Beleidsregels armoedebestrijding Olst-Wijhe

Het college van burgemeester en wethouder van de Gemeente Olst-Wijhe,

 

Gelet op de artikelen 35, 36 en 36b van de Participatiewet, artikel 2.1.7 van de Wmo 2015, artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Verordening sociaal domein Olst-Wijhe,

Besluit vast te stellen de volgende:

 

Beleidsregels armoedebestrijding Olst-Wijhe

 

1 Inleiding

Deze beleidsregels gaan over wat de gemeente kan doen als inwoners bepaalde kosten niet kunnen betalen. Voor inwoners die de dagelijkse kosten niet kunnen betalen, heeft de gemeente een financieel vangnet: een maandelijkse bijstandsuitkering. Om deze en andere inwoners met een laag inkomen extra te ondersteunen, kunnen zij bij de gemeente een aantal aanvullende uitkeringen en toeslagen aanvragen. Hoe en wanneer die hulp gegeven kan worden, leggen we in deze beleidsregels uit. Hierbij gaan we uit van kernwaarden.

 

Kernwaarden:

  •  De eigen mogelijkheden en het sociale netwerk van de inwoner gaan voor.

  •  Voorkomen is beter dan genezen.

  •  De gemeente stemt de ondersteuning af op de inwoner.

  •  De gemeente heeft extra zorg voor kwetsbare groepen.

  •  De gemeente versterkt de zelfredzaamheid van inwoner.

  •  Iedereen doet mee aan de samenleving.

In deze beleidsregels zijn zo weinig mogelijk bedragen genoemd. De maximale vergoedingen, normbedragen enzovoort, zijn opgenomen in het financieel besluit, dat als bijlage aan de beleidsregels is toegevoegd.

 

1.1 Doelen

De gemeenteraad heeft een aantal doelen vastgesteld in het armoedebeleid.

  • De gemeente wil dat inwoners met een laag inkomen en zonder goede financiële buffer hun noodzakelijke bestaanskosten kunnen betalen en kunnen meedoen aan de samenleving.

  • De gemeente biedt inwoners die moeite hebben om rond te komen of die schulden hebben ondersteuning bij het op orde krijgen van hun financiën. Het doel van die ondersteuning is dat inwoners blijvend een gezonde financiële huishouding krijgen.

  • De gemeente werkt bij het voorkomen en bestrijden van armoede en schulden zoveel mogelijk samen met andere organisaties, bijvoorbeeld met Financiën de Baas en het Budget Adviesbureau Deventer (BAD). De gemeente stimuleert initiatieven van inwoners en organisaties die zijn gericht op het tegengaan van armoede en schulden.

  • De gemeente wil dat inwoners met een laag inkomen voldoende ondersteund worden en dat betaald werk krijgen niet leidt tot een armoedeval.

  • De gemeente betrekt in het armoedebeleid naast inkomen ook andere onderwerpen zoals onderwijs, maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp.

De gemeente maakte regels om te kunnen beoordelen welke hulp ze kan geven. Het zijn regels op hoofdlijnen. Per situatie onderzoekt de gemeente wat de beste oplossing is voor het probleem van de inwoner. Belangrijk is dat de oplossing past bij de doelen van de gemeente. Soms levert het volgen van de regels geen goed resultaat op. De regels lossen het probleem van de inwoner niet op terwijl dat wel hard nodig is. De gemeente kan dan van de regels afwijken en bijstand geven als de persoonlijke situatie belangrijk genoeg is en er geen andere oplossing voor het probleem is.

 

1.2 Artikel en wet

Deze beleidsregels zijn gebaseerd op de artikelen 35, 36 en 36b van de Participatiewet, artikel 2.1.7 van de Wmo 2015, artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Verordening sociaal domein Olst-Wijhe.

2 Algemeen

 

2.1 Voorkomen is beter dan genezen

Het is beter om financiële problemen te voorkomen, dan ze op te lossen. Om problemen te voorkomen, is het belangrijk dat inwoners met een laag inkomen goed weten welke hulp de gemeente kan geven. Dit kan financiële steun zijn, maar ook andere vormen van hulp. Zo kan de inwoner bijvoorbeeld hulp vragen bij Financiën de baas. Het doel van Financiën de baas is om inwoners van Olst-Wijhe te helpen bij hun thuisadministratie en daarmee hun zelfredzaamheid op te vergroten.

Als een inwoner al schulden heeft die hij moeilijk kan aflossen, kan hij schulddienstverlening krijgen. Deze wordt uitgevoerd door het Budget Adviesbureau Deventer (BAD). Naast budgetadvies (hoe omgaan met geld) en budgetbeheer kan het BAD ook kijken naar de mogelijkheid van een schuldregeling. Het BAD maakt dan afspraken met schuldeisers over gehele of gedeeltelijke afbetaling van de schulden.

Deze maatregelen zijn bedoeld om ervoor te zorgen dat inwoners zelf hun huishoudboekje op orde kunnen houden.

 

2.2 Waar kunnen inwoners terecht voor hulp?

Inwoners kunnen met vragen over geld en geldproblemen terecht bij het team Minimabeleid van de gemeente Olst-Wijhe. Er zijn spreekuren in het gemeentehuis en in het Holstohus, maar er staat ook veel informatie op www.ondersteuning.olst-wijhe.nl. Een inwoner die hulp nodig heeft, meldt zich eerst bij de gemeente. Als het nodig is, bespreekt een medewerker van de gemeente met de inwoner welk effect hij met zijn hulpvraag wil bereiken. Wat is er nodig? Hoe is de situatie van de inwoner? Wat kan de inwoner zelf doen om zijn financiële situatie te verbeteren? Welke (andere) voorzieningen zijn er mogelijk? In het gesprek beoordeelt de medewerker of de inwoner in aanmerking komt voor één of meer minimaregelingen en kan een aanvraag in behandeling worden genomen.

 

2.3 Welke regelingen zijn er?

Het armoedebeleid van de gemeente Olst-Wijhe kent zes regelingen en maatregelen voor inwoners met een laag inkomen. Dit zijn:

  • 1.

    Reductieregeling

  • 2.

    Individuele inkomenstoeslag1 als aanvulling op een laag inkomen

  • 3.

    Individuele studietoeslag2 voor jongeren die studeren of op school zitten en een handicap hebben

  • 4.

    Kwijtschelding van gemeentelijke belastingen

  • 5.

    Bijzondere bijstand waaronder regelingen voor:

    • Collectieve zorgverzekering

    • Premie aanvullende ziektekostenverzekering

    • Eigen bijdrage eigen risico

    • Computerregeling

  • 6.

    Kinderopvang

2.4 Regels

In de Verordening sociaal domein zijn de hoofdregels genoemd. De gemeenteraad stelde deze regels vast. Deze hoofdregels worden hieronder herhaald met daarbij enkele uitvoeringsregels. Dat is nodig om van te voren uit te leggen hoe de gemeente de regelingen toepast.

 

Er zijn veel soorten kosten waarvoor, in bijzondere omstandigheden, bijzondere bijstand kan worden gegeven. Daarom staan niet alle kosten in deze beleidsregels. Als er bijzondere bijstand wordt gevraagd voor kosten die niet in deze beleidsregels staan, wordt de aanvraag behandeld aan de hand van de volgende vragen:

  • 1.

    Zijn de kosten noodzakelijk?

  • 2.

    Zijn het kosten die vanuit het inkomen moeten worden betaald?

  • 3.

    Is er sprake van bijzondere omstandigheden?

  • 4.

    Kunnen de kosten worden betaald uit het inkomen of een financiële buffer (draagkracht)?

2.5 Voor wie zijn de minimaregelingen bedoeld?

De regelingen uit het armoedebeleid zijn bedoeld voor inwoners met een laag inkomen. Dit zijn de belangrijkste basisvoorwaarden:

  • 1.

    de inwoner is 18 jaar of ouder,

  • 2.

    is bij de gemeente Olst-Wijhe ingeschreven in de Basisregistratie personen en

  • 3.

    heeft de Nederlandse nationaliteit of een geldige verblijfstitel.

De Reductieregeling en de inkomenstoeslag zijn niet bedoeld voor studenten. De inkomenstoeslag is er ook niet voor inwoners die de AOW-leeftijd hebben bereikt. De AOW-uitkering is namelijk hoger dan de bijstandsnorm voor jongere inwoners. Voor sommige minimaregelingen gelden andere voorwaarden. Deze staan dan vermeld.

Soms is het nodig dat een inwoner gebruik maakt van de minimaregelingen, ook al voldoet hij niet aan alle voorwaarden. Als het nodig is, dan kan die inwoner toch van die regeling gebruikmaken. Denk bijvoorbeeld aan ouders van kinderen die anders niet kunnen meedoen met schoolactiviteiten.

 

2.6 Tellen het inkomen en vermogen mee?

De minimaregelingen zijn bedoeld voor inwoners die geen financiële buffer hebben. De gemeente gaat er vanuit dat er geen financiële buffer is als het inkomen onder een bepaalde grens blijft. De hoogte van de inkomensgrens verschilt per minimaregeling en hangt af van de leef- en woonsituatie. Op de website van de gemeente Olst-Wijhe en in het financieel besluit staat welke inkomensgrenzen er gelden voor welke regelingen3. Dit zijn geen harde grenzen. Als een inwoner een hoger inkomen heeft, beoordeelt de gemeente per situatie of het toch nodig is om de inwoner in aanmerking te laten komen voor de regeling. De gemeente betrekt alle omstandigheden van de inwoner erbij.

 

Met inkomen wordt bedoeld: het maandelijkse nettoloon of de netto-uitkering. De gemeente vergelijkt het inkomen met de inkomensgrens. Hierbij wordt rekening gehouden met vakantietoeslag. Voor het bepalen van het inkomen van een zzp’er/zelfstandige gaat de gemeente uit van de winst- en verliesrekening of het inkomen dat bij de belastingaangifte is opgegeven.

De regels over inkomen die voor algemene bijstand gelden, gelden in principe ook voor de minimaregelingen. Inkomsten die voor de algemene bijstand worden vrijgelaten, worden ook voor de minimaregelingen vrijgelaten. De inwoner blijft altijd onder de inkomensgrens als er loonbeslag op het inkomen ligt, als de inwoner in de schuldsanering (Wet schuldsanering natuurlijke personen) zit of als er een minnelijke schuldregeling loopt (gericht op het afbetalen van een schuld).

Het vermogen telt meestal ook mee, maar soms is dit anders geregeld. Dan geeft de gemeente dat aan. Vermogen wordt in ieder geval vrijgelaten als het onder de grens blijft die voor een bijstandsuitkering geldt. (Een eigen huis telt niet mee bij het vermogen, behalve als het gaat om kwijtschelding van belastingen.) Voor bijzondere bijstand gelden andere regels; zie paragraaf 2.8 tot en met 2.10.

 

2.7 Wat kan een inwoner krijgen?

Wat een inwoner kan krijgen, verschilt per regeling. Hieronder staan de verschillende regelingen. Bij iedere regeling staan de bedragen die een inwoner kan krijgen. Deze bedragen gelden voor een kalenderjaar. De bedragen van de inkomenstoeslag en de studietoeslag worden op 1 januari van elk kalenderjaar aangepast aan de zogenaamde consumentenprijsindex. Die index geeft de ontwikkeling aan van de prijzen die consumenten moeten betalen voor de dagelijkse kosten. De andere normbedragen kan de gemeente aanpassen als dat nodig is.

 

2.8 Bijzondere bijstand – het vangnet voor bijzondere kosten

 

2.8.1 Hoe gaat het in zijn werk?

Soms moet een inwoner bepaalde kosten maken waarvoor hij geen geld heeft. Een medewerker van de gemeente kan dan samen met de inwoner nagaan hoe dat probleem het beste kan worden opgelost. De medewerker bespreekt het volgende met de inwoner:

 

Stap 1: Wat is het probleem van de inwoner precies?

Samen met de inwoner brengt de medewerker van de gemeente in kaart welk effect de inwoner wil bereiken. Wat vraagt de inwoner precies en wat is er nodig? Hoe groot en hoe dringend is de hulpvraag van de inwoner? De medewerker betrekt daarbij de persoonlijke situatie van de inwoner. Soms is informatie van andere instanties nodig om een goed beeld te krijgen. Belangrijke vraag is: wat gebeurt er als het probleem niet wordt opgelost? Wat zijn dan de gevolgen voor de inwoner én voor zijn omgeving?

 

Stap 2: Wat is er nodig om het probleem op te lossen?

De medewerker beoordeelt samen met de inwoner hoe het beoogde effect bereikt kan worden: Wat is er echt nodig, wat kan de inwoner zelf doen en welke rol kunnen andere personen of organisaties spelen? Het past bij de grondwaarden van de Participatiewet om eerst te onderzoeken of de kosten via een andere organisatie of via het sociale netwerk kunnen worden vergoed. Als de inwoner via een andere regeling een vergoeding kan krijgen voor de kosten, dan gaat die voor. Zo’n regeling wordt ook wel een voorliggende voorziening genoemd. Bekende voorliggende voorzieningen zijn:

  • a.

    Zorgtoeslag, voor de kosten van de zorgverzekering

  • b.

    Huurtoeslag, voor de kosten van huur

  • c.

    Wmo, voor maatschappelijke participatie, zoals het zolang mogelijk zelfstandig kunnen wonen of voor mobiliteit in de directe omgeving

Soms heeft de inwoner hulp nodig om een andere voorziening aan te vragen. Financiën de baas kan helpen met het aanvragen van toeslagen en kwijtschelding van de gemeentelijke belastingen. Gaat het om een voorziening van de gemeente, zoals de Wmo, dan zorgt de medewerker ervoor dat de vraag van de inwoner bij de juiste afdeling terecht komt.

Als er een voorziening is die de kosten voldoende vergoedt, dan hoeft de gemeente geen bijzondere bijstand te geven. De voorziening is dan ‘passend en toereikend’. Als een voorliggende voorziening de kosten niet (voldoende) vergoedt, beoordeelt de medewerker of bijzondere bijstand nodig is.

 

Stap 3: Wie gaat de kosten betalen?

Als de inwoner en zijn omgeving de kosten niet kunnen betalen én er geen andere voorzieningen zijn, kunnen de kosten misschien uit de bijzondere bijstand worden betaald. . Kosten die niet noodzakelijk zijn, betaalt de inwoner zelf. De inwoner moet zelf uitleggen waarom de kosten noodzakelijk zijn. Als het niet aannemelijk is dat de kosten noodzakelijk zijn, kan de medewerker een deskundige om advies vragen.

 

Noodzakelijke kosten moet de inwoner normaal gesproken uit het inkomen betalen. Dat is anders als er iets bijzonders aan de hand is. Bijzondere bijstand is bedoeld voor noodzakelijke kosten die het gevolg zijn van bijzondere omstandigheden. Dat kan bijvoorbeeld zo zijn als de kosten onvoorzien of onvoorzienbaar hoog zijn, of als ze door allerlei betalingsverplichtingen niet kunnen worden betaald.

Het gaat dan bijvoorbeeld om de kosten voor rechtsbijstand, extra kosten voor een maaltijdvoorziening of voor de kosten van bewindvoering.

Hoe wordt bepaald welke kosten noodzakelijk en bijzonder zijn?

De gemeente bepaalt of de kosten ‘noodzakelijk’ en ‘bijzonder’ zijn. Belangrijk is daarbij de vraag: wat is het effect voor de inwoner als de gemeente de kosten wel/niet betaalt uit de bijzondere bijstand? De medewerker betrekt daarbij de doelen van het armoedebeleid (zie paragraaf 1.1) Het besluit over de bijzondere bijstand moet bijdragen aan het bereiken van deze doelen.

 

In de volgende hoofdstukken zijn kosten beschreven die veel voorkomen. Soms wordt van een kostensoort aangenomen dat deze noodzakelijk is en dat bijzondere bijstand bijdraagt aan het behalen van de doelen van de gemeenteraad. Dat staat daar dan bij aangegeven.

 

Stap 4: Welke bijstand is er echt nodig?

De gemeente geeft niet meer bijstand dan echt nodig is. Wat er nodig is, is per situatie verschillend. Dat bespreekt de medewerker met de inwoner. De gemeente bepaalt uiteindelijk wat nodig is. De bijstand vergoedt in principe de goedkoopste en meest eenvoudige uitvoering. Deze uitgangspunten komen uit de grondwaarden van de Participatiewet. Voor een aantal kosten zijn er normbedragen, bijvoorbeeld van het Nibud. In principe zijn dat maximumbedragen, maar er kan vanaf worden geweken als dat nodig is (maatwerk). Als de gemeente bijstand geeft, dan hangt de hoogte van de bijstand af van de soort kosten, eventuele vergoedingen van andere organisaties en van de financiële situatie van de inwoner. De bedragen staan in het financieel besluit. Of de inwoner eigen geld kan inzetten staat hieronder.

 

Stap 5: Welke vorm heeft de bijzondere bijstand?

Bijzondere bijstand betaalt de gemeente in principe ‘om niet’ (als gift). Soms kan bijzondere bijstand als lening worden gegeven. Dat is bijvoorbeeld zo als de bijstand bestemd is voor de kosten van het inrichten van de woning. Bijzondere bijstand kan ook een lening zijn als de inwoner op korte termijn wel voldoende geld heeft. Ten slotte kan de bijstand ook een lening zijn als de inwoner schuld heeft aan het ontstaan van de kosten of als de inwoner de kosten had kunnen voorkomen.

 

Stap 6: Hoe kan bijzondere bijstand worden aangevraagd?

De inwoner kan bijzondere bijstand aanvragen via het aanvraagformulier. Een aanvraag voor bijzondere bijstand moet de inwoner binnen drie maanden na het ontstaan van de kosten doen. Het is namelijk lastig om achteraf te beoordelen hoe de situatie precies was. De datum waarop de kosten zijn ontstaan is vaak terug te vinden op de rekening. Op de aanvraagdatum moet nog wel kunnen worden beoordeeld of de kosten noodzakelijk waren.

 

2.9 Hoe tellen het inkomen en vermogen mee?

Samen met de inwoner onderzoekt de medewerker de financiële situatie. De medewerker beoordeelt of de inwoner de kosten zelf kan betalen. Als dat zo is, dan is het niet nodig om bijzondere bijstand te geven. In de paragrafen 2.9 tot en met 2.11 staat uitgelegd hoe de gemeente beoordeelt of de kosten vergoed kunnen worden.

 

2.9.1 Welk inkomen telt mee?

De gemeente sluit aan bij de Participatiewet. Wat de Participatiewet aan inkomsten heeft vrijgelaten, telt voor bijzondere bijstand niet mee als inkomen. Daarnaast kijkt de gemeente alleen naar het inkomen dat echt beschikbaar is. Als er loonbeslag op het inkomen ligt, dan geldt de beslagvrije voet als inkomen. Dat is ook zo bij een wettelijke of minnelijke schuldregeling.

Als de inwoner een inkomen heeft op bijstandsniveau, dan hoeft de inwoner niets uit zijn inkomen bij te dragen aan de kosten. Ligt het inkomen boven de bijstandsnorm, dan kan het zijn dat de inwoner een deel van zijn inkomen moet bijdragen aan de kosten. Dat is de inbreng van de inwoner en wordt ook wel draagkracht genoemd. Uitgangspunt is dat de inwoner bij een inkomen hoger dan 110% (draagkrachtpercentage) van de bijstandsnorm 35% van het hoger inkomen aan de kosten bijdraagt. Zie het voorbeeld in de volgende sub paragraaf.

Hierop zijn een paar uitzonderingen:

  • 1.

    Bij bijstand voor de dagelijkse kosten, zoals woonkostentoeslag en aanvullende bijstand voor 18- tot 21 -jarigen, geldt dat de inwoner bij een inkomen hoger dan 100% van de bijstandsnorm het meerdere inkomen aan de kosten bijdraagt.

  • 2.

    Bij bijstand voor de kosten die helpen om zelf in een inkomen te kunnen voorzien of die ervoor zorgen dat ouderen en gehandicapten zelfstandig kunnen blijven functioneren, wordt met een percentage van 10% gerekend.

    Het gaat hierbij om de volgende kosten:

    • a.

      personenalarmering

    • b.

      maaltijdvoorziening

    • c.

      eigen bijdrage(n) op grond van de Wmo

    • d.

      premie aanvullende ziektekostenverzekering

    • e.

      eigen risico ziektekostenverzekering

    • f.

      kinderopvang op grond van Sociaal Medische Indicatie

  • 3.

    Alleen bij toepassing van de hoofdstukken 3, 4 en 7.1 tot en met 7.5 wordt rekening gehouden met de kostendelersnorm.

  • 4.

    Bij deelname aan de collectieve ziektekostenverzekering geldt een draagkrachtpercentage van 130%.

  • 5.

    Bij schuldensituaties kan een overzicht van de inkomsten en uitgaven worden opgevraagd om te beoordelen of er ruimte is in het budget om bepaalde kosten te betalen.

2.9.2 Hoe wordt de inbreng van de inwoner berekend?

De inbreng wordt in principe berekend over de maand van aanvraag. Alleen bij sterk wisselende inkomsten wordt uitgegaan van de afgelopen drie maanden.

Voorbeeld: Inwoner vraagt bijzondere bijstand aan voor reiskosten naar een partner in een inrichting. De reiskosten bedragen € 40,- per maand. Er zijn geen andere mogelijkheden om de kosten te betalen. Het inkomen ligt € 100,- boven de bijstandsnorm. Er zijn geen bijzondere uitgaven.

 

Maandinkomen (inclusief vakantietoeslag):

€ 1.000

bijstandsnorm (inclusief vakantietoeslag):

________________________________________________

€ 900 -/-

________

Meer inkomen per maand :

€ 100

 

 

Inbreng inwoner: 35% van € 100,-

 

Inbreng per maand:

________________________________________________

€ 35

________

Reiskosten per maand:

€ 40

Bijstand per maand:

€ 5

 

 

Overblijvende inbreng:

€ 0

Bij een volgende aanvraag voor bijzondere bijstand, die binnen 12 maanden wordt ingediend, houdt de gemeente rekening met de overgebleven inbreng (in het voorbeeld nul). Als het inkomen (en het vermogen) of de omstandigheden inmiddels flink veranderd zijn, kan een nieuwe berekening van de inbreng worden gemaakt. Dit beoordeelt de medewerker.

 

2.10 Vermogensgrenzen

Het vermogen wordt op dezelfde manier bepaald als voor de algemene bijstandsuitkering. Schulden worden daar van afgetrokken. Het overblijvende vermogen telt niet mee als het onder de vermogensgrenzen uit de Participatiewet blijft. Als het vermogen daar boven ligt, dan kun de inwoner soms toch bijstand krijgen. Dat is bijvoorbeeld zo als de inwoner op korte termijn hoge kosten moet maken waardoor het vermogen onder de vermogensgrens zal dalen.

 

2.10.1 Vermogen in de woning

Als de inwoner in een koophuis woont, kijkt de gemeente of er overwaarde is. Overwaarde telt niet mee als het onder de speciale vrijlatingsgrens voor de eigen woning in de Participatiewet valt. Is de overwaarde in de woning hoger, dan hangt het van de situatie af of de gemeente bijstand kan geven (maatwerk). De gemeente gaat er vanuit dat als de gevraagde bijstand lager is dan één keer de bijstandsnorm, de overwaarde niet meetelt. Daarboven kan het anders liggen. Dat is onder meer afhankelijk van de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt aangevraagd, de hoogte van de overwaarde, de leeftijd van de inwoner, de gezinssituatie en de aard en verkoopbaarheid van de woning.

 

De waarde van de auto telt niet mee als de auto (of motor) gelet op de omstandigheden van persoon en gezin noodzakelijk is. Bijvoorbeeld als een van de gezinsleden ernstig lichamelijk gehandicapt is. Of als de auto ouder is dan zeven of acht jaar. In ieder geval telt alleen de waarde boven € 4.537,80 mee voor de vaststelling van het vermogen. De waarde wordt vastgesteld op basis van de prijzengids van de ANWB.

Het saldo van de lopende rekening telt niet mee voor zover dit minder bedraagt dan de hoogte van de bijstandsnorm.

Er geldt een extra vermogensvrijlating als er sprake is van een reservering voor uitvaartkosten. Deze vrijlating kan alleen worden toegepast als het gereserveerde bedrag alleen beschikbaar komt bij overlijden. Contant geld, een banktegoed, een spaardeposito of spaargeld voor dit doel telt wel mee.

 

Het vermogen in de woning wordt niet meegenomen als het gaat om kosten die verband houden met kosten om zelf in het inkomen te kunnen voorzien of om kosten die ervoor zorgen dat ouderen of gehandicapten langer voor zichzelf kunnen zorgen. Het gaat hierbij om de kosten voor personenalarmering, maaltijdvoorziening, eigen bijdragen op grond van de Wmo, premie aanvullende ziektekostenverzekering en kinderopvang op grond van sociaal medische indicatie.

 

2.11 Zelfstandigen

Ook een zelfstandig ondernemer of ZZP’er kan bijzondere bijstand en/of de reductieregeling aanvragen. Het inkomen wordt geschat aan de hand van het inkomen van vorig jaar, de laatst vastgestelde jaarrekening, een IB-verklaring of de huidige boekhouding.

 

Als de bijzondere bijstand per jaar meer bedraagt dan de geldende bijstandsnorm per maand wordt aan het eind van het jaar, aan de hand van de jaarrekening, de uiteindelijke draagkracht vastgesteld. Als de draagkracht hoger is dan de verstrekte bijzondere bijstand wordt de bijzondere bijstand terug gevorderd.

De financiële buffer in het bedrijf wordt alleen meegeteld als deze financiële buffer redelijkerwijs ingezet kan worden.

De reductieregeling wordt altijd om niet verstrekt en niet achteraf teruggevorderd.

 

2.12 Uitbetaling van de regelingen

De bijzondere bijstand en reductieregeling worden uitbetaald na het inleveren van de betaalbewijzen. De inwoner kan vragen om de betaling rechtstreeks aan de leverancier te doen.

 

2.13 Stapeling van kosten

Inwoners die gebruikmaken van voorzieningen van de gemeente of van andere instanties, hebben vaak te maken met eigen bijdragen. De kosten worden dan maar voor een deel vergoed en een ander deel blijft voor rekening van de inwoner. Het gaat vaak om medische kosten, maar het komt ook voor bij andere kosten, zoals leerlingenvervoer of kinderopvang.

De gemeente heeft geen beleid over stapeling van eigen bijdragen. Er zijn zoveel verschillende situaties denkbaar dat daar geen beleid voor kan worden gevoerd. Wel geldt voor medische kosten, dat de fiscale aftrekbaarheid (buitengewone uitgaven) een deel vergoeding bieden voor de eigen bijdragen. Daarnaast geldt, dat als de inwoner te maken heeft met een aantal eigen bijdragen, de gemeente kan beoordelen of in de individuele situatie bijzondere bijstand kan worden gegeven(maatwerk).

 

2.14 Herziening en intrekking

De gemeente kan het recht op de regelingen uit het minimabeleid, de bijzondere bijstand of bijdrage kinderopvang herzien of intrekken:

  • 1.

    als het niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 17 Participatiewet geleid heeft tot een ten onrechte of te hoog verstrekte vergoeding;

  • 2.

    als anderszins ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verstrekt.

De bijdrage kan in deze gevallen van de inwoner worden teruggevraagd.

3 Kosten van algemene aard

 

3.1 Aanvullende uitkering voor jongeren

Bijzondere bijstand is het vangnet van de sociale zekerheid. Soms is het overduidelijk dat het inkomen van de inwoner te laag is om de kosten voor het levensonderhoud te betalen, maar zijn er geen andere voorzieningen om het inkomen aan te vullen. Dan kan bijzondere bijstand in beeld komen.

 

3.1.1 Bijzondere bijstand voor levensonderhoud voor jongeren van 18 tot en met 20 jaar

Voor jongeren van 18 tot en met 20 jaar geldt dat zij algemene bijstand kunnen krijgen als ze geen andere mogelijkheden hebben om in het levensonderhoud te voorzien. Deze bijstandsnormen zijn laag, zodat een jongere die op zichzelf woont daar meestal niet genoeg aan heeft om van te leven. De medewerker van de gemeente kan dan nagaan of er aanvullende bijzondere bijstand kan worden gegeven. Dat is pas mogelijk als de jongere geen beroep kan doen op zijn ouder(s). Tot zijn 21e jaar valt de jongere nog onder de onderhoudsplicht van de ouder(s), dus de gemeente moet er zeker van zijn dat de jongere hier niet, of niet voldoende, op kan terugvallen.

 

De gemeente gaat er vanuit dat de onderhoudsplicht van de ouder(s) in ieder geval niet kan worden aangesproken als:

  • a.

    de ouder(s) in het buitenland woont

  • b.

    de jongere buiten het gezin is geplaatst op grond van de Jeugdwet, of

  • c.

    er een acute noodsituatie is waarin de jongere zelf geen verandering kan brengen. Er is dan een indicatie van een hulpverlenende organisatie nodig.

De totale bijstand (bijzondere bijstand plus de algemene bijstand) is in dit geval gelijk aan de bijstandsnormen die gelden voor personen van 21 jaar en ouder, maar jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, in dezelfde leef- en woonsituatie (inclusief de kostendelersnorm).

 

3.1.2 Bijzondere bijstand voor jongeren van 18 tot en met 20 jaar in een inrichting

Jongeren van 18 tot en met 20 jaar die in een inrichting wonen hebben geen recht op algemene bijstand. Wel kan bijzondere bijstand worden gegeven. Ook daarvoor geldt dat de gemeente eerst moet beoordelen of de onderhoudsplicht van de ouder(s) aangesproken kan worden. De bijzondere bijstand is in principe beperkt tot de normen die gelden voor 21-plussers die in een inrichting verblijven.

 

Als de ouder(s) niet wil(len) bijdragen in de kosten, dan onderzoekt de gemeente de mogelijkheden om de verstrekte bijstand te verhalen op de ouders.

 

3.2 Aanvulling alleenstaande ouder

Een alleenstaande ouder krijgt via de Belastingdienst een extra kindgebonden budget. Dit is de zogenaamde alleenstaande ouderkop. Dit is een bedrag van € € 3.190 per jaar (in 2020).

Voor een alleenstaande ouder geldt dezelfde bijstandsnorm als voor een alleenstaande.

In een aantal situaties is in verband met het mislopen van de alleenstaande ouderkop het verlenen van een aanvulling alleenstaande ouder aan de orde.

 

In bijzondere situaties kan de gemeente besluiten om een aanvulling alleenstaande ouder te geven. Daar is in ieder geval sprake van in de volgende gevallen:

  • Het gaat om een echtpaar waarvan één partner niet rechtmatig in Nederland verblijft.

  • De aanvulling alleenstaande ouder wordt niet ontvangen omdat het partnerbegrip voor het extra kindgebonden budget anders is dan voor de uitkering. Hiervan kan sprake zijn als de partner in detentie is of in het buitenland verblijft.

De kosten voor het levensonderhoud van de alleenstaande ouder worden gelijkgesteld met de norm voor een alleenstaande of alleenstaande ouder, artikel 21 onder a Participatiewet, aangevuld met de alleenstaande ouderkop die geldt als belanghebbende geen toeslagpartner heeft. De bijzondere bijstand wordt vastgesteld op het verschil tussen het inkomen van de alleenstaande ouder en de toepasselijke bijstandsnorm.

 

In een aantal situaties is het mogelijk bij de Belastingdienst door te geven dat er geen partner is. Het gaat dan om een echtscheiding of scheiding van tafel en bed. De inwoner komt alleen in aanmerking voor de alleenstaande ouderkop als er een echtscheiding of een scheiding van tafel en bed is aangevraagd. Ook moet er nog voor worden gezorgd dat de ex-partner niet op hetzelfde adres woont en ook niet voorkomt in de BRP (basisregistratie personen) en dus wordt uitgeschreven van het adres van de alleenstaande ouder.

 

De inwoner moet kijken naar de mogelijkheden die er zijn om voor de alleenstaande ouderkop in aanmerking te komen. Dit staat in de artikelen 15 en 55 van de Participatiewet.

 

3.3 Individuele Inkomenstoeslag

Wat is het doel?

De inkomenstoeslag is een jaarlijks extraatje dat het inkomen aanvult. Deze aanvulling is bedoeld voor inwoners die al lange tijd van een laag inkomen rondkomen zonder dat er uitzicht is op een stijging van dat inkomen. De inkomenstoeslag kan per kalenderjaar worden aangevraagd en gegeven.

Wanneer kun de inwoner de inkomenstoeslag krijgen?

  • 1.

    De inkomenstoeslag is bedoeld voor de inwoner van 21 jaar of ouder, maar jonger dan de AOW-leeftijd, die:

    • a.

      in een ononderbroken periode van 36 maanden een inkomen heeft gehad dat lager is dan 110% van de bijstandsnorm;

    • b.

      geen goede financiële buffer heeft; en

    • c.

      geen uitzicht heeft op verbetering van het inkomen.

  • 2.

    Bij een korte onderbreking van de periode van 36 maanden raakt de inwoner zijn recht op inkomenstoeslag niet kwijt. De gemeente bedoelt met een korte onderbreking een periode van maximaal één keer één maand.

  • 3.

    De hoogte van de toeslag is opgenomen in het financieel besluit. Bij gehuwden en samenwonenden geldt dat als één van de partners geen recht heeft op inkomenstoeslag de ander het bedrag voor een alleenstaande of alleenstaande ouder krijgt.

  • 4.

    De normbedragen worden jaarlijks aangepast aan de prijsontwikkeling voor consumptiegoederen. Die verhoging gaat dan in per 1 januari van het jaar erna.

  • 5.

    De gemeente Olst-Wijhe gaat er vanuit dat studenten (op de peildatum en tijdens de voorafgaande periode van 36 maanden) uitzicht hebben op een stijging van het inkomen na afloop van de studie. De inkomenstoeslag is er daarom niet voor hen.

  • 6.

    Als er in de laatste 12 maanden sprake is geweest van het verwijtbaar niet nakomen van arbeids- en/of re-integratieverplichtingen, waarvoor een maatregel van 20% of meer is opgelegd, bestaat er geen recht op de inkomenstoeslag. Er was uitzicht op inkomensverbetering, maar door eigen toedoen is dit teniet gedaan. Gedragingen waarvoor een maatregel is opgelegd van minder dan 20% staan de inkomenstoeslag niet in de weg.

Aanvraag inkomenstoeslag

De inwoner vraagt de inkomenstoeslag per kalenderjaar aan via een aanvraagformulier van de gemeente. De gemeente beoordeelt of de inwoner op de aanvraagdatum aan de voorwaarden heeft voldaan. De individuele inkomenstoeslag geldt niet als een voorliggende voorziening voor de bijzondere bijstand.

 

3.5 Individuele studietoeslag

Studenten met een beperking hebben soms extra ondersteuning nodig om een opleiding te volgen. Dat is belangrijk omdat de kans op werk met een afgeronde opleiding groter is. Met een studietoeslag krijgt de student een zetje in de rug omdat het inkomen wordt aangevuld. In deze paragraaf staat voor welke studenten de studietoeslag is bedoeld, welk bedrag toegekend kan worden en hoe dat wordt uitbetaald.

  • 1.

    De studietoeslag is bedoeld voor de student die:

    • a.

      een mbo-, hbo- of wo-opleiding volgt of naar een praktijkschool of speciaal onderwijs gaat;

    • b.

      een tegemoetkoming in de schoolkosten of studiefinanciering van het DUO krijgt of kan krijgen;

    • c.

      wel kan werken, maar door een medische beperking naast de studie niet in staat is om iets bij te verdienen.

  • 2.

    De student moet 18 jaar of ouder zijn en mag geen goede financiële buffer hebben.

  • 3.

    De studietoeslag wordt niet toegekend als de student een ander inkomen heeft van ten minste 15% van het wettelijk minimumloon.

  • 4.

    De hoogte van de studietoeslag is opgenomen in het financieel besluit.

  • 5.

    Als de student niet meer aan de voorwaarden voldoet, wordt de studietoeslag beëindigd.

Vaststellen beperking

Nadat de student een aanvraag heeft ingediend, onderzoekt de gemeente of de medische beperking van de student zo groot is dat hij naast de studie nooit kan bijverdienen De gemeente doet dat aan de hand van gegevens die zij van de student of van andere instanties heeft gekregen. Als die gegevens niet duidelijk genoeg zijn, vraagt de gemeente een deskundige om advies.

 

Let op!

  • Studenten met een Wajong-uitkering hebben geen recht op de studietoeslag. Voor hen is er een regeling binnen de Wajong.

  • Een belangrijke doelgroep is: jongeren van 18 jaar of ouder die langer op het speciaal onderwijs of een praktijkschool zitten en jongeren die kunnen worden opgenomen in het doelgroep register.

4 Woonkosten

Voor het betalen van de huur is er vaak een voorliggende voorziening: de huurtoeslag. De wetgever gaat er vanuit dat deze toeslag voldoende is. Bijzondere bijstand voor de huur is niet mogelijk, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden. Daarover wordt geen huurtoeslag verstrekt. De bijstand is dan gelijk aan het gelijke deel van de huurtoeslag die de inwoner over die maand had kunnen ontvangen. Bijstand voor woonkosten heet woonkostentoeslag.

 

4.1 Woonkostentoeslag bij een huurwoning

Als de inwoner geen huurtoeslag krijgt omdat de huur te hoog is, kan er ook een bijzondere situatie zijn. De medewerker bespreekt met de inwoner de oorzaak van de hoge woonlasten en de mogelijkheden om goedkopere woonruimte te zoeken en te verhuizen. De woonkostentoeslag wordt als volgt berekend:

  • Welke huurtoeslag zou de inwoner maximaal kunnen krijgen voor deze woning? Dat bedrag kan als bijzondere bijstand worden gegeven.

  • Hoeveel hoger is de huur dan de maximale huurgrens voor de betreffende woning in de situatie van de inwoner? Voor die hogere woonlasten kan dan ook bijzondere bijstand worden gegeven.

De woonkosten bestaan uit de ‘kale’ huur. Dat is de huur die voor de huurtoeslag meetelt. Daarnaast kunnen de servicekosten worden meegenomen. Het gaat om de servicekosten waarvoor huurtoeslag kan worden verstrekt. Zie ook: www.toeslagen.nl. De woonkostentoeslag wordt uitbetaald voor een afgebakende periode (in principe maximaal één jaar). De inwoner zet zich in om goedkopere woonruimte te zoeken.

Voor de huur van een kamer of voor kostgeld wordt in principe geen bijstand gegeven. Voor de huur van een woonwagen is wel bijstand mogelijk.

 

4.2 Woonkostentoeslag bij een eigen woning

Een inwoner met een eigen huis kan geen huurtoeslag krijgen. De medewerker bespreekt met de inwoner wat er nodig is. Wat nodig is, hangt af van de omstandigheden. Het kan betekenen dat de inwoner de woning te koop zet en andere woonruimte zoekt.

Is het nodig dat er woonkostentoeslag wordt verstrekt, dan geldt het volgende: de kosten van de hypotheekrente, de zakelijke lasten en een bedrag voor onderhoud (normen van het Ministerie van VROM) tellen mee voor de hoogte van de woonkosten. De gemeente houdt ook rekening met de (voorlopige) belastingteruggave. Op basis van deze woonkosten wordt de woonkostentoeslag berekend, op dezelfde manier als voor een huurwoning.

 

Als woonkostentoeslag boven de maximale huurgrens nodig is, kan deze beperkt worden tot de periode die nodig is voor de verkoop van de woning, maar in principe voor maximaal één jaar.

Als de inwoner later over dezelfde periode als waarin woonkostentoeslag is gegeven een teruggave van de Belastingdienst ontvangt, bepaalt de gemeente welk bedrag moet worden terugbetaald.

 

4.3 Waarborgsom, administratiekosten en eerste huur

Bij een noodzakelijke huisvesting of verhuizing kan er sprake zijn van een bijzondere situatie. Als er geen andere mogelijkheden zijn om een waarborgsom, administratiekosten en/of de eerste huur te betalen, kan de gemeente bijzondere bijstand geven. De bijstand voor een waarborgsom is in principe een lening. De medewerker van de gemeente maakt afspraken met de inwoner over terugbetaling. Als er ook bijzondere bijstand nodig is voor de inrichting van de woning, dan heeft dit gevolgen voor de maximale hoogte van de bijzondere bijstand voor de woninginrichting. Zie paragraaf 7.2.

 

4.4 Woonlasten bij tijdelijke opname in een inrichting of bij detentie

Tijdens opname in een inrichting lopen de woonlasten vaak door. Voor deze kosten kan bijzondere bijstand worden gegeven als er geen andere mogelijkheden zijn. Gaat het om een langere opname, dan beoordeelt de medewerker of het verstandig is om de huur op te zeggen. De richtlijn is een periode van maximaal zes maanden.

Tijdens detentie kan de gemeente in principe geen bijstand voor doorlopende woonlasten geven. In bijzondere situaties kan er een uitzondering worden gemaakt. Belangrijk is de vraag: wat zijn de gevolgen als er geen bijstand wordt verstrekt?

De bijzondere bijstand kan worden verleend voor de volgende kosten:

  • huur

  • gas, water en elektra ter hoogte van het vastrecht

  • televisie abonnement

  • onroerendezaakbelasting

  • verzekeringen, zoals inboedelverzekering

Voor de wettelijke rente en aflossing van een hypotheek bij een eigen woning kan geen bijzondere bijstand worden gegeven. De inwoner moet dan een regeling treffen met de hypotheekverstrekker.

 

4.5 Kwijtschelding gemeentelijke belastingen

Deze regeling wordt uitgevoerd door de Regionale belastingsamenwerking in Deventer.

Wat is het doel?

De gemeente vindt het belangrijk dat inwoners met een laag inkomen niet te zwaar belast worden. Daarom kunnen deze inwoners onder bepaalde voorwaarden kwijtschelding van de gemeentelijke belastingen krijgen.

Wanneer kan de inwoner kwijtschelding krijgen?

Of de inwoner voor kwijtschelding in aanmerking komt, hangt af van de financiële situatie. Ook de financiële situatie van mogelijke medebewoners kan een rol spelen. Het inkomen mag niet hoger zijn dan de bijstandsnorm. Wanneer de inwoner vraagt om kwijtschelding, dan worden zijn inkomensgegevens vergeleken met de wettelijke normbedragen.

Wat kun je krijgen?

Kwijtschelding kan worden aangevraagd voor:

  • rioolheffing

  • afvalstoffenheffing

De inwoner krijgt geen kwijtschelding voor het aanbieden van afvalzakken. Dit betekent dat de inwoner de kosten van deze aanbiedingen, ook wel ledigingen genoemd, zelf moet betalen. Als de inwoner hiervoor in aanmerking komt, ontvangt hij nog wel kwijtschelding over het basistarief.

Aanvraag kwijtschelding

Kwijtschelding kan aangevraagd via het aanvraagformulier van de gemeente.4

Geen kwijtschelding

De inwoner krijgt geen kwijtschelding als hij voldoende inkomen heeft. Ook krijgt hij geen kwijtschelding als hij vermogen heeft. De wetgever gaat er dan vanuit dat hij de aanslag dan kan betalen. Bovendien krijgt de inwoner ook geen kwijtschelding als hij een eigen bedrijf heeft of als zelfstandige werkt.

Betalingsregeling

Als de inwoner niet in aanmerking komt voor kwijtschelding, maar de gemeentelijke belastingen niet in een keer kan betalen, kan een betalingsregeling worden afgesproken.

5 Medische kosten

Voor medische kosten kan vaak een beroep worden gedaan op de Zorgverzekeringswet, de Wet langdurige zorg en de Wet maatschappelijke ondersteuning. Met ‘medisch’ bedoelen we ook: psychosociaal. Het is in principe niet nodig om voor medische kosten bijzondere bijstand te geven. Toch kan bijzondere bijstand soms noodzakelijk zijn omdat de genoemde regelingen de kosten niet (voldoende) vergoeden.

Collectieve zorgverzekering

Om de kosten van een zorgverzekering te beperken, is er een collectieve zorgverzekering met Salland Verzekeringen (Eno) afgesproken (zie bij 5.1). De inwoner is niet verplicht om daaraan mee te doen. Dat is een eigen keus.

Aanvullende bijstand mogelijk?

Voor overblijvende medische kosten kan de gemeente bijzondere bijstand geven zolang het gaat om kosten die noodzakelijk zijn. Kosten die in elk geval noodzakelijk zijn en waarvoor de wetgever eigen bijdragen vaststelde zijn onder andere:

  • a.

    hulpmiddelen, zoals verbandschoenen, steunzolen, orthopedisch schoeisel

  • b.

    medisch noodzakelijke behandeling door een pedicure/manicure

  • c.

    zittend ziekenvervoer

  • d.

    de wettelijke eigen bijdrage voor eerstelijns psychologische zorg

De bijzondere bijstand is dan gelijk aan de wettelijke eigen bijdrage.

 

Voor medicijnen geldt dat eigen bijdragen voor rekening van de inwoner blijven als ook een goedkoper geneesmiddel gebruikt kan worden en er geen dringende medische noodzaak voor het duurdere middel is.

Voor medische kosten die niet in het basispakket van de Zorgverzekeringswet zijn opgenomen, gaat de gemeente er vanuit dat deze niet noodzakelijk zijn of zo algemeen gebruikelijk zijn dat ze voor rekening van de inwoner blijven. Dit is bijvoorbeeld het geval bij de huisapotheek. In bijzondere situaties kan de gemeente anders besluiten op basis van een medische indicatie. Voor brillen/contactlenzen en tandartskosten is bijzondere bijstand mogelijk als de kosten noodzakelijk zijn. Per situatie beoordeelt de gemeente dit.

 

Voor bepaalde medische kosten is in het basispakket een maximum aantal behandelingen of een maximale vergoeding vastgesteld. Voor extra kosten geeft de gemeente in principe geen bijstand. Voor sommige kosten geldt dat de eigen bijdrage ook wordt opgelegd omdat de inwoner geld bespaart. Dat is bijvoorbeeld zo voor orthopedisch schoeisel. Dan kan geen bijstand worden verleend voor het deel dat de inwoner bespaart. De Nibud-prijzengids geeft daarvoor geschikte normen.

Er kan in geen geval bijzondere bijstand worden gegeven voor de kosten van medische handelingen en verrichtingen die vallen onder de ontwikkelingsgeneeskunde of voor medische handelingen en verrichtingen die in het buitenland plaatsvinden.

Hoogte van de bijstand?

Ook voor medische kosten geldt: de goedkoopste behandeling of uitvoering bepaalt de hoogte van de bijstand.

Medisch advies

Uitgangspunt is dat alle kosten die onder de basisverzekering vallen en volledig of deels worden vergoed als medisch noodzakelijke kosten worden beschouwd.

Daarnaast wordt er bij onderstaande medisch kosten van uitgegaan dat deze kosten medisch noodzakelijk zijn, maar toch om budgettaire redenen niet of niet volledig worden vergoed. Dit staat ook in de Zorgverzekeringswet.

  • brillen en contactlenzen

  • tandheelkundige hulp voor volwassenen

  • eigen bijdrage voor de uitneembare volledige prothetische voorziening voor de boven- en/of onderkaak (kunstgebit)

  • de kosten van de eerste vijf behandelingen fysiotherapie en oefentherapie

  • eigen bijdrage voor een pruik

  • eigen bijdrage voor orthopedisch schoeisel

  • eigen bijdrage voor kraamzorg

  • eigen bijdrage voor ziekenvervoer

Voor de andere medische kosten wordt op basis van een op te vragen medisch advies bepaald of de kosten medisch noodzakelijk zijn. Als dit niet het geval is, dan worden de kosten niet vergoed vanuit de bijzondere bijstand.

 

5.1 Collectieve zorgverzekering

Wat is het doel?

De gemeente vindt het belangrijk dat inwoners goed verzekerd zijn tegen medische kosten. Daarom heeft de gemeente een collectieve zorgverzekering (CZV) bij zorgverzekeraar Salland Verzekeringen afgesloten voor inwoners met een laag inkomen. De CZV geeft een uitgebreidere vergoeding en heeft een lagere premie.

Wanneer kan de inwoner meedoen met de collectieve zorgverzekering?

De CZV is bedoeld voor inwoners met een laag inkomen. Het inkomen is in ieder geval laag als het onder de 130% van de bijstandsnorm blijft. De gemeente beoordeelt niet of er een eigen huis of schulden zijn. Kinderen tot 18 jaar zijn gratis meeverzekerd. Er is geen medische (toegangs)toets. Wanbetalers kunnen de CSV niet afsluiten. Dat zijn verzekerden die zes maanden de premie niet betalen.

 

Inwoners die bij een andere zorgverzekeraar verzekerd zijn, moeten overstappen naar Salland verzekeringen om mee te kunnen doen. Ze moeten dan voor 1 januari van het volgende jaar een aanvraag voor de CZV indienen. Dat is alleen mogelijk in de periode van half november tot

1 januari. Deelname aan de CZV gaat dan in op 1 januari.

 

Inwoners moeten wijzigingen in de gezins- en woonsituatie doorgeven aan Salland verzekeringen en de gemeente. Wijzigingen in het inkomen, waardoor de inwoner boven de genoemde inkomensgrens komen, moet hij doorgeven aan de gemeente. Een inkomen boven de inkomensgrens, vermogen boven de vermogensgrens of een verhuizing naar een andere gemeente in Nederland betekent niet meteen het einde van de verzekering. De verzekering blijft doorlopen in het kalenderjaar, tenzij de inwoner aangeeft dat die eerder beëindigd kan worden.

Wat kan de inwoner krijgen?

Inwoners krijgen een korting op de premie voor de aanvullende verzekeringen. De gemeente draagt per maand per betalende verzekerde afhankelijk van het aanvullende pakket € 4,00 of € 7,00 bij. De vergoedingen zijn ook iets uitgebreider.

Hoe vraagt de inwoner aan?

de inwoner meldt zich aan via de site Gezond Verzekerd (www.gezondverzekerd.nl). De gemeente beoordeelt of de inwoner in aanmerking komt voor deelname aan de gemeentepolis.

Voor vragen over de samenstelling van een pakket en de premies kan contact worden opgenomen met de klantenservice van Salland Zorgverzekeringen, telefoon (0570) 68 74 90 of kijk op de website van Salland Zorgverzekeringen (www.sallandzorgverzekeringen.nl).

 

5.2 Premie aanvullende ziektekostenverzekering

  • 1.

    Er kan een bijdrage in de premie voor de aanvullende zorgverzekering worden gegeven. De hoogte van de bijdrage staat in het financieel besluit. Het gaat om een inwoner die:

    • a.

      geen goede financiële buffer heeft en

    • b.

      moet rondkomen van een inkomen dat lager is dan 110% van de bijstandsnorm

  • 2.

    Bij een inkomen hoger dan 110% van de bijstandsnorm wordt rekening gehouden met dit hogere inkomen.

  • 3.

    Een inwoner die deze bijdrage wil aanvragen, moet dit doen voor 31 december van elk jaar.

  • 4.

    Inwoners die een collectieve ziektekostenverzekering hebben afgesloten krijgen de bijdrage automatisch op hun rekening bijgeschreven.

  • 5.

    Als de inwoner niet het hele jaar recht heeft op bijzondere bijstand wordt het bedrag naar een bijdrage per maand omgerekend.

5.3 Eigen risico zorgverzekering

  • 1.

    Er kan een bijdrage worden gegeven voor het verplichte eigen risico als het eigen risico volledig is opgebruikt. Het gaat om een inwoner die:

    • a.

      geen goede financiële buffer heeft en

    • b.

      moet rondkomen van een inkomen dat lager is dan 110% van de bijstandsnorm.

  • 2.

    Bij een inkomen hoger dan 110% wordt rekening gehouden met dit hogere inkomen.

  • 3.

    Een inwoner die deze bijdrage wil aanvragen, moet dit doen voor 31 december van elk jaar of binnen drie maanden na ontvangst van het bericht dat het volledige eigen risico is opgebruikt.

5.4 Brillen en/of contactlenzen

Voor medische kosten die niet in het basispakket van de Zorgverzekeringswet zijn opgenomen, gaat de gemeente er vanuit dat deze niet noodzakelijk zijn of zo algemeen gebruikelijk zijn dat ze voor rekening van de inwoner blijven. Dit is bijvoorbeeld het geval bij brillen en contactlenzen. In bijzondere situaties kan de gemeente anders besluiten op basis van een medische indicatie.

Bij de vergoeding wordt aangesloten bij de collectieve aanvullende verzekering (Salland Plus). De hoogte van de vergoeding staat in het financieel besluit.

  • 1.

    Als de inwoner geen (collectieve) aanvullende verzekering heeft, kan de inwoner een vergoeding voor een bril krijgen.

  • 2.

    Het gaat om één bril (of contactlenzen) per twee kalenderjaren.

  • 3.

    Alleen als de sterkte van de glazen met minimaal +1 of -1 is veranderd kan de inwoner eerder bijzondere bijstand voor de glazen aanvragen.

  • 4.

    Als de inwoner door medische klachten een dure bril nodig heeft, dan is een verklaring van de oogarts nodig. Er moeten dan brillenglazen of contactlenzen nodig zijn met een sterkte van +8 of -8.

  • 5.

    De maximale hoogte van deze vergoeding, genoemd in lid 4, is vastgelegd in het financieel besluit.

5.5 Hoortoestellen

De kosten van hoorapparaten worden vergoed door de ziektekostenverzekering. Hierbij geldt een wettelijke eigen bijdrage van 25%. Voor deze eigen bijdrage kan bijzondere bijstand worden gegeven. De hoogte van de bijzondere bijstand is gelijk aan de vergoeding die geldt bij de collectieve aanvullende verzekering van Salland plus. Hierbij houdt de gemeente rekening met de vergoeding die de inwoner van zijn eigen verzekeraar ontvangt.

 

5.6 Andere kosten als gevolg van ziekte of handicap

Voor kosten die raakvlakken hebben met medische kosten kan de gemeente bijstand geven als de medische of sociale noodzaak is vastgesteld en de kosten niet op een andere manier kunnen worden vergoed.

Het gaat bijvoorbeeld om de kosten van batterijen van gehoortoestellen, kosten van extra slijtage en bewassing van beddengoed en kleding, extra stookkosten als gevolg van chronische ziekte of handicap. Om te bepalen hoeveel hoger de stookkosten zijn, gaat de gemeente uit van de vuistregel dat elke graad verhoging van de temperatuur een extra verbruik met zich meebrengt van 7%.

Voor al deze kosten geldt dat de gemeente de extra kosten alleen kan vergoeden via de bijzondere bijstand. Om te bepalen hoe hoog die extra kosten zijn, maakt de gemeentegebruik van het financieel Besluit of de laatste Nibud-prijzengids.

Sommige kosten zijn ook aftrekbaar voor de inkomstenbelasting. Met die (mogelijke) aftrekbaarheid houdt de gemeente geen rekening.

 

5.7 Bevalling en kraamhulp

De kosten van bevalling en kraamhulp worden vergoed door de ziektekostenverzekering. Voor de wettelijke eigen bijdrage voor kraamhulp kan bijzondere bijstand worden gegeven. Hierbij wordt rekening gehouden met de vergoeding die de inwoner vanuit de (collectieve) aanvullende ziektekostenverzekering ontvangt.

 

5.8 Persoonlijke alarmering

Als er een medische noodzaak is voor een persoonlijk alarm, dan vergoedt de basisverzekering de aanschafkosten. Is er een sociale noodzaak, dan geeft de gemeente op basis van de Wmo subsidie aan de organisatie die de alarmering verzorgd. In alle gevallen kan de aanvullende ziektekostenverzekering een vergoeding geven. Voor de kosten die voor eigen rekening komen, kan bijzondere bijstand worden gegeven. De gemeente gaat dan uit van de goedkoopste voorziening die nodig is.

Voor vergoeding komt in aanmerking;

  • de huur- en aansluitkosten

  • de service- en/of abonnementskosten (alarmopvolging)

  • huur sleutelkluisje

Voor mensen die in een zorginstelling wonen, wordt alleen de bijdrage voor de kosten van alarmering vergoed. De overige kosten die de verzorgingshuizen in rekening brengen voor een zorgabonnement, komen niet voor de vergoeding via de bijzondere bijstand in aanmerking.

 

5.9 Maaltijdvoorziening

Als men (tijdelijk) niet in staat is om warm eten voor zichzelf te maken of te laten maken, kan de inwoner gebruikmaken van een maaltijdvoorziening waarbij het eten aan huis of het restaurant in de woonvoorziening wordt bezorgd. Omdat deze service duurder is dan zelf koken, kan bijzondere bijstand worden gegeven.

Of dit nodig is, wordt vastgesteld door een indicatie van het toegangsteam Wmo, de (thuis)zorgorganisatie of de medewerker van de gemeente.

Maaltijden die gekocht worden bij een supermarkt, door afhaal- of brengservice, traiteur of een slagerij komen niet voor bijzondere bijstand in aanmerking. De hoogte van de bijdrage is vastgelegd in het financieel besluit.

 

5.10 Tandartskosten

Bijzondere bijstand voor tandartskosten is in de regel niet mogelijk. De inwoner kan voor deze kosten een (aanvullende) ziektekostenverzekering afsluiten.

Als hiervan wordt afgeweken kan voor de kosten van een consult maximaal 100% worden vergoed en voor de behandelkosten maximaal 75% tot een maximumbedrag dat is opgenomen in het financieel besluit. De vergoeding van de afgesloten (collectieve) aanvullende ziektekostenverzekering wordt hier van af gehaald.

 

Alleen bij zeer bijzondere omstandigheden (denk aan ernstige medische complicaties) kan de gemeente overwegen om een hogere vergoeding te geven in de vorm van leenbijstand. De gemeente vraagt dan medisch advies. Denk hierbij aan de mogelijkheid om behandelingen te spreiden over meerdere jaren.

 

Voor de kosten van orthodontie is geen vergoeding mogelijk; voor personen jonger dan 18 jaar is de vergoeding opgenomen in de ziektekostenverzekering. Voor personen ouder dan 18 jaar is er bewust voor gekozen deze kosten niet in de ziektekostenverzekering op te nemen. Hiervoor kan dan ook geen bijzondere bijstand worden verstrekt.

 

5.11 Gebitsprothese

De aanschafkosten van een kunstgebit of reparatiekosten van een kunstgebit worden vergoed door de zorgverzekeraar. Na goedkeuring worden de kosten van een kunstgebit (inclusief de techniekkosten) voor 75% vergoed uit de basisverzekering tot een bepaald maximumbedrag. De hoogte van het bedrag is er van afhankelijk of de tandarts of een tandprotheticus de gebitsprothese verzorgt. Daarnaast wordt een vergoeding gegeven vanuit de aanvullende verzekering. De overgebleven eigen bijdrage komt voor bijzondere bijstand in aanmerking.

Een medisch advies is niet nodig als het gaat om een prothese die eenmaal per vijf jaar wordt vervangen.

Als de inwoner niet aanvullend is verzekerd, wordt rekening gehouden met de vergoeding uit de laagste verzekering.

 

5.12 Fysiotherapie

Voor fysiotherapie en vergelijkbare therapieën, zoals manuele therapie en oefentherapie, is de Zorgverzekeringswet een passende en toereikende voorliggende voorziening. De basisverzekering vergoedt de eerste twintig behandelingen niet (per indicatie). Hiervoor kan een aanvullende verzekering worden afgesloten.

Voor de eerste 20 behandelingen kan bijzondere bijstand worden gegeven, maar dat is buitenwettelijk begunstigend beleid. Het hoeft niet.

 

De eerste twintig behandelingen per aandoening zitten niet in de basisverzekering, dit om budgettaire redenen. Het recht op vergoeding vanuit de basisverzekering gaat in vanaf de 21e behandeling. Als de inwoner een collectieve verzekering bij Salland verzekeringen heeft afgesloten, vergoedt Salland verzekeringen de eerste 20 behandelingen vanuit deze aanvullende Plus verzekering of de eerste 14 behandelingen uit de aanvullende Extra verzekering.

 

Vanuit de bijzondere bijstand kunnen maximaal zes behandelingen per jaar worden vergoed. Het moet hierbij gaan om (chronische) aandoeningen die staan op een door de minister vastgestelde lijst (Bijlage 1 van het Besluit zorgverzekering). Alleen bij zeer dringende redenen kan hiervan worden afgeweken.

Als de inwoner geen aanvullende verzekering heeft, kunnen vanuit de bijzondere bijstand de eerste zes behandelingen worden vergoed. De 14 behandelingen die daar eventueel. achteraankomen, zijn voor rekening van de inwoner.

 

Voor de inwoner die ergens anders aanvullend verzekerd is, worden maximaal 20 behandelingen per jaar vergoed. Hierbij wordt rekening gehouden met de vergoeding die de inwoner ontvangt op basis van de (aanvullende) ziektekostenverzekering.

 

5.13 Eigen bijdrage Wmo

Voor ondersteuning vanuit de Wmo wordt een eigen bijdrage in rekening gebracht. Vanaf 2020 bedraagt het (landelijke) abonnementstarief € 19,00 per maand per huishouden, ongeacht de hoogte van het inkomen.

Voor deze kosten kan bijzondere bijstand worden gegeven waarbij rekening wordt gehouden met de eigen financiële draagkracht.

Ook voor de Zorgverzekeringswet, de Wet langdurige zorg of jeugdhulp kan een eigen bijdrage worden gerekend. De eigen bijdrage wordt in een aantal gevallen inkomensafhankelijk berekend. Ook deze bijdragen komen voor bijzondere bijstand in aanmerking.

Soms is het inkomen te hoog ingeschat. Er moet dan eerst worden gevraagd de bijdrage opnieuw te berekenen op basis van de werkelijke situatie.

6 Kosten van maatschappelijke aard

 

6.1 Bewindvoeringskosten

Soms heeft iemand een bewindvoerder, curator of mentor nodig. Een bewindvoerder kan nodig zijn als de inwoner probleemschulden heeft of niet goed in staat is zijn financiële huishouding zelf te voeren. De gemeente zet zich ervoor in dat deze inwoners goed worden ondersteund, bijvoorbeeld met budgetbeheer en/of schulddienstverlening. Dit wordt uitgevoerd door het Budget Advies Bureau Deventer (BAD).

Als de rechter beschermingsbewind, curatele of mentorschap oplegt, dan zijn de kosten die daaraan zijn verbonden noodzakelijk. Voor deze kosten is bijzondere bijstand mogelijk. Het bedrag dat maximaal kan worden gegeven, wordt berekend volgens de Regeling curatoren, bewindvoerders en mentoren5, tenzij de rechter in zijn beschikking iets anders aangeeft. De bijstand duurt in principe een jaar en kan dan opnieuw worden aangevraagd.

 

6.2 Schulden

Er mag geen bijzondere bijstand worden gegeven voor schulden (artikel 13 lid 1 sub g PW).

Wanneer is er sprake van bijstand voor schulden?

  • 1.

    De inwoner vraagt bijstand voor aflossing van de schulden.

  • 2.

    De inwoner heeft vóór de dag van de aanvraag kosten gemaakt, maar deze nog niet betaald.

  • 3.

    De inwoner heeft vóór de dag van de aanvraag kosten gemaakt en deze zijn door een ander betaald. Als de verplichting tot terugbetaling voldoende is aangetoond, is er een schuld (anders een gift).

Wel schulden, toch bijstand

De wet noemt twee situaties waarin alsnog bijstand voor schulden kan worden gegeven.

  • 1.

    Er kan bijzondere bijstand worden gegeven in de vorm van borgtocht als de inwoner alleen een lening voor de sanering van schulden kan krijgen als er iemand (de gemeente bijvoorbeeld) borg staat.

  • 2.

    De tweede situatie is dat er zeer dringende redenen bestaan om toch bijstand te geven en borgtocht geen oplossing biedt.

6.2.1 Bijstand bij borgtocht

Het sociaal minimum is een gegarandeerd bestaansminimum door het vangnet van de bijstand. Dat betekent dat in principe iedereen kan beschikken over voldoende inkomen om de dagelijkse bestaanskosten te kunnen betalen en het maken van schulden niet nodig is. Iedereen is zelf verantwoordelijk voor het aflossen van zijn schulden. Lukt dit niet, dan kan de inwoner een lening voor het saneren van de schulden aanvragen. Wordt het verzoek om deze lening afgewezen omdat de inwoner onvoldoende mogelijkheden heeft om de lening terug te betalen, dan kan er bijzondere bijstand in de vorm van borgtocht worden gegeven om de schuldsanering alsnog door te laten gaan. De schuldsanering wordt uitgevoerd door het Budget Adviesbureau Deventer (BAD). Als de lening voor het saneren van de schulden niet mogelijk is, kan - als er sprake is van zeer dringende redenen - bijstand in de vorm van een geldlening of een bedrag ‘om niet’ worden gegeven. De aanwezigheid van deze dringende redenen wordt per situatie bekeken.

 

6.3 Rechtsbijstand

Als de inwoner een juridische procedure wil starten, dan betaalt hij daarvoor proceskosten en de kosten van de advocaat. Hij moet altijd eerst telefonisch contact opnemen met het Juridisch Loket voor advies. Het juridisch loket verwijst zo nodig door naar een mediator of advocaat en geeft bij de verwijzing een diagnosedocument mee. Hierin staan het probleem en het advies van het Juridisch Loket beschreven. Het diagnosedocument geeft een korting van € 55,- (bedrag in 2020) op de eigen bijdrage voor rechtshulp. Krijgt de inwoner een mediator of advocaat toegevoegd, dan kan voor de eigen bijdrage bijzondere bijstand worden gegeven. De eigen bijdrage (min de korting van het juridisch loket) kan volledig worden vergoed. Heeft de inwoner een advocaat die niet door de Raad voor de rechtsbijstand is toegevoegd, dan blijven de kosten in principe voor eigen rekening.

 

6.4 Reiskosten

Kosten voor vervoer moet de inwoner in principe zelf betalen als het gaat om privé-activiteiten of om werk. Dat kan anders liggen als het gaat om noodzakelijke reiskosten naar een bestemming buiten de gemeente Olst-Wijhe (maar binnen Nederland).

Denk daarbij aan reiskosten:

  • van en naar een ziekenhuis, een revalidatie- of andere (medische) instelling voor bezoek aan een familielid of dierbare

  • voor bezoek aan een familielid of dierbare die in een gevangenis zit

  • van en naar school die niet door een voorliggende voorziening worden vergoed. Dit voor zover de soort opleiding niet binnen een in onze gemeente algemeen gebruikelijke vervoersafstand (school staat in Deventer, Raalte of Zwolle) gevolgd kan worden. De enkele reisafstand bedraagt ten minste 20 kilometer

  • naar de begrafenis van een familielid of dierbare

  • voor vervoer van en naar een (medische) instelling en vervoer voor weekendverlof

  • voor vervoer vanuit een gevangenis.

Als er geen andere voorziening in de kosten is en de inwoner geen andere (gratis) oplossingen kan vinden voor het vervoer (carpoolen, beroep op vrienden en familie) kan de gemeente bijstand geven. Als de inwoner geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer, kan de gemeente de kosten voor het gebruik van de auto vergoeden voor het bedrag dat is opgenomen in het financieel besluit. In overleg met de inwoner bepaalt de medewerker van de gemeente hoe vaak een bezoek moet worden gebracht. Vuistregel is dat hoe inniger de relatie, hoe vaker de reis noodzakelijk is. Voor een aantal van de hierboven genoemde kosten is de maximale vergoeding opgenomen in het financieel Besluit.

 

6.5 Computerregeling

Er kan bijzondere bijstand worden aangevraagd voor een computer, laptop of tablet. In de aanvraag mogen ook een beeldscherm, toetsenbord, muis en printer inclusief geïnstalleerde software, officepakket, eventuele installatiekosten en meegeleverde extra inktpatronen worden meegenomen. Andere (meer)kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Wanneer kan de inwoner de computerregeling krijgen?

De computerregeling is voor inwoners die in de drie jaar voorafgaand aan de aanvraag een netto-inkomen hebben gehad tot en met 110% van de geldende bijstandsnorm en die in deze periode van drie jaar ook geen financiële buffer hebben gehad. Er wordt uitgegaan van een levensduur van vijf jaar. Reparatiekosten komen niet voor vergoeding in aanmerking. De hoogte van de bijzondere bijstand wordt vastgesteld na inlevering van een offerte. De maximale hoogte van de bijzondere bijstand staat in het financieel besluit.

 

6.6 Begrafenis- of crematiekosten

De kosten van een begrafenis of crematie moet de inwoner betalen uit de nalatenschap en/of een eventuele uitvaartverzekering. Soms kan de inwoner een beroep doen op andere bronnen, zoals het sociale netwerk. Als de inwoner de kosten niet kan betalen, kan hij in aanmerking komen voor bijstand. Hij moet dan wel erfgenaam zijn en hebben meebetaald aan de uitvaartkosten. Vuistregel is dat de gemeente bijstand geeft tot maximaal het erfrechtelijk deel dat de erfgenaam aan kosten heeft, na aftrek van de uitkering van een uitvaartverzekering. De maximale bedragen voor een crematie of begrafenis staan in het financieel besluit. Dit bedrag deelt de gemeente door het aantal erfgenamen. De gemeente betaalt de bijstand op basis van de rekeningen die de inwoner opstuurt.

Als de inwoner geen erfgenaam is, maar een andere verhouding tot de overledene had, dan beoordeelt de gemeente per situatie of er bijstand kan worden verleend. Dit is afhankelijk van de relatie tot de overledene (partner, vriend, collega, etc.), de aanwezigheid en houding van erfgenamen, andere mogelijkheden om in de kosten te voorzien en eigen middelen.

 

6.6.1 Begrafeniskosten in het buitenland

Begrafenis- of crematiekosten in het buitenland van een (in Nederland of in het buitenland) overleden persoon komen niet in aanmerking voor bijstand.

 

6.6.2 Niemand geeft opdracht voor de uitvaart

Als niemand opdracht geeft voor de uitvaart, heeft de gemeente volgens de Wet op de lijkbezorging een zorgplicht. De gemeente geeft dan de opdracht voor de uitvaart en neemt de kosten op zich. In deze situatie is er dus geen sprake van bijstandsverlening. Achteraf bekijkt de gemeente of de kosten kunnen worden verhaald op de eventuele nalatenschap.

 

6.7 Legeskosten voor verblijfsvergunning

Voor het aanvragen van een verblijfsvergunning moet een inwoner meestal kosten maken. Het gaat dan om legeskosten voor de behandeling van de aanvraag. Alleen bij een verlenging van de vergunning kan bijstand worden gegeven voor deze kosten. De bijstand is ‘om niet’ (als gift) en wordt verlaagd met het bedrag dat een Nederlander moet betalen voor een identiteitsbewijs.

7 Kosten woninginrichting en verhuizing

 

7.1 Huishoudelijke goederen en apparaten

Spullen die voor een huishouding noodzakelijk zijn, komen in principe voor rekening van de inwoner. Ook als de inwoner een inkomen op bijstandsniveau heeft, wordt verwacht dat er geld opzij is gezet voor deze kosten. Als dat niet is gelukt, kan een lening worden gevraagd bij het Budget Adviesbureau Deventer (BAD). Pas als dat niet lukt (ook niet met borgstelling) kan de inwoner bijzondere bijstand aanvragen. Heeft de inwoner geen andere mogelijkheden om reparatie, aanschaf of vervanging te kunnen betalen, dan kan de gemeente in bijzondere gevallen bijzondere bijstand geven. Het moet dan gaan om goederen die in een huishouden noodzakelijk zijn, zoals een wasmachine, koelkast of eettafel.

 

Gaat het om vervanging van een noodzakelijk apparaat, dan beoordeelt de medewerker van de gemeente eerst of reparatie mogelijk is. Als dit een passende oplossing is, gaat dat voor. Om te beoordelen of de vervanging noodzakelijk is, kan de medewerker een huisbezoek afleggen of vragen om een bon van een servicemonteur. De bijstand is in principe maximaal het bedrag dat in de Nibud-prijzengids staat. Zijn de kosten lager, dan geeft de gemeente het lagere bedrag.

 

De bijstand heeft de vorm van een lening, tenzij dit niet zinvol is door de bijzondere omstandigheden in de individuele situatie. Dat is in ieder geval zo als er een schuldregeling loopt of als de inwoner in de wettelijke schuldsanering zit. Voor inwoners die langer dan drie jaar een inkomen tot 110% van de bijstandsnorm, geen vermogen hebben gehad en in deze periode zelfstandig hebben gewoond, wordt de bijstand om niet verstrekt. Deze hoeft dus niet te worden terugbetaald.

 

De bijstand wordt betaald op basis van een rekening. Dit kan ook een rekening zijn waarop het bedrag staat dat het gebruiksgoed gaat kosten (offerte). De kosten worden zoveel mogelijk rechtstreeks aan de leverancier betaald.

 

7.2 Woninginrichting

Voor de volledige inrichting van een woning geldt hetzelfde als voor huishoudelijke apparaten. Er zijn enkele verschillen: de hoogte van de bijzondere bijstand wordt berekend aan de hand van de bedragen in het financieel besluit. De bedragen verschillen per type huishouden en aantal personen. De bijstand wordt betaald op basis van een rekening. Dit kan ook een rekeningzijn waarop het bedrag staat dat het gebruiksgoed gaat kosten (offerte). De kosten worden zoveel mogelijk rechtstreeks aan de leverancier betaald.

 

7.3 Verhuiskosten

Gaat het om andere kosten, zoals verf en behang, dan kan de gemeente per huishouden een bedrag ‘om niet’ (als gift) geven. De hoogte van de bijstand wordt vastgesteld aan de hand van de prijzengids van het Nibud. De inwoner die deze bijstand krijgt, moet rekeningen inleveren, zodat deze achteraf kunnen worden gecontroleerd.

 

Voor de kosten van een verhuizing geeft de gemeente bijzondere bijstand voor transportkosten van de inboedel als de verhuizing op medische of sociale gronden noodzakelijk is en er geen andere oplossingen mogelijk zijn. Een voorliggende voorziening voor deze kosten is in ieder geval een maatwerkvoorziening in het kader van de Wmo voor een medisch noodzakelijke verhuizing of een tegemoetkoming van de werkgever waarop de inwoner aanspraak kan maken.

 

7.4 Aanvulling op de kosten van rente en aflossing (suppletie)

Als het inkomen onvoldoende is om de lening voor het kopen van de spullen in huis terug te betalen, kan voor een deel van deze kosten bijzondere bijstand worden gegeven. Bijvoorbeeld als iemand vanuit een asielzoekerscentrum zelfstandig gaat wonen en de woning helemaal moet worden ingericht. Deze aanvulling wordt toegekend voor zolang de lening duurt, maar is maximaal drie jaar.

De berekening van de hoogte staat in het financieel besluit.

 

Als de bijstand eenmaal is vastgesteld wijzigt deze alleen als de bijstandsnorm voor de inwoner verandert. Ook kan de hoogte van de bijstand worden aangepast als het eigen inkomen van de inwoner of zijn gezin verandert. Zodra de inwoner gaat verhuizen buiten de gemeente stopt deze bijstand.

 

7.5 Overbruggingsuitkering

Er kan eenmalig bijzondere bijstand (overbruggingsuitkering) worden gegeven voor de kosten van levensonderhoud. Dit kan als er voordat de inwoner een uitkering ontvangt geen inkomen was en/of de inwoner door bijzondere omstandigheden geen geld opzij heeft kunnen zetten voor de kosten van levensonderhoud. De berekening van de hoogte staat in het financieel besluit.

 

7.6 Babyuitzet

De kosten van een kraampakket/babyuitzet zijn in principe voor eigen rekening. De inwoner kan zich op de bevalling voorbereiden en daarvoor geld opzij leggen of een andere oplossing zoeken. Het kan zijn dat de inwoner een beroep kan doen op anderen of andere organisaties, zoals Stichting babyspullen.

 

Voor de hoogte van de bijstand sluit de gemeente aan bij het basispakket voor een babyuitzet zoals opgenomen in de Nibud-prijzengids. Bijstand wordt als lening gegeven, tenzij dit niet zinvol is door de bijzondere omstandigheden in de individuele situatie.

Een inwoner kan een aanvraag doen na de zesde maand van de zwangerschap. Als de inwoner een aanvraag indient voor de zesde maand van de zwangerschap kan de gemeente wachten tot na de zesde maand met het nemen van een besluit. De medewerker kan de inwoner vragen om een zwangerschapsverklaring van de verloskundige over de vermoedelijke datum van bevalling.

8 Reductieregeling

Om actief deel te kunnen nemen aan de samenleving is het belangrijk dat inwoners meedoen aan maatschappelijke activiteiten. Hieraan zijn meestal kosten verbonden. Inwoners met een laag inkomen kunnen een vergoeding krijgen om te sporten en om mee te doen aan culturele, religieuze en andere maatschappelijke activiteiten. Ook abonnementen op kranten, tijdschriften, tv, internet of telefoon kunnen worden vergoed.

 

De reductieregeling is bedoeld voor inwoners met een laag inkomen. De inwoner die een inkomen heeft dat lager is dan 110% van de bijstandsnorm kan van de gemeente een bijdrage krijgen uit de reductieregeling. De gemeente kijkt niet of er een financiële buffer is.

 

De gemeente vergoedt de feitelijke kosten tot een maximumbedrag per jaar. De bedragen staan in het financieel besluit. Er wordt een besluit genomen voor het hele kalenderjaar. Kosten die in de loop van het jaar worden gemaakt, kunnen worden ingediend met een declaratieformulier. De inwoner ontvangt een brief van de gemeente waarin staat welk bedrag er nog tegoed is voor de rest van het jaar. De inwoner moet een aanvraag indienen voor 1 februari volgend op het jaar waarin de kosten zijn gemaakt.

 

8.1 Reductieregeling voor kinderen

Kinderen vormen een belangrijke én kwetsbare groep waar de gemeente zich verantwoordelijk voor voelt. De gemeente heeft maatregelen genomen om armoede onder kinderen tegen te gaan en kinderen te helpen mee te doen aan maatschappelijke activiteiten. Deze maatregelen samen vormen de reductieregeling voor kinderen. Hierna zijn de uitgangspunten benoemd die voor de reductieregeling voor kinderen gelden.

 

De reductieregeling voor kinderen is bedoeld voor gezinnen met minderjarige kinderen, die moeten rondkomen van een inkomen dat lager is dan 130% van de bijstandsnorm. De gemeente kijkt niet of er een financiële buffer is.

 

Ouders kunnen een bijdrage krijgen voor hun kinderen voor de kosten van school, een computer, sport, cultuur, ontspanning, kinderkleding, peuterspeelzaal en leerzame activiteiten.

De hoogte van de bijdrage staat in het financieel besluit. Er wordt een besluit genomen voor het hele kalenderjaar. Kosten die in de loop van het jaar worden gemaakt, kunnen worden ingediend met een declaratieformulier. De inwoner ontvangt een brief van de gemeente een brief waarin staat welk bedrag er nog tegoed is voor de rest van het jaar. Ouders moeten een aanvraag voor de reductieregeling voor kinderen indienen voor 1 februari volgend op het jaar waarin de kosten zijn gemaakt.

9 Kosten kinderopvang

De gemeente kan aan een ouder een bijdrage in de kosten van kinderopvang geven als aanvulling op de kinderopvangtoeslag die wordt ontvangen van de Belastingdienst,. Het totaal is niet meer dan de kosten van de kinderopvang.

 

9.1 Wie komt er in aanmerking voor deze aanvulling?

Deze bijdrage geldt voor de ouder met een of meer kinderen tot en met de basisschoolleeftijd, met een inkomen niet hoger dan de voor hem geldende bijstandsnorm. Daarbij gelden de volgende voorwaarden. De ouder:

  • a.

    krijgt ondersteuning van de gemeente om dichter bij werk te komen;

  • b.

    heeft inkomsten uit parttime werk en ontvangt een aanvullende bijstandsuitkering van de gemeente;

  • c.

    neemt deel aan een inburgeringstraject;

  • d.

    volgt een opleiding en krijgt daarvoor een tegemoetkoming in de schoolkosten of studiefinanciering van DUO;

    of

  • e.

    de ouder met een of meer kinderen in de basisschoolleeftijd, die vanuit een bijstandsuitkering aan het werk is gegaan en een inkomen heeft dat niet hoger is dan 110% van de bijstandsnorm;

  • f.

    gezinnen die op grond van een sociaal medische indicatie kosten voor kinderopvang moeten maken.

9.1.1 Voorwaarden voor de toekenning

De bijdrage in de kosten kinderopvang wordt alleen toegekend voor de uren die nodig zijn voor het werk, het re-integratietraject, inburgeringstraject of de opleiding.

Voorwaarden Sociaal Medische Indicatie

De jeugdarts of jeugdconsulent van de gemeente beoordeelt of de kinderopvang noodzakelijk is, voor hoeveel uren en voor hoe lang en geeft hier een indicatie voor af.

De indicatie wordt alleen in de volgende situaties gegeven;

  • het kind of de ouder waar het om gaat heeft een lichamelijke, zintuigelijke, verstandelijke of psychische beperking en waarbij duidelijk is dat een of meer van deze beperkingen kinderopvang noodzakelijk maken, of

  • er is vastgesteld dat de veiligheid van het kind in het geding is, of

  • er is vastgesteld dat kinderopvang in het belang van een goede en gezonde ontwikkeling van het kind noodzakelijk is, of

  • er is vastgesteld dat sprake is van een crisissituatie waardoor de ouder tijdelijk niet in staat is de verzorging van het kind of betaling van de opvang op zich te nemen.

Bij het vaststellen van de vergoeding voor kinderopvang op grond van een SMI wordt uitgegaan van maximaal 24 uren (= 4 dagdelen) per week. Als er voor meer uren een vergoeding wordt aangevraagd moet hiervoor een aanvullende indicatie worden afgegeven.

 

Er wordt altijd gekeken of er van een andere voorziening gebruik kan worden gemaakt. Het gaat dan in ieder geval om;

  • Wet Kinderopvang

  • peuterspeelzaal

  • Voor en vroegschoolse opvang

  • zorgverzekering

  • ouderschapsverlof

  • zorgverlof

  • kinderopvangvergoeding via werkgever

  • overige ondersteuning via Wmo/AWBZ

  • informele opvang bij bijvoorbeeld familie

9.1.2 Hoogte van de bijdrage in de kinderopvang

De hoogte van de bijdrage voor de kosten van kinderopvang wordt gelijkgesteld aan de door de Belastingdienst vastgestelde eigen bijdrage. Deze bedraagt een percentage van de van toepassing zijnde maximale subsidiegrondslag als bedoeld in artikel 4, eerste lid Besluit kinderopvangtoeslag.

 

De hoogte van de bijdrage kan worden verhoogd met het verschil tussen de feitelijke uurprijs en de vastgestelde maximale uurprijs als bedoeld in artikel 4, eerste lid Besluit kinderopvangtoeslag. Waarbij de feitelijke uurprijs niet meer dan 40% kan afwijken van de vastgestelde maximale uurprijs.

 

Als het gaat om een sociaal medische indicatie worden de feitelijke kosten vergoed. Hierop wordt de financiële draagkracht zoals bedoeld in paragraaf 2.9.1 in mindering gebracht. Op grond van paragraaf 2.10.1 wordt het vermogen in de woning niet meegenomen.

 

9.1.3 Hoe lang wordt de tegemoetkoming verstrekt?

De tegemoetkoming wordt verstrekt zo lang als nodig is, maar wordt telkens verleend voor de duur van maximaal één jaar.

Hiervan wordt in een aantal situatie afgeweken:

  • a.

    Voor de ouder die vanuit de bijstandsuitkering is gaan werken wordt de tegemoetkoming toegekend voor maximaal 26 weken.

  • b.

    De tegemoetkoming op grond van een Sociaal medische Indicatie wordt toegekend voor maximaal 26 weken. Deze periode kan, na een herindicatie, verlengd worden met nog eens maximaal 26 weken.

  • c.

    De tegemoetkoming wordt maximaal verstrekt tot één maand na het beëindigen van het traject, de (parttime) werkzaamheden, de inburgering of de scholing.

9.1.4 Betaling van de tegemoetkoming

De tegemoetkoming wordt vastgesteld op basis van het te verwachten aantal afgenomen uren of de dagdelen kinderopvang. De tegemoetkoming voor de kosten van kinderopvang, wordt verstrekt in de vorm van een voorschot. De tegemoetkoming wordt dus vooraf betaald.

 

Na afloop van de periode waarin de tegemoetkoming is verstrekt, levert de ouder (of de kinderopvangorganisatie) binnen acht weken een overzicht in van de gemaakte kosten. Daarna stelt de gemeente de uiteindelijke bijdrage vast.

 

De gemeente verrekent de uitgekeerde bedragen met de uiteindelijke bijdrage. Als deze hoger is dan het totale bedrag dat al is betaald, dan krijgt de inwoner nog een extra bedrag. Als de definitieve tegemoetkoming lager is dan het bedrag dat is uitbetaald, wordt het verschil van de ouder teruggevraagd.

 

Als gebruik wordt gemaakt van kinderopvang op grond van een sociaal medische indicatie moet de ouder elke maand de rekening van de kinderopvang inleveren.

Als gebruik wordt maakt van kinderopvang via een kinderdagverblijf, buitenschoolse opvang of gastouderopvang, dan moet de ouder na afloop van de periode van toekenning een definitief urenoverzicht inleveren.

 

9.1.5 Beëindiging

De tegemoetkoming wordt beëindigd op het moment dat de inwoner niet meer valt onder de doelgroep als bedoeld in paragraaf 9.1.1 of op het moment dat geen gebruik meer wordt gemaakt van de kinderopvang.

Als dit nodig is kan rekening worden gehouden met één maand opzegtermijn.

10 Slotbepalingen

Deze beleidsregels zijn gebaseerd op de Participatiewet, de Algemene wet bestuursrecht, de Gemeentewet, de Invorderingswet en op de Verordening sociaal domein Olst-Wijhe.

 

Meer concreet:

Thema

Artikelen

Financiële tegemoetkomingen: aanvraag

4:1 en 4:4 Algemene wet bestuursrecht

Inkomenstoeslag

36 Participatiewet en 7.4 Verordening sociaal domein Olst-Wijhe

Studietoeslag

36b Participatiewet en 7.3Verordening sociaal domein Olst-Wijhe

Reductieregeling

149 Gemeentewet

Collectieve zorgverzekering

35 lid 3 Participatiewet

Tegemoetkoming zorgkosten

35 lid 1 Participatiewet

Kwijtschelding gemeentelijke belastingen

255 Gemeentewet en 16 Uitvoeringsregeling Invorderingswet

Individuele bijzondere bijstand: toelatingsvoorwaarden

11 tot en met 16 Participatiewet

Individuele bijzondere bijstand: grondslag, hoogte, draagkracht

35 lid 1 Participatiewet

Individuele bijzondere bijstand: vorm

48 Participatiewet

Kosten Kinderopvang

Wet Kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen

 

10.1 Intrekking en inwerkingtreding

De beleidsregels armoedebestrijding Olst-Wijhe treden in werking op de dag na bekendmaking en werken terug tot 1 januari 2020. Deze beleidsregels vervangen de daarvoor geldende beleidsregels Bijzondere Bijstand en Minimabeleid gemeente Olst-Wijhe 2019.

  • 1.

    De voorziening die op grond van de ingetrokken beleidsregels wordt verstrekt, loopt na de ingangsdatum van deze beleidsregels door. Deze voorziening loopt door tot de gemeente een nieuw besluit over die voorziening heeft genomen en het toekenningsbesluit is afgelopen.

  • 2.

    De beleidsregels Bijzondere Bijstand en Minimabeleid gemeente Olst-Wijhe 2019 zoals die luidde voor de vaststelling van deze nieuwe beleidsregel, blijft van toepassing op aanvragen om een voorziening die voor de inwerkingtreding van deze nieuwe beleidsregel zijn ingediend.

  • 3.

    Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de ingetrokken beleidsregels Bijzondere Bijstand en Minimabeleid gemeente Olst-Wijhe 2019, past de gemeente die ingetrokken beleidsregel toe.

11 Begrippenlijst

In deze beleidsregels worden allerlei begrippen gebruikt.

Deze begrippen hebben dezelfde betekenis als in de wetten en de verordening Sociaal domein waarop deze beleidsregels zijn gebaseerd. In deze begrippenlijst worden de begrippen die gebruikt zijn uitgelegd.. Soms wordt extra informatie toegevoegd om duidelijk te maken in welk verband het begrip wordt gebruikt.

 

Abonnementstarief Wmo: een vast tarief voor de eigen bijdragen die de inwoner moet betalen voor een Wmo-voorziening.

 

Armoedeval: achteruitgang in inkomen als een uitkeringsgerechtigde een baan aanneemt op of rond het minimumloon. Dit komt door het wegvallen van tegemoetkomingen van de gemeente of van toeslagen zoals huurtoeslag en zorgtoeslag.

 

Beslagvrije voet: bij schulden kan er beslag worden gelegd op een deel van het loon of uitkering. Een beslaglegger is bijvoorbeeld een deurwaarder of de Belastingdienst. In de wet staat dat de deurwaarder een gedeelte van het inkomen moet vrij houden. Dit deel heet de beslagvrije voet. Hiervan moet de inwoner de vaste lasten betalen. Het inkomen boven de beslagvrije voet wordt aan de deurwaarder overgemaakt om uw schuld af te lossen.

 

Bijstandsnorm: de maximale hoogte van de bijstandsuitkering. De hoogte hangt af van de woon- en leefsituatie en de leeftijd van de inwoner.

 

Bijstandsuitkering: de algemene bijstand voor levensonderhoud. Als het om een jongere van 18 tot 21 jaar gaat, dan wordt met bijstandsuitkering bedoeld: de algemene bijstand plus de aanvullende bijzondere bijstand.

 

Bijzondere bijstand: is er voor dingen die de inwoner echt nodig heeft, maar niet zelf kan betalen. De kosten moeten bijzonder en noodzakelijk zijn. Bijzondere bijstand is bedoeld als laatste mogelijkheid. Soms kunnen kosten ook worden uitgesteld of zijn er andere oplossingen.

De gemeente bepaalt of u hier recht op heeft. Hierbij kijkt de gemeente naar uw individuele omstandigheden en financiële situatie.

 

Budgettaire redenen: een aantal medische kosten zijn wel noodzakelijk maar worden niet vergoed door de ziektekostenverzekering omdat dit de overheid teveel geld gaat kosten. Dit is zo geregeld in de zorgverzekeringswet.

 

Detentie: inwoners die in de gevangenis worden vastgezet na een veroordeling door de rechter of in voorlopige hechtenis in afwachting van een uitspraak van de rechter.

 

Doelgroepregister: hierin staan mensen die tot de doelgroep van de banenafspraak behoren. Het gaat dan om mensen met een arbeidsbeperking.

 

Draagkracht: dit is het bedrag dat de inwoner zelf moet betalen. Zijn de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd hoger dan wordt een gedeelte vergoed.

 

DUO: de Dienst Uitvoering Onderwijs. Deze dienst voert verschillende onderwijswetten- en regelingen uit.

 

Financiële buffer: een goede financiële buffer is een vermogen op of boven de vermogensgrens. Vermogen is het totaal aan bezit in geld en goederen.

 

Gemeente: College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Olst-Wijhe

 

Huisapotheek: een kleine voorraad eenvoudige zelfzorgmiddelen, verband- en geneesmiddelen die over het algemeen zonder voorschrift van een arts gebruikt kunnen worden.

 

Inkomen: alles wat iemand als opbrengst van werk, een eigen onderneming of vermogen krijgt, bijvoorbeeld loon, winst, dividend of rente. Bij inkomen wordt vaak over geld gesproken, maar goederen of diensten kunnen ook tot het inkomen behoren.

 

Inkomstenvrijlating: deel van het inkomen dat mag worden vrijgelaten volgens artikel 31 lid 2 van de Participatiewet.

 

Inrichting: hieronder vallen verschillende instellingen waar personen zijn opgenomen zoals ziekenhuizen en psychiatrische inrichtingen.

 

Maximale huurgrens: voor het berekenen van huurtoeslag wordt rekening gehouden met een maximale huurgrens. Hoe hoog de huur mag zijn hangt af van de leeftijd, woonsituatie en het inkomen.

 

Medewerker: de persoon die namens het college van burgemeester en wethouders optreedt, zoals de consulent die het gesprek met de inwoner voert.

 

Kindgebonden budget: een bijdrage in de kosten voor kinderen tot 18 jaar. Deze bijdrage is afhankelijk van het inkomen van de ouders en wordt uitbetaald door de Belastingdienst.

 

Kostendelersnorm: norm voor de hoogte van een uitkering. Naarmate meer mensen in een huis wonen, ontvangt iedere afzonderlijke uitkeringsgerechtigde een lagere uitkering omdat meer mensen de kosten kunnen delen.

 

Nibud prijzengids: in de gids staan de prijzen van veel belangrijke artikelen en diensten, zoals voeding, kleding en woninginrichting. Deze prijzen worden gezien als richtbedragen voor de bijzondere bijstand.

 

Participatiewet: een regeling voor werk en inkomen en iedereen die (gedeeltelijk) kan werken. Deze wet regelt de ondersteuning van mensen bij het vinden van (aangepast) werk en het krijgen van een inkomen.

 

Prijsontwikkeling voor consumptiegoederen: de ontwikkeling van de gemiddelde prijzen van verschillende goederen en diensten zoals de dagelijkse boodschappen, huur, energiekosten en schoolkosten.

 

Om niet: een juridische term waarmee wordt aangegeven dat iets gratis is zonder dat daar een tegenprestatie tegenover staat.

 

Ontwikkelingsgeneeskunde: medische behandelingen op basis van wetenschappelijk onderzoek waarbij de werking nog niet is aangetoond, dit is geregeld in de Wet op bijzondere medische verrichtingen.

 

Ouders: ouders, voogden of verzorgers van de jongere.

 

Persoonlijke situatie: alle omstandigheden, (on)mogelijkheden en persoonskenmerken van de inwoner die van belang zijn.

 

Reductieregeling: een vergoeding voor huishoudens met een laag inkomen. Het doel van de regeling is te voorkomen dat mensen in armoede niet mee kunnen doen aan bijvoorbeeld sport, culturele activiteiten of activiteiten van school. Er is een reductieregeling voor kinderen en een regeling voor volwassenen.

 

Uitkeringsnorm: de maximale hoogte van een uitkering in de situatie van de inwoner.

 

Uitvaartkosten: de kosten van begrafenis of crematie.

 

Wmo: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, een wet die regelt dat mensen zo lang mogelijk zelfstandig kunnen blijven wonen en blijven meedoen in de samenleving.

12 Citeertitel

Deze beleidsregels worden aangehaald als Beleidsregels armoedebestrijding Olst-Wijhe.

Aldus vastgesteld in de vergadering van burgemeester en wethouders van de gemeente Olst-Wijhe op 17 maart 2020

Burgemeester en wethouders van Olst-Wijhe

De secretaris,

D.L.W. (Dries) Zielhuis

de burgemeester,

A.G.J. (Ton) Strien

Bijlage financieel besluit

 

Deze bijlage financieel besluit hoort bij de beleidsregels armoedebestrijding Olst-Wijhe. In de beleidsregels armoedebestrijding Olst-Wijhe zijn zo weinig mogelijk bedragen genoemd. De maximale vergoedingen, normbedragen en dergelijke, zijn opgenomen in dit financieel besluit. De gemeente zal de bedragen in het financieel besluit jaarlijks aanpassen. Hierdoor wordt voorkomen dat jarenlang verouderde bedragen in de beleidsregels zijn opgenomen.

 

De nummering verwijst naar de betreffende paragrafen in de beleidsregels.

 

Onderstaande bedragen zijn de bedragen per 1-1-2020 en worden waar nodig jaarlijks aangepast aan de hand van de consumentenprijsindex van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Voor 2020 bedraagt deze 2,7%.

3.3 Hoogte van de individuele inkomenstoeslag

De hoogte van de individuele inkomenstoeslag is per jaar:

  • a.

    € 312,- voor een alleenstaande

  • b.

    € 403,- voor een alleenstaande ouder

  • c.

    € 447,- voor gehuwden of samenwonenden

3.5 Hoogte van de individuele studietoeslag

De hoogte van de individuele studietoeslag bedraagt € 300,- per maand. Deze wordt elke maand uitbetaald.

5.2 Premie aanvullende ziektekostenverzekering

De vergoeding voor de premie aanvullende ziektekostenverzekering bedraagt de te betalen premie aanvullende ziektekostenverzekering tot een maximumbedrag van € 400,- per jaar per betalende verzekerde van 18 jaar en ouder.

5.3 Eigen risico ziektekostenverzekering

De vergoeding voor een deel van het eigen risico ziektekostenverzekering bedraagt € 200,- per jaar per betalende verzekerde van 18 jaar en ouder.

5.4 Brillen/contactlenzen

Voor de kosten van een bril kan maximaal € 75,- per twee jaar worden vergoed.

Als de inwoner door medische klachten een dure bril nodig heeft, dan is een verklaring van de oogarts nodig. Er moeten dan brillenglazen of contactlenzen nodig zijn met een sterkte van +8 of -8.

De maximale vergoeding bedraagt dan voor een bril (montuur en glazen) € 355,-.

5.5 Hoortoestellen

De bijdrage voor een hoortoestel bedraagt maximaal € 200,-.

Voor de bijbehorende servicekosten geldt een vergoeding van € 63,- per jaar.

Voor de batterijen geldt een vergoeding van € 25,- bij één en € 45,- bij twee hoortoestellen per jaar.

5.9 Maaltijdvoorziening

De eigen bijdrage warme maaltijd voor een alleenstaande bedraagt € 2, en voor een echtpaar € 4,. De maximale vergoeding voor een warme maaltijd wordt vastgesteld op € 6,70.

5.10 Tandartskosten

Voor de tandartskosten van een consult kan maximaal 100% worden vergoed en voor de overige behandelkosten maximaal 75% tot een maximumbedrag van € 250,00 per jaar.

5.13 Eigen bijdrage Wmo

De eigen bijdrage bedraagt € 19,- per maand.

6.4 Reiskosten

De vergoeding voor reizen met eigen auto bedraagt maximaal € 0,19 per kilometer.

De maximale vergoeding voor reiskosten in verband met een medische/psychische behandeling bedraagt maximaal € 200,- per jaar.

6.5 computerregeling

De bijstand voor een computer met toebehoren bedraagt maximaal € 750,-. In geval er voor een tablet wordt gekozen bedraagt de bijstand maximaal € 350,-.

6.5 Begrafenis- of crematiekosten

Voor een crematie vergoedt de gemeente maximaal € 5.250,- en voor een begrafenis maximaal € 6.500,-.

7.2 Woninginrichtingskosten

Voor woninginrichting kan maximaal worden vergoed voor een:

 

a.

alleenstaande (kamerbewoner)

€ 1.737,-

b.

alleenstaande (zelfstandig gehuisvest)

€ 3.326,-

c.

gezin van 2 personen

€ 4.928,-

d.

Voor elke persoon meer

€ 885,-

7.4 Suppletie

De hoogte van de bijstand wordt per maand vastgesteld volgens de rekensom;

Het bedrag dat aan de bank moet worden betaald

€ (bedrag lening)

Het bedrag voor eigen rekening 5% van de bijstandsnorm

€ (eigen bijdrage) -/-

De financiële draagkracht

€ (bedrag draagkracht) -/-

Het bedrag waarvoor bijzondere bijstand wordt verstrekt

€ (bedrag bijstand)

7.5 Overbruggingsuitkering

De overbruggingsuitkering wordt vastgesteld volgens de rekensom:

Datum ingang uitkering

..-..-....

Maand waarin de eerste keer volledige bijstandsuitkering wordt ontvangen

................

Welke maand dient volledig te worden overbrugd

................

 

 

Van toepassing zijnde norm + toeslag exclusief vakantietoeslag

€........,..

Eigen bijdrage in de woonkosten over deze volledige maand

€........,..

Eigen bijdrage in de woonkosten van de niet volledige maand minus huurtoeslag

€........,..

De te betalen huurnota inclusief kosten van SallandWonen

€........,..

 

 

Overbruggingsuitkering voor betrokkene is

€.........,..

Betaling aan Salland wonen

€.........,..

8 Reductieregeling

De reductieregeling bedraagt maximaal € 250,- voor een echtpaar en € 200,- voor een alleenstaande per jaar.

8.1 Reductieregeling voor kinderen

De bijdrage is maximaal € 550,- per jaar per kind (hiervan kan maximaal € 300,- worden besteed aan een computer).

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van burgemeester en wethouders van de gemeente Olst-Wijhe op 17 maart 2020

Burgemeester en wethouders van Olst-Wijhe,

de secretaris,

D.L.W. (Dries) Zielhuis

de secretaris, de burgemeester,

A.G.J. (Ton) Strien

Naar boven