aanleiding van een aanvraag om omgevingsvergunning beoordeelt het college van burgemeester en wethouders of de voorgenomen (aanleg)activiteiten de rioolleiding kunnen aantasten. Voordat het college van burgemeester en wethouders een besluit op de aanvraag nemen vragen zij de leidingbeheerder om advies.
In dit hoofdstuk zijn regels over milieubelastende activiteiten gesteld, bijvoorbeeld regels over geluid, het opslaan van mest en het bereiden van voedingsmiddelen. De meeste milieuregels zijn afkomstig uit de zogenaamde bruidsschat, milieuregels van het Rijk die met de inwerkingtreding van de Omgevingswet aan gemeenten zijn overgedragen. De meeste van deze milieuregels stonden voorheen in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
Decentralisatie van milieuregels
Onder de Omgevingswet verandert het reguleren van milieuaspecten aanzienlijk. Voorheen stelde het Rijk milieuregels aan zogenaamde inrichtingen. Voor inrichtingen die geen (milieu)vergunning nodig hadden, werden algemene verbindende voorschriften in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de voormalige Activiteitenregeling milieubeheer opgenomen.
De integrale stelselherziening heeft ertoe geleid dat het Rijk een stap terug heeft gedaan op het gebied van milieu. Het Rijk stelt nu alleen regels aan de zwaardere milieubelastende activiteiten in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Deze zware milieubelastende activiteiten die in het Bal zijn aangewezen, worden ‘Bal-mba’s’ genoemd. Voor de overige milieubelastende activiteiten (‘niet Bal-mba’s’), zoals winkels, scholen, horeca, kantoren, etc. kunnen gemeenten regels stellen in het omgevingsplan.
Ook milieuaspecten die slechts lokaal effecten hebben, zoals geluid, trillingen, geur en lokale lozingen zijn gedecentraliseerd. Het is nu ook aan gemeenten om in het omgevingsplan regels te stellen over deze onderwerpen. De regels over deze onderwerpen gelden ook voor de activiteiten waarvoor regels zijn gesteld in het Bal (‘Bal-mba’s’).
De bruidsschat en omzetting naar het nieuwe deel van het omgevingsplan
Het Rijk heeft de milieuregels voor niet Bal-mba’s en lokale milieuaspecten als ‘bruidsschat’ aan de gemeenten overgedragen. Deze regels maakten op het moment van de inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan dat van rechtswege ontstond. De milieuregels werden in afdeling 22.3 opgenomen.
Gemeenten hebben tot 1 januari 2031 de tijd om deze bruidsschat regels om te zetten naar het nieuwe deel van het omgevingsplan. Het is in principe aan gemeenten om te bepalen welke regels ze willen behouden en welke regels ze (al dan niet in aangepaste vorm) willen omzetten. De regels in het omgevingsplan moeten er voor zorgen dat in de gemeente sprake is van een evenwichtige toedeling van functie aan locaties. Dit houdt onder meer in dat gevolgen van milieubelastende activiteiten voor de omgeving, zoals geur, geluid, trilling of licht aanvaardbaar zijn. Het Rijk heeft in het Besluit kwaliteit leefomgeving instructieregels hierover, die in acht genomen moeten worden. Bijvoorbeeld voor het aspect geluid geeft het Rijk bepaalde randvoorwaarden waar de regels van dit omgevingsplan aan moeten voldoen.
Het uitgangspunt voor de omzetting van de bruidsschat in de gemeente Neder-Betuwe was dat deze zo veel mogelijk beleidsneutraal plaatsvindt. Als later nieuw beleid wordt gemaakt, bijvoorbeeld over geur, dan kan dat aanleiding geven om de milieuregels te herzien.
Op het uitgangspunt van beleidsneutrale omzetting is een uitzondering gemaakt als het Besluit kwaliteit leefomgeving ertoe noopt. Met name voor geluid heeft het Rijk een beleidsvernieuwing uitgevoerd (zie paragraaf 10.8.4.2 van deze toelichting). Bij de omzetting van de bruidsschatregels is ook gekeken naar de voorgangers van de bruidsschat. Soms is er voor gekozen om met de regels in hoofdstuk 8 dichter bij de voorgangers aan te sluiten omwille van de herkenbaarheid.
Uitrol van de milieuregels
Het gehele hoofdstuk kan in een keer voor heel Neder-Betuwe worden vastgesteld. De nieuwe regels gaan dan direct overal gelden. Als bij de gebiedsgewijze uitrol van de ruimtelijke regels blijkt dat de algemene milieuregels in een bepaald gebied niet passend of niet geschikt zijn, dan kan per gebied of voor een specifieke locatie een afwijkende norm opgenomen worden. De milieuregels die gebiedsafhankelijk zijn, worden dan ook per deelgebied (Kernen, Buitengebied, Bedrijventerreinen uitgerold). De afwijkende norm moet uiteraard ook voldoen aan het Besluit kwaliteit leefomgeving. Ook moet zorgvuldig gemotiveerd worden waarom afwijkende regels in dat gebied nodig zijn.
Verhouding tot het Besluit activiteiten leefomgeving
De regels in dit omgevingsplan gelden (tenzij expliciet anders bepaald) ook voor de Bal-mba’s. Dit geldt met name voor de activiteit-overstijgende aspecten, zoals geur, geluid en trillingen.
Sommige activiteiten waarover het Rijk geen regels meer stelt, kunnen ook plaatsvinden bij Bal-mba’s. Maaltijden worden bijvoorbeeld niet alleen in restaurants voorbereid, maar ook in de bedrijfskantine van grote industriële fabrieken. Voor kleinschalige voedselbereiding worden regels in dit omgevingsplan gesteld. Deze regels gelden dus ook voor de Bal-mba’s. Dit geldt ook voor het lozen op het riool en op of in de bodem.
In het omgevingsplan is het verder mogelijk om regels te stellen die het Bal aanvullen of daarvan afwijken. Dergelijke regels worden maatwerkregels genoemd.
10.8.2 Het begrip milieubelastende activiteiten
De Omgevingswet gebruikt het begrip 'inrichting' niet meer, maar een bredere term ‘milieubelastende activiteit’. Daaronder wordt een activiteit verstaan die ‘nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringstechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit’. Nadelige gevolgen voor het milieu kunnen bijvoorbeeld zijn emissies van stoffen, geluid of geur naar de omgeving, of gevolgen voor de veiligheid of CO2 uitstoot.
Deze begripsbepaling is zeer ruim en omvat dus een breed scala aan activiteiten met grote verschillen in aard en omvang van de gevolgen voor het milieu. Dit begrip is ook breder dan het begrip ‘inrichting’ uit de voormalige Wet milieubeheer. Naast bedrijfsmatige activiteiten, zoals cafés, garages of grote industriële fabrieken, die voorheen als inrichting werden beschouwd, zijn ook milieubelastende activiteiten onder meer:
activiteiten bij particulieren, zoals het in werking hebben van een open haard of een lozing van afvalwater in het gemeentelijk rioolstelsel;
kortstondige en eenmalige activiteiten, denk aan het houden van evenementen, bouw- en sloopwerkzaamheden of activiteiten in de openbare ruimte;
activiteiten zonder vaste locatie, bijvoorbeeld het rondrijden met een omroepwagen.
De meeste regels in hoofdstuk 8 gelden niet voor alle milieubelastende activiteiten, maar alleen naar een specifieke groep van activiteiten (met name bedrijfsmatige activiteiten met een vaste locatie, voorheen inrichtingen). In de volgende paragraaf 10.8.3 wordt dit nader toegelicht.
Afdeling 8.1
De regels in afdeling 8.1 gelden voor alle milieubelastende activiteiten, dus ook bij voorbeeld voor wonen, voor eenmalige en kortstondige activiteiten of activiteiten in de openbare ruimte. Deze afdeling bevat algemene (overkoepelende) bepalingen voor de volgende twee afdelingen en een zorgplichtbepaling voor alle milieubelastende activiteiten.
Afdeling 8.2
De milieuregels van afdeling 8.2 stonden voorheen in afdeling 22.3 van (het tijdelijk deel van) dit omgevingsplan (de bruidsschat voor milieubelastende activiteiten) en zijn vooral afkomstig uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de voormalige Activiteitenregeling milieubeheer. Die regels waren alleen van toepassing op zogenaamde ‘inrichtingen’ ('elke door de mens bedrijfsmatige of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht').
Deze afdeling is verder onderverdeeld in drie paragrafen:
paragraaf 8.2.1 bevat algemene / inleidende bepalingen.
in paragraaf 8.2.2 staan regels voor activiteit-overstijgende aspecten, zoals energiebesparing, geluid, trillingen, en geur, die dus voor alle mba’s gelden.
in paragraaf 8.2.3 staan regels die alleen voor specifieke activiteiten gelden. Samenhangende activiteiten (bv. activiteiten met voedsel) zijn in subparagrafen bij elkaar gezet.
Deze structuur sluit aan bij die van het voormalige Activiteitenbesluit en het bevordert de inzichtelijkheid en vindbaarheid van de regels.
Afdeling 8.3
Afdeling 8.3 gaat over het lozen op het riool of de bodem. Paragraaf 8.3.1 geldt alleen voor lozingen uit huishoudens en bevat regels die voorheen in het Besluit lozing afvalwater huishoudens (Blah) stonden. Hiermee is voor particulieren in één oogopslag helder aan welke lozingseisen zij moeten voldoen.
Paragraaf 8.3.2 geldt voor de overige lozingen. Deze regels stonden voorheen in het Activiteitenbesluit (voor zover uit een inrichting werd geloosd) of in het Besluit lozingen buiten inrichtingen (Blbi).
10.8.4.1 Ruime maatwerkmogelijkheid
Het is mogelijk om voor een individueel geval met een zogenaamd ‘maatwerkvoorschrift' af te wijken van alle bepalingen van hoofdstuk 8 of deze aan te vullen. Dat is geregeld in artikel 8.5. Dit is een belangrijk verschil met het voormalige Activiteitenbesluit. Onder het Activiteitenbesluit bestond deze mogelijkheid alleen in specifiek aangewezen gevallen. In de bruidsschat was maatwerk generiek mogelijk gemaakt voor alle (inhoudelijke) bepalingen. Deze ruime maatwerkmogelijkheid is in de omgevingsplanregels overgenomen.
Zoals in paragraaf 10.8.1 onder het kopje 'Uitrol van de milieuregels' staat aangegeven, is het vertrekpunt van dit omgevingsplan dat een algemene norm wordt gesteld. Van de algemene norm kan afgeweken worden. Dat kan voor een individuele activiteit door middel van een maatwerkvoorschrift, of de gemeenteraad kan voor een bepaald gebied of voor een bepaald type activiteit (bijvoorbeeld voor alle tankstations) generiek een afwijkende norm vaststellen door wijziging van dit omgevingsplan. Aanleiding van de afwijking kan zijn de aard of locatie van de activiteit of cumulatie van milieugevolgen afkomstig van meerdere bedrijfsmatige activiteiten gezamenlijk. De andere waarden kunnen hogere of lagere waarden zijn. Bij geluid is het ook mogelijk om een waarde in een andere dosismaat te stellen, bijvoorbeeld dB(C) voor laagfrequent geluid. Hiernaast is het ook mogelijk om technische voorzieningen of gedragsregels voor te schrijven. Ook bij deze besluiten geldt als randvoorwaarde dat aan de instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving voldaan moet worden.
Zoals hierboven aangegeven, geluid is één van de aspecten waarover het Rijk geen regels meer stelt. Het feit dat het Rijk zelf geen rechtstreeks geldende geluidregels aan individuele bedrijven stelt, betekent niet dat dit onderwerp helemaal los gelaten wordt. Het Rijk stelt in het Besluit kwaliteit leefomgeving instructieregels over geluid. De kernbepaling is de eis van ‘aanvaardbaarheid’ zoals opgenomen in artikel 5.59 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Het eerste lid van dat artikel verplicht om in het omgevingsplan rekening te houden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen. Dit is een concretisering van het beginsel van ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ waar het omgevingsplan invulling aan geeft. Rekening houden met het geluid afkomstig van activiteiten werkt twee kanten op: bij het mogelijk maken van activiteiten nabij bestaande geluidgevoelige gebouwen, maar omgekeerd ook bij toelaten van geluidgevoelige gebouwen in de nabijheid van bestaande geluidproducerende activiteiten. Bij wijziging van het omgevingsplan moet deze instructieregel opgevolgd worden. Dit betekent ook dat bij wijziging van het omgevingsplan gemotiveerd moet worden waarom er sprake is van een akoestisch aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Het tweede lid van artikel 5.59 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bepaalt dat een omgevingsplan erin voorziet dat geluid door een activiteit op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Anders dan het eerste lid, dat primair een ruimtelijke insteek heeft bij de evenwichtige toedeling van functies aan locaties, heeft dit lid betrekking op de neerslag van die ruimtelijke afweging in concrete geluidregels in het omgevingsplan. Het gaat hierbij, anders dan in het eerste lid, om het geluid door een individuele activiteit. Het Besluit kwaliteit leefomgeving geeft in artikel 5.65 standaardwaarden en grenswaarden aan, waarmee in ieder geval wordt voldaan aan art. 5.59, tweede lid, Besluit kwaliteit leefomgeving. In afwijking van de standaardwaarden kan de gemeente echter aan de ‘aanvaardbaarheid’ ook voldoen door het gebruik van andere waarden (met inachtneming van de grenswaarde), geen waarden of gebruiksregels.
Ter uitvoering van het tweede lid van artikel 5.59 van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn de standaard- en grenswaarden van artikel 5.65 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in onderdeel 8.2.2.3.2 van de regels overgenomen. Deze gelden alleen voor milieubelastende activiteiten als bedoeld in afdeling 8.2 van de regels. Voor andere activiteiten waarop artikel 5.59 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van toepassing is, geldt de zorgplichtbepaling uit afdeling 8.1 van het omgevingsplan.
Beleidsvernieuwing piekgeluid
In het Besluit kwaliteit leefomgeving is een beleidsvernieuwing doorgevoerd ten aanzien van de regulering van maximale geluidniveaus (piekgeluid). Omdat piekgeluiden vooral een relatie hebben met slaapverstoring, worden voor de dagperiode geen verplichte eisen meer gesteld aan het maximale geluidniveau. Verder wordt onderscheid gemaakt tussen het aandrijfgeluid van transportmiddelen en overige piekbronnen. Voor aandrijfgeluid is kenmerkend dat het op het beoordelingspunt relatief langzaam toeneemt en afneemt, en daardoor ook relatief minder slaapverstoring geeft. Voor deze bron is de geluidwaarde in de avond- en nachtperiode verhoogd (de norm is versoepeld). De norm voor de overige bronnen wordt in de avond strenger.
Deze instructieregels zijn in Hoofdstuk 8 verwerkt. Bij tankstations blijft, net als in de bruidsschat, de voormalige norm voor piekgeluid in de dagperiode gehandhaafd vanwege de overlast van piekgeluiden (dichtslaande portieren) bij tankstations.
Net als geluid kunnen trillingen een nadelige invloed hebben op de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Trillingen hebben effect op de gezondheid (door hinder en slaapverstoring), op het welzijn, en ze kunnen ook materiële schade aan gebouwen en andere zaken veroorzaken.
Onder het voormalige recht vond de beoordeling van trillingen plaats in het kader van de ruimtelijke ordenings- en milieuregels. In artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening was de zorg voor een goede ruimtelijke ordening voorgeschreven. Mogelijke trillinghinder moest op grond daarvan worden betrokken in de beoordeling bij de toedeling van bestemmingen en de regels die met het oog daarop werden gesteld. Daarbij was de richtlijn Meet- en beoordelingsrichtlijnen voor trillingen van de Stichting Bouwresearch (SBR) een belangrijke tool. Daarnaast kende afdeling 2.9 van het Activiteitenbesluit milieubeheer al regels over trillinghinder door inrichtingen. Daarin werd verwezen naar deel B van de SBR-richtlijn (hinder voor personen in gebouwen). Bij inrichtingen die een omgevingsvergunning milieu nodig hadden op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht werden zo nodig voorschriften over trillingen opgenomen in die vergunning.
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het milieuthema trillingen (net als geluid en geur) gedecentraliseerd. Het Rijk stelt hierover geen algemene regels meer maar laat de regulering van trillingen over aan gemeenten. Wel geeft het Rijk randvoorwaarden in de vorm van instructieregels die zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Deze instructieregels hebben ook de SBR-richtlijn als basis.
De belangrijkste instructieregel is het vereiste van aanvaardbaarheid, zoals opgenomen in artikel 5.83 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Het eerste lid van dat artikel verplicht gemeenten om in het omgevingsplan rekening te houden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen. Dit is een concretisering van het beginsel van ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ waar het omgevingsplan invulling aan geeft. Rekening houden met trillingen door activiteiten werkt twee kanten op: bij het mogelijk maken van activiteiten nabij bestaande trillinggevoelige gebouwen, maar omgekeerd ook bij toelaten van trillinggevoelige gebouwen in de nabijheid van bestaande trillingen veroorzakende activiteiten.
Het tweede lid van artikel 5.83 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bepaalt dat een omgevingsplan erin voorziet dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Het gaat hierbij, anders dan in het eerste lid, om trillingen door een individuele activiteit. Het Besluit kwaliteit leefomgeving geeft standaardwaarden aan waarmee in ieder geval wordt voldaan aan artikel 5.83, tweede lid. In afwijking van de standaardwaarden kan de gemeente aan de ‘aanvaardbaarheid’ ook voldoen door het gebruik van andere waarden. Anders dan het voormalige Activiteitenbesluit bevat het Besluit kwaliteit leefomgeving ook standaardwaarden voor herhaald voorkomende trillingen.
Ter uitvoering van het tweede lid van artikel 5.83 van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn de standaardwaarden van artikel 5.87, eerste en tweede lid (voor continue trillingen) en artikel 5.87a, eerste en tweede lid (voor herhaald voorkomende trillingen) van het Besluit kwaliteit leefomgeving in deze subparagraaf 8.2.2.4 overgenomen. Daarnaast moet, zoals hiervoor opgemerkt, bij het toelaten van activiteiten voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties rekening worden gehouden met de aanvaardbaarheid van trillingen.
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet vindt een belangrijke verandering plaats ten aanzien het reguleren van geur. Anders dan voorheen stelt het Rijk geen algemene geurregels rechtstreeks aan individuele bedrijven. In de systematiek van de Omgevingswet is het omgevingsplan het primaire instrument voor de regulering van geur gelet op de voornamelijk lokale gevolgen ervan.
Het feit dat het Rijk zelf geen rechtstreeks geldende geurregels aan individuele bedrijven stelt, betekent niet dat dit onderwerp helemaal losgelaten wordt. Het Rijk stelt in het Besluit kwaliteit leefomgeving instructieregels over geur. Kernbepaling is de eis van ‘aanvaardbaarheid’ zoals opgenomen in artikel 5.92 van dat besluit.
Het eerste lid van dat artikel verplicht ertoe om in het omgevingsplan rekening te houden met de geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Dit is een concretisering van het beginsel van ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ waar het omgevingsplan invulling aan geeft. Rekening houden met de geur afkomstig van activiteiten werkt twee kanten op: bij het mogelijk maken van activiteiten nabij bestaande geurgevoelige gebouwen, maar omgekeerd ook bij toelaten van geurgevoelige gebouwen in de nabijheid van bestaande geurproducerende activiteiten.
Het tweede lid van artikel 5.92 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bepaalt dat een omgevingsplan erin voorziet dat de geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Het gaat hierbij, anders dan in het eerste lid, om de geur door een individuele activiteit.
Anders dan bij geluid en trillingen, geeft het Rijk geen generieke immissienormen aan waarmee de eis van aanvaardbaarheid ingevuld kan worden. Voor geur bestaan geen algemeen wetenschappelijk geaccepteerde gezondheidskundige normen. Uitzondering hierop zijn drie typen geurbronnen, die ook in de voorheen geldende regelgeving genormeerd waren, namelijk: zuiveringtechnische werken, het houden van landbouwhuisdieren en enkele andere agrarische activiteiten. De geureisen voor deze specifieke activiteiten worden geregeld op het moment dat het deelgebied Buitengebied in het omgevingsplan Neder-Betuwe wordt opgenomen.
Inleiding
Afdeling 8.3 gaat over het lozen op het riool of de bodem. Naast de regels in dit omgevingsplan zijn er ook regels over lozingen in het Besluit activiteiten leefomgeving (gesteld door het Rijk) en in waterschapsverordeningen (gesteld door waterschappen). In dit algemeen deel van de toelichting wordt beschreven welke lozingen en lozingsmogelijkheden er zijn, en waar deze geregeld worden.
Algemeen / achtergrond
Afvalwater komt vrij bij vele menselijke activiteiten, en kan op verschillende manieren worden afgevoerd. Een grote stroom is het huishoudelijk afvalwater: water afkomstig van de menselijke stofwisseling (toiletwater) en huishoudelijke werkzaamheden. Huishoudelijk afvalwater komt vrij bij particulieren, maar ook bij bedrijven, en wordt geloosd op het vuilwaterriool. Ook bij allerlei activiteiten ontstaat afvalwater, bijvoorbeeld het bemalen van een bouwput, het bereiden van voedsel in de horeca of bedrijfskantines of het opslaan van stoffen in de open lucht. Afhankelijk van de eigenschappen van het water moet dit op het vuilwaterriool geloosd worden, of kan het ook op een schoonwaterriool, op de bodem of op het oppervlaktewater worden geloosd.
Het vuilwaterriool voert afvalwater af naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI), waar vuil water van huishoudens en bedrijven wordt gezuiverd. In sommige gebieden is er daarnaast een apart rioolstelsel voor de afvoer van hemelwater (schoonwaterriool), waar ook ander relatief schoon water op geloosd kan worden, zoals grondwater dat vrijkomt bij ontwatering van een bouwput. In enkele delen van Neder-Betuwe is er geen apart schoonwaterriool, maar wordt vuilwater en hemelwater samen afgevoerd in een ‘gemengd (riool)stelsel’. In de regels wordt dit gemengd stelsel gezien als vuilwaterriool. In sommige gevallen kan schoon afvalwater direct op of in de bodem geloosd worden. Schoon afvalwater kan soms direct op het oppervlaktewater worden geloosd. De beheerder van het oppervlaktewater (het Rijk of een waterschap) stelt hier regels voor. Als geen van de genoemde lozingsmogelijkheden gewenst is dan kan afvalwater ook worden opgevangen en afgevoerd in tanks naar een locatie waar het verwerkt kan worden.
In dit omgevingsplan staan regels over het lozen op het riool en de bodem. Soms is het nodig om vóór het lozen een bestanddeel uit het water te halen, zoals vet of zand. Dan worden specifieke normen voor bepaalde stoffen voorgeschreven, of een voorziening om het water te zuiveren, zoals een vetvanger bij voedselbereiding om te voorkomen dat het riool verstopt raakt, of voor stoffen die nadelige effecten hebben voor het oppervlaktewater.
Ook het brengen van andere stoffen dan afvalwater in het riool valt onder de wettelijke definitie van lozen. Het riool is hier niet voor bedoeld, en dit zal in het algemeen dus in strijd zijn met de algemene zorgplicht; denk aan het weggieten van frituurvet of het doorspoelen van schoonmaakdoekjes.
Beleid over lozen
Bij het lozen van afvalwater geldt een voorkeursvolgorde. Deze voorkeursvolgorde is vastgelegd in artikel 10.29a Wet milieubeheer. Bij het vaststellen van het omgevingsplan moet met deze voorkeursvolgorde rekening worden gehouden. Het beste is als er zo min mogelijk afvalwater ontstaat, en dat het afvalwater dat ontstaat zo min mogelijk verontreinigingen bevat. Als het mogelijk is, dan heeft het de voorkeur als water wordt hergebruikt of als dat niet kan, wordt geloosd op de bodem of het oppervlaktewater. Zo worden het riool en de RWZI zo efficiënt mogelijk gebruikt.
De regels over lozingen hebben verschillende doelen. Eén van die doelen is om te zorgen dat bij het ontstaan van afvalwater zo veel mogelijk de voorkeursvolgorde wordt aangehouden. Daarnaast beperken de regels verontreiniging van de bodem en het oppervlaktewater, en beschermen ze de riolering en de zuivering.
Achtergrond van de lozingsregels is de wettelijke zorgplicht van de gemeente voor het inzamelen en transporteren van stedelijk afvalwater (vastgelegd in artikel 2.16 Omgevingswet). Dat betekent dat de gemeente verantwoordelijk is voor de aanleg en het beheer van de riolering waarmee het afvalwater wordt afgevoerd. Neder-Betuwe heeft gemeentelijk rioleringsprogramma vastgesteld waarin wordt uitgewerkt hoe deze verantwoordelijkheid wordt ingevuld. In de Verordening opvang hemelwater worden regels gesteld over het opvangen van hemelwater zodat dit zo min mogelijk in het riool komt. Deze verordening is ook onderdeel van het omgevingsplan.
Bij het opstellen van het omgevingsplan moet de gemeente ten slotte rekening houden met de instructieregels van het Rijk. Voor het lozen van afvalwater geldt één instructie (artikel 5.165 van het Besluit kwaliteit leefomgeving), over het stellen van regels aan lozingen van bedrijven om te zorgen dat deze onder andere geen schade veroorzaken aan het riool en de werking van de zuivering niet hinderen. Aan deze instructieregel is uitvoering gegeven met de regels voor specifieke activiteiten in afdeling 8.3, en daarnaast door de zorgplicht in artikel 8.187.
Hoofdstuk 13 van het omgevingsplan bevat een regeling met betrekking tot het aanleggen of wijzigen van bepaalde gemeentewegen, waterschapswegen en lokale spoorwegen, of het wijzigen van gebruik van een lokale spoorweg. Dit hoofdstuk geldt uitsluitend ter plaatse van de locatie bestemmingsplannen vervallen. Het betreft die gebieden waar een onder oud recht vastgesteld bestemmingsplan is vervangen. Daarbuiten geldt afdeling 22.4. Het betreft de gebieden waar het onder oud recht vastgestelde bestemmingsplan nog niet is vervangen. Bij het vaststellen van een bestemmingsplan dat de aanleg of wijziging van een (spoor)weg mogelijk maakt, werd veelal in een finale beoordeling van de aanvaardbaarheid van het geluid voorzien. In dat geval kan van een nadere beoordeling worden afgezien, tenzij op grond van afdeling 22.4 alsnog een beoordeling nodig is.
Met de regeling in dit hoofdstuk wordt uitvoering gegeven aan de instructieregels zoals opgenomen in paragraaf 5.1.4.2a.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Met het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn nieuwe regels gesteld voor gemeentewegen en lokale spoorwegen om woningen en andere geluidgevoelige gebouwen beter te beschermen tegen geluidhinder.
De taak om het geluid van bepaalde gemeentewegen en lokale spoorwegen te beheersen is in het Besluit kwaliteit leefomgeving uitgewerkt in twee te onderscheiden typen instructieregels: instructieregels met een preventieve werking en instructieregels met een correctieve werking. De preventieve instructieregels worden toegepast bij besluitvorming over ruimtelijke ontwikkelingen of over infrastructuur. Het gaat dan bijvoorbeeld om aanleg van of wijzigingen in infrastructuur, of de bouw van woningen. Toepassing van deze regels bewerkstelligt voor wat betreft geluid een aanvaardbare kwaliteit van de fysieke leefomgeving. De correctieve instructieregels volgen uit de Europese richtlijn omgevingslawaai en houdt de verplichting tot het opstellen van een actieplan geluid in. Op grond van de correctieve instructieregels betekent dit in essentie een plicht tot monitoring van het geluid van gemeentewegen en lokale spoorwegen, met daaraan gekoppeld de plicht geluidbeperkende of geluidwerende maatregelen te overwegen als uit de monitoring blijkt dat het geluid van die (spoor)wegen in een bepaalde mate is toegenomen.
Hoofdstuk 13 geeft uitvoering aan de preventieve instructieregels voor wat betreft het aanleggen of wijzigen van een gemeenteweg, waterschapsweg of lokale spoorweg, of het wijzigen van gebruik van een lokale spoorweg. De regeling voorziet erin dat bij de aanleg van een nieuwe weg of spoorweg het geluid op geluidgevoelige gebouwen niet hoger wordt dan de standaardwaarde. Verder voorziet de regeling erin dat bij wijziging van een bestaande weg of spoorweg het geluid op geluidgevoelige gebouwen niet hoger wordt dan de standaardwaarde of, als het al hoger was dan de standaardwaarde, het niet verder toeneemt.
De gemeente kan meer geluid toestaan, maar alleen als geen geluidbeperkende maatregelen mogelijk zijn, die ervoor zorgen dat de standaardwaarde niet wordt overschreden of die ervoor zorgen dat het geluid niet toeneemt. In beginsel mag de grenswaarde niet worden overschreden. Geluidbeperkende maatregelen die niet financieel doelmatig zijn of die stuiten op overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard hoeven niet te worden afgewogen. Overschrijding van de grenswaarde is alleen mogelijk als zwaarwegende economische belangen of zwaarwegende andere maatschappelijke belangen dit rechtsvaardigen.
Een omgevingsplan dat de aanleg of wijziging van een (spoor)weg of het gebruik van een spoorweg, toelaat, moet voldoen aan de preventieve geluidregels. Deze regels zijn zo geformuleerd dat een gemeente ze direct kan toepassen bij vaststelling van een omgevingsplan, of in het omgevingsplan regels kan opnemen waardoor de toetsing uitgesteld wordt naar een later tijdstip. Als de instructieregels direct worden toegepast, worden zo nodig ook de geluidbeperkende maatregelen vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met het maximale geluid in de omgeving die door het bewuste besluit worden toegelaten. Als het omgevingsplan bijvoorbeeld een weg met vier rijstroken toelaat, zal getoetst moeten worden op basis van die situatie, ongeacht het aantal rijstroken dat in eerste instantie wordt aangelegd. Hetzelfde geldt voor de afstand van de weg tot geluidgevoelige gebouwen. Een andere mogelijkheid is dat niet wordt uitgegaan van de infrastructuur die in het omgevingsplan in beginsel is toegelaten, maar dat het omgevingsplan regels bevat die een (nieuwe) toetsing van geluid voorschrijven als op termijn een wijziging van infrastructuur mogelijk is zonder dat daar een wijziging van het omgevingsplan voor nodig is. In plaats van in het omgevingsplan gedetailleerd de ligging van een weg of spoorweg vast te leggen, kan de gemeente dan met een binnenplans vergunningstelsel in het omgevingsplan regelen dat op een later moment alsnog wordt getoetst aan de geluidregels. In dit omgevingsplan is gekozen voor dat laatste.
In navolging van de instructieregels, zoals opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving, heeft hoofdstuk 13 uitsluitend betrekking op verharde gemeentewegen en waterschapswegen zonder geluidproductieplafonds, niet zijnde een erf in de zin van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met een verkeersintensiteit van meer dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal als kalenderjaargemiddelde, en lokale spoorwegen zonder geluidproductieplafonds.
In hoofdstuk 13 is een vergunningplicht opgenomen voor het aanleggen of wijzigen van de betreffende (spoor)wegen en voor het wijzigen van het gebruik van een lokale spoorweg. Overigens valt niet elke wijziging onder de vergunningplicht. In navolging van de instructieregels blijft de vergunningplicht beperkt tot een aantal specifiek benoemde wijzigingen (zie artikel 13.4).
Met betrekking tot die activiteiten vindt de finale beoordeling op de aanvaardbaarheid van het geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen plaats, in het kader van die vergunningaanvraag. Bij wijziging van een omgevingsplan waarmee de aanleg of wijziging van een gemeenteweg, waterschapsweg of lokale spoorweg wordt mogelijk gemaakt, vindt wel reeds een beoordelingsplaats op uitvoerbaarheid.
Waar een toename van het geluid moet worden beoordeeld, wordt dit getoetst door de situatie direct voor het besluit te vergelijken met de situatie zoals die is na het volledig doorvoeren van het besluit. Uitgangspunt daarbij is het geluid zoals zich dat naar verwachting voordoet in het maatgevende jaar. Dat volgt uit artikel 5.78a van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Over het algemeen kan voor het maatgevende jaar uitgegaan worden van de situatie tien jaar na de beoogde realisatie van het plan, bijvoorbeeld tien jaar na realisatie van een wegverbreding of van een woonwijk. Als dit echter leidt tot een te grote onderschatting van het geluid, dient een ander jaar gekozen te worden als maatgevend jaar.
Op het moment dat de Omgevingswet in werking is getreden, bestond het omgevingsplan uitsluitend uit de hoofdstukken 1, 22 en 23. Hoofdstuk 1 bevatte uitsluitend een artikel met betrekking tot begripsbepalingen, en hoofdstuk 23 uitsluitend de citeertitel. Hoofdstuk 22 bevatte een grote hoeveelheid regels die voorheen door het Rijk werden gesteld, maar waarover de bevoegdheid tot het stellen van regels is overgeheveld naar gemeenten. Deze regels zijn naar het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeenten verhuisd, en terechtgekomen in hoofdstuk 22. Dit wordt de 'bruidsschat' genoemd (zie meer uitgebreid paragraaf 6.2 van deze toelichting).
Van een groot deel van deze regels is bepaald dat deze (veelal inhoudelijk aangepast) op een andere plek in het omgevingsplan worden opgenomen. Er zijn ook regels vervallen. Een groot deel van de regels blijft echter in hoofdstuk 22 gehandhaafd, al dan niet met een beperkt toepassingsbereik. In de artikelen van hoofdstuk 22 is aangegeven of ze zijn komen te vervallen en zo ja, waar de vervangende regel is geland.
Waar een artikel uit hoofdstuk 22, zoals dat gold op het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet, is vervangen door een artikel elders in dit omgevingsplan, wordt dit duidelijkheidshalve aangegeven in het opschrift van het oorspronkelijke artikel. De inhoud van het artikel is uiteraard verwijderd. Ook als een artikel is komen te vervallen, wordt dit aangegeven in het opschrift van het betreffende artikel.
In hoofdstuk 23 is algemeen overgangsrecht opgenomen. Dit overgangsrecht heeft betrekking op verschillende situaties.
Overgangsrecht met betrekking tot verleende vergunningen, ontheffingen, maatwerkvoorschriften en andere genomen besluiten
De Omgevingswet voorziet erin dat allerlei gemeentelijke verordeningen, of onderdelen daarvan, op enig moment opgaan in het omgevingsplan (zie ook hoofdstuk 3 van de algemene toelichting). Veel van deze verordeningen zullen een grondslag bevatten tot het verlenen van een vergunning of ontheffing, het stellen van een maatwerkvoorschrift, of het nemen van een ander besluit. Wanneer die grondslag opgaat in het omgevingsplan, is het nodig dat, voor op grond van de verordening genomen besluiten, overgangsrecht wordt geregeld. Artikel 23.2 bevat daartoe overgangsrecht. Hetzelfde geldt voor besluiten die zijn genomen op grond van het omgevingsplan, maar waarvoor de van toepassing zijnde regels wijzigen.
Overgangsrecht met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken, bedoeld in hoofdstuk 2
In artikel 23.6 is overgangsrecht opgenomen met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken, bedoeld in hoofdstuk 2. Het gaat daarbij om algemene regels over gebruik en bouwwerken die bijvoorbeeld bepalen waar, welk gebruik is toegestaan. Voorheen werden deze regels opgenomen in ruimtelijke plannen, zoals bestemmingsplannen. In het voorheen geldende Besluit ruimtelijke ordening was bepaald dat daarover in die ruimtelijke plannen eerbiedigend overgangsrecht moest worden opgenomen. Dat wil zeggen dat bijvoorbeeld legaal bestaand gebruik mocht worden voortgezet, ook nadat de regels na wijziging van het ruimtelijk plan niet meer in dat gebruik zouden voorzien.
De Omgevingswet schrijft niet meer voor, welk overgangsrecht in het omgevingsplan moet worden opgenomen. Het is aan gemeenten zelf daarin een keuze te maken. Dat daarbij verschillen tussen gemeenten kunnen ontstaan, acht de wetgever niet bezwaarlijk: “Het is juist belangrijk dat het overgangsrecht in het omgevingsplan is toegesneden op de lokale situatie. De standaardregels over eerbiedigend overgangsrecht in het Besluit ruimtelijke ordening leidden ertoe dat legaal bestaand gebruik praktisch altijd mocht worden voortgezet, ondanks een bestemmingswijziging of aanscherping van de regels. Dit beperkte de mogelijkheid voor gemeenten om gewenste ontwikkelingen mogelijk te maken of ongewenst geworden situaties tegen te gaan. Daarom is gekozen om het opnemen van deze standaardregels voor overgangsrecht in omgevingsplannen niet langer verplicht te stellen. [ ] Dit wil niet zeggen dat de overgangsrechtelijke regels uit het Besluit ruimtelijke ordening geheel zullen verdwijnen. Gemeenten mogen deze uiteraard wel gebruiken als zij dat passend achten. Als een gemeente een nieuwe ontwikkeling mogelijk wil maken, kan zij dat bereiken door binnen de grenzen van rechtszekerheid, evenredigheid en zorgvuldigheid een (overgangsrechtelijke) regeling op maat te treffen” (Staatsblad 2018 290, p. 229).
Hoewel er dus ruimte is om het eerbiedigend overgangsrecht los te laten, ligt het volgens de wetgever wel in de rede dat bij een besluit tot vaststelling van het omgevingsplan in de meeste gevallen wordt voorzien in eerbiedigende overgangsbepalingen (Staatsblad 2018 400, p. 1027).
In het omgevingsplan voor Neder-Betuwe is voor wat betreft het planologisch gebruik als hoofdregel gekozen het eerbiedigend overgangsrecht zoals dat voorheen in bestemmingsplannen werd opgenomen te consolideren. Een meer directe en onvoorwaardelijke werking van een regel kan onder omstandigheden echter ook gerechtvaardigd en wenselijk zijn. In dat geval kan via een locatiegerichte regel met maatwerk van de hoofdregel afwijkend overgangsrecht worden vastgesteld. Dat afwijkende overgangsrecht geldt dan alleen voor het desbetreffende geval of de desbetreffende locatie. In zo’n situatie kan het voorkomen dat nieuwe regels in een omgevingsplan (zonder overgangsrecht) inbreuk maken op bestaande, bij vergunning verleende, rechten met bijvoorbeeld als gevolg dat een bepaald (vergund) gebruik op enig moment niet langer is toegestaan of daarvoor opnieuw een vergunning moet worden aangevraagd.
Overgangsrecht met betrekking tot ruimtelijke regels over bouwwerken als bedoeld in artikel 5.2
Artikel 23.7 bevat overgangsrecht met betrekking tot ruimtelijke regels over bouwwerken als bedoeld in artikel 5.2. Dat artikel bepaalt dat het verboden is een bouwwerk te bouwen, in stand te houden en te gebruiken op een wijze die in strijd is met de in hoofdstuk 5 opgenomen ruimtelijke regels over bouwwerken. Het tweede lid bevat een overgangsrechtelijke bepaling voor daar waar het onder oud recht vastgestelde bestemmingsplan nog niet is vervallen.
Het gaat daarbij om regels over bouwwerken die bijvoorbeeld bepalen waar gebouwd mag worden, en hoe hoog. Voorheen werden deze regels opgenomen in ruimtelijke plannen, zoals bestemmingsplannen. In het voorheen geldende besluit ruimtelijke ordening was bepaald welk overgangsrecht daarover in die ruimtelijke plannen moest worden opgenomen. Het betrof eerbiedigend overgangsrecht, dat wil zeggen dat legale bestaande bouwwerken mogen blijven bestaan, ook nadat ze met een nieuw ruimtelijk plan werden ‘wegbestemd’. Zoals hiervoor aangegeven schrijft de Omgevingswet niet meer voor, welk overgangsrecht in het omgevingsplan moet worden opgenomen. Het is aan gemeenten zelf daarin een keuze te maken.
In het omgevingsplan voor Neder-Betuwe is, net als voor planologisch gebruik, ook voor bouwwerken als hoofdregel gekozen het eerbiedigend overgangsrecht zoals dat voorheen in bestemmingsplannen werd opgenomen te consolideren. Ook hiervoor geldt dat als een meer directe en onvoorwaardelijke werking van een regel gerechtvaardigd en wenselijk is, via een locatiegerichte regel met maatwerk van de hoofdregel afwijkend overgangsrecht kan worden vastgesteld. Dat afwijkende overgangsrecht geldt dan alleen voor het desbetreffende geval of de desbetreffende locatie.
Dit omgevingsplan wordt aangehaald als: omgevingsplan gemeente Neder-Betuwe.
In bijlage II bij artikel 1.1 van dit omgevingsplan zijn in aanvulling op de begrippen van de Omgevingswet, de AMvB's en de Omgevingsregeling de overige begripsbepalingen opgenomen die nog nodig zijn. Deze begrippen worden hieronder toegelicht.
Activiteitenbesluit-bedrijventerrein
Het begrip Activiteitenbesluit-bedrijventerrein is opgenomen omdat in artikel 22.63, tweede lid, voor gevoelige objecten die op een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein zijn gelegen, hogere geluidswaarden zijn vastgesteld. In de definitie van het begrip Activiteitenbesluit-bedrijventerrein wordt aangesloten bij geldende omgevingsplannen. Het komt vaak voor dat een omgevingsplan dat (in het tijdelijke deel) een bedrijventerrein aanduidt, meer bestemmingen omvat dan alleen bedrijfsbestemmingen. Zo kan een natuurgebied of landelijk gebied deel uitmaken van een gebied dat in een omgevingsplan is begrensd door een grens die een bedrijventerrein aanduidt. Het is niet de bedoeling dat de hogere waarden ook in die gebieden gelden. Anderzijds kan het voorkomen dat er één of enkele percelen zijn met een andere bestemming dan een bedrijfsbestemming, die omsloten zijn door percelen met bedrijfsbestemmingen. Voor die percelen, bijvoorbeeld een burgerwoning op het bedrijventerrein, zijn de hogere waarden wel van toepassing. Om die reden wordt het begrip beperkt tot een cluster percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen. Opgemerkt wordt dat in het nieuwe stelsel de term «bedrijventerrein» zonder definitie wordt gehanteerd.
Deze regel moet worden overgezet van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan naar het nieuwe deel van dit omgevingsplan. In het nieuwe deel wordt concreet aangeduid voor welke locaties de hogere waarde geldt. Er kan dan geen gebruik meer gemaakt worden van het begrip Activiteitenbesluit-bedrijventerrein.
concentratiegebied geurhinder en veehouderij
Het begrip «concentratiegebied geurhinder en veehouderij» voor in de paragraaf over geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony's die gehouden worden voor het berijden, in dierenverblijven.
Als een gemeente in een geurverordening een concentratiegebied heeft aangewezen, dan wordt deze verordening na inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 4.6, eerste lid, onder e van de Invoeringswet Omgevingswet van rechtswege onderdeel van het tijdelijk deel van dit omgevingsplan. Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet hebben gemeenten op grond van artikel 5.108 van het Bkl de bevoegdheid om in het omgevingsplan één of meerdere concentratiegebieden aan te wijzen. Bestaande concentratiegebieden geurhinder en veehouderij moeten in de transitieperiode overgezet worden van het tijdelijke deel van het omgevingsplan naar het nieuwe deel van het omgevingsplan.
distributienet voor warmte
Dit begrip is gedefinieerd als «collectief circulatiesysteem voor het transport van warmte door een circulerend medium voor verwarming of warmtapwater». Onder dit distributienet valt dus zowel een stadsverwarmingssysteem als een «klein» wijk- of buurtverwarmingssysteem. Voor de definitie is voor zover mogelijk aansluiting gezocht bij de begripsomschrijving zoals deze is opgenomen in NVN 7125 van april 2011.
geurgevoelig object
Om geen te groot gat te laten vallen op moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet, wordt er voor geur in de omgevingsplanregels van rijkswege uitgegaan van de begrippen uit de ingetrokken regelgeving. Onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de voormalige Wet geurhinder en veehouderij was de groep objecten die beschermd werden tegen geurhinder, anders dan de groep geurgevoelige gebouwen die beschermd worden op grond van en gedefinieerd zijn in het Bkl. Aan de ene kant is het begrip geurgevoelig object breder dan het begrip geurgevoelig gebouw: onder het begrip geurgevoelig object vallen alle locaties waarbij hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen. Onder geurgevoelig gebouw op grond van artikel 5.91 van het Bkl vallen kort gezegd alleen gebouwen met een woon-, onderwijs-, of gezondheidzorg- of kinderopvangfunctie. Onder het begrip geurgevoelig object, valt dus ook het begrip geurgevoelig gebouw. Overigens biedt het vierde lid van artikel 5.91 van het Bkl wel de mogelijkheid om in dit omgevingsplan ook andere geurgevoelige gebouwen of gedeelten van gebouwen aan te wijzen, mits er hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen.
Aan de andere kant is het begrip geurgevoelig object smaller dan het begrip geurgevoelig gebouw. Onder het begrip geurgevoelig gebouw, wordt ook verstaan: een gebouw dat nog niet aanwezig is maar op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gerealiseerd.
Soms is er voor bestaande of nieuwe situaties wel al bewust verwezen naar een geurgevoelig gebouw, zoals bedoeld in het Bkl.
gezoneerd industrieterrein
Onder de voormalige Wet geluidhinder gold een geluidzone rondom bepaalde industrieterreinen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet vervalt deze systematiek van zones. In plaats daarvan worden bij omgevingsplan geluidproductieplafonds - als omgevingswaarde - vastgesteld rondom bepaalde industrieterreinen. Het begrip gezoneerd industrieterrein komt dus niet meer voor in de Omgevingswet.
Voor de omgevingsplanregels van rijkswege is het van belang dat er geen wijziging optreedt in de rechtspositie van bedrijven op het gezoneerde industrieterrein en in de bescherming ten opzichte van van de geluidgevoelige objecten daaromheen zoals woningen. Daarom is het begrip gezoneerd industrieterrein nog wel relevant.
De begripsbepaling verwijst naar de betekenis die onder de voormalige Wet geluidhinder aan een gezoneerd industrieterrein werd gegeven. Hiermee wordt duidelijk gemaakt dat het begrip gezoneerd industrieterrein enkel in het omgevingsplan is opgenomen om de bestaande rechtsposities ongewijzigd te handhaven, en dat niet is bedoeld om een inhoudelijke wijziging van het begrip door te voeren.
straatpeil
Het begrip straatpeil was voorheen opgenomen in het Bouwbesluit 2012. Deze definitie is destijds ontleend aan de definitie van dat begrip zoals opgenomen in de Modelbouwverordening van de VNG.
warmteplan
Het begrip «warmteplan» is gedefinieerd als besluit van de gemeenteraad, inzake de aanleg van een distributienet voor warmte in een bepaald gebied, waarin voor die periode de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte bij aansluiting op dat distributienet is opgenomen. Waarbij moet worden uitgegaan van het voor die periode geplande aantal aansluitingen op dat distributienet. Het warmteplan wordt door de gemeenteraad vastgesteld voor een periode van ten hoogste 10 jaar.
Daarna moet in ieder geval een nieuw warmteplan worden vastgesteld. Als de ontwikkelingen daar aanleiding toe geven, kan de gemeenteraad het plan wijzigen (tussentijds een nieuw plan vaststellen of het plan aanpassen). Dit zou het geval kunnen zijn wanneer over de energiezuinigheids- en/of milieuprestatie van het warmtenet actuele gegevens beschikbaar zijn gekomen, die substantieel afwijken van de aan het vastgestelde warmteplan ten grondslag liggende gegevens, of wanneer de bouwopgave in het warmteplangebied in de loop der tijd dusdanig wijzigt dat dit gevolgen heeft voor het geplande aantal aansluitingen op het warmtenet. Uit de samenhang met artikel 22.10 «Aansluiting op distributienet voor warmte» volgt dat een warmteplan kan worden vastgesteld door gemeenten die tot aanleg van een nieuw distributienet willen overgaan. Wanneer een gemeente in verschillende gebieden tot aanleg van warmtenetten wil overgaan, moet het warmteplan per distributienet worden vastgesteld. Het gebied moet in het warmteplan zo nauwkeurig mogelijk worden afgebakend, bijvoorbeeld door een van het warmteplan deel uitmakende plankaart. In het warmteplan moet het geplande aantal aansluitingen op het distributienet worden aangegeven. Dat is van belang omdat de aansluitplicht op grond van artikel 22.10, eerste lid, onder a, niet meer van toepassing is op in het warmteplangebied te bouwen bouwwerken wanneer het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen daadwerkelijk is bereikt. Dit wordt beoordeeld op het moment van het indienen van de aanvraag om een vergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor het bouwen van een bouwwerk. Als aan het geplande aantal aansluitingen is voldaan, is vrijwillige aansluiting niet uitgesloten. In de fase dat het geplande aantal aansluitingen nog niet is bereikt, geldt de aansluitplicht overigens ook wanneer het definitieve distributienet nog niet gereed is en bouwwerken tijdelijk collectief van warmte worden voorzien door transport van in hulpketels opgewekte warmte totdat de definitieve infrastructuur gereed is.
In het warmteplan moet de te bereiken mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu van de aansluiting op het distributienet voor warmte, gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte, worden aangegeven. Het gaat daarbij om de mate die bereikt wordt wanneer het in het warmteplan aangegeven aantal aansluitingen op dat distributienet is bereikt. Deze mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu moet duidelijk zijn aangegeven, bijvoorbeeld aan de hand van getallen voor CO2, en NOx, zodat eenvoudig kan worden getoetst of sprake is van een aan aansluiting op het warmtenet gelijkwaardige oplossing.
De gemeenteraad is bevoegd het warmteplan vast te stellen. Hiermee is zeker gesteld dat de te maken gemeentelijke keuzen over de aanleg van warmtenetten in een gebied via een voor belanghebbenden transparant en democratisch gelegitimeerd proces tot stand komen. Voor het warmteplan gelden - als onderdeel van het omgevingsplan - geen specifieke inhoudelijke vereisten.
Als een gemeente geen warmteplan heeft vastgesteld of niet tijdig (binnen de afgesproken periode) opnieuw heeft vastgesteld, dan kan in die gemeente artikel 22.10 «Aansluiting op distributienet voor warmte» niet worden toegepast. In die gemeente kan op basis van vrijwilligheid worden aangesloten op het warmtenet. Zie ook de toelichting op het begrip distributienet voor warmte en de toelichting bij artikel 22.10 «Aansluiting op distributienet voor warmte».
Regels in dit omgevingsplan hebben een bepaald doel. Dat doel moet in overeenstemming zijn met de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet. In artikel 1.3 van de Omgevingswet zijn de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet bepaald:
Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang:
bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur, en
doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.
Voor regels in het omgevingsplan is dit het uiterste doel met het oog waarop regels kunnen worden gesteld (zie meer uitgebreid hierover hoofdstuk 3 van de algemene toelichting bij dit omgevingsplan). Dat betekent dat de regels in dit omgevingsplan niet met het oog op een ander doel dan genoemd in artikel 1.3 van de Omgevingswet mogen worden gesteld. Maar de regels mogen wel een meer beperkt oogmerk hebben. In artikel 1.2 van dit omgevingsplan is vastgelegd dat de regels in dit omgevingsplan zijn gesteld met het oog op de maatschappelijke doelen, bedoeld in artikel 1.3 van de Omgevingswet, tenzij uit de regels van dit omgevingsplan volgt dat het oogmerk is beperkt.
Een beperking van het oogmerk kan expliciet zijn aangegeven. Een beperking kan ook impliciet uit de regels volgen, bijvoorbeeld uit de beoordelingsregels die van toepassing zijn op een bepaalde vergunningplicht.
Artikel 3.3 bevat algemene regels over het gebruik van het bij hoofdgebouwen behorend erf en de daarop aanwezige erfbebouwing.
Eerste lid:
Het eerste lid bepaalt dat het gebruik en het erf behorende bij een hoofdgebouw overeenkomstig het gebruiksdoel van dit hoofdgebouw dient te zijn. Het gebruiksdoel volgt uit hoofdstuk 2. Het bij een hoofdgebouw behorende erf zal in de meeste gevallen hetzelfde gebruiksdoel hebben als dat van het hoofdgebouw. Omdat het hoofdgebouw meerdere gebruiksdoelen kan hebben, kan dat ook gelden voor het bijbehorend erf. Ook is mogelijk dat bij een hoofdgebouw met meerdere gebruiksdoelen het bijbehorend erf slechts een enkel gebruiksdoel heeft.
Tweede lid:
Het tweede lid bepaalt dat onder het gebruik van een bij een hoofdgebouw behorend erf dat in overeenstemming is met een onder hoofdstuk 2 aan een locatie gegeven gebruiksdoel wordt verstaan een inrichting en gebruik op een wijze die naar algemene maatstaven als een normale inrichting en gebruik van het bijbehorende erf wordt beschouwd. Denk hierbij een parkeervoorzieningen op het erf behorend bij een bedrijf, het gebruik van het erf bij een woning als tuin, speelmogelijkheden voor kinderen op een bij een kinderdagverblijf behorend erf, of dat bij een kantoor medewerkers zich in de tuin begeven om te lunchen. Hiermee wordt de jurisprudentie onder de Wro gevolgd (zie o.a. ABRvS 20 april 2011 ECLI:NL:RVS:2011:BQ1895 en ABRvS 5 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1790).
In deze paragraaf is een vergunningplicht opgenomen voor het wijzigen van het het gebruik van een gebouw naar een geluidgevoelige functie. De regeling is aanvullend op het in artikel 2.3 opgenomen verbod om gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met een in hoofdstuk 2 aan een locatie gegeven gebruiksdoel of gebruiksdoelen, of op een wijze die in strijd is met de daarop betrekking hebbende regels over gebruik. Uit de formulering van dat artikel blijkt al dat aan een locatie één gebruiksdoel kan zijn gegeven, maar dat dat er ook meerdere kunnen zijn.
Hoofdstuk 2 staat er op zich zelf niet aan in de weg dat wanneer aan een locatie meerdere gebruiksdoelen gegeven zijn, het gebruik vrijelijk gewijzigd kan worden. Onder oud recht werd dit ook vaak binnen bestemmingsplannen toegestaan. Zo kon aan een bepaalde locatie een gemengde bestemming worden gegeven, waarbinnen het gebruik in beginsel zonder nader beoordelingsmoment kon worden gewijzigd. In bepaalde gevallen is een nader toetsmoment echter noodzakelijk. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer een wijziging van gebruik plaatsvindt waardoor het gebouw een geluidgevoelige functie krijgt. Daarmee wordt het een geluidgevoelig gebouw in de zin van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Een dergelijke wijziging kan alleen worden toegestaan wanneer dat niet leidt tot een onaanvaardbare geluidbelasting.
In veel gevallen kan die afweging worden gemaakt op het moment dat het omgevingsplan wordt gewijzigd. Dat is echter niet altijd het geval. Zeker bij grotere gebiedsontwikkelingen hoeft vooraf niet altijd vast te staan wat de fasering van de ontwikkeling is, en waar welke vormen van gebruik uiteindelijk worden gerealiseerd. In dat geval kan de finale afweging omtrent aanvaardbaarheid worden doorgeschoven naar een vergunningaanvraag. De regels in deze paragraaf voorzien erin dat die afweging kan worden gemaakt.
Vierde lid
Het vierde lid bepaalt dat deze paragraaf niet van toepassing is voor zover het gebruik als geluidgevoelig gebouw reeds betrokken is bij een verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Het is goed mogelijk dat een gebruiksomzetting van een bestaand gebouw naar een geluidgevoelig gebouw gepaard gaat met een verbouwing waarvoor een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken is vereist. Wanneer de verbouwing plaatsvindt met het oog op het nieuwe gebruik, dan zal op grond van subparagraaf 4.2.4.11 bij de beoordeling van de aanvraag ook de mate van geluidbelasting op het beoogde geluidgevoelig gebouw worden betrokken. Wanneer die beoordeling heeft plaatsgevonden is het niet nodig dat voor de wijziging van gebruik zelf nog een vergunning wordt aangevraagd. Hetzelfde geldt voor de situatie dat sprake is van een verleende omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, of een verleende omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Dit vierde lid voorziet hierin.
Met dit artikel wordt invulling gegeven aan artikel 5.14 Besluit kwaliteit leefomgeving ten aanzien van explosievoorschriftengebieden. Het gevolg van deze bepaling is aldus dat ter plaatse van de aanduiding 'Explosievoorschriftengebied' aanvullende bouwmaatregelen moeten worden getroffen op grond van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
Artikel 5.14, eerste lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving bepaalt wat een brandvoorschriftengebied is. Dat zijn de locaties die in het omgevingsplan kunnen worden aangewezen als op die locaties een brandaandachtsgebied is toegelaten en waar voor een bouwwerk de eis van artikel 4.90, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving geldt. Het is mogelijk om andere gelijkwaardige maatregelen te treffen in plaats van de maatregelen die op grond van hiervoor genoemde bepaling zijn vereist.
Het tweede lid van artikel 5.14 Besluit kwaliteit leefomgeving schrijft voor dat in het omgevingsplan een (reeds geldend) explosieaandachtsgebied wordt aangewezen als explosievoorschriftengebied.
Het aandachtsgebied en het voorschriftengebied zijn nieuw kernbegrippen van de gemoderniseerde omgevingsveiligheid van het Rijk. De aandachtsgebieden voor brand, explosie en gifwolk maken inzichtelijk in welk gebied zich bij een incident bij een aangewezen risicoactiviteit nog levensbedreigende gevolgen voor personen in gebouwen kunnen voordoen. Een aandachtsgebied ontstaat van rechtswege bij het begin van een nieuwe aangewezen risicoactiviteit met aandachtsgebied. De aandachtsgebieden zijn zichtbaar op de Atlas Leefomgeving.
In tegenstelling tot de aandachtsgebieden ontstaan voorschriftengebieden voor brand- en explosie pas als deze in het omgevingsplan worden aangewezen. Het gevolg van de aanwijzing van een voorschriftengebied is dat nieuw te bouwen gebouwen binnen dat gebied van bouwkundige maatregelen moeten worden voorzien om de daarin verblijvende personen te beschermen. Terwijl het aandachtsgebied iets zegt over de te verwachten risico’s, bepaalt het voorschriftengebied waar extra bescherming in de vorm van bouwkundige maatregelen nodig is.
De gemeente heeft enige vrijheid om te bepalen waar voorschriftengebieden worden aangewezen. Op grond van artikel 5.14, derde lid, Besluit kwaliteit leefomgeving is het mogelijk om, in afwijking van het tweede lid, af te zien van de aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied. Ook kan een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied worden aangewezen. De gemeente Neder-Betuwe heeft besloten om alleen voorschriftengebieden aan te wijzen indien er zich binnen een aandachtsgebied een zeer kwetsbaar gebouw als bedoeld in het Besluit kwaliteit leefomgeving bevindt. Voor bestaande (beperkt) kwetsbare gebouwen in aandachtsgebieden worden geen voorschriftengebieden aangewezen. Het toepassen van extra bouwvoorschriften uit het Besluit bouwwerken leefomgeving brengt namelijk hoge kosten met zich mee terwijl de veiligheidswinst niet altijd evident is (vooral ook omdat niet alle gebouwen die extra bescherming nodig hebben). Dit sluit aan bij het uitgangspunt in de regio. Voor nieuwe ontwikkelingen waarbij nieuwe (beperkt) kwetsbare gebouwen mogelijk worden gemaakt, is nadere besluitvorming noodzakelijk. In het kader van die nadere besluitvorming zal, mede op basis van advies van de Veiligheidsregio en de ODR, altijd maatwerk worden geleverd.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben binnen de gemeente Neder-Betuwe verschillende gevechtshandelingen plaatsgevonden waardoor niet gesprongen Conventionele Explosieven (CE) in de bodem kunnen zijn achtergebleven. Dit betekent dat bij te verrichten werkzaamheden in de bodem, mogelijk aanwezige explosieven een reëel gevaar kunnen opleveren voor betrokken medewerkers en de (directe) omgeving.
Gemeente Neder-Betuwe heeft op basis van literatuuronderzoek en historische bronnenmateriaal de risico’s op het voorkomen van explosieven uitgezocht. Uit het rapport Vooronderzoek Gemeente Neder-Betuwe (AVG Explosieven Opsporing Nederland, Rapport 1662057-VO-02, 28 maart 2017) blijkt dat de gehele gemeente verdacht is op het voorkomen van niet gesprongen explosieven. De risico’s op het voorkomen van explosieven in verdachte en niet-verdachte gebieden, is weergegeven op een CE-bodembelasting-kaart.
Omdat de gehele gemeente verdacht is, adviseert de gemeente dat iedereen die werkzaamheden in de bodem verricht, de bodembelastingkaart uit het Vooronderzoek raadpleegt. Dit om op project- en/of straatniveau, kennis te nemen van de risico’s op het voorkomen van explosieven en in het kader van de Arbowetgeving hiermee rekening te houden door maatregelen te treffen.
Voordat u start met het verrichten werkzaamheden in de bodem dient u op basis van de kaart een projectplan met de gemeente te bespreken. Het projectplan dient te voldoen aan het Werkveldspecifiek certificatieschema voor het Systeemcertificaat Opsporen Conventionele Explosieven (WSCS-OCE). In het projectplan staan onder andere de te verrichten werkzaamheden inclusief eisen, voorwaarden en verantwoorlijkheden. De gemeente heeft als bevoegd gezag voor de openbare orde en veiligheid geen verantwoordelijkheid in de borging van Arbo-veiligheid. De primaire verantwoordelijkheid voor de Arbo-veiligheid ligt bij degene die werkzaamheden in de bodem verricht.
Indien er naast explosievenwerkzaamheden ook andere werkzaamheden in de bodem zijn gepland, zoals de uitvoering van een archeologisch onderzoek en/of bodemsanering, is de gemeente Neder-Betuwe van mening dat al deze werkzaamheden geïntegreerd in een projectplan NGE moeten worden opgenomen. Daarbij is het uitgangspunt:
Hierbij opgemerkt dat bij het inplannen van werkzaamheden om explosieven te benaderen dan wel te benaderen, men rekening dient te houden met beschermde gebieden dan wel bepaalde periodes (zoals bijvoorbeeld de broedseizoenen) in het kader van flora en fauna.
Artikel 4.4 bevat overgangsrecht met betrekking tot gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten. Het artikel komt in de plaats van artikel 22.2 zoals dat bij wijze van Bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan. Het artikel is ongewijzigd overgenomen.
De reden voor de overgangsbepaling is dat in dit hoofdstuk regels voorkomen die betrekking hebben op gemeentelijke monumenten of voorbeschermde gemeentelijke monumenten. Wat verstaan wordt onder 'gemeentelijk monument' en een 'voorbeschermd gemeentelijk monument' is vastgelegd in de begripsbepalingen van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Bij een gemeentelijk monument gaat het om een monument of archeologisch monument waaraan in het omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven. Bij een voorbeschermd gemeentelijk monument gaat het om een monument of archeologisch monument waarvoor het omgevingsplan een voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om aan dat monument of archeologisch monument in het omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven. Gelet op artikel 1.1, tweede lid, zijn deze omschrijvingen van toepassing op dit omgevingsplan.
De begripsomschrijvingen van bovengenoemde begrippen zijn toegesneden op de wijze waarop de bescherming van monumenten en archeologische monumenten op gemeentelijk niveau via het toekennen van een beschermde status en daardoor het van toepassing worden van bepaalde regels onder het nieuwe recht van de Omgevingswet vorm krijgt. Dit gebeurt door aan het monument of archeologisch monument in dit omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven) en, als het gaat om een voorbeschermd monument of archeologisch monument, door het voor de locatie van het monument of archeologisch monument toevoegen van een voorbeschermingsregel aan dit omgevingsplan via een voorbereidingsbesluit vanwege het voornemen om aan dat monument of archeologisch monument in dit omgevingsplan de functieaanduiding gemeentelijk monument te geven.
Zoals hiervoor is aangegeven bepaalt artikel 1.1, tweede lid, in samenhang met het Besluit bouwwerken leefomgeving wat moet worden verstaan onder een 'gemeentelijk monument' of een 'voorbeschermd gemeentelijk monument'. Daarmee zouden buiten de reikwijdte van bovengenoemde begrippen vallen monumenten en archeologische monumenten op gemeentelijk niveau die onder het voor de Omgevingswet geldende recht als gemeentelijk monument of archeologisch monument zijn aangewezen op grond van een gemeentelijke verordening of een voorbeschermde status hebben verkregen op grond van een zodanige verordening, en waaraan nog niet direct bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet in dit omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of waarvoor op dat moment in het omgevingsplan nog geen voorbeschermingsregel is opgenomen. In de praktijk werden onder het voormalige recht onder de begrippen ‘gemeentelijk monument’ en ‘voorbeschermd gemeentelijk monument’ dergelijke monumenten en archeologische monumenten verstaan (hierna samen te noemen: gemeentelijke monumenten ‘oude stijl’).
Dit gevolg, dat niet is beoogd, kan zich voordoen tot het bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip waarop gemeenten over een omgevingsplan moeten beschikken dat voldoet aan alle eisen van de Omgevingswet. Uiteraard moeten de hier bedoelde gemeentelijke monumenten ‘oude stijl’ gedurende deze overgangsfase wel adequaat worden beschermd. Dit is het geval zolang deze in dit omgevingsplan nog niet zijn voorzien van de functie-aanduiding gemeentelijk monument in het omgevingsplan of, voor zover het gaat om voorbeschermde monumenten of archeologische monumenten, ter zake een voorbeschermingsregel in dit omgevingsplan is opgenomen. Daarbij wordt er voor zover het gaat om voorbeschermde monumenten en archeologische monumenten op gewezen dat die onder de Omgevingswet niet per se eerst via een door een voorbereidingsbesluit toe te voegen voorbeschermingsregel aan het omgevingsplan hoeven te worden omgezet naar een voorbeschermd gemeentelijk monument in de zin van de begripsomschrijving uit bijlage I bij het Bbl. Afhankelijk van het tijdsverloop van de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening en van de procedure om tot vaststelling van een nieuw omgevingsplan te komen, kan er voor deze voorbeschermde monumenten en archeologische monumenten ook voor worden gekozen om deze direct, dus zonder hiervoor eerst een voorbeschermingsregel aan het omgevingsplan toe te voegen, in het nieuwe deel van het omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven. Dit zal zich met name voordoen als de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening gedurende hetzelfde tijdvak gaande is als de procedure tot vaststelling van het omgevingsplan. In dat geval kan het zo zijn dat die procedure tot aanwijzing voldoende voorziet in de benodigde voorbescherming en hoeft die voorbescherming niet afzonderlijk met voorbeschermingsregels in het omgevingsplan te worden gecreëerd.
Voor zover het gaat om de continuering van de gelding van de gemeentelijke verordeningen zelf en een eventueel daarin opgenomen vergunningplicht wordt in de bescherming van de hier bedoelde gemeentelijke monumenten ‘oude stijl’ al voorzien door de artikelen 22.4 en 22.8 van de Omgevingswet, zoals die artikelen bij de Invoeringswet Omgevingswet zijn toegevoegd. Maar voor een adequate bescherming van deze gemeentelijke monumenten ‘oude stijl’ is ook vereist dat de onderdelen van het omgevingsplan die betrekking hebben op gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten in overeenstemming met de daarvoor geldende begripsomschrijvingen, ook op deze gemeentelijke monumenten ‘oude stijl’ van toepassing zijn. Artikel 4.4 voorziet hierin voor wat betreft dit regelonderdeel. Daarbij is het uiteraard zo dat als bij voorbeschermde monumenten en archeologische monumenten de uitkomst van de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening is dat wordt afgezien van de aanwijzing, op dat moment de voorbescherming vervalt en niet langer sprake is van een ‘monument of archeologisch monument waarop die verordening van overeenkomstige toepassing is’ als bedoeld in het eerste lid. Het van toepassing zijn van dit artikel op de hier bedoelde gemeentelijke monumenten ‘oude stijl’ kan dus niet alleen worden beëindigd doordat gedurende de overgangsfase daaraan in het omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument wordt gegeven of ter zake in het omgevingsplan een voorbeschermingsregel wordt opgenomen (de situaties beschreven in het tweede lid), waardoor de desbetreffende monumenten en archeologische monumenten rechtstreeks onder de begrippen gemeentelijk monument en voorbeschermd gemeentelijk monument komen te vallen, maar ook doordat de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening uiteindelijk niet tot een aanwijzing leidt.
Dit artikel heeft betrekking op het repressief welstandstoezicht en was voorheen opgenomen in artikel 12 van de Woningwet. Het uiterlijk van bestaande bouwwerken of te bouwen bouwwerken waar op grond van dit plan geen omgevingsvergunning voor nodig is, mogen niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold. Op grond van artikel 4.114 van de Invoeringswet Omgevingswet geldt die welstandsnota als een beleidsregel als bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet. In het voormalige artikel 13a van de Woningwet was opgenomen dat bij een overtreding van artikel 12, eerste lid, het bevoegd gezag de eigenaar kon verplichten zodanige door het bevoegd gezag aan te geven voorzieningen te treffen, dat daarmee werd voldaan aan artikel 12 van die wet. In de systematiek van de Omgevingswet is dit een maatwerkvoorschrift. Op grond van artikel 4.2 kan het bevoegd gezag zo'n maatwerkvoorschrift ook stellen voor het onderwerp welstand. Omdat de vraag of artikel 4.6 overtreden is, beantwoord moet worden door de criteria van de welstandsnota te beoordelen, ligt het voor de hand dat het bevoegd gezag door middel van een maatwerkvoorschrift aan de eigenaar van een gebouw duidelijk maakt op welke punten aanpassing nodig is om de ernstige strijd met redelijke eisen van welstand op te heffen.
Als de gemeente geen welstandsnota heeft vastgesteld, gelden er voor de gehele gemeente geen welstandsregels waaraan het uiterlijk van bestaande bouwwerken moet voldoen. Optreden tegen welstandsexcessen is dan niet mogelijk. Op grond van het tweede lid is welstandstoezicht evenmin aan de orde voor door de gemeenteraad aangewezen bouwwerken in daarbij aangewezen (zogenoemde welstandsvrije) gebieden. Op grond artikel 12, tweede lid, van de Woningwet, kon de gemeenteraad die welstandsvrije bouwwerken en gebieden aanwijzen. Deze besluiten zijn in artikel 4.6 van de Invoeringswet Omgevingswet, toegevoegd aan het tijdelijke deel van het omgevingsplan waar zowel voor het repressieve welstandstoezicht als voor de beoordeling van een nieuw te bouwen vergunningplichtig bouwwerk aan redelijke eisen van welstand, een uitzondering is gemaakt. Het repressieve welstandsvereiste is niet van toepassing op tijdelijke bouwwerken, met uitzondering van seizoensgebonden bouwwerken zoals strandtenten.
De vraag of het uiterlijk van nieuw te bouwen bouwwerken waarvoor wel een omgevingsvergunning op grond van het omgevingsplan nodig is aan daarop van toepassing zijnde welstandseisen voldoet, wordt tijdens het proces van vergunningverlening getoetst.
Op grond van het eerste lid moeten gebouwen en andere bouwwerken een toereikende bluswatervoorziening hebben. Doel van dit voorschrift is te waarborgen dat voor de brandweer een adequate openbare of niet-openbare bluswatervoorziening in of bij een bouwwerk beschikbaar is. Wanneer geen toereikende openbare bluswatervoorziening aanwezig is, moet worden zorg gedragen voor een toereikende niet- openbare bluswatervoorziening. Voorbeelden van bluswatervoorzieningen zijn een brandkraan of andere aansluiting op het drinkwater- of ander leidingnet voor bluswater, een watervoorraad, zoals een reservoir, een bassin, een blusvijver, een waterput of een bron (grondwater) of oppervlaktewater zoals een meer, de zee, een sloot, of een kanaal. Een bluswatervoorziening moet bereikbaar en betrouwbaar zijn, dus ook bij droogte of vorst. Daarom is in het artikel opgenomen dat een bluswatervoorziening niet nodig is als dit naar oordeel van het bevoegd gezag gezien de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk niet nodig is.
Het tweede lid regelt de maximaal toegestane afstand tussen een bluswatervoorziening en een ingang van een bouwwerk (gebouw of bouwwerk geen gebouw zijnde). Als het bouwwerk op grond van het Bbl over een brandweeringang moet beschikken, wordt de maximale afstand tussen de bluswatervoorziening en die specifieke ingang geregeld. Wanneer in de straat of de weg een fysieke scheiding aanwezig is, zoals een gracht of beschermde trambaan, dan moet rekening worden gehouden met de omweg die daar het gevolg van is.
Het derde lid regelt dat de bluswatervoorziening altijd direct bereikbaar moet zijn. Zo kan het bijvoorbeeld noodzakelijk zijn om maatregelen te treffen om te voorkomen dat een bluswatervoorziening wordt geblokkeerd door geparkeerde auto's of andere objecten.
Dit artikel bevat regels bestemd voor de bereikbaarheid van gebouwen en bouwwerken die geen gebouw zijn waarin personen kunnen verblijven, voor brandweervoertuigen en voertuigen van andere hulpverleningsdiensten. Op grond van het eerste lid moet tussen de openbare weg en de toegang van een bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg aanwezig zijn die geschikt is voor het te verwachten verkeer, zoals brandweervoertuigen en voertuigen van andere hulpverleningsdiensten. Niet elk gebouw of elk bouwwerk geen gebouw zijnde waarin personen kunnen verblijven hoeft over zo'n verbindingsweg te beschikken. Zo'n weg is niet vereist in de in het tweede lid aangegeven gevallen, zoals bij een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2 of als de toegang tot het bouwwerk op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt of wanneer het bevoegd gezag van oordeel is dat de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk de aanwezigheid van die voorziening niet nodig maakt.
In het derde lid is aangegeven aan welke eisen een verbindingsweg als bedoeld in het eerste lid moet voldoen. De voorgeschreven minimumbreedte van de verbindingsweg en het voorgeschreven minimum draagvermogen van die weg zijn afgestemd op het gebruik door gangbare voertuigen zonder dat deze elkaar hoeven te kunnen passeren. Aan de in het derde lid gestelde eisen hoeft niet te worden voldaan wanneer in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening een afwijkende regel is opgenomen.
In het vierde lid is bepaald dat op een voorgeschreven verbindingsweg (de in het eerste lid bedoelde weg) geen obstakels aanwezig mogen zijn die de voor de doorgang van brandweervoertuigen benodigde vrije hoogte en breedte blokkeren. Zo mag die weg niet worden geblokkeerd door geparkeerde auto's of overhangende takken.
Het vijfde lid bepaalt dat een verbindingsweg niet zodanig mag zijn afgesloten dat dit de brandweer of andere hulpdiensten onnodig hindert.
Dit artikel heeft betrekking op opstelplaatsen voor brandweervoertuigen bij bouwwerken die voor het verblijf van personen zijn bestemd. Op grond van het eerste lid moeten bij een gebouw en bij een bouwwerk geen gebouw zijnde waarin personen kunnen verblijven opstelplaatsen voor brandweervoertuigen aanwezig zijn, zodat die voertuigen op doeltreffende wijze kunnen worden aangesloten op de bluswatervoorziening. Die opstelplaatsen moeten in voldoende aantal aanwezig zijn, al naar gelang de grootte van het bouwwerk. Zulke opstelplaatsen zijn niet vereist in de in het tweede lid aangegeven gevallen, zoals bij een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2 of als de aard, de ligging of het gebruik van het gebouw respectievelijk het bouwwerk dat naar het oordeel van het bevoegd gezag niet vereist. Het derde lid regelt de maximaal toegestane afstand tussen een opstelplaats en een ingang van het gebouw/bouwwerk. Als het bouwwerk op grond van het Bbl over een brandweeringang moet beschikken, wordt de maximale afstand tussen de bluswatervoorziening en die specifieke ingang geregeld. De afstand mag niet meer dan 40 m bedragen. In het vierde lid is bepaald dat een opstelplaats over de voorgeschreven hoogte en breedte moet worden vrijgehouden voor brandweervoertuigen. Zo mag een opstelplaats niet worden geblokkeerd door geparkeerde auto's of overhangende takken. Het vijfde lid bepaalt dat een opstelplaats niet zodanig door hekwerken mag zijn afgesloten dat dit de brandweer of andere hulpdiensten (onnodig) hindert. Een eventueel ontsluitingssysteem moet in overleg met het bevoegd gezag worden gekozen.
Dit artikel schrijft voor in welke gevallen de elektriciteitsvoorziening van een bouwwerk moet zijn aangesloten op het distributienet voor elektriciteit. Een aansluiting is voorgeschreven wanneer de aansluitafstand niet groter is dan 100 m. Bij een afstand van meer dan 100 m is de aansluiting voorgeschreven wanneer de aansluitkosten niet hoger zijn dan ze zouden zijn bij een afstand van 100 m. In gevallen dat de afstand groter is dan 100 m en de aansluitkosten hoger, kan worden gekozen voor een vrijwillige aansluiting op het distributienet of voor een individuele voorziening zoals bijvoorbeeld een generator. De wijze waarop de in dit artikellid genoemde afstanden moeten worden gemeten, vloeit voort uit de in dit omgevingsplan opgenomen begripsbepaling «aansluitafstand».
De aansluitplicht houdt alleen de plicht in tot het aanbrengen van de technische voorzieningen die het betrekken van elektriciteit mogelijk maken. Of elektriciteit daadwerkelijk wordt geleverd, is afhankelijk van een met het energiebedrijf te sluiten contract.
Overigens is een aansluiting op het distributienet niet verplicht wanneer op grond van het gelijkwaardigheidsbeginsel een alternatieve voorziening voor het betrekken van elektriciteit is toegestaan.
De in dit artikel opgenomen aansluitplicht op het distributienet voor elektriciteit geldt niet voor het bouwen van drijvende bouwwerken of voor woonfuncties die gebouwd worden in particulier opdrachtgeverschap. Dit sluit aan bij de gelijkluidende uitzonderingen uit het Bouwbesluit 2012. Uiteraard staat het een initiatiefnemer wel vrij om vrijwillig op het distributienet aan te sluiten.
Dit artikel schrijft voor in welke gevallen de gasvoorziening van een bouwwerk moet zijn aangesloten op het distributienet voor gas. De aansluitplicht geldt voor een aansluitafstand die niet groter is dan 40 m of wanneer de aansluitkosten niet hoger zijn dan ze zouden zijn bij een aansluitafstand van 40 m. Opgemerkt wordt dat het sinds de wijzigingen in de Gaswet van 1 juli 2018 en de daarop aansluitende wijziging van het Bouwbesluit 2012 in veel gevallen niet meer mogelijk is nieuw te bouwen gebouwen te voorzien van een gasaansluiting voor zogenoemde kleinverbruikers. In dit artikel is net zoals voorheen in het Bouwbesluit 2012 de relatie met artikel 10, zesde lid, onderdeel a of b, van de Gaswet gelegd om duidelijk te maken dat dit artikel van de Gaswet van invloed is op de vraag of er bij nieuwbouw wel een aansluiting op het gasnet gerealiseerd kan worden door de netbeheerder. Het artikel in de Gaswet gaat niet over bestaande aansluitingen die al gerealiseerd zijn. Daarnaast geldt de aansluitplicht in dit artikel alleen als de aansluitafstand 40 m of kleiner is, of als de aansluitkosten niet hoger liggen dan bij een aansluitafstand van 40 m.
De in dit artikel opgenomen aansluitplicht op het distributienet voor gas geldt niet voor het bouwen van drijvende bouwwerken of voor woonfuncties die gebouwd worden in particulier opdrachtgeverschap. Dit sluit aan bij de gelijkluidende uitzonderingen uit het Bouwbesluit 2012. Deze bouwwerken hoeven dus al sinds enkele jaren niet meer aan te sluiten op het distributienet voor gas. Daarnaast is het sinds de bovengenoemde aanpassing van de Gaswet in 2018 in slechts enkele gevallen nog mogelijk is om nieuwe bouwwerken aan te sluiten op het distributienet voor gas. Het tweede lid van dit artikel bewerkstelligt dat er in drijvende bouwwerken en woning gebouwd in particulier opdrachtgeverschap nooit een aansluitplicht geldt.
Dit artikel stelt een eis voor nieuw te bouwen bouwwerken met een verblijfsgebied. Een dergelijk bouwwerk moet zijn aangesloten op het distributienet voor warmte als de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of de aansluitkosten niet hoger zijn dan ze zouden zijn bij een aansluitafstand van 40 m. Die plicht is niet alleen afhankelijk van de aansluitafstand maar ook van de vraag of het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen op het distributienet op het moment van het indienen van de aanvraag om vergunning voor het bouwen nog niet is bereikt. Bij een distributienet voor warmte kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een netwerk voor stadsverwarming. Op grond van het tweede lid zal bij een beroep op een daaraan gelijkwaardige oplossing niet alleen rekening moeten worden gehouden met veiligheid maar ook met energiezuinigheid en milieu. Met het tweede lid wordt de toepassing van het gelijkwaardigheidsbeginsel op de aansluiting op het distributienet ingekaderd. In dat tweede lid is aangegeven aan welke energiezuinigheids- en milieucriteria een andere oplossing dan een aansluiting op het warmtenet moet voldoen om in een voorkomend geval als gelijkwaardig aan die aansluiting te kunnen worden aangemerkt. Bij de beoordeling van die gelijkwaardigheid moeten de energiezuinigheids- en milieuprestaties van de aangedragen andere oplossing vergeleken worden met de prestaties bij aansluiting op het warmtenet. Referentiekader daarbij is de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu zoals deze in het warmteplan is opgenomen. De prestaties van het warmtenet moeten daarom voldoende concreet in het warmteplan, als onderdeel van het omgevingsplan, zijn opgenomen. Als, bijvoorbeeld, in het warmteplan alleen gegevens over de CO2-uitstoot van het warmtenet zijn opgenomen en niet over NOx-effecten, dan moeten de milieuprestaties van de te beoordelen andere oplossing alleen voor de CO2-uitstoot worden bepaald en mag NOx niet als factor in beschouwing worden genomen. Als een gemeente voor energiezuinigheid de wettelijk vastgestelde energieprestatiecoëfficiënt (EPC) wil realiseren, dan kan de gemeente in het warmteplan volstaan met de vermelding dat de wettelijke EPC wordt nagestreefd. Aanleg van nieuwe warmtenetten geschiedt veelal in gebieden met een grote bouwopgave (bijvoorbeeld een nieuwe woonwijk met meerdere duizenden woningen). De uitvoering van zo'n bouwopgave en - in samenhang daarmee - van de aanleg van het distributienet voor warmte geschiedt niet in één keer, maar gefaseerd. De uiteindelijke prestatie van het distributienet voor energiezuinigheid en bescherming van het milieu treedt pas op vanaf het moment dat het in het warmteplan aangegeven aantal aansluitingen is bereikt. De beoordeling van de gelijkwaardigheid van een aangedragen andere oplossing moet daarom plaatsvinden op basis van die uiteindelijke energiezuinigheids- en milieuprestaties van het warmtenet, zoals die in het warmteplan zijn aangegeven. Zie verder ook de toelichting op de omschrijvingen van de begrippen distributienet voor warmte en warmteplan.
De in dit artikel opgenomen aansluitplicht op het distributienet voor warmte geldt niet voor het bouwen van drijvende bouwwerken of voor woonfuncties die gebouwd worden in particulier opdrachtgeverschap. Dit sluit aan bij de gelijkluidende uitzonderingen uit het Bouwbesluit 2012. Wanneer er een lokale aansluitplicht gold als bedoeld in het vierde lid van dit artikel, blijft deze aansluitplicht wel van kracht.Uiteraard staat het een initiatiefnemer daarnaast ook vrij om vrijwillig op het distributienet aan te sluiten.
Het overgangsrecht uit artikel 9.2, tiende lid, van het Bouwbesluit 2012 dat behoort bij artikel 6.10, derde lid, van het Bouwbesluit 2012 is inhoudelijk ongewijzigd opgenomen in het vierde lid van dit artikel. Dit lid zet de bestaande overgangsbepaling voort, voor die gebieden waar voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 6.10, derde lid, van het Bouwbesluit 2012 op basis van de gemeentelijke bouwverordening en eventuele daarop gebaseerde nadere afspraken een aansluitplicht op een distributienet voor warmte (stadsverwarming) gold. In die gebieden blijft die aansluitplicht ook met inwerkingtreding van dit omgevingsplan bestaan. Als er na de inwerkingtreding van dit omgevingsplan in een dergelijk gebied wordt bijgebouwd dan geldt de aansluitplicht ook voor deze nieuwe gebouwen. Met dit overgangsrecht wordt rekening gehouden met de bijzondere eigenschappen van een warmtenet. Alleen wanneer in een bepaald gebied de aansluitplicht op een warmtenet over een langere periode is gewaarborgd, is een dergelijk systeem uit het oogpunt van energiezuinigheid en milieu haalbaar. Met gebied wordt bedoeld het gebied waarvoor een gemeente daadwerkelijk een concessie voor de aanleg en exploitatie van een warmtenet aan een netbeheerder heeft gegund. Dit kan ook de hele gemeente zijn. Het eerste lid, is, als het overgangsrecht nog geldt, dus niet van toepassing. Genoemd eerste lid is wel van toepassing op nieuwe bouwwerken in gebieden waar op het moment van inwerkingtreding van dit omgevingsplan nog geen stadsverwarming is aangelegd en ook geen concessie volgens bovenstaande is verleend.
Dit artikel regelt in welke gevallen de drinkwatervoorziening moet zijn aangesloten op het openbare distributienet voor drinkwater. De wijze waarop de in dit artikel bedoelde afstanden moeten worden gemeten volgt uit de begripsbepaling van aansluitafstand opgenomen in dit omgevingsplan. Overigens houdt de aansluitplicht niet in dat het drinkwaterbedrijf tot de levering van drinkwater verplicht is of dat de aangeslotene tot het afnemen van drinkwater verplicht is. De aansluitplicht houdt slechts de plicht in tot het aanbrengen van de technische voorzieningen die het betrekken van drinkwater mogelijk maken. Of drinkwater wordt geleverd, is afhankelijk van een met het drinkwaterbedrijf te sluiten contract. Een aansluiting op het distributienet is niet verplicht wanneer door toepassing van het gelijkwaardigheidsbeginsel een alternatieve voorziening voor het betrekken van drinkwater is toegestaan.
In het eerste en tweede lid zijn technische eisen over de aansluiting van de gebouwriolering op de buitenriolering opgenomen. Het derde lid bevat technische eisen aan de uitvoering van een eventueel aanwezige buitenriolering. De eerste drie leden gelden ongeacht de vraag of het bouwwerk aangesloten is op een openbare voorziening voor het beheer van afvalwater. Het vierde lid is alleen van toepassing als er een openbare voorziening voor de afvoer van afvalwater (huishoudelijk afvalwater of hemelwater) aanwezig is waarop kan worden aangesloten. Onderdeel a heeft betrekking op het geval dat er voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet aanwezig is. Onderdeel b heeft betrekking op het geval dat er een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is. In die gevallen bepaalt het bevoegd gezag op welke plaats, op welke hoogte en met welke middellijn de voor de aansluiting van de afvoervoorziening noodzakelijke aansluiting bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd. Op grond van onderdeel c kan het bevoegd gezag voorzieningen eisen om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen. Dit kan met een maatwerkvoorschrift op grond van artikel 4.2. Voor de duidelijkheid is de formulering die voorheen in het Bouwbesluit 2012 was opgenomen over deze aanwijzing overgenomen in dit artikel, omdat een maatwerkvoorschrift over dit onderwerp naar verwachting in de meeste gevallen deze inhoud zal krijgen. Het is echter op grond van artikel 4.2 ook mogelijk dat er in gevallen door het bevoegd gezag op een andere manier invulling zal worden gegeven aan het maatwerk.
In paragraaf 2.4.1 van de Omgevingswet zijn de overheidszorgplichten voor stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater beschreven. Onder stedelijk afvalwater wordt verstaan huishoudelijk afvalwater of een mengsel daarvan met bedrijfsafvalwater, afvloeiend hemelwater, grondwater of ander afvalwater. De regels over het lozen van huishoudelijk afvalwater, afstromend hemelwater en overtollig grondwater in de openbare riolering staan elders in dit omgevingsplan (en eventueel in het deel van dit omgevingsplan dat is voortgekomen uit de voormalige verordening over afvoer van hemel- en grondwater op grond van artikel 10.32a van de Wet milieubeheer). In dit artikel zijn vervolgens de bouw- en installatietechnische eisen opgenomen die gelden voor de afvoer vanuit of vanaf bouwwerken die aangesloten worden op de perceelaansluiting en in het verlengde daarvan op de openbare voorzieningen voor het beheer van afvalwater.
Die overheidszorgplicht voor afvalwater is zowel bij huishoudelijk afvalwater als bij hemelwater niet absoluut. Wanneer de aanleg van voorzieningen voor huishoudelijk afvalwater in het buitengebied niet doelmatig is, moeten burgers en bedrijven zelf in de afvoer of zuivering van huishoudelijk afvalwater voorzien.
De zorgplicht voor hemelwater gaat ervan uit dat gemeenten ook in stedelijk gebied niet hoeven in te zamelen als burgers en bedrijven zelf in afvoer van hemelwater kunnen voorzien. Waar wel wordt ingezameld, kan de gemeente bij de invulling van haar zorgplicht kiezen tussen de gemengde of afzonderlijke inzameling.
Dit artikel is bedoeld om te voorkomen dat de gezondheid van de bewoners door overbewoning in het geding komt. Dit voorschrift is nadrukkelijk niet bedoeld als normstelling in het kader van de verdeling van woonruimte. Op basis van dit voorschrift kan het bevoegd gezag alleen optreden in het uitzonderlijke geval dat er zoveel mensen in een woning of woonwagen wonen dat dit problemen voor de gezondheid kan opleveren.
Voor de normering in het eerste lid is aangesloten bij wat hierover in het Bouwbesluit 2012 was opgenomen. Voor dat besluit werd het onderwerp lokaal in de bouwverordening geregeld en werden verschillende afmetingen gehanteerd. Door opname van dit onderdeel in de omgevingsplanregels van rijkswege kunnen gemeenten bezien of lokaal een eis op het vlak van overbewoning nodig is en zo ja, met welke maatvoering.
Uit het tweede lid blijkt dat de eis over overbewoning niet van toepassing is op een woonfunctie waarin door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers opvang aan asielzoekers wordt geboden. Zo'n opvang moet voldoen aan de normen zoals vastgelegd in de Richtlijn van de Raad van de Europese Unie van 27 januari 2003 tot vaststelling van minimumnormen voor de opvang van asielzoekers in de lidstaten (2003/9/EG).
Dit artikel heeft betrekking op het staken van het gebruik van een bouwwerk als dat gebruik gevaarlijk is in verband met de bouwvalligheid van een nabij gelegen bouwwerk. Voordat sprake kan zijn van een overtreding waartegen handhavend kan worden opgetreden is het nodig dat het bevoegd gezag eerst een mededeling heeft gedaan dat het gebruik vanwege de technische kwaliteit van dat andere bouwwerk gevaarlijk is. Die mededeling is een mededeling van feitelijke aard en geen beschikking. Als het gebruik na ontvangst van de bedoelde mededeling toch wordt voortgezet, kan op grond van artikel 125 van de Gemeentewet en artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht handhavend worden opgetreden door oplegging van een last onder bestuursdwang of een last onder de dwangsom. In spoedeisende gevallen kan bestuursdwang zo nodig zonder voorafgaande last worden toegepast (artikel 5:31 van de Algemene wet bestuursrecht).
In dit artikel zijn onderdelen terug te vinden die voorheen waren opgenomen in artikel 1a, tweede lid, van de Woningwet, en de artikelen 7.21 en 7.22 van het Bouwbesluit 2012. Deze zorgplicht («kapstokartikel») heeft betrekking op gebruik van bouwwerken waarin niet is voorzien door de andere voorschriften van dit omgevingsplan en het Bbl. Hiermee heeft het bevoegd gezag een «kapstok» om in een specifiek geval in te grijpen wanneer het gebruik van een bouwwerk leidt tot hinder, overlast, gezondheidsrisico's en veiligheidsrisico's anders dan de brandveiligheidsrisico's die al in het Bbl zijn geregeld. De zorgplicht opgenomen in het eerste lid geldt voor eenieder die een bouwwerk gebruikt. De term gebruiken moet ruim worden uitgelegd en omvat zowel het zelf gebruiken als het door een ander laten gebruiken. Het eerste lid regardeert dus enerzijds degene die (als eigenaar, beheerder, verhuurder of anders) het gebouw laat gebruiken door een ander, evenals degene die (zelf) gebruik maakt van een bouwwerk. Al deze personen zijn gehouden het noodzakelijke te doen, voor zover dat in hun vermogen ligt, om het ontstaan of voortduren van gevaar voor de gezondheid of veiligheid te voorkomen of te beëindigen. Dit vereist adequaat en tijdig optreden waarbij zowel (tijdelijke) beheersmaatregelen als (permanente) eindmaatregelen noodzakelijk kunnen zijn, afhankelijk van de aard en omvang van een bepaald gevaar.
De zorgplicht is steeds van toepassing, ook in het kader van vergund of op een andere manier toegestaan handelen, al zal in de regel het naleven van de reguliere veiligheids- en gezondheidsbepalingen ertoe leiden dat geen gevaar voor de gezondheid of de veiligheid ontstaat of voortduurt.
De geëiste maatregelen op grond van dit artikel moeten altijd in verhouding staan tot het te bestrijden risico. De gemeente zal de noodzaak hiervan in het concrete geval moeten kunnen onderbouwen.
Enkele voorbeelden van situaties waarin een beroep op dit zorgplichtartikel gerechtvaardigd kan zijn:
-als sprake is van geluidhinder;
-als sprake is van ernstige rookhinder door het stoken van hout of andere stoffen;
-als stankverwekkende stoffen zijn opgeslagen;
-als sprake is van een illegale hennepkwekerij;
-als op gevaarlijke wijze materiaal is gestapeld (bijvoorbeeld voor kinderen bereikbare vaten die kunnen gaan rollen);
-als asbestbevattende materialen of restanten hiervan zich in een zodanige staat bevinden dat het risico van verspreiding van asbestvezels te vrezen valt. Het Asbestverwijderingsbesluit 2005 ziet op de situatie van sloop en is niet toepasbaar op de situatie van verweren of slijtage.
Met het tweede lid, onderdeel c, is beoogd dat een bouwwerk in een dusdanig nette staat is dat daardoor geen hinder voor personen ontstaat en dat er geen gevaar voor de veiligheid of gezondheid ontstaat. Op grond van dit artikel kan bijvoorbeeld worden opgetreden wanneer in een woning overmatig veel last is van schadelijk of hinderlijk gedierte of wanneer de algemene reinheid (gezondheid) dat betaamt. Het moet gaan om ernstige gevallen.
Het derde lid geeft aan dat dit artikel niet gaat over gebruik van bouwwerken dat al geregeld is in afdeling 6.2 van het Bbl (zie ook hierboven). Die regels zijn namelijk uitputtend en er bestaat geen ruimte dat gebruik daarnaast onderwerp van dit omgevingsplan te laten zijn.
Dit artikel heeft betrekking op de aanwezigheid van relatief beperkte hoeveelheden brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken, de zogenoemde huishoudelijke opslag. De regels over opslag van brandgevaarlijke stoffen waren voorheen opgenomen in het Bouwbesluit 2012 (voor opslag in, op of nabij een bouwwerk) en het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen (voor opslag in, op of nabij een bouwsel). De inwerkingtreding van de Omgevingswet brengt geen verandering in de regeling van de opslag in, op of nabij een bouwsel, wel in de regeling van de opslag in, op of nabij een bouwwerk. De opslag in of op een bouwwerk is voortaan geregeld in het Bbl. Dat besluit bevat geen regels over de opslag nabij een bouwwerk omdat het geen regels bevat over zaken buiten een bouwwerk. Om te voorkomen dat er op dit punt een hiaat in de regelgeving ontstaat, wordt de opslag van brandgevaarlijke stoffen nabij een bouwwerk voortaan geregeld in dit omgevingsplan.
Onder brandgevaarlijke stoffen wordt in dit verband verstaan: vaste stoffen, vloeistoffen en gassen die brandbaar of brandbevorderend zijn of bij brand gevaar opleveren. Voor zover die stoffen aanwezig zijn in of op een bouwwerk is die aanwezigheid voortaan landelijk geregeld met de specifieke zorgplicht voor het brandveilig gebruik van bouwwerken (artikel 6.4 van het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken). Het stellen van regels over bedrijfsmatige opslag van stoffen die zowel brand- als milieugevaarlijk zijn, geschiedt in het Bal en in omgevingsvergunningen voor milieubelastende activiteiten. Dit artikel beperkt zich tot huishoudelijke opslag, dat wil zeggen kleinere hoeveelheden die - rekening houdend met de gevaarsaspecten van die stoffen - voor de goede bedrijfsvoering als werkvoorraad mogen worden beschouwd. Dit is in dit artikel uitgewerkt in een verbod op het aanwezig hebben van brandgevaarlijke stoffen in combinatie met expliciete uitzonderingen op dat verbod. In de bij dit artikel opgenomen tabel is per soort stof en verpakkingsgroep aangegeven welke hoeveelheid van een brandgevaarlijke stof is toegestaan.
In de eerste kolom van de tabel zijn die stoffen geordend in overeenstemming met de deelverzameling «stoffen die zowel milieu- als brandgevaarlijk zijn» van de ADR (Europese overeenkomst van 30 september 1957 betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg; Trb. 1959, 171). Conform de ADR-terminologie wordt daarbij de netto massa in kilo's gehanteerd als eenheid voor het vaststellen van hoeveelheden vaste stoffen, vloeibaar gemaakte gassen en onder druk opgeloste gassen en wordt de nominale inhoud in liters als eenheid gehanteerd wanneer het gaat om vloeistoffen en samengeperste gassen.
In het eerste lid is het verbod op het aanwezig hebben van een brandgevaarlijke stof opgenomen. Of iets een brandgevaarlijke stof is, is te lezen in de bij dit artikel opgenomen tabel. Uit deze tabel blijkt dat ook medicinale zuurstof een gas is dat onder het voorschrift van dit artikel valt.
Op grond van het tweede lid is het in het eerste lid gestelde verbod niet van toepassing wanneer de toegestane maximum hoeveelheid van een bepaalde stof niet wordt overschreden (onderdeel a), de stof deugdelijk is verpakt (onderdeel b) en die stof met inachtneming van de op de verpakking aangegeven gevaarsaanduidingen wordt gebruikt (onderdeel c). Hierbij geldt dat de totale hoeveelheid stoffen niet meer mag zijn dan 100 kilogram of liter. De stof moet zodanig verpakt zijn dat de verpakking tegen een normale behandeling bestand is (wat bij de originele verpakking in de regel al het geval zal zijn) en van de inhoud niets onvoorzien uit de verpakking kan ontsnappen (wat bij deugdelijke sluiting van een geopende originele verpakking in de regel het geval zal zijn). Bij gebruik in overeenstemming met de gevaarsaanduiding moeten de zogenoemde R- en S-zinnen in acht worden genomen. Die zinnen, die in de regel op de originele verpakking zijn aangegeven, geven de producteigenschappen aan (R = risc: bijvoorbeeld «ontvlambaar») en bevatten gebruiksinstructies (S = safety: bijvoorbeeld «niet roken tijdens het gebruik»).
In het derde lid wordt een aantal zelfstandig te lezen afwijkingen van het eerste lid gegeven. Bij de bepaling van de totale hoeveelheid toegestane stoffen hoeft geen rekening te worden gehouden met de in het derde lid opgenomen stoffen. Er hoeft bijvoorbeeld geen rekening te worden gehouden met de in een auto of scooter aanwezige motorbrandstoffen (onder a) of met voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken (onder c).
Onderdeel f van het derde lid bepaalt dat het eerste lid niet van toepassing is op brandgevaarlijke stoffen voor zover de aanwezigheid daarvan bij of krachtens de Omgevingswet is toegestaan. Hiermee wordt zeker gesteld dat voor die stoffen alleen eventuele algemene regels en een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit gelden en zodoende strijdige voorschriften worden uitgesloten.
Op grond van het vierde lid moet de inhoudsmaat van een aangebroken verpakking volledig worden meegerekend. Als bijvoorbeeld in een vat nog vier liter zit van de oorspronkelijke tien liter dan moet gerekend worden met tien liter.
Enkele rekenvoorbeelden op basis van dit artikel. Ongeacht de aanwezigheid van andere stoffen mogen altijd gasflessen met een maximum inhoud van in totaal 115 liter en maximaal 1.000 liter diesel-, gas- of lichte stookolie (vlampunt tussen 61°C en 100°C) aanwezig zijn. Bij de overige stoffen gaat het niet alleen om een maximum hoeveelheid voor stoffen per ADR-klasse (bijvoorbeeld: geen grotere hoeveelheid van stoffen van ADR-klasse 3 uit verpakkingsgroep II dan totaal 25 liter) maar mag ook de hoeveelheid van stoffen uit alle genoemde ADR-klassen samen niet meer dan 100 kilogram of liter bedragen. Wanneer bijvoorbeeld in een bouwwerk 50 liter vloeistof van ADR-klasse 3 uit verpakkingsgroep III en 50 kilogram stoffen van ADR-klasse 5.1 aanwezig zijn, is die grens van de toegestane maximum hoeveelheid van 100 kilogram of liter bereikt. In dat geval mogen daarnaast nog wel de eerdergenoemde gasflessen en oliesoorten tot maximaal de daarvoor aangegeven maximum hoeveelheid aanwezig zijn maar geen van de overige in de tabel aangegeven stoffen.
In het vijfde lid is geregeld dat in afwijking van het derde lid, onder e, meer dan 1.000 liter van een in dat artikelonderdeel bedoelde oliesoort aanwezig mag zijn als de wijze van opslag en gebruik daarvan zodanig is dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie en de ontwikkeling van brand naar het oordeel van het bevoegd gezag voldoende worden voorkomen. Op grond daarvan kan het bevoegd gezag dus instemmen met de aanwezigheid van een grotere hoeveelheid. De reikwijdte van die bevoegdheid is beperkt tot gevallen die buiten de werkingssfeer van de het Bal of een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit vallen.
In dit artikel zijn onderdelen terug te vinden die voorheen waren opgenomen in artikel 1a, tweede lid, van de Woningwet, en de artikelen 7.21 en 7.22 van het Bouwbesluit. Deze zorgplicht («kapstokartikel») heeft betrekking op de staat en het gebruik van open erven en terreinen waarin niet is voorzien door de andere voorschriften van dit omgevingsplan. Hiermee heeft het bevoegd gezag een «kapstok» om in een specifiek geval in te grijpen wanneer de staat of het gebruik van een open erf of terrein leidt tot hinder, gezondheidsrisico's en veiligheidsrisico's. Ook als de staat of het gebruik op zich voldoet aan de voorschriften van dit omgevingsplan kan er reden zijn voor een beroep op dit artikel.
De zorgplicht opgenomen in het eerste lid geldt voor eenieder die een open erf of terrein gebruikt. De term gebruiken moet ruim worden uitgelegd en omvat zowel het zelf gebruiken als het door een ander laten gebruiken. Al deze personen zijn gehouden het noodzakelijke te doen, voor zover dat in hun vermogen ligt, om het ontstaan of voortduren van gevaar voor de gezondheid of veiligheid te voorkomen of te beëindigen. Dit vereist adequaat en tijdig optreden waarbij zowel (tijdelijke) beheersmaatregelen als (permanente) eindmaatregelen noodzakelijk kunnen zijn, afhankelijk van de aard en omvang van een bepaald gevaar.
De zorgplicht is steeds van toepassing, ook in het kader van vergund of op een andere manier toegestaan handelen, al zal in de regel het naleven van de reguliere veiligheidsbepalingen ertoe leiden dat geen gevaar voor de gezondheid of de veiligheid ontstaat of voortduurt.
De geëiste maatregelen op grond van dit artikel moeten altijd in verhouding staan tot het te bestrijden risico. De gemeente zal de noodzaak hiervan in het concrete geval moeten kunnen aantonen.
Enkele voorbeelden van situaties waarin een beroep op dit kapstokartikel gerechtvaardigd kan zijn:
-als sprake is van lawaaihinder;
-als sprake is van ernstige rookhinder door het stoken van hout of andere stoffen;
-als stankverwekkende stoffen zijn opgeslagen;
-als sprake is van een illegale hennepkwekerij;
-op gevaarlijke wijze materiaal is gestapeld (bijvoorbeeld voor kinderen bereikbare vaten die kunnen gaan rollen);
-als asbestbevattende materialen of restanten hiervan zich in een zodanige staat bevinden dat het risico van verspreiding van asbestvezels te vrezen valt. Het Asbestverwijderingsbesluit 2005 ziet op de situatie van sloop en is niet toepasbaar op de situatie van verweren of slijtage.
Met het derde lid onderdeel c is beoogd dat een open erf of terrein in een dusdanig nette staat verkeert dat daardoor geen hinder voor personen ontstaat en dat er geen gevaar voor de veiligheid of gezondheid ontstaat. Op grond van dit artikel kan bijvoorbeeld worden opgetreden wanneer op een erf overmatig veel last is van schadelijk of hinderlijk gedierte of wanneer de algemene reinheid (gezondheid) dat betaamt. Een open erf en terrein behoort geen gevaar voor de veiligheid of gezondheid op te leveren door drassigheid, stank, verontreiniging, (on)gedierte, begroeiing of voorwerpen. Het moet gaan om ernstige gevallen.
Dit artikel heeft betrekking op het staken van het gebruik van een open erf of terrein als dat gebruik gevaarlijk is in verband met de bouwvalligheid van een nabij gelegen bouwwerk. Voordat sprake kan zijn van een overtreding waartegen het handhavend kan worden opgetreden is het nodig dat het bevoegd gezag eerst een mededeling heeft gedaan dat het gebruik vanwege de technische kwaliteit van dat andere bouwwerk gevaarlijk is. Die mededeling is een mededeling van feitelijke aard en geen beschikking. Als het gebruik na ontvangst van de bedoelde mededeling toch wordt voortgezet kan op grond van artikel 125 van de Gemeentewet en artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht handhavend worden opgetreden door oplegging van een last onder bestuursdwang of een last onder de dwangsom. In spoedeisende gevallen kan bestuursdwang zo nodig zonder voorafgaande last worden toegepast (artikel 5:31 van de Algemene wet bestuursrecht).
tweede lid
Ingevolge het bepaalde in artikel 4.114 van de Invoeringswet Omgevingswet geldt een welstandsnota als bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet die van kracht is, als een beleidsregel als bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet.
In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen die voor alle milieubelastende activiteiten gelden. Het begrip milieubelastende activiteit (mba) is in de Omgevingswet gedefinieerd. Daaronder wordt een activiteit verstaan die ‘nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringstechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit’. Nadelige gevolgen voor het milieu kunnen bijvoorbeeld zijn emissies van stoffen, geluid of geur naar de omgeving, of gevolgen voor de veiligheid of CO2 uitstoot.
Deze begripsbepaling is zeer ruim en omvat derhalve een breed scala aan activiteiten met grote verschillen in aard en omvang van de gevolgen voor het milieu. Dit begrip is ook breder dan het begrip ‘inrichting’ uit de voormalige Wet milieubeheer. In aanvulling op de voormalige inrichtingen zijn milieubelastende activiteiten onder meer:
activiteiten bij particuliere huishoudens, zoals het in werking hebben van een open haard of een lozing van afvalwater in het gemeentelijk rioolstelsel;
kortstondige en eenmalige activiteiten, denk aan het houden van evenementen, bouw- en sloopwerkzaamheden of activiteiten in de openbare ruimte;
activiteiten zonder vaste locatie, bijvoorbeeld het rondrijden met een omroepwagen.
De meeste regels in dit hoofdstuk zijn afkomstig uit de ‘bruidsschat’. De bruidsschat bevat regels die voorheen door het Rijk werd geregeld (met name in het Activiteitenbesluit milieubeheer, het Besluit lozingen buiten inrichtingen en het Besluit lozingen afvalwater huishoudens), maar met de inwerkingtreding van de Omgevingswet aan gemeenten (of waterschappen) zijn overgedragen.
De regels in deze afdeling gelden voor alle milieubelastende activiteiten. Hiermee is het toepassingsbereik van deze afdeling uitgebreid ten opzichte van het toepassingsbereik van de inmiddels vervallen Afdeling 22.3 van het tijdelijk deel (bruidsschat milieubelastende activiteiten). Deze afdeling bevat algemene (overkoepelende) bepalingen voor de volgende twee afdelingen en een zorgplichtbepaling voor alle milieubelastende activiteiten. De volgende afdelingen hebben een beperkter toepassingsbereik. Deze afdelingen bevatten regels voor bedrijven, zoals geluidnormen, en regels over het lozen op de riolering en de bodem.
Eerste lid:
Dit artikel regelt dat gegevens en bescheiden moeten worden verstrekt aan het bevoegd gezag, als dat bevoegd gezag die gegevens en bescheiden nodig heeft om voor een specifieke activiteit of een specifieke locatie te beoordelen of de algemene regels en eventuele maatwerkvoorschriften die voor die activiteit of die locatie gelden, nog volstaan. Het eerste lid van dit artikel biedt de mogelijkheid om deze informatie bij de initiatiefnemer op te vragen. Het gaat om gegevens en bescheiden waar het bevoegd gezag om vraagt. Degene die de activiteit verricht hoeft dus niet uit eigen beweging gegevens of bescheiden op te sturen, al staat het natuurlijk vrij dit wel te doen.
Het gaat in dit artikel alleen om de situatie dat het bevoegd gezag wil bekijken of de algemene regels en maatwerkvoorschriften voor de activiteit nog toereikend zijn gezien ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en gezondheid en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu. Bij ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu kan gedacht worden aan het beschikbaar komen van nieuwe passende preventieve maatregelen of de actualisatie van de beste beschikbare technieken. De ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu kunnen bijvoorbeeld aan de orde zijn als er door cumulatie van activiteiten een verslechtering van de kwaliteit van lucht, veiligheid, geluid, oppervlaktewater of grondwater optreedt. Met deze formulering is aangesloten op dezelfde regeling voor vergunningplichtige gevallen, zoals opgenomen in artikel 16.56 in combinatie met artikel 5.38 van de wet.
Tweede lid:
Gegevens waarover degene die de activiteit uitvoert niet redelijkerwijs de beschikking kan krijgen, hoeven uiteraard niet te worden verstrekt.
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.48 van de bruidsschat (tijdelijk deel).
Eerste lid:
Dit artikel bevat de verplichting om, zodra vastgesteld is dat er sprake is van een ongewoon voorval, het college van burgemeester en wethouders hierover onverwijld te informeren; vertraging is gezien de gevolgen voor de gezondheid en het milieu niet wenselijk. Het gaat hier om voorvallen met een duidelijk negatief gevolg voor het milieu. Voor deze ongewone voorvallen bevat de Omgevingswet in hoofdstuk 19 regels gericht tot bestuursorganen. De Omgevingswet bevat een omschrijving van wat onder een ongewoon voorval moet worden verstaan. Deze beperkt ongewone voorvallen kort gezegd tot afwijkende gebeurtenissen die, ongeacht de oorzaak daarvan, significante nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving kunnen hebben. De regel verplicht dus niet om het bevoegd gezag te informeren over elke gebeurtenis die afwijkt van het normale verloop van een activiteit, maar alleen wanneer dit ook significante nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving kan hebben. Zie voor verdere uitleg over ongewone voorvallen afdeling 3.6 van het algemeen deel van de toelichting van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Tweede lid:
In het tweede lid is omschreven welke gegevens en bescheiden over het ongewoon voorval aan het bevoegd gezag moeten worden verstrekt, zodra deze informatie beschikbaar is. Dat hoeft dus niet met dezelfde spoed als het informeren over het ongewone voorval zelf.
Derde lid:
Het tweede lid bepaalt dat de informatieplicht niet geldt bij milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal en bij wonen. Het Bal bevat zelf al een informatieplicht voor ongewone voorvallen. Ongewone voorvallen bij activiteiten bij wonen komen zelden voor, en ook in het oude recht gold daarvoor geen informatieplicht. Dat ligt anders als een activiteit bij wonen onder het voormalige recht als inrichting gezien kon worden, zoals het uitoefenen van beroep of bedrijf aan huis of het opslaan in een propaan tank. Voor deze activiteiten gelden regels op grond van Afdeling 8.2 en is daarom de informatieplicht bij ongewoon voorval ook van toepassing.
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikelen 22.49 en 22.50 van de bruidsschat (tijdelijk deel).
Eerste lid:
In hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn milieubelastende activiteiten aangewezen waarvoor een vergunningplicht geldt. Dit artikel regelt dat gelijktijdig met een aanvraag voor die vergunning ook informatie moet worden aangeleverd over milieuaspecten die in het omgevingsplan zijn geregeld, namelijk geluid, geur en trillingen.
Bij het verlenen van de omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteiten op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving moet op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving (art. 8.9 Bkl) onder andere rekening worden gehouden met de regels over geluid, geur en trilling in het Omgevingsplan. De aanvraagvereisten voor deze vergunning in de rijksregels bevatten echter niet voor alle activiteiten de gegevens en bescheiden die nodig zijn voor de beoordeling van de gevolgen van de milieubelastende activiteit die worden geregeld in omgevingsplannen, zoals gegevens over geluid en geur. De reden hiervoor is dat de wijze waarop de bescherming in het omgevingsplan is vormgegeven van invloed kan zijn op de informatie die bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit nodig is.
De activiteiten die in het Bal als vergunningplichtig zijn aangewezen zijn van een zodanige omvang dat ze in veel gevallen geluid, geur of – in mindere mate – trillingen kunnen veroorzaken. Daarom is het bij deze activiteiten van belang om voor aanvang informatie te krijgen om vast te stellen of kan worden voldaan aan de normen en voorschriften die in dit Omgevingsplan zijn opgenomen ter bescherming van de omgeving. Die toets vindt voor deze activiteiten plaats bij de verlening van de vergunning op grond van het Bal. Om invulling te kunnen geven aan deze beoordeling is informatie van degene die de activiteit wil gaan uitvoeren noodzakelijk. Daarom is in dit artikel een informatieplicht opgenomen voor het verkrijgen van de relevante informatie.
In het oude recht was een vergelijkbare verplichting opgenomen in de Regeling omgevingsrecht. Net als in dit artikel was die verplichting algemeen geformuleerd. In de praktijk wordt in overleg tussen aanvrager en vergunningverlener afgestemd welke informatie nodig is. Soms kan worden volstaan met een globale beschrijving van de activiteiten, waaruit blijkt dat geen trilling of geur te verwachten is. In andere gevallen is een onderzoek door een gespecialiseerd bureau nodig om goed te kunnen beoordelen of aan de normen kan worden voldaan. Dit hangt mede af van de omgeving waar een activiteit wordt uitgevoerd: op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld (voorheen gezoneerd industrieterrein) of nabij woningen zal vrijwel altijd geluidonderzoek nodig zijn, op een bedrijventerrein niet altijd.
Tweede lid:
De informatie is bedoeld om de vergunningaanvraag te kunnen beoordelen. Op grond van artikel 8.9 lid 3 Bkl moet bij het bepalen of sprake is van significante milieuverontreiniging rekening worden gehouden met het Omgevingsplan. Het begrip milieuverontreiniging is omschreven in het Bkl, en omvat mede de onderwerpen geluid, trilling en geur (zie Stb. 2018, 292 par. 11.6.1.3 onder het kopje Significante milieuverontreiniging).
Als de informatie niet wordt aangeleverd kan het bevoegd gezag hier op twee manieren op reageren. Op grond van dit artikel kan handhavend worden opgetreden, bijvoorbeeld door het opleggen van een dwangsom. Daarnaast is de informatie noodzakelijk voor het beoordelen van de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit. De verplichting in dit artikel is geen indieningsvereiste voor deze vergunning, omdat in het Omgevingsplan geen aanvullende indieningsvereisten voor de Bal-mba vergunning kunnen worden opgenomen. Wel verplicht artikel 4:2 lid 2 Awb in zijn algemeenheid ertoe om alle gegevens aan te leveren die nodig zijn voor beoordeling van de aanvraag. Op die grondslag kan het bevoegd gezag als dat nodig is aanvullende gegevens vragen, en als die niet worden aangeleverd de aanvraag buiten behandeling laten (art. 4:5 Awb).
Derde lid:
De bevoegdheden met betrekking tot het omgevingsplan (vergunningen, meldingen, maatwerkvoorschriften, toezicht en handhaving) liggen in beginsel bij het college van burgemeester en wethouders. Ook de bevoegdheid om omgevingsvergunningen voor milieubelastende activiteiten op grond van het Bal te verlenen ligt in de meeste gevallen bij burgemeester en wethouders.
In enkele gevallen kan het voorkomen dat gedeputeerde staten bevoegd zijn voor de vergunningverlening voor de milieubelastende activiteit op grond van het Bal. In dat geval moet de informatie op grond van dit artikel aan gedeputeerde staten verstrekt worden.
De informatie moet gelijktijdig met de aanvraag om omgevingsvergunning worden verstrekt, zodat deze meegenomen kan worden bij de behandeling van de aanvraag.
Vierde lid:
Voor de zwaarste categorie milieubelastende activiteiten is in de Omgevingsregeling (artikel 7.27) de verplichting opgenomen om de milieugevolgen te beschrijven, waaronder gevolgen op het gebied van geluid, geur en trilling. Als dit het geval is, dan is het niet nodig om dezelfde verplichting nogmaals in het Omgevingsplan op te nemen. Daarom geldt op grond van dit artikellid een uitzondering voor die gevallen.
Eerste lid:
De milieuregels van deze afdeling stonden voorheen in Afdeling 22.3 van (het tijdelijk deel van) dit omgevingsplan (de bruidsschat voor milieubelastende activiteiten) en zijn vooral afkomstig uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de voormalige Activiteitenregeling milieubeheer. Die regels waren alleen van toepassing op inrichtingen als bedoeld in artikel 1, derde lid, van de voormalige Wet milieubeheer en die waren aangewezen in bijlage I bij het voormalige Besluit omgevingsrecht.
De Omgevingswet heeft het begrip 'inrichting' uit de Wet milieubeheer ('elke door de mens bedrijfsmatige of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht') verlaten. De Omgevingswet gebruikt de term milieubelastende activiteit (‘activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringstechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit’) die veel breder is dan het voormalige begrip ‘inrichting’. Zie hierover meer in de toelichting op artikel 8.1.
Voor het toepassingsbereik van de milieuregels in deze afdeling is zo veel mogelijk aangesloten bij de bruidsschat. Het toepassingsbereik van de bruidsschat was afgebakend zodat de regels zo veel mogelijk voor die activiteiten gingen gelden die tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer vielen. Enige verschuiving bij de overgang naar een nieuwe wetsystematiek en begrippenkader was echter niet te voorkomen.
Het toepassingsbereik van dit artikel is licht aangepast ten opzichte van de voormalige bruidsschat. Reden hiervoor is dat met de regels van het Omgevingsplan moet worden voldaan aan de instructieregels van het Rijk voor gemeenten over milieugevolgen van activiteiten, zoals opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Deze instructieregels hebben een breder toepassingsbereik dan het toepassingsbereik van de bruidsschat. Gelet hierop is de uitzondering uit het voormalige artikel 22.41 van de bruidsschat voor het gebruik van landbouwvoertuigen op weilanden en akkers geschrapt.
Onderdeel a
Deze afdeling is niet van toepassing op milieubelastende activiteiten bij wonen. Dit sluit aan bij het toepassingsbereik voor de instructieregels voor geluid, trillingen en geur in het Bkl.
Onder de voormalige Wet milieubeheer was het onduidelijk waar de grens lag bij de toetsing van het criterium «bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig is». Ook onder de bruidsschat bleef dit een grijs gebied. Met dit artikel wordt een meer duidelijke regeling beoogd. Activiteiten die in het kader van een bedrijf of beroep aan huis worden verricht, vallen onder deze afdeling. Dit wordt geregeld in het tweede lid, eerste zinsnede. Uitzondering hierop is als het uitoefenen van dat beroep of bedrijf uitsluitend uit administratieve werkzaamheden (bureauwerk) bestaat. Onder het voormalige recht voldeed deze activiteit weliswaar aan het begrip inrichting maar het was geen aangewezen Bor-categorie en dus was het Activiteitenbesluit niet van toepassing hierop. Met het vervallen van de Bor-categorieën zouden alle beroepsmatige activiteiten onder de reikwijdte van deze titel vallen. Dat is onwenselijk voor administratief werk waarbij gevolgen voor het milieu nihil zijn.
Het uitoefenen van hobby’s wordt als een activiteit bij wonen van het toepassingsbereik van deze afdeling als hoofdregels uitgezonderd. Deze uitzondering geldt echter niet als de hobby een bepaalde omvang overstijgt (denk hierbij aan het in een bepaalde omvang houden van dieren, sleutelen aan auto’s, meubels maken of bereiden van voedingsmiddelen). In het tweede lid, laatste zinsnede is expliciet bepaald dat activiteiten met een bedrijfsmatige omvang wel onder de reikwijdte van deze titel vallen. Hiermee wordt aangesloten bij het voorheen geldend recht. Ook de bruidsschat ging ervan uit dat 'extreme hobby's' niet meer als onderdeel van wonen gezien konden worden. In dit omgevingsplan wordt ervoor gekozen om dit expliciet te bepalen. Bij de bepaling wordt aangesloten bij het criterium uit het voormalige recht, namelijk de bedrijfsmatige omvang. Net als in het voorheen geldend recht en de bruidsschat is de grens tussen 'gewone' en 'extreme' hobby's enigszins een grijs gebied. Bij de toepassing ervan wordt aangesloten bij de jurisprudentie die onder het voormalige recht met betrekking tot het begrip inrichting is ontwikkeld. Voor andere activiteiten bij wonen zonder bedrijfsmatige omvang geldt de specifieke zorgplicht van artikel 8.4, en de mogelijkheid om met een maatwerkvoorschrift hier concreet invulling aan te geven als dit in een uitzonderlijk geval nodig is.
Het opslaan van propaan in tanks bij particulieren werd voorheen als een activiteit in bedrijfsmatige omvang gezien. In het derde lid is expliciet geregeld dat voor deze activiteit uitsluitend de vergunningplicht op grond van artikel 8.149 geldt. Verder gelden voor deze activiteit algemene regels op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving (ook bij wonen).
Onderdeel b
Het feitelijk verrichten van bouw- en sloopactiviteiten of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein, vallen niet onder deze afdeling. In het Bbl zijn wel eisen opgenomen voor zowel geluid als trillingen bij bouw- en sloopactiviteiten. Het Bbl bevat voor het verrichten van die activiteiten ook een specifieke zorgplicht. Verder bevat dit omgevingsplan een specifieke zorgplicht voor het gebruik van een bouwwerk (artikel 4.17). Deze artikelen vormen de voortzetting van regels uit het voormalige Bouwbesluit 2012.
Het is dus niet zo dat er, door de uitzondering in dit onderdeel, voor deze activiteiten geen regels gelden.
Onder het regime van de Wet milieubeheer gebeurde het in bijzondere gevallen wel dat bouwwerkzaamheden die langer duurden dan zes maanden, als een Wet milieubeheer-inrichting werden gezien. Deze activiteiten vallen buiten het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, maar ook daarvoor geldt dat de hiervoor genoemde regels van toepassing zijn.
Onderdeel c
Deze uitzondering beoogt de activiteiten die in de openbare buitenruimte plaatsvinden uit te sluiten. Voorbeelden zijn kermissen en andere evenementen, weekmarkten, mobiele installaties/activiteiten zoals draaiorgels, ophalen van vuilnis en gevelreiniging. Het voor een korte periode bezetten van een stukje openbaar toegankelijk terrein, maakt het daarmee niet ontoegankelijk. Activiteiten in een openbaar toegankelijk gebouw, zoals een publieke parkeergarage of het stadhuis, vallen wel onder het toepassingsbereik. Ook het laden en lossen op de openbare weg in de onmiddellijke nabijheid van een winkel, of het verkeer van en naar het bedrijf valt wel onder het toepassingsbereik van deze afdeling, omdat dit onderdeel of gevolg is van een activiteit (de winkel of het bedrijf) die zelf niet in hoofdzaak in de openbare ruimte wordt verricht. Hiermee wordt aangesloten bij het toepassingsbereik van de voormalige regels over inrichtingen.
Onderdeel d
Het verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen valt niet onder deze afdeling van dit omgevingsplan.
Onderdeel e
De Omgevingswet introduceert een nieuwe werkwijze voor de beheersing van industrielawaai. In plaats van geluidzonering wordt aangesloten bij de systematiek van geluidproductieplafonds die sinds 2012 al geldt voor de Rijksinfrastructuur (snelwegen en spoorwegen). Daarom wordt ook het begrip industrieterrein (of gezoneerd industrieterrein) vervangen door de term ‘industrieterreinen waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld’. Er is een ruime overgangstermijn gegeven voor het overstappen naar de nieuwe systematiek. Totdat de geluidproductieplafonds zijn vastgesteld, blijft het regime van de Wet geluidhinder gelden.
Deze afdeling bevat verschillende regels voor industrieterreinen waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld. Omdat bij de inwerkingtreding van deze afdeling nog geen geluidproductieplafonds zijn vastgesteld, moeten de regels ook voor gezoneerd industrieterreinen gelden. In dit artikel wordt dat geregeld.
De relevantie van dit artikel is in tijd beperkt. Zodra voor alle industrieterreinen geluidproductieplafonds worden vastgesteld, verliest deze bepaling haar betekenis en kan geschrapt worden.
Deze subsubparagraaf is gereserveerd voor een regeling voor de beheersing van geluidsemissie.
Dit artikel bepaalt dat deze subsubparagraaf van toepassing is op (kleinschalige) voedselbereiding. Het betreft bijvoorbeeld bedrijfskantines of de horeca. Deze subsubparagraaf is niet van toepassing op de voedingsmiddelenindustrie als bedoeld in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving, met uitzondering van de kantine van dergelijke bedrijven.
Het werkingsgebied van artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving, verschilt enigszins van het werkingsgebied van § 3.6.3 (industrieel vervaardigen of bewerken van voedingsmiddelen of dranken) uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Daardoor ontstaan mogelijk wat verschuivingen in het werkingsgebied van de voorschriften ten opzichte van de oude situatie. Zo is de ondergrens van 400 kW uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer veranderd in 130 kW omdat er in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving een ondergrens van 130 kW wordt gehanteerd. In gevallen waarin dit een probleem oplevert kan dit worden opgelost met maatwerk.
Grootkeukenapparatuur is apparatuur die wordt gebruikt voor professionele keukens in de horeca en bij instellingen. De apparatuur die in professionele keukens wordt gebruikt, is een slag groter dan huishoudelijke apparatuur en wordt gekocht bij gespecialiseerde leveranciers. Grootkeukenapparatuur komt zowel in elektrische als gasgestookte varianten voor. Het maximale vermogen van grootkeukenapparatuur is ongeveer 80 kilowatt. Zware grootkeukenapparaten zijn bijvoorbeeld pastakokers voor een mensa of instelling of de bakwand van een snackbar.
Er zijn ook regels over lozingen bij bereiding van voedingsmiddelen. Deze zijn in 8.3.2.20 opgenomen.
Dit artikel vormt de voortzetting van artikel 22.196 van de bruidsschat (tijdelijk deel).
Dit artikel bevat een verplichting tot het verstrekken van gegevens en bescheiden. De te verstrekken gegevens en bescheiden dienen om een beeld te verschaffen van:
- de activiteit zelf en wat daarbij hoort;
- de precieze plek en indeling van de activiteit; en
- wanneer deze begint of wordt gewijzigd.
Er hoeft geen inschatting van de door te activiteit veroorzaakte milieubelasting te worden verstrekt. Wel kan het college van burgemeester en wethouders op grond van artikel 8.6 verzoeken om gegevens en bescheiden die nodig zijn om te bezien of de algemene regels uit dit omgevingsplan en maatwerkvoorschriften voor de activiteit toereikend zijn gezien ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu.
Wanneer gegevens en bescheiden moeten worden verstrekt, is ook altijd artikel 1.5 (algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden) van toepassing.
Dit artikel bevat regels met het oog op het voorkomen of beperken van geurhinder.
Eerste lid:
Het eerste lid bevat daartoe de verplichting dat afgezogen dampen en gassen die naar de buitenlucht worden geëmitteerd of op ten minste 2 meter boven de hoogste daklijn van de binnen 25 meter van de uitmonding gelegen bebouwing worden afgevoerd (onder a), of dat deze worden geleid door een doelmatige ontgeuringsinstallatie (onder b).
Doelmatig houdt onder meer het volgende in:
- de installatie vangt de geurdragende componenten daadwerkelijk af en maskeert de geur niet met andere stoffen;
- de installatie is geschikt voor die afgasstroom;
- de dimensionering van de installatie is voldoende, zodat de capaciteit past bij de activiteit;
- het bedrijf onderhoudt de installatie op een zodanige wijze dat de installatie goed functioneert.
Tweede lid:
Grootkeukens die grillen, frituren of bakken in olie of vet, moeten de hierbij vrijkomende dampen afzuigen. Bovendien moeten de afgezogen dampen via een doelmatig verwisselbaar of reinigbaar vetvangend filter worden afgevoerd naar de buitenlucht. Dit geldt niet voor het grillen met houtskool.
Derde lid:
Het derde lid geeft een uitzondering voor het bereiden van voedingsmiddelen met keukenapparatuur en activiteiten op een industrieterrein conform het voormalige recht. De uitzondering voor bedrijventerreinen met minder dan één gevoelig gebouw (in de zin van artikel 8.77, onderdeel a) per hectare is in het nieuwe deel echter niet overgenomen. In de praktijk werd deze uitzondering niet toegepast. Mocht dat wenselijk zijn, dan kan in voorkomende gevallen een maatwerkoplossing gevonden worden met gebruik van de mogelijkheden op grond van artikel 8.5 en 8.78.
Artikel 22.199 van de bruidsschat bevatte een vierde lid met overgangsrecht voor activiteiten dat uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was overgenomen. Het gold voor activiteiten die voor 1 januari 2008 een onherroepelijk milieuvergunning hadden dan wel onder het overgangsrecht van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer vielen. Indien op basis van het oud overgangsrecht geen geurvoorschrift gold voor die activiteit dan was het treffen van maatregelen als bedoeld in het eerste lid niet verplicht mits in de tussentijd geen verandering van de bedrijfsvoering plaats vond met een grotere geurbelasting op geurgevoelige gebouwen als gevolg. Deze bepaling is in dit nieuwe deel van het omgevingsplan geschrapt omdat er in de praktijk weinig beroep hierop werd gedaan. Het komt immers zelden voor dat de bedrijfsvoering zo lang ongewijzigd blijft. Bovendien is het ook redelijk om na zo een lange tijd het treffen van maatregelen te vergen. Wel is er een overgangsrechtelijke voorziening getroffen voor enkele bestaande gevallen in artikel 8.93. Die bepaling houdt in dat in de aangewezen situaties artikel 8.92 buiten toepassing blijft gedurende drie jaar. Zie verder de toelichting op dat artikel. Mocht dat wenselijk zijn, dan kan in voorkomende gevallen een maatwerkoplossing gevonden worden met gebruik van de mogelijkheden op grond van artikel 8.5 en 8.78.
Dit artikel vormt de aangepaste voortzetting van artikel 22.199 van de bruidsschat (tijdelijk deel) en van van artikel 3.103 van de voormalige Activiteitenregeling milieubeheer.
Dit artikel regelt twee overgangssituaties waarin de geurmaatregelen van artikel 8.92 gedurende drie jaar niet van toepassing zijn: op een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein met minder dan één geurgevoelig gebouw per hectare en bij bepaalde bedrijven die sinds 31 december 2007 ongewijzigd in werking zijn. Er is voor gekozen om deze uitzonderingen uit artikel 22.199, derde en vierde lid (bruidsschat) niet voort te zetten. Door de ruime maatwerkmogelijkheden van artikel 8.5 is het mogelijk om met maatwerk tegemoet te komen aan individuele situaties waar het vervallen van deze uitzonderingen toch een probleem oplevert. Het is echter onwenselijk dat direct sprake is van een overtreding op het moment dat de nieuwe regels in werking treden. Daarom blijft de oude regel voor bestaande gevallen nog enige jaren gelden. Met de termijn van drie jaar is aangesloten bij overgangsrecht zoals dat in enkele rijksregels wordt gehanteerd, bijvoorbeeld artikel 6.1, eerste lid van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Ook na het verstrijken van de termijn is het natuurlijk mogelijk om maatwerk te maken.
Eerste lid:
Dit artikel bevat overgangsrecht en geldt daarom alleen voor situaties die al bestonden op het moment dat hoofdstuk 8 in werking trad en voldeden aan de voorwaarden van artikel 22.199, derde en vierde lid.
Tweede lid:
Dit artikellid gaat over geur op een bedrijventerrein. In artikel 8.92, derde lid is bepaald dat geen geurmaatregelen hoeven te worden getroffen als het mogelijke effect van de geuremissie beperkt blijft tot een industrieterrein met geluidproductieplafonds (voorheen gezoneerd industrieterrein). In het voormalige Activiteitenbesluit en in artikel 22.199, derde lid gold deze uitzondering ook voor een bedrijventerrein met minder dan één geurgevoelig gebouw per hectare. Deze uitzondering wordt geschrapt omdat gebleken is dat deze uitzondering in de praktijk niet werd toegepast. De situatie komt ook nauwelijks voor dat er minder dan één geurgevoelig gebouw per hectare is.
Deze uitzondering blijft op grond van dit artikellid tijdelijk gelden voor bestaande gevallen die toch onder voorwaarden van deze bepaling vallen. De uitzondering geldt voor een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein. Dit is een bedrijventerrein dat voldoet aan de begripsomschrijving van het voormalige Activiteitenbesluit: “een cluster aaneengesloten percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen, binnen een in het omgevingsplan als bedrijventerrein aangewezen gebied, daaronder niet begrepen een gezoneerd industrieterrein of een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld.” Deze begripsomschrijving was opgenomen in de bruidsschat, en geldt via de verwijzing naar artikel 22.199 ook voor dit artikel. Bij de omzetting van bestemmingsplannen naar het nieuwe deel van het Omgevingsplan worden de huidige bedrijfsbestemmingen vervangen. Voor de werking van dit artikel maakt dit geen verschil, omdat verwezen wordt naar de juridische status van het bedrijventerrein direct voor inwerkingtreding van dit artikel.
Derde lid
Onder de voorgangers van het voormalige Activiteitenbesluit waren de maatregelen ter voorkoming van geurhinder niet van toepassing als er geen geurhinder kon worden ondervonden. In het Activiteitenbesluit was een overgangsbepaling opgenomen voor bedrijven die vanwege deze uitzondering geen maatregelen hoefden te treffen. Inmiddels is veel tijd verstreken, waardoor er steeds minder situaties zijn die nog steeds ongewijzigd voortbestaan, en daarnaast is het in de praktijk vaak lastig vast te stellen of dit het geval is. Ook is het niet onredelijk om na verloop van tijd te bekijken of aan de nieuwe normen kan worden voldaan. Daarom is er voor gekozen om dit oude overgangsrecht niet onbegrensd over te nemen uit artikel 22.199, vierde lid.
Deze uitzondering wordt in dit artikellid tijdelijk voortgezet. De voorwaarde dat destijds aan de voorschriften werd voldaan (onderdeel b) was niet opgenomen in artikel 22.199, maar is toegevoegd op basis van jurisprudentie (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2011:BP9592). De uitzondering geldt alleen zolang er geen verandering van de activiteit plaatsvindt die tot een toename van de geurbelasting op een geurgevoelig gebouw leidt.
Het aspect geurimmissie is voor de voedingsmiddelenindustrie, bedoeld in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving, niet specifiek geregeld in het Besluit activiteiten leefomgeving. Wel valt dit aspect onder de specifieke zorgplicht van artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Deze subsubparagraaf is een maatwerkregel op grond van die specifieke zorgplicht.
Dit artikel vormt de voortzetting van artikel 22.200 van de bruidsschat (tijdelijk deel).
Een nieuwe activiteit (of een uitbreiding) als bedoeld in artikel 8.95 is uitsluitend toegestaan als nieuwe geurhinder op een geurgevoelig gebouw wordt voorkomen. Het bevoegd gezag kan in, afwijking van dit artikel, bij maatwerkvoorschrift op grond van het derde lid, een bepaalde mate van nieuwe geurhinder ter plaatse van geurgevoelige gebouwen toestaan. In het maatwerkvoorschrift kunnen voorschriften worden gebonden. Hierbij kan het bevoegd gezag bepalen dat een bepaalde geurbelasting ter plaatse van geurgevoelige objecten niet wordt overschreden, of dat technische voorzieningen worden aangebracht of gedragsregels in acht worden genomen om de geurhinder tot een aanvaardbaar niveau te beperken.
Dit artikel vormt de aangepaste voortzetting van artikel 22.201 van de bruidsschat (tijdelijk deel) en van artikel 3.140 van de voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
Het uitgangspunt van artikel 8.96 is dat een nieuw bedrijf nieuwe geurhinder moet voorkomen; hetzelfde geldt bij wijzigingen van het bedrijf. Om te kunnen controleren of aan dat vereiste wordt voldaan is in dit artikel een informatieplicht opgenomen. Het bedrijf moet op basis van het eerste lid informatie verstrekken hoe het aan dit uitgangspunt kan voldoen. Het bevoegd gezag kan op basis van de verstrekte informatie om een geuronderzoek vragen, indien het aannemelijk is dat toch geurhinder kan optreden.
Het bevoegd gezag kan (op verzoek van het bedrijf) op grond van artikel 8.5 en 8.78 bij maatwerkvoorschrift meer geurhinder toestaan. Bij het maatwerk kunnen naast het hinderniveau concrete maatregelen worden voorgeschreven die nodig zijn om het voorgeschreven hinderniveau te bereiken.
Dit artikel vormt de voortzetting van artikel 1.17 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
Op het slachten van meer dan 10.000 kilogram levend gewicht aan dieren per week is paragraaf 3.4.8 (Voedingsmiddelenindustrie) van het Besluit activiteiten leefomgevingvan toepassing. Bij de andere drie activiteiten genoemd in dit artikel, eerste lid, onderdelen b tot en met d, staat geen ondergrens. Paragraaf 3.4.8 van het Besluit activiteiten leefomgeving is van toepassing op alle IPPC-installaties in de voedingsmiddelenindustrie. Wanneer dus de andere drie activiteiten onderdeel zijn van een IPPC-installatie, dan is deze paragraaf niet van toepassing.
Dit artikel vormt de voortzetting van artikel 22.202 van de bruidsschat (tijdelijk deel).
De te verstrekken gegevens en bescheiden dienen om een beeld te verschaffen van:
- de activiteit zelf en wat daarbij hoort;
- de precieze plek en indeling van de activiteit; en
- wanneer deze begint of wordt gewijzigd.
Er hoeft geen inschatting van de door te activiteit veroorzaakte milieubelasting te worden verstrekt. Wel kan het bevoegd gezag op grond van artikel 8.6 verzoeken om gegevens en bescheiden die nodig zijn om te bezien of de algemene regels uit dit omgevingsplan en maatwerkvoorschriften voor de activiteit toereikend zijn gezien ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen van de kwaliteit van het milieu. Wanneer gegevens en bescheiden moeten worden verstrekt, is ook altijd artikel 1.5 (algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden) van toepassing.
Dit artikel vormt de voortzetting van artikel 22.203 van de bruidsschat (tijdelijk deel).
Een ontgeuringsinstallatie zoals voorgeschreven in het eerste lid, onder b, van dit artikel moet uiteraard doelmatig zijn. Op grond van de specifieke zorgplicht in artikel 8.78 van dit omgevingsplan of artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving moet bijvoorbeeld de capaciteit van de ontgeuringsinstallatie groot genoeg zijn en moet de ontgeuringsinstallatie voldoende vaak worden gereinigd.
Artikel 22.205 van de bruidsschat bevatte een tweede lid met overgangsrecht voor activiteiten dat uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was overgenomen. Het gold voor activiteiten die voor 1 januari 2008 een onherroepelijk milieuvergunning hadden dan wel onder het overgangsrecht van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer vielen. Indien op basis van het oud overgangsrecht geen geurvoorschrift gold voor die activiteit dan was het treffen van maatregelen als bedoeld in het eerste lid niet verplicht mits in de tussentijd geen verandering van de bedrijfsvoering plaats vond met een grotere geurbelasting op geurgevoelige gebouwen als gevolg. Deze bepaling is in dit nieuwe deel van het omgevingsplan geschrapt omdat er in de praktijk weinig beroep hierop werd gedaan. Het komt immers zelden voor dat de bedrijfsvoering zo lang ongewijzigd blijft. Bovendien is het ook redelijk om na zo een lange tijd het treffen van maatregelen te vergen. Wel is er een overgangsrechtelijke voorziening getroffen voor enkele bestaande gevallen in artikel 8.102. Die bepaling houdt in dat in de aangewezen situaties artikel 8.101 buiten toepassing blijft gedurende drie jaar. Zie verder de toelichting op dat artikel. Mocht dat wenselijk zijn, dan kan in voorkomende gevallen een maatwerkoplossing gevonden worden met gebruik van de mogelijkheden op grond van artikel 8.5 en 8.78.
Dit artikel vormt de voortzetting van artikel 22.205, eerste lid van de bruidsschat (tijdelijk deel). Het tweede lid van dat artikel is geschrapt.
Dit artikel regelt overgangsrecht voor de maatregelen voor het voorkomen van geurhinder van artikel 8.101 bij bepaalde bedrijven die sinds 31 december 2007 ongewijzigd in werking zijn. Onder de voorgangers van het voormalige Activiteitenbesluit waren de maatregelen ter voorkoming van geurhinder niet van toepassing als er geen geurhinder kon worden ondervonden. In het Activiteitenbesluit was een overgangsbepaling opgenomen voor bedrijven die vanwege deze uitzondering geen maatregelen hoefden te treffen. Inmiddels is veel tijd verstreken, waardoor er steeds minder situaties zijn die nog steeds ongewijzigd voortbestaan, en daarnaast is het in de praktijk vaak lastig vast te stellen of dit het geval is. Ook is het niet onredelijk om na verloop van tijd te bekijken of aan de nieuwe normen kan worden voldaan. Daarom is er voor gekozen om dit oude overgangsrecht niet onbegrensd over te nemen uit artikel 22.205, tweede lid.
Door de ruime maatwerkmogelijkheden van artikel 8.5 is het mogelijk om met maatwerk tegemoet te komen aan individuele situaties waar het vervallen van deze uitzondering toch een probleem oplevert. Het is echter onwenselijk dat direct sprake is van een overtreding op het moment dat de nieuwe regels in werking treden. Daarom blijft de oude regel voor bestaande gevallen nog enige jaren gelden. Met de termijn van drie jaar is aangesloten bij overgangsrecht zoals dat in enkele rijksregels wordt gehanteerd, bijvoorbeeld artikel 6.1, eerste lid van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Ook na het verstrijken van de termijn is het natuurlijk mogelijk om maatwerk te maken.
De uitzondering van artikel 22.205, tweede lid blijft op grond van dit artikellid tijdelijk gelden. De voorwaarde dat destijds aan de voorschriften werd voldaan (onderdeel b) was niet opgenomen in dat artikel, maar is toegevoegd op basis van jurisprudentie (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2011:BP9592). De uitzondering geldt alleen zolang er geen verandering van de activiteit plaatsvindt die tot een toename van de geurbelasting op een geurgevoelig gebouw leidt.
Een aaneengesloten bodemvoorziening is een vloer, verharding of constructie die stoffen tijdelijk keert en waarvan eventuele onderbrekingen of naden zijn gedicht.
Dit artikel vormt de voortzetting van artikel 22.206 van de bruidsschat (tijdelijk deel).
De formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.20 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Degene die de activiteit verricht houdt een logboek bij waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties. Dat een logboek beschikbaar moet zijn voor het bevoegd gezag, volgt uit de Algemene wet bestuursrecht. Dit mag ook in digitale vorm zijn. Op grond van artikel 8.7, tweede lid, onder d, moet aan het bevoegd gezag informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om nadelige gevolgen van een ongewoon voorval te voorkomen.
Dit artikel vormt de voortzetting van artikel 22.207 van de bruidsschat (tijdelijk deel).
De formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Eerste lid:
Een eindonderzoek bodem heeft tot doel te bepalen of de bodem na het beëindigen van het pekelen van dierlijke bijproducten of organen is verontreinigd of aangetast. Een bodemonderzoek voorafgaand aan de activiteit, zoals op grond van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer werd voorgeschreven, is niet langer verplicht voor deze activiteit. Degene die het pekelen van dierlijke bijproducten of organen beëindigd kan er nog altijd wel zelf voor kiezen op eigen initiatief een bodemonderzoek te verrichten voorafgaand aan het beëindigen van de activiteit. Als voorafgaand aan de activiteit geen nulsituatie wordt vastgesteld, kan het wel zo zijn dat de initiatiefnemer meer moet herstellen dan alleen door zijn activiteit veroorzaakte bodemverontreiniging. De initiatiefnemer heeft dus een keuze.
Tweede lid:
Dit lid schrijft voor dat het bodemonderzoek alleen is gericht:
– op de bodembedreigende stoffen die als gevolg van de activiteit in de bodem kunnen geraken of daarin terecht kunnen zijn gekomen; en
– op de plaatsen waar de bodembedreigende activiteit is verricht.
Derde lid:
Het derde lid bepaalt dat het bodemonderzoek moet voldoen aan NEN 5725 en NEN 5740 en dat het veldwerk moet worden verricht door een instelling met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie- of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000. Het veldwerk bestaat onder andere uit het nemen van grond(water)monsters en het plaatsen van handboringen en peilbuizen. Een «erkenning bodemkwaliteit» is in bijlage I bij het Bal omschreven als een erkenning als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit. Het Besluit bodemkwaliteit omschrijft een erkenning als beschikking van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat waarbij wordt vastgesteld dat een instelling voor een werkzaamheid voldoet aan de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit geldende voorwaarden.
Dit artikel vormt de voortzetting van artikel 22.208 van de bruidsschat (tijdelijk deel).
Dit formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving. In het rapport van het eindonderzoek bodem moeten een aantal gegevens worden opgenomen. Bij de naam van degene die het onderzoek heeft uitgevoerd zal het in de regel gaan om de bedrijfsnaam. De wijze waarop het onderzoek is verricht zal over het algemeen een weergave bevatten van de normdocumenten die zijn gevolgd en de gegevens die op grond daarvan moeten worden vastgelegd. Het rapport moet informatie bevatten over de soort en concentratie van de aangetroffen verontreinigende stoffen, van welke bronnen deze stoffen afkomstig zijn en informatie over de geschiedenis van het terrein. Als er bestaande informatie is over bodem- en grondwatermonsters van de verontreinigende stoffen die bij de activiteit gebruikt zijn, geproduceerd zijn of zijn vrijgekomen ten tijde van het opstellen van het rapport kunnen deze gegevens in de rapportage verwerkt worden, anders moeten nieuwe monsters worden genomen. Wanneer is gebleken dat de bodem is verontreinigd of aangetast, zal in het rapport ook moeten worden vastgelegd op welke wijze de bodemkwaliteit wordt hersteld en de mate waarin dat plaatsvindt.
Dit artikel vormt de voortzetting van artikel 22.209 van de bruidsschat (tijdelijk deel).
Dit formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.5 van het Besluit activiteiten leefomgeving. De resultaten van het eindonderzoek bodem moeten uiterlijk binnen zes maanden na beëindiging van de activiteit zijn gerapporteerd aan het bevoegd gezag.
Dit artikel vormt de voortzetting van artikel 22.210 van de bruidsschat (tijdelijk deel).
Dit formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.6 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Eerste lid:
Als uit het rapport van het eindonderzoek bodem blijkt dat de bodem is verontreinigd dan moet op grond van het eerste lid uiterlijk binnen zes maanden na het toezenden van het rapport de bodemkwaliteit zijn hersteld. Voor het herstellen van de bodemkwaliteit kan uit drie opties worden gekozen. Deze keuze wordt gemaakt door degene die de activiteit verricht.
De bodemkwaliteit wordt hersteld tot:
– de waarden van een bodemrapport volgens NEN 5740 waarin de bodem- en grondwaterkwaliteit voor aanvang van de activiteit zijn vastgelegd;
– de bodemkwaliteit van de zone waarin de activiteit is verricht zoals vastgelegd op een geldende bodemkwaliteitskaart; of
– de kwaliteitsklasse landbouw/natuur bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit.
Wanneer de bodemkwaliteit voor aanvang van de activiteit niet is vastgelegd of wanneer er geen geldende bodemkwaliteitskaart voor dat gebied voor handen is, dan moet herstel plaatsvinden tot de kwaliteitsklasse landbouw/natuur, bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit. Dit artikel regelt dat de bodemkwaliteit hersteld moet worden na beëindiging van de activiteit. Dit doet er niks aan af dat eventuele morsingen of lekkages op een bodembeschermende voorziening direct opgeruimd moeten worden. Het opruimen van gelekte of gemorste (vloei)stoffen is onderdeel van de specifieke zorgplicht in artikel 22.44 van dit omgevingsplan of artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Deze verplichtingen bestaan naast elkaar.
Tweede lid:
Het tweede lid bepaalt dat het herstel van de bodemkwaliteit moet worden verricht door een persoon of onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000. Een «erkenning bodemkwaliteit» is in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving omschreven als een erkenning als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit. Het Besluit bodemkwaliteit omschrijft een erkenning als beschikking van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat waarbij wordt vastgesteld dat een persoon of een instelling voor een werkzaamheid voldoet aan de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit geldende voorwaarden.
Dit artikel vormt de voortzetting van artikel 22.211 van de bruidsschat (tijdelijk deel).
Dit formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Zowel ten minste vijf dagen voor de aanvang van de herstelwerkzaamheden als ten hoogste vijf dagen na de afronding van de herstelwerkzaamheden wordt het bevoegd gezag door degene die de activiteit heeft verricht geïnformeerd over deze herstelwerkzaamheden, zodat het bevoegd gezag daarop haar toezichtsactiviteiten kan afstemmen.
Dit artikel vormt de voortzetting van artikel 22.212 van de bruidsschat (tijdelijk deel).
Bij het pekelen van dierlijke bijproducten en organen kunnen bepaalde stoffen lekken en worden gemorst, die bij voorkeur niet in het afvalwater terecht mogen komen. Daarom is in dit artikel voorgeschreven dat ze zoveel mogelijk, zonder verder toevoegen van water worden opgeruimd en afgevoerd als afvalstof en dat zoveel mogelijk wordt voorkomen dat deze stoffen in het afvalwater terecht kunnen komen.
Dit artikel vormt de voortzetting van artikel 22.213 van de bruidsschat (tijdelijk deel).
Eerste lid:
Windturbines
Deze subsubparagraaf heeft betrekking op alle windturbines. Dit is anders dan in de bruidsschat waarbij een ondergrens werd gebruikt van een rotordiameter van meer dan 2 m. Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) ziet echter op alle windturbines en gelet hierop is het toepassingsbereik van deze subsubparagraaf verbreed.
Geluidgevoelige gebouwen
Het eerste lid bepaalt dat deze subsubparagraaf van toepassing is op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat in dit omgevingsplan, of in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is toegelaten.
Voor de definitie van een geluidgevoelig gebouw is aangesloten bij de terminologie van artikel 3.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Of een gebouw geluidgevoelig is, is afhankelijk van de gebruiksfuncties van dat gebouw. Zo wordt in het Bkl het gesproken van een gebouw met een ‘woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan’ in plaats van over een woning. Naast wonen worden onderwijs, gezondheidszorg met bedgebied en kinderopvang met bedgebied beschermd.
Dit onderdeel beschermt alleen geluidgevoelige gebouwen die toegelaten zijn op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een afwijkactiviteit. Dat betekent dat dit onderdeel geen betrekking heeft op feitelijk illegale geluidgevoelige gebouwen. Dit is een voortzetting van de regeling uit de voormalige Wet milieubeheer op grond waarvan de planologische status bepalend is voor de bescherming tegen geluid. Het feitelijke gebruik van een gebouw is daarbij niet van belang.
Tweede lid:
Het tweede lid bevat een drietal uitzonderingen voor de bescherming van geluidgevoelige gebouwen.
Onderdeel a
In onderdeel a worden geluidgevoelige gebouwen uitgesloten die op een industrieterrein liggen. Dit is een voortzetting van de oude situatie.
Onderdeel b
Onderdeel b bepaalt dat het geluid van een activiteit niet geldt op een geluidgevoelig gebouw dat tijdelijk is toegelaten. Deze tijdelijkheid moet expliciet in het omgevingsplan of de omgevingsverordening voor de afwijkactiviteit zijn vastgelegd. Het kan daarbij zowel gaan om een geluidgevoelig gebouw dat tijdelijk geluidgevoelig is (bijvoorbeeld huisvesting in een kantoor) als om een tijdelijk geluidgevoelig gebouw. Op het tijdelijk toelaten van een geluidgevoelig gebouw zijn de artikelen 5.58 en 5.59 van het Bkl wel van toepassing. Dit betekent dat er rekening gehouden moet worden met het geluid op deze geluidgevoelige gebouwen en dat dit geluid aanvaardbaar moet zijn. Zo kan de aanwezigheid van een tijdelijk geluidgevoelig gebouw aanleiding zijn voor het (met maatwerk) opleggen van een andere waarde dan de standaardwaarde of voor het opleggen van maatregelen of gedragsvoorschriften. De specifieke zorgplicht voor een milieubelastende activiteit is ook van toepassing op geluid door een activiteit op deze tijdelijke geluidgevoelige gebouwen.
Onderdeel c
Onderdeel c heeft betrekking op niet-geluidgevoelige gevels. Een gevel kan bij het toelaten van nieuwe geluidgevoelige gebouwen met toepassing van de artikelen 5.78y of 5.78aa van het Besluit kwaliteit leefomgeving, als niet-geluidgevoelige gevel in het omgevingsplan worden aangemerkt. Deze niet-geluidgevoelige gevels vervangen in het nieuwe stelsel de gevels die onder de Wet geluidhinder als ‘doof’ werden aangemerkt of waarvoor met toepassing van de Interimwet stad-en-milieubenadering werd afgeweken van de wettelijke norm.
Derde lid:
Het derde lid regelt dat de geluidregels in deze subsubparagraaf niet gelden op gevels die onder het voormalige recht als dove gevel werden aangemerkt of gevels waar met toepassing van de Stad- en- milieubenadering van de wettelijke norm. Deze bepaling heeft een overgangsrechtelijk karakter. Op grond van 12.13g van het Besluit kwaliteit leefomgeving is het immers verplicht om deze gevels tijdens de overgangsfase te voorzien van de nieuwe aanduiding “niet-geluidgevoelige gevel”.
Dit artikel vormt de voortzetting van artikel 22.75 en 22.54 van de bruidsschat (tijdelijk deel).
Dit artikel bevat enkele aanvullende regels met betrekking tot het toepassingsbereik, die in feite van overgangsrechtelijke aard zijn. Om die reden is ervoor gekozen ze in een apart artikel op te nemen. Het artikel bevat een tweetal uitzonderingen op de hoofdregel in artikel 8.112.
Eerste lid:
Het eerste lid bevat een uitzondering op de uitzondering in artikel 8.112, derde lid, onder b. De daar opgenomen uitzondering voor een tijdelijk toegelaten geluidgevoelig gebouw geldt alleen voor een geluidgevoelig gebouw dat na inwerkingtreding van de Omgevingswet is toegelaten voor een duur van niet meer dan 10 jaar. Voor een geluidgevoelig gebouw dat al voor inwerkingtreding is toegelaten (onder a) of waarvoor een vergunning is aangevraagd voor de inwerkingtreding en die vervolgens is toegelaten (onder b) geldt de uitzondering niet. Zo’n gebouw valt dus wel binnen het toepassingsbereik van deze subsubparagraaf en hiervoor blijft wel een waarde gelden voor het geluid op de gevel van een tijdelijk toegelaten geluidgevoelig gebouw. De reden voor het uitzonderen is dat onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer de geluidnormen wel golden voor gebouwen waarvoor het tijdelijk toegelaten is om ze te gebruiken als geluidgevoelig gebouw.
Tweede lid:
Ook het tweede lid bevat uitzonderingen van overgangsrechtelijke aard. Onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer kregen reeds toegelaten, maar nog niet aanwezige geluidgevoelige gebouwen geen bescherming tegen geluid van milieubelastende activiteiten. Dit is bij de instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving veranderd. De geluidwaarde geldt dan op de locatie waar volgens het omgevingsplan of de omgevingsvergunning de gevel van het gebouw gebouwd mag worden. Omdat de voormalige bestemmingsplannen van rechtswege zijn overgegaan in het omgevingsplan, zou toetsing op een dergelijk ´geprojecteerd´ gebouw ertoe kunnen leiden dat een bestaande activiteit opeens niet meer voldoet aan de geluideisen. Het is ongewenst dat voor rechtmatige bestaande situaties ineens strengere waarden voor geluid gaan gelden. Daarom is voor situaties die al toegestaan zijn voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, de uitzondering opgenomen dat onder een geluidgevoelig gebouw niet wordt verstaan een nog niet aanwezig geluidgevoelig gebouw.
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.55 van de bruidsschat (tijdelijk deel).
Subsubparagraaf 8.2.2.3.2 bevat ook geluidregels ter bescherming van geluidgevoelige gebouwen, maar dan ten aanzien van andere activiteiten dan voor windturbines. De bepalingen over samenhangende activiteiten (artikel 8.21), waar waarden gelden (artikel 8.34), functionele binding (artikel 8.35) en voormalige bedrijfswoningen (artikel 8.36) zijn ook voor het geluid door windturbines relevant. Daarom zijn deze in dit artikel van overeenkomstige toepassing verklaard.
In dit artikel zijn specifieke normen opgenomen voor windturbines. Deze waarden komen overeen met die uit de bruidsschat en het voormalige Activiteitenbesluit. In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer stonden hele concrete maatwerkmogelijkheden voor geluid van windturbines. Die mogelijkheden zijn er nu op grond van de maatwerkmogelijkheid van artikel 8.5 van dit omgevingsplan. Die mogelijkheden worden begrensd door onder andere de instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving (art. 5.74 en 5.75 Besluit kwaliteit leefomgeving).
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.76 van de bruidsschat (tijdelijk deel), en van artikel 3.14a van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
Eerste lid:
Onderdeel a verplicht de exploitant van de windturbine de gegevens te registreren waarmee het bevoegd gezag inzicht kan krijgen in de geluidsproductie van een windturbine of een combinatie van windturbines gedurende een kalenderjaar, en daarmee of aan de eisen wordt voldaan. Onderdeel b stelt als extra eis dat exploitant gedurende de handhavingsmeting de windsnelheid op ashoogte registreert.
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.77 van de bruidsschat (tijdelijk deel), artikel 3.15 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 3.14e van de voormalige Activiteitenregeling milieubeheer.
Eerste t/m derde lid:
Net als onder het voorheen geldend recht dient de exploitant van een windturbine een akoestisch onderzoek verstrekken waaruit blijkt dat aan de geluidwaarden kan worden voldaan. Desgewenst kan in vooroverleg met het bevoegd gezag nadere afspraken gemaakt worden over het detailniveau van de benodigde informatie.
Vierde lid:
Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit moet het geluidonderzoek aan het bevoegd gezag versterkt worden. Behalve het geluidonderzoek moeten ook de gegevens zoals vermeld in artikel 1.5 worden verstrekt.
Dit artikel is een voortzetting van de inmiddels vervallen artikelen 22.60 en 22.61 van de bruidsschat (tijdelijk deel) en van artikel 1.11 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer werd voor de manier van meten van - en rekenen met industrielawaai, verwezen naar de Handreiking meten en rekenen industrielawaai. Deze Handreiking meten en rekenen industrielawaai is nu verwerkt in de Omgevingsregeling. Deze meet- en rekenvoorschriften voor geluid blijven landelijk geregeld op grond van artikel 4.1, tweede lid, van de Omgevingswet. In dit omgevingsplan hoeven dus in principe geen verwijzingen opgenomen te worden naar deze meet- en rekenvoorschriften. Dit is hier wel gedaan voor de leesbaarheid van de regelgeving. In de Omgevingsregeling zijn deze meet- en rekenbepalingen voor geluid opgenomen in paragraaf 6.2.1
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.78 van de bruidsschat (tijdelijk deel).
Eerste lid:
Deze subsubparagraaf ziet op windturbines die slagschaduw veroorzaken in verblijfsruimten van slagschaduwgevoelige gebouwen of lichtschittering veroorzaken. Onder deze paragraaf vallen alleen windturbines met een rotordiameter van meer dan 2 m.
Wat onder slagschaduwgevoelige gebouwen wordt verstaan is in art. 5.89b Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bepaald. Deze begripsbepaling is via artikel 1.1 van dit omgevingsplan van toepassing. De afbakening van slagschaduwgevoelige gebouwen komt overeen met die van geluidgevoelige gebouwen en het (kort gezegd) om wonen, onderwijs, gezondheidszorg met bedgebied en kinderopvang met bedgebied.
Tweede lid:
Anders dan onder het voormalige Activiteitenbesluit worden conform Bkl tijdelijke gebouwen niet beschermd. Daarom wordt deze in het tweede lid van het toepassingsbereik uitgezonderd.
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.214 van de bruidsschat (tijdelijk deel).
Eerste lid:
In artikel 8.122, tweede lid zijn (conform het Besluit kwaliteit leefomgeving) slagschaduwgevoelige gebouwen, die zijn toegelaten voor de duur van niet meer dan tien jaar, uitgesloten van het toepassingsbereik van de bepalingen over slagschaduw in dat besluit. In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en in de bruidsschat kregen deze tijdelijke toegelaten slagschaduwgevoelige gebouwen wel bescherming. Dit artikellid zorgt ervoor dat de tijdelijke slagschaduwgevoelige gebouwen, die toegelaten zijn op grond van het recht zoals dat gold vóór inwerkingtreding van de Omgevingswet, wel bescherming tegen slagschaduw blijven houden.
Tweede lid:
Het tweede lid, gaat over reeds toegelaten, maar nog niet aanwezige (geprojecteerde) en in aanbouw zijnde slagschaduwgevoelige gebouwen, die op grond van het recht zoals dat gold vóór inwerkingtreding van de Omgevingswet toegelaten zijn. Deze gebouwen krijgen op grond van dit onderdeel geen bescherming voor slagschaduw. Het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de bruidsschat bood namelijk geen bescherming tegen slagschaduw aan geplande, maar nog te bouwen gebouwen.
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.215 van de bruidsschat (tijdelijk deel).
De passerende schaduw van draaiende wieken van een windturbine kan op bepaalde plaatsen en onder bepaalde omstandigheden een hinderlijk schaduweffect, dat wil zeggen wisseling van lichtsterkte, veroorzaken. Dit kan vooral hinderlijk zijn als de schaduw over ramen valt en zich bijvoorbeeld over een werkplek beweegt waar gestudeerd of gelezen wordt. De mate van hinder wordt onder meer bepaald door de frequentie van het passeren (rotortoerental), door de blootstellingsduur en door de intensiteit van de wisselingen in lichtsterkte. Passeerfrequenties tussen 2,5 en 14 Hz (aantal passeringen per seconde) veroorzaken hinder. Bij grotere turbines is het toerental lager zodat de passeerfrequenties doorgaans beneden 2,5 Hz liggen. Naast de passeerfrequentie is een aantal andere factoren ook bepalend voor eventuele hinder in de omgeving. Deze factoren zijn dermate locatie specifiek dat het ondoenlijk is een eenduidige alomvattende norm te stellen. Doorgaans is het noodzakelijk deze factoren in samenhang te analyseren en te projecteren op de specifieke situatie. Zo nodig kan hiervoor een maatwerkvoorschrift worden gesteld. Een hinderduur van maximaal 64 (en gemiddeld 17) dagen per jaar met een maximum van 20 minuten per dag is op grond van artikel 5.89f van het Besluit kwaliteit leefomgeving, als aanvaardbaar te beschouwen. Bovendien zijn in veel gevallen eenvoudige voorzieningen aan te brengen aan een turbine. Dat kan bijvoorbeeld in de vorm van een stilstandregeling. De eis uit dit artikel geldt in slagschaduwgevoelige ruimten. Een gevel zonder ramen of tuinen bij woningen worden niet beschermd tegen slagschaduw. Het bevoegd gezag kan aanvullend maatwerkvoorschriften stellen voor het voorkomen of beperken van hinder door slagschaduw als de maatregel in dit artikel in een specifiek geval niet toereikend is.
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.216 van de bruidsschat (tijdelijk deel).
Dit artikel bepaalt dat de regel voor het beperken van slagschaduw, niet van toepassing is op de slagschaduw door een windturbine, in een slagschaduwgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met de windturbine. Dit artikel sluit aan bij artikel 5.89d van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.217 van de bruidsschat (tijdelijk deel).
Dit artikel biedt de mogelijkheid slagschaduwgevoelige gebouwen aan te wijzen die voorheen functioneel verbonden waren met een agrarisch bedrijf of een bedrijf op een bedrijventerrein indien bij dat (agrarische) bedrijf een windturbine behoorde. Voor meer informatie over de achtergrond van deze regeling zie de artikelsgewijze toelichting op artikel 8.36. Anders dan bij geluid, geur of trillingen kan deze regeling (gelet op artikel 5.89e van het Besluit kwaliteit leefomgeving) alleen toegepast worden bij windturbines die horen bij een agrarisch bedrijf of bij een bedrijf op een bedrijventerrein, en niet bij horecabedrijven. Het wordt ook niet verwacht wordt dat de situatie voorkomt waarin sprake is van een slagschaduwgevoelig gebouw bij een horecabedrijf met windturbine.
Eerste lid:
Dit lid bepaalt dat een slagschaduwgevoelig gebouw niet wordt beschermd tegen slagschaduw door een windturbine indien dat slagschaduwgevoelige gebouw voorheen functioneel verbonden was met een activiteit waartoe die windturbine hoort. Het gaat hierbij vooral om voormalige bedrijfswoningen. Die voormalige bedrijfswoningen waarvoor waarvoor deze regel geldt, worden nader aangewezen met de Functieaanduiding voormalige functionele binding - slagschaduw. Het aanwijzen van een voormalige bedrijfswoning gebeurt per specifiek geval na een belangenafweging. De aanwijzing vindt plaats door de Functieaanduiding voormalige functionele binding - geluid te koppelen aan het geluidgevoelig gebouw. Dat gebeurt bij wijziging van het omgevingsplan. De activiteit waarmee de voormalige bedrijfswoning voorheen verbonden was, hoeft niet aangewezen te worden. Dat is een feitelijke constatering, net als het bestaan van functionele binding als bedoeld in vorig artikel. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat het het gebouw wel beschermd blijft tegen slagschaduw die veroorzaakt wordt door andere windturbines.
Tweede lid:
Dit lid heeft een tijdelijk karakter en geldt voor voormalige bedrijfswoningen die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet onder een vergelijkbare regeling vielen onder het voormalige recht. Het is de bedoeling dat tijdens de overgangsfase de Functieaanduiding voormalige functionele binding - slagschaduw ook voor die bestaande gevallen wordt aangebracht. Zolang dat nog niet heeft plaats gevonden, geldt voor die bestaande situaties deze bepaling.
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.218 van de bruidsschat (tijdelijk deel).
Lichthinder door lichtschittering kan voorkomen worden door het gebruik van niet-reflecterende materialen of door coating op de rotorbladen aan te brengen. Daarnaast blijkt dat door weersinvloeden de rotorbladen mat kunnen worden (glansgraad maximaal 30%) waardoor reflectiewaarden in de tijd afnemen. Het bevoegd gezag kan aanvullend maatwerkvoorschriften stellen voor het voorkomen of beperken van hinder door lichtschittering als dit artikel in een specifiek geval niet toereikend is.
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.219 van de bruidsschat (tijdelijk deel).
De methode van meten van reflectiewaarden is opgenomen in NEN-EN-ISO 2813, ‘Verven en vernissen - Metingen van de glans (spiegelende reflectie) van niet-metallieke verflagen onder 20°, 60° en 85°, uitgave 1999’. Indien de geschiktheid onderbouwd, kan per maatwerkvoorschrift of omgevingsvergunning het gebruik van een gelijkwaardige meetmethode toegestaan worden. Gelijkwaardige meetmethoden zijn bijvoorbeeld opgenomen in DIN (Deutsche Industrie Norm) 67530 en NEN 3632.
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.220 van de bruidsschat (tijdelijk deel).
Eerste lid:
Het opslaan van propaan en propeen in een opslagtank geeft veiligheidsrisico's voor de omgeving. Voor het toelaten van deze activiteit stelt het Besluit kwaliteit leefomgeving instructieregels, in het bijzonder ten aanzien van het plaatsgebonden risico, groepsrisico, aandachts- en voorschriftengebieden. Daarom is in dit omgevingsplan een vergunningplicht opgenomen om de risico's en de ruimtelijke inpassing te beoordelen.
Op grond van artikel 3.22 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) geldt er een vergunningplicht voor opslagtanks voor propaan en propeen met een inhoud van meer dan 13 m3. De beoordeling van de risico’s en inpassing vindt dan al plaats in het kader van die vergunning. Daarom is het toepassingsbereik van dit artikel afgebakend op de vergunningplicht op grond van het Bal.
Tweede lid:
De aanvraag om de omgevingsvergunning wordt beoordeeld op de veiligheidsrisico's. De relevante artikelen uit het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn in dit lid genoemd. Deze beoordelingsregels zijn ook van toepassing voor aanvragen om een omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteiten die als vergunningplichtig zijn aangewezen in het Besluit activiteiten leefomgeving.
Derde lid:
Een deel van de gevraagde gegevens en bescheiden moeten ook verstrekt worden bij de melding op grond van artikel 4.897 van het Bal. Artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet bepaalt dat geen gegevens en bescheiden hoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt. Het is dus voldoende om de gegevens éénmaal te verstrekken.
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.262, 22.258 en 22.270 van de bruidsschat (tijdelijk deel). De ondergrens is verlaagd tot het opslaan in één opslagtank in verband met de aanwijzing in bijlage VII, onderdeel A, onder 7, bij het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Eerste lid:
Het tanken van voertuigen of werktuigen met LPG geeft veiligheidsrisico's voor de omgeving. Voor het toelaten van deze activiteit stelt het Besluit kwaliteit leefomgeving instructieregels, in het bijzonder ten aanzien van het plaatsgebonden risico, groepsrisico, aandachts- en voorschriftengebieden. Daarom is in dit omgevingsplan een vergunningplicht opgenomen om de risico's en de ruimtelijke inpassing te beoordelen.
Tweede lid:
De aanvraag om de omgevingsvergunning wordt beoordeeld op de veiligheidsrisico's. De relevante artikelen uit het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn in dit lid genoemd. Deze beoordelingsregels zijn ook van toepassing voor aanvragen om een omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteiten die als vergunningplichtig zijn aangewezen op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Derde lid:
Deze gegevens en bescheiden komen overeen met de gegevens en bescheiden die verstrekt moeten worden bij de melding op grond van artikel 4.472a van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet bepaalt dat geen gegevens en bescheiden hoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt. Het is dus voldoende om de gegevens éénmaal te verstrekken.
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.263, 22.258 en 22.270 van de bruidsschat (tijdelijk deel).
Deze subsubparagraaf heeft enkel betrekking op het opladen van 'natte' accu’s. Deze accu’s bevatten (zwavel)zuur en zijn niet volledig gesloten waardoor er lekkage kan optreden. Deze activiteit was onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer niet meldingsplichtig. Vandaar dat er geen plicht om gegevens en bescheiden aan te leveren is opgenomen in deze paragraaf.
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.221 van de bruidsschat (tijdelijk deel).
Uit een natte accu kan zuur lekken, dat de bodem kan verontreinigen. Daarom moet een aaneengesloten bodemvoorziening aanwezig zijn. Een aaneengesloten bodemvoorziening is een vloer, verharding of constructie die stoffen tijdelijk keert en waarvan eventuele onderbrekingen of naden zijn gedicht.
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.222 van de bruidsschat (tijdelijk deel).
De formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.20 van het Bal. Degene die de activiteit verricht houdt een logboek bij waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties. Dat een logboek beschikbaar moet zijn voor het bevoegd gezag, volgt uit de Algemene wet bestuursrecht. Dit mag ook in digitale vorm zijn. Op grond van artikel 8.7, tweede lid, onder d, moet aan het bevoegd gezag informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om nadelige gevolgen van een ongewoon voorval te voorkomen.
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.223 van de bruidsschat (tijdelijk deel).
Deze subsubparagraaf is van toepassing op buiten sporten met terreinverlichting. Wanneer een sportveld terreinverlichting heeft, kan dit lichthinder veroorzaken voor omwonenden.
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.237 van de bruidsschat (tijdelijk deel).
De te verstrekken gegevens en bescheiden dienen om een beeld te verschaffen van de locatie, de plaatsing en hoogte van de terreinverlichting en de toegepaste verlichting. Op basis van deze informatie moet het bevoegd gezag kunnen inschatten of de verlichting mogelijk hinder voor de omgeving kan opleveren.
Het bevoegd gezag kan op grond van artikel 8.6 verzoeken om gegevens en bescheiden die nodig zijn om te bezien of de algemene regels uit dit omgevingsplan en maatwerkvoorschriften voor de activiteit toereikend zijn gezien ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen van de kwaliteit van het milieu. Wanneer gegevens en bescheiden moeten worden verstrekt, is ook altijd artikel 1.5 (algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden) van toepassing.
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.238 van de bruidsschat (tijdelijk deel).
Eerste lid:
Het eerste lid van dit artikel beperkt het gebruik van de terreinverlichting door deze te verbieden in de nachtperiode en als dat niet nodig (geen sportactiviteiten en geen onderhoudswerkzaamheden).
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.239 van de bruidsschat (tijdelijk deel) en artikel 5.6 van de Algemene Plaatselijke Verordening.
Deze subsubparagraaf geldt voor parkeergarages met mechanische ventilatie. Er vindt dan ook emissie uit een puntbron van uitlaatgassen van auto’s plaats. Hierdoor kan er lokaal geurhinder of een te hoge concentratie van stoffen die gevaarlijk zijn voor de gezondheid ontstaan.
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.224 van de bruidsschat (tijdelijk deel).
De te verstrekken gegevens en bescheiden dienen om een beeld te verschaffen van:
- de activiteit zelf en wat daarbij hoort;
- de precieze plek en indeling van de activiteit; en
- wanneer deze begint of wordt gewijzigd.
Er hoeft geen inschatting van de door te activiteit veroorzaakte milieubelasting te worden verstrekt. Wel kan het bevoegd gezag op grond van artikel 8.6 verzoeken om gegevens en bescheiden die nodig zijn om te bezien of de algemene regels uit dit omgevingsplan en maatwerkvoorschriften voor de activiteit toereikend zijn gezien ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen van de kwaliteit van het milieu. Wanneer gegevens en bescheiden moeten worden verstrekt, is ook altijd artikel 1.5 (algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden) van toepassing.
In de bruidsschat, net als in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer gold de plicht om gegevens en bescheiden te verstrekken bij een parkeergarage met meer dan 30 parkeerplaatsen. Omwille van duidelijkheid is deze ondergrens gelijk getrokken met die van artikel 8.159. Omdat het om algemene gegevens gaat, blijft de toename van de administratieve lasten beperkt.
Dit artikel is een aangepaste voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.225 van de bruidsschat (tijdelijk deel).
De voorschriften in dit artikel dienen om te voorkomen dat er op een bepaald punt geurhinder of een te hoge concentratie ontstaat van stoffen die gevaarlijk zijn voor de gezondheid.
Artikel 22.226 van de Bruidsschat bevatte een tweede lid met een bepaling van overgangsrechtelijk karakter. Voor activiteiten die voor 2008 (voor de inwerkingtreding van het Activiteitenbesluit) rechtmatig in werking waren en de in het eerste lid voorschreven voorziening niet hadden, hoefden daaraan niet voldoen zolang de activiteit ongewijzigd bleef. Gelet op de gezondheidseffecten is het niet wenselijk dit overgangsrecht te blijven continueren. Bovendien is het ook redelijk om na zo een lange tijd het treffen van maatregelen te vergen. Wel is er een overgangsrechtelijke voorziening getroffen voor enkele bestaande gevallen in artikel 8.162. Die bepaling houdt in dat in de aangewezen situaties artikel 8.161 buiten toepassing blijft gedurende drie jaar. Zie verder de toelichting op dat artikel. Mocht dat wenselijk zijn, dan kan in voorkomende gevallen een maatwerkoplossing gevonden worden met gebruik van de mogelijkheden op grond van artikel 8.5 en 8.78.
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.226 van de bruidsschat (tijdelijk deel), het tweede lid is geschrapt.
Dit artikel regelt overgangsrecht voor de emissiebeperkende maatregelen van artikel 8.161 bij bepaalde bedrijven die sinds 31 december 2007 ongewijzigd in werking zijn. Onder de voorgangers van het voormalige Activiteitenbesluit waren de maatregelen ter voorkoming van geurhinder niet van toepassing als er geen geurhinder kon worden ondervonden. In het Activiteitenbesluit was een overgangsbepaling opgenomen voor bedrijven die vanwege deze uitzondering geen maatregelen hoefden te treffen. Inmiddels is veel tijd verstreken, waardoor er steeds minder situaties zijn die nog steeds ongewijzigd voortbestaan, en daarnaast is het in de praktijk vaak lastig vast te stellen of dit het geval is. Ook is het niet onredelijk om na verloop van tijd te bekijken of aan de nieuwe normen kan worden voldaan. Daarom is er voor gekozen om dit oude overgangsrecht niet onbegrensd over te nemen uit artikel 22.226, tweede lid.
Door de ruime maatwerkmogelijkheden van artikel 8.5 is het mogelijk om met maatwerk tegemoet te komen aan individuele situaties waar het vervallen van deze uitzondering toch een probleem oplevert. Het is echter onwenselijk dat direct sprake is van een overtreding op het moment dat de nieuwe regels in werking treden. Daarom blijft de oude regel voor bestaande gevallen nog enige jaren gelden. Met de termijn van drie jaar is aangesloten bij overgangsrecht zoals dat in enkele rijksregels wordt gehanteerd, bijvoorbeeld artikel 6.1, eerste lid van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Ook na het verstrijken van de termijn is het natuurlijk mogelijk om maatwerk te maken.
De uitzondering conform artikel 22.226, tweede lid blijft op grond van dit artikellid tijdelijk gelden. De voorwaarde dat destijds aan de voorschriften werd voldaan (onderdeel b) was niet opgenomen in artikel 22.226, maar is toegevoegd op basis van jurisprudentie (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2011:BP9592). De uitzondering geldt alleen zolang er geen verandering van de activiteit plaatsvindt die tot een toename van de geurbelasting op een geurgevoelig gebouw leidt.
Eerste lid:
De in dit artikel opgenomen vergunningplicht is een voortzetting van de omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM) voor handelingen met polyesterhars op grond van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de bijbehorende toetsingsgrond voor geurhinder. Gelet op artikel 8.10 geldt deze vergunningplicht niet voor milieubelastende activiteiten die in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving aangewezen zijn als vergunningplichtig. Op grond van artikel 3.135 van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt voor deze activiteit een vergunningplicht als de activiteit onderdeel is van een ippc-installatie.
Tweede lid:
Het tweede lid bepaalt dat bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in het eerste lid in aanvulling op de overige aanvraagvereisten als bedoeld in artikel 1.5 een beschrijving wordt verstrekt van de maatregelen die worden getroffen om de emissie van styreen te beperken. Op grond van paragraaf 4.27 van het Besluit activiteiten leefomgeving moet informatie over de verwerkingscapaciteit en de ligging van de geuremissiepunten worden aangeleverd.
Derde lid:
Het derde lid bevat een specifieke beoordelingsregel ter voorkoming van onaanvaardbare geurhinder.
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.259 van de bruidsschat (tijdelijk deel).
Eerste lid:
De in dit artikel opgenomen vergunningplicht is een voortzetting van de omgevingsvergunning beperkte milieutoets voor gesloten bodemenergiesystemen. Gesloten bodemenergiesystemen zijn in het Besluit activiteiten leefomgeving aangewezen als milieubelastende activiteit (art. 3.18), en er gelden voorschriften, waaronder een verbod op interferentie. De vergunningplicht zorgt er voor dat voor grotere bodemenergiesystemen en systemen gelegen in een aangewezen interferentiegebied vooraf wordt getoetst of interferentie plaats kan vinden.
Tweede lid:
Het tweede lid bevat specifieke beoordelingsregels. Wordt niet aan de gestelde regels voldaan, dan moet de vergunning worden geweigerd.
Derde lid:
Het derde lid bepaalt dat bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in het eerste lid in aanvulling op de overige aanvraagvereisten als bedoeld in artikel 1.5 een aantal specifiek benoemde gegevens en bescheiden worden verstrekt. Deze gegevens en bescheiden komen overeen met de gegevens en bescheiden die aan het bevoegd gezag moeten worden verstrekt op grond van artikel 4.1137 van het Besluit activiteiten leefomgeving. In aanvulling hierop moeten de coördinaten van de buitenrand van het systeem worden aangegeven. Deze zijn van belang zodat de interferentiebereking voor een toekomstig systeem goed kan worden uitgevoerd. Hierdoor wordt de werking van het bestaande, en de toekomstige systemen beschermd. Uit artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet vloeit voort dat de gegevens en bescheiden niet behoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.260 van de bruidsschat (tijdelijk deel) en aangevuld met de verplichting om de coördinaten van de buitenrand van het systeem aan te geven.
Eerste lid:
De in dit artikel opgenomen vergunningplicht is een voortzetting van de omgevingsvergunningplicht onder oud recht. Het kweken van maden van vliegende insecten kende onder het oude recht een volledige vergunningplicht, maar is in het Besluit activiteiten leefomgeving niet aangewezen als milieubelastende activiteit.
Tweede lid:
Het tweede lid bepaalt dat bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in het eerste lid in aanvulling op de overige aanvraagvereisten als bedoeld in artikel 1.5 een aantal specifiek benoemde gegevens en bescheiden worden verstrekt.
Op grond van artikel 8.172 zijn (in navolging van de regeling in de Bruidsschat) op de beoordeling van een vergunningaanvraag, de beoordelingsregels zoals opgenomen in artikel 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing. Bij het kweken van maden van vliegende insecten moeten in ieder geval maatregelen ter voorkoming van geurhinder worden getroffen.
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.261 van de bruidsschat (tijdelijk deel).
Eerste lid:
De in dit artikel opgenomen vergunningplicht is een voortzetting van de omgevingsvergunningplicht onder oud recht. Antihagelkanonnen worden met name toegepast bij de fruitteelt. Het in werking hebben van een antihagelkanon zoals omschreven in het eerste lid kende onder het oude recht een volledige vergunningplicht, maar is in het Besluit activiteiten leefomgeving niet aangewezen als milieubelastende activiteit. Deze activiteit is zo specifiek dat deze niet onder de algemene geluidregels van dit omgevingsplan is te vatten. De specifieke representatieve bedrijfssituatie (namelijk een gedurende een bepaalde periode van het jaar sporadisch voorkomende reeks van zeer luide knallen) en de diversiteit in lokale omstandigheden maken dat generieke regels niet geschikt zijn. Door het antihagelkanon vergunningplichtig te maken is het mogelijk het gebruik hiervan onder specifieke voorwaarden toe te staan.
Op grond van artikel 8.172 zijn (in navolging van de regeling in de Bruidsschat) op de beoordeling van een vergunningaanvraag, de beoordelingsregels zoals opgenomen in artikel 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing. De belangrijkste beoordelingsgrond voor deze activiteit is geluidhinder. Op basis van een goed gemotiveerde optimale belangenafweging, waarin zaken als lokale omstandigheden, het incidentele gebruik, bedrijfseconomische belangen tegen schade aan gezondheid, hinderbeleving, individuele en maatschappelijke belangen, enzovoort worden afgewogen, kan het bevoegd gezag een vergunning verlenen voor een antihagelkanon.
Tweede lid:
Het tweede lid bepaalt dat bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in het eerste lid in aanvulling op de overige aanvraagvereisten als bedoeld in artikel 1.5 een aantal specifiek benoemde gegevens en bescheiden worden verstrekt.
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.264 van de bruidsschat (tijdelijk deel).
Eerste lid:
De in dit artikel opgenomen vergunningplicht is een voortzetting van de omgevingsvergunningplicht onder oud recht. Het werken met biologische agens is ook in het Besluit activiteiten leefomgeving aangewezen als milieubelastende activiteit (par. 3.7.5 Bal). Op grond van artikel 8.172 zijn (in navolging van de regeling in de Bruidsschat) op de beoordeling van een vergunningaanvraag, de beoordelingsregels zoals opgenomen in artikel 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.
Tweede lid:
Het tweede lid bepaalt dat bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in het eerste lid in aanvulling op de overige aanvraagvereisten als bedoeld in artikel 1.5 een aantal specifiek benoemde gegevens en bescheiden worden verstrekt. Deze gegevens en bescheiden komen overeen met de gegevens en bescheiden die verstrekt moeten worden bij de melding op grond van artikel 4.648 van het besluit activiteiten leefomgeving. Uit artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet vloeit voort dat de gegevens en bescheiden niet behoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.265 van de bruidsschat (tijdelijk deel).
Eerste lid:
De in dit artikel opgenomen vergunningplicht is een voortzetting van de omgevingsvergunningplicht onder oud recht. Het werken met genetisch gemodificeerde organismen is ook in het Besluit activiteiten leefomgeving aangewezen als milieubelastende activiteit (par. 3.7.6 Bal). Op grond van artikel 8.172 zijn (in navolging van de regeling in de Bruidsschat) op de beoordeling van een vergunningaanvraag, de beoordelingsregels zoals opgenomen in artikel 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.
Tweede lid:
Het tweede lid bepaalt dat de vergunningplicht niet van toepassing is als het gaat om ingeperkt gebruik als bedoeld in het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 waarop inperkingsniveau IV van toepassing is. In dat geval geldt de vergunningplicht op grond van artikel 3.247 van het Besluit Activiteiten leefomgeving.
Derde lid:
Het derde lid bepaalt dat bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in het eerste lid in aanvulling op de overige aanvraagvereisten als bedoeld in artikel 1.5 een aantal specifiek benoemde gegevens en bescheiden worden verstrekt. Deze gegevens en bescheiden komen overeen met de gegevens en bescheiden die verstrekt moeten worden bij de melding op grond van artikel 4.630 van het besluit activiteiten leefomgeving. Uit artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet vloeit voort dat de gegevens en bescheiden niet behoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.266 van de bruidsschat (tijdelijk deel).
De bruidsschat (tijdelijk deel omgevingsplan) bevatte een paragraaf over geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (§ 22.3.4.4).
Hoewel niet waarschijnlijk, valt het niet uit te sluiten dat deze activiteiten zich in de toekomst wel gaan voordoen. In dit artikel is daarom een verbodsbepaling opgenomen voor buitenschietbanen en militaire springterreinen. Dit biedt het bevoegd gezag de gelegenheid om de akoestische effecten te beoordelen.
Op de beoordeling van een vergunningaanvraag zijn op grond van artikel 8.172 de beoordelingsregels voor de vergunning voor milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving zoals opgenomen in artikel 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing. Nu het omgevingsplan geen passende geluidregels bevat voor buitenschietbanen en militaire springterreinen, zal het noodzakelijk zijn om de geluidproductie van de vergunde activiteit nader te reguleren en geluidvoorschriften aan de omgevingsvergunning te verbinden (met toepassing van artikel 8.173).
In tegenstelling tot artikel 8.175 (Melding recreatieve visvijver) en 8.176 (Melding traditioneel schieten) is voor buitenschietbanen en militaire springterreinen gekozen voor een vergunningplicht in plaats van meldingsplicht. Een vergunningplicht biedt het bevoegd gezag meer sturingsmogelijkheden; een aanvraag kan (en moet) geweigerd worden als de activiteit significante milieuverontreiniging veroorzaakt. Tevens vindt vooraf een toets plaats of alle passende preventieve maatregelen worden getroffen, en wordt in een vergunning hierover duidelijkheid gegeven voordat de activiteit mag plaatsvinden.
Voor de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit op grond deze subparagraaf, zijn de beoordelingsregels zoals opgenomen in artikel 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing. Dat sluit aan op de situatie die gold voor inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Het toetsingskader voor het verwerken polyesterhars (artikel 8.164) en voor gesloten bodemenergiesysteem (artikel 8.165) is neergelegd in die artikelen.
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.270 van de bruidsschat (tijdelijk deel).
Op grond van artikel 5.34 van de Omgevingswet kunnen aan een omgevingsvergunning voorschriften verbonden worden. Aan milieubelastende activiteiten kan het bevoegd gezag ook regels stellen in de vorm van een maatwerkvoorschrift (met toepassing van artikel 8.5). Het is niet wenselijk dat (op dit omgevingsplan aanvullende) regels voor milieubelastende activiteiten in verschillende documenten staan (in de vergunning en in maatwerkvoorschrift). Daarom is hier de mogelijkheid opgenomen om aan de vergunning voorschriften te kunnen binden in afwijking van de algemene regels in dit hoofdstuk zodat een apart maatwerkvoorschrift niet nodig is.
De bruidsschat (tijdelijk deel omgevingsplan) bevatte een paragraaf over recreatieve visvijvers (§ 22.3.12) met regels over de lozing van afvalwater. Daarin was vastgelegd dat spuiwater van een recreatieve visvijver op of in de bodem of in een schoonwaterriool geloosd moest worden.
Hoewel niet waarschijnlijk, valt het niet uit te sluiten dat deze activiteit zich in de toekomst wel gaat voordoen. In dit artikel is een meldingsplicht opgenomen voor deze activiteit. De melding moet 4 weken voor aanvang van de activiteit worden gedaan. Dit biedt het bevoegd gezag de gelegenheid om de vervallen lozingsregels als maatwerkvoorschrift alsnog te stellen (op grond van artikel 8.5).
Anders dan in artikel 8.171 is hier gekozen voor een meldingsplicht, in plaats van een vergunningplicht. Een vergunningplicht betekent extra administratieve lasten die bij deze activiteit niet nodig zijn om nadelige gevolgen voor het milieu voldoende te kunnen voorkomen of beperken. In dit geval is het voldoende om de genoemde lozingsregel naar aanleiding van een melding achteraf op te leggen.
De bruidsschat (tijdelijk deel omgevingsplan) bevatte een paragraaf over traditioneel schieten (§ 22.3.21) met regels over bodembescherming en externe veiligheid.
Hoewel niet waarschijnlijk, valt het niet uit te sluiten dat deze activiteit zich in de toekomst wel gaat voordoen. In dit artikel is een meldingsplicht opgenomen voor die activiteit. Het is verboden de activiteit te verrichten zonder dit ten minste 8 weken voor het begin ervan te melden. Traditioneel schieten kan ernstige bodemverontreiniging veroorzaken als geen geschikte voorzieningen worden getroffen. Daarnaast is aandacht nodig voor de veiligheid en geluid. Op grond van de zorgplicht moeten maatregelen worden getroffen om deze nadelige gevolgen van de activiteit te voorkomen of te beperken. De meldplicht 8 weken voor het begin van de activiteit biedt het bevoegd gezag de gelegenheid om de vervallen bodemregels als maatwerkvoorschrift alsnog te stellen (op grond van artikel 8.5).
Anders dan in artikel 8.171 is hier gekozen voor een meldingsplicht, in plaats van een vergunningplicht. Een vergunningplicht betekent extra administratieve lasten die bij deze activiteit niet nodig zijn om nadelige gevolgen voor het milieu voldoende te kunnen voorkomen of beperken. In dit geval is het voldoende om de genoemde voorschriften naar aanleiding van een melding achteraf op te leggen.
Deze paragraaf gaat over het lozen bij wonen. De belangrijkste lozing bij wonen is de lozing van huishoudelijk afvalwater. Dit is afvalwater dat overwegend afkomstig is van menselijke stofwisseling en huishoudelijke werkzaamheden. Naast huishoudelijk afvalwater is er ook ander afvalwater bij huishoudens zoals afstromend hemelwater van een afdak of terras, of water dat in de bodem loopt bij het ramenlappen of het wassen van een auto. In de algemene toelichting op deze afdeling is meer te lezen over de regels die gelden voor deze lozingen.
Beroeps- en bedrijfsactiviteit aan huis
Op het lozen in het kader van de uitoefening van een beroep en bedrijf aan huis is paragraaf 8.3.2 (Lozen anders dan bij wonen) van toepassing. Dit komt overeen met de situatie voor inwerkingtreding van de Omgevingswet. Toen was het begrip inrichting uit de Wet milieubeheer bepalend: een bedrijfsmatige activiteit moest aan de regels voor inrichtingen voldoen. Als voor het beroep of bedrijf aan huis alleen administratieve werkzaamheden worden uitgevoerd dan geldt deze paragraaf (8.3.1 Lozen bij wonen). Zie hierover de toelichting bij artikel 9.241.
Eerste lid
In de volgende subparagrafen van deze paragraaf zijn verschillende lozingen in de bodem toegestaan. Voor alle andere lozingen is een voorafgaande toestemming vereist, vanwege de nadelige gevolgen die dergelijke lozingen kunnen hebben voor de bodemkwaliteit. De voorafgaande toestemming heeft de vorm van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Voorheen was hiervoor een maatwerkvoorschrift op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer, het Besluit lozen buiten inrichtingen of het Besluit lozing afvalwater huishoudens vereist. Een omgevingsvergunning ligt echter meer voor de hand omdat de activiteit zonder toestemming geheel verboden is.
Tweede lid
onderdeel a
De vergunningplicht geldt niet voor lozingen die afkomstig zijn van milieubelastende activiteiten als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Dat besluit bevat regels die ter bescherming van de bodem nodig zijn. Het op of in de bodem brengen van afvalstoffen is in het Bal aangewezen als milieubelastende activiteit (paragraaf 3.2.14 Bal). Het lozen van afvalwater is echter uitgezonderd van deze aanwijzing (artikel 3.40b Bal).
onderdeel b
Hoofdstuk 16 van het Bal bevat een vergunningplicht voor grote wateronttrekkingsactiviteiten voor industriële toepassingen en het in de bodem brengen van water ter aanvulling van het grondwater bij die wateronttrekking. Als die vergunning de lozing regelt, dan geldt de vergunningplicht van dit artikel niet.
Derde lid
De beoordelingsregels in de artikelen 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn van overeenkomstige toepassing op het verlenen van deze vergunning. Dat sluit aan op de situatie die gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet. In deze artikelen staan de algemene beoordelingsregels voor vergunningen voor milieubelastende activiteiten. Een vergunning wordt alleen verleend als onder andere emissies in het water en de bodem worden voorkomen en alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen. Verder moet rekening worden gehouden met voorkeursvolgorde voor afvalwater (artikel 10.29a Wet milieubeheer) en het Landelijk afvalbeheerplan. Op grond van artikel 5.34 van de Omgevingswet is het mogelijk om voorschriften aan de vergunning te verbinden.
Vierde lid
In het vierde lid zijn de aanvraagvereisten opgenomen. Bij de aanvraag van de vergunning moet het maximale debiet van de lozing en het soort afvalwater worden vermeld. Dit gebruikt de gemeente om het risico op wateroverlast en de effecten van de lozing op de bodemkwaliteit te beoordelen.
Deze subparagraaf is van toepassing op het lozen van grondwater afkomstig van ontwatering, bijvoorbeeld een bouwputbemaling. Grondwater bij ontwatering is de algemene term voor grondwater dat vrijkomt bij bijvoorbeeld bronneringen en water uit drainagebuizen. Dit kunnen kleinschalige activiteiten betreffen die na een paar uur zijn afgerond, maar ook grootschalige projecten (vooral in de bouw) die jaren duren en waar zeer grote hoeveelheden grondwater worden weggepompt.
Als er een saneringsbeschikking is voor de locatie, of als het grondwater verontreinigd is, dan is sprake van lozing bij sanering, zoals geregeld in de volgende subparagraaf.
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikelen 22.137 van de bruidsschat (tijdelijk deel). In de bruidsschat waren de regels voor het lozen bij ontwatering en bij bodem- of grondwatersanering in één paragraaf samengevoegd. In de nieuwe regeling zijn de regels gesplitst in een subparagraaf over lozen bij ontwatering en een subparagraaf over lozen bij sanering.
Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Daarbij worden de aard en omvang van de lozing aangegeven, zoals de te lozen hoeveelheid afvalwater en de concentraties van stoffen die in het afvalwater worden verwacht. Voor het beschrijven van de aard van de lozing zijn analysegegevens van het te lozen grondwater nodig. Hiervoor kunnen eventueel gegevens uit een bodemonderzoek worden gebruikt als hieruit de kwaliteit van het grondwater blijkt. Naar aanleiding van de informatie die op grond van dit artikel verstrekt wordt, beoordeelt het bevoegd gezag welke lozingsroute het geschiktst is. Het bevoegd gezag moet eveneens worden geïnformeerd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.
De plicht om het bevoegd gezag te informeren geldt niet voor lozingen van minder dan 48 uur. Voor lozingen bij ontwatering met een duur tussen 48 uur en 12 weken geldt een afwijkende termijn voor het verstrekken van gegevens en bescheiden: 5 werkdagen in plaats van 4 weken.
De termijn van 8 weken uit artikel 22.138 bruidsschat is aangepast om hem in lijn te brengen met artikel 8.198. De bestaande praktijk is dat lozingen tot 12 weken alleen gemeld hoeven te worden. Voor lozingen langer dan 12 weken moet maatwerk worden aangevraagd. Zie de toelichting bij artikel 8.198, zesde lid en de cursieve tekst onderaan bij dat artikel.
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikelen 22.138 van de bruidsschat (tijdelijk deel).
Eerste t/m vierde lid:
De regeling voor het lozen van grondwater heeft de voorkeursvolgorde voor het beheer van afwater (het huidige artikel 10.29a Wet milieubeheer) als uitgangspunt. Over het algemeen kan het grondwater dat lokaal bij ontwatering vrijkomt zonder problemen lokaal in het milieu teruggebracht worden. Daarom is in het tweede lid vastgelegd dat het grondwater alleen in een vuilwaterriool geloosd mag worden als lozen in een schoonwaterriool of op het oppervlaktewater redelijkerwijs niet mogelijk is. Lozen op de bodem of het oppervlaktewater is in Neder-Betuwe in veel gevallen om praktische redenen, zoals ruimtegebrek of de verkeersveiligheid, niet wenselijk. Lozen op het schoonwaterriool is wel vaak mogelijk. Soms betekent dit dat extra voorzieningen moeten worden toegepast om te voldoen aan de emissie-eisen voor ijzer en onopgeloste bestanddelen bij lozing op het schoonwaterriool. Aan deze emissie-eisen kan voldaan worden met standaard voorzieningen die onderdeel uitmaken van de stand der techniek. In Neder-Betuwe is op veel plaatsen een gemengd rioolstelsel aanwezig waarin schoon water en vuilwater gezamenlijk worden afgevoerd. In dat geval is lozen in een schoonwaterstelsel dus niet mogelijk en kan het grondwater op het gemengd stelsel worden geloosd. Naar aanleiding van de informatie die op grond van het voorgaande artikel verstrekt wordt, beoordeelt het bevoegd gezag welke lozingsroute het geschiktst is.
In artikel 8.188 en 8.189 is als vangnet een vergunningplicht opgenomen voor het lozen op de bodem en het schoonwaterriool. Dat verbod geldt niet voor een lozing die in dit hoofdstuk is toegestaan. In dit artikel wordt lozing van grondwater bij ontwatering op de bodem en het schoonwaterriool toegestaan. Voor deze lozingen geldt de vergunningplicht dus niet.
Vijfde lid:
In het vijfde lid is de verplichting opgenomen om een bezinkinstallatie toe te passen. In de praktijk is deze nodig om aan de normen voor onopgeloste stoffen in het derde en vierde lid te kunnen voldoen. In het artikel is bepaald dat de bezinkinstallatie doelmatig en op het te lozen debiet gedimensioneerd moet zijn. Dat wil onder andere zeggen dat de bezinkinstallatie goed toegankelijk moet zijn om de installatie te kunnen onderhouden en inspecteren. De bezinkinstallatie moet iedere dag worden gecontroleerd en zo vaak als dit voor een goede werking van de daarop aangesloten werken noodzakelijk is, worden ontdaan van de afgescheiden stoffen. In de bezinkruimte van de bezinkinstallatie mag niet meer dan 40 procent van de beschikbare ruimte worden ingenomen door zand en/of ander bezinkend materiaal.
Zesde lid:
In het zesde lid zijn de maximale duur en het maximale debiet van de lozing opgenomen. Voorheen waren lozingen tot 8 weken toegestaan. In lijn met de bestaande praktijk is dit verruimd tot 12 weken. Als de lozing langer duurt dan kan met maatwerk op grond van artikel 8.5 een langere termijn worden vastgesteld, eventueel onder het stellen van aanvullende voorschriften. Hetzelfde geldt voor een hoger debiet, als het vuilwaterriool ter plaatse een hoger debiet kan verwerken.
Het lozen mag geen overlast veroorzaken, bijvoorbeeld door het water via de openbare weg in het hemelwaterriool te laten lopen in plaats van rechtstreeks in het riool te lozen. Dit is in dit artikel niet apart geregeld, maar volgt uit de zorgplicht.
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.140 van de bruidsschat (tijdelijk deel). In dit artikel zijn enkele aanpassingen opgenomen ten opzichte van de voorheen geldende rijksregels (Abm en Blbi) die werden voortgezet in de bruidsschat. Het vijfde lid van dat artikel bepaalde dat het artikel niet van toepassing is op wonen. Dit artikellid is geschrapt, omdat deze paragraaf in zijn geheel niet van toepassing is op wonen. De regels voor lozen bij wonen zijn in paragraaf 8.3.1 opgenomen.
In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. Er zijn normen opgenomen voor het bemonsteren, conserveren en ontsluiten. Ook zijn de analysemethoden die moeten worden gebruikt voor de stoffen waaraan in deze paragraaf emissiegrenswaarden worden gesteld voorgeschreven. De versies van de NEN-EN-normen zijn opgenomen in de begripsbepalingen van bijlage I.
Als er wordt bemonsterd, moeten de monsters volgens NEN 6600-1 worden geconserveerd om te voorkomen dat in de monsters verandering optreedt voor de te analyseren parameter tussen het moment van bemonstering en het moment van analyse. Omdat de emissiegrenswaarden die zijn gesteld betrekking hebben op het totaal van opgeloste en niet opgeloste stoffen in het afvalwater, is het van belang dat het monster niet gefilterd wordt en dat de stoffen die zich onopgelost in het afvalwater bevinden meegenomen worden in de analyse.
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.141 van de bruidsschat (tijdelijk deel).
Deze subparagraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater dat afkomstig is van een bodemsanering of grondwatersanering, of een onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering. Dit water kan meer verontreinigingen bevatten dan grondwater dat niet van een sanering afkomstig is. Daarom gelden meer voorwaarden bij het lozen van dit water. Als er een saneringsbeschikking is voor de locatie, of als het grondwater verontreinigd is, dan is sprake van lozing bij sanering, zoals geregeld in deze paragraaf.
De regels in deze paragraaf gaan over onderzoek voorafgaand aan grondwatersaneringen. Lozingen afkomstig van onderzoeken voorafgaand aan bodemsaneringen zijn geregeld in paragraaf 3.2.23 van het Besluit activiteiten leefomgeving. In paragraaf 6.2 van de nota van toelichting bij het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet is ingegaan op de keuze om voor grondwatersaneringen geen algemene rijksregels meer te stellen.
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.137 van de bruidsschat (tijdelijk deel). In de bruidsschat waren de regels voor het lozen bij ontwatering en bij bodem- of grondwatersanering in één paragraaf samengevoegd. In de nieuwe regeling zijn de regels gesplitst in een subparagraaf over lozen bij ontwatering en een subparagraaf over lozen bij sanering.
Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Daarbij worden de aard en omvang van de lozing aangegeven, zoals de te lozen hoeveelheid afvalwater en de concentraties van stoffen die in het afvalwater worden verwacht. Voor het beschrijven van de aard van de lozing zijn analysegegevens van het te lozen grondwater nodig. Hiervoor kunnen eventueel gegevens uit een bodemonderzoek worden gebruikt als hieruit de kwaliteit van het grondwater blijkt. Naar aanleiding van de informatie die op grond van dit artikel verstrekt wordt, beoordeelt het bevoegd gezag welke lozingsroute het geschiktst is. Het bevoegd gezag moet eveneens worden geïnformeerd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.138 van de bruidsschat (tijdelijk deel).
Eerste lid:
Afvalwater afkomstig van het saneren van de bodem of het grondwater (of een aan een grondwatersanering voorafgaand onderzoek) is qua biologische afbreekbaarheid niet vergelijkbaar met huishoudelijk afvalwater. In lijn met de voorkeursvolgorde voor het omgaan met afvalwater, opgenomen in artikel 10.29a van de Wet milieubeheer, heeft het de voorkeur om dit afvalwater na zuivering lokaal terug te brengen in het milieu en niet af te voeren naar de RWZI (rioolwaterzuiveringsinstallatie) via het openbare vuilwaterriool. Daarom is in dit artikel het lozen op of in de bodem of in een schoonwaterriool (ieder riool dat geen vuilwaterriool is) toegestaan. Deze paragraaf geldt ook voor lozingen bij sanering bij milieubelastende activiteiten als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving. In dat geval zijn de regels van deze paragraaf maatwerkregels op grond van artikel 2.12 van dat besluit.
In artikel 8.188 en 8.189 is een vergunningplicht opgenomen voor het lozen op de bodem en het schoonwaterriool. Dat verbod geldt niet voor een lozing die in deze paragraaf is toegestaan. In dit artikel wordt lozing van grondwater bij sanering op de bodem en het schoonwaterriool expliciet toegestaan. Voor deze lozingen geldt die vergunningplicht dus niet.
Tweede en derde lid:
Bij het saneren kunnen, naast het positieve milieueffect dat de sanering heeft, ook nadelige gevolgen optreden. Om de nadelige gevolgen voor de bodem of de oppervlaktewaterkwaliteit van bij het saneren vrijkomend afvalwater te beperken, zijn in het tweede en derde van dit artikel emissiegrenswaarden opgenomen met betrekking tot het lozen daarvan. Vaak wordt dit water ter plaatse gezuiverd. Het afvalwater wordt vervolgens in de bodem of een schoonwaterriool geloosd.
In het Activiteitenbesluit milieubeheer en het Besluit lozen buiten inrichtingen was ook bepaald dat het afvalwater doelmatig moest kunnen worden bemonsterd. Die regel is nu opgenomen in de specifieke zorgplicht in deze paragraaf (artikel 8.187).
Vierde lid:
In het vierde lid is de verplichting opgenomen om een bezinkinstallatie toe te passen. In de praktijk is deze nodig om aan de normen voor onopgeloste stoffen in het tweede en derde lid te kunnen voldoen. In het artikel is bepaald dat de bezinkinstallatie doelmatig en op het te lozen debiet gedimensioneerd moet zijn. Dat wil onder andere zeggen dat de bezinkinstallatie geschikt moet zijn om de juiste bestanddelen de tijd te geven om te bezinken. De installatie moet ook goed toegankelijk zijn om deze te kunnen onderhouden en inspecteren. De bezinkinstallatie moet iedere dag worden gecontroleerd en zo vaak als dit voor een goede werking van de daarop aangesloten werken noodzakelijk is, worden ontdaan van de afgescheiden stoffen. In de bezinkruimte van de bezinkinstallatie mag niet meer dan 40 procent van de beschikbare ruimte worden ingenomen door zand en/of ander bezinkend materiaal.
Vijfde lid:
In het vijfde lid is bepaald dat het grondwater niet in het vuilwaterriool mag worden geloosd. Lozen op de bodem of het oppervlaktewater is gezien de voorkeursvolgorde voor afvalwater in beginsel de meest wenselijke optie. In Neder-Betuwe is op veel plaatsen echter een gemengd rioolstelsel aanwezig waarin schoon water en vuilwater gezamenlijk worden afgevoerd. In dat geval is lozen in een schoonwaterriool dus niet mogelijk en kan lozing van het grondwater op het gemengd stelsel met maatwerk op grond van artikel 8.5 worden toegestaan, eventueel onder het stellen van aanvullende voorschriften of emissie-eisen. Naar aanleiding van de informatie die op grond van het voorgaande artikel verstrekt wordt, beoordeelt het bevoegd gezag welke lozingsroute het geschiktst is.
Het lozen mag geen overlast veroorzaken, bijvoorbeeld door het water via de openbare weg in het hemelwaterriool te laten lopen in plaats van rechtstreeks in het riool te lozen. Dit is in dit artikel niet apart geregeld, maar volgt uit de zorgplicht.
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.139 van de bruidsschat (tijdelijk deel). In aanvulling op dit artikel is expliciet voorgeschreven dat via een bezinkinstallatie moet worden geloosd. Deze voorziening wordt in de praktijk standaard toegepast en is nodig om aan de emissie-eisen te voldoen.
In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. Er zijn normen opgenomen voor het bemonsteren, conserveren en ontsluiten. Ook zijn de analysemethoden die moeten worden gebruikt voor de stoffen waaraan in deze paragraaf emissiegrenswaarden worden gesteld voorgeschreven. De versies van de NEN-EN-normen zijn opgenomen in de begripsbepalingen van bijlage I.
Als er wordt bemonsterd, moeten de monsters volgens NEN 6600-1 worden geconserveerd om te voorkomen dat in de monsters verandering optreedt voor de te analyseren parameter tussen het moment van bemonstering en het moment van analyse. Omdat de emissiegrenswaarden die zijn gesteld betrekking hebben op het totaal van opgeloste en niet opgeloste stoffen in het afvalwater, is het van belang dat het monster niet gefilterd wordt en dat de stoffen die zich onopgelost in het afvalwater bevinden meegenomen worden in de analyse.
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.141 van de bruidsschat (tijdelijk deel).
Deze subparagraaf heeft betrekking op het lozen van afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is van een verplichte bodembeschermende voorziening. Het gaat met name om afvloeiend hemelwater van daken en van verhardingen, waar geen bodembedreigende activiteiten plaatsvinden. Bodembedreigende activiteiten zijn activiteiten met stoffen die bodemverontreiniging kunnen veroorzaken. Bij dergelijke activiteiten worden in dit Omgevingsplan, het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) of een vergunning voorzieningen voorgeschreven om te voorkomen dat de bodembedreigende stoffen in de bodem kunnen komen. Hemelwater dat op zo’n bodembeschermende voorziening terecht komt kan in contact komen met bodembedreigende stoffen en kan daarom niet op dezelfde manier worden afgevoerd als ander afvloeiend hemelwater. De voorkeursvolgorde van dit artikel is wel van toepassing op afvloeiend hemelwater afkomstig van bodembeschermende voorzieningen die vrijwillig zijn aangebracht, omdat hier geen bodembedreigende stoffen op aanwezig zijn.
Deze subparagraaf is niet van toepassing op het hemelwater van een kas als bedoeld in paragraaf 4.78 van het Bal of drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van dat besluit. Voor deze activiteiten zijn specifieke voorschriften opgenomen in de genoemde paragrafen van het Bal.
Verhouding met het Besluit activiteiten leefomgeving
Lozing van afvloeiend hemelwater vindt ook plaats bij activiteiten die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Als bij die activiteiten een bodembeschermende voorziening moet worden toegepast dan is deze subparagraaf niet van toepassing.
Voor lozing van afvloeiend hemelwater bij deze activiteiten dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening geldt dit artikel wel. In dat geval zijn deze regels maatwerkregels op grond van artikel 2.12 van het Bal. In het Bal geldt voor dit onderwerp de zorgplicht (artikel 2.11 Bal), maar geen specifieke regeling. De regels van deze paragraaf zijn maatwerkregels die een nadere invulling geven van de zorgplicht als het gaat om het lozen van afvloeiend hemelwater.
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.142 van de bruidsschat (tijdelijk deel).
Lozingen van afstromend hemelwater vormen in het algemeen geen risico voor de bodem of de riolering. Het is daarom niet nodig om voorafgaand aan de start of wijziging van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Alleen wanneer er een rijksweg of provinciale weg wordt aangelegd of gewijzigd, moet het bevoegd gezag tijdig op de hoogte worden gesteld. Het bevoegd gezag kan dan samen met de wegbeheerder bekijken wat de gewenste wijze van verwerking van het afstromende regenwater is.
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.143 van de bruidsschat (tijdelijk deel).
Eerste lid:
De regeling voor het lozen van hemelwater heeft de voorkeursvolgorde voor het beheer van afvalwater (artikel 10.29a van de Wet milieubeheer) als uitgangspunt. Over het algemeen kan afvloeiend hemelwater zonder problemen lokaal in het milieu teruggebracht worden, mits preventieve maatregelen worden getroffen om verontreiniging van het water te voorkomen. De beheerder van het terrein of oppervlak waar het hemelwater is neergekomen, is verantwoordelijk voor het nemen van preventieve maatregelen en kan vervolgens op grond van de specifieke zorgplicht worden aangesproken op het nemen daarvan. De maatregelen kunnen bijvoorbeeld inhouden: het schoonhouden van het terrein, het dusdanig omgaan met milieugevaarlijke stoffen dat verontreiniging van het hemelwater wordt voorkomen, het bij de keuze van materialen die aan hemelwater zijn blootgesteld rekening houden met het feit dat bij contact van hemelwater met deze materialen verontreinigende stoffen in het hemelwater kunnen geraken (uitloging), of een zodanige wijze van onkruidbestrijding dat onnodige verontreiniging van het hemelwater wordt voorkomen. In dit omgevingsplan is ervoor gekozen deze preventieve maatregelen niet in concrete voorschriften te vertalen.
Tweede lid:
Dit artikellid regelt dat afvloeiend hemelwater op of in de bodem, in een schoonwaterriool of op het oppervlaktewater geloosd moet worden. Alleen als dat niet mogelijk is dan mag op het vuilwaterriool worden geloosd. Zo wordt voorkomen dat het vuilwaterriool en de zuivering worden belast met relatief schoon water dat beter lokaal in het milieu teruggebracht kan worden. Als dit water op het vuilwaterriool wordt geloosd dan raakt het door vermenging met ander afvalwater in het vuilwaterriool sterk verontreinigt. Tijdens het transport kunnen overstortingen in het oppervlaktewater plaatsvinden wanneer het rioolstelsel de hoeveelheden niet kan verwerken. Daarnaast heeft het hemelwater ook negatieve effecten op het zuiveringsproces van het zuiveringtechnisch werk (rwzi).
Derde lid:
Voordat het Activiteitenbesluit en het Besluit lozingen buiten inrichtingen in werking traden was de verplichting om bij het lozen van afvloeiend hemelwater uitvoering te geven aan de voorkeursvolgorde niet wettelijk vastgelegd. Voor lozingen die op dat moment al bestonden geldt daarom deze overgangsregeling.
Vierde lid:
In het vierde lid is het lozen van afvloeiend hemelwater vanaf rijkswegen en provinciale wegen buiten de bebouwde kom geregeld. Tot die wegen behoren eveneens de daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, en overig openbaar gebied. In het verleden is veel onderzoek verricht naar verontreinigingen in afvloeiend hemelwater van wegen en overige openbare ruimte. Afhankelijk van de intensiteit van het verkeer kan het in meer of mindere mate verontreinigd zijn met straatvuil, waarin PAK’s, zware metalen of minerale olie voorkomen. Buiten de bebouwde kom is het lozen van afstromend wegwater in een gemeentelijk rioolstelsel veelal niet mogelijk, omdat daar geen rioolstelsels zijn aangelegd, of alleen rioolstelsels, die niet bestemd zijn voor afvoer van regenwater. Het wegwater vloeit buiten de bebouwde kom meestal af naar de bodem of een eventueel aanwezig oppervlaktewaterlichaam. Hemelwater afkomstig van rijkswegen en provinciale wegen wordt buiten de bebouwde kom bij voorkeur geloosd op de bodem. Als lozen in de bodem niet (of niet volledig) mogelijk is, kan lozing (deels) plaatsvinden in een oppervlaktewaterlichaam. De regels hierover staan in de waterschapsverordening.
In artikel 8.188 en 8.189 is een vergunningplicht opgenomen voor het lozen op de bodem en het schoonwaterriool. Dit verbod geldt niet voor een lozing die in dit hoofdstuk is toegestaan. In dit artikel wordt lozing van afvloeiend hemelwater op de bodem of het schoonwaterriool toegestaan. Voor deze lozingen geldt de vergunningplicht dus niet.
In Neder-Betuwe is op veel plaatsen een gemengd rioolstelsel aanwezig waarin schoon water en vuilwater gezamenlijk worden afgevoerd. In dat geval is lozen in een schoonwaterstelsel dus niet mogelijk en kan afvloeiend hemelwater op het gemengd stelsel worden geloosd.
Vijfde lid:
Bij tunnels of bij verdiepte wegen, wordt het afstromend wegwater geconcentreerd ingezameld en ontstaat er een puntlozing. Tunnels hebben allemaal de beschikking over een grote pompkelder waarin het hemelwater wordt opgevangen. Deze pompkelder functioneert tevens als bezinkbak, waarin de verontreiniging wordt afgevangen. Het afvalwater kan daarna worden geloosd in de bodem of het grote oppervlaktewaterlichaam. De dimensionering van de pompkelder en bezinkbak wordt bepaald door Europese richtlijnen met betrekking tot de veiligheid van tunnels bij stortbuien. Daarmee voldoet de pompkelder tevens aan de eisen die gesteld zouden worden aan een bezinkbak. Wanneer in de nabijheid een vuilwaterriool aanwezig, is het vanuit het oogpunt van de bescherming van het milieu gewenst om de zogenaamde first flush (het meest vervuilde afstromend wegwater) op dat riool te lozen. Bij grotere regenbuien kan de rest van het hemelwater dan zonder voorzieningen op andere wijze worden geloosd.
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.144 van de bruidsschat (tijdelijk deel). Het derde lid van dat artikel maakte een uitzondering voor wonen. Dit artikellid is geschrapt, omdat deze paragraaf in zijn geheel niet van toepassing is op wonen. De regels voor lozen bij wonen zijn in paragraaf 8.3.1 opgenomen.
Deze subparagraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater, afkomstig van reinigingswerkzaamheden, conserveringswerkzaamheden of andere onderhoudswerkzaamheden aan bouwwerken. De regels voor lozen van dit afvalwater bij wonen zijn in paragraaf 8.3.1 opgenomen. Het gaat dan om water dat vrijkomt bij een particulier die ramen lapt of de gevel afneemt. Bedrijven of zzp’ers die bedrijfsmatig ramen lappen bij woningen vallen niet onder de regels voor wonen, maar onder deze paragraaf.
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.154 van de bruidsschat (tijdelijk deel).
Eerste lid:
Bij het reinigen van bouwwerken wordt onderscheid gemaakt tussen periodiek reinigen, waarbij alleen vuilafzetting wordt verwijderd, en andere reinigingswerkzaamheden. Daartoe behoren bijvoorbeeld werkzaamheden, waarbij na verloop van een lange periode (vaak meer dan enkele jaren) hardnekkige aanslag wordt verwijderd (gevelreiniging). Ook vallen hieronder werkzaamheden, waarbij bijvoorbeeld graffiti of andere verflagen worden verwijderd. In overleg met de branche, landelijke overheden en het Rijk zijn richtlijnen opgesteld om te bepalen wanneer sprake is van periodiek reinigen. Deze zijn te vinden op de website van Infomil.
Het lozen van afvalwater afkomstig van andere reinigingsactiviteiten dan periodiek reinigen is onwenselijk, omdat het water onopgeloste bestanddelen bevat die schade aan de riolering kunnen veroorzaken, metalen die de RWZI niet verwijdert en andere onwenselijke stoffen. Daarom moet het water worden opgevangen en mag het niet worden geloosd op de bodem of het riool. Het opgevangen water wordt naar een erkende inzamelaar afgevoerd of het wordt gezuiverd (en daarna hergebruikt). Voor lozen op de bodem of het schoonwaterriool geldt het vangnetverbod (artikel 8.188 en 8.189). In aanvulling daarop is ook lozen op het vuilwaterriool verboden. Om in dit artikel duidelijkheid te geven over alle lozingsroutes is in het eerste lid ook de bodem genoemd en de term ‘riool’, die zowel het vuilwaterriool als het schoonwaterriool omvat.
Tweede lid:
Bij het periodiek reinigen van bouwwerken, waarbij uitsluitend vuilafzetting wordt verwijderd, komt afvalwater vrij. Deze werkzaamheden zijn wat verontreiniging van het afvalwater betreft vergelijkbaar met ramenlappen. Naast ramen worden op deze wijze bijvoorbeeld ook gladde gevels periodiek gereinigd. Dit afvalwater kan zonder problemen in de bodem of de riolering worden geloosd. In artikel 8.188 en 8.189 is als vangnet een vergunningplicht opgenomen voor het lozen op de bodem en het schoonwaterriool. Dit verbod geldt niet voor een lozing die in deze paragraaf is toegestaan. In dit artikel wordt lozing van afvalwater bij het periodiek reinigen van bouwwerken op de bodem of het schoonwaterriool toegestaan. Voor deze lozing geldt de vergunningplicht dus niet. Het is niet nodig om het bevoegd gezag over de lozing te informeren.
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.155 van de bruidsschat (tijdelijk deel).
Deze subparagraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater bij het opslaan van goederen. Onder de activiteit ‘opslaan’ vallen ook de daarbij behorende activiteiten, zoals overslaan en laden en lossen. Deze activiteit wordt voor milieubelastende activiteiten aangewezen in het Besluit activiteiten leefomgeving deels ook geregeld in het Bal. Deze subparagraaf bevat daarom maatwerkregels op grond van artikel 2.12 van dat besluit.
Paragraaf 4.104 Bal bevat de regels over het lozen van afvalwater bij het opslaan van lekkende, uitlogende en vermestende goederen. In deze subparagraaf zijn, in aanvulling daarop, regels gesteld over het lozen bij het opslaan van inerte goederen. Daarnaast is in artikel 9.274 in aanvulling op paragraaf 4.104 van het Bal een alternatieve lozingsroute mogelijk gemaakt voor het lozen van afvalwater.
Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat lozing op het oppervlaktewater door de waterkwaliteitsbeheerder wordt geregeld. Hiervoor zijn regels opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Rijk, rijkswateren) en de Waterschapsverordening (waterschap, niet-rijkswateren). Paragraaf 4.107 Bal bevat regels ter voorkoming van verontreiniging van het oppervlaktewater door het laden en lossen van vaartuigen of drijvende werktuigen. Voor de lozing op rijkswateren bij op- en overslag van goederen zijn regels opgenomen in onderdeel 6.2.7.3 van het Bal. Hiernaast geldt ook de specifieke zorgplicht van artikel 6.6 Bal.
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.156 van de bruidsschat (tijdelijk deel).
Dit artikel geeft aan welke goederen in ieder geval inerte goederen zijn. De opsomming is dus niet uitputtend. Voor alle genoemde goederen geldt wel dat deze niet verontreinigd mogen zijn, bijvoorbeeld met stoffen die het oppervlaktewater kunnen verontreinigen.
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.157 van de bruidsschat (tijdelijk deel).
Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Daarbij worden de aard en omvang van de lozing aangegeven, zoals de te lozen hoeveelheid afvalwater en de concentraties van stoffen die in het afvalwater worden verwacht. Het bevoegd gezag moet eveneens worden geïnformeerd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.158 van de bruidsschat (tijdelijk deel). Dit artikel maakte een uitzondering voor wonen. Deze is geschrapt, omdat deze subparagraaf in zijn geheel niet van toepassing is op wonen. De regels voor lozen bij wonen zijn in paragraaf 8.3.1 opgenomen.
Eerste lid:
Afvalwater dat slechts met inerte goederen in aanraking is geweest moet bij voorkeur direct geloosd worden (op oppervlaktewater, bodem of schoonwaterriool). In het eerste lid wordt lozen op of in de bodem en het schoonwaterriool toegestaan. Voor deze lozingen geldt de vergunningplicht van artikel 8.188 en 8.189 dus niet.
Tweede lid:
Als een directe lozing (op oppervlaktewater, bodem of schoonwaterriool) redelijkerwijs niet mogelijk is, bijvoorbeeld door afwezigheid in de nabijheid van oppervlaktewater of een schoonwaterriool en als de bodem ongeschikt is voor lozingen, kan het afvalwater geloosd worden op het vuilwaterriool.
Derde lid:
Bij het lozen op de riool moet de hoeveelheid onopgeloste bestanddelen beperkt worden tot minder dan 300 milligram per liter. Dit kan bijvoorbeeld gerealiseerd worden met preventieve maatregelen en eventueel een slibvangput voorafgaande aan de lozing. Dit ter voorkoming van dichtslibben van het riool. De eis voor onopgeloste stoffen geldt voor enig steekmonster. Dat wil zeggen dat alleen in extreme situaties deze concentratie mag worden aangetroffen, bijvoorbeeld bij extreme regenval.
Vierde lid:
In lijn met de voorkeursvolgorde voor de verwijdering van afvalwater (artikel 10.29a Wm) wordt het afvalwater bij voorkeur hergebruikt (eventueel overtollig afvalwater wordt geloosd onder de voorwaarden die in dit artikel worden gesteld). In het algemeen zal dit (verzameld) afstromend hemelwater, schrob- en spoelwater of water van een nevelgordijn zijn. Op grond van het vierde lid moet dit afvalwater bij voorkeur (her)gebruikt voor bevochtiging als de goederen ter voorkoming van stofverspreiding worden bevochtigd.
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.159 van de bruidsschat (tijdelijk deel).
In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. De versies van de NEN-EN-normen zijn opgenomen in de begripsbepalingen van bijlage I.
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.160 van de bruidsschat (tijdelijk deel).
In artikel 4.1058 van het Besluit activiteiten leefomgeving is voor afvalwater afkomstig van het opslaan van uitlogende goederen een verplichte lozingsroute opgenomen naar het vuilwaterriool. Het Activiteitenbesluit milieubeheer maakte het ook mogelijk om dit afvalwater te lozen op oppervlaktewater. Deze alternatieve lozingsroute is als maatwerkregel opgenomen in de waterschapsverordening. Maar het waterschap is niet bevoegd om de verplichte lozingsroute naar het vuilwaterriool ‘uit te zetten’. Vandaar dat dit artikel de verplichte lozingsroute naar het vuilwaterriool omzet in een facultatieve lozingsroute, voor zover de lozingsroute naar het oppervlaktewater in de waterschapsverordening is toegestaan.
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.161 van de bruidsschat (tijdelijk deel).
Deze subparagraaf is van toepassing op het lozen van water dat wordt gebruikt bij het spoelen van distributieleidingen voor drinkwater, tapwater en huishoudwater, om die leidingen voor het eerst in gebruik te nemen of bij het onderhoud aan die leidingen.
Bij het schoonmaken van leidingen kan onderscheid gemaakt worden tussen afvalwater afkomstig van leidingen uit het transportnet en afvalwater afkomstig van leidingen uit het distributienet. Vanuit de productiestations wordt het drinkwater via transportleidingen naar het distributienet gepompt. Het transportnet kenmerkt zich door een grotere leidingdiameter en het geringe aantal vertakkingen en aansluitingen. Het distributienet verdeelt de hoofdstroom naar de vele eindgebruikers en kenmerkt zich door de vele vertakkingen en het verloop van grotere naar kleinere diameters. In grote lijnen zal het schoonmaken van leidingen uit het transportnet lozingen opleveren van 100 m3 of meer, terwijl lozingen van afvalwater afkomstig van distributieleidingen daaronder blijven. Ook op het schoonmaken van de aanvoerleiding heeft dit artikel betrekking.
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.165 van de bruidsschat (tijdelijk deel).
Eerste lid:
Tegen lozingen van afvalwater als bedoeld in deze subparagraaf bestaat, voor zover het geen desinfecteermiddelen of andere chemicaliën bevat, geen bezwaar, anders dan dat het geen overlast mag veroorzaken. In dit geval heeft het direct terugvoeren van dit water in het milieu de voorkeur. Het lozen op of in de bodem of in schoonwaterstelsels wordt daarom zonder beperkingen toegestaan. Voor deze lozingen geldt de vergunningplicht van artikel 8.188 en 8.189 dus niet. Het lozen van dit afvalwater in het oppervlaktewater is ook toegestaan. Dat is geregeld in de waterschapsverordening.
Tweede lid:
Het lozen op het vuilwaterriool is minder gewenst vanwege de verminderde werking van de zuivering bij de toevoeging van een relatief grote hoeveelheid schoon water. Dit is alleen een optie als anders lozen niet in redelijkheid mogelijk is.
Derde lid:
Bij het schoonmaken van leidingen van het distributienet kan het water veelal direct ter plaatse in de bodem worden geloosd zonder overlast te veroorzaken. Bij het schoonmaken van leidingen van het transportnet zal gezocht moeten worden naar een geschikte locatie.
Vierde lid:
Als er desinfecteermiddelen zijn gebruikt is overleg met het bevoegd gezag noodzakelijk om de meest geschikte oplossing voor het lozen te vinden. Het bevoegd gezag kan het lozen met een maatwerkvoorschrift toestaan, als het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet.
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.166 van de bruidsschat (tijdelijk deel).
Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater dat afkomstig is van een calamiteitenoefening, met uitzondering van de permanente voorzieningen voor het oefenen van brandbestrijdingstechnieken, bedoeld in artikel 3.259 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.167) van de bruidsschat (tijdelijk deel).
Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Daarbij worden de aard en omvang van de lozing aangegeven, zoals de te lozen hoeveelheid afvalwater en de concentraties van stoffen die in het afvalwater worden verwacht. De uitvoering van de oefening, b.v. de gebruikte blusmiddelen en de locatie, zijn relevant voor de lozing. Daarom moet ook deze informatie worden verstrekt. Het bevoegd gezag moet eveneens worden geïnformeerd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water of het gebruikte blusmiddel wordt aangepast.
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.168 van de bruidsschat (tijdelijk deel).
Bij calamiteitoefeningen kan soms afvalwater vrijkomen. Zo zal een oefening om een brand te bestrijden gepaard kunnen gaan met het gebruik van grote hoeveelheden bluswater, dat tijdens de oefening in de bodem of een rioolstelsel stroomt. Wanneer daarbij zorgvuldig wordt gehandeld zodat het water niet onnodig verontreinigd raakt, kan het zonder problemen worden geloosd. Voor deze lozing geldt de vergunningplicht van artikel 8.188 en 8.189 dus niet.
Er is een handreiking opgesteld voor het invullen van deze zorgplicht die te vinden is op de website van Infomil: Lozingsvoorschriften calamiteitenoefeningen - Kenniscentrum InfoMil.
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.169 van de bruidsschat (tijdelijk deel).
Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van koelwater, dat niet afkomstig is van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Voor het lozen van koelwater dat afkomstig is van een milieubelastende activiteit, zoals aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, staan de regels in dat besluit.
Veel bedrijfstakken waarbij koelwater wordt geloosd, zijn geregeld in het Besluit activiteiten leefomgeving. Het lozen van koelwater kan echter ook plaatsvinden bij bedrijven die niet onder het Besluit activiteiten leefomgeving vallen. Daarom is in deze subparagraaf het lozen van koelwater in de riolering geregeld. Koelwater kan ook worden geloosd in een oppervlaktewaterlichaam. De regels daarover staan in de waterschapsverordening.
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.151 van de bruidsschat (tijdelijk deel).
Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Daarbij worden de aard en omvang van de lozing aangegeven, zoals de te lozen hoeveelheid afvalwater en de concentraties van stoffen die in het afvalwater worden verwacht. Het bevoegd gezag moet eveneens worden geïnformeerd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.
De warmtevracht van een koelwaterlozing wordt berekend als het product van het lozingsdebiet en het verschil tussen de lozingstemperatuur en de temperatuur van het ontvangende oppervlaktewaterlichaam (waarop het schoonwaterriool uitkomt). De warmtecapaciteit van het koelwater is gelijk aan 4.190 Kilojoule per m3 per graad temperatuursverhoging. Anders geformuleerd:
De warmtevracht = L x ΔT x W, waarbij
L = lozingsdebiet (m3/s);
ΔT = verschil temperatuur koelwater en temperatuur ontvangend oppervlaktewater in graden Celsius;
W = warmtecapaciteit van het koelwater = 4190 kJ/m3 per graad temperatuurstijging.
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.152 van de bruidsschat (tijdelijk deel).
Eerste lid:
Het lozen van koelwater in een schoonwaterriool is toestaan. Voor deze lozing geldt de vergunningplicht van artikel 8.189 dus niet.
Tweede lid:
Lozen in een vuilwaterriool is alleen toegestaan als het lozen in een schoonwaterriool of in een oppervlaktewaterlichaam redelijkerwijs niet mogelijk is. Koelwater is relatief schoon water, zodat het lozen daarvan in het vuilwaterriool bij voorkeur vermeden moet worden. In Neder-Betuwe is op veel plaatsen een gemengd rioolstelsel aanwezig waarin schoon water en vuilwater gezamenlijk worden afgevoerd. In dat geval is lozen in een schoonwaterstelsel dus niet mogelijk en kan koelwater op het gemengd stelsel worden geloosd als lozen op het oppervlaktewater niet mogelijk is.
Derde lid:
Er mogen aan het koelwater geen chemicaliën (zoals aangroeiwerende middelen of antikalkmiddelen) worden toegevoegd. Afwijking hiervan kan met een maatwerkvoorschrift op grond van artikel 8.5 worden toegestaan.
In dit artikel is geen maximale warmtevracht vastgelegd. Naar aanleiding van de aangeleverde bescheiden kan hierover aanvullend iets geregeld worden. Dit kan nodig zijn als de temperatuur en de (korte) lengte van het riool hiervoor aanleiding geven.
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.153 van de bruidsschat (tijdelijk deel).
Deze subparagraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater dat afkomstig is uit een openbaar ontwateringsstelsel of een openbaar hemelwaterstelsel en uit de zogeheten overheids-IBA’s (individuele behandeling van afvalwater). Dat zijn voorzieningen voor de verwerking van huishoudelijk afvalwater in beheer bij de gemeente, anders dan een openbaar vuilwaterriool.
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.162 van de bruidsschat (tijdelijk deel).
In dit artikel wordt het lozen van afvalwater vanuit openbare ontwateringsstelsels en openbare hemelwaterstelsels op of in de bodem toegestaan. Voor deze lozing geldt de vergunningplicht van artikel 4.164 dus niet. Voorwaarde daarbij is dat deze stelsels voorkomen op het overzicht van voorzieningen en maatregelen dat is opgenomen in het gemeentelijke rioleringsplan (GRP) als bedoeld in het voormalige artikel 4.22 van de Wet milieubeheer. Volgens het overgangsrecht van artikel 4.93 van de Invoeringswet Omgevingswet blijven GRP’s van kracht tot het tijdstip waarop de periode verstrijkt waarvoor het rioleringsplan is vastgesteld, of tot het tijdstip waarop het gemeentebestuur besluit dat het rioleringsplan vervalt.
De Omgevingswet biedt in artikel 3.14 de mogelijkheid dat het college van burgemeester en wethouders een (facultatief) gemeentelijk rioleringsprogramma vaststelt. Als het college een rioleringsprogramma heeft vastgesteld, is het lozen vanuit de in dat programma opgenomen voorzieningen eveneens toegestaan. De naam «rioleringsprogramma» is overigens niet limitatief, de gemeente kan dit programma bijvoorbeeld ook een waterprogramma noemen.
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikelen 22.163 van de bruidsschat (tijdelijk deel). De bruidsschatbepaling gold voor bestaande lozingen. Neder-Betuwe maakt ook in de toekomst een rioleringsprogramma, en ook toekomstige lozingen kunnen conform dit artikel plaatsvinden.
Voor lozingen vanuit 'overheids-IBA’s' geldt dezelfde regeling als voor de lozingen vanuit gemeentelijke rioolstelsels. Kortheidshalve wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 8.224.
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikelen 22.164 van de bruidsschat (tijdelijk deel).
Deze subparagraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van enkele activiteiten met beton waarvoor voorschriften zijn opgenomen in paragraaf 4.8 (Betoncentrales) van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). De activiteiten waar het om gaat zijn het reinigen van installaties en voorzieningen voor het maken van betonmortel en het inwendig reinigen van voertuigen waarin betonmortel is vervoerd. Deze paragraaf is in het Bal van toepassing verklaard voor bedrijven in de minerale productenindustrie, zoals bedrijven die kalkzandsteen, betonmortel of producten van betonmortel maken. Hierbij zijn activiteiten uitgesloten die plaatsvinden tijdens het verrichten van een bouwactiviteit of de aanleg van een weg (art. 3.111 lid 3 Bal). Het gaat dus niet om het gebruik van beton op bouwplaatsen. Ook uit de zorgplicht vloeit voort dat lozen bij het gebruik van beton op bouwplaatsen niet op het riool mag plaatsvinden, omdat dit leidt tot verstoppingen van het riool.
Het Bal regelt de lozing van afvalwater bij de activiteiten waar paragraaf 4.8 Betoncentrale van het Bal voor geldt. De artikelen in deze subparagraaf geven een aantal specifieke mogelijkheden om af te wijken van de voorschriften van het Bal. Deze artikelen bevatten maatwerkregels als bedoeld in artikel 2.12 van het Bal.
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.177 van de bruidsschat (tijdelijk deel) en is licht aangepast. De nieuwe formulering sluit directer aan bij de vindplaats van de regels van het Bal waarvan op grond van deze paragraaf kan worden afgeweken.
Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Daarbij worden de aard en omvang van de lozing aangegeven, zoals de te lozen hoeveelheid afvalwater en de concentraties van stoffen die in het afvalwater worden verwacht. Het bevoegd gezag moet eveneens worden geïnformeerd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.178 van de bruidsschat (tijdelijk deel).
Volgens artikel 4.140, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving moet afvalwater afkomstig van het maken van betonmortel worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam. In sommige gevallen is dat echter niet mogelijk, bijvoorbeeld omdat er geen geschikt oppervlaktewaterlichaam in de directe omgeving van het bedrijf ligt. Voor dergelijke gevallen is in dit artikel geregeld dat het afvalwater onder voorwaarden ook in de riolering kan worden geloosd. De gemeente is echter niet bevoegd om de verplichte lozingsroute naar oppervlaktewater, die in het Besluit activiteiten leefomgeving is opgenomen, op te heffen. Daarom is in de waterschapsverordening bepaald dat die verplichte lozingsroute niet geldt als er een andere lozingsroute in het omgevingsplan is toegestaan. De initiatiefnemer heeft in dat geval de keuze tussen lozen in oppervlaktewater of lozen in de riolering. Voor de lozing op het schoonwaterriool geldt de vergunningplicht van artikel 8.189 dus niet.
Tweede en derde lid:
Bij lozing op het riool mag het afvalwater het niet teveel onopgeloste bestanddelen bevatten om te voorkomen dat het riool dichtslibt.
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.179 van de bruidsschat (tijdelijk deel).
In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. De versies van de NEN-EN-normen zijn opgenomen in de begripsbepalingen van bijlage I.
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.180 van de bruidsschat (tijdelijk deel).
Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van het uitwassen van beton bij het maken van betonproducten waarvoor voorschriften zijn opgenomen in paragraaf 4.9 Vormgeven betonproducten van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Deze paragraaf is in het Bal van toepassing verklaard voor bedrijven in de minerale productenindustrie, zoals bedrijven die kalkzandsteen, betonmortel of producten van betonmortel maken. Hierbij zijn activiteiten uitgesloten die plaatsvinden tijdens het verrichten van een bouwactiviteit of de aanleg van een weg (art. 3.111 lid 3 Bal). Het gaat dus niet om het gebruik van beton op bouwplaatsen. Ook uit de zorgplicht vloeit voort dat lozen bij het gebruik van beton op bouwplaatsen niet op het riool mag plaatsvinden, omdat dit leidt tot verstoppingen van het riool.
Het Bal regelt de lozing van afvalwater bij de activiteiten waar paragraaf 4.9 Vormgeven betonproducten van het Bal voor geldt. Deze subparagraaf geeft een specifieke mogelijkheid om af te wijken van de voorgeschreven lozingsroute in het Bal. Deze subparagraaf bevat maatwerkregels als bedoeld in artikel 2.12 van het Bal.
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.181 van de bruidsschat (tijdelijk deel) en is licht aangepast. De nieuwe formulering sluit directer aan bij de vindplaats van de regels van het Bal waarvan op grond van deze paragraaf kan worden afgeweken.
Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Daarbij worden de aard en omvang van de lozing aangegeven, zoals de te lozen hoeveelheid afvalwater en de concentraties van stoffen die in het afvalwater worden verwacht. Het bevoegd gezag moet eveneens worden geïnformeerd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.182 van de bruidsschat (tijdelijk deel).
Eerste lid:
Volgens artikel 4.158, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving moet afvalwater afkomstig van het uitwassen van beton worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam. In sommige gevallen is dat echter niet mogelijk, bijvoorbeeld omdat er geen geschikt oppervlaktewaterlichaam in de directe omgeving van het bedrijf. Voor dergelijke gevallen is in dit artikel geregeld dat het afvalwater onder voorwaarden ook in de riolering kan worden geloosd. De gemeente is echter niet bevoegd om de verplichte lozingsroute naar oppervlaktewater, die in het Besluit activiteiten leefomgeving is opgenomen, op te heffen. Daarom is in de waterschapsverordening bepaald dat die verplichte lozingsroute niet geldt als er een andere lozingsroute in het omgevingsplan is toegestaan. De initiatiefnemer heeft in dat geval de keuze tussen lozen in oppervlaktewater of lozen in de riolering.
Tweede lid:
Bij lozing op het riool mag het afvalwater het niet teveel onopgeloste bestanddelen bevatten om te voorkomen dat het riool dichtslibt.
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.183 van de bruidsschat (tijdelijk deel).
In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. De versies van de NEN-EN-normen zijn opgenomen in de begripsbepalingen van bijlage I.
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.184 van de bruidsschat (tijdelijk deel).
Deze paragraaf is van toepassing op het ontwikkelen en afdrukken van fotografisch materiaal. Dit is de ‘ouderwetse’, chemische manier van ontwikkelen en afdrukken van lichtgevoelige film. Digitaal afdrukken, het met onder andere inkjet- en laserprinters afdrukken van digitale foto’s, is specifiek uitgezonderd.
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.188 van de bruidsschat (tijdelijk deel).
De te verstrekken gegevens en bescheiden dienen om een beeld te verschaffen van:
- de activiteit zelf en wat daarbij hoort;
- de precieze plek en indeling van de activiteit; en
- wanneer deze begint of wordt gewijzigd.
Er hoeft geen inschatting van de door te activiteit veroorzaakte milieubelasting te worden verstrekt. Wel kan het college van B&W op grond van artikel 8.6 verzoeken om dergelijke informatie.
Wanneer gegevens en bescheiden moeten worden verstrekt, is ook altijd artikel 1.5 (algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden) van toepassing.
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.189 van de bruidsschat (tijdelijk deel). Enkele gegevens die niet specifiek gericht zijn op het lozen van afvalwater bij het ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal zijn geschrapt.
Eerste lid:
Afvalwater afkomstig van het ontwikkelen van fotografisch materiaal moet in het vuilwaterriool worden geloosd. Voor lozen op de bodem of het schoonwaterriool geldt het vangnetverbod (artikel 8.188 en 8.189). Om in dit artikel duidelijkheid te geven over alle lozingsroutes is ook vermeld dat dit water niet op of in de bodem en het schoonwaterriool geloosd mag worden.
Tweede lid:
Bij het ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal moet een zilverterugwininstallatie worden toegepast, tenzij wordt voldaan aan de voorwaarden van het derde lid. Daarbij komt gevaarlijk afval vrij. Het afval moet worden afgegeven aan een erkende inzamelaar (art. 10.37 Wm) en de gegevens hierover moeten worden bewaard (art. 10.38 Wm).
Derde lid:
Als aan beide voorwaarden genoemd in dit lid wordt voldaan, dan hoeft geen zilverterugwininstallatie te worden gebruikt. Bij een verbruik van meer dan 700 liter aan gebruiksklare fixeer en ook als binnen het bedrijf geen gedragsvoorschriften aanwezig zijn om de zilveremissie te beperken, dan is een zilverterugwininstallatie wel verplicht.
Vierde lid:
Bij het lozen van afvalwater afkomstig van het ontwikkelen en afdrukken van fotografisch materiaal geldt een emissie-eis van 4 milligram zilver per liter. In dit artikel is het in het vergelijkbare artikel van het Activiteitenbesluit voorkomende voorschrift dat het te lozen afvalwater op een doelmatige wijze kan worden bemonsterd geschrapt. Dit volgt namelijk al uit de specifieke zorgplicht (artikel 8.187, eerste lid, onder f).
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.190 van de bruidsschat (tijdelijk deel).
In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. De versies van de NEN-EN-normen zijn opgenomen in de begripsbepalingen van bijlage I.
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.191 van de bruidsschat (tijdelijk deel).
Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van het telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen waarvoor voorschriften zijn opgenomen in hoofdstuk 4 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Het Bal regelt de lozing van afvalwater bij deze activiteiten. De artikelen in deze paragraaf geven een aantal specifieke mogelijkheden om af te wijken van de voorschriften van het Bal. Deze artikelen bevatten maatwerkregels als bedoeld in artikel 2.12 van het Bal.
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.170 van de bruidsschat (tijdelijk deel) en is licht aangepast. De nieuwe formulering sluit directer aan bij de vindplaats van de regels van het Bal waarvan op grond van deze paragraaf kan worden afgeweken.
Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Daarbij worden de aard en omvang van de lozing aangegeven, zoals de te lozen hoeveelheid afvalwater en de concentraties van stoffen die in het afvalwater worden verwacht. Het bevoegd gezag moet eveneens worden geïnformeerd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.171 van de bruidsschat (tijdelijk deel).
Eerste lid:
In artikel 4.761 van het Bal is voorgeschreven dat afvalwater afkomstig van het spoelen van biologisch geteelde gewassen gelijkmatig moet worden verspreid over landbouwgronden. Op grond van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was het ook mogelijk om dit afvalwater te lozen in het vuilwaterriool of in het oppervlaktewater. In dit artikel worden die alternatieve lozingsroutes voortgezet.
Tweede lid:
Bij lozing op het riool mag het afvalwater het niet teveel onopgeloste bestanddelen bevatten om te voorkomen dat het riool dichtslibt.
Derde lid:
De mogelijkheid om dit afvalwater te lozen in het oppervlaktewater is opgenomen in de waterschapsverordening. In het derde lid van dit artikel is bepaald dat, als de waterschapsverordening die lozingsroute mogelijk maakt, het verplichte verspreiden over landbouwgronden niet geldt. Het waterschap is immers niet bevoegd om die plicht via een maatwerkregel aan te passen.
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.173 van de bruidsschat (tijdelijk deel).
Eerste lid:
In artikel 4.773 van het Bal is voorgeschreven dat afvalwater afkomstig van het spoelen van biologisch geteelde gewassen gelijkmatig moet worden verspreid over landbouwgronden. Op grond van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was het ook mogelijk om dit afvalwater te lozen in het vuilwaterriool of in het oppervlaktewater. In dit artikel worden die alternatieve lozingsroutes voortgezet.
Tweede lid:
Bij lozing op het riool mag het afvalwater het niet teveel onopgeloste bestanddelen bevatten om te voorkomen dat het riool dichtslibt.
Derde lid:
De mogelijkheid om dit afvalwater te lozen in het oppervlaktewater is opgenomen in de waterschapsverordening. In het derde lid van dit artikel is bepaald dat, als de waterschapsverordening die lozingsroute mogelijk maakt, het verplichte verspreiden over landbouwgronden niet geldt. Het waterschap is immers niet bevoegd om die plicht via een maatwerkregel aan te passen.
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.174 van de bruidsschat (tijdelijk deel).
Artikel 4.791l van het Bal schrijft voor dat bij grondgebonden teelt in een kas een recirculatiesysteem voor drainagewater aanwezig is en in gebruik is. Op grond van artikel 3.71, zevende lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer hoefde geen recirculatiesysteem aanwezig te zijn, als hergebruik van het drainagewater niet doelmatig is. Voor lozingen van drainagewater die al voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet bestonden, wordt deze uitzondering in dit artikel voortgezet.
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.172 van de bruidsschat (tijdelijk deel).
Op grond van artikel 4.795 van het Bal geldt voor het lozen van afvalwater bij het telen van gewassen de plicht om te lozen in het vuilwaterriool, of het afvalwater gelijkmatig te verspreiden over landbouwgronden. In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was geregeld dat dat afvalwater ook in oppervlaktewater mag worden geloosd. In de waterschapsverordening is geregeld dat die lozingsroute mogelijk blijft. Het waterschap is echter niet bevoegd om de verplichte lozingsroute van artikel 4.795 ‘uit te zetten’. Daarom is in dit artikel bepaald dat, als de waterschapsverordening het lozen op oppervlaktewater mogelijk maakt, de verplichte lozingsroute een facultatieve lozingsroute wordt.
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.175 van de bruidsschat (tijdelijk deel).
In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. De versies van de NEN-EN-normen zijn opgenomen in de begripsbepalingen van bijlage I.
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.176 van de bruidsschat (tijdelijk deel).
Deze subparagraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater bij het bereiden van voedingsmiddelen als bedoeld in subsubparagraaf 8.2.3.3.1. Die subsubparagraaf geldt alleen voor milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 8.10, dus bijvoorbeeld niet als de activiteit plaatsvindt in de openbare ruimte. Door de verwijzing naar subsubparagraaf 8.2.3.3.1 geldt deze beperking van het toepassingsbereik ook voor de regels over lozen bij de activiteit die in deze subparagraaf zijn opgenomen. Zie verder voor een toelichting op het toepassingsbereik de toelichting bij artikel 8.184.
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.196 van de bruidsschat (tijdelijk deel).
In artikel 8.91 is een verplichting opgenomen om gegevens en bescheiden te verstrekken bij deze activiteit. Daarbij moet ook informatie worden verstrekt die relevant is voor de lozing. Die informatie is in dit artikel opgenomen. Zie verder de toelichting op artikel 8.91.
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.197 van de bruidsschat (tijdelijk deel).
Eerste lid:
Vethoudend afvalwater wordt altijd op het vuilwaterriool geloosd.
Tweede lid:
Voor lozen op de bodem of het schoonwaterriool geldt het vangnetverbod (artikel 8.188 en 8.189). Om in dit artikel duidelijkheid te geven over alle lozingsroutes is ook in dit artikellid vermeld dat het afvalwater niet op of in de bodem of in een schoonwaterriool geloosd mag worden.
Derde lid:
Bij het lozen van vethoudend afvalwater is het toepassen van een vetafscheider en slibvangput verplicht. Deze moeten voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2. Op grond van het vijfde lid kan in afwijking van NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2, met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan daar vermeld worden volstaan als dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider.
Een slibvangput en vetafscheider die vóór 14 september 2004 zijn geplaatst, hoeven niet te voldoen aan de NEN-EN-normen. In plaats daarvan is volstaan met de voorwaarde ‘afgestemd op de hoeveelheid water’.
In sommige gevallen bevat het afvalwater bij het bereiden van voedingsmiddelen niet zo veel vet dat een vetafscheider noodzakelijk is. Als dit het geval is dan kan door middel van een maatwerkvoorschrift worden toegestaan dat geen vetafscheider wordt toegepast. In het maatwerkvoorschrift wordt de specifieke bedrijfsvoering en werkwijze vastgelegd die er toe leidt dat er weinig vet in het afvalwater terechtkomt.
Vierde lid:
In de NEN-EN 1825-1 en -2 is geregeld hoe vaak de vetafscheider moet worden geleegd en gereinigd. Als de goede werking gewaarborgd blijft mag dit met een lagere frequentie. Als de vetafscheider te vol zit dan wordt het afvalwater niet goed gescheiden.
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.198 van de bruidsschat (tijdelijk deel). Lid 2 van dat artikel regelde het lozen op de bodem in gevallen waarin het afvalwater samen met huishoudelijk afvalwater via een particuliere zuivering mocht worden geloosd. Deze regeling is in dit Omgevingsplan niet overgenomen, maar vervangen door een vergunningplicht (zie art. 8.191 ). Het verbod om te lozen bij voedselrestvermaling uit lid 3 is in een apart artikel opgenomen (art. 8.248 ).
Het is niet toegestaan om afvalwater via een voedselrestvermaler te lozen op het vuilwaterriool.
Een voedselrestvermaler vermaalt verteerbare etensresten met toevoeging van water tot een vloeibare afvalstof. Deze vloeibare afvalstof wordt vervolgens met het afvalwater geloosd. De vermalen stoffen kunnen leiden tot verstopping, maar zorgen ook voor een ongewenste toename van organisch afval in het afvalwater.
Er kunnen zich initiatieven of pilots met kleinschalige zuiveringen voordoen waar de wens bestaat om wel voedselvermalers toe te mogen passen. Dit kan aanleiding zijn af te wijken van dit artikel met een afwijkende omgevingsplanregel voor die locatie of eventueel een of meer individuele maatwerkvoorschriften op grond van artikel 8.5. Daarbij moet in ieder geval rekening worden gehouden met het Landelijk afvalbeheerplan (onderdeel B.3.7.1), waarin voorwaarden zijn opgenomen waaronder het gebruik van voedselvermalers doelmatig kan zijn.
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.198 lid 3 van de bruidsschat (tijdelijk deel).
Deze subparagraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater bij het slachten van dieren en bewerken van dierlijke bijproducten of uitsnijden van vlees, vis of organen als bedoeld in subsubparagraaf 8.2.3.3.3. Die subsubparagraaf geldt alleen voor milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 8.10, dus bijvoorbeeld niet als de activiteit plaatsvindt in de openbare ruimte. Door de verwijzing naar subsubparagraaf 8.2.3.3.3 geldt deze beperking van het toepassingsbereik ook voor de regels over lozen bij de activiteit die in deze subparagraaf zijn opgenomen. Zie verder voor een toelichting op het toepassingsbereik de toelichting bij artikel 8.99.
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.202 van de bruidsschat (tijdelijk deel).
In artikel 8.100 is een verplichting opgenomen om gegevens en bescheiden te verstrekken bij deze activiteit. Daarbij moet ook informatie worden verstrekt die relevant is voor de lozing. Die informatie is in dit artikel opgenomen. Zie verder de toelichting op artikel 8.100.
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.203 van de bruidsschat (tijdelijk deel).
Eerste lid:
Door het inpandig uitvoeren van het slachten van dieren en het broeien, koken of pekelen van daarbij vrijkomende dierlijke bijproducten wordt voorkomen dat afvalwater onbedoeld in de bodem of het oppervlaktewater terecht komt.
Tweede lid:
Afvalwater afkomstig van deze activiteiten moet in het vuilwaterriool worden geloosd.
Derde lid:
Voor lozen op de bodem of het schoonwaterriool geldt het vangnetverbod (artikel 8.188 en 8.189). Om in dit artikel duidelijkheid te geven over alle lozingsroutes is ook in dit artikellid vermeld dat het afvalwater niet op of in de bodem of in een schoonwaterriool geloosd mag worden.
Vierde lid:
Bij het lozen van vethoudend afvalwater is het toepassen van een vetafscheider en slibvangput verplicht. Deze moeten voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 1825-1 en -2. Op grond van het vierde lid kan in afwijking van NEN-EN 1825-1 en -2, met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan daar vermeld worden volstaan als dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider. In plaats van een vetafscheider kan ook een flocculatie-afscheider als alternatieve maatregel worden toegepast.
Een slibvangput en vetafscheider, die vóór 14 september 2004 zijn geplaatst, hoeven niet te voldoen aan de NEN-EN-normen. In plaats daarvan kan worden volstaan met de voorwaarde ’afgestemd op de hoeveelheid water’. Hetzelfde geldt voor een flocculatie-afscheider geplaatst voor 1 januari 2013.
Voor meer uitleg over de zuivering bij het lozen van vethoudend afvalwater in een vuilwaterriool wordt kortheidshalve verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij artikel 4.407 van het Bal.
Vijfde lid:
Volgens NEN-EN 1825-1 en -2 moet men de vetafscheider eens per maand legen. Als de goede werking gewaarborgd blijft mag dit met een lagere frequentie. Als de vetafscheider te vol zit dan wordt het afvalwater niet goed gescheiden.
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.204 van de bruidsschat (tijdelijk deel).
Deze subparagraaf is van toepassing op het uitwendig wassen van motorvoertuigen, met uitzondering van het wassen van motorvoertuigen bij een milieubelastende activiteit als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving. In het Besluit activiteiten leefomgeving zijn, waar nodig, al regels gesteld over het reinigen van voertuigen.
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.192 van de bruidsschat (tijdelijk deel). De uitzondering voor het wassen van motorvoertuigen bij wonen uit dat artikel is niet overgenomen omdat in dit omgevingsplan de regels voor lozen van afvalwater bij wonen in een aparte paragraaf staan.
Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Daarbij worden de aard en omvang van de lozing aangegeven, zoals de te lozen hoeveelheid afvalwater en de concentraties van stoffen die in het afvalwater worden verwacht. Het bevoegd gezag moet eveneens worden geïnformeerd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.
Onder de voorgangers van de bruidsschat (Activiteitenbesluit en Besluit lozen buiten inrichtingen) gold de verplichting om gegevens en bescheiden in te dienen bij deze activiteit. In de bruidsschat was die verplichting niet overgenomen. In dit artikel is dit wel gedaan; het is van belang dat het bevoegd gezag er van op de hoogte is als deze activiteit zal plaatsvinden om toezicht te kunnen houden.
Eerste lid:
Het wassen van motorvoertuigen moet in principe plaatsvinden boven een vloeistofdichte bodemvoorziening. Vanwege de aard van de activiteit, waarbij continue bodembedreigende vloeistoffen over de voorziening stromen, zijn niet-vloeistofdichte voorzieningen niet toereikend.
Tweede lid:
Op de plicht om het wassen van motorvoertuigen plaats te laten vinden boven een vloeistofdichte bodemvoorziening is een uitzondering gemaakt voor het wassen van motorvoertuigen op een mobiele wasinstallatie. Dit soort installaties worden tegenwoordig steeds meer toegepast bij initiatiefnemers die zelf niet beschikken over de vereiste voorzieningen. Mobiele installaties moeten wel voldoende bodembeschermende werking hebben. Daarom is bepaald dat er geen vloeistoffen in de bodem terecht mogen komen.
Derde lid:
Ook geldt, in navolging van de artikelen 3.23b, tweede lid, aanhef en onder a, en 3.24, aanhef en onder a, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, een uitzondering voor het per week uitwendig wassen van ten hoogste één motorvoertuig waarmee geen gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast. Artikel 8.255 van dit omgevingsplan regelt in samenhang hiermee dat het water bij het wassen in de bodem mag komen. Dit zal in beperkte mate het geval zijn, als de verharding waarop wordt gewassen niet vloeistofdicht is.
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.193 van de bruidsschat (tijdelijk deel).
Eerste en tweede lid:
Uitgangspunt is dat afvalwater afkomstig van het wassen van motorvoertuigen op het vuilwaterriool wordt geloosd. Lozen op het schoonwaterriool is niet toegestaan. Voor lozen op het schoonwaterriool geldt het vangnetverbod (artikel 10.170). Om in dit artikel duidelijkheid te geven over alle lozingsroutes is ook in dit artikellid vermeld dat het afvalwater niet in een schoonwaterriool geloosd mag worden.
Derde lid:
Lozen op de bodem is niet toegestaan. Om dit te voorkomen zijn in het voorgaande artikel voorzieningen verplicht gesteld. Hierbij geldt een uitzondering voor gevallen waarin per week maximaal één voertuig uitwendig wordt gewassen, en het gaat om een voertuig waarmee geen gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast. In dit artikellid wordt in samenhang daarmee toegestaan dat in dat geval het waswater op of in de bodem mag komen. In dat geval is ook het vangnetverbod voor lozen op de bodem (artikel 10.169) niet van toepassing, omdat de lozing in dit artikellid is toegestaan.
Vierde lid:
Uitgangspunt bij het lozen van oliehoudend afvalwater is een norm van 20 milligram olie per liter in enig steekmonster. Aan deze norm kan worden voldaan door ofwel het toepassen van zuiveringstechnieken volgens beste beschikbare technieken, ofwel het zodanig inrichten van de werkwijze, dat het gehalte van 20 milligram per liter ook zonder behandeling in zuiveringsvoorzieningen niet wordt overschreden.
Vijfde lid:
Op de norm van 20 milligram per liter wordt een uitzondering gemaakt als het afvalwater geleid wordt door een olie-afscheider en slibvangput die voldoen aan NEN-EN 858-1 en 2. Vanzelfsprekend moeten de olie-afscheider en slibvangput adequaat functioneren. Dit kan worden beoordeeld aan de hand van het oliegehalte van het geloosde water. Daarbij is het wel van belang, dat de werkwijze (waaronder de keuze van het reinigingsmiddel en de wijze van toepassing van een eventuele hogedrukreiniger) zodanig is dat een goede werking van de afscheider niet onmogelijk wordt gemaakt door vorming van emulsies. Ook moeten de slibvangput en olieafscheider goed worden onderhouden. Dit omvat het tijdig ledigen en reinigen en het zo spoedig mogelijk verhelpen van geconstateerde gebreken. Wanneer het verwijderen van afgescheiden olie en slib exact aan de orde is kan afhankelijk van het type afscheider verschillen. Over het algemeen moet de slibvangput of slibvangruimte worden geleegd wanneer deze voor meer dan 50% gevuld is met slib/zand. Dit valt onder de specifieke zorgplicht.
Om de goede werking van een slibvangput en olieafscheider te waarborgen dient bij alle afscheiders, naast het zo nodig verwijderen van olie en slib, de afscheider met enige regelmaat volledig geleegd en gereinigd te worden en onderzocht te worden op aantasting en andere gebreken. Gebleken gebreken moeten zo spoedig mogelijk verholpen worden. Ook dit valt onder de specifieke zorgplicht.
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.194 van de bruidsschat (tijdelijk deel).
Dit artikel geeft aan welke normen gehanteerd worden bij bemonstering van afvalwater. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. De versies van de NEN-EN-normen zijn opgenomen in de begripsbepalingen van bijlage I.
Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.195 van de bruidsschat (tijdelijk deel).
Eerste lid:
Dit artikel regelt het toepassingsbereik van onderdeel 8.3.2.23, het lozen van brijn. Brijn is afvalwater afkomstig van het zuiveren van water door omgekeerde osmose of ionenwisselaars. Deze activiteit kan bij verschillende bedrijfstakken voorkomen. Het afvalwater (brijn) bevat veel zout (chloride), en kan ook andere ongewenste stoffen bevatten. Chloridehoudend afvalwater is schadelijk voor de riolering en de pompen die daar deel van uitmaken, en kan leiden tot verzilting van de bodem.
Tweede lid, onderdeel a:
In afwijking van het eerste lid worden lozingen van milieubelastende activiteiten als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) uitgezonderd voor zover in of op grond van het Bal regels gesteld zijn over de lozing van brijn. Dat Besluit bevat dan de regels ter bescherming van het milieu, het riool en de bodem. Op dit moment bevat het Bal alleen voor agrarische activiteiten regels. Dit artikellid regelt de afstemming met het Bal ook voor eventuele toekomstige wijzigingen van het Bal. Het is ook mogelijk dat in een vergunning of maatwerkvoorschrift op grond van het Bal iets geregeld wordt over de lozing van brijn. Ook in dat geval geldt de vergunningplicht van dit artikel niet.
Onderdeel b:
Hoofdstuk 16 van het Bal bevat een vergunningplicht voor grote wateronttrekkingsactiviteiten voor industriële toepassingen en het in de bodem brengen van water ter aanvulling van het grondwater bij die wateronttrekking. Als die vergunning de lozing regelt, dan geldt deze subparagraaf niet.
Derde lid:
Deze subparagraaf geldt alleen voor nieuwe lozingen en voor bestaande illegale lozingen. Van dat laatste kan sprake zijn indien de lozing zonder de vereiste omgevingsvergunning op grond van artikel 8.188 of 8.189 plaats vindt. Lozingen in andere gevallen dan bedoeld in die artikelen waren wel toegestaan. Een uitgebreide toelichting op het wettelijk kader voor het lozen van brijn is in de toelichting op artikel 8.258 opgenomen.
Eerste lid:
Dit artikel regelt de vergunningplicht voor het lozen van brijn. Zoals in de toelichting op artikel 8.257 reeds aangegeven, is chloridehoudend afvalwater schadelijk voor de riolering en de pompen die daar deel van uitmaken, en kan leiden tot verzilting van de bodem. Daarom wordt via vergunningplicht per geval beoordeeld of de lozing toelaatbaar is gezien de samenstelling van het afvalwater en de specifieke situatie.
Het zuiveren van water door omgekeerde osmose vond in het verleden met name plaats in de agrarische sector. Voor deze bedrijven is sinds 1 juli 2022 het lozen van brijn verboden. De afgelopen jaren wordt ook bij andere sectoren op deze manier schoon water gemaakt; bijvoorbeeld bij autowasstraten (waswater) en datacenters (koeling). Door klimaatverandering kan zoetwater schaarste ontstaan in de regio, waardoor bij allerlei bedrijfstakken vaker kan worden gezocht naar alternatieven voor drinkwater, zoals het gebruik van gezuiverd grondwater.
Onder het recht dat gold voor inwerkingtreding van de Omgevingswet was lozing van het afvalwater dat vrijkomt bij het zuiveren van water door omgekeerde osmose op de bodem en het schoonwaterriool verboden. Lozing op het vuilwaterriool was in beginsel toegestaan en moest voldoen aan de zorgplicht; hieraan konden met maatwerk extra voorschriften worden verbonden.
Onder de Omgevingswet zijn bedrijven waar deze activiteit plaatsvindt veelal aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). In het Bal worden per bedrijfstak regels aangewezen voor activiteiten die in de branche algemeen voorkomen. Voor andere activiteiten wordt teruggevallen op de zorgplicht, zo nodig ingevuld met maatwerk. In het Bal is alleen voor agrarische activiteiten de lozing van brijn geregeld door middel van een verbod waar eventueel met maatwerk van afgeweken kan worden. Voor overige milieubelastende activiteiten is geen specifieke regeling voor lozing van brijn opgenomen, en geldt dus alleen de zorgplicht. Het Bal biedt ruimte om in het omgevingsplan aanvullende regels te stellen (zogenaamde maatwerkregels). In dit Omgevingsplan is ter bescherming van het milieu, het riool en de bodem een verbod opgenomen om zonder vergunning brijn te lozen. Als het Bal regels stelt voor de lozing dan geldt de vergunningplicht van dit artikel niet. Voor lozing op de bodem en schoonwaterriool is dit een voortzetting van de situatie onder het voormalige Activiteitenbesluit. Voor lozing op het vuilwaterriool buiten de agrarische sector kende het Activiteitenbesluit geen specifieke regels. Lozen op het vuilwaterriool was daarom niet verboden, mits aan de zorgplicht werd voldaan. De vangnetvergunningplicht voor lozing op de bodem of het hemelwaterriool van de artikelen 8.188 en 8.189 geldt niet voor een lozing waarvoor een vergunning is verleend op grond van dit artikel. De lozing is dan immers toegestaan op grond van deze paragraaf.
Tweede lid:
De beoordelingsregels in de artikelen 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn van overeenkomstige toepassing op het verlenen van deze vergunning. In deze artikelen staan de algemene beoordelingsregels voor vergunningen voor milieubelastende activiteiten. Een vergunning wordt alleen verleend als onder andere emissies in het water en de bodem worden voorkomen en alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen. Verder moet rekening worden gehouden met voorkeursvolgorde voor afvalwater (artikel 10.29a Wet milieubeheer) en het Landelijk afvalbeheerplan. Op grond van artikel 5.34 van de Omgevingswet is het mogelijk om voorschriften aan de vergunning te verbinden.
Derde lid:
Bij de aanvraag van de vergunning moet het maximale debiet van de lozing en de samenstelling van het afvalwater worden vermeld. Dit gebruikt de gemeente om het risico op wateroverlast en de effecten van de lozing op de riolering, de bodem of de oppervlaktewaterkwaliteit te beoordelen.
Dit artikel is een voortzetting van artikel 2.2 van het voormalige Activiteitenbesluit en artikel 2.2 van het voormalige Besluit lozen buiten inrichtingen, waarin een algemeen verbod was opgenomen om te lozen op de bodem of het schoonwaterriool; de lozing kon met maatwerk worden toegestaan. Voor lozing op het vuilwaterriool bestond een verbod voor het lozen van brijn bij de agrarische sector. Bij andere sectoren kwam deze activiteit voorheen niet voor, en was er daarom geen specifieke regel voor; lozen op het vuilwaterriool was daarom niet verboden mits aan de zorgplicht werd voldaan.
Artikel 12.1 bevat een aanvraagvereisten die van toepassing zijn op een aanvraag van een beschikking ten behoeve van het betalen van een kostenverhaalsbijdrage als bedoeld in art. 13.18 Omgevingswet (Ow).
De omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit is niet meer in alle gevallen verplicht. Om die reden is in art. 13.18 Ow de beschikking bestuursrechtelijke geldschuld opgenomen voor het verhalen van kosten voor een ontwikkeling op eigen grond in een kostenverhaalsgebied als er geen overeenkomst is aangegaan. De beschikking bestuursrechtelijke geldschuld wordt behandeld op basis van de Omgevingswet, de procedurele vereisten uit titel 4.1 Algemene wet bestuursrecht en de regels voor het kostenverhaalsgebied.
Degene die binnen de begrenzing van een kostenverhaalsgebied een aangewezen activiteit op basis van artikel 13.11 Ow verricht is verplicht een beschikking aan te vragen en de kostenverhaalsbijdrage te voldoen voor aanvang van de activiteit (art. 13.12 Ow). De kostenverhaalsbijdrage is ook van toepassing op een exploitatieplan dat is vastgesteld onder de Wet ruimtelijke ordening en dat bij wijze van overgangsrecht onderdeel is geworden van dit omgevingsplan.
In dit artikel staan de aanvraagvereisten voor de beschikking opgesomd in aanvulling op de aanvraagvereisten uit titel 4.1 Algemene wet bestuursrecht, zodat de bijdrage kan worden berekend. De berekening van de kostenverhaalsbijdrage vindt plaats op basis van art. 13.18 Ow en de regels van het betreffende kostenverhaalsgebied of het betreffende exploitatieplan.
In het tijdelijke deel van dit omgevingsplan worden zowel ruimtelijke besluiten (artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet) als de omgevingsplanregels van rijkswege (artikel 22.1, onder c, van de Omgevingswet) opgenomen. Deze omgevingsplanregels van rijkswege wordt ook wel de bruidsschat genoemd. Onder het tijdelijke deel van het omgevingsplan vallen bijvoorbeeld bestemmingsplannen met verbrede reikwijdte op grond van de voormalige Crisis- en herstelwet. In deze bestemmingsplannen is er afgeweken van bepalingen bij of krachtens de voormalige Wet ruimtelijke ordening en de Wet milieubeheer. Dat betekent dat de omgevingsplanregels uit die bestemmingsplannen op onderdelen in strijd zijn met de omgevingsplanregels van rijkswege. Ook kan in een bestemmingsplan toepassing zijn gegeven aan artikel 2, onder a, van de voormalige Interimwet stad-en-milieubenadering waarin is bepaald dat de gemeenteraad in een bestemmingsplan kan afwijken van een milieukwaliteitsnorm voor bodem, geluid en lucht. Omdat ook deze bestemmingsplannen samen met de omgevingsplanregels van rijkswege in het tijdelijke deel van het omgevingsplan worden opgenomen moet er een voorrangsregel worden opgenomen.
Deze voorrangsregel geldt ook bij strijdigheid tussen de omgevingsplanregels van rijkswege en de:
- voorwaarden aan het lozen van afvloeiend hemelwater of van grondwater op of in de bodem of in een riool in een gemeentelijke verordening op grond van artikel 10.32a van de Wet milieubeheer; e
- de aanwijzing van concentratiegebieden en waardsen of afstanden voor geur bij het houden van landbouwhuisdieren in een geurverordening op grond van artikel 6 van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij.
Om die reden is in het eerste lid van dit artikel bepaald dat de regels van afdeling 22.2, met uitzondering van subparagraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 van dit omgevingsplan niet van toepassing zijn voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet. De toets of er sprake is van «strijd» omvat ook een toets of wel of niet sprake is van regels met hetzelfde oogmerk. Als de regels een ander oogmerk hebben, doet «strijd» in de zin van de bepaling zich niet voor. Dit is vergelijkbaar met de wijze waarop bij de toepassing van artikel 121 van de Gemeentewet wordt getoetst of er sprake is van «strijd» met een hogere regeling. Subparagraaf 22.2.7.3 van dit omgevingsplan is van de werking van het eerste lid van de voorrangsbepaling uitgezonderd. Deze paragraaf regelt dat bepaalde bouw- en gebruiksactiviteiten van rechtswege in overeenstemming zijn met het omgevingsplan, ongeacht wat er in het omgevingsplan concreet is bepaald. Daarmee zijn deze activiteiten, voor zover die in strijd zouden zijn met het omgevingsplan, aangewezen als vergunningvrije omgevingsplanactiviteiten. Als subparagraaf 22.2.7.3 niet van de werking van het eerste lid van de voorrangsbepaling zou worden uitgezonderd, waardoor die paragraaf toch opzij gezet zou kunnen worden door andersluidende bepalingen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, zou als gevolg daarvan de werking van die paragraaf worden ontkracht. Dat is onwenselijk.
Het tweede lid bevat een voorrangbepaling voor vergunningvoorschriften in een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit, die met toepassing van het recht zoals dat gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, is verleend. Het gaat hierbij om een vergunningplichtige milieubelastende activiteit die in hoofdstuk 3 van het Bal is aangewezen en waarbij deze vergunningvoorschriften bevat voor een onderwerp dat naar het omgevingsplan is verschoven. Op grond van het overgangsrecht van artikel 4.13, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijven deze vergunningvoorschriften gelden. De vergunningvoorschriften gelden naast het omgevingsplan. De strengste regel is dan bepalend. Ten tijde van de vergunningverlening zijn juist bewust strengere of soepeler voorschriften gesteld, afgestemd op de locatie. De regels in afdeling 22.3 van dit omgevingsplan zijn niet van toepassing, voor zover zo'n vergunningvoorschrift geldt. De uitdrukking «voor zover» betekent «in de mate dat». Dat houdt in dat alleen die voorschriften van afdeling 22.3 van dit omgevingsplan buiten toepassing blijven waarvoor voorschriften in de omgevingsvergunning zijn gesteld.
Deze voorrangsbepaling kan relevant zijn voor de volgende onderdelen van afdeling 22.3 van dit omgevingsplan:
Paragraaf 22.3.2 Energiebesparing
Paragraaf 22.3.3 Zwerfafval
Paragraaf 22.3.4 Geluid
Paragraaf 22.3.5 Trillingen
Paragraaf 22.3.10 Lozen bij maken van betonmortel
Paragraaf 22.3.11 Uitwassen van beton
Paragraaf 8.3.2.15 Ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal
Paragraaf 8.2.3.7.1 In werking hebben van een acculader
Dit omgevingsplan voorziet niet in een voorrangsbepaling voor bestaande vergunningvoorschriften of maatwerkvoorschriften op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer die op grond van het algemene overgangsrecht maatwerkvoorschriften zijn geworden en die afwijken van of een nadere invulling geven aan de omgevingsplanregels in dit omgevingsplan. Uit de wetssystematiek volgt al dat een maatwerkvoorschrift voorrang heeft op een algemene bepaling.
Dit artikel bevat voor rijksbeschermde stads- en dorpgezichten vergelijkbaar overgangsrecht als artikel 22.2 voor gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten. Bij onder het oud recht aangewezen rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten doet zich in relatie tot de toepassing van artikel 22.28, derde lid, en artikel 22.38, aanhef en onder b, van dit omgevingsplan de situatie voor dat deze bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet buiten de bescherming vallen die deze artikelonderdelen bieden aan rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten. Deze artikelonderdelen koppelen de bescherming namelijk aan de in het omgevingsplan aan een locatie gegeven functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht maar deze functie-aanduiding zal er op het moment van de inwerkingtreding van de Omgevingswet veelal niet zijn. Dit omdat de systematiek van bescherming van rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten naar oud recht, anders dan onder de Omgevingswet, niet alleen via het bestemmingsplan en welstandseisen in de gemeentelijke welstandsnota verliep, maar ook via het rechtstreeks werkend sloopvergunningenstelsel in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder h, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Onder de Omgevingswet is het sloopvergunningenregime voor rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten een onderwerp dat als onderdeel van het omgevingsplan wordt geregeld. Direct bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet is in het algemeen nog niet in een adequaat sloopvergunningenregime in het omgevingsplan voorzien, omdat in bestemmingsplannen nog is uitgegaan van het bestaan van de wettelijke vergunningplicht uit artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder h, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Om te voorkomen dat door het wegvallen van die rechtstreeks uit de wet voortvloeiende vergunningplicht een hiaat in de bescherming van een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht ontstaat, is in artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet bepaald dat totdat het omgevingsplan voorziet in een adequaat beschermingsregime dat voldoet aan de in dat artikellid gestelde eisen, voor het slopen in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist. Artikel 4.35, tweede lid, van die wet verklaart op deze vergunningplicht de op de vergunningplicht uit artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder h, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht betrekking hebbende weigeringsgrond uit artikel 2.16 van die wet van overeenkomstige toepassing.
Voor de toepassing van de artikel 22.28, derde lid, en artikel 22.38 aanhef en onder b, van dit omgevingsplan, zou het ontbreken in het omgevingsplan van de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht met zich brengen dat - zolang in dit omgevingsplan aan een locatie waarvoor een op grond van het oude recht gegeven aanwijzing als rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht geldt - die functie-aanduiding nog niet is gegeven, op die locatie zonder beperking op grond van artikel 22.27 en artikel 22.36 van dit omgevingsplan, vergunningvrij mag worden gebouwd. Dit is uiteraard onwenselijk. Artikel 22.3 zorgt dat dit gevolg zich niet voordoet door te bepalen dat de artikel 22.28, derde lid en artikel 22.38, aanhef en onder b, van dit omgevingsplan van overeenkomstige toepassing zijn op deze locaties tot aan het moment waarop daaraan in dit omgevingsplan wel de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven.
Hoewel de achtergrond van artikel 22.2 en artikel 22.3 vergelijkbaar is, heeft artikel 22.3 een iets andere opzet dan artikel 22.2. Dit komt door het feit dat voor de begrippen «gemeentelijk monument» en «voorbeschermd gemeentelijk monument» in bijlage I bij het Bbl in begripsomschrijvingen is voorzien. Maar er is binnen het stelsel van de Omgevingswet geen begripsomschrijving voor «rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht». Om die reden is er in artikel 22.3 voor gekozen om de artikel 22.28, derde lid en artikel 22.38, aanhef en onder b, van dit omgevingsplan van overeenkomstige toepassing te verklaren.
In dit artikel wordt de mogelijkheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften breed opengesteld voor alle artikelen in deze afdeling. Aangezien alle onderwerpen in deze afdeling van landelijke regelgeving zijn overgeheveld naar de gemeente is het onnodig om de maatwerkmogelijkheid te clausuleren. Voorheen bevatten verschillende artikelen van het Bouwbesluit 2012 een uitdrukkelijke mogelijkheid voor het bevoegd gezag om anders te besluiten dan opgenomen in de in het betrokken artikel opgenomen eis. In deze afdeling wordt die mogelijkheid niet voor afzonderlijke artikelen opgenomen, aangezien maatwerk met dit artikel breed openstaat. Het bevoegd gezag kan dus altijd bepalen of in het concrete geval met een gemotiveerd maatwerkvoorschrift kan worden gewerkt. De voorheen in het Bouwbesluit opgenomen mogelijkheid voor het bevoegd gezag om aanwijzingen te geven is voor de duidelijkheid van bevoegd gezag en de gebruiker wel in dit artikel overgenomen. Het is op basis van de brede bevoegdheid om maatwerk te stellen op grond van artikel 22.4 echter ook mogelijk dat het maatwerkvoorschrift in een concreet geval anders moet komen te luiden.
In door het bevoegd gezag te bepalen situaties kan het nodig zijn dat, voorafgaande aan het bouwen, door of namens het bevoegd gezag rooilijnen, bebouwingsgrenzen of het meetniveau van het te bouwen bouwwerk op het bouwterrein worden vastgesteld en gemarkeerd (uitgezet). In dit artikel is geregeld dat vergunningplichtige bouwwerkzaamheden pas mogen beginnen als door of namens het bevoegd gezag de rooilijnen of bebouwingsgrenzen of het straatpeil zijn uitgezet. Het kan hierbij gaan om activiteiten die op grond van artikel 5.1, tweede lid onder a, van de Omgevingswet vergunningplichtig zijn (de technische bouwactiviteit) of activiteiten die op grond van dit omgevingsplan vergunningplichtig zijn.
De regels in het Bbl beperken zich voor zover het gaat om het gebruik van bouwwerken tot brandveilig gebruik en enkele kleine en afgebakende aspecten van gezondheid (concentraties asbest en formaldehyde) en energiebesparing. Die onderwerpen zijn daarin uitputtend geregeld, zodat de gemeente daarover in het omgevingsplan geen regels kan stellen. Overige aspecten van gebruik kunnen wel in het omgevingsplan worden geregeld. De artikelen over overbewoning en gebruik van een bouwwerk in de buurt van een bouwvallig pand die voorheen in het Bouwbesluit 2012 waren opgenomen, zijn voorbeelden van zulke andere aspecten van gebruik die voortaan in dit omgevingsplan kunnen worden geregeld.
Dit artikel is een voortzetting van artikel 41a van de Monumentenwet 1988, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet, dat een vrijstelling van de archeologische onderzoeksplicht bevatte. Dit artikel voorkomt dat er in dit omgevingsplan een lacune zou ontstaan door het wegvallen van artikel 41a. Het gaat hierbij om bodemverstoringen op huis-tuin-en-keukenniveau. Er worden geen grootschalige projecten mee vrijgesteld. Zie ook de toelichting bij artikel 5.130 van het Bkl.
Het eerste lid bepaalt dat als er in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, regels zijn gesteld over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid (ook wel: aanlegactiviteit), deze regels niet gelden als de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van minder dan 100 m2. Deze activiteiten zijn vrijgesteld van het vereiste om bij de aanvraag om een omgevingsvergunning een archeologisch rapport aan te leveren en van eventuele vergunningvoorschriften in het belang van de archeologische monumentenzorg.
In het tweede lid is bepaald dat als er in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, (voor een locatie) voor bodemverstorende activiteiten een grotere of kleinere oppervlakte dan 100 m2 is vastgesteld voor de vrijstelling van de archeologische onderzoeksplicht, die afwijkende andere oppervlakte geldt. In dat verband wordt erop gewezen dat aan een vastgestelde afwijkende andere oppervlakte, voor zover die minder dan 50 m2 bedraagt, geen praktische betekenis toekomt als het gaat om het vergunningvrij bouwen van een bijbehorend bouwwerk of een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf dat voldoet aan de in artikel 22.27, onder a en b, van dit omgevingsplan gestelde eisen. De vergunningplicht voor een bouwactiviteit op grond van artikel 22.26 van dit omgevingsplan geldt dan immers niet. Een archeologische onderzoeksplicht zal voor die gevallen overigens wel kunnen worden opgelegd via andere omgevingsvergunningen die op grond van dit omgevingsplan kunnen zijn vereist, bijvoorbeeld voor het uitvoeren van graafwerkzaamheden ter voorbereiding van de bouwactiviteit. Hiervoor wordt nader verwezen naar artikel 22.28, vierde lid, van dit omgevingsplan en de toelichting daarop.
Zie voor de systeembeschrijving van de vergunningplichten voor het bouwen ook afdeling 3.2 van de nota van toelichting bij het Invoeringsbesluit Omgevingswet.
De in dit artikel opgenomen afbakeningseisen zijn ongewijzigd overgenomen uit artikel 5, eerste en tweede lid, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. In het eerste lid is opgenomen dat vergunningvrij bouwen niet is toegestaan als het oorspronkelijke bouwwerk waarin, waaraan, waarop of waarbij gebouwd wordt, zonder de daarvoor vereiste vergunning is gebouwd of wordt gebruikt. Dit kan zowel gaan om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, onder a, van de Omgevingswet als een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder a, van die wet. In het geval het bouwwerk (geheel of gedeeltelijk) illegaal is gebouwd of wordt gebruikt, is het onwenselijk dat eventuele latere aanpassingen van of uitbreidingen aan of bij dit gebouw vergunningvrij en daarmee legaal zouden kunnen zijn. De mogelijkheid tot vergunningvrij bouwen is daarom zowel hier, als in het Bbl uitgesloten.
In het tweede lid wordt geregeld dat het aantal woningen niet mag toenemen door de vergunningvrije mogelijkheden, tenzij voor huisvesting in verband met mantelzorg.
In dit artikel zijn de bepalingen over de wijze van meten uit het tweede en derde lid van artikel 1 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht ongewijzigd overgenomen. De in deze afdeling genoemde waarden worden gemeten conform dit artikel.
Dit artikel is ongewijzigd overgenomen uit artikel 1, vierde lid, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. Voor de toepassing van de genoemde paragrafen wordt huisvesting in verband met mantelzorg altijd als functioneel verbonden met het hoofdgebouw aangemerkt.
Daarmee wordt bewerkstelligd dat een bijgebouw dat of een aan- of uitbouw die wordt gebruikt voor huisvesting in verband met mantelzorg vanwege de expliciet bepaalde functionele verbondenheid met het hoofdgebouw, ook moet worden aangemerkt als een functioneel verbonden bouwwerk en daarmee als bijbehorend bouwwerk als bedoeld in dit omgevingsplan. Daarmee wordt het mogelijk het bijgebouw of de aan- of uitbouw op de grondslag van artikel 22.27, aanhef en onder a, of artikel 22.36, aanhef en onder a, van dit omgevingsplan vergunningvrij te bouwen. In de praktijk blijkt de vraag wel eens te ontstaan of er bij de toewijzing van een eigen huisnummer aan een bij een woning aanwezige mantelzorgvoorziening, nog sprake kan zijn van een bijbehorend bouwwerk. Het al dan niet toekennen van een afzonderlijk huisnummer is echter niet van belang voor de uitleg van deze bepaling.
Op grond van dit artikel is het verboden zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken. Als onderdeel van de omgevingsplanregels van rijkswege wordt hiermee de vergunningplicht voortgezet, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, voor zover die betrekking heeft op artikel 2.10, eerste lid, onder c en d, van die wet. In afdeling 3.2 van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Invoeringsbesluit Omgevingswet, is uitvoerig ingegaan op het expliciet maken dat deze vergunningplicht voor een bouwactiviteit ook betrekking heeft op het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk.
Het verbod behoudens vergunning geldt overigens niet als het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, van de Omgevingswet aangewezen geval. Die vergunningvrije gevallen zijn aangewezen in artikel 2.29 van het Bbl. Bij die aanwijzing gaat het om een landelijk uniforme categorie gevallen waarin geen omgevingsvergunning is vereist voor het verrichten van een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een bouwwerk (zoals bouwen, verbouwen, vervangen of uitbreiden). In zo'n geval is geen omgevingsvergunning vereist, ook niet als de bouw in strijd zou zijn met een in het omgevingsplan gestelde regel. Voldoet een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een bouwwerk niet aan de in het besluit gestelde voorwaarden, dan mag die activiteit niet zonder omgevingsvergunning worden verricht. In aanvulling op de landelijke categorie vergunningvrije gevallen kunnen in het omgevingsplan meer categorieën bouwactiviteiten worden aangewezen waarvoor geen omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit is vereist. In artikel 22.27 van dit omgevingsplan is van die bevoegdheid gebruik gemaakt om bouwactiviteiten die voorheen waren opgenomen in artikel 3 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, onder gelijkwaardige voorwaarden, als vergunningvrije omgevingsplanactiviteit mogelijk te maken. In artikel 22.36 is geregeld dat de onderdelen van artikel 2, bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht, die niet langer landelijk uniform vergunningvrij zijn op grond van het Bbl, op grond van het omgevingsplan onder dezelfde voorwaarden vergunningvrij zijn. Het betreft hier de bijbehorende bouwwerken, erf- en perceelafscheidingen hoger dan een meter en gebruik van bestaande bouwwerken voor mantelzorg. Artikel 22.28 en artikel 22.38 bevatten uitzonderingen op dat vergunningvrije bouwen als dat bouwen betrekking heeft op monumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en archeologisch erfgoed.
In dit artikel zijn de bouwwerken aangewezen waarvoor de vergunningplicht, bedoeld in artikel 22.26, niet van toepassing is. Met deze categorie van bouwwerken wordt artikel 3 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht, met enkele ondergeschikte aanpassingen en een aanvulling van erf- en perceelafscheiding (hoger dan een meter maar niet hoger dan twee meter), voortgezet. Zoals ook in afdeling 3.2 van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Invoeringsbesluit Omgevingswet toegelicht, geldt voor deze bouwwerken weliswaar niet de vergunningplicht uit artikel 22.26, maar de overige regels uit het omgevingsplan blijven onverminderd van kracht. Dat betekent dat een bouwwerk onverminderd aan de materiële regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van het bouwwerk moet voldoen. Onderdeel van die regels kan ook een bepaling zijn dat daarvan bij omgevingsvergunning van kan worden afgeweken. Deze binnenplanse vergunningplichten kunnen bijvoorbeeld op grond van artikel 3.6, eerste lid, onder c, van de voormalige Wet ruimtelijke ordening, in een van het tijdelijk deel uitmakend bestemmingsplan zijn opgenomen. Ook deze binnenplanse vergunningplichten blijven onverminderd van kracht, met als gevolg dat er toch een binnenplanse vergunning nodig kan zijn voor de betrokken bouwwerken. Als zo’n binnenplanse vergunning niet kan worden verleend of als het bouwwerk of het voorgenomen gebruik daarvan, niet voldoet aan andere in het omgevingsplan gestelde materiële regels, is sprake van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. In dat geval is er voor het bouwwerk een buitenplanse vergunning nodig op grond artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet. Net als bij de werking van artikel 3 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht, zijn de betrokken bouwwerken dus alleen maar vergunningvrij als aan alle overige regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken uit dit omgevingsplan wordt voldaan. Als op grond van die andere regels een vergunning nodig is, of als het bouwwerk of het voorgenomen gebruik in strijd is met andere regels uit dit omgevingsplan, moet toch een vergunning worden aangevraagd.
Zoals al beschreven betreft het hier een voortzetting van de bouwwerken die in artikel 3 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht waren opgenomen. Op enkele onderdelen zijn daarin wijzigingen aangebracht. Zo is de eis in onderdeel a, onder 3, dat een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan op meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied moet zijn gelegen, niet langer afhankelijk van de gelding van redelijke eisen van welstand voor het betrokken gebied of bouwwerk. Hiermee wordt de praktische toepassing van de regeling verbeterd.
Onderdeel h zondert van de binnenplanse vergunningplicht uit buisleidingen anders dan buisleidingen waarop artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4°, van het Bbl (bij het Invoeringsbesluit Omgevingswet oorspronkelijk genummerd als artikel 2.15f, onder p, aanhef en onder 4°) van toepassing is. Hierdoor ontstaat een vergelijkbare samenhang tussen dit artikelonderdeel van de bruidsschat en het genoemde artikelonderdeel uit het Bbl als de samenhang tussen de onderdelen in de artikelen 2 en 3 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht.
In onderdeel i zijn enkele voorwaarden geschrapt (geen verandering van de draagconstructie of (sub)brandcompartimentering), aangezien die om bouwtechnische redenen gesteld werden en geen invloed hebben op de ruimtelijke kwaliteit van het bouwen zoals die door een omgevingsplan wordt gereguleerd.
Artikel 22.28 bevat uitzonderingen en aanvullende randvoorwaarden voor de in artikel 22.27 aangewezen gevallen. Gevolg is dat, als uitzondering op de uitzondering, de vergunningplicht uit artikel 22.26 toch blijft gelden voor die gevallen (als niet aan de aanvullende randvoorwaarden wordt voldaan). Deze systematiek is overgenomen uit de artikelen 4a en 5, vierde lid, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. De vergunningvrije mogelijkheden zijn in het kader van de bescherming van cultureel erfgoed beperkt in geval van (voor)beschermde monumenten en archeologische monumenten en rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten. Artikel 22.28, vierde lid, is een voortzetting van artikel 5, vierde lid, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht, waarbij op basis van de jurisprudentie één wijziging is aangebracht. Artikel 22.28, vierde lid, aanhef, verklaart als hoofdregel de op grond van artikel 22.27, aanhef en onder a en b, van dit omgevingsplan bestaande mogelijkheden om een bijbehorend bouwwerk of een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf te bouwen zonder de op grond van artikel 22.26 van dit omgevingsplan vereiste omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit buiten toepassing, als er op de locatie van het bouwwerk regels gelden als bedoeld in artikel 22.22 van dit omgevingsplan over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit. In artikel22.28, vierde lid, onder a, is de al onder het Besluit omgevingsrecht bestaande uitzondering op deze hoofdregel opgenomen dat deze niet geldt als de oppervlakte van het bouwwerk minder dan 50 m2 bedraagt. Op basis van de jurisprudentie is aan de regeling in dit omgevingsplan een subonderdeel toegevoegd (artikel 22.28, vierde lid, onder b). Per saldo leidt dit nieuwe subonderdeel ertoe dat de vergunningvrije bouwmogelijkheden voor een bijbehorend bouwwerk en een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf op grond van artikel 22.27, aanhef en onder a en b, van dit omgevingsplan in een groter aantal gevallen van toepassing blijven, ook al gelden er op de locatie van het bouwwerk regels als bedoeld in artikel 22.22 van dit omgevingsplan over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit. Het nieuwe subonderdeel regelt namelijk dat die vergunningvrije bouwmogelijkheden in dat geval ook van toepassing blijven als het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een verbod bevat om zonder omgevingsvergunning grondwerkzaamheden te verrichten die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit en daarop regels als bedoeld in artikel 22.22 van dit omgevingsplan over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, van toepassing zijn. Op het moment dat sprake is van een dergelijk verbod met daarop betrekking hebbende regels over het verrichten van archeologisch onderzoek, is er geen reden om de desbetreffende vergunningvrije gevallen uit artikel 22.27 te beperken. In dat geval is de bescherming van de archeologische waarden op de locatie voldoende verzekerd. De artikel 22.27 uitzondering op de vergunningplicht uit artikel 22.26 kan dan blijven gelden. De toevoeging van dit nieuwe subonderdeel is een uitvloeisel van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State met nummer ECLI:NL:RVS:2014:2066. Bij deze uitspraak heeft de Afdeling kort samengevat geoordeeld dat het bestaan van een vergunningplicht voor een bouwactiviteit een eventuele vergunningplicht voor het uitvoeren van grondwerkzaamheden die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit onverlet laat. Om die reden is het niet langer meer nodig om de bescherming van archeologische waarden die gevolgen kunnen ondervinden van grondwerkzaamheden in het kader van een bouwactiviteit, te laten plaatsvinden via regels die betrekking hebben op die bouwactiviteit. Het zijn twee zelfstandige kaders. In de voormalige planologische regelingen die onderdeel uitmaken van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is dit uiteraard nog niet tot uitdrukking gebracht. Om die reden gebeurt dit nu in het nieuwe subonderdeel. Het is aan gemeenten om dit bij het vaststellen van het omgevingsplan verder te regelen en de regels die met het oog op de bescherming van archeologische waarden op een locatie worden gesteld aan het bouwen en het uitvoeren van grondwerkzaamheden in onderlinge samenhang te bezien en desgewenst aan te passen.
In aanvulling op de toelichting op artikel 2.30 van het Bbl (bij het Invoeringsbesluit Omgevingswet oorspronkelijk genummerd als artikel 2.15g) wordt hieronder ingegaan op de instructieregels en instructies die in ieder geval in acht genomen moeten worden bij het in het omgevingsplan aanpassen van artikel 22.26 en artikel 22.27 van dit omgevingsplan en de in dit artikel (22.28) opgenomen uitzonderingen daarop voor cultureel erfgoed.
Bij aanpassing van het omgevingsplan moet de gemeente de instructieregels en instructies van de provincie en het Rijk in acht nemen. Bij dit onderwerp gaat het dan in ieder geval om de instructieregels uit het Bkl over het behoud van cultureel erfgoed (artikel 5.130) en werelderfgoed (artikel 5.131), de provinciale instructieregels over werelderfgoed (op grond van artikel 7.4, derde lid, van het Bkl) en de instructies ter bescherming van rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten, bedoeld in artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet (in samenhang met artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet).
Voor omgevingsplanactiviteiten in, aan of op via het omgevingsplan (voor)beschermde monumenten of archeologische monumenten zal het daarbij vooral draaien om de vraag of de activiteit van invloed kan zijn op de monumentale waarden. De omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk valt hier immers één op één samen met de omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een (gemeentelijk of provinciaal) beschermd monument of archeologisch monument. Als een gemeente niet tot een vergunningvrijregime per locatie wil overgaan, ligt een vergelijkbaar regime als opgenomen in artikel 13.11 van het Bal, waarin de vergunningvrije gevallen voor de rijksmonumentenactiviteit zijn aangewezen, voor de hand. In de omgeving van –bij – (voor)beschermde monumenten is in ieder geval relevant de instructieregel in artikel 5.130, tweede lid, onder d, onder 1°, van het Bkl, dat de aantasting van de omgeving van deze monumenten moet worden voorkomen voor zover deze daardoor zouden worden ontsierd of beschadigd. De mogelijkheden om binnen een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht meer omgevingsplanactiviteiten vergunningvrij te maken, worden enerzijds specifiek begrensd door het niveau van bescherming dat ten tijde van de aanwijzing als beschermd gezicht op grond van de Monumentenwet 1988 of de instructie op grond van artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet voldoende beschermend werd geacht. Anderzijds vormt de generieke instructieregel in artikel 5.130, tweede lid, onder d, onder 2°, van het Bkl in algemene zin een ondergrens. Deze instructieregel bepaalt dat aantasting van het karakter van beschermde stads- en dorpsgezichten (ongeacht op welk overheidsniveau deze zijn beschermd) moet worden voorkomen. Hoewel in de artikelsgewijze toelichting bij artikel 5.130 van het Bkl is opgemerkt dat het tweede lid, onder d, onder 2°, zich in eerste instantie richt op stads- en dorpsgezichten (en cultuurlandschappen) die op initiatief van de gemeente zelf worden beschermd, is de bepaling uitdrukkelijk ook van toepassing op rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten. Dit is ook nodig, omdat veel aanwijzingen als rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht inmiddels zo’n vijftig jaar oud zijn en de meeste nog op het oude stelsel zijn geënt, waarin van rechtswege een bouwvergunningplicht gold. Daardoor zijn die als instructie aangemerkte oude aanwijzingen in de praktijk niet altijd leesbaar als een actuele en gedetailleerde instructie als bedoeld in artikel 2.34 van de Omgevingswet. De instructieregel in artikel 5.130, eerste lid, van het Bkl verplicht de gemeente in zo’n geval de karakteristieken van het beschermde gezicht aanvullend te analyseren en te betrekken bij de vraag of er ruimte is voor aanvullende vergunningvrije omgevingsplanactiviteiten. Het ligt niet voor de hand dat er op gemeentelijk niveau generiek veel meer vergunningvrij zal kunnen worden verklaard. Voornoemde instructieregel voor beschermde stads- en dorpsgezichten geldt overigens ook voor eventuele via het omgevingsplan beschermde cultuurlandschappen, iets wat met name in het buitengebied aan de orde zou kunnen zijn.
In het licht van het voorgaande wordt ook nog gewezen op het – ook rechtstreeks de gemeenten bindende – verdrag van Granada. Op basis van artikel 4 van dat verdrag moet het beschermingsregime zo ingericht worden dat het bevoegd gezag ter voorkoming van ontsiering, vernieling of afbraak van beschermd cultureel erfgoed in een passende controle en goedkeuringsprocedure in kennis wordt gesteld van alle plannen tot het slopen of wijzigen («afbraak of verandering») van een (voor)beschermd monument of aantasting van de omgeving van zo’n monument, of waardoor een beschermd gezicht of cultuurlandschap geheel dan wel gedeeltelijk wordt aangetast als gevolg van de sloop van bestaande gebouwen, de bouw van nieuwe gebouwen, of belangrijke veranderingen waardoor het karakter van het gezicht of cultuurlandschap zou worden aangetast. Artikel 14, eerste lid, van dit verdrag vraagt verder in de verschillende stadia van besluitvorming te zorgen voor passende structuren voor informatie, overleg en samenwerking tussen de centrale overheid, de regionale en lokale overheden, culturele instellingen en verenigingen en het publiek (participatie).
In de meeste gevallen zal een preventieve toets aan het omgevingsplan in de vorm van een vergunningplicht met het oog op bovenstaande overwegingen wenselijk blijven. De hoeveelheid activiteiten in, aan, op en bij beschermde monumenten en archeologische monumenten en in beschermde stads- en dorps- gezichten die in een gebied vergunningvrij zullen kunnen worden na aanpassing van het omgevingsplan zal naar verwachting dus ook niet veel afwijken van de mogelijkheden die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet landelijk in het voormalige Besluit omgevingsrecht waren opgenomen.
Dit artikel regelt wanneer een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een bouwwerk wordt verleend. Het artikel is een voortzetting van artikel 2.10, eerste lid, onder c en d, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Op grond van artikel 22.29, eerste lid, wordt de vergunning alleen verleend als het bouwplan niet in strijd is met de regels die in dit omgevingsplan zijn gesteld over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken (onderdeel a) en dat het uiterlijk en de plaatsing van het bouwwerk, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota (onderdeel b). In onderdeel a is paragraaf 22.2.4 expliciet uitgezonderd omdat het hier om voormalige rijksregels gaat waar op grond van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht ook niet aan getoetst werd bij de vergunningverlening. Daarnaast zijn er in dit omgevingsplan (als onderdeel van de omgevingsplanregels van rijkswege) tal van regels opgenomen die niet over bouwwerken gaan, maar bijvoorbeeld over open erven en terreinen. Deze regels vallen alle buiten het beoordelingskader voor de omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op bouwwerken. Het tweede lid bevat een aantal uitzonderingen op de eis dat het bouwwerk niet in strijd mag zijn met redelijke eisen van welstand. Ook deze uitzonderingen zijn een voortzetting van het recht zoals dat gold onder de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Woningwet.
De redactie van het eerste lid sluit aan bij artikel 8.0a, eerste lid, van het Bkl. Het imperatieve karakter («wordt verleend») houdt in dat de vergunning moet worden verleend als het bouwplan niet in strijd is met de daarvoor gestelde regels in het omgevingsplan. Er kunnen buiten het omgevingsplan om dus geen aanvullende redenen worden gehanteerd om een vergunning toch te weigeren. Het limitatieve karakter komt tot uiting doordat «alleen» op grondslag van de in het omgevingsplan gestelde regels het «binnenplans» verlenen van een vergunning mogelijk is. Als het bevoegd gezag op basis van de regels in het omgevingsplan tot het oordeel komt dat vergunningverlening niet mogelijk of (bij beslissingsruimte) niet wenselijk is, moet de activiteit als strijdig met het omgevingsplan worden aangemerkt. In dat geval is sprake van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit geldt dat op grond van artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl, de vergunning alleen wordt verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor een verdere toelichting hierover wordt verwezen naar de nota van toelichting bij artikel 8.0a van het Bkl.
Onderdeel c
Op grond van artikel 22.26 is het verboden om zonder vergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.
Dit onderdeel bevat de aanvullende beoordelingsregels waaraan een aanvraag om een binnenplanse omgevingsplanactiviteit wordt getoetst.
Wanneer de bodemkwaliteit de waarde voor de toelaatbare kwaliteit overschrijdt, is bouwen alleen mogelijk na het uitvoeren van sanerende of andere beschermende maatregelen, mits die technisch mogelijk zijn. De vraag is louter of het technisch mogelijk is om het geschikt te maken. Het antwoord op die vraag is niet afhankelijk van de goede wil van de initiatiefnemer maar alleen of het objectief, technisch, milieuhygiënisch mogelijk is.
Saneringsmaatregelen worden uitgevoerd in overeenstemming met de milieubelastende activiteit saneren van de bodem, zoals opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving. Hierin staan twee standaardaanpakken beschreven. Indien deze aanpakken niet voldoen, kan degene die saneert een maatwerkvoorschrift aanvragen bij het bevoegd gezag. In het omgevingsplan van de gemeenten die vallen in het zinkassengebied De Kempen staan maatwerkregels ten opzichte van de voorschriften in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
In het omgevingsplan wordt als lokale waarde de interventiewaarde bodemkwaliteit vastgelegd in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving. Voorheen was dit ook de waarde waaraan de bodemkwaliteit getoetst werd.
Een verbod om te bouwen op verontreinigde bodem (boven de lokale waarde) zonder omgevingsvergunning als er geen maatregelen worden getroffen, volgt uit het samenstel van de vergunningplicht voor bouwen die al elders in de bruidsschat is geregeld met de beoordelingsregel in artikel 22.29, eerste lid (het toegevoegde onderdeel c), dat die vergunning alleen wordt verleend in de situatie die is gedefinieerd in de specifieke beoordelingsregel.
Gelijkwaardig met de regels van de voormalige Wet bodembescherming is hierbij opgenomen dat sprake is van een overschrijding van deze interventiewaarde als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie is overschreden in meer dan 25 m3 bodemvolume. Voorheen werd dit «het geval van verontreiniging» genoemd. Hierbij kan sprake zijn van onaanvaardbare risico's en moet, afhankelijk van de functie en het gebruik, wellicht worden gesaneerd of een andere beschermende maatregel worden getroffen. Anders dan bij een saneringsgeval onder de Wet bodembescherming is het niet noodzakelijk om de exacte hoeveelheid verontreiniging of de contour voor een bepaalde concentratie stoffen in beeld te brengen; de grens van 25 m3 is alleen bedoeld om te voorkomen dat de beoordelingsregel elke emmer verontreiniging vangt. De regel is niet gericht op het opsporen en aanpakken van hele kleine verontreinigingen en vereist daarom alleen maatregelen als het om meer dan 25 m3 verontreiniging binnen een perceel gaat.
De grens van 25 m3 uit het tweede lid geldt niet voor asbest, omdat asbest ook in kleine hoeveelheden gevaar voor de gezondheid kan opleveren. Ook bij een kleinere hoeveelheid dan 25 m3 moeten de in het omgevingsplan omschreven maatregelen worden getroffen.
Voordat een bodemgevoelig gebouw of een gedeelte van een bodemgevoelig gebouw in gebruik genomen wordt, wordt die informatie verstrekt waaruit blijkt hoe de sanerende of andere beschermende maatregelen, bedoeld in artikel paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving, zijn uitgevoerd.
Ter bescherming van de gezondheid van de gebruikers van een bodemgevoelig gebouw is het van belang om te waarborgen dat de voorgeschreven maatregelen daadwerkelijk zijn uitgevoerd. Daartoe dient het voldoen aan deze informatieplicht als voorwaarde voor ingebruikname. Het Besluit activiteiten leefomgeving kent ook een vergelijkbare informatieplicht na beëindiging van de activiteit bodemsanering. De initiatiefnemer kan in één keer aan beide informatieplichten voldoen.
De strekking is dat de initiatiefnemer na afloop van de sanering het bevoegd gezag informeert dat en hoe hij de sanering heeft uitgevoerd. Dit geeft het bevoegd gezag de gelegenheid om adequaat en tijdig toezicht te houden voordat het gebouw in gebruik wordt genomen om te beoordelen of de sanering is afgerond en inderdaad heeft opgeleverd dat het bodemgevoelige gebouw geschikt is voor gebruik.
Dit artikel is gericht op een vergunningvoorschrift met een verbod op ingebruikname als niet is voldaan aan de voorwaarde (voldoen aan de informatieplicht). Het voldoen aan deze informatieplicht heft dat verbod op. Ingeval van het verzuimen om te informeren of het ontbreken van de benodigde informatie kan het bevoegd gezag dus handhaven op overtreding van deze informatieplicht. Toezicht en handhaving op de wijze van saneren en of die in overeenstemming is met de voorschriften over saneren in het Besluit activiteiten leefomgeving vindt plaats op basis van dat besluit.
Een bodemgevoelig gebouw is omschreven als:
a. gebouw of gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt, voor zover aannemelijk is dat personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn; of
b. woonschip of woonwagen.
Deze begripsomschrijving is afkomstig uit het Besluit kwaliteit leefomgeving en geldt via een schakelbepaling in dit omgevingsplan (artikel 1.1).
In het eerste lid van dit artikel wordt, in aanvulling op de beoordelingsregels uit artikel 22.29, de mogelijkheid gegeven om een omgevingsvergunning toch te verlenen als de activiteit waarop de aanvraag betrekking heeft in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, maar niet in strijd is met de regels die zijn gesteld voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht. Dit betreft regels die in (van het tijdelijke deel van het omgevingsplan deel uitmakende) bestemmingsplannen of inpassingsplannen kunnen zijn opgenomen op grond van artikel 3.6, eerste lid, onder a en b, van de voormalige Wet ruimtelijke ordening. Voor het voortzetten van de figuren van wijzigingsplannen en uitwerkingsplannen is niet in overgangsrecht voorzien. Het college van burgemeester en wethouders kan na inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook geen toepassing meer geven aan deze bepalingen. In plaats van deze specifieke wijzigingsbevoegdheden of uitwerkingsplichten, kan toepassing worden gegeven aan de generieke delegatiemogelijkheid op grond van artikel 2.8 van de Omgevingswet. Als vergunningverlening op grond van artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a, niet mogelijk is, maar een bouwplan niet in strijd is met de regels die zijn gegeven voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht, kan de vergunning echter toch binnenplans worden verleend. Hierbij bestaat overigens beslissingsruimte. Onder de werking van de voormalige Wet ruimtelijke ordening moest bij de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of een uitwerkingsplicht (voor zover de bij een uitwerkingsplicht in acht te nemen regels daarvoor de ruimte laten) ook nog zelfstandig beoordeeld worden of het wijzigings- of uitwerkingsplan, los van de daarbij in acht te nemen regels, in overeenstemming was met een goede ruimtelijke ordening. Om die reden is geen imperatief karakter gegeven aan deze aanvullende mogelijkheid om een vergunning voor een bouwplan, dat niet in strijd is met die voor een wijziging- of uitwerking gegeven regels, toch te kunnen verlenen. Het gevolg hiervan is dat, ook al is een bouwplan met de regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht niet in strijd, ook nog een zelfstandige beoordeling moet plaatsvinden of het bouwplan uit een oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aanvaardbaar kan worden geacht.
In het tweede lid van dit artikel worden alle instructieregels en instructies waaraan moet worden getoetst bij de beslissing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit van overeenkomstige toepassing verklaard op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend. Ook dit vindt zijn oorsprong in de voormalige Wet ruimtelijke ordening. Bij de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of een uitwerkingsplicht moesten, los van de daarbij in acht te nemen regels uit het moederplan, ook de regels uit het voormalige Besluit algemene regels ruimtelijke ordening en de provinciale ruimtelijke verordening in acht worden genomen. Met het tweede lid wordt verzekerd dat ook bij de in het eerste lid geïntroduceerde mogelijkheid om binnenplans een vergunning te verlenen met toepassing van de regels die zijn gesteld voor een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht, geen situatie ontstaat die niet is toegelaten op grond van een onder nieuw recht gestelde instructieregel of gegeven instructie.
Ook in dit artikel zijn aanvullende beoordelingsregels gegeven. Deze aanvullende beoordelingsregels zien op twee specifieke overgangsrechtelijke situaties die verband houden met het feit dat de Omgevingswet niet langer een aanhoudingsplicht kent zoals die was geregeld in artikel 3.3 van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Die aanhoudingsplicht kon gelden vanwege een voorbereidingsbesluit dat was genomen ter voorbereiding van een nieuw bestemmingsplan of vanwege een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht waarvoor nog geen tot bescherming daarvan strekkend bestemmingsplan gold.
Toepassing van deze beoordelingsregels leidt ertoe dat, ondanks dat aan de beoordelingsregels uit artikel 22.29 wordt voldaan, de vergunning toch moet worden geweigerd als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft op grond van de in artikel 22.33, eerste lid, genoemde bepalingen van de Invoeringswet Omgevingswet een nog onder oud recht genomen voorbereidingsbesluit van kracht is, of een tracébesluit of een besluit krachtens de Wet luchtvaart dat op grond van het oude recht gold als een zodanig voorbereidingsbesluit, of een onder oud recht gedane aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht waarvoor nog geen tot bescherming daarvan strekkend omgevingsplan geldt. Op de plicht om in zo’n geval de vergunning te weigeren bestaat een uitzondering in het geval het bouwplan niet in strijd is met het omgevingsplan dat in voorbereiding is. Dit is vergelijkbaar met de situatie onder oud recht, waarin artikel 3.3, derde en zesde lid, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht de mogelijkheid bood de onder oud recht toepasselijke aanhoudingsplicht te doorbreken.
In praktische zin betekent de regeling dat onder nieuw recht aangevraagde omgevingsvergunningen voor het verrichten van een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk in een gebied waar een nog onder oud recht tot stand gekomen regime van voorbereidingsbescherming van toepassing is, respectievelijk dat onder oud recht als beschermd stads- of dorpsgezicht is aangewezen maar waarop nog geen voldragen beschermingsregime van toepassing is, in beginsel moeten worden geweigerd. Zo kan de vergunning dus worden geweigerd voor activiteiten die in de toekomst niet meer wenselijk worden geacht en onmogelijk zullen worden gemaakt met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan. De vergunning kan ook worden geweigerd voor activiteiten waarvan het nog onvoldoende zeker is om te kunnen vaststellen of deze met het toekomstige omgevingsplan aanvaardbaar zullen blijven. Ten tijde van de te nemen beslissing op de aanvraag is het besluit tot wijziging van het omgevingsplan immers nog in voorbereiding en is het mogelijk nog onvoldoende vastomlijnd om te kunnen vaststellen of bepaalde activiteiten daarin uiteindelijk zullen worden toegestaan. Een andere mogelijkheid in zo’n geval kan overigens ook zijn om met instemming van de aanvrager, met toepassing van artikel 4:15, tweede lid, onder a, van de Algemene wet bestuursrecht, de beslistermijn op te schorten tot een moment waarop de voorbereiding zich in een zodanig stadium bevindt dat wel kan worden vastgesteld hoe het bouwplan zich verhoudt tot het in voorbereiding zijnde omgevingsplan. Gewezen wordt in dat verband op het tweede lid, dat de mogelijkheid biedt om de vergunning toch te verlenen als kan worden vastgesteld dat de betrokken activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan respectievelijk het in voorbereiding zijnde omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht. In het laatste geval zal een dergelijk omgevingsplan onder meer moeten voorzien in op de karakteristieken van het beschermde stads- of dorpsgezicht afgestemde beoordelingsregels voor een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Zie ook artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet. Met dit tweede lid wordt een vergelijkbare voorziening getroffen als in het al eerder genoemde artikel 3.3, derde en zesde lid, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Verschil is echter dat met het tweede lid niet de toepasselijke aanhoudingsplicht wordt doorbroken maar dat in plaats van de vergunning te moeten weigeren, de mogelijkheid is gegeven om de vergunning, onder de vergelijkbare condities dat de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan, toch te verlenen. Voor een meer uitgebreide toelichting op de gevolgen van het vervallen van de aanhoudingsplicht op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt verwezen naar de toelichting bij de tweede nota van wijziging van het wetsvoorstel Invoeringswet Omgevingswet (Kamerstukken II 2018/19, 34 986, nr. 9, p. 35–42).
Dit artikel is voor de omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit de voortzetting van de regeling in artikel 2.22, tweede lid, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.2, eerste lid, van het voormalige Besluit omgevingsrecht. Het gaat hier om de gevallen, bedoeld in artikel 22.26. Deze bepaling vloeit voort uit artikel 5.2, eerste lid, van het voormalige Besluit omgevingsrecht, waarin de mogelijkheid tot het verbinden van voorschriften aan de omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in het belang van de archeologische monumentenzorg afhankelijk was gesteld van een expliciete regeling in het bestemmingsplan.
Op het verbinden van deze voorschriften is artikel 22.303, eerste lid, van overeenkomstige toepassing. Dat artikellid omschrijft nader welke voorschriften in het belang van de archeologische monumentenzorg in ieder geval kunnen worden verbonden aan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of een werkzaamheid als bedoeld in artikel 22.284, eerste lid, die van invloed is op een archeologisch monument. Gelet op deze van overeenkomstige toepassing verklaring wordt hier verder volstaan met een verwijzing naar artikel 22.303 en de toelichting daarop.
Dit artikel bevat de aanvraagvereisten voor de aanvraag van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een bouwwerk. De aanvraagvereisten zijn grotendeels ontleend aan de artikelen uit de voormalige Regeling omgevingsrecht met aanvraagvereisten vanwege planologische voorschriften en stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening en vanwege redelijke eisen van welstand, voor zover deze eisen onder de Omgevingswet nog relevant zijn voor in het omgevingsplan geregelde bouwactiviteiten. Anders dan in de Regeling omgevingsrecht zijn deze aanvraagvereisten in artikel 22.35 geregeld in één artikel, omdat alle genoemde aspecten, inclusief de redelijke eisen van welstand, onder de Omgevingswet worden geregeld in het omgevingsplan. Voor de redelijke eisen van welstand wordt in dit verband verwezen naar de beoordelingsregel in artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder b, van dit omgevingsplan. Aan de aanvraagvereisten is verder toegevoegd de eis dat een opgave van de bouwkosten wordt gedaan. De bouwkosten vormen doorgaans de grondslag voor de legesberekening voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit. In de voormalige Regeling omgevingsrecht was in de algemene aanvraagvereisten geregeld dat van de kosten van de werkzaamheden van de te verrichten activiteiten opgave wordt gedaan. In de Omgevingsregeling komt dit als algemeen aanvraagvereiste niet meer voor. Daarom moet dit bij een activiteit waarvoor dit van belang is, zoals de in dit artikel bedoelde omgevingsplanactiviteit, bij de specifieke aanvraagvereisten voor die activiteit worden geregeld.
Onderdeel j
Bij een aanvraag om een vergunning voor het bouwen wordt een bodemonderzoek overgelegd. Dit bodemonderzoek is noodzakelijk om te bepalen of de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem is overschreden. In dat geval zijn sanerende of andere beschermende maatregelen een voorwaarde voor het bouwen (artikel 22.29, derde lid, en artikel 22.30).
Dit is een voortzetting van artikel 8 van de Woningwet in samenhang met de lokale bouwverordening.
In dit artikel is geregeld dat de onderdelen van artikel 2 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht, die niet langer landelijk uniform vergunningvrij zijn op grond van het Bbl, op grond van het omgevingsplan onder dezelfde voorwaarden vergunningvrij zijn. Het betreft hier de bijbehorende bouwwerken en erf- en perceelafscheidingen hoger dan een meter maar niet hoger dan twee meter. Met dit artikel wordt geregeld dat het bouwen, in stand houden en gebruiken van deze bouwwerken, mits voldaan wordt aan de hierbij gegeven randvoorwaarden, van rechtswege in overeenstemming is met het omgevingsplan. In combinatie met artikel 22.27, waarin deze bouwwerken eveneens zijn aangewezen, leidt dit ertoe dat deze bouwwerken zonder vergunning zijn toegelaten op grond van het omgevingsplan. Er is geen binnenplanse vergunning en ook geen buitenplanse vergunning voor deze bouwwerken nodig. De vergunningplicht, bedoeld in artikel 22.26, is immers niet van toepassing omdat de bouwwerken zijn aangewezen in artikel 22.27. Evenmin is een andere binnenplanse vergunningplicht of een buitenplanse vergunningplicht aan de orde, omdat hier wordt bepaald dat de aangewezen bouwwerken van rechtswege in overeenstemming zijn met het omgevingsplan. Dit betekent ook dat een omgevingsvergunning die is vereist op grond van een eventuele in het tijdelijke deel van het omgevingsplan opgenomen bepaling dat voor een activiteit van een bepaalde regel (zoals bijvoorbeeld een toegelaten bouwhoogte) bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken, niet nodig is.
Een uitzondering geldt voor de in de aanhef van het artikel opgenomen regels van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan. Dit betreft de omgevingsplanregels van rijkswege, afkomstig uit onder meer het Bouwbesluit 2012, de Woningwet en het Activiteitenbesluit milieubeheer. Deze regels, die ook betrekking kunnen hebben op het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, zijn onverminderd van toepassing. Zo geldt voor deze bouwwerken bijvoorbeeld onverminderd het repressieve welstandsvereiste uit artikel 4.6. Als een bouwwerk in strijd zou zijn met één of meer van deze regels, is sprake van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit en dus een omgevingsvergunning vereist.
Bijzondere vermelding verdient nog het in dit artikel in onderdeel c aangewezen gebruik van een bestaand bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg. Omdat het hier slechts gaat om gebruik van een bestaand bouwwerk en niet om het bouwen, in stand houden en gebruiken van een te bouwen bouwwerk, is de vergunningplicht uit artikel 22.26 op deze activiteit niet van toepassing en hoeft deze activiteit dus ook niet te worden aangewezen in artikel 22.27. De aanwijzing in artikel 22.36 leidt ertoe dat een binnenplanse noch buitenplanse vergunning nodig is voor gebruik van een bestaand bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg.
Dit artikel bevat de specifieke bepalingen voor bijbehorende bouwwerken, zoals die waren opgenomen in artikel 7 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. Inhoudelijk zijn deze bepalingen ongewijzigd.
Dit artikel bevat uitzonderingen en randvoorwaarden voor het vergunningvrij bouwen als bedoeld in artikel 22.36. Deze uitzonderingen waren in artikel 4a van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht opgenomen. Het gaat om uitzonderingen voor (voor)beschermde monumenten en archeologische monumenten en rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten.
Dit artikel bevat uitzonderingen op de mogelijkheden om vergunningvrije activiteiten als bedoeld in artikel 22.36 te verrichten vanwege het belang van de externe veiligheid. Deze uitzonderingen waren opgenomen in artikel 5, derde lid, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. Hieraan ligt ten grondslag de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico van ten hoogste een op de miljoen per jaar voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties die op grond van artikel 5.7 van het Bkl in een omgevingsplan in acht moet worden genomen. Voor zover artikel 22.36 betrekking heeft op die gebouwen - de onderdelen a en c - is het niet wenselijk dat op locaties waar door de in die onderdelen bedoelde activiteiten overschrijding van de norm voor het plaatsgebonden risico aan de orde zou kunnen zijn, vergunningvrij de in die onderdelen bedoelde activiteiten zouden kunnen worden verricht.
De locaties waar deze activiteiten niet mogelijk zijn, zijn in de eerste plaats de locaties waarvoor het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, zelf al vanwege de overschrijding van het plaatsgebonden risico bouwmogelijkheden die kunnen leiden tot kwetsbare of zeer kwetsbare gebouwen niet toelaat. Het gaat hier om artikel 22.39, onder a en b, dat een omzetting is van artikel 5, derde lid, onder a en b, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. De verwijzing naar dit omgevingsplan is hier uitdrukkelijk beperkt tot het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, dat kort samengevat bestaat uit de onder het voormalige recht geldende planologische regelingen. Dit omdat die regelingen uitgaan van de in de desbetreffende onderdelen van artikel 5, derde lid, gehanteerde begrippen en systematiek, die onder de Omgevingswet anders zijn. Het is aan gemeenten om daar bij het vaststellen van het omgevingsplan toepassing aan te geven. Hierop kan niet in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder c, van de Omgevingswet worden vooruitgelopen.
Artikel 22.39, onder c, zondert daarnaast ook vergunningvrije activiteiten als bedoeld in artikel 22.36, onder a en c, uit, als de beoogde locatie voor die activiteiten is gelegen binnen afstanden die degene die een vergunningvrije milieubelastende activiteit verricht op grond van het Bal in verband met het plaatsgebonden risico in acht moet nemen. Het gaat dan om de afstanden tussen bepaalde installaties of opslagvoorzieningen waar met stoffen wordt gewerkt die een veiligheidsrisico voor de omgeving met zich kunnen brengen en te beschermen gebouwen en locaties. Op grond van het Bal geldt als hoofdregel dat veiligheidsafstanden zoals hier bedoeld gelden tot de begrenzing van de locatie waarop de milieubelastende activiteit wordt verricht. Hierdoor zijn er ook geen beperkingen aan de gebruiksruimte buiten die begrenzing. Maar het Bal staat in een aantal situaties afwijking van deze regel toe. Onderdeel c is alleen voor die gevallen van praktisch belang. De zinsnede «voor zover ... van toepassing is» in de verschillende subonderdelen van artikel 22.39, onder c, brengt dat tot uitdrukking. Degene die een milieubelastende activiteit als hier bedoeld verricht, moet op grond van het Bal op het moment dat de veiligheidsafstanden van toepassing worden buiten de locatie waar hij zijn activiteit verricht, het bevoegd gezag daarover informeren. Het bevoegd gezag moet ervoor zorgen dat deze gegevens terecht komen in het landelijk register externe veiligheidsrisico's en aldus voor eenieder kenbaar zijn.
Bij de opsomming van activiteiten in artikel 22.39, onder c, is aangesloten bij de opsomming van activiteiten in bijlage VII, onder A, bij het Bkl. Dat onderdeel van die bijlage geeft voor de daarin genoemde vergunningvrije milieubelastende activiteiten uit het Bal vastgestelde afstanden waarbij wordt voldaan aan de norm voor het plaatsgebonden risico. De opgesomde activiteiten, zoals die in artikel 22.39, onder c, onder verwijzing naar de desbetreffende artikelen uit het Bal zijn overgenomen, omvatten zes activiteiten die niet worden genoemd in artikel 5, derde lid, onder c, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. Het gaat hier om de subonderdelen 2°, 5°, 6°, 7°, 12° en 13°. Voor de activiteit, bedoeld in subonderdeel 2° (het tanken van voertuigen of werktuigen met LPG), heeft dat als achtergrond dat deze activiteit onder het recht voor de Omgevingswet nog vergunningplichtig was. Door de verschuiving van vergunningplichtig naar vergunningvrij moet de activiteit nu aan de opsomming in artikel 22.39, onder c, worden toegevoegd. Voor de overige toegevoegde activiteiten is gelet op het belang van de externe veiligheid evenmin aanleiding om deze voor de toepassing van artikel 22.39, onder c, buiten beschouwing te laten.
Met dit artikel wordt gecodificeerd dat het overgangsrecht voor bouwwerken, zoals dat in bestemmingsplannen moest zijn opgenomen op grond van artikel 3.2.1 van het voormalige Besluit ruimtelijke ordening en dat betrekking had op de voorwaarden waaronder de in dat artikel bedoelde bouwwerken mogen worden vernieuwd of veranderd, ook voorziet in het in stand mogen houden van die bouwwerken. Het uitdrukkelijk regelen van het in stand mogen houden van die bouwwerken, is een logisch gevolg van het codificeren dat de vergunningplicht in de bruidsschat voor de bouwactiviteit ook ziet op het in stand houden van het te bouwen bouwwerk. In paragraaf 3.2.2 van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Invoeringsbesluit Omgevingswet is hierop ingegaan. Het in stand mogen houden van een bouwwerk wordt hiermee onder het nieuwe recht uitdrukkelijk geregeld. Voor de bouwwerken die onder het planologisch overgangsrecht vielen zoals opgenomen in voormalige bestemmingsplannen, welk overgangsrecht met de inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel is geworden van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, treden hiermee geen veranderingen op. Ook bij het vaststellen van nieuwe regels over bouwwerken in het omgevingsplan ligt het, zoals al toegelicht in paragraaf 3.2.2, in de rede dat wordt gekozen voor eerbiedigende overgangsbepalingen. In het nieuwe stelsel wordt het echter mogelijk om onder omstandigheden ook minder eerbiedigende vormen van overgangsrecht te kiezen.
In dit artikel staat het algemeen toepassingsbereik dat geldt voor de hele afdeling 22.3.
Alle paragrafen in deze afdeling zijn ook voorzien van een toepassingsbereik. Dat betekent dat voor beantwoording van de vraag of een regel uit deze afdeling wel of niet geldt, getoetst moet worden of een activiteit valt binnen het algemene toepassingsbereik zoals staat in dit artikel. Als dat niet het geval is, is de gehele afdeling niet van toepassing. Ook niet als de activiteit past binnen de omschrijving van het toepassingsbereik in een van de paragrafen van deze afdeling.
In het eerste lid zijn milieubelastende activiteiten als bedoeld in de Omgevingswet onder het toepassingsbereik van deze afdeling gebracht. Dit zijn dus alle activiteiten die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken, anders dan lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam, lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk en wateronttrekkingsactiviteiten.
De onderdelen a tot en met f van het tweede lid sluiten bepaalde milieubelastende activiteiten uit van het algemene toepassingsbereik van deze afdeling.
Op grond van artikel 22.2, eerste lid, van de Omgevingswet mogen de omgevingsplanregels van rijkswege alleen gaan over regels die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet bij of krachtens de wet waren gesteld of daaraan gelijkwaardige regels. Het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de voormalige Wet geurhinder en veehouderij waren alleen van toepassing op inrichtingen als bedoeld in artikel 1, derde lid, van de Wet milieubeheer. Omdat het begrip milieubelastende activiteit in de Omgevingswet breder is dan dat begrip inrichting, is in dit lid een afbakening van het toepassingsbereik opgenomen.
Bij de overgang naar een nieuwe wetsystematiek en begrippenkader is het niet te voorkomen dat er enkele verschuivingen in de uitvoering van de regelgeving optreden. Aanmerkelijke verschuivingen in het toepassingsbereik zijn niet beoogd. Desondanks zullen er op kleine schaal wel enige verschuivingen optreden, omdat de oude criteria van het begrip inrichting niet één op één zijn overgenomen. De omschrijving van het toepassingsbereik in dit artikel vraagt enige mate van interpretatie. Ook de criteria van het begrip inrichting uit de Wet milieubeheer vroegen om interpretatie, en werden door verschillende bevoegde instanties enigszins verschillend geïnterpreteerd.
Bij de interpretatie van het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, is het raadzaam om aan te sluiten bij de praktijk van de voormalige regelgeving. Als een activiteit als Wet milieubeheer-inrichting werd beschouwd, kan deze ook onder de regels voor milieubelastende activiteiten van deze afdeling vallen.
Een beperkte verschuiving is op zich niet bezwaarlijk, als dit er niet toe leidt dat:
a) activiteiten die eerst niet onder rijksregels vielen door de regels van deze afdeling van dit omgevingsplan worden beperkt;
b) activiteiten die wel onder de regels vielen en reële risico's voor de fysieke leefomgeving inhouden ongeregeld blijven.
Situaties als bedoeld onder a zullen niet snel voorkomen. Juist aan de «onderkant» van het inrichtingenbegrip golden er naast de regels van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer ook andere regels die ervoor zorgen dat ook activiteiten die geen inrichting waren toch aan regels ter bescherming van de leefomgeving waren gebonden. Denk bijvoorbeeld aan de regels van de Algemene Plaatselijke Verordening, maar ook het restrisico-artikel van het Bouwbesluit 2012 (artikel 7.22). Deze regels van de Algemene Plaatselijke Verordening blijven op het moment van de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van het algemeen overgangsrecht (artikel 22.4 van de Omgevingswet bepaalt namelijk dat artikel 122 van de Gemeentewet tijdelijk niet van toepassing is) gelden. Het restrisico-artikel van het Bouwbesluit 2012 is ook opgenomen als regel van rijkswege in het omgevingsplan. Bovendien zijn de regels van deze afdeling voor activiteiten waarop ze van toepassing zouden worden zelden feitelijk beperkend, omdat bij het op gebruikelijke wijze uitvoeren van de activiteit aan de regels wordt voldaan.
Ook voor situaties als bedoeld onder b hoeft in zijn algemeenheid niet te worden gevreesd. Veelal gold voor de activiteiten aan de onderkant van het inrichtingenbegrip naast de zorgplicht van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 2.1) alleen een beperkt aantal regels, zoals de geluidregels. Een eventuele overtreding van de zorgplicht van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer zal in veel gevallen ook als overtreding van de algemene zorgplicht van de Omgevingswet kunnen worden aangemerkt. En omdat de rijksregels niet gelden, zal ook de Algemene Plaatselijke Verordening veelal een deel van de bescherming overnemen.
Het algemene overgangsrecht in artikel 22.4 van de Omgevingswet en de mogelijkheden voor maatwerk op grond van deze afdeling zullen eventuele nadelige gevolgen van de beperkte verschuivingen voldoende ondervangen.
Bij het voorbereiden van deze afdeling zijn al verschillende mogelijke verschuivingen in het toepassingsbereik geïdentificeerd. Belangrijke aandachtspunten worden hieronder benoemd. De onderdelen in dit tweede lid beogen de criteria »een omvang alsof zij bedrijfsmatig is», «binnen een zekere begrenzing» en «pleegt te worden verricht» binnen de omschrijving van het begrip inrichting in de Wet milieubeheer te vervangen. De categorieën uit bijlage I bij het Besluit omgevingsrecht zijn niet overgenomen. Sommige ondergrenzen in die categorieën kunnen eventueel terugkomen in het toepassingsbereik van de paragrafen in deze afdeling.
Kleine winkels waar geen installaties met meer dan 1,5 kW elektromotorisch vermogen aanwezig zijn, waren bijvoorbeeld meestal geen Wet milieubeheer-inrichting, maar vallen nu wel onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling in het omgevingsplan. Alhoewel er geen specifieke voorschriften voor gelden, moeten deze activiteiten wel voldoen aan de specifieke zorgplicht.
Onderdeel a
De omgevingsplanregels van rijkswege voor de milieubelastende activiteit zijn alleen van toepassing op milieubelastende activiteiten, anders dan wonen. Hiermee wordt aangesloten op het toepassingsbereik voor de instructieregels voor geluid, trillingen en geur in het Bkl.
Als een hobby een bepaalde omvang overstijgt kan dit ertoe leiden dat het verrichten van een activiteit niet meer onder wonen valt. Denk hierbij aan het in een bepaalde omvang houden van dieren, sleutelen aan auto's, meubels maken of bereiden van voedingsmiddelen. Waar de grens ligt, is een grijs gebied. Hetzelfde geldt voor bedrijven aan huis. De gemeente mag hier ook zelf invulling aan geven in het omgevingsplan. Overigens was bij de toetsing of er sprake was van een Wet milieubeheer-inrichting het criterium «een omvang alsof zij bedrijfsmatig is» ook altijd een grijs gebied.
Een ander bekend voorbeeld van onduidelijkheid over de vraag of een activiteit een Wet milieubeheer-inrichting was, is het opslaan van huisbrandolie of propaan in tanks bij particulieren. Onder het regime van de Omgevingswet wordt dit afgedekt door het Bal.
Onderdeel b
Het feitelijk verrichten van bouw- en sloopactiviteiten of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein, vallen niet onder deze afdeling. Ook in het Bbl zijn eisen opgenomen voor zowel geluid als trillingen bij bouw- en sloopactiviteiten. Het Bbl bevat voor het verrichten van die activiteiten ook een specifieke zorgplicht. Verder bevat de Algemene Plaatselijke Verordening vaak regels ter voorkoming van hinder door bouw- en sloopgerelateerde activiteiten. Het algemene overgangsrecht van de Omgevingswet in artikel 22.4 van de Omgevingswet zorgt ervoor dat deze regels van de Algemene Plaatselijke Verordening bij de inwerkingtreding van de wet blijven gelden. Naast deze regels bevat paragraaf 4.1.4 van dit omgevingsplan een specifieke zorgplicht voor het gebruik van een bouwwerk (artikel 4.17). Het is dus niet zo dat er, door de uitzondering in dit onderdeel, voor deze activiteiten geen regels gelden.
Verder bevat afdeling 22.2 van dit omgevingsplan enkele andere specifieke zorgplichten, namelijk:
Onder het regime van de Wet milieubeheer gebeurde het in bijzondere gevallen wel dat bouwwerkzaamheden die langer duurden dan zes maanden, als een Wet milieubeheer-inrichting werden gezien. Deze activiteiten vallen buiten het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, maar ook daarvoor geldt dat de hiervoor genoemde regels van toepassing zijn.
Onderdeel c
Deze uitzondering beoogt de activiteiten die in de openbare buitenruimte plaatsvinden uit te sluiten. Voorbeelden zijn kermissen en andere evenementen, weekmarkten, mobiele installaties/activiteiten zoals draaiorgels, ophalen van vuilnis en gevelreiniging (met uitzondering van lozen). Het voor korte periode bezetten van een stukje openbaar toegankelijk terrein, maakt het daarmee niet ontoegankelijk. Activiteiten in een openbaar toegankelijk gebouw, zoals een publieke parkeergarage of het stadhuis, vallen wel onder het toepassingsbereik. Ook het laden en lossen op de openbare weg in de onmiddellijke nabijheid van een winkel, of het verkeer van en naar het bedrijf valt wel onder het toepassingsbereik van deze afdeling.
Voor enkele activiteiten zoals het exploiteren van een mobiele vis-, friet-, oliebollen- of marktkraam of het exploiteren van een terras, was het afhankelijk van de situatie en de interpretatie van het bevoegd gezag of ze gezien werden als een Wet milieubeheer-inrichting. Deze interpretatieverschillen kunnen zich ook nu weer voordoen. Zoals al aangegeven in de inleiding van de toelichting op dit artikel is er in principe geen verschuiving in het toepassingsbereik van deze afdeling in het omgevingsplan ten opzichte van het oude begrip Wet milieubeheer-inrichting beoogd.
Onderdeel d
Doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen valt niet onder deze afdeling van dit omgevingsplan.
Onderdeel e
Dit onderdeel sluit evenementen, waarover geluidregels zijn gesteld in bijvoorbeeld de Algemene Plaatselijke Verordening of een evenementenverordening uit van het toepassingsbereik van deze afdeling over milieubelastende activiteiten. Deels gebeurt dit al met onderdeel c, omdat evenementen vaak plaatsvinden in de openbare buitenruimte. Maar regelmatig zijn evenementen ook besloten of vinden ze plaats in een tijdelijk leegstaand gebouw. Deze uitzondering geldt niet voor activiteiten waarvoor geen geluidregels gelden bij of krachtens een gemeentelijke verordening, maar waarvoor geluidregels waren opgenomen in een omgevingsvergunning voor een inrichting op grond van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Voorbeelden hiervan kunnen zijn permanente evenemententerreinen of evenementenhallen.
Onderdeel f
Deze uitzondering beoogt vooral het gebruik van landbouwvoertuigen op weilanden en akkers uit te sluiten van het algemene toepassingsbereik voor deze afdeling. De opslag van vaste mest op een weiland of akker valt wel onder dit algemene toepassingsbereik. Een installatie die verplaatsbaar is maar gedurende een langere periode achtereen op een weiland of akkers wordt gebruikt, wordt niet gezien als mobiele installatie en valt ook onder de regels voor de milieubelastende activiteiten in dit omgevingsplan. Bijvoorbeeld een antihagelkanon. Ook verplaatsbare mijnbouwwerken vallen onder het toepassingsbereik van deze afdeling.
Onderdeel g
Vaste objecten zoals bruggen, sluizen en tunnels kunnen door de aanwezigheid van elektromotorisch vermogen gezien worden als milieubelastende activiteiten. Bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen vallen niet onder het toepassingsbereik van afdeling 22.3 van dit omgevingsplan.
Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet bleven elektromotoren van bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen buiten beschouwing bij het bepalen of sprake was van een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Dit was bepaald in categorie 1, 1.2, onder c, van bijlage I, onderdeel C, bij het Besluit omgevingsrecht, zoals dat gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Lozingen in de bodem en in de riolering die vielen onder het Besluit lozing afvalwater huishoudens of het Besluit lozen buiten inrichtingen (en de daarmee corresponderende artikelen van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer) worden ook gedecentraliseerd en vallen daarom onder het toepassingsbereik van deze afdeling. Het gaat alleen om de gevolgen van die lozingen voor de bodem, de riolering of het zuiveringtechnisch werk. Zo valt bijvoorbeeld de hoeveelheid en kwantiteit van het lozen van water afkomstig van het ontwateren van een bouwput in de riolering, wel onder de regels van deze afdeling, maar de geluidhinder of geurhinder veroorzaakt door het ontwateren niet.
De regels voor bodembeheer, zoals opgenomen in paragraaf 22.3.7 gelden voor alle milieubelastende activiteiten zoals bedoeld in de Omgevingswet. De voorschriften gelden dus ook voor milieubelastende activiteiten buiten voormalige Wet milieubeheer-inrichtingen.
Dit artikel somt op met welke oogmerken de algemene regels voor de milieubelastende activiteiten in dit (tijdelijke) omgevingsplan zijn gesteld. De wet kent een aantal maatschappelijke doelen. De algemene regels over milieubelastende activiteiten in dit omgevingsplan zijn gesteld vanwege een concretisering van deze doelen. Artikel 22.42 somt deze oogmerken limitatief op. Artikel 22.42 werkt ook door in de bevoegdheden van bestuursorganen tot het stellen van maatwerkvoorschriften.
Het artikel sluit aan bij de oogmerken van artikel 4.22 van de Omgevingswet, voor het stellen van rijksregels. Het artikel bouwt voort op de te beschermen belangen die in artikel 1.1, tweede lid, van de Wet milieubeheer zijn genoemd. Onderdeel c van dit artikel benoemt enkele milieuthema's, maar ook andere milieuaspecten zoals geluid,trillingen en geur vallen onder de oogmerken van deze afdeling.
Bij de activiteiten in deze afdeling zullen niet steeds alle oogmerken of milieuthema's een rol spelen, en zullen zeker niet alle milieuaspecten bij een activiteit terugkomen in meer uitgewerkte regels. Als voor een bepaald oogmerk geen nader uitgewerkte regels in dit omgevingsplan zijn opgenomen, geldt wel de specifieke zorgplicht.
De regels van deze afdeling zijn gericht tot degene die de activiteit verricht waarop die regels betrekking hebben. Diegene moet zorg dragen voor de naleving van de regels die voor de activiteit gelden. Kortheidshalve wordt verwezen naar paragraaf 2.3.2 over de normadressaat van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Bal.
De specifieke zorgplicht zorgt ervoor dat degene die een activiteit verricht, alles moet doen en laten om negatieve gevolgen voor de veiligheid, het milieu en de gezondheid te voorkomen. Soms lukt voorkomen niet. Dan moet hij ervoor zorgen dat er zo min mogelijk negatieve gevolgen voor het milieu en de gezondheid zijn.
Deze specifieke zorgplichtbepaling komt grotendeels overeen met de specifieke zorgplichtbepaling in het Bal. Dit artikel geldt daarom niet voor milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal. Dit is bepaald in het vierde lid. Voor meer informatie over de inhoud en werking van de specifieke zorgplicht wordt verwezen naar paragraaf 3.1 van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Bal.
De specifieke zorgplichten die in dit artikel zijn opgenomen, blijven gelden naast de algemene regels van deze afdeling in dit omgevingsplan, eventuele maatwerkvoorschriften en de vergunningplichten die in deze afdeling zijn opgenomen.
Tegen een overtreding van de specifieke zorgplicht kan handhavend worden opgetreden. Handhavend optreden ligt voor de hand bij evidente overtredingen van de specifieke zorgplicht. Daarvan is sprake in situaties waarin het handelen of nalaten van degene die de activiteit verricht, onmiskenbaar in strijd is met de specifieke zorgplicht. Er kunnen ook situaties aan de orde zijn waarin niet direct duidelijk is of van onmiskenbare strijd sprake is. Het bevoegd gezag zal dan een keuze moeten maken tussen een handhavingstraject of het eerst verduidelijken wat de specifieke zorgplicht inhoudt. Die verduidelijking kan in de vorm van het stellen van een maatwerkvoorschrift (zie het navolgende artikel) maar dat hoeft niet. Ook wanneer het bevoegd gezag degene die de activiteit verricht mondeling of schriftelijk informeert over wat er in een concreet geval onder de specifieke zorgplicht moet worden verstaan, is het voor diegene na ontvangst van die informatie duidelijk wat er verwacht wordt. Als daar geen gevolg aan wordt gegeven, is er sprake van onmiskenbare strijd met de specifieke zorgplicht. Een uitgebreidere uiteenzetting van de mogelijkheden om handhavend op te treden tegen overtredingen van de specifieke zorgplicht is opgenomen in de nota van toelichting bij het Bal2.
Deze specifieke zorgplicht vervangt onder meer artikel 2.7a van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer dat ging over geurhinder. Dit houdt in dat als bij een activiteit emissies naar de lucht plaatsvinden, daarbij de geurhinder bij het geurgevoelige gebouw tot een aanvaardbaar niveau moet worden beperkt. Wat aanvaardbaar is, hangt af van de situatie. Hierbij kan rekening gehouden worden met onder meer de volgende aspecten:
-de bestaande toetsingskaders, waaronder lokaal geurbeleid;
-de geurbelasting ter plaatse van het geurgevoelige gebouw;
-de aard, omvang en waardering van de geur die vrijkomt bij de activiteit;
-de historie van degene die de activiteit verricht en het klachtenpatroon over geurhinder;
-de bestaande en verwachte geurhinder van de activiteit; en
-de kosten en baten van technische voorzieningen en gedragsregels op de locatie waarop de activiteit wordt verricht.
Deze specifieke zorgplicht geldt naast de verplichtingen die in de paragrafen en subparagrafen van deze afdeling zijn gesteld voor het voorkomen of het tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder.
Nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van en naar de activiteit betreffen hinder door bezoekersverkeer en indirecte geluidhinder. Bezoekersverkeer is het bezoek van klanten of bezoekers aan een activiteit. De Handreiking Vervoermanagement (november 2017) geeft inzicht in de wijze waarop invulling gegeven kan worden aan dit aspect van de specifieke zorgplicht. Daarnaast legt de handreiking de relatie met de EED, the European Energy Efficiency Directive en hoe daar mee om te gaan. De verschillende doelgroepen krijgen met deze handreiking meer inzicht in de mogelijkheden voor een «integrale» aanpak van duurzame mobiliteit.
Onder indirecte geluidhinder wordt geluidhinder verstaan die niet wordt veroorzaakt door activiteiten of installaties binnen de begrenzing van de locatie waarop de activiteit plaatsvindt, maar die wel aan die activiteit zijn toe te rekenen. In de toelichting bij artikel 22.56 (geluid: meerdere activiteiten beschouwen als een activiteit) wordt nader ingegaan op het verschil tussen directe geluidhinder en indirecte geluidhinder.
Het bevoegd gezag heeft op grond van artikel 8.5 de bevoegdheid maatwerkvoorschriften te stellen. Maatwerkvoorschriften kunnen ook inhouden dat de activiteiten worden beschreven en dat metingen, berekeningen of tellingen moeten worden verricht om de mate waarin nadelige gevolgen voor het milieu worden veroorzaakt, te bepalen. De resultaten van een dergelijk onderzoek kunnen aanleiding zijn aanvullende maatwerkvoorschriften te stellen ter voorkoming of beperking van nadelige gevolgen voor het milieu, zoals het voorschrijven van maatregelen en gedragsvoorschriften. Bij het stellen van maatwerkvoorschriften ter voorkoming van indirecte geluidhinder vanwege wegverkeer kan de circulaire van 29 februari 1996 van de Minister van VROM, getiteld «Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer» als hulpmiddel dienen. Dit is niet veranderd ten opzichte van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
Voor een verplaatsbaar mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 4.1116 van het Bal, stonden in artikel 21 van het voormalige Besluit algemene regels milieu mijnbouw en artikel 4 van de voormalige Regeling algemene regels milieu mijnbouw, regels over geluid door verkeersbewegingen. Deze regels hielden in dat de etmaalwaarde van de verkeersbewegingen van en naar de mobiele installatie niet hoger was dan 50 dB(A), beoordeeld volgens de hierboven genoemde circulaire van 29 februari 1996. Deze regels komen niet expliciet terug in deze afdeling, maar vallen wel onder de specifieke zorgplicht van dit omgevingsplan, bedoeld in dit derde lid.
Anders dan bij de plichten uit het tweede lid van dit artikel, geldt de zorgplicht uit dit derde lid ook voor milieubelastende activiteiten als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Bal. Niet voor alle nadelige gevolgen van milieubelastende activiteiten voor de fysieke leefomgeving zijn rijksregels gesteld in het Bal. Anders dan in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 2.1, eerste lid, in samenhang met het tweede lid, onderdeel k en q) maken de nadelige gevolgen van het verkeer van personen of goederen van en naar een activiteit en de bescherming van het donkere landschap geen onderdeel uit van de belangen die met het Bal worden behartigd. Voor de belangen die buiten het Bal vallen, kunnen voor het waarborgen van deze belangen op decentraal niveau regels worden gesteld. In dit artikel is dit gedaan, door in het derde lid het voorkomen of beperken van hinder, veroorzaakt door verkeer van en naar de activiteit en het beschermen van de duisternis en het donkere landschap op te nemen.
Voor milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal geldt de specifieke zorgplicht uit artikel 2.11 van het Bal. Daarom is in het vierde lid bepaald dat het eerste en tweede lid van dit artikel niet gelden voor dergelijke milieubelastende activiteiten. Het derde lid geldt wel voor milieubelastende activiteiten die onder het Bal vallen. In het derde lid zijn immers aspecten genoemd die niet behoren tot het oogmerk van de regels in de hoofdstukken 2 tot en met 5 van het Bal.
Als op grond van een paragraaf in deze afdeling van dit omgevingsplan, gegevens en bescheiden aan het bevoegd gezag worden verstrekt, worden die gegevens begeleid door een aantal algemene gegevens. De plicht om gegevens te verstrekken vloeit niet voort uit dit artikel. Die plicht is namelijk per activiteit opgenomen in de paragrafen van deze afdeling. Als in een paragraaf van deze afdeling het verstrekken van gegevens en bescheiden is voorgeschreven, bijvoorbeeld vóórdat wordt begonnen met die activiteit, wordt daarbij om specifieke gegevens gevraagd. Die gegevens worden dan verstrekt in aanvulling op de algemene gegevens uit dit artikel.
Het artikel 22.47, eerste lid regelt dat een naamswijziging of adreswijziging wordt doorgegeven aan het bevoegd gezag vóórdat de wijziging een feit is. Dat is vooral voor de initiatiefnemer zelf van belang: diegene wil immers dat correspondentie van het bevoegd gezag op het juiste adres aankomt. Het tweede lid regelt dat bij overdracht van de activiteit naar iemand anders, de daardoor gewijzigde gegevens aan het bevoegd gezag worden verstrekt. Bijvoorbeeld omdat een bedrijf onder dezelfde bedrijfsnaam en op hetzelfde adres wordt voorgezet, maar wisselt van eigenaar. Dit sluit aan op artikel 5.37 van de Omgevingswet, waar hetzelfde over vergunninghouders is geregeld.
Deze paragraaf is niet van toepassing op activiteiten die in afdelingen 3.3 tot en met 3.11 van het Bal aangewezen zijn als milieubelastende activiteiten. Voor die activiteiten gelden de artikelen van paragraaf 5.4.1 van het Bal.
De milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in afdeling 3.2 van het Bal, de bedrijfstakoverstijgende activiteiten, vallen wel onder deze paragraaf van dit omgevingsplan. De activiteiten van afdeling 3.2 van het Bal waren onder het oude recht zelden een zelfstandige inrichting, maar meestal onderdeel van een grotere inrichting. Onder het stelsel van de Omgevingswet zijn ze meestal onderdeel van een grotere milieubelastende activiteit. Activiteiten, anders dan de activiteiten uit afdeling 3.2 van het Bal, zijn ofwel geregeld in het Bal in de afdelingen 3.3 en verder, ofwel in het omgevingsplan.
Als een richtingaanwijzer in het Bal de energiemodule aanwijst voor een bepaalde activiteit en daarbij ook een activiteit uit afdeling 3.2 van het Bal plaatsvindt, dan is de energiemodule ook van toepassing op de activiteit uit afdeling 3.2, die dan immers een functioneel ondersteunende activiteit is.
De regels van deze paragraaf gelden voor milieubelastende activiteiten waarbij het energieverbruik van alle milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die de milieubelastende activiteit functioneel ondersteunen, in het voorafgaande jaar, gezamenlijk gelijk is aan of groter dan 50.000 kWh aan elektriciteit en 25.000 m3 aardgasequivalenten aan brandstoffen. Hierbij moeten de activiteiten die in afdeling 3.2 van het Bal zijn geregeld ook worden meegenomen. Dus als bijvoorbeeld een supermarkt of horecagelegenheid een activiteit uit afdeling 3.2 van het Bal verricht, dan gelden ook daarvoor de energiebesparingsregels van dit omgevingsplan, tenzij het energieverbruik van de activiteiten op de locatie, gezamenlijk niet boven de drempel uitkomt.
Activiteiten uit afdeling 3.2 van het Bal die zelfstandig boven de drempel kunnen uitkomen, zoals de zuiveringsvoorziening uit paragraaf 3.2.17 van het Bal, waren in de regel onder het oude recht een inrichting, zodat het logisch is dat daarvoor de energiebesparingsregels uit dit omgevingsplan gelden.
Overigens is de gelding van deze paragraaf beperkt tot 1 december 2023. Dit hangt samen met het beleidsvoornemen om in het kader van de voorziene regelgeving over de actualisatie van de energiebesparingsplicht alsnog op rijksniveau ook voor bepaalde milieubelastende activiteiten die niet zijn aangewezen in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 van het Bal regels over energiebesparing te stellen. Met het opnemen van de datum van 1 december 2023 in artikel 22.52, vierde lid, dat betrekking heeft op de verplichting energiebesparende maatregelen te treffen, is aansluiting gezocht bij de datum van het van toepassing worden van de geactualiseerde regels over energiebesparing zoals deze is opgenomen in de hiervoor genoemde voorziene regelgeving. Ook de gelding van artikel 22.52a, dat betrekking heeft op het overgangsrecht voor de regels over energiebesparing zoals deze golden onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, is gekoppeld aan deze datum. Als een gemeente voor 1 december 2023 is overgegaan tot aanpassing van artikel 22.52 of artikel 22.52a van dit omgevingsplan, zal na die datum op grond van de geactualiseerde regels over energiebesparing in het Bal moeten worden bezien of deze regels in het omgevingsplan kunnen blijven voortbestaan als maatwerkregel.
De regels in deze paragraaf, die betrekking hebben op zogeheten procesgebonden energiebesparende maatregelen, laten onverlet de regels over de zogeheten gebouwgebonden energiebesparende maatregelen, zoals deze zijn gesteld in de artikelen 3.84, 3.84a en 3.84b van het Bbl.
Dit artikel is een nadere invulling van de specifieke zorgplicht uit dit omgevingsplan of uit artikel 2.11 van het Bal. Anders dan onder het oude recht, geldt dit artikel ook voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten. De voorrangsbepaling van artikel 22.1, tweede lid van dit omgevingsplan is ook relevant voor deze vergunningplichtige milieubelastende activiteiten. Als het aspect zwerfafval bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet al in een voorschrift van een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is geregeld, is deze omgevingsplanregel niet van toepassing.
Immissiewaarden versus emissiebeperkende maatregelen
Deze paragraaf bevat regels die zien op de immissie van het geluid, veroorzaakt door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen. Voor enkele milieubelastende activiteiten zoals aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal, bevat dat besluit regels om geluidemissie te voorkomen. Bijvoorbeeld een verplichting om de werkzaamheden binnen uit te voeren. Voor de milieubelastende activiteiten die niet zijn aangewezen in het Bal, zijn in dit omgevingsplan geen emissiebeperkende maatregelen opgenomen. Als het opleggen van (extra) maatregelen ter voorkoming van geluidemissie nodig is, dan kan dit met een maatwerkvoorschrift.
Vergunningplichtige activiteiten en de Handreiking Industrielawaai en vergunningverlening
De geluidparagraaf geldt in beginsel voor alle milieubelastende activiteiten die onder het toepassingsbereik van deze afdeling vallen. Wel is er in artikel 22.1, tweede lid van dit omgevingsplan een voorrangsbepaling opgenomen voor vergunningvoorschriften in een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die op grond van het oude recht is verleend. De geluidparagraaf uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was niet van toepassing op vergunningplichtige inrichtingen. Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten werden voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, geluidnormen en andere geluidvoorschriften opgenomen in de omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteiten.
Voor het vaststellen van geluidvoorschriften in de omgevingsvergunning werd meestal de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening gebruikt. Voor zowel vergunningverlening als het stellen van maatwerkvoorschriften bevat deze handreiking informatie. De handreiking bevat (onder meer in hoofdstuk 4) ook nu nog informatie die kan helpen bij het stellen van regels in het omgevingsplan of voorschriften voor activiteiten.
Deze paragraaf is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw. Alleen geluidgevoelige gebouwen die op een locatie toegelaten zijn op grond van het omgevingsplan of via een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, worden beschermd tegen het geluid veroorzaakt door een activiteit.
Activiteiten
Dit artikel geldt in beginsel voor alle milieubelastende activiteiten die onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, bedoeld in artikel 22.41 vallen. Dat algemene toepassingsbereik probeert het oude Wet milieubeheer begrip inrichting te vangen. Zie daarover meer in de toelichting bij artikel 22.41, tweede lid. De geluidvoorschriften van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer waren alleen van toepassing op deze Wet milieubeheer-inrichtingen.
Dat betekent dat het geluid door activiteiten die buiten het algemene toepassingsbereik van deze afdeling vallen, niet hoeft te voldoen aan de bepalingen van deze geluidparagraaf. Voor die activiteiten blijven op grond van artikel 22.4 van de Omgevingswet onder meer de regels gelden over geluidhinder uit de Algemene Plaatselijke Verordening.
Ook is er in artikel 22.1 van dit omgevingsplan een algemene voorrangsbepaling opgenomen. Het eerste lid van dat artikel bevat een voorrangsregel voor geluidregels in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, op grond van artikel 22.1, onder a van de Omgevingswet, voor zover die regels afwijken van de geluidregels in deze paragraaf van dit omgevingsplan. Een voorbeeld hiervan zijn afwijkende geluidwaarden in een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte op grond van de voormalige Crisis- en herstelwet.
Het artikel 22.1, tweede lid van dit omgevingsplan bevat een voorrangbepaling voor vergunningvoorschriften in een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die op grond van het oude recht is verleend. De geluidvoorschriften uit die vergunningen krijgen voorrang op de geluidregels in dit omgevingsplan.
Geluidgevoelig gebouw en geluidgevoelige ruimte
Onder de Omgevingswet zijn begrippen geüniformeerd. Dat betekent dat voor sommige begrippen een nieuwe definitie geldt. Meestal is daar geen beleidsmatige verandering in bedoeld, maar soms kan de nieuwe definitie wel een iets andere uitwerking hebben. Zo wordt niet meer gesproken over een gevoelig gebouw of een gevoelig object. In plaats daarvan wordt gesproken over een geluidgevoelig gebouw.
Of een gebouw geluidgevoelig is, is afhankelijk van de gebruiksfuncties van dat gebouw. Zo wordt onder de Omgevingswet gesproken van een gebouw met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan, in plaats van over een woning.
In bestemmingsplannen werden specifieke ruimtes vaak niet bestemd. Het hele gebouw heeft dan dezelfde bestemming. Hierdoor kan in bestaande situaties een verandering ontstaan in de plaats waar de geluidwaarde geldt. Denk aan een aan- of inpandige garage, die wel een nevengebruiksfunctie van wonen heeft, maar geen verblijfsruimte is. De geluidwaarde geldt dan op de gevel van die garage.
Overigens is het begrip geluidgevoelige ruimte in het Bkl ook anders gedefinieerd dan in de voormalige Wet geluidhinder en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Zo heeft de oude regelgeving het over een keuken van ten minste 11 m2. Die ondergrens van 11 m2 vervalt. Een geluidgevoelige ruimte wordt gedefinieerd als een verblijfsruimte of verblijfsgebied van de aangewezen gebruiksfuncties.
In de praktijk kunnen zodoende kleine verschillen optreden. Als dit bij toepassing van de omgevingsplanregels van rijkswege in een concreet geval een probleem oplevert, dan kan dit opgelost worden met maatwerkvoorschriften.
Tweede lid, onderdeel b
Met dit artikel wordt bepaald dat het geluid van een activiteit niet geldt op een geluidgevoelig gebouw dat tijdelijk is toegelaten. De aanwezigheid van een tijdelijk geluidgevoelig gebouw kan wel aanleiding zijn voor het (met maatwerk) opleggen van een andere waarde dan de standaardwaarde of voor het opleggen van maatregelen of gedragsvoorschriften. De specifieke zorgplicht voor een milieubelastende activiteit is ook van toepassing op geluid door een activiteit op deze tijdelijke geluidgevoelige gebouwen.
Tweede lid, onderdeel c
Een gevel kan bij het toelaten van nieuwe geluidgevoelige gebouwen met toepassing van de artikelen 5.78y of 5.78aa van het Bkl, als niet-geluidgevoelige gevel in het omgevingsplan worden aangemerkt. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting op de artikelen 5.78y en 5.78aa in het (voorgenomen) Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet. Deze niet-geluidgevoelige gevels vervangen in het nieuwe stelsel de gevels die onder de voormalige Wet geluidhinder als «doof» werden aangemerkt of waarvoor met toepassing van de Interimwet stad-en-milieubenadering werd afgeweken van de wettelijke norm.
In het overgangsrecht van het (voorgenomen) Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet is in artikel 12.17 bepaald dat onder «niet-geluidgevoelige gevel» ook wordt verstaan een gevel die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet is aangemerkt als zogenoemde «dove gevel», evenals een gevel waarvoor de Interimwet stad-en-milieubenadering is toegepast. Ook die gevels blijven na inwerkingtreding van de Omgevingswet niet geluidgevoelig.
Onderdeel a
Voor activiteiten met verplaatsbare mijnbouwwerken als bedoeld in artikel 4.1116 van het Bal worden geluidwaarden gesteld in paragraaf 4.109 «Werkzaamheden met verplaatsbaar mijnbouwwerk» van het Bal.
Onderdeel b
Geluid door spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen valt niet onder de regels van deze paragraaf. Andere geluiden door een spoorwegemplacement, zoals geluid door het wassen van de treinwagons, vallen wel onder deze paragraaf. Voor het geluid door wegverkeersbewegingen van en naar een spoorwegemplacement geldt de specifieke zorgplicht uit artikel 22.44, derde lid, onder a, van dit omgevingsplan.
Een winkel was onder het oude recht vaak geen Wet milieubeheer-inrichting. De regels van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer golden daarom niet voor activiteiten bij detailhandel. Winkels vielen wel onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer als de volgende installaties aanwezig waren:
-elektromotoren met een opgeteld vermogen groter dan 1,5 kW (bijvoorbeeld in automatische rolluiken of airco's); of
-stookinstallaties met een opgeteld thermisch vermogen van meer dan 130 kW.
Met dit artikel wordt voorkomen dat de geluidwaarden uit deze paragraaf gaan gelden voor die winkels waarvoor de geluidnormen uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer niet golden. Wel geldt voor deze winkels de specifieke zorgplicht in artikel 22.44 van dit omgevingsplan.
De uitzondering in artikel 22.54 tweede lid, onder b, voor een tijdelijk toegelaten geluidgevoelig gebouw, geldt alleen voor een geluidgevoelig gebouw dat na de inwerkingtreding van de Omgevingswet is toegelaten voor een duur van niet meer dan 10 jaar, waarbij getoetst is aan de kwalitatieve norm «aanvaardbaar» uit artikel 5.59, tweede lid van het Bkl. Voor een geluidgevoelig gebouw dat al voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet is toegelaten geldt de uitzondering niet. Zo'n gebouw valt wel binnen het toepassingsbereik van deze paragraaf en hiervoor blijft wel een waarde gelden voor het geluid door een activiteit op de gevel van een tijdelijk toegelaten geluidgevoelig gebouw. De reden voor het uitzonderen is dat onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer de geluidnormen wel golden voor gebouwen waarvoor het tijdelijk toegelaten is om ze te gebruiken als geluidgevoelig gebouw.
Zie het schema in de volgende alinea voor een overzicht van de gevallen waarin een waarde voor geluid geldt bij verschillende situaties van geluidgevoelige gebouwen die tijdelijk toegelaten zijn versus activiteiten.
Onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer kregen geprojecteerde en in aanbouw zijnde geluidgevoelige gebouwen geen bescherming tegen geluid van milieubelastende activiteiten. Dit is wel zo bij de instructieregels van het Bkl. De geluidwaarde geldt dan op de locatie waar volgens het omgevingsplan of de omgevingsvergunning de gevel van het gebouw gebouwd mag worden. Omdat de voormalige bestemmingsplannen van rechtswege zijn overgegaan in omgevingsplannen, zou toetsing op een geprojecteerd gebouw ertoe kunnen leiden dat een bestaande activiteit opeens niet meer voldoet aan de geluideisen. In de transitieperiode is dit ongewenst: voor rechtmatige bestaande situaties moeten niet ineens strengere waarden voor geluid gaan gelden. Daarom is in de omgevingsplanregels van rijkswege, voor situaties die al toegestaan zijn voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, de uitzondering opgenomen dat onder een geluidgevoelig gebouw niet wordt verstaan een geprojecteerd gebouw of een geluidgevoelig gebouw in aanbouw.
Het uitgangspunt voor het overgangsrecht is dat de initiatiefnemer onder dezelfde condities zijn activiteit moet kunnen blijven voortzetten. Als na de inwerkingtreding van de Omgevingswet een nieuw geluidgevoelig gebouw wordt toegelaten bij een bestaande activiteit, of een nieuwe activiteit begint bij een bestaand geluidgevoelig gebouw, gelden al wel de nieuwe regels. Dit verschil werkt ook door naar de omgevingsplanregels van rijkswege.

Onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer golden de geluidnormen voor de gehele inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Dus voor het samenstel van activiteiten die binnen de inrichting plaatsvinden. Deze bepaling beoogt hetzelfde. Wanneer op een locatie meerdere, onderling samenhangende activiteiten worden verricht, gelden de geluidregels voor dit samenstel van activiteiten. Dit is bijvoorbeeld aan de orde als de activiteiten behoren tot een bedrijf. Dit artikel geeft aan welke clustering van activiteiten als één activiteit beschouwd moet worden. Dit kunnen twee milieubelastende activiteiten zijn die elkaar functioneel ondersteunen. Uit de systematiek van het Bal volgt al dat een milieubelastende activiteit die is aangewezen in de paragrafen 3.3 tot en met 3.11, bestaat uit de kernactiviteit, inclusief functioneel ondersteunende activiteiten. Dit is ook zo als die functioneel ondersteunende activiteiten zelf ook als milieubelastende activiteit in hoofdstuk 3 aangewezen zijn. Ook twee of meer milieubelastende activiteiten op één locatie die rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan worden op grond van dit artikel beschouwd als één activiteit.
De inhoud van dit artikel wijkt af van artikel 5.58 in het Bkl. Dit is gedaan om de omgevingsplanregels van rijkswege beter aan te laten sluiten bij de situatie zoals die was onder het oude recht.
Deze bepaling beoogt niet het algemene toepassingsbereik van deze afdeling over de milieubelastende activiteit uit te breiden. Bijvoorbeeld met het geluid van een landbouwvoertuig op een akker. Deze bepaling trekt die activiteit niet alsnog «binnen» de activiteit.
Directe hinder, laden en lossen versus indirecte hinder
Ook activiteiten die niet hoofzakelijk op de locatie van het terrein van een bedrijf plaatsvinden, maar in de onmiddellijke nabijheid daarvan, kunnen onderdeel zijn van een activiteit in de zin van dit artikel. Dit wordt beschouwd als «directe hinder». Een voorbeeld hiervan zijn laad- en losactiviteiten die op de openbare weg worden uitgevoerd. Het geluid van dit laden en lossen moet dus ook voldoen aan de waarde voor geluid van een activiteit, zoals opgenomen in deze paragraaf. In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer golden de geluidnormen ook voor deze activiteiten in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting.
De geluidvoorschriften in deze paragraaf gelden dus voor het geluid dat beschouwd wordt als «directe hinder». Geluid, veroorzaakt door het verkeer van personen en goederen van en naar de activiteit (totdat het is opgenomen in het heersende verkeersbeeld) wordt beschouwd als «indirecte hinder». Voor indirecte hinder geldt alleen de specifieke zorgplicht in artikel 22.44, derde lid van dit omgevingsplan. Zie ook de toelichting bij artikel 22.44, derde lid.
Overigens was het onder het oude recht ook afhankelijk van de omstandigheden van het geval wanneer laden en lossen overgaat in het verkeer van personen en goederen van en naar de activiteit. Deze omgevingsplanregels van rijkswege brengen hier geen verandering in.
Dit artikel is gebaseerd op artikel 5.60 van het Bkl. Kortheidshalve wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij dat besluit.
Onderdeel c
Net als voorheen worden de ligplaatsen van woonschepen en de standplaatsen van woonwagens beschermd tegen geluidhinder. Anders dan onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer worden woonschepen en woonwagens wel als geluidgevoelig gebouw aangemerkt en wordt daarvoor niet de aparte benaming «gevoelige terreinen» gehanteerd. Dit artikel bepaalt vervolgens dat de waarden voor geluid voor woonschepen en woonwagens geldt op de grens van de locatie. Langs andere weg wordt daarmee hetzelfde bereikt.
In bijlage I bij het Bkl is een woonschip gedefinieerd als «drijvende woonfunctie op een locatie die in het omgevingsplan is aangewezen als een ligplaats voor een woonschip».
In bijlage I bij het Bbl wordt onder een woonwagen verstaan: woonfunctie op een locatie bestemd voor het plaatsen van een woonwagen.
Dit artikel bepaalt dat de waarden voor geluid niet van toepassing zijn op geluid door een activiteit, op of in een geluidgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit. Dit artikel sluit aan bij artikel 5.61 van het Bkl.
Dit artikel bepaalt dat de waarden voor geluid op of in een geluidgevoelig gebouw, dat voorheen onderdeel was van de Wet milieubeheer-inrichting of functioneel verbonden was met een agrarische activiteit, niet gelden voor het geluid door die agrarische activiteit op dat geluidgevoelige gebouw. Het gebouw blijft wel beschermd tegen geluid, veroorzaakt door andere omliggende activiteiten.
Onderdeel a
Onderdeel a regelt dit voor zogenaamde «plattelandswoningen» die als plattelandswoning zijn aangewezen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Dit was onder het oude recht bepaald in de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (artikel 1.1a) en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 1.3c).
Onderdeel b
Onderdeel b regelt dit in het geval van een agrarische activiteit, voor een gebouw met een voormalige functionele binding in het nieuwe deel van het omgevingsplan.
In een situatie als bedoeld onder b wordt in het omgevingsplan of in de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor de woning waar het om gaat (of een ander geluidgevoelig gebouw) bepaald dat deze woning geen bescherming geniet in de vorm van geluidwaarden, tegen geluidhinder door de agrarische activiteit waarmee de woning voorheen was verbonden. Onderdeel b van deze bepaling voorziet erin dat de waarden voor geluid uit dit tijdelijke deel van het omgevingsplan, die gelden voor de agrarische activiteit, ook daadwerkelijk niet gaan gelden op de gevel van de naastgelegen woning, die nu geen functionele binding meer heeft.
Dit artikel past binnen de mogelijkheden van artikel 5.62 van het Bkl. Dat artikel biedt ruimere mogelijkheden bij geluidgevoelige gebouwen met een voormalige functionele binding. Deze ruimere mogelijkheden zijn niet opgenomen in de omgevingsplanregels van rijkswege.
Voor een uitgebreidere toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 5.62 van het Bkl en paragraaf 2.3.8, onder «Voormalige bedrijfswoningen», en paragraaf 8.1.3 onder «Functioneel verbonden en functioneel ondersteunende gebouwen en locaties», van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Bkl.
Dit artikel is een voortzetting van artikel 1.11 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. In dit artikel wordt bij een aantal activiteiten bepaald dat een rapport van een geluidonderzoek moet worden ingediend. Het gaat daarbij onder meer om het onder bepaalde omstandigheden ten gehore brengen van muziekgeluid en om transportactiviteiten in de avond- en nachtperiode (tussen 19.00 en 7.00 uur). In de gevallen waarvoor bij de specifieke bepalingen een plicht is opgenomen tot het indienen van een akoestisch rapport, leert de ervaring dat doorgaans problemen te verwachten zijn bij toetsing aan de geluidwaarden.
In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer stond ook een specifieke mogelijkheid voor het bevoegd gezag om bij besluit ook voor andere activiteiten een geluidonderzoek te eisen. Deze mogelijkheid heeft het bevoegd gezag nog steeds, via de maatwerkmogelijkheid in artikel 8.5 van dit omgevingsplan. Hiervoor moet het bevoegd gezag aannemelijk maken dat het geluidsniveau of het maximale geluidsniveau meer bedraagt dan de waarden die gelden voor de activiteit op grond van dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning. Het gaat om gevallen waarin gelet op de te verwachten bronvermogens en afstanden tot gevoelige gebouwen het aannemelijk is dat de normen zullen worden overschreden.
De maatwerkmogelijkheid kan ook gebruikt worden om in voorkomende gevallen van de plicht tot het verstrekken van een geluidonderzoek af te zien.
In sommige gevallen kan het voor zonebeheer noodzakelijk zijn de geluidsproductie van activiteiten gelegen op een gezoneerd industrieterrein te weten. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als een activiteit aan de rand van het industrieterrein is gelegen of als een activiteit met de waarden, genoemd in dit omgevingsplan, een onevenredig groot beslag zou leggen op de nog beschikbare geluidsruimte, zonder dat die activiteit de bij deze waarden behorende geluidsruimte daadwerkelijk nodig heeft. Op grond van artikel 8.5 van dit omgevingsplan kan dan een rapport van een geluidonderzoek verlangd worden.
Ten minste vier weken voor het begin of wijziging van de activiteit moet het geluidonderzoek aan het bevoegd gezag versterkt worden. Behalve het geluidonderzoek moeten ook de gegevens zoals vermeld in artikel 22.46 worden verstrekt.
Dit artikel heeft ook als doel om gemeenten op de hoogte te stellen van nieuwe of gewijzigde activiteiten op een gezoneerd industrieterrein.
Deze informatieplicht geldt niet als de gemeente al via een aanvraag om een omgevingsvergunning, via het overleggen van een geluidonderzoek op grond van artikel 22.60 en artikel 22.61 of via een informatieplicht ergens anders in deze afdeling van dit omgevingsplan of in het Besluit activiteiten leefomgeving, op de hoogte wordt gesteld van het begin of de wijziging van de activiteit. In artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet is daarnaast nog bepaald dat gegevens en bescheiden niet behoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.
Naar aanleiding van de ontvangen gegevens en bescheiden kan de gemeente vervolgens beoordelen of het noodzakelijk is om een geluidonderzoek te laten verrichten voor het zonebeheer. Op grond van artikel 8.5 van dit omgevingsplan kan dan een rapport van een geluidonderzoek verlangd worden van de initiatiefnemer.
Deze verplichting geldt niet voor activiteiten op een gezoneerd industrieterrein waar geen activiteiten verricht worden of installaties gebruikt worden zoals bedoeld in het tweede lid. Deze activiteiten en grenzen zijn overgenomen uit de begripsbepaling inrichting Type A in artikel 1.2 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Onder het oude recht hoefde voor een inrichting Type A geen melding te worden gedaan. Voor de informatieplicht in artikel 22.61 van het omgevingsplan is alleen gekeken naar die grenzen uit het oude begrip inrichting Type A die mede gesteld waren met het oogmerk om geluidhinder te voorkomen of beperken.
Deze paragraaf geldt voor activiteiten waarvoor waarden voor langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAR,LT) of het maximaal geluidsniveau (LAmax) gesteld worden. Voor windturbines en buitenschietbanen worden voor geluid andere waarden gesteld, namelijk voor Lden en Lnight en geluid Bs,dan.
Deze paragraaf is niet van toepassing op geluid dat niet representatief is voor een activiteit. Uitgangspunt is dat elke activiteit onderdeel is van de representatieve bedrijfssituatie en het geluid van elke activiteit representatief geluid is. Niet representatief geluid is alleen het geluid door een uitzonderlijke bedrijfssituatie, dat in een maatwerkbesluit als zodanig is aangemerkt. Het is aan het oordeel van het bevoegd gezag wat een uitzonderlijke bedrijfssituatie is. In paragraaf 4.2 van bijlage IVh van de Omgevingsregeling zijn richtlijnen gegeven die daarbij kunnen worden toegepast. Hiermee wordt – grofweg – de situatie uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de Handleiding meten en rekenen industrielawaai voortgezet dat incidentele bedrijfssituaties niet worden meegenomen bij het bepalen van het geluid. In het voormalige Activiteitenbesluit is een incidentele bedrijfssituatie een bedrijfssituatie waarvoor op grond van artikel 2.20, zesde lid, andere waarden zijn vastgesteld. Voor het geluid dat niet representatief is voor een activiteit kan het bevoegd gezag als dat nodig is, wel regels stellen, bijvoorbeeld waarden, tijdstippen of werkwijzen voor de gebeurtenissen die het niet-representatieve geluid veroorzaken. Artikel 5.59 van het Bkl bepaalt namelijk dat het omgevingsplan erin moet voorzien dat ook het niet-representatieve geluid aanvaardbaar is.
In het toepassingsbereik worden windparken met 3 of meer windturbines expliciet uitgesloten, omdat zij ook niet vallen onder subparagraaf 22.3.4.3 over het geluid door windturbines.
Het eerste lid bepaalt hoeveel geluid toelaatbaar is op de gevel van een geluidgevoelig gebouw en komt overeen met de geluidnormen die in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer stonden. In de instructieregels van het Bkl zijn geen normen meer opgenomen voor het LAmax in de dagperiode.
Het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer kende in artikel 2.17, derde lid, de regeling dat voor geluidgevoelige gebouwen op Activiteitenbesluit-bedrijventerreinen (geen gezoneerde industrieterreinen zijnde) het beschermingsniveau op de gevel 5 dB(A) lager ligt. Om te voorkomen dat activiteiten opeens niet meer aan de geluidwaarden voldoen, is deze regeling in het tweede lid van dit artikel overgenomen. In bijlage I bij de omgevingsplanregels van rechtswege is een begrip Activiteitenbesluit-bedrijventerrein opgenomen. Het Bkl biedt in artikel 5.65, tweede lid, voor zulke bedrijventerreinen de mogelijkheid om een 5 dB(A) hogere waarde te stellen.
In de instructieregels (artikel 5.65) van het Bkl zijn de geldende binnenwaarden opgenomen voor in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen. Deze komen, voor wat betreft het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau, overeen met de waarden zoals deze op grond van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer golden. In de instructieregels van het Bkl zijn geen waarden meer opgenomen voor het LAmax in de dagperiode, en de waarden in de avondperiode zijn strenger dan onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Om te voorkomen dat in de transitieperiode andere waarden voor de activiteiten gaan gelden, zijn in dit artikel de waarden uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer overgenomen.
Het vierde lid gaat in op de piekgeluiden die veroorzaakt worden door het laden en lossen in de dagperiode. Laden en lossen valt via artikel 22.41 (algemeen toepassingsbereik) en artikel 22.56 (meerdere activiteiten beschouwen als één activiteit) onder de activiteit, en daarmee onder de geluidwaarden die in de tabellen zijn gesteld. Dat geldt dus ook voor laden en lossen dat op de openbare weg («in de onmiddellijke nabijheid van») plaatsvindt. Om te voorkomen dat in de periode waarin de gemeenten hun omgevingsplannen nog niet hebben aangepast aan de Omgevingswet, het overdag laden en lossen onder de norm voor het piekgeluid gaat vallen, is het vierde lid toegevoegd. Dit lid bepaalt uitdrukkelijk dat - net als onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer- voor het laden en lossen in de dagperiode geen geluidwaarden voor het piekgeluidniveau gelden. Ook het Bkl geeft geen afzonderlijke waarden voor de piekniveaus in de dagperiode, en dus ook niet voor de piekniveaus van het laden en lossen.
Dit artikel is een voortzetting van artikel 2.17, vierde lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Dit artikel geldt alleen voor bedrijven die uitsluitend of in hoofdzaak een inrichting voor verkoop van brandstoffen aan derden zijn. Door het vervangen van het begrip Wet milieubeheerinrichting door activiteiten is het niet meer mogelijk gebruik te maken van dit zogenoemde hoofdzaakcriterium. Daarvoor is het tankstation nu omschreven als het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden. Hiermee is geen inhoudelijke wijziging beoogd.
Het Bkl gaat in de instructieregels niet meer uit van een apart geluidregime met afwijkende dagperioden voor tankstations. Wel zijn er op grond van de flexibiliteitsbepalingen van deze instructieregels mogelijkheden om in het omgevingsplan rekening te houden met de bijzondere kenmerken van het geluid bij een tankstation, zoals de pieken bij dichtslaan van autoportieren, als het geluid door een activiteit op geluidgevoelige gebouwen maar aanvaardbaar is en er voldaan wordt aan de grenswaarden in het Bkl. In dit artikel wordt het onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer geldende geluidregime overgenomen, zodat de geluidsituatie niet verandert zolang de gemeente nog geen nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld.
Dit artikel is een voortzetting van artikel 2.17, vijfde lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
Het begrip agrarische activiteiten wordt in dit omgevingsplan niet meer specifiek gedefinieerd. Het gaat om activiteiten die betrekking hebben op gewassen of landbouwhuisdieren voor zover deze geteeld of gekweekt respectievelijk gefokt, gemest, gehouden of verhandeld worden. Daaronder wordt ook verstaan agrarisch gemechaniseerd loonwerk zoals het uitvoeren van cultuurtechnische werken, mestdistributie, grondverzet of soortgelijke dienstverlening.
Dit artikel geldt alleen voor bedrijven of andere locaties waar uitsluitend of in hoofdzaak agrarische activiteiten of activiteiten die daarmee verband houden worden verricht. Door het vervangen van het Wet milieubeheer begrip inrichting door activiteiten is het niet meer mogelijk gebruik te maken van dit zogenoemde hoofdzaakcriterium. Daarvoor in de plaats wordt gesteld dat het moet gaan om een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen. Hiermee is geen inhoudelijke wijziging beoogd.
In navolging van het voormalige Besluit landbouw milieubeheer en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer worden voor de in het eerste lid genoemde activiteiten mobiele bronnen niet meegewogen bij het bepalen van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau. Daarom zijn de waarden in tabel 22.3.5, die zien op het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau, alleen van toepassing op de vast opgestelde installaties en toestellen. De waarden voor maximale geluidsniveaus zijn van toepassing op alle bronnen: vast en mobiel.
Voor het geluid van deze mobiele installaties geldt alleen de specifieke zorgplicht. Voor agrarische bedrijven die bij inwerkingtreding van de Omgevingswet een omgevingsvergunning voor milieuactiviteiten hebben, blijven op grond van artikel 22.1, de voorschriften van de omgevingsvergunning gelden.
Belangrijke verschillen tussen dit artikel en de instructieregels voor geluid van het Bkl zijn:
-Dit artikel geeft standaard 5 dB(A) lagere geluidwaarden en afwijkende tijdsperioden voor agrarische activiteiten. De instructieregels van het Bkl kennen voor agrarische activiteiten niet standaard 5 dB(A) lagere geluidwaarden en ook geen afwijkende tijdsperioden. Het Bkl biedt wel de mogelijkheid om een agrarisch gebied aan te wijzen waar de toelaatbare waarde 5 dB(A) lager is.
-In dit artikel gelden de standaardwaarden niet voor mobiele installaties. De standaardwaarden van het Bkl gelden ook voor de mobiele installaties bij een agrarisch bedrijf als die vallen onder de representatieve bedrijfsituatie.
-Akkers en weilanden zijn voor de toepassing van dit artikel geen onderdeel van de activiteit. De instructieregels van het Bkl gaan over al het geluid van locatiegebonden activiteiten, als dat geluid representatief is voor die activiteit.
In dit artikel wordt het onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer geldende geluidregime overgenomen, zodat de geluidsituatie niet verandert zolang de gemeente nog geen nieuw deel van het omgevingsplan heeft vastgesteld
Dit artikel is een voortzetting van artikel 2.17, zesde lid van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
De begrippen glastuinbouwbedrijf en glastuinbouwgebied worden in dit omgevingsplan niet meer specifiek gedefinieerd. Het gaat dan respectievelijk om een activiteit die in de kern bestaat uit het in een kas telen van gewassen en een cluster aaneengesloten percelen voor glastuinbouwbedrijven.
De instructieregels van het Bkl kennen voor geluid door glastuinbouwbedrijven niet standaard 5 dB(A) lagere geluidwaarden en ook geen afwijkende tijdsperioden. Het Bkl biedt wel de mogelijkheid om een agrarisch gebied aan te wijzen waar de toelaatbare waarde 5 dB(A) lager is. In dit artikel wordt het onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer geldende geluidregime overgenomen, zodat de geluidsituatie niet verandert zolang de gemeente nog geen nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld.
In artikel 2.17, zevende lid, juncto 2.17a, vijfde lid, en de artikelen 2.18, vijfde lid, en 2.19a, tweede lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer stond een mogelijkheid om bij of krachtens een gemeentelijke verordening hogere of lagere normen te laten gelden, dan de standaardnormen. Op grond van artikel 8.2.2 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet blijven die regels zoals opgenomen in een gemeentelijke verordening (in veel gevallen in de Algemene Plaatselijke Verordening) nog gelden. Artikel 22.67j van dit omgevingsplan zorgt ervoor dat de waarden uit die verordening, voorrang hebben op de waarden zoals opgenomen in dit (tijdelijk deel) van het Omgevingsplan.
Dit artikel is een voortzetting van het overgangsrecht voor ligplaatsen, zoals was opgenomen in artikel 2.17, vierde lid, onder d, vijfde lid, onder f, en het zesde lid, onder d, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
Het in artikel 22.63, eerste lid, 22.64, eerste lid, artikel 22.65, eerste lid en artikel 22.66, eerste lid opgenomen langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en het maximaal geluidsniveau wordt verhoogd met 5 dB(A). Deze verhoging geldt voor drijvende woonschepen die als zodanig voor 1 juli 2012 in dit omgevingsplan zijn toegelaten én voor drijvende woonfuncties die voor 1 juli 2012 waren opgenomen in een gemeentelijke verordening en nadien, maar voor 1 juli 2022, alsnog zijn opgenomen in een omgevingsplan.
Deze bepaling geldt ter vervanging van artikel 2.17a van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. In de meeste algemene maatregelen van bestuur op grond van het vervallen artikel 8.40 Wet milieubeheer, zoals het Besluit horeca-, sport-en recreatie-inrichtingen milieubeheer, was een overgangsbepaling opgenomen die teruggreep op zogenaamde «8.40-AMvB's» die daarvóór in werking waren. Dit lid is van toepassing op activiteiten die worden verricht op de locatie van inrichtingen die onder de werking van die oudere besluiten vielen. Voor deze activiteiten worden de waarden in tabel 22.3.1 (standaard) en tabel 22.3.7 (glastuinbouwbedrijf binnen een glastuinbouwgebied) met 5 dB(A) verhoogd, tenzij voordien volgens een milieuvergunning lagere waarden golden. Overigens wordt in artikel 2.17a, eerste tot en met derde lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer abusievelijk verwezen naar artikel 2.17, in plaats van artikel 2.17a.
Dit artikel is een voortzetting van artikel 2.18, eerste tot en met vierde lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
Onderdeel a
Net als in artikel 5.73, eerste lid, onder a, van het Bkl is bepaald dat de geluidwaarden die in het omgevingsplan zijn opgenomen geen betrekking hebben op het geluid van de spoedeisende inzet van hulpvoertuigen. Dat geldt voor het gemiddelde geluidniveau en voor het maximale geluidniveau. Deze uitzondering geldt alleen voor de spoedeisende inzet en dus niet voor het geluid als gevolg van niet-spoedeisende inzet van hulpvoertuigen of bijvoorbeeld het onderhouden en testen van die voertuigen.Anders dan in artikel 2.22 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, gaat deze omgevingsplanregel ook over geluid van traumahelikopters en over het Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT.
De mogelijkheid om met maatwerkvoorschriften gebruiksregels op te nemen geldt niet voor de inzet van motorvoertuigen of helikopters voor spoedeisende medische hulpverlening, ongevallenbestrijding, brandbestrijding, gladheidbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval. Zie de toelichting bij de artikelen 5.71 en 5.72 van het Bkl voor een verduidelijking.
Op grond van artikel 2.22, tweede lid van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was het mogelijk om maatwerkvoorschriften te stellen over te treffen technische en organisatorische maatregelen bij het uitrukken van motorvoertuigen voor ongevallenbestrijding, spoedeisende medische hulpverlening, brandbestrijding of gladheidbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval. Dit is dus veranderd in de instructieregels van het Bkl en deze omgevingsplanregels van rijkswege.
Bij het toedelen van functies aan locaties betrekt de gemeenteraad wel al het geluid vanwege de toegelaten activiteiten bij de vraag of het geluidniveau op een bepaalde locatie aanvaardbaar is. Het feit dat er in het omgevingsplan, maatwerkvoorschrift of omgevingsvergunning geen waarden of maatregelen mogen worden opgenomen voor het geluid van de spoedeisende inzet van hulpvoertuigen, betekent dus niet dat die geluidbronnen bij de toepassing van artikel 5.59, eerste lid, van het Bkl buiten beschouwing mogen blijven.
Onderdelen b tot en met e
Voor onversterkt stemgeluid geldt dat de omgevingsplanregels van rijkswege geen verandering teweegbrengen ten opzichte van de situatie onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Dit betekent dat het stemgeluid afkomstig van bijvoorbeeld onverwarmde of onoverdekte terrassen, schoolpleinen en sportvelden, buiten beschouwing wordt gelaten bij het beoordelen van de geluidwaarden veroorzaakt door een activiteit.
Op grond van de instructieregel in artikel 5.73 van het Bkl, moet onversterkt stemgeluid vaker buiten beschouwing worden gelaten dan onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en in deze omgevingsplanregels van rijkswege. Op grond van de instructieregel wordt onversterkt menselijk stemgeluid buiten beschouwing gelaten, tenzij het muziekgeluid is of daarmee vermengd is.
Onderdeel f
Voor geluid voor het oproepen tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging geldt dat de omgevingsplanregels van rijkswege geen verandering teweegbrengen ten opzichte van de situatie onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.In de Grondwet is bepaald dat iedereen het recht heeft zijn godsdienst of levensovertuiging individueel of in gemeenschap met anderen vrij te belijden. Wel kunnen volgens de Grondwet regels worden gesteld ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.
Eerste lid, onderdelen g en h
Bij het traditioneel ten gehore brengen van muziek tijdens het hijsen en strijken van de nationale vlag bij zonsopkomst en zonsondergang bij militaire inrichtingen en het ten gehore brengen van muziek vanwege het oefenen door militaire muziekkorpsen in de buitenlucht kan soms niet worden voldaan aan de waarden uit de artikelen in deze paragraaf. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid in de buitenlucht is het doorgaans niet mogelijk om maatregelen te treffen ter beperking van de geluidsemissie. Omdat het onwenselijk is deze activiteiten onmogelijk te maken, worden ze bij het bepalen van de geluidsniveaus buiten beschouwing gelaten.
Onderdelen i en j
Voor onversterkte muziek en traditioneel schieten geldt dat de omgevingsplanregels van rijkswege geen verandering teweegbrengen ten opzichte van de situatie onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Dit betekent dat onversterkte muziek en traditioneel schieten buiten beschouwing wordt gelaten, tenzij anders is bepaald in een Algemene Plaatselijke Verordening.
In de instructieregels van het Bkl wordt geen onderscheid meer gemaakt tussen versterkte en onversterkte muziek, wat betekent dat onder het Bkl, anders dan onder het oude recht, onversterkte muziek wél onder de standaardwaarden voor geluid valt. Het Bkl biedt wel de flexibiliteit om bijvoorbeeld alsnog een splitsing aan te brengen tussen versterkte en onversterkte muziek. Deze flexibiliteit geldt ook voor traditioneel schieten.
Dit artikel is een voortzetting van artikel 2.17, tweede lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. De aanvullende eis van 50 dB(A) op 50 m geldt altijd, ongeacht of er een geluidgevoelig gebouw (buiten het gezoneerd industrieterrein) op minder dan 50 m vanaf de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, is gelegen.
Dit artikel is een voortzetting van artikel 2.18, zesde tot en met achtste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
Het geluid dat wordt veroorzaakt door het stomen van grond met een installatie van derden wordt buiten beschouwing gelaten bij het bepalen van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau. In bedrijven waar het systeem van substraatteelt niet wordt toegepast, maar waar in de grond wordt geteeld, moet op gezette tijden ontsmetting van de grond plaatsvinden. Dit geschiedt door de grond te stomen. Grondstomen vindt niet vaker dan enkele keren per jaar plaats. De frequentie hangt af van het te telen gewas. Gelet op de frequentie van het grondstomen en het feit dat het een activiteit is die door derden wordt uitgevoerd, kan deze activiteit niet worden beschouwd als een representatieve bedrijfssituatie zoals bedoeld in de «Handleiding meten en rekenen industrielawaai». Daarom blijft bij het bepalen van de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus, bedoeld in artikel 22.63, het door deze activiteit veroorzaakte geluid buiten beschouwing. Het grondstomen wordt in de regel uitgevoerd door gespecialiseerde bedrijven. Deze bedrijven plaatsen tijdelijk een mobiele installatie bij het tuinbouwbedrijf. Als het grondstomen met een eigen ketelinstallatie plaatsvindt, wordt het wel meegeteld bij het bepalen van de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus omdat die installatie een vast onderdeel is van de activiteit, vaker kan worden gebruikt en door degene die de activiteit verricht zodanig kan worden aangepast dat het geluid gereduceerd wordt.
Omdat het grondstomen dat plaatsvindt met een installatie van derden buiten beschouwing blijft bij het bepalen van de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus, moeten maatregelen of voorzieningen getroffen worden om de geluidhinder zo veel mogelijk te reduceren. De maatregelen of voorzieningen zijn in het tweede lid omschreven. Op grond van artikel 8.5 kan het bevoegd gezag maatwerkvoorschriften stellen, waarmee de maatregelen of voorzieningen meer specifiek kunnen worden ingevuld.
In artikel 2.21, tweede lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer stond ook een bevoegdheid voor gemeenten om bij of krachtens een gemeentelijke verordening voorwaarden te verbinden aan festiviteiten om geluidhinder te beperken of te voorkomen. Deze regels in een gemeentelijke verordening blijven na inwerkingtreding van de Omgevingswet gelden op grond van artikel 8.2.2 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet. Ook na de inwerkingtreding van de Omgevingswet mag de gemeente voorwaarden verbinden aan festiviteiten in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening.
n het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer werd voor de manier van meten van - en rekenen met industrielawaai, verwezen naar de Handreiking meten en rekenen industrielawaai. Deze Handreiking meten en rekenen industrielawaai is nu verwerkt in de Omgevingsregeling. Deze meet- en rekenvoorschriften voor geluid blijven landelijk geregeld op grond van artikel 4.1, tweede lid, van de Omgevingswet. In dit omgevingsplan hoeven dus in principe geen verwijzingen opgenomen te worden naar deze meet- en rekenvoorschriften. Dit is hier wel gedaan voor de leesbaarheid van de regelgeving. In de Omgevingsregeling zijn deze meet- en rekenbepalingen voor geluid opgenomen in paragraaf 6.2.1.
Deze paragraaf is een voorzetting van de regeling voor geluid veroorzaakt door windturbines uit paragraaf 3.2.3 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
Deze paragraaf is niet van toepassing op nieuwe windparken met 3 of meer windturbines.
In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer stonden hele concrete maatwerkmogelijkheden voor geluid van windturbines. Die mogelijkheden zijn er nu op grond van de maatwerkmogelijkheid van artikel 8.5 van dit omgevingsplan. Die mogelijkheden worden begrensd door onder andere de instructieregels van het Bkl.
Dit artikel is een voortzetting van artikel 3.14e van de voormalige Activiteitenregeling milieubeheer.
Die ministeriële regeling bevatte in de artikelen 3.14a tot en met 3.14d ook veel gedetailleerde regels over de wijze van meten en rekenen van het geluid door windturbines. Deze regels staan niet in dit omgevingsplan maar zijn opgenomen in de Omgevingsregeling. Een geluidonderzoek voor windturbines wordt wel in dit omgevingsplan voorgeschreven in artikel 22.60.
In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer werd voor de manier van meten van - en rekenen met industrielawaai, verwezen naar de Handreiking meten en rekenen industrielawaai. Deze Handreiking meten en rekenen industrielawaai is nu verwerkt in de Omgevingsregeling. Deze meet- en rekenvoorschriften voor geluid blijven landelijk geregeld op grond van artikel 4.1, tweede lid, van de Omgevingswet. In dit omgevingsplan hoeven dus in principe geen verwijzingen opgenomen te worden naar deze meet- en rekenvoorschriften. Dit is hier wel gedaan voor de leesbaarheid van de regelgeving. In de Omgevingsregeling zijn deze meet- en rekenbepalingen voor geluid opgenomen in paragraaf 6.2.1.
De regeling voor buitenschietbanen in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer is overgenomen in de omgevingsplanregels van rijkswege. Hierdoor ontstaat bij de invoering van de Omgevingswet geen rechtsvacuüm voor buitenschietbanen. Hoewel het toepassingsbereik in dit artikel iets anders wordt verwoord dan onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer het geval was, is geen beleidswijziging beoogd. Hieronder vallen dus nog steeds de civiele en militaire schietbanen, en het kleiduivenschieten, dat ook een civiele buitenschietbaan is waar met vuurwapens wordt geschoten. Daarnaast is het toepassingsbereik uitgebreid met militaire springterreinen. Geluid door militaire springterreinen werd onder het oude recht geregeld in de omgevingsvergunning voor milieu. In de Beleidsregel schietlawaai defensieterreinen staat een beoordelingswijze die overeenkomt met de beoordelingswijze voor buitenschietbanen.
In bijlage I bij het Bkl wordt het geluid Bs,dan gedefinieerd als: geluid op een plaats over alle dag-, avond- en nachtperioden van een jaar, berekend in overeenstemming met de bij ministeriële regeling aangewezen berekeningsmethode voor schietgeluid.
Dit artikel is een voortzetting van artikel 3.118a van de voormalige Activiteitenregeling milieubeheer. Die ministeriële regeling bevatte in artikel 3.118 ook gedetailleerde regels over de wijze van meten en rekenen van het geluid bij buitenschietbanen. Deze regels staan niet in dit omgevingsplan maar zijn opgenomen in de Omgevingsregeling.
In dit artikel is een registratieverplichting opgenomen. Aangezien het door de vele overdrachtsgegevens die deel uitmaken van de rekenmethodiek nauwelijks mogelijk is controlemetingen uit te voeren, wordt door de handhavende instanties gebruik gemaakt van het geregistreerde aantal schoten, het kaliber van de verschoten munitie en de dagdelen waarin deze verschoten is. Deze parameters komen overeen met die van het geluidonderzoek dat is voorgeschreven op grond van artikel 22.60 van dit omgevingsplan. Op deze wijze is bestuursrechtelijk toezicht mogelijk van de akoestische belasting op de omgeving.
In de Omgevingsregeling zijn deze meet- en rekenbepalingen voor geluid voor buitenschietbanen opgenomen in artikel 6.9.
In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer werd voor de manier van meten van - en rekenen met industrielawaai verwezen naar de Handreiking meten en rekenen industrielawaai. Deze Handreiking meten en rekenen industrielawaai is nu verwerkt in de Omgevingsregeling. Deze meet- en rekenvoorschriften voor geluid blijven landelijk geregeld op grond van artikel 4.1, tweede lid, van de Omgevingswet. In dit omgevingsplan hoeven dus in principe geen verwijzingen opgenomen te worden naar deze meet- en rekenvoorschriften. Dit is hier wel gedaan voor de leesbaarheid van de regelgeving. In de Omgevingsregeling staan deze meet- en rekenbepalingen voor geluid in paragraaf 6.2.1.
Deze paragraaf is van toepassing op de trillingen door een activiteit, in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw. Dit artikel geldt alleen voor activiteiten die ook onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling voor milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 22.41 vallen. Dat algemene toepassingsbereik probeert het oude begrip Wet milieubeheer-inrichting grotendeels te dekken. Zie daarover meer in de toelichting bij artikel 22.41. De trillingvoorschriften van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer waren alleen van toepassing op deze Wet milieubeheer-inrichtingen. Deze paragraaf is alleen van toepassing op activiteiten die trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaken. Dat bleek onder het Activiteitenbesluit milieubeheer impliciet door de verwijzing naar normwaarden in de Meet- en beoordelingsrichtlijn B «Hinder voor personen» van de Stichting Bouwresearch.
De trillingparagraaf uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was niet van toepassing op vergunningplichtige inrichtingen. Deze paragraaf van dit omgevingsplan is wel van toepassing op vergunningplichtige milieubelastende activiteiten. Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten werden voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, soms trillingnormen of andere voorschriften ter beperking van trillinghinder opgenomen in de omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteiten. Deze bestaande vergunningvoorschriften blijven op grond van artikel 4.13 van de Invoeringswet Omgevingswet gelden en hebben op grond van artikel 22.1, tweede lid van dit omgevingsplan voorrang op de regels voor trillingen in deze paragraaf van dit omgevingsplan.
Onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer werd bij de bescherming tegen trillinghinder verwezen naar de begrippen «geluidgevoelige ruimten» en «verblijfsruimten», bedoeld in de voormalige Wet geluidhinder. Het Bkl bevat eigen begrippen «trillinggevoelige gebouwen» en «trillinggevoelige ruimten». Deze gelden op grond van artikel 1.1, eerste lid, van dit omgevingsplan.
Overigens is het begrip trillinggevoelige ruimte in het Bkl wel anders gedefinieerd dan een geluidgevoelige ruimte in de voormalige Wet geluidhinder en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Zo heeft de oude regelgeving het over een keuken van ten minste 11 m2. Die ondergrens van 11 m2 vervalt. Een trillinggevoelige ruimte wordt gedefinieerd als een verblijfsruimte of verblijfsgebied van een aangewezen gebruiksfunctie. In de praktijk kunnen dus kleine verschillen optreden. Als dit bij toepassing van de omgevingsplanregels van rijkswege in een concreet geval een probleem oplevert, dan kan dit opgelost worden met maatwerkvoorschriften.
onderdeel b
Met dit artikel wordt bepaald dat deze paragraaf niet geldt voor trillingen in een trillinggevoelig gebouw dat tijdelijk is toegelaten.
In artikel 22.83, tweede lid, onder b is de uitzondering opgenomen dat deze paragraaf niet geldt voor trillingen in een trillinggevoelig gebouw dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan 10 jaar.
Op grond van dit artikel, geldt die uitzondering alleen voor een trillinggevoelig gebouw dat na de inwerkingtreding van de Omgevingswet is toegelaten voor een duur van niet meer dan 10 jaar, waarbij getoetst is aan de kwalitatieve norm «aanvaardbaar» uit artikel 5.83, tweede lid, van het Bkl.
Onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer golden de trillingnormen voor de gehele inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Dus voor het samenstel van activiteiten die binnen de inrichting plaatsvonden. Deze bepaling beoogt hetzelfde. Wanneer op een locatie meerdere, onderling samenhangende activiteiten worden verricht, gelden de waarden voor trillingen voor dit samenstel van activiteiten. Dit is bijvoorbeeld aan de orde als de activiteiten behoren tot een bedrijf. Dit artikel geeft aan welke clustering van activiteiten als één activiteit beschouwd moet worden. Dit kunnen twee milieubelastende activiteiten zijn die elkaar functioneel ondersteunen. Uit de systematiek van het Bal volgt al dat een milieubelastende activiteit die is aangewezen in de paragrafen 3.3 tot en met 3.11, bestaat uit de kernactiviteit, inclusief functioneel ondersteunende activiteiten. Dit is ook zo als die functioneel ondersteunende activiteiten zelf ook als milieubelastende activiteit in hoofdstuk 3 aangewezen zijn. Ook twee of meer milieubelastende activiteiten op één locatie die rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan worden op grond van dit artikel beschouwd als één activiteit.
De inhoud van dit artikel wijkt af van artikel 5.82 in het Bkl. Dit is gedaan om de omgevingsplanregels van rijkswege beter aan te laten sluiten bij de situatie zoals die was onder het oude recht.
Deze bepaling beoogt niet het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, bedoeld in artikel 22.41, uit te breiden. Deze bepaling trekt een activiteit, zoals bijvoorbeeld landbouwvoertuigen op de weg, niet alsnog «binnen» de activiteit.
Dit artikel bepaalt dat de waarden voor trillingen niet van toepassing zijn op trillingen door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat functioneel verbonden is met de activiteit.
Dit artikel sluit aan bij artikel 5.84 van het Bkl.
Dit artikel bepaalt dat de waarden voor trillingen in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat voorheen onderdeel was van een Wet milieubeheer-inrichting of functioneel verbonden was met een agrarische activiteit, niet gelden voor trillingen door die agrarische activiteit in dat trillinggevoelige gebouw.
Het gebouw blijft wel beschermd tegen trillingen, veroorzaakt door andere omliggende activiteiten.
Onderdeel a
Onderdeel a regelt dit voor zogenaamde «plattelandswoningen» die in het tijdelijke deel van het omgevingsplan als zodanig zijn aangewezen. Dit was onder het oude recht bepaald in de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (artikel 1.1a) en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 1.3c).
Onderdeel b
Onderdeel b regelt dit voor trillingen door een agrarische activiteit, voor een gebouw met een voormalige functionele binding in het nieuwe deel van het omgevingsplan.
In een situatie als bedoeld onder b wordt in het omgevingsplan of in de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, voor de woning waar het om gaat (of ander trillinggevoelig gebouw), bepaald dat deze woning geen bescherming geniet via waarden tegen trillinghinder door de agrarische activiteit waarmee de woning voorheen was verbonden.
Onderdeel b van deze bepaling voorziet erin dat de waarden voor trillingen uit dit omgevingsplan, die gelden voor de agrarische activiteit, ook daadwerkelijk niet gaan gelden in de trillinggevoelige ruimten van de naastgelegen woning die nu geen functionele binding meer heeft.
Dit artikel past binnen de mogelijkheden van artikel 5.85 van het Bkl. Voor een uitgebreidere toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 5.85 van het Bkl en paragraaf 2.3.8, onder «Voormalige bedrijfswoningen», en paragraaf 8.1.3 onder «Functioneel verbonden en functioneel ondersteunende gebouwen en locaties», van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Bkl.
Over de verhouding tussen de standaardwaarde A1 enerzijds en standaardwaarden A2 en A3 anderzijds wordt het volgende opgemerkt. Bij de continue trillingen moet in eerste instantie worden voldaan aan waarde A1 wat betreft het maximaal optredende trillingniveau (uitgedrukt als trillingssterkte Vmax). Als daar niet aan kan worden voldaan, mag het maximaal optredende trillingniveau weliswaar hoger zijn dan waarde A1, namelijk A2, maar dan moet het gemiddelde trillingniveau (uitgedrukt als trillingssterkte Vper) wel onder een bepaalde waarde (A3) blijven. Met andere woorden: er wordt voldaan aan de waarden als:
-de waarde van de maximale trillingssterkte in een ruimte (Vmax) kleiner is dan A1, of als
-de waarde van de maximale trillingssterkte in een ruimte (Vmax) kleiner is dan A2 waarbij de trillingssterkte over de beoordelingsperiode voor deze ruimte (Vper) kleiner is dan A3.
Deze systematiek is een voortzetting van die onder het voorheen geldende recht. In artikel 2.23 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer werd verwezen naar tabel 2 van de Meet- en beoordelingsrichtlijn voor trillingen, deel B. Dat is de richtlijn Meet- en beoordelingsrichtlijnen voor trillingen, deel B «Hinder voor personen in gebouwen» van de Stichting Bouwresearch Rotterdam. De waarden voor continue trillingen zijn ontleend aan tabel 2 van deze richtlijn.
Degene die de activiteit verricht waardoor continue trillingen worden veroorzaakt, heeft dus de keuze tussen voldoen aan de waarden onder A1, of aan de waarden onder A2 én A3 zoals opgenomen in dit omgevingsplan.
Deze meet- en rekenvoorschriften voor trillingen worden landelijk geregeld op grond van artikel 4.1, tweede lid, van de Omgevingswet. In dit omgevingsplan zijn dus in principe geen verwijzingen nodig naar deze meet- en rekenvoorschriften. Dit is in dit geval wel gedaan voor de leesbaarheid van de regelgeving. In artikel 6.11 van de Omgevingsregeling staan deze meet- en rekenbepalingen voor trillingen.
In paragraaf 22.3.6 wordt qua vorm zoveel mogelijk aangesloten bij die van de instructieregels in paragraaf 5.1.4.6 van het Bkl. Materieel zijn de artikelen uit deze paragraaf gelijkwaardig aan die in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
Activiteiten
Deze paragraaf is van toepassing op geur door alle milieubelastende activiteiten die onder het algemeen toepassingsbereik, bedoeld in artikel 22.41, van dit omgevingsplan vallen.
Geurgevoelige objecten
Deze paragraaf is van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig object.
Uit de begripsomschrijving in bijlage I bij dit omgevingsplan volgt dat een geurgevoelig object is:
1. een geurgevoelig object zoals bedoeld in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de voormalige Wet geurhinder en veehouderij; en
2. een geurgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is maar op grond van dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteiten mag worden gebouwd.
Het begrip geurgevoelig gebouw is omschreven in artikel 5.91 van het Bkl.
Het begrip geurgevoelig object is anders dan het begrip geurgevoelig gebouw in het Bkl. Meer uitleg over het verschil tussen de twee begrippen staat in de toelichting op het begrip geurgevoelig object zoals opgenomen in bijlage I bij dit omgevingsplan.
Het Bkl biedt wel de flexibiliteit om het begrip geurgevoelig gebouw uit te breiden naar gebouwen die nu ook vallen onder het begrip geurgevoelig object. Het gaat hierbij om gebouwen waar hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen.
Dit artikel sluit aan bij artikel 5.90 van het Bkl. Daarin zijn geurgevoelige gebouwen die zijn toegelaten voor de duur van niet meer dan tien jaar, uitgesloten van het toepassingsbereik van de bepalingen over geur in dat besluit
In artikel 5.90 van het Bkl zijn geurgevoelige gebouwen die zijn toegelaten voor de duur van niet meer dan tien jaar, uitgesloten van het toepassingsbereik van de bepalingen over geur in dat besluit. In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer kregen deze gebouwen dezelfde bescherming tegen geurhinder als alle andere geurgevoelige objecten.
Dit artikellid zorgt ervoor dat de tijdelijke geurgevoelige objecten die toegelaten zijn op grond van het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet, wel bescherming in de vorm van geurwaarden en afstandseisen blijven houden. Dit tot het moment dat bij:
-het vaststellen van het nieuwe deel van dit omgevingsplan; of
-het verlenen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit;
beoordeeld is dat de situatie ook zonder geldende waarde of afstanden voor geur op het tijdelijke geurgevoelige gebouw aanvaardbaar is.
Onderdeel b van het tweede lid gaat over geprojecteerde en in aanbouw zijnde geurgevoelige gebouwen die op grond van het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet toegelaten zijn. Deze gebouwen krijgen op grond van dit onderdeel geen bescherming voor geur. Het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer bood namelijk geen bescherming voor geur aan geplande, maar nog te bouwen gebouwen.
Geurgevoelig gebouw of object
|
Activiteit
|
op grond van het oude recht (in het tijdelijke deel van het omgevingsplan), toegelaten maar nog niet gebouwd | de waarden en afstanden voor geur zijn niet van toepassing |
in het nieuwe deel van het omgevingsplan, toegelaten maar nog niet gebouwd | de waarden en afstanden voor geur zijn wel van toepassing |
geurgevoelig object dat op grond van het oude recht (in het tijdelijke deel van het omgevingsplan) is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar. | de waarden en afstanden voor geur zijn wel van toepassing |
geurgevoelig gebouw dat in het nieuwe deel van het omgevingsplan is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar. | de waarden en afstanden voor geur zijn niet van toepassing |
Dit artikel regelt waar de waarden of afstanden gelden die voor geur door een activiteit op een geurgevoelig object gelden. Als het geurgevoelige gebouw al gerealiseerd is, gelden de waarden of afstanden op of tot de gevel van het geurgevoelige gebouw (onderdeel a). Als het geurgevoelige gebouw nog niet gerealiseerd is, gelden de waarden of afstanden op of tot de plaats waar de gevel van het geurgevoelige gebouw mag worden gerealiseerd (onderdeel b).
Voor woonwagens en woonschepen geldt dat, anders dan bij andere geurgevoelige objecten, de waarden gelden op een begrenzing van de locatie. De woonwagen en het woonschip wordt dus niet zelf beschermd, maar de locatie waarop de woonwagen of het woonschip geplaatst kan worden. Dit heeft te maken met de verplaatsbaarheid van de woonwagen en het woonschip binnen de locatie en de lagere eisen aan de gevels van zulke gebouwen.
Dit artikel sluit aan bij de artikelen 5.93 en 5.94 van het Bkl.
Dit artikel bepaalt dat de waarden voor geur niet van toepassing zijn op de geur door een activiteit op een geurgevoelig object dat een functionele binding heeft met die activiteit. Dit artikel sluit aan bij artikel 5.95 van het Bkl.
Dit artikel bepaalt dat voor een geurgevoelig object dat voorheen onderdeel was van de Wet milieubeheer-inrichting of functioneel verbonden was met een agrarische activiteit, de afstanden en waarden voor geur door die agrarische activiteit niet gelden. Het gebouw blijft wel beschermd tegen geur, veroorzaakt door andere omliggende bedrijven.
Onderdeel a
Onderdeel a regelt dat de afstanden en waarden voor geur door een activiteit niet gelden voor de zogenaamde «plattelandswoningen» die in het tijdelijke deel van het omgevingsplan als zodanig zijn aangewezen. Dit was onder het oude recht bepaald in de bepalingen van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij (artikel 2, derde lid) en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 1.3c).
Onderdeel b
Onderdeel b regelt dat de afstanden en waarden voor geur voor een agrarische activiteit niet gelden voor een gebouw met een voormalige functionele binding in het nieuwe deel van het omgevingsplan.
Dit betekent dat in dit omgevingsplan of in de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, voor de woning waar het om gaat (of ander geurgevoelig gebouw), wordt bepaald dat deze woning geen bescherming krijgt tegen geurhinder door de agrarische activiteit waarmee de woning voorheen was verbonden, via waarden of afstanden.
Onderdeel b van deze bepaling voorziet er vervolgens in dat de waarden en afstanden voor geur uit dit omgevingsplan die gelden voor de agrarische activiteit, niet gaan gelden op de gevel van de naastgelegen woning die nu geen functionele binding meer heeft.
Dit artikel past binnen de mogelijkheden van artikel 5.96 Bkl. Voor een uitgebreidere toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 5.96 Bkl en paragraaf 2.3.8, onder «Voormalige bedrijfswoningen», en paragraaf 8.1.3 onder «Functioneel verbonden en functioneel ondersteunende gebouwen en locaties», van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Bkl.
De bepalingen in deze paragraaf van het tijdelijke deel van het omgevingsplan stellen waarden of minimumafstanden voor geur voor een individuele activiteit. In de paragrafen voor het houden van landbouwhuisdieren gaat het om een waarde of minimumafstanden voor een individuele veehouderij en alleen vanwege dierenverblijven. Hierbij is geen rekening gehouden met cumulatie van geur, veroorzaakt door meerdere veehouderijen in een gebied of cumulatie door meerdere bronnen binnen de veehouderij. Cumulatie kan een reden zijn om strengere eisen te stellen dan de waarden of afstanden die afgeleid zij van een individuele activiteit. Op grond van het Bal is het houden van landbouwhuisdieren in veel gevallen vergunningplichtig. Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit moet bij het beoordelen van de significante milieuverontreiniging, bedoeld in artikel 8.9 van het Bkl, rekening worden gehouden met cumulatie van geur. Dat kan leiden tot strengere vergunningvoorschriften dan de regels in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Bij niet-vergunningplichtige veehouderijen kunnen strengere eisen zo nodig in een maatwerkvoorschrift worden vastgelegd.
Bij het opnemen van omgevingsplanregels in het nieuwe deel van het omgevingsplan moet op grond van artikel 5.92, eerste lid, van het Bkl, cumulatie betrokken worden. Dat kan leiden tot strengere regels in het nieuwe deel dan de regels van het tijdlijke deel. Als in het nieuwe deel van het omgevingsplan waarden worden opgenomen waarbij cumulatie al is meegewogen, zal bij het verlenen van de omgevingsvergunningen in beginsel geen noodzaak bestaan om in de vergunning strengere eisen op te nemen. Een andere mogelijkheid is dat in situaties waarin er een vergunningplicht voor een veehouderijen op grond van het Bal geldt, ook het nieuwe deel van het omgevingsplan expliciet uit zal gaan van geurhinder als gevolg van de geurbelasting door de individuele activiteit, en de beoordeling van cumulatieve geurbelasting overlaat aan het traject van vergunningverlening. In dat geval zullen omgevingsvergunningen in cumulatieve situaties strengere eisen kunnen bevatten.
Indeling paragraaf
Bij de indeling van de paragraaf is in hoofdlijnen de structuur van paragraaf 5.1.4.6.3 «Geur door het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf» van het Bkl gevolgd. Materieel zijn de artikelen uit deze paragraaf gelijkwaardig aan die van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
De paragraaf stelt regels voor:
-landbouwhuisdieren met geuremissiefactor; en
-landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony's voor het berijden.
Verhouding Activiteitenbesluit milieubeheer en Wet geurhinder en veehouderij in dit omgevingsplan.
Deze paragraaf is de voortzetting van de artikelen 3.115 tot en met 3.121 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de regels van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij. Tussen bovenstaande regels van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de voormalige Wet geurhinder en veehouderij, bestonden enkele kleine inhoudelijke verschillen. Zo is de zogenaamde 50%-regeling in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer vereenvoudigd ten opzichte van die in de voormalige Wet geurhinder en veehouderij. Voor dezeparagraaf van het omgevingsplan is aangesloten bij de inhoud van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Ook is artikel 3.116, derde lid, uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer in deze omgevingsplanregels van rijkswege overgenomen. Zo'n bepaling kende de voormalige Wet geurhinder en veehouderij niet.
Vergunningplichtige activiteiten
De regels van deze paragraaf gelden voor alle activiteiten die vallen onder artikel 22.41 van dit omgevingsplan, waaronder milieubelastende activiteiten die vergunningplichtig zijn op grond van hoofdstuk 3 van het Bal. Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet blijven bestaande omgevingsvergunningen voor milieu op grond van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, voor het houden van landbouwhuisdieren of paarden die gehouden worden voor het berijden in dierenverblijven hun gelding houden. Dat geldt ook voor de zogenoemde verleende omgevingsvergunningen beperkte milieutoets. De waarden en afstanden in deze paragraaf gelden alleen voor het beginnen met of wijzigen of uitbreiden van een dierenbedrijf. Of de situatie overbelast is, maakt niet uit zolang het bedrijf niet wordt uitgebreid of gewijzigd.
Voorrang voor geurverordening
Ook is voor deze paragraaf de voorrangsbepaling in artikel 22.1, eerste lid, van dit omgevingsplan van belang. Op grond van artikel 6 van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij hebben veel gemeenten in een zogenoemde geurverordening, concentratiegebieden aangewezen of andere waarden of afstanden opgenomen voor het houden van landbouwhuisdieren dan de waarden of afstanden in deze paragraaf van het omgevingsplan. Deze geurverordening maakt op grond van artikel 4.6, eerste lid, onder e, van de Invoeringswet Omgevingswet, deel uit van het tijdelijke omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet. Op grond van artikel 22.1, eerste lid, van dit omgevingsplan, gelden die andere waarden of afstanden uit de geurverordening in plaats van de waarden of afstanden in deze paragraaf.
Deze paragraaf gaat over beginnen, wijzigen of uitbreiden van het houden in een dierenverblijf van landbouwhuisdieren en paarden en pony's die gehouden worden voor het berijden. Paarden en pony's die gehouden worden voor het berijden zijn specifiek benoemd omdat deze niet vallen onder het begrip landbouwhuisdieren in het Bal. Het begrip landbouwhuisdieren in het Bal is op grond van artikel 1.1 van dit omgevingsplan van toepassing op dit omgevingsplan.
Het gaat in deze paragraaf dus om:
landbouwhuisdieren zoals bedoeld in Bijlage I bij het Bal, zijnde:
-zoogdieren of vogels voor de productie van vlees, eieren, melk, wol, pels of veren of paarden of pony's voor het fokken; en
-paarden en pony's die gehouden worden voor het berijden.
Bovenstaande komt overeen met het begrip landbouwhuisdier uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Voor bijvoorbeeld kinderboerderijen, dierentuinen, hondenkennels en volières gelden deze voorschriften niet. Het gaat bij deze bedrijven namelijk niet om het houden van landbouwhuisdieren, omdat deze dieren niet voor de productie worden gehouden. Deze activiteiten vallen wel onder paragraaf 22.3.25. Het fokken, houden of trainen van landbouwhuisdieren of andere vogels of zoogdieren.
Als ondergrens voor het van toepassing zijn van deze paragraaf is aangesloten bij de ondergrenzen zoals die ook golden in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, namelijk: minder dan 10 schapen, 5 paarden en pony's, 10 geiten, 25 stuks pluimvee, 25 konijnen en 10 overige landbouwhuisdieren.
De afstanden zoals opgenomen in deze paragraaf worden gemeten tussen het emissiepunt van het dierenverblijf en het dichtstbijzijnde geurgevoelige object.
Het gaat om het emissiepunt als bedoeld in artikel 4.806, tweede lid, van het Bal. Op grond van dat artikel wordt onder emissiepunt verstaan:
a. het punt waarop een relevante hoeveelheid emissie buiten het dierenverblijf treedt of wordt gebracht; of
b. bij een gedeeltelijk overdekt dierenverblijf: het punt waarop een relevante hoeveelheid emissie buiten het overdekte gedeelte van het dierenverblijf treedt of wordt gebracht.
In artikel 22.103 wordt hier een uitzondering op gemaakt voor de zogenaamde gevel-gevelafstanden.
Dit lid is een voorzetting van artikel 3.115, eerste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 3 van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij. In dit artikel worden de standaardwaarden voor geurbelasting in odour units gegeven voor dierenverblijven met dieren waarvoor een emissiefactor is vastgesteld.
De waarden gelden alleen voor beginnen, wijzigen of uitbreiden. Dit staat in het toepassingsbereik van deze paragraaf. Of de situatie overbelast is, maakt niet uit zolang niet wordt uitgebreid of gewijzigd.
Op grond van bijlage I bij dit omgevingsplan wordt onder landbouwhuisdieren met geuremissiefactor verstaan: landbouwhuisdieren waarvoor een emissiefactor voor geur is vastgesteld en die vallen binnen een van de volgende diercategorieën:
a. varkens, kippen, schapen of geiten; of
b. als deze worden gehouden voor de vleesproductie:
Er wordt net zoals in de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer onderscheid gemaakt tussen geurgevoelige objecten binnen en buiten de bebouwde kom. Het begrip «bebouwde kom» was en is niet gedefinieerd. De grens van de bebouwde kom wordt niet alleen bepaald door de wegenverkeerswetgeving, maar ook door de aard van de omgeving. Binnen een bebouwde kom is de op korte afstand van elkaar gelegen bebouwing geconcentreerd tot een samenhangende structuur. In het Bkl wordt de bebouwde kom vervangen door de bebouwingscontour die in het omgevingsplan moet worden opgenomen, zodat vooraf hierover altijd duidelijkheid is. Gemeenten wijzen dan bebouwingscontouren aan in het omgevingsplan.
Voor dit artikel geldt dat als in een geurverordening op grond van artikel 6 van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij een andere waarde is vastgesteld dan de waarde in dit lid, die andere waarde voorrang heeft op de waarde zoals opgenomen in dit artikel. Dit is geregeld in artikel 22.1, eerste lid, van dit omgevingsplan. Deze voorrang werkt ook door in de volgende artikelen van deze paragraaf, bijvoorbeeld voor het berekenen van de geur in het tweede lid of de eerbiedigende werking in artikel 22.99.
In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer werd voor de manier van berekenen van de geur door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor verwezen naar de ministeriële regeling die op grond van artikel 10 van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij was vastgesteld. In de Omgevingsregeling is deze methode voor het berekenen van de geurwaarden verwerkt in artikel 6.14.
In dit artikel is een regeling opgenomen voor situaties waar op de dag van inwerkingtreding van de Omgevingswet niet voldaan wordt aan de immissiewaarden die gelden op grond van artikel 22.97. De standaardwaarden uit artikel 22.98 gelden niet voor het op een locatie wijzigen of uitbreiden van het aantal of soort landbouwhuisdieren met geuremissiefactor in dierenverblijven, als sprake is van een rechtmatig voor geur overbelaste situatie op het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Er hoeft in dat geval dus niet aan de standaardwaarden te worden voldaan, maar uitbreiden en wijzigen is alleen mogelijk in de volgende gevallen:
1. Zolang de geur op een geurgevoelig gebouw door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op een geurgevoelig object niet toeneemt en het aantal landbouwhuisdieren met geuremissiefactor per diercategorie niet toeneemt. Dit is de voortzetting van de artikelen 3, derde lid, van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en 3.115, tweede lid, onder c, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
2. Als aan de 50%-regeling wordt voldaan.
In rechtmatig toegestane overschrijdingssituaties mag het aantal landbouwhuisdieren met geuremissiefactor per diercategorie niet toenemen, tenzij er een geurbelastingreducerende maatregel getroffen is en de toegestane overschrijding van de geur gehalveerd wordt. Bij het toepassen van de 50%-regeling moet gerekend worden met de waarden zoals opgenomen in het omgevingsplan of in de geurverordening.
Voor wat betreft de geur die rechtmatig veroorzaakt mocht worden, gaat het om de geur die onmiddellijk voorafgaand aan het toepassen van de maatregel rechtmatig mocht worden veroorzaakt. Daarmee is voorzien in de eerbiedigende regeling voor het houden van landbouwhuisdieren in bestaande dierenverblijven waarbij sprake is van een toegestane overschrijdingssituatie.
Dit lid vormt de voortzetting van artikel 3, vierde lid, van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en artikel 3.115, tweede lid, onder b en c, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Voor de 50%-regeling is aangesloten bij de formulering zoals die in artikel 3.115, tweede lid, onder b, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer is opgenomen in plaats van de formulering in artikel 3, vierde lid, van de voormalige Wet geurhinder veehouderij. Hierdoor hoeft niet berekend te worden wat de reductie als gevolg van de geurbelastingreducerende maatregelen zou zijn, gelet op de bestaande (oude) situatie. Dit is eenvoudiger voor de praktijk.
In dit artikel staan de minimumafstanden tussen een dierenverblijf met landbouwhuisdieren waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld en een geurgevoelig object dat hoort of heeft gehoord bij een andere veehouderij of een ruimte-voor-ruimtewoning. Het gaat hier om woningen bij omliggende veehouderijen, woningen bij omliggende veehouderijen die na 19 maart 2000 zijn gestopt of woningen die zijn gebouwd na 19 maart 2000 tegelijk met het (deels) beëindigen van een omliggende veehouderij. De genoemde geurgevoelige objecten krijgen minder bescherming dan andere geurgevoelige objecten, maar er moet wel sprake zijn van een minimaal beschermingsniveau. Dit minimale beschermingsniveau wordt bereikt door een afstand aan te houden van 100 meter tot een object binnen de bebouwde kom en 50 meter tot een object buiten de bebouwde kom. Als niet voldaan wordt aan de minimumafstand, dan moet wel aan artikel 22.98 en artikel 22.99 voldaan worden.
Voor landbouwhuisdieren waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld gelden geen waarden, maar is het uitgangspunt dat afstanden worden aangehouden. Deze afstanden zijn in dit artikel opgenomen. Het gaat hierbij om vaste afstanden: de afstand is niet gekoppeld aan het aantal landbouwdieren.
In dit omgevingsplan wordt onder landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor verstaan: landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen emissiefactor voor geur is vastgesteld met uitzondering van pelsdieren. Deze begripsbepaling staat opgenomen in bijlage I bij dit omgevingsplan.
Dit artikel is een voortzetting van artikel 4, eerste lid, van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en artikel 3.117, eerste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
Voor dit artikel geldt dat als in een geurverordening op grond van artikel 6 van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij een andere afstand is vastgesteld dan de afstand in dit artikel, die andere afstand uit de geurverordening voorrang heeft op de afstand zoals opgenomen in dit artikel. Dit is geregeld in artikel 22.1 van dit omgevingsplan. Deze voorrang werkt ook door in de volgende artikelen van deze paragraaf over de eerbiedigende werking.
In dit artikel is een regeling opgenomen voor situaties waar op de dag van inwerkingtreding van de Omgevingswet niet voldaan wordt aan de vereiste afstanden die gelden op grond van artikel 22.101.
In dat geval is uitbreiden toegestaan als het aantal landbouwhuisdieren per diercategorie zonder geuremissiefactor of het aantal paarden en pony's die gehouden worden voor het berijden, niet toeneemt en de afstand tot een geurgevoelig object niet kleiner wordt.
Dit lid vormt de voortzetting van de artikelen 4, derde lid, van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en 3.117, tweede lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
Dit artikel bevat afstanden gemeten vanaf (de buitenzijde van) de gevel van het dierenverblijf tot de gevel van een geurgevoelig object, de zogenaamde gevel tot gevelafstanden.
De afstanden, bedoeld in dit artikel, gelden naast de waarden die op grond van artikel 22.98 gelden en naast de afstanden die op grond van de artikel 22.100 en artikel 22.101 gelden.
Dit artikel geldt voor het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor en voor landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor en voor het houden van paarden en pony's die gehouden worden voor het berijden. Door dit artikel wordt geborgd dat er altijd een zekere afstand is tussen een geurgevoelig object en een dierenverblijf. Dit onderdeel is een voortzetting van artikel 5, eerste lid, van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en artikel 3.119, eerste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
In dit artikel is een regeling opgenomen voor het wijzigen of uitbreiden van het in een dierenverblijf houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor, voor locaties waar de afstand tussen de gevel van een dierenverblijf voor het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor en een geurgevoelig object rechtmatig kleiner is dan de afstand, bedoeld in artikel 22.103. Dat houdt in dat bij wijzigen of uitbreiden op die locatie, de gevel tot gevelafstand niet mag afnemen, het aantal landbouwhuisdieren met geuremissiefactor per diercategorie niet mag toenemen én de geur op een geurgevoelig gebouw door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor niet mag toenemen. De eisen zoals gesteld onder a, b en c zijn cumulatief.
Dit artikel is de voortzetting van artikel 5, tweede lid, onder a, van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en artikel 3.119, tweede lid, onder a en b, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
In dit artikel is een regeling opgenomen voor een soortgelijke situatie als in artikel 22.104, maar dan voor landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor en paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden. Dat houdt in dat bij wijzigen of uitbreiden op die locatie, de gevel tot gevelafstand niet mag afnemen en het aantal het aantal landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of het aantal paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden niet mag toenemen. De eisen gesteld onder a en b zijn cumulatief.
Dit artikel vormt een voortzetting van de artikelen 1.1, eerste lid, 3.45, eerste lid, en 3.46, eerste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Die artikelen zagen op het opslaan van agrarische bedrijfsstoffen. Dit artikel ziet niet op alle agrarische bedrijfsstoffen, maar enkel op een deel ervan. De regels voor de andere agrarische bedrijfsstoffen zijn elders in subparagraaf 22.3.6.4 geregeld.
Dit artikel geldt voor alle milieubelastende activiteiten die vallen onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, bedoeld in artikel 22.41, waaronder opslag van vaste mest op een weiland of akker.
onderdeel a
Dit artikel geldt niet voor de opslag van vaste mest afkomstig van andere dieren dan landbouwhuisdieren of paarden en pony's die gehouden worden in verband met het berijden, zoals honden, dieren op de kinderboerderij of dieren in dierentuinen. Voor de geurhinder, veroorzaakt door die mestopslagen geldt artikel 22.240.
onderdeel a
Bij het opslaan van minder dan 3 m3 vaste mest, champost of dikke fractie gelden geen eisen, anders dan de specifieke zorgplicht.
onderdeel b
Als vaste mest, champost of dikke fractie korter dan twee weken op één plek opgeslagen ligt, dan is dit artikel niet van toepassing. Wel geldt de specifieke zorgplicht.
onderdeel c
Een opslag van meer dan 600 m3 vaste mest valt niet onder het toepassingsbereik van dit artikel. In artikel 22.262 is aanvullend op deze bovengrens een vergunningplicht opgenomen voor de opslag van meer dan 600 m3 vaste mest.
De afstanden in dit lid komen overeen met de afstanden in artikel 3.46, eerste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
De maatwerkmogelijkheid in artikel 3.46, achtste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer is niet specifiek overgenomen. Dit valt nu onder de generieke maatwerkbevoegdheid van deze afdeling van dit omgevingsplan.
Dit artikel vormt een voortzetting van de artikelen 1.1, eerste lid, 3.45, eerste lid, en 3.46, eerste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Die artikelen zagen op het opslaan van agrarische bedrijfsstoffen. Dit artikel ziet niet op alle agrarische bedrijfsstoffen, maar enkel op substraatmateriaal van plantaardige oorsprong. De regels voor de andere agrarische bedrijfsstoffen zijn elders in subparagraaf 22.3.6.4 geregeld.
Bij het opslaan van minder dan 3 m3 gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong gelden geen eisen, anders dan de specifieke zorgplicht.
De afstanden in dit lid komen overeen met de afstanden in artikel 3.46, eerste lid van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
Dit artikel regelt het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen. Kuilvoer is veevoer dat door inkuilen als wintervoorraad opgeslagen wordt. Kuilgras en snijmaïs kunnen onder meer als kuilvoer gebruikt worden. In bijlage I bij het Bal worden vaste bijvoedermiddelen omschreven als plantaardige restproducten uit de landbouw en tuinbouw. Ook de plantaardige restproducten afkomstig van voedselbereiding en voedselverwerking vallen onder vaste bijvoedermiddelen. Dat geldt niet voor voedselresten afkomstig van restaurants, cateringfaciliteiten en keukens.
Dit artikel vormt een voortzetting van de artikelen 1.1, eerste lid, 3.45, eerste lid, en 3.46, eerste, vijfde en negende lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Die artikelen van dat besluit zagen op het opslaan van agrarische bedrijfsstoffen. Dit artikel ziet niet op alle agrarische bedrijfsstoffen, maar enkel op kuilvoer en vaste bijvoedermiddelen. De afstandseisen voor het opslaan van vaste bijvoedermiddelen en kuilvoer gelden niet als er sprake is van een totaal volume van minder dan 3 m3. Dit is in lijn met de regels uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. In de instructieregels van het Bkl en in het Bal is deze grens van 3 m3 vervallen.
Dit artikel geldt voor alle milieubelastende activiteiten die vallen onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, bedoeld in artikel 22.41. Zo gelden deze regels voor het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen bij bijvoorbeeld een veehouderij, een manege of dierentuin.
Met dit artikellid en de begripsomschrijvingen in het Bal zijn de artikelen 3.50, derde lid, en 3.51, elfde lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer omgezet. Het mestbassin is bovengronds gelegen en kan ook uit een mestzak of foliebassin bestaan. Voor de berekening van de gezamenlijke oppervlakte en de gezamenlijke inhoud worden de oppervlakte en inhoud van mestkelders en ondergrondse mestbassins die zijn voorzien van een afdekking die als vloer fungeert niet meegerekend. Is sprake van meerdere bassins, dan worden deze voor de oppervlakte- of inhoudsbepaling dus bij elkaar opgeteld. Een uitgebreide toelichting over het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie is te lezen in de artikelsgewijze toelichting bij artikel 4.855 van het Bal.
In het Bal staat geen vergunningplicht voor het opslaan van dierlijke meststoffen die verpompbaar zijn in een of meer mestbassins met een gezamenlijke oppervlakte groter dan 750 m2 of een gezamenlijke inhoud groter dan 2.500 m3. Deze vergunningplicht komt wel terug in artikel 22.262 van dit omgevingsplan.
De afstand die ten minste in acht moet worden genomen, is kleiner voor bassins met een (gezamenlijke) oppervlakte kleiner dan 350 m2 dan voor bassins met een (gezamenlijke) oppervlakte van 350 m2 of meer. Verder geldt een kleinere afstand van het bassin tot een geurgevoelig object of een geprojecteerd geurgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met een veehouderij in de directe omgeving dan een te beschermen object zonder die functionele binding met een veehouderij.
Ondanks dat de afstanden in acht worden genomen, kan toch geuroverlast optreden. Het bevoegd gezag heeft dan de mogelijkheid om aanvullende eisen te stellen met maatwerkvoorschriften. Dit kan bijvoorbeeld voor de situering van het mestbassin, het afdekken ervan en de frequentie en tijdstip van de aan- en afvoer. Dit geldt ook voor mestkelders. Met name het leegpompen van mestkelders kan leiden tot geuroverlast.
Dit artikel is van toepassing op een voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten van dierlijke meststoffen. Dit artikel geldt bij alle milieubelastende activiteiten, die vallen onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, bedoeld in artikel 22.41. Zo is dit artikel niet alleen van toepassing bij een bedrijf voor mestbehandeling, als bedoeld in artikel 3.225 van het Bal, maar op alle mestvergistingsinstallaties die voldoen aan de omschrijving in het eerste lid.
Dit artikel is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in het Bal. Een vergunningplicht kan onder meer gelden bij mestverwerking van meer dan 25.000 m3 mest van derden (grootschalige mestverwerking, artikel 3.91 Bal) of als de vergistingsinstallatie onderdeel is van een IPPC- installatie.
Dit lid is een voortzetting van de artikelen 3.129c en 3.129g, eerste en tweede lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Het bepaalde in artikel 3.129g, derde lid, van dat besluit, dat regelde dat bepaalde gebruikseisen bij maatwerkvoorschrift kon worden vastgelegd, valt nu onder de generieke maatwerkbevoegdheid van deze afdeling van dit omgevingsplan. Het stellen van gebruiksregels, ofwel maatwerkvoorschriften, aanvullend op de afstandseis kan nodig zijn om te voldoen aan artikel 5.92 van het Bkl, dat vereist dat de geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Hierbij kan gedacht worden aan maatwerkvoorschriften over:
-de situering van de voorziening;
-het gesloten uitvoeren van de voorziening;
-de ligging en afvoerhoogte van het emissiepunt, wanneer emissies worden afgezogen;
-de toepassing van een doelmatige ontgeuringsinstallatie.
Dit artikel is een voortzetting van de artikelen 1.1, eerste lid, 3.45 en 3.46, eerste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, voor zover het gaat om het opslaan van groenafval inclusief afgedragen gewas (restmateriaal afkomstig van de teelt van gewassen), en de artikelen 3.106 en 3.108, eerste en tweede lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, voor zover het gaat om composteren van groenafval.
Dit artikel ziet op de geur door het composteren of opslaan van groenafval, bedoeld in artikel 4.879 van het Bal.
Dit artikel ziet op de geur door het composteren of opslaan van groenafval, bedoeld in artikel 4.879 van het Bal.
Het bepaalde in de artikelen 3.46, achtste lid, en 3.108, derde lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, dat regelde dat bepaalde gebruikseisen bij maatwerkvoorschrift konden worden vastgelegd, valt nu onder de generieke maatwerkbevoegdheid van deze afdeling van dit omgevingsplan. Het stellen van gebruiksregels aanvullend op de afstandseis kan nodig zijn om te voldoen aan artikel 5.92 van het Bkl. Dat artikel vereist dat de geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is.
In beginsel geldt bij geur die veroorzaakt wordt door de activiteiten, bedoeld in artikel 22.114 tot en met artikel 22.119, de afstanden die in die artikelen zijn genoemd. Deze afstandseisen gelden niet bij «overbelaste situaties». Dit artikel bevat een regeling met «eerbiedigende werking» voor zulke bestaande situaties. Zie voor een nadere toelichting hierover de artikelsgewijze toelichting bij artikel 5.126 van het Bkl.
Als dit artikel van toepassing is, heeft degene die de activiteit verricht op grond van de specifieke zorgplichtbepaling de plicht om maatregelen of voorzieningen te treffen die geurhinder voorkomen of tot een aanvaardbaar niveau beperken. Hierbij kan gedacht worden aan maatregelen over:
-de situering van de plaats van de opgeslagen bedrijfsstoffen;
-het afdekken van de opgeslagen agrarische bedrijfsstoffen; of
-de frequentie van de afvoer van de opgeslagen agrarische bedrijfsstoffen.
In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer stond ook dat degene die de inrichting drijft op verzoek van het bevoegd gezag aangeeft welke maatregelen of voorzieningen hij daarvoor heeft getroffen of zal treffen. Deze gegevens kan het bevoegd gezag ook vragen op grond van de toezichtsbevoegdheden van de Algemene wet bestuursrecht. Deze plicht komt dus niet expliciet terug in de omgevingsplanregels van rijkswege.
Kortheidshalve wordt voor een uitleg over het exploiteren van een zuiveringstechnisch werk verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij artikel 3.173 van het Bal. De verwijzing naar artikel 3.173 van het Bal brengt met zich mee dat het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk ook andere milieubelastende activiteiten omvat die worden verricht op dezelfde locatie die de activiteit functioneel ondersteunen. De activiteiten worden gezien als één activiteit. Er is dan dus geen sprake van cumulatie van geur door verschillende activiteiten.
Dit artikel betreft een voortzetting van artikel 3.5a van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. De regels van subparagraaf 22.3.6.5 kent als gevolg van aansluiting bij het Bal een breder toepassingsbereik ten opzichte van artikel 3.5a van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Artikel 3.5a van het Activiteitenbesluit milieubeheer bepaalde namelijk dat de regels alleen van toepassing waren op zuiveringtechnische werken voor zover het de waterlijn betrof met inbegrip van slibindikking en mechanische slibontwatering.
Deze paragraaf stelt alleen regels voor het voorkomen of het tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder. De regels die zien op andere belangen zijn opgenomen in paragraaf 4.49 van het Bal.
Dit artikel is een voortzetting van artikel 3.5b, eerste en tweede lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
Het tweede lid bevat hogere waarden voor het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk dat is opgericht voor 1 februari 1996, en waarvoor op 1 februari 1996 een vergunning op grond van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer was verleend en onherroepelijk was.
De geurbelasting ter plaatse van geurgevoelige objecten wordt bepaald met behulp van een rekenmethode. In de Omgevingsregeling is deze methode voor het berekenen van de geurwaarden verwerkt in artikel 6.13.
In de Omgevingsregeling is bepaald dat als voor een procesonderdeel in bijlage XXIX bij die Omgevingsregeling geen geuremissiefactor is vastgesteld, de emissie van geur door dat onderdeel wordt bepaald met een geuronderzoek volgens NTA 9065 «Luchtkwaliteit - Geurmetingen - Meten en rekenen geur». Op grond van de algemene maatwerkmogelijkheid in deze afdeling van dit omgevingsplan kan het bevoegd gezag ook een geuronderzoek vragen voor het begin van de activiteit. Het bevoegd gezag kan op grond van deze informatie beoordelen of extra maatregelen moeten worden getroffen om geurhinder zoveel mogelijk te voorkomen.
De waarden die in dit omgevingsplan zijn opgenomen, gelden niet voor de geur door een zuiveringtechnisch werk op bepaalde geurgevoelige objecten als voor het zuiveringtechnisch werk tot 1 januari 2011 een omgevingsvergunning voor een inrichting op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht was verleend en onherroepelijk was. Het gaat daarbij in de eerste plaats om geurgevoelige objecten die op het moment van verlening van de omgevingsvergunning milieu niet aanwezig waren en voor de inwerkingtreding van dit besluit zijn gebouwd (onderdeel a). In de tweede plaats gaat het om geurgevoelige objecten die in de omgevingsvergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht niet als geurgevoelig object werden beschouwd (onderdeel b).
Dit artikel is een voortzetting van artikel 3.5b, zevende lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
Bij wijziging van een zuiveringtechnisch werk mag de geur niet toenemen als voor dat zuiveringtechnisch werk rechtmatig een hogere waarde geldt, dan de waarde, bedoeld in artikel 22.120, eerste lid. De geur mag wel toenemen als die binnen de waarden bedoeld in artikel 22.120, eerste lid blijft.
Deze artikelen regelen dat de eigenaar, erfpachter of gebruiker van een locatie, waarvoor op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift een deklaag of isolatielaag is aangebracht alle maatregelen moet nemen om deze deklaag of isolatielaag in stand te houden, te onderhouden of te vervangen. Dit is een voortzetting van artikel 39e Wet bodembescherming.
Door een bedoelde of onbedoelde handeling kan het resultaat van deze bodemsanering ongedaan gemaakt worden, waardoor bij het dagelijkse gebruik van de locatie blootstelling en contactmogelijkheden met de verontreinigde bodem kunnen ontstaan. De maatregelen kunnen bestaan uit het herstellen van de afdeklaag als deze bijvoorbeeld door werkzaamheden op de locatie beschadigd is geraakt of een te geringe dikte heeft gekregen. Daarom geldt artikel 22.126 zowel voor eigenaar, erfpachter als gebruiker (zoals een huurder).
Ook onder de Omgevingswet is het gewenst dat leeflagen in stand worden gehouden of dat gebruiksbeperkingen in acht worden genomen.
Als een bodemsanering is uitgevoerd door het aanbrengen van een afdeklaag (een leeflaag van schone grond of een duurzaam aaneengesloten verhardingslaag) om blootstelling te voorkomen, dan is het voor de bescherming van de gezondheid van belang dat die afdeklaag in stand blijft. Het gaat in dit artikel om een afdeklaag, die is aangebracht als onderdeel van een sanering zoals bedoeld in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving, een omgevingsplan, een omgevingsvergunning of op basis van een maatwerkvoorschrift.
De regels voor saneren komen in verschillende instrumenten en besluiten terug. Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt de milieubelastende activiteit saneren van de bodem waarbij saneren met een leeflaag/isolatielaag is toegestaan. Ook is het mogelijk dat gemeenten in hun omgevingsplan maatwerkregels stellen of een omgevingsvergunning verplicht stellen voor het saneren van de bodem.
Tweede lid
Tijdelijke beschermingsmaatregelen die zijn genomen als gevolg van een toevalsvondst moeten eveneens in stand worden gehouden. Het zijn maatregelen die de bron van verontreiniging niet wegnemen, maar de blootstellingsroute (blijven) blokkeren. Hiervoor geldt hetzelfde als bij het eerste lid. Deze regel is gelijkwaardig aan de tijdelijke beveiligingsmaatregelen bij zeer ernstige verontreiniging (artikel 37, vierde lid, van de Wet bodembescherming).
Deze paragraaf heeft betrekking op graven in de bodem in een omvang die kleiner is dan of gelijk aan 25 m3 (ook wel aangeduid als kleinschalig grondverzet) en richt zich op locaties waarbij al via besluitvorming onder de Wet bodembescherming of via het Besluit bodemkwaliteit is vastgesteld dat de bodem verontreinigd is met één of meerdere stoffen tot boven de interventiewaarde bodemkwaliteit in een omvang groter dan 25 m3 . Het idee is dat de gemeente de algemene verwijzing naar locaties in het tijdelijke deel van het omgevingsplan via artikel 22.127 op een gegeven moment vervangt door de regels via coördinaten aan specifieke locaties te koppelen in het nieuwe deel van het omgevingsplan. Daarbij kunnen gemeenten uiteraard de regels voor minder locaties laten gelden (de locaties die niet meer ernstig-geen spoed zijn eraf halen) of juist voor meer locaties laten gelden (wel ernstig en geen spoed, maar eerder geen beschikking afgegeven). En uiteraard kunnen gemeenten daarbij de regel die voor die locaties geldt aanpassen, voor alle locaties, of alleen voor sommige, of elke locatie een eigen op die locatie toegesneden regel.
In het Besluit activiteiten leefomgeving is voorzien in algemene regels voor de milieubelastende activiteiten graven in de bodem met een kwaliteit beneden de interventiewaarde bodemkwaliteit (paragraaf 4.119) en graven in de bodem boven de interventiewaarde bodemkwaliteit (paragraaf 4.120). In het toepassingsbereik van beide milieubelastende activiteiten is aangegeven dat deze alleen van toepassing zijn als het bodemvolume waarin wordt gegraven meer is dan 25 m3 . De achtergrond hiervan is dat het Rijk geen regels wil stellen over kleinschalig grondverzet.
Onder de Wet bodembescherming voorzag artikel 28 van de Wet bodembescherming in een meldingsplicht als sprake was van voorgenomen handelingen in een geval van ernstige bodemverontreiniging. Een geval van ernstige bodemverontreiniging was onder de Wet bodembescherming gedefinieerd als geval van verontreiniging waarbij de bodem zodanig is of dreigt te worden verontreinigd, dat de functionele eigenschappen die de bodem voor mens, plant of dier heeft, ernstig zijn of dreigen te worden verminderd. In de Circulaire bodemsanering is deze definitie verder uitgewerkt en aangegeven dat sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie van minimaal 25 m3 bodemvolume in het geval van bodemverontreiniging, of 100 m3 poriënverzadigde bodemvolume in het geval van een grondwaterverontreiniging, hoger is dan de interventiewaarde. De Wet bodembescherming kende - in tegenstelling tot de milieubelastende activiteiten voor graven in een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit - geen ondergrens voor de omvang van het grondverzet.
Deze paragraaf stelt een beperkt aantal bepalingen voor kleinschalig grondverzet (omvang bodemvolume kleiner dan 25 m3 ) die plaatsvindt op locaties die onder de Wet bodembescherming werden beschouwd als handelingen in een geval van ernstige bodemverontreiniging. Deze bepalingen komen dus in de plaats van de bepalingen die volgen uit artikel 28 van de Wet bodembescherming.
Deze bepalingen zien op een informatieplicht, enkele inhoudelijke regels aan tijdelijke opslag en afvoer van de grond en verplichte milieukundige begeleiding als een in het kader van een eerder uitgevoerde bodemsanering aangebrachte afdeklaag wordt doorgraven. Deze bepalingen zijn over het algemeen eenvoudig na te leven en leiden met uitzondering van de milieukundige begeleiding bij het doorgraven van een afdeklaag niet of nauwelijks tot extra kosten. Besloten is om geen onderzoeksverplichtingen op te leggen zoals opgenomen in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
In dit artikel staat het toepassingsbereik van deze paragraaf.
Eerste lid
Deze paragraaf heeft in de eerste plaats betrekking op het graven in de bodem in een omvang die kleiner is dan of gelijk is aan 25 m3 en wordt ook wel aangeduid als kleinschalig grondverzet en richt zich op locaties waarbij al via besluitvorming onder de Wet bodembescherming of via het Besluit bodemkwaliteit is vastgesteld dat de bodem verontreinigd is met één of meerdere stoffen tot boven de interventiewaarde bodemkwaliteit in een omvang groter dan 25 m3 . In het eerste lid is ook aangegeven op welke locaties de paragraaf daarnaast van toepassing is.
In onderdeel a staat vermeld dat het gaat om locaties waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking als bedoeld in artikel 29 van de Wet bodembescherming is verleend, waarin is vastgesteld dat sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging zonder dat sprake is van actuele risico's voor mens, plant of dier of verspreiding van het grondwater (zogenaamde beschikking ernst en geen spoed). Hiervoor is gekozen omdat voor deze locaties via eerder onderzoek is vastgesteld dat de bodem verontreinigd is tot boven de interventiewaarde en hierover besluitvorming heeft plaatsgevonden. Locaties die op grond van de artikelen 29 en 37 van de Wet bodembescherming zijn beschikt als ernstig waarbij de sanering spoedeisend is (ernst en spoed) vallen niet onder het toepassingsbereik omdat deze locaties onder het overgangsrecht voor de Wet bodembescherming blijven vallen.
In onderdeel b staat vermeld dat het gaat om locaties of gebieden waar de bodem op grond van een bodemkwaliteitskaart, vastgesteld op grond van artikel 25d, derde lid, van het Besluit bodemkwaliteit (voorheen artikel 57 van het oude Besluit bodemkwaliteit), diffuus is verontreinigd tot boven de interventiewaarde bodemkwaliteit. Voorbeelden hiervan zijn delen van de binnenstad van (grote) steden waarbij de bodem verontreinigd is met enkele metalen (bijvoorbeeld lood, koper of zink). Bij inwerkingtreding van de Omgevingswet, worden bestaande bodemkwaliteitskaarten op grond van artikel 22.1, onder b, van de Omgevingswet, onderdeel van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Gemeenten moeten deze bodemkwaliteitskaarten omzetten naar regels in het nieuwe deel van het omgevingsplan.
Tweede lid
De aangewezen activiteit omvat ook het zeven van de uitkomende grond op dezelfde locatie, of het tijdelijk opslaan en het terugplaatsen na afloop van het tijdelijk uitnemen bij het tijdelijk uitnemen en terugplaatsen. Met zeven wordt veelal puin uit de grond gehaald waardoor de verdichtbaarheid en de civieltechnische toepassingsmogelijkheden worden verbeterd voordat de grond wordt teruggeplaatst of elders wordt toegepast. Dit zeven is niet gericht op kwaliteitsverbetering en wordt bij deze activiteit niet beschouwd als bewerking. Andere bewerkingen van grond vallen onder de milieubelastende activiteit grondbank of grondreinigingsbedrijf, aangewezen in artikel 3.178, eerste lid, onder b.
Met het tijdelijk opslaan van de grond wordt bedoeld het opslaan van de bij het graven vrijkomende grond tijdens de activiteit, voorafgaand aan het terugplaatsen of afvoeren van de grond. Bemalen dat nodig is voor het graven valt niet onder de milieubelastende activiteit, maar is een wateractiviteit.
Derde lid
In het derde lid is aangegeven dat de milieubelastende activiteit zich niet uitstrekt tot graven in de waterbodem. Hiermee komt tot uiting dat deze activiteit zich beperkt tot de landbodem. Onder waterbodem wordt verstaan de bodem van een oppervlaktewaterlichaam waarvan het beheer van de waterkwaliteit bij het Rijk of het waterschap berust. Het graven in de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam waarvan het beheer van de waterkwaliteit bij het Rijk of het waterschap berust, valt niet onder de reikwijdte van de activiteit graven in de waterbodem. Dit betekent dat de regels voor de milieubelastende activiteit graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde wel gelden voor voormalige droge oevergebieden, die als term/aanduiding niet meer terugkomen onder de Omgevingswet.
Dit artikel bevat een informatieplicht. Voordat met het graven wordt begonnen, moet het bevoegd gezag worden geïnformeerd over de activiteit. De informatieplicht uit dit artikel in het omgevingsplan zorgt ervoor dat het bevoegd gezag over kleinschalige grondverzet geïnformeerd wordt. Deze bepaling komt in de plaats van het voormalige artikel 28 uit de Wet bodembescherming dat stelde dat alle handelingen (dus ook kleinschalig grondverzet) die plaatsvinden in een geval van ernstige verontreiniging moeten worden gemeld. Voor grondverzet in een omvang groter dan 25 m3 geldt via de algemene regels uit paragraaf 4.120 (graven in de bodem met kwaliteit boven de interventiewaarde) een meldingsplicht. Voor grondverzet in een omvang kleiner dan of gelijk aan 25 m3 (ook wel aangeduid als kleinschalig grondverzet) geldt op grond van de algemene regels uit deze paragraaf van het Besluit activiteiten leefomgeving geen informatie of meldingsplicht.
Eerste lid
De gegevens en bescheiden worden ten minste een week voor het begin van de activiteit graven aangeleverd. Met deze informatie wordt het bevoegd gezag in kennis gesteld van een aantal praktische gegevens, zodat het voor het bevoegd gezag mogelijk is om toezicht te houden. Uit de verstrekte gegevens en bescheiden moet blijken wat de begrenzing is van de locatie waar de activiteit plaats vindt, de verwachte datum van het begin van de activiteit en de duur van de activiteit.
Tweede lid
Als de verstrekte informatie over begrenzing of de verwachte datum van het begin van de activiteit wijzigt, geeft de initiatiefnemer de wijziging onverwijld door. Dit betekent dat ook als er een wijziging in die gegevens optreedt tijdens de uitvoering van de activiteit, de initiatiefnemer het bevoegd gezag opnieuw moet informeren.
Derde lid
De informatieplicht van dit artikel geldt niet als de activiteit alleen bestaat uit het tijdelijk uitnemen en weer terugplaatsen van de grond.
Vierde lid
De informatieplicht is niet van toepassing als het graven in bodem plaatsvindt in verband met een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur. Hierbij moet gedacht worden aan het herstellen van gasleidingen en (drink)waterleidingen in geval van lekkages of het herstellen van een kabelbreuk (elektriciteit, glasvezels et cetera). Bij een dergelijke spoedreparatie is het niet redelijk en ook niet mogelijk om vooraf een bodemonderzoek uit te voeren en te voldoen aan de termijn van de informatieplicht (een week). Daarom komt in die situatie een beperkte informatieplicht achteraf in plaats van een meldingsplicht en onderzoek vooraf. De hoeveelheid te ontgraven grond moet proportioneel zijn voor het uitvoeren van een spoedreparatie. Op het uitvoeren van spoedreparaties is uiteraard wel de specifieke zorgplicht van artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing. Van de initiatiefnemer wordt verwacht dat hij zich inspant om zelf te beoordelen of zijn handelen nadelige gevolgen heeft en hoe hij de gevolgen redelijkerwijs kan voorkomen of beperken. Als bijvoorbeeld bekend is - of visueel eenvoudig is vast te stellen - dat er verschil is in de kwaliteit van de grond, worden de verschillende lagen voorzichtigheidshalve gescheiden gehouden.
Dit artikel staat de tijdelijke opslag van vrijkomende grond toe gedurende de looptijd van de werkzaamheden en gedurende maximaal acht weken na het beëindigen van de werkzaamheden, mits de partijen van verschillende kwaliteitsklassen gescheiden worden opgeslagen.
Tijdens of na afloop van graven kan het noodzakelijk zijn om de grond tijdelijk op te slaan, bijvoorbeeld omdat de grond tijdelijk uitgenomen wordt en na afloop van de werkzaamheden weer wordt teruggebracht in het oorspronkelijk ontgravingsprofiel of omdat de grond naar elders moet worden afgevoerd. De periode van acht weken is bedoeld om een afvoerbestemming te vinden voor de partij grond. Het is niet toegestaan om de grond langer dan acht weken na het dichten van de ontgravingsput of cunet op te slaan. Als het voornemen bestaat om de grond langer dan de toegestane periode op te slaan of de vrijgekomen grond op een andere locatie dan de ontgravingslocatie op te slaan, gelden de regels voor het opslaan van grond en baggerspecie van paragraaf 3.2.24 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Dit artikel bevat geen regels die verplichten tot maatregelen om te voorkomen dat de bodem ter plaatse van de tijdelijke opslag verontreinigd raakt, of dat emissies zich verspreiden naar de omgeving. De achtergrond hiervan is dat de opslag doorgaans een kortdurend karakter kent en plaatsvindt op de locatie van ontgraving, waardoor meestal de uitkomende grond een vergelijkbare kwaliteit heeft als de onderliggende bodem. Het nemen van bodembeschermende maatregelen als het aanbrengen van een folie is in principe niet nodig. Dit kan anders zijn als de uitgegraven grond een slechtere kwaliteit heeft, bijvoorbeeld bij de ontgraving van een spot met minerale olie verontreinigde grond. In dat geval kan van de initiatiefnemer op basis van de specifieke zorgplicht van artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving verwacht worden dat maatregelen worden genomen ter bescherming van de onderliggende bodem, zoals het aanbrengen van een folie. Een ander voorbeeld is dat als sprake is van droge condities het noodzakelijk is dat voorkomen moet worden dat verwaaiing of verstuiving van het opgeslagen materiaal kan plaatsvinden. Dit kan gerealiseerd worden door het vochtig houden van de grond, het afdekken van het depot of door het opslaan van grond in dichte containers.
Dit artikel regelt in welke situaties de activiteit onder milieukundige begeleiding moet plaatsvinden. Milieukundige begeleiding is noodzakelijk als de graafwerkzaamheden dieper reiken dan een eerder in het kader van een bodemsanering aangebrachte afdeklaag zoals bijvoorbeeld een leeflaag of andere duurzame afdeklaag. De milieukundige begeleiding moet uitgevoerd worden volgens de BRL SIKB 6000. Tijdens de milieukundige begeleiding houdt de milieukundige begeleider een logboek bij. Na afloop van de activiteit rapporteert de milieukundige begeleider in het evaluatieverslag milieukundige processturing volgens de BRL SIKB 6000.
Volgens de BRL SIKB 6000 is een continue aanwezigheid van de milieukundige doorgaans niet noodzakelijk. De milieukundige moet aanwezig zijn bij kritische werkzaamheden, dus bij die werkzaamheden die van invloed kunnen zijn op de kwaliteit van de leefomgeving. In dit geval is het moment van doorgraven en weer herstellen van de afdeklaag het kritische moment.
Deze paragraaf is van toepassing op locaties waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking als bedoeld in artikel 29 van de Wet bodembescherming is verleend, waarin is vastgesteld dat het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging niet leidt tot zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is.
Degene die op de locatie, bedoeld in artikel 22.131, een activiteit verricht, neemt in het belang van bescherming van de bodem maatregelen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd om verdere verontreiniging van de bodem te voorkomen of te beperken, of - als en voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is als onderdeel van een activiteit die wordt verricht - ongedaan te maken. Zie verder hierna over de mogelijkheden en beperkingen van dit artikel. Er geldt een licht beschermingsregime voor deze bekende verontreinigde locaties in afwachting van sanering, net als onder de Wet bodembescherming.
Dit artikel heeft betrekking op zogenoemde niet-spoed locaties, zoals deze waren beschikt als saneringsgeval op grond van de Wet bodembescherming. In de toelichting bij de Aanvullingswet bodem is aangegeven dat de beschikking niet-spoed als zodanig bij inwerkingtreding van de Omgevingswet vervalt. Er is overgangsrecht geregeld voor onder meer gebruiksbeperkingen op grond van artikel 37, vierde lid, van de Wet bodembescherming (artikelen 3.1 en 3.2 Aanvullingswet bodem).
Voor de spoedlocaties is overgangsrecht opgenomen in de Aanvullingswet bodem (artikel 3.1), zodat daarvoor de bestaande regels bij of krachtens de Wet bodembescherming blijven gelden. Locaties met een verontreiniging boven de interventiewaarde die onder de Wet bodembescherming waren aangemerkt als niet-spoed worden in het nieuwe stelsel, net als onder de Wet bodembescherming, gesaneerd op een natuurlijk moment, meestal bouwen. Het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Besluit activiteiten leefomgeving en dit omgevingsplan regelen dat saneren een voorwaarde is voor het bouwen en de saneringsaanpak. De milieubelastende activiteit graven regelt hoe om te gaan met graven in verontreiniging boven de interventiewaarde. Bij deze activiteiten is een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift mogelijk bijvoorbeeld als een bronaanpak aan de orde is die om een specifieke saneringsaanpak vraagt.
Artikel 22.132 heeft een tweeledig doel. Ten eerste om de in het verleden beschikte locaties, die niet onder overgangsrecht vallen, kenbaar te houden onder de Omgevingswet en het instrumentarium van de Omgevingswet te kunnen toepassen. Ten tweede om een (licht) beschermingsregime van toepassing te laten zijn op deze locaties, aangezien het gaat om niet eerder gesaneerde locaties waar nog bodemverontreiniging aanwezig is.
Ten behoeve van het eerste doel (kenbaarheid) is het mogelijk om met een maatwerkvoorschrift een individuele locatie te koppelen aan deze algemene regel in dit omgevingsplan, wat het voor de huidige of toekomstige eigenaar beter inzichtelijk maakt. Bij inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn maatwerkvoorschriften namelijk (nog) niet zichtbaar in DSO met de zogenoemde «klik op de kaart». Het inzien van de (voormalige) registratie van de niet-spoed beschikkingen in het Kadaster blijft nodig om het volledige beeld te hebben van de exacte locaties (gekoppeld aan kadastrale percelen) waar dit artikel op van toepassing is.
Voor wat betreft het tweede doel (beschermen in afwachting van sanering) geldt dat het mogelijk is om het lichte basisregime dat geldt op deze locaties te concretiseren, verder aan te vullen of toe te spitsen op de individuele locatie. Dat kan door middel van een maatwerkvoorschrift, dat voor een initiatiefnemer voldoende concreet maakt welke actie het bevoegd gezag verwacht. Bij de activiteiten bouwen, saneren of graven voorziet de Omgevingswet al in die mogelijkheid, daarom heeft dit artikel vooral betekenis als sprake is van een andere activiteit dan bouwen, saneren of graven. Ook kan dit basisregime een aangrijpingspunt bieden voor een individueel maatwerkvoorschrift om in sommige situaties van een initiatiefnemer te verlangen dat die als onderdeel van een voorgenomen activiteit van de gelegenheid gebruik maakt om aanwezige verontreiniging van de bodem te verwijderen of mitigerende maatregelen te treffen. Gelet op die inkadering is voornamelijk gedoeld op situaties waarin de extra moeite en kosten van het beperken of verwijderen van verontreiniging niet onevenredig belastend zijn voor de initiatiefnemer. Dit basisregime is zodanig ingekaderd dat er geen sprake is van een zelfstandige saneringsplicht.
Onder verontreiniging van de bodem wordt ook verstaan de verontreiniging van het grondwater, maar aangezien grondwaterkwaliteit primair tot de taken en bevoegdheden van de provincie ligt het voor de hand dat het vooral gaat om de vaste bodem en eventuele bronnen van verontreiniging die zich verspreiden naar het grondwater.
Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van grondwater afkomstig van een bodemsanering of grondwatersanering of een onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering, en op het lozen van grondwater afkomstig van ontwatering. Bij dat laatste kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een bouwputbemaling.
Lozingen afkomstig van onderzoeken voorafgaand aan bodemsaneringen zijn geregeld in het Bal. In paragraaf 6.2 van de nota van toelichting bij het (voorgenomen) Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet is ingegaan op de keuze om voor grondwatersaneringen geen algemene rijksregels meer te stellen.
Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Daarbij worden de aard en omvang van de lozing aangegeven, zoals de te lozen hoeveelheid afvalwater en de concentraties van stoffen die in het afvalwater worden verwacht. Het bevoegd gezag moet eveneens worden geïnformeerd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.
De plicht om het bevoegd gezag te informeren geldt niet voor lozingen bij ontwatering (bijvoorbeeld bronbemalingen) van minder dan 48 uur, of bij lozingen vanuit huishoudens. Voor lozingen bij ontwatering met een duur tussen 48 uur en 8 weken geldt een afwijkende termijn voor het verstrekken van gegevens en bescheiden: 5 werkdagen in plaats van 4 weken.
Afvalwater afkomstig van het saneren van de bodem of het grondwater (of een aan een grondwatersanering voorafgaand onderzoek) is qua biologische afbreekbaarheid niet vergelijkbaar met huishoudelijk afvalwater. In lijn met de voorkeursvolgorde voor het omgaan met afvalwater, opgenomen in artikel 10.29a van de Wet milieubeheer, heeft het de voorkeur om dit afvalwater na zuivering lokaal terug te brengen in het milieu en niet af te voeren naar de RWZI (rioolwaterzuiveringsinstallatie) via het openbare vuilwaterriool. Daarom is in dit artikel het lozen op of in de bodem of in een schoonwaterriool (ieder riool dat geen vuilwaterriool is) toegestaan. Deze paragraaf geldt ook voor lozingen afkomstig van milieubelastende activiteiten als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Bal. In dat geval zijn de regels van deze paragraaf maatwerkregels op grond van artikel 2.12 van dat besluit.
Bij het saneren kunnen, naast het positieve milieueffect dat de sanering heeft, ook nadelige gevolgen optreden. Om de nadelige gevolgen voor de bodem of de oppervlaktewaterkwaliteit van bij het saneren vrijkomend afvalwater te beperken, zijn in dit artikel emissiegrenswaarden opgenomen voor het lozen daarvan. Vaak wordt dit water ter plaatse gezuiverd. Het afvalwater wordt vervolgens in de bodem of een schoonwaterriool geloosd.
In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en het voormalige Besluit lozen buiten inrichtingen was ook bepaald dat het afvalwater doelmatig moest kunnen worden bemonsterd. Die regel is nu opgenomen in de specifieke zorgplicht in deze afdeling.
Grondwater bij ontwatering is de algemene term voor grondwater dat vrijkomt bij bijvoorbeeld bronneringen en water uit drainagebuizen. Dit kunnen kleinschalige activiteiten betreffen die na een paar uur zijn afgerond, maar ook grootschalige projecten (vooral in de bouw) die jaren duren en waar zeer grote hoeveelheden grondwater worden weggepompt.
De regeling voor het lozen van grondwater heeft de voorkeursvolgorde voor het beheer van afwater (artikel 10.29a van de Wet milieubeheer) als uitgangspunt. Over het algemeen kan het grondwater dat lokaal bij ontwatering vrijkomt zonder problemen lokaal in het milieu teruggebracht worden. Maar het is niet uitgesloten dat afhankelijk van de locatie waar het vrijkomt grondwater in enige mate verontreinigd kan zijn of van nature stoffen bevat, waarvan de lozing bezwaarlijk kan zijn. Veelal is dit lokaal bekend uit gegevens bij het bedrijf zelf of bij de overheid. Het behoort tot de verantwoordelijkheid van degene die loost om de gemeente te informeren over de bekende gegevens over de samenstelling en eventuele verontreiniging van het grondwater. Dit is met name van belang daar waar de samenstelling van het grondwater afwijkt van de in het gebied voorkomende grondwaterkwaliteit. Bij twijfel over de vraag of hiervan sprake zou kunnen zijn, is het raadzaam om contact op te nemen met de gemeente om na te gaan of er in dit gebied nog stoffen in de bodem aanwezig zijn, waarvan lozing tot problemen zou kunnen leiden. Dit artikel is niet van toepassing op lozingen van grondwater bij de activiteit wonen, omdat het voormalige Besluit lozing afvalwater huishoudens geen inhoudelijke regels over deze lozingen kende. Voor wonen wordt daarom volstaan met de specifieke zorgplicht van deze afdeling.
In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. Er zijn normen opgenomen voor het bemonsteren, conserveren en ontsluiten. Ook zijn de analysemethoden die moeten worden gebruikt voor de stoffen waaraan in deze paragraaf emissiegrenswaarden worden gesteld voorgeschreven. De versies van de NEN-EN-normen zijn opgenomen in de begripsbepalingen van bijlage I.
Als er wordt bemonsterd, moeten de monsters volgens NEN 6600-1 worden geconserveerd om te voorkomen dat in de monsters verandering optreedt voor de te analyseren parameter tussen het moment van bemonstering en het moment van analyse. Omdat de emissiegrenswaarden die zijn gesteld betrekking hebben op het totaal van opgeloste en niet opgeloste stoffen in het afvalwater, is het van belang dat het monster niet gefilterd wordt en dat de stoffen die zich onopgelost in het afvalwater bevinden meegenomen worden in de analyse.
Deze paragraaf heeft betrekking op het lozen van afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is van een verplichte bodembeschermende voorziening. Het gaat met name om afvloeiend hemelwater van daken en van verhardingen, waar geen bodembedreigende activiteiten plaatsvinden. Dit artikel is wel van toepassing op afvloeiend hemelwater afkomstig van bodembeschermende voorzieningen die vrijwillig zijn aangebracht. Onder afvloeiend hemelwater wordt niet verstaan het hemelwater van een kas als bedoeld in paragraaf 4.78 van het Bal of drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van dat besluit.
Lozingen van afstromend hemelwater vormen in het algemeen geen risico voor de bodem of de riolering. Het is daarom niet nodig om voorafgaand aan de start of wijziging van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Alleen wanneer er een rijksweg of provinciale weg wordt aangelegd of gewijzigd, moet het bevoegd gezag tijdig op de hoogte worden gesteld. Het bevoegd gezag kan dan samen met de wegbeheerder bekijken wat de gewenste wijze van verwerking van het afstromende regenwater is.
De regeling voor het lozen van hemelwater heeft de voorkeursvolgorde voor het beheer van afwater (artikel 10.29a van de Wet milieubeheer) als uitgangspunt. Over het algemeen kan afvloeiend hemelwater zonder problemen lokaal in het milieu teruggebracht worden. De beheerder van het terrein of oppervlak waar het hemelwater is neergekomen, is verantwoordelijk voor het nemen van deze preventieve maatregelen en kan vervolgens op grond van de specifieke zorgplicht worden aangesproken op het nemen daarvan. De maatregelen kunnen bijvoorbeeld inhouden: het schoonhouden van het terrein, het dusdanig omgaan met milieugevaarlijke stoffen dat verontreiniging van het hemelwater wordt voorkomen, het bij de keuze van materialen die aan hemelwater zijn blootgesteld rekening houden met het feit dat bij contact van hemelwater met deze materialen verontreinigende stoffen in het hemelwater kunnen geraken (uitloging), of een zodanige wijze van onkruidbestrijding dat onnodige verontreiniging van het hemelwater wordt voorkomen. In dit omgevingsplan is ervoor gekozen deze preventieve maatregelen niet in concrete voorschriften te vertalen.
In het tweede lid is het lozen van afvloeiend hemelwater vanaf rijkswegen en provinciale wegen buiten de bebouwde kom geregeld. Tot die wegen behoren eveneens de daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, en overig openbaar gebied. In het verleden is veel onderzoek verricht naar verontreinigingen in afvloeiend hemelwater van wegen en overige openbare ruimte. Afhankelijk van de intensiteit van het verkeer kan het in meer of mindere mate verontreinigd zijn met straatvuil, waarin PAK's, zware metalen of minerale olie voorkomen. Buiten de bebouwde kom is het lozen van afstromend wegwater in een gemeentelijk rioolstelsel veelal niet mogelijk, omdat daar geen rioolstelsels zijn aangelegd, of alleen rioolstelsels, die niet bestemd zijn voor afvoer van regenwater. Het wegwater vloeit buiten de bebouwde kom meestal af naar de bodem of een eventueel aanwezig oppervlaktewaterlichaam. Hemelwater afkomstig van rijkswegen en provinciale wegen wordt buiten de bebouwde kom bij voorkeur geloosd op de bodem. Als lozen in de bodem niet (of niet volledig) mogelijk is, kan lozing (deels) plaatsvinden in een oppervlaktewaterlichaam. De regels hierover staan in de waterschapsverordening.
De voorkeursvolgorde in het tweede lid is niet van toepassing op lozingen van hemelwater bij de activiteit wonen, omdat het voormalige Besluit lozing afvalwater huishoudens geen inhoudelijke regels over deze lozingen kende. Voor wonen wordt daarom volstaan met de specifieke zorgplicht van deze afdeling.
Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van huishoudelijk afvalwater. Voor zover deze lozing plaatsvindt bij een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal, bevat deze paragraaf maatwerkregels als bedoeld in artikel 2.12 van dat besluit. De eisen aan lozingen van huishoudelijk afvalwater gelden niet voor spoorvoertuigen en voor militaire oefeningen op militaire terreinen. De voorzieningen voor de opvang van huishoudelijk afvalwater bij spoorvoertuigen kunnen via de spoorwegwetgeving worden geregeld. Bij militaire oefeningen is de plaatsing van IBA's redelijkerwijs niet mogelijk.
Zie de toelichting bij artikel 22.138 voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.
Het is niet toegestaan om afvalwater via een voedselrestvermaler te lozen op het vuilwaterriool. Een voedselrestvermaler vermaalt verteerbare etensresten met toevoeging van water tot een vloeibare afvalstof. Deze vloeibare afvalstof wordt vervolgens met het afvalwater geloosd. De vermalen stoffen kunnen leiden tot verstopping, maar zorgen ook voor een ongewenste toename van organische afvalstoffen in het afvalwater.
In de praktijk vinden de meeste lozingen van huishoudelijk afvalwater plaats in het vuilwaterriool. Voor een beperkt aantal situaties waar geen aansluiting op het vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk mogelijk is, is lozen op of in de bodem toegestaan. Dit is toegestaan buiten de bebouwde kom of binnen de bebouwde kom van waaruit stedelijk afvalwater wordt geloosd met een vervuilingswaarde van minder dan 2000 inwonerequivalenten.
Binnen de in het eerste lid aangegeven afstanden tot de riolering in combinatie met het aantal inwonerequivalenten dat geloosd wordt, is het verboden direct op of in de bodem te lozen. Er moet dan worden geloosd op het vuilwaterriool. Buiten deze afstandsgrenzen moet het huishoudelijk afvalwater gezuiverd worden voordat het geloosd mag worden op of in de bodem.
De afstanden in dit artikel zijn de afstanden van het vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk tot de kadastrale grens van het perceel waar het huishoudelijk afvalwater vrijkomt. Voor een aantal lozingen van huishoudelijk afvalwater die al voor 1 maart 1997 plaatsvonden werd op grond van de toen geldende wetgeving de afstand bepaald tot het gedeelte van het gebouw dat het dichtst bij het vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk was gelegen. Voor deze lozingen geldt overgangsrecht. Dit overgangsrecht is ongewijzigd overgenomen uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, het voormalige Besluit lozen buiten inrichtingen en de daaraan voorafgaande besluiten: het voormalige Lozingenbesluit bodembescherming en het voormalige Lozingenbesluit Wvo huishoudelijk afvalwater.
In sommige gevallen is hemelsbreed de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool minder dan genoemd in het eerste lid, maar is het in de praktijk niet mogelijk daar een afvoerleiding aan te leggen. Bijvoorbeeld omdat dan een watergang gekruist of een dijk doorboord moet worden. Daarvoor is in het tweede lid, onderdeel b, opgenomen dat de afstand berekend moet worden langs de lijn waar in de praktijk een afvoerleiding aangelegd kan worden.
In de situaties dat niet wordt aangesloten op de riolering maar direct wordt geloosd op of in de bodem worden met dit artikel lozingseisen in de vorm van emissiegrenswaarden gesteld. Aan de hier gestelde lozingseisen ligt het CIW-rapport «Individuele Behandeling van Afvalwater, IBA-systemen» van januari 1999 ten grondslag.
De voorwaarden die aan de beperkte directe lozingen in de bodem van huishoudelijk afvalwater worden gesteld, komen in grote lijnen overeen met de hieraan voorafgaande voorwaarden op grond van het voormalige Lozingenbesluit Wvo huishoudelijk afvalwater.
Voor beperkte lozingen van huishoudelijk afvalwater kan de lozer er, in afwijking van de emissiegrenswaarden, voor kiezen te lozen via een septic tank. Deze voorziening is geschikt voor lozingen tot en met 5 inwonerequivalenten. Vandaar dat in het derde lid van dit artikel is aangegeven dat lozingen van huishoudelijk afvalwater van minder dan 6 inwonerequivalenten via die voorziening geloosd mogen worden.
Deze voorwaarden komen overeen met de voorwaarden die voorafgaand aan de inwerkingtreding van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en het voormalige Besluit lozen afvalwater huishoudens golden op grond van de Regeling Wvo septic tank en de Uitvoeringsregeling lozingenbesluit bodembescherming. Oudere voorzieningen die nog steeds zijn afgestemd op de hoeveelheid te lozen afvalwater, mogen ook worden gebruikt. De voor 2009 geplaatste voorzieningen kunnen namelijk niet worden getoetst aan de norm voor het hydraulisch rendement, omdat de in de NEN-EN 12566-1 beschreven beproevingsprocedure niet in het veld toepasbaar is.
In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. Er zijn normen opgenomen voor het bemonsteren, conserveren en ontsluiten. Ook zijn de analysemethoden die moeten worden gebruikt voor de stoffen waaraan in deze paragraaf emissiegrenswaarden worden gesteld voorgeschreven. De versies van de NEN-EN-normen zijn opgenomen in de begripsbepalingen van Bijlage I.
Als er wordt bemonsterd, moeten de monsters volgens NEN 6600-1 worden geconserveerd om te voorkomen dat in de monsters verandering optreedt voor de te analyseren parameter tussen het moment van bemonstering en het moment van analyse. Omdat de emissiegrenswaarden die zijn gesteld betrekking hebben op het totaal van opgeloste en niet opgeloste stoffen in het afvalwater, is het van belang dat het monster niet gefilterd wordt en dat de stoffen die zich onopgelost in het afvalwater bevinden meegenomen worden in de analyse.
Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van koelwater, dat niet afkomstig is van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal. Voor het lozen van koelwater dat afkomstig is van een milieubelastende activiteit, zoals aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal, staan de regels in dat besluit.
Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Daarbij worden de aard en omvang van de lozing aangegeven, zoals de te lozen hoeveelheid afvalwater en de concentraties van stoffen die in het afvalwater worden verwacht. Het bevoegd gezag moet eveneens worden geïnformeerd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.
Voor veel bedrijfstakken waarbij koelwater wordt geloosd, gelden de regels in het Bal. Maar het lozen van koelwater kan ook plaatsvinden bij bedrijven die niet onder het toepassingsbereik van het Bal vallen. Daarom is in dit artikel het lozen van koelwater in de riolering geregeld. Koelwater kan ook worden geloosd in een oppervlaktewaterlichaam. De regels daarover staan in de waterschapsverordening.
Het lozen van koelwater in een schoonwaterriool is toegestaan. Lozen in een vuilwaterriool is alleen toegestaan als het lozen in een schoonwaterriool of in een oppervlaktewaterlichaam redelijkerwijs niet mogelijk is. Koelwater is relatief schoon water, zodat het lozen daarvan in het vuilwaterriool bij voorkeur vermeden moet worden.
Er mogen aan het koelwater geen chemicaliën (zoals aangroeiwerende middelen of antikalkmiddelen) worden toegevoegd.
De maximale warmtevracht is 1.000 kiloJoule per seconde. De warmtevracht van een koelwaterlozing wordt berekend als het product van het lozingsdebiet en het verschil tussen de lozingstemperatuur en de temperatuur van het ontvangende oppervlaktewaterlichaam (waarop het schoonwaterriool uitkomt). De warmtecapaciteit van het koelwater is gelijk aan 4.190 Kilojoule per m3 per graad temperatuursverhoging. Anders geformuleerd:
De warmtevracht = L x ΔT x W, waarbij
L = lozingsdebiet (m3/s).
ΔT = verschil temperatuur koelwater en temperatuur ontvangend oppervlaktewater in graden Celsius.
W = warmtecapaciteit van het koelwater = 4.190 kJ/m3 per graad temperatuurstijging.
Voor het lozen van koelwater met een hogere warmtevracht, of voor het toedienen van chemicaliën, is een maatwerkvoorschrift vereist.
Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van reinigingswerkzaamheden, conserveringswerkzaamheden of andere onderhoudswerkzaamheden aan bouwwerken. Dit betreft zowel weinig milieubelastende activiteiten, zoals activiteiten als ramenlappen, als activiteiten die een hogere milieubelasting kunnen veroorzaken, zoals verwijderen van hardnekkige aanslag bij gevelreiniging.
Bij het periodiek reinigen van bouwwerken, waarbij slechts vuilafzetting wordt verwijderd, komt afvalwater vrij. Deze werkzaamheden zijn wat verontreiniging van het afvalwater betreft vergelijkbaar met ramenlappen. Naast ramen worden op deze wijze bijvoorbeeld ook gladde gevels periodiek gereinigd. Dit afvalwater kan zonder problemen in de bodem of de riolering worden geloosd. Het is niet nodig om het bevoegd gezag hierover te informeren.
Bij andere reinigingsactiviteiten dan periodiek reinigen is het uitgangspunt dat geen afvalwater wordt geloosd. Dit geldt voor bijvoorbeeld werkzaamheden, waarbij na verloop van een lange periode (vaak meer dan enkele jaren) hardnekkige aanslag wordt verwijderd (gevelreiniging). Ook vallen hieronder werkzaamheden, waarbij bijvoorbeeld graffiti of andere verflagen worden verwijderd.
Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater, afkomstig van het opslaan en overslaan van goederen. Deze activiteit is ook geregeld in paragraaf 4.104 van het Bal. Deze paragraaf bevat daarom maatwerkregels op grond van artikel 2.12 van dat besluit. Die paragraaf bevat de regels over het opslaan van lekkende, uitlogende en vermestende goederen. In deze paragraaf zijn, in aanvulling daarop, regels gesteld over het lozen van inerte goederen.
Dit artikel geeft aan welke goederen in ieder geval inerte goederen zijn. De opsomming is dus niet uitputtend. Voor alle genoemde goederen geldt wel dat deze niet verontreinigd mogen zijn, bijvoorbeeld met stoffen die het oppervlaktewater kunnen verontreinigen.
Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Daarbij worden de aard en omvang van de lozing aangegeven, zoals de te lozen hoeveelheid afvalwater en de concentraties van stoffen die in het afvalwater worden verwacht. Het bevoegd gezag moet eveneens worden geïnformeerd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.
In lijn met de voorkeursvolgorde voor de verwijdering van afvalwater (artikel 10.29a van de Wet milieubeheer) wordt het afvalwater bij voorkeur hergebruikt en eventueel overtollig afvalwater wordt geloosd onder de voorwaarden die in dit artikel worden gesteld. In het algemeen zal dit (verzameld) afstromend hemelwater, schrob- en spoelwater of water van een nevelgordijn zijn. Op grond van het vierde lid moet dit afvalwater bij voorkeur (her)gebruikt te worden voor bevochtiging van de goederen, ter voorkoming van stofverspreiding.
Afvalwater dat slechts met inerte goederen in aanraking is geweest moet bij voorkeur direct geloosd worden (op oppervlaktewater, bodem of schoonwaterriool), waarbij de hoeveelheid onopgeloste bestanddelen beperkt moet worden tot minder dan 300 milligram per liter. Dit kan bijvoorbeeld gerealiseerd worden met preventieve maatregelen en eventueel een slibvangput voorafgaande aan de lozing. Als een directe lozing redelijkerwijs niet mogelijk is, bijvoorbeeld door afwezigheid in de nabijheid van oppervlaktewater of een schoonwaterriool en een bodem die ongeschikt is voor lozingen, kan het afvalwater geloosd worden op het vuilwaterriool, waarbij ook gezorgd moet worden dat het niet meer dan 300 milligram per liter onopgeloste bestanddelen bevat. Dit ter voorkoming van dichtslibben van het vuilwaterriool.
De eis voor onopgeloste stoffen geldt voor enig steekmonster. Dat wil zeggen dat alleen in extreme situaties deze concentratie mag worden aangetroffen, bijvoorbeeld bij extreme regenval. Concentraties van ongeveer 100-150 mg/l zijn normaal en daaronder bestaat in principe geen probleem. Als concentraties worden aangetroffen tussen de 100-150 en 300 kan de handhaver vragen gaan stellen. Overschrijding van de norm van 300 betekent optreden.
In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd.
In artikel 4.1058 van het Bal is voor afvalwater afkomstig van het opslaan van uitlogende goederen een verplichte lozingsroute opgenomen naar het vuilwaterriool. Het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer maakte het ook mogelijk om dit afvalwater te lozen op oppervlaktewater. Deze alternatieve lozingsroute is als maatwerkregel opgenomen in de waterschapsverordening. Maar het waterschap is niet bevoegd om de verplichte lozingsroute naar het vuilwaterriool «uit te zetten». Vandaar dat dit artikel de verplichte lozingsroute naar het vuilwaterriool omzet in een facultatieve lozingsroute, voor zover de lozingsroute naar het oppervlaktewater in de waterschapsverordening is toegestaan.
Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater dat afkomstig is uit een openbaar ontwateringsstelsel of een openbaar hemelwaterstelsel en uit de zogeheten overheids-IBA's. Dat zijn voorzieningen voor de verwerking van huishoudelijk afvalwater, anders dan een openbaar vuilwaterriool.
In dit artikel wordt het lozen van afvalwater vanuit openbare ontwateringsstelsels en openbare hemelwaterstelsels op of in de bodem toegestaan. Voorwaarde daarbij is dat deze stelsels voorkomen op het overzicht van voorzieningen en maatregelen dat is opgenomen in het gemeentelijke rioleringsplan (GRP) als bedoeld in het voormalige artikel 4.22 van de Wet milieubeheer. Volgens het overgangsrecht van artikel 4.93 van de Invoeringswet Omgevingswet blijven GRP's van kracht tot het tijdstip waarop de periode verstrijkt waarvoor het plan is vastgesteld, of tot het tijdstip waarop het gemeentebestuur besluit dat het plan vervalt.
De Omgevingswet biedt in artikel 3.14 de mogelijkheid dat het college van burgemeester en wethouders een (facultatief) gemeentelijk rioleringsprogramma vaststelt. Als het college een rioleringsprogramma heeft vastgesteld, is het lozen vanuit de in dat programma opgenomen voorzieningen eveneens toegestaan. De naam «rioleringsprogramma» is overigens niet limitatief, de gemeente kan dit programma bijvoorbeeld ook een waterprogramma noemen.
Voor lozingen vanuit «overheids-IBA's» geldt dezelfde regeling als voor de lozingen vanuit gemeentelijke rioolstelsels. Kortheidshalve wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 22.163.
Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van water dat wordt gebruikt bij het spoelen van distributieleidingen voor drinkwater, tapwater en huishoudwater, om die leidingen voor het eerst in gebruik te nemen of bij het onderhoud aan die leidingen.
Bij het schoonmaken van leidingen kan onderscheid gemaakt worden tussen afvalwater afkomstig van leidingen uit het transportnet en afvalwater afkomstig van leidingen uit het distributienet. Vanuit de productiestations wordt het drinkwater via transportleidingen naar het distributienet gepompt. Het transportnet kenmerkt zich door een grotere leidingdiameter en het geringe aantal vertakkingen en aansluitingen. Het distributienet verdeelt de hoofdstroom naar de vele eindgebruikers en kenmerkt zich door de vele vertakkingen en het verloop van grotere naar kleinere diameters. In grote lijnen zal het schoonmaken van leidingen uit het transportnet lozingen opleveren van 100 m3 of meer, terwijl lozingen van afvalwater afkomstig van distributieleidingen daaronder blijven. Ook op het schoonmaken van de aanvoerleiding heeft dit artikel betrekking.
Tegen lozingen van dit afvalwater bestaat, voor zover het geen desinfecteermiddelen of andere chemicaliën bevat, geen bezwaar, anders dan dat het geen overlast mag veroorzaken. In dit geval heeft het direct terugvoeren van dit water in het milieu de voorkeur. Het lozen op of in de bodem of in schoonwaterstelsels wordt daarom zonder beperkingen toegestaan (eerste lid). Bij het schoonmaken van leidingen van het distributienet kan het water veelal direct ter plaatse in de bodem worden geloosd zonder overlast te veroorzaken. Bij het schoonmaken van leidingen van het transportnet zal gezocht moeten worden naar een geschikte locatie. Het lozen van dit afvalwater in het oppervlaktewater is ook toegestaan. Dat is geregeld in de waterschapsverordening.
Het lozen op het vuilwaterriool is minder gewenst vanwege de verminderde werking van de zuivering bij de toevoeging van een relatief grote hoeveelheid schoon water. Dit is alleen een optie als anders lozen niet in redelijkheid mogelijk is (tweede lid).
Als er desinfecteermiddelen zijn gebruikt is overleg met het bevoegd gezag noodzakelijk om de meest geschikte oplossing voor het lozen te vinden. Het bevoegd gezag kan het lozen met een maatwerkvoorschrift toestaan, als het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet.
Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater dat afkomstig is van een calamiteitenoefening, met uitzondering van de permanente voorzieningen voor het oefenen van brandbestrijdingstechnieken, bedoeld in artikel 3.259 van het Bal.
Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Daarbij worden de aard en omvang van de lozing aangegeven, zoals de te lozen hoeveelheid afvalwater en de concentraties van stoffen die in het afvalwater worden verwacht. Het bevoegd gezag moet eveneens worden geïnformeerd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.
Bij calamiteitoefeningen kan soms afvalwater vrijkomen. Zo zal een oefening om een brand te bestrijden gepaard kunnen gaan met het gebruik van grote hoeveelheden bluswater, dat tijdens de oefening in de bodem of een rioolstelsel stroomt. Wanneer daarbij zorgvuldig wordt gehandeld zodat het water niet onnodig verontreinigd raakt, kan het zonder problemen worden geloosd.
Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van het telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen, voor zover dit plaatsvindt bij een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal.
Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Daarbij worden de aard en omvang van de lozing aangegeven, zoals de te lozen hoeveelheid afvalwater en de concentraties van stoffen die in het afvalwater worden verwacht. Het bevoegd gezag moet eveneens worden geïnformeerd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.
Artikel 4.791l van het Bal schrijft voor dat bij grondgebonden teelt in een kas een recirculatiesysteem voor drainagewater aanwezig is en in gebruik is. Op grond van artikel 3.71, zevende lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer hoefde geen recirculatiesysteem aanwezig te zijn, als hergebruik van het drainagewater niet doelmatig is. Voor lozingen van drainagewater die al voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet bestonden, wordt deze uitzondering in dit artikel voortgezet.
In artikel 7.761 van het Bal is voorgeschreven dat afvalwater afkomstig van het spoelen van biologisch geteelde gewassen gelijkmatig moet worden verspreid over landbouwgronden. Op grond van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was het ook mogelijk om dit afvalwater te lozen in het vuilwaterriool of in het oppervlaktewater. In dit artikel worden die alternatieve lozingsroutes voortgezet. De mogelijkheid om dit afvalwater te lozen in het oppervlaktewater is opgenomen in de waterschapsverordening. In het derde lid van dit artikel is bepaald dat, als de waterschapsverordening die lozingsroute mogelijk maakt, het verplichte verspreiden over landbouwgronden niet geldt. Het waterschap is immers niet bevoegd om die plicht via een maatwerkregel aan te passen.
In artikel 7.773 van het Bal is voorgeschreven dat afvalwater afkomstig van het sorteren van biologisch geteeld fruit gelijkmatig moet worden verspreid over landbouwgronden. Op grond van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was het ook mogelijk om dit afvalwater te lozen in het vuilwaterriool of in het oppervlaktewater. In dit artikel worden die alternatieve lozingsroutes voortgezet. De mogelijkheid om dit afvalwater te lozen in het oppervlaktewater is opgenomen in de waterschapsverordening. In het derde lid van dit artikel is bepaald dat, als de waterschapsverordening die lozingsroute mogelijk maakt, het verplichte verspreiden over landbouwgronden niet geldt. Het waterschap is immers niet bevoegd om die plicht via een maatwerkregel aan te passen.
Op grond van artikel 4.795 van het Bal geldt voor het lozen van afvalwater bij het telen van gewassen de plicht om te lozen in het vuilwaterriool, of het afvalwater gelijkmatig te verspreiden over landbouwgronden. In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was geregeld dat dat afvalwater ook in oppervlaktewater mag worden geloosd. In de waterschapsverordening is geregeld dat die lozingsroute mogelijk blijft. Het waterschap is echter niet bevoegd om de verplichte lozingsroute van artikel 4.795 «uit te zetten». Daarom is in dit artikel bepaald dat, als de waterschapsverordening het lozen op oppervlaktewater mogelijk maakt, de verplichte lozingsroute een facultatieve lozingsroute wordt.
In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd.
Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van het reinigen van installaties en voorzieningen voor het maken van betonmortel en het inwendig reinigen van voertuigen waarin betonmortel is vervoerd, voor zover dit plaatsvindt bij een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal. Deze paragraaf bevat maatwerkregels als bedoeld in artikel 2.12 van dat besluit.
Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Daarbij worden de aard en omvang van de lozing aangegeven, zoals de te lozen hoeveelheid afvalwater en de concentraties van stoffen die in het afvalwater worden verwacht. Het bevoegd gezag moet eveneens worden geïnformeerd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.
Volgens artikel 4.140, eerste lid, van het Bal moet afvalwater afkomstig van het maken van betonmortel worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam. In sommige gevallen is dat niet mogelijk, bijvoorbeeld omdat er geen geschikt oppervlaktewaterlichaam in de directe omgeving van de betoncentrale (of ander bedrijf) ligt. Voor die gevallen is in dit artikel geregeld dat het afvalwater onder voorwaarden ook in de riolering kan worden geloosd. De gemeente is niet bevoegd om de verplichte lozingsroute naar oppervlaktewater, die in het Bal is opgenomen, op te heffen. Daarom is in de waterschapsverordening bepaald dat die verplichte lozingsroute niet geldt als er een andere lozingsroute in het omgevingsplan is toegestaan. De initiatiefnemer heeft in dat geval de keuze tussen lozen in oppervlaktewater of lozen in de riolering.
In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd.
Deze paragraaf is van toepassing op het uitwassen van beton, voor zover dit plaatsvindt bij een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal. Deze paragraaf bevat maatwerkregels als bedoeld in artikel 2.12 van dat besluit.
Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Daarbij worden de aard en omvang van de lozing aangegeven, zoals de te lozen hoeveelheid afvalwater en de concentraties van stoffen die in het afvalwater worden verwacht. Het bevoegd gezag moet eveneens worden geïnformeerd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.
Volgens artikel 4.158, eerste lid, van het Bal moet afvalwater afkomstig van het uitwassen van beton worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam. In sommige gevallen is dat niet mogelijk, bijvoorbeeld omdat er geen geschikt oppervlaktewaterlichaam in de directe omgeving van de betoncentrale (of ander bedrijf) ligt. Voor die gevallen is in dit artikel geregeld dat het afvalwater onder voorwaarden ook in de riolering kan worden geloosd. De gemeente is niet bevoegd om de verplichte lozingsroute naar oppervlaktewater, die in het Bal is opgenomen, op te heffen. Daarom is in de waterschapsverordening bepaald dat die verplichte lozingsroute niet geldt als er een andere lozingsroute in het omgevingsplan is toegestaan. De initiatiefnemer heeft in dat geval de keuze tussen lozen in oppervlaktewater of lozen in de riolering.
In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd.
Deze paragraaf is van toepassing op het uitwendig wassen van motorvoertuigen, met uitzondering van het wassen van motorvoertuigen dat onderdeel uitmaakt van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal en bij de activiteit wonen. In het Bal zijn, waar nodig, al regels gesteld over het reinigen van voertuigen. De reden dat deze paragraaf ook niet van toepassing is bij wonen, is dat er in het voormalige Besluit lozing afvalwater huishoudens ook geen regels aan deze lozingen waren gesteld, anders dan de zorgplicht.
Het wassen van motorvoertuigen moet in principe plaatsvinden boven een vloeistofdichte bodemvoorziening. Vanwege de aard van de activiteit, waarbij continue bodembedreigende vloeistoffen over de voorziening stromen, zijn niet-vloeistofdichte voorzieningen niet toereikend.
Op de plicht om het wassen van motorvoertuigen plaats te laten vinden boven een vloeistofdichte bodemvoorziening is een uitzondering gemaakt voor het wassen van motorvoertuigen op een mobiele wasinstallatie. Dit soort installaties worden tegenwoordig steeds meer toegepast bij initiatiefnemers die zelf niet beschikken over de vereiste voorzieningen. Mobiele installaties moeten wel voldoende bodembeschermende werking hebben. Daarom is bepaald dat er geen vloeistoffen in de bodem terecht mogen komen.
Ook geldt, in navolging van de artikelen 3.23b, tweede lid, aanhef en onder a, en 3.24, aanhef en onder a, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, een uitzondering voor het per week uitwendig wassen van ten hoogste één motorvoertuig waarmee geen gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast. Artikel 22.194, tweede lid, van dit omgevingsplan regelt in samenhang hiermee dat het water bij het wassen in de bodem mag komen. Dit zal in beperkte mate het geval zijn, als de verharding waarop wordt gewassen niet vloeistofdicht is.
Uitgangspunt bij het lozen van oliehoudend afvalwater is een norm van 20 milligram olie per liter in enig steekmonster. Aan deze norm kan worden voldaan door ofwel het toepassen van zuiveringstechnieken volgens BBT, ofwel het zodanig inrichten van de werkwijze, dat het gehalte van 20 milligram per liter ook zonder behandeling in zuiveringsvoorzieningen niet wordt overschreden.
Op de norm van 20 milligram per liter wordt een uitzondering gemaakt als het afvalwater geleid wordt door een olie-afscheider en slibvangput die voldoen aan NEN-EN 858-1 en 2. Vanzelfsprekend moeten de olie-afscheider en slibvangput adequaat functioneren. Dit kan worden beoordeeld aan de hand van het oliegehalte van het geloosde water. Daarbij is het wel van belang, dat de werkwijze (waaronder de keuze van het reinigingsmiddel en de wijze van toepassing van een eventuele hogedrukreiniger) zodanig is dat een goede werking van de afscheider niet onmogelijk wordt gemaakt door vorming van emulsies. Ook moeten de slibvangput en olieafscheider goed worden onderhouden. Dit omvat het tijdig ledigen en reinigen en het zo spoedig mogelijk verhelpen van geconstateerde gebreken. Wanneer het verwijderen van afgescheiden olie en slib exact aan de orde is afhankelijk van het type afscheider en kan verschillen. Over het algemeen moet de slibvangput of slibvangruimte worden geleegd wanneer deze voor meer dan 50% gevuld is met slib/zand. Dit valt onder de specifieke zorgplicht.
Om de goede werking van een slibvangput en olieafscheider te waarborgen moet bij alle afscheiders, naast het zo nodig verwijderen van olie en slib, de afscheider met enige regelmaat volledig geleegd en gereinigd worden en onderzocht worden op aantasting en andere gebreken. Gebleken gebreken moeten zo spoedig mogelijk verholpen worden. Ook dit valt onder de specifieke zorgplicht.
Dit artikel geeft aan welke normen gehanteerd worden bij bemonstering van afvalwater. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd.
Deze paragraaf ziet op windturbines die lichtschittering veroorzaken of slagschaduw in verblijfsruimten van slagschaduwgevoelige gebouwen. Onder deze paragraaf vallen alleen windturbines met een rotordiameter van meer dan 2 m.
Een windturbine die deel uitmaakt van een windpark in de Noordzee valt niet onder deze paragraaf.
Een windturbine die deel uitmaakt van een nieuw windpark met 3 of meer windturbines valt niet onder deze paragraaf.
Eerste lid
In artikel 5.89a van het Bkl zijn slagschaduwgevoelige gebouwen, die zijn toegelaten voor de duur van niet meer dan tien jaar, uitgesloten van het toepassingsbereik van de bepalingen over slagschaduw in dat besluit. In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer kregen deze tijdelijk toegelaten slagschaduwgevoelige gebouwen wel bescherming. Dit artikellid zorgt ervoor dat de tijdelijke slagschaduwgevoelige gebouwen, die toegelaten zijn op grond van het recht zoals dat gold vóór inwerkingtreding van de Omgevingswet, wel bescherming tegen slagschaduw blijven houden. Dit tot het moment dat bij:
-het vaststellen van het nieuwe deel van het omgevingsplan; of
-het verlenen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit; beoordeeld is dat de situatie ook zonder deze regel voor slagschaduw op het tijdelijke slagschaduwgevoelige gebouw, aanvaardbaar is.
Tweede lid
Het tweede lid gaat over geprojecteerde en in aanbouw zijnde slagschaduwgevoelige gebouwen, die op grond van het recht zoals dat gold vóór inwerkingtreding van de Omgevingswet toegelaten zijn. Deze gebouwen krijgen op grond van dit onderdeel geen bescherming voor slagschaduw. Het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer bood namelijk geen bescherming tegen slagschaduw aan geplande, maar nog te bouwen gebouwen.
Schema: of regels voor slagschaduw gelden bij geprojecteerde of in aanbouw zijnde slagschaduwgevoelige gebouwen of tijdelijk toegelaten slagschaduwgevoelige gebouwen.
De passerende schaduw van draaiende wieken van een windturbine kan op bepaalde plaatsen en onder bepaalde omstandigheden een hinderlijk schaduweffect, dat wil zeggen wisseling van lichtsterkte, veroorzaken. Dit kan vooral hinderlijk zijn als de schaduw over ramen valt en zich bijvoorbeeld over een werkplek beweegt waar gestudeerd of gelezen wordt. De mate van hinder wordt onder meer bepaald door de frequentie van het passeren (rotortoerental), door de blootstellingsduur en door de intensiteit van de wisselingen in lichtsterkte. Passeerfrequenties tussen 2,5 en 14 Hz (aantal passeringen per seconde) veroorzaken hinder. Bij grotere turbines is het toerental lager zodat de passeerfrequenties doorgaans beneden 2,5 Hz liggen. Naast de passeerfrequentie is een aantal andere factoren ook bepalend voor eventuele hinder in de omgeving. Deze factoren zijn dermate locatie specifiek dat het ondoenlijk is een eenduidige alomvattende norm te stellen. Doorgaans is het noodzakelijk deze factoren in samenhang te analyseren en te projecteren op de specifieke situatie. Zo nodig kan hiervoor een maatwerkvoorschrift worden gesteld. Een hinderduur van maximaal 64 (en gemiddeld 17) dagen per jaar met een maximum van 20 minuten per dag is op grond van artikel 5.89f van het Bkl als aanvaardbaar te beschouwen. Bovendien zijn in veel gevallen eenvoudige voorzieningen aan te brengen aan een turbine. Dat kan bijvoorbeeld in de vorm van een stilstandregeling. De eis uit dit artikel geldt in slagschaduwgevoelige ruimten. Een blinde gevel of tuinen bij woningen worden niet beschermd tegen slagschaduw. Het bevoegd gezag kan aanvullend maatwerkvoorschriften stellen voor het voorkomen of beperken van hinder door slagschaduw als de maatregel in artikel 22.216 in een specifiek geval niet toereikend is.
Dit artikel bepaalt dat de regel voor het beperken van slagschaduw niet van toepassing is op de slagschaduw door een windturbine in een slagschaduwgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met de windturbine. Dit artikel sluit aan bij artikel 5.89d van het Bkl.
Dit artikel bepaalt dat de regels voor slagschaduw in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw, dat voorheen onderdeel was van een Wet milieubeheer-inrichting of functioneel verbonden was met een agrarische activiteit, niet gelden voor slagschaduw door een windturbine, behorende bij die agrarische activiteit in dat slagschaduwgevoelige gebouw.
Het gebouw blijft wel beschermd tegen slagschaduw, veroorzaakt door andere omliggende windturbines.
Onderdeel a
Onderdeel a is een regeling voor zogenaamde «plattelandswoningen» die als plattelandswoning zijn aangewezen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Dit was onder het oude recht bepaald in de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (artikel 1.1a) en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 1.3c).
Onderdeel b
Onderdeel b is een regeling voor slagschaduw door een windturbine bij een agrarische activiteit, voor een gebouw met een voormalige functionele binding in het nieuwe deel van het omgevingsplan.
In een situatie als bedoeld onder b, wordt in het nieuwe deel van het omgevingsplan of in de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, voor de woning waar het om gaat (of ander slagschaduwgevoelig gebouw) bepaald dat deze woning geen bescherming geniet tegen slagschaduw door een windturbine bij de agrarische activiteit waarmee de woning voorheen was verbonden, door regels in het omgevingsplan.
Onderdeel b van deze bepaling voorziet erin dat de regel voor slagschaduw uit dit omgevingsplan ook daadwerkelijk niet gaat gelden voor de naastgelegen woning, die nu geen functionele binding meer heeft.
Dit artikel past binnen de mogelijkheden van artikel 5.89e van het Bkl. Voor een uitgebreidere toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij dat artikel en paragrafen 2.3.8, onder «Voormalige bedrijfswoningen», en 8.1.3, onder «Functioneel verbonden en functioneel ondersteunende gebouwen en locaties», van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Bkl.
Lichthinder door lichtschittering kan voorkomen worden door het gebruik van niet-reflecterende materialen of door coating op de rotorbladen aan te brengen. Daarnaast blijkt dat door weersinvloeden de rotorbladen mat kunnen worden (glansgraad maximaal 30%) waardoor reflectiewaarden in de tijd afnemen. De methode van meten van reflectiewaarden is opgenomen in NEN-EN-ISO 2813, «Verven en vernissen - Metingen van de glans (spiegelende reflectie) van niet-metallieke verflagen onder 20°, 60° en 85°». Hoewel de voorkeur uitgaat naar de meetmethode uit dit voorschrift, kan ook van een gelijkwaardige meetmethode gebruik worden gemaakt. Gelijkwaardige meetmethoden zijn bijvoorbeeld opgenomen in DIN (Deutsche Industrie Norm) 67530 en NEN 3632.
Het bevoegd gezag kan aanvullend maatwerkvoorschriften stellen voor het voorkomen of beperken van hinder door lichtschittering als artikel 22.219 of artikel 22.220 in een specifiek geval niet toereikend is.
Traditioneel schieten is het schieten door schutterijen of schuttersgilden met buksen of geweren vanaf een vaste standplaats op een stilstaand doel in de buitenlucht.
Het traditioneel schieten vindt voornamelijk plaats bij schutterijen en schuttersgilden in de provincies Gelderland, Noord-Brabant en Limburg. Afhankelijk van de streek worden andere schietdisciplines beoefend. De meest gebruikelijke disciplines van het traditioneel schieten zijn:
Oud-Limburgs schieten: het harkschieten en het vogelschieten.
Brabants schieten: het schieten op de wip en het gaai- of vogelschieten.
Gelders schieten: het lepel- of fladderschieten, het vogelschieten en het schieten op de schijf.
Bij het traditioneel schieten moet een kogelvanger worden toegepast. Een kogelvanger is een voorziening, waarmee alle afgeschoten kogels worden opgevangen. Het schieten moet zodanig plaatsvinden dat alle afgeschoten kogels in de kogelvanger terecht komen. Voor bepaalde schietdisciplines kan dat betekenen dat het schieten met een oplegsteun of affuit nodig is. Om ervoor zorg te dragen dat alle afgeschoten kogels in de kogelvanger terecht komen, mogen ongeoefende schutters alleen met toepassing van een affuit schieten. De baancommandant beoordeelt of sprake is van een geoefende of een ongeoefende schutter.
Het toepassen van een kogelvanger is noodzakelijk in het kader van externe veiligheid en voor het voorkomen, of als dat niet mogelijk is, het zoveel mogelijk beperken van de belasting van de bodem.
Door het toepassen van een kogelvanger worden de externe veiligheidsrisico's van het traditioneel schieten zoveel mogelijk beperkt, doordat geen kogels achter het doel - waarop geschoten wordt - terecht komen. Het gebruik van de kogelvanger beperkt derhalve de «onveilige zone».
Daarnaast is het toepassen van een kogelvanger noodzakelijk voor het voorkomen, of als dat niet mogelijk is, het zoveel mogelijk beperken van de belasting van de bodem. Bij het traditioneel schieten wordt onder meer gebruik gemaakt van kogels die uit lood bestaan. Lood is schadelijk voor het milieu en derhalve een zwarte lijst-stof. Door het toepassen van een kogelvanger wordt voorkomen dat kogels in de bodem terecht kunnen komen. Afgeschoten kogels worden opgevangen in een verzamelbak (of wattenbak). Deze verzamelbak maakt onderdeel uit van de kogelvanger.
In de paragraaf van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer over traditioneel schieten stonden ook bepalingen over het zich bij de kogelvanger bevinden van personen of veediersoorten. Dit gedragsvoorschrift valt nu onder de specifieke zorgplicht.
Eerste lid
Er moet worden voorkomen dat de hulzen van verschoten munitie in of op de bodem terecht komen. Om deze reden wordt in het eerste lid van dit artikel voorgeschreven dat het schieten plaats moet vinden boven een bodembeschermende voorziening. Dit betekent dat de zone rond de standplaats van de schutter dusdanig geconditioneerd moet zijn, dat het verzamelen van de hulzen makkelijk uitvoerbaar is.
Tweede lid
De kogelvanger, bedoeld in artikel 22.229, moet opgesteld worden boven een bodembeschermende voorziening. Dit om te voorkomen dat de kogels die opgevangen worden door de kogelvanger, maar onverhoopt niet in de verzamelbak terecht komen, op of in de bodem terecht kunnen komen. De exploitant van de schietbaan kan een keuze maken voor de toe te passen bodembeschermende voorzieningen (en daarbij horende maatregelen).
Doorgaans gaat het om een verharding, kleed of voldoende dik plasticfolie met voldoende oppervlakte onder de kogelvanger. De kogels die niet worden opgevangen in de verzamelbak komen op deze voorziening terecht. Deze kogels, maar ook de kogels die worden opgevangen in de verzamelbak, moeten na afloop van een schietdag worden verwijderd om uitloging naar de bodem te voorkomen. Een andere optie is het treffen van voorzieningen waardoor verzekerd wordt dat alle kogels die worden opgevangen door de kogelvanger terecht komen in de verzamelbak. Dit kan gerealiseerd worden door de kogels, die worden opgevangen door de kogelvanger, met een gesloten buis af te voeren naar een afgesloten verzamelbak.
De formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.20 van het Bal. Degene die de activiteit verricht houdt een logboek bij waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties. Dat een logboek beschikbaar moet zijn voor het bevoegd gezag, volgt uit de Algemene wet bestuursrecht. Dit mag ook in digitale vorm zijn.
Dit formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.3 van het Bal.
Eerste lid
Een eindonderzoek bodem heeft tot doel te bepalen of de bodem na het beëindigen van de activiteit is verontreinigd of aangetast. Een bodemonderzoek voorafgaand aan de activiteit, zoals in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer het geval was, is niet langer verplicht voor deze activiteit. Degene die een activiteit verricht kan er nog altijd wel zelf voor kiezen op eigen initiatief een bodemonderzoek te verrichten voorafgaand aan de activiteit. Als voorafgaand aan de activiteit geen nulsituatie wordt vastgesteld, kan het wel zo zijn dat de initiatiefnemer meer moet herstellen dan alleen door zijn activiteit veroorzaakte bodemverontreiniging. De initiatiefnemer heeft dus een keuze.
Tweede lid
Dit lid schrijft voor dat het bodemonderzoek alleen is gericht:
-op de bodembedreigende stoffen die als gevolg van de activiteit in de bodem kunnen geraken of daarin terecht kunnen zijn gekomen; en
-op de plaatsen waar de bodembedreigende activiteit is verricht.
Met het gedeelte van de locatie waar het traditioneel schieten heeft plaatsgevonden, wordt het gehele gebied bedoeld, van de standplaats van de schutters tot de plek waar munitie terecht kan komen.
Derde lid
Het derde lid bepaalt dat het bodemonderzoek voldoet aan NEN 5725 en NEN 5740 en dat het veldwerk moet worden verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie- of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000. Het veldwerk bestaat onder andere uit het nemen van grond(water)monsters en het plaatsen van handboringen en peilbuizen. Een «erkenning bodemkwaliteit» is in bijlage I bij het Bal omschreven als een erkenning als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit. Het Besluit bodemkwaliteit omschrijft een erkenning als beschikking van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat waarbij wordt vastgesteld dat een persoon of instelling voor een werkzaamheid voldoet aan de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit geldende voorwaarden.
Dit formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.4 van het Bal. In het rapport van het bodemonderzoek moeten een aantal gegevens worden opgenomen. Bij de naam van degene die het onderzoek heeft uitgevoerd zal het in de regel gaan om de bedrijfsnaam. De wijze waarop het onderzoek is verricht zal over het algemeen een weergave bevatten van de normdocumenten die zijn gevolgd en de gegevens die op grond daarvan moeten worden vastgelegd. Het rapport moet informatie bevatten over de soort en concentratie van de aangetroffen verontreinigende stoffen en van welke bronnen deze afkomstig zijn en informatie over de geschiedenis van het terrein. Als er bestaande informatie is over bodem- en grondwatermonsters van de verontreinigende stoffen die bij de activiteit gebruikt zijn, geproduceerd zijn of zijn vrijgekomen ten tijde van het opstellen van het bodemrapport kunnen deze gegevens in de rapportage verwerkt worden. Als er geen bestaande informatie over bestaat, moeten nieuwe monsters worden genomen. Wanneer is gebleken dat de bodem is verontreinigd of aangetast, zal in het rapport ook moeten worden vastgelegd op welke wijze de bodemkwaliteit wordt hersteld en de mate waarin dat plaatsvindt.
Dit formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.5 van het Bal. De resultaten van het bodemonderzoek moeten uiterlijk binnen zes maanden na beëindiging van de activiteit zijn gerapporteerd aan het bevoegd gezag.
Dit formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.6 van het Bal.
Eerste lid
Als uit het rapport van het eindonderzoek bodem, blijkt dat de bodem is verontreinigd dan moet op grond van het eerste lid uiterlijk binnen zes maanden na het toezenden van het rapport de bodemkwaliteit zijn hersteld.
Voor het herstellen van de bodemkwaliteit kan uit drie opties worden gekozen. Deze keuze wordt gemaakt door degene die de activiteit verricht. De bodemkwaliteit wordt hersteld tot:
-de waarden van een bodemrapport volgens NEN 5740 waarin de bodem- en grondwaterkwaliteit voor aanvang van de activiteit zijn vastgelegd;
-de bodemkwaliteit van de zone waarin de activiteit is verricht zoals vastgelegd op een geldende bodemkwaliteitskaart; of
-de achtergrondwaarden, vastgesteld op grond van het Besluit bodemkwaliteit.
Wanneer de bodemkwaliteit voor aanvang van de activiteit niet is vastgelegd of wanneer er geen geldende bodemkwaliteitskaart voor dat gebied voor handen is, dan moet herstel plaatsvinden tot de achtergrondwaarden als vastgesteld op grond van artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.
Dit artikel regelt dat de bodemkwaliteit hersteld moet worden na beëindiging van de activiteit. Dit doet er niks aan af dat eventuele morsingen of lekkages op een bodembeschermende voorziening direct opgeruimd moeten worden. Het opruimen van gelekte of gemorste (vloei)stoffen is onderdeel van de specifieke zorgplicht in artikel 22.44 van dit omgevingsplan of 2.11 van het Bal. Deze verplichtingen bestaan naast elkaar.
Tweede lid
Het tweede lid bepaalt dat het herstel van de bodemkwaliteit moet worden verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000. Een «erkenning bodemkwaliteit» is in bijlage I bij het Bal omschreven als een erkenning als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit. Het Besluit bodemkwaliteit omschrijft een erkenning als beschikking van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat waarbij wordt vastgesteld dat een persoon of een instelling voor een werkzaamheid voldoet aan de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit geldende voorwaarden.
Dit formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.7 van het Bal. Zowel ten minste vijf dagen voor de aanvang van de herstelwerkzaamheden als ten hoogste vijf dagen na de afronding van de herstelwerkzaamheden wordt het bevoegd gezag door degene die de activiteit heeft verricht geïnformeerd over deze herstelwerkzaamheden, zodat het bevoegd gezag daarop haar toezichtsactiviteiten kan afstemmen.
Deze paragraaf is van toepassing op buiten sporten met terreinverlichting. Wanneer een sportveld terreinverlichting heeft, kan dit lichthinder veroorzaken voor omwonenden.
Dit artikel beperkt het gebruik van de terreinverlichting tot specifiek aangewezen gevallen. Op grond van het tweede lid wordt een uitzondering gemaakt voor bepaalde festiviteiten en speciaal aangewezen andere activiteiten. Deze festiviteiten en activiteiten zijn op het moment dat de Omgevingswet in werking treedt aangewezen in de Algemeen Plaatselijke Verordening van de gemeente.
Eerste lid
Bij het opslaan van minder dan 3 m3 vaste mest gelden geen eisen, anders dan de specifieke zorgplicht. Een opslag van meer dan 600 m3 valt niet onder het toepassingsbereik van deze paragraaf. In artikel 22.267 is een vergunningplicht opgenomen voor de opslag van meer dan 600 m3 vaste mest.
Tweede lid, onderdeel b
Het opslaan van vaste mest maakt vaak deel uit van bijvoorbeeld een veehouderij, een akkerbouwbedrijf of een agrarisch loonwerkbedrijf die aangewezen zijn als milieubelastende activiteit in het Bal. In dat geval gelden niet de regels uit deze paragraaf, maar de regels voor de opslag van vaste mest uit het Bal. De regels uit deze paragraaf gelden voor opslagen die behoren bij bijvoorbeeld veehouderijen die minder landbouwhuisdieren houden dan de ondergrenzen, opgenomen in artikel 3.200 van het Bal, kinderboerderijen, dierentuinen of bij maneges.
Een aaneengesloten bodemvoorziening is een vloer, verharding of constructie die stoffen tijdelijk keert en waarvan eventuele onderbrekingen of naden zijn gedicht.
De formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.20 van het Bal. Degene die de activiteit verricht houdt een logboek bij waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties. Dat een logboek beschikbaar moet zijn voor het bevoegd gezag, volgt uit de Algemene wet bestuursrecht. Dit mag ook in digitale vorm zijn.
Het gelijkmatig verspreiden over onverharde bodem van vrijkomende vloeistoffen afkomstig van het opslaan van vaste mest is voorgeschreven omdat het lozen van deze vloeistoffen in het riool of in oppervlaktewater niet de voorkeur heeft.
Dit artikel is niet van toepassing op het opslaan van vaste mest, afkomstig van landbouwhuisdieren of van paarden die gehouden worden in verband met het berijden. Hiervoor geldt artikel 22.114 en verder.
Het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoermiddelen maakt vaak deel uit van een veehouderij, die aangewezen is als milieubelastende activiteit in artikel 3.200 van het Bal of een agrarisch loonwerkbedrijf dat aangewezen is als milieubelastende activiteit in artikel 3.215 van het Bal. In dat geval gelden niet de regels uit deze paragraaf, maar de regels voor de opslag van kuilvoer of vaste bijvoermiddelen uit het Bal. De regels uit deze paragraaf gelden voor opslagen die behoren bij bijvoorbeeld veehouderijen die minder landbouwhuisdieren houden dan de ondergrenzen, opgenomen in artikel 3.200 van het Bal, kinderboerderijen, dierentuinen of bij maneges.
Het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen kan ook geurhinder veroorzaken. Hiervoor geldt artikel 22.116 (geur opslaan kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen: afstand).
Een elementenbodemvoorziening is een vloer, verharding of constructie die stoffen tijdelijk keert, waarvan eventuele onderbrekingen of naden niet zijn gedicht.
De formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.20 van het Bal. Degene die de activiteit verricht houdt een logboek bij waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties. Dat een logboek beschikbaar moet zijn voor het bevoegd gezag, volgt uit de Algemene wet bestuursrecht. Dit mag ook in digitale vorm zijn.
Door het gelijkmatig verspreiden over onverharde bodem van vrijkomende vloeistoffen wordt grotendeels voorkomen dat deze in het oppervlaktewater terecht komen.
Onder de genoemde voorwaarden is het lozen op of in de bodem niet bezwaarlijk en is daarom mogelijk gemaakt. Als aan de voorwaarden niet kan worden voldaan moet afvalwater van de bodembeschermende voorziening samen met de vrijkomende vloeistoffen worden opgevangen en kan dit over onverharde bodem worden verspreid in lijn met artikel 22.250.
Deze paragraaf bevat voorschriften voor het houden van landbouwhuisdieren, andere zoogdieren of vogels. Hieronder vallen dus bijvoorbeeld het op kleine schaal houden van landbouwhuisdieren, kinderboerderijen, dierentuinen, maneges, hondenkennels of dierenasiels. Het grootschalig houden van landbouwhuisdieren wordt geregeld door het Bal.
Het houden van landbouwhuisdieren of paarden of pony's kan ook geurhinder veroorzaken. Hiervoor gelden de artikelen uit subparagraaf 22.3.6.2 (Geur door het in een dierenverblijf houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony's die gehouden worden voor het berijden).
Deze paragraaf bevat geen aanvullende geurvoorschriften voor het houden van andere zoogdieren of vogels. Wanneer er toch maatregelen tegen geuroverlast noodzakelijk zijn, kan het bevoegd gezag deze bij maatwerkvoorschrift stellen. Te denken valt aan maatwerkvoorschriften waarbij wordt voorgeschreven dat uitwerpselen met een bepaalde frequentie worden verwijderd of maatwerkvoorschriften die gaan over de uitvoering en ligging van een dierenverblijf.
Het voorschrift uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer «Het te lozen afvalwater als gevolg van het reinigen en ontsmetten van dierenverblijven kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd» is niet meer expliciet uitgeschreven, omdat dit onder de specifieke zorgplicht valt.
Uitwerpselen van dieren kunnen de bodem verontreinigen. Een aaneengesloten bodemvoorziening is in principe voldoende om het bodemrisico tot verwaarloosbaar te beperken. Bij een dierenverblijf in de open lucht zoals een dierenweide ontbreekt de vloer. Over het algemeen zal dit geen problemen geven, mits de uitwerpselen en andere bederfelijke waren regelmatig worden verwijderd. Hiervoor is geen frequentie vastgesteld. Het bevoegd gezag kan de frequentie nader invullen met een maatwerkvoorschrift als dat nodig is om geurhinder te beperken of de bodem te beschermen.
De formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.20 van het Bal. Degene die de activiteit verricht houdt een logboek bij waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties. Dat een logboek beschikbaar moet zijn voor het bevoegd gezag, volgt uit de Algemene wet bestuursrecht. Dit mag ook in digitale vorm zijn.
Dit artikel stelt eisen aan het afvalwater afkomstig van dierenverblijven waarin landbouwhuisdieren of paarden of pony's voor het berijden worden gehouden. Het gaat dan om aantallen landbouwhuisdieren die niet vallen onder de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.200 van het Bal. Dieren bij kinderboerderijen of dierentuinen zijn geen landbouwhuisdieren. Daarvoor gelden de eisen uit dit artikel ook niet.
Dit artikel geeft aan welke normen worden gehanteerd bij bemonstering van afvalwater. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd.
In dit artikel zijn de milieubelastende activiteiten die al vergunningplichtig zijn op grond van hoofdstuk 3 van het Bal uitgezonderd van de vergunningplicht op grond van deze paragraaf. Het gaat dan bijvoorbeeld om de vergunningplichten voor complexe bedrijven en vergunningplichtige gevallen alleen vanwege mer-beoordeling.
Deze vergunningplicht betreft de voortzetting van de omgevingsvergunning beperkte milieutoets voor handelingen met polyesterhars en de bijbehorende toetsingsgrond voor geurhinder. Bij het verwerken van polyesterhars worden producten van polyesterhars gemaakt in een mal of op een ondergrond die deel uitmaakt van het product. Een mal wordt elke keer weer opnieuw gebruikt. Voor het «loslaten» uit de mal wordt vaak een was gebruikt. Voor het ontvetten van de mal een organisch oplosmiddel, zoals aceton of dichloormethaan.
Op grond van artikel 22.258 geldt deze vergunningplicht niet voor milieubelastende activiteiten die in hoofdstuk 3 van het Bal aangewezen zijn als vergunningplichtig. Op grond van artikel 3.135 van het Bal geldt voor deze activiteit een vergunningplicht als de activiteit onderdeel is van een ippc-installatie.
Tweede lid
De te verstrekken gegevens en bescheiden moeten ook op grond van paragraaf 4.110 van het Bal worden aangeleverd. Artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet bepaalt dat de gegevens en bescheiden niet behoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.
Eerste lid
Deze vergunningplicht betreft de voortzetting van de omgevingsvergunning beperkte milieutoets voor gesloten bodemenergiesystemen.
Tweede lid
Deze gegevens en bescheiden komen overeen met de gegevens en bescheiden die aan het bevoegd gezag moeten worden verstrekt op grond van artikel 4.1137 van het Bal. Artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet bepaalt dat de gegevens en bescheiden niet behoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.
Bij het kweken van maden van vliegende insecten moeten in ieder geval maatregelen ter voorkoming van geurhinder worden getroffen.
Eerste lid
Opslagtanks voor gassen die in elkaars onmiddellijke nabijheid staan, kunnen elkaar beïnvloeden bij incidenten. Het risico op een incident van twee opslagtanks in elkaars nabijheid is meer dan twee keer zo groot als het risico van de twee opslagtanks apart. De PGS-richtlijnen schrijven om die reden voor dat opslagtanks onderling bepaalde afstanden aan moeten houden, en ook een bepaalde afstand tot de erfgrens aan moeten houden. Bij het toelaten van een opslag van gassen op een locatie in meer dan twee opslagtank moet de veiligheid beoordeeld worden. Dit vergt maatwerk. Op grond van artikel 22.258 geldt deze vergunningplicht niet voor milieubelastende activiteiten die in hoofdstuk 3 van het Bal aangewezen zijn als vergunningplichtig. Op grond van artikel 3.22 van het Bal geldt er een vergunningplicht voor opslagtanks met een inhoud van meer dan 13 m3.
Tweede lid
Deze gegevens en bescheiden komen overeen met een deel van de gegevens en bescheiden die verstrekt moeten worden bij de melding op grond van artikel 4.897 van het Bal. Artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet bepaalt dat geen gegevens en bescheiden hoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.
Eerste lid
De belangrijkste reden voor het opnemen van een vergunningplicht voor deze activiteit is de ruimtelijke inpassing van de activiteit op een locatie vanuit het oogpunt van de veiligheid.
Tweede lid
Deze gegevens en bescheiden komen overeen met de gegevens en bescheiden die verstrekt moeten worden bij de melding op grond van artikel 4.472a van het Bal. Artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet bepaalt dat de gegevens en bescheiden niet behoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.
De belangrijkste beoordelingsgrond voor deze activiteit is geluidhinder.
Eerste lid
Een vergunningplicht geldt voor laboratoria die werken met biologische agentia vanaf categorie 3 volgens de indeling van risicogroepen van de richtlijn 2000/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 september 2000 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's van blootstelling aan biologische agentia op het werk (zevende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 83/391/EEG) (PbEG 2000, L 262).
Tweede lid
Deze gegevens en bescheiden komen overeen met de gegevens en bescheiden die verstrekt moeten worden bij de melding op grond van artikel 4.648 van het Bal. Artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet bepaalt dat de gegevens en bescheiden niet behoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.
Eerste en tweede lid
Deze vergunningplicht is niet van toepassing als het gaat om ingeperkt gebruik als bedoeld in het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 waarop inperkingsniveau IV van toepassing is. In dat geval geldt de vergunningplicht op grond van artikel 3.247 van het Bal.
Derde lid
Deze gegevens en bescheiden komen overeen met de gegevens en bescheiden die verstrekt moeten worden bij de melding op grond van artikel 4.630 van het Bal. Artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet bepaalt dat de gegevens en bescheiden niet behoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.
Eerste lid
De vergunningplicht voor het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie gelden voor mestbassins met een gezamenlijk oppervlak van meer dan 750 m2 of meer dan 2.500 m3. Deze activiteiten waren onder het oude recht als vergunningplichtig aangewezen in Bijlage I, onderdeel C, onderdeel 7.5, onder i en j, bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. Ook voor het opslaan van meer dan 600 m3 vaste mest moeten een vergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit worden aangevraagd. De vergunningplicht stond onder het oude recht in Bijlage I, onderdeel C, onderdeel 7.5, onder d, bij het voormalige Besluit omgevingsrecht.
Tweede lid
Deze gegevens en bescheiden komen deels overeen met de gegevens en bescheiden die verstrekt moeten worden bij de melding op grond van artikel 4.836 van het Bal. Artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet bepaalt dat de gegevens en bescheiden niet behoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.
In de voorgaande paragrafen van deze afdeling zijn verschillende lozingen in de bodem toegestaan. Voor alle andere lozingen is een voorafgaande toestemming vereist, vanwege de nadelige gevolgen die deze lozingen kunnen hebben voor de bodemkwaliteit. De voorafgaande toestemming heeft de vorm van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Voorheen was hiervoor een maatwerkvoorschrift op grond van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, het voormalige Besluit lozen buiten inrichtingen of het voormalige Besluit lozing afvalwater huishoudens vereist. Maar een omgevingsvergunning ligt meer voor de hand, omdat de activiteit zonder toestemming geheel verboden is. De vergunningplicht geldt niet voor lozingen die afkomstig zijn van milieubelastende activiteiten als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Bal. Dat besluit bevat immers al de regels die ter bescherming van de bodem nodig zijn.
Bij de aanvraag van de vergunning moet het maximale debiet van de lozing en het soort afvalwater worden vermeld. Dit gebruikt de gemeente om het risico op wateroverlast en de effecten van de lozing op de bodemkwaliteit te beoordelen. Dit artikel is niet van toepassing op lozingen bij wonen, omdat het voormalige Besluit lozing afvalwater huishoudens alle lozingen bij wonen toestond. Voor wonen wordt daarom volstaan met de specifieke zorgplicht van deze afdeling.
In de voorgaande paragrafen van deze afdeling zijn verschillende lozingen in de schoonwaterriolering toegestaan. Voor alle lozingen die niet door deze afdeling worden toegestaan is een voorafgaande toestemming vereist, vanwege de nadelige gevolgen die deze lozingen kunnen hebben voor de doelmatige werking van die riolering en voor de oppervlaktewaterkwaliteit. De voorafgaande toestemming heeft de vorm van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Voorheen was hiervoor een maatwerkvoorschrift op grond van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, het voormalige Besluit lozen buiten inrichtingen of het voormalige Besluit lozing afvalwater huishoudens vereist. Maar een omgevingsvergunning ligt meer voor de hand, omdat de activiteit zonder toestemming geheel verboden is.
Bij de aanvraag van de vergunning moet het maximale debiet van de lozing en het soort afvalwater worden vermeld. Dit gebruikt de gemeente om het risico op wateroverlast en de effecten van de lozing op de riolering en de oppervlaktewaterkwaliteit te beoordelen. Dit artikel is niet van toepassing op lozingen bij wonen, omdat het voormalige Besluit lozing afvalwater huishoudens alle lozingen bij wonen toestond. Voor wonen wordt daarom volstaan met de specifieke zorgplicht van deze afdeling.
Voor de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit op grond van dit omgevingsplan, zijn de beoordelingsregels van het Bkl van overeenkomstige toepassing. Dat sluit aan op de situatie die gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Deze afdeling gaat over aanleg of reconstructie van een weg of spoorweg die weliswaar niet in strijd is met dit omgevingsplan, maar waarover geen afweging heeft plaatsgevonden bij de totstandkoming van de constituerende onderdelen van dit plan, zoals bestemmingsplannen. De afdeling ziet niet op rijkswegen en provinciale wegen omdat daarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn of worden vastgesteld. Die geluidproductieplafonds beschermen de omliggende geluidgevoelige gebouwen tegen een eventuele toename van het geluid en dus hoeft een omgevingsplan daar niet in te voorzien. De bepaling is een omzetting van artikel 73, onder a (toepassingsbereik), artikel 79 (aanleg) en artikel 99 (reconstructie) van de Wet geluidhinder en artikel 4.4 van het Besluit geluidhinder. Het tijdelijk deel van dit omgevingsplan heeft geen betrekking op provinciale wegen waarvoor nog geen geluidproductieplafonds zijn vastgesteld, omdat daarvoor nog de Wet geluidhinder van toepassing is (zoals bepaald in artikel 3.5 van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet).
Eerste lid
Onder de Wet geluidhinder was voor aanleg of wijziging een besluit op aanvraag van het college van burgemeester en wethouders vereist. In dit omgevingsplan is dit besluit omgezet in een omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit. Ook dit lid vormt een omzetting van de artikelen 79 (aanleg) en 99 (reconstructie) van de Wet geluidhinder en artikel 4.4 van het Besluit geluidhinder. In de praktijk zal het bij toepassing van deze artikelen vrijwel altijd gaan om situaties waar nog onder de Wet geluidhinder over is besloten, bijvoorbeeld bij het vaststellen van een bestemmingsplan. In de formulering is echter de terminologie van het stelsel van de Omgevingswet gebruikt, omdat bestemmingsplannen en inpassingsplannen op grond van de Invoeringswet Omgevingswet onderdeel zijn geworden van het tijdelijk deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, en omgevingsvergunningen voor het afwijken van het bestemmingsplan en tracébesluiten gelden als omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Tweede lid
Hier zijn uitzonderingen op het eerste lid uit de oude regelgeving opgenomen, voor zover ze zien op wegen. Deze uitzonderingen zijn afkomstig uit de Wet geluidhinder: de begripsbepaling «reconstructie van een weg» in artikel 1, artikel 1b, vijfde lid, en artikel 74. Opgemerkt wordt dat deze uitzonderingen niet allemaal gehandhaafd kunnen worden bij de ombouw van het tijdelijk deel van dit omgevingsplan naar het nieuwe deel van dit omgevingsplan. De instructieregels voor het geluid door gemeentewegen, die zijn opgenomen in paragraaf 5.1.4.2a.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, kennen bijvoorbeeld niet de uitzondering voor 30-km-wegen en de uitzondering vanwege het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit.
Derde lid
Hier zijn uitzonderingen op het eerste lid uit de oude regelgeving opgenomen, voor zover ze zien op spoorwegen. Deze uitzonderingen zijn afkomstig uit artikel 1.1 van het Besluit geluidhinder: de begripsbepaling «wijziging van een spoorweg» in het eerste lid van dat artikel en de uitzonderingen daarop in het tweede lid. Opgemerkt wordt dat deze uitzonderingen niet allemaal gehandhaafd kunnen worden bij de ombouw van het tijdelijk deel van dit omgevingsplan naar het nieuwe deel van dit omgevingsplan.
Eerste lid
Dit bepaalt de ligging van het aandachtsgebied voor wegen en spoorwegen die zijn verweven of gebundeld met wegen. De aanwijzing is gelijk aan de geluidzone zoals die gedefinieerd werd in de artikelen 74, eerste lid, en 75, eerste lid, van de Wet geluidhinder, waarbij de begripsbepalingen «bebouwde kom», «buitenstedelijk gebied» en «stedelijk gebied» uit artikel 1 van die wet zijn uitgeschreven in de artikeltekst. Deze bepaling kan bij de omzetting van het tijdelijk deel van dit omgevingsplan naar het nieuwe deel van dit omgevingsplan worden geschrapt omdat in de Omgevingsregeling zal worden voorzien in regels over de bepaling van het geluidaandachtsgebied.
Tweede lid
Dit lid bepaalt de ligging van het aandachtsgebied voor vrijliggende spoorwegen. De aanwijzing is afgeleid uit de Regeling zonekaart spoorwegen geluidhinder. Daar was een tabel van lokale spoorwegen opgenomen met voor alle spoorwegen een geluidzone van 100 meter aan weerszijden van het spoor, met uitzondering van drie in tunnels gelegen metro's waar de geluidzone 25 meter bedroeg. Hier is de afstand niet in een tabel opgenomen, maar in tekst uitgewerkt, omdat het tijdelijke deel van dit omgevingsplan immers, anders dan een ministeriële regeling, niet kan worden aangepast als er nieuwe spoorwegen worden aangelegd. Deze bepaling kan bij de omzetting van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan naar het nieuwe deel van dit omgevingsplan worden geschrapt omdat in de Omgevingsregeling zal worden voorzien in regels over de bepaling van het geluidaandachtsgebied.
Derde lid
Deze leden vormen een omzetting van artikel 75, tweede en derde lid, van de Wet geluidhinder en artikel 1.4a, tweede en derde lid, van het Besluit geluidhinder.
Vierde lid
Deze leden vormen een omzetting van artikel 75, tweede en derde lid, van de Wet geluidhinder en artikel 1.4a, tweede en derde lid, van het Besluit geluidhinder.
Net als onder de Wet geluidhinder moet de initiatiefnemer een akoestisch onderzoek overleggen. Dit artikel is een omzetting van bepalingen in artikel 80 van de Wet geluidhinder in samenhang met de artikelen 77 en 99, tweede lid, van die wet en artikel 4.5 in samenhang met artikel 4.10 van het Besluit geluidhinder. Opgemerkt wordt dat de gehanteerde standaardwaarde en de binnenwaarde waarnaar verwezen wordt niet zijn ontleend aan de normwaarden van de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder, maar aan het Besluit kwaliteit leefomgeving zoals dat is gewijzigd door het Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet. Dat was nodig omdat opnemen van oude normwaarden zou hebben betekend dat de bij die normwaarden behorende meet- en rekenvoorschriften hier opgenomen hadden moeten worden. Dat had de regeling te zeer gecompliceerd. De nieuwe normwaarden zijn, zoals beschreven in het algemeen deel van de toelichting bij het Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet, gelijkwaardig aan de oude.
De Wet geluidhinder bepaalde dat het college van burgemeester en wethouders in zijn besluit bepaalde welke maatregelen nodig zijn om te voorkomen dat de geluidbelasting binnen de zone de hoogst toelaatbare waarden te boven zou gaan. Dat is te lezen als een regel over voorschriften. Omdat een binnenplans vergunningstelsel altijd een beoordelingsregel vereist, is deze regel hier uitgesplitst in een beoordelingsregel, inhoudende dat het bevoegd gezag de omgevingsvergunning alleen verleent als binnenplanse omgevingsvergunning als de grenswaarde niet wordt overschreden, en in een regel over voorschriften, die inhoudt dat het bevoegd gezag de maatregelen voorschrijft die nodig zijn om te voorkomen dat niet aan de standaardwaarden wordt voldaan of dat het geluid op geluidgevoelige gebouwen toeneemt ten opzichte van het geluid direct voorafgaand aan de wijziging. Als de omgevingsvergunning niet kan worden verleend als binnenplanse omgevingsplanactiviteit, kan de aanvraag worden beoordeeld als een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Op die beoordeling zijn de regels van paragraaf 5.1.4.2a.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.
De gehanteerde grenswaarde is niet ontleend aan de normwaarden van de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder, maar aan het Besluit kwaliteit leefomgeving zoals dat is gewijzigd door het Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet. In de toelichting op artikel 22.274 is ingegaan op de achtergrond hiervan.
Deze paragraaf bevat een aantal bepalingen die verband houden met vergunningplichten en daarop betrekking hebbende beoordelingsregels voor activiteiten die onderdeel kunnen zijn van op grond van de voormalige Wet ruimtelijke ordening geldende planologische regelingen. Deze regelingen behoren onder het stelsel van de Omgevingswet tot het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van die wet. Het betreft de vergunningenstelsels voor het slopen van bouwwerken (sloopactiviteiten) en het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of werkzaamheden (aanlegwerkzaamheden). Ook bevat deze paragraaf bepalingen met betrekking tot in het tijdelijke deel opgenomen mogelijkheden om bij omgevingsvergunning van bepaalde regels af te wijken.
De bepalingen in deze paragraaf gelden als aanvullend op wat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, al voor die activiteiten kan zijn geregeld en zijn nodig om een goede overgang van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Wet ruimtelijke ordening naar de Omgevingswet te bewerkstelligen.
Wat in Artikel 22.33 van dit omgevingsplan is geregeld voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, is in artikel 22.278 op vergelijkbare wijze geregeld voor de omgevingsplanactiviteit bestaande uit het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of werkzaamheid (ook wel de aanlegvergunning of aanlegactiviteit genoemd). Net als voor bouwactiviteiten regelde de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in artikel 3.3 een voorbeschermingsregime in de vorm van een aanhoudingsplicht voor de beslissing op aanvragen om een omgevingsvergunning voor de hier bedoelde aanlegactiviteiten. Voor aanvragen om een omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteiten bestaande uit dergelijke aanlegactiviteiten komt artikel 22.278 voor de regeling uit artikel 3.3 van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in de plaats. Voor zijn verdere werking is artikel 22.278 identiek aan de werking van artikel 22.33. Voor de toelichting op die werking wordt dan ook verwezen naar de toelichting op artikel 22.33.
In artikel 22.279 is een beoordelingsregel opgenomen voor in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan opgenomen verbodsbepalingen om zonder omgevingsvergunning een sloopactiviteit te verrichten. Onder «sloopactiviteit» moet op grond van de bijlage bij de Omgevingswet «het slopen van een bouwwerk» worden verstaan. Deze begripsbepaling is op grond van artikel 1.1 van dit omgevingsplan ook van toepassing op hoofdstuk 22 van dit plan. De vergunningenstelsels voor de hier bedoelde sloopactiviteiten konden op grond van artikel 3.3, aanhef en onder b, van de voormalige Wet ruimtelijke ordening in onder meer bestemmingsplannen, beheersverordeningen en andere ruimtelijke regelingen zijn opgenomen. In het nieuwe stelsel zijn deze regelingen onderdeel geworden van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. De beoordelingsregel voor deze in ruimtelijke regelingen opgenomen sloopvergunningenstelsels was opgenomen in artikel 2.16 van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Ter vervanging van deze bepaling is in artikel 22.279 in een gelijkluidende beoordelingsregel voorzien. In de nieuwe redactie is er echter rekening mee gehouden dat naast deze (vanuit artikel 2.16 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht overgehevelde) beoordelingsregel ook nog andere specifieke beoordelingsregels kunnen zijn gesteld in de vergunningenstelsels voor sloopactiviteiten in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. In de jurisprudentie is de mogelijkheid om in bijvoorbeeld een bestemmingsplan ook nog specifieke beoordelingsregels voor het slopen te stellen bevestigd (verwezen wordt naar ABRvS 12 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:898, TBR 2014/61). Als dergelijke beoordelingsregels zijn gesteld, blijven deze onverminderd van toepassing en werkt de beoordelingsregel in artikel 22.279 hierop aanvullend.
Artikel 22.280 heeft betrekking op regels uit het tijdelijke deel van het omgevingsplan waarin is bepaald dat bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van daarbij aangegeven regels. Dergelijke afwijkingsmogelijkheden konden op grond van artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de voormalige Wet ruimtelijke ordening worden gesteld in bestemmingsplannen, beheersverordeningen en andere ruimtelijke regelingen. Voor de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht hadden deze bepalingen de vorm van een bevoegdheid om een (binnenplanse) ontheffing te verlenen. Onder de (oude) Wet op de Ruimtelijke Ordening werd nog gesproken van een (binnenplanse) vrijstelling. In de redactie van de ruimtelijke regelingen die onder de voormalige Wet ruimtelijke ordening en de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht zijn vastgesteld, hebben de bepalingen, zoals al vermeld, een vorm waarin wordt bepaald dat bij omgevingsvergunning van een gestelde regel kan worden afgeweken. Uit de letterlijke redactie van dergelijke bepalingen vloeit niet een zelfstandig verbod voort om een activiteit te verrichten zonder omgevingsvergunning. Onder de werking van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht werden al deze bepalingen dan ook in juridische vorm «gevangen» onder de werking van het verbod behoudens omgevingsvergunning uit artikel 2.1, eerste lid, onder c. Deze wet is echter bij de inwerkintreding van de Omgevingswet ingetrokken, zodat de explicitering van de vergunningplicht voor deze afwijkingsmogelijkheden niet langer is geregeld. In plaats daarvan wordt deze explicitering van de vergunningplicht nu in artikel 22.280 van dit omgevingsplan geregeld. Met artikel 22.280 wordt daarmee buiten twijfel gesteld dat de bepalingen uit het tijdelijke deel waarin de mogelijkheid wordt geboden om bij omgevingsvergunning van regels af te wijken, gelden als binnenplans verbod om de betrokken activiteit zonder omgevingsvergunning te verrichten. Ook de nog voorkomende redacties in oude ruimtelijke regelingen die deel uitmaken van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, met termen als ontheffing en vrijstelling, worden door dit binnenplanse verbod om de betrokken activiteit zonder omgevingsvergunning te verrichten aangestuurd.
Artikel 22.281 moet worden gelezen in samenhang met artikel 22.280 en heeft ook betrekking op de in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan opgenomen mogelijkheden om bij omgevingsvergunning van gestelde regels te kunnen afwijken. Zoals al toegelicht bij artikel 22.280 vielen dergelijke afwijkingsmogelijkheden onder de juridische werking van de vergunningplicht van artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1°, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, konden deze omgevingsvergunningen worden verleend. De Afdeling advisering van de Raad van State heeft er in haar advies over het ontwerp Invoeringsbesluit Omgevingswet terecht op gewezen dat uit de werking van de beoordelingsregel in artikel 8.0a, eerste lid, van het Bkl een imperatieve werking voortvloeit, die ertoe leidt dat een omgevingsvergunning voor activiteiten als hier bedoeld moet worden verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning. Hierdoor zou de mogelijkheid uit artikel 2.12 van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht om de vergunning, ook als werd voldaan aan de in de betrokken planologische regeling gestelde regels over afwijking, toch te kunnen weigeren, komen te vervallen. Voor zover de regels voor het kunnen verlenen van een omgevingsvergunning voor deze afwijkingsmogelijkheden geen zelfstandige beslissingsruimte bieden (maar een imperatieve redactie kennen die kan dwingen tot vergunningverlening), zou dit onder de werking van het nieuwe stelsel tot het probleem kunnen leiden dat het bevoegd gezag wordt gedwongen een vergunning te verlenen terwijl onder oud recht artikel 2.12 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht nog de afwegingsruimte bood de vergunning in die omstandigheid toch te kunnen weigeren. Om een neutrale overgang naar het nieuwe stelsel te borgen, wordt met artikel 22.281 beslissingsruimte toegevoegd aan de imperatief geformuleerde regels voor het verlenen van deze vergunningen. Daarmee blijft het net als onder de werking van het oude stelsel mogelijk een afweging te maken en de vergunning voor een geboden afwijkingsmogelijkheid in voorkomende omstandigheden toch te weigeren, in het geval de regels voor het verlenen van de afwijking zouden dwingen om de vergunning te verlenen. Het zal overigens in de praktijk geregeld voorkomen dat een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bestaande uit een dergelijke afwijking van een regel gezamenlijk wordt verleend met een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk.
Artikel 22.282 biedt voor aanvragen om een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 22.280 een aanvullende mogelijkheid de omgevingsvergunning te verlenen als de activiteit waarop de aanvraag betrekking heeft in strijd is met de in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan gestelde regels over afwijking, waardoor vergunningverlening op grond van die regels niet mogelijk is, maar niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht in dat tijdelijke deel. Hiermee wordt een vergelijkbare mogelijkheid geboden zoals artikel 22.32 van dit omgevingsplan biedt voor aanvragen om een omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteiten bestaande uit bouwactiviteiten en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk. Omdat de werking identiek is wordt voor de toepassing van deze bepaling verder verwezen naar de toelichting bij artikel 22.32.
Onder de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht waren de indieningsvereisten voor omgevingsvergunningen op rijksniveau geregeld, ook als de vergunningplicht was ingesteld in een bestemmingsplan of gemeentelijke verordening. Deze indieningsvereisten waren opgenomen in de voormalige Regeling omgevingsrecht en komen, voor zover het gaat om die laatste vergunningen, niet meer terug op rijksniveau. Daarom worden deze opgenomen in deze paragraaf. Voor zover het gaat om vergunningplichten die onder de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht waren ingesteld in een bestemmingsplan, maken die vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel uit van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van die wet. Voor zover het gaat om vergunningplichten die onder de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht waren ingesteld in gemeentelijke verordeningen (artikel 2.2 van die wet) houden de aanvraagvereisten verband met artikel 22.8 van de Omgevingswet. Artikel 22.8 van de Omgevingswet brengt met zich dat zolang deze vergunningenstelsels nog niet zijn overgeheveld naar het omgevingsplan, de regeling van artikel 2.2 van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht feitelijk wordt gecontinueerd. Een in een autonome verordening opgenomen vergunningplicht, die krachtens artikel 2.2 van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht werd aangemerkt als een Wabo-omgevingsvergunningplicht, wordt na inwerkingtreding van de Omgevingswet aangemerkt als een omgevingsvergunningplicht op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet.
In deze afdeling zijn daarnaast nog de aanvraagvereisten voor een omgevingsvergunning voor twee andere activiteiten opgenomen. In de eerste plaats de activiteit die strekt tot het afwijken van regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, waarvoor in dat tijdelijke deel is bepaald dat daarvan bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken. De hiermee samenhangende vergunningplicht die onder de gelding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht volgde uit artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van die wet, is opgenomen in artikel 22.280 van dit omgevingsplan. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar de hiervoor gegeven toelichting op dat artikel.
De tweede activiteit waarvoor deze afdeling nog aanvraagvereisten voor een omgevingsvergunning bevat, is het slopen van een bouwwerk in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht waarvoor op grond van artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist. Ook dat artikel is een overgangsrechtelijke bepaling. In artikel 2.1, eerste lid, onder h, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht was een vergunningplicht opgenomen voor het slopen van een bouwwerk in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht. Onder de Omgevingswet is dit geen afzonderlijke, in artikel 5.1 van die wet geregelde vergunningplicht meer, maar wordt het sloopvergunningenregime voor rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten onderdeel van het omgevingsplan. Direct bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet is in het algemeen nog niet in een adequaat sloopvergunningenregime in het omgevingsplan voorzien, omdat bestemmingsplannen nog uitgingen van het bestaan van de wettelijke vergunningplicht uit artikel 2.1, eerste lid, onder h, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Om te voorkomen dat door het wegvallen van die rechtstreeks uit de wet voortvloeiende vergunningplicht een hiaat in de bescherming van een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht ontstaat, is in artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet bepaald dat totdat het omgevingsplan voorziet in een adequaat beschermingsregime dat voldoet aan de in dat artikellid gestelde eisen, voor het slopen in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist. Artikel 4.35, tweede lid, van die wet verklaart op deze vergunningplicht de op de vergunningplicht uit artikel 2.1, eerste lid, onder h, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht betrekking hebbende weigeringsgrond uit artikel 2.16 van die wet van overeenkomstige toepassing. Vanwege dit beschermingsregime zijn ook de indieningsvereisten voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder h, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht zoals die waren opgenomen in artikel 6.2 van de voormalige Regeling omgevingsrecht naar deze afdeling overgeheveld.
De vier categorieën activiteiten waarop de aanvraagvereisten in deze afdeling betrekking hebben, komen terug in de nadere onderverdeling van paragraaf 22.5.2 van deze afdeling in een viertal subparagrafen.
De indieningsvereisten uit de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht komen niet allemaal in identieke bewoordingen als aanvraagvereisten terug. Dat kan alleen al niet vanwege de begrippen uit het oude recht die in die regels voorkomen. In de artikelen 22.2 en 22.14 van de Omgevingswet is bepaald dat de bruidsschat bestaat uit rijksregels of daaraan gelijkwaardige regels. Door aan te sluiten op de terminologie van het nieuwe stelsel wordt invulling gegeven aan het opstellen van gelijkwaardige regels. Dat betekent bijvoorbeeld dat het begrip locatie wordt gehanteerd en niet het begrip grond. Wat betreft de aanvraagvereisten voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een gemeentelijk monument is aangesloten bij de formulering van de aanvraagvereisten voor een rijksmonumentenactiviteit die in de Omgevingsregeling zijn opgenomen.
Artikel 22.287 tot en met artikel 22.295 voorzien in specifieke aanvraagvereisten voor omgevingsplanactiviteiten die betrekking hebben op een gemeentelijk monument. Bij een gemeentelijk monument gaat het op grond van bijlage I bij het Bbl om een monument of archeologisch monument als bedoeld in de Erfgoedwet waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven. Op grond van artikel 22.295 zijn dezen aanvraagvereisten van overeenkomstige toepassing op eventuele voorbeschermde gemeentelijke monumenten in dit omgevingsplan. Bijlage I bij het Bbl definieert een voorbeschermd gemeentelijk monument voor zover in het kader van het omgevingsplan van belang als een monument of archeologisch monument waarvoor het omgevingsplan een voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om aan dat monument of archeologisch monument in het omgevingsplan de functie-aanduiding van gemeentelijk monument te geven. Artikel 22.287 tot en met artikel 22.295 zijn ook van toepassing op monumenten en archeologische momenten die een (voor)beschermde status hebben op grond van een gemeentelijke verordening en nog niet via een voorbeschermingsregel of functie-aanduiding in het omgevingsplan zijn overgezet. Dit volgt uit artikel 4.4 van dit omgevingsplan. Voor de leesbaarheid wordt hierna alleen van gemeentelijk monument gesproken, maar kan steeds ook voorbeschermd gemeentelijk monument worden gelezen. Omgevingsplanactiviteiten die betrekking hebben op een gemeentelijk monument komen overeen met de activiteiten die op grond van de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet onder de «rijksmonumentenactiviteit» vallen: het slopen, verstoren, verplaatsen of wijzigen van een monument of een archeologisch monument of het herstellen of gebruiken daarvan waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. Waar in deze begripsomschrijving gesproken wordt van «monument» wordt alleen op gebouwde en aangelegde (groene) monumenten gedoeld. Waar gesproken wordt van «archeologisch monument» wordt gedoeld op een terrein dat deel uitmaakt van cultureel erfgoed vanwege de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen (zie de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet en artikel 1.1 van de Erfgoedwet). Voor deze aanvraagvereisten hebben, zoals hierboven al aangegeven, de indieningsvereisten in de voormalige Regeling omgevingsrecht onder de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht als basis gediend, aangevuld met indieningsvereisten voor archeologische rijksmonumenten op grond van de Monumentenwet 1988. De redactie is daarbij wel aangepast aan voortschrijdend inzicht en aan de stelselkeuzes van de Omgevingswet.
In artikel 22.276 zijn de algemene aanvraagvereisten voor omgevingsplanactiviteiten die betrekking hebben op een gemeentelijk monument opgenomen, die bij iedere aanvraag van toepassing zijn. Voor het overige zijn de aanvraagvereisten in verschillende artikelen gespecificeerd voor de volgende activiteiten:
-activiteiten die betrekking hebben op archeologische monumenten;
-het slopen (= geheel of gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen) van monumenten;
-het gedeeltelijk of volledig verplaatsen van monumenten;
-het wijzigen van een monument (restauratie, verbouw, reconstructie of op een andere manier wijzigen) of het door herstel ontsieren of in gevaar brengen van een monument;
-het gebruiken van een monument waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.
Ook zijn er twee artikelen opgenomen met eisen aan tekeningen, een voor monumenten en een voor archeologische monumenten.
Met deze uitsplitsing in activiteiten wordt voorkomen dat initiatiefnemers (vergunningaanvragers) worden geconfronteerd met aanvraagvereisten die niet relevant voor hen zijn. Deze insteek bestond al in de voormalige Regeling omgevingsrecht, maar is nu verder vereenvoudigd. Bij een aantal artikelen is ook een splitsing aangebracht in aanvraagvereisten die in beginsel altijd noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de voorgenomen activiteit in relatie tot het monument of archeologisch monument en zijn monumentale waarde (eerste lid), en aanvraagvereisten die niet in alle gevallen nodig zijn of die alleen voor bepaalde soorten gemeentelijke monumenten van toepassing zijn (tweede lid).
De aard en de omvang van de activiteit en het soort gemeentelijk monument bepalen welke aanvraagvereisten in een concreet geval van toepassing zijn. Zo zijn voor de beoordeling van een vergunningaanvraag voor uitvoering van een restauratie- of (ver)bouwplan meer gegevens en bescheiden noodzakelijk dan voor het beoordelen van een vergunningaanvraag voor het aanbrengen van gevelreclame. Voorafgaand aan ingrijpende restauraties is het uitvoeren van een bouwhistorisch onderzoek vaak wenselijk, terwijl dit voor kleinere herstelwerkzaamheden meestal niet aan de orde zal zijn. Ook de locatie van de activiteiten is voor de aanvraagvereisten van belang. Als er werkzaamheden in het interieur worden uitgevoerd, zijn interieurfoto's nodig, maar deze zijn doorgaans niet relevant als de ingrepen alleen de buitenkant van het monument betreffen.
Door de grote verscheidenheid aan activiteiten die van invloed kunnen zijn op de monumentale waarde van een monument of archeologisch monument is geen volledig dekkend beeld te geven van alle mogelijke aanvraagvereisten. Het bevoegd gezag kan in specifieke gevallen, naast de genoemde aanvraagvereisten, op grond van artikel 4:2, tweede lid, in samenhang met artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht ook nog andere aanvraagvereisten formuleren. De gevraagde informatie moet uiteraard wel noodzakelijk zijn voor, en in directe relatie te staan tot, de beoordeling van de aanvraag. Het is dan ook in het algemeen bij voorgenomen omgevingsplanactiviteiten die betrekking hebben op een gemeentelijk monument raadzaam voor een aanvrager om eerst in vooroverleg te treden met het bevoegd gezag en daarna pas over te gaan tot het maken van definitieve plannen. Zo krijgt hij vroegtijdig inzicht in welke aanvullende aanvraagvereisten in het concrete geval nodig worden geacht en kan rekening worden gehouden met eventuele toepasselijke kwaliteitsnormen of uitvoeringsrichtlijnen voor de instandhouding van monumenten.
Bij de beoordeling van de vergunningaanvraag zal het belang van de (archeologische) monumentenzorg bij het behoud van het monument of archeologisch monument in redelijkheid moeten worden afgewogen tegen de belangen van de aanvrager (eigenaar/gebruiker) en die van derde belanghebbenden. Bij die belangenafweging staat het voorkomen van nadelige gevolgen van de aangevraagde activiteiten voor het monument of archeologisch monument en de monumentale waarden ervan voorop. Ook zal er bij de beoordeling van een aanvraag voor een omgevingsvergunning rekening moeten worden gehouden met de volgende beginselen uit het verdrag van Granada (de op 3 oktober 1985 te Granada tot stand gekomen Overeenkomst inzake het behoud van het architectonische erfgoed van Europa; Trb. 1985, 163) en het verdrag van Valletta (het op 16 januari 1992 te Valletta tot stand gekomen herziene Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed; Trb. 1992, 32):
het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van monumenten en archeologische monumenten,
het voorkomen van verplaatsing van monumenten of een deel daarvan, tenzij dit dringend vereist is voor het behoud van die monumenten,
het bevorderen van het gebruik van monumenten, zo nodig door wijziging van die monumenten, rekening houdend met de monumentale waarden, en
het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur in situ.
Een aanvraag moet dus voldoende inzicht geven in de reden, aard en omvang van de activiteit, de impact op het monument of archeologisch monument en de monumentale waarde ervan, en het (voorgenomen) gebruik van het monument of archeologisch monument.
Dit artikel bevat een aantal specifieke aanvraagvereisten voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een werk dat geen bouwwerk is, of het uitvoeren van een werkzaamheid. Deze aanvraagvereisten gelden naast de algemene aanvraagvereisten in artikel 4:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (ondertekening, naam en adres van de aanvrager, dagtekening en aanduiding van de gevraagde beschikking) en de aanvraagvereisten in artikel 7.2 van de Omgevingsregeling (aanduiding van de activiteit, elektronisch adres en telefoonnummer van de aanvrager, aanduiding en begrenzing van de locatie van de activiteit en eventuele gegevens van een gemachtigde).
Met het vereiste om aan te geven welke obstakels aanwezig zijn, bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt bijvoorbeeld bedoeld een boom, lantaarnpaal of nutsvoorziening die in de weg staat aan het realiseren van het werk of het uitvoeren van de werkzaamheid.
Het tweede lid betreft een rapport van een archeologisch vooronderzoek, waarin de archeologische waarde van het archeologisch monument op de locatie(s) van de voorgenomen activiteit nader is vastgesteld. Het bevoegd gezag moet op basis hiervan voldoende inzicht krijgen in de exacte impact van de activiteit op de archeologische waarde van het archeologisch monument. In die gevallen dat de archeologische waarde eerder al voldoende is vastgesteld, zal dit aanvraagvereiste niet nodig zijn.
Dit artikel bevat een aanvraagvereiste voor een sloopactiviteit. In verband met de beoordelingsregel uit artikel 22.279 moeten gegevens worden overgelegd waarmee aannemelijk moet worden gemaakt dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd. Met «kan» worden gebouwd wordt gedoeld op de situatie waarin het bouwen van een vervangend bouwwerk juridisch mogelijk is. Om dit aannemelijk te maken is in beginsel een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit voor het bouwen van het vervangende bouwwerk voldoende. Om aannemelijk te maken dat er, als de hiervoor bedoelde omgevingsvergunning (nog) niet is verleend, «zal» worden gebouwd, moet de intentie om het vervangende bouwwerk te bouwen op andere wijze worden onderbouwd, bijvoorbeeld door inzicht te geven in vergevorderde bouwplannen. Dat laatste geldt ook als voor het bouwen van een vervangend bouwwerk op de locatie geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist. Als het naar het oordeel van het bevoegd gezag onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat er sprake zal zijn van vervangende nieuwbouw, biedt artikel 22.279 de mogelijkheid om de vergunning te weigeren. Het is mogelijk dat naast artikel 22.279 nog andere specifieke beoordelingsregels zijn opgenomen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan bij de daar opgenomen vergunningplicht om een bouwwerk te slopen zonder omgevingsvergunning. Op grondslag van artikel 4:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan het bevoegd gezag zo nodig nog aanvullende gegevens en bescheiden opvragen die gelet op die beoordelingsregels nodig zijn voor de beslissing op de aanvraag.
Dit artikel bevat aanvraagvereisten voor een aanvraag om een omgevingsvergunning om af te wijken van regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan als bedoeld in artikel 22.280. Voor een nadere toelichting op deze vergunningplicht wordt verwezen naar de toelichting op dat artikel. De aanvraagvereisten in artikel 22.286 zijn ontleend aan artikel 3.2 van de voormalige Regeling omgevingsrecht.
Het tweede lid betreft een rapport van een archeologisch vooronderzoek, waarin de archeologische waarde van het archeologisch monument op de locatie(s) van de voorgenomen activiteit nader is vastgesteld. Het bevoegd gezag moet op basis hiervan voldoende inzicht krijgen in de exacte impact van de activiteit op de archeologische waarde van het archeologisch monument. In die gevallen dat de archeologische waarde eerder al voldoende is vastgesteld, zal dit aanvraagvereiste niet nodig zijn.
Dit artikel bevat aanvraagvereisten die gelden voor iedere activiteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument.
Deze aanvraagvereisten gelden naast de algemene aanvraagvereisten in artikel 4:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (ondertekening, naam en adres van de aanvrager, dagtekening en aanduiding van de gevraagde beschikking) en de aanvraagvereisten in artikel 7.2 van de Omgevingsregeling (aanduiding van de activiteit, elektronisch adres en telefoonnummer van de aanvrager, aanduiding en begrenzing van de locatie van de activiteit en eventuele gegevens van een gemachtigde).
Onderdeel a
Onderdeel a van dit artikel betreft de identificatie van het gemeentelijk monument waarop de aanvraag betrekking heeft.
Onderdeel b
Onderdeel b betreft informatie over het huidige en het beoogde gebruik na verlening van de omgevingsvergunning. Deze gegevens zijn nodig om nut en noodzaak van de activiteit en de gevolgen daarvan voor het gemeentelijk monument te kunnen beoordelen.
Onderdeel c
Onderdeel c is nieuw ten opzichte van de voormalige Regeling omgevingsrecht. Dit aanvraagvereiste werd in de praktijk gemist, en dient enerzijds om inzicht te krijgen in de belangen van de aanvrager en de keuzes die ten grondslag liggen aan de aanvraag en anderzijds in de gevolgen voor (de monumentale waarde van) het gemeentelijk monument. Het aanvraagvereiste sluit ook aan op de algemene zorgplicht in de artikelen 1.6 en 1.7 van de Omgevingswet. Die brengt met zich dat een initiatiefnemer voor zover dit redelijkerwijs van hem kan worden gevraagd nadelige gevolgen voor het gemeentelijk monument zoveel mogelijk moet voorkomen of beperken, of, als dit niet mogelijk is, de activiteit (in die vorm) achterwege laat. Overigens hoeft niet elk verlies van monumentale waarden tot weigering van de omgevingsvergunning te leiden. Bij de belangenafweging worden ook de belangen van de aanvrager betrokken. Dit volgt onder meer uit artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht. Vooroverleg met het bevoegd gezag is nuttig om te komen tot een haalbaar plan. De aanvrager kan in het kader van het aanvraagvereiste in dit onderdeel refereren aan dit overleg.
In dit artikel staan de specifieke aanvraagvereisten voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument die een archeologisch monument betreft. Een archeologisch monument is in de Erfgoedwet gedefinieerd als een terrein dat deel uitmaakt van cultureel erfgoed vanwege de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen. Dit artikel is van toepassing als de aanvraag een gemeentelijk monument betreft dat een archeologisch monument is, en kan in bepaalde gevallen van toepassing zijn als deze een archeologisch monument betreft dat geen zelfstandig gemeentelijk monument is, maar zich ter plaatse van een gebouwd of aangelegd gemeentelijk monument bevindt. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de resten van een voorganger van een als gemeentelijk monument beschermde kerk die zich daar nog onder bevinden, of aan het bodemarchief onder een slotgracht of kasteeltuin. Als voor die locatie nog geen afweging over de archeologische monumentenzorg heeft plaatsgevonden in het kader van besluitvorming over het toedelen van functies aan locaties, kunnen de archeologische belangen worden meegewogen bij de besluitvorming over de omgevingsvergunning voor een (bodemverstorende) activiteit die een gebouwd of aangelegd gemeentelijk monument betreft. Er kunnen in dat geval aan de omgevingsvergunning in het belang van de archeologische monumentenzorg ook vergunningvoorschriften worden verbonden voor het in situ- of ex situ-behoud van het zich daaronder bevindende archeologisch monument (zie verder de toelichting bij artikel 22.303).
In de meeste gevallen zal het bij een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in dit artikel gaan om het op een of meer plaatsen verstoren van de bodem, maar het kan bij zichtbare archeologische monumenten, zoals terpen/wierden, kasteelterreinen, hunebedden, grafheuvels en scheepswrakken, bijvoorbeeld ook gaan om ontsiering of beschadiging van het zichtbare deel van het archeologisch monument.
Veel voorkomende activiteiten die betrekking hebben op een archeologisch monument, zijn:
-bouw-, sloop-, inrichtings- en graafwerkzaamheden,
-de aanleg of het onderhoud van infrastructurele werken zoals (spoor)wegen, rioleringen, kabels en leidingen.
Ook kan het gaan om:
-het aanbrengen van verhardingen in de openbare ruimte,
-het aanleggen of dempen van waterlopen en het aanleggen van vaargeulen,
-het aanplanten en verwijderen van (diepwortelende) bomen en struiken,
-het ophogen, verlagen of egaliseren van het maaiveld,
-het wijzigen van het grondwaterpeil,
-het winnen van grondstoffen,
-agrarische grondwerkzaamheden, en
-activiteiten die tot doel hebben de fysieke staat van het archeologisch monument te consolideren of te restaureren.
Eerste lid
In het eerste lid is geregeld welke gegevens en bescheiden nodig zijn om de exacte locatie(s) te bepalen waar en tot welke diepte het archeologisch monument door de voorgenomen activiteit zal worden verstoord, en op welke wijze.
Eerste lid, onderdeel a en c
In onderdeel a moet de aard van de activiteit worden omschreven. Als het maaiveldniveau, bedoeld in de onderdelen a en c en elders in dit artikel, niet of lastig is vast te stellen, zoals het geval is binnen een bouwwerk, kan hiervoor het niveau van de bovenkant van de afgewerkte begane grondvloer worden aangehouden.
Eerste lid, onderdeel b
Voor de topografische kaart, bedoeld in onderdeel b, kan gebruik worden gemaakt van de Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT) en voor locaties op zee van de officiële zeekaarten van de Dienst der Hydrografie. De BGT-kaart is een digitale topografische kaart met een schaal variërend van 1:500 - 1:5000 en bevat topografische objecten, zoals gebouwen, wegen, spoorwegen, waterlopen, parken en bossen. Via de Landelijke Voorziening BGT-informatie kan eenieder vrij de beschikbare BGT-informatie opvragen en downloaden.
Met de coördinatenparen in dit onderdeel wordt gedoeld op het coördinatensysteem van de Rijksdriehoeksmeting en, voor locaties op zee, het Europees Terrestrisch Referentiesysteem 1989 (ETRS89). Er zijn minimaal twee coördinatenparen nodig, zodat daaruit de schaal van de tekening kan worden herleid.
Eerste lid, onderdeel d
Met een programma van eisen als bedoeld in onderdeel d kan het bevoegd gezag specifieke eisen aan een archeologische opgraving stellen, gericht op een professionele uitvoering van de archeologische opgraving als bedoeld in de Erfgoedwet. In een programma van eisen worden de onderzoeksvragen en onderzoeksmethoden beschreven en beargumenteerd. Die zijn gebaseerd op de archeologische verwachting uit het aan het veldonderzoek voorafgaande (bureau)onderzoek.
Eerste lid, onderdeel e
Bij booronderzoek als bedoeld in onderdeel e kan in plaats van met een programma van eisen worden volstaan met een (minder uitvoerig) plan van aanpak. Zie verder de toelichting bij onderdeel d.
Eerste lid, onderdeel f
In onderdeel f is geregeld dat als sprake is van een zichtbaar archeologisch monument zoals een terp/wierde of een grafheuvel, de aanvrager gevraagd kan worden aan de hand van foto's inzichtelijk te maken wat de huidige situatie is en tekeningen te overleggen waaruit blijkt hoe het archeologisch monument eruit zal zien na realisatie van het voorgenomen plan. Behalve het bouwen van bouwwerken kan het ook andere ingrepen betreffen, zoals terreinverhardingen, het graven of dempen van sloten of het planten van bomen. Het gaat er bij dit aanvraagvereiste om de gevolgen van de voorgenomen activiteit voor de zichtbaarheid en de belevingswaarde van het archeologisch monument inzichtelijk te maken.
Eerste lid, onderdeel g
Het aanvraagvereiste in onderdeel g - funderingstekeningen - betreft dat deel van de bouwwerkzaamheden dat in de bodem plaatsvindt. Het bovengrondse deel van het bouwplan is voor de impact op archeologie in de bodem niet relevant.
Tweede lid
Het tweede lid bevat aanvraagvereisten die niet altijd nodig zijn voor de beoordeling van de gevolgen van de voorgenomen activiteit voor het archeologisch monument. Tijdens het vooroverleg kan het bevoegd gezag aangeven welke aanvraagvereisten in het concrete geval van toepassing zijn. Ook kan het bevoegd gezag die gegevens opvragen naar aanleiding van een ingediende aanvraag, voor de beoordeling waarvan deze gegevens en bescheiden ook nodig blijken.
Tweede lid, onderdeel a
Onderdeel a betreft een volgens de normen van de archeologische beroepsgroep opgesteld rapport van een archeologisch vooronderzoek, waarin de archeologische waarde van het archeologisch monument op de locatie(s) van de voorgenomen activiteit nader is vastgesteld. Het bevoegd gezag moet op basis hiervan voldoende inzicht krijgen in de exacte impact van de activiteit op de archeologische waarde van het archeologisch monument. In die gevallen dat de archeologische waarde eerder al voldoende is vastgesteld, zal dit aanvraagvereiste niet nodig zijn.
Tweede lid, onderdeel b
Het rapport in onderdeel b verschilt in die zin van een rapport als bedoeld in onderdeel a, dat uit dit rapport moet blijken wat de gevolgen van de activiteit zullen zijn voor het archeologisch monument, bijvoorbeeld een zettingsrapport (over het samendrukken van de grond door belasting). Een rapport als hier bedoeld is niet altijd nodig, maar vooral als het om specifieke informatie gaat die niet al blijkt uit de overige gegevens en bescheiden en het bevoegd gezag deze informatie zelf niet al heeft.
Tweede lid, onder d
Met aanlegwerkzaamheden als bedoeld in onderdeel d worden alle werkzaamheden bedoeld die geen bouwactiviteit, sloopactiviteit of ontgrondingsactiviteit zijn en waarbij de bodem wordt geroerd, een werk wordt aangelegd of het terrein anders wordt ingericht. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het aanbrengen van terreinverhardingen, aan het graven of dempen van sloten, aan het planten van bomen, struiken of andere diepwortelende planten, of aan het (deels) ophogen van een terrein. Als deze aanvraagvereisten moeten worden aangeleverd in het kader van een aanvraag voor een omgevingsplanactiviteit of een ontgrondingsactiviteit, kunnen dezelfde bescheiden ook in dit kader worden ingediend. Deze aanvraagvereisten zijn niet nodig in geval van kleinschalige werkzaamheden die door de grondgebruiker of eigenaar zelf worden uitgevoerd. Het gaat bij deze aanvraagvereisten vooral om omvangrijkere werkzaamheden die door een aannemer worden uitgevoerd, zoals het verbreden of verdiepen van sloten, het uitbaggeren van grachten, het beschoeien van vaarwegen, sloten of grachten, het (gedeeltelijk) ophogen van het maaiveld, het graven van sleuven voor kabels, leidingen of riolering, of de aanleg van wegen, opritten of verhardingen (bestrating, parkeerplaatsen).
Tweede lid, onderdeel e
In onderdeel e is geregeld dat als de activiteit (ook) bestaat uit het geheel of gedeeltelijk afbreken van een bouwwerk het bevoegd gezag bestaande funderingstekeningen kan verlangen. Dit kan uiteraard niet als deze tekeningen verloren zijn gegaan of redelijkerwijs niet meer te achterhalen zijn.
Tweede lid, onderdeel f
Bij de sonaropnamen, bedoeld in onderdeel f, gaat het doorgaans om zogenoemde «multibeamopnamen». Deze hebben als doel om de topografische hoogte, de bathymetrie, van de zeebodem ter plekke te bepalen en dienen als nulmeting om de situatie voorafgaand aan de ingreep te kunnen vergelijken met die daarna.
Dit artikel bevat de eisen aan tekeningen als bedoeld in artikel 22.288.
Dit artikel bevat de aanvraagvereisten voor zover een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument bestaat uit het slopen van een monument. Onder slopen wordt verstaan het geheel of gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen, zie de begripsbepaling van slopen in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet. Het gaat hierbij dus niet alleen om het slopen van een monument of complete bouwdelen, maar ook over het slopen van kleinere onderdelen zoals muren, houtwerkconstructies, deuren en vensters, of interieurelementen.
Eerste lid, onderdeel a
De foto's in onderdeel a moeten een duidelijke indruk geven van de technische staat en de ruimtelijke context van het monument of het te slopen onderdeel, zodat de noodzaak van de voorgenomen sloop voldoende wordt geïllustreerd. Het gaat er hierbij niet om dat het originele (digitale) foto's moeten zijn, maar het mogen geen onduidelijke kopieën zijn.
Eerste lid, onderdeel b
Situatietekeningen als bedoeld in onderdeel b, onder 1°, zijn nodig in geval van het gedeeltelijk afbreken van het monument waarbij de omvang van het monument wijzigt. Als de voorgenomen activiteit alleen bestaat uit inpandig slopen of als het monument geheel wordt gesloopt, geldt dit aanvraagvereiste dus niet.
Opnametekeningen als bedoeld in onderdeel b, onder 2°, zijn tekeningen waarop de toestand van het monument voorafgaand aan de activiteit is weergeven. Afhankelijk van de aard, omvang en plaats van de voorgenomen sloop kan het gaan om plattegronden, doorsneden, gevelaanzichten en een dakaanzicht. Als alleen inpandige sloopwerkzaamheden plaatsvinden zullen die laatste twee soorten tekeningen niet nodig zijn.
Uit slooptekeningen als bedoeld in onderdeel b, onder 3°, moet blijken welke materialen of onderdelen verwijderd worden. Dit moet de omvang en de exacte impact van de voorgenomen sloopwerkzaamheden op het monument inzichtelijk maken. De opnametekeningen kunnen hiervoor als basis worden gebruikt.
Eerste lid, onderdeel c
Een omschrijving van de aard van en de bestemming voor het door de sloop vrijkomende materiaal als bedoeld in onderdeel c is van belang omdat aan de omgevingsvergunning het voorschrift kan worden verbonden deze onderdelen te hergebruiken of voor hergebruik te bewaren, of ze in het belang van de monumentenzorg voor hergebruik elders beschikbaar te stellen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan historische dakpannen, een monumentale topgevel, gevelsteen of een monumentale schouw.
Tweede lid, onderdeel a
De rapporten, bedoeld in onderdeel a, kunnen nodig zijn om de monumentale waarde van het monument of de te slopen onderdelen (nader) te bepalen. Lang niet altijd zullen de actuele monumentale waarden al in voldoende mate in beeld zijn om de gevolgen van de voorgenomen sloopwerkzaamheden voor de aanwezige monumentale waarden te kunnen beoordelen.
Tweede lid, onderdeel b
Een rapport als bedoeld in onderdeel b kan nodig zijn als dit omgevingsplan voor de locatie van het gebouwde of aangelegde monument (nog) niet voorziet in een adequaat archeologisch regime en de activiteit leidt tot verstoring van de bodem. Zie verder de toelichting bij artikel 22.288.
Tweede lid, onderdeel c
Een beschrijving van de technische staat als bedoeld in onderdeel c is bijvoorbeeld nodig in geval van een voorgenomen sloop op grond van de technische staat van een monument of een onderdeel daarvan. Als deze beschrijving en de foto's niet voor zich spreken, kan een nadere onderbouwing van de beschrijving in de vorm van een of meerdere technische rapporten nodig zijn (onderdeel d).
Dit artikel bevat de aanvraagvereisten voor zover een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument bestaat uit het gedeeltelijk of volledig verplaatsen van een monument. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een kerkorgel of een molen. Het bevoegd gezag zal rekening moeten houden met het beginsel uit het verdrag van Granada dat verplaatsing van monumenten of een onderdeel daarvan moet worden voorkomen, tenzij dit dringend vereist is voor het voortbestaan ervan. Gaat het bevoegd gezag in een concreet geval toch over tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor het verplaatsen van het monument, dan zal het gelet op artikel 5 van het verdrag van Granadavoorschriften aan de vergunning verbinden over het treffen van voorzorgsmaatregelen voor het demonteren, het overbrengen en de herbouw van het monument op de nieuwe locatie. Gelet hierop moeten de gegevens en bescheiden voldoende inzicht geven in de reden en de noodzaak van de voorgenomen verplaatsing, in de huidige en de toekomstige ruimtelijke context van het monument, en in de beoogde wijze van demonteren, verplaatsen en herbouwen. De herbouw op een nieuwe, geschikte locatie mag dus niet onzeker zijn.
Eerste lid
De foto's in onderdeel b moeten een duidelijke indruk geven van de technische staat van het monument (toestand) of het te verplaatsen onderdeel en van de ruimtelijke context van het monument (situatie) of het onderdeel in de huidige en in de nieuwe situatie en mogen daarom geen onduidelijke kopieën zijn.
Opnametekeningen als bedoeld in onderdeel c, onder 2°, zijn tekeningen waarop de toestand van het monument voorafgaand aan de activiteit is weergeven. Bij verplaatsing van een gedeelte van een monument (zoals een kerkorgel) zullen minder tekeningen nodig zijn dan bij verplaatsing van het gehele monument.
Plantekeningen als bedoeld in onderdeel c, onder 3°, zijn tekeningen waarop de nieuwe toestand van het monument (na de voorgenomen verplaatsing) is weergeven. Bij verplaatsing van een gedeelte van een monument zijn dit ook tekeningen van de nieuwe toestand van het monument waar het verplaatste gedeelte dan deel van uitmaakt. Zo zijn bij verplaatsing van een orgel van de ene kerk naar de andere kerk ook plantekeningen nodig van de toestand van die andere kerk nadat het orgel daarin is aangebracht.
Als het te verplaatsen monument een molen is, moet op grond van onderdeel e, ook inzicht worden gegeven in de molenbiotoop, zowel op de huidige als de nieuwe locatie. Met de molenbiotoop wordt hier de omgeving van de molen bedoeld, voor zover die van belang is voor de werking van de molen. Het gaat daarbij met name om de windvang (bij een windmolen) of de water toe -en afvoer (bij een watermolen).
Tweede lid
Een rapport als bedoeld in onderdeel b kan nodig zijn als dit omgevingsplan voor de locatie van het gebouwde of aangelegde monument of voor de nieuwe locatie (nog) niet voorziet in een adequaat archeologisch regime en de activiteit leidt tot verstoring van de bodem. Zie verder de toelichting bij artikel 22.288.
Aanvullende tekeningen als bedoeld in onderdeel d kunnen bijvoorbeeld nodig zijn als er sprake is van bijzondere detaillering (detailtekeningen) of om een beeld te krijgen van het (functioneren van het) monument op de nieuwe plek, bijvoorbeeld met impressietekeningen of 3D-visualisaties.
Het bevoegd gezag kan bij de beoordeling van vergunningaanvragen voor een rijksmonumentenactiviteit kwaliteitseisen hanteren, bijvoorbeeld door te verwijzen naar de uitvoeringsrichtlijnen die in de beroepsgroep(en) gelden. Bij de beoordeling van een aanvraag is het voor het bevoegd gezag van belang om te weten of de aanvrager het plan dat ten grondslag ligt aan de aanvraag hierop al heeft afgestemd of niet. Op grond van onderdeel e moet hij hier opgave van doen. Het gaat hier overigens niet om algemene uitvoeringsvoorschriften als bedoeld in het Bbl.
3 Artikel 5: «Iedere Partij verplicht zich ertoe de verplaatsing van een beschermd monument of van een deel daarvan te verbieden, behalve indien zulks dringend is vereist voor het behoud van dit monument. In dat geval neemt de bevoegde autoriteit de nodige voorzorgsmaatregelen betreffende het demonteren, het overbrengen en het herbouwen van het monument op een geschikte plaats.» Voor rijksmonumenten is dit geregeld in artikel 8:82 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Dit artikel omvat de meest voorkomende activiteiten. Onder het wijzigen van een monument vallen bijvoorbeeld het restaureren, reconstrueren, renoveren, verbouwen, uitbouwen, aanbouwen, of het bijvoorbeeld op een andere manier wijzigen van een gebouwd monument of een aangelegd (groen) monument. Denk hierbij ook aan het in een afwijkende kleur schilderen van een gevel of het hanteren van een ander verfsysteem.
Voorbeelden van het herstellen van een monument op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht, zijn het met golfplaten repareren van een rieten dak, of het reinigen of herstellen van een interieurschildering, of gevel, waarbij een onvoldoende deskundige uitvoering in potentie grote gevolgen kan hebben voor de technische staat en de monumentale waarde van het onderdeel (bij een gevel ook het patina).
Eerste lid, onderdeel a
De foto's in onderdeel a moeten een duidelijke indruk geven van de technische staat en de ruimtelijke context van het monument, zodat de noodzaak van de voorgenomen activiteit voldoende wordt geïllustreerd. Het mogen daarom geen onduidelijke kopieën zijn.
Eerste lid, onderdeel b
Opnametekeningen als bedoeld in onderdeel b, onder 2°, zijn tekeningen waarop de toestand van het monument voorafgaand aan de activiteit is weergeven. Welke soort tekeningen in een concreet geval nodig zijn, hangt af van de aard van de activiteit. In de regel zullen plattegronden en doorsnedetekeningen nodig zijn. Als de activiteit ook impact heeft op het exterieur of het aangezicht van het monument, zullen ook geveltekeningen en in voorkomend geval een dakaanzicht nodig zijn.
Gebrekentekeningen als bedoeld in onderdeel b, onder 3°, zijn nodig als er gebreken worden hersteld. Het betreft feitelijk opnametekeningen waarop de te verhelpen gebreken adequaat zijn weergegeven.
Plantekeningen als bedoeld in onderdeel b, onder 4°, zijn tekeningen waarop de nieuwe toestand van het monument (na afloop van de voorgenomen activiteit) is weergeven.
Als er in het kader van de activiteit ook materiaal wordt verwijderd, moeten er in een dergelijk geval ook enkele gegevens en bescheiden als bedoeld in artikel 22.290 (slopen) worden overgelegd. Zoals blijkt uit de begripsbepaling van slopen in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet wordt onder slopen ook verstaan het gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen. In de praktijk van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht bleek dat een aanvrager die zijn monument wil restaureren of verbouwen zich niet altijd realiseert dat het wegnemen van materialen ook onder slopen valt en noodzakelijke gegevens en bescheiden daardoor geregeld ontbraken. Daarom zijn de aanvraagvereisten uit artikel 22.290 expliciet (en niet met een verwijzing) in dit artikel opgenomen. Op grond van onderdeel b, onder 5°, moet de aanvrager in een dergelijk geval ook slooptekeningen overleggen, waaruit blijkt welke materialen of onderdelen verwijderd worden. De slooptekeningen moeten de exacte impact van de voorgenomen sloopwerkzaamheden op het monument inzichtelijk maken.
Eerste lid, onderdeel c
Op grond van onderdeel c moet in het bestek of in de werkomschrijving de sloopmethode en de aard van en bestemming voor het vrijkomend materiaal worden omschreven. Aan de omgevingsvergunning kan namelijk het voorschrift worden verbonden deze onderdelen te hergebruiken of voor hergebruik te bewaren, of ze in het belang van de monumentenzorg voor hergebruik elders beschikbaar te stellen.
Tweede lid, onderdeel b
Een rapport als bedoeld in onderdeel b kan nodig zijn als dit omgevingsplan voor de locatie van het gebouwde of aangelegde monument (nog) niet voorziet in een adequaat archeologisch regime en de activiteit leidt tot verstoring van de bodem. Zie verder de toelichting bij artikel 22.288.
Tweede lid, onderdeel c en d
Een beschrijving van de technische staat als bedoeld in onderdeel c kan bijvoorbeeld nodig zijn in geval van het herstellen van technische gebreken. Als deze beschrijving en de foto's niet voor zich spreken, kan een nadere onderbouwing van de beschrijving in de vorm van een of meerdere technische rapporten nodig zijn (onderdeel d). Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen bij een (complexe) restauratie.
Tweede lid, onderdeel e
Aanvullende tekeningen als bedoeld in onderdeel e kunnen bijvoorbeeld nodig zijn als er sprake is van bijzondere detaillering (detailtekeningen) of om een beeld te krijgen van het (functioneren van het) monument na verrichting van de activiteit, bijvoorbeeld met impressietekeningen of 3D-visualisaties.
Tweede lid, onderdeel f
Het bevoegd gezag kan bij de beoordeling van vergunningaanvragen voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument kwaliteitseisen hanteren, bijvoorbeeld door te verwijzen naar de uitvoeringsrichtlijnen die in de beroepsgroep(en) gelden. Bij de beoordeling van een aanvraag is het voor het bevoegd gezag van belang om te weten of de aanvrager het plan dat ten grondslag ligt aan de aanvraag hierop al heeft afgestemd of niet. Op grond van onderdeel f moet hij hier opgave van doen. Het gaat hier overigens niet om algemene uitvoeringsvoorschriften als bedoeld in het Bbl.
Tweede lid, onderdeel g
Een beheervisie als bedoeld in onderdeel g is een visie op het beheer van een groenaanleg, gebaseerd op een analyse en een waardering op grond van (cultuur)historisch onderzoek en inventarisaties van natuurwaarden, recreatieve en belevingswaarden, waterhuishouding en bodem, en wensen van belanghebbenden (eigenaar en gebruikers). De beheervisie maakt duidelijk welke keuzes zijn gemaakt voor het beheer en is richtinggevend voor een langere periode, bijvoorbeeld 12 tot 18 jaar, of langer. De visie kan ook worden weergegeven in streefbeelden.
Dit artikel bevat de aanvraagvereisten voor zover een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument bestaat uit het gebruiken van een monument waardoor het kan worden ontsierd of in gevaar gebracht. Bij het eerste kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het (tijdelijk) aanbrengen van reclames of op een andere manier aan het zicht onttrekken van een gevel of het dak. Bij het laatste bijvoorbeeld aan het gebruiken van een monument als vuurwerkopslag of op een wijze die slecht verenigbaar is met een kwetsbaar interieur, zoals een disco in een zaal met een historische wandbespanning en parketvloer.
Ook als het voorgenomen gebruik niet gepaard gaat met een fysieke wijziging van het monument moet de aanvrager aangeven welke maatregelen hij treft om ontsiering van het monument of de nadelige gevolgen van het in gevaar brengen van het monument te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.
Dit artikel bevat de eisen aan tekeningen als bedoeld in artikel 22.290, artikel 22.291 en artikel 22.292. Daar waar er meerdere schalen genoemd zijn, moet een schaal worden gekozen die het onderdeel van het monument adequaat weergeeft. Bij detailtekeningen van stucwerk of ornamenteel stuc kan bijvoorbeeld een schaal van 1:1 gevraagd worden ter verificatie van het profiel. Maar deze schaal zal lang niet altijd nodig zijn om details voldoende duidelijk weer te geven. Het is aan de aanvrager om zijn aanvraag voldoende duidelijk te maken en aan het bevoegd gezag om te beoordelen of de ingediende bescheiden volstaan voor de beoordeling.
In dit artikel is bepaald dat de aanvraagvereisten die op grond van artikel 22.287 tot en met 22.294 voor gemeentelijke monumenten gelden, ook gelden voor voorbeschermde gemeentelijke monumenten (als bedoeld in bijlage I bij het Bbl). Omwille van de leesbaarheid is voor een apart artikel gekozen in plaats van het opnemen in voornoemde artikelen zelf.
Dit artikel bevat aanvraagvereisten voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op het slopen van een bouwwerk in een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht. Op grond van het eerste lid moet aannemelijk worden gemaakt dat op de locatie van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd. Met «kan» worden gebouwd wordt gedoeld op de situatie waarin het bouwen van een vervangend bouwwerk juridisch mogelijk is. Om dit aannemelijk te maken is in beginsel een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit die op grond van dit omgevingsplan is vereist voor het bouwen van dat bouwwerk voldoende. Om aannemelijk te maken dat er, als de hiervoor bedoelde omgevingsvergunning (nog) niet is verleend, «zal» worden gebouwd, moet de intentie om het vervangende bouwwerk te bouwen op andere wijze worden onderbouwd, bijvoorbeeld door inzicht te geven in vergevorderde bouwplannen. Dit aanvraagvereiste is opgenomen ter voorkoming van braakliggende terreinen in de beschermde historische structuur. Hiermee wordt het daadwerkelijk indienen van plannen voor de vervangende bebouwing, waarin voldoende rekening wordt gehouden met het karakter van het beschermde stads- of dorpsgezicht, bevorderd. Dergelijke plannen kunnen dan worden getoetst aan het omgevingsplan en de beleidsregels voor de beoordeling of een bouwwerk voldoet aan de regels over het uiterlijk van bouwwerken in het omgevingsplan. Direct bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet geldt de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, als een dergelijke beleidsregel. Dit volgt uit artikel 4.114 van de Invoeringswet Omgevingswet. De welstandsnota bevat criteria om te beoordelen of een bouwwerk voldoet aan redelijke eisen van welstand. Als bij het vaststellen van het omgevingsplan de regels over het uiterlijk van bouwwerken wijzigen ten opzichte van de daarover in hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan gestelde regels, kunnen gemeenten uiteraard ook de daarop betrekking hebbende beleidsregels wijzigen.
Het tweede lid bevat een omzetting van de landelijke regels die nog gebaseerd zijn op het (nog steeds geldende) beoordelingskader ter voorkoming van gaten in de bebouwingsstructuur. Op basis van de archeologische verwachting kan het bevoegd gezag bij een vergunningaanvraag een archeologisch rapport als aanvraagvereiste nodig achten, om de archeologische waarde van het te verstoren terrein nader vast te stellen. Het bevoegd gezag moet op basis hiervan voldoende inzicht krijgen in de exacte impact van de activiteit op de archeologische waarde van het archeologisch monument. Dat was al zo (via het bestemmingsplan) en is terug te voeren op de gemaakte keuzes bij de implementatie van het verdrag van Valletta (via de Wet op de archeologische monumentenzorg). In die gevallen dat de archeologische waarde eerder al voldoende is vastgesteld, zal dit aanvraagvereiste niet nodig zijn.
Deze artikelen bevatten aanvraagvereisten voor aanvragen om een omgevingsvergunning voor activiteiten die op grond van een gemeentelijke verordening in samenhang met artikel 22.8 van de Omgevingswet als vergunningplichtig zijn aangemerkt. Deze artikelen zijn gebaseerd op de artikelen 7.3 tot en met 7.7 van de voormalige Regeling omgevingsrecht, waarbij de indieningsvereisten destijds zijn overgenomen van bestaande formulieren bij gemeenten.
Zoals hiervoor al toegelicht bij artikel 22.283 gaat het hier om het slopen van een bouwwerk in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht waarvoor op grond van artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist. Hiervoor gelden dezelfde aanvraagvereisten als voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit in een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 22.296. Volstaan wordt daarom met een verwijzing naar de toelichting op dat artikel. Ook onder de voormalige Regeling omgevingsrecht golden voor deze activiteiten dezelfde indieningsvereisten.
Dit artikel is een voortzetting van de regeling in artikel 2.22, tweede lid, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.2 van het voormalige Besluit omgevingsrecht.
Eerste lid
In het eerste lid is bepaald dat aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een werk, dat geen bouwwerk is, of het uitvoeren van een werkzaamheid -ook wel een aanlegactiviteit genoemd - die van invloed is op een archeologisch monument, in het belang van de archeologische monumentenzorg in ieder geval de onder a tot en met d bedoelde voorschriften kunnen worden verbonden.
Eerste lid, onderdeel a
Dit onderdeel heeft betrekking op voorschriften die een plicht inhouden tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in situ kunnen worden behouden. Voorbeelden zijn voorschriften die verplichten tot het treffen van technische maatregelen, zoals het aanbrengen van een ophogingslaag, het aanpassen van de funderingswijze of het beperken van het aantal heipalen.
Eerste lid, onderdeel b
Dit onderdeel heeft betrekking op voorschriften over het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 in samenhang met artikel 5.1, eerste lid, van de Erfgoedwet. Dit betreft dus voorschriften over handelingen bij het opsporen, onderzoeken of verwerven van cultureel erfgoed of onderdelen daarvan, waardoor verstoring van de bodem, of verstoring of gehele of gedeeltelijke verplaatsing of verwijdering van een archeologisch monument of cultureel erfgoed onder water optreedt, tenzij het een op grond van artikel 5.1, tweede lid, van de Erfgoedwet uitgezonderd geval betreft.
Eerste lid, onderdeel c
Onderdeel c heeft betrekking op voorschriften over de begeleiding door een archeologisch deskundige van uitvoeringswerkzaamheden. Deze deskundige is bij de werkzaamheden aanwezig en documenteert eventuele overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden die hierbij aan het licht komen.
Het instrument van archeologische begeleiding is bedoeld voor situaties waarin adequaat vooronderzoek niet mogelijk is door fysieke belemmeringen, zoals een te slopen bouwwerk, waardoor niet tot een betrouwbare waardenstelling kan worden gekomen. Ook kan de begeleiding worden ingezet voor situaties waarin civieltechnische werkzaamheden archeologisch onderzoek niet mogelijk maken of op grond van de beschikbare archeologische informatie is geconcludeerd dat het doen van een opgraving niet (meer) nodig is, maar men toch graag het zekere voor het onzekere wil nemen. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij de aanleg van een pijpleiding voor aardgas, omdat de gegraven sleuf te smal is om een goede documentatie mogelijk te maken. Daarnaast kan er bij uitvoeringstrajecten sprake zijn van bijzondere onderzoeksvragen, die juist door archeologische begeleiding kunnen worden beantwoord. Het gaat daarbij om gebieden of complextypen waar wel een archeologische verwachting is, maar waaraan door inventariserend veldonderzoek geen specifieke locatie kan worden gekoppeld. Archeologische begeleiding is nadrukkelijk niet bedoeld als een vervanging voor een inventariserend veldonderzoek of een opgraving. Aan dit onderdeel kan niet worden voldaan met een verwijzing naar een gecertificeerde opgravingsdeskundige, omdat niet alle handelingen waaruit een archeologische begeleiding kan bestaan, handelingen zijn waarvoor een certificaat als bedoeld in artikel 5.1 van de Erfgoedwet vereist is. Dit is bijvoorbeeld het geval bij het uitzeven van grond afkomstig uit een bouwput of een baggerlocatie om archeologische overblijfselen of voorwerpen te verzamelen. Voor die gevallen kan het bevoegd gezag op basis van dit onderdeel specifieke eisen stellen aan de deskundigheid van de bij de archeologische begeleiding betrokken personen. Denk bijvoorbeeld aan de voorwaarde dat de deskundige kennis moet hebben van de archeologie van het rivierengebied of van de Romeinse tijd. Veelal zullen deze eisen via het programma van eisen worden afgedwongen (zie onderdeel d). Maar het bevoegd gezag kan ook eisen stellen aan de kwalificaties van de deskundige zonder dat het een specifiek programma van eisen als voorschrift opneemt. Dit laat onverlet dat de uitvoerder van de archeologische begeleiding voor zover het handelingen betreft waarvoor een certificaat als bedoeld in artikel 5.1 van de Erfgoedwet vereist is, in ieder geval moet voldoen aan het bepaalde in artikel 5.4, eerste en tweede lid, van die wet.
Eerste lid, onderdeel d
Met het voorschrift dat de opgraving of begeleiding op een bepaalde wijze, die in overeenstemming is met artikel 5.4, eerste en tweede lid, van de Erfgoedwet, moet worden verricht, wordt beoogd aan te sluiten bij de Erfgoedwet en vooral bij het in die wet opgenomen certificatiesysteem, waarbij de nadruk meer is komen te liggen op de professionele standaarden uit het veld zoals tot nu toe neergelegd in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie. Met deze voorschriften worden die voorschriften bedoeld die ook wel als een programma van eisen of een plan van aanpak worden aangeduid en voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet en de Omgevingswet werden gebaseerd op artikel 38, eerste lid, onder a, van de Monumentenwet 1988. In het programma van eisen en plan van aanpak kunnen randvoorwaarden aan het archeologisch onderzoek worden meegegeven, in het bijzonder de doel- en vraagstelling van het onderzoek, en kunnen eisen worden gesteld aan de wijze van uitvoering. Er wordt bijvoorbeeld aangegeven welke onderzoeksmethodiek moet worden ingezet en over welke specifieke kennis en ervaring de actoren moeten beschikken om het onderzoek te kunnen uitvoeren.
Voorkomen moet worden dat de inhoud van de voorschriften in strijd is met de professionele kwaliteitsnorm voor archeologisch onderzoek binnen het in de Erfgoedwet opgenomen certificatiesysteem. Dit betekent dat de voorschriften wel aanvullende eisen mogen bevatten, maar geen eisen die onder het niveau van deze normen van de beroepsgroep liggen. De voorschriften kunnen tenslotte ook betrekking hebben op non-destructief archeologisch onderzoek, zoals een veldkartering of een sonaropname van de zeebodem.
Tweede lid
In het tweede lid is bepaald dat aan een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit op of in een archeologisch monument in een beschermd stads- of dorpsgezicht voorschriften kunnen worden verbonden over de wijze van slopen. Deze bepaling vloeit voort uit artikel 5.2, derde lid, van het voormalige Besluit omgevingsrecht. Het doel van een dergelijk voorschrift is de sloopmethode zo te kiezen dat de nadelige gevolgen voor de archeologische waarden ter plaatse zoveel mogelijk beperkt blijven. Ook kan zo de inzet van het instrument van archeologische begeleiding als bedoeld in het eerste lid, onder c, mogelijk worden gemaakt.
De Omgevingswet voorziet erin dat allerlei gemeentelijke verordeningen, of onderdelen daarvan, op enig moment opgaan in het omgevingsplan (zie ook hoofdstuk 3 van de algemene toelichting). Veel van deze verordeningen zullen een grondslag bevatten tot het verlenen van een vergunning of ontheffing, het stellen van een maatwerkvoorschrift, of het nemen van een ander besluit. Wanneer die grondslag opgaat in het omgevingsplan, is het nodig dat voor voor op grond van de verordening genomen besluiten overgangsrecht wordt geregeld. Artikel 23.2 bevat daartoe overgangsrecht. Hetzelfde geldt voor besluit die zijn genomen op grond van het omgevingsplan, maar waarvoor de van toepassing zijnde regels wijzigen.
Eerste lid:
Het eerste lid regelt dat bestaande vergunningen, ontheffingen, maatwerkvoorschriften en andere besluiten die zijn genomen op grond van een een gemeentelijke verordening die is vervangen door dit omgevingsplan hun rechtskracht behouden totdat ze hetzij vervallen, hetzij met toepassing van dit omgevingsplan worden ingetrokken of gewijzigd.
Het eerste lid spreekt van een grondslag, opgenomen in een gemeentelijke verordening. Opgemerkt wordt dat daaronder niet valt een grondslag, opgenomen in een onder oud recht vastgesteld bestemmingsplan. Daarvoor bevat artikel 4.2 van de Invoeringswet Omgevingswet overgangsrecht.
Tweede lid:
Het tweede lid regelt de situatie dat op grond van het omgevingsplan voor een bepaalde activiteit een omgevingsvergunning is verleend, of een maatwerkvoorschrift is gesteld, maar dat de regels die op dat genomen besluit van toepassing zijn door een wijziging van het omgevingsplan zijn gewijzigd. Het tweede lid regelt dat dan de omgevingsvergunning of het maatwerkvoorschrift rechtskracht behoudt, hetzij tot het einde van de looptijd, hetzij tot het tijdstip dat het besluit met toepassing van dit omgevingsplan wordt gewijzigd of ingetrokken.
Artikel 23.3 bevat overgangsrecht voor de situatie dat een aanvraag om een omgevingsvergunning of maatwerkvoorschrift is ingediend, en dat voor het moment dat op dit aanvraag is beslist, het van toepassing zijnde recht wijzigt. Daarbij kan het gaan om een aanvraag om een besluit op grond van een gemeentelijke verordening, die voordat op de aanvraag is beslist is vervangen door het omgevingsplan. Het kan ook gaan om een aanvraag om een besluit op grond van het omgevingsplan, waarbij de regels die op die aanvraag van toepassing zijn worden gewijzigd voordat op de aanvraag is beslist.
Eerste lid:
Het eerste lid bepaalt dat op een aanvraag om een omgevingsvergunning of maatwerkvoorschrift op grond van dit omgevingsplan de beslissing wordt genomen met toepassing van de regels zoals die gelden op het moment dat op de aanvraag wordt beslist. Dat is in lijn met de jurisprudentie, die bepaalt dat bij het nemen van een besluit op aanvraag in beginsel het recht moet worden toegepast zoals dat op dat moment geldt (ECLI:NL:RVS:2020:2619, ECLI:NL:RVS:2023:2505).
Dit eerste lid is ook van toepassing op de situatie dat een aanvraag om een vergunning, ontheffing, maatwerkvoorschrift of ander besluit op grond van een gemeentelijke verordening is ingediend, en de regels die daarop betrekking hebben zijn opgegaan in het omgevingsplan. Een dergelijk besluit zal, gelet op het instrumentarium dat de Omgevingswet voor het omgevingsplan biedt, de vorm krijgen van een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift. Het eerste lid is daarop ook dan van toepassing.
Tweede lid:
Het tweede lid bevat een uitzondering op het eerste lid. Met deze uitzondering wordt de jurisprudentie met betrekking tot specifiek aanvragen om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken, gecodificeerd. Zoals hiervoor aangegeven is uitgangspunt dat een besluit op aanvraag wordt genomen met toepassing van de regels zoals die gelden op dat moment. Bij wijze van uitzondering moet echter het ten tijde van de aanvraag geldende nog wel, maar het ten tijde van het besluit niet meer geldende recht worden toegepast, maar uitsluitend indien ten tijde van het indienen sprake was van een rechtstreekse aanspraak op het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor het bouwen. Dat is het geval als het betreffende bouwplan in overeenstemming was met de dan geldende ruimtelijke regels over bouwwerken, er geen sprake was van strijd met hoger recht en ook geen voorbeschermingsregels golden (ECLI:NL:RVS:2020:2619, ECLI:NL:RVS:2023:2505).
Artikel 23.4 bevat overgangsrecht met betrekking tot meldingsplichten en informatieplichten.
Eerste lid:
Het eerste lid bepaalt als hoofdregel dat als op grond van dit omgevingsplan voor een activiteit een meldingsplicht of informatieplicht van toepassing wordt, de melding of kennisgeving uiterlijk zes maanden na inwerkingtreding van de verplichting moet zijn gedaan. Elders in dit omgevingsplan kan echter een andere andere termijn zijn gesteld. In dat geval geldt die andere termijn.
Tweede lid:
Het kan voorkomen dat op grond van dit omgevingsplan voor een activiteit een meldingsplicht of informatieplicht van toepassing wordt, die in de plaats komt van een meldingsplicht of informatieplicht op grond van een gemeentelijke verordening. Als dan op grond van die eerdere gemeentelijke verordening al een melding of kennisgeving van die activiteit is gedaan, dan geldt op grond van het tweede lid die melding of kennisgeving als een melding of kennisgeving op grond van dit omgevingsplan.
Derde lid:
Het kan ook voorkomen dat op grond van dit omgevingsplan voor een activiteit een meldingsplicht of informatieplicht van toepassing wordt, die in de plaats komt van een vergunningplicht of ontheffingsmogelijkheid op grond van een gemeentelijke verordening. Als dan op grond van die eerdere gemeentelijke verordening al een vergunning of ontheffing is verleend, dan geldt op grond van het derde lid de aanvraag om die vergunning of ontheffing als een melding of kennisgeving op grond van dit omgevingsplan.
Dit artikel bevat overgangsrecht voor het geval dat er door inwerkingtreding van een wijziging van het omgevingsplan een nieuwe vergunningplicht ontstaat. Het artikel heeft betrekking op activiteiten die zonder omgevingsvergunning of ontheffing onafgebroken rechtmatig werden uitgeoefend op het tijdstip waarop een wijziging van dit omgevingsplan in werking is getreden, en waarvoor als gevolg van die wijziging een vergunningplicht is gaan gelden. Die vergunningplicht kan inhouden een in het omgevingsplan opgenomen verbod om zonder omgevingsvergunning de betreffende activiteit te verrichten. De vergunningplicht kan ook bestaan uit de vergunningplicht voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, die is ontstaan door het stellen van bijvoorbeeld nieuwe algemene regels, waardoor de betreffende activiteit in strijd is gekomen met het omgevingsplan.
Voor zover er sprake is van voortzetting van dezelfde activiteit geldt van rechtswege een omgevingsvergunning. Die omgevingsvergunning van rechtswege is tijdelijk, en geldt voor de duur van twee jaar. Hiermee volgt het omgevingsplan een soortgelijke overgangsrechtelijke bepaling als opgenomen in artikel 4.14 van de Invoeringswet Omgevingswet. Net zoals daar het geval is, geldt wel als voorwaarde dat de activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van die vergunningplicht.
Deze lijn geldt ook, als niet een gehele activiteit, maar alleen een onderdeel daarvan vergunningplichtig zou worden. Voor dat gedeelte geldt dan ook van rechtswege, voor een termijn van twee jaar, een omgevingsvergunning.
Het tweede lid bepaalt dat de in het eerste lid bedoelde omgevingsvergunning van rechtswege vervalt indien de vergunningplichtige activiteit, bedoeld in het eerste lid, na inwerkingtreding van de in het eerste lid bedoelde nieuwe vergunningplicht, voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken.
In artikel 23.6 overgangsrecht opgenomen met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken, bedoeld in hoofdstuk 2. Het overgangsrecht heeft betrekking op het gebruik van gronden en bouwwerken dat legaal bestond op het tijdstip dat een wijziging van dit omgevingsplan in werking is getreden, maar waarbij het gebruik als gevolg van die wijziging in strijd is gekomen met de regels over gebruik, gesteld in hoofdstuk 2.
Met deze regeling wordt het uitgangspunt van eerbiedigend overgangsrecht zoals dat voorheen in bestemmingsplannen moest worden opgenomen, voortgezet. Het artikel beoogt in de daarop betrekking hebbende rechtspraktijk geen inhoudelijke verandering te brengen. Dit laat onverlet dat er op enig moment voor een bepaald gebied een uitzondering kan worden gemaakt.
Met deze regeling wordt als uitgangspunt genomen een wijziging van het omgevingsplan, waarmee er op grond van hoofdstuk 2 beperkingen zijn gaan gelden ten opzichte van de situatie voordat het wijzigingsbesluit in werking was getreden. Dat kan bijvoorbeeld zijn de situatie dat een nog onder oud recht vastgesteld bestemmingsplan wordt vervangen, en hoofdstuk 2 een beperking meebrengt ten opzichte van de mogelijkheden die dat onder oud recht vastgestelde bestemmingsplan bood. Het kan ook betrekking hebben op een wijziging van de regels in hoofdstuk 2 op een moment later in de tijd.
Eerste lid:
In het eerste lid is bepaald dat het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip dat een wijziging van dit omgevingsplan in werking is getreden, als dat gebruik als gevolg van die wijziging in strijd is gekomen met de regels over gebruik, mag worden voortgezet. Het eerste lid bevat de peildatum voor het vaststellen van het bestaande gebruik: het gebruik dat bestond op het tijdstip dat een wijziging van dit omgevingsplan in werking is getreden waardoor het gebruik in strijd is gekomen met de regels over gebruik, gesteld in hoofdstuk 2. Alleen dat gebruik mag, ook al is het in strijd met de regels over gebruik in dit hoofdstuk, worden voortgezet.
Tweede lid:
Het tweede lid maakt duidelijk dat het overgangsrecht niet geldt voor gebruik dat voorafgaand aan wijziging van dit omgevingsplan reeds in strijd was met de voorheen geldende regels over gebruik in dit omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen daarvan. In dit lid wordt niet gesproken van regels over gebruik in dit hoofdstuk, maar regels over gebruik in dit omgevingsplan. Door in dit derde lid te refereren aan regels over gebruik in dit omgevingsplan, geldt deze uitzondering dus ook wanneer het bestaand gebruik in strijd was met regels over gebruik van gronden en bouwwerken, opgenomen in een van het tijdelijk deel van het omgevingsplan onderdeel uitmakend bestemmingsplan.
Derde lid:
Het vierde lid bepaalt dat het verboden is het strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen in een ander met het omgevingsplan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. Ten opzichte van overgangsrecht zoals opgenomen in een ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan, wordt niet langer gesproken van een verbod op het 'laten veranderen'. Op grond van artikel 1.4 van dit omgevingsplan is de normadressaat van ook dit derde lid degene die de activiteit (in dit geval het veranderen) verricht. Zoals toelicht bij artikel 1.4 wordt onder degene die de activiteit verricht mede begrepen degene die de activiteit laat verrichten.
Vierde lid:
Het vijfde lid bepaalt dat indien het strijdig gebruik, bedoeld in het eerste lid, na inwerkingtreding van de in het eerste lid bedoelde wijziging voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, het verboden is dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
In artikel 23.7 is overgangsrecht met betrekking tot bouwwerken opgenomen. De regeling zoals opgenomen in het eerste tot en met het vierde lid is analoog aan de regeling zoals die voorheen vanwege artikel 3.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening moest worden opgenomen in bestemmingsplannen. Met deze regeling wordt het uitgangspunt van eerbiedigend overgangsrecht zoals dat voorheen in bestemmingsplannen moest worden opgenomen, voortgezet. Het artikel beoogt in de daarop betrekking hebbende rechtspraktijk geen inhoudelijke verandering te brengen. Ten opzichte van die regeling is tevens voorzien in instandhouding van het bouwwerk. Daarop heeft ook het vijfde lid betrekking.
Eerste lid:
In het tweede lid, aanhef en onder a, wordt bepaald dat een bouwwerk dat op het tijdstip dat een wijziging van dit omgevingsplan in werking is getreden aanwezig is en afwijkt van het omgevingsplan na wijziging, in stand mag worden gehouden, gedeeltelijk mag worden vernieuwd of veranderd en in vernieuwde of veranderde staat in stand mag worden gehouden, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot. Hiermee is vastgelegd dat van het gewijzigde omgevingsplan afwijkende bouwwerken in alle gevallen in stand mogen worden gehouden, gedeeltelijk mogen worden vernieuwd of veranderd, en dat het bouwwerk ook in de vernieuwde of veranderde toestand in stand mag worden gehouden. Dit alles uiteraard met inachtneming van alle verder toepasselijke wettelijke regels, en met als enige verdere restrictie dat daardoor de afwijking van het omgevingsplan niet naar aard en omvang wordt vergroot. De kern van de bepaling is dat de vernieuwing of verandering er niet toe mag leiden dat het onder de oude regels toegestane gebruik van het bouwwerk verder daarvan gaat afwijken dan reeds het geval was. Als voorbeelden kunnen worden genoemd de recreatiewoning die voor permanente bewoning geschikt wordt gemaakt, en de horecaonderneming die van een eenvoudige drinkgelegenheid wordt omgevormd tot een disco. De bedoeling is, met andere woorden, dat het gebruik geen wezenlijke verandering of verzwaring ondergaat. Overigens staat daaraan ook hoofdstuk 3 en 2 in de weg. Voldaan moet worden aan de kerngedachte van het voorgestelde overgangsrecht: geen bevriezing, maar aangepast beheer. Burgemeester en wethouders dienen deze regel met dat oogmerk toe te passen. Dat impliceert dat een gefaseerde algehele vernieuwing niet tot de mogelijkheden behoort. In het tweede lid, aanhef en onder b, wordt bepaald dat een bouwwerk dat op het tijdstip dat een wijziging van dit omgevingsplan in werking is getreden aanwezig is en afwijkt van het omgevingsplan na wijziging, na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel mag worden vernieuwd of veranderd en in vernieuwde of veranderde staat in stand mag worden gehouden, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot. Voorwaarde is wel dat de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. Hiermee wordt voorkomen dat gedurende langere tijd onzeker blijft of de oude situatie zal worden hersteld. Daarvoor bestaat in gevallen van calamiteit geen goede reden. Ook in dit geval geldt uiteraard dat een en ander gebeurt met inachtneming van alle verder toepasselijke wettelijke regels, en met als enige verdere restrictie dat daardoor de afwijking van het omgevingsplan niet naar aard en omvang wordt vergroot. Vernieuwing of verandering bij gedeeltelijke beschadiging is mogelijk met toepassing van het bepaalde onder a. Bij calamiteiten dienen de feiten goed in beeld te zijn gebracht. De feiten kunnen slechts door het verrichten van goed onderzoek worden achterhaald. Dat vergt dus enige inspanning, maar het past binnen de aard van het overgangsrecht om ook bij calamiteiten kritisch te bezien in hoeverre de vernieuwingsbehoefte werkelijk in verband staat met de calamiteit.
Tweede lid:
In het tweede lid is bepaald dat onder een bouwwerk dat op het tijdstip dat een wijziging van dit omgevingsplan in werking is getreden aanwezig is, in dit artikel tevens wordt verstaan een bouwwerk dat in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen. Ook daarop is dit overgangsrecht van toepassing.
Derde lid:
Het derde lid sluit illegale bouwwerken expliciet uit van het overgangsrecht bouwwerken. Bepaald is dat het eerste lid niet van toepassing is op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip dat een wijziging van dit omgevingsplan in werking is getreden, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met de voorheen geldende regels over bouwwerken in dit omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen daarvan. In dit lid wordt niet gesproken van regels over bouwwerken in dit hoofdstuk, maar over regels over gebruik in dit omgevingsplan. Door in dit derde lid te refereren aan de voorheen geldende regels over bouwwerken in dit omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen daarvan, geldt deze uitzondering dus ook wanneer het bestaand bouwwerk in strijd was met regels over bouwwerken, opgenomen in een ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan.
Vierde lid:
In het vierde lid is de mogelijkheid opgenomen dat burgemeester en wethouders eenmalig, in afwijking van het eerste lid, bij omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 4.22, kunnen instemmen met het vergroten van de inhoud van een bouwwerk, bedoeld in het eerste lid, met maximaal 10%. Deze mogelijkheid voorziet erin dat het mogelijk wordt gemaakt bouwwerken die in strijd zijn met het gewijzigde omgevingsplan en onder het overgangsrecht zijn gebracht, nog in beperkte mate uit te breiden. De ratio erachter is dat zolang deze bouwwerken nog in stand worden gehouden, ze aan de daaraan te stellen eisen moeten kunnen blijven beantwoorden. Het betreft een discretionaire bevoegdheid, waarbij een belangenafweging plaats dient te vinden. Het niet opnemen van deze mogelijkheid zorgt voor een harde bevriezing. De weg van een buitenplanse omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit hoort immers redelijkerwijze niet tot de mogelijkheid, omdat die leidt tot een aanpassingsplicht van het omgevingsplan. Dat strookt niet met het uitgangspunt dat het bouwwerk niet voor niets onder het overgangsrecht zal zijn gebracht.
Vijfde lid:
Het vijfde lid komt in de plaats komt van artikel 22.40, zoals dat bij wijze van Bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan. De inhoud is ongewijzigd. Met deze bepaling wordt expliciet gemaakt dat het overgangsrecht voor bouwwerken, zoals dat in bestemmingsplannen moest zijn opgenomen op grond van artikel 3.2.1 van het voormalige Besluit ruimtelijke ordening en dat betrekking had op de voorwaarden waaronder de in dat artikel bedoelde bouwwerken mogen worden vernieuwd of veranderd, ook voorziet in het in stand mogen houden van die bouwwerken. Het uitdrukkelijk regelen van het in stand mogen houden van die bouwwerken, is een logisch gevolg van het codificeren dat de vergunningplicht voor de bouwactiviteit als bedoeld in artikel 4.22 ook ziet op het in stand houden van het te bouwen bouwwerk. Het in stand mogen houden van een bouwwerk wordt hiermee onder het nieuwe recht uitdrukkelijk geregeld. Voor de bouwwerken die onder het planologisch overgangsrecht vielen zoals opgenomen in voormalige bestemmingsplannen, welk overgangsrecht met de inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel is geworden van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, treden hiermee geen veranderingen op.
Artikel 23.8 voorziet in overgangsrecht voor handhavingsbesluiten. De strekking ervan is dat als op een bestuurlijke sanctie ter uitvoering of handhaving van regels die nadien zijn gewijzigd, het recht zoals dat luidde voor de wijziging op die bestuurlijke sanctie van toepassing blijft tot het tijdstip waarop:
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-450053.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.