Gemeenteblad van Schouwen-Duiveland
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Schouwen-Duiveland | Gemeenteblad 2025, 283113 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Schouwen-Duiveland | Gemeenteblad 2025, 283113 | beleidsregel |
Ruimtelijk Beleid Duurzame Energie
De gemeenteraad van de gemeente Schouwen-Duiveland heeft op 20 oktober 2023 het Ruimtelijk Beleid Duurzame Energie vastgesteld. In het Ruimtelijk beleid Duurzame Energie wordt de visie voor ruimtelijke ontwikkelingen op het gebied van duurzame energieopwekking, zowel binnen de bebouwde kom als in het landelijk gebied van Schouwen- Duiveland beschreven. Het beleid vormt het ruimtelijk toetsingskader voor projecten in het kader van duurzame energieopwekking.
De gemeenteraad van de gemeente Schouwen-Duiveland;
Gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 8 augustus 2023;
Het Ruimtelijk Beleid Duurzame Energie vast te stellen
Besloten door de gemeenteraad van Schouwen-Duiveland in zijn openbare vergadering van 19 oktober 2023,
Ruimtelijk beleid Duurzame Energie Schouwen-Duiveland
Projectnaam: Ruimtelijk beleid Duurzame Energie
Opdrachtgever: Gemeente Schouwen-Duiveland
Opgesteld door: BoschSlabbers landschapsarchitecten
Datum: 18 oktober 2023 DEFINITIEVE VERSIE
Figuur 1: Beslisboom duurzame energie Schouwen-Duiveland
In dit Ruimtelijk beleid Duurzame Energie beschrijven wij de visie voor ruimtelijke ontwikkelingen op het gebied van duurzame energieopwekking, zowel binnen de bebouwde kom als in het landelijk gebied van Schouwen- Duiveland. Dit beleid vormt het ruimtelijk toetsingskader voor de toepassing van duurzame energie-opwek. In dit beleid nemen wij alleen die ontwikkelingen mee die mogelijk zijn binnen het bestaande elektriciteitsnetwerk. Na verzwaring (omstreeks 2028) zullen wij het beleid actualiseren.
De doelstelling voor Schouwen-Duiveland is om al in 2040 energieneutraal te zijn. Om deze doelstelling te behalen zetten wij in op zowel ingezet op energiebesparing als op duurzame energie-opwekking. De energietransitie heeft een groot effect op onze leefomgeving; het vraagt veel ruimte, zowel boven- als ondergronds. Zorgvuldig omgaan met landschap is een belangrijk uitgangspunt voor gemeente Schouwen-Duiveland.
In de gemeente zijn drie windparken gerealiseerd: Windpark Zierikzee, Windpark Roggenplaat en Windpark Krammer. Nieuwe grootschalige windparken zijn niet aan de orde. Enkel een upgrade van bestaande parken wordt gezien als een mogelijkheid. Kleine windturbines (max. hoogte van 21m) zijn toegestaan op agrarische bedrijven. De voorwaarden die hiervoor gelden zijn dat het gaat om functioneel agrarische bedrijven met een hoog energiegebruik, dat de opgewekte energie bedoeld is voor eigen gebruik en dat ze gecombineerd worden met zonnepanelen.
Mini-windturbines, zoals windschoepen of windwokkels, zijn doorgaans kleiner van formaat. Ze worden vaak op daken geplaatst, maar kunnen eventueel ook op een mast geplaatst worden.
Mini-windturbines zijn toegestaan in verblijfsrecreatie, bedrijventerrein, sport, dagrecreatie en cultuur, landelijk gebied en zijn maatwerk bij bedrijven en verenigingen in woongebied.
Voor de toepassing van zonne-energie hebben we een Zonneladder opgesteld voor Schouwen- Duiveland. Met deze zonneladder geven wij aan welke locaties prioriteit krijgen voor zonnepanelen*. Hoe hoger de trede op de ladder (1, 2, 3…), hoe meer wenselijk deze locatie. Zo wordt duidelijk dat Zon-op-dak (trede 1) het meest wordt geprioriteerd. Zon-in-open-landschap (trede 7) staan wij vooralsnog niet toe. Per trede stellen wij aanvullende toe- en inpassingsmaatregelen vast. Ook duiden wij mogelijke koppelkansen waarmee zonnepanelen meerwaarde kunnen bieden voor onder andere biodiversiteit, klimaat, recreatie en landbouw.
De energietransitie kent nog veel onzekerheden wat betreft de technieken die kunnen worden ingezet voor de verduurzaming. Daarnaast volgen de ontwikkelingen elkaar snel op. Met name voor energie-opslag en alternatieven voor aardgas is dit momenteel het geval. Daarom is in dit beleid een apart onderdeel opgenomen voor innovatie. De gemeente zal bijdragen aan innovatieve ontwikkelingen door middel van onderzoek en pilots.
Voor dit ruimtelijk beleid sluiten wij aan bij de gebiedsprofielen die zijn opgesteld in het kader van de voorbereidingen op de implementatie van de Omgevingswet. Voor wat betreft de gebiedskwaliteiten en de visie voor het landelijk gebied sluiten wij aan bij de ontwerp omgevingsvisie landelijk gebied. De aanwezige gebiedskwaliteiten worden dan ook als het startpunt gezien voor het beleid ten aanzien van duurzame energieopwekking. In het landelijk gebied wil de gemeente Schouwen- Duiveland de ontwikkeling van duurzame energie zodanig sturen dat de landschappelijke kwaliteiten behouden blijven en nieuwe kwaliteiten worden toegevoegd. Per gebiedsprofiel is aangegeven welke mogelijke vormen van energie-opwek mogelijk zijn en onder welke voorwaarden.
Tot slot wijden wij het laatste hoofdstuk van dit beleid aan het onderdeel participatie. Wij stellen voorwaarden aan initiatiefnemers waaraan duurzame energieprojecten dienen te voldoen. Hierbij maken
wij onderscheid in kleinschalige projecten voor opwek voor eigen gebruik en grootschalige projecten voor opwek van derden. Bij alle duurzame energieprojecten, zowel kleinschalig als grootschalig, moet de omgeving in een vroegtijdig stadium worden meegenomen. Financiële participatie is alleen van toepassing op grootschalige duurzame energieprojecten voor opwek voor derden.
* waar gesproken wordt over zonnepanelen worden ook zonnecollectoren , zonneboilers en en PVT-panelen bedoeld
In het Ruimtelijk beleid Duurzame Energie beschrijven wij de visie voor ruimtelijke ontwikkelingen op het gebied van duurzame energieopwekking, zowel binnen de bebouwde kom als in het landelijk gebied van Schouwen- Duiveland. Dit beleid vormt het ruimtelijk toetsingskader en geeft het kaders voor landschappelijke inpassing en meervoudig ruimte gebruik. Dit beleid is van toepassing voor de komende vijf jaar (2023 - 2028). Het elektriciteitsnet van Schouwen-Duiveland is momenteel niet toereikend. Voor het ruimtelijke beleid duurzame energie betekent dit dat alleen die ontwikkelingen zullen worden meegenomen die passen binnen het bestaande energienetwerk. Na verzwaring van het net zal het beleid worden geactualiseerd.
In het Klimaatakkoord van Parijs dat in 2015 door 195 landen is ondertekend is afgesproken dat de gemiddelde temperatuurstijging op aarde onder 2.o graden moet blijven met een streven om de stijging te beperken tot 1,5 graad. In Nederland is deze internationale opgave verwerkt in het Nationaal Klimaatakkoord (2019). Hierin is als doel gesteld om in 2030 in zijn totaliteit 49% minder CO2 uit te stoten ten opzichte van 1990. In 2050 moet de uitstoot van broeikasgassen met 95% afgenomen zijn. Op Europees niveau is de doelstelling voor 2030 inmiddels verhoogd naar een vermindering van de CO2 uitstoot met 55% ten opzichte van 1990. Op regionaal niveau heeft de gemeente Schouwen- Duiveland samen met andere betrokken partijen in de Regionale Energie Strategie (RES) - Zeeland afspraken gemaakt om bij te dragen aan bovengenoemde doelstellingen. In de RES Zeeland worden drie knoppen voor CO2 reductie aangegeven namelijk: 1. Energievraag verminderen; 2. Energie-aanbod verduurzamen en 3. Toepassen duurzame installaties en producten. Zie figuur 2.
Figuur 2: Knoppen voor CO2 reductie: 1. energievraag verminderen, 2. energieaanbod verduurzamen, 3. toepassen duurzame installaties en producten (RES-Zeeland 1.0, p.26)
De doelstelling voor Schouwen-Duiveland is om al in 2040 energieneutraal te zijn. Dit is vastgelegd in de Strategische Visie “Tij van de Toekomst” en verder uitgewerkt in de Energieagenda. Om deze doelstelling te behalen zetten wij in op energiebesparing als op duurzame energie- opwekking. In de Energieagenda geven wij in stappen van 5 jaar aan wat de doelstelling is en welke stappen wij nemen om deze doelstelling te behalen. Dit om in ieder geval tussentijds rekening te kunnen houden met nieuwe ontwikkelingen op het gebied van verduurzaming van de energievraag.
Zolang er geen ruimte op het net gevonden wordt kunnen grootverbruikers, die nu duurzame energie willen opwekken, geen elektriciteit terug leveren aan het elektriciteitsnet en geen subsidie aanvragen in het kader van de Subsidie Duurzame Energie (SDE). Voor de verzwaring van het elektriciteitsnet is het noodzakelijk om een 150 kV / 20 kV hoogspanningsstation (HSS) en bijbehorend ondergronds kabeltracé op Schouwen-Duiveland te realiseren. De gemeenteraad heeft in december 2021 ingestemd met het uitwerken van een voorkeurslocatie. De verwachting is dat een 150 kV / 20 kV hoogspanningsstation, gezien de voorbereidingen die nodig zijn, pas over 5 jaar zal zijn gerealiseerd. In de tussentijd onderzoeken wij de mogelijkheid om tijdelijk wat meer ruimte op het netwerk te krijgen door onder andere te kijken naar de mogelijkheid van tijdelijke piekopslag met batterijen en flexibel vermogen (flex challenge), waardoor het netwerk dan meer capaciteit krijgt.
Volgens de Nationale Omgevingsvisie is de energietransitie, naast de klimaatverandering, één van de grootste opgaven met een groot effect op onze leefomgeving voor de komende decennia. Het opwekken van duurzame energie vergt, vergeleken met de huidige op fossiele energie gebaseerde energievoorziening, veel ruimte, zowel boven- als ondergronds, zowel op land als op zee. Dit terwijl in Nederland de ruimte schaars is. Ook zal het opwekken en opslaan van duurzame energie veel meer zichtbaar zijn in het landschap dan de huidige energievoorziening. Binnen het gemeentelijk beleid is het zorgvuldig omgaan met landschap, natuur, cultuur, monumenten en milieu en het verbeteren van deze kwaliteiten vastgelegd in de Strategische Visie “Tij van de Toekomst”.
In het kader van de voorbereidingen met betrekking tot de implementatie van de Omgevingswet hebben wij onderscheid gemaakt in gebiedsprofielen*1. Deze zijn als volgt:
In het ruimtelijk beleid duurzame energie sluiten we aan bij deze gebiedsprofielen zoals ze nu bekend zijn waarbij de gebiedsprofieleen ‘woongebied, centrumgebied en perifeer detailhandelsgebied’ zijn samengevoegd. Schouwen-Duiveland heeft voor het landelijk gebied in 2018 een ontwerp Omgevingsvisie landelijk gebied opgesteld. Deze ontwerp Omgevingsvisie is niet vastgesteld, maar de visie op de opgave op het landelijk gebied is hierin helder omschreven:
“Hoe gaan we de omgevingskwaliteit van ons eiland aantrekkelijk houden of nog aantrekkelijker maken en hoe kunnen we dat combineren met een heel brede vernieuwingsvraag die vanuit vele kanten op ons af komt ? *2
Bij het opstellen van het ruimtelijk beleid duurzame energie sluiten we aan bij de visie en gebiedskwaliteiten zoals beschreven in de ontwerp Omgevingsvisie landelijk gebied.
*1 Bron: Algemene doelen en gebiedsprofielen, versie november 2022
Nagenoeg iedereen benadrukt het belang van (mogelijkheid tot) participatie, coöperatie, inspraak en meedelen in de winst.
Het klimaatakkoord maakt een onderscheid tussen participatie in de beleidsfase en projectparticipatie. Voor wat betreft projectparticipatie wordt onderscheid gemaakt in procesparticipatie en financiële participatie. De Omgevingswet geeft de kaders voor procesparticipatie bij ruimtelijke projecten. Kaders voor onder andere financiele participatie zijn te vinden in het Klimaatakkoord, Regionale Energie Strategie Zeeland (RES Zeeland) en in de verschillende gedragscodes als de gedragscode wind op land en de gedragscode zon op land. In de RES Zeeland is afgesproken dat de Zeeuwse partners streven dat minimaal de helft van alle wind- en zonprojecten in lokaal eigendom is.
In het ruimtelijk beleid duurzame energie- voorziening hebben wij op basis van de kaders uit het Klimaatakkoord, RES Zeeland, Omgevingswet en de verschillende gedragscodes voorwaarden opgesteld voor proces- en financiële participatie bij duurzame energieprojecten.
In hoofdstuk 2 geven wij een beschrijving gegeven van de opgave in het kader van energietransitie en de benodigde duurzame energieopwekking. In hoofdstuk 3 geven wij de ruimtelijke opgave weer met een korte beschrijving van de gebiedsprofielen en een beschrijving van de belangrijkste landschappelijke eenheden. Dit betreft identiteit en kwaliteit, ruimte voor duurzame energie en voorwaarden voor landschappelijke inpassing. Tevens kijken wij naar de koppelkansen met andere opgaven als biodiversiteit, klimaatadaptatie en circulariteit. In hoofdstuk 4 geven wij het ruimtelijk inpassings- en toetsingskader voor duurzame energie-initiatieven. In hoofdstuk 5 geven wij de randvoorwaarden weer voor proces- en financiële participatie bij duurzame energieprojecten. In bijlage 5 geven wij een overzicht van de belangrijkste definities.
2. Uitgangspunten energietransitie
Figuur 4: Overzicht duurzame energieopwekking Schouwen-Duiveland (waaronder enkel grote schaal zonopwek en postcoderoosprojecten)
2.1 Opgave voor duurzame energieopwekking
De doelstelling voor de lange termijn (2040) is het realiseren van een energieneutraal Schouwen- Duiveland. Dit betekent dat er evenveel duurzame energie wordt opgewekt als dat er op Schouwen- Duiveland verbruikt wordt. Daarbij wordt ervan uit gegaan dat met energiebesparingsmaatregelen het energieverbruik in 2040 met 20% gereduceerd kan worden ten opzichte van 2017. Het energieverbruik op Schouwen-Duiveland was in het referentiejaar (2017) 4000 TJ (bron: Klimaatmonitor). Dit betekent dat er in 2040 ongeveer 3200 TJ (4000 TJ -20%) energie wordt verbruikt dat ook duurzaam moet worden opgewekt. Op Schouwen-Duiveland zijn de laatste jaren al diverse projecten gerealiseerd voor duurzame energie-opwekking. Deze duurzame energieprojecten zijn weergegeven in figuur 4, pagina 12.
Figuur 5: Overzicht opgave duurzame energie-opwek in Schouwen-Duiveland.
In de jaarlijkse energiebalans wordt het energie- verbruik en de duurzame energieopwekking gemonitord. De factsheet energiebalans 2023 is als bijlage (1) bijgevoegd. Uit de energiebalans blijkt dat in 2022 op Schouwen-Duiveland al ongeveer 1700 TJ aan duurzaam energie wordt opgewekt. De opgave om in 2040 energieneutraal te worden is een extra duurzame energieopwekking van ongeveer 1500 TJ (3200 TJ – 1700 TJ) nodig. Om een beeld te geven wat dit betekent: 1500 TJ komt overeen met 45 windturbines van 3 MW, 135 hectare zonnepanelen of met 150.000 woningen met zonnedaken. Er is dus nog een flinke weg te gaan om energieneutraal te worden.
2.2 Beperkingen energienetwerk schouwen-Duiveland
Voor alle gemeenten in Zeeland is in kaart gebracht hoeveel vrije ruimte er momenteel beschikbaar is voor de inpassing van duurzaam opgewekte elektriciteit op het elektriciteitsnet. Een algemene conclusie is dat er in sommige gemeenten significant meer ruimte beschikbaar is dan in andere gemeenten voor invoeding. De beschikbare capaciteit per Zeeuwse gemeenten is weergegeven in figuur 6.
Uit de onderzoeken van de netbeheerder Stedin komt naar voren dat onder andere verzwaring van de elektriciteitsvoorziening naar Schouwen- Duiveland en Tholen nodig is om zowel de groeiende vraag als het aanbod te faciliteren.
Stedin heeft een onderzoek uitgevoerd naar de capaciteit van het elektriciteitsnet. Uit dit onderzoek is gebleken dat het net nu al overbelast is en dat congestie management geen oplossing biedt voor dit probleem. Zolang er geen ruimte op het net gevonden wordt kunnen grootverbruikers die nu duurzame energie willen opwekken geen elektriciteit terug leveren aan het net. Voor de verzwaring van het elektriciteitsnet is het noodzakelijk om een 150 kV /20 kV hoogspannings- station binnen Schouwen-Duiveland te plaatsen. Het gaat om een 150 kV hoogspanning (Tennet) naar 20 kV middenspanning (Stedin) (HS/MS - station).
Figuur 6. Beschikbare capaciteit op het elektriciteitsnet per gemeente voor invoeding (Stedin, 2022)
Figuur 7. Energieverbruik 2023
Tennet en Stedin hebben de omgevingsdialoog afgerond om samen met stakeholders op zoek te gaan naar een locatie voor het nieuwe 150 kV / 20 kV station. De gemeenteraad heeft in december 2021de locatie nabij het bedrijventerrein Zierikzee Zuid als voorkeurslocatie vastgesteld en in mei 2023 de definitieve locatie. Tennet en Stedin zijn momenteel bezig met de uitwerking van de definitieve locatie en de inpassing van het 150 kV/ 20 kV hoogspanningsstation in de omgeving. Ook hier zal de omgeving weer bij worden betrokken. Het realiseren van een 150 kV / 20 kV station vergt minimaal vijf jaar (planning 2028). Voor het ruimtelijke beleid duurzame energie voorziening betekent dit dat alleen die ontwikkelingen zullen worden meegenomen die passen binnen het bestaande energienetwerk. Wanneer er zicht is op het realiseren van het 150 kV/ 20kV station zal het beleid duurzame energie tijdig worden geactualiseerd. Inmiddels hebben Tennet en Stedin wel capaciteitsproblemen voor uitbreiding van vraag van grootverbruikers afgekondigd voor de hele provincie Zeeland
In de gemeente zijn drie windparken gerealiseerd namelijk: Windpark Zierikzee met 3 windturbines (10,2 MW), Windpark Roggenplaat met 6 turbines (17,8 MW) en Windpark Krammer met 34 turbines (102 MW). De gemeenteraad heeft aangegeven dat zij geen nieuwe grootschalige windparken meer wil binnen de gemeentegrenzen. Enkel op de bovengenoemde locaties zijn grote windturbines toegestaan. Uitgangspunt hierbij is een optimale invulling van bestaande locaties waarbij het aantal windturbines gelijk moet blijven.
Het bestemmingsplan buitengebied maakt het onder voorwaarden mogelijk om één kleine windturbines per bouwvlak toe te staan met een maximale ashoogte van 15 meter. De ashoogte is de hoogte van de mast zelf. Op grond van de provinciale Omgevingsvisie (ZOVI) is een maximale tiphoogte van 21 meter toegestaan. De tiphoogte is de hoogte tot het uiteinde van de wiek. Voor de hoogte van de kleine windturbines sluiten we aan bij het provinciale beleid. Kleine windturbines in combinatie met zonnepanelen kunnen een goed alternatief zijn voor het opwekken van energie voor eigen gebruik bij agrarische bedrijven in het buitengebied die een hoog energieverbruik hebben. Kleine windturbines, in combinatie met zonne-energie, hebben als voordeel dat de energie beter verdeeld over het jaar wordt opgewekt waardoor er geen grootverbruik aansluiting noodzakelijk is en het elektriciteitsnet minder belast wordt. Een aantal agrarische bedrijven heeft inmiddels een kleine windturbine op het erf geplaatst.
Windschoepen of windwokkels (mini-windturbines) zijn doorgaans kleiner van formaat. Ze worden vaak op daken geplaatst, maar kunnen eventueel ook op een mast geplaatst worden. Deze mini- windturbines worden momenteel nog beperkt toegepast in Schouwen-Duiveland. Voor de duidelijkheid: het betreft hier niet de zeer kleine windmolentjes die soms op bewegwijzering of lichtmasten gemonteerd zijn. Mini-windturbines zijn toegestaan bij centrale voorzieningen bij verblijfsrecreatie, op bedrijventerrein, bij sport, dagrecreatie en cultuur, in het landelijk gebied en is maatwerk bij bedrijven en verenigingen in woongebied.
Kader 1: Zonneladder Schouwen-Duiveland
In het collegeprogramma is aangeven dat er met name ingezet dient te worden op zonne-energie. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de gemeentelijke zonneladder. Een zonneladder is een middel om de locaties waar zonne-energie ontwikkeld kan worden, te prioriteren. Hoe hoger de locatie op de ladder staat, des te minder problemen er zijn met de komst van zonne-energie op de betreffende locatie. Iedere ‘trede’ op de ladder benoemt een andere soort type locatie.
Een zonneladder wordt toegepast om duidelijkheid te scheppen over wat er op welke locatie mogelijk is en onder welke voorwaarden. Het is namelijk zo dat aan iedere trede aparte in- en toepassingseisen worden verbonden. De Schouwen-Duivelandse zonneladder (zie kader 1) bestaat uit 7 treden waarbij de eerste drie treden bestemd zijn voor de opwekking van zonne-energie voor eigen gebruik en de laatste vier treden voor opwekking van zonne-energie voor derden. De grootste prioriteit heeft trede 1, vervolgens trede 2, etc.
Voor alle treden geldt dat binnen het huidige netwerk voor nieuwe grootverbruiksaansluitingen het voorlopig niet mogelijk is om terug te leveren aan het elektriciteitsnet.
* waar gesproken wordt over zonnepanelen worden ook zonnecollectoren , zonneboilers en en PVT-panelen bedoeld
De energietransitie kent nog veel onzekerheden wat betreft de technieken die kunnen worden ingezet voor de verduurzaming. Daarnaast volgen de ontwikkelingen elkaar snel op. Om deze reden hebben wij gekozen om in de Energieagenda van Schouwen-Duiveland in stappen van 5 jaar aan te geven wat we gaan doen om de doelstelling van energieneutraal in 2040 te behalen. Dit om in ieder geval tussentijds rekening te kunnen houden met nieuwe ontwikkelingen op het gebied van verduurzaming van de energievraag.
Met name voor wat betreft de alternatieven voor aardgas (zoals bodemenergie en energie uit water en waterstof) en energieopslag (o.a. door batterijen) is nog veel onzekerheid en gaan de ontwikkelingen snel. Gemeente Schouwen- Duiveland werkt enkel mee aan initiatieven waar de netbeheerder, de regionale uitvoeringsdienst (RUD) Zeeland en de veiligheidsregio positief tegenover staat en mits deze voldoen aan voorwaarden voor landschappelijke inpassing.
Wij willen bijdragen aan de verdere ontwikkelingen van alternatieve technieken door middel van pilots en onderzoek. Bijvoorbeeld onderzoek naar de haalbaarheid van aquathermie in Malta te Zierikzee Een belangrijk aandachtspunt binnen de pilots is de monitoring en evaluatie.
3. Uitgangspunten ruimtelijk beleid
Figuur 8: overzicht en begrenzing gebiedsprofielen van Schouwen-Duiveland (bestemmingsplan is ten alle tijden leidend)
Voor het Ruimtelijk beleid Duurzame Energie sluiten we aan bij de gebiedsprofielen die voortkomen uit de voorbereidingen van de Omgevingswet. Daarnaast nemen we de input en uitgangspunten mee vanuit de ontwerp Omgevingsvisie landelijk gebied en het landschappelijk raamwerk.
Het ontwikkelen van duurzame energie kan een grote impact hebben op de ruimtelijke kwaliteit ter plekke. De aanwezige gebiedskwaliteiten zien wij dan ook als het startpunt gezien voor het beleid ten aanzien van duurzame energieopwekking. In het landelijk gebied willen wij de ontwikkeling van duurzame energie zodanig sturen dat de landschappelijke kwaliteiten behouden blijven, landschappelijke knelpunten worden opgelost en nieuwe kwaliteiten worden toegevoegd, en dat alles zodanig dat het landschap ‘zijn verhaal kan blijven vertellen’.
We zien dat de levensduur van de diverse typen energieopwekkers relatief kort is. Deze ‘tijdelijke’ ontwikkelingen vragen een plaats in ons landschap, dat een ontstaansgeschiedenis van eeuwen heeft. De vraag is hoe je een dergelijke korte termijn ontwikkeling een goede plek geeft. Daarbij is een zeer relevante vraag:
“Wat resteert wanneer de betreffende duurzame energievorm (hier veelal zonnepanelen) verouderd is, afgeschreven is en verwijderd wordt?“
3.1 Omschrijving en doelstelling geduid per gebiedsprofiel
Voor het Omgevingsplan Schouwen-Duiveland dat momenteel wordt opgesteld zijn gebiedsprofielen opgesteld. Een gebiedsprofiel is een omschrijving van een gebied (over onder andere identiteit en omgevingskwaliteiten).
In het kader van de voorbereidingen met betrekking tot de implementatie van de Omgevingswet omschrijven wij de volgende gebiedsprofielen (zie figuur 8):
Voor het ruimtelijk beleid worden de gebiedsprofielen: woongebied; centrumgebied en perifeer detailhandels gebied samengevoegd tot één gebiedsprofiel. De gebiedsprofielen voorzien wij op de volgende pagina’s van een korte kenschets. Vervolgens wordt per gebiedsprofiel beschreven wat de ambitie is met betrekking tot duurzame energie. Tot slot beschrijven we de criteria voor landschappelijke inpassing en koppelkansen.
Beeld zonnepanelen op een recreatieterrein
Het gebiedsprofiel verblijfsrecreatie omvat de grootschalige recreatieterreinen en verblijfs-recreatieve horeca op Schouwen-Duiveland. Het gaat om verschillende soorten bedrijven: Kampeerterreinen; Recreatiewoningenterreinen; Hotels en pensions buiten de kernen. De recreatievormen die niet binnen het gebiedsprofiel verblijfsrecreatie vallen zijn: pensions; mini-campings; B&B’s; recreatiewoningen & -appartementen in de kern en jachthavens.
Verminderen van de energie- en warmtevraag en de energie en warmte die wordt gebruikt wordt zoveel mogelijk duurzaam opgewekt. Landschappelijke inpassing van duurzame energieprojecten en zoeken naar koppelkansen met andere opgaven.
Beeld zonnepanelen op dak in een woongebied
Woon-, centrum- en perifeer detailhandelsgebied
Deze gebiedsprofielen bestaan uit overwegend monofunctionele woonstraten met een bruikbare toegankelijke groene openbare ruimte. Daarbij horen ook supermarkten, maatschappelijke voorzieningen als een kerk, dorpshuis, speeltuinen, volkstuinen en kleinschalige voorzieningen zoals een kapper, garage en café. De centrumgebieden kennen een meer gemixt karakter. In dit profiel bevinden zich ook monumenten en de beschermde dorps- en stadsgezichten.
Verminderen van de energie- en warmtevraag en de energie en warmte die wordt gebruikt wordt zoveel mogelijk duurzaam opgewekt. Dit met behoud van cultuurhistorische waarde van monumentale panden en beschermd dorps- en stadsgezicht.
Beeld zonnepanelen op het dak van een bedrijfshal
In dit gebiedsprofiel gaat het om de bedrijventerreinen waar verschillende (grote) bedrijven gevestigd zijn. Deze zijn onder te verdelen in:
Verminderen van de energie- en warmtevraag bij bedrijven. De energie en warmte die wordt gebruikt wordt zo veel mogelijk duurzaam opgewekt, waarbij het potentieel zon op dak zoveel mogelijk wordt benut.
Beeld zonnepanelen op het dak van een sportvereniging
Sport-, dagrecreatie en cultuur
Dit gebiedsprofiel gaat over locaties waar sprake is van sport, cultuur en dagrecreatieve voorzieningen als bijvoorbeeld sportverenigingen, havens, musea, etc.
Verminderen van de energie- en warmtevraag en de energie en warmte die wordt gebruikt wordt zoveel mogelijk duurzaam opwekken. Daarnaast willen we mogelijkheden bieden voor coöperatieve energieprojecten met leden van een betreffende vereniging.
Beeld zonnepark in het landelijk gebied
Dit gebiedsprofiel omvat de landbouwgronden, de (agrarische) erven en solitaire bedrijven buiten de kernen, de glastuinbouwbedrijven, de RWZI’s, woningen in het buitengebied en de gehuchten: de Beldert, Brijdorpe, Burghsluis, Capelle, Elkerzee, Looperskapelle, Moriaanshoofd en Nieuwerkerke (’t Schutje). (zie voor een uitgebreidere omschrijving van de ontstaanswijze van Schouwen-Duiveland, bijlage 2)
Verminderen van de energie- en warmtevraag bij agrarische bedrijven en de energie en warmte die wordt gebruikt wordt zoveel mogelijk duurzaam opgewekt. Stimuleren van energieneutraal maken van dorpen en wijken door coöperatieve zonne- energie projecten nabij bebouwingsconcentraties. We willen het karakter van het landelijk gebied behouden en de ruimtelijke kwaliteit verder versterken.
De opties voor duurzame energie worden per deelgebied geduid in de volgende alinea’s.
Landelijk gebied - Kop van Schouwen
De Kop van Schouwen bestaat voornamelijk uit duinlandschap. De vroongronden, oude en jonge duinen, de boswachterij (Domeinen) en het zoomgebied zijn hierin gelegen. Dit gebied is grotendeels aangewezen als Natura 2000-gebied en Natuurnetwerk Zeeland. Het oostelijke gedeelte van de Kop van Schouwen sluit qua landschap meer aan op de polder Schouwen. Een gebied met veel landschappelijke en bijzondere natuurwaarden.
Door de bijzondere natuurwaarden is dit gebied kwetsbaar voor duurzame energie en zal de gemeente zich hier terughoudend opstellen.
Beeld openheid polder Schouwen
Landelijk gebied - polder Schouwen
De polder Schouwen is het meest open gebied van het eiland. Dit gebied kenmerkt zich door laag- gelegen polders en langs de zuidrand gelegen natte natuurgebieden en inlagen. In de natuur-gebieden en inlagen komt vrijwel geen opgaande beplanting voor. De erven daarentegen liggen als groene eilandjes in de verder vrijwel lege polder en zijn hierdoor sterk beeldbepalend. Door deze openheid zijn er veel belangrijke zichtlijnen op de historische kernen.
Bewaken van de openheid van het gebied, aangezien dit de belangrijkste landschappelijke kwaliteit is. Waar behoud van openheid samen kan gaan met toepassing van duurzame energie is dit wenselijk.
Landelijk gebied - Polders van Zonnemaire en Bommenede
Deze polder kenmerkt zich door een halfopen landschap, de beplanting is vooral te vinden in de dorpen, op de dijken en langs de erven. Het meest opvallende kenmerk van deze polders is de bebouwing gelegen aan en op de dijken en het grote aantal rechte dijken die direct in het (her) verkavelingspatroon passen. Met name de bebouwde dijken zijn een belangrijke landschappelijke kwaliteit.
Stimuleren van de toepassing van duurzame energie zonder afbreuk te doen aan de gebiedskwaliteiten van dit landschap. Een kans om boerenerven beter landschappelijk in te passen.
Deze polder kenmerkt zich door enerzijds het bosrijke landgoederenkarakter van Schuddebeurs en anderzijds het open agrarisch gebied. De polder Noordgouwe heeft een cultuurhistorisch waarde- volle kern, met fraaie zichtlijnen en herkenbare dorpssilhouetten. De landgoedkarakteristiek is een belangrijke landschappelijke kwaliteit.
Stimuleren van de toepassing van duurzame energie zonder afbreuk te doen aan de gebiedskwaliteiten van dit landschap.
Landelijk gebied - Gouwepolders
De Gouwepolders hebben een meer besloten karakter dan de overige polders op het eiland. Ze zijn klein en smal met weinig bebouwing. De dijken vormen een heldere begrenzing. Hierdoor is de leesbaarheid van het landschap relatief groot. De openheid van het gebied is een belangrijke landschappelijke kwaliteit. Al is de schaalbeleving van Gouwepolders een andere beleving dan bijvoorbeeld de Polder Schouwen.
Stimuleren van de toepassing van duurzame energie zonder afbreuk te doen aan de gebiedskwaliteiten van dit landschap.
In dit gebied draait alles om het dorp Dreischor. Het ligt dan wel niet in het midden van de polder, maar het is toch vanuit bijna ieder punt in de polder het centrum. Daarnaast is het natuurlijk één van de kenmerkende ringdorpen van Schouwen- Duiveland. Het zicht op het dorpssilhouet en de Langeweg zijn belangrijke landschapskarakteristieken.
Stimuleren van de toepassing van duurzame energie zonder afbreuk te doen aan de gebiedskwaliteiten van dit landschap.
Landelijk gebied - Polders van Duiveland
In de polders van Duiveland komt relatief veel beplanting voor. Dit komt met name door boomgaarden met hagen, wegbeplantingen en wisselende erfbeplanting. Met name rond de kreken van Ouwerkerk komt veel opgaande beplanting voor. Daarentegen zijn de agrarische polders en de polders van Bruinisse open en grootschalig. Rond Sirjansland en Oosterland is sprake van grootschalige glastuinbouw. De groene sfeer en de landschappelijke variatie zijn belangrijke landschapskarakteristieken.
Stimuleren van de toepassing van duurzame energie zonder afbreuk te doen aan de gebiedskwaliteiten van dit landschap.
Natuur- en landschapsgebieden en de grote wateren
Dit gebiedsprofiel omvat de Natura 2000-gebieden en de gebieden die onderdeel zijn van het Natuurnetwerk Zeeland, dit gaat over gebieden op land en over de grote wateren rond Schouwen- Duiveland. Natura 2000-gebieden binnen de gemeentegrenzen van Schouwen-Duiveland zijn: Kop van Schouwen; De Voordelta; De Oosterschelde; De Grevelingen; De Krammer- Volkerak. De dammen, Grevelingendam en Brouwersdam, Philipsdam en de Oosterscheldekering vallen ook binnen dit gebiedsprofiel. De Oosterscheldekering en de Philipsdam hebben ook een belangrijke functie voor de opwekking van duurzame energie.
Natura 2000-gebieden en Natuurnetwerk Nederland (NNN) zijn uitgesloten voor de toepassing van duurzame energie. Grootschalige opwek van duurzame energie op de infrastructurele werken wordt gestimuleerd. In een zone van 100 meter breed grenzend aan natuurgebieden geldt een toetsingzone.
Het voornaamste uitgangspunt bij de toepassing van een duurzame energievoorziening in het landelijk gebied is het behouden van en investeren in gebiedskwaliteiten. Deze opgave vloeit rechtstreeks voort uit de Omgevingswet: ruimte voor vernieuwing, met behoud van kwaliteit. De gebiedskwaliteiten van het landschap van Schouwen-Duiveland zoals weergegeven in de ontwerp Omgevingsvisie Landelijk gebied zijn weergegeven in figuur 9.
Figuur 9: Duiding van gebiedskwaliteiten van het landelijk gebied van Schouwen-Duiveland (bron: ontwerp Omgevingsvisie Landelijk gebied)
3.3 Landschappelijke inpassing
Bij landschappelijke inpassing van ontwikkelingen in het landelijk gebied is het Landschappelijk Raamwerk (2007) richtinggevend. Als basisvorm wordt daarbij uitgegaan van een streekeigen opgaande beplantingsstrook met een breedte van 10 meter. Wanneer de ruimte hiervoor ontbreekt is inpassing door middel van een grondwal mogelijk. Deze grondwal dient een maaiveldbreedte van 5 meter te hebben en een minimale hoogte van 2 meter. Afhankelijk van de exacte locatie is maatwerk toegestaan.
Voor de landschappelijke inpassing van duurzame energie in het landelijk gebied kiezen wij voor streekeigen beplanting, waarbij de vorm van beplanting afhankelijk is van de landschappelijke eenheid waarin de locatie ligt en de situatie ter plaatse. Een uitgebreider overzicht van de landschappelijke eenheden en voorwaarden voor landschappelijke inpassing van duurzame energie is weergegeven in bijlage 3. Belangrijk hierbij is dat kansen om het landschap en de natuurwaarden te versterken zo optimaal mogelijk worden benut. Het bevorderen van de biodiversiteit is daarbij uitgangspunt. Daarnaast zijn wind- en zoutgevoeligheid belangrijke aandachtspunten. Het dient een uitvoerbaar inpassingsplan te zijn. Wat betreft soortenkeuze volgen we de adviezen van Stichting Landschapsbeheer Zeeland (SLZ: www.landschapsbeheerzeeland.nl).
De volgende typen beplanting zijn kenmerkend voor Schouwen-Duiveland:
Beplante dijken: Vanuit de algemene lijn streven we naar beplante binnendijken (m.u.v. de Delingsdijk). Een aantal binnendijken is met bomen beplant. Zo is bijvoorbeeld de Schouwse dijk gedeeltelijk beplant met notenbomen halverwege het talud, wat deze dijk een zeer herkenbaar beeld geeft. Naast bomenrijen komt ook een meer gevarieerde beplanting van bomen en struiken op dijken voor.
Beheer en onderhoud is bepalend voor de vorm en levensduur van de landschappelijke beplanting. Wanneer beheer en onderhoud onvoldoende aandacht krijgen verliest de inpassing aan kwaliteit. Een goed beheer- en onderhoudsplan is daarom belangrijk. Daarnaast dient dit na aanleg gehandhaafd te worden.
Bloemrijk grasland onder de panelen (bron: wur.nl)
Zonnepanelen gecombineerd met fruitteelt (bron: Trouw)
Zonnepark de Kwekerij, meerwaarde voor de omgeving (bron: B&W energy)
3.4 Meekoppelkansen zonnepanelen
Naast een goede landschappelijke inpassing streven wij ook naar meervoudig ruimtegebruik. Met behulp van meekoppelkansen kan hieraan invulling gegeven worden.
Met de toepassing van zonnepanelen zijn volop ingrepen te bedenken die de biodiversiteit verder versterken. De ligging van zonnepanelen dient aan te sluiten op de aanwezige ecologische waarden, zoals bijvoorbeeld specifieke maatregelen ten gunste van boerenland-vogels. Daarnaast kan gedacht worden aan maatregelen voor insecten, zoals inzaaien van kruidenrijk mengsel. Ook een educatieve koppeling kan gelegd worden, bijvoorbeeld een informatiepunt voor duurzame energie, biodiversiteit en landschap. Het stimuleren van de biodiversiteit valt of staat bij een goed beheer. Zo dient uitval van beplanting opnieuw te worden aangeplant. Ook dient bij het beheer rekening gehouden te worden met het broed- seizoen en wordt er pas gemaaid nadat het laatste zaad is gevallen. Een mogelijke kans is een predatorwerend hekwerk voor bescherming van grondbroedende vogels. Dit is slechts op zeer specifieke locaties interessant. (Zie bijlage 4 voor meer inspiratie voor ecologische inrichting van zonneparken)
Voor wat betreft klimaatadaptatie kan een zonnepark bijvoorbeeld ingezet worden als ruimte voor waterberging.
Een meekoppelkans voor recreatie is aansluiten op bestaande recreatieve routes in het landelijk gebied. Maatregelen die denkbaar zijn om toepassing van zonnepanelen recreatieve meerwaarde te geven zijn onder andere:
De toepassing van zonneparken met (extensief) agrarisch grondgebruik is een combinatie die niet direct voor de hand ligt. Toch wordt er momenteel op verschillende plekken geëxperimenteerd om beide vormen van landgebruik te kunnen combineren. Door panelen op een alternatieve wijze te plaatsen met een kleinere dichtheid wordt zorg gedragen voor voldoende licht en lucht voor een gezonde bodemgesteldheid. Een gezonde bodem is de voorwaarde die een effectieve landbouw mogelijk maakt. Daarnaast worden mogelijkheden gezien om zonnepanelen op waterbassins te plaatsen.
Deze meerwaarde kan bereikt worden door participatie. Uit onderzoek is gebleken dat het draagvlak voor zonneparken vergroot kan worden als omwonenden mee kunnen denken op welke manier het zonnepark meerwaarde kan leveren voor de omgeving.
4. Inpassings- en toetsingskader
Figuur 10: tabel met een overzicht van duurzame energievoorziening en de toepassing ervan per gebiedsprofiel
Bij de inpassing van hernieuwbare energie mogen we de kwaliteiten van het huidige landschap niet aantasten maar willen we deze versterken. Waar nodig lossen we knelpunten met betrekking tot de kwaliteit van het landschap op, zodanig dat het landschap zijn verhaal kan blijven vertellen. Belangrijk doel is de groene sfeer op het eiland te behouden en te versterken. Beplanting wordt daarom gebruikt als middel voor landschappelijke inpassing. Het nieuwe landschap dat ontstaat moet bruikbaar en waardevol zijn, nu, maar zeker ook in de toekomst.
Het energiebeleid is in eerste instantie gericht op het laten zien van de bandbreedte waarbinnen de ontwikkeling van duurzame energie mogelijk is. Het gaat in deze fase nog niet om gedetailleerde ontwerpen. Wel wil gemeente Schouwen-Duiveland in deze fase een inpassingskader voor duurzame energie opstellen. Dit kader brengt op overzichtelijke wijze de inpassingsverplichting voor initiatiefnemers in beeld. Daarmee biedt dit inpassingskader toekomstige initiatiefnemers vooraf heldere handvatten die wij later in de toetsing van de vergunningaanvraag als criteria kan benutten.
4.1. Gebiedsprofielen en potentiële ruimte voor duurzame energie
Op basis van de beschrijving van de gebiedsprofielen in hoofdstuk 3 geven wij per gebiedsprofiel weergegeven worden wat de mogelijkheden zijn voor de toepassing van duurzame energie. Zie de tabel op de volgende pagina (figuur 10).
Vervolgens omschrijven wij per energievoorziening welke in- en toepassingseisen gesteld worden.
Grootschalige windenergielocaties
Windturbines met een hoogte van meer dan 100m overstijgen de schaal van het landschap en zijn daarom niet langer landschappelijk in te passen. We spreken daarom in plaats van inpassing eerder van toepassing van windenergie in het landschap. De gemeente ziet geen uitbreidingsmogelijkheden van grootschalige windparken buiten de huidige locaties voor windenergie. Wel worden mogelijkheden gezien om de huidige locaties op te waarderen, waarbij het aantal turbine niet mag toenemen. Voor opwaardering zijn onderstaande toepassingsmaatregelen van kracht.
Algemene toe- en inpassingseisen:
Voor functioneel agrarische bedrijven in het buitengebied geldt dat 1 kleine windturbine is toegestaan op het bouwblok. Wij willen de openheid van het polderlandschap zo min mogelijk verstoren maar vinden dat agrariërs, die een zeer hoog elektriciteitsverbruik hebben, wel de mogelijkheid moeten krijgen om energieneutraal te worden. De voorwaarde hierbij is dat er een combinatie is met een substantieel aandeel zon op dak. Daarnaast wordt inspanning verwacht voor een kwalitatieve en robuuste landschappelijke inpassing van het erf. Uitvoering maximaal passend binnen provinciaal beleid.
Algemene toe- en inpassingseisen:
Mini-windturbines (o.a. windschoepen en windwokkels) zijn relatief nieuw en worden binnen de gemeente nog weinig toegepast. De gemeente wil mini-windturbines toestaan bij centrale voorzieningen in verblijfsrecreatie, op bedrijventerreinen, bij sport, dagrecreatie en cultuur, in het landelijk gebied en is maatwerk bij bedrijven en verenigingen in woongebied.
Algemene toe- en inpassingseisen:
Zonnepanelen* op daken (mits voor eigen gebruik) die geen monumentale status hebben of zich niet bevinden in het beschermd dorps- en stadsgezicht kunnen vergunningsvrij worden aangelegd, mits wordt voldaan aan de eisen genoemd onder artikel 2 lid 6 van bijlage 2 van het Besluit Omgevings Recht (BOR). Om te stimuleren dat de ruimtelijke kwaliteit behouden blijft, geven we ter inspiratie richtlijnen mee voor het plaatsen van zonnepanelen op bestaande daken. Voor monumenten, beschermd dorps- en stadsgezicht en nieuwbouw worden wel specifieke eisen gesteld.
Algemene toe- en inpassingseisen ( indien vergunningsplichtig , anders ter inspiratie):
Passend bij het dak zonder storende randen (bron: zaanzon.nl),
Specifieke eisen voor monumenten en beschermd dorps- en stadsgezicht:
Voor monumenten en beschermd dorps- en stadsgezicht geldt maatwerk dat in samenspraak met de welstandscommissie moet worden uitgewerkt en goedgekeurd. In lijn met de regels vanuit de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (RCE) hebben de gemeenten de mogelijkheid om een vergunning te verlenen voor het plaatsen van zonnepanelen op erfgoed in het zicht. Criteria zijn de mate van visuele verstoring en of er sprake is van een afgewogen ontwerp. Zie bijlage 6.
Hellende daken uit het zicht (voorkeur)
* waar gesproken wordt over zonnepanelen worden ook zonnecollectoren , zonneboilers en en PVT-panelen bedoeld
Zon-op-dak bij nieuwbouw (bron: zonnegilde.nl)
Specifieke eisen voor nieuwbouw:
Ook bij nieuwbouw gelden specifieke voorwaarden voor zonnepanelen.
Zonnepanelen achter meidoornhaag (bron: Jack de Vos)
Bij particuliere woningen zowel binnen als buiten de bebouwde kom is het mogelijk zonnepanelen te plaatsen in de tuin als het dak aantoonbaar ongeschikt is qua constructie of dat panelen onevenredige afbreuk doen aan de beeldkwaliteit van de woning. Voorwaarde is dat de opgewekte energie altijd voor eigen gebruik is.
Algemene toe- en inpassingseisen:
Specifieke eisen voorzon -in- tuinbinnen de bebouwde kom:
Specifieke eisen voorzon - in-tuin buiten de bebouwde kom:
Panelen niet zichtbaar vanuit het landschap (bron: Jack de Vos)
Indien voor eigenaren van een bedrijf binnen of buiten de bebouwde kom optie 1 (daken) aantoonbaar onvoldoende mogelijkheden bieden om voor eigen gebruik energieneutraal te zijn, is realisatie van zonnepanelen op maaiveld mogelijk. Daar waar een zonnepark vanuit ruimtelijk oogpunt een grotere impact heeft op het landschap, dient zwaarder ingezet te worden op de landschappelijke inpassing.
Algemene toe- en inpassingseisen:
Figuur 11: Maximale hoogte en afstand tot maaiveld
Figuur 12: 15% van de totale oppervlakte van zonnepanelen dient te worden ingezet voor vrije bodem
Specifieke eisen voor overkappingen:
Ook bij overkappingen ten behoeve van zonnepanelen gelden specifieke voorwaarden, namelijk:
Figuur 13: zonnepanelen voegen zich naar het bestaande verkavelingspatroon
Energielandschap Roggenplaat-West
Zon op waterbassin (bron: installatiejournaal.nl)
Er zijn mogelijkheden voor zon bij bestaande ‘energielandschappen’. Concreet betekent dit dat de aanleg van zonneparken mogelijk is bij de bestaande windparken Krammer en Roggenplaat die aangesloten zijn op een externe kabel voor de afvoer van energie.
Algemene toe- en inpassingseisen
Specifieke eisen voor energielandschap Krammer
Samen met het waterschap Scheldestromen wil de gemeente onderzoeken of het mogelijk is om zonnepanelen aan te leggen op bestaande watergangen die niet gelegen zijn langs wegen (watergangen tussen de akkers). Hier mogen de panelen te zien zijn. Er zijn mogelijkheden om op kleine schaal zonnepanelen aan te leggen op waterbassins.
Algemene toe- en inpassingseisen
Specifieke eisen voor zonnepanelen op waterbassins
Trede 6: Zon-nabij-bebouwingsconcentraties
Grootschalige zonneparken voor duurzame energieopwekking voor derden is binnen het bestaande energienetwerk niet mogelijk. Aangrenzend aan bebouwd gebied, zoals de kernen, bedrijventerreinen en recreatieparken zijn kleinschalige duurzame energieprojecten onder voorwaarden toegestaan. Het gaat hierbij om kleine coöperatieve zonne-energie-initiatieven ten behoeve van het energieneutraal worden van dorpen en wijken. Dit gebeurt altijd in overleg met de netbeheerder. Inwoners die geen mogelijkheden hebben om zelf zonnepanelen op het dak te plaatsen kunnen zich dan verenigen en samen zoeken naar een oplossing door bijvoorbeeld gebruik te maken van de Subsidieregeling Coöperatieve Energieopwekking (SCE) - voorheen postcoderegeling. Ook hier dient eerst gezocht te worden naar een groot geschikt dak voordat de zonnepanelen op het maaiveld worden toegepast. Per kern is maximaal één initiatief toegestaan.
Landschappelijke inpassing is voor deze initiatieven van groot belang. Daar waar sprake is van een fraaie verweving tussen bebouwing en het omliggende landschap dient dit karakter behouden te blijven en zo mogelijk verder te worden versterkt. Hier ligt de toepassing van zonnepanelen niet voor de hand. Waar een betere afronding van de dorpsrand of een dorpsuitbreiding op stapel staat, is een zorgvuldige groene inpassing tussen de bebouwing en het landschap vereist. Waar deze opgave gecombineerd kan worden met zonnepanelen behoort dit tot de mogelijkheden. In geen geval mag daarbij het zicht op de cultuurhistorisch waardevolle objecten verminderen.
Per kern zal het gaan om maatwerk. Voor deze trede hanteren wij daarom een stappenplan die gebruikt dient te worden om te komen tot de meest passende locaties:
Stap 1: landschappelijke context
Beoordeel de landschappelijke context van de kern. Het gaat om de visuele relatie vanuit het dorp naar de omgeving, maar ook omgekeerd. Denk aan vergezichten en open zichtlijnen. Zonneparken zijn altijd op ooghoogte (max. 1.50m). Waardevolle visuele relaties worden aangegeven op een kaart. Openheid op zich is niet voldoende, het moet voor de beleving in het dorp en de beleving van het dorp belangrijk zijn. Benoem per zichtlijn wat de visuele waarde is.
Kijk in stap 2 praktisch naar de locaties die geen belemmeringen vormen voor vergezichten en waardevolle open ruimtes. De locaties moeten aansluiten aan het bestaande bebouwd gebied, niet doorsneden worden door een weg (m.u.v. recreatieve routes) en een begrenzing hebben die in bestaande verkavelingspatronen past. Daarnaast moet er ook een buffer zijn tussen de locatie en de aangrenzende bebouwing. Als deze niet aanwezig is, moet deze in het ontwerp worden meegenomen.
Stap 3: Landschappelijke inpassing
Maak een lijstje van landschapselementen die in dat gebied gebruikt worden. Waarom en hoe kunnen ze worden ingezet om de locatie in te passen. En hoe zou dat voor de verschillende locaties kunnen? We willen het middel ‘dijk’ alleen inzetten als dit een oude dijklocatie is (dus reconstructie van dijken). Als het middel ‘dijk’ te kust en te keur wordt ingezet dan wordt het landschap van Schouwen-Duiveland onbegrijpelijk. Toepassing van een lage grondwal is maatwerk.
Zonneveld bij het dorp ‘t Zandt (bron: Eemskrant.nl)
Over de mogelijke locaties moet in deze stap meer uitgezocht worden. Er moet een overzicht gemaakt worden van de kansen, mogelijkheden, bedreigingen en problemen van de verschillende locaties. Na een stakeholderanalyse dienen alle betrokken partijen met elkaar in gesprek te gaan over de onderwerpen en zo tot meningsvorming komen. Bij het doorlopen van deze stap wordt duidelijk of een locatie geschikt is.
Stap 5: definitieve locatiekeuze
De verschillende stappen hebben inzicht gegeven in de mogelijkheden van de locatie. De definitieve locatie kan gekozen en onderbouwd worden.
Voor de locatie kan op basis van de voorgaande stappen een plan met wijze van inpassing voor het zonnepark worden opgesteld.
Algemene toe- en inpassingseisen:
De energietransitie kent nog veel onzekerheden wat betreft de technieken die kunnen worden ingezet voor de verduurzaming. Ontwikkelingen gaan snel. Om deze reden is in de Energie-Agenda van Schouwen-Duiveland gekozen om in stappen van 5 jaar aan te geven wat we gaan doen om de doelstelling van energieneutraal in 2040 te behalen. Dit om in ieder geval tussentijds rekening te kunnen houden met nieuwe ontwikkelingen op het gebied van verduurzaming van de energievraag.
De gemeente Schouwen-Duiveland wil bijdragen aan de verdere ontwikkelingen van alternatieve technieken door middel van onderzoek en pilots. Belangrijke aandachtspunten binnen de pilots is de monitoring en evaluatie. Energieopslag is nog in ontwikkeling en zou een oplossing kunnen zijn voor het ontlasten van het elektriciteitsnetwerk. De warmtetransitie is een complexe opgave. Voor Schouwen-Duiveland is het dominante transitiepad: zoveel mogelijk woningen isoleren, waar dat kan stimuleren van individuele hybride of elektrische warmtepompen of andere individuele oplossingen als bijvoorbeeld thermische collectoren en wijk- gericht onderzoeken naar collectieve alternatieven zoals energie uit water (aquathermie), bodemenergie, etc. Ook worden de ontwikkelingen op het gebied van waterstof gevolgd.
Specifieke eisen voor individuele warmtepompen
Voor wat betreft (kleinschalige) warmtepompen dienen deze te voldoen aan de wettelijke eisen. Hinder naar omwonenden dient ten alle tijden voorkomen te worden. Indien het plaatsen van een warmtepomp vergunningplichtig is, gelden de volgende welstandscriteria:
Specifieke eisen voor biovergisters
Biovergisters worden vaak geplaatst in aansluiting op bestaande boerenerven. Daarnaast zien we ook steeds vaker kleine installaties. Daarbij dient rekening gehouden te worden met de volgende specifieke eisen:
Specifieke eisen voor grootschalige energieopslag
Het moment dat elektriciteit uit duurzame bronnen wordt opgewekt komt vaak niet overeen met het moment van verbruik. Om dit te overbruggen wordt grootschalige energieopslag steeds interessanter. Deze grote batterijen vragen wel ruimte en zien er niet altijd even fraai uit. Daarom gelden hiervoor deze eisen:
Het klimaatakkoord maakt een onderscheid tussen participatie in de beleidsfase en projectparticipatie.
Participatie in de beleidsfase
In de beleidsvormende fase besluit de lokale overheid of er duurzame energieprojecten komen en zo ja, waar en hoe. Participatie is hier van belang om te verzekeren dat de ambities in overleg met de omgeving opgesteld worden. De wijze waarop belanghebbenden betrokken worden in het beleidsproces wordt vaak weergegeven in de participatieladder waar een onderscheid wordt gemaakt tussen de verschillende niveaus van participatie als: informeren, raadplegen, adviseren, coproduceren en meebeslissen. Bij het opstellen van het beleid duurzame energie zijn belanghebbenden geïnformeerd en geraadpleegd door middel van bijeenkomsten en konden zij meedenken via de interactieve website Denk Mee Schouwen-Duiveland.
Projectparticipatie is aan de orde als er een concreet duurzaam energieproject in beeld komt. Het vormgeven van de participatie ligt op dat moment grotendeels bij de initiatiefnemer.
Projectparticipatie is alle vormen van participatie in de ontwikkeling, bouw en exploitatie van een project, zowel procesparticipatie als financiële participatie. Procesparticipatie is de inhoudelijke betrokkenheid van belanghebbenden bij het ontwikkelen van beleid, strategie, visie of een project, gericht op besluitvorming, randvoorwaarden etc. Financiële participatie is het investeren in en/of voordeel ervaren van de opbrengsten van een initiatief of project. Bij financiële participatie wordt onderscheid gemaakt tussen actieve en passieve financiële participatie. Bij passieve financiële participatie wordt een deel van de opbrengsten van een hernieuwbaar energieproject gebruikt om de omgeving tegemoet te komen. Bij actieve financiële participatie is een ondernemend element aan de orde. Deze vorm is risicodragend voor de deelnemers. In de participatiewaaier van het Klimaatakkoord (figuur 14) zijn de opties voor projectparticipatie bij zon- en windprojecten weergegeven. De participatiewaaier is weergegeven op de volgende pagina.
Kaders voor participatie zijn te vinden in het Klimaatakkoord, Regionale Energietrategie Zeeland en de Omgevingswet (Ow) die naar verwachting in januari 2024 in werking zal treden en in de verschillende gedragscodes als de gedragscode wind op land en de gedragscode zon op land.
In het Klimaatakkoord is vastgelegd dat de participatiewaaier wordt gehanteerd gedurende het proces om te komen tot een wenselijke en haalbare vormgeving van omgevingsparticipatie in een project. Afspraken met de omgeving worden vastgelegd in een omgevingsovereenkomst. Op basis hiervan wordt een projectplan en participatieplan gemaakt, waarin wordt beschreven hoe participatie binnen het project optimaal wordt ingericht. Het bevoegd gezag controleert dat initiatiefnemers en omgeving hierover het gesprek aangaan en aan de voorwaarden voor participatie wordt voldaan. Het bevoegd gezag kan bovendien ook nadere eisen stellen. Voor wat betreft lokaal eigendom is in het Klimaatakkoord afgesproken dat er sprake moet zijn van “een evenwichtige eigendomsverdeling in een gebied waarbij gestreefd wordt naar 50 % lokaal eigendom van de productie (burgers en bedrijven).
Figuur 14: Participatiewaaier (www.Klimaatakkoord.nl)
Regionale Energie Strategie Zeeland (RES-Zeeland)
In de RES- Zeeland zijn uitgangspunten opgenomen voor participatie. De energietransitie is niet alleen een technisch en economisch vraagstuk, maar ook een maatschappelijke beweging. Om die beweging te kunnen maken is het belangrijk inwoners, bedrijven en maatschappelijke organisaties te betrekken bij de energietransitie. Daarin maken we onderscheid tussen procesparticipatie en financiële participatie. In de Regionale Energie Strategie Zeeland is afgesproken dat Zeeuwse partners zich inspannen om, in de helft van alle wind- en zonprojecten, een vorm van burgerparticipatie te realiseren. Hierbij wordt een belangrijk onderscheid gemaakt in de soort participatie. We onderscheiden participatie in de volgende 5 onderdelen/ mogelijkheden: 1. Procesparticipatie in het project 2. Mede-eigenaarschap 3. Financiële deelneming 4. Omgevingsfonds 5. Omwonendenregeling.
De Omgevingswet gaat uit van minder regels en meer betrokkenheid van burgers bij de ruimtelijke inrichting van de omgeving. Het beschermen en benutten van de leefomgeving wordt daarmee een gezamenlijke verantwoordelijkheid van overheid, bedrijven en burgers. De wet biedt ruimte voor de samenleving om initiatieven te ontplooien en voor het bevoegd gezag om daarbij burgerparticipatie te eisen. Dat wil zeggen “het in een vroegtijdig stadium betrekken van belanghebbenden bij het proces van de besluitvorming over een project of activiteit”. De nieuwe wet is relevant voor duurzame energieprojecten.
Het omgevingsplan vertaalt de doelen en het beleid uit de gemeentelijke omgevingsvisie en de programma’s naar juridische regels. Denk hierbij aan het toewijzen van functies aan locaties, het toestaan of niet toestaan van bepaalde activiteiten in bepaalde gebieden, algemene regels en meldingsplichten bij activiteiten, vergunning- plichten en beoordelingsregels en regels over omgevingswaarden. Bij het opstellen van een omgevingsplan is participatie heel belangrijk.
Als een gemeente een omgevingsplan gaat maken dan moet ze daarvan een kennisgeving doen. In die kennisgeving staat hoe de gemeente participatie zal gaan vormgeven.
Stelt een gemeente een omgevingsplan vast? Dan moet daar in staan hoe zij burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere bestuursorganen bij de voorbereiding betrokken heeft. En ook wat de gemeenten met de resultaten heeft gedaan.
Wie de gemeente bij de vroegtijdige participatie betrekt, hangt af van het type omgevingsplan, de aard, de omvang en invloed op de fysieke leefomgeving. De verplichtingen voor participatie bij het omgevingsplan staan in artikel 10.2 lid 1 en 2 van het Omgevingsbesluit
In de Denkwijze(r) voor goede participatie staan de volgende aandachtspunten bij het inrichten van participatie bij een omgevingsplan:
De initiatiefnemer moet bij het aanvragen van een vergunning aangeven of -en zo ja, hoe- aan participatie is gedaan en wat de resultaten daarvan zijn. Het bevoegd gezag betrekt deze informatie bij de integrale belangenafweging. Bij het aanvragen van een omgevingsvergunning is de initiatiefnemer verantwoordelijk voor het organiseren van participatie.
Deze gedragscode biedt projectontwikkelaars handvatten voor het in een zo vroeg mogelijk stadium betrekken van de omgeving bij windprojecten. Projectontwikkelaars die lid zijn van Nederlandse Windenergie Associatie (NWEA) en Energie Samen zijn via deze twee brancheorganisaties automatisch gebonden aan de code. Naast voorwaarden voor een gebiedsgerichte aanpak, aandacht voor innovatie en natuur en landschap bevat de gedragscode voorwaarden voor procesparticipatie en financiële participatie.
In een zo vroeg mogelijk stadium en uiterlijk voorafgaand aan het ruimtelijke ordeningsproces wordt door de initiatiefnemers of het bevoegd gezag een participatieplan opgesteld. Uitgangspunt is dat alle belanghebbenden op gelijkwaardige wijze meewerken aan het opstellen hiervan. De gesprekken met en tussen hen leveren informatie op voor keuzes ten aanzien van participatieniveau, betrokkenheid en financiële participatie. In het participatieplan wordt concreet beschreven hoe deze procesparticipatie vorm krijgt. Het participatieplan behandelt in ieder geval de volgende punten:
Duidelijke communicatie over op welke momenten de omgeving betrokken wordt en met welke frequentie. De initiatiefnemer geeft in overleg met de vergunningverlenende overheid - in het participatieplan én gedurende het proces - steeds duidelijk aan welke mogelijkheden er (nog) zijn voor aanpassingen in de planvorming;
Concrete afspraken in de gedragscode voor financiële participatie zijn:
De zonnesector heeft een eigen gedragscode vergelijkbaar met die van Wind op Land. Deze kan ook in acht worden genomen bij de beoordeling van een initiatiefnemer van een project. De drie principes uit de leidraad die leidend zijn voor initiatiefnemers en ondertekenaars van de gedragscode zijn:
Meerwaarde omgeving: Naast economische motieven voor ontwikkelaar en grondeigenaar spelen er voor de omgeving andere belangen zoals landschap, biodiversiteit en financiële waarde voor de omgeving. De sector neemt het principe op zich dat, in overleg met stakeholders, het zonneveld per saldo een verbetering voor de landschappelijke en natuurwaarde van het gebied betekent.
Oorspronkelijk grondgebruik mogelijk: Zonneparken worden zo ingericht dat er geen onomkeerbare ontwikkeling plaats vindt. Het oorspronkelijke of een ander grondgebruik moet, indien gewenst door grondeigenaar en bevoegd gezag, na het zonneveld weer mogelijk zijn; zowel beleidsmatig als fysiek. Daarbij hoort ook dat de sector zorgt dat er geen vervuiling optreedt of dat er spullen achter blijven.
De initiatiefnemer doorloopt een proces om te komen tot een wenselijke en haalbare vormgeving van participatie. Het gaat hierbij om de participatiewaaier; dit kan zijn procesparticipatie, financiële participatie, financiële obligaties, eigendomsparticipatie, een omgevingsfonds of een combinatie hiervan. Het bevoegd gezag controleert dat initiatiefnemers en omgeving hierover het gesprek aangaan. Afspraken met de omgeving worden bij voorkeur vastgelegd in een omgevingsovereenkomst.
Gedragscode acceptatie en participatie
Geothermie De geothermiesector heeft een eigen gedragscode namelijk de gedragscode omgevingsbetrokkenheid bij aardwarmteprojecten. In deze gedragscode zijn voorwaarden opgenomen voor:
De handleiding participatieplan geeft een uitgebreid overzicht van de stappen bij beleidsvorming en mogelijke instrumenten om participatie toe te passen bij windprojecten. Veel van de informatie geldt ook voor projecten met andere vormen van duurzame energie, het document kan daarom ook handvatten bieden voor andere duurzame energieprojecten. Het participatieplan gaat uit van vijf projectfases namelijk:
Voor alle fase geeft de handleiding participatie- instrumenten die in de betreffende fase kunnen worden ingezet.
5.2 Participatie in ruimtelijk Beleid Duurzame energie
In deze paragraaf stellen we de voorwaarden waar initiatiefnemers bij duurzame energieprojecten aan moeten voldoen. Hierbij maken we onderscheid in kleinschalige projecten voor opwek voor eigen gebruik en grootschalige projecten voor opwek derden.
Grootschalige projecten voor opwek derden moeten voldoen aan de voorwaarden die zijn neergelegd in de gedragscodes Wind-op-Land, Zon-op-Land en Acceptatie en participatie Geothermie. Concreet betekent dit dat:
bij grootschalige windprojecten voldaan moet worden aan de voorwaarden die in de gedragscodes zijn gesteld voor een gebiedsgerichte aanpak, innovatie en natuur en landschap.
Bij grootschalige zonprojecten moet voldaan worden aan de drie principes: 1. Samen met stakeholders; 2. Meerwaarde omgeving en 3. Oorspronkelijk grondgebruik mogelijk.
Bij geothermieprojecten moet voldaan worden aan de voorwaarden uit de gedragscode van 1. Communicatie en dialoog; 2. Omgevingseffecten en 3. Kwaliteit van de leefomgeving.
Voorwaarden voor procesparticipatie.
Bij alle duurzame energieprojecten, zowel kleinschalig als grootschalig, moet de omgeving in een vroegtijdig stadium worden meegenomen. Vooruitlopend op de Omgevingswet zijn de vereisten als volgt:
Voorwaarden voor financiële participatie
Bij financiële participatie wordt onderscheid gemaakt tussen actieve en passieve financiële participatie. Bij passieve financiële participatie wordt een deel van de opbrengsten van een hernieuwbaar energieproject gebruikt om de omgeving tegemoet te komen. Bij actieve financiële participatie is een ondernemend element aan de orde. In de participatiewaaier wordt onderscheid gemaakt tussen vier vormen van financiële participatie namelijk: mede-eigenaarschap, financiële deelneming, omgevingsfonds en omwonendenregeling. De eerste twee vormen zijn een vorm van actieve participatie en de laatste twee vormen zijn passieve participatie.
Voorwaarden voor financiële participatie voor duurzame energieprojecten in Schouwen-Duiveland zijn:
Bijlage 2. Historische ontwikkeling
Het landschap van Zeeland is het resultaat van de combinatie van omvangrijke natuurlijke gebeurtenissen en het ingrijpen van de mens. Eeuwenlang bouwden de bewoners van Schouwen- Duiveland aan hun eiland. Het was een voortdurende interactie met de zee. Naast doorbraken en afkalvingen vonden ook aanslibbing, landaanwinning en zandinblazing plaats. Tussen 1000 en 1300 werd vanuit de zee veel zand aangevoerd en ontstond het duingebied ‘De Kop van Schouwen’. Dit is het breedste duingebied van Zeeland, met duinen tot 35 meter hoog. De dynamiek waarmee dit gebied gevormd is, is nog steeds goed af te lezen uit de verschillende verschijningsvormen van duinen in het gebied. De stormvloed van 1134 was directe aanleiding om Schouwen te gaan bedijken. In diezelfde periode kregen ook de eilanden Dreischor, Bommenede en Duiveland ringdijken. In de dertiende eeuw vormden Dreischor en Sirjansland samen één eiland. Door een dijkdoorbraak werd Sirjansland gescheiden van Dreischor. Hierbij ontstond de geul het Dijkwater. In 1374 werd het noordelijke deel van de Gouwe afgedamd. De Noordgouwe polder ontstond en het eiland van Dreischor werd verbonden met Schouwen. Er volgde een reeks nieuwlandpolders die een minder roerige geschiedenis kennen dan vele andere delen van het eiland. In 1610 werden de eilanden Schouwen en Duiveland aan elkaar verbonden. Van de stormvloeden, die het gebied troffen, was die van 1953 het meest aangrijpend. Afgezien van de duinen en het gebied tussen Schouwen en Duiveland werd het eiland door zeewater overspoeld.
Het dijkenlandschap van de polders van Duiveland
Duinlandschap van Kop van Schouwen
Het open polderlandschap van Schouwen
Typisch voor Schouwen-Duiveland zijn de vele inlagen. We vinden deze zowel aan de noord- als aan de zuidkust van het eiland. Inlagen en inlaagdijken werden aangelegd op plekken waar de bestaande zeedijk wegens oever- en dijkvallen dreigde in te storten. Om dit te voorkomen werd achter de instabiele zeedijk een ‘reservedijk’ aangelegd, de zogenaamde inlaagdijk met daartussen de inlaag. Naast de inlagen en dijken herinneren ook de wielen of welen (doorbraakkolken) en de kreken aan de strijd tegen het water. Een zeer tastbare en sprekende herinnering aan deze roerige geschiedenis van land en zee, is de Plompetoren. In 1581 werd de inlaagdijk dwars door het dorp Koudekerke gelegd. De kerktoren werd niet afgebroken, hij bleef dienen als baken voor de scheepvaart. Na de ramp van 1953 was een groot deel van het oude landschap verdwenen. Oude sloten lagen vol zand en bijna alle beplanting was dood. Het was sowieso de tijd van de ruilverkavelingen in Nederland, overal werd het landschap gemoderniseerd. Op Schouwen- Duiveland was de moderniseringsslag (grote landbouwkavels en rechte sloten) door de combinatie van de ramp en de tijdsgeest ingrijpend. Echter de dijken, ook de binnendijken, bleven nagenoeg ongewijzigd. Dat met uitzondering van het gebied tussen Schouwen en Duiveland. Daar verdween een deel van de binnendijken.
Door de historische ontwikkelingen kenmerkt Schouwen-Duiveland zich door een grote verscheidenheid aan landschappen. Het gaat daarbij om zaken als maat en schaal, aanwezigheid van kenmerkende elementen en structuren, zichtlijnen, leesbaarheid van de geschiedenis, aanwezigheid van (micro)reliëf etc. De landschappelijke structuur bestaat uit het onderscheid in oudland en nieuwland, de kenmerkende buitenrand, de binnendijken, de wegen, de waterlopen, de compacte kernen de groene erven. Tezamen dragen zij bij aan de kernkwaliteiten groen, weidsheid en diepte.
Allereerst kenmerkt Schouwen-Duiveland zich van oorsprong door een tweedeling in wat we noemen oudland en nieuwland. Het oudland zijn gebieden die natuurlijk zijn ontstaan door ophoping van zand in de kreken en gebieden waar klei op veengrond is afgezet. In het oudland vestigden mensen zich voornamelijk op de kreekruggen die hoger en droger waren dan de aangrenzende poelgronden. De verkaveling is van oorsprong door natuurlijke patronen gevormd en daardoor onregelmatig. De ramp van ’53 heeft echter gezorgd voor herverkaveling waardoor de verkaveling hier regelmatiger is. De ´nieuwe´ verkaveling is nagenoeg overal blokvormig. In tegenstelling tot wat men zou verwachten, kent op Schouwen- Duiveland het oudland de grootste vergezichten. Het nieuwland is door mensenhanden ontstaan. Dit kon gebeuren door opwas of aanwas. Opwas is het aanleggen van een dijk rond een kwelder die inmiddels hoog genoeg was opgeslibd. Aanwas is het laten opslibben van een al bestaande dijk. Het nieuwland heeft een regelmatige verkaveling. De kreekruggen als onderdeel van het nieuwland worden gekenmerkt door verspreid liggende boomgaarden en beplante kavelgrenzen in de vorm van singels en landschapshagen.
De strijd tegen het binnenwater heeft op Schouwen gevolgen gehad voor het landschap. Door de aanleg van een ringdijk in het midden van de negentiende eeuw werd een afscheiding gecreëerd: in het zuiden het lage deel, voor een groot deel overeenkomend met het huidige natuurgebied, en daar buiten een gebied dat sindsdien veel beter kon worden benut voor akkerbouw. Dat laatste gestimuleerd door de inwerkingtreding van het stoomgemaal Schouwen in 1877. Toonde het landschap van Schouwen in het laatst bedoelde deel variatie, in het kader van de herverkaveling na 1953 werd besloten Schouwen een geheel open karakter te geven. Het was een menselijke ingreep. Dat gold ook voor de toen aangelegde Delingsdijk, dwars door Schouwen. Die was bedoeld om te zorgen dat bij een nieuwe stormvloed niet geheel Schouwen opnieuw zou onderlopen. Reeds bij de aanleg ervan werd het nut betwijfeld.
De huidige waterkering is het resultaat van een groot aantal deelstappen die over een periode van honderden jaren zijn uitgevoerd. Daarom is de ‘buitendijk’ een uiterst waardevol verhaal, een archief van gebeurtenissen. De zichtbaarheid en de beleving van de dijken zijn van grote kwaliteit. De dijken zijn bepalend voor de landschapsstructuur, de historische context en de beleving van omgevingskwaliteiten die je op de rand ervaart.
De dijken maken het eiland. Er zijn twee grote verhalen die samenhangen met de dijken. Het eerste verhaal is het ‘groei’ verhaal van Schouwen- Duiveland dat door de dijken verteld wordt. De meeste opeenvolgende landaanwinningen hebben een eigen dijk die op veel plekken ook nog aanwezig is. Er is een aantal ‘driedijkenpunten’ waar dit verhaal het sterkste zichtbaar is. Alle dijken die deel uitmaken van het ‘wordingsverhaal’ zijn waardevol. Een belangrijke gebiedskwaliteit is de beleving van het landschap vanaf de dijk. De diepte van het beeld is daar het beste te ervaren. Omdat de dijken bijna de enige gebogen lijnen in dit landschap zijn is dit extra goed waarneembaar. De vorm van de dijk is dan ook waardevol. Een bijzonder punt van de dijken, met uitzondering van de Oosterscheldedijk is dat ze overgedimensioneerd zijn. Ze zijn nog wel opgenomen in het waterkeringssyteem maar niet verhoogd of aangepast. Door de overmaat van de dijken is er ruimte voor bomen en verwildering van beplanting. Hier en daar gebeurt dat ook. De overmaat is een waardevolle kwaliteit van de dijken.
Het bestaande stelsel van beplante wegen geeft uitdrukking aan het agrarische landschap dat na 1953 is aangelegd. Hierin komen de verschillen tussen de diverse polders van Schouwen-Duiveland het beste tot uiting. Nu we gaan inzetten op bomen op de dijken willen we de wegbeplanting daarmee in samenhang ontwikkelen. Nabij dijken willen we vooral de wegen die naar de dijken toelopen meer aandacht gaan geven. Daarmee ontstaat het hoofdpatroon. Waar beplante wegen beplante dijken kruisen ontstaan bijzondere punten. Ook het netwerk van wegbeplantingen heeft invloed op het diepe landschap. Daar waar deze beplanting dichter is, ontstaat een coulissenlandschap. Omdat er niet overal bomenrijen staan is hier en daar het landschap in de volle diepte waarneembaar.
De gemeente kent twee steden, Zierikzee en Brouwershaven. Deze steden zijn aangewezen als beschermd stadsgezicht. Daarnaast zijn er vijftien dorpen en twaalf gehuchten, voor het merendeel gekrompen dorpen. De dorpen Dreischor en Noordgouwe zijn aangewezen als beschermd dorpsgezicht. Binnen de gemeente zijn 825 objecten aangewezen als beschermd gebouwd, groen of archeologisch rijksmonument en zijn 315 objecten aangewezen als gemeentelijk monumenten, waarvan het overgrote deel in Zierikzee.
De meeste dorpen nemen een beperkt deel van de horizon in beslag en kennen een zekere compactheid. De kernen hebben in de meeste gevallen een groene uitstraling. Gebouwen mogen zichtbaar zijn en voegen dan vaak wat toe aan het beeld maar wel als onderdeel van een groene setting. Waar de groene uitstraling ontbreekt wordt de kernkwaliteit aangetast. Groene overgangen van stad naar land zijn een belangrijke kwaliteit.
De ruime groene erven in het landelijk gebied geven veel mogelijkheden voor ontwikkeling van groen. Met ‘groen’ wordt bedoeld dat de algehele indruk van het erf een groene oase is en dat de gebouwen zich daar in voegen. Gebouwen mogen best zichtbaar zijn maar, zeker vanuit het landschap, niet overheersen. Groene erven dragen bij aan de kwaliteit van weidsheid en diepte van het landschap die uniek is voor Schouwen-Duiveland.
Bijlage 3. Landschappelijke inpassing per landschapseenheid
Bijlage 4. Tabel ecologische inrichting zonneparken
( bron : Literatuurstudie en formulering richtlijnen voor een ecologische inrichting van zonneparken in de provincies groningen en noord-Holland )
Tabel 1. Algemene aanbevelingen voor ecologische inrichting van zonneparken gebaseerd op de beschikbare literatuur.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-283113.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.