U bekijkt een publicatie met

Toon versie van document

Wijzigingsbesluit Werklandschap Overasselt (fase 1) Omgevingsplan gemeente Heumen

De gemeenteraad van de Gemeente Heumen maakt bekend dat de wijziging van het omgevingsplan is vastgesteld tijdens de raadsvergadering van 5 juni 2025.

Artikel I

Dewijziging van het "Omgevingsplan gemeente Heumen", opgenomen in Bijlage A, wordt vastgesteld.

Artikel II

De onderbouwing voor de wijziging van het omgevingsplan is opgenomen in de Motivering met bijbehorende nota van zienswijzen, opgenomen in II Overzicht Documentenbijlagen.

Artikel III

Dit wijzigingsbesluit treedt in werking vier weken na bekendmaking ervan.

Aldus besloten door de gemeenteraad van de gemeente Heumen, 5 juni 2025.

drs. M.J.H.N. Collombon, griffier

mr. J.W.M.S. Minses, voorzitter

Bijlage A Bijlage bij artikel I

A

Hoofdstuk 1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 1 ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

Artikel 1.2 Meet- en rekenbepalingen

Bijlage IV bij dit omgevingsplan bevat meet- en rekenbepalingen voor de toepassing van dit omgevingsplan.

Artikel 1.3 Geometrische begrenzingen

Bijlage I bij dit omgevingsplan bevat de geometrische begrenzingen voor de toepassing van dit omgevingsplan.

B

Hoofdstuk 2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 2 Doelen

[Gereserveerd]

Afdeling 2.1 Doelen omgevingsplan

Artikel 2.1 Doelen omgevingsplan

Dit omgevingsplan is, met het oog op de doelen van artikel 1.3 Omgevingswet, gericht op:

  • a.

    het waarborgen van de veiligheid;

  • b.

    het beschermen van de gezondheid;

  • c.

    het waarborgen van een goed woon- en leefklimaat;

  • d.

    het bevorderen van de verkeersveiligheid;

  • e.

    het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen;

  • f.

    het beperken van hinder;

  • g.

    het beschermen van het uiterlijk aanzien van de openbare ruimte;

  • h.

    het voorkomen van hinder en gevaar voor het wegverkeer;

  • i.

    het beschermen van het openbaar groen;

  • j.

    het versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat;

  • k.

    het stimuleren van een toekomstbestendige economische ontwikkeling; 

  • l.

    het kunnen benutten van de openbare ruimte;

  • m.

    het bieden van ruimte voor beheer en onderhoud;

  • n.

    het voorkomen of beëindigen van overlast;

  • o.

    het bereiken van een hoge kwaliteit van het openbaar gebied; en

  • p.

    het beschermen van het milieu.

C

Het opschrift van hoofdstuk 3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 3 Programma's

D

Hoofdstuk 4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 4 Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving

[Gereserveerd]

Afdeling 4.1 Algemene bepalingen

Artikel 4.1 Toepassingsbereik

Een paragraaf in hoofdstuk 5 is alleen van toepassing voor zover dat in Hoofdstuk 4 is bepaald.

Artikel 4.2 Normadressaat

Aan de hoofdstukken 4 tot en met 8 wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij anders is bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.  

Artikel 4.3 Specifieke zorgplicht

Degene die een activiteit als bedoeld in dit hoofdstuk verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de oogmerken, met het oog waarop de regels in de betreffende titel, afdeling of paragraaf zijn gesteld, is verplicht: 

  • a.

     alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

  • b.

    voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en 

  • c.

    als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten, voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. 

Artikel 4.4 Algemene gegevens bij een melding

Een melding wordt ondertekend en bevat ten minste:

  • a.

    de aanduiding van de activiteit;

  • b.

    de naam en het adres van degene die de activiteit verricht;

  • c.

    het adres waarop de activiteit wordt verricht; en

  • d.

    de dagtekening.

Artikel 4.5 Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden

Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders, worden die ondertekend en voorzien van: 

  • a.

    de aanduiding van de activiteit;

  • b.

    de naam en het adres van degene die de activiteit verricht;

  • c.

    het adres waarop de activiteit wordt verricht; en

  • d.

    de dagtekening.

Artikel 4.6 Gegevens bij het wijzigen van naam, adres of normadressaat 
  • 1.

    Voordat de naam of het adres, bedoeld in de artikelen 4.4 of 4.5, wijzigen, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders. 

  • 2.

    Ten minste vier weken voor de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders. 

Artikel 4.7 Gegevens en bescheiden op verzoek van het college van burgemeester en wethouders
  • 1.

    Op verzoek van het college van burgemeester en wethouders worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels in dit hoofdstuk en maatwerkvoorschriften op grond van dit hoofdstuk voor de activiteit toereikend zijn, gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van de fysieke leefomgevingen de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van de fysieke leefomgeving.

  • 2.

    Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.

Artikel 4.8 Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval
  • 1.

    Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het college van burgemeester en 

    wethouders: 

    • a.

      informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval 

      zich heeft voorgedaan; 

    • b.

       informatie over de vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen; 

    • c.

      andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen 

      inschatten; en 

    • d.

      informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het 

      ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet.

  • 2.

    Het eerste lid geldt niet voor milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving

Afdeling 4.2 Thema's

[Gereserveerd]

Afdeling 4.3 Gebiedstypen

Paragraaf 4.3.1 Algemeen
Artikel 4.9 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze afdeling gaat over de volgende activiteiten met gebruiksruimte:

    • a.

      agrarische activiteiten;

    • b.

      bedrijfsactiviteiten;

    • c.

      detailhandelsactiviteiten;

    • d.

      dienstverleningsactiviteiten;

    • e.

      horeca-activiteiten;

    • f.

      infrastructuuractiviteiten;

    • g.

      kantooractiviteiten;

    • h.

      maatschappelijke activiteiten;

    • i.

      recreatie-activiteiten;

    • j.

      sportactiviteiten; en

    • k.

      woonactiviteiten.

  • 2.

    Deze afdeling gaat niet over het verrichten van activiteiten met gebruiksruimte binnen openbaar toegankelijk gebied.

Paragraaf 4.3.2 Bedrijventerrein
Artikel 4.10 Aanwijzing gebiedstype

Er is een gebiedstype 'bedrijventerrein'. 

Artikel 4.11 Doelen

Binnen het bedrijventerrein gelden de volgende doelen, bedoeld in artikel 2.1:

  • a.

    het waarborgen van een gezonde fysieke leefomgeving en een aantrekkelijk woon- en leefklimaat;

  • b.

    het bevorderen van een goede bereikbaarheid;

  • c.

    het waarborgen van de veiligheid; 

  • d.

    het beperken van hinder; 

  • e.

    het kunnen benutten van de openbare ruimte;

  • f.

    het stimuleren van een toekomstbestendige economische ontwikkeling; en

  • g.

    het versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat.

Artikel 4.12 Insluiten activiteiten met gebruiksruimte

Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden binnen het bedrijventerrein, voor zover het gaat om activiteiten met gebruiksruimte als bedoeld in artikel 4.9, alleen de volgende activiteiten verricht:

  • a.

    bedrijfsactiviteiten;

  • b.

    detailhandelsactiviteiten;

  • c.

    dienstverleningsactiviteiten;

  • d.

    kantooractiviteiten; 

  • e.

    sportactiviteiten; en

  • f.

    woonactiviteiten.

Artikel 4.13 Bedrijfsactiviteiten
  • 1.

    Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden de volgende bedrijfsactiviteiten niet verricht:

  • 2.

    Bij het verrichten van bedrijfsactiviteiten wordt voldaan aan:

    • a.

      paragraaf 5.2.1 Geluidveroorzakende activiteit verrichten - bedrijventerrein;

    • b.

      paragraaf 5.2.2 Geluidveroorzakende activiteit verrichten - milieuzonering;

    • c.

      paragraaf 5.2.5 Gebouw met parkeerbehoefte toevoegen - bedrijventerrein; en

    • d.

      paragraaf 5.4.1 Bedrijfsactiviteit verrichten - bedrijventerrein.

Artikel 4.14 Detailhandelsactiviteiten
  • 1.

    Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden detailhandelsactiviteiten alleen verricht als deze productiegebonden zijn en functioneel ondersteunend zijn aan een andere activiteit met gebruiksruimte die op grond van artikel 4.12 is ingesloten binnen het bedrijventerrein.

  • 2.

    Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bij detailhandelsactiviteiten voldaan aan:

    • a.

      paragraaf 5.2.1 Geluidveroorzakende activiteit verrichten - bedrijventerrein;

    • b.

      paragraaf 5.2.5 Gebouw met parkeerbehoefte toevoegen - bedrijventerrein; en

    • c.

      paragraaf 5.5.1 Detailhandelsactiviteiten - bedrijventerrein.

Artikel 4.15 Dienstverleningsactiviteiten
  • 1.

    Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden dienstverleningsactiviteiten alleen verricht als deze functioneel ondersteunend zijn aan het verrichten van een sportactiviteit.

  • 2.

    Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bij detailhandelsactiviteiten voldaan aan:

    • a.

      paragraaf 5.2.1 Geluidveroorzakende activiteit verrichten - bedrijventerrein; en

    • b.

      paragraaf 5.2.5 Gebouw met parkeerbehoefte toevoegen - bedrijventerrein.

Artikel 4.16 Kantooractiviteiten

Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bij kantooractiviteiten voldaan aan:

  • a.

    paragraaf 5.2.1 Geluidveroorzakende activiteit verrichten - bedrijventerrein;

  • b.

    paragraaf 5.2.5 Gebouw met parkeerbehoefte toevoegen - bedrijventerrein; en

  • c.

    paragraaf 5.9.1 Kantooractiviteit verrichten - bedrijventerrein.

Artikel 4.17 Sportactiviteiten

Bij het verrichten van bedrijfsactiviteiten wordt voldaan aan:

  • a.

    paragraaf 5.2.1 Geluidveroorzakende activiteit verrichten - bedrijventerrein;

  • b.

    paragraaf 5.2.2 Geluidveroorzakende activiteit verrichten - milieuzonering;

  • c.

    paragraaf 5.2.5 Gebouw met parkeerbehoefte toevoegen - bedrijventerrein; en

  • d.

    paragraaf 5.12.1 Sportactiviteit verrichten - bedrijventerrein.

Artikel 4.18 Woonactiviteiten

Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bij woonactiviteiten voldaan aan:

  • a.

    paragraaf 5.2.3 Geluidgevoelig gebouw toevoegen - bedrijventerrein;

  • b.

    paragraaf 5.2.4 Geluidgevoelig gebouw toevoegen binnen een aandachtsgebied - bedrijventerrein;

  • c.

    paragraaf 5.2.5 Gebouw met parkeerbehoefte toevoegen - bedrijventerrein;

  • d.

    paragraaf 5.13.1 Wonen - bedrijventerrein; en

  • e.

    paragraaf 5.13.2 Beroep of bedrijf aan huis uitoefenen - bedrijventerrein.

E

Hoofdstuk 5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 5 Activiteiten met gebruiksruimte

[Gereserveerd]

Afdeling 5.1 Algemene bepalingen

[Gereserveerd]

Afdeling 5.2 Gebruiksruimte: activiteitoverstijgend

Paragraaf 5.2.1 Geluidveroorzakende activiteit verrichten - bedrijventerrein
Artikel 5.1 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf gaat over het verrichten van activiteiten met gebruiksruimte die geluid veroorzaken.

  • 2.

    Deze paragraaf gaat niet over:

    • a.

      evenementen die niet plaatsvinden op een locatie voor evenementen;

    • b.

      windturbines en windparken;

    • c.

      civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen;

    • d.

      spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen die onderdeel zijn van een hoofdspoorweg of een bij omgevingsverordening aangewezen lokale spoorweg;

    • e.

      doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen;

    • f.

      de inzet van motorvoertuigen of helikopters voor spoedeisende medische hulpverlening, ongevallenbestrijding, brandbestrijding, gladheidbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval;

    • g.

      onversterkt menselijk stemgeluid, tenzij het muziekgeluid is of daarmee vermengd is; en

    • h.

      festiviteiten als bedoeld in de artikelen 4:2 en 4:3 van de Algemene plaatselijke verordening.

Artikel 5.2 Oogmerken

 

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: 

  • a.

    het realiseren van een aanvaardbaar akoestisch klimaat; en

  • b.

    het beschermen tegen geluidhinder.

Artikel 5.3 Waar waarden gelden 
  • 1.

    De waarden in deze paragraaf voor het geluid door een activiteit gelden, tenzij anders bepaald:

    • a.

      op een geluidgevoelig gebouw dat op grond van dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is toegelaten, anders dan een woonschip of woonwagen:

      • 1.

        als het gaat om een geluidgevoelig gebouw: op de gevel; of

      • 2.

        als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw: op de locatie waar een gevel mag komen; en

    • b.

       op een woonschip of woonwagen: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van dat woonschip of die woonwagen.

  • 2.

    De waarden in deze paragraaf voor het geluid door een activiteit gelden niet voor:

    • a.

      het geluid op een niet-geluidgevoelige gevel; en

    • b.

      het geluid van een activiteit op geluidgevoelige gebouwen met een functionele binding of voormalige functionele binding met die activiteit.

Artikel 5.4 Samenhangende activiteiten

In deze paragraaf worden voor de regels over geluid als één activiteit beschouwd:

Artikel 5.5 Geluid op een geluidgevoelig gebouw
  • 1.

    Bij het verrichten van de activiteit is het geluid op geluidgevoelige gebouwen voor zover deze zijn gelegen binnen het bedrijventerrein niet meer dan de waarden, bedoeld in tabel 5.5a.

    Tabel 5.5a

     

    07.00-19.00 uur

    19.00-23.00 uur

    23.00-07.00 uur

    Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten

    55 dB (A)

    50 dB (A)

    45 dB (A)

    Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen 

    -

    75 dB (A)

    75 dB (A)

    Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden 

    -

    70 dB (A)

    70 dB (A)

     

     

  • 2.

    Bij het verrichten van de activiteit is het geluid op geluidgevoelige gebouwen voor zover deze zijn gelegen buiten het bedrijventerrein niet meer dan de waarden, bedoeld in tabel 5.5b.

    Tabel 5.5b

     

    07.00-19.00 uur

    19.00-23.00 uur

    23.00-07.00 uur

    Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten

     50 dB (A)

    45 dB (A)

    40 dB (A)

    Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen 

    -

    70 dB (A)

    70 dB (A)

    Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden 

    -

    65 dB (A)

    65 dB (A)

     
Artikel 5.6 Geluid binnen een aanpandig gebouw

Bij het verrichten van de activiteit is het geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen niet meer dan de waarden, bedoeld in tabel 5.6.

Tabel 5.6

 

07.00-19.00 uur

19.00-23.00 uur

23.00-07.00 uur

Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten

35 dB (A)

30 dB (A)

25 dB (A)

Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen 

-

55 dB (A)

55 dB (A)

Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden 

-

45 dB (A)

45 dB (A)

 

 

Paragraaf 5.2.2 Geluidveroorzakende activiteit verrichten - milieuzonering
Artikel 5.7 Toepassingsbereik

De regels in deze paragraaf zijn van toepassing op het verrichten van een geluidveroorzakende activiteit, met uitzondering van geluid door:

  • a.

    civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen;

  • b.

    windturbines en windparken; en

  • c.

    civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen.

Artikel 5.8 Oogmerken

De regels in deze paragraaf worden gesteld met het oog op: 

  • a.

    het bieden van voldoende ruimte voor activiteiten met gebruiksruimte; en

  • b.

    het beschermen tegen geluidhinder.

Artikel 5.9 Samenhangende activiteiten

In deze paragraaf worden voor de regels over geluid als één activiteit beschouwd:

Artikel 5.10 Geluidruimte
  • 1.

    Bij het verrichten van een activiteit binnen een zone ‘geluid basis’ is het geluid niet meer dan de waarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT, in tabel 5.10. De waarden gelden op de in de tabel aangegeven afstand van de grens van de locatie waar de activiteit wordt verricht. 

    Tabel 5.10

    Zone

    Afstand

    07.00-19.00 uur

    19.00-23.00 uur

    23.00-07.00 uur

    'geluid basis' 

    50 meter

    50 dB(A)

    45 dB(A)

    40 dB(A)

     
  • 2.

    Voor zover de in het eerste lid bedoelde activiteit is gelegen binnen een afstand van 50 meter van een woongebied gelden de in tabel 5.10 gegeven geluidwaarden op de grens met dat woongebied.

  • 3.

    Bij de toepassing van dit artikel wordt geen rekening gehouden met het effect van bebouwing die aanwezig is in het gebied buiten de grens van de locatie waar de activiteit wordt verricht.

  • 4.

    De geluidwaarden in dit artikel gelden op een hoogte van 5, 10 en 30 meter boven het plaatselijk maaiveld. Als voor een activiteit op een andere hoogte een hogere geluidbelasting optreedt, gelden de waarden ook op de voor de activiteit maatgevende rekenhoogte.

Artikel 5.11 Vergunningplicht afwijken van waarden met een omgevingsvergunning

Het is verboden zonder omgevingsvergunning af te wijken van de waarden, bedoeld in artikel 5.10.

Artikel 5.12 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning

Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

     een akoestisch rapport, waaruit blijkt hoe hoog de geluidbelasting op de op grond van artikel 5.10 geldende afstanden en geluidgevoelige gebouwen is; en

  • b.

     een rapport, waarin inzicht wordt gegeven in de haalbaarheid van bron- en overdrachtsmaatregelen ter beperking van het geluid op de op grond van artikel 5.10 geldende afstanden en de geluidgevoelige gebouwen.

Artikel 5.13 Beoordelingsregels omgevingsvergunning
  • 1.

    De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:

    • a.

      onevenredig ingrijpende maatregelen nodig zijn om te voldoen aan de waarden;

    • b.

      alle maatregelen die redelijkerwijs mogelijk zijn om de geluidsbelasting zoveel mogelijk te verminderen worden getroffen; en

    • c.

      de geluidbelasting op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. 

  • 2.

    Van een aanvaardbare geluidbelasting als bedoeld in het eerste lid, onder c, is alleen sprake als de geluidbelasting:

    • a.

      niet meer dan 10 dB hoger is dan de waarden, bedoeld in artikel 5.10; en

    • b.

      niet leidt tot overschrijding van de waarden voor geluidgevoelige ruimten binnen geluidgevoelige gebouwen, bedoeld in tabel 5.13.

    Tabel 5.13

     

    07.00-19.00 uur

    19.00-23.00 uur

    23.00-07.00 uur

    Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten

    35 dB (A)

    30 dB (A)

    25 dB (A)

    Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen 

    -

    55 dB (A)

    55 dB (A)

    Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden 

    -

    45 dB (A)

    45 dB (A)

     
  • 3.

    Het tweede lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op aanwezige geluidgevoelige gebouwen, als:

    • a.

      maatregelen aan de gevel om voor dat gebouw te voldoen aan de waarden, bedoeld in tabel 5.13, leiden tot zwaarwegende bezwaren van bouwkundige aard;

    • b.

      de eigenaar weigert mee te werken aan het onderzoek naar het geluid in zijn gebouw door activiteiten en naar de noodzakelijke geluidwerende maatregelen; of

    • c.

      de eigenaar weigert geluidwerende maatregelen te laten aanbrengen.

Paragraaf 5.2.3 Geluidgevoelig gebouw toevoegen 
Artikel 5.14 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het toevoegen van een geluidgevoelig gebouw. 

Artikel 5.15 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: 

  • a.

    een aanvaardbaar akoestisch klimaat; en

  • b.

    het beschermen tegen geluidhinder. 

Artikel 5.16 Waar waarden gelden 
  • 1.

    De waarden in deze paragraaf voor het geluid door een activiteit gelden, tenzij anders bepaald:

    • a.

      Op een geluidgevoelig gebouw dat op grond van dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is toegelaten, anders dan een woonschip of woonwagen:

      • 1.

        als het gaat om een geluidgevoelig gebouw: op de gevel; of

      • 2.

        als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw: op de locatie waar een gevel mag komen; en

    • b.

       op een woonschip of woonwagen: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van dat woonschip of die woonwagen.

  • 2.

    De waarden in deze paragraaf voor het geluid door een activiteit gelden niet voor:

    • a.

      het geluid op een niet-geluidgevoelige gevel; en

    • b.

      het geluid van een activiteit op geluidgevoelige gebouwen met een functionele binding of voormalige functionele binding met die activiteit.

Artikel 5.17 Geluid op een geluidgevoelig gebouw

Bij het toevoegen van een geluidgevoelig gebouw is het geluid door activiteiten niet meer dan de waarden, bedoeld in de tabellen 5.17a en 5.17b.

Tabel 5.17a

 

07.00-19.00 uur

19.00-23.00 uur

23.00-07.00 uur

Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten

55 dB (A)

50 dB (A)

45 dB (A)

Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen 

-

75 dB (A)

75 dB (A)

Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden 

-

70 dB (A)

70 dB (A)

 
Tabel 5.17b

 

07.00-19.00 uur

19.00-23.00 uur

23.00-07.00 uur

Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten

35 dB (A)

30 dB (A)

25 dB (A)

Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen 

-

55 dB (A)

55 dB (A)

Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden 

-

45 dB (A)

45 dB (A)

 
Artikel 5.18 Meldingsplicht
  • 1.

    Het is verboden een geluidgevoelig gebouw toe te voegen zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden. 

  • 2.

    Een melding bevat een akoestisch rapport waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de waarden, bedoeld in tabel 5.17.

Paragraaf 5.2.4 Geluidgevoelig gebouw toevoegen binnen een geluidaandachtsgebied 
Artikel 5.19 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het toevoegen van een geluidgevoelig gebouw binnen een geluidaandachtsgebied van een weg.

Artikel 5.20 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: 

  • a.

    een aanvaardbaar akoestisch klimaat; en

  • b.

    het beschermen tegen geluidhinder. 

Artikel 5.21 Waar waarden gelden

De waarden in deze paragraaf voor het geluid door een activiteit gelden, tenzij anders bepaald:

  • a.

    Op een geluidgevoelig gebouw dat op grond van dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is toegelaten, anders dan een woonschip of woonwagen:

    • 1.

      als het gaat om een geluidgevoelig gebouw: op de gevel; of

    • 2.

      als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw: op de locatie waar een gevel mag komen; en

  • b.

     op een woonschip of woonwagen: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van dat woonschip of die woonwagen.

Artikel 5.22 Standaardwaarde geluid op een geluidgevoelig gebouw
Artikel 5.23 Eisen aan geluidgevoelig gebouw
  • 1.

    Het geluidgevoelige gebouw heeft ten minste één geluidluwe zijde met de waarde, bedoeld in tabel 5.22

  • 2.

    Ten minste één slaapvertrek grenst aan een geluidluwe zijde als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 5.24 Meldingsplicht
  • 1.

    Het is verboden een geluidgevoelig gebouw toe te voegen waarbij voldaan wordt aan de waarde, bedoeld in tabel 5.22, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden. 

  • 2.

    Een melding bevat een akoestisch rapport waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de waarden, bedoeld in tabel 5.22.

Artikel 5.25 Aanwijzing vergunningplichtige gebouwen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een geluidgevoelig gebouw toe te voegen binnen een geluidaandachtsgebied, als daarbij niet wordt voldaan aan de waarde, bedoeld in tabel 5.22.

Artikel 5.26 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    een akoestisch rapport waaruit blijkt:

    • 1.

      dat wordt voldaan aan de waarde, bedoeld in tabel 5.27; en

    • 2.

      wat het gezamenlijke geluid op de gevel van het geluidgevoelige gebouw is;

  • b.

    het beoogde gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft;

  • c.

    bij grondgebonden woningen: het geluid op de gevel van de begane grond;

  • d.

    bij gestapelde woningen: het geluid op de gevel ter plaatse van te openen delen; en 

  • e.

    het aantal woningen of de bruto vloeroppervlak in m2 van de activiteit.

Artikel 5.27 Beoordelingsregels omgevingsvergunning
  • 1.

    De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:

    • a.

      geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de waarde, bedoeld in tabel 5.22 te voldoen;

    • b.

      de overschrijding van de waarde, bedoeld in tabel 5.22 door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt;

    • c.

      het geluid niet meer is dan de grenswaarden, bedoeld in tabel 5.27; en

    • d.

      het gecumuleerde geluid, bedoeld in artikel 3.38 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, op het geluidgevoelige gebouw aanvaardbaar is.

    Tabel 5.27

    Geluidbronsoort

    Waarde

    Provinciale wegen

    Rijkswegen

    60 Lden

    Gemeentewegen

    Waterschapswegen

    70 Lden

     
  • 2.

    Bij de toepassing van het eerste lid wordt het belang van het beschermen van de gezondheid door een geluidluwe gevel betrokken.

Artikel 5.28 Voorschrift omgevingsvergunning

Aan een omgevingsvergunning wordt in ieder geval een voorschrift verbonden waarin het gezamenlijke geluid, bedoeld in artikel 3.39, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, op de gevel van het geluidgevoelige gebouw wordt vastgelegd.

Paragraaf 5.2.5 Gebouw of terrein met parkeerbehoefte toevoegen en in stand houden - bedrijventerrein
Artikel 5.29 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het toevoegen en in stand houden van een gebouw of terrein met parkeerbehoefte.

Artikel 5.30 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het realiseren en in stand houden van voldoende parkeergelegenheid; 

  • b.

    het behoeden van de staat en werking van de openbare weg voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die weg; 

  • c.

    het bevorderen van de verkeersveiligheid; 

  • d.

    het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte; 

  • e.

    het beperken van hinder; en

  • f.

    het beschermen van het uiterlijk aanzien van het openbaar toegankelijk gebied.

Artikel 5.31 Algemene regels
  • 1.

    Bij het toevoegen of instandhouden van een gebouw of terrein met parkeerbehoefte wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein.

  • 2.

    Er is sprake van voldoende parkeergelegenheid als wordt vandaan aan de parkeernormen, bedoeld in bijlage II.

Artikel 5.32 Meldingsplicht
  • 1.

    Het is verboden een gebouw of terrein met een parkeerbehoefte toe te voegen zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan van te melden. 

  • 2.

    Een melding bevat:

    • a.

      een beschrijving van de voorgenomen activiteit; en

    • b.

      een onderbouwing dat kan worden voldaan aan artikel 5.31

Afdeling 5.3 Agrarische activiteiten

[Gereserveerd]

Afdeling 5.4 Bedrijfsactiviteiten

Paragraaf 5.4.1 Bedrijfsactiviteit verrichten - bedrijventerrein
Artikel 5.33 Toepassingsbereik 

Deze paragraaf gaat over het verrichten van een bedrijfsactiviteit. 

Artikel 5.34 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: 

  • a.

    het waarborgen van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat;

  • b.

    het stimuleren van een duurzame economische ontwikkeling; 

  • c.

    het beperken van hinder; en

  • d.

    het beschermen van het uiterlijk aanzien van de openbare ruimte;

Artikel 5.35 Verbod

Het is verboden bedrijfsactiviteiten te verrichten:

  • a.

    die uitsluitend of hoofdzakelijk bestaan uit het opslaan van goederen; of

  • b.

    waardoor aanzienlijke geurhinder wordt veroorzaakt.

Artikel 5.36 Algemene regels
  • 1.

    Er worden alleen bedrijfsactiviteiten verricht voor zover het gaat om een aan bouw- en nijverheid gerelateerde bedrijfsactiviteit.

  • 2.

    Een bedrijfsactiviteit wordt verricht binnen ten hoogste één in de locatie 'bedrijfskavels' opgenomen vlak.

  • 3.

    Het laden en lossen dat wordt verricht in het kader van de bedrijfsactiviteit vindt alleen plaats op eigen terrein. 

  • 4.

    De opslag van goederen die worden gebruikt voor de bedrijfsactiviteit ter plaatse vindt uitsluitend plaats achter de achtergevel van de bedrijfsgebouwen.

Artikel 5.37 Meldingsplicht
  • 1.

    Het is verboden een bedrijfsactiviteit te starten of te wijzigen zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden. 

  • 2.

    Een melding bevat:

    • a.

      een beschrijving van de voorgenomen activiteit; 

    • b.

      de omvang van de voorgenomen activiteit; en

    • c.

      een onderbouwing dat kan worden voldaan aan de regels in artikel 5.36

Afdeling 5.5 Detailhandelsactiviteiten

Paragraaf 5.5.1 Detailhandelsactiviteit verrichten - bedrijventerrein
Artikel 5.38 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het verrichten van een detailhandelsactiviteit. 

Artikel 5.39 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: 

  • a.

    het waarborgen van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat;

  • b.

    het stimuleren van een duurzame economische ontwikkeling; 

  • c.

    het beperken van hinder; en

  • d.

    het voorkomen van hinder en gevaar voor het wegverkeer.

Artikel 5.40 Algemene regels
  • 1.

    Detailhandelsactiviteiten in voedings- en genotsmiddelen worden niet verricht. 

  • 2.

    Het laden en lossen dat wordt verricht in het kader van de detailhandelsactiviteit vindt alleen plaats op eigen terrein. 

Artikel 5.41 Meldingsplicht
  • 1.

    Het is verboden een detailhandelsactiviteit te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden. 

  • 2.

    Een melding bevat:

    • a.

      een beschrijving van de voorgenomen activiteit; 

    • b.

      de omvang van de voorgenomen activiteit; en

    • c.

      een onderbouwing dat kan worden voldaan aan de regels in artikel 5.40

Afdeling 5.6 Dienstverleningsactiviteiten

[Gereserveerd]

Afdeling 5.7 Horeca-activiteiten

[Gereserveerd]

Afdeling 5.8 Infrastructuuractiviteiten

[Gereserveerd]

Afdeling 5.9 Kantooractiviteiten

Paragraaf 5.9.1 Kantooractiviteit verrichten - bedrijventerrein
Artikel 5.42 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het verrichten van een kantooractiviteit. 

Artikel 5.43 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: 

  • a.

    het waarborgen van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat;

  • b.

    het stimuleren van een duurzame economische ontwikkeling; en

  • c.

    het beperken van hinder. 

Artikel 5.44 Algemene regels 
  • 1.

    Kantooractiviteiten worden verricht op ten hoogste 7 in de locatie 'bedrijfskavels' opgenomen vlakken.

  • 2.

    Bij overschrijding van het aantal, bedoeld in het eerste lid, is degene die als laatste de melding, bedoeld in artikel 5.45, heeft gedaan, verantwoordelijk voor de naleving van het aantal.

  • 3.

    Dit artikel is niet van toepassing op kantooractiviteiten die:

    • a.

      functioneel ondersteunend zijn aan een bedrijfsactiviteit die ter plaatse wordt verricht; en

    • b.

      een brutovloeroppervlakte hebben van niet meer dan 20% van de brutovloeroppervlakte van het bedrijf. 

Artikel 5.45 Meldingsplicht
  • 1.

    Het is verboden een kantooractiviteit als bedoeld in artikel 5.44 te starten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  • 2.

    Een melding bevat:

    • a.

      een beschrijving van de voorgenomen activiteit; en

    • b.

      een onderbouwing dat wordt voldaan aan artikel 5.44

Afdeling 5.10 Maatschappelijke activiteiten

[Gereserveerd]

Afdeling 5.11 Recreatie-activiteiten

[Gereserveerd]

Afdeling 5.12 Sportactiviteiten

Paragraaf 5.12.1 Sportactiviteit verrichten - bedrijventerrein
Artikel 5.46 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het verrichten van sportactiviteiten.

Artikel 5.47 Locaties voor sportscholen

Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden sportactiviteiten uitsluitend verricht voor zover het gaat om het exploiteren van een sportschool en ter plaatse van de locatie 'sportschool'.

Afdeling 5.13 Woonactiviteiten

Paragraaf 5.13.1 Wonen - bedrijventerrein
Artikel 5.48 Toepassingsbereik 

Deze paragraaf gaat over het wonen.

Artikel 5.49 Oogmerken 

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: 

  • a.

    het waarborgen van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat;

  • b.

    het stimuleren van een duurzame economische ontwikkeling; 

  • c.

    het beperken van hinder; 

  • d.

    het beschermen van de gezondheid; 

  • e.

    het bevorderen van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat; en

  • f.

    het bevorderen van de bereikbaarheid van het gebied.

Artikel 5.50 Algemene regels
  • 1.

    Er wordt alleen gewoond: 

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid kan ter plaatse van de locatie 'woning regulier' worden gewoond. 

Paragraaf 5.13.2 Beroep of bedrijf aan huis uitoefenen - bedrijventerrein
Artikel 5.51 Toepassingsbereik 

Deze paragraaf gaat over het uitoefenen van een beroep of bedrijf aan huis. 

Artikel 5.52 Oogmerken

 

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: 

  • a.

    het waarborgen van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat; 

  • b.

    het beschermen van de gezondheid; 

  • c.

    het beperken van hinder; en 

  • d.

    het bieden van ruimte aan economische activiteiten.

Artikel 5.53 Specifieke zorgplicht

De specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 4.3, houdt voor het uitoefenen van beroep of bedrijf aan huis in ieder geval in dat:

  • a.

    onevenredige toename van de verkeersbelasting in de omgeving wordt voorkomen;

  • b.

    geluidhinder wordt voorkomen of beperkt; 

  • c.

    de activiteit geen afbreuk doet aan het woonkarakter van de omgeving; 

  • d.

    er geen onevenredige verstoring plaatsvindt in de voorzieningenstructuur van de wijk of de kern; en

  • e.

    voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd op eigen terrein.

Artikel 5.54 Algemene regels beroep of bedrijf aan huis
  • 1.

    De bruto oppervlakte waarop het beroep of bedrijf aan huis wordt uitgeoefend is ten hoogste 40% van de vloeroppervlakte van de woning en de bijbehorende bouwwerken bij die woning, tot een maximum van 50 m².

  • 2.

    Er is geen vitrine, etalage of lichtreclame ten behoeve van het beroep of bedrijf aan huis. 

  • 3.

    Er zijn niet meer dan twee medewerkers aanwezig ten behoeve van het uitvoeren van het beroep of bedrijf aan huis. 

  • 4.

    Er wordt geen bedrijfsmateriaal buiten opgeslagen. 

  • 5.

    Een beroep of bedrijf aan huis in de vorm van een seks-, porno- of prostitutiebedrijf is niet toegestaan. 

Artikel 5.55 Algemene regels verkoop van producten
  • 1.

    Bij het beroep  aan huis worden alleen producten aan huis verkocht die ter plaatse zijn vervaardigd, verwerkt of bewerkt in verband met de aan huis gebonden beroeps- of bedrijfsmatige activiteit.

  • 2.

    Er is geen winkel- of uitstallingsruimte van producten ten behoeve van de activiteit.

F

Het opschrift van hoofdstuk 6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 6 Bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten

G

Het opschrift van hoofdstuk 7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 7 Milieubelastende activiteiten

H

Het opschrift van hoofdstuk 8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 8 Overige activiteiten

I

Het opschrift van hoofdstuk 9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 9 Beheer en onderhoud

J

Het opschrift van hoofdstuk 10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 10 Financiële bepalingen

K

Het opschrift van hoofdstuk 11 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 11 Procedureregels

L

Het opschrift van hoofdstuk 12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 12 Handhaving

M

Het opschrift van hoofdstuk 13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 13 Monitoring en informatie

N

Hoofdstuk 14 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 14 Overgangsrecht

[Gereserveerd]

Afdeling 14.1 Overgangsrecht algemeen

Paragraaf 14.1.1 Lopende procedures, besluiten op aanvraag of ambtshalve 
Artikel 14.1 Lopende procedures, besluiten op aanvraag of ambtshalve 
  • 1.

    Als een wijziging van dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing is en voor dat moment een aanvraag om een besluit voor die activiteit is ingediend, blijft het oude recht van toepassing: 

    • a.

      als tegen het besluit beroep openstaat: tot het besluit onherroepelijk wordt; of 

    • b.

      als tegen het besluit geen beroep openstaat: tot het besluit van kracht wordt. 

  • 2.

    Als een wijziging van dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing is en voor dat moment een ontwerp van een ambtshalve te nemen besluit voor die activiteit ter inzage is gelegd op de voorbereiding waarvan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is, blijft het oude recht van toepassing: 

    • a.

      als tegen het besluit beroep openstaat: tot het besluit onherroepelijk wordt; of 

    • b.

      als tegen het besluit geen beroep openstaat: tot het besluit van kracht wordt. 

  • 3.

    Als een wijziging van dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing is en voor dat moment voor een ambtshalve te nemen besluit voor die activiteit toepassing is gegeven aan artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht of het besluit is bekendgemaakt, blijft het oude recht van toepassing:  

    • a.

      als tegen het besluit beroep openstaat: tot het besluit onherroepelijk wordt; of 

    • b.

      als tegen het besluit geen beroep openstaat: tot het besluit van kracht wordt.

Artikel 14.2 Overgangsrecht vergunningplichte activiteiten
  • 1.

    Als een wijziging van dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing is, geldt een omgevingsvergunning voor die activiteit op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening, zoals die luidde direct voor dat moment, en die onherroepelijk is, als een omgevingsvergunning op grond van dit omgevingsplan, voor zover voor die activiteit een omgevingsvergunning is vereist. 

  • 2.

    Als een wijziging van dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing is, gelden de voorschriften uit een onherroepelijke omgevingsvergunning voor die activiteit op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening, zoals die luidde direct voor dat moment, als een maatwerkvoorschrift op grond van dit omgevingsplan, voor zover voor die activiteit geen omgevingsvergunning is vereist. Dit geldt alleen voor zover de gemeente over die activiteit maatwerkvoorschriften kan stellen op grond van dit omgevingsplan. 

Artikel 14.3 Overgangsrecht meldingen, kennisgevingen en maatwerkvoorschriften 
  • 1.

    Als een wijziging van dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing is, geldt een melding of kennisgeving van die activiteit op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening, zoals die luidde direct voor dat moment, als een melding op grond van dit omgevingsplan, voor zover voor die activiteit een melding is vereist. 

  • 2.

    Als een wijziging van dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing is, geldt een melding of kennisgeving van een activiteit op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening, zoals die luidde direct voor dat moment, als het verstrekken van informatie op grond van dit omgevingsplan, voor zover voor die activiteit een verplichting geldt om informatie te verstrekken. 

  • 3.

    Als een wijziging van dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing is, geldt een aanvraag om een ontheffing of vergunning voor een activiteit op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening, zoals die luidde direct voor dat moment, als een melding op grond van dit omgevingsplan, voor zover een melding is vereist. 

  • 4.

    Als een wijziging van dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing is, geldt een onherroepelijk maatwerkvoorschrift voor een activiteit op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening, zoals die luidde direct voor dat moment, als een maatwerkvoorschrift op grond van dit omgevingsplan. Dit geldt alleen voor zover de gemeente over die activiteit maatwerkvoorschriften kan stellen op grond van dit omgevingsplan. 

Artikel 14.4 Overgangsrecht handhavingsbesluiten

Als een wijziging van dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing is en voor dat moment een overtreding heeft plaatsgevonden, een overtreding is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en een bestuurlijke sanctie is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, blijft het oude recht op die bestuurlijke sanctie van toepassing tot het tijdstip waarop:

  • a.

    de beschikking onherroepelijk is geworden en volledig is uitgevoerd of ten uitvoer is gelegd; 

  • b.

    de beschikking is ingetrokken of is komen te vervallen; of

  • c.

    als de beschikking gaat om de oplegging van een last onder dwangsom:

    • 1.

      de last volledig is uitgevoerd; 

    • 2.

      de dwangsom volledig is verbeurd en betaald; of

    • 3.

      de last is opgeheven.  

Paragraaf 14.1.2 Eerbiedigende werking
Artikel 14.5 Eerbiedigende werking bouwwerken

[gereserveerd]

Artikel 14.6 Eerbiedigende werking activiteiten met gebruiksruimte 
  • 1.

    Als een wijziging van dit omgevingsplan van toepassing is op een activiteit met gebruiksruimte als bedoeld in afdeling 4.3 die al wordt verricht en die in strijd is met de op grond van die afdeling voor die activiteit aangewezen regels, mag die activiteit in strijd met die regels worden voortgezet zo lang de activiteit niet wordt gewijzigd. 

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid mag de activiteit worden gewijzigd, als: 

    • a.

      er geen andere activiteit met gebruiksruimte als bedoeld in artikel 4.9 wordt verricht; en 

    • b.

      de afwijking van de regels naar aard en omvang wordt verkleind. 

  • 3.

    Het eerste en tweede lid gelden niet voor activiteiten die al in strijd zijn met het voorheen geldende omgevingsplan, met inbegrip van de overgangsbepalingen van dat plan. 

  • 4.

    Het eerste en tweede lid gelden ook niet als dat elders in dit omgevingsplan is bepaald. 

  • 5.

    Als de activiteit na het tijdstip, waarop de wijziging van het omgevingsplan van kracht is geworden, voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, wordt de activiteit daarna niet hervat. 

Afdeling 14.2 Specifiek overgangsrecht

Paragraaf 14.2.1 Overgangsrecht Werklandschap Overasselt
Artikel 14.7 Persoonsgebonden overgangsrecht

In afwijking van artikel 14.6 mogen de volgende activiteiten ongewijzigd worden voortgezet:

  • a.

    het exploiteren van een ontharingssalon aan De Laan 10 in Overasselt, zo lang deze wordt geëxploiteerd door Ontharingssalon Melanie en degene die daarvan op het moment van terinzagelegging van het ontwerp van deze bepaling eigenaar is;

  • b.

    het exploiteren van een schoonheidssalon aan De Laan 18b in Overasselt, zo lang deze wordt geëxploiteerd door Beauty Boskant en degene die daarvan op het moment van terinzagelegging van het ontwerp van deze bepaling eigenaar is; en

  • c.

    het opslaan van goederen ten behoeve van een schildersbedrijf aan De Laan 18a in Overasselt, zo lang dit wordt gedaan door RJW onderhoud onroerend goed en degene die daarvan op het moment van terinzagelegging van het ontwerp van deze bepaling eigenaar is.

Afdeling 14.3 Voorrangsbepalingen

Artikel 14.8 Voorrangsbepaling tijdelijk deel omgevingsplan

De regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de wet, over het verrichten van bedrijfsactiviteiten, detailhandelsactiviteiten, dienstverleningsactiviteiten, kantooractiviteiten, sportactiviteiten en woonactiviteiten zijn niet van toepassing voor zover daarover bij of krachtens afdeling 4.3 regels zijn gesteld. 

Artikel 14.9 Beperking werking bruidsschat

De volgende paragrafen zijn niet van toepassing op de locatie 'bedrijventerrein':

  • a.

    paragraaf 22.3.4 Geluid; 

  • b.

    paragraaf 22.3.5 Trillingen; en

  • c.

    paragraaf 22.3.6 Geur.

O

Na het lichaam worden twee bijlagen ingevoegd, luidende:

Bijlage II Parkeernormen

1 Tabel parkeernormen

 

Soort gebouw of terrein

Aantal parkeerplaatsen

Per

parkeerkencijfer voor  bezoekers bij woningen

0,2

Woning

Koop, huis, vrijstaand

1,6

Woning

Koop, huis, twee-onder-een-kap

1,5

Woning

Koop, huis, tussen/hoek

1,4

Woning

Koop, appartement, > 100 m2 BVO

1,4

Woning

Koop, appartement, 75-100 m2 BVO

1

Woning

Koop, appartement, < 75 m2 BVO

0,9

Woning

Huur, huis, vrije sector

1

Woning

Huur, huis, sociale huur

0,7

Woning

Huur, appartement, vrije sector,> 100 m2 BVO

1

Woning

Huur, appartement, vrije sector, 75-100 m2 BVO

0,6

Woning

Huur, appartement, vrije sector, < 75 m2 BVO

0,5

Woning

Huur, appartement, sociale huur, > 100 m2 BVO

0,6

Woning

Huur, appartement, sociale huur, 75-100 m2 BVO

0,5

Woning

Huur, appartement, sociale huur, < 75 m2 BVO

0,4

Woning

Huur, appartement, sociale huur of vrije sector,< 30 m2 BVO

0,4

Woning

Kleine eenpersoonswoning (tiny house, meestal grondgebonden)

0,3

Woning

Kantoor (zonder baliefunctie)

2,3

100m2 BVO

Commerciële dienstverlening (kantoor met baliefunctie)

3,3

100m2 BVO

Bedrijf arbeidsintensief/bezoekersextensief (industrie, laboratorium, werkplaats)

2,1

100m2 BVO

Bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief (loods, opslag, transportbedrijf)

0,8

100m2 BVO

Bedrijfsverzamelgebouw

1,7

100m2 BVO

Fitnessstudio/sportschool

4,3

100m2 BVO

Fysiotherapiepraktijk (-centrum)

4,3

behandelkamer

 

P

Bijlage II wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage II III BIJ ARTIKEL 1.1, TWEEDE LID, VAN DIT OMGEVINGSPLAN, BEGRIPSBEPALINGEN Begripsbepalingen

Voor de toepassing van hoofdstuk 22 wordt verstaan onder:

aansluitafstand:

afstand tussen een leiding van het distributienet en het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij die leiding bevindt, gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt;

Activiteitenbesluit-bedrijventerrein:

cluster aaneengesloten percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen, binnen een in het omgevingsplan als bedrijventerrein aangewezen gebied, daaronder niet begrepen een gezoneerd industrieterrein of een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;

AS SIKB 2000:

AS SIKB 2000: Accreditatieschema Veldwerk bij Milieuhygiënisch Bodem- en waterbodemonderzoek, versie 2.8, 07‑02‑2014, met wijzigingsblad van 10‑02‑2018;

bebouwingsgebied:

achtererfgebied en de grond onder het hoofdgebouw, uitgezonderd de grond onder het oorspronkelijk hoofdgebouw;

BRL SIKB 2000:

BRL SIKB 2000: Beoordelingsrichtlijn 2000, Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek, versie 5, 12‑12‑2013;

BRL SIKB 7000:

BRL SIKB 7000: Beoordelingsrichtlijn 7000, Uitvoering van (water)bodemsaneringen en ingrepen in de waterbodem, versie 5, 19‑06‑2014, met wijzigingsblad van 12‑02‑2015;

concentratiegebied geurhinder en veehouderij:

gebied I of gebied II, bedoeld in bijlage I bij de Meststoffenwet, of een in dit omgevingsplan aangewezen concentratiegebied;

distributienet voor warmte:

collectief circulatiesysteem voor het transport van warmte door een circulerend medium voor verwarming of warmtapwater;

geurgevoelig object:
  • a.

    gebouw:

    • 1.

      dat op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en;

    • 2.

      dat gezien de aard, indeling en inrichting geschikt is om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en

    • 3.

      dat permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze wordt gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; of

  • b.

    geurgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is, maar op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebouwd;

gezoneerd industrieterrein:

industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet;

ISO 11423-1:

ISO 11423-1:1997: Water – Bepaling van het gehalte aan benzeen en enige afgeleiden – Deel 1: Gaschromatografische methode met bovenruimte, versie 1997;

landbouwhuisdieren met geuremissiefactor:

landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling een emissiefactor voor geur is vastgesteld en die vallen binnen een van de volgende diercategorieën:

  • a.

    varkens, kippen, schapen of geiten; en

  • b.

    als deze worden gehouden voor de vleesproductie:

    • 1.

      rundvee tot 24 maanden;

    • 2.

      kalkoenen;

    • 3.

      eenden; of

    • 4.

      parelhoenders;

landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor:

landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen emissiefactor voor geur is vastgesteld, met uitzondering van pelsdieren.

NEN 5725:

NEN 5725:2017: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, versie 2017;

NEN 5740:

NEN 5740:2009/A1:2016: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond, versie 2009+A1 en 2016;

NEN 6090:

NEN 6090:2017: Bepaling van de vuurbelasting, versie 2017;

NEN 6578:

NEN 6578:2011: Water – Potentiometrische bepaling van het totale gehalte aan totaal fluoride, versie 2011;

NEN 6589:

NEN 6589:2005/C1:2010: Water – Potentiometrische bepaling van het gehalte aan totaal anorganisch fluoride met doorstroomsystemen (FIA en CFA), versie 2010;

NEN 6600-1:

NEN 6600-1:2019: Water – Monsterneming – Deel 1: Afvalwater, versie 2019;

NEN 6965:

NEN 6965:2005: Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire-absorptiespectrometrie met vlamtechniek, versie 2005;

NEN 6966:

NEN 6966:2006: Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma, versie 2005 + C1:2006;

NEN-EN 858-1/A1:

NEN-EN 858-1:2002/A1:2004: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2002 + A1: 2004;

NEN-EN 858-2:

NEN-EN 858-2:2003: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) – Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2003;

NEN-EN 872:

NEN-EN 872:2005: Water – Bepaling van het gehalte aan onopgeloste stoffen – Methode door filtratie over glasvezelfilters, versie 2005;

NEN-EN 1825-1:

NEN-EN 1825-1:2004: Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2004 + C1:2006;

NEN-EN 1825-2:

NEN-EN 1825-2:2002: Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2002;

NEN-EN 12566-1:

NEN-EN 12566-1:2016: Kleine afvalwaterzuiveringsinstallaties ≤ 50 IE – Deel 1: Geprefabriceerde septictanks, versie 2016;

NEN-EN 12673:

NEN-EN 12673:1999: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal geselecteerde chloorfenolen in water, versie 1999;

NEN-EN 16693:

NEN-EN 16693:2015: Water – Bepaling van de organochloor pesticiden (OCP) in watermonsters met behulp van vaste fase extractie (SPE) met SPE-disks gecombineerd met gaschromatografie-massaspectrometrie (GC-MS), versie 2015;

NEN-EN-ISO 2813:

NEN-EN-ISO 2813:2014: Verven en vernissen – Bepaling van de glans (spiegelende reflectie) van niet-metallieke verflagen onder 20 graden, 60 graden en 85 graden, versie 2014;

NEN-EN-ISO 5667-3:

NEN-EN-ISO 5667-3:2018: Water – Monsterneming – Deel 3: Conservering en behandeling van watermonsters, versie 2018;

NEN-EN-ISO 5815-1:

NEN-EN-ISO 5815-1:2019: Water – Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) – Deel 1: Verdunning en enting onder toevoeging van allylthioureum, versie 2019;

NEN-EN-ISO 5815-2:

NEN-EN-ISO 5815-2:2003: Water – Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) – Deel 2: Methode voor onverdunde monsters, versie 2003;.

NEN-EN-ISO 9377-2:

NEN-EN-ISO 9377-2:2000: Water – Bepaling van de minerale-olie-index – Deel 2: Methode met vloeistofextractie en gas-chromatografie, versie 2000;

NEN-EN-ISO 9562:

NEN-EN-ISO 9562:2004: Water – Bepaling van adsorbeerbare organisch gebonden halogenen (AOX), versie 2004;

NEN-EN-ISO 10301:

NEN-EN-ISO 10301:1997: Water – Bepaling van zeer vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen – Gaschromatografische methoden, versie 1997;

NEN-EN-ISO 10523:

NEN-EN-ISO 10523:2012: Water – Bepaling van de pH, versie 2012;

NEN-EN-ISO 11885:

NEN-EN-ISO 11885:2009: Water – Bepaling van geselecteerde elementen met atomaire-emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma (ICP-AES), versie 2009;

NEN-EN-ISO 12846:

NEN-EN-ISO 12846:2012: Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaire-absorptiespectrometrie met en zonder concentratie, versie 2012;

NEN-EN-ISO 14403-1:

NEN-EN-ISO 14403-1:2012: Water – Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) – Deel 1: Methode met doorstroominjectie analyse (FIA), versie 2012;

NEN-EN-ISO 14403-2:

NEN-EN-ISO 14403-2:2012: Water – Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) – Deel 2: Methode met continu doorstroomanalyse (CFA), versie 2012;

NEN-EN-ISO 15587-1:

NEN-EN-ISO 15587-1:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 1: Koningswater ontsluiting, versie 2002;

NEN-EN-ISO 15587-2:

NEN-EN-ISO 15587-2:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 2: Ontsluiting met salpeterzuur, versie 2002;

NEN-EN-ISO 15680:

NEN-EN-ISO 15680:2003: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal monocyclische aromatische koolwaterstoffen, naftaleen en verscheidene gechloreerde verbindingen met «purge-and-trap» en thermische desorptie, versie 2003;

NEN-EN-ISO 15682:

NEN-EN-ISO 15682:2001: Water – Bepaling van het gehalte aan chloride met doorstroomanalyse (CFA en FIA) en fotometrische of potentiometrische detectie, versie 2001;

NEN-EN-ISO 15913:

NEN-EN-ISO 15913:2003: Water – Bepaling van geselecteerde fenoxyalkaanherbicide, inclusief bentazonen en hydroxybenzonitrillen met gaschromatografie en massaspectrometrie na vastefase-extractie en derivatisering, versie 2003;

NEN-EN-ISO 17294-2:

NEN-EN-ISO 17294-2:2016: Water – Toepassing van massaspectrometrie met inductief gekoppeld plasma – Deel 2: Bepaling van geselecteerde elementen inclusief uranium isotopen, versie 2016;

NEN-EN-ISO 17852:

NEN-EN-ISO 17852:2008: Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaire fluorecentiespectometrie, versie 2008;

NEN-EN-ISO 17993:

NEN-EN-ISO 17993:2004: Water – Bepaling van 15 polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) in water met HPLC met fluorescentiedetectie na vloeistof-vloeistof extractie, versie 2004;

NEN-ISO 15705:

NEN-ISO 15705:2003: Water – Bepaling van het chemisch zuurstofverbruik (ST-COD) – Kleinschalige gesloten buis methode, versie 2003;

NEN-ISO 15923-1:

NEN-ISO 15923-1:2013: Waterkwaliteit – Bepaling van de ionen met een discreet analysesysteem en spectrofotometrische detectie – Deel 1: Ammonium, chloride, nitraat, nitriet, ortho-fosfaat, silicaat en sulfaat, versie 2013;

straatpeil:
  • a.

    voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;

  • b.

    voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;

warmteplan:

besluit over de aanleg van een distributienet voor warmte in een bepaald gebied, waarin voor een periode van ten hoogste 10 jaar, uitgaande van het voor die periode geplande aantal aansluitingen op dat distributienet, de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu, gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte, bij aansluiting op dat distributienet is opgenomen.;

agrarische activiteit:

bedrijfsmatig voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen of houden van dieren;

bedrijfsactiviteit:

bedrijfsmatig produceren, bewerken, herstellen, installeren of inzamelen van goederen of het verhuren, opslaan of distribueren van goederen, anders dan een agrarische activiteit, of een horeca-activiteit;

bedrijfswoning

een woning in of bij een gebouw of op een terrein dat wordt bewoond door het huishouden van de bedrijfseigenaar of het huishouden van een werknemer van het bedrijf.

detailhandelsactiviteit:

bedrijfsmatig te koop aanbieden, het verkopen of het leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending, anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;

dienstverleningsactiviteit:

bedrijfsmatig verkopen en verlenen van zakelijke en persoonlijke diensten aan particulieren waarbij hoofdzakelijk publiek rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen, anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf aan huis;

horeca-activiteit:

bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse te nuttigen voedsel of dranken, het exploiteren van zaalaccommodatie of het verstrekken van nachtverblijf anders dan een recreatie-activiteit;

infrastructuuractiviteit:

activiteit gericht op het beheren van verharde gemeentewegen en lokale spoorwegen als bedoeld in artikel 3.26 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, met inbegrip van het aanleggen en wijzigen van die wegen of spoorwegen;

kantooractiviteit:

bedrijfsmatig verkopen en verlenen van zakelijke en persoonlijke diensten waarbij het publiek niet of slechts in ondergeschikte mate rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen, anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf aan huis;

maatschappelijke activiteit:

activiteit met het oog op sociale, maatschappelijke, educatieve of openbare dienstverlening, met inbegrip van gezondheidszorg, zorg- en welzijn, jeugd- en kinderopvang, onderwijs, religie, uitvaart en begraafplaats, bibliotheek en verenigingsleven;

recreatie-activiteit

activiteit gericht op het faciliteren van ontspanning of vrijetijdsbesteding, anders dan een sportactiviteit;

sportactiviteit

activiteit gericht op het faciliteren van het verbeteren van de fysieke prestaties door middel van training en wedstrijden;

woonactiviteit

activiteit gericht op het bewonen van een ruimte bedoeld voor de huisvesting van een of meer huishoudens;

Q

Na bijlage II wordt een bijlage ingevoegd, luidende:

Bijlage IV Meet- en rekenbepalingen

[gereserveerd]

[gereserveerd]

R

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

In het eerste lid van dit artikel zijn de begripsbepalingen van de Omgevingswet en het Omgevingsbesluit, het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en de Omgevingsregeling van toepassing verklaard op hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan. Het gaat om een zogenaamde statische verwijzing. Dat betekent dat latere wijzigingen van de begrippen in de Omgevingswet of de AMvB’s geen invloed hebben op de betekenis van de begrippen in hoofdstuk 22.

Bijlage  IIIII  bij dit omgevingsplan bevat de overige begripsbepalingen die voor hoofdstuk 22 nog nodig zijn in aanvulling op de begrippen van de wet, de AMvB’s en de Omgevingsregeling.

S

Na sectie ' Begripsbepalingen' worden 80 secties ingevoegd, luidende:

Artikel 2.1 Doelen omgevingsplan

In artikel 2.1 zijn alle doelen opgenomen met het oog waarop de regels in dit omgevingsplan zijn gesteld. Door de doelen op deze plaats op te nemen, ontstaat er nog niet direct een verband met de regels in de hoofdstukken 4 en 5 van het omgevingsplan. Dat verband ontstaat pas wanneer de doelen in hoofdstuk 4 van dit plan worden geactiveerd voor bepaalde thema's of gebiedstypen.

Naast het bieden van een overzicht van alle doelen in dit omgevingsplan is artikel 2.1 ook van belang wanneer er gebruik wordt gemaakt van een (binnenplanse) inherente afwijkingsbevoegdheid. Bij het gebruiken van die bevoegdheid kan dan een activiteit die in strijd is met de regels in hoofdstuk 5 van het omgevingsplan toch worden toegelaten als dat toelaten kan worden gemotiveerd vanuit de volle breedte van de doelen van het omgevingsplan, zoals ze in artikel 2.1 zijn opgesomd.

Artikel 4.1 Toepassingsbereik

De regels over activiteiten in hoofdstuk 5 zijn alleen van toepassing voor zover dat in hoofdstuk 4 is bepaald. De systematiek van dit omgevingsplan lijkt daarmee erg op de regeltechniek die in het Besluit activiteiten leefomgeving wordt toegepast. 

Artikel 4.2 Normadressaat

In dit artikel is voor heel hoofdstuk 4 en 5 de normadressaat bepaald. Binnen het stelsel van de wet wordt degene die de activiteit verricht primair verantwoordelijk geacht voor de naleving van de regels die gelden voor het verrichten van activiteiten. Voor vergunningplichtige activiteiten is dat expliciet verwoord in artikel 5.37, eerste lid, van de wet. Het gaat daarbij om degene die verantwoordelijk is voor het verrichten van de activiteiten, zoals de eigenaar of de opdrachtgever. Deze moet de vergunningvoorschriften zelf naleven en zorgen dat deze door zijn werknemers of contractanten worden nageleefd. Dit artikel bevat een soortgelijke bepaling voor de activiteiten die worden geregeld met algemene regels: degene die de activiteiten verricht, moet voldoen aan de regels van dit besluit, en ervoor zorgen dat de mensen of bedrijven die voor haar of hem werkzaamheden verrichten zich aan de regels over de activiteit houden. Het is primair de vergunninghouder of melder die zich aan de regels moet houden. Bij handhaving kan iedereen die het in zijn macht heeft om de overtreding te beëindigen echter worden aangesproken. In relatie tot de activiteit bouwen kan een aannemer of onderaannemer rechtstreeks worden aangesproken. In specifieke artikelen van dit hoofdstuk kan een andere normadressaat zijn aangewezen. Meestal zal het dan gaan om de rechthebbende op een perceel.

Artikel 4.3 Specifieke zorgplicht

In dit artikel is een zorgplicht opgenomen voor iedereen die activiteiten verricht die in dit hoofdstuk worden geregeld. Diegene moet zich rekenschap geven van de doelen, met het oog waarop de regels in het hoofdstuk over die activiteit zijn gesteld. Die doelen zijn terug te vinden in de artikelen met het opschrift "oogmerken". Op iedereen rust de verplichting om alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om nadelige gevolgen voor die doelen te voorkomen of, als dat niet kan, te beperken. Als die nadelige gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt, moet de activiteit achterwege worden gelaten. In de verschillende paragrafen van dit hoofdstuk is de specifieke zorgplicht vaak uitgewerkt met een aantal maatregelen die in ieder geval tot deze zorgplicht wordt gerekend. Onder dit artikel valt ook het op of in de bodem brengen, storten, houden, achterlaten of anderszins plaatsen van een afvalstof, stof of voorwerp. Hiermee wordt beoogd om zwerfafval zoveel mogelijk te voorkomen. Een voorbeeld van maatregelen die de nadelige gevolgen van deze activiteit kunnen voorkomen of beperken, is het plaatsen van afvalbakken en het opruimen van achtergebleven zwerfafval nabij verkooppunten van eet- of drinkwaren. Verder valt de aantasting van groenvoorzieningen door voertuigen ook onder dit artikel. Hiervan is sprake, wanneer een voertuig door een park, plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook rijdt, of het voertuig daarin doet of laat staan.

Artikel 4.4 Algemene gegevens bij een melding

In het verlengde van het gebruik in het Bal ligt het voor de hand om ook in het omgevingsplan bij bepaalde activiteiten het instrument meldingsplicht in te zetten. Uiteindelijk is de keuze voor wel of niet laten melden activiteitspecifiek. Het gaat er vooral om of het bevoegd gezag wil verzekeren dat het vooraf van een activiteit op de hoogte is en zichzelf ruimte wil voorbehouden om na te gaan of aan de algemene regels wordt voldaan of om een maatwerkvoorschrift vast te stellen. Dat kan aan de orde zijn bij een activiteit met gebruiksruimte, maar ook bij andere categorieën van activiteiten. Het vereisen van een melding zal, net als voor milieubelastende activiteiten in hoofdstuk 4 van het Bal, bij de specifieke activiteit worden aangegeven. Daarnaast ligt het voor de hand om een aantal algemene gegevens vast te leggen, zoals artikel 2.17 van het Bal doet.

Artikel 4.5 Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden

Als op grond van een afdeling of (sub)paragraaf van hst 5 van dit omgevingsplan, gegevens en bescheiden aan het bevoegd gezag worden verstrekt, worden die gegevens begeleid door een aantal algemene gegevens. De plicht om gegevens te verstrekken vloeit niet voort uit dit artikel. Die plicht is namelijk per activiteit opgenomen in de paragrafen van deze afdeling. Als in een paragraaf van deze afdeling het verstrekken van gegevens en bescheiden is voorgeschreven, bijvoorbeeld vóórdat wordt begonnen met die activiteit, wordt daarbij om specifieke gegevens gevraagd. Die gegevens worden dan verstrekt in aanvulling op de algemene gegevens uit dit artikel.

Artikel 4.6 lid 1

Het eerste lid van artikel 4.6 regelt dat een naamswijziging of adreswijziging wordt doorgegeven aan het bevoegd gezag vóórdat de wijziging een feit is. Dat is vooral voor de initiatiefnemer zelf van belang: diegene wil immers dat correspondentie van het bevoegd gezag op het juiste adres aankomt. 

Artikel 4.6 lid 2

Het tweede lid regelt dat bij overdracht van de activiteit naar iemand anders, de daardoor gewijzigde gegevens aan het bevoegd gezag worden verstrekt. Bijvoorbeeld omdat een bedrijf onder dezelfde bedrijfsnaam en op hetzelfde adres wordt voorgezet, maar wisselt van eigenaar. Dit sluit aan op artikel 5.37 van de Omgevingswet, waar hetzelfde over vergunninghouders is geregeld.

Artikel 4.7 Gegevens en bescheiden op verzoek van het college van burgemeester en wethouders

Dit artikel regelt dat gegevens en bescheiden moeten worden verstrekt aan het bevoegd gezag, als dat bevoegd gezag die gegevens en bescheiden nodig heeft om voor een specifieke activiteit of een specifieke locatie te beoordelen of de algemene regels en eventuele maatwerkvoorschriften die voor die activiteit of die locatie gelden, nog volstaan. Het gaat om gegevens en bescheiden waar het bevoegd gezag om vraagt. Degene die de activiteit verricht hoeft dus niet uit eigen beweging gegevens of bescheiden op te sturen; al staat dat natuurlijk vrij. 

Het gaat in dit artikel alleen om de situatie dat het bevoegd gezag wil bekijken of de algemene regels en maatwerkvoorschriften voor de activiteit nog toereikend zijn gezien ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de gezondheid en de ontwikkelingen van de kwaliteit van het milieu. Bij ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu kan gedacht worden aan het beschikbaar komen van nieuwe passende preventieve maatregelen of de actualisatie van de beste beschikbare technieken. De ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu kunnen bijvoorbeeld aan de orde zijn als er door cumulatie van activiteiten een verslechtering van de kwaliteit van lucht, veiligheid, geluid, oppervlaktewater of grondwater optreedt. Met deze formulering is aangesloten op dezelfde regeling voor vergunningplichtige gevallen, zoals opgenomen in artikel 16.56 in combinatie met artikel 5.38 van de Omgevingswet. Zie de artikelsgewijze toelichting op die artikelen voor verdere uitleg over ‘ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu’ en ‘ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu’. Gegevens waarover degene die de activiteit uitvoert niet redelijkerwijs de beschikking kan krijgen, hoeven uiteraard niet te worden verstrekt.

Artikel 4.8 Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval

Zodra vastgesteld is dat er sprake is van een ongewoon voorval moet het bevoegd gezag direct worden geïnformeerd; vertraging is gezien de gevolgen voor de gezondheid en het milieu niet wenselijk. Het gaat hier om voorvallen met een duidelijk negatief gevolg voor het milieu. Voor deze ongewone voorvallen bevat de Omgevingswet in hoofdstuk 19 regels gericht tot bestuursorganen. De definitie in de Omgevingswet beperkt ongewone voorvallen tot afwijkende gebeurtenissen die significante nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving kunnen hebben. In navolging daarvan verplicht de regeling in dit omgevingsplan er niet toe om het bevoegd gezag te informeren over gebeurtenissen die afwijken van het normale verloop van een activiteit maar die geen significante nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving hebben. Zie voor verdere uitleg over ongewone voorvallen afdeling 3.6 van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Bal. Het tweede lid bepaalt dat de informatieplicht niet geldt bij milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal en bij wonen. Het Bal bevat zelf al een informatieplicht voor ongewone voorvallen. Ongewone voorvallen bij de activiteit wonen komen zelden voor, en ook in het oude recht gold daarvoor geen informatieplicht.

Artikel 4.9 Toepassingsbereik

In dit artikel is geregeld voor welke activiteiten met gebruiksruimte regels worden gesteld in deze afdeling. Deze lijst is opgenomen, zodat bij het insluiten van activiteiten per gebiedstype ook direct duidelijk is welke activiteiten zijn uitgesloten. Deze in- of uitgesloten activiteiten noemen we ook wel 'herkenbare activiteiten'. De lijst in dit artikel is bedoeld als een limitatieve lijst. Alle activiteiten met gebruiksruimte die in deze afdeling geregeld moeten worden, kunnen namelijk onder één van de activiteiten uit deze lijst ondergebracht worden.

Per gebiedstype wordt bepaald welke activiteiten uit deze lijst worden ingesloten binnen dat gebiedstype. De activiteiten uit deze lijst die niet worden ingesloten, zijn uitgesloten. Ook wordt per gebiedstype bepaald aan welke regels over activiteiten uit hoofdstuk 5 moet worden voldaan bij het verrichten van de ingesloten activiteiten. De activiteiten die in hoofdstuk 5 zijn opgenomen, noemen we ook wel 'deelactiviteiten', omdat het in feite activiteiten zijn die onderdeel uitmaken van de ingesloten 'herkenbare activiteiten'.

Artikel 4.10 Aanwijzing gebiedstype

Met dit artikel wordt het gebiedstype Bedrijventerrein aangewezen en wordt de locatie bepaald.

Artikel 4.11 Doelen

In dit lid worden de algemene doelen (artikel 2.1) van toepassing verklaard.

Artikel 4.12 Insluiten activiteiten met gebruiksruimte

In het eerste lid wordt, met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, aangegeven welke activiteiten met gebruiksruimte zijn toegelaten op het bedrijventerrein. Deze aanwijzing betekent niet dat al die activiteiten overal op het bedrijventerrein zijn toegelaten. Waar welke activiteiten zijn toegelaten en onder welke voorwaarden is opgenomen in hoofdstuk 5 van de regels.

Indien activiteiten hier niet zijn opgesomd, zijn ze niet toegestaan.

Artikel 4.13 lid 1

In het eerste lid zijn bedrijfsactiviteiten opgenomen die niet zijn toegestaan op het bedrijventerrein. 

Artikel 4.13 lid 2

Het tweede lid legt vast aan welke paragrafen uit hoofdstuk 5 moet worden voldaan bij het verrichten van de activiteit, in casu het verrichten van een bedrijfsactiviteit. Deze bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.

Artikel 4.14 Detailhandelsactiviteiten

Dit artikel legt vast aan welke paragrafen uit hoofdstuk 5 moet worden voldaan bij het verrichten van de activiteit, in casu het verrichten van een detailhandelsactiviteit. Deze bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.

Het eerste lid beperkt de mogelijkheid om detailhandelsactiviteiten te verrichten tot activiteiten die verbonden zijn aan de productie van de activiteit met gebruiksruimte die daar in hoofdzaak wordt verricht en die functioneel ondersteunend zijn ten opzichte van die activiteit met gebruiksruimte. De term 'functioneel ondersteunend' is ontleend aan het Besluit activiteiten leefomgeving en geeft aan dat er een samenhang moet zijn tussen de hoofdactiviteit en de functioneel ondersteunende activiteit (in dit geval de detailhandelsactiviteit) die in ieder geval zo ver gaat dat de functioneel ondersteunende activiteit niet aanwezig zou zijn als de hoofdactiviteit niet aanwezig zou zijn.

Artikel 4.15 Dienstverleningsactiviteiten

Dit artikel legt vast aan welke paragrafen uit hoofdstuk 5 moet worden voldaan bij het verrichten van de activiteit, in casu het verrichten van een dienstverleningsactiviteit. Deze bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.

Het eerste lid beperkt de mogelijkheid om dienstverleningsactiviteiten te verrichten tot activiteiten die functioneel ondersteunend zijn ten opzichte van sportactiviteiten. De term 'functioneel ondersteunend' is ontleend aan het Besluit activiteiten leefomgeving en geeft aan dat er een samenhang moet zijn tussen de hoofdactiviteit (in dit geval de sportactiviteit) en de functioneel ondersteunende activiteit (in dit geval de dienstverleningsactiviteit) die in ieder geval zo ver gaat dat de functioneel ondersteunende activiteit niet aanwezig zou zijn als de hoofdactiviteit niet aanwezig zou zijn.

Artikel 4.16 Kantooractiviteiten

Dit artikel legt vast aan welke paragrafen uit hoofdstuk 5 moet worden voldaan bij het verrichten van de activiteit, in casu het verrichten van een kantooractiviteit. Deze bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.

Artikel 4.17 Sportactiviteiten

Dit artikel legt vast aan welke paragrafen uit hoofdstuk 5 moet worden voldaan bij het verrichten van de activiteit, in casu het verrichten van een sportactiviteit. Deze bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.

Artikel 4.18 Woonactiviteiten

Dit artikel legt vast aan welke paragrafen uit hoofdstuk 5 moet worden voldaan bij het verrichten van de activiteit, in casu het verrichten van een woonactiviteit. Deze bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.

Artikel 5.1 Toepassingsbereik

Deze paragraaf vormt de implementatie van paragraaf 5.1.4.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, voor zover het gaat om de activiteiten met gebruiksruimte die geluid veroorzaken. In afdeling 4.3 wordt bepaald op welke activiteiten met gebruiksruimte en binnen welke gebiedstypen deze paragraaf van toepassing is.

De opsomming van activiteiten waar deze paragraaf niet over gaat is afgeleid uit de artikelen 5.55,  tweede lid, en 5.63, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. De activiteit wonen wordt in het tweede lid niet genoemd, omdat deze paragraaf daarop in afdeling 4.3 van dit plan al niet van toepassing is verklaard. Daarnaast worden de activiteiten in de openbare ruimte niet genoemd, omdat deze paragraaf daar op grond van artikel 4.9tweede lid, al van dit plan al niet van toepassing is.

Artikel 5.2 Oogmerken

Dit artikel bevat de motieven met het oog waarop de regels in deze paragraaf zijn opgesteld.

Artikel 5.3 Waar waarden gelden 

Dit artikel is gebaseerd op artikel 5.55, tweede lid, onder b, 5.60, 5.61 en 5.62 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. 

In het eerste lid is onderdeel c van artikel 5.69 niet overgenomen, omdat de artikelen of leden die betrekking hebben op het geluid in geluidgevoelige ruimten zelf al voldoende duidelijk bepalen dat de betreffende waarden gelden in geluidgevoelige ruimten.

Met de zinssnede "op de locatie waar een gevel mag komen" in het eerste lid, onder a, onder 2, wordt gedoeld op de locatie waar op grond van de in (het tijdelijke deel van) dit omgevingsplan opgenomen regels over het bouwen van bouwwerken een gevel mag worden gebouwd.

In het tweede lid wordt bepaald dat de waarden in deze paragraaf niet van toepassing zijn op gevels die in dit plan worden aangewezen als niet-geluidgevoelig en op bedrijfswoningen en voormalige bedrijfswoningen.

Artikel 5.5 Geluid op een geluidgevoelig gebouw

Dit artikel bevat in de vorm van algemene regels de maximale geluidwaarden die gelden voor het verrichten van activiteiten met gebruiksruimte die geluid veroorzaken.

Omdat de regels van toepassing zijn binnen bedrijventerreinen is ervoor gekozen om, in aansluiting op artikel 22.63, tweede lid, van het tijdelijk deel van dit plan, niet uit te gaan van de in artikel 5.65 opgenomen standaardwaarden, maar deze met 5 dB (A) te verhogen.

Om de geluidgevoelige gebouwen buiten het bedrijventerrein wel een hogere bescherming te blijven bieden, is in het tweede lid bepaald dat op die geluidgevoelige gebouwen wel de standaardwaarden van toepassing zijn.

Artikel 5.6 Geluid binnen een aanpandig gebouw

Dit artikel vormt de uitwerking van artikel 5.65, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Het legt de maximale geluidwaarden vast die gelden in geluidgevoelige ruimten van in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen.

Artikel 5.7 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het verrichten van een geluidveroorzakende activiteit binnen de zone voor geluid, met uitzondering van de in onderdeel a tot en met c opgesomde activiteiten. 

Artikel 5.9 Samenhangende activiteiten

Dit artikel maakt het mogelijk om geluid van verschillende activiteiten binnen hetzelfde bedrijf in samenhang met elkaar te beoordelen. Voor geluid is dit opgenomen op basis van de instructieregels in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Het bevoegd gezag kan verschillende geluidsbronnen op grond van dit artikel in cumulatie beschouwen.

Artikel 5.10 lid 1

In dit lid is de basisnorm opgenomen die geldt voor activiteiten waarop deze paragraaf van toepassing is. Op grond van deze basisnorm kan een (denkbeeldige) contour getrokken worden rondom iedere geluidveroorzakende activiteit. De grens van die contour wordt bepaald door de in tabel 7.4a aangegeven afstand. Op de grens van die contour gelden de in de tabel opgenomen waarden. Deze contour kan ook tot buiten de grenzen van het bedrijventerrein reiken en ook dan blijft de afstand van 50 meter gelden, tenzij in het tweede tot en met vierde lid iets anders is bepaald.

In het tweede en derde lid wordt in de daar genoemde situaties afgeweken van de afstanden en waarden in dit lid. Voor zover die situaties niet van toepassing zijn, blijft dit lid gewoon van toepassing.

Artikel 5.10 lid 2

Dit lid geldt naast de leden 1 tot en met 3 en zorgt ervoor dat de afstand waarop de maximale geluidwaarden gelden nooit buiten de grenzen van het bedrijventerrein komen op de plaatsen waar het bedrijventerrein grenst aan een gemengd woongebied of rustig woongebied.

Artikel 5.11 Vergunningplicht afwijken van waarden met een omgevingsvergunning

Omdat niet in alle gevallen voldaan zal kunnen worden aan de waarden opgenomen in artikel 7.4, is een voor het afwijken van deze waarden een vergunningplicht opgenomen.

Artikel 5.12 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning

In dit artikel zijn enkele bijzondere aanvraagvereisten opgenomen, zodat nagegaan kan worden of voldaan wordt aan de beoordelingsregels van artikel 7.7. 

Artikel 5.13 lid 1

In dit artikel zijn de beoordelingsregels opgenomen waaraan een aanvraag om een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 5.5, wordt getoetst. Het eerste lid, aanhef en onder a en b, toetst in hoeverre alle mogelijke en redelijke maatregelen voor het verminderen van geluidsbelasting zijn getroffen. 

Daarnaast wordt op grond van het eerste lid, aanhef en onder c, beoordeeld of de geluidsbelasting op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Het zal bijvoorbeeld gaan om geluidgevoelige gebouwen op het bedrijventerrein. Er is alleen sprake van een aanvaardbare geluidsbelasting als de waarden uit artikel 5.4 niet meer dan [x] Db worden overschreden en dit niet leidt tot een overschrijding van de waarden voor geluidgevoelige ruimten binnen geluidgevoelige gebouwen. De waarden voor geluidgevoelige ruimten zijn uitgewerkt in tabel 5.7. 

In sommige gevallen is het onmogelijk de waarden voor geluidgevoelige ruimten binnen geluidgevoelige gebouwen vast te stellen. Dit is het geval wanneer de eigenaar van het geluidgevoelig gebouw medewerking weigert voor het uitvoeren van het onderzoek naar het geluid en de mogelijk geluidwerende maatregelen of weigert de geluidwerende maatregelen te laten aanbrengen. Daarbij is het mogelijk dat om zwaarwegende bouwkundige redenen geen maatregelen aan de gevel van het geluidgevoelig gebouw kunnen worden aangebracht. In alle drie de gevallen regelt het derde lid dat het tweede lid, aanhef en onder b, niet van toepassing is. 

Artikel 5.14 Toepassingsbereik

Deze paragraaf vormt de implementatie van paragraaf 5.1.4.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, voor zover het gaat om het toevoegen van geluidgevoelige gebouwen. Het toevoegen van geluidgevoelige gebouwen omvat zowel de nieuwbouw van dergelijke gebouwen als de wijziging van het gebruik van een gebouw waardoor het een geluidgevoelig gebouw wordt.

In afdeling 4.3 wordt bepaald op welke activiteiten met gebruiksruimte en binnen welke gebiedstypen deze paragraaf van toepassing is.

Artikel 5.15 Oogmerken

Dit artikel bevat de motieven met het oog waarop de regels in deze paragraaf zijn opgesteld.

Artikel 5.16 Waar waarden gelden 

Dit artikel is gebaseerd op artikel 5.55, tweede lid, onder b, 5.60, 5.61 en 5.62 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. 

In het eerste lid is onderdeel c van artikel 5.69 niet overgenomen, omdat de artikelen of leden die betrekking hebben op het geluid in geluidgevoelige ruimten zelf al voldoende duidelijk bepalen dat de betreffende waarden gelden in geluidgevoelige ruimten.

Met de zinssnede "op de locatie waar een gevel mag komen" in het eerste lid, onder a, onder 2, wordt gedoeld op de locatie waar op grond van de in (het tijdelijke deel van) dit omgevingsplan opgenomen regels over het bouwen van bouwwerken een gevel mag worden gebouwd.

In het tweede lid wordt bepaald dat de waarden in deze paragraaf niet van toepassing zijn op gevels die in dit plan worden aangewezen als niet-geluidgevoelig en op bedrijfswoningen en voormalige bedrijfswoningen.

Artikel 5.17 Geluid op een geluidgevoelig gebouw

Dit artikel bevat in de vorm van algemene regels de maximale geluidwaarden die gelden voor het toevoegen van geluidgevoelige gebouwen.

Omdat de regels van toepassing zijn binnen bedrijventerreinen is ervoor gekozen om, in aansluiting op artikel 22.63, tweede lid, van het tijdelijk deel van dit plan, niet uit te gaan van de in artikel 5.65 opgenomen standaardwaarden, maar deze met 5 dB (A) te verhogen.

Artikel 5.18 Meldingsplicht

Omdat de algemene regel voor het toevoegen van geluidgevoelige gebouwen gekoppeld is aan één specifiek punt in de tijd, namelijk het moment waarop het gebouw wordt toegevoegd, en om in situaties waarin geluidgevoelige gebouwen dichtbij bedrijfsactiviteiten worden toegevoegd als gemeente zicht te houden op de naleving van die regel, voorziet dit artikel in een meldingsplicht. Deze meldingsplicht geldt binnen een op de kaart vastgelegde afstand van de aanwezige bedrijfsactiviteiten.

Bij de melding moet een akoestisch rapport worden aangeleverd waaruit blijkt dat aan de algemene regel in artikel 5.17 wordt voldaan.

Artikel 5.19 Toepassingsbereik

https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041313&hoofdstuk=3&afdeling=3.5&paragraaf=3.5.1&artikel=3.20&z=2024‑01‑01&g=2024‑01‑01Deze paragraaf vormt de implementatie van paragraaf 4.1.4.2a.4 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Het gaat om het toevoegen van een geluidgevoelig gebouw binnen een geluidsaandachtsgebied van een weg. Het toevoegen van geluidgevoelige gebouwen omvat zowel de nieuwbouw van dergelijke gebouwen als de wijziging van het gebruik van een gebouw waardoor het een geluidgevoelig gebouw wordt.

Een geluidaandachtsgebied van een weg omvat de locaties waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde (artikel 3.20, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving). De ligging van dat gebied volgt vooralsnog uit artikel 17.5 van de Omgevingsregeling. Op grond van die bepaling omvat het gebied, gemeten vanaf de rand van de weg:

a.voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/u of minder geldt: 100 m;

b.voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een onbekende maximumsnelheid of een maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 m; en

c.voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 m.

Uiteindelijk zal de ligging van het geluidaandachtsgebied moeten gaan volgen uit een berekening op grond van artikel 3.20, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving en artikel 3.5 en bijlage IVc van de Omgevingsregeling, maar op grond van artikel 17.5 Omgevingsregeling hoeft deze berekening pas te worden toegepast vanaf het moment waarop de gegevens met betrekking tot de basisgeluidemissies van de wegen moeten zijn verzameld.

In afdeling 4.3 wordt bepaald op welke activiteiten met gebruiksruimte en binnen welke gebiedstypen deze paragraaf van toepassing is. 

Artikel 5.20 Oogmerken

Dit artikel bevat de motieven met het oog waarop de regels in deze paragraaf zijn opgesteld.

Artikel 5.21 Waar waarden gelden

Dit artikel is gebaseerd op artikel 3.23 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Onderdeel c van dat artikel is hier niet overgenomen, omdat de artikelen/leden die betrekking hebben op het geluid in geluidgevoelige ruimten zelf al voldoende duidelijk bepalen dat de betreffende waarden gelden in geluidgevoelige ruimten.

Met de zinssnede "op de locatie waar een gevel mag komen" in onderdeel a, onder 2, wordt gedoeld op de locatie waar op grond van de in (het tijdelijke deel van) dit omgevingsplan opgenomen regels over het bouwen van bouwwerken een gevel mag worden gebouwd.

Artikel 5.22 Standaardwaarde geluid op een geluidgevoelig gebouw

Dit artikel bevat in de vorm van algemene regels de maximale geluidwaarden die gelden voor het toevoegen van geluidgevoelige gebouwen. Deze waarden sluiten aan bij de standaardwaarden die zijn opgenomen in artikel 5.78t van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Hetzelfde geldt voor de bepalingen die in het tweede en derde lid zijn opgenomen.

Artikel 5.24 Meldingsplicht

Bij het toevoegen van een geluidgevoelig gebouw binnen een geluidaandachtsgebied waarbij voldaan wordt aan de standaardwaarde, bedoeld in artikel 5.22, moet altijd een melding worden gedaan. Bij deze melding moet een akoestisch onderzoek worden overgelegd waaruit blijkt dat aan die waarde wordt voldaan.

Uit de samenhang tussen dit artikel en de vergunningplicht in artikel 5.25 volgt dat deze activiteit altijd ofwel meldingsplichtig ofwel vergunningplichtig is en dat er dus altijd een akoestisch onderzoek zal moeten worden overgelegd.

Artikel 5.25 Aanwijzing vergunningplichtige gebouwen

Dit artikel bevat een vergunningplicht voor het toevoegen van een geluidgevoelig gebouw binnen een geluidaandachtsgebied waarbij niet wordt voldaan aan de standaardwaarde, bedoeld in artikel 5.22.

Uit de samenhang tussen dit artikel en de meldingsplicht volgt dat deze activiteit altijd ofwel meldingsplichtig ofwel vergunningplichtig is en dat er dus altijd een akoestisch onderzoek zal moeten worden overgelegd.

Artikel 5.27 Beoordelingsregels omgevingsvergunning

Bij omgevingsvergunning kan van de standaardwaarde worden afgeweken tot aan de grenswaarde, bedoeld in tabel 5.27. Deze grenswaarde is gebaseerd op artikel 5.78u van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Ook de overige beoordelingsregels in het eerste lid vormen een implementatie van dat artikel, met uitzondering van het eerste lid, onder d. Dat onderdeel implementeert artikel 5.78ac van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Het tweede lid implementeert artikel 5.78ab, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Onder gecumuleerd geluid wordt blijkens artikel 3.38 van het Besluit kwaliteit leefomgeving verstaan: "het geluid door geluidbronsoorten en andere activiteiten tegelijk, opgeteld met correctie voor de verschillen in hinderlijkheid." Geluidbronsoorten zijn wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Verder is het verschil tussen gecumuleerd geluid en gezamenlijk geluid dat bij gecumuleerd geluid wel een correctie wordt toegepast en bij gezamenlijk geluid niet.

Artikel 5.28 Voorschrift omgevingsvergunning

Dit artikel implementeert artikel 5.78ad van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Onder "het gezamenlijke geluid" moet volgens artikel 3.39, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving worden verstaan: "het geluid door geluidbronsoorten en andere activiteiten tegelijk, energetisch opgeteld zonder correctie voor de verschillen in hinderlijkheid." Geluidbronsoorten zijn wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Verder is het verschil tussen gecumuleerd geluid en gezamenlijk geluid dat bij gecumuleerd geluid wel een correctie wordt toegepast en bij gezamenlijk geluid niet.

Artikel 5.29 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het bouwen van een gebouw met parkeerbehoefte en het starten van een activiteit met gebruiksruimte waarvan een parkeerbehoefte wordt verwacht. Een voorbeeld van een gebouw met parkeerbehoefte is een woning, kantoorgebouw of een winkel. 

Artikel 5.30 Oogmerken

In dit artikel zijn de belangrijkste motieven opgenomen waarom regels over deze activiteit worden gesteld. De regels strekken er toe dat gebieden bereikbaar en toegankelijk zijn. Het laatste oogmerk ziet op het beschermen van het aanzien van de openbare ruimte. 

Artikel 5.31 Algemene regels

Parkeren is alleen toegestaan op eigen terrein. Wanneer een activiteit met gebruiksruimte, waarvan een parkeerbehoefte wordt verwacht, wordt gestart of een gebouw met parkeerbehoefte wordt gebouwd moet er genoeg parkeerruimte zijn dat parkeren op eigen terrein mogelijk is. 

Artikel 5.32 Meldingsplicht

In dit artikel is een meldingsplicht opgenomen voor het toevoegen van een gebouw met parkeerbehoefte. Wanneer een activiteit met gebruiksruimte waarbij een parkeerbehoefte wordt verwacht of een gebouw met parkeerbehoefte wordt toegevoegd moet dit ten minste vier weken voor de start van de activiteit worden gemeld. In het tweede lid is opgenomen welke gegevens en bescheiden moeten worden aangeleverd bij de melding. Het gaat om een beschrijving van de voorgenomen activiteit en een onderbouwing dat in de parkeerbehoefte kan worden voorzien op eigen terrein. De gemeente heeft zo voldoende tijd om na te gaan of de activiteit met het oog op parkeerruimte passend is op de geplande locatie. 

Artikel 5.33 Toepassingsbereik 

Deze paragraaf bevat regels over het verrichten van een bedrijfsactiviteit. 

Artikel 5.34 Oogmerken

In dit artikel zijn de belangrijkste motieven opgenomen waarom regels over deze activiteit worden gesteld.

Artikel 5.36 Algemene regels

In de gemeente wordt gewerkt aan een visie op bedrijventerreinen die aansluit bij de behoeften van de gemeente en die de beschikbare ruimte voor bedrijven binnen de gemeente maximaliseert. Het Werklandschap is bedoeld voor bedrijven met als ondersteunende activiteit het wonen in bedrijfswoningen. Het type bedrijven waarvoor het Werklandschap is bedoeld, ook het met oog op de bruikbaarheid van het terrein, zijn kleinschalige bouw- en nijverheidsbedrijven. Het eerste lid sluit daarom andere vormen van bedrijfsactiviteiten dan bouw- en nijverheidsbedrijven uit. Voor bedrijven buiten de bouw- en nijverheidssector die aanwezig zijn in het Werklandschap geldt het overgangsrecht uit hoofdstuk 14. In het tweede lid wordt geregeld dat geen bedrijfsverzamelgebouwen ontstaan. Voor het behoud van de kleinschaligheid van het gebied is enkel één bedrijf op een kavel toegestaan. In het derde lid wordt is het vereiste opgenomen dat laden en lossen in het kader van de bedrijfsactiviteit alleen op eigen terrein mag plaatsvinden. Dit ook met het oog op het beperken van hinder en bevorderen van de bereikbaarheid van het terrein. 

Artikel 5.37 Meldingsplicht

In dit artikel is een meldingsplicht opgenomen voor het verrichten van een bedrijfsactiviteit. Wanneer een nieuwe bedrijfsactiviteit wordt gestart moet dit ten minste vier weken voor de start van de activiteit worden gemeld. In het tweede lid is opgenomen welke gegevens en bescheiden moeten worden aangeleverd bij de melding. Het gaat om een beschrijving van de voorgenomen activiteit en een onderbouwing dat kan worden voldaan aan de algemene regels in artikel 5.36. De gemeente heeft zo voldoende tijd om na te gaan of de bedrijfsactiviteit passend is op de geplande locatie. 

Artikel 5.38 Toepassingsbereik

Deze paragraaf bevat regels over het verrichten van een detailhandelsactiviteit. 

Artikel 5.39 Oogmerken

In dit artikel zijn de belangrijkste motieven opgenomen waarom regels over deze activiteit worden gesteld. 

Artikel 5.40 Algemene regels

In het eerste lid opgenomen dat detailhandelsactiviteiten alleen mogen worden verricht die betrekking tot een bedrijfsactiviteit worden verricht. Het is daarbij van belang dat de detailhandelsactiviteiten productiegebonden zijn en functioneel ondergeschikt zijn aan de bedrijfsactiviteit. In het tweede lid is een verbod opgenomen om detailhandelsactiviteiten te verrichten in voedings- en genotsmiddelen. Tot slot is in het derde lid bepaald dat het laden en lossen dat in het kader van de detailhandel wordt verricht alleen mag plaatsvinden op eigen terrein. Dit met het oog op het beperken van hinder en het in standhouden van de bereikbaarheid van het terrein. 

Artikel 5.41 Meldingsplicht

In dit artikel is een meldingsplicht opgenomen voor het verrichten van een bedrijfsactiviteit. Wanneer een nieuwe bedrijfsactiviteit wordt gestart moet dit ten minste vier weken voor de start van de activiteit worden gemeld. In het tweede lid is opgenomen welke gegevens en bescheiden moeten worden aangeleverd bij de melding. Het gaat om een beschrijving van de voorgenomen activiteit en een onderbouwing dat kan worden voldaan aan de algemene regels in artikel 5.36. De gemeente heeft zo voldoende tijd om na te gaan of de bedrijfsactiviteit passend is op de geplande locatie. 

Artikel 5.42 Toepassingsbereik

Deze paragraaf bevat regels over het verrichten van een kantooractiviteit. 

Artikel 5.43 Oogmerken

In dit artikel zijn de belangrijkste motieven opgenomen waarom regels over deze activiteit worden gesteld. 

Artikel 5.44 Algemene regels 

In het eerste lid is een beperking opgenomen voor het verrichten van bedrijfsactivteiten binnen de locatie 'bedrijventerrein'. Op vijf percelen van het bedrijventerrein is het toegestaan om een kantooractiviteit te verrichten. Bij overschrijding van dit aantal is degene die als laatste een kantooractiviteit heeft gestart, en die daarmee het aantal percelen heeft overschreden, verantwoordelijk om ervoor te zorgen dat dit aantal niet wordt overschreden.

In het tweede lid is in afwijking van het eerste lid geregeld dat  kantooractiviteiten zijn toegestaan op het gehele bedrijventerrein als de kantooractiviteit functioneel ondersteunend is aan de bedrijfsactiviteit ter plaatse als de kantooractiviteit niet meer dan 20% van het brutovloeroppervlakte van het bedrijf beslaat.

Artikel 5.45 Meldingsplicht

In dit artikel is een meldingsplicht opgenomen voor het verrichten van een niet-functioneel ondergeschikte kantooractiviteit. De niet-functionele ondergeschikte kantooractiviteit is toegestaan volgens artikel 5.44, eerste lid, op vijf percelen binnen het bedrijventerrein. Om bij te houden wanneer deze grens is bereikt moet de start van een nieuwe niet-functionele kantooractiviteit ten minste vier weken voor de start van de activiteit worden gemeld. In het tweede lid is opgenomen welke gegevens en bescheiden moeten worden aangeleverd bij de melding. Het gaat om een beschrijving van de voorgenomen activiteit en een onderbouwing dat voldaan wordt aan de regels in artikel 5.44, met name dat de kantooractiviteit niet het maximum van 5 percelen overschrijdt. De gemeente heeft zo voldoende tijd om na te gaan of de activiteit met het oog op parkeerruimte passend is op de geplande locatie. 

Artikel 5.47 Locaties voor sportscholen

Sportscholen zijn op een bedrijventerrein alleen toegestaan op specifieke locaties die op de kaart zijn aangegeven.

Artikel 5.48 Toepassingsbereik 

Deze paragraaf bevat regels over het wonen. 

Artikel 5.49 Oogmerken 

In dit artikel zijn de belangrijkste motieven opgenomen waarom regels over deze activiteit worden gesteld. 

Artikel 5.50 lid 1

In het eerste lid is geregeld dat woonactiviteiten alleen mag plaatsvinden binnen een bedrijfswoning, als gedefinieerd in Bijlage III, en binnen de locatie 'bedrijfswoning'. Per vlak op de kaart, zoals is aangegeven op de kaart door middel van de locatie 'bedrijfswoning', is uitsluitend één bedrijfswoning toegestaan. 

Artikel 5.50 lid 2

Binnen de locatie 'reguliere woning' zijn twee reguliere woningen die niet vallen binnen de definitie van bedrijfswoning. Alleen binnen de locatie 'reguliere woning' mag in afwijking van het eerste lid gewoond worden. In andere gevallen is het eerste lid van dit artikel van toepassing. 

Artikel 5.51 Toepassingsbereik 

Dit artikel bepaalt dat de regels in deze paragraaf gaan over het uitoefenen van een beroep of bedrijf aan huis. De woonfunctie blijft behouden.

Artikel 5.52 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn vooral gesteld op het voorkomen van hinder en overlast voor bestaande functies, in het bijzonder wonen.

Artikel 5.53 Specifieke zorgplicht

Om overlast in de directe omgeving te voorkomen wordt de uitoefenaar van het beroep of bedrijf aan huis geacht te voorzien in voldoende parkeergelegenheid en onevenredige geluidsproductie te beperken of voorkomen.

Artikel 5.54 Algemene regels beroep of bedrijf aan huis

Voor het uitoefenen van beroep of bedrijf aan huis gelden algemene regels die ertoe strekken dat de omvang van de activiteit beperkt blijft en passend is binnen een woongebied. Zo dient wonen de primaire activiteit te zijn en beroep of bedrijf een ondergeschikte activiteit.

Artikel 5.55 Algemene regels verkoop van producten

Er gelden algemene regels voor het verkopen van producten ter uitoefening van beroep of bedrijf aan huis. De strekking hiervan is dat de omvang van de verkoop van producten beperkt blijft en er geen sprake is van een detailhandelsactiviteit.

Artikel 14.1 Lopende procedures, besluiten op aanvraag of ambtshalve 

Dit artikel bevat het overgangsrecht voor procedures (zoals de behandeling van een aangevraagde omgevingsvergunning) die lopen tijdens de inwerkingtreding van een wijziging van dit omgevingsplan. Het is een generieke overgangsregeling voor alle toekomstige wijzigingen van het omgevingsplan. De regeling sluit aan bij de algemene lijn voor overgangsrecht die het Rijk in de Invoeringswet Omgevingswet heeft opgenomen. Een generieke regeling heeft als voordeel dat er een standaard systematiek is voor het overgangsrecht, en dat er bij toekomstige planwijzigingen een basis ligt voor passend overgangsrecht. Alleen als er bijzondere omstandigheden zijn, zal er voor een planwijziging aanvullend overgangsrecht nodig zijn. Dat aanvullende overgangsrecht landt in afdeling 14.2. Het overgangsrecht geldt niet voor lopende handhavingsbesluiten; daarvoor is een specifieke regeling opgenomen in artikel 14.4 (lex specialis). 

In het eerste lid is geregeld dat op alle lopende aanvragen het oude recht van toepassing blijft. Het oude recht betekent: het recht zoals dat gold direct voorafgaand aan de planwijziging. Bij bijvoorbeeld de integratie van een bestemmingsplan in het nieuwe deel van het omgevingsplan, houdt het oude recht dus in: het bestemmingsplan zoals dat direct voorafgaand aan de planwijziging gold in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. 

Het tweede en derde lid bevatten het overgangsrecht voor ambtshalve besluiten (dus niet op aanvraag). Dat kunnen bijvoorbeeld maatwerkvoorschriften zijn die op grond van het tijdelijke deel van het omgevingsplan worden gesteld. Het aangrijpingspunt voor het overgangsrecht hangt af van de voorbereidingsprocedure. Bij de uitgebreide procedure is het overgangsrecht van toepassing op ambtshalve besluiten waarvan het ontwerpbesluit voorafgaand aan de planwijzing ter inzage is gelegd. Bij de reguliere procedure is het overgangsrecht van toepassing als voorafgaand aan de planwijziging aan de betreffende belanghebbende conform artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid is geboden om diens zienswijze naar voren te brengen. 

Zodra het besluit van kracht wordt of, als beroep open staat, het besluit onherroepelijk is, geldt het overgangsrecht zoals opgenomen in artikel 14.2 en verder. 

Artikel 14.2 Overgangsrecht vergunningplichte activiteiten

Dit artikel bevat het overgangsrecht voor vergunningen die golden direct voorafgaand aan een wijziging van dit omgevingsplan. Het is een generieke overgangsregeling voor alle toekomstige wijzigingen van het omgevingsplan. De regeling sluit aan bij de algemene lijn voor overgangsrecht die het Rijk in de Invoeringswet Omgevingswet heeft opgenomen. Een generieke regeling heeft als voordeel dat er een standaard systematiek is voor het overgangsrecht, en dat er bij toekomstige planwijzigingen een basis ligt voor passend overgangsrecht. Alleen als er bijzondere omstandigheden zijn, zal er voor een planwijziging aanvullend overgangsrecht nodig zijn. Dat aanvullende overgangsrecht landt in afdeling 14.2. Het overgangsrecht voor lopende procedures is opgenomen in artikel 14.1. 

Net als in de Invoeringswet Omgevingswet, is de lijn in dit artikel dat vergunningen uit het verleden worden gelijkgeschakeld met het opvolgende besluit op grond van het gewijzigde omgevingsplan. Bij activiteiten die voorafgaand aan en na inwerkingtreding van de wijziging van het omgevingsplan vergunningplichtig zijn, wordt de bestaande vergunning (bijvoorbeeld op grond van een verordening of op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan) gelijkgeschakeld met een omgevingsvergunning op grond van het nieuwe deel van het (gewijzigde) omgevingsplan. Als de activiteit na de planwijziging niet meer vergunningplichtig is, worden de voorschriften van de bestaande vergunning gelijkgeschakeld met maatwerkvoorschriften op grond van het nieuwe deel van het (gewijzigde) omgevingsplan. In het geval geen maatwerkvoorschrift mogelijk is op een activiteit op grond van dit omgevingsplan dan vervalt de oude vergunning en blijven de voorschriften niet als maatwerkvoorschrift voortbestaan. 

Artikel 14.3 Overgangsrecht meldingen, kennisgevingen en maatwerkvoorschriften 

Dit artikel bevat het overgangsrecht voor andere besluiten of rechtsfeiten dan vergunningen, die golden direct voorafgaand aan een wijziging van dit omgevingsplan. Het is een generieke overgangsregeling voor alle toekomstige wijzigingen van het omgevingsplan. De regeling sluit aan bij de algemene lijn voor overgangsrecht die het Rijk in de Invoeringswet Omgevingswet heeft opgenomen. Een generieke regeling heeft als voordeel dat er een standaard systematiek is voor het overgangsrecht, en dat er bij toekomstige planwijzigingen een basis ligt voor passend overgangsrecht. Alleen als er bijzondere omstandigheden zijn, zal er voor een planwijziging aanvullend overgangsrecht nodig zijn. Dat aanvullende overgangsrecht landt in afdeling 14.2. Het overgangsrecht voor lopende procedures is opgenomen in artikel 14.1. 

Net als in de Invoeringswet Omgevingswet, is de lijn in dit artikel dat besluiten of rechtsfeiten uit het verleden worden gelijkgeschakeld met het opvolgende besluit of rechtsfeit op grond van het gewijzigde omgevingsplan. Zo bepaalt het eerste lid dat meldingen en kennisgevingen die voorafgaand aan de planwijziging zijn ingediend, gelden als meldingen op grond van het nieuwe deel van het (gewijzigde) omgevingsplan, als de betreffende activiteit op grond van dat nieuwe deel meldingsplichtig is. Het tweede lid bepaalt hetzelfde voor activiteiten waarvoor op grond van het nieuwe deel een informatieplicht geldt. Het derde lid heeft betrekking op voorheen vergunningplichtige activiteiten, die na de planwijziging meldingsplichtig zijn. En het vierde lid bevat de gelijkschakeling van maatwerkvoorschriften die golden voorafgaand aan de planwijziging met maatwerkvoorschriften op grond van het nieuwe deel van het (gewijzigde) omgevingsplan. 

Artikel 14.4 Overgangsrecht handhavingsbesluiten

Dit artikel bevat het overgangsrecht voor handhavingsbesluiten die zijn genomen direct voorafgaand aan een wijziging van dit omgevingsplan. Het is een generieke overgangsregeling voor alle toekomstige wijzigingen van het omgevingsplan. De regeling sluit aan bij de algemene lijn voor overgangsrecht die het Rijk in de Invoeringswet Omgevingswet heeft opgenomen. Een generieke regeling heeft als voordeel dat er een standaard systematiek is voor het overgangsrecht, en dat er bij toekomstige planwijzigingen een basis ligt voor passend overgangsrecht. Alleen als er bijzondere omstandigheden zijn, zal er voor een planwijziging aanvullend overgangsrecht nodig zijn. Dat aanvullende overgangsrecht landt in afdeling 14.2.  

Net als in de Invoeringswet Omgevingswet, blijft op handhavingsbesluit het oude recht van toepassing totdat het handhavingstraject volledig is afgerond. Het oude recht betekent: het recht zoals dat gold direct voorafgaand aan de planwijziging. Bij bijvoorbeeld de integratie van een bestemmingsplan in het nieuwe deel van het omgevingsplan, houdt het oude recht dus in: het bestemmingsplan zoals dat direct voorafgaand aan de planwijziging gold in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. 

Artikel 14.6 Eerbiedigende werking activiteiten met gebruiksruimte 

Het overgangsrecht in dit artikel sluit aan bij het overgangsrecht dat op grond van het voormalige Besluit ruimtelijke ordening verplicht in bestemmingsplannen moest worden opgenomen. Het artikel regelt dat bestaande, legale activiteiten met gebruiksruimte mogen worden voortgezet, ook al zijn ze in strijd met de regels in het nieuwe deel van het (gewijzigde) omgevingsplan over dergelijke activiteit. Voorwaarde is dat de activiteit niet wordt gewijzigd in een andere activiteit met gebruiksruimte. Zo mag een bestaande detailhandelsactiviteit dus wel worden aangepast, maar mag op de betreffende locatie niet een horeca-activiteit worden gestart. In de specifieke regels van hoofdstuk 5 van dit omgevingsplan kunnen afwijkingen op dit overgangsrecht worden opgenomen (lid 4).   

Artikel 14.7 Persoonsgebonden overgangsrecht

Dit artikel bevat overgangsrecht voor enkele specifieke activiteiten die worden verricht in het Werklandschap Overasselt. Deze activiteiten zijn niet ingesloten binnen het Werklandschap en daarmee niet toegestaan volgens de hoofdstukken 4 en 5. Dit overgangsrecht voorziet voor een aantal activiteiten die al werden verricht in overgangsrecht, waardoor de huidige exploitant de activiteit mag blijven verrichten. Dit overgangsrecht vervalt op het moment dat een ander bedrijf de activiteit zou willen voortzetten of het moment waarop het bedrijf dat de activiteit verricht een andere eigenaar krijgt. Als één van die veranderingen zich voordoet, is de activiteit niet meer toegestaan.

Artikel 14.8 Voorrangsbepaling tijdelijk deel omgevingsplan

Dit artikel regelt de verhouding tussen de regels die in het 'nieuwe deel' van het omgevingsplan zijn opgenomen en de regels die noodzakelijkerwijs nog zijn achtergebleven in met name de bestemmingsplannen die zijn achtergebleven in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Omdat de regels uit die bestemmingsplannen niet in één keer volledig worden opgenomen in het nieuwe deel kunnen ze nog niet vervallen. Het is namelijk technisch niet mogelijk om een deel van deze regels te laten vervallen. Daardoor is in het Omgevingsloket zowel het nieuwe deel van het omgevingsplan te vinden als alle regels uit het tijdelijke deel (inclusief de regels die al zijn vervangen door de nieuwe regels). Om die reden bepaalt dit artikel dat de regels uit het tijdelijke deel van het omgevingsplan over de genoemde activiteiten niet van toepassing zijn voor zover daarover regels zijn gesteld bij of krachtens afdeling 4.3 van (het nieuwe deel van) het omgevingsplan.

Artikel 14.9 Beperking werking bruidsschat

Dit artikel beperkt het toepassingsbereik van de genoemde paragrafen uit hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan door ze op bepaalde locaties niet meer van toepassing te laten zijn. De reden daarvoor is dat op die locaties de regels uit die paragrafen zijn overgeheveld naar de hoofdstukken 4 tot en met 8 van dit omgevingsplan. In die hoofdstukken zullen uiteindelijk alle nodige regels uit hoofdstuk 22 opgaan.

T

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.1 lid 1

In het tijdelijke deel van dit omgevingsplan worden zowel ruimtelijke besluiten (artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet) als de omgevingsplanregels van rijkswege (artikel 22.1, onder c, van de Omgevingswet) opgenomen. Deze omgevingsplanregels van rijkswege wordt ook wel de bruidsschat genoemd. Onder het tijdelijke deel van het omgevingsplan vallen bijvoorbeeld bestemmingsplannen met verbrede reikwijdte op grond van de voormalige Crisis- en herstelwet. In deze bestemmingsplannen is er afgeweken van bepalingen bij of krachtens de voormalige Wet ruimtelijke ordening en de Wet milieubeheer. Dat betekent dat de omgevingsplanregels uit die bestemmingsplannen op onderdelen in strijd zijn met de omgevingsplanregels van rijkswege. Ook kan in een bestemmingsplan toepassing zijn gegeven aan artikel 2, onder a, van de voormalige Interimwet stad-en-milieubenadering waarin is bepaald dat de gemeenteraad in een bestemmingsplan kan afwijken van een milieukwaliteitsnorm voor bodem, geluid en lucht. Omdat ook deze bestemmingsplannen samen met de omgevingsplanregels van rijkswege in het tijdelijke deel van het omgevingsplan worden opgenomen moet er een voorrangsregel worden opgenomen.

Deze voorrangsregel geldt ook bij strijdigheid tussen de omgevingsplanregels van rijkswege en de:

  • a.

    voorwaarden aan het lozen van afvloeiend hemelwater of van grondwater op of in de bodem of in een riool in een gemeentelijke verordening op grond van artikel 10.32a van de Wet milieubeheer; en

  • b.

    de aanwijzing van concentratiegebieden en waardsen of afstanden voor geur bij het houden van landbouwhuisdieren in een geurverordening op grond van artikel 6 van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij.

Om die reden is in het eerste lid van dit artikel bepaald dat de regels van afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 van dit omgevingsplan niet van toepassing zijn voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet. De toets of er sprake is van «strijd» omvat ook een toets of wel of niet sprake is van regels met hetzelfde oogmerk. Als de regels een ander oogmerk hebben, doet «strijd» in de zin van de bepaling zich niet voor. Dit is vergelijkbaar met de wijze waarop bij de toepassing van artikel 121 van de Gemeentewet wordt getoetst of er sprake is van «strijd» met een hogere regeling. Paragraaf 22.2.7.3 van dit omgevingsplan is van de werking van het eerste lid van de voorrangsbepaling uitgezonderd. Deze paragraaf regelt dat bepaalde bouw- en gebruiksactiviteiten van rechtswege in overeenstemming zijn met het omgevingsplan, ongeacht wat er in het omgevingsplan concreet is bepaald. Daarmee zijn deze activiteiten, voor zover die in strijd zouden zijn met het omgevingsplan, aangewezen als vergunningvrije omgevingsplanactiviteiten. Als paragraaf 22.2.7.3 niet van de werking van het eerste lid van de voorrangsbepaling zou worden uitgezonderd, waardoor die paragraaf toch opzij gezet zou kunnen worden door andersluidende bepalingen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, zou als gevolg daarvan de werking van die paragraaf worden ontkracht. Dat is onwenselijk.

U

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.18 Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk

In dit artikel zijn onderdelen terug te vinden die voorheen waren opgenomen in artikel 1a, tweede lid, van de Woningwet, en de artikelen 7.21 en 7.22 van het Bouwbesluit 2012. Deze zorgplicht («kapstokartikel») heeft betrekking op gebruik van bouwwerken waarin niet is voorzien door de andere voorschriften van dit omgevingsplan en het Bbl. Hiermee heeft het bevoegd gezag een «kapstok» om in een specifiek geval in te grijpen wanneer het gebruik van een bouwwerk leidt tot hinder, overlast, gezondheidsrisico’s en veiligheidsrisico’s anders dan de brandveiligheidsrisico’s die al in het Bbl zijn geregeld.

De zorgplicht opgenomen in het eerste lid geldt voor eenieder die een bouwwerk gebruikt. De term gebruiken moet ruim worden uitgelegd en omvat zowel het zelf gebruiken als het door een ander laten gebruiken. Het eerste lid regardeert dus enerzijds degene die (als eigenaar, beheerder, verhuurder of anders) het gebouw laat gebruiken door een ander, evenals degene die (zelf) gebruik maakt van een bouwwerk. Al deze personen zijn gehouden het noodzakelijke te doen, voor zover dat in hun vermogen ligt, om het ontstaan of voortduren van gevaar voor de gezondheid of veiligheid te voorkomen of te beëindigen. Dit vereist adequaat en tijdig optreden waarbij zowel (tijdelijke) beheersmaatregelen als (permanente) eindmaatregelen noodzakelijk kunnen zijn, afhankelijk van de aard en omvang van een bepaald gevaar.

De zorgplicht is steeds van toepassing, ook in het kader van vergund of op een andere manier toegestaan handelen, al zal in de regel het naleven van de reguliere veiligheids- en gezondheidsbepalingen ertoe leiden dat geen gevaar voor de gezondheid of de veiligheid ontstaat of voortduurt.

De geëiste maatregelen op grond van dit artikel moeten altijd in verhouding staan tot het te bestrijden risico. De gemeente zal de noodzaak hiervan in het concrete geval moeten kunnen onderbouwen.

Enkele voorbeelden van situaties waarin een beroep op dit zorgplichtartikel gerechtvaardigd kan zijn:

  • a.

    als sprake is van geluidhinder;

  • b.

    als sprake is van ernstige rookhinder door het stoken van hout of andere stoffen;

  • c.

    als stankverwekkende stoffen zijn opgeslagen;

  • d.

    als sprake is van een illegale hennepkwekerij;

  • e.

    als op gevaarlijke wijze materiaal is gestapeld (bijvoorbeeld voor kinderen bereikbare vaten die kunnen gaan rollen);

  • f.

    als asbestbevattende materialen of restanten hiervan zich in een zodanige staat bevinden dat het risico van verspreiding van asbestvezels te vrezen valt. Het Asbestverwijderingsbesluit 2005 ziet op de situatie van sloop en is niet toepasbaar op de situatie van verweren of slijtage.

Met het tweede lid, onderdeel c, is beoogd dat een bouwwerk in een dusdanig nette staat is dat daardoor geen hinder voor personen ontstaat en dat er geen gevaar voor de veiligheid of gezondheid ontstaat. Op grond van dit artikel kan bijvoorbeeld worden opgetreden wanneer in een woning overmatig veel last is van schadelijk of hinderlijk gedierte of wanneer de algemene reinheid (gezondheid) dat betaamt. Het moet gaan om ernstige gevallen.

Het derde lid geeft aan dat dit artikel niet gaat over gebruik van bouwwerken dat al geregeld is in afdeling 6.2 van het Bbl (zie ook hierboven). Die regels zijn namelijk uitputtend en er bestaat geen ruimte dat gebruik daarnaast onderwerp van dit omgevingsplan te laten zijn.

V

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.20 Specifieke zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen

In dit artikel zijn onderdelen terug te vinden die voorheen waren opgenomen in artikel 1a, tweede lid, van de Woningwet, en de artikelen 7.21 en 7.22 van het Bouwbesluit.

Deze zorgplicht («kapstokartikel») heeft betrekking op de staat en het gebruik van open erven en terreinen waarin niet is voorzien door de andere voorschriften van dit omgevingsplan. Hiermee heeft het bevoegd gezag een «kapstok» om in een specifiek geval in te grijpen wanneer de staat of het gebruik van een open erf of terrein leidt tot hinder, gezondheidsrisico’s en veiligheidsrisico’s. Ook als de staat of het gebruik op zich voldoet aan de voorschriften van dit omgevingsplan kan er reden zijn voor een beroep op dit artikel.

De zorgplicht opgenomen in het eerste lid geldt voor eenieder die een open erf of terrein gebruikt. De term gebruiken moet ruim worden uitgelegd en omvat zowel het zelf gebruiken als het door een ander laten gebruiken. Al deze personen zijn gehouden het noodzakelijke te doen, voor zover dat in hun vermogen ligt, om het ontstaan of voortduren van gevaar voor de gezondheid of veiligheid te voorkomen of te beëindigen. Dit vereist adequaat en tijdig optreden waarbij zowel (tijdelijke) beheersmaatregelen als (permanente) eindmaatregelen noodzakelijk kunnen zijn, afhankelijk van de aard en omvang van een bepaald gevaar.

De zorgplicht is steeds van toepassing, ook in het kader van vergund of op een andere manier toegestaan handelen, al zal in de regel het naleven van de reguliere veiligheidsbepalingen ertoe leiden dat geen gevaar voor de gezondheid of de veiligheid ontstaat of voortduurt.

De geëiste maatregelen op grond van dit artikel moeten altijd in verhouding staan tot het te bestrijden risico. De gemeente zal de noodzaak hiervan in het concrete geval moeten kunnen aantonen.

Enkele voorbeelden van situaties waarin een beroep op dit kapstokartikel gerechtvaardigd kan zijn:

  • a.

    als sprake is van lawaaihinder;

  • b.

    als sprake is van ernstige rookhinder door het stoken van hout of andere stoffen;

  • c.

    als stankverwekkende stoffen zijn opgeslagen;

  • d.

    als sprake is van een illegale hennepkwekerij;

  • e.

    op gevaarlijke wijze materiaal is gestapeld (bijvoorbeeld voor kinderen bereikbare vaten die kunnen gaan rollen);

  • f.

    als asbestbevattende materialen of restanten hiervan zich in een zodanige staat bevinden dat het risico van verspreiding van asbestvezels te vrezen valt. Het Asbestverwijderingsbesluit 2005 ziet op de situatie van sloop en is niet toepasbaar op de situatie van verweren of slijtage.

Met het derde lid onderdeel c is beoogd dat een open erf of terrein in een dusdanig nette staat verkeert dat daardoor geen hinder voor personen ontstaat en dat er geen gevaar voor de veiligheid of gezondheid ontstaat. Op grond van dit artikel kan bijvoorbeeld worden opgetreden wanneer op een erf overmatig veel last is van schadelijk of hinderlijk gedierte of wanneer de algemene reinheid (gezondheid) dat betaamt. Een open erf en terrein behoort geen gevaar voor de veiligheid of gezondheid op te leveren door drassigheid, stank, verontreiniging, (on)gedierte, begroeiing of voorwerpen. Het moet gaan om ernstige gevallen.

W

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.31 Voorschrift omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: na einde activiteit

Voordat een bodemgevoelig gebouw of een gedeelte van een bodemgevoelig gebouw in gebruik genomen wordt, wordt die informatie verstrekt waaruit blijkt hoe de sanerende of andere beschermende maatregelen, bedoeld in artikel paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving, zijn uitgevoerd.

Ter bescherming van de gezondheid van de gebruikers van een bodemgevoelig gebouw is het van belang om te waarborgen dat de voorgeschreven maatregelen daadwerkelijk zijn uitgevoerd. Daartoe dient het voldoen aan deze informatieplicht als voorwaarde voor ingebruikname. Het Besluit activiteiten leefomgeving kent ook een vergelijkbare informatieplicht na beëindiging van de activiteit bodemsanering. De initiatiefnemer kan in één keer aan beide informatieplichten voldoen.

De strekking is dat de initiatiefnemer na afloop van de sanering het bevoegd gezag informeert dat en hoe hij de sanering heeft uitgevoerd. Dit geeft het bevoegd gezag de gelegenheid om adequaat en tijdig toezicht te houden voordat het gebouw in gebruik wordt genomen om te beoordelen of de sanering is afgerond en inderdaad heeft opgeleverd dat het bodemgevoelige gebouw geschikt is voor gebruik.

Dit artikel is gericht op een vergunningvoorschrift met een verbod op ingebruikname als niet is voldaan aan de voorwaarde (voldoen aan de informatieplicht). Het voldoen aan deze informatieplicht heft dat verbod op. Ingeval van het verzuimen om te informeren of het ontbreken van de benodigde informatie kan het bevoegd gezag dus handhaven op overtreding van deze informatieplicht. Toezicht en handhaving op de wijze van saneren en of die in overeenstemming is met de voorschriften over saneren in het Besluit activiteiten leefomgeving vindt plaats op basis van dat besluit.

Een bodemgevoelig gebouw is omschreven als:

  • a.

    gebouw of gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt, voor zover aannemelijk is dat personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn; of

  • b.

    woonschip of woonwagen.

Deze begripsomschrijving is afkomstig uit het Besluit kwaliteit leefomgeving en geldt via een schakelbepaling in dit omgevingsplan (artikel 1.1).

X

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.101 Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s voor het berijden: afstand

Voor landbouwhuisdieren waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld gelden geen waarden, maar is het uitgangspunt dat afstanden worden aangehouden. Deze afstanden zijn in dit artikel opgenomen. Het gaat hierbij om vaste afstanden: de afstand is niet gekoppeld aan het aantal landbouwdieren.

In dit omgevingsplan wordt onder landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor verstaan: landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen emissiefactor voor geur is vastgesteld met uitzondering van pelsdieren. Deze begripsbepaling staat opgenomen in Bijlage IIIII bij dit omgevingsplan.

Dit artikel is een voortzetting van artikel 4, eerste lid, van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en artikel 3.117, eerste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

Voor dit artikel geldt dat als in een geurverordening op grond van artikel 6 van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij een andere afstand is vastgesteld dan de afstand in dit artikel, die andere afstand uit de geurverordening voorrang heeft op de afstand zoals opgenomen in dit artikel. Dit is geregeld in artikel 22.1 van dit omgevingsplan. Deze voorrang werkt ook door in de volgende artikelen van deze paragraaf over de eerbiedigende werking.

Y

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.150 Meet- en rekenbepalingen

In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. Er zijn normen opgenomen voor het bemonsteren, conserveren en ontsluiten. Ook zijn de analysemethoden die moeten worden gebruikt voor de stoffen waaraan in deze paragraaf emissiegrenswaarden worden gesteld voorgeschreven. De versies van de NEN-EN-normen zijn opgenomen in de begripsbepalingen van bijlage IIIII.

Als er wordt bemonsterd, moeten de monsters volgens NEN 6600-1 worden geconserveerd om te voorkomen dat in de monsters verandering optreedt voor de te analyseren parameter tussen het moment van bemonstering en het moment van analyse. Omdat de emissiegrenswaarden die zijn gesteld betrekking hebben op het totaal van opgeloste en niet opgeloste stoffen in het afvalwater, is het van belang dat het monster niet gefilterd wordt en dat de stoffen die zich onopgelost in het afvalwater bevinden meegenomen worden in de analyse.

Z

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage II BIJ ARTIKEL 1.1, TWEEDE LID, VAN DIT OMGEVINGSPLAN, BEGRIPSBEPALINGEN Bijlage III Begripsbepalingen

I Bijlage A

[Gereserveerd]

II Overzicht Documentenbijlagen

Motivering Wijzigingsbesluit Werklandschap Overasselt (fase 1) Omgevingsplan gemeente Heumen

/join/id/pubdata/gm0252/2025/bb82322f6756466c827eeae218abb00d/nld@2025‑06‑18;14301220

Nota van Zienswijzen Wijzigingsbesluit Werklandschap Overasselt (fase 1) Omgevingsplan gemeente Heumen

/join/id/pubdata/gm0252/2025/da407fe04f9842b190e99de098af6667/nld@2025‑06‑18;14301220

Naar boven