Gemeenteblad van Winterswijk
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Winterswijk | Gemeenteblad 2024, 509349 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Winterswijk | Gemeenteblad 2024, 509349 | beleidsregel |
Kadernota Ruimtelijke kwaliteit Achterhoekse erven veranderen
v.l.n.r terrein met erfinrichting, het terrein met gebouwen en het totale erf
Het erf en het landschap hebben een sterke band met elkaar. De ondergrond waarop het erf is gesitueerd, het type landschap waarin het erf ligt en het type bedrijfsactiviteit zijn allen bepalend voor de ontwikkeling en verschijningsvorm van een erf. Om helder te kunnen communiceren over erven en veranderingen van erven is het van belang vast te stellen wat er onder een erf wordt verstaan.
ERF: een perceel grond (terrein) met de daarbij behorende terreininrichting en ensemble van gebouwen.
Van oudsher is de bebouwing in het Achterhoekse landschap gegroepeerd op erven. Op die erven vormen gebouwen en erfbeplanting een samenhangend geheel. De Achterhoekse gemeenten hebben momenteel te maken met een toenemend aantal aanvragen voor transformatie van erven (verbouw, nieuwbouw, splitsing, functieverandering, schaalvergroting, veranderingen aan terreininrichting, etc.). Evenals in andere regio’s daalt het aantal agrarische bedrijven in de Achterhoek, terwijl de overige bedrijven zich moeten aanpassen aan de moderne bedrijfsvoering. Dit heeft directe gevolgen voor de vitaliteit van het landelijk gebied. Er ontstaat leegstand van stallen en soms ook van woningen, het landelijk gebied wordt op plekken niet langer beheerd door de agrariër en verrommelt steeds meer. Daarnaast is het landelijk gebied de laatste jaren steeds voller gebouwd en daardoor verder versteend. Om de vitaliteit van het landelijk gebied te vergroten is een verruiming van de mogelijkheden om nieuw te bouwen geboden. Daaraan zijn echter expliciet een aantal regels gebonden die ruimtelijke kwaliteitswinst tot doel hebben. Ook de schaalvergroting ligt gevoelig in kwetsbaar landschap en ook daar behoeft de ruimtelijke kwaliteit aandacht. De afgelopen jaren is in verschillende gemeenten ervaring opgedaan met functieverandering. Deze ervaring leert dat er behoefte is aan een nota waarin een aantal uitgangspunten voor veranderende erven is vastgesteld en borgen van ruimtelijke kwaliteit in het proces plaatsvindt. Doel is dan ook de ruimtelijke kwaliteitswinst daadwerkelijk plaats te laten vinden bij veranderingen van erven.
Deze nota vormt het beleidskader voor het ruimtelijk ontwerp van veranderingen van erven in het buitengebied in de regio Achterhoek. Bij veranderingen gaat het om bouw- en aanlegactiviteiten in verband met functieveranderingen en ten behoeve van bestaande functies. Het kader kan ook gebruikt worden bij de aanleg van nieuwe erven en uitbreiding van een bestaand erf.
Met het ruimtelijk ontwerp wordt hier de integrale ontwerpopgave bedoeld, die speelt bij de transformatie van een (voormalig) agrarisch erf. Landschap, natuurwaarden, cultuurhistorie, gebruikswaarden, stedenbouw en architectuur worden daarbij in samenhang beschouwd.
Het beleidskader omvat algemene doelen, ontwerpuitgangspunten en een set van spelregels voor het ontwerp van bebouwing en erf. Het gaat over het landschap, de erfontwikkeling, de bebouwing en de erfinrichting. Het accent ligt op het schaalniveau van het erf.
Daarnaast omvat dit beleidskader uitgangspunten voor het ontwerpproces. Een proces, dat uitgaat van maatwerk per locatie, waarbij het accent meer ligt op regie en de begeleiding van plannen dan op toetsing. Inzet van de juiste deskundigheid op de juiste momenten.
Het is de bedoeling dat de Achterhoekse gemeenten dit beleidskader vaststellen als welstandsbeleid en ruimtelijke visie voor ontwikkelingen op erfniveau.
Deze kadernota wordt door de Regio aangeboden aan de gemeenten ter implementatie.
Schema met de kenmerken van het erf en van het erf in zijn omgeving
Deze kadernota is ingestoken vanuit de schaal van het erf. Elk erf bevat een aantal kenmerken die de verschijningsvorm van het erf bepalen. (Zie het schema op de pagina hiernaast) Deze kenmerken zijn variabel en zorgen er daardoor voor dat geen enkel Achterhoeks erf er hetzelfde uitziet. Toch zijn de erven in de Achterhoek wel te herkennen als typische ‘Achterhoekse erven’. Een deel van de kenmerken is gericht op de landschappelijke context. Deze zorgen voor de verankering van het erf binnen de directe omgeving, maar ook binnen de Achterhoek als regio. Het zijn kenmerken die afhankelijk zijn van omgevingsfactoren als het landschapstype waarin het erf ligt, het type nederzettingsvorm en de architectuur van de streek. Het zorgt ervoor dat er binnen de Achterhoek verschillende typen erven voorkomen. Dit wordt beschreven in hoofdstuk 3 ‘het erf in zijn omgeving’.
De andere kenmerken die mede het uiterlijk van het erf bepalen zijn minder direct omgevingsafhankelijk. Deze zijn eveneens karakteristiek voor de Achterhoek. Ze zijn binnen een aantal basisprincipes in te delen en worden al eerder in hoofdstuk 2 ‘het erf’ toegelicht.
In hoofdstuk 4 zijn de verschilllende opgaven die kunnen spelen bij erftransformaties nader toegelicht. Er wordt in dit hoofdstuk ingegaan op de aandachtspunten bij de verschillende opgaves. De verschillende opgaves hebben betrekking op het verbouwen van een boerderij of stal en op het nieuw bouwen van een woning, kantoorgebouw of bedrijfsgebouw.
In hoofdstuk 5 zijn alle uitgangspunten en criteria puntsgewijs opgenomen.
Inzicht in zowel de omgevingskenmerken als de kenmerken van het erf zelf is belangrijk om tot een goede erftransformatie te komen. Het onderzoeken van de kenmerken en de waarden van het erf vormt het startpunt voor het ontwerpproces. In deze kadernota zijn doelen opgenomen die worden nagestreefd in de verschillende fasen van het ontwerproces. Hieraan kan elke gemeente zijn eigen invulling geven in de vorm van een eigen proces. De doelen zijn opgenomen in hoofdstuk 6 ‘Het ontwerpproces’.
Naast de inhoud in de hoofdstukken is er in de nota een aantal losse tekstblokken opgenomen. Hierin wordt verschillende informatie geboden, zowel achtergrondinfo als voorbeelden. De tekstblokken kunnen los van de doorlopende tekst gelezen worden, waar welke informatie staat is openomen in een lijst op pagina 6.
|
Het hoofdgebouw vormt samen met de bijgebouwen een helder ensemble. De gebouwen dicht bij elkaar rond een collectieve ruimte gesitueerd. |
De hoofd en bijgebouwen van een erf vormen gezamenlijk een ensemble. De gebouwen staan nooit verspreid op het terrein maar altijd geclusterd. De richting van de bebouwing binnen het ensemble is afhankelijk van de nederzettingsvorm en de plek in het landschap waar het erf zich bevindt. Op boerenerven waar schaalvergroting heeft plaatsgevonden zijn grote nieuwe schuren en stallen soms naast het oude erf geplaatst, waardoor er twee erven (soms enigszins in elkaar verknoopt) worden beleefd. Het heldere oorspronkelijke ensemble wordt daardoor vertroebeld.
Het ensemble van gebouwen is een kenmerk van elk erf en bepaalt een groot deel van de ruimtelijke kwaliteit.
Aandachtspunten bij erftransformatie:
De gebouwen op erven zijn over het algemeen volgens een bepaalde hiërarchie op het terrein gesitueerd. Op een boerenerf is sprake van een hoofdgebouw met bijgebouwen. De gebouwen staan nooit ver verspreid over het hele erf maar staan altijd geclusterd. Doordat functioneel alle schuren en stallen goed bereikbaar moeten zijn liggen deze aan een collectieve ruimte op het erf. Deze is voorzien van (half)verharding. Bijgebouwen die in de laatste jaren zijn toegevoegd passen soms niet meer bij de schaal van de overige bebouwing van het erf. Ze verstoren dan de oorspronkelijk aanwezige hiërarchie. Soms zijn ze enigszins los van het erf gesitueerd, aan de overzijde van de weg, of als bijgebouw dat niet is aangesloten bij het collectieve erf. Hiërarchie is het tweede principe van een boerenerf en uit zich zowel in de situering als in de architectuur en omvang van de gebouwen.
Aandachtspunten bij erftransformatie:
Vanaf de doorgaande weg is er in principe één toegang tot het erf, vanaf het erf zijn er soms aansluitingen op een systeem van zandwegen en wandelpaden. Sporadisch snijdt de doorgaande weg het erf in tweeën. Een tweede ontsluiting van het achtererf (deze sluit niet aan op de toegangsweg) bestaat soms als het erf duidelijk uit twee compartimenten bestaat.
|
Het privé- gedeelte van het erf is kleinschalig ingericht. De tuin, de boomgaard en twee grote bomen hebben hun plek |
|
Het collectieve gedeelte van het erf vormt het functionele centrale gedeelte. Alle bijgebouwen staan richting het collectieve deel van het erf. |
Bij boerenerven die een schaalvergroting hebben ondergaan bestaat er soms een tweede toegang vanaf de doorgaande weg tot het erf. Een tweede toegang tot het erf is niet gewenst bij erven die getransformeerd worden tot woon- en leef erven omdat dit het beeld oproept van meer dan één erf.
Aandachtspunten bij erftransformatie:
Indeling van het terrein: het collectieve gedeelte van het erf
Het collectieve gedeelte van het erf wordt als functioneel gedeelte van het boerenerf beschouwd. In het collectieve deel moeten grote werktuigen kunnen verplaatsen en daarom is dit deel verhard. Wanneer de collectieve ruimte groot is vindt er soms (tijdelijke) opslag plaats. De plek kan verschillen door de situering van de hoofd en bijgebouwen op het terrein. Voor de inrichting heeft dit geen gevolgen. Die is overal zo dat alle bijgebouwen en ook de achterzijde van het hoofdgebouw kunnen worden betreden vanaf het collectieve gedeelte van het erf. De grondvorm van het collectieve erf is soms afhankelijk van de nederzettingvorm waarvan het erf deel uitmaakt. Zo is deze bij erven die gesitueerd zijn in ontginningen bijna altijd rechthoekig van vorm en is de vorm minder duidelijk bij erven die gesitueerd zijn in het kampenlandschap. De bedrijfsgebouwen van boerenbedrijven worden steeds groter. De moderne bedrijfsvoering brengt met zich mee dat grote voertuigen bij het bedrijf moeten kunnen komen. Bij een aantal boerderijen ontstaat daardoor een tweedeling op het erf. Het oude erf wordt steeds meer een woon- en leef erf, terwijl daarnaast een functioneel erf ontstaat voor de bedrijfsvoering. De functionele bebouwing sluit dan niet meer aan bij het collectieve deel van het erf en krijgt vaak een eigen toegangsweg.
Aandachtspunten bij erftransformatie:
Indeling van het terrein: het privé-gedeelte van het erf
Het privé-gedeelte van het erf ligt in de meeste gevallen aan de zijde van het woonhuis dat grenzend aan de weg is gesitueerd. Het privé-gedeelte werd oorspronkelijk gebruikt voor de moestuin en de boomgaard. Deze hebben tegenwoordig vaak plaats gemaakt voor een siertuin met algemene beplanting. Streekeigen beplanting is soms verdwenen of is vervangen door algemeen in Nederland voorkomende soorten. Vaak staan er een of twee grote bomen bij de entree van het woonhuis.
VOORBEELDEN VAN NIEUWE GEBOUWEN OP BESTAANDE ERVEN
Ingetogen door naar achter liggende open gevel
Zadeldak, topgevel met hout bekleed
Lichttoetreding zonder dakopbouw
Beleving kappen vanuit omliggende landschap
Hoofd en bijgebouwen verschillen in volume
Geïnspireerd door indeling woon en werk gedeelte T-huis
Bijgebouw, terughoudend kleurgebruik
Aandachtspunten bij erftransformatie:
De hoofdgebouwen van de boerenerven kennen een indeling in een woon- en een werkgedeelte. Dit is ontstaan vanuit de ‘oervorm’ van de boerderij waarbij wonen en werken in een gebouw geïntegreerd waren.
In het voorhuis van de boerderij werd gewoond en in het achterhuis bevonden zich de stallen: de deel. In schuren en hokken die in dezelfde stijl waren gebouwd stond vee. Deze onderverdeling uit zich in de architectuur van het gebouw: in de gevel van het woongedeelte zijn een aantal grotere ramen en een voordeur gesitueerd, die in eerste instantie alleen bij begrafenissen en bruiloften werd gebruikt. Het beeld van de zijgevels is introvert omdat deze laag zijn en de kap altijd gesloten is. Hierin zitten meestal in het woongedeelte een aantal kleine ramen en de keukendeur en in het stalgedeelte stalraampjes en soms een lage staldeur. Aan de achterzijde, het werkgedeelte, bevindt zich een grote staldeur (de deeldeur) en een tweetal kleine mestdeuren.
Tegenwoordig komt het steeds meer voor dat delen van het achterhuis of het gehele achterhuis worden ingenomen door de woonfunctie. Vaak is er vanuit het oorspronkelijke woongedeelte van de boerderij geen zicht op de bijgebouwen en richt dit gedeelte zich op het landschap.
Aandachtspunten bij erftransformatie:
Bij verbouw van bestaande boerderij tot woning:
Bij verbouw van schuren tot woonhuis:
Vaak is het oorspronkelijke hoofdgebouw nog op het erf aanwezig. Daarnaast zijn er door de jaren heen bijgebouwen op het erf gebouwd. Het voor de Achterhoek kenmerkende hoofdgebouw bestaat uit een rechthoekig grondvlak met daaraan soms een aanbouw. Het hoofdgebouw is opgebouwd met lage zijgevels en een grote kap (Hallehuistype). Vanaf een afstand zijn de zijgevels nauwelijks beleefbaar en wordt de dichte kap beleefd. Kenmerkend is ook dat er grote volumes vanuit de omgeving worden beleefd. Tijdens de ontwikkeling van het erf is de grondvorm van het gebouw soms ook mee ontwikkeld. Zo zijn in de loop der jaren de varianten T-huis (hallehuis dat aan de voorzijde in twee richtingen is uitgebreid) en krukhuis (hallehuis dat aan de voorzijde aan een kant is uitgebreid) ontstaan. Ook komen er boerderijtypen voor die een variant vormen op het T-huistype waarbij het achterhuis aan beide zijkanten is uitgebouwd en waarbij in eerste instantie alles in een gebouw gehuisvest was.
Aandachtspunten bij erftransformatie:
Kaart met verschillende landschapstypen. Uit de structuurvisie van de regio Achterhoek, gemaakt door SAB.
Naast de eigenschappen die algemeen gelden voor erven in de Achterhoek zijn er ook eigenschappen die karakteristiek zijn voor de plek die het erf in het landschap heeft. Vragen die van belang zijn om een erf bij erftransformatie in het landschap te kunnen versterken zijn:
Hoe liggen de erven in het Achterhoekse landschap? Op welke plekken liggen ze en waarom? Op welke manier zijn ze verbonden met het landschap? Wat is de relatie met andere erven in de buurt? Hoe veranderen deze kenmerken in de tijd?
In de ruimtelijke structuurvisie voor de Achterhoek is een staalkaart van landschapstypen opgenomen. Deze staalkaart vormt de onderlegger voor het herkennen van patronen, waarop bebouwing in het Achterhoekse landschap voorkomt. Dit zijn de nederzettingsvormen.
De nederzettingsvormen zijn te herkennen in de wijze waarop bebouwing in het Achterhoekse landschap is gesitueerd. Sommige nederzettingsvormen zijn typisch voor een landschapstype, maar vergelijkbare vormen zien we in verschillende landschapstypen terugkomen.
De koppeling tussen landschapstypen en nederzettingsvormen staan in de tabel hiernaast weergegeven.
Bij de nederzettingsvormen is een onderscheid gemaakt tussen oude gegroeide patronen en geplande patronen. In de oude agrarische landschappen met de oude gegroeide patronen kan een onderscheid worden gemaakt tussen es- of enk nederzettingen, kampnederzettingen, beekdalnederzettingen en landgoederen. Er zijn duidelijke verschillen tussen deze vormen, maar ook overeenkomsten. In de praktijk zijn er ook veel overgangsvormen.
Het belangrijkste verschil tussen kamp- en es nederzettingen is dat bij een es nederzetting de ruimtelijke samenhang tussen afzonderlijke erven duidelijk in het landschap zichtbaar is. Bij een es liggen de erven bij elkaar in een krans of een zwerm. Bij een kampnederzetting liggen de erven meer verspreid. De overgang tussen een kampnederzetting en een nederzetting in een beekdal is ook niet scherp te trekken. Bij beekdalnederzettingen gaat het om de grotere beekdalen van de Oude IJssel en de Gelderse IJssel en om de kleinere beekdalen zoals de Berkel, de Slinge’s en andere beken.
In tegenstelling tot de lagere delen van Nederland is het aantal nederzettingen met geplande patronen in de Achterhoek beperkt en van relatief jonge datum. De meeste planmatige structuren ontstonden bij de verkaveling en ontginning van voormalige woeste gronden en natte gronden in de 19de en in de 20ste eeuw.
|
In het oostelijk deel van de Achterhoek spreekt men van Es of d’n Es. In het westen en in het zuiden gebruikt men de benaming eng of d’n enk |
rechts: twee erven zoals ze voorkomen in kransen en erven
De erven die binnen een krans of binnen een overblijfsel van een krans zijn gesitueerd rondom en aan de rand van een hoger gelegen es. Ze liggen binnen het kampen- en hoevelandschap. Ook de zwermen van erven liggen aan de rand van een hoger gelegen es en zijn qua erfopbouw vergelijkbaar. De erven in een krans vormen van oudsher een samenhangend geheel. Tegenwoordig is dit soms lastig te herkennen. Toch tekenen zich nog op veel plekken de essen af, doordat ze hoger liggen, relatief open zijn en grotendeels in gebruik zijn als landbouwgrond.
Boven: schema en luchtfoto van een krans van erven. Beneden: schema en luchtfoto van een zwerm van erven
|
De erfbeplanting is gevarieerd in hoogte en soorten. Hierdoor ontstaat een afwisselend beeld van kappen en beplanting. |
Toegang naar het erf en positie t.o.v. de weg
De boerderijen lagen oorspronkelijk aan een netwerk van paden en wegen. Veel van deze paden en wegen zijn verdwenen. De boerderijen worden nu ontsloten door een bredere asfaltweg waaraan de erven in kransen doorgaans direct zijn gepositioneerd. De erven in zwermen hebben vaker een toegangsweg als erfontsluiting.
Door de nieuwe positionering van de grotere weg worden de erven soms ontsloten met meer dan één toegang.
Het hoofdgebouw en de bijgebouwen vormen gezamenlijk een ensemble van bebouwing. Binnen dit ensemble is de oriëntatie van de gebouwen ten opzichte van elkaar van belang evenals de oriëntatie van het erf in het landschap. De gebouwen staan vaak scheef ten opzichte van elkaar in het grondplan. Het landschap is bepalend voor de plaatsing van de gebouwen, die is afgestemd op nattere en drogere gronden. De oriëntatie van het erf ten opzichte van de huidige weg gaat volgens een minder duidelijk principe. Dit komt omdat er bij de erven in zwermen en erven in kransen sprake is van een wegenstructuur die jonger is dan het erf zelf.
Erven die aan de rand van een es zijn gepositioneerd hebben van oorsprong opgaande beplanting aan de zijde van de es staan die beschutting biedt aan de gebouwen en de ruimte direct eromheen. Veel voorkomende soorten in het essen- en hoevelandschap zijn populier en eik. De windwerende beplanting staat niet per definitie in een singel of houtwal maar staat meestal groepsgewijs aan de rand van het erf. Doordat er geen sprake is van doorgaande beplanting ontstaat er een beeld waarbij delen van de gesloten kappen en groen elkaar afwisselen.
De erven in het essen en hoevelandschap liggen op een logische plek in het landschap, op de overgang tussen hoog en laag, aan de rand van een es. De essen horen per definitie vrij te zijn van opgaande massa. Het contrast tussen de lege essen en de zone waarin de erven gelegen zijn was voorheen groter. Nu worden grote groene structuren beleefd door beplante beken en belangrijke wegen die herkenbaar zijn in het landschap.
De erven zijn niet meer sterk verbonden met de padenstructuur in het gebied. Oorspronkelijk was deze padenstructuur wel aanwezig (zie knooperven) maar deze is in de loop van de tijd verdwenen.
Aandachtspunten en kansen bij verandering
Rechts: twee erven zoals ze voorkomen in kampnederzettingen
Het kampenlandschap bestaat uit een aaneenschakeling van afzonderlijke erven, met elk hun eigen stukje landschap gevormd door bomenlanen en bosstructuren. De erven liggen aan de rand van de akker, meestal grenzend aan zowel een bosrand als een weiland. Op een aantal plekken is het kampenlandschap nog aanwezig zoals het er oorspronkelijk was. Op de meeste plekken is echter een groot deel van de beplantingsstructuren verdwenen. Door de kleinschaligheid van het landschap, de kleine ruimtes die ontstaan door de opgaande structuur, worden de afzonderlijke erven vanuit een beperkt aantal plekken in het landschap beleefd. Het totaal van kampnederzettingen is ruimtelijk zeer herkenbaar in het landschap.
Schema en luchtfoto ’ s van kampnederzettingen.
|
Op sommige erven zijn de nieuwe bijgebouwen niet betrokken bij de oorspronkelijke opzet van het erf. Het terugbrengen tot de oorspronkelijke landschappelijke contour is dan aandachtspunt. |
|
De oriëntatie van de boerderij op het erf verschilt per erf. Meestal heeft het woongedeelte zicht op de akker. |
Toegang naar het erf en positie t.o.v. de weg
De boerderijen liggen veelal aan een vertakt systeem van wegen en paden. Vanaf de doorgaande weg is er in principe één toegang tot het erf. Vanaf het erf zijn er aansluitingen op een systeem van zandwegen en wandelpaden. Het principe van de knooperven is in het kampenlandschap op een aantal plekken nog terug te vinden. Bij boerenerven die een schaalvergroting hebben ondergaan bestaat er soms een tweede toegang vanaf de doorgaande weg tot het erf.
De oriëntatie van het hoofdgebouw op het erf en binnen de kamp is verschillend. Soms is het woongedeelte met de kopse kant op de es gericht maar vaak ook met de zijkant. De gebouwen staan nooit verspreid over de kamp maar altijd geclusterd. De bijgebouwen hebben altijd hun plek rondom het bedrijfsgedeelte van het hoofdgebouw.
Later toegevoegde bijgebouwen die noodzakelijk waren ten behoeve van schaalvergroting (vanaf jaren ’50) sluiten aan bij het cluster en hebben tevens een plek aan de collectieve ruimte. Bijgebouwen die in de laatste jaren zijn toegevoegd en niet meer passen bij de schaal van het erf met zijn bebouwing zijn vaak enigszins los van het erf gesitueerd. Soms aan de overzijde van de weg, soms als bijgebouw dat niet is aangesloten bij het collectieve gedeelte van het erf.
De erven in het kampenlandschap liggen vrijwel allemaal met een of meerdere zijden tegen de rand van de ruimte die omsloten is met bos of laanstructuren. De andere zijden van de erven liggen vrij open in de ruimte. Aan deze zijden staan kleine boomgroepen boomgaarden of solitaire bomen.
De erven in het kampenlandschap liggen op de grens van hoog en laag op de rand van een kleine es of bouwkamp die duidelijk is omkaderd door bos en laanstructuren. Het kampenlandschap is op sommige plaatsen zeer herkenbaar aanwezig als gaaf landschap. De boerenerven in het kampenlandschap liggen in dit landschap verankerd, doordat de erven aan de rand van een eigen ruimte zijn gesitueerd.
Hierdoor worden ze opgenomen in de massa van de randen van de ruimtes.
In het kampenlandschap is het knoopervensysteem beleefbaar. De erven zijn vaak aangesloten op één of meerdere zandwegen. Dit is karakteristiek voor dit landschap.
Aandachtspunten en kansen bij verandering
|
Op het erf van Boeyink in Zelhem is het knoopervensysteem beleefbaar. Het oude zandpad loopt vanuit de weilanden, over het erf, weer verder de weilanden in |
rechts: twee erven zoals ze voorkomen in rivierdal- en beekdalnederzettingen
Rivier- en beekdalnederzettingen
Erven binnen deze nederzettingen liggen op de natuurlijk hoger gelegen delen van het rivier en beekdalenlandschap. De plek van de erven is in eerste instantie bepaald door de landschappelijke condities. Doordat de hogere delen vaak beperkt in ruimte zijn, liggen de erven relatief dicht bij elkaar. De erven liggen op terpen of pollen wanneer de hogere delen te beperkt in ruimte zijn. Dit is met name in de beekdalen.
In het landschap van de rivier- en beekdalen zijn vaak nog oude lopen van de beek of rivier te herkennen, de randen van deze oude lopen zijn fors ingeplant.
De wegen zijn in dit nederzettingstype vaak van bomenrijen voorzien.
Schema en luchtfoto’s van rivier- en beekdal nederzettingen
|
De erven zijn op de hogere delen gesitueerd. Omdat deze schaars zijn liggen de erven relatief dicht bij elkaar. De erven liggen zowel direct aan de weg als van de weg af gepositioneerd. |
Toegang naar het erf en positie t.o.v. de weg
De erven in de rivierdalen liggen zowel direct aan de weg als van de weg af. De erven hebben in principe één toegang. Opvallend zijn de relatief lange toegangswegen tot de erven die van de weg afliggen. Deze zijn in de delen waar veel opgaande beplanting voorkomst beplant. In de meer open gebieden zijn ze onbeplant. Vanaf de weg worden deze erven ervaren alsof ze midden in de weilanden liggen.
De bebouwing op erven in rivierdalen staat over het algemeen haaks of evenwijdig ten opzichte van elkaar gepositioneerd. Alle bebouwing is georiënteerd op lijnen in het landschap waardoor soms een deel van de bebouwing op het erf is gedraaid ten opzichte van de rest van de bebouwing. De grondvorm van de erven is daardoor vaak een veelhoek. De plaats van het woongedeelte op het erf varieert, maar ligt over het algemeen aan de wegzijde.
De manier van erfbeplanting aan de rand van het erf verschilt binnen de rivierdalnederzettingen. De erven die op de oeverwallen liggen zijn heel gevarieerd, soms stevig beplant, soms liggen ze bijna kaal in het landschap.
De erven op de rivierduinen en rivierweiden zijn vaak wel stevig beplant aan alle zijden van het erf. Er bestaat wel altijd zicht op delen van het erf vanuit het landschap.
De erven in de rivierdalen zijn gesitueerd op de hogere delen van het landschap. Het landschap in de rivier en beekdalen bestaat voornamelijk uit weidegronden. De patronen die de beken en de rivier hebben achtergelaten in de loop der jaren zijn leesbaar in het landschap Kansen voor landschapsversterking zitten in het versterken van deze oude patronen in het landschap met behulp van beplanting.
De wegenstructuur rondom de beken en de rivier is vooral parallel op de beek of aan oude beeklopen georiënteerd. De meeste wegen worden begeleid door twee rijen bomen.
De erven in de rivierdalnederzettingen sluiten aan op de lijnen in het landschap, zowel met beplanting als met richtingen van bebouwing e.d. Er bestaan kansen voor landschapsversterking door hierop aan te sluiten.
Opvallend is dat veel erven in rivier- en beekdalnederzettingen aangesloten zijn op een of meer onverharde paden. Deze zijn echter meestal privé en daardoor niet toegankelijk voor recreatief gebruik.
Aandachtspunten en kansen bij verandering
Landgoederen en scholtegoederen
De landgoederenlandschappen kenmerken zich door een uitzonderlijke afwisseling. Deze bestaat uit opvallend grote scholtehuizen en villa’s omsloten door dichte loofbossen, pachtboerderijen met rode daken temidden van essen, kronkelende beken omgeven door hoog opgaande bomen en bosranden, onregelmatige percelen, zandwegen en paden en rechte laanstructuren.
Vaak maken es- en kampnederzettingen onderdeel uit van het landgoed. Ook liggen landgoederen en scholtegoederen naast ontginningsnederzettingen en beekdalnederzettingen. Het belangrijke verschil met de overige nederzettingsvormen is de organisatievorm van de land- en scholtegoederen. Het zijn beide vormen van grootgrondbezit waarbij een grote villa of een scholteboerderij het hoofdgebouw vormen. Kleine pachtboerderijen en arbeiderswoningen maken deel uit van het bezit. De kenmerken en aandachtspunten van erven uit de andere nederzettingsvormen gelden ook voor de erven die deel uitmaken van de landgoederen en scholtegoederen. Met als onderscheid dat hier aangesloten kan worden op ruimtelijke samenhang binnen de landgoederen en scholtegoederen.
Aandachtspunten en kansen bij verandering
Schema en luchtfoto’s van landgoederen en scholte goederen
Rechts: twee erven zoals ze voorkomen in planmatige, rationele nederzettingen
Planmatige, rationele nederzettingsvormen
Erven binnen planmatige rationele nederzettingen liggen gesitueerd aan een rechte ontginningsweg.
De erven zelf hebben een rationele vorm met haakse hoeken. Het landschap is relatief jong en de boerenerven en boerderijen zijn dit ook. De mate van openheid en zicht binnen het gebied verschilt sterk. Hoger gelegen ontginningen zijn meer bebost en beplant, lager gelegen ontginningen bevatten een meer open structuur met veel weidse uitzichten.
Boven: schema en luchtfoto van broekland Onder: Links een sterk planmatige veenontginning en rechts een half open landschap
|
Positie van de erven aan de rechte ontginningsweg. De randen van de erven hebben dezelfde richting als de perceelsgrenzen binnen de ontginning. |
|
Het woonhuis oriënteert zich op de weg. Er bestaat altijd een afstand tussen het woonhuis en de weg. |
Toegang naar het erf en positie t.o.v. de weg
De erven binnen de planmatige rationele nederzettingen liggen aan de weg. De positie ten opzichte van de weg verschilt in: erven die direct aan de weg zijn gesitueerd en erven die verder van de weg af gesitueerd zijn en een toegangsweg bezitten. De vorm van de erven is rechthoekig en het erf is altijd georiënteerd op de richting van de verkaveling.
De planmatige rationele nederzettingen zijn relatief jong, in deze gebieden komt dan ook relatief meer bebouwing voor die niet typisch streekeigen is (d.w.z. boerderijen die door het hele land voorkomen). Naast het Hallehuistype komt er een zekere diversiteit aan andere boerderijtypen voor die van oorsprong in een andere streek van Nederland werden gebouwd. Ondanks de verschillende boerderijtypen zijn de gebouwen op het erf volgens een vast principe op het erf geplaatst. Dit principe houdt in dat het woonhuis een aantal meters vanaf de weg is geplaatst zodat er een voortuin ontstaat. Alle schuren, stallen en andere bijgebouwen zijn achter de woning geplaatst. De richting van de bebouwing is parallel aan de erfgrens. Er is wel variatie in richting, deze is echter alleen haaks op elkaar.
De rand van het erf varieert in de verschillende ontginningsgebieden. Op hoger gelegen gebieden is er vaak meer erfbeplanting aanwezig dan in de lager gelegen gebieden.
Omdat er in de ontginningsgebieden sprake is van grote open ruimtes zijn rondom de erven windsingels en houtwallen toegepast. Soms eenzijdig, soms tweezijdig, afhankelijk van de oriëntatie van het erf. In grote open gebieden worden de erven soms rondom beplant met houtwallen.
Oorspronkelijk was de houtwal een functioneel onderdeel van het boerenbedrijf; men haalde er hakhout uit om het huis mee te verwarmen of om op te koken, gebruikte het om palen voor afrastering van te maken. De bomen die groot waren gegroeid werden gebruikt in de constructie van nieuwe schuren en stallen. Tegenwoordig vervult de houtwal meestal enkel nog de windwerende functie en draagt deze bij aan ecologische verbindingen, de cultuurhistorie en de beleving van het landschap.
Doordat in houtwallen een afwisseling zit tussen jonge bomen, oude bomen en struikvormers is het beeld op het boerenerf van buitenaf het meest groen met hier en daar een glimp van de bebouwing.
De erven in de ontginningsgebieden liggen ingebed in de structuur van het landschap. De erven liggen aan de ontginningswegen en de rechte verkavelingsrichting is terug te vinden in de rationele opzet van de erven. De mate van erfbeplanting neemt toe naarmate de ruimtes waarin de erven liggen groter worden.
Het gebied van de planmatige rationele nederzettingen is relatief jong. Het systeem van de knooperven werd in de tijd dat deze gronden werden ontgonnen al lang niet meer toegepast. De hoeveelheid aanwezige paden en zandwegen is van oorsprong niet zo groot. De wel aanwezige paden en zandwegen zijn vaak in privaat eigendom waardoor deze niet bijdragen aan de toegankelijkheid van het gebied.
Aandachtspunten en kansen bij verandering
Verbouw van het oorspronkelijke hoofdgebouw
Bij de veranderingen aan erven kan men verschillende opgaven onderscheiden. Daarbij spelen telkens andere aspecten een rol. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de volgende opgaven:
Een erf omvat zowel terrein, bebouwing als terreininrichting en heeft een landschappelijke context. Veranderingen aan gebouwen door verbouw, sloop of nieuwbouw hebben gevolgen voor de terreinindeling en daarmee ook voor het totale erf.
Het oorspronkelijke bedrijfsgedeelte van de boerderij wordt verbouwd tot woonruimte, berging/garage of nieuwe werkruimte behorend bij de woning. Bijvoorbeeld voor een kantoor aan huis, een atelier, een winkel in streekproducten of een werkplaats aan huis.
In deze gevallen blijft er één eigenaar op het erf, waardoor de aanpassing van de terreininrichting minder ingrijpend zal zijn. Die vinden vooral plaats rondom het voormalige bedrijfsgedeelte.
Bij de verbouwing worden de oorspronkelijke kenmerken van de boerderij gerespecteerd. Deze kunnen worden bepaald in een cultuurhistorische waardestelling. Zo dient de oorspronkelijke indeling van de boerderij met een woon- en een bedrijfsgedeelte ook na verbouw herkenbaar te zijn vanuit het omliggende landschap. Belangrijk is dat de gevels aan de voor- en achterzijde van de boerderij duidelijk anders worden behandeld, dat de grote dakvlakken in het oorspronkelijke bedrijfsgedeelte een gesloten beeld opleveren en dat erkers en serres (mits terughoudend vormgegeven) alleen aan het woongedeelte van de boerderij denkbaar zijn. Aan de binnenkant van de boerderij moet aandacht besteed worden aan het handhaven van de hoofdstructuur en van belangrijke karakteristieke elementen.
|
Rechtsboven: ‘Deel’ tot slaapzaal voor 30 Onder: gedeelte van de boerderij restaurant
Soms bestaat er behoefte aan een extra woning op het erf voor bijvoorbeeld een familielid dat meewerkt op de boerderij of voor ouders die niet meer op de boerderij werken. Aan deze behoefte wordt voldaan door de boerderij te splitsen. De ‘deel’ wordt dan getransformeerd tot een woning. Ook kan een deel van de boerderij worden afgesplitst t.b.v. recreatie, een gastenverblijf of een werkruimte, met een andere eigenaar en/of gebruiker dan de bestaande woning. Zo’n boerderij krijgt dan als het ware meerdere “voordeuren”.
Een belangrijk punt bij splitsing is de toegang naar de verschillende onderdelen. Ook is er vaak meer behoefte aan verharding, parkeerruimte, afbakening van verschillende privé-ruimte etc. Volledig toegeven aan deze wensen zou betekenen dat het erf uit elkaar valt. Het erfinrichtingsplan moet ervoor zorgen dat vanuit het omliggende landschap het erf met de bijbehorende bebouwing en erfinrichting als één samenhangend erf leesbaar blijft. Belangrijke punten zijn: één toegangsweg naar het erf, de plaats van de tuin op het erf en afscheidingen van de privé-tuinen. Afscheidingen van privé-tuinen als hagen en andere opgaande groenelementen passen goed bij het boerenerf. Wanneer een deel van het erf wordt gebruikt door een andere eigenaar, ontstaat soms (ook later) de behoefte naar bijvoorbeeld een tweede toegang tot het erf. Starten met een goed doordacht ontwerp waarin het ‘één erf principe’ is meegenomen is daarom belangrijk.
Evenals bij het verbouwen van een bestaande boerderij geldt; Aandacht voor de oorspronkelijke waarden. Deze kunnen worden bepaald in een cultuurhistorische waardestelling. Behoud van de indeling van de boerderij in woongedeelte en (voormalig) agrarisch bedrijfsgedeelte. De oorspronkelijke indeling is uitgangspunt voor een nieuwe indeling. Nieuwe kleine bijgebouwen passen niet bij de massa’s en volumes die kenmerkend zijn voor de gebouwen van een erf. Bijgebouwen als garages e.d. kunnen een plek vinden binnen de bestaande bebouwing. Wagenschuren of andere schuren kunnen hiervoor uitkomst bieden.
Wonen of werken in een schuur of stal
Stallen, schuren, spiekers, hooimijten en andere bebouwing maken van oudsher deel uit van het Achterhoekse boerenerf. Ze vormen met de boerderij het gebouwenensemble op het erf. Het behoud van deze bouwwerken is van belang voor de cultuurhistorische waarde en voor de agrarische karakteristiek van het landschap. Door deze gebouwen een nieuwe functie te geven, kunnen ze behouden blijven. Bijvoorbeeld één of meerdere woningen, een woning in combinatie met een kantoor, meerdere bedrijven of recreatieve functies. Soms kan een schuur ook gebruikt worden als bergruimte of voor één of meer garages.
Bij het verbouwen van schuren, stallen etc. is uitgangspunt dat er met respect met de karakteristieke kenmerken wordt omgegaan. Deze kunnen worden bepaald in een cultuurhistorische waardestelling. Dit soort gebouwen zijn ondergeschikt aan de boerderij. Daarom past een zekere ingetogenheid bij verbouw. Belangrijk is dat het vaak eenvoudige silhouet in tact blijft. Wanneer meerdere eenheden in een gebouw worden gesitueerd zijn de entrees van de eenheden ook aandachtspunt. Daarnaast is voor de bebouwing een uitgangspunt dat de schuur als één gebouw beleefbaar blijft (aanbouwen zijn alleen mogelijk als ze passen bij de kenmerken van het gebouw).
Het erfinrichtingsplan moet ervoor zorgen dat vanuit het omliggende landschap het erf met de bijbehorende bebouwing en erfinrichting als één samenhangend erf leesbaar blijft. Belangrijke punten zijn: één toegangsweg naar het erf, de plaats van de tuin op het erf en afscheidingen van de privé-tuinen. Afscheidingen van privé-tuinen als hagen en andere opgaande groenelementen passen goed bij het boerenerf. Wanneer een deel van het erf wordt gebruikt door een andere eigenaar, ontstaat soms (ook later) de behoefte naar bijvoorbeeld een tweede toegang tot het erf. Starten met een goed doordacht ontwerp waarin het ‘één erf principe’ is meegenomen is daarom belangrijk.
Foto midden: Verbouw van schuur tot restaurant/ partycentrum Foto’s rechts: Verbouw van schuur tot kantoor.
Midden: Rij ontwerpschetsen voor VAB locatie in Montferland, voortbordurend op bouwwerken als de T-boerderij en de wagenschuur. Rechts: Voorbeelden van nieuwe gebouwen in het landelijk gebied
Nieuwbouw op het erf (binnen bestaande schaal)
Op erven waar bebouwing gesloopt wordt mogen nieuwe woningen gebouwd worden. Deze nieuwe bebouwing gaat deel uitmaken van het erf.
Soms mag er nieuw gebouwd worden op een erf, omdat er storende of minder waardevolle gebouwen gesloopt worden. Juist in die situaties, waar relatief grote agrarische gebouwen gesloopt kunnen worden, die qua schaal en situering niet zo goed aansluiten bij het historische erf, kan een grote kwaliteitsverbetering worden bereikt. Het is dan wel van belang de omvang van het erf terug te brengen.
Vanuit de omgeving gezien is het belangrijk dat het erf als één geheel beleefbaar blijft. Wanneer gebouwen ver uit elkaar gesitueerd worden, wordt dat vanuit de omgeving beleefd als meerdere erven. Het tegengaan van de verstening wordt dan niet ervaren. Belangrijk is daarom dat de nieuwe gebouwen dicht bij de bestaande gebouwen gesitueerd worden, met ingangen aansluitend bij het collectieve gedeelte van het erf. De traditionele opzet van een erf is het vertrekpunt. De nieuwe gebouwen vormen een ensemble met de bestaande gebouwen.
Om te bereiken dat de nieuwbouw binnen de erfopzet ondergeschikt blijft ten opzichte van het hoofdgebouw, wordt deze achter het oorspronkelijke woongedeelte gesitueerd. Evenzo is een nieuw hoofdgebouw altijd prominent ten opzichte van de secundaire gebouwen gesitueerd.
De organisatie op het erf is altijd zodanig dat verharding wordt beperkt. Er wordt aandacht besteed aan de situering van de privé-gedeeltes. De richting van de nieuwe gebouwen sluit aan bij de lijnen in het landschap en bij de richtingen die kenmerkend zijn voor het nederzettingstype waarin het erf ligt. Bij het zoeken van een plaats voor nieuwe gebouwen draait het om de hiërarchie en het ensemble.
Versterking van het landschap en terreininrichting Het erf dient vanuit de omgeving als een eenheid te worden ervaren. Aandacht voor de randen van het erf is belangrijk, deze kunnen fors aangezet worden met houtwallen of groepen van inheemse struikvormers en bomen. Bij sommige nederzettingstypen kunnen ook bosranden worden aangeplant. Aanwezige landschapselementen aansluitend aan het erf als houtwallen, bomenrijen, beekbegeleidende beplanting, maar ook zandpaden moeten behouden blijven. Om het landschap te versterken kunnen deze ook worden hersteld of toegevoegd. Erven, die in het verleden te ver zijn uitgegroeid, dienen te worden teruggebracht tot een omvang, die past binnen het landschap.
Op het erf zelf kan gedacht worden aan versterking van de terreininrichting door het toepassen van streekeigen beplanting als hagen, boomgaarden en siertuinen. Afscheidingen van privé-gedeeltes zijn altijd groene elementen. Verlichting is slechts beperkt aanwezig en eenvoudig vormgegeven. Met nieuwe verharding wordt terughoudend omgegaan.
Nieuwe gebouwen hebben een eenvoudig, rechthoekig grondplan. Nieuwe hoofdgebouwen kunnen een T-vorm als grondplan hebben, mits er voldoende volume gecreëerd wordt. De nieuwe volumes zijn voorzien van zadeldaken met lage goten en steile kappen van ca. 45 graden. Wolfskappen, mansardekappen en schildkappen kunnen worden toegepast mits dit past binnen de eigenschappen per streek en de goten laag zijn. De nieuw toe te voegen volumes zijn fors en passen bij de schaal van de bebouwing die bij een erf hoort. Hiertoe kunnen meerdere wooneenheden of functies samengevoegd worden onder één kap. Er moet gewaakt worden voor het ‘verdampen’ van de volumes die kenmerkend zijn voor bebouwing van een erf. Te kleine volumes hebben het effect dat het erf als ‘popperig’ ervaren wordt vanuit de omgeving. Ook nieuwe bijgebouwen hebben voldoende schaal, als referentie kunnen oude wagenschuren gebruikt worden.
Materiaalgebruik en detaillering
Aan nieuwe bebouwing mag gezien worden dat het gebouwd is in het ‘nu’. De gebouwen mogen een eigentijdse uitstraling hebben, maar moeten daarbij wel aansluiten bij de bestaande bebouwing in de omgeving. Dit wordt deels bereikt door de vorm van de gebouwen en deels door het materiaalgebruik en de detaillering. Bij materialen kan gedacht worden aan hout, baksteen, pannen en riet. Overige materialen zijn niet per definitie uitgesloten, het nieuwe gebouw straalt wel een zekere soberheid uit. Terughoudendheid in kleurgebruik is een vereiste. Nieuwe bijgebouwen zijn door de materialisering, kleur en detaillering altijd ondergeschikt aan het hoofdgebouw. De gevels van de gebouwen sluiten aan bij de oorspronkelijke indeling van de gevels: sprekende kopgevels en sobere zijgevels.
Foto’s: Voorbeelden van nieuwe schuren, duidelijk een slag groter. Verschil is te zien in ligging kaal in het landschap omgeven met groen en in eenduidige en gelede massa’s
Realisatie grootschalige bedrijfsbebouwing
Agrarische bedrijven met toekomst hebben vaak behoefte aan stallen en gebouwen, die veel groter zijn dan de oorspronkelijke boerderij. Daarbij stelt de bedrijfsvoering specifieke eisen, die zich niet verdragen met de kenmerken van het oorspronkelijke agrarische erf. De toegankelijkheid voor zwaar verkeer stelt ei- sen aan de oprit en de verharding. Een kleinschalige erfinrichting ligt minder voor de hand.
Om de opname van dergelijke grote gebouwen in het landschap acceptabel te maken moet realisatie altijd samengaan met duurzame versterking van de structuur van het landschap. Hierbij wordt niet gedacht aan een randje zogenaamd schaamgroen rond het bedrijf of erfbeplanting, die bij de eerstvolgende uitbreiding zou kunnen sneuvelen. Gezocht moet worden naar structuren, die een lange houdbaarheidsdatum hebben, zoals wegen, paden, watergangen of bepaalde perceelsgrenzen. Gedacht kan worden aan de aanplant van een bosrand, enkele boomgroepen, een bomenrij of een houtwal. Wat gewenst is, is afhankelijk van het landschap ter plaatse. (In dynamische gebieden, zoals landbouwontwikkelingsgebieden, kan gedacht worden om deze structuren collectief aan te brengen en de kosten te verrekenen bij de vergunningverlening.)
Het is belangrijk dat het oorspronkelijke erf een sterke eenheid blijft vormen; een sterke compositie van karakteristieke gebouwen, opgaande beplanting en erfinrichting. De erfinrichting dient vooral groen te zijn en zo min mogelijk verhard.
Plaats nieuwe bedrijfsgebouwen
Bij het zoeken naar een goede plek voor de nieuwe bedrijfsgebouwen kan met verschillende aspecten rekening worden gehouden.
Het moderne bedrijfserf is niet ondergeschikt, maar nevengeschikt ten opzichte van het oorspronkelijke boerenerf. Er is sprake van een twee-eenheid, waarbij beide erven een eigen karakteristiek hebben. Enkele stevige landschapselementen dragen bij aan de samenhang tussen beide erven (bijvoorbeeld een bosje, een houtwal, een boomgaard etc.)
Nieuwe bedrijfsgebouwen worden zo geplaatst, dat het oorspronkelijke erf het beeld domineert vanuit de belangrijkste gezichtspunten. Het bedrijfserf ligt achter het oude erf of ernaast, maar dan wat naar achter geschoven. Er wordt ook rekening gehouden met de lijnen in het landschap en andere bebouwde erven in de omgeving. Het bedrijfserf krijgt een aparte ontsluiting naar de weg. De organisatie op het erf is zodanig dat verharding wordt beperkt. Meer representatieve bedrijfsonderdelen worden gekeerd naar de weg of de belangrijkste zichtzijde. Opslag, voederkuilen etc. worden uit het zich geplaatst en opgenomen in erfbeplanting (bijvoorbeeld hagen).
Grote gebouwen dienen zo mogelijk geleed, waardoor het beeld ontstaat van meerdere gebouwen, die tegen elkaar zijn gebouwd. Logistiek, functionaliteit en bouwwijze bepalen wat hierin mogelijk is. De lengteas van de bedrijfsgebouwen speelt in op de lijnen van het landschap en/of op de dominante noklijnen van het bestaande gebouwen. Vanuit het landschap domineren de lange, steile kappen en de lage gootlijnen de zijgevels. Naar de belangrijkste zichtzijde wordt meer schaal aangebracht in de bouwmassa en de gevel, zodat een zekere harmonie ontstaat met de oorspronkelijke boerderij.
UITGANGSPUNTEN VOOR ERFTRANSFORMATIE
Bij erftransformatie zijn in het bijzonder de volgende kenmerken van belang.
De opzet van het erf verschilt per landschapstype, nederzettingsvorm of de ouderdom van het erf.
Zo liggen de erven in de oude hoevelandschappen vaak op enige afstand van de doorgaande wegen, terwijl in de jongere landschappen de erven aan de weg liggen. Per erf is er in principe één bescheiden toegangsweg.
Op een erf is de oorspronkelijke boerderij het belangrijkste gebouw. Deze zijn meestal van het hallehuistype of varianten daarvan.
Andere gebouwen op het erf zijn hieraan visueel ondergeschikt, bijvoorbeeld door situering, architectuur en/of omvang. Nieuwere schuren kunnen door hun situering, architectuur en/of omvang spanning oproepen met het oorspronkelijke gebouwenensemble.
Functieverandering biedt dan mogelijkheden hier verbetering in aan te brengen.
Er is een duidelijk onderscheid tussen de oriëntatie van de gebouwen naar het erf en de oriëntatie naar de omgeving. Agrarische gebouwen zijn in beginsel zijn gericht op het erf. Aan de buitenzijde van de bebouwing ligt vaak een tuin, die met hagen of houtwallen is omzoomd. Alleen het woonhuisgedeelte van de oorspronkelijke boerderij is gericht naar de omgeving. Bij jongere landschappen zijn woongedeeltes of aparte woonhuizen gericht naar de weg.
Belangrijk is dat wordt aangetoond dat het plan bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit en de vitaliteit van het buitengebied. Dit kan betrekking hebben op:
Groen en rood; landschapsontwerp
De gemeente wil dat “rood” en “groen” bij bouwen en aanleggen in samenhang worden beschouwd. Een landschapsontwerp op hoofdlijnen vormt de basis voor elke nieuwe ontwikkeling. Ingrijpende bouwplannen in het buitengebied gaan altijd vergezeld van een landschapsontwerp op hoofdlijnen en een plan van aanleg voor het erf en directe omgeving van het bouwwerk.
Planologische uitgangspunten functieverandering
(bron: regionale beleidsnotitie ‘functies zoeken plaatsen zoeken functies’ die ten grondslag ligt aan deze nota.)
De nieuwe functies moeten binnen de aard en schaal van de omgeving passen. Door dit beleid voor functieverandering moet de (landschappelijke) kwaliteit van een gebied minimaal gelijk blijven, maar bij voorkeur verbeterd worden. Bij het bepalen van de landschappelijke kwaliteit, en de eventuele verbetering, wordt aansluiting gezocht bij gemeentelijke landschaps (-ontwikkelings-) plannen en de Streekplanuitwerking voor de ‘Kernkwaliteiten’ van waardevolle landschappen;
BEOORDELINGSCRITERIA PUNTSGEWIJS
De gemeente wil dat bij die bouwactiviteiten de bestaande waardevolle kenmerken behouden blijven en de vervlakking van het karakter van het buitengebied wordt tegengegaan. Het onderscheid in de landschappelijke identiteit van verschillende gebieden moet worden versterkt. In cultuurhistorisch waardevolle gebieden gebeurt dit zoveel mogelijk volgens oude patronen. In andere gebieden kan worden gekozen voor nieuwe vormen, die beter passen bij de huidige functies.
In het beeld van de erfinrichting overheersen natuurlijke elementen ( hagen, heggen of houtwallen). Terughoudend wordt omgaan met de toepassing van bouwkundige elementen en objecten. Het toepassen van verharde oppervlakken wordt beperkt. Indien verharding nodig is dan bij voorkeur halfverharding.
Aan het begin van het proces gemeente duidelijk de kwaliteiten van het te transformeren erf zijn. Een terreinbezoek kan daarbij helpen
Het Achterhoekse erf is een belangrijk element in het landschapsbeeld van de Achterhoek. Het ontwerpen aan een Achterhoeks erf is maatwerk. Beleid en regels geven duidelijkheid over wat mogelijk is en wat niet mag, maar zorgen op zichzelf nog niet voor ruimtelijke kwaliteit. Daarvoor is inspiratie nodig, inzicht in de situatie, vakkennis en goed overleg. Daarom wordt in deze kadernota aandacht gevraagd voor het proces van planvorming. Een proces, waarbij aandacht is voor enerzijds de wensen van de initiatiefnemer en anderzijds voor de kwaliteit van de omgeving, waar vooral de gemeente voor staat. Zo’n proces moet laagdrempelig zijn. De initiatiefnemer moet worden uitgedaagd om vroeg in het proces in gesprek te treden. Vroeg in het proces moet de vraag worden gesteld, wat de bijdrage aan ruimtelijke kwaliteit zou kunnen zijn. Dan gaat het om bestaande kenmerken en waarden en nieuwe mogelijkheden. Gaandeweg het ontwerpproces wordt concreter welke resultaten bereikt kunnen worden. Wanneer op deze wijze wordt gewerkt kunnen de gemeente en haar adviseurs hun energie richten op begeleiding en sturing van het ontwerp in de goede richting en is toetsing achteraf een formaliteit.
De doelen die worden nagestreefd in het proces zijn inzichtelijk gemaakt, hier staat de regio Achterhoek als regio achter. Per gemeente wordt er een eigen invulling aan de doelen gegeven in de vorm van een vastgelegd proces. Het proces kan daarmee per gemeente verschillen, de doelen die elke gemeente daarmee voor ogen heeft, zijn overal in de regio gelijk.
Hoofddoel is het borgen van ruimtelijke kwaliteit bij erftransformaties. Daarbij spelen de volgende subdoelen:
Uitgangspunten bepalen in de initiatieffase
Wanneer een initiatiefnemer bij de gemeente komt met een initiatief, is het van belang voor zowel de gemeente als voor de initiatiefnemer dat inzichtelijk wordt hoe het proces verder gaat verlopen. Een snel en doeltreffend verloop van het proces valt of staat bij duidelijke communicatie. Zowel voor de initiatiefnemer als voor de gemeente is het daarom gewenst dat in een vroeg stadium helder is:
Met deze inzichten kan bepaald worden hoe het proces verder eruit zal zien, of er nog onderwerpen nader onderzocht moeten worden, of de uitgangspunten en randvoorwaarden uit deze nota toereikend zijn om het plan uiteindelijk op ruimtelijke kwaliteit te toetsen en of er aanvullingen op de uitgangspunten en randvoorwaarden nodig zijn.
Uiteindelijk moet duidelijk zijn aan welke uitgangspunten en randvoorwaarden er getoetst gaat worden voordat de initiatiefnemer verder kan met het schetsplan. Alleen op die manier kunnen in het schetsplan alle uitgangspunten en randvoorwaarden meegenomen worden.
Het is belangrijk dat in het schetsplan zowel de bebouwing, als de terreininrichting, als de verankering in het landschap inzichtelijk wordt gemaakt. Een deskundig ontwerper (architect, landschapsarchitect of stedenbouwkundige) kan daarbij helpen. Doel is dat een schetsplan uiteindelijk alle ingrediënten bevat zodat het getoetst kan worden aan de randvoorwaarden en uitgangspunten.
Daarnaast zorgt de gemeente voor een goede begeleiding van het ontwerpproces, zodat het ontwerp op een doeltreffende manier kan worden gemaakt en de aanpassingen die aan het ontwerp moeten worden gedaan kunnen plaatsvinden in een aantal doeltreffende slagen.
Het plan moet getoetst worden aan de ruimtelijke uitgangspunten en randvoorwaarden door de welstandscommissie. Deze geeft vervolgens advies aan de burgemeester en wethouders, die uiteindelijk de vergunningen moet geven. Het is van belang dat er met de initiatiefnemer wordt afgesproken in welke fase van het proces deze worden aangevraagd zodat voor de initiatiefnemer duidelijk is wanneer deze wat moet doen.
Ook is het voor de gemeente van belang dat er afspraken worden gemaakt over beheer en onderhoud van landschapselementen en terreininrichting van het getransformeerde erf, zodat wanneer er meerdere eigenaren op het erf komen helder is wie waarop kan worden aangesproken en de ruimtelijke kwaliteit ook na realisatie kan worden behouden.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2024-509349.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.