Gemeenteblad van Zaanstad
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Zaanstad | Gemeenteblad 2019, 88000 | Verordeningen |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Zaanstad | Gemeenteblad 2019, 88000 | Verordeningen |
Besluit tot wijziging van het Havenreglement Noordzeekanaalgebied 2012
Artikel 1.1 wordt als volgt gewijzigd:
Artikel 3.1 wordt als volgt gewijzigd:
Artikel 6.1 wordt als volgt gewijzigd:
Paragraaf 7 wordt als volgt gewijzigd:
Artikel 7.1 wordt als volgt gewijzigd:
Artikel 7.1 Aanvraag van een vergunning afgifte en in ontvangst nemen van scheepsafval, overige schadelijke stoffen of restanten van schadelijke stoffen
Artikel 7.2 Aanvraag van een vergunning voor het LNG-bunkeren met een schip
Bij de aanvraag van een vergunning, als bedoeld in artikel 4.6a van de Havenverordening, eerste lid, worden in ieder geval de volgende gegevens verstrekt:
Artikel 7.3 Aanvraag van een vergunning voor het exploiteren van een drijvende LNG-aangedreven elektriciteitsvoorziening
Bij de aanvraag van een vergunning als bedoeld in artikel 4.6c van de Havenverordening, eerste lid, worden in ieder geval de volgende gegevens verstrekt:
Artikel 11.1 wordt als volgt gewijzigd:
Artikel 11.1 Melding ligplaats nemen bunkerschip, LNG-bunkerschip en dienstverlenend schip
Artikel 11.2 wordt als volgt gewijzigd:
Artikel 11.10 wordt als volgt gewijzigd:
Toelichting op Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen
De volgende begripsomschrijving wordt toegevoegd:
Voor het verkrijgen van een vergunning moet het LNG-bunkerbedrijf aantonen dat het, bij operaties met LNG, procedures hanteert die erop gericht zijn de veiligheid zo veel mogelijk te borgen. Hiertoe dient het veiligheidsmanagementsysteem van het LNG-bunkerbedrijf erkend te zijn op basis van de normen van het door IAPH ontwikkelde accreditatiesysteem. Met de positieve resultaten van een audit van het veiligheidsmanagementsysteem, getoetst aan het accreditatiesysteem van IAPH, spreekt de havenautoriteit een formele erkenning uit dat een LNG bunkerbedrijf bekwaam is om de specifieke LNG bunker taken veilig en kwalitatief hoogstaand uit te voeren en dat het op basis daarvan de leiding mag hebben over de LNG bunkeroperatie.
De toelichting op Artikel 3.1 wordt gewijzigd en komt te luiden:
Artikel 3.1 Tankschepen met gevaarlijke stoffen buiten het oliehavengebied
Artikel 3.1 regelt onder welke voorwaarden tankschepen met gevaarlijke stoffen buiten het oliehavengebied mogen liggen, indien zich een gevaarlijke stof als lading of ladingresidu aan boord bevindt. Ladingresidu omvat hierbij tevens gasvormige ladingrestanten. Tankschepen (zowel zeetankschepen als binnentankschepen) kunnen grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen (waaronder ook gasvormige ladingsresiduen) aan boord hebben en dat kan grote risico’s met zich meebrengen. Om de risico’s van deze schepen zoveel mogelijk te beperken, zijn op basis van artikel 3.11 van de Havenverordening zogenaamde oliehavengebieden aangewezen. De oliehavengebieden zijn bekend gemaakt in een apart aanwijzingsbesluit met de daarbij behorende, zogenaamde oliehavenkaart.
Uitgangspunt is dat tankschepen in principe in een oliehavengebied afmeren. Op dit uitgangspunt is een aantal in dit artikel opgesomde uitzonderingen mogelijk. De in het artikel opgenomen criteria werden voorheen in de ontheffing opgenomen. Door deze nu in het artikel op te nemen, zal het aantal gevraagde ontheffingen naar verwachting aanzienlijk afnemen. Indien een tankschip niet aan de criteria van dit artikel voldoet, dan is ligplaats nemen buiten het oliehavengebied verboden, tenzij op grond van het vierde lid ontheffing is verkregen.
Het eerste lid, onderdeel c, stelt regels aangaande een combinatietankschip. Een combinatietankschip is gebouwd om afwisselend vloeibare of droge lading te vervoeren. Er kunnen zich ten gevolge van dit afwisselend vervoer brandbare ladingresiduen in de sloptanks bevinden. Indien het combinatietankschip geladen is of wordt met losgestorte bulklading in vaste vorm, zal het schip buiten het oliehavengebied afmeren. Indien het combinatietankschip voldoet aan de criteria van dit artikel, kan na een melding als bedoeld in artikel 11.7 worden afgemeerd buiten het oliehavengebied. Indien het schip niet voldoet aan de gestelde criteria van dit artikel, is ligplaats nemen buiten het oliehavengebied verboden, tenzij een ontheffing wordt verleend op grond van het vierde lid.
In verband met internationale verplichtingen ten aanzien van de dubbelwandigheid van de scheepsromp van combinatietankschepen is nagenoeg de hele wereld-combinatietanker-vloot niet meer geschikt voor het vervoer van aardolie. Deze schepen worden gesloopt of vervoeren nog uitsluitend droge bulklading. Bij werfbeurten worden meer en meer de olierestanten verwijderd en nemen de veiligheidsrisico's voor deze schepen af. De hele regeling aangaande combinatietankschepen is hierop aangepast en vereenvoudigd. Een melding als bedoeld in artikel 11.7 in samenhang met het gestelde in dit artikel en de handhaving van de regeling biedt voldoende garantie voor de havenveiligheid.
Tankschepen met gevaarlijke stoffen meren in principe af in het oliehavengebied. Zij kunnen op andere ligplaatsen afmeren, zoals bijvoorbeeld afmeerboeien en -palen. Het verbod op grond van het eerste lid, onderdeel f, geldt dan niet, indien deze ligplaatsen in een collegebesluit zijn aangemerkt als ligplaats conform artikel 3.10 van de Havenverordening. In het besluit van deze aangewezen ligplaatsen zijn per ligplaats beperkingen gesteld aan de activiteiten, waardoor de veiligheid is gewaarborgd.
Onderdeel g biedt de mogelijkheid aan LNG-bunkerschepen om LNG-brandstof af te geven buiten oliehavengebied. Hiermee kunnen LNG-bunkeringen plaatsvinden buiten oliehavengebied. Het LNG-bunkerschip, met LNG aan boord, dient zo kort mogelijk te verblijven buiten oliehavengebied.
In het tweede lid is bepaald dat een gasdeskundige zijn onderzoek direct aanvangt na het afmeren van een combinatietankschip. De reden hiervan is gelegen in het feit dat zo spoedig mogelijk na het afmeren bepaald moet worden of het schip aan de gestelde criteria voldoet. Indien dit niet het geval is, zal bekeken moeten worden of het schip ter plaatse kan blijven liggen of dat het dient te verhalen naar een alternatieve ligplaats om aldaar er voor te zorgen dat aan de gestelde voorwaarden voldaan wordt. Op grond van artikel 1.10 van de Havenverordening is de kapitein verantwoordelijk voor het ten spoedigste mondeling (laten) melden van de resultaten van dit onderzoek en het schriftelijk (laten) bevestigen daarvan aan de havenmeester. Om de veiligheid te waarborgen direct na het afmeren en voordat het onderzoek als bedoeld in het tweede lid is afgerond, is in het derde lid van dit artikel bepaald dat er géén operationele handelingen plaats mogen vinden, totdat een gasdeskundige heeft vastgesteld, dat dit veilig kan.
Voor het ligplaats nemen door tankschepen buiten een oliehavengebied geldt op grond van het vijfde lid een meldingsplicht. De nadere invulling van de melding is opgenomen in artikel 11.7.
De toelichting op Artikel 6.1 wordt gewijzigd en komt te luiden:
Artikel 6.1 Verbod langszij meren bij tankschepen met gevaarlijke stoffen
Dit artikel regelt het ligplaats nemen langszij tankschepen geladen met of leeg van gevaarlijke stoffen, teneinde een veilige situatie te waarborgen. Deze tankschepen kunnen zowel in het oliehavengebied ligplaats hebben als daarbuiten. Het normadressaat van dit artikel is de kapitein of schipper van het langszij komende schip. Dit neemt niet weg dat de schipper/kapitein van het tankschip waarlangs langszij wordt gegaan ook zijn verplichtingen heeft, met name die op basis van de artikelen 4.1 en 5.1. In het bijzonder wordt gewezen op artikel 4.1, vijfde en elfde lid en artikel 5.1, eerste en tweede lid.
In het eerste lid is in zijn algemeenheid bepaald welke schepen uitgezonderd zijn van het verbod en aan welke minimale veiligheidsvoorwaarden moet worden voldaan. Deze veiligheidsvoorwaarden hebben onder meer betrekking op de locatie van afmeren (binnen of buiten de ladingzone), de bouw- en uitrustingseisen en de maximale afmeerbreedte van het aantal schepen.
In het tweede, derde en vierde lid zijn verbijzonderingen opgenomen ten opzichte van het eerste lid, die verband houden met de activiteiten van het schip, waarlangs ligplaats genomen moet worden.
Het tweede lid bepaalt dat er geen schepen ligplaats mogen nemen langszij tankschepen die betrokken zijn bij de overslag van een gas als bedoeld in de IGC Code of het ADN. De reden hiervan is dat de gevaarseigenschappen van gassen dermate groot zijn dat het gedurende de overslag van deze ladingen verboden is om voor andere schepen langszij ligplaats te nemen. Een uitzondering is gemaakt voor de rechtstreekse overslag van gas tussen twee gastankschepen.
Het derde lid staat toe, dat slechts één schip mag afmeren langszij een zeetankschip, dat bezig is met het wassen met ruwe olie. Het af te meren schip moet een binnentankschip zijn, dat voldoet aan het ADN, waardoor een voldoende veiligheidsniveau aanwezig is.
Het vierde lid regelt het langszij ligplaats nemen bij zeetankschepen, als bedoeld in artikel 4.1 onder a, b of c, die schoonmaken, anders dan met ruwe aardolie. Onderdeel a bepaalt dat er een dienstverlenend tankschip langszij een zeetankschip ligplaats mag nemen dat bezig is met het uitvoeren van een voorwas als bedoeld in Marpol Annex II of dat ladingresiduen als bedoeld in Marpol Annex II overneemt. Aan het langszij komende tankschip hoeven geen nadere eisen gesteld te worden. Reden hiervan is dat het schip geschikt moet zijn om de ladingresiduen te mogen vervoeren en dus qua constructie gelijk is aan het zeetankschip.
Onderdeel b van het vierde lid heeft betrekking op het gewijzigde artikel 4.4 van de Arbeidsomstandighedenregeling. Voorheen verbood voornoemde regeling elke vorm van werkzaamheden aan dek en ladingzones van een tankschip dat zich bezighoudt met het schoonmaken. Veel tankschepen die gevaarlijke en schadelijke stoffen vervoeren, hebben intussen een constructie waarbij ladingtanks volledig gesloten schoongemaakt kunnen worden en er geen gevaar is wanneer andere werkzaamheden aan dek of in andere ladingtanks plaatsvinden. Om die reden is de Arbeidsomstandighedenregeling aangepast in die zin dat het onder voorwaarden toegestaan is dat andere werkzaamheden op het schip plaatsvinden tijdens het gesloten schoonmaken van ladingruimten. Aanvullend daarop wordt in dit Havenreglement toegestaan dat aan een tankschip dat gesloten schoonmaakt ten hoogste twee tankschepen afmeren, die betrokken zijn bij de ladingoverslag. Hierdoor kan flexibeler worden omgegaan met het toekennen van ligplaatsen aan tankschepen in de haven.
In het vijfde lid is een ontheffingsmogelijkheid opgenomen, waardoor in bijzondere gevallen ook andere type schepen dan vermeld in het eerste lid toestemming kunnen krijgen om langszij te komen.
In het zesde lid is voor de bunkerschepen, LNG-bunkerschepen en dienstverlenende schepen een meldingsverplichting van het langszij komen opgenomen, zodat de havenmeester kan toetsen of het langszij afmeren veilig en verantwoord kan plaats vinden.
De titel van paragraaf 7 Vergunning wordt gewijzigd in Vergunningen
De toelichting op Artikel 7.1 wordt gewijzigd en komt te luiden:
Artikel 7.1 Aanvraag van een vergunning afgifte en in ontvangst nemen van scheepsafval, overige schadelijke stoffen of restanten van schadelijke stoffen
Aan de aanvrager van een vergunning (voorheen “aanwijzing” genoemd, maar die term strookt niet met de juridische status, namelijk die van vergunning, een beslissing op een aanvraag) van een bedrijf met ontvangstvoorzieningen wordt een formulier gezonden waarop is vermeld welke gegevens in ieder geval bij de aanvraag dienen te worden overgelegd. De gegevens komen overeen met de inhoud van het genoemde formulier. Deels betreft het overleggen van gegevens, zoals een inzamelvergunning op basis van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en een uittreksel uit het register van de Kamer van Koophandel. Deels dient de aanvrager bepaalde zaken te specificeren, zoals de gegevens van de in te zetten ontvangstvoorzieningen en de soorten afvalstoffen voor welke de aanvraag wordt ingediend.
De toelichtingen op de Artikelen 7.2 en 7.3 worden toegevoegd en luiden als volgt:
Artikel 7.2 Aanvraag van een vergunning voor het LNG-bunkeren met een schip
De aanvrager van een vergunning dient bepaalde gegevens overleggen. Deels betreft het administratieve gegevens, zoals de resultaten van een audit op het veiligheidsmanagementsysteem voor LNG-bunkeren en een uittreksel uit het register van de Kamer van Koophandel. Deels dient de aanvrager bepaalde zaken te specificeren, zoals de gegevens van de schepen die onder de vergunning komen te vallen en die ingezet zullen gaan worden voor het uitvoer van de LNG-bunkeringen, zoals de naam en het registratienummer.
Artikel 7.3 Aanvraag van een vergunning voor het exploiteren van een drijvende LNG-aangedreven elektriciteitsvoorziening
Aan de aanvrager van een vergunning van een bedrijf met een LNG-aangedreven elektriciteitsvoorziening worden gegevens gevraagd, die in ieder geval bij de aanvraag dienen te worden overgelegd. Deels betreft het administratieve gegevens, zoals relevante certificaten en een uittreksel uit het register van de Kamer van Koophandel. Deels dient de aanvrager bepaalde zaken ten aanzien van de in te zetten elektriciteitsvoorziening, opleiding van het personeel en locaties waar de voorziening wordt ingezet verder te specificeren.
De toelichting op Artikel 11.1 wordt gewijzigd en komt te luiden:
Artikel 11.1 Melding ligplaats nemen bunkerschip, LNG-bunkerschip en dienstverlenend schip
In verband met een actueel overzicht van de ligplaatsbezetting in de haven en een toetsing of het totaal aan afgemeerde schepen op een ligplaats mogelijk is in het kader van artikel 3.3 van de Havenverordening (beschikbare operationele ruimte) en er géén belemmering zal optreden ten opzichte van de overige scheepvaart, dienen de zogenaamde faciliterende schepen zich vooraf bij de havenmeester te melden.
Deze melding door bunkerschepen en LNG-bunkerschepen zal praktisch gezien samenvallen met de verplichte meldingen uit artikel 11.2 en 11.10. Echter, de reden van de meldingen in 11.2 en 11.10 heeft een andere grondslag, respectievelijk die van milieu en veiligheid, terwijl de melding in artikel 11.1 haar grondslag vindt in de nautische ordening.
Daarnaast zal deze melding voor dienstverlenende schepen praktisch gezien samenvallen met de melding als bedoeld in artikel 11.6 en 11.10. Echter, de meldingen in 11.6 en 11.10 hebben een andere grondslag, namelijk die van veiligheid bij het binnenvaren van een oliehavengebied of langszij afmeren bij tankschepen met gevaarlijke stoffen, terwijl artikel 11.1 haar grondslag vindt in de nautische ordening. Verder zullen dienstverlenende schepen zich op basis van dit artikel altijd moeten melden, ook wanneer zij een dienst verlenen aan een schip buiten het oliehavengebied of aan een schip, niet zijnde een tanker met gevaarlijke stoffen.
Bij de invulling van de meldingswijze zullen genoemde meldingen op een praktische wijze worden geïntegreerd tot één melding, zodat administratieve lasten beperkt blijven.
De toelichting op Artikel 11.2 wordt gewijzigd en komt te luiden:
Artikel 11.2 Melding bunkeren, overpompen van brandstofolie of LNG-bunkeren
De meldverplichting aangaande het bunkeren of LNG-bunkeren van zeeschepen is uitgebreid met een meldplicht in verband met het overpompen van brandstofolie, smeerolie tussen bunkerschepen. De melding vindt plaats uit het oogpunt van milieubelangen, waarbij de havenmeester een actueel overzicht heeft van de bunkeroperaties en LNG-bunkeroperaties in de haven. De bunkermelding en LNG-bunkermelding zullen praktisch gezien worden geïntegreerd met de melding als bedoeld in artikelen 11.1 en 11.10.
Er bestaat ook een mogelijkheid dat de havenmeester van de verplichtingen vrijstelling verleent.
De toelichting op Artikel 11.6 wordt gewijzigd en komt te luiden:
Artikel 11.6 Melding binnenvaren oliehavengebied
Deze meldverplichting is opgenomen, zodat de havenmeester uit oogpunt van veiligheid noodzakelijke kennis heeft van de aanwezigheid van dienstverlenende, bagger- of werkschepen in het oliehavengebied. De havenmeester is hierdoor op de hoogte van de aanwezigheid en de uit te voeren werkzaamheden in het oliehavengebied en kan toetsen of deze schepen voldoen aan de bouw- en uitrustingseisen en of de activiteiten veilig plaats kunnen vinden.
Op bunkerschepen en LNG-bunkerschepen is deze melding niet van toepassing, omdat bunkerschepen en LNG-bunkerschepen uit veiligheidsoogpunt over het algemeen voldoen aan de uitrustingseisen voor een tankschip van het type N, of strenger, conform het ADN. Voor de paar uitzonderingen op deze regel wordt dit ondervangen door de verplichte melding conform artikelen 11.1 en 11.2. Voor de dienstverlenende schepen zal deze melding uit praktisch oogpunt eveneens samenvallen met de melding van artikel 11.1 en, indien van toepassing, met de melding van artikel 11.10.
De toelichting op Artikel 11.10 wordt gewijzigd en komt te luiden:
Artikel 11.10 Melding langszij afmeren bij tankschepen met gevaarlijke stoffen
Ten behoeve van een toetsing door de havenmeester of de betreffende schepen voldoen aan de bouw- en uitrustingseisen om veilig langszij deze schepen af te meren, alsmede de toetsing of zij in verband met de activiteiten van het betreffende zeetankschip juist op dat moment veilig langszij af kunnen meren, is deze melding ingevoerd. Deze melding zal voor bunkerschepen en LNG-bunkerschepen praktisch gezien samenvallen met de melding als bedoeld in artikelen 11.1 en 11.2. Voor dienstverlenende schepen zal deze melding praktisch gezien samenvallen met de melding als bedoeld in artikel 11.1 en, indien van toepassing, met de melding van artikel 11.6.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2019-88000.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.