Gemeenteblad van Amsterdam
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Amsterdam | Gemeenteblad 2025, 368550 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Amsterdam | Gemeenteblad 2025, 368550 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Deze publicatie bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst. Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
De publicatie wordt standaard getoond met verschilmarkering. Door te kiezen voor ‘Was’ of ‘Wordt’ kunt u de voormalige of vernieuwde tekst op zichzelf bekijken.
Toon versie van document
Dit document bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst.
Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
De raad van de gemeente Amsterdam,
gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van DATUM WORDT TOEGEVOEGD BIJ DEFINITIEF BESLUIT,
gelet op:
artikel 2.4 van de Omgevingswet, dat bepaalt dat de gemeenteraad voor het gehele grondgebied van de gemeente één omgevingsplan vaststelt waarin regels over de fysieke leefomgeving worden opgenomen;
artikel 16.30 en artikel 16.23, eerste lid, Omgevingswet, die bepalen dat:
op de voorbereiding van een omgevingsplan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is, met dien verstande dat een ieder een zienswijze bij de gemeenteraad mag indienen omtrent het ontwerp wijzigingsbesluit;
de artikelen 3:43 tot en met 3:45 en afdeling 3.7 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing zijn op een omgevingsplan;
artikel 16.78, eerste lid, Omgevingswet, dat bepaalt dat een wijziging van een omgevingsplan in werking treedt met ingang van de dag waarop vier weken zijn verstreken sinds de dag waarop het besluit is bekend gemaakt;
artikel 149 van de Gemeentewet, dat bepaalt dat de raad de verordeningen maakt die hij in het belang van de gemeente nodig oordeelt;
het Horecabeleid 2025, zoals door de raad van de gemeente Amsterdam vastgesteld op 5 maart 2025;
VOOR ZOVER RELEVANT: de binnengekomen zienswijzen en de beantwoording daarvan, zoals opgenomen als bijlage bij de Nota van beantwoording zienswijzen (bijlage PM);
VOOR ZOVER RELEVANT: de wijzigingen die ten opzichte van het ontwerpbesluit zijn aangebracht, zoals opgenomen in de Nota van wijzigingen (bijlage PM);
Besluit;
Het Omgevingsplan gemeente Amsterdam wordt gewijzigd conform de wijzigingen zoals opgenomen in Bijlage A.
De Algemene Plaatselijke Verordening 2008 wordt gewijzigd conform de wijzigingen zoals opgenomen in bijlage I.
Dit besluit wordt aangehaald als Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Amsterdam: Toevoeging van regels over horeca, darkstores en evenementenlocaties.
Aldus vastgesteld door de gemeenteraad van Amsterdam, DATUM WORDT TOEGEVOEGD BIJ DEFINITIEF BESLUIT
Niet getekend ontwerp-exemplaar
BEROEPSCLAUSULE WORDT TOEGEVOEGD BIJ DEFINITIEF BESLUIT
A
Artikel 4.90 wordt verplaatst van subparagraaf 4.2.4.14 naar hoofdstuk 1. Artikel 4.90 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerkenworden in aanvulling op de gegevens en bescheiden die elders in dit omgevingsplan worden gevraagd ook de overige gegevens en bescheiden verstrekt die naar het oordeel van het bevoegd gezag nodig zijn voor toetsing aan dit omgevingsplan.
B
Artikel 2.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met een in afdeling 2.3 aan een locatie gegeven gebruiksdoel en de daarop betrekking hebbende regels, of op een wijze die in strijd is met de regels over gebruik, bedoeld in hoofdstuk 3.
In afwijking van het eerste lid is het ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' verboden gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met de in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan aan een locatie gegeven bestemming en de daarop betrekking hebbende regels over gebruik, of op een wijze die in strijd is met de regels over gebruik, bedoeld in hoofdstuk 3, voor zover die van toepassing zijn.
In afwijking van het eerste lid is het daar waar een TAM-omgevingsplan is vastgesteld en in werking is getreden, waarbij het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is vervallen, verboden gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met de daarin opgenomen regels over gebruik van gronden en bouwwerken, of op een wijze die in strijd is met de regels over gebruik, bedoeld in hoofdstuk 3, voor zover die van toepassing zijn.
In aanvulling op het tweede lid is het daar waar een TAM-omgevingsplan is vastgesteld en in werking is getreden, zonder dat daarbij het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is vervallen, verboden gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met de daarin opgenomen regels over gebruik van gronden en bouwwerken.
Tot een gebruik dat in overeenstemming is met een aan een locatie gegeven gebruiksdoel, bedoeld in het eerste lid, behoort in elk geval het inrichten en/of gebruiken van gronden en bouwwerken voor:
C
Het opschrift van artikel 2.64 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
D
Het opschrift van artikel 2.65 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
E
Het opschrift van artikel 2.107 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
F
Artikel 2.222 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: buisleiding met gevaarlijke stoffen' hebben als gebruiksdoel buisleiding gevaarlijke stoffen, en mogen worden gebruikt als voor een tracé van een buisleiding met gevaarlijke stoffen.
G
Paragraaf 2.3.20 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
H
Paragraaf 2.3.21 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
I
Paragraaf 2.3.22 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervallen]
J
Na paragraaf 2.3.19 worden vier paragrafen ingevoegd, luidende:
Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een horecazaak.
Deze paragraaf geldt ter plaatse van de volgende aanduidingen:
Deze paragraaf is niet van toepassing op een horecazaak die als additionele horeca is toegestaan op grond van subparagraaf 3.2.13.3.
Ter plaatse van de aanduiding 'maximum bruto-vloeroppervlakte horecazaak' is de maximum bruto-vloeroppervlakte die ten behoeve van een of meer horecazaken mag worden gebruikt de daar bepaalde waarde.
Ter plaatse van de aanduiding 'bouwlaag waarin een horecazaak is toegestaan' is een horecazaak uitsluitend toegestaan in de daar bepaalde bouwlaag of bouwlagen.
Ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal horecazaken' is het maximum aantal horecazaken dat is toegestaan de daar bepaalde waarde.
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: lichte horeca'.
Deze subparagraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: lichte horeca'.
De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: lichte horeca' hebben als gebruiksdoel lichte horeca, en mogen worden gebruikt voor het exploiteren van lichte horeca.
Bij het exploiteren van een horecazaak ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: lichte horeca' zijn de volgende activiteiten in elk geval toegestaan:
het bereiden van etenswaren en/of dranken binnen in het horecabedrijf;
het verstrekken van etenswaren en/of niet-alcoholhoudende dranken voor gebruik ter plaatse;
consumptie in het horecabedrijf;
het aanbieden/ meegeven van niet alcoholhoudende dranken voor consumptie in de directe omgeving van het horecabedrijf;
het verstrekken van kleine etenswaren toegestaan, voor zover het gaat om etenswaren die geen voorbereidingsbehandeling ter plaatse behoeven, zoals verwarmen, gaar maken, beleggen en ontdooien.
In aanvulling op artikel 2.248 is het verstrekken van etenswaren voor directe consumptie in de directe omgeving van de horecazaak toegestaan, voor zover die etenswaren voorbereidingsbehandeling behoeven, zoals verwarmen, gaar maken, beleggen en ontdooien, maar uitsluitend als de horecazaak niet voor publiek toegankelijk is en een maximale bruto-vloeroppervlakte heeft van 50 m2.
Bij het exploiteren van een horecazaak ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: lichte horeca' zijn de volgende activiteiten in elk geval niet toegestaan:
het schenken van alcoholhoudende dranken;
het aanbieden/meegeven van etenswaren voor consumptie in de directe omgeving van het horecabedrijf;
het ten gehore brengen van muziek met een geluidsniveau hoger dan 75 dB(A);
het aanbieden van waterpijpen voor gebruik ter plaatse;
het exploiteren van fastfoodhoreca.
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: reguliere horeca'.
Deze subparagraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: reguliere horeca'.
De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: reguliere horeca' hebben als gebruiksdoel reguliere horeca, en mogen worden gebruikt voor het exploiteren van reguliere horeca en lichte horeca.
Bij het exploiteren van een horecazaak ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: reguliere horeca' zijn de volgende activiteiten in elk geval toegestaan:
het bereiden van etenswaren en/of dranken binnen in het horecabedrijf;
het verstrekken van etenswaren en/of niet-alcoholische dranken voor gebruik ter plaatse;
consumptie in het horecabedrijf;
het schenken van alcoholhoudende drank;
het aanbieden/ meegeven van niet alcoholhoudende dranken voor consumptie in de directe omgeving van het horecabedrijf;
het verstrekken van kleine etenswaren toegestaan, voor zover het gaat om etenswaren die geen voorbereidingsbehandeling ter plaatse behoeven, zoals verwarmen, gaar maken, beleggen en ontdooien.
Bij het exploiteren van een horecazaak ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: reguliere horeca' zijn de volgende activiteiten in elk geval niet toegestaan:
Het exploiteren van fastfoodhoreca is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'fastfoodhoreca toegestaan'.
In afwijking van artikel 2.254 aanhef en onder a, is ter plaatse van de aanduiding 'fastfoodhoreca toegestaan' bij het exploiteren van fastfoodhoreca het aanbieden/meegeven van etenswaren voor directe consumptie in de directe omgeving van het horecabedrijf toegestaan.
Ter plaatse van de aanduiding 'maximum bruto-vloeroppervlakte fastfoodhoreca' is de maximum bruto-vloeroppervlakte die ten behoeve van fastfoodhoreca mag worden gebruikt de daar bepaalde waarde.
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: middelzware horeca'.
Deze subparagraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: middelzware horeca'.
De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: middelzware horeca' hebben als gebruiksdoel middelzware horeca, en mogen worden gebruikt voor het exploiteren van middelzware horeca, reguliere horeca en lichte horeca.
Bij het exploiteren van een horecazaak ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: middelzware horeca' zijn de volgende activiteiten in elk geval toegestaan:
het bereiden van etenswaren en/of dranken binnen in het horecabedrijf;
het verstrekken van etenswaren en/of niet-alcoholische dranken voor gebruik ter plaatse;
consumptie in het horecabedrijf;
het schenken van alcoholhoudende dranken;
het aanbieden/ meegeven van niet alcoholhoudende dranken voor consumptie in de directe omgeving van het horecabedrijf;
het verstrekken van kleine etenswaren toegestaan, voor zover het gaat om etenswaren die geen voorbereidingsbehandeling ter plaatse behoeven, zoals verwarmen, gaar maken, beleggen en ontdooien;
het ten gehore te brengen van muziek met een geluidsniveau hoger dan 75 dB(A), met inachtneming van subparagraaf 9.2.2.3;
het aanbieden van waterpijpen voor gebruik ter plaatse.
Bij het exploiteren van een horecazaak ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: middelzware horeca' zijn de volgende activiteiten in elk geval niet toegestaan:
het exploiteren van fastfoodhoreca;
Het verstrekken van waterpijpen voor gebruik in de horecazaak is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'horeca met aanbieden waterpijpen toegestaan'.
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: zware horeca'.
Deze subparagraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: zware horeca'.
De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: zware horeca' hebben als gebruiksdoel zware horeca, en mogen worden gebruikt voor het exploiteren van zware horeca, middelzware horeca, reguliere horeca en lichte horeca.
Bij het exploiteren van een horecazaak ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: zware horeca' zijn de volgende activiteiten in elk geval toegestaan:
het bereiden van etenswaren en/of dranken binnen in het horecabedrijf;
het verstrekken van etenswaren en/of niet-alcoholhoudende dranken voor gebruik ter plaatse;
consumptie in het horecabedrijf;
het schenken van alcoholhoudende drank;
het aanbieden/ meegeven van niet alcoholhoudende dranken voor consumptie in de directe omgeving van het horecabedrijf;
het ten gehore te brengen van muziek met een geluidsniveau hoger dan 75 dB(A), met inachtneming van subparagraaf 9.2.2.3;
Bij het exploiteren van een horecazaak ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: zware horeca' zijn de volgende activiteiten in elk geval niet toegestaan:
het aanbieden/meegeven van etenswaren voor consumptie in de directe omgeving van het horecabedrijf;
het aanbieden van waterpijpen voor gebruik in de horecazaak;
het exploiteren van fastfoodhoreca.
Deze subparagraaf is van toepassing op het exploiteren van een horecazaak op locaties waar het exploiteren van een horecazaak uitsluitend is toegestaan indien en zolang op die locatie ook een andere vorm van gebruik plaatsvindt.
Deze subparagraaf geldt ter plaatse van de volgende aanduidingen:
Ter plaatse van de aanduiding 'voorgeschreven combinatie van horeca met een museum - 1' is een horecazaak uitsluitend toegestaan indien en zolang op die locatie ook een museum wordt geëxploiteerd.
In afwijking van en in aanvulling op paragraaf 2.3.20.2.2 gelden ter plaatse van de aanduiding 'voorgeschreven combinatie van horeca met een museum - 1 de volgende regels:
Deze paragraaf is van toepassing op het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: darkstore'.
Deze paragraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: darkstore'.
De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: darkstore' heeft als gebruiksdoel een darkstore, en mogen worden gebruikt ten behoeve van het exploiteren van een darkstore.
Ter plaatse van de aanduiding 'maximum bruto-vloeroppervlakte darkstore' is de maximum bruto-vloeroppervlakte die ten behoeve van een darkstore mag worden gebruikt de daar bepaalde waarde.
Een darkstore is uitsluitend toegestaan in de eerste bouwlaag.
Deze paragraaf is van toepassing op:
het gebruiksdoel van locaties met de aanduiding 'gebruiksdoel: evenementenlocatie';
de inrichting en het gebruik van een evenementenlocatievoor het houden van evenementen.
Deze paragraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: evenementenlocatie'.
De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: evenementenlocatie' hebben als gebruiksdoel het gebruik als evenementenlocatie en mogen worden gebruikt als evenementenlocatie.
Dit artikel geldt ter plaatse van de aanduiding 'evenementenlocatie X'.
Voor alle evenementen gezamenlijk geldt:
Voor evenementen met maximaal 499 bezoekers per dag geldt:
Voor evenementen met 500 tot maximaal 1.999 bezoekers per dag geldt:
Voor een evenement met 2.000 of meer bezoekers per dag geldt:
Voor meerdaagse evenementen geldt:
Voor een muziekevenement geldt:
muziekevenementen zijn wel/niet toegestaan;
de geluidbelasting vanwege een muziekevenement op één of meer geluidgevoelige gevels bedraagt maximaal 85 dB(C);
het maximum aantal muziekevenementen dat per jaar mag plaatsvinden bedraagt PM;
het maximum aantal dagen per jaar dat muziekevenementen mogen plaatsvinden bedraagt PM;
het maximum aantal dagen dat een muziekevenement mag duren bedraagt PM.
Overige beperkingen
K
Na paragraaf 3.2.12 wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:
Deze paragraaf is van toepassing op:
het uitoefenen van additionele horeca;
het verrichten van een omgevingsplanactiviteit culturele horeca;
het uitoefenen van een omgevingsplanactiviteit horecaterras; en
openingstijden van een horecazaak.
In deze paragraaf wordt onder bezoekers van een horecazaak verstaan degenen die niet zijn:
Het gebruik van een bouwwerk voor zaalverhuur voor feesten en partijen is uitsluitend toegestaan binnen een horecazaak ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: zware horeca'.
In afwijking van het eerste lid geldt ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' dat:
zaalverhuur voor feesten en partijen uitsluitend toegestaan voor zover dat in overeenstemming is met het ter plaatse geldend ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan; en
dat als het geldend ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan geen regels bevat over zaalverhuur voor feesten en partijen, zaalverhuur voor feesten en partijen uitsluitend is toegestaan binnen een discotheek, dancing, sociëteit, of daarmee vergelijkebare horecazaak, voor zover die op grond van het ter plaatse geldend ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is toegestaan.
In afwijking van het eerste lid is daar waar een TAM-omgevingsplan in werking is getreden zaalverhuur voor feesten en partijen uitsluitend toegestaan binnen een horecazaak voor zover in dat TAM-omgevingsplan een locatie is aangeduid met de aanduiding 'gebruiksdoel: zware horeca'.
Deze subparagraaf is van toepassing op het uitoefenen van additionele horeca.
Ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' blijven de artikelen 3.56, 3.57 en 3.58 buiten toepassing als het ter plaatse geldend ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan regels over additionele horeca bevat. In dat geval blijven de regels in dat ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan van toepassing.
Ter plaatse van het besluitgebied van een TAM-omgevingsplan, waarbij het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is komen te vervallen, blijven de artikelen 3.56, 3.57 en 3.58 buiten toepassing voor zover het TAM-omgevingsplan afwijkende regels over additionele horeca bevat. In dat geval zijn de betreffende regels van het TAM-omgevingsplan van toepassing.
In deze subparagraaf wordt onder hoofdactiviteit verstaan het bedrijf, de instelling, de vereniging of andere functie waarbinnen additionele horeca plaatsvindt.
Binnen de uitoefening van een ander gebruik dan detailhandel en binnen een warenhuis of grootschalige detailhandelsvestiging is additionele horeca uitsluitend toegestaan met inachtneming van de volgende regels:
additionele horeca mag plaatsvinden vanaf een uur voordat de hoofdactiviteit begint tot een uur nadat de hoofdactiviteit is geëindigd, maar:
toegestaan is het bereiden en verstrekken van etenswaren, alcoholhoudende en niet-alcoholhoudende dranken voor directe consumptie ter plaatse;
niet toegestaan zijn:
het verstrekken van etenswaren voor directe consumptie in de directe omgeving van waar de hoofdactiviteit plaatsvindt;
het verstrekken van alcoholische of niet-alcoholische dranken voor directe consumptie in de directe omgeving van waar de hoofdactiviteit plaatsvindt;
het ten gehore brengen van muziek met een geluidsniveau hoger dan 75 dB(A);
het aanbieden van waterpijpen voor gebruik ter plaatse; en
activiteiten die zijn gericht op het aantrekken van zelfstandige bezoekersstromen, zoals het maken van reclame voor de additionele horeca-activiteit;
de additionele horeca is alleen te bereiken door een bezoek aan de hoofdactiviteit;
bij afzonderlijke horecagedeelten, die niet met de hoofdfunctie zijn verweven, omvatten de additionele horeca maximaal 20% van de publiektoegankelijke ruimte, waarbij toiletten, keuken en opslagruimten niet tot het horecagedeelte worden gerekend; en
terrassen en gevelbanken zijn niet toegestaan.
Binnen de uitoefening van detailhandel, niet zijnde een warenhuis of grootschalige detailhandelsvestiging, is additionele horeca toegestaan met inachtneming van de volgende regels:
additionele horeca mag alleen worden uitgeoefend tijdens de (reguliere) openingstijden van de detailhandelsvestiging, met een uiterlijke sluitingstijd van 22.00 uur;
toegestaan is het bereiden en verstrekken van etenswaren en niet-alcoholhoudende dranken voor directe consumptie ter plaatse;
niet toegestaan zijn:
het verstrekken van etenswaren voor directe consumptie in de directe omgeving van de detailhandelsvestiging;
het verstrekken van alcoholische of niet-alcoholische dranken voor directe consumptie in de directe omgeving van de detailhandelsvestiging;
het verstrekken van alcohol voor directe consumptie ter plaatse;
het ten gehore brengen van muziek met een geluidsniveau hoger dan dat 75 dB(A);
het aanbieden van waterpijpen voor gebruik ter plaatse; en
activiteiten die zijn gericht op het aantrekken van zelfstandige bezoekersstromen, zoals het maken van reclame voor de additionele horeca;
de additionele horeca is alleen te bereiken door een bezoek aan de detailhandelsvestiging;
de additionele horeca omvat maximaal 20% van het winkelvloeroppervlak, tot een maximum van 20 m2;
terrassen en gevelbanken zijn niet toegestaan; en
additionele horeca mag niet aan een raam zijn gelegen, uitgezonderd hoekpanden, waar dat wel mag, maar dan niet aan de zijde van de voorgevel of hoofdstraat.
Ter plaatse van de aanduiding 'uitzondering op beperking situering additionele horeca' geldt in afwijking van het eerste lid, onder f, dat additionele horeca ook aan een raam mag zijn gelegen.
In aanvulling op artikel 3.57 geldt ter plaatse van de aanduiding 'additionele horeca niet toegestaan binnen winkels met een voedselwarenassortiment' dat additionele horeca niet is toegestaan binnen de uitoefening van detailhandel met een voedselwarenassortiment.
Het eerste lid is niet van toepassing op additionele horeca binnen de uitoefening van detailhandel met een voedselwarenassortiment als die additionele horeca op het moment dat het eerste lid in werking is getreden rechtmatig aanwezig was.
Het in het tweede lid bedoelde overgangsrecht vervalt als:
niet tijdig aan artikel 3.61, derde lid, wordt voldaan; en
de wijze van exploitatie of de exploitant van de additionele horeca wijzigt.
Het is verboden additionele horeca binnen de uitoefening van detailhandel, niet zijnde een warenhuis of grootschalige detailhandelsvestiging, uit te oefenen zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
De melding bevat informatie over:
Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing als zich bij bestaande additionele horeca binnen de uitoefening van detailhandel, niet zijnde een warenhuis of grootschalige detailhandelsvestiging, een wijziging gaat voordoen met betrekking tot:
Het bevoegd gezag kan een maatwerkvoorschrift stellen over de uitoefening van additionele horeca om onaanvaardbare overlast voor het woon- en leefklimaat tegen te gaan.
Voor additionele horeca die op de datum van inwerkingtreding van deze subparagraaf rechtmatig werd uitgeoefend, geldt dat binnen zes maanden na die datum aan het bepaalde in deze subparagraaf moet zijn voldaan. Tot dat moment blijven de regels van toepassing zoals die golden tot het moment van inwerkingtreding van deze subparagraaf.
Voor zover op de datum van inwerkingtreding van deze subparagraaf artikel 3.55, lid 2 of lid 3 van toepassing was, geldt dat binnen zes maanden na het vervangen van het betreffende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan of TAM-omgevingsplan aan het bepaalde in deze subparagraaf moet zijn voldaan. Tot dat moment blijven de regels van toepassing zoals die golden tot het moment van het vervangen van het betreffende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan of TAM-omgevingsplan.
De in artikel 3.59 bedoelde meldingsplicht is van overeenkomstige toepassing op additionele horeca binnen de uitoefening van detailhandel, niet zijnde een warenhuis of grootschalige detailhandelsvestiging, die op de datum van inwerkingtreding van deze subparagraaf rechtmatig werd uitgeoefend. In afwijking van het eerste lid geldt voor deze gevallen dat de in artikel 3.59 bedoelde melding binnen één jaar na de datum van inwerkingtreding van deze subparagraaf moet zijn gedaan.
In afwijking van het eerste lid gelden voor additionele horeca waarvoor op het moment van inwerkingtreding van deze subparagraaf een exploitatievergunning als bedoeld in artikel 3.8 van de Algemene Plaatselijke Verordening geldt, de in die exploitatievergunning opgenomen openingstijden, tot het moment dat die exploitatievergunning is verlopen. Vanaf dat moment gelden de openingstijden, zoals opgenomen in artikel 3.56, onder a.
Deze subparagraaf is van toepassing op het verrichten van een omgevingsplanactiviteit culturele horeca.
In deze subparagraaf wordt onder hoofdactiviteit verstaan het bedrijf, de instelling, de vereniging of andere functie waarbinnen additionele horeca plaatsvindt.
Een omgevingsplanactiviteit culturele horeca is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'culturele horeca toegestaan - vergunningplicht'.
Ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' is, in afwijking van het eerste lid, een omgevingsplanactiviteit culturele horeca ook toegestaan op een andere locatie dan ter plaatse van de aanduiding 'culturele horeca toegestaan - vergunningplicht', voor zover:
het ter plaatse geldend ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan op de locatie een omgevingsplanactiviteit culturele horeca toestaat;
een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht op de locatie een omgevingsplanactiviteit culturele horeca toestaat.
Waar een TAM-omgevingsplan in werking is getreden, geldt in aanvulling op het eerste lid dat een omgevingsplanactiviteit culturele horeca ook is toegestaan ter plaatse van een in dat TAM-omgevingsplan gegeven aanduiding 'culturele horeca toegestaan - vergunningplicht'.
Op locaties, bedoeld in het eerste tot en met derde lid, zijn de vergunningplicht, bedoeld in artikel 3.65, en de daarop betrekking hebbende regels onverkort van toepassing.
Een omgevingsplanactiviteit culturele horeca mag alleen plaatsvinden in een gebouw. Daaronder wordt tevens begrepen dat de activiteit niet plaatsvindt op een (dak)terras of in een (keur)tuin.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit culturele horeca te verrichten.
Een omgevingsvergunning voor een een omgevingsplanactiviteit culturele horeca wordt alleen verleend als:
de aanvraag betrekking heeft op een locatie waar op grond van artikel 3.63 een omgevingsplanactiviteit culturele horeca is toegestaan;
wordt voldaan aan artikel 3.64;
de exploitatie van dat gebouw geschiedt door een instelling met een culturele doelstelling;
de omgevingsplanactiviteit culturele horeca bijdraagt aan een mix van verschillende activiteiten binnen het gebouw, waarbij de horecacomponent ondergeschikt is en blijft aan de culturele activiteiten;
de omgevingsplanactiviteit culturele horeca niet leidt tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat in de omgeving van de activiteit.
Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit culturele horeca worden de voorschriften verbonden die nodig zijn met het oog op de in artikel 3.66 bedoelde voorwaarden en belangen.
Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit culturele horeca worden in elk geval voorschriften verbonden over openingstijden.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit culturele horeca worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
tekeningen van het gebouw waarbinnen de culturele instelling is gevestigd waarop is aangegeven waar de een omgevingsplanactiviteit culturele horeca zal worden uitgeoefend;
stukken waaruit blijkt dat de aanvrager een instelling betreft met een culturele doelstelling, waaronder in elk geval:
de beoogde openingstijden voor de omgevingsplanactiviteit culturele horeca;
het maximum aantal bezoekers dat tegelijkertijd aanwezig is binnen de culturele instelling, en het maximaal aantal bezoekers dat gebruik kan maken van de culturele horeca-voorziening. Voor zover beide aantallen gelijk zijn, wordt dit voor beide afzonderlijk vermeld.
Voor de in bijlage IX opgenomen instellingen geldt een op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder c, jo. artikel 2.12 van de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht verleende vergunning voor het ten behoeve van culturele horeca afwijken van het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan als een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit culturele horeca.
Als in een nog geldend ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is bepaald dat ten behoeve van culturele horeca bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de regels in dat nog geldend ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan, dan geldt een met toepassing van de daarop betrekking hebbende regels verleende vergunning als een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit culturele horeca.
Voor zover een exploitatievergunning horecabedrijf, zoals die gold op het moment van inwerkingtreding van deze subparagraaf, voorschriften van ruimtelijke aard bevatten, met inbegrip van voorschriften over openingstijden, dan gelden deze als vergunningvoorschrift, verbonden aan de omgevingsvergunning van rechtswege voor een omgevingsplanactiviteit culturele horeca, bedoeld in het eerste lid.
Het college van burgemeester en wethouders zal binnen een redelijke termijn een schriftelijke versie van de omgevingsvergunning van rechtswege voor een omgevingsplanactiviteit culturele horeca en de daarop betrekking hebbende voorschriften verstrekken aan de exploitant.
Deze subparagraaf is van toepassing op horecaterrassen en het verrichten van een omgevingsplanactiviteit horecaterras.
Een horecaterras is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'horecaterras toegestaan - vergunningplicht'.
Ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' is een horecaterras ook toegestaan op een locatie anders dan ter plaatse van de aanduiding 'horecaterras toegestaan - vergunningplicht', voor zover:
het ter plaatse geldend ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan op de locatie een horecaterras toestaat;
het ter plaatse geldend ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan een binnenplanse afwijkbevoegdheid bevat om op de locatie een horecaterras toe te staan;
een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht op de locatie een horecaterras toestaat.
Waar een TAM-omgevingsplan in werking is getreden, geldt in aanvulling op het eerste lid dat een horecaterras ook is toegelaten ter plaatse van een in dat TAM-omgevingsplan gegeven aanduiding 'horecaterras toegelaten - vergunningplicht'.
Op locaties, bedoeld in het eerste tot en met derde lid, zijn de vergunningplicht, bedoeld in artikel 3.75, en de daarop betrekking hebbende regels onverkort van toepassing.
Voor zover verband houdend met de exploitatie van een horecaterras mogen op een horecaterras uitsluitend bedrijfsmatig dranken worden geschonken of etenswaren en/of waterpijpen worden verstrekt voor directe consumptie op het horecaterras. Andere activiteiten die verband houden met de exploitatie van de horecazaak waar het horecaterras bij hoort, zijn niet toegestaan.
Het verstrekken van waterpijpen voor directe consumptie op het horecaterras is uitsluitend toegestaan voor zover dit bij vergunningvoorschrift is bepaald.
Maximaal twee keer per jaar zijn andere dan de in het eerste lid bedoelde activiteiten toegestaan die verband houden met de exploitatie van de horecazaak waar het horecaterras bij hoort, onder de volgende voorwaarden:
Objecten die het normaal gebruik van het horecaterras, bedoeld in artikel 3.72, mogelijk maken zijn toegestaan.
Terrasverwarming in de vorm van losstaande elementen of verwerkt in een parasol of ander op het horecaterras staand object is niet toegestaan.
Alle objecten op een horecaterras moeten verwijderd kunnen worden als dat nodig is voor het gebruik of beheer van de openbare ruimte.
Met een maatwerkvoorschrift kan het bevoegd gezag bepalen dat verwijdering van het terras noodzakelijk is in verband met werkzaamheden in de openbare ruimte. In dat geval zorgt de exploitant of de leidinggevende onmiddellijk of binnen de daartoe gestelde termijn voor verwijdering.
Het is verboden een horecaterras voor bezoekers geopend te hebben of bezoekers op een horecaterras toe te laten op een ander tijdstip dan waarop de horecazaak waar het horecaterras bij behoort geopend mag zijn, maar tot maximaal 02.00 uur.
In afwijking van het eerste lid geldt van 1 november tot 1 maart een maximum sluitingstijd van 24.00 uur.
In een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit horecaterras kan een vroeger tijdstip als maximale sluitingstijd zijn bepaald. In afwijking van het eerste en tweede lid is in dat geval dat de maximale sluitingstijd.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit horecaterras te verrichten.
Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit horecaterras is verbonden aan de horecazaak waarbij het horecaterras behoort.
Dit artikel is van toepassing op een legaal bestaand horecaterras.
Als een een omgevingsplanactiviteit horecaterras voor het moment van inwerkingtreding van subsubparagraaf 3.2.13.5.3 rechtmatig werd verricht, geldt voor die activiteit een omgevingsvergunning van rechtswege voor onbepaalde tijd, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van die wet.
De voorschriften zoals opgenomen in de exploitatievergunning horecabedrijf, zoals die gold op het moment van inwerkingtreding van deze subparagraaf, gelden als vergunningvoorschrift, verbonden aan de omgevingsvergunning van rechtswege voor een omgevingsplanactiviteit horecaterras, bedoeld in het tweede lid, voor zover die voorschriften betrekking hebben op:
Voor zover met betrekking tot een horecaterras het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan zoals die gold op het moment van inwerkingtreding van deze subparagraaf, regels bevat, gelden die regels als vergunningvoorschrift, verbonden aan de omgevingsvergunning van rechtswege voor een omgevingsplanactiviteit horecaterras, bedoeld in het tweede lid.
Voor zover met betrekking tot een horecaterras een op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder c, jo. artikel 2.12 toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht verleende vergunning voorschriften bevat, gelden die voorschriften als vergunningvoorschrift, verbonden aan de omgevingsvergunning van rechtswege voor een omgevingsplanactiviteit horecaterras, bedoeld in het tweede lid.
Het college van burgemeester en wethouders zal binnen een redelijke termijn een schriftelijke versie van de omgevingsvergunning van rechtswege voor een omgevingsplanactiviteit horecaterras en de daarop betrekking hebbende voorschriften verstrekken aan de exploitant.
Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit horecaterras wordt alleen verleend als de aanvraag betrekking heeft op een locatie waar op grond van artikel 3.71 een terras is toegestaan.
Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit horecaterras wordt alleen verleend als de activiteit niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van:
Bij de in het tweede lid bedoelde beoordeling houdt het bevoegd gezag in elk geval rekening met de volgende aspecten:
of het beoogde gebruik schade toebrengt aan de openbare ruimte dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de openbare ruimte of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan;
of het beoogde gebruik een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van de openbare ruimte;
het beoogde gebruik afbreuk doet aan andere publieke functies van de weg, inclusief de bescherming van het uiterlijk aanzien daarvan;
de mate van geluidsoverlast die naar verwachting op de omgeving zal ontstaan en de mogelijkheden om onaanvaardbare geluidoverlast te voorkomen.
Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit horecaterras wordt geweigerd als de aanvraag betrekking heeft op een locatie op of aan een weg, bedoeld in artikel 3.18 van de Algemene Plaatselijke Verordening.
Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit horecaterras wordt geweigerd als de aanvraag betrekking heeft op een horecaterras bij additionele horeca of een omgevingsplanactiviteit culturele horeca.
Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit horecaterras worden de voorschriften verbonden die nodig zijn met het oog op het voorkomen van een onaanvaardbare aantasting van:
Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit horecaterras worden in elk geval voorschriften verbonden over:
positionering en maatvoering van het terras;
openingstijden van het terras, met inachtneming van de in artikel 3.74 bedoelde maxima, die niet mogen worden overschreden, maar die met het oog op een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, rekening houdend met het karakter van de omgeving, kunnen worden beperkt;
het aantal zitplaatsen dat maximaal op het terras aanwezig mag zijn.
Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een horecazaak waarbij het aanbieden en gebruiken van een waterpijp is toegestaan, wordt met een voorschrift bepaald of het aanbieden en gebruiken van een waterpijp op het horecaterras is toegestaan.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit horecaterras worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
gegevens over de locatie, aard en omvang van de horecazaak, waarvan het horecaterras onderdeel moet gaan uitmaken;
tekeningen op schaal van de locatie van het beoogde horecaterras en van de omvang en inrichting ervan;
inzicht in het aantal zitplaatsen op het beoogde horecaterras;
inzicht in de aard en omvang van objecten die op het beoogde terras geplaatst zullen worden;
een onderzoek naar de mate van stemgeluid vanwege het horecaterras op omliggende woningen en inzicht in maatregelen die genomen kunnen worden om overlast vanwege stemgeluid zo veel mogelijk te voorkomen;
de beoogde openingstijden van het horecaterras.
Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit horecaterras vervalt als:
bij wijziging van het omgevingsplan de aanduiding, bedoelt in artikel 3.71, eerste lid, is komen te vervallen;
bij een wijziging van het omgevingsplan, waarmee voor de betreffende locatie het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is vervangen, is de aanduiding, bedoelt in artikel 3.71, eerste lid, niet aan de locatie gegeven;
bij een wijziging van het omgevingsplan, waarmee voor de betreffende locatie een TAM-omgevingsplan is vervangen, is de aanduiding, bedoelt in artikel 3.71, eerste lid, niet aan de locatie gegeven.
Deze subparagraaf heeft betrekking op de openingstijden van een horecazaak, tenzij sprake is van additionele horeca, bedoeld in subparagraaf 3.2.13.3. In dat geval zijn de daar opgenomen regels over openingstijden van toepassing.
Deze subparagraaf heeft geen betrekking op de openingstijden van een horecaterras. Daarop zijn de in subparagraaf 3.2.13.5 opgenomen regels over openingstijden van toepassing.
Voor een horecazaak ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: lichte horeca' is het verboden voor bezoekers geopend te zijn of bezoekers toe te laten op een ander tijdstip dan van 06.00 tot 22.00 uur.
Voor een horecazaak ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: reguliere horeca' geldt dat het verboden is voor bezoekers geopend te zijn of bezoekers toe te laten op een ander tijdstip dan:
Voor een horecazaak ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: middelzware horeca' geldt dat het verboden is voor bezoekers geopend te zijn of bezoekers toe te laten op een ander tijdstip dan:
Voor een horecazaak ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: zware horeca' is het verboden voor bezoekers geopend te zijn of bezoekers toe te laten op een ander tijdstip dan:
Indien ter plaatse van een locaties, bedoeld in het tweede, derde of vierde lid, sprake is van lichte horeca, kan, als dit niet leidt tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat, met een maatwerkvoorschrift worden bepaald dat de horecazaak geopend mag zijn vanaf 06.00 uur.
Ter plaatse van de aanduidingen 'gebruiksdoel: lichte horeca' en 'gebruiksdoel: reguliere horeca' mogen de in het eerste en tweede lid bedoelde openingstijden maximaal vijf keer per kalenderjaar worden overschreden.
Ter plaatse van de aanduidingen 'gebruiksdoel: middelzware horeca' en 'gebruiksdoel: zware horeca' mogen de in het derde en vierde lid bedoelde openingstijden maximaal twaalf keer per kalenderjaar worden overschreden.
Tussen de in het zesde en zevende lid bedoelde overschrijdingen dienen ten minste zes dagen te zitten.
Voor een horecazaak ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' is het verboden voor bezoekers geopend te zijn of bezoekers toe te laten op een ander tijdstip dan:
voor een lunchroom, ijssalon, koffiehuis, theehuis, broodjeszaak of daarmee vergelijkbare vormen van horeca: van 06.00 tot 22.00 uur;
voor een bistro, restaurant, grillroom, snackbar, fastfood, kebab, cafetaria, shoarmatent of daarmee vergelijkbare vormen van horeca:
voor een café, bar, eetcafé, cocktailbar, shishalounge of daarmee vergelijkbare vormen van horeca:
voor een nachtzaak, discotheek, club, zaalverhuur, partycentrum en daarmee vergelijkbare vormen van horeca:
De in het eerste lid, onder a en b, bedoelde openingstijden mogen maximaal vijf keer per kalenderjaar worden overschreden.
De in het eerste lid, onder c en d bedoelde openingstijden mogen maximaal twaalf keer per kalenderjaar worden overschreden.
Tussen de in het tweede en derde lid bedoelde overschrijdingen dienen ten minste zes dagen te zitten.
Waar een TAM-omgevingsplan in werking is getreden, is artikel 3.82 van overeenkomstige toepassing, voor zover in dat TAM-omgevingsplan een locatie is aangeduid met een van de in dat artikel bedoelde aanduidingen.
In andere gevallen dan bedoeld in het eerste lid gelden de openingstijden, zoals opgenomen in het TAM-omgevingsplan.
Artikel 3.82, zesde lid tot en met achtste lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
Voor een horecazaak waarvoor op het moment dat deze subsubparagraaf 3.2.13.6.2 in werking is getreden een exploitatievergunning horecabedrijf gold, is deze subsubparagraaf van toepassing met ingang van de dag drie jaar na datum van inwerkingtreding.
Voor de in het eerste lid bedoelde gevallen gelden tot de dag drie jaar na inwerkingtreding van deze subsubparagraaf 3.2.13.6.2 de openingstijden zoals vastgelegd in de exploitatievergunning horecabedrijf, zoals die gold op het moment van inwerkingtreding van deze subsubparagraaf.
In afwijking van subsubparagraaf 3.2.13.6.2 geldt voor de in bijlage X aangegeven horecazaken dat het verboden is voor bezoekers geopend te zijn of bezoekers toe te laten op een ander tijdstip dan:
In afwijking van subsubparagraaf 3.2.13.6.2 gelden de daarin opgenomen weekendopeningstijden ook:
Voor zover met toepassing van artikel 3.91 ruimere openingstijden zijn toegestaan voor de vrijdag en zaterdag, zijn die afwijkende openingstijden in dat geval niet van toepassing
In de nacht dat de zomertijd ingaat mag een horecazaak die op het uur dat de zomertijd ingaat open mag zijn, één uur langer open blijven.
Met een maatwerkvoorschrift kunnen met het oog op het tegengaan van onaanvaardbare overlast op de fysieke leefomgeving aan de in subsubparagraaf 3.2.13.6.2 bedoelde openingstijden beperkingen worden gesteld.
Een in het eerste lid bedoelde beperking kan inhouden dat het uiterlijk tijdstip waarop de horecazaak:
Ter plaatse van de aanduidingen 'gebruiksdoel: zware horeca' en 'fastfoodhoreca toegestaan' kan met een maatwerkvoorschrift een verruiming van de in subsubparagraaf 3.2.13.6.2 bedoelde openingstijden worden toegestaan.
Ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' kan met een maatwerkvoorschrift een verruiming van de in subsubparagraaf 3.2.13.6.2 bedoelde openingstijden worden toegestaan voor:
Waar een TAM-omgevingsplan in werking is getreden, kan met een maatwerkvoorschrift een verruiming van de in subsubparagraaf 3.2.13.6.2 bedoelde openingstijden worden toegestaan op locaties waaraan in het TAM-omgevingsplan een aanduidingen 'gebruiksdoel: zware horeca' of 'fastfoodhoreca toegestaan' is gegeven.
De in het eerste lid bedoelde ontheffing geldt voor de duur van maximaal vijf jaar, en kan telkens voor maximaal vijf jaar worden verlengd.
Van de in eerste lid bedoelde bevoegdheid wordt uitsluitend gebruik gemaakt als het verruimen van de openingstijden naar het oordeel van het bevoegd gezag niet leidt tot onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat. Bij die beoordeling betrekt het bevoegd gezag de maatregelen die de aanvrager neemt om overlast in de omgeving te voorkomen, en, indien die er zijn, de ervaringen uit het verleden.
Het bevoegd gezag stelt bij toepassing van het eerste lid die voorschriften die nodig zijn om onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat te voorkomen.
Bij toepassing van het eerste lid wordt bepaald wat de duur van de ontheffing is, voor welke dag of dagen van de week de ontheffing geldt en wat de dan van toepassing zijnde openingstijden zijn.
Bij een verzoek tot het geven van een maatwerkvoorschrift worden in elk geval de volgende gegevens verstrekt:
inzicht in de publiekaantrekkende werking en drukte bij openstelling in de bestaande situatie;
inzicht in de hoeveelheid bezoekers rond sluitingstijd in de bestaande situatie;
inzicht in de wijze van toegang;
een bedrijfsplan, met daarin inzicht in:
de maatregelen die worden genomen om een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat te voorkomen;
de mate van bereikbaarheid, met daarbij ook inzicht in de aanwezigheid dan parkeergelegenheid, beschikbaarheid van openbaar vervoer gedurende de beoogde openingstijden en aanwezigheid van taxistandplaatsen;
een onderbouwing van het verzoek, waarbij in elk geval wordt aangegeven waarom de afwijkmogelijkheden die artikel 3.82, 3.83 en 3.84 bieden, niet volstaan.
In afwijking van subsubparagraaf 3.2.13.6.2 mag een horecazaak langer open blijven voor reeds aanwezige bezoekers, voor zover de burgemeester heeft besloten dat dit met het oog op de openbare orde en veiligheid nodig is, en onder de voorwaarden die daarbij zijn gesteld.
L
Paragraaf 3.2.13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
M
Artikel 4.12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het verbod, bedoeld in artikel 4.7, geldt niet voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken als die activiteit betrekking heeft op:
een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
op de grond staand;
gelegen in achtererfgebied;
op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied;
niet hoger dan 5 m;
de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag; en
niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte;
een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
een dakkapel in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
regels over het uiterlijk en de plaatsing van bouwwerken als bedoeld in artikel 4.24 zijn, gelet op artikel 4.26, niet van toepassing;
voorzien van een plat dak;
gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75 m;
onderzijde meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet;
bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok; en
zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak;
een sport- of speeltoestel anders dan voor alleen particulier gebruik, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of een vijver op het gebouwerf bij een woning of woongebouw, als deze niet van een overkapping is voorzien;
een erf- of perceelafscheiding, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
een bouwwerk, geen gebouw zijnde, in achtererfgebied voor agrarische bedrijfsvoering, voor zover het gaat om:
een buisleiding anders dan een buisleiding waarop artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4°, van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is; of
een te veranderen bouwwerk, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte;
geen uitbreiding van het bouwvolume;
geen toename van de bouwhoogte; en
geen bouwwerk als bedoeld in artikel 2.29, onder b tot en met r, van het Besluit bouwwerken leefomgeving dat niet voldoet aan de voor dat bouwwerk in die onderdelen gestelde eisen;
een tuinhuis, kas of berging ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: volkstuinpark’;
gewoon onderhoud in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument, voor zover detaillering, profilering en vormgeving van het bouwwerk niet worden gewijzigd.
Het eerste lid laat onverlet dat bij een omgevingsplanactiviteit bouwwerken die betrekking heeft op een bouwwerk, bedoeld in het eerste lid, voldaan moet worden aan artikel 5.6.
Onder de lijn, bedoeld in het eerste lid, onder f, onder 3, wordt verstaan de lijn die loopt langs de voorkant van dat hoofdgebouw en vanaf daar evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied zonder het hoofdgebouw te doorkruisen of in het gebouwerf achter het hoofdgebouw te komen.
N
Het opschrift van subparagraaf 4.2.4.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
O
Subparagraaf 4.2.4.14 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken kunnen tevens voorschriften worden verbonden met betrekking tot de situering van vluchtwegen, voor zover uitvoering ervan redelijkerwijze mogelijk is en dit blijkens een advies van de Veiligheidsregio nodig is ter vergroting van de zelfredzaamheid van gebruikers van de bouwwerken.
Als de aanvraag om omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken betrekking heeft op een bouwwerk waarop paragraaf 4.4.2 van toepassing is, dan worden de gegevens en bescheiden verstrekt waaruit blijkt dat aan dat onderdeel wordt voldaan.
De gegevens en bescheiden betreffen in ieder geval:
een overzichtstekening en een profieltekening met maatvoering en hoogtes op schaal, welke aangeeft wat de verschillende dakoppervlakken en locatie van de te treffen maatregelen zijn;
een systeembeschrijving, in de vorm van tekst of een schematische weergave, welke aangeeft hoe de verschillende dakoppervlakken worden verbonden met de maatregelen voor hemelwaterverwerking; en
een totaalberekening welke aantoont hoe de hemelwaterbergingseis wordt behaald door het opgeven van de toe te passen producten onder vermelding van fabricaat en model en/of materiaal, zoals grind- of grondsoort.
Ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' geldt dat als dat in het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is bepaald, aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken in het belang van de archeologische monumentenzorg voorschriften kunnen worden verbonden.
Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken die van invloed is op een archeologisch monument kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg in ieder geval voorschriften worden verbonden, die inhouden een plicht tot:
het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in situ kunnen worden behouden;
het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;
het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties; en
het verrichten van een opgraving of een archeologische begeleiding op een bepaalde wijze, als die wijze in overeenstemming is met artikel 5.4, eerste en tweede lid, van de Erfgoedwet.
[Gereserveerd]
P
Het opschrift van afdeling 6.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Q
Het opschrift van afdeling 6.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
R
Artikel 7.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit hoofdstuk is van toepassing op het geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen als gevolg van:
de aanleg of wijziging van verharde gemeentewegen en waterschapswegen, niet zijnde een erf in de zin van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met een verwachte verkeersintensiteit van meer dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal als kalenderjaargemiddelde;
de aanleg of wijziging van lokale spoorwegen, voor zover die niet bij omgevingsverordening zijn aangewezen; en
de wijziging van gebruik van een lokale spoorweg.
Dit hoofdstuk is niet van toepassing op het geluid op een niet-geluidgevoelige gevel.
Dit hoofdstuk geldt uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel vervallen'.
In afwijking van het derde lid geldt dit hoofdstuk ook ter plaatse van het besluitgebied van een TAM-omgevingsplan, maar uitsluitend voor zover daarbij het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is komen te vervallen.
S
Bijlage I wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waarnaar in de regels wordt verwezen, en waarmee in samenhang met die regeltekst regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.
omgevingsplanactiviteit bestaande uit het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, ongeacht of die werkzaamheden plaatsvinden in het kader van het realiseren van een bouwwerk.
aanlegactiviteit, bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van dit omgevingsplan.
aanlegactiviteit, bedoeld in artikel 6.22, eerste lid, van dit omgevingsplan.
aanlegactiviteit, bedoeld in artikel 6.29, eerste lid, van dit omgevingsplan.
aanlegactiviteit, bedoeld in artikel 6.8, eerste lid, van dit omgevingsplan.
aanlegactiviteit, bedoeld in artikel 6.15, eerste lid, van dit omgevingsplan.
een cluster aaneengesloten percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen, binnen een in het tijdelijk deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de wet, als bedrijventerrein bestemd gebied, daaronder niet begrepen een gezoneerd industrieterrein
al dan niet zelfstandig geëxploiteerde horeca, die ondergeschikt en ondersteunend is aan een andere hoofdactiviteit dan horeca, en die geen zelfstandige bezoekersstromen trekt.
een bedrijf gericht op het voortbrengen van producten door het telen van gewassen of het houden van dieren, daaronder begrepen een productiegerichte paardenhouderij, houtteelt, zaadveredeling en de teelt van watergebonden organismen als planten, algen, weekdieren, schelpdieren en vissen.
bedrijf dat goederen geheel of overwegend door middel van handwerk vervaardigt, bewerkt of herstelt naar ander gebruik.
straathandel, uitgeoefend op een markt of op een staan- of ligplaats ambulante handel buiten de markt, niet zijnde venten.
AS SIKB 2000: Accreditatieschema Veldwerk bij Milieuhygiënisch Bodem- en waterbodemonderzoek, versie 2.8, 07‑02‑2014, met wijzigingsblad van 10‑02‑2018.
achtererfgebied en de grond onder het hoofdgebouw, uitgezonderd de grond onder het oorspronkelijk hoofdgebouw.
het tegen betaling in gebruik geven van:
een woning die gezien ligging en functie bedoeld is voor de huisvesting van personen wier aanwezigheid gelet op het gebruiksdoel van een gebouw of terrein noodzakelijk is.
Beleidsregel Grondwaterneutrale Kelders Amsterdam zoals die is vastgesteld en bekendgemaakt door het college van burgemeester en wethouders, en geldt op het moment waarop een vergunningaanvraag wordt gedaan.
Besluit van 3 juli 2018, houdende regels over activiteiten in de fysieke leefomgeving, met inbegrip van de wijzigingen die nadien zijn aangebracht.
Besluit van 3 juli 2018, houdende regels over bouwwerken in de fysieke leefomgeving, met inbegrip van de wijzigingen die nadien zijn aangebracht.
Besluit van 3 juli 2018, houdende regels over de kwaliteit van de fysieke leefomgeving en de uitoefening van taken en bevoegdheden, met inbegrip van de wijzigingen die nadien zijn aangebracht.
de bestaande bouwhoogte van elk afzonderlijk punt van het legaal gebouwd bestaand gebouw.
het college van burgemeester en wethouders, tenzij op grond van of krachtens de Omgevingswet een ander bestuursorgaan als bevoegd gezag is aangewezen.
een op het bij een hoofdgebouw behorend erf gerealiseerd gebouw dat niet zoals een aanbouw of uitbouw in directe verbinding staat met het hoofdgebouw door bijvoorbeeld een opening of deur.
een gevel waarop het berekende geluid niet hoger is dan de standaardwaarde plus daarbij opgeteld 3dB.
kelder, souterrain, kap of dakopbouw.
gebouw als bedoeld in artikel 5.89g van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
gebouw als bedoeld in artikel 5.89g van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond, en met uitsluiting van bijzondere bouwlagen.
gebouw of gedeelte van een gebouw, gelegen boven maaiveld.
BRL SIKB 2000: Beoordelingsrichtlijn 2000, Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek, versie 5, 12‑12‑2013.
BRL SIKB 7000: Beoordelingsrichtlijn 7000, Uitvoering van (water)bodemsaneringen en ingrepen in de waterbodem, versie 5, 19‑06‑2014, met wijzigingsblad van 12‑02‑2015
buisleiding als bedoeld in artikel 3.101, eerste lid, onder a tot en met d, van het Besluit activiteiten leefomgeving.
buisleiding als bedoeld in artikel 2.29, onder p, onder 4o, onder ii, van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
voor publiek toegankelijk gebouw waar sociaal-culturele activiteiten worden gefaciliteerd en georganiseerd voor met name buurtbewoners.
speelcasino als bedoeld in artikel 27g, tweede lid, van de Wet op de kansspelen.
het bedrijfsmatig verlenen van diensten met rechtstreeks contact aan consumenten, zoals bankfilialen met hoofdzakelijk een baliefunctie, reisbureaus, kappers, nagelstudio’s en naar de aard daarmee te vergelijken vormen van dienstverlening.
markt die ten minste vier dagen per week wordt gehouden.
een toevoeging aan de bouwmassa door het verhogen van de nok van het dak of een toevoeging aan een plat dak.
vorm van bedrijfsvoering die in hoofdzaak is gericht op de verkoop en bezorging binnen zeer korte termijn (flitsbezorging) van online aangeboden producten, overwegend dagelijkse goederen, vanuit een (opslag)ruimte, al dan niet met uitstalling ten verkoop, al dan niet met een afhaalloket of afhaalbalie en die al dan niet toegankelijk is voor winkelend publiek. De bezorging van op locatie bereide maaltijden valt niet onder deze vorm van bedrijfsvoering.
voor publiek toegankelijke instelling die in hoofdzaak is gericht op het organiseren van debatten.
het bedrijfsmatig ter plekke te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen, het verhuren of het leveren van goederen aan consumenten. Onder detailhandel wordt niet verstaan een onderneming die in hoofdzaak is gericht op het ter plekke te koop aanbieden van ter plaatse bereide, voor directe consumptie bedoelde fastfoodproducten.
Erfgoedverordening van Amsterdam, vastgesteld door de gemeenteraad op 16 december 2015, gemeenteblad 2015, nr. 301/1388.
een evenement, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 van de Gemeente Amsterdam.
een locatie in de openbare ruimte bedoeld voor het met enige regelmaat houden van evenementen.
vergunning voor het exploiteren van een horecabedrijf, bedoeld i artikel 3.8, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008.
bowlingbaan, minigolf, speelparadijs, gamehal, arcadehal, gelegenheid voor laser-gamen, escaperoom, biljart- en snookerzaal, speel- en spelvoorziening, activiteit gericht op belevingen, en naar de aard daarmee te vergelijken faciliteiten en voorzieningen, niet zijnde een elders in deze paragraaf of elders in deze afdeling specifiek genoemde voorziening of faciliteit.
faciliteit op het gebied van ontspanning en vermaak, uitsluitend zijnde een:
kartbaan;
dierentuin;
casino; of
een horecazaak gericht op het bedrijfsmatig verstrekken van vooral op gemaksvoeding gerichte, eenvoudige en snel bereide etenswaren, voor directe consumptie in de horecazaak of in de directe omgeving daarvan, met eventueel als nevenactiviteiten het voor consumptie in de horecazaak verstrekken van dranken. Onder fastfoodbedrijven worden in elk geval begrepen automatieken, snackbars, cafetaria’s, shoarma-/falafelzaken en fastfoodrestaurants.
gebouw, in hoofdzaak bedoeld voor het stallen van vervoersmiddelen.
gemiddeld hoogste grondwaterstand, bedoeld in artikel 4.61, eerste lid.
gemiddeld hoogste grondwaterstand, bedoeld in artikel 4.61, tweede lid.
een gebouw als bedoeld in artikel 9.84 van dit omgevingsplan.
een detailhandelsvestiging met een winkelvloeroppervlak van minimaal 1.500 m2 per bedrijfsvestiging in één branche.
een activiteit waarbij bedrijfsmatig voor directe consumptie ter plaatse dranken worden geschonken of eetwaren worden bereid of verstrekt.
buiten de besloten ruimte liggend deel van een horecazaak dat als zodanig herkenbaar is als een gelegenheid waar bedrijfsmatig dranken worden geschonken of etenswaren en/of waterpijpen worden verstrekt voor directe consumptie op het horecaterras.
bedrijf, in hoofdzaak gericht op het uitoefenen van horeca.
onderneming gericht op het bedrijfsmatig aanbieden van faciliteiten ten behoeve van overnachten voor recreatief of zakelijk verblijf in een gebouw, voor de duur van 1 dag tot en met 12 maanden, anders dan op een kampeerterrein of vakantiepark, met inbegrip van bijbehorende faciliteiten voor hotelgasten en congresfaciliteiten. Onder een hotel wordt niet verstaan het gebruik van woonruimte of de daarbij behorende opstallen voor bed & breakfast, short stay of vakantieverhuur.
Huisvestingsverordening Amsterdam 2020.
het creëren van ruimte in een horecagelegenheid, en het aanbieden daarvan, waar mensen zich vrij kunnen bewegen op muziek, waarbij de muziek ook bedoeld is om daartoe uit te nodigen, en waarbij het creëren en aanbieden van die ruimte om vrij te kunnen bewegen op muziek onderdeel uitmaakt van de reguliere bedrijfsvoering.
een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf dat slacht-, fok-, leg-, pels- of melkdieren houdt, zonder of nagenoeg zonder weidegang of vrije uitloop, met uitzondering van veehouderij waarin producten worden vervaardigd die gecertificeerd zijn volgens in Nederland geldende regelgeving van de Europese Unie voor biologische producten en met uitzondering van viskwekerij.
ISO 11423-1:1997: Water - Bepaling van het gehalte aan benzeen en enige afgeleiden - Deel 1: Gaschromatografische methode met bovenruimte, versie 1997
een ruimte, die hoofdzakelijk is ingericht voor bureauwerkzaamheden
bouwlaag waarvan de dakconstructie bestaat uit ten minste één hellend dakvlak.
bouwwerk van hoofdzakelijk glas of ander lichtdoorlatend materiaal, bedoeld voor de teelt van assimilerende organismen.
bouwlaag, waarbij de vloer van de bovengelegen bouwlaag maximaal 0,50 meter boven het gemiddeld aangrenzende straatpeil is gelegen.
het bedrijfsmatig opvangen, verzorgen, opvoeden en bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen, zoals dat plaatsvindt in een kindercentrum, kinderdagverblijf, peuterspeelzaal, buitenschoolse opvang, en naar de aard daarmee vergelijkbare activiteiten, niet zijnde opvang aan huis.
een al dan niet overdekte voorziening voor het beoefenen van sport op kunstijs.
De kwaliteitsnorm zoals opgenomen in de landelijke richtlijn voor archeologisch onderzoek, bedoeld in artikel 5.5, onder b, van de Erfgoedwet.
landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling een emissiefactor voor geur is vastgesteld en die vallen binnen een van de volgende diercategorieën:
Landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen emissiefactor voor geur is vastgesteld, met uitzondering van pelsdieren
een horecazaak, niet zijnde fastfoodhoreca, gericht op het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse bereide etenswaren en/of niet-alcoholische dranken voor directe consumptie in de horecazaak.
spoorweg die krachtens artikel 2, eerste lid, van de Wet lokaal spoor als zodanig is aangewezen.
het verkopen van goederen of eetwaren vanuit de gevel van een gebouw gelegen aan de openbare weg.
Besluit van 26 november 2002 tot vaststelling van een luchthavenindelingbesluit voor de luchthaven Schiphol.
Het verlenen van publieksgerichte diensten of het bieden van voorzieningen op het gebied van educatie, onderwijs, welzijn, gezondheidszorg, en levensbeschouwing. Onder maatschappelijke dienstverlening vallen in elk geval:
instellingen gericht op het geven van basisonderwijs, voortgezet onderwijs, middelbaar beroepsonderwijs en hoger beroeps en universitair onderwijs, en instellingen gericht op het geven van avondonderwijs;
ziekenhuizen en daarmee vergelijkbare medische centra;
overige voorzieningen voor medische zorgverlening zoals huisartsenposten, GGZ-instellingen, revalidatiecentra, tandartsen- of fysiotherapiepraktijken, dierenartspraktijken;
overige dienstverlening op het gebied van zorg en welzijn zoals een verpleeghuis, een verzorgingshuisconsultatiebureaus, apotheken, afkickklinieken, jeugdzorginstelling, dak- en thuislozenopvang, drugsopvang, asielzoekerscentra;
overige voorzieningen op het gebied van maatschappelijke dienstverlening zoals een buurtcentrum, bibliotheek, kinderopvang, muziek- en dansschool, oefenstudio, religieuze instelling en school(werk)tuin.
bedrijf gericht op het lesgeven in paardrijden aan derden en daarvoor paarden houdt.
intensieve zorg of ondersteuning, die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, ten behoeve van zelfredzaamheid of participatie, rechtstreeks voortvloeiend uit een tussen personen bestaande sociale relatie, die de gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar overstijgt, en waarvan de behoefte met een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur kan worden aangetoond.
markt, zoals bedoeld in de Marktverordening.
marktplaats, zoals bedoeld in de Marktverordening.
een horecazaak, niet zijnde fastfoodhoreca, gericht op het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse bereide etenswaren en/of al dan niet alcoholische dranken voor directe consumptie in de horecazaak, waarbij muziek ten gehore wordt gebracht met een geluidsniveau hoger dan 75 dB(A).
een zelfbedieningswinkel waar hoofdzakelijk voedingsmiddelen, waaronder verse groente, brood en vlees (= dagelijkse goederen), persoonlijke verzorging en soms enige niet-dagelijkse (bijvoorbeeld huishoudelijke) artikelen worden verkocht, met een maximum winkelvloeroppervlak van 300 m2.
voor het publiek toegankelijke instelling waar materiële en immateriële getuigenissen van de mens en zijn omgeving op het gebied van kunst, cultuur, historie en techniek worden verzameld, bewaard, onderzocht en/of tentoongesteld, en waarbij informatie wordt verstrekt voor studie, educatie en/of recreatie.
instelling gericht op het bieden van onderwijs, niet zijnde onderwijs als bedoeld in subparagraaf 2.3.2.1, in hoofdzaak gericht op muziek, dans en kleinkunst, en daarmee vergelijkbare instellingen.
evenement dat als primair doel heeft het ten gehore brengen van muziek, waarbij sprake is van een geluidbelasting vanwege het evenement op één of meer geluidgevoelige gevels van meer dan 75dB(C).
NEN 5725:2017: Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, versie 2017.
NEN 5740:2009/A1:2016: Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond, versie 2009+A1 en 2016.
NEN 6090:2017: Bepaling van de vuurbelasting, versie 2017.
NEN 6578:2011: Water - Potentiometrische bepaling van het totale gehalte aan totaal fluoride, versie 2011.
NEN 6589:2005/C1:2010: Water - Potentiometrische bepaling van het gehalte aan totaal anorganisch fluoride met doorstroomsystemen (FIA en CFA), versie 2010.
NEN 6600-1:2019: Water - Monsterneming - Deel 1: Afvalwater, versie 2019
NEN 6965:2005: Milieu - Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten - Atomaire-absorptiespectrometrie met vlamtechniek, versie 2005
NEN 6966:2006: Milieu - Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma, versie 2005 + C1:2006
NEN-EN 858-1:2002/A1:2004: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) - Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2002 + A1: 2004.
NEN-EN 858-2:2003: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) - Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2003.
NEN-EN 872:2005: Water – Bepaling van het gehalte aan onopgeloste stoffen – Methode door filtratie over glasvezelfilters, versie 2005.
NEN-EN 1825-1:2004: Vetafscheiders en slibvangputten - Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2004 + C1:2006.
NEN-EN 1825-2:2002: Vetafscheiders en slibvangputten - Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2002.
NEN-EN 12566-1:2016: Kleine afvalwaterzuiveringsinstallaties ≤ 50 IE - Deel 1: Geprefabriceerde septictanks, versie 2016.
NEN-EN 12673:1999: Water - Gaschromatografische bepaling van een aantal geselecteerde chloorfenolen in water, versie 1999
NEN-EN 16693:2015: Water – Bepaling van de organochloor pesticiden (OCP) in watermonsters met behulp van vaste fase extractie (SPE) met SPE-disks gecombineerd met gaschromatografie-massaspectrometrie (GC-MS), versie 2015.
NEN-EN-ISO 2813:2014: Verven en vernissen - Bepaling van de glans (spiegelende reflectie) van niet-metallieke verflagen onder 20 graden, 60 graden en 85 graden, versie 2014.
NEN-EN-ISO 5667-3:2018: Water - Monsterneming - Deel 3: Conservering en behandeling van watermonsters, versie 2018;
NEN-EN-ISO 9377-2:2000: Water - Bepaling van de minerale-olie-index - Deel 2: Methode met vloeistofextractie en gas-chromatografie, versie 2000
NEN-EN-ISO 9562:2004: Water - Bepaling van adsorbeerbare organisch gebonden halogenen (AOX), versie 2004;
NEN-EN-ISO 10301:1997: Water - Bepaling van zeer vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen - Gaschromatografische methoden, versie 1997
NEN-EN-ISO 10523:2012: Water - Bepaling van de pH, versie 2012
NEN-EN-ISO 11885:2009: Water - Bepaling van geselecteerde elementen met atomaire-emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma (ICP-AES), versie 2009.
NEN-EN-ISO 12846:2012: Water - Bepaling van kwik - Methode met atomaire-absorptiespectrometrie met en zonder concentratie, versie 2012.
NEN-EN-ISO 14403-1:2012: Water - Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) - Deel 1: Methode met doorstroominjectie analyse (FIA), versie 2012
NEN-EN-ISO 14403-2:2012: Water - Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) - Deel 2: Methode met continu doorstroomanalyse (CFA), versie 2012.
NEN-EN-ISO 15587-1:2002: Water - Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water - Deel 1: Koningswater ontsluiting, versie 2002.
NEN-EN-ISO 15587-2:2002: Water - Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water - Deel 2: Ontsluiting met salpeterzuur, versie 2002
NEN-EN-ISO 15680:2003: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal monocyclische aromatische koolwaterstoffen, naftaleen en verscheidene gechloreerde verbindingen met 'purge-and-trap' en thermische desorptie, versie 2003.
NEN-EN-ISO 15682:2001: Water - Bepaling van het gehalte aan chloride met doorstroomanalyse (CFA en FIA) en fotometrische of potentiometrische detectie, versie 2001;
NEN-EN-ISO 15913:2003: Water - Bepaling van geselecteerde fenoxyalkaanherbicide, inclusief bentazonen en hydroxybenzonitrillen met gaschromatografie en massaspectrometrie na vastefase-extractie en derivatisering, versie 2003
NEN-EN-ISO 17294-2:2016: Water - Toepassing van massaspectrometrie met inductief gekoppeld plasma - Deel 2: Bepaling van geselecteerde elementen inclusief uranium isotopen, versie 2016
NEN-EN-ISO 17852:2008: Water - Bepaling van kwik - Methode met atomaire fluorecentiespectometrie, versie 2008
NEN-EN-ISO 17993:2004: Water - Bepaling van 15 polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) in water met HPLC met fluorescentiedetectie na vloeistof-vloeistof extractie, versie 2004.
NEN-ISO 15705:2003: Water - Bepaling van het chemisch zuurstofverbruik(ST-COD) - Kleinschalige gesloten buis methode, versie 2003
NEN-ISO 15923-1:2013: Waterkwaliteit - Bepaling van de ionen met een discreet analysesysteem en spectrofotometrische detectie - Deel 1: Ammonium, chloride, nitraat, nitriet, ortho-fosfaat, silicaat en sulfaat, versie 2013.
NTA 9065:2012: Luchtkwaliteit - Geurmetingen - Meten en rekenen geur, versie 2012
(hoofdzakelijk) moestuin zonder tuinhuis van een lid van de vereniging van het volkstuinpark.
activiteit, bedoeld in artikel 7.4, onder a tot en met e, van dit omgevingsplan.
omgevingsplanactiviteit bestaande uit het bouwen van een bouwwerk en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk.
een niet zelfstandige horeca-activiteit die plaatsvindt binnen een culturele instelling en daarvan onderdeel is.
omgevingsplanactiviteit bestaande uit het verrichten van activiteiten in, aan, op of bij een gemeentelijk monument of een voorbeschermd gemeentelijk monument.
activiteit waarbij op een horecaterras bedrijfsmatig voor directe consumptie ter plaatse dranken worden geschonken of etenswaren worden verstrekt, of waterpijpen worden aangeboden.
omgevingsplanactiviteit bestaande uit het geheel of gedeeltelijk afbreken van een bouwwerk.
omgevingsplanactiviteit slopen binnen een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht of een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht.
regeling van 21 november 2019, houdende regels over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving, met inbegrip van de wijzigingen die nadien zijn aangebracht.
omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken, bedoeld in artikel 4.7 van dit omgevingsplan.
onder het maaiveld gelegen gebouw of een gedeelte van een gebouw, zoals een kelder, souterrain of parkeerkelder, voor zover de onderkant van de vloer van de betreffende bouwlaag dieper is gelegen dan 0,5 meter onder het peil, uitgezonderd funderingsconstructies.
woonruimte welke geen eigen toegang heeft of welke niet door een huishouden zelfstandig kan worden bewoond, zonder dat dit huishouden daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte, zoals een keuken en sanitaire voorzieningen.
instellingen met een gezondheidszorgfunctie, bedoeld in artikel 3.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, voor zover die niet vallen onder artikel 2.27 en artikel 2.28 van dit omgevingsplan.
een agrarisch bedrijf gericht op het houden van paarden, waarbij uitsluitend of in hoofdzaak handelingen aan en met paarden worden verricht die primair gericht zijn op het voortbrengen, africhten, trainen en verhandelen van paarden.
in dit omgevingsplan wordt onder peil verstaan:
voor gebouwen, waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan een weg of een tuin grenst: de hoogte van die weg of tuin ter plaatse van de hoofdtoegang van het gebouw;
voor bouwwerken op gronden met bestemming 'verkeer - railverkeer', met uitzondering van viaducten en duikers: de hoogte van de spoorstaaf;
voor bouwwerken op het perron: de hoogte van het perron;
als in het water wordt gebouwd: het plaatselijk aan te houden waterpeil;
in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld;
een detailhandelsvestiging die vooral volumineuze artikelen (goederen) verkoopt, uitsluitend voor zover het betreft detailhandel in auto's, boten, caravans en tenten, op het gebied van woninginrichting, waaronder de verkoop van keukens, badkamers en meubelen, en detailhandel in de vorm van doe-het-zelf bouwmarkten en tuincentra.
markt die gedurende maximaal 26 weken per kalenderjaar wordt gehouden.
het zich beschikbaar stellen om tegen vergoeding seksuele handelingen met een ander te verrichten.
een voor publiek toegankelijke, besloten ruimte waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof het bedrijfsmatig is, gelegenheid wordt gegeven tot prostitutie.
een prostitutiebedrijf, waar het werven van klanten gebeurt door prostituees die zichtbaar zijn vanaf de weg.
een horecazaak gericht op het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse bereide etenswaren en/of al dan niet alcoholische dranken voor directe consumptie in de horecazaak.
voor publiek toegankelijke instelling die het ter plaatse bijeenkomen faciliteert om een godsdienst of levensovertuiging te belijden of uit te oefenen.
elk voor rijdende voertuigen bestemd weggedeelte met uitzondering van de fietspaden en de fiets/bromfietspaden.
door doorgetrokken of onderbroken strepen gemarkeerd gedeelte van de rijbaan van zodanige breedte dat bestuurders van motorvoertuigen op meer dan twee wielen daarvan gebruik kunnen maken.
ruimtelijk besluit of ruimtelijke besluiten, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, die bij wijze van overgangsrecht als tijdelijk deel onderdeel zijn van dit omgevingsplan, totdat deze bij wijzigingsbesluit voor een locatie zijn komen te vervallen.
gewassen, zoals gras, maïs, voederbieten en luzerne, die in de volle grond worden geteeld en waarvan de opbrengst is bestemd als voer voor landbouwhuisdieren.
het gebruik van tuinen, kassen en kwekerijen ten behoeve van educatie.
inrichting zijnde een:
seksautomatenhal: een voor publiek toegankelijke besloten ruimte waar door middel van één of meer automaten voorstellingen van erotisch-pornografische aard worden gegeven;
seksbioscoop: een voor publiek toegankelijke besloten ruimte waar uitsluitend of hoofdzakelijk voorstellingen van erotisch-pornografische aard worden gegeven door middel van audiovisuele apparatuur; of
sekstheater: een voor publiek toegankelijke besloten ruimte waar ook anders dan door middel van audiovisuele apparatuur of automaten voorstellingen van erotisch-pornografische aard worden gegeven.
een voor publiek toegankelijke besloten ruimte waar uitsluitend of hoofdzakelijk zaken van erotisch-pornografische aard aan particulieren worden verkocht of verhuurd.
het structureel aanbieden van een woning voor tijdelijke bewoning aan een huishouden voor een aaneensluitende periode van tenminste een week en maximaal zes maanden. Voor het overige wordt de woning als woonruimte gebruikt.
bouwlaag waarvan de vloer onder het gemiddeld aangrenzende straatpeil is gelegen en waarbij de vloer van de bovengelegen bouwlaag maximaal 1,50 meter boven het gemiddeld aangrenzende straatpeil is gelegen.
speelautomatenhal als bedoeld in de Verordening kansspelautomaten en speelautomatenhallen Amsterdam.
terrein bedoeld voor de uitoefening van sport, zoals sportvelden en/of sportbanen, en de bijbehorende bouwwerken, zoals tribunes, dug-outs, lichtmasten en met verenigingsgebouwen, kantines, kleedkamers en andere naar de aard daarmee te vergelijken accommodaties;
gebouw of gedeelte van een gebouw bedoeld voor de uitoefening van sport; en
bouwwerk of andere faciliteit ten behoeve van de uitoefening van watersport in de openbare buitenruimte.
plaats op of aan de openbare weg of het openbaar water buiten een markt, waarop de ambulante handel wordt uitgeoefend.
woonruimte die door burgemeester en wethouders is erkend als studentenwoning en die wordt verhuurd met een huurovereenkomst waarin is bepaald dat de woonruimte na beëindiging van de huurovereenkomst opnieuw aan een student zal worden verhuurd (campuscontract als bedoeld in artikel 274d, vijfde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek).
een zelfbedieningswinkel waar hoofdzakelijk voedingsmiddelen, waaronder verse groente, brood en vlees (= dagelijkse goederen), persoonlijke verzorging en soms enige niet-dagelijkse (bijvoorbeeld huishoudelijke) artikelen worden verkocht en waarbij het winkelvloeroppervlak meer dan 300 m2 bedraagt.
wijzigingsbesluit van dit omgevingsplan, dat is gepubliceerd met toepassing van de IMRO-standaarden, bedoeld in artikel 11.1 lid 2 van het Besluit elektronische publicaties.
het op structurele basis tegen betaling of anders dan om niet beschikbaar stellen van ruimte binnen een horecazaak ten behoeve van feesten voor grotere groepen, al dan niet besloten of tegen entreegeld.
voorzieningen die toegepast worden om de teelt van groente, fruit, bomen of potplanten te bevorderen en te beschermen, zoals hagelnetten, stellingen en regenkappen en teeltondersteunende kassen.
instelling gericht op het aanbieden van voorstellingen en op- en uitvoeringen van toneel, kleinkunst, circus, muziek, muziektheater, opera, en daarmee vergelijkbare activiteiten.
een gebouw dat als vergroting van een bestaande ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw, waarmee hij in functioneel opzicht verbonden is, en dat door de vorm als een afzonderlijke en duidelijk ondergeschikte aanvulling op dat hoofdgebouw onderscheiden kan worden en in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.
venten, bedoeld in de Verordening staan- en ligplaatsen buiten de markt en venten
voorziening voor veelal oudere maar ook jongere patiënten, die als gevolg van een of meer functiestoornissen (tijdelijk) niet meer zelfstandig kunnen functioneren en voortdurende verpleegkundige zorg behoeven in aansluiting op een medische behandeling.
voorziening voor het bieden van uitgebreide zorg, ondersteuning en een beschutte woonomgeving, voor mensen die door ouderdom of ziekte niet meer zelfstandig kunnen wonen, ook niet met hulp van naasten, mantelzorg of thuiszorg. Hieronder wordt mede begrepen een hospice.
tuin van een lid van een volkstuinpark op een volkstuinpark.
een complex van volkstuinen, nutstuinen, verenigingsgebouwen en gemeenschappelijke bouwwerken voor de leden van de vereniging of gebruikers van het volkstuinpark en gemeenschappelijke gronden.
voorziening die specifiek is bedoeld voor het beoefenen van sport op het water, met bijbehorende bouwwerken zoals steigers, opslag- of botenloods, clubhuis en kantine.
markt die ten hoogste drie dagen per week wordt gehouden.
alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten.
een voorziening die is gericht op het aanbieden van faciliteiten voor ontspanning voor lichaam en geest in de vorm van combinaties van met name sauna, zwembaden, massageruimten, relaxruimten, zonnestudio's, of kapsalons.
het gebruik van woonruimte ten behoeve van bewoning, en het daaraan ondergeschikt zijnde gebruik van de bij de woonruimte behorende gronden en opstallen.
een zelfstandige woonruimte, of een geheel aan onzelfstandige woonruimten die onderdeel uitmaken van hetzelfde adres.
besloten ruimte die, al dan niet tezamen met een of meer andere ruimten, bedoeld of geschikt is voor bewoning door een huishouden.
het op structurele basis bedrijfsmatig beschikbaar stellen van ruimte binnen een horecazaak ten behoeve van feesten voor grotere groepen, al dan niet besloten of tegen entreegeld.
een activiteit in de vorm van een onderneming of instelling die is gericht op dienstverlening op bestuurlijk, financieel, zakelijk, juridisch of administratief gebied, al dan niet met een daaraan ondergeschikt zijnde baliefunctie.
woonruimte die een eigen toegang heeft en welke door een huishouden kan worden bewoond zonder dat dit huishouden daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten de woonruimte.
woning of wooneenheid, bestemd voor verzorgd wonen, die niet via de reguliere woningdistributie beschikbaar komt, maar waarvan de bewoner(s) vanwege hun beperktere zelfredzaamheid vanaf aanvang van bewoning op basis van een ter zake van overheidswege gehanteerd systeem zijn geïndiceerd voor zorg, die beschikbaar is in de directe nabijheid van die woning of wooneenheid en welke zorg door die bewoner(s) ook daadwerkelijk wordt afgenomen.
een horecazaak, niet zijnde fastfoodhoreca, bestaande uit het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse bereide etenswaren en/of al dan niet alcoholische dranken voor directe consumptie in de horecazaak, waarbij muziek ten gehore wordt gebracht met een geluidsniveau hoger dan 75 dB(A), en waarbij (een deel van) de ruimte wordt ingericht als dansvloer.
T
Bijlage II wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
/join/id/regdata/gm0363/2024/5fea7f74c2e04297b605d0dce41e8b63/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2025/eb8df99e55ec4491aa8cc05e0aed6ab0/nld@2025‑04‑07;12420999
/join/id/regdata/gm0363/2025/fea0475ecb494f24876d60c4ae5f2a76/nld@2025‑04‑07;12420999
/join/id/regdata/gm0363/2024/5108c049ffd74d6587bbf88d4cbd0e8f/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/d1908c0408d74d90b09e553be591298a/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/df07330dfb764bec88cf33882fa0bab6/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2025/3563c3b337f846c1ad6dc17a0ffd6c46/nld@2025‑08‑20;12075403
/join/id/regdata/gm0363/2025/a959592b38274bf7862bc16f44fa120f/nld@2025‑04‑07;12420999
/join/id/regdata/gm0363/2025/ae973dc677c0470f9618c4d97be88e88/nld@2025‑04‑07;12420999
/join/id/regdata/gm0363/2025/ae973dc677c0470f9618c4d97be88e88/nld@2025‑08‑20;12075403
/join/id/regdata/gm0363/2025/8df3cedbbedc4ba0b775af4cb8d0114b/nld@2025‑06‑05;13104281
/join/id/regdata/gm0363/2025/8df3cedbbedc4ba0b775af4cb8d0114b/nld@2025‑08‑20;12075403
/join/id/regdata/gm0363/2024/5317f3eb83224e22a1406b980eb206a1/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/6f92811ae00144db903cf4efc6f7fb06/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2025/a98944eee6de4ac19c60a691033ba09e/nld@2025‑06‑11;12401052
/join/id/regdata/gm0363/2024/985bc422683b4804b4a8a14f46f32140/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/a4573c5d8d2f405bafa85b8c9aede7b0/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/4dbcadcf692042eb82380dde83aca903/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/99a0c15b66da456aa483fb9ad09befd9/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/aabbffee1a86480e831e62cc3eefdf0f/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2025/b0890401c1a240e7bbe59be6bb63327e/nld@2025‑04‑07;12420999
/join/id/regdata/gm0363/2024/fd62ec8149774013b33c2530127b7f4f/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/99e3c20d43ac48fcb95e74966981e0bf/nld@2025‑02‑06;12524108
/join/id/regdata/gm0363/2024/bad3145415414ba1a9bdad9a6ecc5d9e/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/f1180bfa9ddd443e83263f537f1a0f84/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/0461bf430af44db8bdd79798a191fd50/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/4f5821e968ec403b95d4382934acdf56/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/24e285d708454795a562dac3ebc6b494/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/519f23fa3df7444e97c171399d775dcf/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2025/8da6914ca983417298f3687103e0a5b8/nld@2025‑06‑11;12401052
/join/id/regdata/gm0363/2024/7bd6678e277f44edb689bd1038a76df9/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/6cd921036f794bc3904accb40cd3871d/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2025/e9e1c7b8510d406484b861e100cee2e0/nld@2025‑04‑07;12420999
/join/id/regdata/gm0363/2025/687db5fddc3646bab29ac37ac341fa1a/nld@2025‑04‑07;12420999
/join/id/regdata/gm0363/2025/d65fd4d058e240bd98b92a7cd45af3bd/nld@2025‑04‑07;12420999
/join/id/regdata/gm0363/2025/3034a32a6b8b4316a70d6959821240da/nld@2025‑04‑07;12420999
/join/id/regdata/gm0363/2025/ab1c32053b954e069b92bebabc586eed/nld@2025‑08‑20;12075403
/join/id/regdata/gm0363/2025/119360d6f8034d50a3938eea1362b2e3/nld@2025‑04‑07;12420999
/join/id/regdata/gm0363/2025/8472bf6738414b8faa8fde6b2c64ee82/nld@2025‑04‑07;12420999
/join/id/regdata/gm0363/2025/0ab682ac0e5343179123592f94d99e9c/nld@2025‑04‑07;12420999
/join/id/regdata/gm0363/2025/c60f7cb030a34ea2b8f360f2b8b30a55/nld@2025‑04‑07;12420999
/join/id/regdata/gm0363/2025/fe6acb27c4424e8cb08b631ca7f76864/nld@2025‑04‑07;12420999
/join/id/regdata/gm0363/2025/c930d93746e54597acda4bbd7330145c/nld@2025‑04‑07;12420999
/join/id/regdata/gm0363/2025/7211c6b96d434d6383721a3352fcfa73/nld@2025‑04‑07;12420999
/join/id/regdata/gm0363/2025/c8cbec53306147558dbb832c50429335/nld@2025‑04‑07;12420999
/join/id/regdata/gm0363/2025/a74e602d201d4fed9d01a95fe5f08157/nld@2025‑04‑07;12420999
/join/id/regdata/gm0363/2025/e2cb0b62c27b4df485ec836d1e8999ae/nld@2025‑04‑07;12420999
/join/id/regdata/gm0363/2025/e2cb0b62c27b4df485ec836d1e8999ae/nld@2025‑08‑20;12075403
/join/id/regdata/gm0363/2025/fcd011f4b5d246afbd4f99d61e221180/nld@2025‑04‑07;12420999
/join/id/regdata/gm0363/2025/441e7667ebb34c63a26ac39bfda0550f/nld@2025‑04‑07;12420999
/join/id/regdata/gm0363/2024/a8f1b7d6c3384263b34dfe54e20ee27d/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/74c2db1a5f6c4b7fb30f6afacb04da3d/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/35fb0537184049b6aa74d1f6a166c7d2/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/9408e050e6924b8f91e725e5b5d1c56f/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/55647253b2b849b0957d679efbbf7d82/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/37d7cf1ffa374b9b91510ce45a394888/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/0cbbebf84dce47a1bd7d741db42fe504/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/8f1f077ba3e84d7a93b280fe119578b0/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/5b4b57f1ee624ddf81c94f357adcd037/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2025/74ba3f0b9b3a410f93e7cadf6c337c13/nld@2025‑08‑20;12075403
/join/id/regdata/gm0363/2024/69281c26d9444c4fb66dea61c412101e/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/7882dd20b27b4ce7a94441d54379f430/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/db120551af2c46d5ac7e591bc67299a0/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/67a10c207e194dc6a9fbbe352a0dbb23/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2025/7a854a22a3834525a9719f2c72a02747/nld@2025‑08‑20;12075403
/join/id/regdata/gm0363/2024/4b120d7052334e69b5380f8d7cf11243/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/6d8bc03ec05842eba2a5a7c0b6ff6148/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2025/a7b362d01fb843c59eb0aa65f77d52b3/nld@2025‑08‑20;12075403
/join/id/regdata/gm0363/2024/97865e0f318e4b98a4110b5365e8e695/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/79032264debd4a3087bace914e1c9835/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/28e00c1666504daeb7e5fb21c4c8d84d/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/f8df353de1794ad2a79b4ea7f1e5ea54/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/9a36a44292fd4c5bbf2a80b70f1cbdbe/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/2db6ef505e694a75ab904bb0e9745080/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/52e8a21190e54e0ebe7ea6648610bc14/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/2822da2c52f140afad6ad3c57682aea0/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/35dbde0065824d7185e2cb24e7cf8c3f/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/5cfea604101a42d28ddd9e8564aa9737/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2025/b34d22cceb1346a8b0f519c18c8009ca/nld@2025‑08‑20;12075403
/join/id/regdata/gm0363/2024/7869253fe8ba4717b186a864abbd4176/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2025/f46506559b614eaab0e9bb92b7dca0b1/nld@2025‑08‑20;12075403
/join/id/regdata/gm0363/2024/e13002ea79b842e5b1d75bfd379fd91f/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/b890110cb2a9443a952914d16c66a065/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/9bc2aa4e9ed2473391a7911326b59afd/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/e472372918664f0283d124dbd07fd597/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2025/77a8b12ba85b4902b262ff373aa441c5/nld@2025‑08‑20;12075403
/join/id/regdata/gm0363/2024/87ddca9690b042e488bc13313ef23644/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2025/7308de5f964044a488d6a44f1cc6da2d/nld@2025‑08‑20;12075403
/join/id/regdata/gm0363/2024/a7fcde6c7ba946c4afb76859148c06bf/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/ca0a2897bbd446259e8f6f6895f31d65/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/91f437d1fc484b6c8b9d0f31316c375e/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2025/cdb8ce245f8c4cb4b85308471c500dcf/nld@2025‑08‑20;12075403
/join/id/regdata/gm0363/2024/1bbfc7594d08428f9c1937379e53f9d5/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/da90b5262a504fdbab2641942de55322/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/77affb56444a4126a8c1633039bcb3cf/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/774133cd121848fd92b4facecd5d7dfb/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/8f5785e41f934b88bcc80d9e46b3d87b/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/9ccf70e492004693ade99b1da2c44458/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/bd9e3dc2b7b445d38b76232c332bc147/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/a0336b6745d64f4f8e7f8a9db5818075/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2025/4c2bdd4494ba4a0fa3a21633be775884/nld@2025‑08‑20;12075403
/join/id/regdata/gm0363/2024/6bb4a6093c664589ad5e50e086acb146/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/3fb253c7fffd48dcb23383a381bb95d0/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/3c904166ec944b9e8d4c8fe3c4cd94c8/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/622239f5fd674b06951579b2d2ef3099/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/70f87ae18ab74aae99d3fcbcf340501d/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/9a9e3f5e4d3948d7a99ec157bd2db863/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/faeb4929514d46dc88ea2a7ff898bc28/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/a7e980776f1d4513b9add497ed862df5/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/fcd1adbe22394d0ca7bdc096b4544be4/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/1fa142e7c67f4059a0012e6b35f2d074/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2025/beca3c9e8c104277973250d3a90c0396/nld@2025‑08‑20;12075403
/join/id/regdata/gm0363/2025/cdc0cba6463d4f94aa882dbfcbad4003/nld@2025‑08‑20;12075403
/join/id/regdata/gm0363/2024/8f62c1ff058a4b1bad2c4c32d53698c3/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/047f49c3631e4026b0b4dc258314fe96/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/3ee4777d7c7944cf90784a31e1965b79/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/867a53ee2f0f456fabbf5268dae1fea2/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/e36ac73c81124cf796142c9772923e21/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/c8e79339254044ccbcfad3beba997cb0/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/1ed487e3976f454397f4532a9d437ce4/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/6e8f0309694a46db9501542641f05146/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/708484c1afe64c239ff04f9999477851/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/9637481718e94f6c89449417c1c4b0da/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/b6a1372efcf54973ad5f6ad15db8445a/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2025/16de19428852490ebb8fbc5196b7c868/nld@2025‑06‑05;13104281
/join/id/regdata/gm0363/2025/a1b58d18f14a4e41ad82cee37471978c/nld@2025‑04‑07;12420999
/join/id/regdata/gm0363/2025/7b33741cd740401085235892cc5a2942/nld@2025‑04‑07;12420999
/join/id/regdata/gm0363/2025/018f181c4547456a889f67510ac088f3/nld@2025‑04‑07;12420999
/join/id/regdata/gm0363/2025/40a9695e6d7f4d2c9a2cf30725c3eaa7/nld@2025‑04‑07;12420999
/join/id/regdata/gm0363/2025/cb7b20b59b0c46a5b4d3981ed351311e/nld@2025‑04‑07;12420999
/join/id/regdata/gm0363/2025/4f88a6cdc1a14b96ad2b4a69826e8dd3/nld@2025‑04‑07;12420999
/join/id/regdata/gm0363/2025/5cbc808621f443f6be5aa5b4a85a34a1/nld@2025‑08‑20;12075403
/join/id/regdata/gm0363/2025/8fab5c06322b49038af52264595762cb/nld@2025‑04‑07;12420999
/join/id/regdata/gm0363/2025/288aaf663b7d4fc584d8f9b4aa8bd37e/nld@2025‑04‑07;12420999
/join/id/regdata/gm0363/2025/24df4e6058ea41efbc929b4e29fe2b49/nld@2025‑04‑07;12420999
/join/id/regdata/gm0363/2025/6311666523504a8483c611963ee55a59/nld@2025‑04‑07;12420999
/join/id/regdata/gm0363/2025/6f7dcd7e82a847cd9c2f1da3f779a7cf/nld@2025‑04‑07;12420999
/join/id/regdata/gm0363/2025/fdd7cecad1474e1c82a05ac634bcc74b/nld@2025‑04‑07;12420999
/join/id/regdata/gm0363/2025/a335fd8877bb48d4ae01c3cfae98d6bd/nld@2025‑04‑07;12420999
/join/id/regdata/gm0363/2025/8a3183c16bc745a5a6b2eec57816a2b3/nld@2025‑04‑07;12420999
/join/id/regdata/gm0363/2025/3a989b7edf0a4424a2416649fa826927/nld@2025‑04‑07;12420999
/join/id/regdata/gm0363/2025/c748cc6a4ed347eca61890bcfbda8d43/nld@2025‑04‑07;12420999
/join/id/regdata/gm0363/2025/620e9afa1a6646d5a8d2b853f1e08b97/nld@2025‑04‑07;12420999
/join/id/regdata/gm0363/2025/d3ce92b0131d48ffb0e8519225061648/nld@2025‑06‑05;13104281
/join/id/regdata/gm0363/2025/74070727311043699d8c7aa2a34cd0b4/nld@2025‑04‑07;12420999
/join/id/regdata/gm0363/2025/86f6af05793a4f658118bb892f7a691e/nld@2025‑04‑07;12420999
/join/id/regdata/gm0363/2025/7d47d49a0f12433dacc6fe42dcb6f0a7/nld@2025‑04‑07;12420999
/join/id/regdata/gm0363/2025/7d47d49a0f12433dacc6fe42dcb6f0a7/nld@2025‑08‑20;12075403
/join/id/regdata/gm0363/2025/f8543019a3874e93a65424f1d6f1ec9f/nld@2025‑04‑07;12420999
/join/id/regdata/gm0363/2025/5494bddd21bb48b8ad1d91935c8d8bd5/nld@2025‑04‑07;12420999
/join/id/regdata/gm0363/2025/37c3bbe88ee040ff92442140181b799b/nld@2025‑04‑07;12420999
/join/id/regdata/gm0363/2025/542c8e9150a549a1aa0caae9ea7a513c/nld@2025‑04‑07;12420999
/join/id/regdata/gm0363/2025/09b12a71aab44aefad974581c95a8e31/nld@2025‑04‑07;12420999
/join/id/regdata/gm0363/2025/a88e04e1d6aa42ef81028df1cf784bc2/nld@2025‑04‑07;12420999
/join/id/regdata/gm0363/2025/e9b3cec7e52248398d669ee213d342d3/nld@2025‑04‑07;12420999
/join/id/regdata/gm0363/2025/a303b33b4a1d48dea50dc6464c7dd33e/nld@2025‑04‑07;12420999
/join/id/regdata/gm0363/2025/e124a521b8a646b5beb9205d990a3a55/nld@2025‑08‑20;12075403
/join/id/regdata/gm0363/2025/139dc29fa78545e991c0ac3b2e4a475d/nld@2025‑04‑07;12420999
/join/id/regdata/gm0363/2025/09fb702478214caf9a27e18f24f74f56/nld@2025‑04‑07;12420999
/join/id/regdata/gm0363/2025/063835261f8a4d6388a9aa1625425835/nld@2025‑08‑20;12075403
/join/id/regdata/gm0363/2025/6cb3394b7e094d43b3fa7f04c941c1b6/nld@2025‑04‑07;12420999
/join/id/regdata/gm0363/2025/e2c87a3bc10b4ddf867d0a842ce13c84/nld@2025‑08‑20;12075403
/join/id/regdata/gm0363/2025/5b4337ce018444ac94052538a79da0c7/nld@2025‑04‑07;12420999
/join/id/regdata/gm0363/2025/47443883deb2411881ee7e6240ac73d1/nld@2025‑04‑07;12420999
/join/id/regdata/gm0363/2025/f61d2793a9a1451fb2817f6b9ef688f5/nld@2025‑04‑07;12420999
/join/id/regdata/gm0363/2025/474db66bb48c4d129f5d1bc122bdd52e/nld@2025‑04‑07;12420999
/join/id/regdata/gm0363/2025/4d04e811651348f887cca5a7e1a5cba2/nld@2025‑04‑07;12420999
/join/id/regdata/gm0363/2025/982708dd488c4251833fc2b38e5e5753/nld@2025‑04‑07;12420999
/join/id/regdata/gm0363/2025/b9b3425462a7487ab05e4c4c460f9f32/nld@2025‑04‑07;12420999
/join/id/regdata/gm0363/2025/04b0408bacdc4e7ab5d6b58a3310c255/nld@2025‑06‑05;13104281
/join/id/regdata/gm0363/2025/020db429a11b4ca196a1608388c4fdc6/nld@2025‑04‑07;12420999
/join/id/regdata/gm0363/2025/020db429a11b4ca196a1608388c4fdc6/nld@2025‑08‑20;12075403
/join/id/regdata/gm0363/2025/5f2323aa898e4933ab3bbb08e73d20c5/nld@2025‑04‑07;12420999
/join/id/regdata/gm0363/2025/8ddd52e0f678405286c0f3defd4474ec/nld@2025‑04‑07;12420999
/join/id/regdata/gm0363/2025/c899ebae7f504ef3bb0696dc35696f61/nld@2025‑04‑07;12420999
/join/id/regdata/gm0363/2025/a59f21973a0143fead23ae84b8fcfc38/nld@2025‑04‑07;12420999
/join/id/regdata/gm0363/2025/5506b5c826a54498a94fa832478e18b4/nld@2025‑04‑07;12420999
/join/id/regdata/gm0363/2025/7feea144b8e449b396c43c5496fdefaa/nld@2025‑04‑07;12420999
/join/id/regdata/gm0363/2024/f604b17c2699401fa7eac8289b9e87c8/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/7b043a7086ad49de8c43ecaa5ceabe53/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2025/2eb53f7243a44c2ba3d854f2fbfd752d/nld@2025‑04‑07;12420999
/join/id/regdata/gm0363/2025/cb3cdf90f8c54855abe3915e8aa71c70/nld@2025‑04‑07;12420999
/join/id/regdata/gm0363/2025/effc7a91a21a41eca80099025926aa26/nld@2025‑04‑07;12420999
/join/id/regdata/gm0363/2025/2d3e243b707b42ac84c8751b7f19edda/nld@2025‑04‑07;12420999
/join/id/regdata/gm0363/2025/8def934c95a64f20a82e0156068f96e6/nld@2025‑04‑07;12420999
/join/id/regdata/gm0363/2025/760b65addb4445fe87ed8042d28e60fb/nld@2025‑04‑07;12420999
/join/id/regdata/gm0363/2025/79ee20f96389418e854fd728bb513d94/nld@2025‑04‑07;12420999
/join/id/regdata/gm0363/2025/18d8dfcd0a154515a5f8c9651ee509fa/nld@2025‑04‑07;12420999
/join/id/regdata/gm0363/2025/cb4c5231a4c34ef89f9837d2946ed1cf/nld@2025‑04‑07;12420999
/join/id/regdata/gm0363/2025/fe9b1d732cbc42df80fcf4a99ab20e1d/nld@2025‑04‑07;12420999
/join/id/regdata/gm0363/2025/e01f0be46c2c45b883245f3f94b46376/nld@2025‑04‑07;12420999
/join/id/regdata/gm0363/2024/88ce1bb8352e43ad8d198e87ba0b6a4e/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/c00747192f604350b0510d3cadec1786/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/b9e014586e654d7f8bea75954c1f46a3/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/3622c719a30b41cebd4867c27c9af865/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/578f5a40f019495ebd05aab38054bc2e/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/bb7dc71b98d44253983a0c4d35947c1f/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/457575204bf04534834fa5a68981b030/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/80a080db65124fb7aec7bad70db67be6/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/544d019ba061485391f1fa5332218e47/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/9a590a5228c144dcadec2e218bd34b00/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/19faaa7e49124c21a1fe9e62e416770c/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2025/c0b73950f1ba4d8bb95506c84c53d1dc/nld@2025‑06‑11;12401052
/join/id/regdata/gm0363/2024/7aeabeb1967145f4b6a9bbce828ba0d3/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/af54831bdf8f46a8bf04dc966e5bc652/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/53102a7a78104c40b50794135b9bb664/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/c3983764c9c24856b6112b24d301b6d5/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/764ca63afc0e484bab58fb14d296f319/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/cf5dfbd2e61b4d51b546d8865d54f9c8/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/a8cd50c7a51b4f6e982b110ebc17a539/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/b9c2a4aae40645c98c1b30d379dfa9c7/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/323a0f5e63a94c1fa1cf61a6e361cd1c/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/f4d79b26430f49dbb0c1bc640b62e6e1/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/918301c481e44f3bac789bcfce857668/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/1f3183e822fb496b89a82c9b7c2a796e/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/22cb42048910493bb9f98e60e5202f05/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/390e86f6e2cc4c6d965bb7338503b58b/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/64467e79b00f4fc69b492a464575ff9d/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/2722953cf8694fc3879c61a96edabb9d/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/3a753034d4f44c84b3c29167515d5b56/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/4eaef29b32d040fd86796769708f2060/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/dd5e76f613644f8d875aacddd7acea0c/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/14452d9dad2e46f49942fbec0cb5652b/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/46b13a6470aa4e178431220b193c5bdf/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/b98b443889514292aa60e2daaf454e30/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/f64b64c459c5424ebaa5c65bf002e371/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/33fe177d5ef94e058a3b869c54c373d6/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/784f848e1a0c4b07a7feeae300945da8/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/bd86d41bd48b468897c69fc085521b64/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/860d9a4161924f69a1431a55a670a934/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/5a2bf94296e744b4a87e4ea7c5457184/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/e309c810ed0e4d50b52fcd9ea8c583c9/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/ade8295a055946a0aa4a3d69ccfdf6e5/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/41ae2e0e271c4d8281a002598514754e/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/620dc0efea534ca4b1a101dcd8c771e6/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/368d4379830f43a8a86ded83fcfb545c/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/89fb04b1b6824b7b97118dcd109706b7/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/6edeb6ee709a4aac9988ea51f849279d/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/150dcfc596c44283932c23ce0c174474/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/3cf91f0e7be34d119246731bb3181a18/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/b0bfe3415c9b4a7fb7b4337928d212f2/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/111f8f0f1c074896ba8cc49464aac525/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/8feabfb850e843ae810e9dd43e80f5b8/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/e732338e5f7a44e1befc8019909a5b82/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/cd86aa0be8414a8895d5ca831d845575/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/5d2513a1524c4d4e82f566aead54e5e7/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/339bd4047eea4532ab6077fa6f968382/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/b857c651efcc4da6b7b480c368ad21f3/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/b8b77e3957154c0f86a7027860a33a25/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/1d08d8c2969c4b95b4565b0251d57c4c/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/627876bdc82946cdaec22e8623934b1e/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/e18d5aa07c5e4b79833240521c731751/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/7f5e5fea1be947618b4db77996ea0f53/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/ded22bfe093943b28f5df79bcf998044/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/e911344e54d1409699d9463dd6546457/nld@2025‑02‑06;12524108
/join/id/regdata/gm0363/2025/f29721bc4f3e4e448635f46ec5c39fff/nld@2025‑08‑20;12075403
/join/id/regdata/gm0363/2024/83bcb5d91dbe4af7a5bd5ed5ce4df723/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/e26123bf32b047cab10350ad1f0df622/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/47ae2f6ed5bf4234aab0f2d530e96d85/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/7648125de737466d939bb7db3df4cc4c/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/468d2ab053b54f2390fe81942195add2/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/a09bdda99a0e456cb192c1b7f75ea292/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/4b063da5b41f4ebe9fb36a6054bd4b8d/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2025/0a2180d8896d401e9a85fb9e5c2e0067/nld@2025‑08‑20;12075403
/join/id/regdata/gm0363/2024/f3a9dd2ae2e64dc5bc4dabc1686ac067/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2025/fd46f6576f784af8910a49fac8a13506/nld@2025‑04‑07;12420999
/join/id/regdata/gm0363/2024/70c8d916e0c84c65878470cebc66c9d2/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/4dbdd9316e0141f88e59d1c9a6c45981/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/8afebd6676bb426080110b4c335c72c4/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/435fab2ebccf4e46a46e24cba90459bc/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/aec256ab8616447aaeb70b8e331ddabb/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/34a605e93bd14ee3bc5fb6f00f070896/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/3ae2f90379dd4e20b8c1a2ceba71edca/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/840839c5e31540b0875533dc60362d72/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/298881acc2e94d319246aa697cd8298e/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/4c70d1af1a8745bca7dae3f2d5becfa1/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/97473188793b4681b22b7a5ce522733b/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/94e4656a04ea436a9ac76c4eae95be89/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/270127bbec214155898fb9816e8aba7e/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/1e820b3b041f4bbb847946c0bccd131e/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/2e0c95a3f93742f2a89228136788021b/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/1d1307cc877c47d2a769d28a8c7794d8/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/74f0152fdb75470f988c022c66c95e8d/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/99867d9738bc49519f4e70e23c86462f/nld@2024‑09‑25;12591980
/join/id/regdata/gm0363/2024/9ecc40b6c6cb4621b8c6185bf0f7c07f/nld@2024‑09‑25;12591980
U
Na bijlage VIII worden twee bijlagen ingevoegd, luidende:
|
Oude Kerk |
Oudekerksplein 23 |
|
Ons’ Lieve Heer Op Solder |
Oudezijds Voorburgwal 38 |
|
Bethaniënklooster |
Barndesteeg 6B |
|
Compagnietheater |
Kloveniersburgwal 50 |
|
Bitterzoet |
Spuistraat 2 |
|
Kanaal40 |
Warmoesstraat 66 |
|
Westerkerk |
Prinsengracht 279 |
|
Rode Hoed |
Keizersgracht 102 |
|
Felix Meritus |
Keizersgracht 324 |
|
Huis Marseille |
Keizersgracht 401 |
|
Grachtenmuseum |
Herengracht 386 |
|
Cromhouthuis |
Herengracht 366-368 |
|
De Melkweg |
Lijnbaansgracht 234a |
|
Sugar Factory/Lovelee |
Lijnbaansgracht 283 |
|
De Balie |
Kleine-Gartmanplantsoen 10 |
|
Paradiso |
Weteringschans 6 |
|
Museum Willet-Holthuysen |
Herengracht 605 |
|
Geelvinck Hunlopenhuis |
Herengracht 518 |
|
Amstelkerk |
Amstelveld 10 |
|
De Duif |
Prinsengracht 756 |
|
Museum van Loon |
Keizersgracht 672 |
|
Posthoornkerk |
Haarlemmerstraat 124-126 |
|
De Burcht Vakbondsmuseum |
Henri Polaklaan 9 |
|
Huis Bartoloti |
Herengracht 170-172 |
|
Uilenburgersjoel |
Nieuwe Uilenburgerstraat 91 |
|
Zuiderkerk |
Zuiderkerkhof 72 |
|
’t Kromhout |
Kruithuisstraat 25 |
|
Stadsdeel |
Naam onderneming |
Adres |
|
Centrum |
Bar Blend |
Reguliersdwarsstraat 41 |
|
Centrum |
Taboo |
Reguliersdwarsstraat 45H |
|
Centrum |
Heck's Amsterdam |
Rembrandtplein 15 |
|
Centrum |
Cannibale Royale |
Handboogstraat 17 B |
|
Centrum |
De Biecht |
Kerkstraat 346 H |
|
Centrum |
De Buurvrouw |
Sint Pieterspoortsteeg 29 |
|
Centrum |
P 96 |
Prinsengracht 96 H |
|
Centrum |
L & B (Café) |
Korte Leidsedwarsstraat 82 H |
|
Centrum |
Los Pilones |
Geldersekade 111 H |
|
Centrum |
Maloe Melo Home O/T Blues |
Lijnbaansgracht 163 H |
|
Centrum |
Bolle Jan |
Korte Reguliersdwarsstraat 3H |
|
Centrum |
Hotel Winston |
Warmoesstraat 129 |
|
Centrum |
Café aan de Amstel |
Amstel 54H |
|
Centrum |
Kamer 401 |
Marnixstraat 401H |
|
Centrum |
Heineken Hoek |
Kleine Gartmanplantsoen 1 |
|
Centrum |
Café Pikketanussie |
Korte Reguliersdwarsstraat 6 |
|
Centrum |
Uncle Woo BV (Jimmy Woo) |
Korte Leidsedwarsstraat 18 |
|
Centrum |
Restaurant Smelt |
Runstraat 12 H |
|
Centrum |
Bacán |
Reguliersdwarsstraat 105 |
|
Centrum |
Bar Twenty Two |
Leidseplein 22 H |
|
Centrum |
Café Pollux B.V. |
Prins Hendrikkade 121 H |
|
Centrum |
Ganbei |
Korte Leidsedwarsstraat 45 H |
|
Centrum |
Het Feest van Ome Jan! |
Zieseniskade 25 H |
|
Centrum |
Los Bij Jos |
Korte Reguliersdwarsstraat 12 H |
|
Centrum |
Satellite Sports Cafe |
Leidseplein 11 |
|
Centrum |
Next Door |
Korte Leidsedwarsstraat 24A |
|
Centrum |
Nol |
Westerstraat 109 H |
|
Centrum |
Prime |
Rembrandtplein 22 H |
|
Centrum |
Terpen Tyn Bar |
Rokin 103 A |
|
Centrum |
Thai Mekhong River Bar |
Oudezijds Voorburgwal 32 |
|
Centrum |
The Pint |
Oudezijds Achterburgwal 116 C |
|
Centrum |
Three Sisters Pub |
Rembrandtplein 19 |
|
Centrum |
Café Cha Cha |
Rokin 103 A |
|
Centrum |
Hans Brinker B.V. |
Kerkstraat 136 |
|
Centrum |
Café Zwart |
Dam 15 |
|
Centrum |
Tropico V.O.F. |
Nieuwezijds Voorburgwal 171-O |
|
Centrum |
Brasil Music Bar B.V. La Vie |
Warmoesstraat 113 A |
|
Centrum |
Woody's B.V. |
Thorbeckeplein 20 H |
|
Centrum |
SOHO Amsterdam B.V. |
Reguliersdwarsstraat 36 |
|
Centrum |
Door 74 |
Reguliersdwarsstraat 74 H |
|
Centrum |
Rembrandt Waterloo |
Warmoesstraat 95 |
|
Centrum |
The Jitterbug Saloon |
Bloemgracht 170 H |
|
Centrum |
Café de Buurvrouw |
Sint Pieterspoortsteeg 29 |
|
Centrum |
café Havelaar |
Voetboogstraat 24 H |
|
Centrum |
The Poolbar |
Voetboogstraat 3 B |
|
Centrum |
Montmartre |
Reguliersdwarsstraat 129 H |
|
Centrum |
Nieuwezijds Lounge |
Nieuwezijds Voorburgwal 169 A |
|
Centrum |
Yip Fellows |
Dam 11 |
|
Centrum |
Majestic |
Dam 3 |
|
Centrum |
Euro Pub |
Dam 7 |
|
Centrum |
Meat & Drink |
Damstraat 36 |
|
Centrum |
Café Entre Nous / Bar Lunar |
Halvemaansteeg 14 H |
|
Centrum |
De Gieter |
Korte Leidsedwarsstraat 179 H |
|
Centrum |
The Waterhole |
Korte Leidsedwarsstraat 49 |
|
Centrum |
Hartje Amsterdam |
Korte Leidsedwarsstraat 64 H |
|
Centrum |
De Spuyt |
Korte Leidsedwarsstraat 86 H |
|
Centrum |
N Joy |
Korte Leidsedwarsstraat 93 H |
|
Centrum |
Hotshots |
Lange Leidsedwarsstraat 64 |
|
Centrum |
Pianobar Amsterdam B.V. |
Leidsekruisstraat 33 |
|
Centrum |
VOF Surprise Bar |
Leidsekruisstraat 41 H |
|
Centrum |
The Bulldog Palace |
Leidseplein 15 A |
|
Centrum |
Café Kooper |
Leidseplein 16 A |
|
Centrum |
Café Mokum |
Leidseplein 18 H |
|
Centrum |
Le Pub Leidseplein B.V. |
Leidseplein 2 |
|
Centrum |
Café 2022 |
Leidseplein 22 H |
|
Centrum |
Hoopman |
Leidseplein 4 H |
|
Centrum |
Café Reijnders |
Leidseplein 6 |
|
Centrum |
Hole In The Wall |
Leidseplein 8 H |
|
Centrum |
Hula Hula |
Lijnbaansgracht 161 A |
|
Centrum |
Biblos |
Lijnbaansgracht 243 H |
|
Centrum |
La Bastille |
Lijnbaansgracht 245 H |
|
Centrum |
Weber |
Marnixstraat 397 H |
|
Centrum |
Cafe Van Beeren 2 |
Martelaarsgracht 13 H |
|
Centrum |
Cafe Next Door |
Nieuwezijds Voorburgwal 121 (LINKS) |
|
Centrum |
Thai Street Bar |
Oudezijds Voorburgwal 32 |
|
Centrum |
Art'otel Amsterdam |
Prins Hendrikkade 33 |
|
Centrum |
Rock Club The Cave |
Prinsengracht 472-O |
|
Centrum |
J.D. William's Whisky Bar |
Prinsenstraat 5 H |
|
Centrum |
Café De Duivel |
Reguliersdwarsstraat 87 |
|
Centrum |
Mediacentrum de Kroon B.V. (Zn) |
Rembrandtplein 17-I |
|
Centrum |
Café Tante Roosje |
Rembrandtplein 5 |
|
Centrum |
St. James Gate |
Rembrandtplein 8 |
|
Centrum |
Bar Italia |
Rokin 83 |
|
Centrum |
Pesca Amsterdam Rozengracht |
Rozengracht 133 B |
|
Centrum |
De Heeren van Aemstel |
Thorbeckeplein 5 A |
|
Centrum |
Hunters Bar |
Utrechtsestraat 16 H |
|
Centrum |
Dragshow Bar Lellebel |
Utrechtsestraat 4 H |
|
Centrum |
Boutique Bars B.V. |
Vinkenstraat 57 H |
|
Centrum |
Law and Order |
Voetboogstraat 4 H |
|
Centrum |
Dirty Dick's |
Warmoesstraat 86 |
|
Centrum |
Casablanca |
Zeedijk 26 E |
|
Centrum |
Zilt |
Zeedijk 49 H |
|
Centrum |
Café Bloemenbeppie |
Korte Reguliersdwarsstraat 10 H |
|
Centrum |
Kitchen & Bar Van Rijn B.V. |
Rembrandtplein 17 |
|
Centrum |
jazz café Alto |
Korte Leidsedwarsstraat 115 |
|
Centrum |
Coco's Outback |
Thorbeckeplein 8 H |
|
Centrum |
The Bottle B.V. |
Oudebrugsteeg 25 H |
|
Centrum |
Café Langereis aan de Amstel |
Amstel 202 H |
|
Centrum |
Le Petit Difficile B.V. / Club Maia |
Korte Leidsedwarsstraat 14 |
|
Centrum |
Dan Murphy's |
Leidseplein 24-O |
|
Centrum |
Rain Amsterdam B.V. |
Rembrandtplein 44 |
|
Centrum |
V.O.F. Café The Minds |
Spuistraat 245 H |
|
Centrum |
Cafe de Waard |
Leidseplein 14 |
|
Nieuw-West |
Kristal Party Events/Kristal BV |
Jan Rebelstraat 21 |
|
Nieuw-West |
Het Rijk van de Keizer |
Joris van den Berghweg 107 |
|
Noord |
Oedipus Brewing |
Schaafstraat 21 |
|
Noord |
Undercurrent Events B.V. |
tt. Vasumweg 171 |
|
Noord |
Vereniging de Verademing |
G.J. Scheurleerweg 212 |
|
Noord |
Oedipus Brewing |
Schaafstraat 21 |
|
Noord |
Restaurant Semai |
Papaverhoek 35 |
|
Noord |
Sauna Noord |
Schaafstraat 26 A |
|
Noord |
Noorderlicht |
NDSM-plein 102 |
|
Oost |
DroversDog Wibautstraat B.V. |
Wibautstraat 206 |
|
Oost |
Bar Baggerbeest |
Rudi van Dantzigstraat 1 |
|
Oost |
Vergulden Eenhoorn |
Ringdijk 58 |
|
Oost |
Hotel Arena |
's Gravesandestraat 55 |
|
Oost |
Canvas Op de 7e |
Wibautstraat 150 |
|
Oost |
Ventuno |
Amstelvlietstraat 4 |
|
West |
Cafe Bar Melao |
Tweede Nassaustraat 20 |
|
West |
Parallel Amsterdam |
Overtoom 495 H |
|
West |
Meo's Colosseum |
Lootsstraat 5 H |
|
West |
Café Ulfet 2 |
Admiraal de Ruijterweg 83 H |
|
West |
Café Same Place |
Nassaukade 120 H |
|
West |
Café de Kashmir Lounge |
Jan Pieter Heijestraat 85 |
|
West |
Grillroom Shoarma "ROZ" |
Jan Pieter Heijestraat 119 H |
|
West |
Thuishaven Events B.V. |
Contactweg 68 |
|
West |
Westerdok |
Westerdoksdijk 715 A |
|
West |
Vereniging Zaal 100 |
De Wittenstraat 100 A |
|
West |
Pacific |
Polonceau-kade 23 |
|
West |
Ata Can |
Tweede Nassaustraat 22 |
|
West |
Pong: House of Ping |
Jan van Galenstraat 315 |
|
Zuid |
De Nada |
Uiterwaardenstraat 99 |
|
Zuid |
Café Koffiehuis Mazzeltof |
Ferdinand Bolstraat 40 H |
|
Zuid |
Café Dizingof 18 |
Heemstedestraat 18 H |
|
Zuid |
Calle Ocho BV |
Albert Cuypstraat 226 H |
|
Zuid |
Bar Hachi |
Albert Cuypstraat 18 H |
|
Zuid |
Cafe Lomans B.V. |
Amstelveenseweg 159 H |
|
Zuid |
Café Masker |
Van Woustraat 106 H |
|
Zuid |
Stichting In It / Cafébedrijf O.C.C.I.I. |
Amstelveenseweg 134 |
|
Zuid |
Emperium Lounge |
Ceintuurbaan 186 H |
|
Zuid |
Café Rivièra |
Rijnstraat 11 H |
|
Zuid |
Café Klasen |
Maasstraat 55 |
|
Zuidoost |
Grand Café ZO |
Paasheuvelweg 26 |
|
Zuidoost |
Papa Aswa |
Laarderhoogtweg 18 |
V
Na sectie 5.3.5 wordt een sectie ingevoegd, luidende:
De Europese Dienstenrichtlijn bevat regels met betrekking tot vergunningstelsels. Volgens de Dienstenrichtlijn is een vergunningstelsel ‘elke procedure die voor een dienstverlener of afnemer de verplichting inhoudt bij een bevoegde instantie stappen te ondernemen ter verkrijging van een formeel of stilzwijgen besluit over de toegang tot of de uitoefening van een dienstenactiviteit’ (art. 4 lid 6). Voorbeelden van vergunningstelsels zijn meldingen, verklaringen van geen bezwaar, certificeringsverplichtingen, concessies, erkenningen, licenties en een verplichting tot inschrijving in een register of rol voordat legaal een dienst mag worden uitgeoefend.
In de Dienstenwet wordt een vergunningstelsel omschreven als een procedure die voor een dienstverrichter of afnemer de verplichting inhoudt bij een bevoegde instantie stappen te ondernemen ter verkrijging van een vergunning. Onder een vergunning wordt verstaan een beslissing, uitdrukkelijk of stilzwijgend, over de toegang tot of de uitoefening van een dienst.
Dat is ruimer dan alleen een vergunning zoals dat als begrip in dit omgevingsplan wordt toegepast. In het omgevingsplan gaat het om vergunningplichten, meldingsplichten en ontheffingsmogelijkheden via een maatwerkvoorschrift die onder de reikwijdte van het vergunningenbegrip van de Dienstenrichtlijn en de Dienstenwet vallen.
Voor het opnemen van een vergunningstelsel gelden de volgende voorwaarden:
non-discriminatoir;
gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang (bijvoorbeeld stedelijk milieu, woonklimaat);
evenredig met die reden van algemeen belang (de maatregel gaat niet verder dan nodig om het gestelde doel te bereiken dat met het vergunningsstelsel wordt beoogd en is ook geschikt om het gestelde doel te bereiken);
duidelijk en ondubbelzinnig;
objectief;
vooraf openbaar bekendgemaakt;
transparant en toegankelijk.
Op grond van de Dienstenrichtlijn is een vergunningplicht alleen toegestaan als een dwingende reden van algemeen belang dat rechtvaardigt. Onder meer de bescherming van het milieu en het stedelijk milieu, tevens van stedelijke en rurale ruimtelijke ordening, zijn aan te merken als dwingende redenen van algemeen belang.
Vergunningen met een beperkte geldigheidsduur
Artikel 11 van de Dienstenrichtlijn bepaalt dat een aan een dienstverrichter verleende vergunning in beginsel geen beperkte geldigheidsduur heeft.
Artikel 11 vervolgens noemt drie uitzonderingen, namelijk:
De vergunning automatisch wordt verlengd of alleen afhankelijk is van de voortdurende vervulling van de voorwaarden.
Het aantal beschikbare vergunningen beperkt is door een dwingende reden van algemeen belang.
Een beperkte duur gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen belang.
Decentrale overheden moeten een vergunning met een beperkte duur kunnen rechtvaardigen en motiveren. Een vergunningplicht met een tijdelijke duur kan bijvoorbeeld worden gemotiveerd vanuit het gegeven om de zoveel jaar een nieuwe beoordeling nodig is van de effecten van een bepaalde activiteit op het woon- en leefklimaat omdat hier wellicht verandering is opgetreden of er andere inzichten zijn. In dat geval kan sprake zijn van een dwingende reden van openbaar belang, die de tijdelijkheid van de vergunning rechtvaardigt.
Overheden blijven daarnaast de mogelijkheid houden om een vergunning in te trekken als een dienstverlener niet (meer) aan bepaalde voorwaarden voldoet.
Schaarse vergunningen
Als gevolg van publiekrechtelijk handelen kan er een schaarste aan deze vergunningen ontstaan. De schaarste ontstaat omdat de dwingende reden van algemeen belang veiliggesteld wordt. Wanneer het aantal beschikbare vergunningen beperkt is, moeten de vergunningen altijd een beperkte geldigheidsduur hebben. Dit volgt uit de uitspraak van het Europese Hof van Justitie in het arrest Trijber & Harmsen (C-340/14 en 341/14). Het Hof concludeerde hier dat vergunningen niet voor onbepaalde tijd kunnen worden verleend wanneer het aantal beschikbare vergunningen beperkt is. Het stellen van een beperkte geldigheidsduur waarborgt ook dat anderen dan de bestaande vergunninghouders de kans krijgen om de onder die vergunning vallende diensten te mogen verrichten.
Wanneer sprake is van een gemeentelijk vergunningstelsel waarin de beschikbare vergunningen in aantal zijn beperkt, moet een verdelingsbeleid worden gevoerd dat verzekert dat aan alle gegadigden gelijke kansen wordt geboden en dat de instrumentkeuzes die daarbij worden gemaakt evenredig zijn in verhouding tot het met deze schaarse vergunningen te dienen legitieme doel.
W
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Eén van de ontwikkelprincipes uit de Omgevingsvisie NH2050 is dat wonen en werken zoveel mogelijk binnenstedelijk worden gerealiseerd en geconcentreerd. In de instructieregelsOmgevingsverordening NH 2022 zijn hiervoor in paragraaf 6.2.2 stedelijke functies instructieregels opgenomen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen, voormalige agrarische bouwpercelen en kleinschalige ontwikkelingen (geen woningbouw) in het werkingsgebied Landelijk Gebied.
In Amsterdam (en in de gehele Metropoolregio Amsterdam) is er voor (kleinschalige)woningbouwontwikkelingen geen ruimte in landelijk gebied. Voor dergelijke kleine ontwikkelingen is binnenstedelijk voldoende ruimte te vinden. In specifieke gevallen, zoals voormalige agrarische bebouwing, is onder voorwaarden beperkt woningbouw mogelijk.
In de Omgevingsvisie NH2050 is de doelstelling opgenomen om vraag en aanbod van woon- en werklocaties kwantitatief en kwalitatief beter met elkaar in overeenstemming te brengen. Gekozen is voor het behouden van het metropolitane landschap, maar met toevoeging of verandering van functies. En om het landschap te sparen, is in de Omgevingsvisie gekozen voor verdichting van de bestaande kernen. Een zorgvuldig gebruik en verdeling van de schaarse ruimte is van belang. Voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen is daarom de instructieregel opgenomen dat daarvoor regionale afspraken nodig zijn. De regionale afspraken betreffen nieuwe stedelijke ontwikkelingen van woningbouw, bedrijventerreinen en kantoorlocaties, detailhandel en overige stedelijke
voorzieningen. Voor bepaalde functies zijn daarnaast specifieke instructieregels opgenomen. Nieuwe detailhandel wordt bij voorkeur gevestigd bij bestaande winkelgebieden en mag niet leiden tot onaanvaardbare leegstand. Daarnaast worden er voorwaarden gesteld aan verblijfsrecreatie in Landelijk Gebied, logiesactiviteiten op bedrijventerreinen, de functies die zich kunnen vestigen op een industrieterrein van provinciaal belang zoals Westpoort, middelgrote en grote datacenters en woningen binnen de LIB5 zone rond Schiphol. Kleinschalige ontwikkelingen (geen woningbouw) in het werkingsgebied Landelijk Gebied zijn slechts toegestaan onder voorwaarden.
Bij een wijziging van het omgevingsplan wordt voor nieuwe ontwikkelingen gemotiveerd op welke wijze uitvoering wordt gegeven aan de instructieregels uit de omgevingsverordening.
X
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In de Omgevingsvisie NH2050 is de doelstelling opgenomen om ruimte te bieden aan onder meer energietransitie, in het licht van een duurzame economie, met innovatie als belangrijke motor. In het kader van het Klimaatakkoord zijn door gemeenten, waterschappen, de provincie, andere belanghebbenden en inwoners afspraken gemaakt over plekken in Noord-Holland waar duurzame energie met windturbines en zonnepanelen kan worden opgewekt. De zoekgebieden die daarvoor op basis van al deze gesprekken en onderzoeken in aanmerking komen zijn vastgelegd in de Regionale Energiestrategieën 1.0 voor Noord-Holland Noord en Noord-Holland Zuid (RES’en). De provincie neemt de hieruit voortvloeiende afspraken, net als de gemeenten en waterschappen, op in haar regelgeving. Voor de provincie betekent dit dat de Omgevingsverordening NH2022 ruimte maakt voor de afspraken uit de RES’en; de RES’en worden leidend voor wind op land.
In paragraaf 6.2.36.2.3.1 van de Omgevingsverordening NH 2022 zijn instructieregels opgenomen waar gemeenten aan moeten voldoen die in hun omgevingsplannenomgevingsplan windturbines mogelijk maken binnen zoekgebieden wind en wind+zon die in de RES’en 1.0 zijn opgenomen. Zo krijgen gemeenten de mogelijkhedenmogelijkheid om te bepalen waar in de gemeente ruimte is voor windenergie. Buiten de RES zoekgebieden 1.0 wind en wind+zon zijn alleen kleine windturbines (tot 15 meter) op agrarische bouwpercelen toegestaan en mogen bestaande windparken onder voorwaarden worden vervangen/vernieuwd.
In paragraaf 6.2.3.2 van de Omgevingsverordening NH 2022 zijn instructieregels opgenomen waar gemeenten aan moeten voldoen die in hun omgevingsplan het oprichten van een of meer opstellingen voor zonne-energie mogelijk maken.
In paragraaf 6.2.3.3 van de Omgevingsverordening NH 2022 zijn instructieregels opgenomen die betrekking hebben op de bouw, vervanging of verandering van hoogspanningsstations en over station in het tussenspanningsnet in het landelijk gebied.
De beschermingsregimes, zoals de regels voor o.a. het Bijzonder Provinciaal Landschap, Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde en het Natuurnetwerk Nederland of natuurverbinding en stiltegebieden blijven van kracht. Hiervoor gelden instructieregels op basis van andere paragrafen van de omgevingsverordening.
Bij een wijziging van het omgevingsplan wordt voor nieuwe ontwikkelingen gemotiveerd op welke wijze uitvoering wordt gegeven aan de instructieregels uit de omgevingsverordening.
Y
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In de Omgevingsvisie NH2050 is de doelstelling opgenomen om ruimte te bieden aan de ontwikkeling van onder meer duurzame landbouw, in het licht van het bereiken van een duurzame economie, met innovatie als belangrijke motor.
In paragraaf 6.2.4 zijn dehierover instructieregels op genomen, waarbij de ruimtelijke inpassing van het agrarisch bouwperceel een leidend principe is. Alle bebouwing dient te worden geconcentreerd op het bouwperceel. Bij niet-agrarische bedrijfsactiviteiten is geregeld welke activiteiten zijn toegestaan. Met betrekking tot het toestaan van nieuwe bouwpercelen, uitbreiding van glastuinbouwbedrijven en het niet-agrarische bedrijfsactiviteiten als zelfstandig bedrijf, zijn regels opgesteld.
De intensieve veehouderij kan een grote impact hebben op de leefomgeving, door bijvoorbeeld geurhinder, uitstoot van fijnstof, ammoniak, zoönosen en endotoxinen. Ook is dierenwelzijn een onderwerp dat tot maatschappelijke discussies leidt. Om die redenen is een vergroting van het aandeel intensieve veehouderij niet gewenst. In artikel 6.43 is vastgelegd wat wel en niet wordt toegestaan met betrekking tot de intensieve veehouderij. Nieuwvestiging of omschakeling (geheel of gedeeltelijk) naar intensieve veehouderij is niet toegestaan. Enkel de intensieve veehouderijen gevestigd vóór 30 november 2011 mogen verplaatsen.
De provincie heeft per 12 december 2018 een verbod ingesteld op nieuwvestiging, uitbreiding van en omschakeling naar geitenhouderijen. Dit verbod is ingesteld vanwege het mogelijke risico voor de volksgezondheid van omwonenden die in de nabijheid van een geitenhouderij wonen. De oorzaak van de mogelijke risico’s worden nog onderzocht. Het ingestelde verbod is gebaseerd op het zogenoemde voorzorgsbeginsel. In artikel 6.44 is de instructieregel voor gemeenten opgenomen, die in acht moet worden genomen bij het vaststellen van omgevingsplannen. Via het voorbereidingsbesluit is geregeld dat in de periode dat deze instructieregel nog niet is verwerkt in het omgevingsplan het verbod al van kracht is.
Bij een wijziging van het omgevingsplan wordt voor nieuwe ontwikkelingen gemotiveerd op welke wijze uitvoering wordt gegeven aan de instructieregels uit de omgevingsverordening. Voor de begrippen voor agrarische activiteiten in het omgevingsplan wordt aangesloten bij de begrippen uit de omgevingsverordening. Intensieve veehouderij en geitenhouderijen zijn in de basisregeling omgevingsplan alleen mogelijk binnen een begrensd werkingsgebied.
Z
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Paragraaf 6.2.10 van de Omgevingsverordening NH2022 bepaalt dat de regels in deze afdeling zien op de milieugebruiksruimte en de ruimtelijke indeling van het gebied van en rond de luchthavens van regionale betekenis met luchthavenbesluit ex afdeling 8.3.2 van de Wet luchtvaart.
Binnen de gemeente Amsterdam betreft het luchthaven Heliport aan de Hornweg op industrieterrein Westpoort. De regels ten aanzien van Luchthaven Heliport Amsterdam in de omgevingsverordening,
Binnen de gemeente Amsterdam betreft het luchthaven Heliport aan de Hornweg op industrieterrein Westpoort. De regels ten aanzien van Luchthaven Heliport Amsterdam in de omgevingsverordening, voortkomend uit het Luchthavenbesluit Heliport Amsterdam, hebben de werking van een voorbereidingsbesluit als bedoeld artikel 4.16 lid 1 van de Omgevingswet. Dit betekent dat deze regels direct werken totdat de gemeenteraad deze verwerkt in een omgevingsplan. Bij vaststelling van een omgevingsplan of het verlenen van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, moet de gemeente de bepalingen in het luchthavenbesluit in acht nemen.
Bij een wijziging van het omgevingsplan wordt voor nieuwe ontwikkelingen gemotiveerd op welke wijze uitvoering wordt gegeven aan de instructieregels uit de omgevingsverordening.
AA
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In paragraaf 6.2.11 van de Omgevingsverordening NH2022 is de instructieregel opgenomen dat in het omgevingsplan de regionale waterkering als wordt beschermd en een beschermingszone wordt opgenomen in het omgevingsplan.
Bij een wijziging van het omgevingsplan wordt voor nieuwe ontwikkelingen gemotiveerd op welke wijze uitvoering wordt gegeven aan de instructieregels uit de omgevingsverordening.
BB
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het omgevingsplan bepaalt waar bebouwing mag komen, en welke hoogte bouwwerken mogen hebben. Van nieuwe bebouwing kan een zekere schaduwwerking uitgaan. De effecten daarvan worden bij afzonderlijke wijzigingsbesluiten van het omgevingsplan die voorzien in nieuwe bouwwerken waar nodig betrokken.
Er bestaan geen landelijk wettelijk vastgelegde normen of eisen waaraan plannen ten aanzien van de schaduwwerking in relatie tot bestaande functies moeten voldoen. In het Bouwbesluit is wel regelgeving voor daglichttoetreding opgenomen maar dit heeft geen betrekking op schaduwwerking van het ene gebouw op het andere.
Indien nodig kan een bezonningsonderzoek worden uitgevoerd. Ten einde de resultaten van het bezonningsonderzoek te kunnen beoordelen kan, als richtlijn, gebruik gemaakt worden van een TNO-norm. Deze norm (of een afgeleide daarvan) wordt door verschillende gemeenten gehanteerd bij het uitvoeren van een bezonningsstudie bij een gebiedsontwikkeling. TNO kent een lichte en strenge norm. De lichte TNO-norm gaat uit van het criterium dat woningen ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag op het midden van de vensterbank aan de binnenkant van het raam moeten krijgen gedurende de periode van 19 februari tot 21 oktober (gedurende 8 maanden). De strenge TNO-norm gaat uit van het criterium dat woningen ten minste 3 mogelijke bezonningsuren per dag op het midden van de vensterbank aan de binnenkant van het raam moeten krijgen gedurende de periode van 21 januari tot 22 november (gedurende 10 maanden). Op basis hiervan kan de schaduwwerking beoordeeld worden. De TNO-norm geeft ten aanzien van de bezonningsuren een richtlijn.
De effecten worden bij afzonderlijke wijzigingsbesluiten van het omgevingsplan die voorzien in nieuwe bouwwerken waar nodig betrokken.
CC
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het Nederlands klimaatbeleid is in 2 sporen te verdelen: klimaatmitigatie en klimaatadaptatie.
Klimaatmitigatie is het voorkomen van verdere klimaatverandering door de uitstoot van broeikasgassen te verminderen. Het beperken van klimaatverandering staat centraal in de Klimaatwet. Hierin staat hoeveel broeikasgasemissies verminderd moeten worden de komende jaren, mede als uitvloeisel van internationale afspraken.
In Nederland verandert het klimaat. De temperaturen stijgen. Er is meer kans op een extreme regenbui, op een hittegolf en op langere, droge periodes. Door droogte daalt de bodem op sommige plekken in Nederland. De zeespiegel stijgt en er is meer kans op overstromingen. Klimaatverandering heeft grote gevolgen voor de gezondheid, de leefbaarheid en de economie. Een hittegolf zorgt bijvoorbeeld voor extra sterfte onder kwetsbare groepen. Nederland moet zich voorbereiden op de risico’s van het veranderende klimaat en hierop de omgeving aanpassen. Dit heet klimaatadaptatie.
Hittestress
Hittestress voorkomen is een van de pijlers van het klimaatbeleid. Hittestress is een verzamelnaam voor ongemakken als gevolg van aanhoudende hitte. Bij welke temperaturen hittestress optreedt verschilt per persoon. Hittestress heeft een grote nadelige invloed op onze dagelijkse gang van zaken, waaronder gezondheid. Bij hittestress kan het lichaam zichzelf niet goed afkoelen. Dat kan verschillende gevolgen hebben: huiduitslag, krampen, oververmoeidheid, beroertes, nierfalen en ademhalingsproblemen. In het ergste geval kun je eraan overlijden. Dit zijn fysiologische gevolgen, hitte kan daarnaast ook invloed hebben op het menselijk gedrag (bijvoorbeeld agressiviteit) en op slaapkwaliteit (RIVM, 2019). Het nadelige effect op de gezondheid als gevolg van extreme hitte in de stad is een van de gevolgen.
Klimaatwet
In het Klimaatakkoord, vastgesteld in 2019, zijn afspraken gemaakt over de Nederlandse invulling van het Klimaatverdrag van Parijs. In de Klimaatwet wordt uitvoering gegeven aan het Klimaatakkoord en het Klimaatverdrag van Parijs.
Het doel van deze wet is om de uitstoot van broeikasgassen, zoals C02, te verminderen. Een teveel aan broeikasgassen in de lucht verandert het klimaat en heeft negatieve gevolgen voor mens en natuur. In de Klimaatwet staan klimaatdoelstellingen voor Nederland. Voor 2050 is de doelstelling om 95% minder broeikasgassen uit te stoten dan in 1990. Om dat doel te bereiken is het de bedoeling dat Nederland in 2030 bijna de helft (49%) minder broeikasgassen uitstoot dan in 1990 en dat de elektriciteitsproductie in 2050 volledig C02-neutraal is.
De Klimaatwet bevat behalve klimaatdoelstellingen ook een beleidskader om die doelstellingen te halen. In de wet staan daarvoor drie beleidsinstrumenten: het vijfjaarlijkse Klimaatplan, de tweejaarlijkse Voortgangsrapportage en de jaarlijkse Klimaatnota.
De regering moet in ieder geval elke vijf jaar een Klimaatplan opstellen waarin de hoofdzaken van het klimaatbeleid voor de komende tien jaar staan. Jaarlijks stuurt de minister van Economische Zaken en Klimaat een Klimaatnota naar de Eerste en Tweede Kamer. In deze nota reageert de minister op het jaarlijkse rapport van het Planbureau voor de Leefomgeving (de klimaat- en energieverkenning) over de voortgang van het klimaatbeleid. Elke twee jaar na het Klimaatplan verschijnt er een Voortgangsrapportage waarin aanvullend beleid kan staan om de doelen in de Klimaatwet te halen.
Klimaatplan 2021-2030
Dit plan is tot stand gekomen op grond van de Klimaatwet. De Klimaatwet legt de nationale klimaatdoelen voor 2030 en 2050 vast. Dit Klimaatplan bevat de hoofdlijnen van het klimaatbeleid voor de komende 10 jaar. Daarnaast gaat het Klimaatplan, conform de Klimaatwet, in op de laatste wetenschappelijke inzichten over klimaatverandering, technologische ontwikkelingen, internationale beleidsontwikkelingen en de economische gevolgen. Daarmee bevat het Klimaatplan het nationale beleid, de context waarin dat beleid wordt ontwikkeld en de gevolgen van dat beleid.
De inhoud van dit Klimaatplan wordt voor een belangrijk deel bepaald door de hoofdlijnen van het Klimaatakkoord, dat in juni 2019 tot stand is gekomen met betrokkenheid van meer dan 100 maatschappelijke (publieke en private) partijen. Dit akkoord bevat een pakket aan maatregelen, dat de actieve steun heeft van zoveel mogelijk bijdragende partijen en waarmee het politieke reductiedoel van 49% in 2030 wordt gerealiseerd.
In aanvulling op de (nieuwe, nationale) maatregelen uit het Klimaatakkoord, bevat het Klimaatplan ook (i) beleid dat volgt uit Europese verplichtingen, (ii) lopend beleid en (iii) beleid dat in het regeerakkoord is aangekondigd, maar geen onderdeel uitmaakt van het Klimaatakkoord. Hierdoor geeft het Klimaatplan een integraal beeld van het klimaatbeleid van het kabinet voor de komende tien jaar. Met het klimaatbeleid levert Nederland haar bijdrage aan het voorkomen van de wereldwijde opwarming van de aarde en het realiseren van de doelen van de Overeenkomst van Parijs. Hierin is afgesproken de gemiddelde opwarming van de aarde ruim onder de 2°C te houden, met als streven de opwarming te beperken tot 1,5°C.
Over de voortgang van het klimaatbeleid zoals opgenomen in dit Klimaatplan zal jaarlijks in oktober worden gerapporteerd in de Klimaatnota. De inhoud van dit Klimaatplan is opgenomen in het Integrale Nationale Energie- en Klimaatplan (INEK) waarmee lidstaten aan Europa rapporteren.
Nationale klimaat Adaptatie Strategie
In de Nationale klimaat Adaptatie Strategie (NAS) is aangegeven hoe met de gevolgen van klimaatverandering om te gaan en daarop te anticiperen. Onderdeel van het NAS is het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie. Dit is een gezamenlijk plan van gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk dat de aanpak van wateroverlast, hittestress, droogte en de gevolgen van overstromingen versnelt en intensiveert.
Er is vanuit dit kader door het ministerie BZK een handreiking opgesteld, die bruikbare handvatten voor planregels bevat om hittestress in woningen/gebouwen te beperken/voorkomen: handreiking decentrale regelgeving klimaatadaptief bouwen en inrichten (Ministerie van BZK, 2020). De handvatten voor planregels om hittestress tegen te gaan zijn hier meegenomen als voorbeelden hoe te veel opwarming van gebouwen tegen kan worden gegaan. De andere 3 terreinen van de handreiking Klimaatadaptief bouwen zijn ook voor gezondheid (indirect) van belang en aanbevelenswaardig om te lezen, maar hier niet verder uitgewerkt.
Genoemd worden:
bevorderen schaduwwerking gebouwen openbare ruimte;
beperken weerkaatsing glas op openbare ruimte;
schaduwgevend (en watervasthoudend) groen;
bodemenergie systeem voor koeling;
hitteprogramma opnemen in omgevingsplan;
blauwgroene daken voor nieuwe gebouwen in omgevingsplan;
warmtewerend en verkoelend inrichten in omgevingsplan.
Actieprogramma Klimaat
De provincie Noord Holland onderschrijft de doelstellingen van het Klimaatverdrag van Parijs en het Nederlandse klimaatakkoord. Op 18 november 2019 heeft de provincie Noord Holland ingestemd met het Klimaatakkoord en uitgesproken een bijdrage te leveren aan de nationale klimaatdoelstellingen. In het Actieprogramma Klimaat zijn concrete acties beschreven die worden uitgevoerd. De focus van het Actieprogramma ligt op de reductie van de uitstoot van CO2. Met het Actieprogramma beoogt de provincie de gestelde doelen in de provincie Noord Holland, een emissiereductie van 49% in 2030 en 95% in 2050, beide ten opzichte van 1990, te bereiken.
Omgevingsverordeningen en klimaatadaptatie
In artikel 6.75 van de provinciale omgevingsverordening is een instructieregel met een procesmatige verplichting opgenomen ten aanzien van klimaatadaptatie in het omgevingsplan. Een omgevingsplan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt bevat een beschrijving van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de risico's van klimaatverandering. In ieder geval moet worden ingegaan op: wateroverlast, overstroming, hitte, droogte, waterbeschikbaarheid en verzilting. Ook de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om de risico's te voorkomen of te beperken moeten worden beschreven en de afweging die daarbij is gemaakt. Dit wordt gedaan in overleg met het waterschap.
Omgevingsvisie Amsterdam 2050 – een menselijke metropool
De omgevingsvisie Amsterdam 2050 stelt dat “Het huidige klimaat meet gemiddeld twintig zomerse dagen in de regio Amsterdam. Dit aantal gaat flink oplopen. Op tropische dagen is de stad een hitte-eiland, tot twaalf graden hoger dan het ommeland. Hittestress kan leiden tot tal van fysieke en geestelijke problemen bij de mens en kan maatschappelijk ontwrichtend zijn. Het doel is om Amsterdam beter bestand te maken tegen hitte.”
Strategie klimaatadaptatie Amsterdam en Uitvoeringsagenda Klimaatadaptatie
De gemeente en waterschappen zetten zich in om Amsterdam zo goed mogelijk voor te bereiden op het veranderende klimaat. In de Strategie Klimaatadaptatie Amsterdam zijn het thema, de opgave en de mogelijke oplossingen, beschreven. De vier thema’s uit het landelijk Deltaprogramma vormen hierbij het uitgangpunt: hitte, droogte, wateroverlast en overstromingen.
Vervolgens zijn in de Uitvoeringsagenda Klimaatadaptatie, vastgesteld mei 2021, concrete activiteiten benoemd. In de Uitvoeringsagenda is onderscheid gemaakt tussen acties op verschillende niveaus, namelijk huis en pand, straat, gebied en wijk, stad en regio en nationaal en internationaal.
Niveau huis en pand
Stimuleren en faciliteren eigen terrein klimaatadaptief te maken. Zo waren er in 2021 (on)tegelacties en biedt de gemeente een subsidieregeling voor het aanleggen van groene daken en blauw/groene daken, en de aanplant van nieuwe bomen. Amsterdamse schoolpleinen worden groener met de Amsterdamse impulsregeling.
Niveau straat
In de openbare ruimte worden koelteplekken gerecreëerd door bijvoorbeeld de aanleg van parken met zwemplekken of regenwatervijvers en wordt voorzien in schaduw van bomen en slimme looproutes. Bij herinrichting en groot onderhoud wordt waar mogelijk de verharding vervangen door groen en wordt klimaatadaptieve beplanting toegepast. Bij bestrating wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van waterdoorlatende bestrating. Ook worden zichtbare waterbergende en –infiltrerende maatregelen toegepast zoals de aanleg van wadi’s, greppels en groene trambanen, maar ook onzichtbare waterbergingen zoals infiltratiekratten en –putten zijn voorzien.
Niveau gebied en wijk
Op het niveau van gebied en wijk wordt zowel in de bestaande stad als in delen die nieuw worden aangelegd maatregelen getroffen om bij een eventuele overstroming de schade te beperken en slachtoffers te voorkomen. Meer hierover staat in de Omgevingsvisie Amsterdam 2050.
Niveau stad en regio
Een sterke en toekomstbestendige verbinding tussen het regionale watersysteem en de stad is nodig. Dit betekent dat de doorstroming van het water in de grachten verbetert moet worden. Hiervoor zijn afspraken over het bruggen, sluizen, oevers, kades en het gebruik van water nodig. Met waterschappen, bewoners, bedrijven, vastgoedeigenaren en woningcorporaties wordt een netwerk klimaatadaptatie opgezet om vragen te beantwoorden en te helpen bij initiatieven op privaat terrein en in de openbare ruimte. De haalbaarheid van de regionale intentieovereenkomst klimaatbestendige nieuwbouw met de bouwketen en overheden door de Metropoolregio Amsterdam (MRA) wordt verkend. De hemelwaterverordening, vastgesteld door de gemeenteraad, inwerking getreden op 11 mei 2021), moeten nieuwe gebouwen het hemelwater op eigen terrein bergen en vertraagd afvoeren.
Niveau nationaal en internationaal
Op landelijk niveau werken overheden samen aan klimaatadaptatie in het Nationale Deltaprogramma. Het doel is Nederland nu en in de toekomst te beschermen tegen overstromingen, te zorgen voor voldoende zoetwater en ons land klimaatbestendig te maken. Bestuurlijk is afgesproken dat alle overheden vanaf 2021 actief en concreet uitvoering geven aan klimaatadaptatie. Het Deltaprogramma ondersteunt dit met kennisdeling, onderzoek, afspraken met landelijk werkende partijen en de impulsregeling klimaatadaptatie
Overstromingen, bosbranden en lange perioden van droogte: dehele wereld voelt het belang en urgentie van klimaatadaptatie steeds sterker. Het is essentieel om kennis te delen en te leren van de aanpak in andere steden wereldwijd. Wat doen zij om zich aan te passen aan het nieuwe klimaat? En wat kunnen we opsteken van steden die het klimaat hebben dat wij mogelijk gaan krijgen? Amsterdam Rainproof heeft laten zien dat internationaal samenwerken grote voordelen heeft. Daarnaast deelt Amsterdam jaarlijks kennis uit tijdens het Smart City Expo World Congress in Barcelona en participeren we in de Coalition for Disaster Resilient Infrastructure (CDRI) van de Verenigde Naties. Ook innovatieprojecten zoals RESILIO (blauw-groene daken) delen kennis en kunde met verschillende Europese steden als deel van hun projectscope. Via de podcast the Mayor’s Manual worden in 2021gesprekken gevoerd met mondiale koplopers om de beste adviezen voor burgemeesters wereldwijd te verzamelen.
Routekaart Amsterdam Klimaatneutraal
In het collegeakkoord van mei 2018 is vastgelegd dat Amsterdam een wezenlijke bijdrage wil leveren aan het halen van de doelstellingen uit het Klimaatakkoord en heeft de ambitie de uitstoot aan broeikasgassen in Amsterdam ten opzichte van 1990 terug te dringen met 55% in 2030 en 95% in 2050. In vervolg op de totstandkoming van het collegeakkoord is een intensief proces gestart om samen met bewoners, bedrijven en instellingen te onderzoeken hoe de transitie naar een aardgasvrije stad gerealiseerd kan worden. Het resultaat van dit proces is vastgelegd in de Routekaart Amsterdam Klimaatneutraal 2050 (Routekaart). De Routekaart beschrijft de lange termijn visie en strategie op de Amsterdamse energietransitie en de acties voor de korte termijn. De aanpak loopt via vier paden: de gebouwde omgeving, verkeer en vervoer, elektriciteit en haven en industrie.
Regionale Energiestrategie
In vervolg op het Klimaatakkoord onderzoeken de 30 energieregio’s in Nederland waar en hoe het best duurzame elektriciteit op land opgewekt kan worden. Ook wordt onderzocht welke warmtebronnen er zijn en hoe deze gebruikt kunnen worden zodat wijken en gebouwen op termijn van het aardgas af kunnen. In de Regionale Energiestrategie (RES) beschrijft elke energieregio de keuzen. In de Regionale Energiestrategie werken overheden, inwoners, bedrijven en maatschappelijke organisaties samen. De gemeente Amsterdam maakt deel uit van de regie Noord-Holland Zuid. De opgave van de energieregio Noord-Holland Zuid bedraagt het opwekken van 2,7 TWh hernieuwbare elektriciteit op land voor 2030 (doelstelling in het nationaal Klimaatakkoord is 35TWh).
De gemeenteraad heeft op 26 mei 2021 het Amsterdams bod vastgesteld waarin een bijdrage wordt geleverd aan de opgave van de energieregio. Het Amsterdams bod betreft de volgende ambities:
Voor 400MW zonne-energie op grote daken (60% van beschikbare daken benut) en op plekken waar dubbel ruimtegebruik mogelijk is, zoals langs snelwegen en/of op braakliggend terrein;
Voor tenminste 127MW windenergie (vermogen in het eerste kwartaal 2021 bedraagt 75MW); dit betekent 17 extra windturbines met een vermogen van 3MW elk, te realiseren in de windzoekgebieden;
Aardgasvrij in 2040, volgens Transitievisie Warmte.
Het aanbod en de zoekgebieden zijn tot stand gekomen na een intensief participatieproces. Er is gesproken met (buur)gemeenten in de regio, de provincies Noord-Holland en Utrecht, waterschappen, netbeheerders, inwoners, ondernemers, energiecorporaties, onderwijs en (maatschappelijke) organisaties op het gebied van natuur, milieu en land- en tuinbouw.
Het Amsterdams bod wordt verder uitgewerkt in verschillende trajecten en programma’s.
Windenergie Amsterdam
In het Amsterdams bod aan de RES-regio zijn zeven voorkeursgebieden voor windenergie naar voren gekomen, daarnaast zijn er reservegebieden en extra reservegebieden aangewezen. Op de kaart uit de RES 1.0 van de regio Noord-Holland Zuid zijn de voorkeursgebieden in groen, de reservegebieden in geel en de extra reservegebieden in rood weergegeven.
Na de vaststelling van het Amsterdams bod heeft een reflectiefase plaatsgevonden. In omgevingssessies zijn zorgen en behoefte opgehaald rondom de realisatie van windturbines in de gemeente Amsterdam en neergelegd in het document ‘Signalen uit de Stad’ (vastgesteld door de gemeenteraad 2022). Na de reflectiefase is besloten een programma zoals bedoeld in de Omgevingswet op te stellen: het Programma Windenergie Amsterdam. Ten behoeve van het Programma Windenergie Amsterdam wordt een plan-MER opgesteld. De Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) is de eerste stap, naar verwachting wordt deze in het vierde kwartaal van 2022 voor een ieder ter inzage gelegd.
Zonne-energie
Amsterdam streeft naar het realiseren van een opbrengst van 250MW van zonnepanelen op daken. In 2030 zou 50% van het geschikte dakoppervlak benut moeten zijn voor zonne-energie en in 2050 zou al het geschikte dakoppervlak optimaal benut moeten zijn. Naast het benutten van daken, ligt de focus op het plaatsen van zonnepanelen op bijvoorbeeld P&R-locaties en langs bestaande infrastructuur, zoals taluds, geluidschermen en metrostations.
Transitievisie Warmte
Aardgas is een fossiele brandstof die wordt gebruikt voor het verwarmen van gebouwen, warm water en koken. De verbranding van aardgas veroorzaakt uitstoot van CO2. De uitstoot van CO2 draagt bij aan de klimaatverandering. Amsterdam heeft de ambitie in 2040 een aardgasvrije stad te zijn. De aanpak hiervoor is beschreven in de Routekaart Amsterdam 2050. De routekaart gaat over de overgang van fossiele energie naar energie uit hernieuwbare bronnen (energietransitie).
Met de inwerkingtreding van de Wet Voorgang energietransitie worden nieuwbouwwoningen waarvoor de omgevingsvergunning op of na 1 juli 2018 is aangevraagd, niet meer aangesloten op het aardgas. Hiermee is een verbod op een aardgasaansluiting voor nieuwbouw woningen geregeld. Het college kan om zwaarwegende redenen van algemeen belang een uitzondering maken. In een ministeriële regeling is uitgewerkt wat onder zwaarwegende redenen van algemeen belang wordt verstaan.
In het Klimaatakkoord is afgesproken dat gemeenten in een transitievisie warmte een realistisch tijdspad vastleggen waarom wijken van het aardgas afgaan. De transitievisie warmte wordt geborgd in het instrumentarium van de Omgevingswet. De gemeenteraad van Amsterdam heeft op 30 september 2020, de transitievisie warmte vastgesteld. Op de transitiekaart (afbeelding hieronder), is voor elke buurt zowel een warmteoplossing als een transitieperiode opgenomen. De maatschappelijke kosten van de energietransitie zijn als een belangrijk aspect meegenomen.
De energietransitie-maatregelen kunnen worden uitgewerkt in een programma in de zin van de Omgevingswet. Een programma warmte kan ten grondslag worden gelegd aan het besluit van de gemeenteraad een gebied van het gas af te halen. Dit is geregeld in de Wet gemeentelijk instrumentarium warmtetransitie en het Besluit gemeentelijk instrumentarium warmtetransitie (op dit moment nog niet in werking getreden).
Amsterdam Circulair
In de Strategie Amsterdam Circulair 2020-2025 (vastgesteld door gemeenteraad 2020) Amsterdam heeft de ambitie uitgesproken in 2050 een circulaire stad te zijn. In een circulaire stad worden materialen en grondstoffen hergebruikt, zo wordt voorkomen dat waardevolle materialen als afval verloren gaan. Ook voedselverspilling wordt tegengegaan. Een circulaire economie draagt significant bij aan de vermindering van de wereldwijde CO2-uitstoot. Tot slot biedt een circulaire economie meer werkgelegenheid. Er zullen weliswaar banen verdwijnen, maar op het gebied van reparatie en de verwerking van grondstoffen komen er netto meer banen bij voor mensen uit alle gelederen van de samenleving.
In de Strategie zijn de ambities en actierichtingen beschreven en bevat een plan van aanpak. Er zijn drie geselecteerde waardeketens: voedsel en organische reststromen, consumptiegoederen en gebouwde omgeving. De voortgang van de Strategie wordt gemonitord.
Voedsel en organische reststromen
Creëer circulaire voedselproductie in (en voor) stedelijke gebieden
Stimuleer een gezonde, duurzame en plantaardige voedselconsumptie door alle inwoners
Minimaliseer voedselverspilling door retail, horeca en huishoudens
Opschalen van de gescheiden inzameling van organisch afval van huishoudens en bedrijven voor hoogwaardige verwerking
Opschalen van hoogwaardige verwerking van biomassa en voedselreststromen
Versnel het sluiten van lokale nutriëntenkringlopen uit biomassa- en (vuil)waterstromen
Consumptiegoederen
Verminder consumptie en vermijd overconsumptie.
Stimuleer hoogwaardige recycling van complexe consumptiegoederen.
Zet in op het gezamenlijk en langdurig gebruik van producten.
Vergroot het aantal lokale ambachtscentra voor reparatie en herstel van producten.
Gebruik en ontwerp gestandaardiseerde en modulaire producten die geschikt zijn voor hergebruik, reparatie en recycling.
Gebouwde omgeving
Stimuleer circulaire gebiedsontwikkeling met een stedelijk ontwerp, een integrale benadering en klimaatbestendig bouwen met speciale aandacht voor het sluiten van kringlopen.
Gebruik circulaire criteria in de gronduitgifte en aanbesteding van alle bouw- en infrastructurele projecten en in de openbare ruimte.
Ontwikkel gebouwen met aanpasbare functies en systemen.
Opschalen van circulaire demontage en gescheiden inzameling ten behoeve van hoogwaardige toepassing.
Gebruik hernieuwbare en secundaire bouwmaterialen.
Stimuleer circulaire renovatie in de particuliere en sociale woningbouw
Om de ambities te halen zullen de nodige beleidsinstrumenten ontwikkeld worden. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan regels in het omgevingsplan, economische instrumenten en voorlichtingscampagnes.
In afzonderlijke wijzigingsbesluiten zal in de motivering daarbij worden ingegaan in welke mate worden bijgedragen aan de doelstellingen.
DD
Na sectie 10.18 wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Op 2 april 2025 is het Horecabeleid 2025door de gemeenteraad is vastgesteld. Dit horecabeleid wordt met de voorliggende wijziging vertaald naar regels in het omgevingsplan. Hiermee wordt een nieuw stelsel van regels over horeca voor de hele stad geïntroduceerd. Hieronder volgt een samenvatting van dit beleid, voor zover relevant voor het omgevingsplan. Voor de volledige inhoud van het beleid wordt kortheidshalve naar het beleid zelf verwezen. In paragraaf 11.2.5.20 en paragraaf 11.3.3.14 wordt beschreven hoe het beleid naar regels is vertaald.
Het nieuwe stelsel moet waarborgen dat de horeca en terrassen blijven passen in de buurt waar ze gevestigd zijn. En dat daar waar het kan, nieuwe horeca mogelijk is. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheden die de Omgevingswet biedt. Zo wordt meer gestuurd op de activiteiten die binnen een horecabedrijf worden uitgeoefend, en worden ook openingstijden voor horeca geregeld in het omgevingsplan.
Het horecabeleid gaat uit van een duidelijker onderscheid tussen regels die gaan over de locatie en ruimtelijke aanvaardbaarheid en regels die gaan over openbare orde en veiligheid. Regels die met name nodig zijn met het oog op ruimtelijke aanvaardbaarheid komen in het omgevingsplan. Regels die met name betrekking op de openbare orde en veiligheid komen in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Overigens is dat onderscheid niet altijd heel scherp te maken. Zo zijn regels over openingstijden van horeca een instrument om te kunnen sturen op ruimtelijke aanvaardbaarheid, maar ook een belangrijk instrument op het gebied van openbare orde en veiligheid. In die gevallen is gekozen voor de meest optimale afstemming op elkaar van regels in het omgevingsplan en de APV.
Voor het omgevingsplan bevat het horecabeleid de volgende onderwerpen:
een nieuwe ruimtelijke indeling in horecacategorieën
additionele horeca
culturele horeca
openingstijden
horecaterrassen
Horeca gaat veelal gepaard met milieubelastende activiteiten. Regels daarover zijn opgenomen in hoofdstuk 9. Het gaat onder meer om regels over geluid- en geurhinder.
Het beleidskader horeca niet gaat over hotels en hotelvestiging. Daarvoor geldt apart beleid (zie paragraaf 10.20). Voor zover binnen de uitoefening van een hotel sprake is van horeca-activiteiten die ook door niet-hotelgasten bezocht kunnen worden, is het beleid wel van toepassing.
Horeca wordt behalve door het omgevingsplan ook door andere wettelijke regelingen gereguleerd. Zo bevat ook de Algemene Plaatselijke Verordening van Amsterdam (hierna: de APV) regels met betrekking tot horeca. De regels in de APV hebben een ander oogmerk, een ander doel. Zo zijn de regels in de APV gesteld met het oog op openbare orde en veiligheid. In de APV staat onder andere de verplichting dat een horecabedrijf een exploitatievergunning moet hebben. Bij de beoordeling van een aanvraag om exploitatievergunning is ruimte voor afwegingen die te maken hebben met de exploitant, zoals de financiering, het levensgedrag en de bedrijfsvoering, en ook een toets op de gevolgen voor het woon- en leefklimaat vanuit oogpunt van openbare orde en veiligheid. Daarnaast blijft de Bibob bij exploitatievergunningen toegepast worden.
De verschillende regels kunnen niet worden geïntegreerd in één regeling. Regels die betrekking hebben op activiteiten die de fysieke leefomgeving wijzigen, moeten (als ze worden gesteld) in het omgevingsplan worden opgenomen. Regels die worden gesteld met het oog op openbare orde en veiligheid mogen echter niet in het omgevingsplan (zie meer uitgebreid hoofdstuk 3 en in het bijzonder paragraaf 3.4 van deze algemene toelichting).
In het omgevingsplan worden onder meer regels gesteld die moeten zorgen voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor wat betreft horeca gaat het daarbij om regulering van de effecten van horeca op de fysieke leefomgeving, zoals bijvoorbeeld geluidshinder, geurhinder, beperking van de toegankelijkheid van de openbare ruimte door een terras en publiek aantrekkende werking.
Ook in de APV zijn regels gesteld met betrekking tot het woon- en leefklimaat, maar dan gaat het om de spanning waaraan het woon- en leefklimaat reeds blootstaat. Zo kunnen feiten die zich in of in de nabijheid van een horecabedrijf hebben voorgedaan, als gevolg waarvan de openbare orde meermalen is verstoord, een inbreuk geven op het veiligheidsgevoel van omwonenden, waardoor de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van zijn horecabedrijf (ECLI:NL:RVS:2005:AT9281). Bij een aanvraag om een exploitatievergunning op grond van de APV wordt daarnaar gekeken.
Wat onwenselijk is, is dat daarbij ook ruimtelijke aspecten worden betrokken, zoals geluidhinder, verkeershinder en parkeerdruk. Dat vraagt een goede redactie van de regels in de APV, omdat anders ook in het kader van een aanvraag om een exploitatievergunning naar die aspecten moet worden gekeken (ECLI:NL:RVS:2008:BC1506, ECLI:NL:RVS:2021:2678). Dat zou betekenen dat de burgemeester de ruimtelijke afweging, de beoordeling van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving, die in het kader van het omgevingsplan wordt gemaakt, nog eens dunnetjes over moet doen in het kader van de exploitatievergunning. Dat is zo niet bedoeld en ongewenst.
Hoewel een harde grens tussen tussen de kwaliteit van de fysieke leefomgeving en openbare orde en veiligheid niet altijd is te trekken, is voorziet het Horecabeleid 2025 in een betere afstemming tussen beide regelingen. Regels die betrekking hebben op het voorkomen van onaanvaardbare gevolgen voor de fysieke leefomgeving worden opgenomen in het omgevingsplan. De regels in de APV blijven beperkt tot regels die betrekking hebben op openbare orde en veiligheid.
Als uitgangspunt is gehanteerd dat regels die betrekking hebben op het tegengaan van overlast door (wan)gedrag van de exploitant of de individuele bezoeker thuis horen in de APV. Deze overlast wordt dan immers niet veroorzaakt door de horeca-activiteit als zodanig, maar door het gedrag van individuen. Activiteiten die direct verband houden met de uitoefening van horeca zelf, ongeacht het (wan)gedrag van de exploitant of de individuele bezoeker, en die gevolgen kunnen hebben voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving, worden gereguleerd in het omgevingsplan. Wanneer het bijvoorbeeld gaat om geluidsoverlast vanwege gewoon stemgeluid bij een gewoon gebruik van een terras, of vanwege een geluidsinstallatie, dan gaat het om gevolgen vanwege de horeca-activiteit als zodanig, ongeacht wie de horecaonderneming exploiteert, en ongeacht wie er op het terras zitten. De gevolgen op de fysieke leefomgeving zijn het gevolg bedoelde activiteiten: het terras is bedoeld, en op een terras wordt gepraat; een café heeft een geluidsinstallatie, en daarop wordt muziek afgespeeld. Het omgevingsplan beoogt de gevolgen van die bedoelde activiteiten te reguleren en onaanvaardbare overlast op de fysieke leefomgeving te voorkomen, bijvoorbeeld door regulering van sluitingstijden of omvang voor terrassen.
Op een aantal onderdelen betekent dit dat regels over onderwerpen die voorheen alleen in de APV werden gesteld, ook in het omgevingsplan worden gesteld. Zo bevatte de APV regels over openingstijden en bestemmingsplannen veelal juist niet, terwijl openingstijden van horeca in mede bepalend zijn voor de mate van overlast die horeca kan geven op de fysieke leefomgeving. Om die reden bevat het omgevingsplan regels over openingstijden. De in het omgevingsplan opgenomen regels over openingstijden bieden het buitenste kader. Binnen die regels is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het kan echter voorkomen dat in een specifiek geval feiten op het gebied van openbare orde en veiligheid vragen om een beperking van die openingstijden. De APV biedt voor die gevallen de mogelijkheid dat de burgemeester beperkingen kan opleggen met het oog op openbare orde en veiligheid.
Op deze wijze bevat het omgevingsplan de randvoorwaarden waarmee een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is geborgd. Met het oog op openbare orde en veiligheid kunnen daaraan verdere beperkingen worden gesteld. Dat betekent dat op grond van het omgevingsplan een bepaalde activiteit binnen bepaalde regels kan zijn toegestaan, maar dat op grond van de APV nog wel aanvullende beperkingen gelden.
Om deze scheiding duidelijk te maken verandert met de inwerkingtreding van de horecaregeling als onderdeel van het omgevingsplan de terminologie in de APV wat betreft het ‘woon- en leefklimaat’. Het woon- en leefklimaat als brede term omvat zowel ruimtelijke aspecten als zaken die de openbare orde aangaan. Het criterium zal in de APV worden verengd tot een beoordeling van 'de bestaande druk op de woon- en leefomgeving'.
Een gangbare definitie van openbare ordeverstoring is ‘een verstoring van enige betekenis van de normale gang van zaken in of aan de desbetreffende openbare ruimte’. Het gaat om gedragingen van mensen die niet planbaar of voorzienbaar zijn uit oogpunt van de functietoedeling, maar wel zorgen voor overlast in de omgeving van de horecazaak. Wordt met de exploitatie een naar zijn oordeel ontoelaatbare toename van dergelijke activiteit verwacht, dan kan de burgemeester de exploitatievergunning geheel of gedeeltelijk intrekken, weigeren te verlenen of voorschriften in de vergunning opnemen om die verwachte toename van druk op het woon- en leefomgeving te verminderen. Als de druk op de omgeving al hoger is, dan is aannemelijk dat een verdere aantasting ontoelaatbaar wordt geacht.
Het is onwenselijk dat een exploitatievergunning wordt verleend voor activiteiten die op grond van het omgevingsplan niet zijn toegestaan. Om te voorkomen dat de exploitatievergunning meer toestaat dan dat het omgevingsplan toelaat, wordt er in de APV in voorzien dat de exploitatievergunning geweigerd moet worden bij strijd met het omgevingsplan. Om te kunnen beoordelen of sprake is van strijd met het omgevingsplan wordt de aanvrager verzocht bij de aanvraag om een exploitatievergunning die informatie in te dienen die deze beoordeling mogelijk maakt. Zo zal moeten worden aangegeven wat de activiteiten zijn die gaan plaatsvinden, en wat de openingstijden zijn. Die voorgenomen activiteiten en openingstijden zijn daarmee onderdeel van de aanvraag en worden daarmee bij vergunningverlening ook onderdeel van de vergunning. Om het proces van toezicht en handhaving te vereenvoudigen, zal deze informatie als bijlage aan de exploitatievergunning worden toegevoegd. Daarmee heeft de vergunninghouder, maar ook de handhaver, overzichtelijk bij elkaar de voorwaarden uit de verschillende regelingen waaraan de vergunninghouder zich dient te houden.
In bestemmingsplannen werd gewerkt met algemene horeca-typeringen (zoals restaurant, eetcafé). Per bestemmingsplan konden de horeca-typeringen of de definities daarvan verschillen. Bij nieuwe horecaconcepten was soms onduidelijk welke typering het beste past. Bovendien zegt de algemene omschrijving niet zoveel over de daadwerkelijke activiteiten, en juist die activiteiten hebben impact op de fysieke leefomgeving. Daarom wordt van die oude horecatypering afscheid genomen. De nieuwe indeling is gebaseerd op de daadwerkelijk uitgevoerde horeca-activiteiten die invloed hebben op de omgeving. Met deze nieuwe indeling is er één ruimtelijke indeling in categorieën voor de hele stad.
Bij elke activiteit is de invloed op de omgeving anders. De volgende horeca-activiteiten worden daarbij onderscheiden:
bereiden van etenswaren en/of dranken binnen in het horecabedrijf;
verstrekken van etenswaren en/of niet-alcoholhoudende dranken voor gebruik ter plaatse;
consumptie in het horecabedrijf;
schenken van alcoholhoudende dranken;aanbieden/meegeven van etenswaren voor consumptie in de directe omgeving van het horecabedrijf;
aanbieden/meegeven van niet alcoholhoudende dranken voor consumptie in de directe omgeving van het horecabedrijf;
ten gehore brengen van meer dan achtergrondmuziek;
zaalverhuur voor feesten en partijen;
aanbieden van waterpijpen voor gebruik ter plaatse.
De eerste drie activiteiten zijn basisactiviteiten voor horeca, en ze definiëren wat in het omgevingsplan onder horeca wordt verstaan: een activiteit waarbij bedrijfsmatig voor directe consumptie ter plaatse dranken worden geschonken of eetwaren worden bereid of verstrekt.
De overige activiteiten zijn mede bepalend voor het definiëren van het type horeca. Sommige van deze horeca-activiteiten beïnvloeden de fysieke leefomgeving meer dan andere. Daarnaast verzwaren sommige combinaties van horeca-activiteiten deze impact. Door de afzonderlijke horeca-activiteiten in samenhang met elkaar te wegen, ontstaan er vier zwaartecategorieën van zelfstandige horecabedrijven, oplopend in de mate van impact op hun omgeving.
Zwaartecategorieën zelfstandige horeca
Lichte horeca
Reguliere horeca en reguliere horeca fastfood
Middelzware horeca
Zware horeca (uitgaan)
In het omgevingsplan worden locaties aangewezen waar uitsluitend lichte horeca is toegestaan, of waar reguliere horeca, middelzware of zware horeca is toegestaan. Dat gebeurt in paragraaf 2.3.20 van de regels. Per zwaartecategorie wordt met regels bepaald welke horeca-activiteiten er mogen plaatsvinden. Dat gebeurt door aan locaties een gebruiksdoel toe te kennen. Elke zwaartecategorie is een apart gebruiksdoel dat aan een locatie kan worden toegekend. In onderstaande figuur is weergegeven welke activiteiten bij welke zwaartecategorie passend zijn.
Per gebruiksdoel wordt geregeld waar die geldt, en dat daar de desbetreffende vorm van horeca als activiteit is toegestaan. Per gebruiksdoel zijn aanvullende regels opgenomen waarmee horeca nader wordt gereguleerd. In paragraaf 11.2.5.20 van deze algemene toelichting wordt de strekking van de inhoudelijke regels nader toegelicht.
Gebruiksdoel: lichte horeca
In subsubparagraaf 2.3.20.2.1 wordt bepaald waar lichte horeca is toegestaan, en welke regels daarop van toepassing zijn. Lichte horeca is gedefinieerd als een horecazaak, niet zijnde fastfoodhoreca, gericht op het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse bereide etenswaren en/of niet-alcoholische dranken voor directe consumptie in de horecazaak. Voorbeelden van lichte horeca zijn een koffiezaak, lunchroom, of ijssalon (alcoholvrij).
Op locaties voor lichte horeca is het -naast de drie basisactiviteiten- ook toegestaan om niet-alcoholhoudende dranken mee te geven voor consumptie in de directe omgeving van het horecabedrijf. Denk hierbij aan koffie of thee to-go. Het is niet toegestaan om etenswaren waarbij voorbereidingshandelingen nodig zijn mee te geven om direct te consumeren in de directe omgeving van het horecabedrijf. Het gaat dan om het verwarmen, gaar maken, beleggen en
ontdooien van eten. Dit trekt een aparte bezoekersstroom aan, met meer impact op de omgeving en bijvoorbeeld zwerfafval. Wel is het toegestaan om kleine etenswaren mee te geven voor consumptie in de directe omgeving van de zaak het horecabedrijf, zoals een koek of croissant. Ook het meegeven van een bereide maaltijd die de consument thuis kan verwarmen en opeten is toegestaan.
Gebruiksdoel: reguliere horeca
In subsubparagraaf 2.3.20.2.2 wordt bepaald waar reguliere horeca is toegestaan, en welke regels daarop van toepassing zijn. Reguliere horeca wordt gedefinieerd als een horecazaak gericht op het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse bereide etenswaren en/of al dan niet alcoholische dranken voor directe consumptie in de horecazaak. Voorbeelden van reguliere horeca zijn een brasserie, bistro of restaurant. Op een locatie met gebruiksdoel: reguliere horeca is ook lichte horeca toegestaan.
Aanvullend aan wat mag bij lichte horeca is op locaties voor reguliere horeca ook het schenken van alcoholhoudende dranken toegestaan. Net als bij lichte horeca, is het verstrekken van eten voor consumptie in de directe omgeving van het horecabedrijf niet toegestaan, omdat dit een aparte bezoekersstroom aan trekt. Voor zover er geen voorbereidingshandelingen nodig zijn, mogen kleine etenswaren meegegeven worden om te consumeren in de directe omgeving van het horecabedrijf. Het meegeven van een bereide maaltijd, die de consument thuis verwarmt en opeet, mag wel.
Binnen dit gebruiksdoel valt ook het exploiteren van fastfoodhoreca. Daaronder wordt verstaan een horecazaak gericht op het bedrijfsmatig verstrekken van vooral op gemaksvoeding gerichte, eenvoudige en snel bereide etenswaren, voor directe consumptie in de horecazaak of in de directe omgeving daarvan, met eventueel als nevenactiviteiten het voor consumptie in de horecazaak verstrekken van dranken. Onder fastfoodbedrijven worden in elk geval begrepen automatieken, snackbars, cafetaria’s, shoarma-/falafelzaken en fastfoodrestaurants. Fastfoodhoreca past hiermee binnen de omschrijving van reguliere horeca. Maar fastfoodhoreca is niet overal binnen locaties voor reguliere horeca gewenst. Daarom wordt fastfoodhoreca nader gereguleerd.
Gebruiksdoel: middelzware horeca
In subsubparagraaf 2.3.20.2.3 wordt bepaald waar middelzware horeca is toegestaan, en welke regels daarop van toepassing zijn. Middelzware horeca wordt gedefinieerd als een horecazaak, niet zijnde fastfoodhoreca, gericht op het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse bereide etenswaren en/of al dan niet alcoholische dranken voor directe consumptie in de horecazaak, waarbij muziek ten gehore wordt gebracht met een geluidsniveau hoger dan 75 dB(A). Voorbeelden van middelzware horeca zijn een bar, café, cocktailbar. Op een locatie met gebruiksdoel: middelzware horeca is ook lichte en reguliere horeca toegestaan.
Aanvullend aan wat is toegestaan bij reguliere horeca is het op locaties voor middelzware horeca toegestaan om meer dan achtergrondmuziek ten gehore te brengen, mits voldaan wordt aan de vereisten over muziekgeluid zoals opgenomen in hoofdstuk 9 van het omgevingsplan. Ondanks dat er voor muziekgeluid al regels gelden, blijkt uit ervaring dat muziekgeluid harder dan achtergrondniveau kan zorgen voor overlast in de omgeving.
Alleen op locaties voor middelzware horeca is de activiteit aanbieden van waterpijpen toegestaan. Het gaat om een waterpijp waarmee je waterpijptabak of kruidenmengsels rookt. Het verwarmen van het te roken mengsel kan op verschillende manieren, maar gebeurt vaak door middel van gloeiende kooltjes. Dit wordt ook wel shisha roken genoemd. Het bezoeken van een horecabedrijf voor het roken van shisha gebeurt de hele dag door en kan
als zelfstandige activiteit optreden, maar kan ook ondergeschikt zijn aan een andere hoofdactiviteit (als ‘toetje’ na een maaltijd). In beide gevallen trekt de mogelijkheid tot waterpijp roken een zelfstandige bezoekersstroom aan. Het gebruik van shisha geeft geuroverlast en – bij verhitting door middel van kooltjes – een aanzienlijk risico op een te hoog CO2-gehalte en brandgevaar.
Gebruiksdoel: zware horeca
In subsubparagraaf 2.3.20.2.4 wordt bepaald waar middelzware horeca is toegestaan, en welke regels daarop van toepassing zijn. Zware horeca wordt gedefinieerd als een horecazaak, niet zijnde fastfoodhoreca, bestaande uit het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse bereide etenswaren en/of al dan niet alcoholische dranken voor directe consumptie in de horecazaak, waarbij muziek ten gehore wordt gebracht met een geluidsniveau hoger dan 75 dB(A), en waarbij (een deel van) de ruimte wordt ingericht als dansvloer. Voorbeelden van zware horeca zijn een discotheek, nachtclub en zalenverhuur. Op een locatie met gebruiksdoel: zware horeca is ook lichte, reguliere en middelzware horeca toegestaan.
Alleen op locaties voor zware horeca (uitgaan) is het toegestaan om (een deel van) de ruimte in te richten als dansvloer. Er is sprake van het creëren van ruimte in een horecagelegenheid waar mensen zich vrij kunnen bewegen op muziek, waarbij de muziek ook bedoeld is om daartoe uit te nodigen, en waarbij het vrijmaken van de vloeroppervlakte om vrij te kunnen bewegen op muziek onderdeel uitmaakt van de reguliere bedrijfsvoering. Dit uit zich bijvoorbeeld in de vorm van de inrichting (bijvoorbeeld (deels) geen tafels en stoelen, podium, dj etc.), reclame/adverteren, kaartverkoop of entréeheffing en/of programmering, maar is hier niet toe beperkt. inrichten van (een deel van) de ruimte als dansvloer kan zorgen voor nieuwe bezoekersstromen, drukte tijdens piekmomenten en rijvorming, en kan daarmee impact op de fysieke leefomgeving hebben. Denk ook aan verkeershinder en geluidsoverlast. Deze activiteit is daarom alleen toegestaan in de categorie ‘zware horeca’.
Ook het verhuren voor feesten of partijen is alleen toegestaan op locaties voor zware horeca (uitgaan). Het gaat hierbij om “het op structurele basis bedrijfsmatig beschikbaar stellen van ruimte binnen een horecazaak ten behoeve van feesten voor grotere groepen, al dan niet besloten of tegen entreegeld”. Bij deze gelegenheden zijn (grote) groepen mensen aanwezig op hetzelfde moment. Meestal is er sprake van piekmomenten en komen -en gaan- de bezoekers op hetzelfde tijdstip. Dit zorgt voor een grotere verkeersaantrekkende werking en mogelijk ook voor meer (geluids)overlast. Bij een aantal vormen van zaalverhuur wordt deze verhuurd aan steeds andere partijen, die geen duurzame relatie met omwonenden hoeven te onderhouden. Dit maakt het lastig om de horecaondernemer en/of bezoekers van een specifieke partij, aan te spreken op hun gedrag. Daarom wordt deze activiteit apart beoordeeld om na te gaan of deze past op een locatie.
Gebiedsgewijze uitrol, consequenties nieuwe ruimtelijke indeling voor bestaande horecabedrijven
De regels waarmee aan locaties een bepaald gebruiksdoel wordt gegeven, worden niet ineens voor heel Amsterdam van toepassing. Dat zal gebied voor gebied gaan gebeuren, bij het vervangen van de onder oud recht vastgestelde bestemmingsplannen. Totdat ergens een bestemmingsplan is vervangen, gelden de regels uit dat bestemmingsplan.
Bij het vervangen van een bestemmingsplan met daarin regels over horeca, worden die regels vervangen door de nieuwe zwaartecategorieën. Bij die omzetting geldt voor legaal bestaande horecabedrijven dat deze horeca op de betreffende locatie passend is. De beoordeling op aanvaardbaarheid is in het verleden al gedaan. Dit hoeft niet opnieuw gedaan te worden.
Soms staat een bestemmingsplan op een locatie meer toe dan wat er feitelijk zit. Bij de omzetting wordt voor elke horecalocatie gekeken naar wat er nu is toegestaan in het bestemmingsplan. Als uitgangspunt geldt dat de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan worden overgenomen. Hierbij wordt de volgende omzettingstabel als uitgangspunt gehanteerd.
|
Waar op grond van het bestemmingsplan is toegestaan: |
Wordt het gebruiksdoel: |
|
Lunchroom, ijssalon, koffiehuis, theehuis, broodjeszaak |
Lichte horeca |
|
Lunchroom, ijssalon, koffiehuis, theehuis, broodjeszaak, bistro, restaurant of daarmee vergelijkbare vormen van horeca |
Reguliere horeca |
|
Grillroom, snackbar, fastfood, kebab, cafetaria, shoarmatent of daarmee vergelijkbare vormen van horeca |
Reguliere horeca aanduiding fastfood |
|
Café, bar, eetcafé, cocktailbar, shishalounge of daarmee vergelijkbare vormen van horeca: |
Middelzware horeca |
|
Nachtzaak, discotheek, club, zaalverhuur, partycentrum en daarmee vergelijkbare vormen van horeca |
Zware horeca |
In uitzonderlijke situaties kan worden afgeweken van het uitgangspunt dat gekeken wordt naar wat het nog geldende bestemmingsplan toestaat op een locatie. Als daartoe aanleiding bestaat, kan er beperkt worden. Bijvoorbeeld door alleen het feitelijk aanwezige lichtere gebruik te bestendigen in het omgevingsplan. Dit vraag een lokale afweging, die per de vervangen bestemmingsplan zal worden gemaakt.
Toelichting op de regeling
Een toelichting op de regeling zoals die wordt opgenomen in paragraaf 2.3.20 van de regels, wordt gegeven in paragraaf 11.2.5.20 van deze toelichting.
Zaalverhuur voor feesten en partijen is een horeca-activiteit die medebepalend is voor de uitstraling van horeca en daarmee voor de onderverdeling in zwaartecategorieën.
Met zaalverhuur voor feesten en partijen wordt gedoeld op het op structurele basis bedrijfsmatig beschikbaar stellen van ruimte binnen een horecazaak ten behoeve van feesten voor grotere groepen, al dan niet besloten of tegen entreegeld. Bij deze gelegenheden zijn (grote) groepen mensen aanwezig op hetzelfde moment. Meestal is er sprake van piekmomenten en komen -en gaan- de meeste bezoekers op hetzelfde tijdstip. Dit zorgt voor een grotere verkeersaantrekkende werking en mogelijk ook voor meer (geluids)overlast. Bij een aantal vormen van zaalverhuur wordt deze verhuurd aan steeds andere partijen, die geen duurzame relatie met omwonenden hoeven te onderhouden. Dit maakt het lastig om de horecaondernemer en/of bezoekers van een specifieke partij, aan te spreken op hun gedrag. Daarom wordt deze activiteit apart beoordeeld om na te gaan of deze past op een locatie.
Overgangsrecht
Het beleid geeft aan dat zaalverhuur voor feesten en partijen alleen wordt toegestaan binnen een locatie, bedoeld voor zware horeca. Dat wordt in de regels bepaald.
Om dit ineens voor heel Amsterdam goed te regelen, zijn de regels niet alleen gekoppeld aan regels over gebruiksdoelen, maar ook opgenomen in paragraaf 3.2.13.2 van de regeling. Deze regels gelden na vaststelling en inwerkingtreding direct voor heel Amsterdam. Voor die gebieden waar het bestemmingsplan nog geldt, is bepaald dat dat bestemmingsplan bepalend is voor het antwoord op de vraag of zaalverhuur voor feesten en partijen is toegestaan. Regelt het bestemmingsplan niets, dan is het alleen toegestaan binnen binnen een discotheek, dancing, sociëteit, of daarmee vergelijkebare horecazaak, voor zover die op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan is toegestaan.
Ook op locaties die niet met een gebruiksdoel voor horeca zijn aangewezen, kan horeca van toegevoegde waarde zijn. Gedacht kan worden aan een museum waar ook geluncht kan worden, een buurthuis waar koffie of thee wordt geserveerd, of een voetbalkantine waar het nodige is te krijgen. De hoofdfunctie is dan een andere dan horeca. De horeca-activiteiten die dan plaatsvinden worden additionele horeca genoemd. De exploitant van een additioneel horecabedrijf kan een ‘commerciële’ ondernemer zijn, zoals een BV. Het kenmerkende van additionele horeca zit dus in de omvang (ondergeschikt aan een andere hoofdfunctie), niet in de aard van de ondernemer die de horeca ontplooit.
Hierbij geldt dat er horeca mogelijk is, maar nooit de boventoon mag voeren. Dan is het namelijk zelfstandig, en niet meer ondergeschikt, wat andere effecten op de omgeving heeft. Voorkomen moet worden dat de horeca zelfstandige bezoekersstromen trekt. Als de horeca-activiteiten een zelfstandige bezoekersstroom trekken is er geen sprake meer van additionele maar van zelfstandige horeca. Dit komt tot uitdrukking in de begripsbepaling die in bijlage I van het omgevingsplan is opgenomen. Daarin is bepaald dat onder additionele horeca wordt verstaan 'al dan niet zelfstandig geëxploiteerde horeca, die ondergeschikt en ondersteunend is aan een andere hoofdactiviteit dan horeca, en die geen zelfstandige bezoekersstromen trekt.'
Om het ondergeschikte karakter te waarborgen, worden in het omgevingsplan beperkende regels opgenomen. Voor alle vormen van additionele horeca geldt dat alleen de drie basis-horeca activiteiten zijn toegestaan:
het bereiden van etenswaren en/of dranken binnen in het horecabedrijf;
het verstrekken van etenswaren en/of niet-alcoholhoudende dranken voor gebruik ter plaatse;
consumptie in het horecabedrijf.
Daarbij is het schenken van alcohol ter plaatse toegestaan, mits dit past binnen de kaders van de Alcoholwet. Het horeca-deel mag niet langer open zijn dan een uur voor tot een uur na de sluitingstijd van de hoofdfunctie. En het horeca-deel is niet zelfstandig, zonder een bezoek aan de hoofdfunctie, toegankelijk. Het ondergeschikte karakter komt ook tot uitdrukking in de maximale oppervlakte-eis (20% van de publiek toegankelijke ruimte). Dit ondergeschikte karakter betekent ook dat een terras of gevelbank niet is toegestaan.
Voor additionele horeca binnen winkels (met uitzondering van warenhuizen en grootschalige detailhandelsvestigingen) gelden aanvullende beperkingen. Uit onderzoek blijkt dat de grenzen tussen winkels en horeca-activiteiten vervagen om in te spelen op de wensen van consumenten en ondernemers. Dit zorgt in de praktijk voor onduidelijkheden. Om dit op te lossen worden de regels verduidelijkt ten opzichte van de regels zoals die golden voor zogenoemde mengformules. Daarvan wordt afscheid genomen. Voortaan wordt gesproken van: ‘additionele horeca bij winkels’. Dit om te benadrukken dat de winkel altijd de hoofdactiviteit is, en het niet kan gaan om een volledige vermenging van horeca en winkel. Omdat er nu eenmaal veel winkels in het straatbeeld zijn, gaat er van de horeca op deze locaties meer effect uit op de omgeving. Daarom gelden voor additionele horeca in winkels meer beperkingen dan voor andere hoofdfuncties. Het hoofddoel is dat we willen voorkomen dat de horeca een zelfstandige bezoekersstroom aantrekt.
Aanvullende regels zijn:
het verstrekken van alcohol voor gebruik ter plaatse is niet toegestaan;
naast een maximum percentage van 20% van het winkelvloeroppervlak geldt ook een absoluut maximum van 20 m2 voor het horecadeel in winkels; en
voor additionele horeca bij winkels geldt een meldplicht.
Met de meldplicht komt beter zicht op de ontwikkeling van het aantal winkels met additionele horeca, en waar ze zich bevinden. Dit biedt ook de kans om ondernemers te informeren over de voorwaarden of direct te checken of zij voldoen aan de voorwaarden.
Specifiek winkels met additionele horeca die ook etenswaren verkopen kunnen voor onduidelijkheid zorgen: is het een horecazaak of een winkel? Overeenkomstig het horecabeleid kan gebiedsgericht een tweedeling worden gemaakt voor additionele horeca in winkels:
Non-food winkels: er worden hoofdzakelijk producten verkocht die niet eetbaar of drinkbaar zijn. Bijvoorbeeld kleding, boeken of cosmetica.
Food winkels: er worden hoofdzakelijk eetbare en/of drinkbare producten verkocht. Bijvoorbeeld salades, brood en vis.
Er kunnen gebieden worden aangewezen waar additionele horeca niet is toegestaan binnen de uitoefening van detailhandel met een voedselwarenassortiment. Voor legaal bestaande gevallen wordt daarbij voorzien in overgangsrecht.
Voor alle vormen van additionele horeca geldt dat het bevoegd gezag een maatwerkvoorschrift kan stellen over de uitoefening van additionele horeca om onaanvaardbare overlast voor het woon- en leefklimaat tegen te gaan.
Overgangsrecht
De regels over additionele horeca zijn opgenomen in paragraaf 3.2.13.3 van de regeling. Deze regels gelden na vaststelling en inwerkingtreding direct voor heel Amsterdam. Deze regels gaan ook gelden voor legaal bestaande situaties van additionele horeca. Voor legaal bestaande situaties wordt voorzien in een overgangstermijn van zes maanden. Voor zover er met betrekking tot de additionele horeca een exploitatievergunning op grond van de APV is afgegeven, blijven de daarin opgenomen openingstijden van toepassing tot het moment dat die vergunning is verlopen. Daarna gelden de nieuwe openingstijden.
Toelichting op de regeling
Een toelichting op de regeling zoals die wordt opgenomen in paragraaf 3.2.13.3 van de regels, wordt gegeven in paragraaf 11.3.3.14.2van deze algemene toelichting.
Het horecabeleid onderscheid culturele horeca als een specifiek ter reguleren vorm van horeca. Ook dit betreft een aan een andere functie dan horeca ondergeschikte vorm van horeca. Kenmerkend voor culturele horeca is, net als bij additionele horeca, dat als het horecadeel stopt, de hoofdactiviteit blijft bestaan. Een museum blijft een museum, ook wanneer de lunchroom in het museum gesloten is. Onder culturele horeca valt ook de niet-zelfstandige horeca binnen een culturele instelling, waarbij de cultuuruiting of programmering een duidelijke horecacomponent heeft. Voorbeelden zijn Paradiso of Bitterzoet. Dit geldt ook voor culturele instellingen die een pand of ruimte verhuren voor bijeenkomsten of feesten (niet zijnde zaalverhuur voor feesten en partijen). De insteek van de horeca-activiteiten is vaak om de exploitatie van de hoofdactiviteit kostendekkend te krijgen. Bij deze vorm kan de horeca, anders dan bij additionele horeca, een zelfstandige bezoekersstroom trekken. Afhankelijk van het soort instelling en de locatie, kunnen voorwaarden verbonden zijn aan de (frequentie van) horeca-activiteiten in combinatie met de openingstijden (per week, maand of jaar).
Uitgangspunt is een getrapte toestemming voor culturele horeca. Eerst worden met de regels in het omgevingsplan locaties aangewezen waar culturele horeca kan worden toegelaten. Het kan gaan om een specifieke locatie of een groter gebied. Bij het aanwijzen van een locatie moet wel worden aangetoond dat die locatie in beginsel geschikt is voor culturele horeca. Dat kan met een ruimtelijke toets op hoofdlijnen. Voor een concreet initiatief is vervolgens een omgevingsvergunning nodig. Daarbij wordt gekeken naar de specifieke gevolgen van het concrete initiatief en de aanvaardbaarheid daarvan. De vergunningplicht zorgt voor een finale toets van de aanvaardbaarheid van het concrete initiatief. De reden daarvoor is dat juist het concrete initiatief bepalend is voor de mate van overlast.
Culturele horeca moet aan een aantal volgende vereisten voldoen:
het gebouw wordt geëxploiteerd door een instelling met een culturele doelstelling;
culturele horeca draagt bij aan een mix van verschillende activiteiten binnen het gebouw, waarbij de horeca-activiteit ondergeschikt is -en blijft- aan de culturele activiteiten;
culturele horeca leidt niet tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat in de omgeving van de activiteit.
Om deze beoordeling te kunnen maken, is in het omgevingsplan een vergunningplicht voor culturele horeca in het leven geroepen. In het kader van die vergunning kan worden getoetst aan de drie genoemde vereisten. Om de vergunning te verkrijgen, moet uit een bedrijfsplan blijken dat er sprake is van een culturele programmering. Aan de vergunning kunnen de voorschriften worden verbonden ter voorkoming van onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat in de omgeving, en om het specifieke karakter van culturele horeca te borgen. De openingstijden van culturele horeca sluiten aan bij de hoofdfunctie van het gebouw, en worden opgenomen in de omgevingsvergunning voor culturele horeca.
Overgangsrecht
De regels hierover zijn opgenomen in subparagraaf 3.2.13.4. Deze regels gelden na vaststelling en inwerkingtreding direct voor heel Amsterdam. Daarmee worden dan echter nog geen locaties aangewezen voor culturele horeca. Totdat ergens een bestemmingsplan is vervangen, blijven bestemmingsplannen bepalend voor de vraag of culturele horeca is toegestaan.
De vergunningplicht geldt echter wel direct overal. Voor legaal bestaande situaties wordt voorzien in overgangsrecht. Bestaande vergunning worden gelijkgesteld met de nieuwe omgevingsvergunning. En ook vergunningen die nog niet zijn verleend, maar die op grond van een nog geldend bestemmingsplan verleend kunnen worden, worden daarmee gelijkgesteld. Locaties die reeds beschikken over een omgevingsvergunning voor culturele horeca, hoeven dus niet opnieuw een vergunning aan te vragen.
Toelichting op de regeling
Een toelichting op de regeling zoals die wordt opgenomen in subparagraaf 3.2.13.4 van de regels, wordt gegeven in paragraaf 11.3.3.14.3 van deze algemene toelichting.
Behalve additionele horeca en culturele horeca zijn er op locaties ook nog anders combinaties van horeca met een andere vorm van gebruik mogelijk, waarbij een juridische koppeling wenselijk is. Het gaat dan om al dan niet zelfstandige horeca in combinatie met een andere vorm van gebruik dan horeca, waarbij het mogen uitoefenen van horeca weliswaar is verbonden aan de aanwezigheid van de andere vorm van gebruik, maar sprake kan zijn van bijvoorbeeld een eigen toegankelijkheid. Of waarbij de openingstijden van de horeca zijn verbonden aan die van de andere vorm van gebruik. Dergelijke combinaties hebben veel weg van culturele horeca, alleen is er, anders dan bij culturele horeca, sprake van zelfstandige horeca. Bovendien hoeft de horeca niet altijd plaats te vinden in combinatie met een culturele instelling. Deze combinaties hebben ook veel weg van additionele horeca, alleen mogen ze zelfstandige bezoekersstromen aantrekken, en zijn ze niet per definitie ondergeschikt aan dat andere gebruik. Het gaat om gebruikscombinaties waarbij de te stellen regels die de combinatie moeten borgen per geval sterk kunnen verschillen.
Omdat het in essentie om zelfstandige horecazaken gaat, waarvoor in beginsel dezelfde regels gelden als voor andere horecazaken, is uitgangspunt dat deze gebruikscombinaties voor wat betreft het horecadeel worden gefaciliteerd met de regels, opgenomen in subparagraaf 2.3.20.2. Ze krijgen dus een bepaald gebruiksdoel horeca, net als andere locaties waar horecazaken zijn toegestaan. Ook de algemene regels, zoals opgenomen in subparagraaf 2.3.20.1, zijn van toepassing. In aanvulling daarop kunnen in subparagraaf 2.3.20.3 per geval aanvullende regels worden gesteld die nodig zijn om de onderlinge relatie te borgen.
Op terrassen kunnen Amsterdammers en bezoekers elkaar buiten ontmoeten. Terrassen zorgen voor een levendig straatbeeld en kunnen bijdragen aan de sociale controle. Horecabedrijven vallen op door hun terras en ondernemers maken extra omzet. Terrassen zijn dus belangrijk voor de stad, haar bewoners, ondernemers en bezoekers. Maar deze positieve effecten van terrassen hebben ook een keerzijde. Een terras beïnvloedt de omgeving meer dan een horecabedrijf binnen. Zo nemen terrassen schaarse openbare ruimte in. Op stoepen en pleinen moet ook ruimte zijn voor voetgangers en ander verkeer, winkeluitstallingen, groen, nutsvoorzieningen, openbare bankjes en speeltoestellen. Het geluid en de geur afkomstig van het terras en het komen en gaan van de terrasbezoekers, is voor omwonenden meestal goed merkbaar. Daarom worden er regels gesteld voor terrassen.
Het horecabeleid voorziet in een getrapte toestemming voor horecaterrassen. Eerst worden met de regels in het omgevingsplan locaties aangewezen waar een horecaterras kan worden toegelaten. Het kan gaan om een specifieke locatie of een groter gebied. Bij het aanwijzen van een locatie moet wel worden aangetoond dat die locatie in beginsel geschikt is voor het toelaten van een terras. Dat kan met een ruimtelijke toets op hoofdlijnen. Voor een concreet initiatief is vervolgens een omgevingsvergunning nodig. Daarbij wordt gekeken naar de specifieke gevolgen van het concrete initiatief en de aanvaardbaarheid daarvan.
Daarnaast geldt er een aantal algemene regels die op het exploiteren van een horecaterras van toepassing zijn. Al deze regels zijn opgenomen in paragraaf 3.2.13.5.
Van een regeling per bestemmingsplan naar een geharmoniseerde regeling voor alle horecaterrassen
Er is voor een horecaterras altijd een juridisch-planologische toestemming nodig. Maar die toestemming kan op verschillende manieren worden vormgegeven. Dat hoeft niet perse in de vorm van een vergunningplicht te zijn.
Binnen het ruimtelijk ordenings- en bouwrecht zoals dat tot 1 januari 2024 gold, kon dat via:
algemene regels in het bestemmingsplan, waarmee een terras ergens bij recht werd toegestaan;
een verbod op terrassen in het bestemmingsplan, waarbij tevens een binnenplanse afwijkmogelijkheid werd opgenomen; met een binnenplanse afwijkvergunning kon dan een terras ergens worden toegestaan;
een verbod op terrassen in het bestemmingsplan; met een buitenplanse afwijkvergunning kon dan een terras ergens wordt toegestaan.
Die keuze kon per bestemmingsplan worden gemaakt. Het gevolg is dat er binnen de vele bestemmingsplannen die voor Amsterdam zijn vastgesteld, allerlei verschillende keuzes zijn gemaakt. Anders dan afzonderlijke bestemmingsplannen geldt het omgevingsplan voor heel Amsterdam. Een van de grote opgaven daarbij is regelharmonisatie: gelijke regels en regelsystematiek waar mogelijk, maatwerk waar nodig. Regelharmonisatie is geen doel op zich, maar maakt de regels kenbaarder en het recht voorspelbaarder. Dat is in het belang van zowel horecaondernemers als omwonenden. Voor het omgevingsplan moet een keuze worden gemaakt in de toe te passen systematiek.
Globaal kent de Omgevingswet dezelfde mogelijkheden als onder oud recht:
algemene regels in het omgevingsplan, waarbinnen een terras ergens bij recht, zonder nadere vergunningplicht, wordt toegestaan;
een in het omgevingsplan opgenomen vergunningplicht; met een omgevingsvergunning kan dan een terras ergens worden toegestaan;
een verbod op terrassen in het omgevingsplan; met een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (bopa) kan dan een terras ergens wordt toegestaan. Deze bopa moet (tenzij tijdelijk van aard) wel binnen vijf jaar in het omgevingsplan worden ingepast, wat weer om de onder a bedoelde algemene regels vraagt.
Uitgangspunt is een getrapte toestemming voor horecaterrassen. Eerst worden met de regels in het omgevingsplan locaties aangewezen waar een horecaterras kan worden toegelaten. Het kan gaan om een specifieke locatie of een groter gebied. Bij het aanwijzen van een locatie moet wel worden aangetoond dat die locatie in beginsel geschikt is voor een horecaterras. Dat kan met een ruimtelijke toets op hoofdlijnen. Voor een concreet initiatief is vervolgens een omgevingsvergunning nodig. Daarbij wordt gekeken naar de specifieke gevolgen van het concrete initiatief en de aanvaardbaarheid daarvan. De vergunningplicht zorgt voor een finale toets van de aanvaardbaarheid van het concrete initiatief. De reden daarvoor is dat juist het concrete initiatief bepalend is voor de mate van overlast.
Waarom een vergunningplicht
Bij het toestaan van een bepaalde functie op een bepaalde locatie, moet worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van effecten van de betreffende functie op de omgeving, maar ook naar de effecten vanuit de omgeving op de betreffende functie. Daarbij kunnen, waar nodig, regels worden gesteld ter voorkoming van onaanvaardbare gevolgen. Dat geldt ook voor het toestaan van een horecaterras.
Een van de aspecten die daarbij in elk geval moeten worden betrokken, betreft stemgeluid. Stemgeluid vanwege een horecaterras kan voor omwonenden een bron van overlast zijn. Artikel 5.59, eerste lid, Besluit kwaliteit leefomgeving bepaalt dat in een omgevingsplan wordt rekening gehouden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen. Het tweede lid bepaalt dat een omgevingsplan erin voorziet dat het geluid door een activiteit op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Dit betekent dat de aanvaardbaarheid van ook het stemgeluid op een horecaterras beoordeeld moet worden. En dat, als dat nodig is, voorwaarden moeten worden gesteld om de aanvaardbaarheid te borgen. Er is echter geen wettelijke norm voor stemgeluid, en die mag op grond van artikel 5.73 Bkl ook niet worden opgenomen in het omgevingsplan. De reden is dat een getalsmatige normering van stemgeluid in de praktijk slecht toepasbaar en handhaafbaar is gebleken (Staatsblad 2018 292, p. 724).
Er mag dus geen algemene regel met een geluidsnorm waaraan voldaan moet worden in het omgevingsplan worden opgenomen. Tegelijk moet dus wel de aanvaardbaarheid van ook het stemgeluid op een terras vooraf beoordeeld worden. En als dat nodig is, moeten voorwaarden worden gesteld om de aanvaardbaarheid te borgen. Daarbij kan worden gedacht aan het stellen van tijdvakken waarin bepaalde activiteiten mogen plaatsvinden of door afstanden vast te stellen tussen de activiteit en de geluidgevoelige gebouwen (Staatsblad 2018 292, 714).
Juist het vaststellen van welke openingstijden of afstanden ten opzichte van woningen nodig zijn om de aanvaardbaarheid te beoordelen, is sterk afhankelijk van de specifieke situatie. Dat onderkent ook de wetgever, die aangeeft dat bij de overweging of, en zo ja, welke regels in het omgevingsplan vastgesteld moeten worden, de volgende aspecten logischerwijs een rol spelen: de bestaande toetsingskaders, waaronder lokaal geluidbeleid, het geluid ter plaatse op geluidgevoelige gebouwen, de aard, omvang en de waardering van het geluid dat vrijkomt bij de betreffende activiteit, de historie van de betreffende activiteit en het klachtenpatroon met betrekking geluidhinder, de bestaande en verwachte geluidhinder van de betreffende activiteit en de kosten en baten van technische voorzieningen en gedragsregels (Staatsblad 2018 292, p. 714). Dat de impact op het woon- en leefklimaat van omwonenden mede afhankelijk is van de locatie en omvang van de horecagelegenheid, volgt ook uit reeds bestaande, op oud recht van toepassing zijnde jurisprudentie (o.a. ECLI:NL:RVS:2015:3869, ECLI:NL:RVS:2013:1740 en ECLI:NL:RVS:2019:2652).
Om te bepalen welke regels met betrekking tot stemgeluid nodig zijn, ligt daarom een beoordeling per geval voor de hand. Het stellen van beperkingen via uitsluitend algemene regels doet geen recht aan de specifieke situaties. Een dergelijke beoordeling is alleen goed te maken op het niveau van een concreet initiatief. Het instrument om een beoordeling op basis van het concrete initiatief te maken is een vergunningplicht. Aan een omgevingsvergunning voor een horecaterras kunnen dan die voorschriften worden verbonden die nodig zijn om de ruimtelijke impact van het specifieke aangevraagde terras te beperken.
Om bovenstaande redenen is in het omgevingsplan gekozen voor een vergunningplicht voor horecaterrassen. Die vergunningplicht vormt het sluitstuk van een getrapte toestemming. Met algemene regels wordt eerst bepaald waar een horecaterras kan worden toegestaan.
Overgangsrecht
De regels met betrekking tot horecaterrassen, waaronder de vergunningplicht, gelden na vaststelling en inwerkingtreding direct voor heel Amsterdam. Voor legaal bestaande situaties wordt voorzien in overgangsrecht. Dat overgangsrecht voorziet erin dat voor legaal bestaande terrassen een omgevingsvergunning van rechtswege ontstaat. De beoordeling op aanvaardbaarheid van een legaal bestaand terras is in het verleden al gedaan. Dit hoeft niet opnieuw gedaan te worden. Voor nieuwe terrassen, maar ook bij wijziging van een bestaand legaal terras, geldt wel de vergunningplicht.
Toelichting op de regeling
Een toelichting op de regeling zoals die wordt opgenomen in paragraaf 3.2.13.5 van de regels, wordt gegeven in paragraaf 11.3.3.14.4 van deze algemene toelichting.
Relatie met de Algemene Plaatselijke Verordening
Horecaterrassen worden ook geregeld op grond van de APV. Dat was zo, en dat blijft zo. Dat betekent dat het exploiteren van een terras alleen is toegestaan, wanneer daarvoor ook een exploitatievergunning is afgegeven. Het kan zijn dat aanvullende beperkingen nodig zijn vanwege openbare orde en veiligheidsaspecten. Als dat het geval is, dan kan de burgemeester dat doen. De APV blijft dat mogelijk maken.
Het horecabeleid bevat een kader voor opname van regels over openingstijden in het omgevingsplan. Het reguleren van openingstijden voor horeca in het omgevingsplan is een wijziging ten opzichte van de wijze waarop openingstijden van horeca voorheen werden gereguleerd. Openingstijden werden niet in bestemmingsplannen, maar in de APV en op grond daarvan te verlenen exploitatievergunningen geregeld. Daarmee werden openingstijden ook niet betrokken bij het bepalen welke horeca op een locatie mogelijk is. Terwijl openingstijden van horeca wel van invloed kunnen zijn op de mate van overlast die door omwonenden kan worden ervaren. Want hoe langer een horecabedrijf open is, hoe langer er reuring is in de omgeving. Daarom is er voor gekozen in het omgevingsplan te sturen op openingstijden voor horeca.
Regels over openingstijden worden gekoppeld aan de zwaartecategorieën die op een locatie zijn toegestaan. Speciaal in horeca-concentratiegebieden is het wenselijk dat niet alle bezoekers van verschillende zaken op hetzelfde moment naar buiten gaan. De nieuwe standaard sluitingstijden van horeca in Amsterdam lopen daarom uiteen van 22:00 uur voor de lichtste horeca, tot 05:00 uur in het weekend voor de zwaarste horeca-categorie. Door de week is laatste sluitingstijd 04:00 uur. Door verschillende eindtijden per zwaartecategorie vertrekken de bezoekers gespreid. Ook ontheffingsmogelijkheden dragen bij aan het gespreid vertrek van bezoekers.
|
Zwaartecategorie horeca |
Maximale standaard openingstijden |
|
Lichte horeca
|
06:00-22:00 |
|
Reguliere horeca / reguliere horeca fastfood
|
Zo/do 07:00-01:00 Vr/za 07:00-02:00 |
|
Middelzware horeca
|
Zo/do 07:00-01:00 Vr/za 07:00-03:00 |
|
Zware horeca (uitgaan)
|
Zo/do 09:00-04:00 Vr/za 09:00-05:00 |
Hoewel openingstijden worden gekoppeld aan zwaartecategorieën, worden de regels over openingstijden niet opgenomen in paragraaf 2.3.20, maar in subparagraaf 3.2.13.6. De reden is dat de openingstijden direct voor alle horeca in heel Amsterdam moeten gaan gelden. Omdat de regels in paragraaf paragraaf 2.3.20 pas ergens gaan gelden wanneer die bij het vervangen van een bestemmingsplan van toepassing worden gemaakt, is opname van de regels in dat onderdeel vooralsnog niet mogelijk.
Overgangsrecht
De regels in subparagraaf 3.2.13.6 gelden ineens voor heel Amsterdam. Voor zover het onder oud recht vastgestelde bestemmingsplan nog niet is vervangen, wordt daarvoor een overgangsbepaling opgenomen. Dat voorkomt ook dat horecabedrijven in een gebied waar het bestemmingsplan is vervangen in een nadeliger positie komen ten opzichte van horecabedrijven waar dat nog niet het geval is. Deze aanpak creëert een level playingfield. Voor bestaande horecabedrijven zal wel een overgangstermijn gaan gelden, zodat de bedrijfsvoering kan worden aangepast. Voor nieuwe bedrijven geldt die niet, omdat voor de bedrijfsvoering vanaf het begin af aan rekening kan worden gehouden met de geldende openingstijden.
Toelichting op de regeling
Een toelichting op de regeling zoals die wordt opgenomen in subparagraaf 3.2.13.6 van de regels, wordt gegeven in paragraaf 11.3.3.14.5 van deze algemene toelichting.
Relatie met de Algemene Plaatselijke Verordening
Voorheen werden openingstijden uitsluitend geregeld op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening. Op grond van het beleid wordt nu primair gestuurd op openingstijden om overlast op het woon- en leefklimaat aanvaardbaar te houden. Het kan echter zo zijn dat een beperking van openingstijden nodig is vanwege openbare orde en veiligheidsaspecten. De op grond van het omgevingsplan toegelaten openingstijden zullen ook in de exploitatievergunning worden vastgelegd. Als beperking van openingstijden nodig is, vanwege openbare orde en veiligheid óf de bestaande druk op de woon- en leefomgeving, dan kan de burgemeester dat doen. Een hierop gebaseerde bepaling blijft in de Algemene Plaatselijke Verordening staan.
Zoals hiervoor al een aantal keer aangegeven, wordt waar nodig voorzien in overgangsrecht voor bestaande legale situaties. In een aantal gevallen wordt voorzien in een overgangstermijn. Gedurende die termijn hoeft een legaal bestaande horecazaak nog niet de voldoen aan gestelde algemene regels. Dat geldt bijvoorbeeld voor de nieuwe regels over additionele horeca en openingstijden. De daarbij te stellen termijn moet de ondernemer in de gelegenheid stellen de bedrijfsvoering aan te passen. In het horecabeleid is uitgegaan van een overgangstermijn van twee jaar. Voorgesteld wordt dit te verruimen naar drie jaar. Daarmee wordt aangesloten op andere onderdelen dan horeca in het omgevingsplan, waarin eveneens wordt gewerkt met overgangstermijnen. Dat komt de kenbaarheid van de regels ten goede. Bovendien wordt daarmee aangesloten op de geldingsduur van verreweg de meeste exploitatievergunningen. Dat voorkomt dat in een exploitatievergunning bijvoorbeeld ruimere openingstijden staan dan dat in het omgevingsplan is bepaald. Voor exploitatievergunning die eerder aflopen dan dat de betreffende overgangstermijn in het omgevingsplan nog duurt, kan worden geanticipeerd op de nieuwe regels.
EE
Na sectie 10.19 worden drie secties ingevoegd, luidende:
Op 27 juli 2024 is het door de gemeenteraad vastgestelde Hotelbeleid 2024 in werking getreden. Het hotelbeleid van 2024 geldt voor het hele grondgebied van de gemeente Amsterdam en borduurt voort op het al in 2016 met het ‘Overnachtingsbeleid’ ingezette restrictieve beleid ten aanzien van hotelontwikkeling. Dit Overnachtingsbeleid is met vaststelling van het Hotelbeleid 2024 ingetrokken.
Nieuw-voor-oud
De mogelijkheden om nieuwe hotels te ontwikkelen of bestaande hotels uit te breiden is zeer beperkt. Medewerking aan nieuwe hotelinitiatieven of uitbreiding wordt in de gemeente Amsterdam in de basis niet gegeven. Het beheersen van de overnachtingscapaciteit ten behoeve van het woon- en leefklimaat ligt aan deze keuze ten grondslag. Waar onder het Overnachtingsbeleid nog sprake was van enkele zogenoemde 'nee, tenzij - gebied', waarin onder strenge voorwaarden nog ontwikkeling mogelijk was, is onder het Hotelbeleid 2024 enkel nog sprake van ‘nee-gebied’. Hotelontwikkeling kan sinds invoering van het Hotelbeleid 2024 uitsluitend worden gehonoreerd in het kader van de regeling ‘nieuw-voor-oud’. De regeling houdt in dat hotelontwikkeling alleen nog planologisch mogelijk kan worden gemaakt als er elders slaapplaatsen blijvend worden weggenomen. Een dergelijke uitruil heeft als doel een kwaliteitsverbetering binnen het Amsterdamse hotelaanbod, zonder dat het aantal slaapplaatsen toeneemt. Toepassing van de nieuw-voor-oud regeling mag er niet toe leiden dat matige hotels uit de periferie vervangen worden door nieuwe hotels in gebieden waar de leefbaarheid onder druk staat. De voorkeur gaat uit naar een uitruil die plaatsvindt vanuit Centrum naar een ontwikkelingsgebied, zoals Noord, Nieuw-West en Zuidoost. Een uitruil wordt echter niet beperkt tot bepaalde gebieden en is ook mogelijk binnen stadsdeel Centrum. Aan het nieuwe hotel zijn voorwaarden verbonden die betrekking hebben op het hotelconcept, de impact op de omgeving en de duurzame exploitatie van het toekomstige hotel.
Aanpassingen zonder toename overnachtingscapaciteit
In het hotelbeleid is ook bepaald dat hotelaanpassingen die afwijken van het omgevingsplan maar die niet voorzien in een uitbreiding van het aantal slaapplaatsen, niet in strijd zijn met dit beleid. Hierbij kan worden gedacht aan het aanbrengen van een lift, een uitbreiding van het restaurantgedeelte of installaties voor duurzaamheidsmaatregelen. Als dergelijke uitbreidingen in overeenstemming zijn met alle andere wet- en regelgeving, waaronder ook de maatstaf van ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’, is er geen goede reden om daar niet aan mee te werken. In de meeste gevallen zal een ondernemer willen investeren om kwaliteit toe te voegen. Daarmee is sprake van een positieve ontwikkeling. De ondernemer kan blijven investeren in verbeteringen, bijvoorbeeld voor het verduurzamen van hun pand. Hotelaanpassingen die afwijken van het omgevingsplan maar die niet voorzien in een uitbreiding van het aantal slaapplaatsen, passen daarmee binnen het hotelbeleid. Het doel van het overnachtingsbeleid is immers dat er, ter bescherming van de woon- en leefomgeving geen overnachtingscapaciteit bij komt. Ter zekerstelling hiervan zal aan de omgevingsvergunning ter zake het voorschrift worden verbonden dat gebruikmaking van de omgevingsvergunning -ook in de toekomst- niet mag leiden tot uitbreiding van het aantal slaapplaatsen.
Voorbereidingsbesluit slaapplaatsen hotels
Op 28 november 2024 is in aanvulling op en in het verlengde van het Hotelbeleid 2024 het voorbereidingsbesluit slaapplaatsen hotels in werking getreden. Hierin is een verbod opgenomen om zonder omgevingsvergunning het aantal slaapplaatsen in bestaande hotels te vergroten. Ook is in het voorbereidingsbesluit de bevoegdheid voor het college opgenomen om (maatwerk)voorschriften op te leggen in geval van bestaande planologische rechten om nieuwe hotels te ontwikkelen of bestaande hotels uit te breiden. Het voorbereidingsbesluit geldt in de hele gemeente Amsterdam.
Vertaling naar regels
Paragraaf 2.3.8 regelt het gebruiksdoel 'hotel'. Geregeld wordt dat daar waar een gebruiksdoel hotel geldt, het exploiteren van een hotel als activiteit is toegestaan. Onder een hotel wordt verstaan een onderneming gericht op het bedrijfsmatig aanbieden van faciliteiten ten behoeve van overnachten voor recreatief of zakelijk verblijf in een gebouw, voor de duur van 1 dag tot en met 12 maanden, anders dan op een kampeerterrein of vakantiepark, met inbegrip van bijbehorende faciliteiten voor hotelgasten en congresfaciliteiten. Onder een hotel wordt niet verstaan het gebruik van woonruimte of de daarbij behorende opstallen voor bed & breakfast, short stay of vakantieverhuur. In de paragraaf zijn aanvullende regels opgenomen waarmee het gebruik als hotel nader kan worden gereguleerd. Voor de meeste van die regels geldt dat ze alleen van toepassing zijn ter plaatse van specifiek aangegeven aanduidingen. In de artikelgewijze toelichting wordt de strekking van de inhoudelijke regels nader toegelicht.
Met de regels wordt bepaald waar hotelvestiging is toegestaan, en onder welke voorwaarden. Daarmee wordt invulling gegeven aan het gemeentelijk hotelbeleid.
Begin 2018 zijn stedelijk uniforme locatieprofielen voor evenementenlocaties vastgesteld. Deze profielen hebben in 2018 en 2019 kaderstellend gewerkt voor de vergunningverlening voor evenementen op betreffende locaties. Ook zijn gebruikt bij het vaststellen van regels voor evenementenlocaties in bestemmingsplannen. Naar aanleiding van de evaluatie zijn in 2020 wijzigingen in de profielen aangebracht om ervoor te zorgen dat vanaf 2021 duidelijk is binnen welke kaders evenementen kunnen worden gehouden. Ook nadien zijn nog aanpassingen gedaan.
De locatieprofielen bevatten per evenementenlocatie zowel een kader voor de op grond van de APV benodigde evenementenvergunning als een ruimtelijk kader. In de locatieprofielen staat per locatie aangegeven hoeveel evenementen en hoeveel evenementdagen er mogen plaatsvinden. Het aantal dagen en aantal evenementen dat mogelijk is, staat aangegeven in een tabel bij ieder locatieprofiel. Voor zover meerdaagse evenementen zijn toegestaan, maar dat evenement in beginsel maximaal 2 dagen duren. Als hiervan mag worden afgeweken, is dit specifiek benoemd. Bij meerdaagse evenementen op dezelfde locatie moet tussen de eindtijd van de ene dag en de begintijd van de volgende dag minimaal 12 uur zitten. Of een muziekevenement is toegestaan, en wat daarvoor de beperkingen zijn, is eveneens bepaald per locatie. Met muziekevenementen worden evenementen bedoeld die als primair doel het ten gehore brengen van muziek hebben. Evenementen waarbij dit niet het geval is, zoals sportevenementen of food-festivals, worden niet beschouwd als muziekevenement. Daarvoor geldt een maximale geluidsnorm van 75 dB(C). Ook worden per locatie beperkingen gesteld aan het aantal kleine, middelgrote of grote evenementen dat per jaar mag plaatsvinden. Zo worden per locatie beperkingen gegeven die de aanvaardbaarheid van het gebruik als evenementenlocatie moeten borgen.
Het aanwijzen van evenementenlocaties zal gebied voor gebied voor gebeuren, bij het vervangen van de nog geldende, onder oud recht vastgestelde bestemmingsplannen. Totdat de nieuwe locatieprofielen bekend zijn, blijven de bestaande locatieprofielen bepalend voor de beperkingen die daarbij in de regels aan een evenementenlocatie worden gesteld. Mocht een wijziging van de locatieprofielen daartoe aanleiding geven, dan zal het omgevingsplan daarop worden aangepast.
Darkstores, dat wil zeggen een vorm van bedrijfsvoering die in hoofdzaak is gericht op de verkoop en bezorging binnen zeer korte termijn (flitsbezorging) van online aangeboden producten, overwegend dagelijkse goederen, vanuit een opslagruimte, al dan niet met (beperkte) uitstalling ten verkoop, al dan niet met een afhaalloket of afhaalbalie, die niet of deels toegankelijk is voor winkelend publiek, zijn in Nederland en Amsterdam een betrekkelijk nieuw fenomeen. Er is nog geen beleid voor darkstores door provincie Noord-Holland of de Stadsregio Amsterdam geformuleerd. Amsterdam heeft ook geen algemeen beleid voor darkstores. Wel is er op 17 mei 2022 (Gemeenteblad 26 juli 2022, nr. 339902) het “Ruimtelijk afwegingskader flitsbezorging vanuit darkstores” (https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR680083/1) vastgesteld. Het afwegingskader geeft inzicht, richting, en meer grip aan alle stadsdelen van Amsterdam bij de beoordeling van locaties op ruimtelijke inpasbaarheid van darkstores in afwijking van de regeling in bestemmingsplannen (inmiddels het tijdelijk deel van het omgevingsplan en na omzetting daarvan het omgevingsplan). De (nieuwe) initiatieven kunnen voor alle stadsdelen worden beoordeeld aan de hand van hetzelfde kader. In het ruimtelijk afwegingskader wordt beschreven welke aspecten de gemeente weegt bij de vestiging van een nieuw te vestigen darkstore. Ten behoeve van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het belangrijk dat functies op de juiste plekken landen. Daarbij moet het woon- en leefklimaat van bewoners en gebruikers van de openbare ruimte worden beschermd.
In het omgevingsplan is ervoor gekozen darkstores als een apart gebruiksdoel te zien, om ze daarmee een eigen plek te geven, zonder dat verwarring of vermenging optreedt met detailhandel en bedrijven. Dit is ook de keuze die in paraplubestemmingsplan Flitsbezorging vanuit darkstores is gemaakt. Of op een bepaalde locatie een darkstore gewenst is, wordt bepaald bij wijziging van het omgevingsplan. Nieuwe initiatieven zullen aan de hand van afwegingskader (buitenplans) worden beoordeeld.
FF
Na sectie 10.22 wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Amsterdam groet binnen haar grenzen. In de Omgevingsvisie is voor de periode tot 2050 ruimte voor meer dan 150.000 nieuwe woningen, uitgaande van een groei met 200.000 arbeidsplaatsen in diezelfde periode en de daarbij behorende groei van diverse maatschappelijke voorzieningen. Verdichting is in dat verband een duurzame vorm van verstedelijking. Verdichting kan op verschillende manieren vorm krijgen. In elke vorm stelt Amsterdam eisen aan onderwerpen als betaalbaarheid, schoonheid, klimaatneutraal, goede woningen, een goede plint, enzovoorts. Hoogbouw is op plekken met hoge dichtheden een manier om kwalitatieve buurten te maken met voldoende ruimte voor groen en licht in de straten en tuinen.
Het hoogbouwbeleid Amsterdam 2024 dat op 17 juli 2024 is vastgesteld door de gemeenteraad vervangt het hoogbouwbeleid van 2011. De principes van het hoogbouwbeleid blijven daarbij wel van kracht. Het gaat dan om het mogelijk maken van hoogbouw op plekken die goed bereikbaar zijn met het openbaar vervoer, maar ook het beschermen van de beschermde stadsgezichten.
Voor een groot deel van de stad geldt volgens het hoogbouwbeleid dat gesproken wordt van hoogbouw vanaf een bouwhoogte van 30 meter. Voor de meeste buurten binnen de Ring A10 en ten zuiden van het IJ en Weesp worden gebouwen hoger dan 1,25 keer de overwegende bouwhoogte van de directe omgeving vanaf 15 meter gedefinieerd als hoogbouw. Dat geldt ook voor het UNESCO-gebied. Er zijn enkele uitzonderingen. Onderstaande afbeelding geeft een overzicht van de verschillende gebieden.
Het hoogbouwbeleid bestaat uit regels op gebiedsniveau en principes op gebouwniveau. De regels op gebiedsniveau zijn opgenomen in de vorm van vier regimes:
Ja, gebieden geschikt voor hoogbouw (Haven -Stad, Sloterdijk, Ringzone West, Schiphol corridor, Zuidas, IJ-oevers, Amstel-stad, station Noord en Science Park);
Soms, op specifieke plekken( Nieuw-West, Buitenveldert, Zuidoost en Noor ten noorden van tuindorpen);
In principe nee (binnen de ring exclusief beschermd stadsgezicht, IJburg, Zeeburgereiland exclusief de westkant van Hasseltzone in Noord, Weesp en Driemond) en
Nee (beschermde stadsgezichten en de randen van de scheggen en het IJ).
Naast de uitgangspunten die per regime zijn geformuleerd gelden voor elk plan de volgende punten ten aanzien van hoogbouw:
Hoogbouw respecteert de waarden en kwaliteiten van het UNESCO-gebied.
Hoogbouw respecteert de waarden van de beschermde stads- en dorpsgezichten en van het ‘Aandachtsgebied van de Wederopbouw’.
Hoogbouw moet passen in het ruimtelijke systeem.
Er zijn op schaalniveau van het gebouw en het blok waarin het gebouw staat vier principes geformuleerd waar een hoog gebouw aan moet voldoen om tot een goed hoog gebouw te komen dat lang mee gaat:
Hoogbouw draagt bij aan de levendigheid van de openbare ruimte;
Het is fijn wonen en werken in hoogbouw;
Hoogbouw gaat lang mee;
Hoogbouw maakt op een mooie manier onderdeel uit van het stadssilhouet.
Bij een wijziging van het omgevingsplan waarmee hoogbouw wordt mogelijk gemaakt, zal in de op het wijzigingsbesluit van toepassing zijnde motivering worden aangegeven op welke wijze aan het hoogbouwbeleid uitvoering wordt gegeven.
De Wet luchtvaart stelt regels aan luchtvaartverkeer. Op grond van die wet worden onder meer ruimtelijke beperkingen gesteld in verband met vliegveiligheid, veiligheid van de omgeving en geluidbelasting. De ruimtelijke beperkingen zijn uitgewerkt in het Luchthavenindelingbesluit Schiphol (LIB) en in luchthavenbesluiten van de provincie als het gaat om luchthavens van regionale betekenis. Deze besluiten kunnen beperkingen stellen aan hoogbouw. In paragraaf 9.4.1 van deze toelichtingwordt hier nader op ingegaan. Kortheidshalve wordt daarnaar verwezen.
Hoogbouw kan leiden tot radarverstoring. Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat hierom beperkende regels. In paragraaf 9.2.13.2.4 en 9.2.13.2.6 van deze toelichting wordt hier nader op ingegaan. Kortheidshalve wordt daarnaar verwezen.
Hoogbouw kan leiden tot verstoring communicatie-, navigatie- en radarapparatuur voor de burgerluchtvaart. Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat hierom beperkende regels. In paragraaf 9.2.13.5 vand eze toelichtring wordt hier nader op ingegaan. Kortheidshalve wordt daarnaar verwezen.
Hoogbouw kan leiden tot windhinder of windgevaar. In paragraaf 10.6 van deze toelichting wordt hier nader op ingegaan. Kortheidshalve wordt daarnaar verwezen.
Hoogbouw kan leiden tot schaduwwerking. In paragraaf 10.13 van deze toelichting wordt hier nader op ingegaan. Kortheidshalve wordt daarnaar verwezen.
GG
Na sectie 10.23 worden vier secties ingevoegd, luidende:
Bij ruimtelijke ontwikkelingen en projecten moet rekening worden gehouden met (beschermde) natuurwaarden in de omgeving. Het toegelaten gebruik mag er niet toe leiden dat hierdoor te beschermen waarden van een bepaald gebied of bepaalde planten- en diersoorten worden aangetast.
Het wijzigen van het omgevingsplan kan gevolgen hebben voor natuurgebieden waarvoor op grond van nationale of internationale regelgeving of nationaal of gemeentelijk beleid een speciaal beschermingsregime geldt. Dit noemen we gebiedsbescherming. Deze gebieden hoeven overigens niet in het besluitgebied zelf te liggen. Activiteiten in een besluitgebied kunnen namelijk negatieve gevolgen op een gebied (ver) daarbuiten hebben. Dit heet externe werking. Daarnaast kunnen individuele dier- en plantensoorten bescherming genieten ongeacht waar zij voorkomen (soortenbescherming).
Gebiedsbescherming: Natura 2000
Op grond van de Vogel- en van de Habitatrichtlijn zijn door de Europese lidstaten gebieden aangewezen die onderdeel uitmaken van de Europese ecologische hoofdstructuur, ook wel Natura 2000-gebieden genoemd. Voor die gebieden geldt een zware bescherming en zijn doelstellingen voor de daar voorkomende beschermde planten- of diersoorten vastgesteld. Indien een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt, moet worden onderzocht of de ontwikkeling significante negatieve effecten heeft op de soorten en/of habitattypen waar doelstellingen voor zijn. Sommige negatieve effecten, zoals die van stikstof, kunnen verreiken.
De natuurbeschermingswetgeving vereist dat het zeker moet zijn dat significant nadelige effecten op Natura 2000-gebieden als gevolg van het plan of project uitgesloten zijn, voordat toestemming verleend wordt voor dat plan of project. Als het niet op voorhand zeker is dat dergelijke effecten uitgesloten zijn, moet een zogenoemde passende beoordeling opgesteld worden en een omgevingsvergunning bij Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Holland (namens deze: de Omgevingsdienst Noord-Holland-Noord) worden aangevraagd voor een Natura2000-activiteit. Als uit de passende beoordeling blijkt dat die effecten ook niet met te treffen maatregelen kunnen worden uitgesloten, dan moet de zogenoemde ADC-toets worden doorlopen: er zijn geen Alternatieven, er is sprake van Dwingende redenen van openbaar belang en er vindt Compensatie plaats. Dit moet in het te nemen besluit gemotiveerd worden.
De voormalige Wet natuurbescherming is via het aanvullingsspoor beleidsneutraal omgezet in de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving (hfd. 11), zie Aanvullingswet natuur Omgevingswet (Stb. 2020, 310) en Aanvullingsbesluit natuur Omgevingswet (Stb. 2021, 22). Ook de Spoedwet aanpak stikstof (Stb. 2019,517), Verzamelwet LNV 2021 (Stb. 2021, 27) en de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Stb. 2021, 140) zijn opgegaan in de Omgevingswet.
Natuurnetwerk Nederland
Voor heel Nederland zijn natuurgebieden met verbindingszones vastgelegd. Dit Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een belangrijk middel om de hoofddoelstelling van het natuurbeleid te bereiken: natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als essentiële bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving. Het NNN moet er onder meer toe bijdragen dat afspraken over het behoud en het herstel van biodiversiteit worden nagekomen. De verbindingen zijn grensoverschrijdend, als je uitzoomt zie je dat de verbindingen in Europa met elkaar zijn verbonden, zodat diersoorten zich vrij kunnen bewegen en vermengen over Europa en de grote natuurgebieden kunnen bereiken.
Provinciale Staten van Noord-Holland hebben op grond van artikel 7.6 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in de provincie Noord-Holland gebieden aangewezen als NNN en als natuurverbindingen die onmisbaar zijn voor het volwaardig functioneren van het NNN.
Beschermde soorten
Vrijwel alle in Nederland in de vrije natuur voorkomende flora en fauna is beschermd. Soortenbescherming is een onderdeel van de Omgevingswet en Besluit activiteiten leefomgeving. De soortenbescherming geldt zowel binnen als buiten speciaal beschermde natuurgebieden.
Met verschillende wetsinstrumenten is het mogelijk om te zorgen voor de bescherming van flora en fauna. Dit voorkomt achteruitgang van de biodiversiteit. Dit betekent onder meer dat het verboden is om vogels, zoogdieren, amfibieën, reptielen en een aantal vissoorten te verstoren, te vangen of te doden en dat het verboden is om hun rust-, verblijfs-, en nestplaatsen uit te halen of te vernielen. Wilde planten mogen niet worden uitgestoken.
Zowel met gebieds- als soortenbescherming moet rekening worden gehouden bij wijziging van het omgevingsplan.
Op grond van artikel 5.90, eerste lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is het verplicht om in het omgevingsplan (of bij een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit) rekening te houden met de geur van activiteiten, anders dan wonen, op geurgevoelige gebouwen (zie meer uitgebreid paragraaf 9.2.9 van deze toelichting).
Deze verplichting is aan de orde zowel bij het toelaten van geurveroorzakende activiteiten als bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen. In artikel 9.84 is bepaald wat in dit omgevingsplan onder een geurgevoelig gebouw wordt verstaan. In aanvulling op de door de instructieregels reeds beschermde objecten worden ook als geurgevoelig aangewezen andere gebouwen die geschikt zijn voor menselijk verblijf en daadwerkelijk zodanig worden gebruikt. Hiermee wordt aangesloten bij de definitie van geurgevoelig object zoals dat op het voorheen geldend recht gold.
Een geurgevoelig gebouw is:
een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat is toegelaten op grond van dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met een:
een ander gebouw dat op grond van dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en dat volgens aard, indeling en inrichting geschikt is om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en daarvoor permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze, wordt gebruikt.
Concreet betekent dit artikel dat het gemotiveerd moet worden:
of er sprake is van een aanvaardbaar geursituatie; en
en wat de gevolgen zijn voor de ‘geurruimte’ van activiteiten.
Bij de beoordeling van de geursituatie moet niet alle gekeken van de geur van de activiteiten afzonderlijk, maar ook gecumuleerd.
Aanvaardbaarheid
Op grond van het tweede lid van artikel 5.92 Bkl moet het omgevingsplan erin voorzien dat het geur door een activiteit, anders dan wonen, op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is.
Met uitzondering van enkele bijzondere activiteiten (bepaalde agrarische activiteiten en zuiveringstechnische werken) wordt in het Bkl niet bepaald wat onder een aanvaardbaar geurniveau wordt verstaan. Amsterdam heeft geen geurbeleid om hieraan nadere invulling te geven. Dit wordt per geval beoordeeld. Voor zover activiteiten met potentiële geurhinder dichtbij gevoelige activiteiten worden toegelaten dient beoordeeld te worden in hoeverre geurhinder het aanvaardbaar woon- en leefklimaat raakt. Ook bij het toelaten van geurgevoelige activiteiten dichtbij activiteiten met potentiële geurhinder wordt afgewogen wat het gevolg daarvan is voor die activiteit met potentiële geurhinder.
Milieuregels
Artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving bevat een specifieke zorgplicht milieu. Deze zorgplicht houdt onder meer in dat degene die de milieubelastende activiteit verricht verplicht is om alle redelijkerwijs te vergen maatregelen te treffen om geurhinder te vorkomen dan wel de gevolgen ervan te beperken. Artikel 9.4 van het omgevingsplan bevat dezelfde zorgplicht voor activiteiten die niet onder de reikwijdte van dat besluit vallen. Hiernaast bevatten het Bal en het omgevingsplan specifieke geurregels voor enkele aangewezen activiteiten, zoals bepaalde agrarische activiteiten, rioolwaterzuiveringswerken en activiteiten met voedingsmiddelen. De specifieke geurregels kunnen geurnormen zijn of concrete voorzieningen, zoals het afzuigen en afvoeren van emissies.
Ten aanzien van het aspect stofhinder zijn er geen eisen opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Ook is er geen Amsterdams beleid over stofhinder. Desalniettemin kan in het kader van evenwichtige toedeling van functies aan locaties dit aspect ook relevant zijn. Voor zover activiteiten met potentiële stofhinder dichtbij gevoelige activiteiten worden toegelaten dient beoordeeld te worden in hoeverre stofhinder het aanvaardbaar woon- en leefklimaat raakt. Ook bij het toelaten van gevoelige activiteiten dichtbij activiteiten met potentiële stofhinder wordt afgewogen wat het gevolg daarvan is voor die activiteit met potentiële stofhinder. Dit wordt per geval beoordeeld.
Artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving bevat een specifieke zorgplicht milieu. Deze zorgplicht houdt onder meer in dat degene die de milieubelastende activiteit verricht verplicht is om alle redelijkerwijs te vergen maatregelen te treffen om stofhinder te vorkomen dan wel de gevolgen ervan te beperken. Artikel 9.4 van het omgevingsplan bevat dezelfde zorgplicht voor activiteiten die niet onder de reikwijdte van dat besluit vallen. Ook het Bal bevat voorschriften voor specifieke activiteiten met het oog op het voorkomen van stofhinder, zoals het afzuigen en afvoeren van emissies.
Lichthinder is het negatieve effect dat veroorzaakt wordt door kunstmatige verlichting. De hoeveelheid lichthinder is afhankelijk van de aard, intensiteit, duur en plaats van de verlichting. Er is nog weinig duidelijkheid over de zogenoemde effectafstanden. Er zijn wel effecten aan te wijzen die van invloed zijn. Ten eerste vormen de kenmerken van de verlichting (verlichtingsintensiteit bijv.) een variabele. Het tweede aspect is de situatie waarin de verlichting plaatsvindt (transparantie van het landschap bijv.).
Er zijn vier soorten lichthinder te onderscheiden:
Lichthinder voor de mens (light trespass): het niet kunnen onttrekken aan kunstmatige verlichting.
Lichthinder langs de wegen (glare): licht langs (rijks)wegen kan leiden tot gevaarlijke situaties.
Verstoring voor de natuur: nachtelijk kunstmatige verlichting kan een (negatief) effect hebben op het gedrag van dieren. Dieren kunnen hun dag- en nachtcyclus aanpassen aan de kunstmatige verlichting. Het kan ook leiden tot desoriëntatie, afstoting of aantrekking.
Horizonvervuiling (skyglow): de zichtbaarheid van licht op langere afstanden. De kunstmatige verlichting van sportvelden of landbouwkassen reikt soms ver.
Internationale wetgeving
Richtlijn Lichthinder
De Richtlijn Lichthinder CIE150:2017 (vervanging van de Richtlijn Lichthinder CIE150:2013) is opgesteld door The International Commission on Illumination (CIE). Deze richtlijn helpt om het effect van kunstmatige verlichting op de omgeving te kunnen beoordelen. Daarnaast geeft het aanbevelingen om op basis van relevante parameters limieten te stellen om het effect van lichtvervuiling te beperken. In principe is de richtlijn toepasbaar op nieuwe installaties, maar er zijn ook adviezen geformuleerd voor bestaande installaties, in de vorm van herstellende maatregelen. Deze richtlijn bevat strengere regels ter bescherming van omwonenden en flora/fauna dan de eerdere richtlijn. Sinds 1 november 2021 is de Richtlijn Lichthinder CIE150:2017 via het NSVV (Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde) ook in Nederland van kracht.
Directive 2009/125/E
Het Europees Parlement heeft in 2009 de Directive 2009/125/E vastgesteld. Deze richtlijn is een kader voor nationale overheden om eisen te stellen ten aanzien van ecologisch ontwerp voor energiegerelateerde producten. Er worden hiermee ook voorwaarden gesteld voor lichtinstallaties. Het is echter geen richtlijn om lichthinder te verminderen.
Green Public Procurement Criteria for Road Lighting and Traffic Signals (GPP)
De Europese Commissie heeft in 2019 de eerdere GPP herzien. Het document bevat criteria voor wegverlichting en stoplichten zodat achterhaalt kan worden wat de impact ervan is op de omgeving. Er zijn adviezen opgenomen om lichtvervuiling, na installatie van nieuwe lichtbronnen, te verminderen. Dit document heeft echter geen bindende werking.
Guidelines for consideration of bats in lighting projects
In dit document, opgesteld door EUROBATS, worden de negatieve effecten van kunstmatige verlichting op vleermuizen tijdens de nacht beschreven. Er zijn richtlijnen opgesteld om deze negatieve effecten op vleermuizen mee te kunnen nemen in projecten.
Nationale wetgeving
Alhoewel Nederland geen overkoepelende wetgeving heeft over lichthinder komt het onderwerp toch terug in verschillende nationale wetten en regelingen.
Omgevingswet
Net als vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn ook nu voornamelijk provincies en gemeentes verantwoordelijk voor het reguleren van verlichting en lichthinder. Toch zijn onder de Omgevingswet regels over dit onderwerp vastgelegd in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en het Invoeringsbesluit. De Bbl bevat bijvoorbeeld regels over de zorgplicht bij het mobiel breken van bouw- en sloopafval. Voor kunstlicht in de tuinbouw bij kassen gelden specifieke rijksregels in de vorm van een meldingsplicht en maatregelen. Kassen moeten een lichtscherminstallatie hebben die ten minste 98% van de kunstmatige verlichting tijdens het donkerte afschermt. Deze regel is opgenomen in artikel 4.790 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en komt oorspronkelijk voort uit het inmiddels vervallen Besluit Glastuinbouw. Verder geldt de specifieke zorgplicht voor activiteiten die in de Bal geregeld worden. Bij een milieubelastende activiteit zal zorg gedragen moeten worden voor het voorkomen ofwel beperken van lichthinder.
In de bruidsschat in het Invoeringsbesluit zijn tot slot regels te vinden over lichthinder bij sportvelden. Deze regels zijn onder de Omgevingswet automatisch onderdeel geworden van het Omgevingsplan.
De decentrale overheden moeten verder zelf een afweging maken bij het opstellen van beleid over dit onderwerp. Er kunnen bijvoorbeeld maatwerkvoorschriften of lokaal algemeen verbindende voorschriften opgesteld worden. Bij het vastleggen van regels kunnen overheden gebruik maken van de Richtlijn lichthinder, gebaseerd op de internationale Richtlijn Lichthinder CIE150:2017, van de NVSS. Hierin staan uitgangspunten hoe getoetst kan worden of nieuwe installaties voldoen aan de internationale standaarden. Er is daarnaast ook een leidraad voor overheden om het beleid voor lichthinder uit te werken. Ook is er een handleiding voor de beoordeling van objecten langs autowegen en autosnelwegen, opgesteld door Rijkswaterstaat.
HH
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Paragraaf 2.3.8 regelt het gebruiksdoel 'hotel'. Geregeld wordt dat daar waar een gebruiksdoel hotel geldt, het exploiteren van een hotel als activiteit is toegestaan. Onder een hotel wordt verstaan een onderneming gericht op het bedrijfsmatig aanbieden van faciliteiten ten behoeve van overnachten voor recreatief of zakelijk verblijf in een gebouw, voor de duur van 1 dag tot en met 12 maanden, anders dan op een kampeerterrein of vakantiepark, met inbegrip van bijbehorende faciliteiten voor hotelgasten en congresfaciliteiten. Onder een hotel wordt niet verstaan het gebruik van woonruimte of de daarbij behorende opstallen voor bed & breakfast, short stay of vakantieverhuur. In de paragraaf zijn aanvullende regels opgenomen waarmee het gebruik als hotel nader kan worden gereguleerd. Voor de meeste van die regels geldt dat ze alleen van toepassing zijn ter plaatse van specifiek aangegeven aanduidingen. In de artikelgewijze toelichting wordt de strekking van de inhoudelijke regels nader toegelicht.
Met de regels wordt bepaald waar hotelvestiging is toegestaan, en onder welke voorwaarden. Daarmee wordt invulling gegeven aan het gemeentelijk hotelbeleid. Op 27 juli 2024 is het door de gemeenteraad vastgestelde Hotelbeleid 2024 in werking getreden (zie paragraaf 10.20 van deze algemene toelichting). Het hotelbeleid van 2024 geldt voor het hele grondgebied van de gemeente Amsterdam en borduurt voort op het al in 2016 met het ‘Overnachtingsbeleid’ ingezette restrictieve beleid ten aanzien van hotelontwikkeling. Dit Overnachtingsbeleid is met vaststelling van het Hotelbeleid 2024 ingetrokken.
Met de regels wordt bepaald waar hotelvestiging is toegestaan, en onder welke voorwaarden. Daarmee wordt invulling gegeven aan het gemeentelijk hotelbeleid. De gemeenteraad van Amsterdam heeft op 13 juli 2016 de "herziening van het Amsterdamse deel van de Regionale hotelstrategie 2016-2022: van hotelbeleid naar overnachtingsbeleid" vastgesteld. Dat beleid is per 1 januari 2017 in werking getreden, en geldt voor het gehele grondgebied van de gemeente Amsterdam. Paragraaf 2.3.8, waarin het gebruiksdoel 'hotel' wordt geregeld, bevat een vertaling van het geldende overnachtingsbeleidhotelbeleid. Het Overnachtingsbeleidhotelbeleid is van toepassing op verblijfsaccommodaties die verblijf aanbieden van één nacht tot en met twaalf maanden. Het beleid (en ook deze paragraaf) is niet van toepassing op woonruimte of bij woningen behorende erfbebouwing die aangeboden worden voor toeristisch verblijf (vakantieverhuur of B&B). Evenmin is het beleid (en deze paragraaf) van toepassing op short stay. Bij short stay gaat het om het gebruik van woonruimte voor het aanbieden van short stay. Het gebruik van woonruimte en het daarbij behorend erf is geregeld in paragraaf 2.3.1.
Het Overnachtingsbeleid is restrictief en heeft betrekking op hotelontwikkeling op locaties waar dit nog niet planologisch is mogelijk gemaakt. Bij de notitie ‘Uitwerking Overnachtingsbeleid, deel I’, is een kaart gevoegd waarin de gehele gemeente is ingedeeld in twee gebiedstypen, de zogenaamde ‘nee’ en ‘nee, tenzij’ gebieden’. Uitsluitend in de ‘nee, tenzij’ gebieden is hotelontwikkeling onder strikte voorwaarden mogelijk. Zo dient bijvoorbeeld sprake te zijn van een kwaliteitsimpuls voor de omgeving en moet de duurzaamheidstoets worden doorstaan. Er moet sprake zijn van een bijzonder, onderscheidend en innovatief concept, buurtbetrokkenheid en sociaal ondernemerschap. Dit brengt met zich mee dat in de ‘nee’ gebieden uitsluitend aan locaties met een bestaand hotel en aan locaties waar een hotel op grond van het omgevingsplan (met inbegrip van de ruimtelijke besluiten, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, die bij wijze van overgangsrecht als tijdelijk deel onderdeel zijn van dit omgevingsplan) is toegestaan, een functie 'hotel’ wordt gegeven.
Locaties voor nieuwe hotelontwikkelingen en uitbreidingen van bestaande hotels in ‘nee, tenzij’ gebieden kunnen uitsluitend worden toegestaan indien voldoende juridisch is geborgd dat het te ontwikkelen hotel aan alle voorwaarden uit het overnachtingsbeleid voldoet. Dit kan bijvoorbeeld via gronduitgifte maar ook via een separate overeenkomst met de grondeigenaar die dit waarborgt. Een buitenplanse vergunning voor een omgevingsplanactiviteit is de andere optie om een nieuwe hotelontwikkeling toe te staan. Ook daarbij is voldoende borging van de voorwaarden van het grootste belang zijn. Op 26 oktober 2021 heeft het college voor de in het beleid aangegeven 'nee-gebieden' de Notitie ‘Afremmen hotelgroei door inzet erfpachtinstrument’ vastgesteld, inhoudende in nee-gebieden niet wordt meegewerkt aan een wijziging van het erfpachtrecht voor een hotel(uitbreiding), ook al is dit juridisch-planologisch wel toegestaan. Met het hierin geformuleerde beleid wordt invulling gegeven aan het gemeentelijk belang zoals opgenomen in het Beleid bestemmings- en bebouwingswijziging. Bij een wijziging van het omgevingsplan op een locatie waar een hotel juridisch-planologisch wel is toegestaan, maar niet is gerealiseerd, of waar niet van de volledige mogelijkheid gebruik is gemaakt, is het in zijn algemeenheid de intentie dat die niet benutte juridisch-planologische mogelijkheid komt te vervallen. Of dat daadwerkelijk, kan zal per geval worden afgewogen.
Het hotelbeleid is restrictief en heeft betrekking op hotelontwikkeling op locaties waar dit nog niet planologisch is mogelijk gemaakt. De mogelijkheden om nieuwe hotels te ontwikkelen of bestaande hotels uit te breiden is zeer beperkt. Medewerking aan nieuwe hotelinitiatieven of uitbreiding wordt in de gemeente Amsterdam in de basis niet gegeven. Het beheersen van de overnachtingscapaciteit ten behoeve van het woon- en leefklimaat ligt aan deze keuze ten grondslag. Waar onder het Overnachtingsbeleid nog sprake was van enkele zogenoemde 'nee, tenzij - gebied', waarin onder strenge voorwaarden nog ontwikkeling mogelijk was, is onder het Hotelbeleid 2024 enkel nog sprake van ‘nee-gebied’. Hotelontwikkeling kan sinds invoering van het Hotelbeleid 2024 uitsluitend worden gehonoreerd in het kader van de regeling ‘nieuw-voor-oud’. De regeling houdt in dat hotelontwikkeling alleen nog planologisch mogelijk kan worden gemaakt als er elders slaapplaatsen blijvend worden weggenomen. Een dergelijke uitruil heeft als doel een kwaliteitsverbetering binnen het Amsterdamse hotelaanbod, zonder dat het aantal slaapplaatsen toeneemt. Toepassing van de nieuw-voor-oud regeling mag er niet toe leiden dat matige hotels uit de periferie vervangen worden door nieuwe hotels in gebieden waar de leefbaarheid onder druk staat. De voorkeur gaat uit naar een uitruil die plaatsvindt vanuit Centrum naar een ontwikkelingsgebied, zoals Noord, Nieuw-West en Zuidoost. Een uitruil wordt echter niet beperkt tot bepaalde gebieden en is ook mogelijk binnen stadsdeel Centrum. Aan het nieuwe hotel zijn voorwaarden verbonden die betrekking hebben op het hotelconcept, de impact op de omgeving en de duurzame exploitatie van het toekomstige hotel.
In het hotelbeleid is ook bepaald dat hotelaanpassingen die afwijken van het omgevingsplan maar die niet voorzien in een uitbreiding van het aantal slaapplaatsen, niet in strijd zijn met dit beleid. Hierbij kan worden gedacht aan het aanbrengen van een lift, een uitbreiding van het restaurantgedeelte of installaties voor duurzaamheidsmaatregelen. Als dergelijke uitbreidingen in overeenstemming zijn met alle andere wet- en regelgeving, waaronder ook de maatstaf van ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’, is er geen goede reden om daar niet aan mee te werken. In de meeste gevallen zal een ondernemer willen investeren om kwaliteit toe te voegen. Daarmee is sprake van een positieve ontwikkeling. De ondernemer kan blijven investeren in verbeteringen, bijvoorbeeld voor het verduurzamen van hun pand. Hotelaanpassingen die afwijken van het omgevingsplan maar die niet voorzien in een uitbreiding van het aantal slaapplaatsen, passen daarmee binnen het hotelbeleid. Het doel van het overnachtingsbeleid is immers dat er, ter bescherming van de woon- en leefomgeving geen overnachtingscapaciteit bij komt. Ter zekerstelling hiervan zal aan de omgevingsvergunning ter zake het voorschrift worden verbonden dat gebruikmaking van de omgevingsvergunning -ook in de toekomst- niet mag leiden tot uitbreiding van het aantal slaapplaatsen.
II
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Paragraaf 2.3.15 regelt het gebruiksdoel 'groen'. Uitgangspunt daarbij is dat de gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: groen' als gebruiksdoel heeft het realiseren, in stand houden en gebruiken van groenvoorzieningen in de open lucht, waaronder in ieder geval worden begrepen (bos)parken, plantsoenen en open speelplekken, met de daarbij behorende waterpartijen.
Dat betekent niet dat 'groen' uitsluitend is toegestaan waar een gebruiksdoel groen geldt. Ter plaatse van dat gebruiksdoel moeten de gronden groen worden ingericht, maar daarbuiten is groen eveneens toegestaan. Het vijfde lid, onderdeel a, van artikel 2.3 zorgt daarvoor.
JJ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Paragraaf 2.3.17 regelt het gebruiksdoel 'buisleiding met gevaarlijke stoffen'. Geregeld wordt dat daar waar een gebruiksdoel buisleiding met gevaarlijke stoffen geldt, het gebruik voor een buisleiding met gevaarlijke stoffen als activiteit is toegestaan.
Onder een buisleiding met gevaarlijke stoffen wordt verstaan buisleiding als bedoeld in artikel 3.101, eerste lid, onder a tot en met d, van het Besluit activiteiten leefomgeving. In samenhang met artikel 2.3 wordt hiermee geborgd dat buisleidingen met gevaarlijke stoffen alleen ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: buisleiding met gevaarlijke stoffen' mogen geëxploiteerd worden. Gelet op de externe veiligheidsrisico’s van deze leidingen voor de omgeving is het wenselijk dat het vervoer van gevaarlijke stoffen in buisleidingen niet overal, maar alleen ter plaatse van de nader aangeduide locaties plaats vindt.
In de paragraaf zijn aanvullende regels opgenomen waarmee het gebruik als sportvoorziening nader kan worden gereguleerd. Voor de meeste van die regels geldt dat ze alleen van toepassing zijn ter plaatse van specifiek aangegeven aanduidingen. In de artikelgewijze toelichting wordt de strekking van de inhoudelijke regels nader toegelicht.
Op grond van paragraaf 3.2.8 geldt aanvullend een verbod om zonder omgevingsvergunning de leiding, de druk of de vervoerde stof te wijzigen voor zover de wijziging leidt tot een wijziging van het aandachtsgebied bedoeld in artikel 5.12 en 5.13 Besluit kwaliteit leefomgeving. Deze vergunningplicht is opgenomen in hoofdstuk 3 omdat die ook moet gelden daar waar een onder oud recht vastgesteld bestemmingsplan nog niet is vervangen.
KK
Na sectie 11.2.5.19 worden drie secties ingevoegd, luidende:
In paragraaf 2.3.20 is een nieuwe indeling in zwaartecategorieën voor horeca opgenomen. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan het horecabeleid. De nieuwe indeling is gebaseerd op de daadwerkelijk uitgevoerde horeca-activiteiten die invloed hebben op de omgeving. Met deze nieuwe indeling is er één ruimtelijke indeling in categorieën voor de hele stad.
Paragraaf 2.3.20 is onderverdeeld in een drietal subparagrafen. Subparagraaf 2.3.20.1 betreft een algemeen deel. Daarin wordt allereerst bepaald waar de paragraaf over gaat. Dat is over het exploiteren van een horecazaak. Daaronder wordt verstaan een bedrijf, in hoofdzaak gericht op het uitoefenen van horeca. Dat is geregeld in artikel 2.244, eerste lid. Het derde lid van dat artikel bepaalt dat deze paragraaf niet van toepassing op een horecazaak die als additionele horeca is toegestaan op grond van subparagraaf 3.2.13.3. Voor additionele horeca gelden andere regels. Die zijn opgenomen in subparagraaf 3.2.13.3. In artikel 2.244 wordt verder bepaald waar deze paragraaf geldt (derde lid). Dat is ter plaatse van de aanduidingen 'gebruiksdoel: lichte horeca', 'gebruiksdoel: reguliere horeca', 'gebruiksdoel: middelzware horeca' en 'gebruiksdoel: zware horeca'. Verder bevat deze subparagraaf enkele algemene regels over omvang en positionering die van toepassing kunnen zijn op een horecazaak (artikel 2.245).
Subparagraaf 2.3.20.2 bevat de regels waarmee een zwaartecategorie aan een locatie kan worden toegekend, en welke regels daarop van toepassing zijn. Hieronder wordt hier nader op ingegaan.
Subparagraaf 2.3.20.3 is van toepassing op het exploiteren van een horecazaak op locaties waar het exploiteren van een horecazaak uitsluitend is toegestaan indien en zolang op die locatie ook een andere vorm van gebruik plaatsvindt.
Vertaling zwaartecategorieën in gebruiksdoelen
Het horecabeleid gaat uit van vier zwaartecategorieën voor horeca. Voor locaties waar horeca wordt toegestaan, wordt ook bepaald welke zwaartecategorie daar mag komen. Dat gebeurt door aan locaties een bepaald gebruiksdoel toe te kennen. Dat gebeurt in subparagraaf 2.3.20.2. Deze subparagraaf regelt de volgende horecagebruiksdoelen:
gebruiksdoel: lichte horeca
gebruiksdoel: reguliere horeca
gebruiksdoel: middelzware horeca
gebruiksdoel: zware horeca
Per gebruiksdoel wordt geregeld waar die geldt, en dat daar de desbetreffende vorm van horeca als activiteit is toegestaan. Per subparagraaf zijn aanvullende regels opgenomen waarmee horeca nader wordt gereguleerd.
Gebruiksdoel: lichte horeca
In subsubparagraaf 2.3.20.2.1 wordt bepaald waar lichte horeca is toegestaan (artikel 2.247), en welke regels daarop van toepassing zijn. Lichte horeca is gedefinieerd als een horecazaak, niet zijnde fastfoodhoreca, gericht op het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse bereide etenswaren en/of niet-alcoholische dranken voor directe consumptie in de horecazaak. Voorbeelden van lichte horeca zijn een koffiezaak, lunchroom, of ijssalon (alcoholvrij).
Op locaties voor lichte horeca is het -naast de drie basisactiviteiten- ook toegestaan om niet-alcoholhoudende dranken mee te geven voor consumptie in de directe omgeving van het horecabedrijf. Denk hierbij aan koffie of thee to-go. Het is niet toegestaan om etenswaren waarbij voorbereidingshandelingen nodig zijn mee te geven om direct te consumeren in de directe omgeving van het horecabedrijf. Het gaat dan om het verwarmen, gaar maken, beleggen en ontdooien van eten. Dit trekt een aparte bezoekersstroom aan, met meer impact op de omgeving en bijvoorbeeld zwerfafval. Wel is het toegestaan om kleine etenswaren mee te geven voor consumptie in de directe omgeving van de zaak het horecabedrijf, zoals een koek of croissant. Ook het meegeven van een bereide maaltijd die de consument thuis kan verwarmen en opeten is toegestaan.
Artikel 2.248 bepaalt conform het horecabeleid van een aantal activiteiten dat die in elk geval zijn toegestaan. Artikel 2.249 bevat een regel specifiek voor verkoop vanuit een kiosk. In artikel 2.250 wordt van een aantal activiteiten aangegeven dat die in elk geval niet zijn toegestaan.
Gebruiksdoel: reguliere horeca
In subsubparagraaf 2.3.20.2.2 wordt bepaald waar reguliere horeca is toegestaan (artikel 2.252), en welke regels daarop van toepassing zijn. Reguliere horeca wordt gedefinieerd als een horecazaak gericht op het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse bereide etenswaren en/of al dan niet alcoholische dranken voor directe consumptie in de horecazaak. Voorbeelden van reguliere horeca zijn een brasserie, bistro of restaurant. Op een locatie met gebruiksdoel: reguliere horeca is ook lichte horeca toegestaan (artikel 2.252).
Aanvullend aan wat mag bij lichte horeca is op locaties voor reguliere horeca ook het schenken van alcoholhoudende dranken toegestaan. Net als bij lichte horeca, is het verstrekken van eten voor consumptie in de directe omgeving van het horecabedrijf niet toegestaan, omdat dit een aparte bezoekersstroom aan trekt. Voor zover er geen voorbereidingshandelingen nodig zijn, mogen kleine etenswaren meegegeven worden om te consumeren in de directe omgeving van het horecabedrijf. Het meegeven van een bereide maaltijd, die de consument thuis verwarmt en opeet, mag wel.
Artikel 2.253 bepaalt conform het horecabeleid van een aantal activiteiten dat die in elk geval zijn toegestaan. In artikel 2.254 wordt van een aantal activiteiten aangegeven dat die in elk geval niet zijn toegestaan.
Artikel 2.255 bevat regels met betrekking tot het exploiteren van fastfoodhoreca. Daaronder wordt verstaan een horecazaak gericht op het bedrijfsmatig verstrekken van vooral op gemaksvoeding gerichte, eenvoudige en snel bereide etenswaren, voor directe consumptie in de horecazaak of in de directe omgeving daarvan, met eventueel als nevenactiviteiten het voor consumptie in de horecazaak verstrekken van dranken. Onder fastfoodbedrijven worden in elk geval begrepen automatieken, snackbars, cafetaria’s, shoarma-/falafelzaken en fastfoodrestaurants. Fastfoodhoreca past hiermee binnen de omschrijving van reguliere horeca. Maar fastfoodhoreca is niet overal binnen locaties voor reguliere horeca gewenst. Daarom wordt fastfoodhoreca nader gereguleerd.
Gebruiksdoel: middelzware horeca
In subsubparagraaf 2.3.20.2.3 wordt bepaald waar middelzware horeca is toegestaan (artikel 2.257), en welke regels daarop van toepassing zijn. Middelzware horeca wordt gedefinieerd als een horecazaak, niet zijnde fastfoodhoreca, gericht op het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse bereide etenswaren en/of al dan niet alcoholische dranken voor directe consumptie in de horecazaak, waarbij muziek ten gehore wordt gebracht met een geluidsniveau hoger dan 75 dB(A). Voorbeelden van middelzware horeca zijn een bar, café, cocktailbar. Op een locatie met gebruiksdoel: middelzware horeca is ook lichte en reguliere horeca toegestaan (artikel 2.257).
Aanvullend aan wat is toegestaan bij reguliere horeca is het op locaties voor middelzware horeca toegestaan om meer dan achtergrondmuziek ten gehore te brengen, mits voldaan wordt aan de vereisten over muziekgeluid zoals opgenomen in hoofdstuk 9 van het omgevingsplan. Ondanks dat er voor muziekgeluid al regels gelden, blijkt uit ervaring dat muziekgeluid harder dan achtergrondniveau kan zorgen voor overlast in de omgeving.
Alleen op locaties voor middelzware horeca is de activiteit aanbieden van waterpijpen toegestaan. Het gaat om een waterpijp waarmee je waterpijptabak of kruidenmengsels rookt. Het verwarmen van het te roken mengsel kan op verschillende manieren, maar gebeurt vaak door middel van gloeiende kooltjes. Dit wordt ook wel shisha roken genoemd. Het bezoeken van een horecabedrijf voor het roken van shisha gebeurt de hele dag door en kan
als zelfstandige activiteit optreden, maar kan ook ondergeschikt zijn aan een andere hoofdactiviteit (als ‘toetje’ na een maaltijd). In beide gevallen trekt de mogelijkheid tot waterpijp roken een zelfstandige bezoekersstroom aan. Het gebruik van shisha geeft geuroverlast en – bij verhitting door middel van kooltjes – een aanzienlijk risico op een te hoog CO2-gehalte en brandgevaar.
Artikel 2.258 bepaalt conform het horecabeleid van een aantal activiteiten dat die in elk geval zijn toegestaan. In artikel 2.259 wordt van een aantal activiteiten aangegeven dat die in elk geval niet zijn toegestaan.
Artikel 2.260 bevat regels met betrekking tot het verstrekken van waterpijpen. Dat is niet overal binnen locaties voor middelzware horeca gewenst. Daarom wordt dit nader gereguleerd.
Gebruiksdoel: zware horeca
In subsubparagraaf 2.3.20.2.4 wordt bepaald waar middelzware horeca is toegestaan (artikel 2.262), en welke regels daarop van toepassing zijn. Zware horeca wordt gedefinieerd als een horecazaak, niet zijnde fastfoodhoreca, bestaande uit het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse bereide etenswaren en/of al dan niet alcoholische dranken voor directe consumptie in de horecazaak, waarbij muziek ten gehore wordt gebracht met een geluidsniveau hoger dan 75 dB(A), en waarbij (een deel van) de ruimte wordt ingericht als dansvloer. Voorbeelden van zware horeca zijn een discotheek, nachtclub en zalenverhuur. Op een locatie met gebruiksdoel: zware horeca is ook lichte, reguliere en middelzware horeca toegestaan (artikel 2.262).
Alleen op locaties voor zware horeca (uitgaan) is het toegestaan om (een deel van) de ruimte in te richten als dansvloer. Er is sprake van het creëren van ruimte in een horecagelegenheid waar mensen zich vrij kunnen bewegen op muziek, waarbij de muziek ook bedoeld is om daartoe uit te nodigen, en waarbij het vrijmaken van de vloeroppervlakte om vrij te kunnen bewegen op muziek onderdeel uitmaakt van de reguliere bedrijfsvoering. Dit uit zich bijvoorbeeld in de vorm van de inrichting (bijvoorbeeld (deels) geen tafels en stoelen, podium, dj etc.), reclame/adverteren, kaartverkoop of entréeheffing en/of programmering, maar is hier niet toe beperkt. Het hebben van een dansvloer kan zorgen voor nieuwe bezoekersstromen, drukte tijdens piekmomenten en rijvorming, en kan daarmee impact op de fysieke leefomgeving hebben. Denk ook aan verkeershinder en geluidsoverlast. Deze activiteit is daarom alleen toegestaan in de categorie ‘zware horeca’.
Ook het verhuren voor feesten of partijen is alleen toegestaan op locaties voor zware horeca (uitgaan). Het gaat hierbij om “het op structurele basis bedrijfsmatig beschikbaar stellen van ruimte binnen een horecazaak ten behoeve van feesten voor grotere groepen, al dan niet besloten of tegen entreegeld”. Bij deze gelegenheden zijn (grote) groepen mensen aanwezig op hetzelfde moment. Meestal is er sprake van piekmomenten en komen -en gaan- de bezoekers op hetzelfde tijdstip. Dit zorgt voor een grotere verkeersaantrekkende werking en mogelijk ook voor meer (geluids)overlast. Bij een aantal vormen van zaalverhuur wordt deze verhuurd aan steeds andere partijen, die geen duurzame relatie met omwonenden hoeven te onderhouden. Dit maakt het lastig om de horecaondernemer en/of bezoekers van een specifieke partij, aan te spreken op hun gedrag. Daarom wordt deze activiteit apart beoordeeld om na te gaan of deze past op een locatie.
Artikel 2.263 bepaalt conform het horecabeleid van een aantal activiteiten dat die in elk geval zijn toegestaan. In artikel 2.264 wordt van een aantal activiteiten aangegeven dat die in elk geval niet zijn toegestaan.
In paragraaf 2.3.21 van de regels zijn regels op genomen ter regulering van zogenoemde darkstores. De vestiging van een flitsbezorgdienst vanuit een darkstore kan een grote impact hebben op het woon- en leefklimaat in de directe omgeving van de darkstore. De gemeente voert daarom een terughoudend vestigingsbeleid, zoals opgenomen in de ‘Beleidsregel darkstores 2023’ (vastgesteld op 21 maart 2023 door B&W, gepubliceerd in het Gemeenteblad van 31 maart 2023, nr. 141759). Dit beleid blijft ook onder de Omgevingswet van toepassing.
Het beleid werd in het paraplubestemmingsplan Darkstores (vastgesteld op 10 mei 2023 door de gemeenteraad, gepubliceerd onder identificatienummer NL.IMRO.0363.GA2201PBPGST-VG01) juridisch verankerd. De regeling in het paraplubestemmingsplan is beleidsneutraal overgenomen in dit onderdeel van het omgevingsplan. Wel is ervoor gekozen darkstores als een apart gebruiksdoel te zien, om ze daarmee een eigen plek te geven. Hiermee wordt duidelijk dat darkstores slechts worden toegestaan daar waar het gebruiksdoel ‘darkstore’ is toegekend (met de aanduiding 'gebruiksdoel: darkstore'). Uit de ‘Vangnetbepaling strijdig gebruik’, zoals opgenomen in artikel 2.3 volgt dat een darkstore niet is toegestaan op locaties waaraan die aanduiding niet is gegeven.
In paragraaf 2.3.22 zijn regels opgenomen waarmee een invulling gegeven aan het gemeentelijk evenementenbeleid. Deze paragraaf draagt mede bij aan het reguleren van het houden van evenementen binnen Amsterdam.
De regulering van de gevolgen van evenementen op de fysieke leefomgeving in het omgevingsplan vindt plaats door middel van de aanwijzing van evenementenlocaties, zoals die ook zijn benoemd in het evenementenbeleid. Het gaat om locaties die bedoeld zijn voor het met enige regelmaat houden of doen houden van evenementen. Die locaties worden in subparagraaf 2.3.22.2 aangewezen, waarbij per evenementenlocatie die beperkingen worden gesteld die nodig worden geacht met het oog op de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Deze beperkingen zijn per locatie opgenomen in afzonderlijke artikelen. Het kan voorkomen dat een evenement niet of niet meer passend is binnen de voor een locatie gestelde beperkingen, maar waarbij het evenement toch aanvaardbaar is. In die gevallen dient (vanwege strijd met het omgevingsplan) naast een evenementenvergunning wel óók een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit te worden aangevraagd.
LL
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Hoofdstuk 3 bevat over verschillende onderwerpen algemene regels die betrekking hebben op gebruik. In afdeling 3.2 zijn algemene regels van ruimtelijke aard over gebruik van gronden en bouwwerken opgenomen. Deze regels gaan over onderwerpen waarover onder oud recht veelal regels werden opgenomen in ruimtelijke besluiten zoals bestemmingsplannen, maar bestemming-overstijgend waren. Dergelijke regels werden veelal in algemene regels in hoofdstuk 3 van bestemmingsplannen opgenomen, maar ook vaak per afzonderlijke bestemming. Dergelijke regels zijn ook gebruiksdoel-overstijgend zijn. Ze hebben betrekking op meerdere vormen van gebruik. In het omgevingsplan wordt er daarom voor gekozen om deze regels op te nemen in de vorm van algemene, overal geldende regels. Ze zijn van toepassing op meerdere vormen van ruimtelijk gebruik. Het gaat om de volgende onderwerpen:
Inrichten en gebruik van bij een hoofdgebouw behorend erf en erfbebouwing (paragraaf 3.2.2 van de regels)
Parkeernormering voor auto’s en normering voor fietsstalling (paragraaf 3.2.3 van de regels)
Ondergeschikt kantoorgebruik (paragraaf 3.2.4 van de regels)
Ondergeschikte detailhandel (paragraaf 3.2.5 van de regels)
Het wijzigen van het gebruik als niet-geluidgevoelig gebouw naar een gebruik als geluidgevoelig gebouw (paragraaf 3.2.6 van de regels)
Huisvesting in verband met mantelzorg (paragraaf 3.2.7 van de regels)
Het wijzigen van een buisleiding met gevaarlijke stoffen, de druk of de vervoerde stof (paragraaf 3.2.8)
Wijzigen gebruik van ambachtelijke bedrijven (paragraaf 3.2.9 van de regels)
Beperkingen voor beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen in een beperkingengebied plaatsgebonden risico (paragraaf 3.2.10 van de regels)
Beperkingen voor zeer kwetsbare, kwetsbare en beperkt gebouwen en kwetsbare en beperkt kwetsbare locaties in een beperkingengebied vuurwerk (paragraaf 3.2.11 van de regels)
Beperkingen voor zeer kwetsbare, kwetsbare en beperkt gebouwen en kwetsbare en beperkt kwetsbare locaties in een beperkingengebied ontplofbare stoffen (paragraaf 3.2.12 van de regels)
Het uitoefenen van ondergeschikte horeca-activiteiten
Horeca (paragraaf 3.2.13 van de regels)
Beschikbaar stellen van vergader en congresfaciliteiten aan derden (paragraaf 3.2.14 van de regels)
Deze regels zijn niet op één specifiek gebruiksdoel vast te pinnen. Ze hebben betrekking op uiteenlopende gebruiksdoelen, en zijn dan ook veelal binnen heel Amsterdam van toepassing.
Voorrangsbepalingen
Veel van de onderwerpen, geregeld in afdeling 3.2, werden ook geregeld in onder oud recht vastgestelde bestemmingsplannen. Die regels zijn, evenals de regels in afdeling 3.2, onderdeel van het omgevingsplan. Deze regels kunnen inhoudelijk tegenstrijd zijn. Waar dat mogelijk het geval is, wordt gewerkt met een zogenoemde voorrangsregel. Die bepaalt dan dat ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' de regels in de betreffende (sub)paragraaf buiten toepassing blijven voor zover het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan regels over hetzelfde onderwerp bevat. In dat geval zijn de regels in dat tijdelijk deel van toepassing.
In bijlage I is opgenomen dat onder een ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan worden verstaan de ruimtelijke besluiten, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, die bij wijze van overgangsrecht als tijdelijk deel onderdeel zijn van dit omgevingsplan, totdat deze bij wijzigingsbesluit voor een locatie zijn komen te vervallen. Het gaat om bestemmingsplannen, wijzigingsplannen, uitwerkingsplannen, exploitatieplannen en dergelijke.
Het werkingsgebied van dit soort bepalingen is beperkt tot die gebieden ter plaatse van de aanduiding ‘ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen’. Daarmee wordt ook in de viewer inzichtelijk waar dit artikel van toepassing is, en waar niet. Met het door de tijd heen vervangen en laten vervallen van ruimtelijke plannen, zal dat werkingsgebied, dat eerst heel Amsterdam is, geleidelijk aan steeds kleiner worden.
MM
Na sectie 11.3.3.13 wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Zaalverhuur voor feesten en partijen is een horeca-activiteit die medebepalend is voor de uitstraling van horeca en daarmee voor de onderverdeling in zwaartecategorieën. Overeenkomstig het beleid is zaalverhuur voor feesten en partijen alleen toegestaan binnen een locatie, bedoeld voor zware horeca. Om dit ineens voor heel Amsterdam goed te regelen, is in subparagraaf 3.2.13.2 een apart regeldonderdeel dat betrekking heeft op zaalverhuur voor feesten en partijen.
Artikel 3.54 bepaalt voor heel Amsterdam dat het gebruik van een bouwwerk voor zaalverhuur voor feesten en partijen uitsluitend is toegestaan binnen een horecazaak ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: zware horeca'. Voor gebieden waar het bestemmingsplan nog niet is vervangen, of waar dat met een zogenoemd TAM-omgevingsplan is gebeurd, wordt in het tweede en derde lid overgangsrecht opgenomen.
Met zaalverhuur voor feesten en partijen wordt gedoeld op het op structurele basis bedrijfsmatig beschikbaar stellen van ruimte binnen een horecazaak ten behoeve van feesten voor grotere groepen, al dan niet besloten of tegen entreegeld. Bij deze gelegenheden zijn (grote) groepen mensen aanwezig
op hetzelfde moment. Meestal is er sprake van piekmomenten en komen -en gaan- de gemeente bezoekers op hetzelfde tijdstip. Dit zorgt voor een grotere verkeersaantrekkende werking en mogelijk ook voor meer (geluids)overlast. Bij een aantal vormen van zaalverhuur wordt deze verhuurd aan steeds andere partijen, die geen duurzame relatie met omwonenden hoeven te onderhouden. Dit maakt het lastig om de horecaondernemer en/of bezoekers van een specifieke partij, aan te spreken op hun gedrag. Daarom wordt deze activiteit apart beoordeeld om na te gaan of deze past op een locatie.
Zaalverhuur voor feesten en partijen moet niet te ruim worden opgevat. Het reserveren en gebruik van beschikbare tafels in bijvoorbeeld een restaurant voor een afscheidsborrel, verjaardag of huwelijksfeest valt binnen de normale exploitatie van een restaurant, en valt niet onder het begrip zaalverhuur. Zaalverhuur ziet op het aan derden in gebruik geven van een zaal onder betaling van huurpenningen voor activiteiten die los staan van de normale exploitatie van de horecagelegenheid. Dit kan ook gebeuren in combinatie met het verstrekken van eten en drinken. Het reserveren van alle tafels in een restaurant voor één groep valt hier niet onder. Dat in die situatie feitelijk maar één gezelschap van het restaurant gebruik maakt, maakt niet dat het gebruik van het restaurant in relevant opzicht verschil van de situatie dat de tafels door verschillende groepen worden gebruikt. Het reserveren en gebruiken van alle tafels in een restaurant door één gezelschap is dan ook geen zaalverhuur voor feesten en partijen zie ook ECLI:NL:RVS:2018:2221, 4 juli 2018).
Het horecabeleid voorziet erin dat binnen een andere hoofdactiviteit dan een horecazaak horeca-activiteiten kunnen worden toegestaan. De horeca is dan ondergeschikt en ondersteunend aan de hoofdfunctie van de locatie en trekt geen zelfstandige bezoekersstromen. Als het horecadeel stopt, blijft de andere hoofdactiviteit bestaan. Als de hoofdfunctie stopt, dan stopt ook de horeca. Deze vorm van horeca wordt additionele horeca genoemd. De regels over additionele horeca zijn opgenomen in subparagraaf 3.2.13.3.
De term ‘additioneel’ zegt direct iets over het ondergeschikte karakter van de horeca-activiteiten. Additionele horeca vindt plaats ter ondersteuning van de hoofdfunctie en mag geen zelfstandige bezoekersstroom trekken. Dit komt tot uitdrukking in de begripsbepaling die in bijlage I van het omgevingsplan is opgenomen. Daarin is bepaald dat onder additionele horeca wordt verstaan 'al dan niet zelfstandig geëxploiteerde horeca, die ondergeschikt en ondersteunend is aan een andere hoofdactiviteit dan horeca, en die geen zelfstandige bezoekersstromen trekt.'
Er wordt een onderscheid gemaakt tussen additionele horeca bij een andere hoofdactiviteit dan detailhandel of binnen een warenhuis of grootschalige detailhandelsvestiging (artikel 3.56) en additionele horeca bij detailhandel, niet zijnde een warenhuis of grootschalige detailhandelsvestiging (artikelen 3.57 tot en met 3.59).
Voor alle vormen van additionele horeca geldt dat alleen de drie basis-horeca activiteiten zijn toegestaan:
het bereiden van etenswaren en/of dranken binnen in het horecabedrijf;
het verstrekken van etenswaren en/of niet-alcoholhoudende dranken voor gebruik ter plaatse;
consumptie in het horecabedrijf.
Het schenken van alcohol ter plaatse is in beginsel toegestaan, mits dit past binnen de kaders van de Alcoholwet. Het horeca-deel mag niet langer open zijn dan een uur voor tot een uur na de sluitingstijd van de hoofdfunctie. Het horeca-deel is niet zelfstandig toegankelijk, zonder een bezoek aan de hoofdfunctie. Als het horeca-deel niet geheel met de hoofdfunctie is verweven, geldt er een maximale oppervlakte-eis (20% van de publiek toegankelijke ruimte). Gelet op het ondergeschikte karakter is een terras of gevelbank niet toegestaan. Deze beperkingen zijn opgenomen in artikel 3.56.
Voor additionele horeca binnen winkels (met uitzondering van warenhuizen en grootschalige detailhandelsvestigingen) gelden aanvullende beperkingen. Uit onderzoek blijkt dat de grenzen tussen winkels en horeca-activiteiten vervagen om in te spelen op de wensen van consumenten en ondernemers. Dit zorgt in de praktijk voor onduidelijkheden. Om dit op te lossen worden de regels verduidelijkt ten opzichte van de regels zoals die golden voor zogenoemde mengformules. Daarvan wordt afscheid genomen. Voortaan wordt gesproken van: ‘additionele horeca bij winkels’. Dit om te benadrukken dat de winkel altijd de hoofdactiviteit is, en het niet kan gaan om een volledige vermenging van horeca en winkel. Omdat er nu eenmaal veel winkels in het straatbeeld zijn, gaat er van de horeca op deze locaties meer effect uit op de omgeving. Daarom gelden voor additionele horeca in winkels meer beperkingen dan voor andere hoofdfuncties. Het hoofddoel is dat we willen voorkomen dat de horeca een zelfstandige bezoekersstroom aantrekt.
Aanvullende regels zijn:
dat het verstrekken van alcohol voor gebruik ter plaatse niet is toegestaan, en
dat er naast een maximum percentage van 20% van het winkelvloeroppervlak ook een absoluut maximum geldt van 20 m2 voor het horecadeel in winkels.
Deze aanvullende regels zijn opgenomen in artikel 3.57. Verder komt er voor additionele horeca bij winkels een meldplicht in het omgevingsplan. Deze is opgenomen in artikel 3.59. Hierdoor komt beter zicht op de ontwikkeling van het aantal winkels met additionele horeca, en waar ze zich bevinden. Dit biedt ook de kans om ondernemers te informeren over de voorwaarden of direct te checken of zij voldoen aan de voorwaarden.
Specifiek winkels met additionele horeca die ook etenswaren verkopen kunnen voor onduidelijkheid zorgen: is het een horecazaak of een winkel? Overeenkomstig het horecabeleid kan gebiedsgericht een tweedeling worden gemaakt voor additionele horeca in winkels:
Non-food winkels: Er worden hoofdzakelijk producten verkocht die niet eetbaar of drinkbaar zijn. Bijvoorbeeld kleding, boeken of cosmetica.
Food winkels:. Er worden hoofdzakelijk eetbare en/of drinkbare producten verkocht. Bijvoorbeeld salades, brood en vis.
Artikel 3.58 voorziet hierin. Op grond van dat artikel kunnen gebieden worden aangewezen waar additionele horeca niet is toegestaan binnen de uitoefening van detailhandel met een voedselwarenassortiment. Voor legaal bestaande gevfallen wordt daarbij voorzien in overgangsrecht.
Voor alle vormen van additionele horeca geldt dat het bevoegd gezag een maatwerkvoorschrift kan stellen over de uitoefening van additionele horeca om onaanvaardbare overlast voor het woon- en leefklimaat tegen te gaan (artikel 3.60).
In artikel 3.61zijn tot slot overgangsrechtelijke bepalingen opgenomen.
Subparagraaf 3.2.13.4 bevat regels over het uitoefenen van een omgevingsplanactiviteit culturele horeca. Ook dit betreft een aan een andere functie dan horeca ondergeschikte vorm van horeca. Kenmerkend voor culturele horeca is, net als bij additionele horeca, dat als het horecadeel stopt, de hoofdactiviteit blijft bestaan. Een museum blijft een museum, ook wanneer de lunchroom in het museum gesloten is. Onder culturele horeca valt ook de niet-zelfstandige horeca binnen een culturele instelling, waarbij de cultuuruiting of programmering een duidelijke horecacomponent heeft. Voorbeelden zijn Paradiso of Bitterzoet. Dit geldt ook voor culturele instellingen die een pand of ruimte verhuren voor bijeenkomsten of feesten (niet zijnde zaalverhuur voor feesten en partijen). De insteek van de horeca-activiteiten is vaak om de exploitatie van de hoofdactiviteit kostendekkend te krijgen. Bij deze vorm kan de horeca, anders dan bij additionele horeca, een zelfstandige bezoekersstroom trekken. Afhankelijk van het soort instelling en de locatie, kunnen voorwaarden verbonden zijn aan de (frequentie van) horeca-activiteiten in combinatie met de openingstijden (per week, maand of jaar).
In dit omgevingsplan wordt onder culturele horeca op grond van bijlage I verstaan een niet-zelfstandige horeca-activiteit die plaatsvindt binnen een culturele instelling en daarvan onderdeel is, niet zijnde additionele horeca die is toegestaan op grond van subparagraaf 3.2.13.3. Met dat laatste wordt duidelijk gemaakt dat dit onderdeel niet van toepassing is op niet-zelfstandige horeca-activiteiten binnen een culturele instelling die reeds zijn toegestaan op grond van subparagraaf 3.2.13.3.
Op grond van het horecabeleid moet culturele horeca aan een aantal volgende vereisten voldoen:
het gebouw wordt geëxploiteerd door een instelling met een culturele doelstelling;
culturele horeca draagt bij aan een mix van verschillende activiteiten binnen het gebouw, waarbij de horeca-activiteit ondergeschikt is -en blijft- aan de culturele activiteiten;
culturele horeca leidt niet tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat in de omgeving van de activiteit.
Om deze beoordeling te kunnen maken, is in het omgevingsplan een vergunningplicht voor culturele horeca in het leven geroepen (artikel 3.65). In het kader van die vergunning kan worden getoetst aan de drie genoemde vereisten (artikel 3.66). Om de vergunning te verkrijgen, moet uit een bedrijfsplan blijken dat er sprake is van een culturele programmering. Aan de vergunning kunnen de voorschriften worden verbonden ter voorkoming van onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat in de omgeving, en om het specifieke karakter van culturele horeca te borgen (artikel 3.67). De openingstijden van culturele horeca sluiten aan bij de hoofdfunctie van het gebouw, en worden opgenomen in de omgevingsvergunning voor culturele horeca.
Locaties die reeds beschikken over een omgevingsvergunning voor culturele horeca, hoeven deze niet opnieuw aan te vragen. Hierin wordt voorzien met een omgevingsvergunning van rechtswege (artikel 3.69).
Subparagraaf 3.2.13.5 reguleert horecaterrassen en het exploiteren van een horecaterras. In subsubparagraaf 3.2.13.5.2 is een bepaling opgenomen over waar horecaterrassen zijn toegestaan (artikel 3.71). In die bepaling worden locaties aangewezen. Bij het op een locatie toelaten van een terras is sprake van een ruimtelijke toets op hoofdlijnen: is de locatie in beginsel geschikt voor het toelaten van een horecaterras? Staat bijvoorbeeld op voorhand vast dat een horecaterras op een bepaalde locatie leidt tot onaanvaardbare gevolgen voor het woon - en leefklimaat, dan dient op die locatie geen horecaterras te worden toegelaten. Zijn op een locatie onaanvaardbare gevolgen naar verwachting uit te sluiten, of zijn die weg te nemen door middel van maatregelen, dan kan op die locatie in beginsel wel een horecaterras worden toegelaten. Dit wordt de uitvoerbaarheidstoets genoemd, en deze is vergelijkbaar met de beoordeling zoals die onder oud recht van toepassing was op bestemmingsplannen met een uit te werken bestemming.
Dat een locatie is aangewezen betekent niet dat een horecaterras zondermeer is toegestaan. Er gelden aanvullende algemene regels, én er geldt een aanvullende vergunningplicht voor nieuwe horecaterrassen of voor het wijzigen van een bestaand horecaterras. Deze vergunningplicht is opgenomen in artikel 3.75. Deze vergunningplicht zorgt ervoor dat het concrete intitiatief op aanvaardbaarheid kan worden getoetst. Op die vergunningplicht zijn beoordelingsregels van toepassing (artikel 3.77). Daarin is onder meer bepaald dat de vergunning alleen wordt verleend als de aanvraag betrekking heeft op een locatie waar een terras op grond van artikel 3.71, eerste of tweede lid, is toegelaten. De finale beoordeling van de gevolgen van een horecaterras vindt dus plaats in het kader van een concrete vergunningaanvraag. Dat biedt de mogelijkheid om in het kader van een vergunningaanvraag de concrete plannen op de gevolgen voor de omgeving te beoordelen, en waar nodig gerichte voorschriften aan de vergunning te verbinden.
De vergunning is gebonden aan de locatie en het horecabedrijf waar het horecaterras bij hoort, niet aan de exploitant. Als de exploitant wijzigt, blijft de vergunning dus geldig voor de nieuwe exploitant. Uitgangspunt is dat het een vergunning voor onbepaalde tijd betreft. In voorkomende gevallen kan aan de vergunning wel een termijn worden verbonden.
Een belangrijk middel om onaanvaardbare overlast te voorkomen, is door te sturen op de openingstijden. In het algemene onderdeel, subsubparagraaf 3.2.13.5.2, is een bepaling opgenomen over openingstijden van horecaterrassen (artikel 3.74). Het betreft maximale openingstijden. Per concreet geval zal beoordeeld moeten worden of die maximale openingstijden aanvaardbaar zijn, of dat deze ingeperkt moeten worden. Die beoordeling gebeurt in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit horecaterras.
Beoordelingsaspecten
De aanvaardbaarheid van het concrete initiatief hangt af van een aantal aspecten. Deze zijn terug te vinden in de beoordelingsregels die van toepassing zijn op vergunningaanvragen (artikel 3.77). Verband houdend met die beoordelingsregels kunnen ook voorschriften aan de vergunning worden verbonden (artikel 3.78).
Hiervoor is reeds aangegeven dat daarbij in elk geval de mate van geluidsoverlast moet worden betrokken. Maar ook de mate van doorloopruimte voor voetgangers is een belangrijk aspect. De afmeting van een terras in relatie tot de ruimte die er resteert is bepalend voor de doorloopruimte en daarmee voor de impact op de omgeving. Dit aspect wordt bij de beoordeling van vergunningaanvragen betrokken. In de vergunning worden ook voorschriften opgenomen over situering en omvang.
Ook de openingstijden van een horecaterras zijn van grote invloed op de impact op de omgeving. Hoe langer een terras open mag zijn, hoe langer immers daarmee gepaard gaande overlast zich voordoet. Daarmee zijn openingstijden direct een goed instrument om te sturen op het tegengaan van onaanvaardbare overlast. Om die reden zijn regels gesteld over openingstijden, en is voorgeschreven dat in de omgevingsvergunning daarover voorschriften worden opgenomen.
In de Algemene Plaatselijke Verordening was een aantal regels opgenomen met betrekking tot horecaterrassen, die bij nader inzien meer op het terrein van het omgevingsrecht liggen. Het gaat bijvoorbeeld om beoordelingsregels die betrekking hebben op de bruikbaarheid van de openbare ruimte op de locatie van een horecaterras en in de omgeving ervan. Deze beoordelingsregels zijn overgegaan naar het omgevingsplan.
Overgangsregeling legaal bestaande horecaterrassen
De vergunningplicht geldt voor zowel nieuwe als reeds bestaande horecaterrassen. Voor horecaterrassen die voorafgaand aan inwerkingtreding van de vergunningplicht rechtmatig werden geëxploiteerd, is echter overgangsrecht opgenomen. Hiermee wordt invulling gegeven aan het horecabeleid.
Onder oud recht waren verschillende juridische toestemmingen nodig om een horecaterras rechtmatig te kunnen exploiteren. Allereerst was er een juridisch-planologische toestemming nodig. Dat kon de vorm hebben van algemene regels in een bestemmingsplan, maar het kon ook een op grond van de Wabo verleende afwijkvergunning zijn. Naast deze juridisch-planologische toestemming was op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening ook een exploitatievergunning nodig. De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit horecaterras komt in de plaats van de juridisch-planologische toestemming, maar zal ook voorschriften bevatten over aspecten die voorheen in de exploitatievergunning werden geborgd. Met de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit horecaterras wordt dan ook een vergunningplicht in het leven geroepen die er voorheen in deze vorm niet was.
Voor horecaterrassen die voor het moment dat de vergunningplicht in werking treedt rechtmatig werden verricht, moet een overgangsrechtelijke regeling worden bedacht. In zijn algemeenheid zijn verschillende overgangsrechtelijke regelingen mogelijk (zie ook artikelgewijze toelichting bij artikel 4.14 van de Invoeringswet Omgevingswet). Voorzien kan worden in een overgangstermijn, zodat – zonder tijdsdruk en zonder de continuïteit van de activiteit in gevaar te brengen – de door de wetswijziging benodigde omgevingsvergunning kan worden aangevraagd en op die aanvraag kan worden beslist. Een andere mogelijkheid is om een fictieve toestemming te verlenen om een al voor de wetswijziging aangevangen activiteit te continueren, zonder tijdshorizon: de fictieve toestemming duurt onbeperkt voort, totdat het bevoegd gezag ambtshalve aanleiding ziet om die fictieve vergunning te wijzigen of in te trekken.
Beide overgangsrechtelijke regelingen zorgen voor rechtszekerheid en continuïteit. In de ene variant is degene die de activiteit verricht wel gehouden om binnen een bepaalde tijd alsnog een omgevingsvergunning aan te vragen, in de andere variant niet. In beide varianten mag de activiteit voorlopig zonder ‘papieren vergunning’ worden gecontinueerd. Uiteraard geldt die toestemming tot continuering alleen voor zover ook inderdaad sprake is van continuering: als die activiteit na de wijziging van het omgevingsplan wordt voortgezet, maar de aard of omvang daarvan verschilt aanmerkelijk van de activiteit, zoals deze werd verricht voor de wijziging van het omgevingsplan, dan is degene die deze gewijzigde activiteit verricht in beide varianten gehouden om onmiddellijk een (wijziging van de) vergunning aan te vragen.
In het algemene overgangsrecht van dit omgevingsplan, opgenomen in hoofdstuk 23, is gekozen voor de eerste variant, waarbij een omgevingsvergunning van rechtswege ontstaat en er twee jaar de tijd is om de benodigde omgevingsvergunning aan te vragen en op die aanvraag te beslissen (artikel 23.5). Om ongewenst grote administratieve en bestuurlijke lasten te voorkomen, kan het in uitzonderlijke gevallen wenselijk zijn de termijn niet van toepassing te verklaren. Artikel 23.1, tweede lid, biedt nadrukkelijk die ruimte (zie ook paragraaf 11.23 van deze algemene toelichting). In landelijke wetgeving biedt de wetgever die mogelijkheid als blijkt dat een aanzienlijk aantal nieuwe omgevingsvergunningen zou moeten worden verleend, waardoor het bevoegde gezag voor een grote opgave wordt gesteld (zie artikelgewijze toelichting bij artikel 4.14 van de Invoeringswet Omgevingswet). Deze maatstaf wordt ook voor het omgevingsplan gehanteerd. In dergelijke gevallen kan een afwijkende termijn worden gesteld, of zelfs worden afgezien van een termijn. Een dergelijke afwijkende regeling wordt dan opgenomen in het betreffende regelingdeel, waarin ook de vergunningplicht is opgenomen.
Voor horecaterrassen die rechtmatig werden geëxploiteerd op het moment voorafgaand aan inwerkingtreding van de vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit horecaterrassen, is gekozen voor een omgevingsvergunning van rechtswege. Dat is geregeld in artikel 3.76. Om de bestuurlijke en administratieve lasten te beperken, wordt daarbij bepaald dat er geen termijn geldt. Deze omgevingsvergunningen blijven dus onbeperkt geldig, mits de aard en omvang niet wordt gewijzigd. Als de aard en omvang van de activiteit wel wordt gewijzigd, moet een nieuwe omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit horecaterras worden aangevraagd.
Ondernemers hoeven geen nieuwe vergunning aan te vragen en zijn geen leges verschuldigd. Anders dan de exploitatievergunning, kent de omgevingsplanvergunning terras geen looptijd en wordt deze gekoppeld aan de locatie, niet aan de exploitant. Als een bestaand terras waarvoor een omgevingsvergunning van rechtswege geldt, in ernstige mate afbreuk doet aan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, dan kunnen aan de omgevingsvergunning van rechtswege voorschriften worden verbonden om die gevolgen tot een aanvaardbaar niveau terug te brengen.
Relatie met de exploitatievergunning
Naast deze verguningplicht op grond van het omgevingsplan blijft de vergunningplicht voor een horecaterras op grond van de APV bestaan. Op grond van de begripsbepalingen in de APV maakt een horecaterras onderdeel uit van een horecabedrijf, en is daarmee als onderdeel van dat horecabedrijf vergunningplichtig (artikel 3.8 APV). Het exploiteren van een horecaterras kan daarmee op grond van de APV nog altijd op aspecten van openbare orde en veiligheid worden beoordeeld.
Beide vergunningplichten zijn wel afgestemd op elkaar. Voorzien wordt in een scherper onderscheid tussen de beoordelingsregels zoals die de APV zijn opgenomen en die betrekking hebben op openbare orde en veiligheid, en de beoordelingsregels die zijn opgenomen in artikel 3.77 van dit omgevingsplan, en die betrekking hebben op het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. De beoordeling op grond van dit omgevingsplan omvat meer aspecten dan de beoordeling op grond van de APV. Bovendien is de beoordeling op grond van de APV sterk gericht op de exploitant, terwijl de beoordeling op grond van het omgevingsplan zich richt op de activiteit op een betreffende locatie. Dat brengt mee dat de afweging in het kader van de APV altijd wordt ingekaderd door het omgevingsplan. Het kan bijvoorbeeld niet zo zijn dat op grond van de APV een exploitatievergunning wordt verleend voor een horecaterras op een locatie waar dat op grond van het omgevingsplan niet is toegestaan. Omgekeerd is het wel mogelijk dat, hoewel er omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit horecaterras is verleend, de burgemeester met het oog op openbare orde en veiligheidsaspecten de exploitatievergunning weigert of met voorschriften beperkingen aanbrengt.
Subparagraaf 3.2.13.6 bevat een regeling voor openingstijden van een horecazaak. De openingstijden zijn gekoppeld aan de zwaartecategorieën.
Lichte horeca
Bij lichte horeca gaat het om alcoholvrije bedrijven zoals ontbijtzaken, koffiezaken en lunchrooms. Bezoekers komen hier veelal overdag of aan het begin van de avond. Op locaties waar lichte horeca is toegestaan, is het onwenselijk dat er laat in de avond of ‘s nachts aan- en afloop van bezoekers is. Daarom wordt een sluitingstijd van 22:00 uur aangehouden. Dit is eerder dan voorheen de vroegste sluitingstijd in Amsterdam. Horeca met een vroegere sluitingstijd kan op meer locaties aanvaardbaar zijn. De mogelijkheden voor ondernemers die dit type zaken willen exploiteren, verruimen hiermee naar verwachting. Horeca op dit type locaties mag om 06:00 uur open. Hiermee wordt beter dan voorheen ingespeeld op behoeften voor het aanbieden van ontbijt. Dit wordt geregeld in artikel 3.82, eerste lid. Horeca op locaties voor lichte horeca mag maximaal vijf keer per jaar de sluitingstijd overschrijden. Dit wordt geregeld in artikel 3.82, zesde lid.
Reguliere horeca
Bij reguliere horeca gaat het om bedrijven zoals restaurants en bistro’s. Het eten ter plekke staat centraal, gecombineerd met het nuttigen van (al dan niet alcoholhoudende) dranken. Bezoekers komen gedurende de dag en in de avond. ‘s Nachts is het op deze locaties niet wenselijk dat er nog aan- en afloop van bezoekers plaatsvindt. De sluitingstijd voor deze bedrijven is gesteld op 01:00 uur doordeweeks en 02:00 uur in het weekend. Dit wordt geregeld in artikel 3.82, tweede lid. Ten opzichte van de oude situatie, betekent dit voor veel bedrijven één uur korter in het weekend. Dat voorkomt dat restaurants in de late avond een andere functie krijgen waar nieuwe bezoekers op af komen wat reuring in de buurt kan veroorzaken. Horeca op locaties voor reguliere horeca mag maximaal vijf keer per jaar de sluitingstijd overschrijden. Dit wordt geregeld in artikel 3.82, zesde lid.
Dit alles geldt ook voor fastfoodhoreca. Ten opzichte van de oude situatie is dit voor veel zaken een beperking. Vanwege de mogelijke impact van deze zaken, wordt hier bewust voor gekozen. Echter met een maatwerk-ontheffing wordt wel de mogelijkheid geboden om van deze sluitingstijd af te wijken. Deze maatwerkontheffing is geregeld in artikel 3.91.
Middelzware horeca
Op locaties voor middelzware horeca is zwaardere horeca toegestaan, zoals cafés, bars, eetcafés en cocktailbars. Deze zaken worden gekenmerkt door het aanbieden van (alcoholhoudende) drank, al dan niet in combinatie met eten en het ten gehore brengen van meer dan achtergrondmuziek. Deze bedrijven richten zich naast de dag, vaak ook op de avond. En in het weekend op de nacht. De sluitingstijd voor deze bedrijven wordt gesteld op 01:00 uur doordeweeks en 03:00 uur in het weekend. Dit wordt geregeld in artikel 3.82, derde lid. Dat zijn voor de meeste horecabedrijven die passen in deze zwaartecategorie ook de tijden die voorheen golden. Horeca op locaties voor middelzware horeca mag maximaal twaalf keer per jaar de sluitingstijd overschrijden. Dit wordt geregeld in artikel 3.82, zevende lid.
Zware horeca
Op locaties waar zware horeca is toegestaan, gelden de ruimste openingstijden. Zware horeca zijn bijvoorbeeld discotheken, nachtclubs en zaalverhuur. Dit zijn locaties waarbij in de bedrijfsvoering het bieden van gelegenheid om te dansen op een dansvloer een belangrijk onderdeel is. Deze bedrijven zijn vaak open tot laat in de nacht. De sluitingstijd voor deze zaken wordt gesteld op 04:00 uur doordeweeks en 05:00 uur in het weekend. Dit wordt geregeld in artikel 3.82, vierde lid. Dat zijn voor de meeste horecabedrijven die passen in deze zwaartecategorie ook de huidige tijden. Horeca op locaties voor zware horeca mag maximaal twaalf keer per jaar de sluitingstijd overschrijden. Dit wordt geregeld in artikel 3.82, zevende lid. Daarnaast kan een aanvraag worden gedaan voor een maatwerk-ontheffing. Deze maatwerkontheffing is geregeld in artikel 3.91.
Overgangsregeling voor waar het bestemmingsplan nog niet is vervangen
De regels over openingstijden zijn gekoppeld aan de nieuwe zwaartecategorieën. Het toekennen van een zwaartecategorie gebeurt voor het eerst op het moment dat ergens een nog gelden, onder oud recht vastgesteld bestemmingsplan wordt vervangen. Dat vervangen zal gebied voor gebied gebeuren, en daar zullen de nodige jaren over heen gaan. Voor zover het onder oud recht vastgestelde bestemmingsplan nog niet is vervangen, wordt voor de openingstijden een overgangsbepaling opgenomen. Dat voorkomt ook dat horecabedrijven in een gebied waar het bestemmingsplan is vervangen in een nadeliger positie komen ten opzichte van horecabedrijven waar dat nog niet het geval is. Deze aanpak creëert een level playingfield. Dat gebeurt in artikel 3.83. De openingstijden zijn gekoppeld aan benamingen voor vormen van horeca, zoals die in bestemmingsplannen veelal worden gebruikt om de horecatypen te definiëren. Omdat het vrij veel voorkomt dat een bestemmingsplan op een en dezelfde locatie verschillende horecacategorieën toelaat, zal de verleende exploitatievergunning veelal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag van welk soort horeca sprake is.
Behoud van de openingstijden die vergund zijn als ‘avondzaak’
Er zijn in Amsterdam medio 2024 150 horecazaken die doordeweeks om 03:00 uur en in het weekend om 04:00 uur sluiten. Dit zijn zaken die als ‘avondzaak’ zijn vergund op basis van de Algemene Plaatselijke Verordening. Het gaat met name om cafés, een groot deel gelegen in stadsdeel Centrum rondom de uitgaansgebieden Rembrandtplein en Leidsebuurt. Maar ook diverse (eet)cafés in Oost, West en Zuid en enkele in Noord en Nieuw-West. Aan de locaties waar deze horecazaken zich bevinden, zou gelet op de activiteiten een categorie middelzware horeca moeten worden gegeven. Deze 'avondzaken' onderscheiden zich echter van overige horecazaken binnen die categorie door hun latere sluitingstijd. De activiteiten die uitgevoerd (mogen) worden zijn verder hetzelfde als die van middelzware horeca. Het laatste decennium zijn er vrijwel geen nieuwe horecabedrijven vergund met de openingstijden van avondzaken. Tegelijk zijn er op deze huidige locaties in het algemeen geen problemen door deze sluitingstijd. Daarom zullen de ‘avondzaken’ hun huidige tijden behouden. Dit wordt geregeld in artikel 3.86. Daarin is bepaald dat voor de in bijlage X opgenomen horecazaken verruimde openingstijden gelden.
Generieke uitzonderingen openingstijden op bijzondere dagen
Op eerste kerstdag, oudejaarsdag, eerste paasdag en eerste pinksterdag willen horecabedrijven graag wat langer open zijn. Dit wordt mogelijk gemaakt door op die dagen de sluitingstijden voor het weekend (vrijdag- en zaterdag) te hanteren. Wanneer de betreffende feestdagen niet op een vrijdag of zaterdag vallen, gelden voor de nacht die daarop volgt alsnog de openingstijden voor de vrijdag en zaterdag. Hetzelfde geldt voor Koningsnacht: wanneer de viering van Koningsdag niet op een zaterdag of zondag valt, gelden de nacht voorafgaand aan Koningsdag de openingstijden voor de vrijdag en zaterdag. In alle gevallen geldt: eventuele ruimere tijden die mogelijk zijn gemaakt met een maatwerkvoorschrift op een specifieke locatie, zijn tijdens oudejaarsavond en Koningsnacht niet van toepassing. Dit alles wordt geregeld in artikel 3.87.
Ook bij de overgang van naar zomertijd geldt een uitzondering. In de nacht dat de zomertijd ingaat mag een horecazaak die op het uur dat de zomertijd ingaat open mag zijn, één uur langer open blijven. Dat wordt geregeld in artikel 3.88.
Het beperken van openingstijden
Het is mogelijk dat op een locatie bepaalde horeca-activiteiten alleen mogelijk zijn, wanneer de openingstijden beperkt worden ten opzichte van de algemeen geldende openingstijden. Als het nodig is om onaanvaardbare overlast voor het woon- en leefklimaat tegen te gaan, kunnen de openingstijden van een horecazaak met een maatwerkvoorschrift beperkt worden. Artikel 3.90 biedt hiervoor de grondslag.
Daarnaast biedt het beleid de mogelijkheid dat voor een bepaald gebied in het omgevingsplan andere openingstijden worden vastgesteld. Artikel 3.89 is hiervoor gereserveerd.
Het verruimen van openingstijden
Onder voorwaarden zijn er mogelijkheden om af te wijken van de openingstijden. Bij alle verruimingen geldt als voorwaarde dat deze naar verwachting geen onaanvaardbare overlast geeft voor de omgeving en dat de openbare orde en veiligheid niet in het geding komen. Aan een verruiming kunnen voorwaarden opgelegd worden die ervoor moeten zorgen dat de verruiming aanvaardbaar is voor de omgeving, of voor het waarborgen van de openbare orde en veiligheid.
Incidentele verruimingen
Van oudsher kunnen horecabedrijven in Amsterdam maximaal vijf keer per jaar een aanvraag indienen voor verruimde openingstijden. Dit wordt een ‘verlaatje’ genoemd. Deze mogelijkheid is bedoeld om een aantal keer per jaar langer door te kunnen gaan dan normaal, bijvoorbeeld bij een speciale activiteit of feestje. Een klein deel van de horecabedrijven gebruikt deze mogelijkheid nu. Dit verloopt meestal zonder problemen voor de buurt. Daarom blijft deze mogelijkheid bestaan voor alle horecabedrijven in de gemeente Amsterdam. Sturing op deze overschrijdingen van de openingstijden is met name nodig met oog op openbare orde en veiligheid. Op grond van de APV is daarom een ontheffing nodig.
Voor sommige horecabedrijven is er de wens om vaker dan vijf keer per jaar langer open te zijn. Deze bedrijven organiseren bijvoorbeeld iedere maand een avond met een speciaal programma. Horecabedrijven die op dit moment al – bij wijze van proef – twaalf keer per jaar langer open mogen zijn, doen dit veelal zonder problemen voor de buurt. Daarom wordt deze proef in beleid omgezet. Op locaties voor middelzware en zware horeca kan twaalf keer per jaar een verruiming worden aangevraagd. Ook hier geldt dat sturing op deze overschrijdingen van de openingstijden met name nodig is met oog op openbare orde en veiligheid. Op grond van de APV is daarom een ontheffing nodig.
In het omgevingsplan worden deze overschrijdingen, gezien de geringe impact op de fysieke leefomgeving door het incidentele karakter, met algemene regels toegestaan. Een ruimtelijk relevante voorwaarde daarbij is dat de overschrijding niet meerdere dagen achter elkaar plaats vindt. Tussen het gebruik van de ontheffingen moet minimaal 6 dagen zitten. Artikel 3.82, 3.83 en 3.84 bieden deze mogelijkheid, en bevatten de beperkingen.
Er is voor gekozen deze 'ontheffing' in de vorm van algemene regels op te nemen, en dus niet in de vorm van een ontheffingsmogelijkheid bij maatwerkvoorschrift. Hiermee wordt ruimte geboden om de werkwijze onder oud recht voor te zetten. Die hield in dat op grond van de APV voor een beperkt aantal keer per jaar ontheffing kon worden aangevraagd van de openingstijden. Deze ontheffing werd slechts geweigerd wanneer daar vanuit oogpunt van openbare orde en veiligheid reden voor was. Bijvoorbeeld omdat een ondernemer consequent de geluidsnormen voor muziekinstallaties overschreed. Mits de exploitant zich houdt aan de algemene regels die van toepassing zijn, zoals die op het gebied van geluid, is een beperkt aantal overschrijdingen van de openingstijden met het oog op een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de praktijk aanvaardbaar gebleken. Wanneer de algemene regels worden overtreden, dan kan daartegen handhavend worden opgetreden. Bovendien blijft de ontheffingsmogelijkheid op grond van de APV blijft bestaan. Dat is omdat voor het toestaan met name gekeken wordt naar het gedrag van de ondernemer en het voorkomen van veiligheidsrisco’s. Dat betekent dat vooraf een ontheffing moet worden aangevraagd. Om die reden is er ook vanaf gezien in het omgevingsplan een meldingsplicht in het leven te roepen. Via de APV-ontheffing is voldoende zicht op het aantal overschrijdingen dat plaatsvindt.
Maatwerkontheffing openingstijden
Nieuw is de maatwerkontheffing openingstijden, opgenomen in artikel 3.91. Deze mogelijkheid geldt alleen voor fastfoodhoreca en zware horeca (uitgaan). Het biedt horecabedrijven de mogelijkheid om gedurende meerdere dagen per week, structureel langer open te zijn (looptijd van vijf jaar). Voor fastfoodhoreca komt dit tegemoet aan de behoefte om op sommige plekken in de stad nog steeds te eten of snacken na het uitgaan. Deze nieuwe maatwerkontheffing is er ook voor zware horeca (uitgaan). Doordat niet alle horecazaken in één keer sluiten en publiek op straat komt te staan, kan de overlast beperkt worden. Door ruimere openingstijden is er een gespreid vertrek van bezoekers mogelijk (vanuit één zaak of vanuit meerdere zaken in een gebied). Een verruiming van de openingstijden vermindert zo mogelijk de druk op de leefomgeving. Door de verruiming beschikbaar te stellen voor alle locaties van zware horeca én voor alle dagen per week, kan er ook een spreiding ontstaan van bezoekersstromen over de stad en over de dagen van de week. Ondernemers wordt hiermee ruimte geboden om ‘s nachts flexibeler te exploiteren. Het gaat om bedrijven die zijn ingericht op exploitatie in de late nacht en waarbij het bijvoorbeeld mogelijk kan zijn om in plaats van om 05:00 uur standaard om 07:00 uur te sluiten in het weekend. De stadsdelen mogen gebieden uitsluiten waar dit niet wenselijk is.
Het is mogelijk dat een ruimere sluitingstijd voor een horecabedrijf weliswaar ruimtelijk aanvaardbaar is, maar niet op grond van openbare orde, veiligheid en/of levensgedrag. Deze ontvlechting tussen openbare orde en veiligheid en ruimtelijke ordening is ook terug te zien bij de manier waarop de maatwerkontheffing wordt verleend. Met het oog op de fysieke leefomgeving (omgevingsplan) wordt allereerst beoordeeld of ruimere sluitingstijden ruimtelijk aanvaardbaar zijn. Daarna wordt beoordeeld of dit ook op gronden van openbare orde, veiligheid en levensgedrag van de exploitant aanvaardbaar is (APV).
De looptijd van de ontheffing wordt gekoppeld aan de (resterende) looptijd van de exploitatievergunning en is maximaal vijf jaar. Na afloop van die looptijd kan er steeds opnieuw een aanvraag worden ingediend voor een verlenging. De maatwerkontheffing is alleen bedoeld voor bedrijven waarvoor de incidentele ontheffingsmogelijkheid van twaalf keer per jaar onvoldoende is. Bij de aanvraag moet worden aangetoond wat de ondernemer doet om overlast in de omgeving te voorkomen. Indien die er zijn, zullen de ervaringen uit het verleden worden betrokken in de afweging.
NN
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[gereserveerd]
[Vervallen]
OO
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Om voor meer mensen in de stad woonruimte te bieden is in de bestuursperiode vanaf 2022 onder meer ingezet op het stimuleren van hospitaverhuur en inwoning. Amsterdammers die bijvoorbeeld ruim behuisd zijn, kunnen een kamer verhuren of iemand laten inwonen. Formeel is dan sprake van omzetting van een deel van een zelfstandige woning naar een onzelfstandige woning. In de Huisvestigingsverordening is de omzetting die gevolg is van hospitaverhuur en inwoning vrijgesteld van vergunningplicht als bedoeld in artikel 21 lid 1 onder c van de Huisvestingswet. De omzetting is echter niet in overeenstemming met het primaire uitgangspunt van het omgevingsplan dat woningen uitsluitend zijn toegestaan in de vorm van zelfstandige woonruimte. Daar waar het tijdelijk deel van het omgevingsplan geldt, is ook in een heel aantal gevallen sprake van strijdigheid van hospitaverhuur en inwoning met het plan; in voormalige bestemmingsplannen is namelijk soms de bepaling opgenomen dat een woning slechts door één huishouden mag worden bewoond. Met paragraaf 3.2.133.2.14 van de regels wordt op het primaire uitgangspunt in het omgevingsplan een uitzondering gemaakt voor hospitaverhuur en inwoning voor die gebieden waar het tijdelijk deel van het omgevingsplan geldt. Bepaald wordt dat hospitaverhuur en inwoning zonder meer is toegestaan. Het gevolg is dat voor het gebruiken van een woning voor hospitaverhuur of inwoning geen omgevingsvergunning meer nodig is. Dit kan helpend zijn om deze vorm van bewoning te stimuleren en een bijdrage te leveren aan het bestrijden van de wooncrisis.
PP
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Wanneer sprake is van een vergunningplichtige omgevingsplanactiviteit bouwwerken, dan wordt een aanvraag beoordeeld aan de hand van een aantal beoordelingsregels. Deze zijn opgenomen in paragraaf 4.2.4 van het omgevingsplan. De beoordelingsregels hebben betrekking op de volgende aspecten:
beoordeling aan algemene regels over bouwwerken, afwijkmogelijkheden (subparagraaf 4.2.4.2), onderverdeeld in:
een beoordeling van uiterlijk en de plaatsing van het bouwwerk (subparagraaf 4.2.4.3)
een toets aan de normering voor autoparkeerplaatsen en fietsstalling (subparagraaf 4.2.4.5)
een beoordeling op de toelaatbare kwaliteit van de bodem bij bodemgevoelige gebouwen op een bodemgevoelige locatie (subparagraaf 4.2.4.4)
een beoordeling op windhinder en windgevaar (subparagraaf 4.2.4.6)
een beoordeling de aanvaardbaarheid van geluidbelasting bij geluidgevoelige gebouwen in geluidaandachtsgebiedenter plaatse van de aanduiding 'nadere afweging geluid bij bouwplan noodzakelijk' (subparagraaf 4.2.4.7)
een beoordeling van de grondwatereffecten bij ondergrondse bouwwerken (subparagraaf 4.2.4.8)
een beoordeling op externe veiligheidsaspecten bij beperkt kwetsbare gebouwen in een beperkingengebied plaatsgebonden risico (subparagraaf 4.2.4.9)
een beoordeling op externe veiligheidsaspecten bij zeer kwetsbare, kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen in een beperkingengebied vuurwerk (subparagraaf 4.2.4.10)
een beoordeling op externe veiligheidsaspecten bij zeer kwetsbare, kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen in een beperkingengebied ontplofbare stoffen (subparagraaf 4.2.4.11)
een beoordeling op de waarborging van de veiligheid voor buisleidingen met gevaarlijke stoffen (subparagraaf 4.2.4.12)
een toets aan overige algemene regels over het bouwen en in stand houden van bouwwerken (subparagraaf 4.2.4.13)
Een beoordelingsregel met betrekking tot bouwtechnische vereisten is vanzelfsprekend niet opgenomen. Dat betreft immers de technische bouwactiviteit, die wordt gereguleerd door het Besluit bouwwerken leefomgeving.
Ten opzichte van de beoordelingsregels zoals die in de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht waren opgenomen voor de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen van een bouwwerk, is er een aantal beoordelingsaspecten bijgekomen. De reden daarvoor is dat de finale beoordeling op aanvaardbaarheid beter kan plaatsvinden op het detailniveau van de concrete bouwaanvraag. Zo is de mate waarin windhinder of windgevaar kan optreden niet alleen afhankelijk van het bouwvolume, maar ook van het architectonisch ontwerp. Waar nodig kunnen naar aanleiding van de beoordeling voorschriften aan de vergunning worden verbonden waarmee de aanvaardbaarheid kan worden geborgd.
Artikel 8.0a van het Besluit kwaliteit leefomgeving bepaalt dat voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten, de omgevingsvergunning wordt verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning. De in paragraaf 4.2.4 opgenomen beoordelingsregels zijn dan ook limitatief. Dat wil zeggen dat een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken uitsluitend op de daarin opgenomen beoordelingsregels wordt getoetst.
Gekoppeld aan de beoordelingsregels zijn ook de mogelijkheden bepaald tot het aan de vergunning verbinden van voorschriften. Het doel van die voorschriften moet altijd samengaan met het oogmerk van de betreffende beoordelingsregel.
In afdeling 4.2 zijn tot slot ook de aanvraagvereisten opgenomen die van toepassing zijn op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken (paragraaf 4.2.4). De aanvrager moet voldoen aan deze vereisten om een ontvankelijke vergunningaanvraag in te dienen. De aanvraagvereisten hebben betrekking op aan te leveren stukken, aan de hand waarvan de beoordeling op grond van de beoordelingsregels kan plaatsvinden.
De meeste van deze beoordelingsregels bevatten een open beoordelingsnorm. Die open normen zijn ook de reden voor vergunningplicht (zie paragraaf 5.3.4 van deze toelichting).
Er wordt echter ook getoetst aan een aantal regels met gesloten normen. Zo wordt een vergunningaanvraag op grond van artikel 4.16 getoetst aan de van toepassing zijnde ruimtelijke regels over bouwwerken. Aangezien de ruimtelijke regels over bouwwerken kwalificeren als algemene regels, kan deze beoordeling worden beschouwd als een preventieve toets aan de ruimtelijke regels over bouwwerken. Het bevoegd gezag beoordeeld dus vooraf of aan de algemene ruimtelijke regels over bouwwerken wordt voldaan. Dat voorkomt dat de initiatiefnemer zelf die beoordeling moet doen, en daarbij fouten maakt. De gevolgen daarvan zijn dusdanig groot, dat net als onder oud recht wordt voorzien in preventieve toetsing.
De toets aan concrete parkeer- en stallingsnormen is eveneens als beoordelingsregel vormgegeven. Terwijl ook daar sprake is van algemene regels. Bijkomende reden daarvoor is dat het de mogelijkheid biedt om bij vergunningvoorschrift af te kunnen wijken van de betreffende normen.
Niet alle beoordelingsregels zijn op elke aanvraag van toepassing. Zo vind een beoordeling op de aanvaardbaarheid van geluidbelasting alleen plaats als de aanvraag betrekking heeft op een geluidgevoelig gebouwen, dat bovendien is voorzien in een geluidaandachtsgebied. En de beoordeling op de waarborging van de veiligheid voor buisleidingen met gevaarlijke stoffen hoeft alleen plaats te vinden daar waar een dergelijke buisleiding ligt. In paragraaf 11.4.2.3 van deze toelichting wordt meer inhoudelijk ingegaan op de beoordelingsregels voor de verschillende aspecten, en zal ook worden ingegaan op de vraag wanneer ze van toepassing zijn.
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Subparagraaf 4.2.4.7 bevat beoordelingsregels met betrekking tot geluidgevoelige gebouwen in geluidaandachtsgebiedenter plaatse van de aanduiding 'nadere afweging geluid bij bouwplan noodzakelijk' . Met deze regeling wordt invulling gegeven aan paragraaf 5.1.4.2a.4 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, voor zover dat niet reeds bij het wijzigen van het omgevingsplan heeft plaatsgevonden. Als bij wijziging van het omgevingsplan al uitvoering is gegeven, dan blijft deze subparagraaf buiten toepassing. Daartoe is bepaald dat deze paragraaf uitsluitend geldt ter plaatse van de aanduiding 'nadere afweging geluid bij bouwplan noodzakelijk'. Waar de aanduiding moet gelden, wordt bij een wijziging van het omgevingsplan die voorziet in het toelaten van een geluidgevoelig gebouw bepaald.
Dit onderdeel is van toepassing op het toelaten van geluidgevoelige gebouwen in het geluidaandachtsgebiedop een locatie ter plaatse van een weg, spoorweg of industrieterreinde aanduiding 'nadere afweging geluid bij bouwplan noodzakelijk'. ErIn die gebieden is er voor gekozen om de definitieve beoordeling of een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied aanvaardbaar is te verbinden aan de beoordeling van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken.
Zoals ook aangegeven in de toelichting op het Aanvullingsbesluit geluid is er bij wijziging van het omgevingsplan dat op een locatie een geluidgevoelig gebouw toelaat, soms nog geen gedetailleerde informatie over het te bouwen geluidgevoelige gebouw. Dat is bijvoorbeeld aan de orde bij een omgevingsplan waarin de geluidgevoelige functies alleen in hoofdlijnen zijn aangegeven of zijn gemengd met andere functies. Dan kan het geluid niet goed worden onderzocht, zeker niet als het gaat om meerdere geluidgevoelige gebouwen die elkaar kunnen afschermen of kunnen zorgen voor onderlinge reflecties. Dat probleem werd onder het oude recht vaak opgelost door het onderzoeken van allerlei mogelijke invullingsvarianten voor een plangebied, met alle kosten en tijdsbeslag van dien.
De Omgevingswet biedt echter de mogelijk om het toelaten en het toetsen aan standaard- en grenswaarden door te schuiven naar het moment waarop wel voldoende gegevens beschikbaar zijn. Dat is vaak het moment waarop een omgevingsvergunning voor bouwen kan worden aangevraagd. Daarvoor moet het bouwen van het geluidgevoelige gebouw in het omgevingsplan worden aangemerkt als een omgevingsplanactiviteit. In voorliggend plan is dit in zijn algemeenheid gedaan voor het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk. Het gebouw wordt dan daadwerkelijk toegelaten door het verlenen van een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Bij die vergunningverlening wordt dan alsnog getoetst aan de regels zoals die in artikel 5.78t en de daaropvolgende artikelen van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn gesteld. Deze regels zijn daartoe overgenomen in subparagraaf 4.2.4.7.
De geluidtoets voor geluidgevoelige gebouwen op geluidgevoelige locaties wordt in principe gemaakt bij een wijziging van het omgevingsplan waarmee een nieuw geluidgevoelig gebouw wordt toegelaten. Bij een dergelijke wijziging wordt gemotiveerd op welke wijze uitvoering wordt gegeven aan de instructieregels, opgenomen in paragraaf 5.1.4.2a.4 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Daarbij worden in het omgevingsplan die regels opgenomen, die ervoor zorgen dat sprake is van een aanvaardbaar geluid.
Bij het vervangen van een ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan, bijvoorbeeld een onder oud recht vastgesteld bestemmingsplan dat een geluidgevoelig gebouw toelaat, hoeft op grond van artikel 5.78, tweede lid, geen toepassing te worden gegeven aan paragraaf 5.1.4.2a.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Er is in dat geval immers sprake van geluidgevoelig gebouw dat reeds rechtmatig is toegestaan op het tijdstip van de wijziging van het omgevingsplan. Hetzelfde geldt voor geluidgevoelige gebouwen die op grond een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit zijn toegestaan. Het maakt daarbij niet uit of het gebouw daadwerkelijk is gerealiseerd.
Als de toets evenwel wordt doorgeschoven, dan betekent dat overigens niet dat bij het wijzigen van het omgevingsplan helemaal geen onderzoek nodig is. Bij het op grond van het omgevingsplan op een bepaalde locatie toestaan van functies, is reeds op hoofdlijnen getoetst aan de instructieregels zoals opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Daarbij is onderzocht of het niet onaannemelijk is dat omgevingsvergunningen voor omgevingsplanactiviteiten voor de realisatie van geluidgevoelige gebouwen verleend kunnen worden. Het onderbouwende onderzoek wordt afgestemd op de informatie die op dat moment wel voorhanden is.
Beoordelingssystematiek
In artikel 4.47 is de feitelijke beoordelingsregel opgenomen. Daarin is bepaald dat de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied, alleen wordt verleend als het geluid op de gevel van het geluidgevoelige gebouw, met het oog op de bescherming van de gezondheid, aanvaardbaar is.
Artikel 4.48 bepaalt vervolgens dat dat het geval is als het geluid op het geluidgevoelig gebouw niet hoger is dan de standaardwaarde. Die standaardwaarde is opgenomen in tabel 4.48. Die waarden zijn gelijk aan de standaardwaarden, bedoeld in tabel 5.78t van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Wanneer aan de standaardwaarde wordt voldaan, dan vormt de geluidbelasting geen reden om de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 4.7, te weigeren.
Artikel 4.49 geef vervolgens aan dat als die standaardwaarde wordt overschreden, het geluid nog altijd aanvaardbaar kan zijn, maar wel onder voorwaarden. Als eerste voorwaarde geldt dat geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarde te voldoen. Als tweede voorwaarde geldt dat de overschrijding van de standaardwaarde door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt. En tot slot mag het geluid op het geluidgevoelige gebouw niet hoger zijn dan de grenswaarde, bedoeld in tabel 4.49. Die zijn gelijk aan de grenswaarden zoals opgenomen in artikel 5.78u van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
In bepaalde gevallen, waarbij sprake is van een bijzondere stedenbouwkundige situatie, kan een geluidbelasting hoger dan de grenswaarde toch toelaatbaar worden geacht. In het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn drie specifieke gevallen onderscheiden: vervangende nieuwbouw (5.78v Bkl), functiewijziging (5.78w Bkl) en nieuwbouw in het geluidaandachtsgebied van een industrieterrein met zeehavengebonden activiteiten (5.78x Bkl). Het gaat hier om bijzondere stedenbouwkundige situaties waarin onder voorwaarden een overschrijding van de grenswaarde is toegestaan. Een voorwaarde is dat de grenswaarde met niet meer dan 5 dB mag worden overschreden. Het betreft dus een toelaatbare overschrijding, geen andere grenswaarde.
In artikel 4.50 is analoog aan artikel 5.78x van het Besluit kwaliteit leefomgeving voorzien dat in bepaalde gevallen bij zeehavengebonden activiteiten een geluidbelasting op een geluidgevoelig gebouw die hoger is dan de in artikel 4.49, eerste lid, onder c, bedoelde grenswaardwaarde, toch aanvaardbaar kan zijn.
Voordat gebruik gemaakt kan worden van de mogelijkheid om de grenswaarde te overschrijden, dient eerst het omgevingsplan te zijn gewijzigd. De mogelijkheid wordt namelijk alleen gebieden ter plaatse van specifiek in het omgevingsplan aangewezen locaties. Bij de besluitvorming over die wijziging van het omgevingsplan dient onderzoek plaats te vinden, en wordt de afweging gemaakt met betrekking tot de mogelijk noodzaak om de betreffende mogelijkheden te kunnen toepassen. Of daadwerkelijk sprake is van noodzaak, of dat er alsnog andere mogelijkheden zijn, moet blijken bij de vergunningaanvraag.
Een regeling met betrekking tot de hiervoor genoemde functiewijziging is overigens niet in dit omgevingsplan ingepast. De afweging of bij een functiewijziging van een bestaand gebouw een overschrijding van de grenswaarde aanvaardbaar is, kan worden gemaakt bij de wijziging van het omgevingsplan waarmee het nieuwe gebruik wordt toegestaan.
Tot slot wordt opgemerkt dat het Besluit kwaliteit leefomgeving ook de mogelijkheid bevat een overschrijding grenswaarde vanwege zwaarwegende belangen toe te staan, bij een niet-geluidgevoelige gevel zonder bouwkundige maatregelen (artikel 5.78aa Bkl). Het betreft een uiterste mogelijkheid om wanneer de grenswaarden worden overschreden en een geluidwerende constructie niet mogelijk is, een geluidgevoelig gebouw toch toe te laten als zwaarwegende economische of zwaarwegende andere maatschappelijke belangen dit rechtvaardigen. Hiermee worden in het Besluit kwaliteit leefomgeving de meer generieke mogelijkheden van de Crisis- en herstelwet en de Interimwet stad-en milieubenadering voortgezet. Bij toepassing van deze mogelijkheid kan niet worden volstaan met het afwegen van geluidbeperkende maatregelen die financieel doelmatig zijn. Ook andere, niet doelmatige, maatregelen komen in aanmerking om het geluid te beperken tot de grenswaarde dan wel om de overschrijding van die grenswaarde zoveel mogelijk te beperken. Deze mogelijkheid is opgenomen in artikel 4.51.
In de artikelgewijze toelichting worden de hiervoor aangehaalde en overige in subparagraaf 4.2.4.7 opgenomen artikel nader toegelicht.
RR
Sectie ' Overige gegevens en bescheiden' wordt geplaatst na sectie ' Algemene gegevens bij melding en informatieplicht'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 4.90 bevat de mogelijkheid de mogelijkheid om de aanvrager te verplichten overige gegevens en bescheiden te verstrekken die naar het oordeel van het bevoegd gezag nodig zijn voor toetsing aan dit omgevingsplan. Dit artikel komt in de plaats van artikel 22.35, onderdeel k, zoals dat bij wijze van Bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan. Het artikel is inhoudelijk ongewijzigd.
In dit omgevingsplan worden allerlei vergunningplichten in het leven geroepen. Ook worden mogelijkheden in het leven geroepen om om een maatwerkvoorschrift te vragen. Al deze aanvragen gaan vergezeld van concrete aanvraagvereisten. De situatie kan zich echter voordoen dat in een specifiek geval aanvullende gegevens of bescheiden nodig zijn, om de toets aan het omgevingsplan te kunnen uitvoeren. Artikel 1.6 bevat de mogelijkheid om de aanvrager dan te verplichten overige gegevens en bescheiden te verstrekken die naar het oordeel van het bevoegd gezag nodig zijn voor toetsing van een vergunningaanvraag of een aanvraag om een maatwerkvoorschrift aan dit omgevingsplan. Tot aan de wijziging waarmee dit artikel in hoofdstuk 1 is komen te staan, was een soortgelijk artikel opgenomen in subparagraaf 4.2.4.14, onder artikelnummering 4.90. Dat artikel bevatte de mogelijkheid om de aanvrager om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken te verplichten overige gegevens en bescheiden te verstrekken die naar het oordeel van het bevoegd gezag nodig zijn voor toetsing aan dit omgevingsplan. Dat artikel kwam in de plaats van artikel 22.35, onderdeel k, zoals dat bij wijze van Bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan. Met de verplaatsing van dit artikel naar hoofdstuk 1 is het toepassingsbereik verruimd naar aanvragen voor een omgevingsvergunning voor elk type omgevingsplanactiviteit. Overigens biedt artikel 4.2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht daartoe ook reeds een grondslag. Omdat in dit omgevingsplan echter veelal gewerkt wordt met concrete aanvraagvereisten, is er volledigheidshalve voor gekozen deze bepaling te behouden.
SS
Sectie ' Aanbieden aan derden van vergader- en congresfaciliteiten' wordt geplaatst na sectie ' Beperkingen met betrekking tot baliefuncties'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 2.44 bevat regels over het aanbieden van faciliteiten aan derden voor het houden van vergaderingen en congressen.
Eerste lid:
Het eerste lid bepaalt dat het aanbieden van vergader- en congresfaciliteiten aan derden is toegestaan voor zover dit ondergeschikt is aan het hoofdgebruik van zakelijke en administratieve dienstverlening. Wanneer geen sprake is van ondergeschiktheid, of wanneer de bedrijfsvoering zelfs uitsluitend is gericht op het aanbieden van faciliteiten aan derden voor het houden van vergaderingen en congressen, dan is paragraaf 2.3.242.3.25 van toepassing.
Tweede lid:
Op grond van het tweede lid kunnen wel beperkingen gelden. Die beperkingen gelden uitsluitend ter plaatse van de aangegeven locatie. De beperkingen hebben nadrukkelijk betrekking op het aanbieden aan derden van vergader- en congresfaciliteiten. Voor zover beperkingen zijn gesteld, gelden die niet voor de eigen vergader- en congresruimten voor eigen gebruik.
TT
Sectie ' Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: hotel', toegestaan gebruik ' wordt geplaatst na sectie ' Toepassingsbereik '. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 2.114 bevat regels over het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: hotel', en over het daar toegestaan gebruik. Op dit gebruiksdoel is het Overnachtingsbeleid van toepassing zoals dat op 26 oktober 2021 door het college van burgemeester en wethouders is vastgesteld.
Het artikel bepaalt dat de gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: hotel' als gebruiksdoel hotel hebben, en dat ze mogen worden gebruikt voor het exploiteren van een hotel. Daarbij moeten uiteraard de overige regels die op het gebruiksdoel en het gebruik betrekking hebben, in acht worden genomen.
In bijlage I is bepaald dat onder een hotel wordt verstaan het bedrijfsmatig aanbieden van faciliteiten ten behoeve van overnachten voor recreatief of zakelijk verblijf in een gebouw, voor de duur van 1 dag tot en met 12 maanden, anders dan op een kampeerterrein of vakantiepark, met inbegrip van bijbehorende faciliteiten voor hotelgasten en congresfaciliteiten. Onder een hotel wordt niet verstaan het gebruik van woonruimte of de daarbij behorende opstallen voor bed & breakfast, short stay of vakantieverhuur.
Hostels en jeugdherbergen vallen wel onder de omschrijving. Overnachting op kampeerterreinen en vakantieparken in tenten, toercaravans en campers vallen niet onder de hier opgenomen regels, aangezien hier geen sprake is van overnachten in een gebouw. Huisjes op kampeerterreinen en vakantieparken vallen eveneens buiten de reikwijdte. Deze worden gereguleerd door onderdeel 2.3.232.3.24.
Bij bijbehorende faciliteiten voor hotelgasten moet worden gedacht aan een ontvangstruimte, een lobby, een ontbijtruimte, een hotelbar, een fitnessruimte en een spa.
Bij bijbehorende faciliteiten voor hotelgasten moet worden gedacht aan een ontvangstruimte, een lobby, een ontbijtruimte, een hotelbar, een fitnessruimte en een spa. Bed & breakfast en vakantieverhuur betreft overnachten in een woning. Short stay betreft het gebruik van woonruimte voor ‘kort wonen’. Dit valt buiten dit onderdeel. Dit is in de omschrijving van hotel expliciet bepaald. Omdat de woonfunctie in die gevallen primair is, terwijl het bedrijfsmatig faciliteren van overnachten voor recreatief of zakelijk gebruik in die woning niet steeds en evenmin in de gehele woning hoeft plaats te vinden, zijn regels over deze activiteiten opgenomen in onderdeel 2.3.1.
In combinatie met artikel 2.3, eerste lid, betekent dit dat hotels op andere locaties niet zijn toegestaan. Hiermee kan op adequate wijze uitvoering worden gegeven aan het Overnachtingsbeleid, voor zover dat betrekking heeft op hotelvestiging. Bestaande hotellocaties kunnen worden geconsolideerd door aan de locatie de aanduiding te verbinden. Nieuwe hotelvestiging kan eveneens en op dezelfde wijze worden gefaciliteerd, mits dat passend is binnen het Overnachtingsbeleid.
UU
Sectie ' Omvang en situering van hotels' wordt geplaatst na sectie ' Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: hotel', toegestaan gebruik '. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 2.115 bevat beperkende regels over de omvang en situering van faciliteiten voor ontspanning en vermaak. Met dit artikel kunnen locatiegericht beperkingen zijn gesteld. Deze regels zijn alleen van toepassing voor zover de betreffende aanduiding op een locatie van toepassing is. Is geen aanduiding opgenomen, dan gelden de betreffende beperkingen niet.
Hiermee wordt voorzien in verschillende manieren van regulering van hotels, zoals dat ook in bestemmingsplannen voorkomt. Het uitgangspunt van het overnachtingsbeleidhotelbeleid is dat in ‘nee’ gebiedener geen nieuwe overnachtingsfaciliteiten worden mogelijk gemaakt. Ook in ‘nee, tenzij’ gebieden mogen zonder juridische borging van de voorwaarden uit het overnachtingsbeleid geen rechten voor extra capaciteit in het leven worden geroepen. Dit artikel biedt daarom de mogelijkheid om de bestaande rechten (zoals dit ook gebeurde in bestemmingsplannen) in te kaderen in het omgevingsplan. Deze regels zijn alleen van toepassing voor zover de betreffende aanduiding op een locatie van toepassing is. Is geen aanduiding opgenomen, dan gelden de betreffende beperkingen niet. Uiteraard kan een hotel dan nog in omvang zijn beperkt vanwege de maxima die gelden voor de bebouwing.
Eerste lid:
Het eerste lid bevat een beperking voor het maximum bruto-vloeroppervlak hotel dat is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'maximum bruto-vloeroppervlakte hotel'. Deze aanduiding gaat altijd gepaard met een op de digitale kaart weergegeven waarde. Die waarde bepaalt het maximum oppervlak. Gelet op artikel 2.2, derde lid, geldt dat maximum per afzonderlijk aanduidingsvlak.
Tweede lid:
Het tweede lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'bouwlaag waarin hotel is toegestaan' het exploiteren van een hotel uitsluitend is toegestaan in de daar bepaalde bouwlaag of bouwlagen. Deze aanduiding gaat altijd gepaard met een op de digitale kaart weergegeven waarde. Die waarde bepaald in welke bouwlaag of bouwlagen faciliteiten voor ontspanning en vermaak zijn toegestaan.
Derde lid:
Het derde lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal hotelkamers' het maximum aantal hotelkamers dat er mag zijn de daar bepaalde waarde is. Deze aanduiding gaat altijd gepaard met een op de digitale kaart weergegeven waarde. Die waarde bepaalt het maximum aantal hotelkamers. Gelet op artikel 2.2, derde lid, geldt dat maximum per afzonderlijk aanduidingsvlak.
Vierde lid:
Het vierde lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal bedden' het maximum aantal bedden dat er mag zijn de daar bepaalde waarde is. Deze aanduiding gaat altijd gepaard met een op de digitale kaart weergegeven waarde. Die waarde bepaalt het maximum aantal bedden. Gelet op artikel 2.2, derde lid, geldt dat maximum per afzonderlijk aanduidingsvlak.
Vijfde lid:
Het vijfde lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal bedden per kamer' het maximum aantal bedden dat er per kamer mag zijn de daar bepaalde waarde is. Deze aanduiding gaat altijd gepaard met een op de digitale kaart weergegeven waarde. Die waarde bepaalt het maximum aantal bedden per kamer. Gelet op artikel 2.2, derde lid, geldt dat maximum per afzonderlijk aanduidingsvlak.
VV
Na sectie ' Beperking met betrekking tot overnachten' worden 30 secties ingevoegd, luidende:
In afdeling 2.3 worden gebruiksdoelen aan locaties gegeven, wordt bepaald welk gebruik daar is toegestaan, en worden regels over het gebruik gegeven. Paragraaf 2.3.20 bevat regels over het exploiteren van een horecazaak. Artikel 2.244 bepaalt het toepassingsbereik van de regels in dit onderdeel.
Eerste lid:
In het eerste lid is bepaald dat de paragraaf van toepassing is op het exploiteren van een horecazaak. Onder een horecazaak wordt verstaan een bedrijf, in hoofdzaak gericht op het uitoefenen van een horeca. De inhoudelijke regels over het exploiteren van een horecazaak volgen per onderscheiden gebruiksdoel in de overige bepalingen.
Tweede lid:
In het tweede lid is bepaald dat de paragraaf geldt ter plaatse van de de aangegeven aanduidingen. Hiermee is het geografisch werkingsgebied van de regels bepaald. Het gaat om het maximale werkingsgebied. De regels in deze partagraaf gelden alleen binnen dat werkingsgebied. Voor een groot aantal van de regels in deze paragraaf geldt dat het werkingsgebied nader ingeperkt is.
Derde lid:
In het derde lid wordt aangegeven dat deze paragraaf niet van toepassing is op een horecazaak die als additionele horeca is toegestaan op grond van subparagraaf 3.2.13.3. Het kan bijvoorbeeld gaan om een sportkantine. Die worden soms ook zelfstandig geëxploiteerd. Dan is sprake van een horecazaak. Zolang aan de voorwaarden, gesteld in subparagraaf 3.2.13.3 wordt voldaan, mag een dergelijke kantine ongeacht deze paragraaf 2.3.20 ook zelfstandig worden geëxploiteerd.
Artikel 2.245 bevat regels over de omvang en situering van horecazaken. Met dit artikel kunnen locatiegericht beperkingen zijn gesteld. Deze regels zijn alleen van toepassing voor zover de betreffende aanduiding op een locatie van toepassing is. Is geen aanduiding opgenomen, dan gelden de betreffende beperkingen niet.
Eerste lid:
Het eerste lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum bruto-vloeroppervlakte horecazaak' geldt dat de maximum bruto-vloeroppervlakte die ten behoeve van een of meer horecazaken mag worden gebruikt de ter plaatse van die aanduiding bepaalde waarde is. Deze beperking geldt uitsluitend voor horecazaken. De aanduiding gaat altijd gepaard met een op de digitale kaart weergegeven waarde. Die waarde bepaalt het maximum oppervlak. Dat maximum geldt per afzonderlijk aanduidingsvlak.
Tweede lid:
Het tweede lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'bouwlaag waarin een horecazaak is toegestaan' geldt dat een horecazaak uitsluitend is toegestaan in de daar bepaalde bouwlaag of bouwlagen. Deze beperking geldt uitsluitend voor horecazaken. De aanduiding gaat altijd gepaard met een op de digitale kaart weergegeven waarde. Die waarde bepaalt in welke bouwlaag of bouwlagen een horecazaak is toegestaan.
Derde lid:
Het derde lid bevat een beperking die uitsluitend geldt ter plaatse van de aanduiding 'maximaal aantal horecazaken'. De aanduiding gaat altijd gepaard met een op de digitale kaart weergegeven waarde. Die waarde bepaalt het maximaal aantal horecazaken dat is toegestaan. Dat maximum geldt per afzonderlijk aanduidingsvlak.
In afdeling 2.3 worden gebruiksdoelen aan locaties gegeven, wordt bepaald welk gebruik daar is toegestaan, en worden regels over het gebruik gegeven. Paragraaf 2.3.20 bevat regels over horecazaken. Subparagraaf 2.3.20.2 bevat locatiegerichte regels over zwaartecategorieën voor zelfstandige horeca. Subsubparagraaf 2.3.20.2.1 bevat regels over lichte horeca, en bepaalt waar die is toegestaan.
Artikel 2.246 bepaalt het toepassingsbereik van de regels in dit onderdeel.
Eerste lid:
In het eerste lid is bepaald dat de paragraaf van toepassing is het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: lichte horeca'. De inhoudelijke regels over het binnen dit gebruiksdoel toegestane gebruik volgen in de overige bepalingen.
Tweede lid:
In het tweede lid is bepaald dat de paragraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: lichte horeca'. Hiermee is het geografisch werkingsgebied van de regels bepaald.
Artikel 2.247 bevat regels over het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: lichte horeca', en over het daar toegestaan gebruik.
Het artikel bepaalt dat de gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: lichte horeca' als gebruiksdoel lichte horeca hebben, en dat ze mogen worden gebruikt ten behoeve van het exploiteren van lichte horeca. Daarbij moeten uiteraard de overige regels die op het gebruiksdoel betrekking hebben, in acht worden genomen.
In bijlage I is bepaald dat onder lichte horeca wordt verstaan een horecazaak, niet zijnde fastfoodhoreca, gericht op het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse bereide etenswaren en/of niet-alcoholische dranken voor directe consumptie in de horecazaak.
Bij lichte horeca gaat het in hoofdzaak om horecazaken zoals lunchrooms, koffie- en theehuizen, ijssalons, en dergelijke, maar ook een restaurant dat geen alcohol verstrekt is passend. Wel gelden ten opzichte van zwaardere vormen van horeca in de avond beperkte openingstijden, en zijn allerlei activiteiten verboden die binnen andere horecacategorieën wel zijn toegestaan. Deze beperkingen zijn gesteld met het oog op het karakter en de bescherming van de omgeving van de locaties waar lichte horeca is toegestaan.
Dit artikel geeft aan welke activiteiten in elk geval zijn toegestaan binnen het exploiteren van een horecazaak op een locatie met als gebruiksdoel lichte horeca. Voor de beleidsmatige onderbouwing wordt verwezen naar het horecabeleid.
Dit artikel bepaalt dat op een locatie, bedoeld voor het exploiteren van lichte horeca, het aanbieden en meegeven van etenswaren voor directe consumptie in de directe omgeving van de horecazaak, voor zover die etenswaren voorbereidingsbehandeling behoeven, uitsluitend is toegestaan als de horecazaak niet voor publiek toegankelijk is en een maximale bruto-vloeroppervlakte heeft van 50 m2.
Dit artikel geeft specifiek voor een aantal activiteiten aan dat deze binnen een horecazaak ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: lichte horeca' niet zijn toegestaan. De betreffende activiteiten hebben deels direct gevolgen voor de fysieke leefomgeving die op locaties, bedoeld voor lichte horeca, ongewenst zijn. Voor een deel ook is dat effect indirect, bijvoorbeeld als de betreffende activiteit zorgt voor andere bezoekersstromen of gedragingen dan dat passend is op een locatie, bedoeld voor lichte horeca. Het gaat om activiteiten die, als ze wel zouden zijn toegestaan, bijdragen aan een wezenlijk ander karakter van de horeca-activiteit. Voor de beleidsmatige onderbouwing wordt verwezen naar het horecabeleid.
In afdeling 2.3 worden gebruiksdoelen aan locaties gegeven, wordt bepaald welk gebruik daar is toegestaan, en worden regels over het gebruik gegeven. Paragraaf 2.3.20 bevat regels over horecazaken. Subparagraaf 2.3.20.2 bevat locatiegerichte regels over zwaartecategorieën voor zelfstandige horeca. Subsubparagraaf 2.3.20.2.2 bevat regels over reguliere horeca, en bepaalt waar die is toegestaan.
Artikel 2.251 bepaalt het toepassingsbereik van de regels in dit onderdeel.
Eerste lid:
In het eerste lid is bepaald dat de paragraaf van toepassing is het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: reguliere horeca'. De inhoudelijke regels over het binnen dit gebruiksdoel toegestane gebruik volgen in de overige bepalingen.
Tweede lid:
In het tweede lid is bepaald dat de paragraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: reguliere horeca'. Hiermee is het geografisch werkingsgebied van de regels bepaald.
Artikel 2.252 bevat regels over het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: reguliere horeca', en over het daar toegestaan gebruik.
Het artikel bepaalt dat de gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: reguliere horeca' als gebruiksdoel reguliere horeca hebben, en dat ze mogen worden gebruikt ten behoeve van het exploiteren van reguliere en lichte horeca. Daarbij moeten uiteraard de overige regels die op het gebruiksdoel betrekking hebben, in acht worden genomen.
In bijlage I is bepaald wat in dit omgevingsplan onder reguliere en lichte horeca wordt verstaan.
Onder reguliere horeca wordt verstaan een horecazaak gericht op het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse bereide etenswaren en/of al dan niet alcoholische dranken voor directe consumptie in de horecazaak.
Het gaat in hoofdzaak om horecazaken zoals restaurants, eetcafés en cafés, en dergelijke, maar ook vormen van horeca die vallen onder lichte horeca, zoals lunchrooms, koffie- en theehuizen, ijssalons en dergelijke vallen binnen de begripsbepaling en zijn in beginsel toegestaan. Ten opzichte van locaties bedoeld voor lichte horeca is het grootste verschil dat ook alcoholhoudende dranken mogen worden verstrekt en dat er ruimere openingstijden gelden. Ook is op specifiek aangegeven locaties fastfoodhoreca toegestaan.
Voor wat betreft lichte horeca, die dus eveneens is toegestaan, wordt kortheidshalve verwezen naar de artikelgewijze toelichting bij artikel 2.247. Op de uitoefening van lichte horeca ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: reguliere horeca' zijn de regels van toepassing zoals opgenomen in deze subsubparagraaf 2.3.20.2.2.
Dit artikel geeft aan welke activiteiten in elk geval zijn toegestaan binnen het exploiteren van een horecazaak op een locatie met als gebruiksdoel reguliere horeca. Voor de beleidsmatige onderbouwing wordt verwezen naar het horecabeleid.
Dit artikel geeft specifiek voor een aantal activiteiten aan dat deze binnen een horecazaak ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: reguliere horeca' niet zijn toegestaan. De betreffende activiteiten hebben deels direct gevolgen voor de fysieke leefomgeving die op locaties, bedoeld voor reguliere horeca, ongewenst zijn. Voor een deel ook is dat effect indirect, bijvoorbeeld als de betreffende activiteit zorgt voor andere bezoekersstromen of gedragingen dan dat passend is op een locatie, bedoeld voor reguliere horeca. Het gaat om activiteiten die, als ze wel zouden zijn toegestaan, bijdragen aan een wezenlijk ander karakter van de horeca-activiteit. Voor de beleidsmatige onderbouwing wordt verwezen naar het horecabeleid.
Dit artikel regelt binnen locaties die voor reguliere horeca zijn aangewezen waar fastfoodhoreca is toegestaan. Het eerste lid bepaalt dat dit uitsluitend het geval is ter plaatse van de aanduiding 'fastfoodhoreca toegestaan'.
Het tweede lid bepaalt daarbij dat daar bij het exploiteren van fastfoodhoreca is toegestaan etenswaren voor directe consumptie in de directe omgeving van de horecazaak te verstrekken. Dat is in afwijking van artikel 2.254 aanhef en onder a. Het verstrekken van etenswaren voor directe consumptie in de directe omgeving van de horecazaak is alleen toegestaan als sprake is van fastfoodhoreca. Is sprake van een andere vorm van horeca, dan is dit niet toegestaan.
Het derde lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum bruto-vloeroppervlakte fastfoodhoreca' geldt dat de maximum bruto-vloeroppervlakte die ten behoeve van fastfoodhoreca mag worden gebruikt de ter plaatse van die aanduiding bepaalde waarde is. Deze beperking geldt uitsluitend voor fastfoodhoreca. De aanduiding gaat altijd gepaard met een op de digitale kaart weergegeven waarde. Die waarde bepaalt het maximum oppervlak. Dat maximum geldt per afzonderlijk aanduidingsvlak.
In afdeling 2.3 worden gebruiksdoelen aan locaties gegeven, wordt bepaald welk gebruik daar is toegestaan, en worden regels over het gebruik gegeven. Paragraaf 2.3.20 bevat regels over horecazaken. Subparagraaf 2.3.20.2 bevat locatiegerichte regels over zwaartecategorieën voor zelfstandige horeca. Subsubparagraaf 2.3.20.2.3 bevat regels over middelzware horeca, en bepaalt waar die is toegestaan.
Artikel 2.256 bepaalt het toepassingsbereik van de regels in dit onderdeel.
Eerste lid:
In het eerste lid is bepaald dat de paragraaf van toepassing is het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: middelzware horeca'. De inhoudelijke regels over het binnen dit gebruiksdoel toegestane gebruik volgen in de overige bepalingen.
Tweede lid:
In het tweede lid is bepaald dat de paragraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: middelzware horeca'. Hiermee is het geografisch werkingsgebied van de regels bepaald.
Artikel 2.257 bevat regels over het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: middelzware horeca', en over het daar toegestaan gebruik.
Het artikel bepaalt dat de gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: middelzware horeca' als gebruiksdoel middelzware horeca hebben, en dat ze mogen worden gebruikt ten behoeve van het exploiteren van middelzware, reguliere en lichte horeca. Daarbij moeten uiteraard de overige regels die op het gebruiksdoel betrekking hebben, in acht worden genomen.
In bijlage I is bepaald wat in dit omgevingsplan onder middelzware, reguliere en lichte horeca wordt verstaan.
Onder middelzware horeca wordt verstaan een horecazaak, niet zijnde fastfoodhoreca, gericht op het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse bereide etenswaren en/of al dan niet alcoholische dranken voor directe consumptie in de horecazaak, waarbij muziek ten gehore wordt gebracht met een geluidsniveau hoger dan 75 dB(A).
Bij middelzware horeca gaat het in hoofdzaak om cafés waar na verloop van de avond het muziekniveau omhoog gaat naar een niveau van meer dan achtergrondmuziek. Maar uiteraard kan dit ook het geval zijn bij restaurants en eetcafés. Overigens zijn die ook toegestaan zonder dat daarbij sprake is van muziek met een hoger geluidsniveau. Hetzelfde geldt voor vormen van lichte horeca. Binnen de in deze subparagraaf aangegeven beperkingen zijn dus ook vormen van lichte en reguliere horeca toegestaan.
Ten opzichte van locaties bedoeld voor reguliere horeca is het grootste verschil dat muziek ten gehore wordt gebracht met een geluidsniveau hoger dan 75 dB(A) en dat er ruimere openingstijden gelden. Ook kan op sommige locaties het aanbieden van waterpijpen zijn toegestaan.
Voor wat betreft lichte en reguliere horeca, die dus eveneens zijn toegestaan, wordt kortheidshalve verwezen naar de artikelgewijze toelichting bij artikel 2.247 en artikel 2.252. Op de uitoefening van lichte en reguliere horeca ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: middelzware horeca' zijn de regels van toepassing zoals opgenomen in deze subsubparagraaf 2.3.20.2.3.
Dit artikel geeft aan welke activiteiten in elk geval zijn toegestaan binnen het exploiteren van een horecazaak op een locatie met als gebruiksdoel middelzware horeca. Voor de beleidsmatige onderbouwing wordt verwezen naar het horecabeleid.
Dit artikel geeft specifiek voor een aantal activiteiten aan dat deze binnen een horecazaak ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: middelzware horeca' niet zijn toegestaan. De betreffende activiteiten hebben deels direct gevolgen voor de fysieke leefomgeving die op locaties, bedoeld voor middelzware horeca, ongewenst zijn. Voor een deel ook is dat effect indirect, bijvoorbeeld als de betreffende activiteit zorgt voor andere bezoekersstromen of gedragingen dan dat passend is op een locatie, bedoeld voor middelzware horeca. Het gaat om activiteiten die, als ze wel zouden zijn toegestaan, bijdragen aan een wezenlijk ander karakter van de horeca-activiteit. Voor de beleidsmatige onderbouwing wordt verwezen naar het horecabeleid.
Dit artikel regelt binnen locaties die voor middelzware horeca zijn aangewezen waar het verstrekken van waterpijpen voor gebruik in de horecazaak is toegestaan. Dat is uitsluitend het geval ter plaatse van de aanduiding 'horeca met aanbieden waterpijpen toegestaan'.
In afdeling 2.3 worden gebruiksdoelen aan locaties gegeven, wordt bepaald welk gebruik daar is toegestaan, en worden regels over het gebruik gegeven. Paragraaf 2.3.20 bevat regels over horecazaken. Subparagraaf 2.3.20.2 bevat locatiegerichte regels over zwaartecategorieën voor zelfstandige horeca. Subsubparagraaf 2.3.20.2.4 bevat regels over zware horeca, en bepaalt waar die is toegestaan.
Artikel 2.261 bepaalt het toepassingsbereik van de regels in dit onderdeel.
Eerste lid:
In het eerste lid is bepaald dat de paragraaf van toepassing is het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: zware horeca'. De inhoudelijke regels over het binnen dit gebruiksdoel toegestane gebruik volgen in de overige bepalingen.
Tweede lid:
In het tweede lid is bepaald dat de paragraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: zware horeca'. Hiermee is het geografisch werkingsgebied van de regels bepaald.
Artikel 2.262 bevat regels over het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: zware horeca', en over het daar toegestaan gebruik.
Het artikel bepaalt dat de gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: zware horeca' als gebruiksdoel zware horeca hebben, en dat ze mogen worden gebruikt ten behoeve van het exploiteren van zware, middelzware, reguliere en lichte horeca. Daarbij moeten uiteraard de overige regels die op het gebruiksdoel betrekking hebben, in acht worden genomen.
In bijlage I is bepaald wat in dit omgevingsplan onder zware, middelzware, reguliere en lichte horeca wordt verstaan.
Onder zware horeca wordt verstaan een horecazaak, niet zijnde fastfoodhoreca, bestaande uit het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse bereide etenswaren en/of al dan niet alcoholische dranken voor directe consumptie in de horecazaak, waarbij muziek ten gehore wordt gebracht met een geluidsniveau hoger dan 75 dB(A), en waarbij (een deel van) de ruimte wordt ingericht als dansvloer. Bij zware horeca gaat het in hoofdzaak om dancings, discotheken en vergelijkebare activiteiten.
Voor wat betreft lichte, reguliere en middelzware horeca, die dus eveneens zijn toegestaan, wordt kortheidshalve verwezen naar de artikelgewijze toelichting bij artikel 2.247, artikel 2.252 en artikel 2.257. Op de uitoefening van lichte, reguliere en middelzware horeca ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: zware horeca' zijn de regels van toepassing zoals opgenomen in deze subsubparagraaf 2.3.20.2.4.
Dit artikel geeft aan welke activiteiten in elk geval zijn toegestaan binnen het exploiteren van een horecazaak op een locatie met als gebruiksdoel zware horeca. Voor de beleidsmatige onderbouwing wordt verwezen naar het horecabeleid.
Dit artikel geeft specifiek voor een aantal activiteiten aan dat deze binnen een horecazaak ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: zware horeca' niet zijn toegestaan. De betreffende activiteiten hebben deels direct gevolgen voor de fysieke leefomgeving die op locaties, bedoeld voor zware horeca, ongewenst zijn. Voor een deel ook is dat effect indirect, bijvoorbeeld als de betreffende activiteit zorgt voor andere bezoekersstromen of gedragingen dan dat passend is op een locatie, bedoeld voor zware horeca. Het gaat om activiteiten die, als ze wel zouden zijn toegestaan, bijdragen aan een wezenlijk ander karakter van de horeca-activiteit. Voor de beleidsmatige onderbouwing wordt verwezen naar het horecabeleid.
Subparagraaf 3.2.13.4 bevat een regeling voor het verrichten van een omgevingsplanactiviteit culturele horeca. Daaronder wordt op grond van bijlage I verstaan een niet-zelfstandige horeca-activiteit die plaatsvindt binnen een culturele instelling en daarvan onderdeel is, niet zijnde additionele horeca die is toegestaan op grond van subparagraaf 3.2.13.3. Bij een omgevingsplanactiviteit culturele horeca is altijd sprake van een combinatie van horeca met een culturele instelling, waarbij de horeca niet-zelfstandig is.
Op verschillende locaties is sprake van behoefte aan een soortgelijke combinatie van gebruik, maar dan in de vorm van een zelfstandige horecazaak die alleen is toegestaan in combinatie met een andere vorm van gebruik. Dat wil zeggen dat als de andere vorm van gebruik verdwijnt, de horeca-activiteit niet langer mag plaatsvinden. De toestemming voor horeca is onlosmakelijk verbonden aan de aanwezigheid van de andere vorm van gebruik.
Voor een deel kan daaraan uitvoering worden gegeven binnen de ruimte die subparagraaf 3.2.13.3 biedt voor additionele horeca. Onder additionele horeca wordt immers verstaan een al dan niet zelfstandig geëxploiteerde horeca-activiteit, die ondergeschikt en ondersteunend is aan een andere hoofdactiviteit dan horeca, en die geen zelfstandige bezoekersstromen trekt. Er kan dus sprake zijn van zelfstandige horeca. De ruimte die subparagraaf 3.2.13.3 biedt is echter beperkt tot een horecazaak die geen zelfstandige bezoekersstromen trekt. In sommige gevallen is een combinatie gewenst waarbij wel sprake mag zijn van zelfstandige bezoekersstromen.
Subparagraaf 2.3.20.3 bevat regels waarmee dat kan worden mogelijk gemaakt, en waarmee tevens die onlosmakelijke verbondenheid met de aanwezigheid van de andere vorm van gebruik wordt geborgd.
Welke vorm van horeca is toegestaan, wordt geregeld met de subparagraaf 2.3.20.2. Er wordt dus, anders dan bij een omgevingsplanactiviteit culturele horeca, aan de locatie een horecagebruiksdoel toegekend. Daarnaast wordt in elk geval een gebruiksdoel toegekend waarmee de horecazaak onlosmakelijk verbonden is. De onlosmakelijke verbondenheid met de aanwezigheid van de andere vorm van gebruik wordt in subparagraaf 2.3.20.3 vervolgens per voorkomend geval in afzonderlijke artikelen geborgd, waarbij eventueel aanvullende voorwaarden worden gesteld.
Artikel 2.265 bepaalt het toepassingsbereik van deze subparagraaf. Het eerste lid bepaalt dat deze subparagraaf van toepassing is op het exploiteren van een horecazaak op locaties waar het exploiteren van een horecazaak uitsluitend toegestaan indien en zolang op die locatie ook een andere vorm van gebruik plaatsvindt. Het tweede lid bepaalt waar deze subparagraaf geldt.
Dit artikel is opgenomen als voorbeeldregel.
In afdeling 2.3 worden gebruiksdoelen aan locaties gegeven, wordt bepaald welk gebruik daar is toegestaan, en worden regels over het gebruik gegeven. Paragraaf 2.3.21 bevat regels over darkstores. Artikel 2.267 bepaalt het toepassingsbereik van de regels in dit onderdeel.
Eerste lid:
In het eerste lid is bepaald dat de paragraaf van toepassing is op a) het gebruiksdoel van locaties met de aanduiding 'gebruiksdoel: darkstore' en b) op het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van darkstores. De inhoudelijke regels over gebruiksdoel en gebruik volgen in de overige bepalingen.
Tweede lid:
In het tweede lid is bepaald dat de paragraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: darkstore'. Hiermee is het geografisch werkingsgebied van de regels bepaald. Het gaat om het maximale werkingsgebied.
Artikel 2.268 bevat regels over het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: darkstore', en over het daar toegestaan gebruik.
Dit artikel bepaalt dat de locaties ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: darkstore' als gebruiksdoel darkstores hebben en dat de gronden ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: darkstore' gebruikt mogen worden ten behoeve van darkstores. Daarbij moeten uiteraard de overige regels die op het gebruiksdoel en het gebruik betrekking hebben, in acht worden genomen.
In bijlage I is bepaald wat in dit omgevingsplan onder een darkstore wordt verstaan. Het gaat om een vorm van bedrijfsvoering die in hoofdzaak is gericht op de verkoop en bezorging binnen zeer korte termijn (flitsbezorging) van online aangeboden producten, overwegend dagelijkse goederen, vanuit een (opslag)ruimte, al dan niet met uitstalling ten verkoop, al dan niet met een afhaalloket of afhaalbalie en die al dan niet toegankelijk is voor winkelend publiek. De bezorging van op locatie bereide maaltijden valt niet onder deze vorm van bedrijfsvoering.
Artikel 2.269 bevat regels over de omvang en situering van darkstores. Met dit artikel kunnen locatiegericht beperkingen zijn gesteld. Deze regels zijn alleen van toepassing voor zover de betreffende aanduiding op een locatie van toepassing is. Is geen aanduiding opgenomen, dan gelden de betreffende beperkingen niet.
Eerste lid:
Het eerste lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum bruto-vloeroppervlakte darkstore' geldt dat de maximum bruto-vloeroppervlakte die ten behoeve van een darkstore mag worden gebruikt de ter plaatse van die aanduiding bepaalde waarde waarde is. Deze aanduiding gaat altijd gepaard van een op de digitale kaart weergegeven waarde. Die waarde bepaalt het maximum oppervlak. Gelet op artikel 2.2, derde lid, geldt dat maximum per afzonderlijk aanduidingsvlak.
Tweede lid:
Het tweede lid bepaalt dat een darkstore uitsluitend is toegestaan in de eerste bouwlaag. Vanwege de bedrijfsvoering – veel bevoorradingsmomenten en voortdurende bezorging – is vestiging op verdiepingen niet realistisch. Gelet op de mogelijke overlast is het toestaan van een darkstore op hogere bouwlagen, naast woningen ongewenst.
Artikel 2.270 bepaalt dat ter plaatse van locaties met het gebruiksdoel darkstore door het bevoegd gezag maatwerkvoorschriften vastgesteld kunnen worden over een darkstore om onevenredige aantasting tegen te gaan van het woon- en leefklimaat, de gebruiksmogelijkheden van de openbare ruimte en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
Met name vanwege de grote impact op de omgeving vanwege de frequentie van bevoorrading en bezorging zijn maatwerkvoorschriften goed voorstelbaar, zeker als naast de darkstore woningen zijn gevestigd. Gedacht kan worden aan het verplicht inpandig stallen van de vervoermiddelen (vooral elektrische fietsen) en het oppikken van orders voor bezorging; het voor de deur wachten van de bezorgers geeft veel overlast voor de omgeving.
In afdeling 2.3 worden gebruiksdoelen aan locaties gegeven, wordt bepaald welk gebruik daar is toegestaan, en worden regels over het gebruik gegeven. Paragraaf 2.3.22 bevat regels over evenementenlocaties. Voor een nadere algemene toelichting wordt verwezen naar paragraaf 11.2.5.22 van de algemene toelichting.
Artikel 2.271 bepaalt het toepassingsbereik van de regels in deze paragraaf. Het eerste lid bepaalt dat deze paragraaf van toepassing is op het gebruiksdoel van locaties met de aanduiding 'gebruiksdoel: evenementenlocatie', en op de inrichting en het gebruik van een evenementenlocatie voor het houden van evenementen. In het tweede lid is bepaald dat deze paragraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: evenementenlocatie'.
Dit artikel bepaalt dat de gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: evenementenlocatie' als gebruiksdoel het gebruik als evenementenlocatie hebben, en dat ze mogen worden gebruikt hebben het gebruik als evenementenlocatie. Daarbij moeten uiteraard de overige regels die op het gebruiksdoel en het gebruik betrekking hebben in acht worden genomen.
In bijlage I is bepaald wat onder een evenementenlocatie wordt verstaan. Het is een locatie in de openbare ruimte bedoeld voor het met enige regelmaat houden van evenementen. Onder een evenement wordt verstaan een evenement, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 van de Gemeente Amsterdam. Daar staat dat het gaat om het geheel van activiteiten dat plaatsvindt bij een voor publiek toegankelijke gebeurtenis op of aan de weg of het openbaar water met een openbaar dan wel besloten karakter, met uitzondering van:
een manifestatie in de zin van de Wet openbare manifestaties;
een optocht als bedoeld in artikel 2.34;
een voetbalwedstrijd als bedoeld in artikel 2.37;
markten als bedoeld in de Marktverordening.
Door deze omschrijving voor het begrip evenement van toepassing te laten de begripsomschrijving van evenementenlocatie, wordt duidelijk gemaakt dat de uitgezonderde activiteiten niet worden gereguleerd binnen het gebruiksdoel 'evenementenlocatie'. Zo bepaalt deze paragraaf niet waar een markt wel of niet is toegestaan,. Dat wordt bepaald door de regels in paragraaf 2.3.18. Het kan wel voorkomen dat op één en dezelfde locatie meerdere gebruiksdoelen van toepassing zijn, waardoor de locatie bedoeld is voor bijvoorbeeld zowel het houden van evenementen als voor het houden van markten.
Voor wat betreft manifestaties en optochten geldt dat voor het houden daarvan in het omgevingsplan geen beperkende regels worden opgesteld. Deze worden volledig gereguleerd door de regels in de Algemene Plaatselijke Verordening.
Met het aanwijzen van evenementenlocaties in het omgevingsplan is overigens niet bepaald dat evenementen uitsluitend op een evenementenlocatie gehouden kunnen worden. Het op een locatie incidenteel houden van een evenement moet worden geacht niet in strijd te zijn met het gebruik van de openbare ruimte. Dat wordt pas anders wanneer het gaat om regelmatig gebruik van een bepaalde locatie voor het houden van evenementen, of het met regelmaat terugkeren van een bepaald evenement op een specifieke locatie.
De inhoudelijke regels worden per evenementenlocatie gesteld. Dat gebeurt in subparagraaf 2.3.22.2.
In dit artikel zijn voorbeeldregels opgenomen die aan een specifieke evenementenlocatie kunnen worden gesteld. Doel is dat de regels per locatie in opbouw en formulering zo veel mogelijk gelijk zijn.
WW
Na sectie ' Aanvraagvereisten' worden 40 secties ingevoegd, luidende:
Paragraaf 3.2.13 bevat regels over horeca-activiteiten, die aanvullend zijn op de regels, gesteld in hoofdstuk 2. Het gaat om regels die gebruiksdoel-overstijgend zijn of om regels die ook moeten gelden op locaties waar het onder oud recht vastgestelde ruimtelijk plan, zoals een bestemmingsplan, nog niet is vervangen. Dit artikel bepaalt waarop deze paragraaf van toepassing is.
Dit artikel bevat een begripsbepaling voor het begrip 'bezoeker', zoals dat in deze paragraaf wordt gehanteerd. Er is voor gekozen de begripsbepaling niet in bijlage I op te nemen, omdat andere regels in dit omgevingsplan gebruik maken van het begrip bezoeker, maar in een andere betekenis.
Dit artikel bepaalt waar zaalverhuur voor feesten en partijen is toegestaan. Zaalverhuur voor feesten en partijen is uitsluitend toegestaan binnen een horecazaak, en dan uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: zware horeca'. De regels over gebruiksdoelen horeca, opgenomen in paragraaf 2.3.20, bepalen ook of binnen een horecazaak zaalverhuur voor feesten en partijen is toegestaan. De reden dat aanvullend daarop deze regel in hoofdstuk 3 opgenomen, is om duidelijk te maken dat zaalverhuur voor feesten en partijen buiten een horecazaak sowieso niet is toegestaan.
Eerste lid:
Het eerste lid bepaalt dat een horeca-activiteit in de vorm van zaalverhuur voor feesten en partijen alleen is toegestaan binnen een horecazaak ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: zware horeca'.
In bijlage I is bepaald dat onder een horeca-activiteit wordt verstaan een activiteit waarbij tegen betaling of anders dan om niet, voor directe consumptie ter plaatse, dranken worden geschonken of eetwaren worden bereid of verstrekt, of waterpijpen worden aangeboden.
In dezelfde bijlage is verder bepaald dat onder zaalverhuur voor feesten en partijen wordt verstaan het op structurele basis tegen betaling of anders dan om niet beschikbaar stellen van ruimte binnen een horecazaak ten behoeve van feesten voor grotere groepen, al dan niet besloten of tegen entreegeld.
In dezelfde bijlage is verder bepaald dat onder een horecazaak wordt verstaan een bedrijf, in hoofdzaak gericht op het bedrijfsmatig uitoefenen van een horeca-activiteit.
Zaalverhuur voor feesten en partijen mag dus uitsluitend plaatsvinden binnen een horecazaak. Is geen sprake van een horecazaak, dan is zaalverhuur voor feesten en partijen niet toegestaan. Bovendien is het alleen toegestaan in een horecazaak ter plaatse van den aanduiding 'gebruiksdoel: zware horeca'. Deze aanduiding kan aan een locatie worden gegeven bij het vervangen van het onder oud recht vastgestelde bestemmingsplan, dan wel bij een latere wijziging van het omgevingsplan.
Het reserveren en gebruik van beschikbare tafels in bijvoorbeeld een restaurant voor een afscheidsborrel, verjaardag of huwelijksfeest valt binnen de normale exploitatie van een restaurant, en valt niet onder het begrip zaalverhuur. Zaalverhuur ziet op het aan derden in gebruik geven van een zaal onder betaling van huurpenningen voor activiteiten die los staan van de normale exploitatie van de horecagelegenheid. Dit kan ook gebeuren in combinatie met het verstrekken van eten en drinken. Het reserveren van alle tafels in een restaurant voor één groep valt hier niet onder. Dat in die situatie feitelijk maar één gezelschap van het restaurant gebruik maakt, maakt niet dat het gebruik van het restaurant in relevant opzicht verschil van de situatie dat de tafels door verschillende groepen worden gebruikt. Het reserveren en gebruiken van alle tafels in een restaurant door één gezelschap is dan ook geen zaalverhuur voor feesten en partijen zie ook ECLI:NL:RVS:2018:2221, 4 juli 2018).
Tweede lid:
Voor gebieden waar het onder oud recht vastgestelde bestemmingsplan nog niet is vervangen, bepaalt het tweede lid dat het nog onder oud recht vastgesteld ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan bepaalt of zaalverhuur voor feesten en partijen is toegestaan. In bijlage I is bepaald dat onder het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan wordt verstaan de ruimtelijke besluiten, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, die bij wijze van overgangsrecht als tijdelijk deel onderdeel zijn van dit omgevingsplan, totdat deze bij wijzigingsbesluit voor een locatie zijn komen te vervallen. Het gaat om bestemmingsplannen, wijzigingsplannen, uitwerkingsplannen, exploitatieplannen en dergelijke.
Onderdeel b bepaalt dat als dat nog geldend tijdelijk deel geen regels bevat over zaalverhuur voor feesten en partijen, zaalverhuur voor feesten en partijen uitsluitend is toegestaan binnen een discotheek, dancing, sociëteit, of daarmee vergelijkebare horecazaak, voor zover die op grond van het ter plaatse geldend ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is toegestaan.
derde lid:
Het derde lid regelt de situatie dat op een locatie een TAM-omgevingsplan geldt. Waar dat het geval is, is zaalverhuur voor feesten en partijen uitsluitend toegestaan binnen een horecazaak voor zover in dat TAM-omgevingsplan een locatie is aangeduid met de aanduiding 'gebruiksdoel: zware horeca'.
Artikel 3.55, eerste lid, bepaalt dat deze subparagraaf betrekking heeft op additionele horeca. Daaronder wordt op grond van bijlage I verstaan een al dan niet zelfstandig geëxploiteerde horeca-activiteit, die ondergeschikt en ondersteunend is aan een andere activiteit dan horeca, en die geen zelfstandige bezoekersstromen trekt.
Additionele horeca heeft per definitie een ondergeschikt karakter, ondersteunend aan de hoofdfunctie. Dit brengt met zich mee dat de horeca-activiteiten geen zelfstandige bezoekersstroom mogen trekken en de openingstijden afgestemd zijn op de hoofdfunctie. Als de horeca-activiteiten een zelfstandige bezoekersstroom trekken, is er geen sprake meer van additionele maar van zelfstandige horeca.
Bij additionele horeca wordt onderscheid gemaakt tussen:
additionele horeca binnen de uitoefening van detailhandel, niet zijde een warenhuis of grootschalige detailhandel (artikelen 3.57, 3.58 en 3.59); en
additionele horeca binnen een ander gebruik dan detailhandel of binnen een warenhuis of grootschalige detailhandelsvestiging (artikel 3.56).
De overige in deze subparagraaf opgenomen artikelen zijn op beide vormen van additionele detailhandel van toepassing.
Het tweede lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' artikelen 3.56, 3.57 en 3.58 buiten toepassing blijven voor zover het ter plaatse geldend ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan afwijkende regels over hetzelfde onderwerp bevat. In dat geval zijn de regels in dat tijdelijk deel van toepassing. Opgemerkt wordt dat daarbij gekeken moet worden naar de strekking van de regel, en niet zozeer het gebruik van het begrip additionele horeca. Dus dit geldt ook voor regels over bijvoorbeeld ondergeschikte horeca en mengformules. Het derde lid bevat een soortgelijke bepaling voor als ergens een TAM-omgevingsplan is vastgesteld.
In deze subparagraaf komt een aantal keer het begrip hoofdactiviteit voor. Het derde lid bepaalt wat daar in deze subparagraaf onder wordt verstaan. Elders in dit omgevingsplan kan het begrip hoofdactiviteit worden gebruikt met een andere betekenis. Om die reden is het begrip niet in bijlage I gedefinieerd. Additionele horeca vindt altijd plaats in een vorm die ondergeschikt is aan een andere activiteit, zoals een winkel, een museum of een sportvereniging. Die andere activiteit is wat in dit onderdeel de hoofdactiviteit wordt genoemd.
Bij additionele horeca is het uitoefenen van horeca-activiteiten ondergeschikt en ondersteunend aan een andere hoofdfunctie. Dit artikel is van toepassing op additionele horeca binnen een andere hoofdfunctie dan detailhandel. Die andere hoofdfunctie kan bijvoorbeeld cultureel kan zijn (bioscoop), dienstverlenend (wellness), maatschappelijk (buurthuis) of sportief (voetbalclub). Dit artikel is ook van toepassing op additionele horeca als onderdeel van detailhandel voor zover het gaat om een warenhuis of een grootschalige detailhandelsvestiging (dat is een detailhandelsvestiging met een winkelvloeroppervlak van minimaal 1.500 m2 per bedrijfsvestiging in één branche). Additionele horeca binnen de uitoefening van detailhandel, niet zijnde een warenhuis of grootschalige detailhandel, wordt gereguleerd door artikel 3.57 tot en met artikel 3.59.
Artikel 3.56 bepaalt onder welke voorwaarden additionele horeca is toegestaan binnen de uitoefening van een ander gebruik dan detailhandel en binnen een warenhuis of grootschalige detailhandelsvestiging. Deze voorwaarden zijn een vertaling van de voorwaarden zoals aangegeven in het stedelijk beleidskader horeca.
Artikel 3.57 tot en met artikel 3.59 hebben specifiek betrekking op additionele horeca binnen de uitoefening van detailhandel, niet zijnde een warenhuis of grootschalige detailhandel.
Artikel 3.57, eerste lid, bepaalt onder welke voorwaarden additionele horeca binnen de uitoefening van detailhandel, niet zijnde een warenhuis of grootschalige detailhandelsvestging is toegestaan. Deze voorwaarden zijn een vertaling van de voorwaarden zoals aangegeven in het stedelijk beleidskader horeca.
Het tweede lid bevat een uitzondering op onder f van het eerste lid. Ter plaatse van de aangewezen locatie mag additionele horeca ook aan een raam zijn zijn gelegen.
Specifiek de combinatie van winkels die etenswaren verkopen met additionele horeca zorgt op een aantal plekken in de stad voor veel verwarring en een ongelijk speelveld tussen detailhandel en horeca. Neem bijvoorbeeld een winkel die zelfbereide salades verkoopt. Als je daar kunt zitten om de salade ter plekke op te eten, al dan niet met een drankje, is het onduidelijk waar de hoofdfunctie ophoudt en de additionele horeca begint. Met andere woorden: komt iemand voor de horeca (een salade eten) of voor de winkel (een salade kopen)? Er zijn ook voorbeelden te noemen van plekken in de stad waar de consumptie ter plaatse juist wel toegevoegde waarde heeft en bijdraagt aan de sociale cohesie en levendigheid van een gebied.
Artikel 3.58 maakt het mogelijk te sturen op additionele horeca binnen winkels met een voedselwarenassortiment. Deze winkels worden in het horecabeleid aangeduid als food winkels: Er worden hoofdzakelijk eetbare en/of drinkbare producten verkocht, zoals salades, brood en vis. Daarvan worden onderscheiden non-food winkels, waar hoofdzakelijk producten verkocht die niet eetbaar of drinkbaar zijn.
Eerste lid:
Het eerste lid bevat een locatie-specifieke beperking met betrekking tot de uitoefening van additionele horeca binnen de uitoefening van detailhandel, niet zijnde een warenhuis of grootschalige detailhandelsvestiging. Deze beperking geldt uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'additionele horeca niet toegestaan binnen winkels met een voedselwarenassortiment'. Waar deze aanduiding moet gelden, wordt bepaald bij wijzigingsbesluit van het omgevingsplan.
Tweede en derde lid:
Het tweede lid is van overgangsrechtelijke aard. Bepaalt wordt dat het eerste lid niet van toepassing is als additionele horeca binnen de uitoefening van detailhandel met een voedselwarenassortiment op het moment dat het eerste lid in werking is getreden rechtmatig aanwezig was.
Hert derde lid verbindt aan dit overgangsrecht wel twee voorwaarden. Allereerst moet tijdig worden voldaan aan de meldingsplicht, zoals opgenomen in artikel 3.61, derde lid. Gebeurt dat niet, dan vervalt het recht om het bestaande gebruik te mogen voortzetten. Ten tweede mag de wijze waarop de exploitatie van de ondergeschikte detailhandel plaatsvindt, niet wijzigen. Dat houdt in dat bijvoorbeeld de omvang, de locatie en het assortiment van de additionele horeca gelijk moet blijven aan de situatie zoals die was. Bij een verandering vervalt het recht om de bestaande situatie te mogen voortzetten. Dat geldt ook als de exploitant zelf wijzigt.
Dit artikel bevat een meldingsplicht voor additionele horeca binnen de uitoefening van detailhandel, niet zijnde een warenhuis of grootschalige detailhandel. Door de meldplicht ontstaat zicht op de ontwikkeling van het aantal winkels met additionele horeca en waar deze zich bevinden. Dit biedt ook de kans ondernemers over de voorwaarden te informeren of direct een check te doen of voldaan wordt aan de voorwaarden.
Eerste en tweede lid:
Het eerste lid bepaalt dat het verboden is additionele horeca binnen de uitoefening van detailhandel, niet zijnde een warenhuis of grootschalige detailhandel, te beginnen zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden. Het tweede lid bevat voorwaarden waaraan de melding moet voldoen.
Derde lid:
Het derde lid bepaalt dat de eerste twee leden van overeenkomstige toepassing zijn als zich een wijziging gaat voordoen met betrekking tot de in het tweede lid bedoelde gegevens. Vindt er dus een wijziging plaats in de uitoefening van de additionele horeca, dan is opnieuw een melding nodig. Dat geldt ook wanneer zich wijzigingen voordoen in de aard van de detailhandel, waarbinnen de additionele horeca plaatsvindt.
Dit artikel geeft het bevoegd gezag de bevoegdheid om een maatwerkvoorschrift te stellen over de uitoefening van additionele horeca om onaanvaardbare overlast voor het woon- en leefklimaat tegen te gaan. Dit biedt bijvoorbeeld de mogelijkheid om met een maatwerkvoorschrift beperkingen te stellen aan de openingstijden, zoals die in zijn algemeenheid gelden op grond van artikel 3.57, eerste lid, onder a, en artikel 3.56, onder a, zijn gesteld. Een maatwerkvoorschrift kan alleen worden gesteld als dat nodig is om onaanvaardbare overlast voor het woon- en leefklimaat tegen te gaan.
Dit artikel regelt overgangsrecht voor additionele horeca die rechtmatig aanwezig is op het moment dat deze subparagraaf in werking is getreden, of waarvoor een exploitatievergunning is verleend.
Eerste lid:
Voor zover additionele horeca die rechtmatig aanwezig is op het moment dat deze subparagraaf in werking is getreden in strijd is met de nieuwe regels, moet die bestaande additionele horeca in overeenstemming worden gebracht met de nieuwe regels. Het eerste lid regelt dat dit niet direct hoeft te gebeuren, maar dat daarvoor een termijn van zes maanden geldt.
Tweede lid:
Het tweede lid bevat een overgangsrechtelijke bepaling. Op het moment dat deze paragraaf in werking is getreden, gelden onder oud recht vastgestelde bestemmingsplannen en andere ruimtelijke besluiten als onderdeel van het omgevingsplan. Al deze besluiten moeten worden vervangen. Dat zal gebied voor gebied gebeuren. Een aantal van deze besluiten bevat regels over additionele horeca. Die regels kunnen andersluidend zijn dan de regels in deze paragraaf. Hetzelfde geldt voor gebieden waar een TAM-omgevingsplan is vastgesteld. Artikel 3.55 regelt voor die gevallen dat als een dergelijk onderdeel van het omgevingsplan regels over additionele horeca bevat, die regels van toepassing blijven. De nieuwe regels van de artikelen 3.56, 3.57 en 3.58 blijven dan buiten toepassing. Op enig moment zullen die onder oud recht vastgestelde ruimtelijke besluiten en TAM-omgevingsplannen echter worden vervangen door nieuwe regels. Het vierde lied bepaalt dat dan binnen zes maanden na het vervangen van het betreffende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan of TAM-omgevingsplan aan het bepaalde in deze subparagraaf moet zijn voldaan. Tot dat moment blijven de regels van toepassing zoals die golden tot het moment van het vervangen van het betreffende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan of TAM-omgevingsplan.
Derde lid:
Op het moment dat deze subparagraaf in werking treedt, is op veel plaatsen in Amsterdam reeds sprake zijn van additionele horeca binnen de uitoefening van detailhandel, niet zijnde een warenhuis of grootschalige detailhandel. Om hierop grip te krijgen, is het nodig dat ook voor die reeds bestaande situaties een melding te doen. De meldingsplicht van artikel 3.59 geldt dus ook voor deze gevallen. Omdat in deze gevallen geen sprake is van het 'beginnen' van additionele horeca, wordt daarbij bepaald dat de in artikel 3.59, eerste lid, bedoelde meldingsplicht van overeenkomstige toepassing is. Ook voor bestaande gevallen moet dus een melding worden gedaan. Daarvoor moet wel een redelijke termijn gelden. Het derde lid bepaalt daartoe dat die melding moet zijn gedaan uiterlijk één jaar nadat deze subparagraaf in werking is getreden. Wordt niet tijdig aan deze verplichting voldaan, dan is er sprake van een strijdig gebruik, en kan handhavend worden opgetreden.
Vierde lid:
In artikel 3.56, onder a, worden regels gesteld over het tijdstip waarop additionele horeca binnen de uitoefening van een ander gebruik dan detailhandel en binnen een warenhuis of grootschalige detailhandelsvestiging mag plaatsvinden. In sommige gevallen kan sprake zijn van een situatie waarbij een exploitatievergunning op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening is verleend, waarin een voorschrift over openingstijden is opgenomen. Het tweede lid bepaalt dat in dat geval, voor de duur dat die exploitatievergunning geldt, de in die exploitatievergunning opgenomen openingstijden gelden.
Dit artikel bepaalt dat subparagraaf 3.2.13.4 van toepassing is op het verrichten van een omgevingsplanactiviteit culturele horeca. Daaronder wordt op grond van bijlage I verstaan een niet-zelfstandige horeca-activiteit die plaatsvindt binnen een culturele instelling en daarvan onderdeel is, niet zijnde additionele horeca die is toegestaan op grond van subparagraaf 3.2.13.3. Met dat laatste wordt duidelijk gemaakt dat dit onderdeel niet van toepassing is op niet-zelfstandige horeca-activiteiten binnen een culturele instelling die reeds zijn toegestaan op grond van subparagraaf 3.2.13.3. De in artikel 3.65 opgenomen vergunningplicht is op vormen van horeca die binnen de regels van subparagraaf 3.2.13.3 zijn toegestaan dus niet van toepassing.
In deze subparagraaf komt een aantal keer het begrip hoofdactiviteit voor. Het derde lid bepaalt wat daar in deze subparagraaf onder wordt verstaan. Elders in dit omgevingsplan kan het begrip hoofdactiviteit worden gebruikt met een andere betekenis. Om die reden is het begrip niet in bijlage I gedefinieerd. Additionele horeca vindt altijd plaats in een vorm die ondergeschikt is aan een andere activiteit, zoals een winkel, een museum of een sportvereniging. Die andere activiteit is wat in dit onderdeel de hoofdactiviteit wordt genoemd.
Dit artikel regelt waar een omgevingsplanactiviteit culturele horeca kan worden toegestaan. Aanvullend hierop is een vergunningplicht opgenomen in artikel 3.65. Met die vergunning wordt een omgevingsplanactiviteit culturele horeca daadwerkelijk toegestaan. Of op een locatie omgevingsplanactiviteit culturele horeca kan worden toegestaan, is mede bepalend voor het antwoord op de vraag of omgevingsvergunning kan worden verleend. Artikel 3.66 bevat als beoordelingsregel dat de vergunning alleen wordt verleend als de aanvraag betrekking heeft op een locatie waar een omgevingsplanactiviteit culturele horeca op grond van dit artikel kan worden toegestaan.
Eerste lid:
Het eerste lid bepaalt dat een omgevingsplanactiviteit culturele horeca uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'culturele horeca - vergunningplicht'.
Tweede lid:
Het tweede lid bevat een regel van overgangsrechtelijke aard. Dit lid geldt alleen ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen'. Daar geldt nog een onder oud recht vastgesteld ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan. In dat ruimtelijk plan kunnen locaties zijn aangewezen waar een culturele horeca is toegestaan. In dat geval geldt dat die locaties gelden als een locatie waar een omgevingsplanactiviteit culturele horeca kan worden toegestaan. Een onder oud recht vastgesteld bestemmingsplan kan ook een binnenplanse afwijkmogelijkheid bevatten voor culturele horeca. In dat geval is een omgevingsplanactiviteit culturele horeca op grond van het onder oud recht vastgestelde bestemmingsplan toegestaan, voor zover die afwijkvergunning kan worden verleend. Aanvullend daarop blijft de vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit culturele horeca van toepassing.
De overige in deze subparagraaf opgenomen regels zijn in beide gevallen onverkort van toepassing. Wel is in artikel 3.69 overgangsrecht opgenomen voor dit soort gevallen.
Wanneer het onder oud recht vastgesteld ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan wordt vervangen, ligt het voor de hand dat daar waar dat wenselijk en mogelijk is, de aanduiding 'culturele horeca - vergunningplicht' aan een locatie wordt gegeven. Dat geldt ook voor situaties waarin eerder de in het tweede lid, onder b, bedoelde omgevingsvergunning is verleend. Om die reden is het geografisch werkingsgebied van het tweede lid beperkt tot locaties ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen'.
Derde lid:
Zoals toegelicht in paragraaf 6.4 van de algemene toelichting heeft het Rijk tijdelijk een alternatieve maatregel beschikbaar gesteld voor het publiceren van wijzigingen van het omgevingsplan: de TAM-IMRO. Daarmee hoeft niet via de nieuwe digitale standaarden een wijziging van het omgevingsplan beschikbaar gesteld te worden, maar kan dat nog via de IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening). Direct na de inwerkingtreding van de Omgevingswet is er tijdelijk geen plicht om de STOP/TPOD te gebruiken. Dit regelt artikel 11.1 lid 2 van het Besluit elektronische publicaties. Een besluit tot wijziging van het omgevingsplan met toepassing van TAM-IMRO wordt een TAM-omgevingsplan genoemd.
Het derde lid bepaalt dat daar waar een TAM-omgevingsplan geldt, een omgevingsplanactiviteit culturele horeca eveneens kan worden toegestaan voor zover in dat TAM-omgevingsplan een locatie is aangeduid met de aanduiding 'culturele horeca - vergunningplicht'.
De overige in deze subparagraaf opgenomen regels zijn ook in dat geval onverkort van toepassing.
Vierde lid:
Dat op de in het eerste tot en met derde lid aangewezen locaties culturele horeca is toegestaan, neemt niet weg dat er aanvullend een vergunningplicht geldt. Die is opgenomen in artikel 3.65. Om misverstanden te voorkomen is dit in het vierde lid expliciet bepaald.
Dit artikel bepaalt dat een omgevingsplanactiviteit culturele horeca alleen mag plaatsvinden in een gebouw. Om elke onduidelijkheid daarover te voorkomen, is daaraan toegevoegd dat een omgevingsplanactiviteit culturele horeca niet mag plaatsvinden op een (dak)terras of in een (keur)tuin.
Dit artikel bevat een vergunningplicht voor het verrichten van een omgevingsplanactiviteit culturele horeca. Deze vergunningplicht geldt aanvullend op artikel 3.63. In dat artikel wordt bepaald dat ter plaatse van de locatie-aanduiding 'culturele horeca - vergunningplicht' met de in dit artikel bedoelde omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit culturele horeca kan worden toegestaan. In artikel 3.69 worden bij wijze van overgangsrecht enkele vergunningen gelijkgesteld met de in dit artikel 3.65 bedoelde omgevingsvergunningsvergunning.
Dit artikel bevat de beoordelingsregels aan de hand waarvan aanvragen om een omgevingsvergunning worden getoetst.
Onderdeel a:
Uit de begripsomschrijving van omgevingsplanactiviteit culturele horeca volgt dat deze activiteit uitsluitend kan plaatsvinden binnen een culturele instelling. Dat betekent echter niet dat culturele horeca binnen elke culturele instelling is toegestaan. Dat zal slechts bij uitzondering het geval zijn. Waar culturele horeca is toegestaan wordt allereerst bepaald door artikel 3.63. In dat artikel wordt bepaald dat ter plaatse van de locatie-aanduiding 'culturele horeca - vergunningplicht' een omgevingsplanactiviteit culturele horeca met de in dit artikel bedoelde omgevingsvergunning is toegestaan. Aanvullend daarop geldt de vergunningplicht, opgenomen in artikel 3.65. Artikel 3.66, aanhef en onder a, bepaalt dat de daar bedoelde omgevingsvergunning alleen wordt verleend als de aanvraag betrekking heeft op een locatie, bedoeld in artikel 3.63.
onderdeel b:
Dit onderdeel bepaalt dat wordt voldaan aan artikel 3.64.
Onderdeel c en d:
Aanvullend worden nog verschillende beoordelingsregels gesteld. Voor een deel hebben deze beoordelingsregels tot doel na te gaan of daadwerkelijk sprake is van een omgevingsplanactiviteit culturele horeca. Namelijk of daadwerkelijk sprake is van een niet-zelfstandige horeca-activiteit die plaatsvindt binnen een culturele instelling en daarvan onderdeel is. Daarvoor dienen de beoordelingsregels onder c en d.
Onderdeel e:
Onderdeel e bepaalt dat de activiteit niet mag leiden tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat in de omgeving van de activiteit.
Dit artikel bepaalt dat aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit culturele horeca de voorschriften worden verbonden die nodig zijn met het oog op de in artikel 3.66 bedoelde voorwaarden en belangen.
Dit artikel bevat aanvraagvereisten met het oog op de op grond van artikel 3.66 te maken beoordeling.
In dit artikel wordt bij wijze van overgangsrecht een tweetal vergunningen gelijkgesteld met de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.65.
Allereerst gaat het om vergunning die op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder c, jo. artikel 2.12 toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht verleende vergunning voor het ten behoeve van culturele horeca afwijken van het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan. Het eerste lid bepaalt dat die vergunningen gelden als een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit culturele horeca. Om duidelijk te maken welke instellingen over een dergelijke vergunning beschikken, zijn de instellingen die het betreft opgenomen in bijlage IX.
Ten tweede gaat het om vergunningen die nog niet zijn verleend, maar die met een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit kunnen worden verleend op grond van een nog geldend ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan. Op de beoordeling van een aanvraag om een dergelijke vergunning zijn de regels, opgenomen in het nog geldend ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan van toepassing. Het tweede lid voorziet erin dat in dat geval deze vergunning geldt als een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit culturele horeca.
In beide gevallen is of wordt niet getoetst aan artikel 3.66, aanhef en onder a. Zolang het onder oud recht vastgestelde ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan nog niet is vervangen, is de betreffende aanduiding ook niet aan de locatie gekoppeld. Het ligt voor de hand dat dit bij het vervangen van dat onder oud recht vastgestelde plan wel wordt gedaan.
Derde en vierde lid:
Het derde lid bepaalt dat bepaalde voorschriften, verbonden aan de exploitatievergunning zoals die geldt op het moment dat dit regelonderdeel in werking treedt, worden geacht voorschriften te zijn verbonden aan de omgevingsvergunning van rechtswege voor een omgevingsplanactiviteit culturele horeca. Het gaat om ruimtelijke voorschriften, met inbegrip van voorschriften over openingstijden.
De omgevingsvergunning van rechtswege ontstaat automatisch. Er is dus geen sprake van een 'papieren' vergunning. Van die omgevingsvergunning van rechtswege maken ook de voorschriften van ruimtelijke aard deel uit die zijn opgenomen in de exploitatievergunning, zoals die gold op het moment dat dit onderdeel is werking is getreden. Dat bepaalt het derde lid. Met het oog op inzichtelijkheid en kenbaarheid bepaalt het vierde lid dat binnen een redelijke termijn een schriftelijke versie van de omgevingsvergunning van rechtswege voor een omgevingsplanactiviteit culturele horeca en de daarop betrekking hebbende voorschriften wordt verstrekt aan de exploitant.
Dit artikel bepaalt dat subparagraaf 3.2.13.5 van toepassing is op horecaterrassen en het verrichten van een omgevingsplanactiviteit horecaterras. Onder een omgevingsplanactiviteit horecaterras wordt op grond van bijlage I verstaan een activiteit waarbij op een horecaterras tegen betaling of anders dan om niet, voor directe consumptie ter plaatse, dranken worden geschonken of eetwaren worden bereid of verstrekt, of waterpijpen worden aangeboden. Een horecaterras is in dezelfde bijlage gedefinieerd als een buiten de besloten ruimte liggend deel van een horecazaak dat als zodanig herkenbaar is als een gelegenheid waar tegen vergoeding dranken worden geschonken of etenswaren en/of waterpijpen worden verstrekt voor directe consumptie op het horecaterras.
Dit artikel regelt waar een horecaterras is toegelaten. Hiermee wordt invulling gegeven aan paragraaf 4.2 van het Horecabeleid. Daarin is bepaald dat in het omgevingsplan wordt voorzien in een getrapte toestemming. Eerst worden -met de regels in het omgevingsplan- locaties aangewezen waar een horecaterras kan worden toegelaten. Het kan gaan om een specifieke locatie of een groter gebied. Dat aanwijzen gebeurt met dit artikel. Bij het aanwijzen van een locatie moet wel worden aangetoond dat die locatie in beginsel geschikt is voor het toelaten van een terras. Dat kan met een ruimtelijke toets op hoofdlijnen. Voor een concreet initiatief is vervolgens een omgevingsvergunning nodig. Daarbij wordt gekeken naar de specifieke gevolgen van het concrete initiatief en de aanvaardbaarheid daarvan. Die aanvullende vergunningplicht is opgenomen in artikel 3.75. Dus ook waar op grond van dit artikel 3.71 een horecaterras is toegelaten, geldt nog steeds de vergunningplicht. Voor meer toelichting hierop wordt verwezen naar paragraaf 10.19 en met name paragraaf 11.3.3.14.4 van de algemene toelichting op dit omgevingsplan.
Eerste lid:
Het eerste lid bepaalt dat een horecaterras uitsluitend is toegelaten ter plaatse van de aanduiding 'horecaterras toegelaten - vergunningplicht'.
De begrenzing van deze aanduidingen op een specifieke locatie kan heel gedetailleerd zijn in de zin dat de precieze omvang van een enkel terras wordt vastgesteld. De begrenzing kan echter ook een veel globaler karakter hebben, waarbij bijvoorbeeld grote delen van de openbare ruimte worden aangewezen als locatie waar een terras kan worden toegestaan. Wat de daadwerkelijke omvang en positionering van afzonderlijke terrassen mag zijn, wordt dan bepaald in het kader van vergunningaanvragen. De daadwerkelijke omvang van een terras wordt in beide gevallen in de omgevingsvergunning vastgelegd (zie artikel 3.78, tweede lid).
De aanduiding 'horecaterras toegelaten - vergunningplicht' is veelal niet gekoppeld aan een locatie waarvoor ook een horecagebruiksdoel geldt. Integendeel, horecaterrassen zijn veelal gevestigd in de openbare ruimte, waarbij voorbeeld een gebruiksdoel 'verkeer' of een gebruiksdoel 'groen' geldt. Het gebruik van openbare ruimte als horecaterras is niet evident in strijd met die gebruiksdoelen. Door te werken met een aanduiding wordt echter wel ingekaderd waar in de openbare ruimte een horecaterras toegelaten is.
Tweede lid:
Het tweede lid bevat een regel van overgangsrechtelijke aard. Dit lid geldt alleen ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen'. Daar geldt nog een onder oud recht vastgesteld ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan. In dat ruimtelijk plan kunnen locaties zijn aangewezen waar een horeca terras is toegestaan. In dat geval geldt dat die locaties gelden als een locatie waar een horeca terras is toegelaten. Een onder oud recht vastgesteld bestemmingsplan kan ook een binnenplanse afwijkmogelijkheid bevatten voor een terras. In dat geval is een terras op grond van het onder oud recht vastgestelde bestemmingsplan toegestaan, voor zover die afwijkvergunning kan worden verleend. Aanvullend daarop blijft de vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit horecaterras van toepassing.
Hetzelfde geldt voor de situatie dat voor een horecaterras een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is verleend. Daar waar dat het geval is, geldt eveneens dat op die locatie een horecaterras is toegelaten. Aanvullend daarop blijft de vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit horecaterras van toepassing.
Wanneer het onder oud recht vastgesteld ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan wordt vervangen, ligt het voor de hand dat daar waar dat wenselijk en mogelijk is, de aanduiding 'horecaterras toegelaten - vergunningplicht' aan een locatie wordt gegeven. Dat geldt ook voor situaties waarin eerder de in het tweede lid, onder b, bedoelde omgevingsvergunning is verleend. Om die reden is het geografisch werkingsgebied van het tweede lid beperkt tot locaties ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen'.
Derde lid:
Zoals toegelicht in paragraaf 6.4 van de algemene toelichting heeft het Rijk tijdelijk een alternatieve maatregel beschikbaar gesteld voor het publiceren van wijzigingen van het omgevingsplan: de TAM-IMRO. Daarmee hoeft niet via de nieuwe digitale standaarden een wijziging van het omgevingsplan beschikbaar gesteld te worden, maar kan dat nog via de IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening). Direct na de inwerkingtreding van de Omgevingswet is er tijdelijk geen plicht om de STOP/TPOD te gebruiken. Dit regelt artikel 11.1 lid 2 van het Besluit elektronische publicaties. Een besluit tot wijziging van het omgevingsplan met toepassing van TAM-IMRO wordt een TAM-omgevingsplan genoemd.
Het derde lid bepaalt dat daar waar een TAM-omgevingsplan geldt, een horecaterras uitsluitend is toegelaten voor zover in dat TAM-omgevingsplan een locatie is aangeduid met de aanduiding 'terras toegelaten - vergunningplicht'.
De overige in deze subparagraaf opgenomen regels zijn ook in dat geval onverkort van toepassing.
Vierde lid:
Dat op de in het eerste tot en met derde lid aangewezen locaties culturele horeca is toegestaan, neemt niet weg dat er aanvullend een vergunningplicht geldt. Die is opgenomen in artikel 3.65. Om misverstanden te voorkomen is dit in het vierde lid expliciet bepaald.
Dit artikel geeft invulling aan paragraaf 4.6 van het horecabeleid. Uitgangspunt is dat naast eten en drinken op een horecaterras geen andere activiteiten zijn toegestaan. Dit is vastgelegd in het eerste lid.
Wanneer de exploitant toch andere activiteiten op een horecaterras wil organiseren dan is daarvoor een evenementenvergunning nodig. Als de activiteiten zonder harde muziek en niet ’s avonds laat zijn, dan is dat voor omwonenden meestal niet hinderlijk. Om deze reden voorziet het beleid erin om incidenteel andere activiteiten toe te staan op een horecaterras. Zolang die activiteit binnen bepaalde kaders plaatsvindt, is het doen van een melding over de activiteit door de exploitant bij de gemeente voldoende. De meldingsplicht is opgenomen in de Algemene Plaatselijke Verordening. De voorwaarden die hierbij horen, komen in de beleidsregels terrassen die het college vaststelt na vaststelling van het omgevingsplan. Een aantal van die voorwaarden is ruimtelijk van aard. Onder die voorwaarden is het ook ruimtelijk aanvaardbaar twee keer per jaar andere activiteiten toe te staan. Het derde lid voorziet hierin.
Het horecabeleid geeft een kader voor vast te stellen beleidsregels over onder meer objecten op een horecaterras. Het exploiteren van een terras is naar haar aard een tijdelijke functie: een terras wordt alleen geëxploiteerd als de horeca-inrichting waar het bij hoort in bedrijf is (en vaak korter, gezien de weersomstandigheden). Omdat een terras niet in een besloten ruimte is gelegen, worden de effecten van het gebruik van het terras op de omgeving niet gefilterd. Het is dan ook niet wenselijk permanent gebruik van terrassen toe te staan, al dan niet door bebouwing. Objecten die op een terras worden geplaatst moeten verwijderd kunnen worden. Het is wel toegestaan parasols en terrasschotten te verankeren. De verankerde objecten moeten eenvoudig verwijderd kunnen worden. Voor gebouwde terrassen geldt dat dit alleen op een locatie is toegestaan wanneer dit is opgenomen in het Omgevingsplan.
In de basis moet het gaan om objecten die het normaal gebruik van het horecaterras mogelijk maken. Dit uitgangspunt is vastgelegd in artikel 3.73. De opgenomen verwijzing naar artikel 3.72 maakt duidelijk dat dat normaal gebruik betrekking heeft op het nuttigen van consumpties ter plekke.
Het tweede lid bepaalt expliciet dat terrasverwarming in de vorm van losstaande elementen of verwerkt in een parasol, niet is toegestaan.
Het derde lid bepaalt dat alle objecten op een horecaterras verwijderd moeten kunnen worden als dat nodig is voor het gebruik of beheer van de openbare ruimte. Het exploiteren van een horecaterras is naar haar aard een tijdelijke functie: een horecaterras wordt alleen geëxploiteerd als de horeca-inrichting waar het bij hoort in bedrijf is (en vaak korter, gezien de weersomstandigheden). Omdat een horecaterras niet in een besloten ruimte is gelegen, worden de effecten van het gebruik van het horecaterras op de omgeving niet gefilterd. Het is dan ook niet wenselijk permanent gebruik van horecaterrassen toe te staan, al dan niet door bebouwing. Objecten die op een horecaterras worden geplaatst moeten verwijderd kunnen worden. Het is wel toegestaan parasols en terrasschotten te verankeren. De verankerde objecten moeten eenvoudig verwijderd kunnen worden.
Het vierde lid is overgenomen uit de Algemene Plaatselijke Verordening 2008. Het artikel was vooral bedoeld voor incidentele toepassing, bijvoorbeeld uit motieven van openbare orde of wegens werkzaamheden in de openbare ruimte. Voor zover betrekking hebbend op werkzaamheden in de openbare ruimte is de bevoegdheid nu in het omgevingsplan opgenomen. Een soortgelijke bevoegdheid voor de burgemeester met als oogmerk openbare orde en veiligheid is in de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 opgenomen. In dit omgevingsplan heeft deze bevoegdheid de vorm van een maatwerkvoorschrift gekregen.
Dit artikel geeft invulling aan paragraaf 4.3 van het horecabeleid, en regelt de openingstijden voor horecaterrassen. Terrassen hebben impact op de fysieke leefomgeving. Een belangrijk middel om onaanvaardbare overlast te voorkomen, is door te sturen op de openingstijden. Het reguleren van openingstijden is nodig met het oog op de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Daarom worden de openingstijden van horecaterrassen primair in het omgevingsplan geregeld.
In het beleid zijn de volgende openingstijden voor de horecaterrassen bepaald:
in de zomer (1 maart tot 1 november) is de sluitingstijd uiterlijk 01.00 uur door de week en in het weekend 02.00 uur.
in de winter (1 november tot 1 maart) is de sluitingstijd uiterlijk 24.00 uur.
Dit wordt in de eerste twee leden vastgelegd.
Het betreft maximale openingstijden. Per concreet geval zal beoordeeld moeten worden of die maximale openingstijden aanvaardbaar zijn, of dat deze ingeperkt moeten worden. Die beoordeling gebeurt in het kader van een aanvraag voor een omgevingsplanactiviteit horecaterras. Op grond van artikel 3.75 is die vergunning verplicht voor het exploiteren van een horecaterras.
Uit de beoordeling van de aanvraag om een omgevingsplanvergunning kan blijken dat de maximale tijden uit het omgevingsplan niet passend zijn op die specifieke locatie. Er kan dan een vroegere sluitingstijd worden opgenomen in de vergunning.
Bij die beoordeling wordt het beleid betrokken dat daarop van toepassing is. Sinds 2012 gelden in veel wijken in Amsterdam beperktere tijden, ter bescherming van het woon-en leefklimaat. Tot aan de vaststelling van de gebiedsgerichte uitwerking per stadsdeel en/of stadsgebied, blijft het huidige beleid per stadsdeel en stadgebied gelden, waarin de meeste stadsdelen een onderverdeling hebben opgenomen, zoals een vroegere sluitingstijd voor woongebieden.
Wanneer beleid daartoe aanleiding geeft, kan er voor worden gekozen om in dit omgevingsplan voor bepaalde gebieden afwijkende openingstijden vast te stellen.
Tot slot wordt opgemerkt dat de burgemeester te allen tijde de bevoegdheid heeft om met het oog op openbare orde en veiligheid verdere beperkingen met betrekking tot openingstijden op te leggen. De bevoegdheid daarvoor staat in de Algemene Plaatselijke Verordening.
Dit artikel bevat een vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit horecaterras. Hiermee wordt invulling gegeven aan paragraaf 4.2 van het Horecabeleid. Daarin is bepaald dat in het omgevingsplan wordt voorzien in een getrapte toestemming. Eerst worden -met de regels in het omgevingsplan- locaties aangewezen waar een horecaterras kan worden toegelaten. Dit is geregeld in artikel 3.71. Voor een concreet initiatief is vervolgens een omgevingsvergunning nodig. Daarbij wordt gekeken naar de specifieke gevolgen van het concrete initiatief en de aanvaardbaarheid daarvan. Die aanvullende vergunningplicht is opgenomen in dit artikel 3.75. Dus ook waar op grond van artikel 3.71 een horecaterras is toegelaten, geldt nog steeds de vergunningplicht. Voor meer toelichting hierop wordt verwezen naar paragraaf 10.19 en met name paragraaf 11.3.3.14.4 van de algemene toelichting op dit omgevingsplan.
Het eerste lid bepaalt dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit horecaterras te verrichten. Onder een omgevingsplanactiviteit horecaterras wordt op grond van bijlage I verstaan een activiteit waarbij op een horecaterras bedrijfsmatig voor directe consumptie ter plaatse dranken worden geschonken of etenswaren worden verstrekt, of waterpijpen worden aangeboden. Deze vergunningplicht geldt ongeacht het gebruiksdoel dat op grond van afdeling 2.3 aan de locatie is gegeven. Dus ook binnen gronden met een van de in paragraaf 2.3.20 genoemde horecagebruiksdoelen geldt deze vergunningplicht.
Het tweede lid bepaalt dat een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit horecaterras is verbonden aan de horecazaak waarbij het horecaterras behoort. Daarmee wordt uitvoering gegeven aan het horecabeleid, waarin is aangegeven dat de vergunning is gebonden aan de locatie, niet aan de exploitant. Als de exploitant wijzigt, blijft de vergunning dus geldig voor de nieuwe exploitant.
Dit artikel bevat overgangsrecht en is van toepassing op een horecaterras dat op het moment van inwerkingtreding van deze subparagraaf rechtmatig aanwezig was. Dit artikel zorgt ervoor dat voor legaal bestaande horecaterrassen van rechtswege een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit horecaterras ontstaat. Hiermee wordt invulling gegeven aan paragraaf 4.2.3 van het horecabeleid. Voor een meer uitgebreide toelichting wordt kortheidshalve verwezen naar paragraaf 10.19 en paragraaf 11.3.3.14.4 van de algemene toelichting.
Eerste lid:
Het eerste lid bepaalt dat dit artikel van toepassing is op een legaal bestaand horecaterras. Met legaal bestaand wordt bedoeld dat alle daarvoor benodigde juridische toestemmingen aanwezig moesten zijn. Dus er moet in elk geval sprake zijn van een een juridisch-planologische toestemming. Dat kan verschillende vormen hebben. Het kan zijn toegestaan op grond van een onder oud recht vastgesteld bestemmingsplan. Het kan ook zijn toegestaan op een grond van een onder oud recht verleende afwijkvergunning, of op grond van een onder huidig recht verleende vergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Naast het hebben van een juridisch-planologische toestemming voor een horecaterras op de betreffende locatie, beschikt de exploitant van een horecaterras dat rechtmatig aanwezig is over een vergunning voor het exploiteren van een horecabedrijf, bedoeld in artikel 3.8, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008. Die vergunning wordt in dit omgevingsplan aangeduid als exploitatievergunning horecabedrijf.
Tweede lid:
Het tweede lid bepaalt dat voor een legaal bestaand horecaterras van rechtswege een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit horecaterras. Daarmee wordt aangesloten op het algemeen geldend overgangsrecht, zoals opgenomen in artikel 23.5. Daarin is bepaald dat als een activiteit voor de inwerkingtreding van een wijziging van dit omgevingsplan zonder ontheffing of vergunning onafgebroken rechtmatig is verricht, en als gevolg van een wijziging van het omgevingsplan een vergunningplicht gaat gelden, dat dan voor die activiteit bij de inwerkingtreding van die nieuwe vergunningplicht een omgevingsvergunning van rechtswege geldt voor een termijn van twee jaar, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van die vergunningplicht.
In afwijking van dat artikel 23.5 is bepaald dat deze omgevingsvergunning van rechtswege geldt voor onbepaalde tijd, mits de activiteit naar aard en omvang ongewijzigd wordt voortgezet. Wanneer de exploitant de omgevingsplanactiviteit horecaterras wenst te wijzigen, is dus alsnog een nieuwe omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit horecaterras nodig.
Derde lid:
Het derde lid bepaalt dat bepaalde voorschriften, verbonden aan de exploitatievergunning zoals die geldt op het moment dat dit regelonderdeel in werking treedt, worden geacht voorschriften te zijn verbonden aan de omgevingsvergunning van rechtswege voor een omgevingsplanactiviteit horecaterras. Het gaat alleen om voorschriften die betrekking hebben op positionering en maatvoering van het terras, openingstijden van het terras, en het aantal bezoekers dat maximaal op het terras aanwezig mag zijn.
Vierde en vijfde lid:
In sommige onder oud recht vastgestelde bestemmingsplannen of verleende afwijkvergunningen zijn met betrekking tot horecaterrassen regels dan wel voorschriften opgenomen. Het vierde lid bepaalt dat voor zover dat het geval is, die regels en voorschriften eveneens worden geacht voorschriften te zijn die zijn verbonden aan de omgevingsvergunning van rechtswege voor een omgevingsplanactiviteit horecaterras.
Zesde lid:
Op het moment dat subsubparagraaf 3.2.13.5.3 in werking treedt, zal een voor een rechtmatig geëxploiteerd horecaterras sprake zijn van een juridisch-planologische toestemming, en van een exploitatievergunning. De daarmee verband houdende regels en voorschriften gaan gelden als vergunningvoorschrift, verbonden aan de omgevingsvergunning van rechtswege voor een omgevingsplanactiviteit horecaterras. Deze omgevingsvergunning van rechtswege is automatisch ontstaan. Er is dus geen sprake van een 'papieren' vergunning. Met het oog op inzichtelijkheid en kenbaarheid bepaalt het zesde lid dat binnen een redelijke termijn een schriftelijke versie van de omgevingsvergunning van rechtswege voor een omgevingsplanactiviteit horecaterras en de daarop betrekking hebbende voorschriften wordt verstrekt aan de exploitant.
Dit artikel bevat de beoordelingsregels die van toepassing zijn op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit horecaterras.
Het eerste lid bepaalt dat de omgevingsvergunning alleen wordt verleend als de aanvraag betrekking heeft op een locatie waar een terras op grond van artikel 3.71 is toegestaan. Is dat niet het geval, dan wordt de vergunning geweigerd.
Het tweede lid bevat een inhoudelijke beoordelingsregel, namelijk dat de omgevingsvergunning alleen wordt verleend als de activiteit niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van de gebruiksmogelijkheden van de gronden zelf en van de aangrenzende gronden of tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat.
Het derde lid bevat een aantal aspecten waarmee bij de beoordeling, bedoeld in het tweede lid, in elk geval rekening wordt gehouden.
Artikel 3.18 van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 bepaalt dat het verboden is een terras te exploiteren op of aan wegen die door de burgemeester met het oog op de belangen die zijn genoemd in artikel 3.11, tweede lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 zijn aangewezen. Het is onwenselijk dat een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit horecaterras wordt verleend voor een locatie waarvan op voorhand vast staat dat de exploitatievergunning horecabedrijf geweigerd zal worden. Daarom bepaalt het vierde lid dat in die gevallen een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit horecaterras in elk geval wordt geweigerd
Het vijfde lid bepaalt dat een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit horecaterras wordt in elk geval geweigerd wanneer de aanvraag betrekking heeft op een horecaterras bij additionele horeca of een omgevingsplanactiviteit culturele horeca.
Dit artikel heeft betrekking op de voorschriften die aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit horecaterras kunnen en moeten worden verbonden. Het eerste lid bepaalt dat aan de vergunning de voorschriften worden verbonden die nodig zijn met het oog op het voorkomen van een onaanvaardbare aantasting van de gebruiksmogelijkheden van de gronden zelf en van de aangrenzende gronden en bouwwerken en van het woon- en leefklimaat. Het tweede lid bepaalt waarover in elk geval voorschriften worden opgenomen. Het derde lid bepaalt dat, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een horecazaak waarbij het aanbieden en gebruiken van een waterpijp is toegestaan, met een voorschrift wordt bepaald of het aanbieden en gebruiken van een waterpijp op het horecaterras is toegestaan.
Dit artikel bevat aanvraagvereisten met het oog op de op grond van artikel 3.77 te maken beoordeling.
Dit artikel bepaalt dat in bepaalde gevallen een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit horecaterras vervalt. Dat is kort gezegd het geval wanneer op de locatie op grond van artikel 3.71 niet langer een horecaterras is toegestaan. Omdat een horecaterras dan niet langer op de betreffende locatie is toegestaan, verliest de omgevingsvergunning zijn betekenis, en komt te vervallen.
Dit artikel bepaalt het toepassingsbereik van deze subparagraaf. Het eerste lid bepaalt dat deze subparagraaf betrekking op de openingstijden van een horecazaak. Daarbij wordt aangegeven dat deze subparagraaf geen betrekking heeft op de openingstijden van een horecazaak als sprake is van additionele horeca. In dat geval zijn de in subparagraaf 3.2.13.3 opgenomen regels over openingstijden van toepassing. Het tweede lid bepaalt dat deze subparagraaf geen betrekking heeft op de openingstijden van een horecaterras. Die worden geregeld in subparagraaf 3.2.13.5.
Dit artikel bevat de algemene openingstijden voor een horecazaak. De openingstijden zijn gekoppeld aan de zwaartecategorieën van horeca die met toepassing van paragraaf 2.3.20.2 aan locaties zijn toegekend.
Het zesde en zevende lid bieden de mogelijkheid om een bepaald aantal keer per jaar de maximum openingstijden te overschrijden. Deze mogelijkheid is bedoeld voor incidentele festiviteiten die door de exploitant van de horecazaak worden georganiseerd. Voor horeca op een locatie met een aanduiding 'gebruiksdoel: lichte horeca' of 'gebruiksdoel: reguliere horeca' geldt een maximum aantal van vijf keer per jaar. Ter plaatse van de aanduidingen 'gebruiksdoel: middelzware horeca' of 'gebruiksdoel: zware horeca' geldt een maximum aantal van twaalf keer per jaar. Het achtste lid bepaalt dat tussen deze overschrijdingen ten minste zes dagen moeten zitten.
Met het oog op de openbare orde blijft in de APV de mogelijkheid bestaan om openingstijden te beperken. Deze bevoegdheid blijft de burgemeester houden.
Dit artikel bevat de openingstijden voor een horecazaak voor locaties waar het onder oud recht vastgestelde bestemmingsplan nog niet is vervangen. De openingstijden zijn gekoppeld aan benamingen voor vormen van horeca, zoals die in bestemmingsplannen veelal worden gebruikt om de horecatypen te definiëren. Omdat het vrij veel voorkomt dat een bestemmingsplan op een en dezelfde locatie verschillende horecacategorieën toelaat, zal de verleende exploitatievergunning veelal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag van welk soort horeca sprake is. Vanzelfsprekend dient dat wel passend te zijn binnen het onder oud recht vastgestelde bestemmingsplan.
Het tweede en derde lid bieden de mogelijkheid om een bepaald aantal keer per jaar de maximum openingstijden te overschrijden. Deze mogelijkheid is bedoeld voor incidentele festiviteiten die door de exploitant van de horecazaak worden georganiseerd. Voor horeca, bedoeld in het eerste lid, onder a en b, geldt een maximum aantal van vijf keer per jaar. Voor horeca, bedoeld in het eerste lid, onder c en d, geldt een maximum aantal van twaalf keer per jaar. Het vierde lid bepaalt dat tussen deze overschrijdingen ten minste zes dagen moeten zitten.
Met het oog op de openbare orde blijft in de APV de mogelijkheid bestaan om openingstijden te beperken. Deze bevoegdheid blijft de burgemeester houden.
Dit artikel bevat de openingstijden voor een horecazaak voor locaties waar het onder oud recht vastgestelde bestemmingsplan is vervangen door een TAM-omgevingsplan.
Zoals toegelicht in paragraaf 6.4 van de algemene toelichting heeft het Rijk tijdelijk een alternatieve maatregel beschikbaar gesteld voor het publiceren van wijzigingen van het omgevingsplan: de TAM-IMRO. Daarmee hoeft niet via de nieuwe digitale standaarden een wijziging van het omgevingsplan beschikbaar gesteld te worden, maar kan dat nog via de IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening). Direct na de inwerkingtreding van de Omgevingswet is er tijdelijk geen plicht om de STOP/TPOD te gebruiken. Dit regelt artikel 11.1 lid 2 van het Besluit elektronische publicaties. Een besluit tot wijziging van het omgevingsplan met toepassing van TAM-IMRO wordt een TAM-omgevingsplan genoemd.
Het heeft de voorkeur dat in TAM-omgevingsplannen gewerkt wordt met regels inclusief aanduidingen die vergelijkbaar zijn met die welke zijn opgenomen in hoofdstuk 2 van dit omgevingsplan. Dat geldt ook voor de regels, opgenomen in paragraaf 2.3.20. Waar dat is gedaan, bepaalt het eerste lid dat artikel 3.82 van overeenkomstige toepassing. Dat betekent dat waar in een TAM-omgevingsplan een locatie is aangeduid met bijvoorbeeld de aanduiding 'gebruiksdoel: lichte horeca', de openingstijden zoals opgenomen in artikel 3.82 , eerste lid, van toepassing zijn. In dat geval hoeft het TAM-omgevingsplan geen regels over openingstijden te bevatten. De regels, opgenomen in artikel 3.82 zijn immers van toepassing.
Als in een TAM-omgevingsplan horeca wordt toegestaan waarbij om wat voor reden dan ook is gekozen voor een andere werkwijze dan hiervoor bedoeld, dan zullen in dat plan ook regels over openingstijden moeten zijn opgenomen. Het tweede lid bepaalt in dat geval dat dan die regels van toepassing zijn.
Het derde lid bepaalt dat het zesde, zevende en achtste lid van artikel 3.82 van overeenkomstige toepassing zijn. Dat biedt de mogelijkheid om een bepaald aantal keer per jaar de maximum openingstijden te overschrijden. Deze mogelijkheid is bedoeld voor incidentele festiviteiten die door de exploitant van de horecazaak worden georganiseerd. Voor horeca op een locatie met een aanduiding 'gebruiksdoel: lichte horeca' of 'gebruiksdoel: reguliere horeca' geldt een maximum aantal van vijf keer per jaar. Ter plaatse van de aanduidingen 'gebruiksdoel: middelzware horeca' of 'gebruiksdoel: zware horeca' geldt een maximum aantal van twaalf keer per jaar. Tussen deze overschrijdingen moeten ten minste zes dagen zitten.
Met het oog op de openbare orde blijft in de APV de mogelijkheid bestaan om openingstijden te beperken. Deze bevoegdheid blijft de burgemeester houden.
Dit artikel bevat overgangsrecht voor elke horecazaak waarvoor op het moment dat deze subsubparagraaf 3.2.13.6.2 in werking is getreden een exploitatievergunning horecabedrijf gold. Voor een nieuwe horecazaak waarvoor op het moment van inwerkingtreding van deze subsubparagraaf nog geen exploitatievergunning horecabedrijf was afgegeven, maar die op grond van het geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan wel was toegestaan, zijn geen overgangsregels opgenomen. Daarvoor geldt deze subsubparagraaf 3.2.13.6.2 rechtstreeks.
Een exploitatievergunning horecabedrijf is altijd tijdelijk van aard. Het is dus goed mogelijk dat in de periode van drie jaar na inwerkingtreding van deze subsubparagraaf 3.2.13.6.2 een nieuwe exploitatievergunning moet worden aangevraagd en gaat gelden. Het tweede lid bepaalt dat in die gevallen de openingstijden gelden zoals vastgelegd in de exploitatievergunning horecabedrijf, zoals die gold op het moment van inwerkingtreding van deze subsubparagraaf 3.2.13.6.2
Dat neemt niet weg dat in een nieuw verleende exploitatievergunning horecabedrijf aangescherpte openingstijden kunnen zijn opgenomen. Dat kan het geval zijn als de burgemeester daartoe met het oog op openbare orde en veiligheid aanleiding ziet. In dat geval gelden op grond van dit omgevingsplan ruimere openingstijden dan met het oog op openbare orde en veiligheid aanvaardbaar is. De in de exploitatievergunning opgenomen openingstijden zijn in dat geval maatgevend voor wat daadwerkelijk is toegestaan. Zie meer uitgebreid hierover paragraaf 10.19.2 van de algemene toelichting.
Op het moment van inwerkingtreding van deze subparagraaf zijn er in Amsterdam zo'n 150 horecazaken die doordeweeks om 03:00 uur en in het weekend om 04:00 uur sluiten. Dit zijn zaken die als ‘avondzaak’ zijn vergund op basis van de Algemene Plaatselijke Verordening. De activiteiten die uitgevoerd (mogen) worden zijn hetzelfde als die van middelzware horeca. Daarvoor gelden echter minder ruime openingstijden. Het laatste decennium zijn er vrijwel geen nieuwe horecabedrijven vergund met de openingstijden van avondzaken. Tegelijk zijn er op deze huidige locaties in het algemeen geen problemen door deze sluitingstijden. Daarom zullen de ‘avondzaken’ hun huidige tijden behouden. Dit wordt geregeld in artikel 3.86. Daarin is bepaald dat voor de in bijlage X opgenomen horecazaken verruimde openingstijden gelden.
Dit artikel bevat een specifieke regel voor de nacht die aansluit op eerste kerstdag, oudejaarsdag, eerste paasdag, eerste pinksterdag. Hetzelfde geldt voor de nacht voorafgaand aan Koningsdag (Koningsnacht). In die gevallen gelden de openingstijden voor de vrijdag en zaterdag. Er is dan dus sprake van een verruiming van de openingstijden. Voor zover ruimere openingstijden zijn toegestaan voor de vrijdag en zaterdag, zijn die afwijkende openingstijden in dat geval niet van toepassing. Dat bepaalt het tweede lid.
Dit artikel bepaalt dat in de nacht dat de zomertijd ingaat een horecazaak die op het uur dat de zomertijd ingaat open mag zijn, één uur langer open mag blijven.
Dit artikel geeft het bevoegd gezag de bevoegdheid om met een maatwerkvoorschrift beperkingen te stellen aan de in subsubparagraaf 3.2.13.6.2 bedoelde openingstijden. De beperkingen kunnen worden gesteld om onaanvaardbare overlast op de fysieke leefomgeving tegen te gaan. Het tweede lid maakt duidelijk dat een maatwerkvoorschrift in elk geval kan inhouden dat het uiterlijk tijdstip waarop de horecazaak voor bezoekers gesloten moet zijn wordt vervroegd, of dat het uiterlijk tijdstip waarop de horecazaak bezoekers mag binnenlaten wordt vervroegd.
Eerste tot en met derde lid:
Dit artikel geeft het bevoegd gezag de bevoegdheid om met een maatwerkvoorschrift jaarrond ontheffing te verlenen van de subsubparagraaf 3.2.13.6.2 bedoelde openingstijden. Deze mogelijkheid geldt alleen voor locaties bedoeld voor fastfoodhoreca en zware horeca (uitgaan). Het biedt horecabedrijven de mogelijkheid om gedurende meerdere dagen per week, structureel langer open te zijn (looptijd van vijf jaar). Voor gebieden waar het bestemmingsplan is vervangen, wordt dit geregeld in het eerste lid. Voor gebieden waar het bestemmingsplan nog niet is vervangen, voorziet het tweede lid in deze mogelijkheid. Het derde lid doet dat voor gebieden waar een TAM-omgevingsplan is vastgesteld.
De ontheffing is mede bedoeld om te zorgen voor een betere spreiding van drukte en impact daarvan op de fysieke leefomgeving. De ontheffing is mogelijk op alle dagen van de week. Hiermee wordt het optimaal mogelijk om spreiding van drukte te realiseren. Het kan dus voor zeven dagen per week, maar ook op één enkele dag in de week gelden. De ontheffing geldt niet voor het terras en is niet overdraagbaar. De noodzaak voor een ontheffing hangt direct samen met het horecaconcept/bedrijfsplan.
Vierde lid:
Bij het verlengen van de openingstijden verandert de impact op de omgeving. Om die reden wordt een ontheffing van de openingstijden altijd tijdelijk afgegeven. Het vierde lid bepaalt dat de ontheffing geldt voor de duur van maximaal vijf jaar. Het zevende lid bepaalt dat de duur van de ontheffing in de vergunning wordt vastgelegd. Het ligt voor de hand bij het verlenen van de ontheffing aan te sluiten op de (nog resterende) looptijd van de exploitatievergunning, die nodig is op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening. Bij nadering van het verstrijken van de gestelde termijn kan een nieuwe ontheffing worden aangevraagd. Dan ontstaat een evaluatiemoment waarop kan worden besloten of de impact op de leefomgeving nog altijd acceptabel is.
Vijfde en achtste lid:
Het vijfde lid bepaalt dat van de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid uitsluitend gebruik wordt gemaakt voor zover de ontheffing naar het oordeel van het bevoegd gezag niet leidt tot onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat. Bij die beoordeling worden ervaringen die met eerdere ontheffingen zijn opgedaan betrokken, waaronder klachten van omwonenden. Ook zal gekeken worden naar de bedrijfsvoering in algemene zin. Dus of er handhaving is geweest in kader van exploitatievergunning, een eventueel horeca-terras en algemene regels gesteld in het omgevingsplan, waaronder milieuregels. Het achtste lid bevat de aanvraagvereisten. De gevraagde gegevens zijn nodig om de beoordeling te kunnen maken.
Zesde en zevende lid:
Het zesde lid bepaalt dat het bevoegd gezag die voorschriften stelt die nodig zijn om onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat te voorkomen. Het zevende lid bepaalt dat in elk geval wordt bepaald wat de duur van de ontheffing is, voor welke dag of dagen van de week de ontheffing geldt en wat de dan van toepassing zijnde openingstijden zijn. Wanneer de ontheffing voor meerdere dagen in de week geldt, kan per dag een andere duur worden bepaald.
In de Algemene Plaatselijke Verordening is een bevoegdheid voor de burgemeester opgenomen om gebieden aan te wijzen waarin de openingstijden met een uur respectievelijk twee uur worden verlengd. Het doel van dit zogenaamde afkoeluurtje is om een rustiger en meer gespreid vertrek van bezoekers mogelijk te maken in uitgaansgebieden waar zich veel bezoekers en veel horecabedrijven bevinden (horecaconcentratiegebieden). Artikel 3.92 zorgt ervoor dat in dat geval de verruimde openingstijd ook op grond van het omgevingsplan is toegestaan.
XX
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het eerste lid
Dit artikel is van overgangsrechtelijke aard en bepaalt dat de vergunningplicht niet geldt als de bedoelde activiteiten waren toegestaan voor het van kracht worden van dit regelonderdeel en reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit regelonderdeel.
/join/id/pubdata/gm0363/2025/31b38df75e92491ca951795347c69c07/nld@2025‑08‑20;12075403
/join/id/pubdata/gm0363/2025/4686a4fcb651498b8d659b48033d3857/nld@2025‑08‑20;12075403
Artikel I voorziet erin het Omgevingsplan gemeente Amsterdam te wijzigen, conform de wijzigingen zoals opgenomen in Bijlage A. Die bijlage A bevat in renvooiweergave de daadwerkelijke wijziging van het omgevingsplan. Die wijzigingen leiden tot een nieuwe versie van het omgevingsplan, die geconsolideerd wordt weergegeven in de landelijke voorzieningen. Na publicatie in de landelijke voorzieningen zal het wijzigingsbesluit en de consolidatie ervan raadpleegbaar zijn in de landelijke voorzieningen. In de Motivering wordt het wijzigingsbesluit juridisch onderbouwd.
Artikel II voorziet erin dat de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 wordt gewijzigd conform de wijzigingen zoals opgenomen in bijlage I. Die wijzigingen leiden tot een nieuwe versie van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008, die geconsolideerd wordt weergegeven op overheid.nl. Na publicatie in het gemeenteblad zal het wijzigingsbesluit en de consolidatie ervan raadpleegbaar zijn op overheid.nl. In de Motivering wordt de wijziging onderbouwd.
Artikel 16.78, eerste lid, van de Omgevingswet bepaalt dat een besluit tot wijziging van een omgevingsplan in werking treedt op de dag waarop 4 weken zijn verstreken sinds de dag waarop het besluit bekend is gemaakt, tenzij bij het besluit een later tijdstip is bepaald. Er is geen aanleiding gebruik te maken van de mogelijkheid af te wijken van de hoofdregel. Artikel III van dit besluit bepaalt daarom dat dit besluit in werking treedt vier weken na bekendmaking ervan in werking treedt.
Dat betekent ook dat het besluit tot wijziging van de in artikel II bedoelde Algemene Plaatselijke Verordening 2008 niet eerder in werking treedt dan op dat moment. Daarmee wordt voorkomen dat er een gat in de regelgeving ontstaat.
Niet alleen het omgevingsplan, maar ook elk afzonderlijk wijzigingsbesluit heeft een eigen aanhaaltitel. De aanhaaltitel voor voorliggend wijzigingsbesluit is Wijzigingsbesluit omgevingsplan Amsterdam: Toevoeging van regels over horeca, darkstores en evenementenlocaties.
In de raadsvergadering van 14 en 15 mei 2025 heeft de gemeenteraad het Horecabeleid 2025 vastgesteld. In het horecabeleid worden voorstellen gedaan om in het omgevingsplan Amsterdam horeca op een andere wijze te reguleren dan dat in het verleden in bestemmingsplannen gebeurde. Met voorliggende wijziging wordt voorzien in een vertaling van dit horecabeleid in regels in het omgevingsplan. Deze beleidsvertaling heeft ook gevolgen voor de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 (hierna: de APV). Ook die behoeft aanpassing. Normaliter zou een aanpassing van de APV via een zelfstandige wijzigingsprocedure verlopen. Omdat de wijziging van het Omgevingsplan gemeente Amsterdam en de wijziging van de APV verband houden met elkaar, én omdat tegen de wijziging van een omgevingsplan beroep open staat, wordt in één besluit in de wijziging van beide regelingen voorzien.
Daarbij wordt voor nog een aantal onderwerpen voorzien in ruimtelijke regels. Die regels zijn nodig met het oog op het op geharmoniseerde wijze vervangen van nog onder oud recht vastgestelde bestemmingsplannen. Het gaat om regels over de gebruiksdoelen Darkstore en Evenemententerrein. Deze regels gaan pas ergens gelden wanneer dat op een later moment, bij het vervangen van een bestemmingsplan, wordt bepaald.
Tot slot wordt met deze wijziging voorzien in een aantal technische aanpassingen.
Behalve wijzigingen van de regeling Omgevingsplan gemeente Amsterdam, wordt ook een aantal aanpassingen gedaan in de daarbij behorende Algemene en Artikelsgewijze toelichting. Voor een deel hangen die aanpassingen samen met de inhoudelijke wijzigingen van de regeling. Maar voor een deel is het ook een daarvan losstaande opname van samenvattingen van geldend beleid of geldende regelgeving, of van aanpassingen daarin. Op die manier wordt verder gewerkt aan het compleet maken en actueel houden van de algemene toelichting.
In onderdeel 2.1 van deze motivering wordt de bestuurlijke achtergrond bij het wijzigingsbesluit geschetst. In onderdeel 5 van deze motivering wordt de inhoudelijke onderbouwing van het besluit gegeven. In onderdeel 7 van deze motivering wordt inhoudelijk ingegaan op de afzonderlijke wijzigingsartikelen zoals die in de wijzigbijlage Omgevingsplan zijn opgenomen. Inonderdeel 8.1 van deze motivering wordt inhoudelijk ingegaan op de afzonderlijke wijzigingsartikelen zoals die in de wijzigingsverordening van de APV Horeca zijn opgenomen.
Op 13 maart 2018 heeft het college van B&W ingestemd met de bestuursopdracht Stedelijke kaders voor gebiedsgericht horeca- en terrassenbeleid.
Op 8 maart 2022 heeft het college van B&W het ‘Concept stedelijk beleidskader horeca en terrassen’ vrijgegeven voor inspraak en advies van de stadsdelen. Na een inspraak- en adviesperiode van 7 maanden is gestart met het verwerken van alle zienswijzen en adviezen.
In de raadsvergadering van 14 en 15 mei 2025 heeft de gemeenteraad het Horecabeleid 2025 vastgesteld. Dit beleid vraagt om wijziging van zowel de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 als van het Omgevingsplan gemeente Amsterdam. Voorliggend besluit voorziet daarin.
Voordat wordt ingegaan op inhoudelijke wijziging van het omgevingsdplan, is het goed eerst een beeld te schetsen van de overgang van een situatie met vele honderden bestemmingsplannen naar één integraal omgevingsplan. Dat begint bij het schetsen van de uitgangspositie. Die is als volgt.
Op het moment dat de Omgevingswet in werking is getreden, is automatisch een omgevingsplan ontstaan. Voor Amsterdam is dit het Omgevingsplan gemeente Amsterdam. Dat omgevingsplan bestond op dat moment alleen uit losse en tijdelijke onderdelen. Zo maakten alle afzonderlijke bestemmingsplannen deel uit van dat omgevingsplan. Maar ook enkele verordeningen, en regels die voorheen door het Rijk werden gesteld (de bruidsschat genoemd), zijn onderdeel van het omgevingsplan geworden. In paragraaf 6.1 van de algemene toelichting bij het Omgevingsplan gemeente Amsterdam wordt dit ‘omgevingsplan van rechtswege’ nader uitgelegd.
Vanuit die situatie moet worden toegewerkt naar een nieuw en integraal Omgevingsplan gemeente Amsterdam. Alle bestemmingsplannen moeten nu worden vervangen door nieuwe regels in het omgevingsplan. Dat gebeurt niet ineens voor heel Amsterdam. Gebied voor gebied worden de bestemmingsplannen vervangen.
Inmiddels is een eerste wijzigingsbesluit vastgesteld. Het betreft het Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Amsterdam: Basisregeling. Het betreft het besluit van de gemeenteraad van 18 september 2024, bekendgemaakt op 2 oktober 2024: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2024-411678.html.
Hiermee is een nieuw deel van het omgevingsplan ontstaan, met daarbij een uitgebreide algemene toelichting. Dit nieuwe deel wordt de hoofdregeling genoemd. De geldende hoofdregeling is te vinden op lokaleregelgeving.nl: https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR696291/3. Daar is ook de algemene toelichting bij het Omgevingsplan gemeente Amsterdam te vinden. De geldende regelingversie en de algemene toelichting zijn ook te vinden in de viewer Regels op de kaart: https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart/?regelsandere=regels.
Met het wijzigingsbesluit van 18 september 2024 is de basis gelegd voor het nieuwe omgevingsplan. Het bevat ook allerlei regels voor het vervangen van alle bestemmingsplannen. Met dit eerste wijzigingsbesluit zijn nog geen bestemmingsplannen vervangen, maar er zijn als het ware regels klaargezet waarmee dit kan gebeuren. In hoofdstuk 6 van de algemene toelichting bij het Omgevingsplan gemeente Amsterdam wordt uitgebreid ingegaan op de transitie van een omgevingsplan met alleen maar tijdelijke onderdelen, naar een nieuw en integraal omgevingsplan voor Amsterdam.
Voorliggend wijzigingsbesluit vult die hoofdregeling verder aan. Er komen nieuwe regels over horecazaken, evenementenlocaties en darkstores die na deze wijziging nog nergens gaan gelden. Het gaat om de regels die in hoofdstuk 2 van de hoofdregeling worden geplaatst. Deze regels kunnen worden gebruikt bij het op een later moment vervangen van bestemmingsplannen.
Daarnaast voorziet voorliggend wijzigingsbesluit ook in een aantal regels over horeca die wel al direct overal in werking gaan treden. Het betreft de regels over horeca-activiteiten die in hoofdstuk 3 worden geplaatst. Waar nodig gaan die regels vergezeld van overgangsrechtelijke bepalingen.
De voorliggende wijziging van het omgevingsplan vloeit grotendeels voort uit het vastgestelde horecabeleid. Participatie heeft plaatsgevonden over het conceptbeleid dat ter inzage heeft gelegen. In 2022 zijn in alle stadsdelen informatiebijeenkomsten georganiseerd over het conceptbeleid. Op basis van de inspraak, de adviezen en nader inzicht is het beleid op diverse punten gewijzigd en duidelijker beschreven.
De regels over darkstores en evenementenlocaties gelden na de wijziging nog nergens. Dat geldt ook voor de regels over horeca die worden opgenomen in hoofdstuk 2 van het omgevingsplan. Ze zijn bedoeld om op een later moment te kunnen worden gebruikt bij het vervangen van bestemmingsplannen.
Onderliggende wijziging van het omgevingsplan is niet van invloed op de uitoefening van taken door andere bestuursorganen. Daarom worden ze bij de voorbereiding niet betrokken.
In de raadsvergadering van 14 en 15 mei 2025 heeft de gemeenteraad het Horecabeleid 2025 vastgesteld. Dit horecabeleid wordt met de voorliggende wijziging vertaald naar regels in het omgevingsplan. Hiermee wordt een nieuw stelsel van regels over horeca voor de hele stad geïntroduceerd. Voor de volledige inhoud van het beleid wordt kortheidshalve naar het beleid zelf verwezen. Aan de algemene toelichting van het omgevingsplan wordt in paragraaf 10.19 een samenvatting van dit beleid toegevoegd. In paragraaf 11.3.3.14 van de algemene toelichting van het omgevingsplan wordt beschreven hoe het beleid naar regels is vertaald.
Het nieuwe stelsel moet waarborgen dat de horeca en terrassen blijven passen in de buurt waar ze gevestigd zijn. En dat daar waar het kan, nieuwe horeca mogelijk is. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheden die de Omgevingswet biedt. Zo wordt meer gestuurd op de activiteiten die binnen een horecabedrijf worden uitgeoefend, en worden ook openingstijden voor horeca geregeld in het omgevingsplan.
Het horecabeleid gaat uit van een duidelijker onderscheid tussen regels die gaan over de locatie en ruimtelijke aanvaardbaarheid en regels die gaan over openbare orde en veiligheid. Regels die met name nodig zijn met het oog op ruimtelijke aanvaardbaarheid komen in het omgevingsplan. Regels die met name betrekking hebben op de openbare orde en veiligheid komen in de APV. Overigens is dat onderscheid niet altijd heel scherp te maken. Zo zijn regels over openingstijden van horeca een instrument om te kunnen sturen op ruimtelijke aanvaardbaarheid, maar ook een belangrijk instrument op het gebied van openbare orde en veiligheid. In die gevallen is gekozen voor de meest optimale afstemming op elkaar van regels in het omgevingsplan en de APV. Om die reden wordt ook de APV op onderdelen gewijzigd. In onderdeel 5.1.4 van deze motivering wordt ingegaan op de wijziging van de APV.
Voor het omgevingsplan bevat het horecabeleid de volgende onderwerpen:
een nieuwe ruimtelijke indeling in horecacategorieën
additionele horeca
culturele horeca
openingstijden
horecaterrassen
In onderdeel 5.1.3 van deze motivering wordt nader ingegaan op de betreffende onderwerpen.
Horeca wordt behalve door het omgevingsplan ook door andere wettelijke regelingen gereguleerd. Zo bevat ook de APV regels met betrekking tot horeca. De regels in de APV hebben een ander oogmerk, een ander doel.
Zo zijn de regels in de APV gesteld met het oog op openbare orde en veiligheid. In de APV staat onder andere de verplichting dat een horecabedrijf een exploitatievergunning moet hebben. Bij de beoordeling van een aanvraag om exploitatievergunning is ruimte voor afwegingen die te maken hebben met de exploitant, zoals de financiering, het levensgedrag en de bedrijfsvoering, en ook een toets op de gevolgen voor het woon- en leefklimaat vanuit oogpunt van openbare orde en veiligheid. Daarnaast blijft de Bibob bij exploitatievergunningen toegepast worden.
De verschillende regels kunnen niet worden geïntegreerd in één regeling. Regels die betrekking hebben op activiteiten die de fysieke leefomgeving wijzigen, moeten (als ze worden gesteld) in het omgevingsplan worden opgenomen. Regels die worden gesteld met het oog op openbare orde en veiligheid mogen echter niet in het omgevingsplan (zie meer uitgebreid hoofdstuk 3 en in het bijzonder paragraaf 3.4 van de algemene toelichting bij het omgevingsplan).
In het omgevingsplan worden onder meer regels gesteld die moeten zorgen voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor wat betreft horeca gaat het daarbij om regulering van de effecten van horeca op de fysieke leefomgeving, zoals bijvoorbeeld geluidshinder, geurhinder, beperking van de toegankelijkheid van de openbare ruimte door een terras en publiek aantrekkende werking.
Ook in de APV zijn regels gesteld met betrekking tot het woon- en leefklimaat, maar dan gaat het om de spanning waaraan het woon- en leefklimaat reeds blootstaat. Zo kunnen feiten die zich in of in de nabijheid van een horecabedrijf hebben voorgedaan, als gevolg waarvan de openbare orde meermalen is verstoord, een inbreuk geven op het veiligheidsgevoel van omwonenden, waardoor de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van zijn horecabedrijf (ECLI:NL:RVS:2005:AT9281). Bij een aanvraag om een exploitatievergunning op grond van de APV wordt daarnaar gekeken.
Wat onwenselijk is, is dat daarbij ook ruimtelijke aspecten worden betrokken, zoals geluidhinder, verkeershinder en parkeerdruk. Dat vraagt een goede redactie van de regels in de APV, omdat anders ook in het kader van een aanvraag om een exploitatievergunning naar die aspecten moet worden gekeken (ECLI:NL:RVS:2008:BC1506, ECLI:NL:RVS:2021:2678). Dat zou betekenen dat de burgemeester de ruimtelijke afweging, de beoordeling van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving, die in het kader van het omgevingsplan wordt gemaakt, nog eens dunnetjes over moet doen in het kader van de exploitatievergunning. Dat is zo niet bedoeld en ongewenst.
Hoewel een harde grens tussen de kwaliteit van de fysieke leefomgeving en openbare orde en veiligheid niet altijd is te trekken, voorziet het Horecabeleid 2025 in een betere afstemming tussen beide regelingen. Regels die betrekking hebben op het voorkomen van onaanvaardbare gevolgen voor de fysieke leefomgeving worden opgenomen in het omgevingsplan. De regels in de APV blijven beperkt tot regels die betrekking hebben op openbare orde en veiligheid.
Als uitgangspunt is gehanteerd dat regels die betrekking hebben op het tegengaan van overlast door (wan)gedrag van de exploitant of de individuele bezoeker thuis horen in de APV. Deze overlast wordt dan immers niet veroorzaakt door de horeca-activiteit als zodanig, maar door het gedrag van individuen. Activiteiten die direct verband houden met de uitoefening van horeca zelf, ongeacht het (wan)gedrag van de exploitant of de individuele bezoeker, en die gevolgen kunnen hebben voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving, worden gereguleerd in het omgevingsplan. Wanneer het bijvoorbeeld gaat om geluidsoverlast vanwege gewoon stemgeluid bij een gewoon gebruik van een terras, of vanwege een geluidsinstallatie, dan gaat het om gevolgen vanwege de horeca-activiteit als zodanig, ongeacht wie de horecaonderneming exploiteert, en ongeacht wie er op het terras zitten. De gevolgen op de fysieke leefomgeving zijn het gevolg van bedoelde activiteiten: het terras is bedoeld, en op een terras wordt gepraat; een café heeft een geluidsinstallatie, en daarop wordt muziek afgespeeld. Het omgevingsplan beoogt de gevolgen van die bedoelde activiteiten te reguleren en onaanvaardbare overlast op de fysieke leefomgeving te voorkomen, bijvoorbeeld door regulering van sluitingstijden of omvang van terrassen.
Op een aantal onderdelen betekent dit dat regels over onderwerpen die voorheen alleen in de APV werden gesteld, ook in het omgevingsplan worden gesteld. Zo bevatte de APV regels over openingstijden en bestemmingsplannen veelal juist niet, terwijl openingstijden van horeca mede bepalend zijn voor de mate van overlast die horeca kan geven op de fysieke leefomgeving. Om die reden bevat het omgevingsplan regels over openingstijden (zie paragraaf 11.3.3.14.5 van de algemene toelichting van het omgevingsplan). De in het omgevingsplan opgenomen regels over openingstijden bieden het buitenste kader. Binnen die regels is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het kan echter voorkomen dat in een specifiek geval feiten op het gebied van openbare orde en veiligheid vragen om een beperking van die openingstijden. De APV biedt voor die gevallen de mogelijkheid dat de burgemeester beperkingen kan opleggen met het oog op openbare orde en veiligheid.
Op deze wijze bevat het omgevingsplan de randvoorwaarden waarmee een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is geborgd. Met het oog op openbare orde en veiligheid kunnen daaraan verdere beperkingen worden gesteld. Dat betekent dat op grond van het omgevingsplan een bepaalde activiteit binnen bepaalde regels kan zijn toegestaan, maar dat op grond van de APV nog wel aanvullende beperkingen gelden.
Om deze scheiding duidelijk te maken verandert met de inwerkingtreding van de horecaregeling als onderdeel van het omgevingsplan de terminologie in de APV wat betreft het ‘woon- en leefklimaat’. Het woon- en leefklimaat als brede term omvat zowel ruimtelijke aspecten als zaken die de openbare orde aangaan. Het criterium zal in de APV worden verengd tot een beoordeling van 'de bestaande druk op de woon- en leefomgeving'.
Een gangbare definitie van openbare ordeverstoring is ‘een verstoring van enige betekenis van de normale gang van zaken in of aan de desbetreffende openbare ruimte’. Het gaat om gedragingen van mensen die niet planbaar of voorzienbaar zijn uit oogpunt van de functietoedeling, maar wel zorgen voor overlast in de omgeving van de horecazaak. Wordt met de exploitatie een naar zijn oordeel ontoelaatbare toename van dergelijke activiteit verwacht, dan kan de burgemeester de exploitatievergunning geheel of gedeeltelijk intrekken, weigeren te verlenen of voorschriften in de vergunning opnemen om die verwachte toename van druk op het woon- en leefomgeving te verminderen. Als de druk op de omgeving al hoger is, dan is aannemelijk dat een verdere aantasting ontoelaatbaar wordt geacht.
Het is onwenselijk dat een exploitatievergunning wordt verleend voor activiteiten die op grond van het omgevingsplan niet zijn toegestaan. Om te voorkomen dat de exploitatievergunning meer toestaat dan dat het omgevingsplan toelaat, wordt er in de APV in voorzien dat de exploitatievergunning geweigerd moet worden bij strijd met het omgevingsplan. Om te kunnen beoordelen of sprake is van strijd met het omgevingsplan wordt de aanvrager verzocht bij de aanvraag om een exploitatievergunning die informatie in te dienen die deze beoordeling mogelijk maakt. Zo zal moeten worden aangegeven wat de activiteiten zijn die gaan plaatsvinden, en wat de openingstijden zijn. Die voorgenomen activiteiten en openingstijden zijn daarmee onderdeel van de aanvraag en worden daarmee bij vergunningverlening ook onderdeel van de vergunning. Om het proces van toezicht en handhaving te vereenvoudigen, zal deze informatie als bijlage aan de exploitatievergunning worden toegevoegd. Daarmee heeft de vergunninghouder, maar ook de handhaver, overzichtelijk bij elkaar de voorwaarden uit de verschillende regelingen waaraan de vergunninghouder zich dient te houden.
Vanwege het beleid wordt het omgevingsplan op een aantal onderdelen gewijzigd. Het gaat om:
een nieuwe opzet van horeca-categorieën in de vorm van vier zwaartecategorieën, waarbij per horecalocatie in het omgevingsplan wordt bepaald welke zwaartecategorie van toepassing is;
nieuwe gemeentebrede regels over additionele horeca;
nieuwe gemeentebrede regels over culturele horeca;
een vergunningplicht voor nieuwe horecaterrassen of het wijzigen van bestaande horecaterrassen;
regulering van openingstijden primair in het omgevingsplan.
Deze uitgangspunten van beleid worden hieronder beschreven.
In bestemmingsplannen werd gewerkt met algemene horeca-typeringen (zoals restaurant, eetcafé). Per bestemmingsplan konden de horeca-typeringen of de definities daarvan verschillen. Bij nieuwe horecaconcepten was soms onduidelijk welke typering het beste past. Bovendien zegt de algemene omschrijving niet zoveel over de daadwerkelijke activiteiten, en juist die activiteiten hebben impact op de fysieke leefomgeving. Daarom wordt van die oude horecatypering afscheid genomen. De nieuwe indeling is gebaseerd op de daadwerkelijk uitgevoerde horeca-activiteiten die invloed hebben op de omgeving. Met deze nieuwe indeling is er één ruimtelijke indeling in categorieën voor de hele stad.
Bij elke activiteit is de invloed op de omgeving anders. De volgende horeca-activiteiten worden daarbij onderscheiden:
bereiden van etenswaren en/of dranken binnen in het horecabedrijf;
verstrekken van etenswaren en/of niet-alcoholhoudende dranken voor gebruik ter plaatse;
consumptie in het horecabedrijf;
schenken van alcoholhoudende dranken;aanbieden/meegeven van etenswaren voor consumptie in de directe omgeving van het horecabedrijf;
aanbieden/meegeven van niet alcoholhoudende dranken voor consumptie in de directe omgeving van het horecabedrijf;
ten gehore brengen van meer dan achtergrondmuziek;
het inrichten van (een deel van) de ruimte als dansvloer;
zaalverhuur voor feesten en partijen;
aanbieden van waterpijpen voor gebruik ter plaatse.
De eerste drie activiteiten zijn basisactiviteiten voor horeca, en ze definiëren wat in het omgevingsplan onder horeca wordt verstaan: een activiteit waarbij bedrijfsmatig voor directe consumptie ter plaatse dranken worden geschonken of eetwaren worden bereid of verstrekt.
De overige activiteiten zijn mede bepalend voor het definiëren van het type horeca. Sommige van deze horeca-activiteiten beïnvloeden de fysieke leefomgeving meer dan andere. Daarnaast verzwaren sommige combinaties van horeca-activiteiten deze impact. Door de afzonderlijke horeca-activiteiten in samenhang met elkaar te wegen, ontstaan er vier zwaartecategorieën van zelfstandige horecabedrijven, oplopend in de mate van impact op hun omgeving.
Zwaartecategorieën zelfstandige horeca
Lichte horeca
Reguliere horeca en reguliere horeca fastfood
Middelzware horeca
Zware horeca (uitgaan)
In het omgevingsplan worden locaties aangewezen waar uitsluitend lichte horeca is toegestaan, of waar reguliere horeca, middelzware of zware horeca is toegestaan. Dat gebeurt in paragraaf 2.3.20 van de regels. Per zwaartecategorie wordt met regels bepaald welke horeca-activiteiten er mogen plaatsvinden. Dat gebeurt door aan locaties een gebruiksdoel toe te kennen. Elke zwaartecategorie is een apart gebruiksdoel dat aan een locatie kan worden toegekend. In onderstaande figuur is weergegeven welke activiteiten bij welke zwaartecategorie passend zijn.
Per gebruiksdoel wordt geregeld waar die geldt, en dat daar de desbetreffende vorm van horeca als activiteit is toegestaan. Per gebruiksdoel zijn aanvullende regels opgenomen waarmee horeca nader wordt gereguleerd. In onderdeel 7 van deze motivering wordt de strekking van de inhoudelijke regels nader toegelicht.
Gebruiksdoel: lichte horeca
In subsubparagraaf 2.3.20.2.1 wordt bepaald waar lichte horeca is toegestaan, en welke regels daarop van toepassing zijn. Lichte horeca is gedefinieerd als een horecazaak, niet zijnde fastfoodhoreca, gericht op het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse bereide etenswaren en/of niet-alcoholische dranken voor directe consumptie in de horecazaak. Voorbeelden van lichte horeca zijn een koffiezaak, lunchroom, of ijssalon (alcoholvrij).
Op locaties voor lichte horeca is het -naast de drie basisactiviteiten- ook toegestaan om niet-alcoholhoudende dranken mee te geven voor consumptie in de directe omgeving van het horecabedrijf. Denk hierbij aan koffie of thee to-go. Het is niet toegestaan om etenswaren waarbij voorbereidingshandelingen nodig zijn mee te geven om direct te consumeren in de directe omgeving van het horecabedrijf. Het gaat dan om het verwarmen, gaar maken, beleggen en
ontdooien van eten. Dit trekt een aparte bezoekersstroom aan, met meer impact op de omgeving en bijvoorbeeld zwerfafval. Wel is het toegestaan om kleine etenswaren mee te geven voor consumptie in de directe omgeving van de zaak het horecabedrijf, zoals een koek of croissant. Ook het meegeven van een bereide maaltijd die de consument thuis kan verwarmen en opeten is toegestaan.
Gebruiksdoel: reguliere horeca
In subsubparagraaf 2.3.20.2.2 wordt bepaald waar reguliere horeca is toegestaan, en welke regels daarop van toepassing zijn. Reguliere horeca wordt gedefinieerd als een horecazaak gericht op het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse bereide etenswaren en/of al dan niet alcoholische dranken voor directe consumptie in de horecazaak. Voorbeelden van reguliere horeca zijn een brasserie, bistro of restaurant. Op een locatie met gebruiksdoel: reguliere horeca is ook lichte horeca toegestaan.
Aanvullend aan wat mag bij lichte horeca is op locaties voor reguliere horeca ook het schenken van alcoholhoudende dranken toegestaan. Net als bij lichte horeca, is het verstrekken van eten voor consumptie in de directe omgeving van het horecabedrijf niet toegestaan, omdat dit een aparte bezoekersstroom aan trekt. Voor zover er geen voorbereidingshandelingen nodig zijn, mogen kleine etenswaren meegegeven worden om te consumeren in de directe omgeving van het horecabedrijf. Het meegeven van een bereide maaltijd, die de consument thuis verwarmt en opeet, mag wel.
Binnen dit gebruiksdoel valt ook het exploiteren van fastfoodhoreca. Daaronder wordt verstaan een horecazaak gericht op het bedrijfsmatig verstrekken van vooral op gemaksvoeding gerichte, eenvoudige en snel bereide etenswaren, voor directe consumptie in de horecazaak of in de directe omgeving daarvan, met eventueel als nevenactiviteiten het voor consumptie in de horecazaak verstrekken van dranken. Onder fastfoodbedrijven worden in elk geval begrepen automatieken, snackbars, cafetaria’s, shoarma-/falafelzaken en fastfoodrestaurants. Fastfoodhoreca past hiermee binnen de omschrijving van reguliere horeca. Maar fastfoodhoreca is niet overal binnen locaties voor reguliere horeca gewenst. Daarom wordt fastfoodhoreca nader gereguleerd.
Gebruiksdoel: middelzware horeca
In subsubparagraaf 2.3.20.2.3 wordt bepaald waar middelzware horeca is toegestaan, en welke regels daarop van toepassing zijn. Middelzware horeca wordt gedefinieerd als een horecazaak, niet zijnde fastfoodhoreca, gericht op het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse bereide etenswaren en/of al dan niet alcoholische dranken voor directe consumptie in de horecazaak, waarbij muziek ten gehore wordt gebracht met een geluidsniveau hoger dan 75 dB(A). Voorbeelden van middelzware horeca zijn een bar, café, cocktailbar. Op een locatie met gebruiksdoel: middelzware horeca is ook lichte en reguliere horeca toegestaan.
Aanvullend aan wat is toegestaan bij reguliere horeca is het op locaties voor middelzware horeca toegestaan om meer dan achtergrondmuziek ten gehore te brengen, mits voldaan wordt aan de vereisten over muziekgeluid zoals opgenomen in hoofdstuk 9 van het omgevingsplan. Ondanks dat er voor muziekgeluid al regels gelden, blijkt uit ervaring dat muziekgeluid harder dan achtergrondniveau kan zorgen voor overlast in de omgeving.
Alleen op locaties voor middelzware horeca is de activiteit aanbieden van waterpijpen toegestaan. Het gaat om een waterpijp waarmee je waterpijptabak of kruidenmengsels rookt. Het verwarmen van het te roken mengsel kan op verschillende manieren, maar gebeurt vaak door middel van gloeiende kooltjes. Dit wordt ook wel shisha roken genoemd. Het bezoeken van een horecabedrijf voor het roken van shisha gebeurt de hele dag door en kan
als zelfstandige activiteit optreden, maar kan ook ondergeschikt zijn aan een andere hoofdactiviteit (als ‘toetje’ na een maaltijd). In beide gevallen trekt de mogelijkheid tot waterpijp roken een zelfstandige bezoekersstroom aan. Het gebruik van shisha geeft geuroverlast en – bij verhitting door middel van kooltjes – een aanzienlijk risico op een te hoog CO2-gehalte en brandgevaar.
Gebruiksdoel: zware horeca
In subsubparagraaf 2.3.20.2.4 wordt bepaald waar middelzware horeca is toegestaan, en welke regels daarop van toepassing zijn. Zware horeca wordt gedefinieerd als een horecazaak, niet zijnde fastfoodhoreca, bestaande uit het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse bereide etenswaren en/of al dan niet alcoholische dranken voor directe consumptie in de horecazaak, waarbij muziek ten gehore wordt gebracht met een geluidsniveau hoger dan 75 dB(A), en waarbij (een deel van) de ruimte wordt ingericht als dansvloer. Voorbeelden van zware horeca zijn een discotheek, nachtclub eb zalenverhuur. Op een locatie met gebruiksdoel: zware horeca is ook lichte, reguliere en middelzware horeca toegestaan.
Alleen op locaties voor zware horeca (uitgaan) is het toegestaan om (een deel van) de ruimte in te richten als dansvloer. Er is sprake van het creëren van ruimte in een horecagelegenheid waar mensen zich vrij kunnen bewegen op muziek, waarbij de muziek ook bedoeld is om daartoe uit te nodigen, en waarbij het vrijmaken van de vloeroppervlakte om vrij te kunnen bewegen op muziek onderdeel uitmaakt van de reguliere bedrijfsvoering. Dit uit zich bijvoorbeeld in de vorm van de inrichting (bijvoorbeeld (deels) geen tafels en stoelen, podium, dj etc.), reclame/adverteren, kaartverkoop of entréeheffing en/of programmering, maar is hier niet toe beperkt. Het hebben van een dansvloer kan zorgen voor nieuwe bezoekersstromen, drukte tijdens piekmomenten en rijvorming, en kan daarmee impact op de fysieke leefomgeving hebben. Denk ook aan verkeershinder en geluidsoverlast. Deze activiteit is daarom alleen toegestaan in de categorie ‘zware horeca’.
Ook het verhuren voor feesten of partijen is alleen toegestaan op locaties voor zware horeca (uitgaan). Het gaat hierbij om “het op structurele basis bedrijfsmatig beschikbaar stellen van ruimte binnen een horecazaak ten behoeve van feesten voor grotere groepen, al dan niet besloten of tegen entreegeld”. Bij deze gelegenheden zijn (grote) groepen mensen aanwezig op hetzelfde moment. Meestal is er sprake van piekmomenten en komen -en gaan- de bezoekers op hetzelfde tijdstip. Dit zorgt voor een grotere verkeersaantrekkende werking en mogelijk ook voor meer (geluids)overlast. Bij een aantal vormen van zaalverhuur wordt deze verhuurd aan steeds andere partijen, die geen duurzame relatie met omwonenden hoeven te onderhouden. Dit maakt het lastig om de horecaondernemer en/of bezoekers van een specifieke partij, aan te spreken op hun gedrag. Daarom wordt deze activiteit apart beoordeeld om na te gaan of deze past op een locatie.
Gebiedsgewijze uitrol, consequenties nieuwe ruimtelijke indeling voor bestaande horecabedrijven
De regels waarmee aan locaties een bepaald gebruiksdoel wordt gegeven, worden niet ineens voor heel Amsterdam van toepassing. Dat zal gebied voor gebied gaan gebeuren, bij het vervangen van de onder oud recht vastgestelde bestemmingsplannen. Totdat ergens een bestemmingsplan is vervangen, gelden de regels uit dat bestemmingsplan.
Bij het vervangen van een bestemmingsplan met daarin regels over horeca, worden die regels vervangen door de nieuwe zwaartecategorieën. Bij die omzetting geldt voor legaal bestaande horecabedrijven dat deze horeca op de betreffende locatie passend is. De beoordeling op aanvaardbaarheid is in het verleden al gedaan. Dit hoeft niet opnieuw gedaan te worden.
Soms staat een bestemmingsplan op een locatie meer toe dan wat er feitelijk zit. Bij de omzetting wordt voor elke horecalocatie gekeken naar wat er nu is toegestaan in het bestemmingsplan. Als uitgangspunt geldt dat de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan worden overgenomen. Hierbij wordt de volgende omzettingstabel als uitgangspunt gehanteerd.
|
Waar op grond van het bestemmingsplan is toegestaan: |
Wordt het gebruiksdoel: |
|
Lunchroom, ijssalon, koffiehuis, theehuis, broodjeszaak |
Lichte horeca |
|
Lunchroom, ijssalon, koffiehuis, theehuis, broodjeszaak, bistro, restaurant of daarmee vergelijkbare vormen van horeca |
Reguliere horeca |
|
Grillroom, snackbar, fastfood, kebab, cafetaria, shoarmatent of daarmee vergelijkbare vormen van horeca |
Reguliere horeca aanduiding fastfood |
|
Café, bar, eetcafé, cocktailbar, shishalounge of daarmee vergelijkbare vormen van horeca: |
Middelzware horeca |
|
Nachtzaak, discotheek, club, zaalverhuur, partycentrum en daarmee vergelijkbare vormen van horeca |
Zware horeca |
In uitzonderlijke situaties kan worden afgeweken van het uitgangspunt dat gekeken wordt naar wat het nog geldende bestemmingsplan toestaat op een locatie. Als daartoe aanleiding bestaat, kan er beperkt worden. Bijvoorbeeld door alleen het feitelijk aanwezige lichtere gebruik te bestendigen in het omgevingsplan. Dit vraag een lokale afweging, die per de vervangen bestemmingsplan zal worden gemaakt.
Toelichting op de regeling
Een toelichting op de regeling zoals die wordt opgenomen in paragraaf 2.3.20 van de regels, wordt gegeven in onderdeel 7.3.2 van deze motivering.
Zaalverhuur voor feesten en partijen is een horeca-activiteit die medebepalend is voor de uitstraling van horeca en daarmee voor de onderverdeling in zwaartecategorieën.
Met zaalverhuur voor feesten en partijen wordt gedoeld op het op structurele basis bedrijfsmatig beschikbaar stellen van ruimte binnen een horecazaak ten behoeve van feesten voor grotere groepen, al dan niet besloten of tegen entreegeld. Bij deze gelegenheden zijn (grote) groepen mensen aanwezig op hetzelfde moment. Meestal is er sprake van piekmomenten en komen -en gaan- de gemeente bezoekers op hetzelfde tijdstip. Dit zorgt voor een grotere verkeersaantrekkende werking en mogelijk ook voor meer (geluids)overlast. Bij een aantal vormen van zaalverhuur wordt deze verhuurd aan steeds andere partijen, die geen duurzame relatie met omwonenden hoeven te onderhouden. Dit maakt het lastig om de horecaondernemer en/of bezoekers van een specifieke partij, aan te spreken op hun gedrag. Daarom wordt deze activiteit apart beoordeeld om na te gaan of deze past op een locatie.
Overgangsrecht
Het beleid geeft aan dat zaalverhuur voor feesten en partijen alleen wordt toegestaan binnen een locatie, bedoeld voor zware horeca. Dat wordt in de regels bepaald.
Om dit ineens voor heel Amsterdam goed te regelen, zijn de regels niet alleen gekoppeld aan regels over gebruiksdoelen, maar ook opgenomen in paragraaf 3.2.13.2 van de regeling. Deze regels gelden na vaststelling en inwerkingtreding direct voor heel Amsterdam. Voor die gebieden waar het bestemmingsplan nog geldt, is bepaald dat dat bestemmingsplan bepalend is voor het antwoord op de vraag of zaalverhuur voor feesten en partijen is toegestaan. Regelt het bestemmingsplan niets, dan is het alleen toegestaan binnen binnen een discotheek, dancing, sociëteit, of daarmee vergelijkebare horecazaak, voor zover die op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan is toegestaan.
Ook op locaties die niet met een gebruiksdoel voor horeca zijn aangewezen, kan horeca van toegevoegde waarde zijn. Gedacht kan worden aan een museum waar ook geluncht kan worden, een buurthuis waar koffie of thee wordt geserveerd, of een voetbalkantine waar het nodige is te krijgen. De hoofdfunctie is dan een andere dan horeca. De horeca-activiteiten die dan plaatsvinden worden additionele horeca genoemd. De exploitant van een additioneel horecabedrijf kan een ‘commerciële’ ondernemer zijn, zoals een BV. Het kenmerkende van additionele horeca zit dus in de omvang (ondergeschikt aan een andere hoofdfunctie), niet in de aard van de ondernemer die de horeca ontplooit.
Hierbij geldt dat er horeca mogelijk is, maar nooit de boventoon mag voeren. Dan is het namelijk zelfstandig, en niet meer ondergeschikt, wat andere effecten op de omgeving heeft. Voorkomen moet worden dat de horeca zelfstandige bezoekersstromen trekt. Als de horeca-activiteiten een zelfstandige bezoekersstroom trekken is er geen sprake meer van additionele maar van zelfstandige horeca. Dit komt tot uitdrukking in de begripsbepaling die in bijlage I van het omgevingsplan is opgenomen. Daarin is bepaald dat onder additionele horeca wordt verstaan 'al dan niet zelfstandig geëxploiteerde horeca, die ondergeschikt en ondersteunend is aan een andere hoofdactiviteit dan horeca, en die geen zelfstandige bezoekersstromen trekt.'
Om het ondergeschikte karakter te waarborgen, worden in het omgevingsplan beperkende regels opgenomen. Voor alle vormen van additionele horeca geldt dat alleen de drie basis-horeca activiteiten zijn toegestaan:
het bereiden van etenswaren en/of dranken binnen in het horecabedrijf;
het verstrekken van etenswaren en/of niet-alcoholhoudende dranken voor gebruik ter plaatse;
consumptie in het horecabedrijf.
Daarbij is het schenken van alcohol ter plaatse toegestaan, mits dit past binnen de kaders van de Alcoholwet. Het horeca-deel mag niet langer open zijn dan een uur voor tot een uur na de sluitingstijd van de hoofdfunctie. En het horeca-deel is niet zelfstandig, zonder een bezoek aan de hoofdfunctie, toegankelijk. Het ondergeschikte karakter komt ook tot uitdrukking in de maximale oppervlakte-eis (20% van de publiek toegankelijke ruimte). Dit ondergeschikte karakter betekent ook dat een terras of gevelbank niet is toegestaan.
Voor additionele horeca binnen winkels (met uitzondering van warenhuizen en grootschalige detailhandelsvestigingen) gelden aanvullende beperkingen. Uit onderzoek blijkt dat de grenzen tussen winkels en horeca-activiteiten vervagen om in te spelen op de wensen van consumenten en ondernemers. Dit zorgt in de praktijk voor onduidelijkheden. Om dit op te lossen worden de regels verduidelijkt ten opzichte van de regels zoals die golden voor zogenoemde mengformules. Daarvan wordt afscheid genomen. Voortaan wordt gesproken van: ‘additionele horeca bij winkels’. Dit om te benadrukken dat de winkel altijd de hoofdactiviteit is, en het niet kan gaan om een volledige vermenging van horeca en winkel. Omdat er nu eenmaal veel winkels in het straatbeeld zijn, gaat er van de horeca op deze locaties meer effect uit op de omgeving. Daarom gelden voor additionele horeca in winkels meer beperkingen dan voor andere hoofdfuncties. Het hoofddoel is dat we willen voorkomen dat de horeca een zelfstandige bezoekersstroom aantrekt.
Aanvullende regels zijn:
het verstrekken van alcohol voor gebruik ter plaatse is niet toegestaan;
naast een maximum percentage van 20% van het winkelvloeroppervlak geldt ook een absoluut maximum van 20 m2 voor het horecadeel in winkels; en
voor additionele horeca bij winkels geldt een meldplicht.
Met de meldplicht komt beter zicht op de ontwikkeling van het aantal winkels met additionele horeca, en waar ze zich bevinden. Dit biedt ook de kans om ondernemers te informeren over de voorwaarden of direct te checken of zij voldoen aan de voorwaarden.
Specifiek winkels met additionele horeca die ook etenswaren verkopen kunnen voor onduidelijkheid zorgen: is het een horecazaak of een winkel? Overeenkomstig het horecabeleid kan gebiedsgericht een tweedeling worden gemaakt voor additionele horeca in winkels:
Non-food winkels: er worden hoofdzakelijk producten verkocht die niet eetbaar of drinkbaar zijn. Bijvoorbeeld kleding, boeken of cosmetica.
Food winkels: er worden hoofdzakelijk eetbare en/of drinkbare producten verkocht. Bijvoorbeeld salades, brood en vis.
Er kunnen gebieden worden aangewezen waar additionele horeca niet is toegestaan binnen de uitoefening van detailhandel met een voedselwarenassortiment. Voor legaal bestaande gevallen wordt daarbij voorzien in overgangsrecht.
Voor alle vormen van additionele horeca geldt dat het bevoegd gezag een maatwerkvoorschrift kan stellen over de uitoefening van additionele horeca om onaanvaardbare overlast voor het woon- en leefklimaat tegen te gaan.
Overgangsrecht
De regels over additionele horeca zijn opgenomen in paragraaf 3.2.13.3 van de regeling. Deze regels gelden na vaststelling en inwerkingtreding direct voor heel Amsterdam. Deze regels gaan ook gelden voor legaal bestaande situaties van additionele horeca. Voor legaal bestaande situaties wordt voorzien in een overgangstermijn van zes maanden. Voor zover er met betrekking tot de additionele horeca een exploitatievergunning op grond van de APV is afgegeven, blijven de daarin opgenomen openingstijden van toepassing tot het moment dat die vergunning is verlopen. Daarna gelden de nieuwe openingstijden.
Toelichting op de regeling
Een toelichting op de regeling zoals die wordt opgenomen in paragraaf 3.2.13.3 van de regels, wordt gegeven in onderdeel 7.5.3 van deze motivering.
Het horecabeleid onderscheid culturele horeca als een specifiek ter reguleren vorm van horeca. Ook dit betreft een aan een andere functie dan horeca ondergeschikte vorm van horeca. Kenmerkend voor culturele horeca is, net als bij additionele horeca, dat als het horecadeel stopt, de hoofdactiviteit blijft bestaan. Een museum blijft een museum, ook wanneer de lunchroom in het museum gesloten is. Onder culturele horeca valt ook de niet-zelfstandige horeca binnen een culturele instelling, waarbij de cultuuruiting of programmering een duidelijke horecacomponent heeft. Voorbeelden zijn Paradiso of Bitterzoet. Dit geldt ook voor culturele instellingen die een pand of ruimte verhuren voor bijeenkomsten of feesten (niet zijnde zaalverhuur voor feesten en partijen). De insteek van de horeca-activiteiten is vaak om de exploitatie van de hoofdactiviteit kostendekkend te krijgen. Bij deze vorm kan de horeca, anders dan bij additionele horeca, een zelfstandige bezoekersstroom trekken. Afhankelijk van het soort instelling en de locatie, kunnen voorwaarden verbonden zijn aan de (frequentie van) horeca-activiteiten in combinatie met de openingstijden (per week, maand of jaar).
Uitgangspunt is een getrapte toestemming voor culturele horeca. Eerst worden met de regels in het omgevingsplan locaties aangewezen waar culturele horeca kan worden toegelaten. Het kan gaan om een specifieke locatie of een groter gebied. Bij het aanwijzen van een locatie moet wel worden aangetoond dat die locatie in beginsel geschikt is voor culturele horeca. Dat kan met een ruimtelijke toets op hoofdlijnen. Voor een concreet initiatief is vervolgens een omgevingsvergunning nodig. Daarbij wordt gekeken naar de specifieke gevolgen van het concrete initiatief en de aanvaardbaarheid daarvan. De vergunningplicht zorgt voor een finale toets van de aanvaardbaarheid van het concrete initiatief. De reden daarvoor is dat juist het concrete initiatief bepalend is voor de mate van overlast.
Culturele horeca moet aan een aantal volgende vereisten voldoen:
het gebouw wordt geëxploiteerd door een instelling met een culturele doelstelling;
culturele horeca draagt bij aan een mix van verschillende activiteiten binnen het gebouw, waarbij de horeca-activiteit ondergeschikt is -en blijft- aan de culturele activiteiten;
culturele horeca leidt niet tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat in de omgeving van de activiteit.
Om deze beoordeling te kunnen maken, is in het omgevingsplan een vergunningplicht voor culturele horeca in het leven geroepen. In het kader van die vergunning kan worden getoetst aan de drie genoemde vereisten. Om de vergunning te verkrijgen, moet uit een bedrijfsplan blijken dat er sprake is van een culturele programmering. Aan de vergunning kunnen de voorschriften worden verbonden ter voorkoming van onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat in de omgeving, en om het specifieke karakter van culturele horeca te borgen. De openingstijden van culturele horeca sluiten aan bij de hoofdfunctie van het gebouw, en worden opgenomen in de omgevingsvergunning voor culturele horeca.
Overgangsrecht
De regels hierover zijn opgenomen in subparagraaf 3.2.13.4. Deze regels gelden na vaststelling en inwerkingtreding direct voor heel Amsterdam. Daarmee worden dan echter nog geen locaties aangewezen voor culturele horeca. Totdat ergens een bestemmingsplan is vervangen, blijven bestemmingsplannen bepalend voor de vraag of culturele horeca is toegestaan.
De vergunningplicht geldt echter wel direct overal. Voor legaal bestaande situaties wordt voorzien in overgangsrecht. Bestaande vergunning worden gelijkgesteld met de nieuwe omgevingsvergunning. En ook vergunningen die nog niet zijn verleend, maar die op grond van een nog geldend bestemmingsplan verleend kunnen worden, worden daarmee gelijkgesteld. Locaties die reeds beschikken over een omgevingsvergunning voor culturele horeca, hoeven dus niet opnieuw een vergunning aan te vragen.
Toelichting op de regeling
Een toelichting op de regeling zoals die wordt opgenomen in paragraaf 3.2.13.4 van de regels, wordt gegeven in onderdeel 7.5.4 van deze motivering.
Tot slot: overige combinaties van horeca met een ander gebruik
Behalve additionele horeca en culturele horeca zijn er op locaties ook nog anders combinaties van horeca met een andere vorm van gebruik mogelijk, waarbij een juridische koppeling wenselijk is. Het gaat dan om al dan niet zelfstandige horeca in combinatie met een andere vorm van gebruik dan horeca, waarbij het mogen uitoefenen van horeca weliswaar is verbonden aan de aanwezigheid van de andere vorm van gebruik, maar sprake kan zijn van bijvoorbeeld een eigen toegankelijkheid. Of waarbij de openingstijden van de horeca zijn verbonden aan die van de andere vorm van gebruik. Dergelijke combinaties hebben veel weg van culturele horeca, alleen is er, anders dan bij culturele horeca, sprake van zelfstandige horeca. Bovendien hoeft de horeca niet altijd plaats te vinden in combinatie met een culturele instelling. Deze combinaties hebben ook veel weg van additionele horeca, alleen mogen ze zelfstandige bezoekersstromen aantrekken, en zijn ze niet per definitie ondergeschikt aan dat andere gebruik. Het gaat om gebruikscombinaties waarbij de te stellen regels die de combinatie moeten borgen per geval sterk kunnen verschillen.
Omdat het in essentie om zelfstandige horecazaken gaat, waarvoor in beginsel dezelfde regels gelden als voor andere horecazaken, is uitgangspunt dat deze gebruikscombinaties voor wat betreft het horecadeel worden gefaciliteerd met de regels, opgenomen in subparagraaf 2.3.20.2. Ze krijgen dus een bepaald gebruiksdoel horeca, net als andere locaties waar horecazaken zijn toegestaan. Ook de algemene regels, zoals opgenomen in subparagraaf 2.3.20.1, zijn van toepassing. In aanvulling daarop kunnen in subparagraaf 2.3.20.3 per geval aanvullende regels worden gesteld die nodig zijn om de onderlinge relatie te borgen.
Op terrassen kunnen Amsterdammers en bezoekers elkaar buiten ontmoeten. Terrassen zorgen voor een levendig straatbeeld en kunnen bijdragen aan de sociale controle. Horecabedrijven vallen op door hun terras en ondernemers maken extra omzet. Terrassen zijn dus belangrijk voor de stad, haar bewoners, ondernemers en bezoekers. Maar deze positieve effecten van terrassen hebben ook een keerzijde. Een terras beïnvloedt de omgeving meer dan een horecabedrijf binnen. Zo nemen terrassen schaarse openbare ruimte in. Op stoepen en pleinen moet ook ruimte zijn voor voetgangers en ander verkeer, winkeluitstallingen, groen, nutsvoorzieningen, openbare bankjes en speeltoestellen. Het geluid en de geur afkomstig van het terras en het komen en gaan van de terrasbezoekers, is voor omwonenden meestal goed merkbaar. Daarom worden er regels gesteld voor terrassen.
Het horecabeleid voorziet in een getrapte toestemming voor horecaterrassen. Eerst worden met de regels in het omgevingsplan locaties aangewezen waar een horecaterras kan worden toegelaten. Het kan gaan om een specifieke locatie of een groter gebied. Bij het aanwijzen van een locatie moet wel worden aangetoond dat die locatie in beginsel geschikt is voor het toelaten van een terras. Dat kan met een ruimtelijke toets op hoofdlijnen. Voor een concreet initiatief is vervolgens een omgevingsvergunning nodig. Daarbij wordt gekeken naar de specifieke gevolgen van het concrete initiatief en de aanvaardbaarheid daarvan.
Daarnaast geldt er een aantal algemene regels die op het exploiteren van een horecaterras van toepassing zijn. Al deze regels zijn opgenomen in paragraaf 3.2.13.5.
Van een regeling per bestemmingsplan naar een geharmoniseerde regeling voor alle horecaterrassen
Er is voor een horecaterras altijd een juridisch-planologische toestemming nodig. Maar die toestemming kan op verschillende manieren worden vormgegeven. Dat hoeft niet perse in de vorm van een vergunningplicht te zijn.
Binnen het ruimtelijk ordenings- en bouwrecht zoals dat tot 1 januari 2024 gold, kon dat via:
algemene regels in het bestemmingsplan, waarmee een terras ergens bij recht werd toegestaan;
een verbod op terrassen in het bestemmingsplan, waarbij tevens een binnenplanse afwijkmogelijkheid werd opgenomen; met een binnenplanse afwijkvergunning kon dan een terras ergens worden toegestaan;
een verbod op terrassen in het bestemmingsplan; met een buitenplanse afwijkvergunning kon dan een terras ergens wordt toegestaan.
Die keuze kon per bestemmingsplan worden gemaakt. Het gevolg is dat er binnen de vele bestemmingsplannen die voor Amsterdam zijn vastgesteld, allerlei verschillende keuzes zijn gemaakt. Anders dan afzonderlijke bestemmingsplannen geldt het omgevingsplan voor heel Amsterdam. Een van de grote opgaven daarbij is regelharmonisatie: gelijke regels en regelsystematiek waar mogelijk, maatwerk waar nodig. Regelharmonisatie is geen doel op zich, maar maakt de regels kenbaarder en het recht voorspelbaarder. Dat is in het belang van zowel horecaondernemers als omwonenden. Voor het omgevingsplan moet een keuze worden gemaakt in de toe te passen systematiek.
Globaal kent de Omgevingswet dezelfde mogelijkheden als onder oud recht:
algemene regels in het omgevingsplan, waarbinnen een terras ergens bij recht, zonder nadere vergunningplicht, wordt toegestaan;
een in het omgevingsplan opgenomen vergunningplicht; met een omgevingsvergunning kan dan een terras ergens worden toegestaan;
een verbod op terrassen in het omgevingsplan; met een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (bopa) kan dan een terras ergens wordt toegestaan. Deze bopa moet (tenzij tijdelijk van aard) wel binnen vijf jaar in het omgevingsplan worden ingepast, wat weer om de onder a bedoelde algemene regels vraagt.
Uitgangspunt is een getrapte toestemming voor horecaterrassen. Eerst worden met de regels in het omgevingsplan locaties aangewezen waar een horecaterras kan worden toegelaten. Het kan gaan om een specifieke locatie of een groter gebied. Bij het aanwijzen van een locatie moet wel worden aangetoond dat die locatie in beginsel geschikt is voor een horecaterras. Dat kan met een ruimtelijke toets op hoofdlijnen. Voor een concreet initiatief is vervolgens een omgevingsvergunning nodig. Daarbij wordt gekeken naar de specifieke gevolgen van het concrete initiatief en de aanvaardbaarheid daarvan. De vergunningplicht zorgt voor een finale toets van de aanvaardbaarheid van het concrete initiatief. De reden daarvoor is dat juist het concrete initiatief bepalend is voor de mate van overlast.
Waarom een vergunningplicht
Bij het toestaan van een bepaalde functie op een bepaalde locatie, moet worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van effecten van de betreffende functie op de omgeving, maar ook naar de effecten vanuit de omgeving op de betreffende functie. Daarbij kunnen, waar nodig, regels worden gesteld ter voorkoming van onaanvaardbare gevolgen. Dat geldt ook voor het toestaan van een horecaterras.
Een van de aspecten die daarbij in elk geval moeten worden betrokken, betreft stemgeluid. Stemgeluid vanwege een horecaterras kan voor omwonenden een bron van overlast zijn. Artikel 5.59, eerste lid, Besluit kwaliteit leefomgeving bepaalt dat in een omgevingsplan wordt rekening gehouden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen. Het tweede lid bepaalt dat een omgevingsplan erin voorziet dat het geluid door een activiteit op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Dit betekent dat de aanvaardbaarheid van ook het stemgeluid op een horecaterras beoordeeld moet worden. En dat, als dat nodig is, voorwaarden moeten worden gesteld om de aanvaardbaarheid te borgen. Er is echter geen wettelijke norm voor stemgeluid, en die mag op grond van artikel 5.73 Bkl ook niet worden opgenomen in het omgevingsplan. De reden is dat een getalsmatige normering van stemgeluid in de praktijk slecht toepasbaar en handhaafbaar is gebleken (Staatsblad 2018 292, p. 724).
Er mag dus geen algemene regel met een geluidsnorm waaraan voldaan moet worden in het omgevingsplan worden opgenomen. Tegelijk moet dus wel de aanvaardbaarheid van ook het stemgeluid op een terras vooraf beoordeeld worden. En als dat nodig is, moeten voorwaarden worden gesteld om de aanvaardbaarheid te borgen. Daarbij kan worden gedacht aan het stellen van tijdvakken waarin bepaalde activiteiten mogen plaatsvinden of door afstanden vast te stellen tussen de activiteit en de geluidgevoelige gebouwen (Staatsblad 2018 292, 714).
Juist het vaststellen van welke openingstijden of afstanden ten opzichte van woningen nodig zijn om de aanvaardbaarheid te beoordelen, is sterk afhankelijk van de specifieke situatie. Dat onderkent ook de wetgever, die aangeeft dat bij de overweging of, en zo ja, welke regels in het omgevingsplan vastgesteld moeten worden, de volgende aspecten logischerwijs een rol spelen: de bestaande toetsingskaders, waaronder lokaal geluidbeleid, het geluid ter plaatse op geluidgevoelige gebouwen, de aard, omvang en de waardering van het geluid dat vrijkomt bij de betreffende activiteit, de historie van de betreffende activiteit en het klachtenpatroon met betrekking geluidhinder, de bestaande en verwachte geluidhinder van de betreffende activiteit en de kosten en baten van technische voorzieningen en gedragsregels (Staatsblad 2018 292, p. 714). Dat de impact op het woon- en leefklimaat van omwonenden mede afhankelijk is van de locatie en omvang van de horecagelegenheid, volgt ook uit reeds bestaande, op oud recht van toepassing zijnde jurisprudentie (o.a. ECLI:NL:RVS:2015:3869, ECLI:NL:RVS:2013:1740 en ECLI:NL:RVS:2019:2652).
Om te bepalen welke regels met betrekking tot stemgeluid nodig zijn, ligt daarom een beoordeling per geval voor de hand. Het stellen van beperkingen via uitsluitend algemene regels doet geen recht aan de specifieke situaties. Een dergelijke beoordeling is alleen goed te maken op het niveau van een concreet initiatief. Het instrument om een beoordeling op basis van het concrete initiatief te maken is een vergunningplicht. Aan een omgevingsvergunning voor een horecaterras kunnen dan die voorschriften worden verbonden die nodig zijn om de ruimtelijke impact van het specifieke aangevraagde terras te beperken.
Om bovenstaande redenen is in het omgevingsplan gekozen voor een vergunningplicht voor horecaterrassen. Die vergunningplicht vormt het sluitstuk van een getrapte toestemming. Met algemene regels wordt eerst bepaald waar een horecaterras kan worden toegestaan.
Overgangsrecht
De regels met betrekking tot horecaterrassen, waaronder de vergunningplicht, gelden na vaststelling en inwerkingtreding direct voor heel Amsterdam. Voor legaal bestaande situaties wordt voorzien in overgangsrecht. Dat overgangsrecht voorziet erin dat voor legaal bestaande terrassen een omgevingsvergunning van rechtswege ontstaat. De beoordeling op aanvaardbaarheid van een legaal bestaand terras is in het verleden al gedaan. Dit hoeft niet opnieuw gedaan te worden. Voor nieuwe terrassen, maar ook bij wijziging van een bestaand legaal terras, geldt wel de vergunningplicht.
Toelichting op de regeling
Een toelichting op de regeling zoals die wordt opgenomen in paragraaf 3.2.13.5 van de regels, wordt gegeven in onderdeel 7.5.5 van deze motivering.
Relatie met de Algemene Plaatselijke Verordening
Horecaterrassen worden ook geregeld op grond van de APV. Dat was zo, en dat blijft zo. Dat betekent dat het exploiteren van een terras alleen is toegestaan, wanneer daarvoor ook een exploitatievergunning is afgegeven. Het kan zijn dat aanvullende beperkingen nodig zijn vanwege openbare orde en veiligheidsaspecten. Als dat het geval is, dan kan de burgemeester dat doen. De APV blijft dat mogelijk maken.
Het horecabeleid bevat een kader voor opname van regels over openingstijden in het omgevingsplan. Het reguleren van openingstijden voor horeca in het omgevingsplan is een wijziging ten opzichte van de wijze waarop openingstijden van horeca voorheen werden gereguleerd. Openingstijden werden niet in bestemmingsplannen, maar in de APV en op grond daarvan te verlenen exploitatievergunningen geregeld. Daarmee werden openingstijden ook niet betrokken bij het bepalen welke horeca op een locatie mogelijk is. Terwijl openingstijden van horeca wel van invloed kunnen zijn op de mate van overlast die door omwonenden kan worden ervaren. Want hoe langer een horecabedrijf open is, hoe langer er reuring is in de omgeving. Daarom is er voor gekozen in het omgevingsplan te sturen op openingstijden voor horeca.
Regels over openingstijden worden gekoppeld aan de zwaartecategorieën die op een locatie zijn toegestaan. Speciaal in horeca-concentratiegebieden is het wenselijk dat niet alle bezoekers van verschillende zaken op hetzelfde moment naar buiten gaan. De nieuwe standaard sluitingstijden van horeca in Amsterdam lopen daarom uiteen van 22:00 uur voor de lichtste horeca, tot 05:00 uur in het weekend voor de zwaarste horeca-categorie. Door de week is laatste sluitingstijd 04:00 uur. Door verschillende eindtijden per zwaartecategorie vertrekken de bezoekers gespreid. Ook ontheffingsmogelijkheden dragen bij aan het gespreid vertrek van bezoekers.
|
Zwaartecategorie horeca |
Maximale standaard openingstijden |
|
Lichte horeca
|
06:00-22:00 |
|
Reguliere horeca / reguliere horeca fastfood
|
Zo/do 07:00-01:00 Vr/za 07:00-02:00 |
|
Middelzware horeca
|
Zo/do 07:00-01:00 Vr/za 07:00-03:00 |
|
Zware horeca (uitgaan)
|
Zo/do 09:00-04:00 Vr/za 09:00-05:00 |
Hoewel openingstijden worden gekoppeld aan zwaartecategorieën, worden de regels over openingstijden niet opgenomen in paragraaf 2.3.20, maar in subparagraaf 3.2.13.6. De reden is dat de openingstijden direct voor alle horeca in heel Amsterdam moeten gaan gelden. Omdat de regels in paragraaf paragraaf 2.3.20 pas ergens gaan gelden wanneer die bij het vervangen van een bestemmingsplan van toepassing worden gemaakt, is opname van de regels in dat onderdeel vooralsnog niet mogelijk.
Overgangsrecht
De regels in subparagraaf 3.2.13.6 gelden ineens voor heel Amsterdam. Voor zover het onder oud recht vastgestelde bestemmingsplan nog niet is vervangen, wordt daarvoor een overgangsbepaling opgenomen. Dat voorkomt ook dat horecabedrijven in een gebied waar het bestemmingsplan is vervangen in een nadeliger positie komen ten opzichte van horecabedrijven waar dat nog niet het geval is. Deze aanpak creëert een level playingfield. Voor bestaande horecabedrijven zal wel een overgangstermijn gaan gelden, zodat de bedrijfsvoering kan worden aangepast. Voor nieuwe bedrijven geldt die niet, omdat voor de bedrijfsvoering vanaf het begin af aan rekening kan worden gehouden met de geldende openingstijden.
Toelichting op de regeling
Een toelichting op de regeling zoals die wordt opgenomen in paragraaf 3.2.13.6 van de regels, wordt gegeven in onderdeel 7.5.6 van deze motivering.
Relatie met de Algemene Plaatselijke Verordening
Voorheen werden openingstijden uitsluitend geregeld op grond van de APV. Op grond van het beleid wordt nu primair gestuurd op openingstijden om overlast op het woon- en leefklimaat aanvaardbaar te houden. Het kan echter zo zijn dat een beperking van openingstijden nodig is vanwege openbare orde en veiligheidsaspecten. De op grond van het omgevingsplan toegelaten openingstijden zullen ook in de exploitatievergunning worden vastgelegd. Als beperking van openingstijden nodig is, vanwege openbare orde en veiligheid óf de bestaande druk op de woon- en leefomgeving, dan kan de burgemeester dat doen. Een hierop gebaseerde bepaling blijft in de APVstaan.
Zoals hiervoor al een aantal keer aangegeven, wordt waar nodig voorzien in overgangsrecht voor bestaande legale situaties. In een aantal gevallen wordt voorzien in een overgangstermijn. Gedurende die termijn hoeft een legaal bestaande horecazaak nog niet de voldoen aan gestelde algemene regels. Dat geldt bijvoorbeeld voor de nieuwe regels over additionele horeca en openingstijden. De daarbij te stellen termijn moet de ondernemer in de gelegenheid stellen de bedrijfsvoering aan te passen. In het horecabeleid is uitgegaan van een overgangstermijn van twee jaar. Voorgesteld wordt dit te verruimen naar drie jaar. Daarmee wordt aangesloten op andere onderdelen dan horeca in het omgevingsplan, waarin eveneens wordt gewerkt met overgangstermijnen. Dat komt de kenbaarheid van de regels ten goede. Bovendien wordt daarmee aangesloten op de geldingsduur van verreweg de meeste exploitatievergunningen. Dat voorkomt dat in een exploitatievergunning bijvoorbeeld ruimere openingstijden staan dan dat in het omgevingsplan is bepaald. Voor exploitatievergunning die eerder aflopen dan dat de betreffende overgangstermijn in het omgevingsplan nog duurt, kan worden geanticipeerd op de nieuwe regels.
Met voorliggende wijziging wordt voorzien in een vertaling van dit horecabeleid in regels in het omgevingsplan. Deze beleidsvertaling heeft ook gevolgen voor de APV. Ook die behoeft aanpassing. Normaliter zou een aanpassing van de APV via een zelfstandige wijzigingsprocedure verlopen. Omdat de wijziging van het Omgevingsplan gemeente Amsterdam en de wijziging van de APV verband houden met elkaar, én omdat tegen de wijziging van een omgevingsplan beroep open staat, wordt in één besluit in de wijziging van beide regelingen voorzien.
Daarbij wordt een duidelijkere scheiding aangebracht in regels die met oog op de fysieke leefomgeving zijn gesteld en regels met de openbare orde en veiligheid als oogmerk. De regels over de fysieke leefomgeving staan nu zoveel mogelijk in het Omgevingsplan. De meest in het oog springende wijzigingen zijn de regels over openingstijden. Openingstijden worden met name gereguleerd gelet op de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Wel blijft het aan de burgemeester om de openingstijden eventueel te beperken met oog op de openbare orde. Voor de exploitatie van terrassen geldt iets soortgelijks. De terrasmogelijkheden worden in principe beheerst door wat ruimtelijk mogelijk is, maar er kunnen redenen van openbare orde zijn om een vergunningaanvraag voor een terras toch (al dan niet gedeeltelijk) te weigeren.
In onderdeel 8.1 van deze motivering wordt hier nader op ingegaan.
In paragraaf 2.3.21 van het omgevingsplan zijn regels op genomen ter regulering van zogenoemde darkstores. De vestiging van een flitsbezorgdienst vanuit een darkstore kan een grote impact hebben op het woon- en leefklimaat in de directe omgeving van de darkstore. De gemeente voert daarom een terughoudend vestigingsbeleid, zoals opgenomen in de ‘Beleidsregel darkstores 2023’ (vastgesteld op 21 maart 2023 door B&W, gepubliceerd in het Gemeenteblad van 31 maart 2023, nr. 141759). Dit beleid blijft ook onder de Omgevingswet van toepassing.
Het beleid werd in het paraplubestemmingsplan Darkstores (vastgesteld op 10 mei 2023 door de gemeenteraad, gepubliceerd onder identificatienummer NL.IMRO.0363.GA2201PBPGST-VG01) juridisch verankerd. De regeling in het paraplubestemmingsplan is beleidsneutraal overgenomen in dit onderdeel van het omgevingsplan. Wel is ervoor gekozen darkstores als een apart gebruiksdoel te zien, om ze daarmee een eigen plek te geven. Hiermee wordt duidelijk dat darkstores slechts worden toegestaan daar waar het gebruiksdoel ‘darkstore’ is toegekend (met de aanduiding 'gebruiksdoel: darkstore'). Uit de ‘Vangnetbepaling strijdig gebruik’, zoals opgenomen in artikel 2.3 volgt dat een darkstore niet is toegestaan op locaties waaraan die aanduiding niet is gegeven.
Deze paragraaf wordt wel onderdeel van de regeling, maar geldt na vaststelling nog nergens. Pas wanneer ergens een onder oud recht vastgesteld bestemmingsplan wordt vervangen door nieuwe regels, wordt bepaald of binnen het gebied een locatie ten behoeve van een darkstore moet worden aangewezen, en zo ja, welke regels daarop van toepassing moeten zijn.
In paragraaf 2.3.22 zijn regels opgenomen waarmee een invulling gegeven aan het gemeentelijk evenementenbeleid. Deze paragraaf draagt mede bij aan het reguleren van het houden van evenementen binnen Amsterdam.
De regulering van de gevolgen van evenementen op de fysieke leefomgeving in het omgevingsplan vindt plaats door middel van de aanwijzing van evenementenlocaties, zoals die ook zijn benoemd in het evenementenbeleid. Het gaat om locaties die bedoeld zijn voor het met enige regelmaat houden of doen houden van evenementen. Die locaties worden in subparagraaf 2.3.22.2 aangewezen, waarbij per evenementenlocatie die beperkingen worden gesteld die nodig worden geacht met het oog op de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Deze beperkingen zijn per locatie opgenomen in afzonderlijke artikelen. Het kan voorkomen dat een evenement niet of niet meer passend is binnen de voor een locatie gestelde beperkingen, maar waarbij het evenement toch aanvaardbaar is. In die gevallen dient (vanwege strijd met het omgevingsplan) naast een evenementenvergunning wel óók een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit te worden aangevraagd.
Deze paragraaf wordt wel onderdeel van de regeling, maar geldt na vaststelling nog nergens. Pas wanneer ergens een onder oud recht vastgesteld bestemmingsplan wordt vervangen door nieuwe regels, wordt bepaald of binnen het gebied een evenementenlocatie moet worden aangewezen, en zo ja, welke regels daarop van toepassing moeten zijn.
Met dit wijzigingsbesluit wordt tevens voorzien in een aantal aanpassingen van ondergeschikte aard. Het gaat om herstel of verbetering van bestaande regels. In onderdeel 7 van deze motivering wordt nader ingegaan op de betreffende aanpassingen.
Met dit wijzigingsbesluit wordt tevens voorzien in een aantal aanpassingen van de algemeen toelichting van het omgevingsplan. De aanvullingen houden verband met de regels die zijn toegevoegd, maar er zijn ook samenvattende teksten van geldend beleid aan hoofdstuk 10 toegevoegd. Verder zijn her en der tekstuele gebreken hersteld.
Uit de motivering moet blijken op welke wijze uitvoering wordt gegeven aan de van toepassing zijnde instructieregels van rijk en provincie. Een instructieregel is een algemene regel waarmee in dit geval het Rijk of de provincie aan de gemeente aangeeft hoe een taak of bevoegdheid moet worden uitgeoefend. Instructieregels gaan over de inhoud, toelichting of motivering van het omgevingsplan.
In hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn onderwerpgewijs instructieregels voor omgevingsplannen opgenomen. In hoofdstuk 6 van de provinciale Omgevingsverordening NH 2022 zijn provinciale instructieregels opgenomen. In hoofdstuk 9 van de algemene toelichting bij het Omgevingsplan gemeente Amsterdam wordt ingegaan op instructieregels. Voor een inhoudelijke beschrijving ervan, wordt kortheidshalve daarnaar verwezen.
Voorliggend wijzigingsbesluit maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk, en bepaalt ook niet welk gebruik waar is toegestaan. Dit betekent dat een nadere beoordeling achterwege kan blijven.
Met betrekking tot de instructieregels betreffende geur en geluid kan nog wel worden opgemerkt dat in hoofdstuk 9 van de hoofdregeling algemene regels zijn gesteld over milieubelastende activiteiten die tot geur- of geluidsoverlast kunnen leiden. Bij latere wijzigingen van het omgevingsplan waarmee horeca op een concrete wordt toegelaten wordt beoordeeld of deze regels afdoende zijn om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te borgen. Daarbij is, binnen de mogelijkheden die de instructieregels bieden, er voor gekozen om voor horecaterrassen een vergunningplicht in het leven te roepen. Dat geeft de mogelijkheid om per concreet initiatief te beoordelen of de geluidseffecten van het stemgeluid op de omgveing aanvaardbaar zijn.
Het college van burgemeester en wethouders moet bij de voorbereiding van een wijziging van het omgevingsplan een milieueffectrapport (MER) maken als dat plan het kader vormt voor nader aangewezen projecten. Als het wijzigingsbesluit gebruik bepaalt van kleine gebieden op lokaal niveau of als dat slechts kleine wijzigingen van het omgevingsplan bevat, dan maakt het college een MER als beoordeeld is dat het wijzigingsbesluit aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben.
De projecten die bovengenoemde verplichtingen ten aanzien van milieueffectrapportage met zich meebrengen, zijn in bijlage V bij het Omgevingsbesluit aangewezen. Ook bij andere dan de aangewezen projecten dient het college te beoordelen of het wijzigingsbesluit aanzienlijke milieueffecten kan hebben.
Voorliggend wijzigingsbesluit maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk, en bepaalt ook niet welk gebruik waar is toegestaan. Het wijzigingsplan heeft hiermee geen betrekking op projecten die zijn aangewezen in bijlage V bij het Omgevingsbesluit en ook niet op overige projecten. Daarom zijn de verplichtingen rondom milieueffectrapportage ook niet van toepassing.
Wijzigbijlage A geeft met een was/wordt-weergave de wijzigingen aan die in de geldende hoofdregeling van het Omgevingsplan gemeente Amsterdam worden aangebracht. Deze wijzigingen wordt artikelgewijs aangegeven, aangeduid als artikel A tot en met artikel BBB.
In dit deel van de motivering zullen per artikel van de Wijzigbijlage A de aangegeven wijzigingen voor zover nodig inhoudelijk worden toegelicht.
De wijzigingen, opgenomen in onderdeel A tot en met I, zijn van niet-inhoudelijke of ondergeschikte aard.
Onderdeel A:
Artikel 4.90 wordt verplaatst naar Hoofdstuk 1. Daarmee wordt het een algemene vangnetbepaling voor aanvullende gegevens en bescheiden bij aanvragen.
Onderdeel B:
In artikel 2.3, vijfde lid, onderdeel b, wordt een zinsnede toegevoegd, waarmee duidelijk wordt gemaakt dat bepaalde buisleidingen niet overal tot het passend gebruik behoren.
Onderdeel C tot en met I:
Deze wijzigingen zijn niet inhoudelijk van aard.
Met dit onderdeel worden regels over een aantal nieuwe gebruiksdoelen aan de hoofdregeling toegevoegd. Het gaat om de gebruiksdoelen Horecazaak, Darkstore en Evenementenlocatie. De regels over deze gebruiksdoelen worden met dit wijzigingsbesluit wel onderdeel van de regeling, maar ze gelden na vaststelling nog nergens. Pas wanneer ergens een onder oud recht vastgesteld bestemmingsplan wordt vervangen door nieuwe regels, wordt bepaald of binnen het gebied een locatie voor een van de betreffende gebruiksdoelen moet worden aangewezen.
In paragraaf 2.3.20 is een nieuwe indeling in zwaartecategorieën voor horeca opgenomen. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan het horecabeleid. De nieuwe indeling is gebaseerd op de daadwerkelijk uitgevoerde horeca-activiteiten die invloed hebben op de omgeving. Met deze nieuwe indeling is er één ruimtelijke indeling in categorieën voor de hele stad.
Paragraaf 2.3.20 is onderverdeeld in een drietal subparagrafen. Subparagraaf 2.3.20.1 betreft een algemeen deel. Daarin wordt allereerst bepaald waar de paragraaf over gaat. Dat is over het exploiteren van een horecazaak. Daaronder wordt verstaan een bedrijf, in hoofdzaak gericht op het uitoefenen van horeca. Dat is geregeld in artikel 2.244, eerste lid. Het derde lid van dat artikel bepaalt dat deze paragraaf niet van toepassing op een horecazaak die als additionele horeca is toegestaan op grond van subparagraaf 3.2.13.3. Voor additionele horeca gelden andere regels. Die zijn opgenomen in subparagraaf 3.2.13.3. In artikel 2.244 wordt verder bepaald waar deze paragraaf geldt (derde lid). Dat is ter plaatse van de aanduidingen 'gebruiksdoel: lichte horeca', 'gebruiksdoel: reguliere horeca', 'gebruiksdoel: middelzware horeca' en 'gebruiksdoel: zware horeca'. Verder bevat deze subparagraaf enkele algemene regels over omvang en positionering die van toepassing kunnen zijn op een horecazaak (artikel 2.245).
Subparagraaf 2.3.20.2 bevat de regels waarmee een zwaartecategorie aan een locatie kan worden toegekend, en welke regels daarop van toepassing zijn. Hieronder wordt hier nader op ingegaan.
Subparagraaf 2.3.20.3 is van toepassing op het exploiteren van een horecazaak op locaties waar het exploiteren van een horecazaak uitsluitend is toegestaan indien en zolang op die locatie ook een andere vorm van gebruik plaatsvindt.
Vertaling zwaartecategorieën in gebruiksdoelen
Het horecabeleid gaat uit van vier zwaartecategorieën voor horeca. Voor locaties waar horeca wordt toegestaan, wordt ook bepaald welke zwaartecategorie daar mag komen. Dat gebeurt door aan locaties een bepaald gebruiksdoel toe te kennen. Dat gebeurt in subparagraaf 2.3.20.2. Deze subparagraaf regelt de volgende horecagebruiksdoelen:
gebruiksdoel: lichte horeca
gebruiksdoel: reguliere horeca
gebruiksdoel: middelzware horeca
gebruiksdoel: zware horeca
Per gebruiksdoel wordt geregeld waar die geldt, en dat daar de desbetreffende vorm van horeca als activiteit is toegestaan. Per subparagraaf zijn aanvullende regels opgenomen waarmee horeca nader wordt gereguleerd.
Gebruiksdoel: lichte horeca
In subsubparagraaf 2.3.20.2.1 wordt bepaald waar lichte horeca is toegestaan (artikel 2.247), en welke regels daarop van toepassing zijn. Lichte horeca is gedefinieerd als een horecazaak, niet zijnde fastfoodhoreca, gericht op het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse bereide etenswaren en/of niet-alcoholische dranken voor directe consumptie in de horecazaak. Voorbeelden van lichte horeca zijn een koffiezaak, lunchroom, of ijssalon (alcoholvrij).
Op locaties voor lichte horeca is het -naast de drie basisactiviteiten- ook toegestaan om niet-alcoholhoudende dranken mee te geven voor consumptie in de directe omgeving van het horecabedrijf. Denk hierbij aan koffie of thee to-go. Het is niet toegestaan om etenswaren waarbij voorbereidingshandelingen nodig zijn mee te geven om direct te consumeren in de directe omgeving van het horecabedrijf. Het gaat dan om het verwarmen, gaar maken, beleggen en ontdooien van eten. Dit trekt een aparte bezoekersstroom aan, met meer impact op de omgeving en bijvoorbeeld zwerfafval. Wel is het toegestaan om kleine etenswaren mee te geven voor consumptie in de directe omgeving van de zaak het horecabedrijf, zoals een koek of croissant. Ook het meegeven van een bereide maaltijd die de consument thuis kan verwarmen en opeten is toegestaan.
Artikel 2.248 bepaalt conform het horecabeleid van een aantal activiteiten dat die in elk geval zijn toegestaan. Artikel 2.249 bevat een regel specifiek voor verkoop vanuit een kiosk. In artikel 2.250 wordt van een aantal activiteiten aangegeven dat die in elk geval niet zijn toegestaan.
Gebruiksdoel: reguliere horeca
In subsubparagraaf 2.3.20.2.2 wordt bepaald waar reguliere horeca is toegestaan (artikel 2.252), en welke regels daarop van toepassing zijn. Reguliere horeca wordt gedefinieerd als een horecazaak gericht op het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse bereide etenswaren en/of al dan niet alcoholische dranken voor directe consumptie in de horecazaak. Voorbeelden van reguliere horeca zijn een brasserie, bistro of restaurant. Op een locatie met gebruiksdoel: reguliere horeca is ook lichte horeca toegestaan (artikel 2.252).
Aanvullend aan wat mag bij lichte horeca is op locaties voor reguliere horeca ook het schenken van alcoholhoudende dranken toegestaan. Net als bij lichte horeca, is het verstrekken van eten voor consumptie in de directe omgeving van het horecabedrijf niet toegestaan, omdat dit een aparte bezoekersstroom aan trekt. Voor zover er geen voorbereidingshandelingen nodig zijn, mogen kleine etenswaren meegegeven worden om te consumeren in de directe omgeving van het horecabedrijf. Het meegeven van een bereide maaltijd, die de consument thuis verwarmt en opeet, mag wel.
Artikel 2.253 bepaalt conform het horecabeleid van een aantal activiteiten dat die in elk geval zijn toegestaan. In artikel 2.254 wordt van een aantal activiteiten aangegeven dat die in elk geval niet zijn toegestaan.
Artikel 2.255 bevat regels met betrekking tot het exploiteren van fastfoodhoreca. Daaronder wordt verstaan een horecazaak gericht op het bedrijfsmatig verstrekken van vooral op gemaksvoeding gerichte, eenvoudige en snel bereide etenswaren, voor directe consumptie in de horecazaak of in de directe omgeving daarvan, met eventueel als nevenactiviteiten het voor consumptie in de horecazaak verstrekken van dranken. Onder fastfoodbedrijven worden in elk geval begrepen automatieken, snackbars, cafetaria’s, shoarma-/falafelzaken en fastfoodrestaurants. Fastfoodhoreca past hiermee binnen de omschrijving van reguliere horeca. Maar fastfoodhoreca is niet overal binnen locaties voor reguliere horeca gewenst. Daarom wordt fastfoodhoreca nader gereguleerd.
Gebruiksdoel: middelzware horeca
In subsubparagraaf 2.3.20.2.3 wordt bepaald waar middelzware horeca is toegestaan (artikel 2.257), en welke regels daarop van toepassing zijn. Middelzware horeca wordt gedefinieerd als een horecazaak, niet zijnde fastfoodhoreca, gericht op het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse bereide etenswaren en/of al dan niet alcoholische dranken voor directe consumptie in de horecazaak, waarbij muziek ten gehore wordt gebracht met een geluidsniveau hoger dan 75 dB(A). Voorbeelden van middelzware horeca zijn een bar, café, cocktailbar. Op een locatie met gebruiksdoel: middelzware horeca is ook lichte en reguliere horeca toegestaan (artikel 2.257).
Aanvullend aan wat is toegestaan bij reguliere horeca is het op locaties voor middelzware horeca toegestaan om meer dan achtergrondmuziek ten gehore te brengen, mits voldaan wordt aan de vereisten over muziekgeluid zoals opgenomen in hoofdstuk 9 van het omgevingsplan. Ondanks dat er voor muziekgeluid al regels gelden, blijkt uit ervaring dat muziekgeluid harder dan achtergrondniveau kan zorgen voor overlast in de omgeving.
Alleen op locaties voor middelzware horeca is de activiteit aanbieden van waterpijpen toegestaan. Het gaat om een waterpijp waarmee je waterpijptabak of kruidenmengsels rookt. Het verwarmen van het te roken mengsel kan op verschillende manieren, maar gebeurt vaak door middel van gloeiende kooltjes. Dit wordt ook wel shisha roken genoemd. Het bezoeken van een horecabedrijf voor het roken van shisha gebeurt de hele dag door en kan
als zelfstandige activiteit optreden, maar kan ook ondergeschikt zijn aan een andere hoofdactiviteit (als ‘toetje’ na een maaltijd). In beide gevallen trekt de mogelijkheid tot waterpijp roken een zelfstandige bezoekersstroom aan. Het gebruik van shisha geeft geuroverlast en – bij verhitting door middel van kooltjes – een aanzienlijk risico op een te hoog CO2-gehalte en brandgevaar.
Artikel 2.258 bepaalt conform het horecabeleid van een aantal activiteiten dat die in elk geval zijn toegestaan. In artikel 2.259 wordt van een aantal activiteiten aangegeven dat die in elk geval niet zijn toegestaan.
Artikel 2.260 bevat regels met betrekking tot het verstrekken van waterpijpen. Dat is niet overal binnen locaties voor middelzware horeca gewenst. Daarom wordt dit nader gereguleerd.
Gebruiksdoel: zware horeca
In subsubparagraaf 2.3.20.2.4 wordt bepaald waar middelzware horeca is toegestaan (artikel 2.262), en welke regels daarop van toepassing zijn. Zware horeca wordt gedefinieerd als een horecazaak, niet zijnde fastfoodhoreca, bestaande uit het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse bereide etenswaren en/of al dan niet alcoholische dranken voor directe consumptie in de horecazaak, waarbij muziek ten gehore wordt gebracht met een geluidsniveau hoger dan 75 dB(A), en waarbij (een deel van) de ruimte wordt ingericht als dansvloer. Voorbeelden van zware horeca zijn een discotheek, nachtclub, en zalenverhuur. Op een locatie met gebruiksdoel: zware horeca is ook lichte, reguliere en middelzware horeca toegestaan (artikel 2.262).
Alleen op locaties voor zware horeca (uitgaan) is het toegestaan om (een deel van) de ruimte in te richten als dansvloer. Er is sprake van het creëren van ruimte in een horecagelegenheid waar mensen zich vrij kunnen bewegen op muziek, waarbij de muziek ook bedoeld is om daartoe uit te nodigen, en waarbij het vrijmaken van de vloeroppervlakte om vrij te kunnen bewegen op muziek onderdeel uitmaakt van de reguliere bedrijfsvoering. Dit uit zich bijvoorbeeld in de vorm van de inrichting (bijvoorbeeld (deels) geen tafels en stoelen, podium, dj etc.), reclame/adverteren, kaartverkoop of entréeheffing en/of programmering, maar is hier niet toe beperkt. Het hebben van een dansvloer kan zorgen voor nieuwe bezoekersstromen, drukte tijdens piekmomenten en rijvorming, en kan daarmee impact op de fysieke leefomgeving hebben. Denk ook aan verkeershinder en geluidsoverlast. Deze activiteit is daarom alleen toegestaan in de categorie ‘zware horeca’.
Ook het verhuren voor feesten of partijen is alleen toegestaan op locaties voor zware horeca (uitgaan). Het gaat hierbij om “het op structurele basis bedrijfsmatig beschikbaar stellen van ruimte binnen een horecazaak ten behoeve van feesten voor grotere groepen, al dan niet besloten of tegen entreegeld”. Bij deze gelegenheden zijn (grote) groepen mensen aanwezig op hetzelfde moment. Meestal is er sprake van piekmomenten en komen -en gaan- de bezoekers op hetzelfde tijdstip. Dit zorgt voor een grotere verkeersaantrekkende werking en mogelijk ook voor meer (geluids)overlast. Bij een aantal vormen van zaalverhuur wordt deze verhuurd aan steeds andere partijen, die geen duurzame relatie met omwonenden hoeven te onderhouden. Dit maakt het lastig om de horecaondernemer en/of bezoekers van een specifieke partij, aan te spreken op hun gedrag. Daarom wordt deze activiteit apart beoordeeld om na te gaan of deze past op een locatie.
Artikel 2.263 bepaalt conform het horecabeleid van een aantal activiteiten dat die in elk geval zijn toegestaan. In artikel 2.264 wordt van een aantal activiteiten aangegeven dat die in elk geval niet zijn toegestaan.
Regels over het gebruiksdoel Darkstore worden opgenomen in paragraaf 2.3.21. In onderdeel 5.2 van deze motivering wordt dit regelonderdeel nader toegelicht. Kortheidshalve wordt daarnaar verwezen.
Regels over het gebruiksdoel Evenementenlocatie worden opgenomen in paragraaf 2.3.22. In onderdeel 5.3 van deze motivering wordt dit regelonderdeel nader toegelicht. Kortheidshalve wordt daarnaar verwezen.
Met onderdeel M worden over een aantal onderwerpen regels aan de hoofdregeling toegevoegd, die direct overal in Amsterdam gaan gelden. Het gaat om regels over:
zaalverhuur voor feesten en partijen
additionele horeca
culturele horeca
horecaterrassen
openingstijden van horecazaken
De betreffende regelonderdelen worden hierna besproken.
Zaalverhuur voor feesten en partijen is een horeca-activiteit die medebepalend is voor de uitstraling van horeca en daarmee voor de onderverdeling in zwaartecategorieën. Overeenkomstig het beleid is zaalverhuur voor feesten en partijen alleen toegestaan binnen een locatie, bedoeld voor zware horeca. Om dit ineens voor heel Amsterdam goed te regelen, is in subparagraaf 3.2.13.2 een apart regeldonderdeel dat betrekking heeft op zaalverhuur voor feesten en partijen.
Artikel 3.54 bepaalt voor heel Amsterdam dat het gebruik van een bouwwerk voor zaalverhuur voor feesten en partijen uitsluitend is toegestaan binnen een horecazaak ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: zware horeca'. Voor gebieden waar het bestemmingsplan nog niet is vervangen, of waar dat met een zogenoemd TAM-omgevingsplan is gebeurd, wordt in het tweede en derde lid ovcergangsrecht opgenomen.
Met zaalverhuur voor feesten en partijen wordt gedoeld op het op structurele basis bedrijfsmatig beschikbaar stellen van ruimte binnen een horecazaak ten behoeve van feesten voor grotere groepen, al dan niet besloten of tegen entreegeld. Bij deze gelegenheden zijn (grote) groepen mensen aanwezig op hetzelfde moment. Meestal is er sprake van piekmomenten en komen -en gaan- de gemeente bezoekers op hetzelfde tijdstip. Dit zorgt voor een grotere verkeersaantrekkende werking en mogelijk ook voor meer (geluids)overlast. Bij een aantal vormen van zaalverhuur wordt deze verhuurd aan steeds andere partijen, die geen duurzame relatie met omwonenden hoeven te onderhouden. Dit maakt het lastig om de horecaondernemer en/of bezoekers van een specifieke partij, aan te spreken op hun gedrag. Daarom wordt deze activiteit apart beoordeeld om na te gaan of deze past op een locatie.
Zaalverhuur voor feesten en partijen moet niet te ruim worden opgevat. Het reserveren en gebruik van beschikbare tafels in bijvoorbeeld een restaurant voor een afscheidsborrel, verjaardag of huwelijksfeest valt binnen de normale exploitatie van een restaurant, en valt niet onder het begrip zaalverhuur. Zaalverhuur ziet op het aan derden in gebruik geven van een zaal onder betaling van huurpenningen voor activiteiten die los staan van de normale exploitatie van de horecagelegenheid. Dit kan ook gebeuren in combinatie met het verstrekken van eten en drinken. Het reserveren van alle tafels in een restaurant voor één groep valt hier niet onder. Dat in die situatie feitelijk maar één gezelschap van het restaurant gebruik maakt, maakt niet dat het gebruik van het restaurant in relevant opzicht verschil van de situatie dat de tafels door verschillende groepen worden gebruikt. Het reserveren en gebruiken van alle tafels in een restaurant door één gezelschap is dan ook geen zaalverhuur voor feesten en partijen zie ook ECLI:NL:RVS:2018:2221, 4 juli 2018).
Het horecabeleid voorziet erin dat binnen een andere hoofdactiviteit dan een horecazaak horeca-activiteiten kunnen worden toegestaan. De horeca is dan ondergeschikt en ondersteunend aan de hoofdfunctie van de locatie en trekt geen zelfstandige bezoekersstromen. Als het horecadeel stopt, blijft de andere hoofdactiviteit bestaan. Als de hoofdfunctie stopt, dan stopt ook de horeca. Deze vorm van horeca wordt additionele horeca genoemd. De regels over additionele horeca zijn opgenomen in subparagraaf 3.2.13.3.
De term ‘additioneel’ zegt direct iets over het ondergeschikte karakter van de horeca-activiteiten. Additionele horeca vindt plaats ter ondersteuning van de hoofdfunctie en mag geen zelfstandige bezoekersstroom trekken. Dit komt tot uitdrukking in de begripsbepaling die in bijlage I van het omgevingsplan is opgenomen. Daarin is bepaald dat onder additionele horeca wordt verstaan 'al dan niet zelfstandig geëxploiteerde horeca, die ondergeschikt en ondersteunend is aan een andere hoofdactiviteit dan horeca, en die geen zelfstandige bezoekersstromen trekt.'
Er wordt een onderscheid gemaakt tussen additionele horeca bij een andere hoofdactiviteit dan detailhandel of binnen een warenhuis of grootschalige detailhandelsvestiging (artikel 3.56) en additionele horeca bij detailhandel, niet zijnde een warenhuis of grootschalige detailhandelsvestiging (artikelen 3.57 tot en met 3.59).
Voor alle vormen van additionele horeca geldt dat alleen de drie basis-horeca activiteiten zijn toegestaan:
het bereiden van etenswaren en/of dranken binnen in het horecabedrijf;
het verstrekken van etenswaren en/of niet-alcoholhoudende dranken voor gebruik ter plaatse;
consumptie in het horecabedrijf.
Het schenken van alcohol ter plaatse is in beginsel toegestaan, mits dit past binnen de kaders van de Alcoholwet. Het horeca-deel mag niet langer open zijn dan een uur voor tot een uur na de sluitingstijd van de hoofdfunctie. Het horeca-deel is niet zelfstandig toegankelijk, zonder een bezoek aan de hoofdfunctie. Als het horeca-deel niet geheel met de hoofdfunctie is verweven, geldt er een maximale oppervlakte-eis (20% van de publiek toegankelijke ruimte). Gelet op het ondergeschikte karakter is een terras of gevelbank niet toegestaan. Deze beperkingen zijn opgenomen in artikel 3.56.
Voor additionele horeca binnen winkels (met uitzondering van warenhuizen en grootschalige detailhandelsvestigingen) gelden aanvullende beperkingen. Uit onderzoek blijkt dat de grenzen tussen winkels en horeca-activiteiten vervagen om in te spelen op de wensen van consumenten en ondernemers. Dit zorgt in de praktijk voor onduidelijkheden. Om dit op te lossen worden de regels verduidelijkt ten opzichte van de regels zoals die golden voor zogenoemde mengformules. Daarvan wordt afscheid genomen. Voortaan wordt gesproken van: ‘additionele horeca bij winkels’. Dit om te benadrukken dat de winkel altijd de hoofdactiviteit is, en het niet kan gaan om een volledige vermenging van horeca en winkel. Omdat er nu eenmaal veel winkels in het straatbeeld zijn, gaat er van de horeca op deze locaties meer effect uit op de omgeving. Daarom gelden voor additionele horeca in winkels meer beperkingen dan voor andere hoofdfuncties. Het hoofddoel is dat we willen voorkomen dat de horeca een zelfstandige bezoekersstroom aantrekt.
Aanvullende regels zijn:
dat het verstrekken van alcohol voor gebruik ter plaatse niet is toegestaan, en
dat er naast een maximum percentage van 20% van het winkelvloeroppervlak ook een absoluut maximum geldt van 20 m2 voor het horecadeel in winkels.
Deze aanvullende regels zijn opgenomen in artikel 3.57. Verder komt er voor additionele horeca bij winkels een meldplicht in het omgevingsplan. Deze is opgenomen in artikel 3.59. Hierdoor komt beter zicht op de ontwikkeling van het aantal winkels met additionele horeca, en waar ze zich bevinden. Dit biedt ook de kans om ondernemers te informeren over de voorwaarden of direct te checken of zij voldoen aan de voorwaarden.
Specifiek winkels met additionele horeca die ook etenswaren verkopen kunnen voor onduidelijkheid zorgen: is het een horecazaak of een winkel? Overeenkomstig het horecabeleid kan gebiedsgericht een tweedeling worden gemaakt voor additionele horeca in winkels:
Non-food winkels: Er worden hoofdzakelijk producten verkocht die niet eetbaar of drinkbaar zijn. Bijvoorbeeld kleding, boeken of cosmetica.
Food winkels: Er worden hoofdzakelijk eetbare en/of drinkbare producten verkocht. Bijvoorbeeld salades, brood en vis.
Artikel 3.58 voorziet hierin. Op grond van dat artikel kunnen gebieden worden aangewezen waar additionele horeca niet is toegestaan binnen de uitoefening van detailhandel met een voedselwarenassortiment. Voor legaal bestaande gevfallen wordt daarbij voorzien in overgangsrecht.
Voor alle vormen van additionele horeca geldt dat het bevoegd gezag een maatwerkvoorschrift kan stellen over de uitoefening van additionele horeca om onaanvaardbare overlast voor het woon- en leefklimaat tegen te gaan (artikel 3.60).
In artikel 3.61 zijn tot slot overgangsrechtelijke bepalingen opgenomen.
Subparagraaf 3.2.13.4 bevat regels over het uitoefenen van een omgevingsplanactiviteit culturele horeca. Ook dit betreft een aan een andere functie dan horeca ondergeschikte vorm van horeca. Kenmerkend voor culturele horeca is, net als bij additionele horeca, dat als het horecadeel stopt, de hoofdactiviteit blijft bestaan. Een museum blijft een museum, ook wanneer de lunchroom in het museum gesloten is. Onder culturele horeca valt ook de niet-zelfstandige horeca binnen een culturele instelling, waarbij de cultuuruiting of programmering een duidelijke horecacomponent heeft. Voorbeelden zijn Paradiso of Bitterzoet. Dit geldt ook voor culturele instellingen die een pand of ruimte verhuren voor bijeenkomsten of feesten (niet zijnde zaalverhuur voor feesten en partijen). De insteek van de horeca-activiteiten is vaak om de exploitatie van de hoofdactiviteit kostendekkend te krijgen. Bij deze vorm kan de horeca, anders dan bij additionele horeca, een zelfstandige bezoekersstroom trekken. Afhankelijk van het soort instelling en de locatie, kunnen voorwaarden verbonden zijn aan de (frequentie van) horeca-activiteiten in combinatie met de openingstijden (per week, maand of jaar).
In dit omgevingsplan wordt onder culturele horeca op grond van bijlage I verstaan een niet-zelfstandige horeca-activiteit die plaatsvindt binnen een culturele instelling en daarvan onderdeel is, niet zijnde additionele horeca die is toegestaan op grond van subparagraaf 3.2.13.3. Met dat laatste wordt duidelijk gemaakt dat dit onderdeel niet van toepassing is op niet-zelfstandige horeca-activiteiten binnen een culturele instelling die reeds zijn toegestaan op grond van subparagraaf 3.2.13.3.
Op grond van het horecabeleid moet culturele horeca aan een aantal volgende vereisten voldoen:
het gebouw wordt geëxploiteerd door een instelling met een culturele doelstelling;
culturele horeca draagt bij aan een mix van verschillende activiteiten binnen het gebouw, waarbij de horeca-activiteit ondergeschikt is -en blijft- aan de culturele activiteiten;
culturele horeca leidt niet tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat in de omgeving van de activiteit.
Om deze beoordeling te kunnen maken, is in het omgevingsplan een vergunningplicht voor culturele horeca in het leven geroepen (artikel 3.66). In het kader van die vergunning kan worden getoetst aan de drie genoemde vereisten (artikel 3.67). Om de vergunning te verkrijgen, moet uit een bedrijfsplan blijken dat er sprake is van een culturele programmering. Aan de vergunning kunnen de voorschriften worden verbonden ter voorkoming van onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat in de omgeving, en om het specifieke karakter van culturele horeca te borgen (artikel 3.68). De openingstijden van culturele horeca sluiten aan bij de hoofdfunctie van het gebouw, en worden opgenomen in de omgevingsvergunning voor culturele horeca.
Locaties die reeds beschikken over een omgevingsvergunning voor culturele horeca, hoeven deze niet opnieuw aan te vragen. Hierin wordt voorzien met een omgevingsvergunning van rechtswege (artikel 3.70).
Subparagraaf 3.2.13.5 reguleert horecaterrassen en het exploiteren van een horecaterras. In subsubparagraaf 3.2.13.5.2 is een bepaling opgenomen over waar horecaterrassen zijn toegestaan (artikel 3.72). In die bepaling worden locaties aangewezen. Bij het op een locatie toelaten van een terras is sprake van een ruimtelijke toets op hoofdlijnen: is de locatie in beginsel geschikt voor het toelaten van een horecaterras? Staat bijvoorbeeld op voorhand vast dat een horecaterras op een bepaalde locatie leidt tot onaanvaardbare gevolgen voor het woon - en leefklimaat, dan dient op die locatie geen horecaterras te worden toegelaten. Zijn op een locatie onaanvaardbare gevolgen naar verwachting uit te sluiten, of zijn die weg te nemen door middel van maatregelen, dan kan op die locatie in beginsel wel een horecaterras worden toegelaten. Dit wordt de uitvoerbaarheidstoets genoemd, en deze is vergelijkbaar met de beoordeling zoals die onder oud recht van toepassing was op bestemmingsplannen met een uit te werken bestemming.
Dat een locatie is aangewezen betekent niet dat een horecaterras zondermeer is toegestaan. Er gelden aanvullende algemene regels, én er geldt een aanvullende vergunningplicht voor nieuwe horecaterrassen of voor het wijzigen van een bestaand horecaterras. Deze vergunningplicht is opgenomen in artikel 3.76. Deze vergunningplicht zorgt ervoor dat het concrete intitiatief op aanvaardbaarheid kan worden getoetst. Op die vergunningplicht zijn beoordelingsregels van toepassing (artikel 3.78). Daarin is onder meer bepaald dat de vergunning alleen wordt verleend als de aanvraag betrekking heeft op een locatie waar een terras op grond van artikel 3.72, eerste of tweede lid, is toegelaten. De finale beoordeling van de gevolgen van een horecaterras vindt dus plaats in het kader van een concrete vergunningaanvraag. Dat biedt de mogelijkheid om in het kader van een vergunningaanvraag de concrete plannen op de gevolgen voor de omgeving te beoordelen, en waar nodig gerichte voorschriften aan de vergunning te verbinden.
De vergunning is gebonden aan de locatie en het horecabedrijf waar het horecaterras bij hoort, niet aan de exploitant. Als de exploitant wijzigt, blijft de vergunning dus geldig voor de nieuwe exploitant. Uitgangspunt is dat het een vergunning voor onbepaalde tijd betreft. In voorkomende gevallen kan aan de vergunning wel een termijn worden verbonden.
Een belangrijk middel om onaanvaardbare overlast te voorkomen, is door te sturen op de openingstijden. In het algemene onderdeel, subsubparagraaf 3.2.13.5.2, is een bepaling opgenomen over openingstijden van horecaterrassen (artikel 3.75). Het betreft maximale openingstijden. Per concreet geval zal beoordeeld moeten worden of die maximale openingstijden aanvaardbaar zijn, of dat deze ingeperkt moeten worden. Die beoordeling gebeurt in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit horecaterras.
Beoordelingsaspecten
De aanvaardbaarheid van het concrete initiatief hangt af van een aantal aspecten. Deze zijn terug te vinden in de beoordelingsregels die van toepassing zijn op vergunningaanvragen (artikel 3.78). Verband houdend met die beoordelingsregels kunnen ook voorschriften aan de vergunning worden verbonden (artikel 3.79).
Hiervoor is reeds aangegeven dat daarbij in elk geval de mate van geluidsoverlast moet worden betrokken. Maar ook de mate van doorloopruimte voor voetgangers is een belangrijk aspect. De afmeting van een terras in relatie tot de ruimte die er resteert is bepalend voor de doorloopruimte en daarmee voor de impact op de omgeving. Dit aspect wordt bij de beoordeling van vergunningaanvragen betrokken. In de vergunning worden ook voorschriften opgenomen over situering en omvang.
Ook de openingstijden van een horecaterras zijn van grote invloed op de impact op de omgeving. Hoe langer een terras open mag zijn, hoe langer immers daarmee gepaard gaande overlast zich voordoet. Daarmee zijn openingstijden direct een goed instrument om te sturen op het tegengaan van onaanvaardbare overlast. Om die reden zijn regels gesteld over openingstijden, en is voorgeschreven dat in de omgevingsvergunning daarover voorschriften worden opgenomen.
In de APV was een aantal regels opgenomen met betrekking tot horecaterrassen, die bij nader inzien meer op het terrein van het omgevingsrecht liggen. Het gaat bijvoorbeeld om beoordelingsregels die betrekking hebben op de bruikbaarheid van de openbare ruimte op de locatie van een horecaterras en in de omgeving ervan. Deze beoordelingsregels zijn overgegaan naar het omgevingsplan.
Overgangsregeling legaal bestaande horecaterrassen
De vergunningplicht geldt voor zowel nieuwe als reeds bestaande horecaterrassen. Voor horecaterrassen die voorafgaand aan inwerkingtreding van de vergunningplicht rechtmatig werden geëxploiteerd, is echter overgangsrecht opgenomen. Hiermee wordt invulling gegeven aan het horecabeleid.
Onder oud recht waren verschillende juridische toestemmingen nodig om een horecaterras rechtmatig te kunnen exploiteren. Allereerst was er een juridisch-planologische toestemming nodig. Dat kon de vorm hebben van algemene regels in een bestemmingsplan, maar het kon ook een op grond van de Wabo verleende afwijkvergunning zijn. Naast deze juridisch-planologische toestemming was op grond van de APV ook een exploitatievergunning nodig. De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit horecaterras komt in de plaats van de juridisch-planologische toestemming, maar zal ook voorschriften bevatten over aspecten die voorheen in de exploitatievergunning werden geborgd. Met de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit horecaterras wordt dan ook een vergunningplicht in het leven geroepen die er voorheen in deze vorm niet was.
Voor horecaterrassen die voor het moment dat de vergunningplicht in werking treedt rechtmatig werden verricht, moet een overgangsrechtelijke regeling worden bedacht. In zijn algemeenheid zijn verschillende overgangsrechtelijke regelingen mogelijk (zie ook artikelgewijze toelichting bij artikel 4.14 van de Invoeringswet Omgevingswet). Voorzien kan worden in een overgangstermijn, zodat – zonder tijdsdruk en zonder de continuïteit van de activiteit in gevaar te brengen – de door de wetswijziging benodigde omgevingsvergunning kan worden aangevraagd en op die aanvraag kan worden beslist. Een andere mogelijkheid is om een fictieve toestemming te verlenen om een al voor de wetswijziging aangevangen activiteit te continueren, zonder tijdshorizon: de fictieve toestemming duurt onbeperkt voort, totdat het bevoegd gezag ambtshalve aanleiding ziet om die fictieve vergunning te wijzigen of in te trekken.
Beide overgangsrechtelijke regelingen zorgen voor rechtszekerheid en continuïteit. In de ene variant is degene die de activiteit verricht wel gehouden om binnen een bepaalde tijd alsnog een omgevingsvergunning aan te vragen, in de andere variant niet. In beide varianten mag de activiteit voorlopig zonder ‘papieren vergunning’ worden gecontinueerd. Uiteraard geldt die toestemming tot continuering alleen voor zover ook inderdaad sprake is van continuering: als die activiteit na de wijziging van het omgevingsplan wordt voortgezet, maar de aard of omvang daarvan verschilt aanmerkelijk van de activiteit, zoals deze werd verricht voor de wijziging van het omgevingsplan, dan is degene die deze gewijzigde activiteit verricht in beide varianten gehouden om onmiddellijk een (wijziging van de) vergunning aan te vragen.
In het algemene overgangsrecht van dit omgevingsplan, opgenomen in hoofdstuk 23, is gekozen voor de eerste variant, waarbij een omgevingsvergunning van rechtswege ontstaat en er twee jaar de tijd is om de benodigde omgevingsvergunning aan te vragen en op die aanvraag te beslissen (artikel 23.5). Om ongewenst grote administratieve en bestuurlijke lasten te voorkomen, kan het in uitzonderlijke gevallen wenselijk zijn de termijn niet van toepassing te verklaren. Artikel 23.1, tweede lid, biedt nadrukkelijk die ruimte (zie ook paragraaf 11.23 van de algemene toelichting). In landelijke wetgeving biedt de wetgever die mogelijkheid als blijkt dat een aanzienlijk aantal nieuwe omgevingsvergunningen zou moeten worden verleend, waardoor het bevoegde gezag voor een grote opgave wordt gesteld (zie artikelgewijze toelichting bij artikel 4.14 van de Invoeringswet Omgevingswet). Deze maatstaf wordt ook voor het omgevingsplan gehanteerd. In dergelijke gevallen kan een afwijkende termijn worden gesteld, of zelfs worden afgezien van een termijn. Een dergelijke afwijkende regeling wordt dan opgenomen in het betreffende regelingdeel, waarin ook de vergunningplicht is opgenomen.
Voor horecaterrassen die rechtmatig werden geëxploiteerd op het moment voorafgaand aan inwerkingtreding van de vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit horecaterrassen, is gekozen voor een omgevingsvergunning van rechtswege. Dat is geregeld in artikel 3.77. Om de bestuurlijke en administratieve lasten te beperken, wordt daarbij bepaald dat er geen termijn geldt. Deze omgevingsvergunningen blijven dus onbeperkt geldig, mits de aard en omvang niet wordt gewijzigd. Als de aard en omvang van de activiteit wel wordt gewijzigd, moet een nieuwe omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit horecaterras worden aangevraagd.
Ondernemers hoeven geen nieuwe vergunning aan te vragen en zijn geen leges verschuldigd. Anders dan de exploitatievergunning, kent de omgevingsplanvergunning terras geen looptijd en wordt deze gekoppeld aan de locatie, niet aan de exploitant. Als een bestaand terras waarvoor een omgevingsvergunning van rechtswege geldt, in ernstige mate afbreuk doet aan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, dan kunnen aan de omgevingsvergunning van rechtswege voorschriften worden verbonden om die gevolgen tot een aanvaardbaar niveau terug te brengen.
Als een bestaand terras waarvoor een omgevingsvergunning van rechtswege geldt, in ernstige mate afbreuk doet aan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, dan kunnen aan de omgevingsvergunning van rechtswege voorschriften worden verbonden om die gevolgen tot een aanvaardbaar niveau terug te brengen.
Relatie met de exploitatievergunning
Naast deze verguningplicht op grond van het omgevingsplan blijft de vergunningplicht voor een horecaterras op grond van de APV bestaan. Op grond van de begripsbepalingen in de APV maakt een horecaterras onderdeel uit van een horecabedrijf, en is daarmee als onderdeel van dat horecabedrijf vergunningplichtig (artikel 3.8 APV). Het exploiteren van een horecaterras kan daarmee op grond van de APV nog altijd op aspecten van openbare orde en veiligheid worden beoordeeld.
Beide vergunningplichten zijn wel afgestemd op elkaar. Voorzien wordt in een scherper onderscheid tussen de beoordelingsregels zoals die de APV zijn opgenomen en die betrekking hebben op openbare orde en veiligheid, en de beoordelingsregels die zijn opgenomen in artikel 3.78 van dit omgevingsplan, en die betrekking hebben op het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. De beoordeling op grond van dit omgevingsplan omvat meer aspecten dan de beoordeling op grond van de APV. Bovendien is de beoordeling op grond van de APV sterk gericht op de exploitant, terwijl de beoordeling op grond van het omgevingsplan zich richt op de activiteit op een betreffende locatie. Dat brengt mee dat de afweging in het kader van de APV altijd wordt ingekaderd door het omgevingsplan. Het kan bijvoorbeeld niet zo zijn dat op grond van de APV een exploitatievergunning wordt verleend voor een horecaterras op een locatie waar dat op grond van het omgevingsplan niet is toegestaan. Omgekeerd is het wel mogelijk dat, hoewel er omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit horecaterras is verleend, de burgemeester met het oog op openbare orde en veiligheidsaspecten de exploitatievergunning weigert of met voorschriften beperkingen aanbrengt.
Subparagraaf 3.2.13.6 bevat een regeling voor openingstijden van een horecazaak. De openingstijden zijn gekoppeld aan de zwaartecategorieën.
Lichte horeca
Bij lichte horeca gaat het om alcoholvrije bedrijven zoals ontbijtzaken, koffiezaken en lunchrooms. Bezoekers komen hier veelal overdag of aan het begin van de avond. Op locaties waar lichte horeca is toegestaan, is het onwenselijk dat er laat in de avond of ‘s nachts aan- en afloop van bezoekers is. Daarom wordt een sluitingstijd van 22:00 uur aangehouden. Dit is eerder dan voorheen de vroegste sluitingstijd in Amsterdam. Horeca met een vroegere sluitingstijd kan op meer locaties aanvaardbaar zijn. De mogelijkheden voor ondernemers die dit type zaken willen exploiteren, verruimen hiermee naar verwachting. Horeca op dit type locaties mag om 06:00 uur open. Hiermee wordt beter dan voorheen ingespeeld op behoeften voor het aanbieden van ontbijt. Dit wordt geregeld in artikel 3.83, eerste lid. Horeca op locaties voor lichte horeca mag maximaal vijf keer per jaar de sluitingstijd overschrijden. Dit wordt geregeld in artikel 3.83, zesde lid.
Reguliere horeca
Bij reguliere horeca gaat het om bedrijven zoals restaurants en bistro’s. Het eten ter plekke staat centraal, gecombineerd met het nuttigen van (al dan niet alcoholhoudende) dranken. Bezoekers komen gedurende de dag en in de avond. ‘s Nachts is het op deze locaties niet wenselijk dat er nog aan- en afloop van bezoekers plaatsvindt. De sluitingstijd voor deze bedrijven is gesteld op 01:00 uur doordeweeks en 02:00 uur in het weekend. Dit wordt geregeld in artikel 3.83, tweede lid. Ten opzichte van de oude situatie, betekent dit voor veel bedrijven één uur korter in het weekend. Dat voorkomt dat restaurants in de late avond een andere functie krijgen waar nieuwe bezoekers op af komen wat reuring in de buurt kan veroorzaken. Horeca op locaties voor reguliere horeca mag maximaal vijf keer per jaar de sluitingstijd overschrijden. Dit wordt geregeld in artikel 3.83, zesde lid.
Dit alles geldt ook voor fastfoodhoreca. Ten opzichte van de oude situatie is dit voor veel zaken een beperking. Vanwege de mogelijke impact van deze zaken, wordt hier bewust voor gekozen. Echter met een maatwerk-ontheffing wordt wel de mogelijkheid geboden om van deze sluitingstijd af te wijken. Deze maatwerkontheffing is geregeld in artikel 3.92.
Middelzware horeca
Op locaties voor middelzware horeca is zwaardere horeca toegestaan, zoals cafés, bars, eetcafés en cocktailbars. Deze zaken worden gekenmerkt door het aanbieden van (alcoholhoudende) drank, al dan niet in combinatie met eten en het ten gehore brengen van meer dan achtergrondmuziek. Deze bedrijven richten zich naast de dag, vaak ook op de avond. En in het weekend op de nacht. De sluitingstijd voor deze bedrijven wordt gesteld op 01:00 uur doordeweeks en 03:00 uur in het weekend. Dit wordt geregeld in artikel 3.83, derde lid. Dat zijn voor de meeste horecabedrijven die passen in deze zwaartecategorie ook de tijden die voorheen golden. Horeca op locaties voor middelzware horeca mag maximaal twaalf keer per jaar de sluitingstijd overschrijden. Dit wordt geregeld in artikel 3.83, zevende lid.
Zware horeca
Op locaties waar zware horeca is toegestaan, gelden de ruimste openingstijden. Zware horeca zijn bijvoorbeeld discotheken, nachtclubs en zaalverhuur. Dit zijn locaties waarbij in de bedrijfsvoering het bieden van gelegenheid om te dansen op een dansvloer een belangrijk onderdeel is. Deze bedrijven zijn vaak open tot laat in de nacht. De sluitingstijd voor deze zaken wordt gesteld op 04:00 uur doordeweeks en 05:00 uur in het weekend. Dit wordt geregeld in artikel 3.83, vierde lid. Dat zijn voor de meeste horecabedrijven die passen in deze zwaartecategorie ook de huidige tijden. Horeca op locaties voor zware horeca mag maximaal twaalf keer per jaar de sluitingstijd overschrijden. Dit wordt geregeld in artikel 3.83, zevende lid. Daarnaast kan een aanvraag worden gedaan voor een maatwerk-ontheffing. Deze maatwerkontheffing is geregeld in artikel 3.92.
Overgangsregeling voor waar het bestemmingsplan nog niet is vervangen
De regels over openingstijden zijn gekoppeld aan de nieuwe zwaartecategorieën. Het toekennen van een zwaartecategorie gebeurt voor het eerst op het moment dat ergens een nog gelden, onder oud recht vastgesteld bestemmingsplan wordt vervangen. Dat vervangen zal gebied voor gebied gebeuren, en daar zullen de nodige jaren over heen gaan. Voor zover het onder oud recht vastgestelde bestemmingsplan nog niet is vervangen, wordt voor de openingstijden een overgangsbepaling opgenomen. Dat voorkomt ook dat horecabedrijven in een gebied waar het bestemmingsplan is vervangen in een nadeliger positie komen ten opzichte van horecabedrijven waar dat nog niet het geval is. Deze aanpak creëert een level playingfield. Dat gebeurt in artikel 3.84. De openingstijden zijn gekoppeld aan benamingen voor vormen van horeca, zoals die in bestemmingsplannen veelal worden gebruikt om de horecatypen te definiëren. Omdat het vrij veel voorkomt dat een bestemmingsplan op een en dezelfde locatie verschillende horecacategorieën toelaat, zal de verleende exploitatievergunning veelal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag van welk soort horeca sprake is.
Behoud van de openingstijden die vergund zijn als ‘avondzaak’
Er zijn in Amsterdam medio 2024 150 horecazaken die doordeweeks om 03:00 uur en in het weekend om 04:00 uur sluiten. Dit zijn zaken die als ‘avondzaak’ zijn vergund op basis van de APV. Het gaat met name om cafés, een groot deel gelegen in stadsdeel Centrum rondom de uitgaansgebieden Rembrandtplein en Leidsebuurt. Maar ook diverse (eet)cafés in Oost, West en Zuid en enkele in Noord en Nieuw-West. Aan de locaties waar deze horecazaken zich bevinden, zou gelet op de activiteiten een categorie middelzware horeca moeten worden gegeven. Deze 'avondzaken' onderscheiden zich echter van overige horecazaken binnen die categorie door hun latere sluitingstijd. De activiteiten die uitgevoerd (mogen) worden zijn verder hetzelfde als die van middelzware horeca. Het laatste decennium zijn er vrijwel geen nieuwe horecabedrijven vergund met de openingstijden van avondzaken. Tegelijk zijn er op deze huidige locaties in het algemeen geen problemen door deze sluitingstijd. Daarom zullen de ‘avondzaken’ hun huidige tijden behouden. Dit wordt geregeld in artikel 3.87. Daarin is bepaald dat voor de in bijlage X opgenomen horecazaken verruimde openingstijden gelden.
Generieke uitzonderingen openingstijden op bijzondere dagen
Op eerste kerstdag, oudejaarsdag, eerste paasdag en eerste pinksterdag willen horecabedrijven graag wat langer open zijn. Dit wordt mogelijk gemaakt door op die dagen de sluitingstijden voor het weekend (vrijdag- en zaterdag) te hanteren. Wanneer de betreffende feestdagen niet op een vrijdag of zaterdag vallen, gelden voor de nacht die daarop volgt alsnog de openingstijden voor de vrijdag en zaterdag. Hetzelfde geldt voor Koningsnacht: wanneer de viering van Koningsdag niet op een zaterdag of zondag valt, gelden de nacht voorafgaand aan Koningsdag de openingstijden voor de vrijdag en zaterdag. In alle gevallen geldt: eventuele ruimere tijden die mogelijk zijn gemaakt met een maatwerkvoorschrift op een specifieke locatie, zijn tijdens oudejaarsavond en Koningsnacht niet van toepassing. Dit alles wordt geregeld in artikel 3.88.
Ook bij de overgang van naar zomertijd geldt een uitzondering. In de nacht dat de zomertijd ingaat mag een horecazaak die op het uur dat de zomertijd ingaat open mag zijn, één uur langer open blijven. Dat wordt geregeld in artikel 3.89.
Het beperken van openingstijden
Het is mogelijk dat op een locatie bepaalde horeca-activiteiten alleen mogelijk zijn, wanneer de openingstijden beperkt worden ten opzichte van de algemeen geldende openingstijden. Als het nodig is om onaanvaardbare overlast voor het woon- en leefklimaat tegen te gaan, kunnen de openingstijden van een horecazaak met een maatwerkvoorschrift beperkt worden. Artikel 3.91 biedt hiervoor de grondslag.
Daarnaast biedt het beleid de mogelijkheid dat voor een bepaald gebied in het omgevingsplan andere openingstijden worden vastgesteld. Artikel 3.90 is hiervoor gereserveerd.
Het verruimen van openingstijden
Onder voorwaarden zijn er mogelijkheden om af te wijken van de openingstijden. Bij alle verruimingen geldt als voorwaarde dat deze naar verwachting geen onaanvaardbare overlast geeft voor de omgeving en dat de openbare orde en veiligheid niet in het geding komen. Aan een verruiming kunnen voorwaarden opgelegd worden die ervoor moeten zorgen dat de verruiming aanvaardbaar is voor de omgeving, of voor het waarborgen van de openbare orde en veiligheid.
Incidentele verruimingen
Van oudsher kunnen horecabedrijven in Amsterdam maximaal vijf keer per jaar een aanvraag indienen voor verruimde openingstijden. Dit wordt een ‘verlaatje’ genoemd. Deze mogelijkheid is bedoeld om een aantal keer per jaar langer door te kunnen gaan dan normaal, bijvoorbeeld bij een speciale activiteit of feestje. Een klein deel van de horecabedrijven gebruikt deze mogelijkheid nu. Dit verloopt meestal zonder problemen voor de buurt. Daarom blijft deze mogelijkheid bestaan voor alle horecabedrijven in de gemeente Amsterdam. Sturing op deze overschrijdingen van de openingstijden is met name nodig met oog op openbare orde en veiligheid. Op grond van de APV is daarom een ontheffing nodig.
Voor sommige horecabedrijven is er de wens om vaker dan vijf keer per jaar langer open te zijn. Deze bedrijven organiseren bijvoorbeeld iedere maand een avond met een speciaal programma. Horecabedrijven die op dit moment al – bij wijze van proef – twaalf keer per jaar langer open mogen zijn, doen dit veelal zonder problemen voor de buurt. Daarom wordt deze proef in beleid omgezet. Op locaties voor middelzware en zware horeca kan twaalf keer per jaar een verruiming worden aangevraagd. Ook hier geldt dat sturing op deze overschrijdingen van de openingstijden met name nodig is met oog op openbare orde en veiligheid. Op grond van de APV is daarom een ontheffing nodig.
In het omgevingsplan worden deze overschrijdingen, gezien de geringe impact op de fysieke leefomgeving door het incidentele karakter, met algemene regels toegestaan. Een ruimtelijk relevante voorwaarde daarbij is dat de overschrijding niet meerdere dagen achter elkaar plaats vindt. Tussen het gebruik van de ontheffingen moet minimaal 6 dagen zitten. Artikel 3.83, 3.84 en 3.85 bieden deze mogelijkheid, en bevatten de beperkingen.
Er is voor gekozen deze 'ontheffing' in de vorm van algemene regels op te nemen, en dus niet in de vorm van een ontheffingsmogelijkheid bij maatwerkvoorschrift. Hiermee wordt ruimte geboden om de werkwijze onder oud recht voor te zetten. Die hield in dat op grond van de APV voor een beperkt aantal keer per jaar ontheffing kon worden aangevraagd van de openingstijden. Deze ontheffing werd slechts geweigerd wanneer daar vanuit oogpunt van openbare orde en veiligheid reden voor was. Bijvoorbeeld omdat een ondernemer consequent de geluidsnormen voor muziekinstallaties overschreed. Mits de exploitant zich houdt aan de algemene regels die van toepassing zijn, zoals die op het gebied van geluid, is een beperkt aantal overschrijdingen van de openingstijden met het oog op een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de praktijk aanvaardbaar gebleken. Wanneer de algemene regels worden overtreden, dan kan daartegen handhavend worden opgetreden. Bovendien blijft de ontheffingsmogelijkheid op grond van de APV blijft bestaan. Dat is omdat voor het toestaan met name gekeken wordt naar het gedrag van de ondernemer en het voorkomen van veiligheidsrisco’s. Dat betekent dat vooraf een ontheffing moet worden aangevraagd. Om die reden is er ook vanaf gezien in het omgevingsplan een meldingsplicht in het leven te roepen. Via de APV-ontheffing is voldoende zicht op het aantal overschrijdingen dat plaatsvindt.
Maatwerkontheffing openingstijden
Nieuw is de maatwerkontheffing openingstijden, opgenomen in artikel 3.92. Deze mogelijkheid geldt alleen voor fastfoodhoreca en zware horeca (uitgaan). Het biedt horecabedrijven de mogelijkheid om gedurende meerdere dagen per week, structureel langer open te zijn (looptijd van vijf jaar). Voor fastfoodhoreca komt dit tegemoet aan de behoefte om op sommige plekken in de stad nog steeds te eten of snacken na het uitgaan. Deze nieuwe maatwerkontheffing is er ook voor zware horeca (uitgaan). Doordat niet alle horecazaken in één keer sluiten en publiek op straat komt te staan, kan de overlast beperkt worden. Door ruimere openingstijden is er een gespreid vertrek van bezoekers mogelijk (vanuit één zaak of vanuit meerdere zaken in een gebied). Een verruiming van de openingstijden vermindert zo mogelijk de druk op de leefomgeving. Door de verruiming beschikbaar te stellen voor alle locaties van zware horeca én voor alle dagen per week, kan er ook een spreiding ontstaan van bezoekersstromen over de stad en over de dagen van de week. Ondernemers wordt hiermee ruimte geboden om ‘s nachts flexibeler te exploiteren. Het gaat om bedrijven die zijn ingericht op exploitatie in de late nacht en waarbij het bijvoorbeeld mogelijk kan zijn om in plaats van om 05:00 uur standaard om 07:00 uur te sluiten in het weekend. De stadsdelen mogen gebieden uitsluiten waar dit niet wenselijk is.
Het is mogelijk dat een ruimere sluitingstijd voor een horecabedrijf weliswaar ruimtelijk aanvaardbaar is, maar niet op grond van openbare orde, veiligheid en/of levensgedrag. Deze ontvlechting tussen openbare orde en veiligheid en ruimtelijke ordening is ook terug te zien bij de manier waarop de maatwerkontheffing wordt verleend. Met het oog op de fysieke leefomgeving (omgevingsplan) wordt allereerst beoordeeld of ruimere sluitingstijden ruimtelijk aanvaardbaar zijn. Daarna wordt beoordeeld of dit ook op gronden van openbare orde, veiligheid en levensgedrag van de exploitant aanvaardbaar is (APV).
De looptijd van de ontheffing wordt gekoppeld aan de (resterende) looptijd van de exploitatievergunning en is maximaal vijf jaar. Na afloop van die looptijd kan er steeds opnieuw een aanvraag worden ingediend voor een verlenging. De maatwerkontheffing is alleen bedoeld voor bedrijven waarvoor de incidentele ontheffingsmogelijkheid van twaalf keer per jaar onvoldoende is. Bij de aanvraag moet worden aangetoond wat de ondernemer doet om overlast in de omgeving te voorkomen. Indien die er zijn, zullen de ervaringen uit het verleden worden betrokken in de afweging.
Onderdelen N, P tot en met T:
Deze aanpassingen zijn niet van inhoudelijke aard.
Onderdeel O:
Er wordt overeenkomstig de landelijke Vangnetregeling een derde lid toegevoegd, waarmee een gebrek, ontstaan bij inwerkingtreding van de bruidsschat, wordt hersteld.
Aan bijlage I worden diverse begripsbepalingen toegevoegd, die verband houden met de regels die worden toegevoegd.
Bijlage II van het Omgevingsplan gemeente Amsterdam bevat een overzicht van informatieobjecten. Met informatieobjecten wordt gedoeld op geografische begrenzingen van het werkingsgebied van regels, of geografische begrenzingen van locaties waarnaar in regels wordt verwezen. Ook kan het gaan om de normwaarde van omgevingsnormen of omgevingswaarden die op een bepaalde locatie gelden. Dergelijke informatieobjecten maken onderdeel uit van de regels. Vanuit de regels wordt een koppeling gelegd naar dergelijke informatieobjecten. Ze zijn als bijlage opgenomen bij de regels. In de viewer van het Digitale Stelsel Omgevingswet kunnen de regels in samenhang met deze informatieobjecten worden geraadpleegd.
In de regels worden informatieobjecten aangegeven als 'aanduiding'. In een aantal van de nieuw toegevoegde regels wordt verwezen naar nieuwe aanduidingen. Deze nieuwe aanduidingen worden als nieuwe informatieobjecten aan bijlage II toegevoegd. In onderdeel V wordt weergegeven welke informatieobjecten het betreft.
Met onderdeel W wordt een tweetal bijlagen aan het omgevingsplan toegevoegd, die verband houden met de regels over horeca. het gaat om bijlage IX, bevattende een lijst met instellingen waarvoor een onder de toenmalige Wabo verleende omgevingsvergunning geldt als een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit culturele horeca. En een bijlage X, bevattende een lijst van horecazaken met verruimde openingstijden.
De onderdelen X tot en met TT voorzien in aanvullingen en aanpassingen van de Algemene toelichting bij het Omgevingsplan gemeente Amsterdam. De aanvullingen houden verband met de regels die zijn toegevoegd, maar er zijn ook samenvattende teksten van geldend beleid aan hoofdstuk 10 toegevoegd. Verder zijn her en der tekstuele gebreken hersteld.
De onderdelen UU tot en met DDD voorzien in aanvullingen en aanpassingen van de Artikelsgewijze toelichting bij het Omgevingsplan gemeente Amsterdam. De aanvullingen houden verband met de regels die zijn toegevoegd, de wijzigingen grotendeels met de wijzigingen die in bestaande regels zijn aangebracht. Verder zijn her en der tekstuele gebreken hersteld.
Deze wijziging van de APV maakt onderdeel uit van de benodigde wijzigingen in de regelgeving in Amsterdam als gevolg van het opnemen van het horecabeleid in het Omgevingsplan. Het deel van het Omgevingsplan dat over horeca gaat regelt een aantal onderwerpen die tot aan deze wijziging in de APV werden geregeld. Daarbij wordt een duidelijkere scheiding aangebracht in regels die met oog op de fysieke leefomgeving zijn gesteld en regels met de openbare orde en veiligheid als oogmerk. De regels over de fysieke leefomgeving staan nu zoveel mogelijk in het Omgevingsplan.
De meest in het oog springende wijzigingen zijn de regels over openingstijden. Openingstijden worden met name gereguleerd gelet op de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Wel blijft het aan de burgemeester om de openingstijden eventueel te beperken met oog op de openbare orde.
Ook voor de exploitatie van terrassen geldt iets soortgelijks. De terrasmogelijkheden worden in principe beheerst door wat ruimtelijke mogelijk is, maar er kunnen redenen van openbare orde zijn om een vergunningaanvraag voor een terras toch (al dan niet gedeeltelijk) te weigeren.
Voor de APV betekent dit met name dat een aantal artikelen vervallen die te maken hadden met openingstijden. Verder veranderen er definities: Horecabedrijf staat nu in artikel 1.1 gedefinieerd. De term komt ook in andere hoofdstukken dan hoofdstuk 3 voor. Verduidelijkt is dat ook sishalounges en dergelijke onder het horecabegrip vallen. Er wordt niet langer gewerkt met dag- avond- of nachtzaken.
Voor een toelichting op de wijzigingen wordt kortheidshalve verwezen naar de toelichting, opgenomen in bijlage I.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-368550.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.